Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 MEI 2006. - Wet betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten. (NOTA 1 : art. 2, 6°, b, gewijzigd met inwerkingtredingdatum vastgesteld op 01-09-2014 bij W2013-01-21/12, art. 3, zichzelf opgeheven bij W2013-12-15/05, art. 34, 002; Inwerkingtreding : 01-01-2014) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-06-2006 en tekstbijwerking tot 04-08-2025)
Titre
17 MAI 2006. - Loi relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine. (NOTE : art. 2, 6°, b, modifié avec date d'entrée en vigueur fixée au 01-09-2014 par L2013-01-21/12, art. 3, abrogé lui-même par L2013-12-15/05, art. 34, 002; En vigueur : 01-01-2014) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-06-2006 et mise à jour au 04-08-2025)
Informations sur le document
Numac: 2006009456
Datum: 2006-05-17
Info du document
Numac: 2006009456
Date: 2006-05-17
Table des matières
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITEL II. - Definities.
TITEL III. - Bepalingen inzake het slachtoffer.
TITEL IV. - De door de minister toe te kennen s...
HOOFDSTUK I. - De uitgaansvergunning.
HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof.
HOOFDSTUK IIbis. [1 - De plaatsing in een trans...
HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan...
Afdeling I. [1 - De procedure tot toekenning va...
Afdeling II. - Maatregelen in geval van niet-na...
HOOFDSTUK IV. - De onderbreking van de strafuit...
HOOFDSTUK IVbis. - [1 Bepaling die gemeen is aa...
HOOFDSTUK V. [1 - De invrijheidstelling met het...
HOOFDSTUK VI. [1 - Informatie aan het slachtoff...
TITEL V. - De door de strafuitvoeringsrechter e...
HOOFDSTUK I. - De beperkte detentie en het elek...
Afdeling I. - De beperkte detentie.
Afdeling II. - Het elektronisch toezicht.
Afdeling III. - De tijdsvoorwaarden.
HOOFDSTUK II. - De voorwaardelijke invrijheidst...
Afdeling I. - Definitie.
Afdeling II. - De tijdsvoorwaarden.
HOOFDSTUK IIbis. [1 Bepaling die gemeen is aan ...
HOOFDSTUK III. - De voorlopige invrijheidstelli...
HOOFDSTUK IV. - [1 De vermindering van de duur ...
TITEL VI. - Over de toekenning van de door Tite...
HOOFDSTUK I. - De vrijheidsstraffen van drie ja...
Afdeling I. - Definitie.
Afdeling II. - De voorwaarden.
Afdeling III. - De toekenningsprocedure.
Afdeling IV. - De beslissing van de strafuitvoe...
Onderafdeling I. - Algemene bepaling.
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekennin...
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toe...
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslis...
HOOFDSTUK II. - De vrijheidsstraffen van meer d...
Afdeling I. - De voorwaarden.
Afdeling II. - De toekenningsprocedure.
Afdeling III. - De beslissing van de strafuitvo...
Onderafdeling I. - Algemene bepaling.
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekennin...
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toe...
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslis...
HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan...
Afdeling I. - Bijzondere maatregelen.
Afdeling II. - De aanvang van de uitvoering van...
Afdeling III. - De wijziging van de beslissing.
TITEL VI/1. [1 - De wijziging van de bevoegdhei...
TITEL VII. - De opvolging en de controle van de...
TITEL VIII. - De herroeping, de schorsing en de...
HOOFDSTUK I. - De herroeping.
HOOFDSTUK II. - De schorsing.
HOOFDSTUK III. - De herziening.
HOOFDSTUK III/1. [1 - De vordering tot herbeoor...
HOOFDSTUK IV. - De procedure.
HOOFDSTUK V. - Diverse bepalingen.
TITEL IX. - De voorlopige aanhouding.
TITEL X. - De definitieve invrijheidstelling.
TITEL XI. - De bijzondere bevoegdheden van de s...
HOOFDSTUK I. - De voorlopige invrijheidstelling...
HOOFDSTUK II. - De samenloop van misdrijven.
HOOFDSTUK III. - De vervanging van de door de s...
HOOFDSTUK IV. [1 De vermindering van de duur va...
TITEL XIbis. - Bijzondere bevoegdheden van de s...
HOOFDSTUK I. - De terbeschikkingstelling van de...
Afdeling 1. - Algemeen
Afdeling 2. - Uitvoeringsprocedure van de terbe...
Afdeling 3. - Het verloop van de vrijheidsbeneming
Onderafdeling 1. - Algemeen
Onderafdeling 2. - Uitgaansvergunning en penite...
Onderafdeling 3. - Beperkte detentie en elektro...
Afdeling 4. - Ambtshalve jaarlijkse controle do...
Afdeling 5. - Het verloop van de invrijheidstel...
Afdeling 6. - Ontheffing van de terbeschikkings...
TITEL XII. - Het cassatieberoep.
TITEL XIIbis. - Overlegstructuren.
TITEL XIIter. [1 Het gebruik van videoconferent...
TITEL XIIquater. [1 Tijdelijke bepalingen ]1
HOOFDSTUK I. [1 De noodprocedure strafuit-voeri...
Afdeling 1. [1 Toepassingsgebied ]1
Afdeling II. [1 Strafuitvoeringsmodaliteiten ]1
Afdeling III. [1 De toekenningsvoorwaarden en -...
Afdeling IV. [1 De beslissing van de strafuitvo...
HOOFDSTUK II. [1 De vervroegde invrijheidstelli...
TITEL XIII. - Wijzigings-, opheffings- en overg...
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen.
Afdeling 1. - Wijziging van de voorafgaande tit...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van s...
Afdeling 3. - Wijziging van het Strafwetboek.
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 23 mei 1...
Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 5 august...
HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen.
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen.
TITEL XIV. - Inwerkingtreding.
Table des matières
TITRE Ier. - Disposition générale.
TITRE II. - Définitions.
TITRE III. - Dispositions concernant la victime.
TITRE IV. - Des modalités d'exécution de la pei...
CHAPITRE Ier. - De la permission de sortie.
CHAPITRE II. - Du congé pénitentiaire.
CHAPITRE IIbis. [1 - Le placement en maison de ...
CHAPITRE III. - Dispositions communes aux chapi...
Section Ire. [1 - De la procédure d'octroi de l...
Section II. - Des mesures en cas de non-respect...
CHAPITRE IV. - De l'interruption de l'exécution...
CHAPITRE IVbis. - [1 Disposition commune aux ch...
CHAPITRE V. [1 - De la libération en vue d'un é...
CHAPITRE VI. [1 - De l'information à la victime...
TITRE V. - Des modalités d'exécution de la pein...
CHAPITRE Ier. - De la détention limitée et de l...
Section Ire. - De la détention limitée.
Section II. - De la surveillance électronique.
Section III. - Des conditions de temps.
CHAPITRE II. - De la libération conditionnelle.
Section Ire. - Définition.
Section II. - Des conditions de temps.
CHAPITRE IIbis. - [1 Disposition commune aux ch...
CHAPITRE III. - De la mise en liberté provisoir...
CHAPITRE IV. - [1 De la réduction de la durée d...
TITRE VI. - Octroi des modalités d'exécution de...
CHAPITRE Ier. - Des peines privatives de libert...
Section Ire. - Définition.
Section II. - Des conditions.
Section III. - De la procédure d'octroi.
Section IV. - De la décision du juge de l'appli...
Sous-section Ire. - Disposition générale.
Sous-section II. - De la décision d'octroi d'un...
Sous-section III. - De la décision de non-octro...
Sous-section IV. - De la communication de la dé...
CHAPITRE II. - Des peines privatives de liberté...
Section Ire. - Des conditions.
Section II. - De la procédure d'octroi.
Section III. - De la décision du tribunal de l'...
Sous-section Ire. - Disposition générale.
Sous-section II. - De la décision d'octroi d'un...
Sous-section III. - De la décision de non-octro...
Sous-section IV. - De la communication de la dé...
CHAPITRE III. - Dispositions communes aux chapi...
Section Ire. - Des mesures particulières.
Section II. - Du début de l'exécution de la mod...
Section III. - De la modification de la décision.
TITRE VI/1. [1 - De la modification de la compé...
TITRE VII. - Du suivi et du contrôle des modali...
TITRE VIII. - De la révocation, de la suspensio...
CHAPITRE Ier. - De la révocation.
CHAPITRE II. - De la suspension.
CHAPITRE III. - De la révision.
CHAPITRE III/1. [1 - De l'action en réévaluatio...
CHAPITRE IV. - De la procédure.
CHAPITRE V. - Dispositions diverses.
TITRE IX. - De l'arrestation provisoire.
TITRE X. - De la libération définitive.
TITRE XI. - Des compétences particulières du ju...
CHAPITRE Ier. - De la libération provisoire pou...
CHAPITRE II. - Du concours d'infractions.
CHAPITRE III. - Du remplacement de la peine pri...
CHAPITRE IV. - [1 De la réduction de la durée d...
Titre XIbis. - Des compétences particulières du...
CHAPITRE Ier. - De la mise à la disposition du ...
Section 1re. - Généralités
Section 2. - De la procédure d'exécution de la ...
Section 3. - Du déroulement de la privation de ...
Sous-section 1re. - Généralités
Sous-section 2. - De la permission de sortie et...
Sous-section 3. - De la détention limitée et de...
Section 4. - Du contrôle annuel d'office par le...
Section 5. - Du déroulement de la libération so...
Section 6. - De la levée de la mise à la dispos...
TITRE XII. - Du pourvoi en cassation.
TITRE XIIbis. - Structures de concertation.
TITRE XIIter. [1 L'utilisation de la vidéoconfé...
TITRE XIIquater. [1 Dispositions temporaires ]1
CHAPITRE Ier. [1 De la procédure d'urgence juge...
Section 1. [1 Champ d'application ]1
Section II. [1 Modalités d'exécution de la pein...
Section III. [1 Conditions et procédure d'octro...
Section IV. [1 De la décision du juge de l'appl...
CHAPITRE II. [1 La libération anticipée "surpop...
TITRE XIII. - Dispositions modificatives, abrog...
CHAPITRE Ier. - Dispositions modificatives.
Section Ire. - Modification du titre préliminai...
Section 2. - Modifications du Code d'instructio...
Section 3. - Modification du Code pénal.
Section 4. - Modification de la loi du 23 mai 1...
Section 5. - Modification de la loi du 5 août 1...
CHAPITRE II. - Dispositions abrogatoires.
CHAPITRE III. - Dispositions transitoires.
TITRE XIV. - Entrée en vigueur.
Tekst (282)
Texte (282)
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
TITEL II. - Definities.
TITRE II. - Définitions.
Art.2. Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder :
1° de minister : de Minister van Justitie;
2° de veroordeelde : een natuurlijke persoon die veroordeeld is tot een vrijheidsstraf krachtens een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan;
3° [2 de directeur : de ambtenaar bedoeld in artikel 2 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.]2
4° de strafuitvoeringsrechter : de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank;
5° het openbaar ministerie : het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;
6° het slachtoffer : de volgende categorieën van personen die bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geïnformeerd en/of te worden gehoord in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels :
a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
b) [1 de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;]1
c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;
[1 d) de nabestaande van de persoon van wie het overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld; onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk waren;]1
[1 e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen; onder naaste wordt verstaan : de echtgenoot van het niet-overleden slachtoffer, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk zijn.]1
[1 Ten aanzien van de personen die onder de categorieën c), d) en e) vallen, oordeelt de strafuitvoeringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van titel III, of ze een direct en legitiem belang hebben;]1;
7° staat van herhaling : de herhaling zoals gedefinieerd door het Strafwetboek en door bijzondere strafwetten en die is vastgesteld in het vonnis of arrest van veroordeling door de uitdrukkelijke verwijzing naar de veroordeling die aan de herhaling ten grondslag ligt;
8° [3 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen: de diensten van de Gemeenschappen bevoegd voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, voor de opvolging en de begeleiding van veroordeelde personen evenals voor de bijstand aan slachtoffers.]3
1° de minister : de Minister van Justitie;
2° de veroordeelde : een natuurlijke persoon die veroordeeld is tot een vrijheidsstraf krachtens een gerechtelijke beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan;
3° [2 de directeur : de ambtenaar bedoeld in artikel 2 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden.]2
4° de strafuitvoeringsrechter : de voorzitter van de strafuitvoeringsrechtbank;
5° het openbaar ministerie : het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank;
6° het slachtoffer : de volgende categorieën van personen die bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit kunnen vragen om te worden geïnformeerd en/of te worden gehoord in de door deze wet bepaalde gevallen, volgens de door de Koning bepaalde regels :
a) de natuurlijke persoon wiens burgerlijke vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
b) [1 de natuurlijke persoon voor wie een vonnis of een arrest bepaalt dat er ten aanzien van hem strafbare feiten zijn gepleegd, of zijn wettelijke vertegenwoordiger;]1
c) de natuurlijke persoon die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen;
[1 d) de nabestaande van de persoon van wie het overlijden rechtstreeks is veroorzaakt door het strafbaar feit of de nabestaande van een overleden persoon die zich burgerlijke partij had gesteld; onder nabestaande wordt verstaan de echtgenoot van de overleden persoon, de persoon die met hem samenleefde en met hem een duurzame affectieve relatie had, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk waren;]1
[1 e) de naaste van een niet-overleden slachtoffer die zich omwille van een situatie van materiële onmogelijkheid of kwetsbaarheid geen burgerlijke partij heeft kunnen stellen; onder naaste wordt verstaan : de echtgenoot van het niet-overleden slachtoffer, de persoon die met hem samenleeft en met hem een duurzame affectieve relatie heeft, zijn bloedverwanten in opgaande of neerdalende lijn, zijn broers of zussen, alsook anderen die van hem afhankelijk zijn.]1
[1 Ten aanzien van de personen die onder de categorieën c), d) en e) vallen, oordeelt de strafuitvoeringsrechter op hun verzoek, overeenkomstig de bepalingen van titel III, of ze een direct en legitiem belang hebben;]1;
7° staat van herhaling : de herhaling zoals gedefinieerd door het Strafwetboek en door bijzondere strafwetten en die is vastgesteld in het vonnis of arrest van veroordeling door de uitdrukkelijke verwijzing naar de veroordeling die aan de herhaling ten grondslag ligt;
8° [3 de bevoegde dienst van de Gemeenschappen: de diensten van de Gemeenschappen bevoegd voor de organisatie en de controle van het elektronisch toezicht, voor de opvolging en de begeleiding van veroordeelde personen evenals voor de bijstand aan slachtoffers.]3
Art.2. Pour l'application de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution, on entend par :
1° le ministre : le Ministre de la Justice;
2° le condamné : une personne physique qui a été condamnée à une peine privative de liberté en vertu d'une décision judiciaire passée en force de chose jugée;
3° [2 le directeur : le fonctionnaire visé à l'article 2 de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus. ]2
4° le juge de l'application des peines : le président du tribunal de l'application des peines;
5° le ministère public : le ministère public près le tribunal de l'application des peines;
6° la victime : les catégories suivantes de personnes qui, dans les cas prévus par la présente loi, peuvent demander, en cas d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine, à être informées et/ou entendues selon les règles prévues par le Roi :
a) la personne physique dont l'action civile est déclarée recevable et fondée;
b) [1 la personne physique à l'égard de laquelle un jugement ou un arrêt établit que des infractions ont été commises, ou son représentant légal;]1
c) la personne physique qui n'a pas pu se constituer partie civile par suite d'une situation d'impossibilité matérielle ou de vulnérabilité;
[1 d) le proche de la personne dont le décès résulte directement de l'infraction ou le proche d'une personne décédée qui s'était constituée partie civile; par proche, on entend le conjoint de la personne décédée, la personne qui cohabitait et entretenait une relation affective durable avec elle, ses ascendants ou descendants, ses frères et soeurs, ainsi que les personnes qui étaient à sa charge;]1
[1 e) le proche d'une victime non décédée qui n'a pas pu se constituer partie civile par suite d'une situation d'impossibilité matérielle ou de vulnérabilité; par proche, on entend : le conjoint de la victime non décédée, la personne qui cohabite et entretient une relation affective durable avec elle, ses ascendants ou descendants, ses frères et soeurs, ainsi que les personnes qui sont à sa charge.]1
[1 A l'égard des personnes qui relèvent des catégories c), d) et e), le juge de l'application des peines apprécie, à leur demande, conformément aux dispositions du titre III, si elles ont un intérêt direct et légitime]1
7° état de récidive : la récidive comme définie par le Code pénal et par des lois pénales particulières et qui est établie dans le jugement ou l'arrêt de condamnation par le renvoi exprès à la condamnation qui est à la base de la récidive;
8° [3 le service compétent des Communautés: les services des Communautés compétents pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, pour le suivi et la guidance des personnes condamnées ainsi que pour l'assistance aux victimes.]3
1° le ministre : le Ministre de la Justice;
2° le condamné : une personne physique qui a été condamnée à une peine privative de liberté en vertu d'une décision judiciaire passée en force de chose jugée;
3° [2 le directeur : le fonctionnaire visé à l'article 2 de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus. ]2
4° le juge de l'application des peines : le président du tribunal de l'application des peines;
5° le ministère public : le ministère public près le tribunal de l'application des peines;
6° la victime : les catégories suivantes de personnes qui, dans les cas prévus par la présente loi, peuvent demander, en cas d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine, à être informées et/ou entendues selon les règles prévues par le Roi :
a) la personne physique dont l'action civile est déclarée recevable et fondée;
b) [1 la personne physique à l'égard de laquelle un jugement ou un arrêt établit que des infractions ont été commises, ou son représentant légal;]1
c) la personne physique qui n'a pas pu se constituer partie civile par suite d'une situation d'impossibilité matérielle ou de vulnérabilité;
[1 d) le proche de la personne dont le décès résulte directement de l'infraction ou le proche d'une personne décédée qui s'était constituée partie civile; par proche, on entend le conjoint de la personne décédée, la personne qui cohabitait et entretenait une relation affective durable avec elle, ses ascendants ou descendants, ses frères et soeurs, ainsi que les personnes qui étaient à sa charge;]1
[1 e) le proche d'une victime non décédée qui n'a pas pu se constituer partie civile par suite d'une situation d'impossibilité matérielle ou de vulnérabilité; par proche, on entend : le conjoint de la victime non décédée, la personne qui cohabite et entretient une relation affective durable avec elle, ses ascendants ou descendants, ses frères et soeurs, ainsi que les personnes qui sont à sa charge.]1
[1 A l'égard des personnes qui relèvent des catégories c), d) et e), le juge de l'application des peines apprécie, à leur demande, conformément aux dispositions du titre III, si elles ont un intérêt direct et légitime]1
7° état de récidive : la récidive comme définie par le Code pénal et par des lois pénales particulières et qui est établie dans le jugement ou l'arrêt de condamnation par le renvoi exprès à la condamnation qui est à la base de la récidive;
8° [3 le service compétent des Communautés: les services des Communautés compétents pour l'organisation et le contrôle de la surveillance électronique, pour le suivi et la guidance des personnes condamnées ainsi que pour l'assistance aux victimes.]3
TITEL III. - Bepalingen inzake het slachtoffer.
TITRE III. - Dispositions concernant la victime.
Art.3. § 1. [3 De in artikel 2, 6°, c), d) en e), bedoelde personen]3 die in de door de wet bepaalde gevallen wensen te worden geïnformeerd of gehoord bij de toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, richten een schriftelijk verzoek aan de strafuitvoeringsrechter.
[2 Dit schriftelijk verzoek wordt neergelegd bij de [4 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]4, het openbaar ministerie of een strafuitvoeringsrechtbank. Zij zenden het schriftelijk verzoek op hun beurt onverwijld over aan de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank. Indien nog geen bevoegde strafuitvoeringsrechtbank bekend is, zenden zij het schriftelijk verzoek over aan de strafuitvoeringsrechtbank van het rechtsgebied waar de veroordeelde op dat moment verblijft.]2
De griffie zendt onverwijld een afschrift van het verzoek over aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft een advies binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift.
§ 2. De in § 1 bedoelde personen kunnen zich te allen tijde laten vertegenwoordigen of bijstaan door hun raadsman. Zij kunnen zich eveneens laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechter dit nuttig acht om te kunnen oordelen over het direct en legitiem belang, kan hij de verzoeker vragen om op een zitting hieromtrent verdere informatie te verstrekken. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoek.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter oordeelt over het direct en legitiem belang binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. De beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de verzoeker [1 ...]1.
De beslissing wordt eveneens onverwijld meegedeeld aan de minister (en aan het openbaar ministerie). <W 2006-12-27/33, art. 53, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 5. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
[2 Dit schriftelijk verzoek wordt neergelegd bij de [4 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]4, het openbaar ministerie of een strafuitvoeringsrechtbank. Zij zenden het schriftelijk verzoek op hun beurt onverwijld over aan de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank. Indien nog geen bevoegde strafuitvoeringsrechtbank bekend is, zenden zij het schriftelijk verzoek over aan de strafuitvoeringsrechtbank van het rechtsgebied waar de veroordeelde op dat moment verblijft.]2
De griffie zendt onverwijld een afschrift van het verzoek over aan het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie geeft een advies binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift.
§ 2. De in § 1 bedoelde personen kunnen zich te allen tijde laten vertegenwoordigen of bijstaan door hun raadsman. Zij kunnen zich eveneens laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechter dit nuttig acht om te kunnen oordelen over het direct en legitiem belang, kan hij de verzoeker vragen om op een zitting hieromtrent verdere informatie te verstrekken. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde verzoek.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter oordeelt over het direct en legitiem belang binnen vijftien dagen na de ontvangst van het verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. De beslissing wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de verzoeker [1 ...]1.
De beslissing wordt eveneens onverwijld meegedeeld aan de minister (en aan het openbaar ministerie). <W 2006-12-27/33, art. 53, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 5. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Modifications
Art.3. § 1er. [3 Les personnes visées à l'article 2, 6°, c), d) et e),]3, qui, dans les cas prévus par la loi, souhaitent être informées ou entendues sur l'octroi d'une modalité d'exécution de la peine, adressent une demande écrite au juge de l'application des peines.
[2 Cette demande écrite est déposée auprès [4 du service compétent des Communautés]4, du ministère public ou d'un tribunal de l'application des peines. Ceux-ci la transmettent à leur tour sans délai au tribunal de l'application des peines compétent. Si le tribunal de l'application des peines compétent n'est pas encore connu, ils transmettent la demande écrite au tribunal de l'application des peines du ressort dans lequel le condamné réside à ce moment-là.]2
Le greffe communique sans délai une copie de la demande au ministère public. Le ministère public rend son avis dans les sept jours de la réception de la copie.
§ 2. Les personnes visées au § 1er peuvent à tout moment se faire représenter ou assister par leur conseil. Elles peuvent également se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
§ 3. Si le juge de l'application des peines l'estime utile pour pouvoir statuer sur l'intérêt direct et légitime, il peut demander au requérant de fournir à cet égard des informations complémentaires lors d'une audience. Cette audience doit se tenir au plus tard un mois après la réception de la demande visée au § 1er.
§ 4. Le juge de l'application des peines statue sur l'intérêt direct et légitime dans les quinze jours de la réception de la demande ou, si une audience a eu lieu, dans les quinze jours de la mise en délibéré. La décision est communiquée au requérant par lettre recommandée à la poste [1 ...]1.
La décision est également communiquée sans délai au ministre (et au ministère public). <L 2006-12-27/33, art. 53, 002; En vigueur : 01-02-2007>
§ 5. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
[2 Cette demande écrite est déposée auprès [4 du service compétent des Communautés]4, du ministère public ou d'un tribunal de l'application des peines. Ceux-ci la transmettent à leur tour sans délai au tribunal de l'application des peines compétent. Si le tribunal de l'application des peines compétent n'est pas encore connu, ils transmettent la demande écrite au tribunal de l'application des peines du ressort dans lequel le condamné réside à ce moment-là.]2
Le greffe communique sans délai une copie de la demande au ministère public. Le ministère public rend son avis dans les sept jours de la réception de la copie.
§ 2. Les personnes visées au § 1er peuvent à tout moment se faire représenter ou assister par leur conseil. Elles peuvent également se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
§ 3. Si le juge de l'application des peines l'estime utile pour pouvoir statuer sur l'intérêt direct et légitime, il peut demander au requérant de fournir à cet égard des informations complémentaires lors d'une audience. Cette audience doit se tenir au plus tard un mois après la réception de la demande visée au § 1er.
§ 4. Le juge de l'application des peines statue sur l'intérêt direct et légitime dans les quinze jours de la réception de la demande ou, si une audience a eu lieu, dans les quinze jours de la mise en délibéré. La décision est communiquée au requérant par lettre recommandée à la poste [1 ...]1.
La décision est également communiquée sans délai au ministre (et au ministère public). <L 2006-12-27/33, art. 53, 002; En vigueur : 01-02-2007>
§ 5. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
Modifications
Art. 3/1. [1 De Koning bepaalt voor welke misdaden of wanbedrijven die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen het openbaar ministerie bij het gerecht dat het in kracht van gewijsde getreden vonnis of arrest heeft uitgesproken, binnen de maand die volgt op het in kracht van gewijsde treden van de beslissing, de bevoegde dienst van de Gemeenschappen vat teneinde de gekende slachtoffers, die door haar in de vatting worden aangeduid, te contacteren.]1
Art. 3/1. [1 Le Roi détermine pour quels crimes ou délits portant atteinte à l'intégrité physique ou psychique de tiers ou menaçant celle-ci le ministère public près la juridiction qui a prononcé le jugement ou l'arrêt ayant acquis force de chose jugée saisit, dans le mois qui suit l'acquisition de force jugée de la décision, le service compétent des Communautés aux fins de contacter les victimes connues, qu'il désignera dans la saisine.]1
Modifications
TITEL IV. - De door de minister toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten.
TITRE IV. - Des modalités d'exécution de la peine à octroyer par le ministre.
HOOFDSTUK I. - De uitgaansvergunning.
CHAPITRE Ier. - De la permission de sortie.
Art.4. § 1. De uitgaansvergunning laat de veroordeelde toe om de gevangenis te verlaten voor een bepaalde duur die niet langer mag zijn dan zestien uren.
§ 2. De uitgaansvergunningen kunnen op elk moment van de detentieperiode aan de veroordeelde worden toegekend om :
1° sociale, morele, juridische, familiale, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen;
2° een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de gevangenis te ondergaan.
§ 3. Tijdens de twee jaren die de datum voorafgaan waarop de veroordeelde tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten, kunnen aan die veroordeelde uitgaansvergunningen worden toegekend om zijn sociale reïntegratie voor te bereiden. Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
§ 4. De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de toegekende uitgaansvergunning.
§ 2. De uitgaansvergunningen kunnen op elk moment van de detentieperiode aan de veroordeelde worden toegekend om :
1° sociale, morele, juridische, familiale, opleidings- of professionele belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen;
2° een medisch onderzoek of een medische behandeling buiten de gevangenis te ondergaan.
§ 3. Tijdens de twee jaren die de datum voorafgaan waarop de veroordeelde tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten, kunnen aan die veroordeelde uitgaansvergunningen worden toegekend om zijn sociale reïntegratie voor te bereiden. Deze uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
§ 4. De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de toegekende uitgaansvergunning.
Art.4. § 1er. La permission de sortie permet au condamné de quitter la prison pour une durée déterminée qui ne peut excéder seize heures.
§ 2. Les permissions de sortie peuvent être accordées au condamné à tout moment de la détention en vue :
1° de défendre des intérêts sociaux, moraux, juridiques, familiaux, de formation ou professionnels qui requièrent sa présence hors de la prison;
2° de subir un examen ou un traitement médical en dehors de la prison.
§ 3. Au cours des deux années précédant la date d'admissibilité à la libération conditionnelle, des permissions de sortie peuvent être accordées au condamné afin de préparer sa réinsertion sociale. Ces permissions de sortie peuvent être accordées avec une périodicité déterminée.
§ 4. L'exécution de la peine privative de liberté se poursuit pendant la durée de la permission de sortie accordée.
§ 2. Les permissions de sortie peuvent être accordées au condamné à tout moment de la détention en vue :
1° de défendre des intérêts sociaux, moraux, juridiques, familiaux, de formation ou professionnels qui requièrent sa présence hors de la prison;
2° de subir un examen ou un traitement médical en dehors de la prison.
§ 3. Au cours des deux années précédant la date d'admissibilité à la libération conditionnelle, des permissions de sortie peuvent être accordées au condamné afin de préparer sa réinsertion sociale. Ces permissions de sortie peuvent être accordées avec une périodicité déterminée.
§ 4. L'exécution de la peine privative de liberté se poursuit pendant la durée de la permission de sortie accordée.
Art.5. De uitgaansvergunning wordt toegekend op voorwaarde dat :
1° de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt bedoeld in artikel 4, §§ 2 en 3;
2° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1;
3° de veroordeelde instemt met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.
1° de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt bedoeld in artikel 4, §§ 2 en 3;
2° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1;
3° de veroordeelde instemt met de voorwaarden die aan de uitgaansvergunning kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.
Modifications
Art.5. La permission de sortie est accordée à condition :
1° que le condamné soit dans les conditions de temps visées à l'article 4, §§ 2 et 3;
2° qu'il n'existe pas, dans le chef du condamné, de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine, sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant la permission de sortie ou sur le risque qu'il importune les victimes;
3° que le condamné marque son accord aux conditions qui peuvent être attachées à la permission de sortie en vertu de l'article 11, § 3.
1° que le condamné soit dans les conditions de temps visées à l'article 4, §§ 2 et 3;
2° qu'il n'existe pas, dans le chef du condamné, de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine, sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant la permission de sortie ou sur le risque qu'il importune les victimes;
3° que le condamné marque son accord aux conditions qui peuvent être attachées à la permission de sortie en vertu de l'article 11, § 3.
HOOFDSTUK II. - Het penitentiair verlof.
CHAPITRE II. - Du congé pénitentiaire.
Art.6. § 1. Het penitentiair verlof laat de veroordeelde toe de gevangenis [1 viermaal]1 zesendertig uren per trimester te verlaten.
§ 2. Het penitentiair verlof heeft tot doel :
1° de familiale, affectieve en sociale contacten van de veroordeelde in stand te houden en te bevorderen;
2° de sociale reïntegratie van de veroordeelde voor te bereiden.
§ 3. De uitvoering van de vrijheidsstraf straf loopt voort tijdens de duur van het toegekend penitentiair verlof.
§ 2. Het penitentiair verlof heeft tot doel :
1° de familiale, affectieve en sociale contacten van de veroordeelde in stand te houden en te bevorderen;
2° de sociale reïntegratie van de veroordeelde voor te bereiden.
§ 3. De uitvoering van de vrijheidsstraf straf loopt voort tijdens de duur van het toegekend penitentiair verlof.
Modifications
Art.6. § 1er. Le congé pénitentiaire permet au condamné de quitter la prison [1 quatre fois]1 trente six heures par trimestre.
§ 2. Le congé pénitentiaire a pour objectifs :
1° de préserver et de favoriser les contacts familiaux, affectifs et sociaux du condamné;
2° de préparer la réinsertion sociale du condamné.
§ 3. L'exécution de la peine privative de liberté se poursuit pendant la durée du congé pénitentiaire accordé.
§ 2. Le congé pénitentiaire a pour objectifs :
1° de préserver et de favoriser les contacts familiaux, affectifs et sociaux du condamné;
2° de préparer la réinsertion sociale du condamné.
§ 3. L'exécution de la peine privative de liberté se poursuit pendant la durée du congé pénitentiaire accordé.
Modifications
Art.7. Het penitentiair verlof wordt toegekend aan elke veroordeelde die voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° de veroordeelde bevindt zich in het jaar dat de datum voorafgaat waarop hij tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten;
2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1;
3° de veroordeelde stemt in met de voorwaarden die aan het penitentiair verlof kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.
1° de veroordeelde bevindt zich in het jaar dat de datum voorafgaat waarop hij tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegelaten;
2° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1;
3° de veroordeelde stemt in met de voorwaarden die aan het penitentiair verlof kunnen worden verbonden krachtens artikel 11, § 3.
Modifications
Art.7. Le congé pénitentiaire est accordé à tout condamné qui satisfait aux conditions suivantes :
1° le condamné se trouve dans l'année précédant la date d'admissibilité à la libération conditionnelle;
2° il n'existe pas, dans le chef du condamné, de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine, sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant le congé pénitentiaire ou sur le risque qu'il importune les victimes;
3° le condamné marque son accord aux conditions qui peuvent être attachées au congé pénitentiaire en vertu de l'article 11, § 3.
1° le condamné se trouve dans l'année précédant la date d'admissibilité à la libération conditionnelle;
2° il n'existe pas, dans le chef du condamné, de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine, sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant le congé pénitentiaire ou sur le risque qu'il importune les victimes;
3° le condamné marque son accord aux conditions qui peuvent être attachées au congé pénitentiaire en vertu de l'article 11, § 3.
Art.8. Drie maanden voor de veroordeelde zich in de door artikel 7, 1°, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt [2 of indien deze termijn niet kan worden gerespecteerd, onmiddellijk]2, licht de directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheden tot toekenning van penitentiaire verloven.
De veroordeelde richt zijn schriftelijk verzoek tot penitentiair verlof aan de directeur.
De directeur kan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
Binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek, stelt de directeur een met redenen omkleed advies op en zendt hij het verzoek en zijn met redenen omkleed advies over aan de minister of zijn gemachtigde en bezorgt de veroordeelde een afschrift ervan.
De veroordeelde richt zijn schriftelijk verzoek tot penitentiair verlof aan de directeur.
De directeur kan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
Binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek, stelt de directeur een met redenen omkleed advies op en zendt hij het verzoek en zijn met redenen omkleed advies over aan de minister of zijn gemachtigde en bezorgt de veroordeelde een afschrift ervan.
Art.8. Trois mois avant que le condamné ne se trouve dans la condition de temps prévue à l'article 7, 1°, [2 ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté,]2 le directeur informe le condamné, par écrit, des possibilités d'octroi de congés pénitentiaires.
Le condamné adresse sa demande écrite de congé pénitentiaire au directeur.
Le directeur peut charger le [1 service compétent des Communautés]1 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale dans le milieu d'accueil proposé par le condamné pour le congé pénitentiaire. Le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale est déterminé par le Roi.
Dans les deux mois de la réception de la demande, le directeur rédige un avis motivé, transmet la demande et son avis motivé au ministre ou à son délégué et en adresse une copie au condamné.
Le condamné adresse sa demande écrite de congé pénitentiaire au directeur.
Le directeur peut charger le [1 service compétent des Communautés]1 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale dans le milieu d'accueil proposé par le condamné pour le congé pénitentiaire. Le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale est déterminé par le Roi.
Dans les deux mois de la réception de la demande, le directeur rédige un avis motivé, transmet la demande et son avis motivé au ministre ou à son délégué et en adresse une copie au condamné.
Art.9. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in artikel 8, vierde lid, bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
De voorzitter doet uitspraak na de veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
Art.9. Si l'avis du directeur n'est pas communiqué dans le délai prévu à l'article 8, alinéa 4, le président du tribunal de première instance peut, à la demande écrite du condamné, condamner le ministre sous peine d'astreinte à émettre son avis, par l'intermédiaire du directeur dans le délai prévu par le président du tribunal de première instance et à communiquer au condamné une copie de cet avis.
Le président statue après avoir entendu le condamné et le ministre ou son délégué, sur avis du ministère public dans les cinq jours de la réception de la demande.
Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
Le président statue après avoir entendu le condamné et le ministre ou son délégué, sur avis du ministère public dans les cinq jours de la réception de la demande.
Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
HOOFDSTUK IIbis. [1 - De plaatsing in een transitiehuis.]1
CHAPITRE IIbis. [1 - Le placement en maison de transition.]1
Art. 9/1. [1 De plaatsing in een transitiehuis is een vorm van detentie waarbij de veroordeelde gedetineerde zijn vrijheidsstraf ondergaat op basis van een plaatsingsplan.
De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de plaatsing in een transitiehuis.]1
De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de plaatsing in een transitiehuis.]1
Art. 9/1. [1 Le placement en maison de transition est une forme de détention sous laquelle le détenu condamné subit sa peine privative de liberté sur la base d'un plan de placement.
L'exécution de la peine privative de liberté se poursuit pendant la durée du placement en maison de transition.]1
L'exécution de la peine privative de liberté se poursuit pendant la durée du placement en maison de transition.]1
Modifications
Art. 9/2. [1 § 1. Een transitiehuis is een bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad erkende inrichting waar veroordeelden kunnen geplaatst worden om hun vrijheidsstraf te ondergaan.
§ 2. De verantwoordelijke van het transitiehuis heeft toegang tot de gegevens uit het dossier van de veroordeelde die van aard zijn om de opdrachten die verbonden zijn aan de plaatsing te kunnen uitvoeren.
§ 3. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:
1° de normen waaraan een inrichting dient te voldoen om als transitiehuis erkend te kunnen worden.
2° de financiële tussenkomst van de Federale Staat voor de kosten die verbonden zijn aan de plaatsing.
De normen bedoeld in het eerste lid, 1°, hebben betrekking op de architectonische, de organisatorische, de personele en de functionele eisen waaraan de inrichting moet voldoen evenals op het huishoudelijk reglement.
§ 4. Met oog op de uitvoering van de plaatsingen in een transitiehuis, wordt een overeenkomst gesloten tussen de minister en de verantwoordelijke van het transitiehuis op basis van een door de Koning bepaald model.]1
§ 2. De verantwoordelijke van het transitiehuis heeft toegang tot de gegevens uit het dossier van de veroordeelde die van aard zijn om de opdrachten die verbonden zijn aan de plaatsing te kunnen uitvoeren.
§ 3. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:
1° de normen waaraan een inrichting dient te voldoen om als transitiehuis erkend te kunnen worden.
2° de financiële tussenkomst van de Federale Staat voor de kosten die verbonden zijn aan de plaatsing.
De normen bedoeld in het eerste lid, 1°, hebben betrekking op de architectonische, de organisatorische, de personele en de functionele eisen waaraan de inrichting moet voldoen evenals op het huishoudelijk reglement.
§ 4. Met oog op de uitvoering van de plaatsingen in een transitiehuis, wordt een overeenkomst gesloten tussen de minister en de verantwoordelijke van het transitiehuis op basis van een door de Koning bepaald model.]1
Art. 9/2. [1 § 1er. Une maison de transition est un établissement agréé par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres dans lequel des condamnés peuvent être placés afin d'y subir leur peine privative de liberté.
§ 2. Le responsable de la maison de transition a accès aux données du dossier du condamné qui sont de nature à lui permettre d'exercer les missions relatives au placement.
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres:
1° les normes auxquelles un établissement doit satisfaire afin de pouvoir être agréé comme maison de transition.
2° l'intervention financière de l'Etat fédéral pour les frais liés au placement.
Les normes visées à l'alinéa 1er, 1°, concernent les exigences architecturales, organisationnelles, de personnel et fonctionnelles auxquelles l'établissement doit satisfaire ainsi que le règlement d'ordre intérieur.
§ 4. En vue de l'exécution des placements dans une maison de transition, une convention est établie entre le ministre et le responsable de la maison de transition sur la base d'un modèle déterminé par le Roi.]1
§ 2. Le responsable de la maison de transition a accès aux données du dossier du condamné qui sont de nature à lui permettre d'exercer les missions relatives au placement.
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres:
1° les normes auxquelles un établissement doit satisfaire afin de pouvoir être agréé comme maison de transition.
2° l'intervention financière de l'Etat fédéral pour les frais liés au placement.
Les normes visées à l'alinéa 1er, 1°, concernent les exigences architecturales, organisationnelles, de personnel et fonctionnelles auxquelles l'établissement doit satisfaire ainsi que le règlement d'ordre intérieur.
§ 4. En vue de l'exécution des placements dans une maison de transition, une convention est établie entre le ministre et le responsable de la maison de transition sur la base d'un modèle déterminé par le Roi.]1
Modifications
Art. 9/3. [1 § 1. De veroordeelden die voldoen aan de volgende voorwaarden, kunnen worden geplaatst in een transitiehuis:
1° de veroordeelde bevindt zich op achttien maanden na, in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
2° de veroordeelde beschikt over de vaardigheid om in een open gemeenschapsregime te verblijven;
3° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet kan tegemoet komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich tijdens de periode van plaatsing in een transitiehuis aan de strafuitvoering zou onttrekken, ernstige strafbare feiten zou plegen of de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het plaatsingsplan zoals bepaald bij paragraaf 2 en met de voorwaarden die aan de plaatsing in het transitiehuis verbonden worden overeenkomstig artikel 11, § 3;
5° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het huishoudelijk reglement zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3.
§ 2. Het plaatsingsplan beschrijft het programma dat de veroordeelde dient te volgen en geeft minstens de verplichte activiteiten weer waaraan de veroordeelde moet deelnemen met het oog op zijn re-integratie.]1
1° de veroordeelde bevindt zich op achttien maanden na, in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
2° de veroordeelde beschikt over de vaardigheid om in een open gemeenschapsregime te verblijven;
3° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet kan tegemoet komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich tijdens de periode van plaatsing in een transitiehuis aan de strafuitvoering zou onttrekken, ernstige strafbare feiten zou plegen of de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het plaatsingsplan zoals bepaald bij paragraaf 2 en met de voorwaarden die aan de plaatsing in het transitiehuis verbonden worden overeenkomstig artikel 11, § 3;
5° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het huishoudelijk reglement zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3.
§ 2. Het plaatsingsplan beschrijft het programma dat de veroordeelde dient te volgen en geeft minstens de verplichte activiteiten weer waaraan de veroordeelde moet deelnemen met het oog op zijn re-integratie.]1
Art. 9/3. [1 § 1er. Les condamnés qui satisfont aux conditions suivantes peuvent être placés en maison de transition:
1° le condamné qui se trouve, à dix-huit mois près, dans les conditions de temps pour l'octroi d'une libération conditionnelle;
2° le condamné est apte à séjourner dans un régime communautaire ouvert;
3° il n'existe pas de contre-indications dans le chef du condamné auxquelles l'imposition de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que, durant la période de placement en maison de transition, le condamné se soustraie à l'exécution de la peine, commette des infractions graves ou importune les victimes;
4° le condamné consent par écrit au plan de placement visé au paragraphe 2 et aux conditions liées au placement en maison de transition, conformément à l'article 11, § 3;
5° le condamné consent par écrit au règlement d'ordre intérieur visé à l'article 9/2, § 3.
§ 2. Le plan de placement décrit le programme que doit suivre le condamné et indique au minimum, les activités obligatoires auxquelles doit participer le condamné en vue de sa réinsertion.]1
1° le condamné qui se trouve, à dix-huit mois près, dans les conditions de temps pour l'octroi d'une libération conditionnelle;
2° le condamné est apte à séjourner dans un régime communautaire ouvert;
3° il n'existe pas de contre-indications dans le chef du condamné auxquelles l'imposition de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que, durant la période de placement en maison de transition, le condamné se soustraie à l'exécution de la peine, commette des infractions graves ou importune les victimes;
4° le condamné consent par écrit au plan de placement visé au paragraphe 2 et aux conditions liées au placement en maison de transition, conformément à l'article 11, § 3;
5° le condamné consent par écrit au règlement d'ordre intérieur visé à l'article 9/2, § 3.
§ 2. Le plan de placement décrit le programme que doit suivre le condamné et indique au minimum, les activités obligatoires auxquelles doit participer le condamné en vue de sa réinsertion.]1
Modifications
HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken [1 I, II en IIbis]1.
CHAPITRE III. - Dispositions communes aux chapitres [1 Ier, II et IIbis]1.
Afdeling I. [1 - De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof en de plaatsing in het transitiehuis.]1
Section Ire. [1 - De la procédure d'octroi de la permission de sortie, du congé pénitentiaire et du placement en maison de transition.]1
Art.10. § 1. De uitgaansvergunning of het penitentiair verlof wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op verzoek van de veroordeelde en na een met redenen omkleed advies van de directeur. Het advies van de directeur bevat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen.
[2 § 1bis. De plaatsing in een transitiehuis wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de directeur, vergezeld van zijn met redenen omkleed advies.]2
§ 2. Binnen veertien (werkdagen) na de ontvangst van het dossier neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. <W 2006-12-27/33, art. 54, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het dossier niet in staat is en er bijkomende informatie noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met zeven (werkdagen) worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan de directeur en de veroordeelde. <W 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[2 De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.]2
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning [4 van een eerste uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3,]4 van een eerste penitentiair verlof [4 , van de plaatsing in een transitiehuis]4 [3 en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd]3. <W 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[5 § 2bis. Onder werkdagen bedoeld in paragraaf 2 worden verstaan: alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen, feestdagen bedoeld in artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, de dagen bedoeld in artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen en de dagen die door de minister van Ambtenarenzaken bij omzendbrief voor elk kalenderjaar als brugdagen worden vastgesteld voor het personeel van de diensten van het federaal administratief openbaar ambt, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.]5
§ 3. Indien de uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, of het penitentiair verlof wordt geweigerd, kan de veroordeelde een nieuwe aanvraag indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze beslissing. (Deze termijn om een nieuwe aanvraag in te dienen kan worden verkort op gemotiveerd advies van de directeur.) <W 2006-12-27/33, art. 54, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
De beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt met redenen omkleed.
§ 4. Bij gebrek aan een beslissing binnen de bepaalde termijn (, en voor zover het advies van de directeur inzake de toekenning gunstig was,) wordt de minister geacht de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen. Aan deze uitgaansvergunning of dit penitentiair verlof worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die de directeur, in voorkomend geval, overeenkomstig § 1, heeft voorgesteld. <W 2006-12-27/33, art. 54, 4°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[2 § 1bis. De plaatsing in een transitiehuis wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de directeur, vergezeld van zijn met redenen omkleed advies.]2
§ 2. Binnen veertien (werkdagen) na de ontvangst van het dossier neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. <W 2006-12-27/33, art. 54, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
Indien de minister of zijn gemachtigde oordeelt dat het dossier niet in staat is en er bijkomende informatie noodzakelijk is om een beslissing te kunnen nemen, kan deze termijn éénmalig met zeven (werkdagen) worden verlengd. De minister of zijn gemachtigde deelt dit onverwijld mee aan de directeur en de veroordeelde. <W 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[2 De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.]2
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning [4 van een eerste uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3,]4 van een eerste penitentiair verlof [4 , van de plaatsing in een transitiehuis]4 [3 en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd]3. <W 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[5 § 2bis. Onder werkdagen bedoeld in paragraaf 2 worden verstaan: alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen, feestdagen bedoeld in artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, de dagen bedoeld in artikel 14, § 2, van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen en de dagen die door de minister van Ambtenarenzaken bij omzendbrief voor elk kalenderjaar als brugdagen worden vastgesteld voor het personeel van de diensten van het federaal administratief openbaar ambt, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken.]5
§ 3. Indien de uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, of het penitentiair verlof wordt geweigerd, kan de veroordeelde een nieuwe aanvraag indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze beslissing. (Deze termijn om een nieuwe aanvraag in te dienen kan worden verkort op gemotiveerd advies van de directeur.) <W 2006-12-27/33, art. 54, 3°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
De beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt met redenen omkleed.
§ 4. Bij gebrek aan een beslissing binnen de bepaalde termijn (, en voor zover het advies van de directeur inzake de toekenning gunstig was,) wordt de minister geacht de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof toe te kennen. Aan deze uitgaansvergunning of dit penitentiair verlof worden de bijzondere voorwaarden gekoppeld die de directeur, in voorkomend geval, overeenkomstig § 1, heeft voorgesteld. <W 2006-12-27/33, art. 54, 4°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
Modifications
Art.10. § 1er. La permission de sortie ou le congé pénitentiaire est accordé par le ministre ou son délégué, à la demande du condamné et après avis motivé du directeur. L'avis du directeur contient, le cas échéant, une proposition quant aux conditions particulières qu'il estime devoir être fixées.
[2 § 1bis. Le placement dans une maison de transition est décidé par le ministre ou son délégué, à la demande écrite du directeur, accompagné de son avis motivé.]2
§ 2. Dans les quatorze (jours ouvrables) de la réception du dossier, le ministre ou son délégué prend une décision. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur. <L 2006-12-27/33, art. 54, 1°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
Si le ministre ou son délégué estime que le dossier n'est pas en état et que des informations complémentaires sont nécessaires pour pouvoir prendre une décision, ce délai peut être prolongé une seule fois pour une période de sept (jours ouvrables). Le ministre ou son délégué en informe sans délai le directeur et le condamné. <L 2006-12-27/33, art. 54, 1°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[2 La décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition est communiquée dans les vingt-quatre heures au procureur du Roi de l'arrondissement où la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement dans une maison de transition se déroulera.]2
La victime est, [1 informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de l'octroi [4 d'une première permission de sortie visée à l'article 4, § 3,]4 d'un premier congé pénitentiaire [4 , du placement en maison de transition]4 [3 et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt]3. <L 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[5 § 2bis. Au paragraphe 2, il y a lieu d'entendre par jours ouvrables: tous les jours à l'exception des samedis, des dimanches, des jours fériés visés à l'article 14, § 1er, de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, des jours visés à l'article 14, § 2, de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, et des jours fixés pour chaque année civile comme jours de pont par le ministre de la Fonction publique par circulaire pour le personnel des services de la fonction publique administrative fédérale telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.]5
§ 3. Si la permission de sortie visée à l'article 4, ou le congé pénitentiaire est refusé, le condamné peut introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après la date de cette décision. (Ce délai pour introduire une nouvelle demande peut être réduit sur avis motivé du directeur.) <L 2006-12-27/33, art. 54, 3°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
La décision du ministre ou de son délégué est motivée.
§ 4. A défaut de décision dans le délai prévu (et dans la mesure où l'avis du directeur sur l'octroi était positif), le ministre est réputé avoir accordé la permission de sortie ou le congé pénitentiaire. Cette permission de sortie ou ce congé pénitentiaire s'accompagne des conditions particulières proposées le cas échéant par le directeur conformément au § 1er. <L 2006-12-27/33, art. 54, 4°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[2 § 1bis. Le placement dans une maison de transition est décidé par le ministre ou son délégué, à la demande écrite du directeur, accompagné de son avis motivé.]2
§ 2. Dans les quatorze (jours ouvrables) de la réception du dossier, le ministre ou son délégué prend une décision. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur. <L 2006-12-27/33, art. 54, 1°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
Si le ministre ou son délégué estime que le dossier n'est pas en état et que des informations complémentaires sont nécessaires pour pouvoir prendre une décision, ce délai peut être prolongé une seule fois pour une période de sept (jours ouvrables). Le ministre ou son délégué en informe sans délai le directeur et le condamné. <L 2006-12-27/33, art. 54, 1°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[2 La décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition est communiquée dans les vingt-quatre heures au procureur du Roi de l'arrondissement où la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement dans une maison de transition se déroulera.]2
La victime est, [1 informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de l'octroi [4 d'une première permission de sortie visée à l'article 4, § 3,]4 d'un premier congé pénitentiaire [4 , du placement en maison de transition]4 [3 et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt]3. <L 2006-12-27/33, art. 54, 2°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[5 § 2bis. Au paragraphe 2, il y a lieu d'entendre par jours ouvrables: tous les jours à l'exception des samedis, des dimanches, des jours fériés visés à l'article 14, § 1er, de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, des jours visés à l'article 14, § 2, de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, et des jours fixés pour chaque année civile comme jours de pont par le ministre de la Fonction publique par circulaire pour le personnel des services de la fonction publique administrative fédérale telle que définie à l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique.]5
§ 3. Si la permission de sortie visée à l'article 4, ou le congé pénitentiaire est refusé, le condamné peut introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après la date de cette décision. (Ce délai pour introduire une nouvelle demande peut être réduit sur avis motivé du directeur.) <L 2006-12-27/33, art. 54, 3°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
La décision du ministre ou de son délégué est motivée.
§ 4. A défaut de décision dans le délai prévu (et dans la mesure où l'avis du directeur sur l'octroi était positif), le ministre est réputé avoir accordé la permission de sortie ou le congé pénitentiaire. Cette permission de sortie ou ce congé pénitentiaire s'accompagne des conditions particulières proposées le cas échéant par le directeur conformément au § 1er. <L 2006-12-27/33, art. 54, 4°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
Modifications
Art.11. § 1. De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan en, in voorkomend geval, de periodiciteit ervan.
§ 2. Behoudens andersluidende beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt de beslissing tot toekenning van penitentiair verlof geacht van rechtswege elk kwartaal te worden hernieuwd.
De directeur beslist, na overleg met de veroordeelde, over de verdeling van het toegestane verlof voor elk trimester.
§ 3. [1 De minister of zijn gemachtigde verbindt aan de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Aan de beslissing tot toekenning van een plaatsing in een transitiehuis wordt tevens de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde het huishoudelijk reglement, zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3, en het plaatsingsplan, zoals bepaald bij artikel 9/3, § 2, moet naleven. In voorkomend geval bepaalt de minister of zijn gemachtigde de bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5, 2°, 7, 2° en 9/3, § 1, 3°.
In geval van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis duidt de minister of zijn gemachtigde eveneens de gevangenis aan die tijdens de duur van de plaatsing het detentiedossier van de veroordeelde zal beheren.]1
§ 4. Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de minister of zijn gemachtigde ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde, dan wel op voorstel van de directeur of van het openbaar ministerie, de in § 3, bedoelde bijzondere voorwaarden aanpassen.
§ 2. Behoudens andersluidende beslissing van de minister of zijn gemachtigde wordt de beslissing tot toekenning van penitentiair verlof geacht van rechtswege elk kwartaal te worden hernieuwd.
De directeur beslist, na overleg met de veroordeelde, over de verdeling van het toegestane verlof voor elk trimester.
§ 3. [1 De minister of zijn gemachtigde verbindt aan de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Aan de beslissing tot toekenning van een plaatsing in een transitiehuis wordt tevens de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde het huishoudelijk reglement, zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3, en het plaatsingsplan, zoals bepaald bij artikel 9/3, § 2, moet naleven. In voorkomend geval bepaalt de minister of zijn gemachtigde de bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5, 2°, 7, 2° en 9/3, § 1, 3°.
In geval van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis duidt de minister of zijn gemachtigde eveneens de gevangenis aan die tijdens de duur van de plaatsing het detentiedossier van de veroordeelde zal beheren.]1
§ 4. Bij wege van een met redenen omklede beslissing kan de minister of zijn gemachtigde ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde, dan wel op voorstel van de directeur of van het openbaar ministerie, de in § 3, bedoelde bijzondere voorwaarden aanpassen.
Modifications
Art.11. § 1er. La décision d'octroi d'une permission de sortie en précise la durée et, le cas échéant, la périodicité.
§ 2. La décision d'octroi d'un congé pénitentiaire est censée être renouvelée de plein droit chaque trimestre, sauf décision contraire du ministre ou de son délégué.
Le directeur décide, après concertation avec le condamné, de la répartition du congé accordé pour chaque trimestre.
§ 3. [1 Le ministre ou son délégué assortit la décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition de la condition générale que le condamné ne peut commettre de nouvelles infractions. La décision d'octroi d'un placement en maison de transition est également assortie de la condition que le condamné doit respecter le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 9/2, § 3, et le plan de placement visé à l'article 9/3, § 2. Le cas échéant, le ministre ou son délégué détermine les conditions particulières compte tenu des dispositions des articles 5, 2°, 7, 2° et 9/3, § 1er, 3°.
En cas d'une décision de placement en maison de transition, le ministre ou son délégué désigne également la prison qui gèrera le dossier de détention pendant la durée du placement.]1
§ 4. Par une décision motivée, le ministre ou son délégué peut, d'office, à la demande du condamné, ou sur proposition du directeur ou du ministère public, adapter les conditions particulières visées au § 3.
§ 2. La décision d'octroi d'un congé pénitentiaire est censée être renouvelée de plein droit chaque trimestre, sauf décision contraire du ministre ou de son délégué.
Le directeur décide, après concertation avec le condamné, de la répartition du congé accordé pour chaque trimestre.
§ 3. [1 Le ministre ou son délégué assortit la décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition de la condition générale que le condamné ne peut commettre de nouvelles infractions. La décision d'octroi d'un placement en maison de transition est également assortie de la condition que le condamné doit respecter le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 9/2, § 3, et le plan de placement visé à l'article 9/3, § 2. Le cas échéant, le ministre ou son délégué détermine les conditions particulières compte tenu des dispositions des articles 5, 2°, 7, 2° et 9/3, § 1er, 3°.
En cas d'une décision de placement en maison de transition, le ministre ou son délégué désigne également la prison qui gèrera le dossier de détention pendant la durée du placement.]1
§ 4. Par une décision motivée, le ministre ou son délégué peut, d'office, à la demande du condamné, ou sur proposition du directeur ou du ministère public, adapter les conditions particulières visées au § 3.
Modifications
Afdeling II. - Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorwaarden en voorlopige aanhouding.
Section II. - Des mesures en cas de non-respect des conditions et arrestation provisoire.
Art.12. § 1. Indien de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, verleend met een zekere periodiciteit, niet worden nageleefd, [1 of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van de uitgaansvergunning,]1 kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van de laatste toegekende uitgaansvergunning;
3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.
§ 2. In geval van niet-naleving van de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een penitentiair verlof [1 , of in geval er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van het penitentiair verlof,]1 kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van het laatste toegekende verlof;
3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.
[2 § 2bis. Indien de voorwaarden van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis niet worden nageleefd, of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van de beslissing tot plaatsing, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te herroepen.
De verantwoordelijke van het transitiehuis bezorgt aan de directeur die instaat voor het beheer en de opvolging van het detentiedossier van de veroordeelde, na deze gehoord te hebben, een verslag omtrent de niet-naleving van de voorwaarden of omtrent het ontstaan van een tegenaanwijzing.
De directeur bezorgt het verslag van de verantwoordelijke en desgevallend de opmerkingen van de veroordeelde aan de minister of zijn gemachtigde.
In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid. Ingeval van hoogdringendheid, kan de directeur deze beslissing nemen die onverwijld ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde.]2
[1 § 3. In het geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning verleend met een zekere periodiciteit of van een penitentiair verlof, herroept de minister of zijn gemachtigde de beslissing.]1
[2 In geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de beslissing tot plaatsing in principe herroepen.
De minister of zijn gemachtigde kan niettemin na het advies te hebben ingewonnen bij de directeur en mits specifieke motivatie beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te handhaven.
In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid.]2
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van de laatste toegekende uitgaansvergunning;
3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.
§ 2. In geval van niet-naleving van de voorwaarden van een beslissing tot toekenning van een penitentiair verlof [1 , of in geval er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van toekenning van het penitentiair verlof,]1 kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om :
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te schorsen voor een periode van maximum drie maanden, te rekenen van het laatste toegekende verlof;
3° de beslissing te herroepen; in dit geval kan de veroordeelde een nieuw verzoek indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze herroeping.
[2 § 2bis. Indien de voorwaarden van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis niet worden nageleefd, of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van de beslissing tot plaatsing, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te herroepen.
De verantwoordelijke van het transitiehuis bezorgt aan de directeur die instaat voor het beheer en de opvolging van het detentiedossier van de veroordeelde, na deze gehoord te hebben, een verslag omtrent de niet-naleving van de voorwaarden of omtrent het ontstaan van een tegenaanwijzing.
De directeur bezorgt het verslag van de verantwoordelijke en desgevallend de opmerkingen van de veroordeelde aan de minister of zijn gemachtigde.
In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid. Ingeval van hoogdringendheid, kan de directeur deze beslissing nemen die onverwijld ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde.]2
[1 § 3. In het geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning verleend met een zekere periodiciteit of van een penitentiair verlof, herroept de minister of zijn gemachtigde de beslissing.]1
[2 In geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de beslissing tot plaatsing in principe herroepen.
De minister of zijn gemachtigde kan niettemin na het advies te hebben ingewonnen bij de directeur en mits specifieke motivatie beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te handhaven.
In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid.]2
Art.12. § 1er. En cas de non-respect des conditions d'une décision d'octroi d'une permission de sortie, accordée avec une certaine périodicité, [1 ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de l'octroi de la permission de sortie,]1 le ministre ou son délégué peut décider :
1° d'adapter les conditions;
2° de suspendre la décision pour une période de trois mois maximum, à compter de la dernière permission de sortie accordée;
3° de révoquer la décision; dans ce cas, le condamné peut introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après la date de cette révocation.
§ 2. En cas de non-respect des conditions d'une décision d'octroi d'un congé pénitentiaire, [1 ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de l'octroi du congé pénitentiaire,]1 le ministre ou son délégué peut décider :
1° d'adapter les conditions;
2° de suspendre la décision pour une période de trois mois maximum, à compter du dernier congé accordé;
3° de révoquer la décision; dans ce cas, le condamné peut introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après la date de cette révocation.
[2 § 2bis. En cas de non-respect des conditions d'une décision de placement en maison de transition ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de la décision de placement, le ministre ou son délégué peut décider:
1° d'adapter les conditions;
2° de révoquer la décision.
Le responsable de la maison de transition transmet au directeur chargé de la gestion et du suivi du dossier de détention du condamné, après l'avoir entendu, un rapport sur le non-respect des conditions ou l'apparition d'une contre-indication.
Le directeur transmet le rapport du responsable et, le cas échéant, les remarques du condamné au ministre ou son délégué.
En cas de de révocation de la décision de placement en maison de transition, le condamné est transféré dans la prison visée à l'article 11, § 3, alinéa 2. En cas d'urgence, le directeur peut prendre cette décision qui doit être soumise sans délai au ministre ou son délégué pour approbation.]2
[1 § 3. Si le condamné ne satisfait plus aux conditions de temps pour une décision d'octroi d'une permission de sortie avec une certaine périodicité ou d'un congé pénitentiaire, le ministre ou son délégué révoque la décision.]1
[2 Si le condamné ne remplit plus les conditions de temps pour une décision de placement dans une maison de transition, la décision de placement est en principe revoquée.
Le ministre ou son délégué peut néanmoins, après avoir récolté l'avis du directeur et sur la base d'une motivation spécifique, décider:
1° d'adapter les conditions;
2° de maintenir la décision.
En cas de révocation de la décision de placement, le condamné est transféré vers la prison visée à l'article 11, § 3, alinéa 2.]2
1° d'adapter les conditions;
2° de suspendre la décision pour une période de trois mois maximum, à compter de la dernière permission de sortie accordée;
3° de révoquer la décision; dans ce cas, le condamné peut introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après la date de cette révocation.
§ 2. En cas de non-respect des conditions d'une décision d'octroi d'un congé pénitentiaire, [1 ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de l'octroi du congé pénitentiaire,]1 le ministre ou son délégué peut décider :
1° d'adapter les conditions;
2° de suspendre la décision pour une période de trois mois maximum, à compter du dernier congé accordé;
3° de révoquer la décision; dans ce cas, le condamné peut introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après la date de cette révocation.
[2 § 2bis. En cas de non-respect des conditions d'une décision de placement en maison de transition ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de la décision de placement, le ministre ou son délégué peut décider:
1° d'adapter les conditions;
2° de révoquer la décision.
Le responsable de la maison de transition transmet au directeur chargé de la gestion et du suivi du dossier de détention du condamné, après l'avoir entendu, un rapport sur le non-respect des conditions ou l'apparition d'une contre-indication.
Le directeur transmet le rapport du responsable et, le cas échéant, les remarques du condamné au ministre ou son délégué.
En cas de de révocation de la décision de placement en maison de transition, le condamné est transféré dans la prison visée à l'article 11, § 3, alinéa 2. En cas d'urgence, le directeur peut prendre cette décision qui doit être soumise sans délai au ministre ou son délégué pour approbation.]2
[1 § 3. Si le condamné ne satisfait plus aux conditions de temps pour une décision d'octroi d'une permission de sortie avec une certaine périodicité ou d'un congé pénitentiaire, le ministre ou son délégué révoque la décision.]1
[2 Si le condamné ne remplit plus les conditions de temps pour une décision de placement dans une maison de transition, la décision de placement est en principe revoquée.
Le ministre ou son délégué peut néanmoins, après avoir récolté l'avis du directeur et sur la base d'une motivation spécifique, décider:
1° d'adapter les conditions;
2° de maintenir la décision.
En cas de révocation de la décision de placement, le condamné est transféré vers la prison visée à l'article 11, § 3, alinéa 2.]2
Art.13. Binnen veertien dagen te rekenen van de dag na de kennisneming van de niet-naleving van de voorwaarden neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Ingeval het een beslissing betreft die genomen is overeenkomstig artikel 12, [2 §§ 2 en 2bis]2, wordt het slachtoffer binnen vierentwintig uur schriftelijk hiervan in kennis gesteld.
Ingeval het een beslissing betreft die genomen is overeenkomstig artikel 12, [2 §§ 2 en 2bis]2, wordt het slachtoffer binnen vierentwintig uur schriftelijk hiervan in kennis gesteld.
Art.13. Le ministre ou son délégué prend une décision dans les quatorze jours qui suivent la date à laquelle il a pris connaissance du non-respect des conditions. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur.
S'il s'agit d'une décision prise conformément à l'article 12, [2 §§ 2 et 2bis]2 la victime en est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1.
S'il s'agit d'une décision prise conformément à l'article 12, [2 §§ 2 et 2bis]2 la victime en est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1.
Art.14. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde. (In de gevallen bedoeld in artikel 59, deelt de procureur des Konings zijn beslissing mee aan het openbaar ministerie en aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.) <W 2006-12-27/33, art. 55, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de [2 uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis]2 binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Ingeval het een beslissing betreft [3 inzake een uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis]3, wordt het slachtoffer [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 hiervan in kennis gesteld.
De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de [2 uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis]2 binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Ingeval het een beslissing betreft [3 inzake een uitgaansvergunning, bedoeld in artikel 4, § 3, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis]3, wordt het slachtoffer [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 hiervan in kennis gesteld.
Art.14. Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immédiatement sa décision au ministre ou à son délégué. (Dans les cas visés par l'article 59, le procureur du Roi communique sa décision au ministère public et au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines.) <L 2006-12-27/33, art. 55, 002; En vigueur : 01-02-2007>
Le ministre ou son délégué prend une décision sur la [2 permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement en maison de transition]2 dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur.
S'il s'agit d'une décision [3 concernant une permission de sortie, visée à l'article 4, § 3, un congé pénitentiaire ou un placement en maison de transition]3, la victime en est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1.
Le ministre ou son délégué prend une décision sur la [2 permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement en maison de transition]2 dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public et au directeur.
S'il s'agit d'une décision [3 concernant une permission de sortie, visée à l'article 4, § 3, un congé pénitentiaire ou un placement en maison de transition]3, la victime en est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1.
HOOFDSTUK IV. - De onderbreking van de strafuitvoering.
CHAPITRE IV. - De l'interruption de l'exécution de la peine.
Art.15. § 1. De onderbreking van de strafuitvoering schorst de uitvoering van de straf voor een duur van maximum drie maanden, die kan worden hernieuwd.
§ 2. De onderbreking van de strafuitvoering wordt aan de veroordeelde toegekend om ernstige en uitzonderlijke redenen van familiale aard.
§ 3. De verjaring van de straf loopt niet tijdens de onderbreking van de strafuitvoering.
§ 2. De onderbreking van de strafuitvoering wordt aan de veroordeelde toegekend om ernstige en uitzonderlijke redenen van familiale aard.
§ 3. De verjaring van de straf loopt niet tijdens de onderbreking van de strafuitvoering.
Art.15. § 1er. L'interruption de l'exécution de la peine suspend l'exécution de la peine pour une durée de trois mois au maximum, renouvelable.
§ 2. L'interruption de l'exécution de la peine est accordée au condamné pour des motifs graves et exceptionnels à caractère familial.
§ 3. Le délai de prescription de la peine ne court pas pendant l'interruption de l'exécution de la peine.
§ 2. L'interruption de l'exécution de la peine est accordée au condamné pour des motifs graves et exceptionnels à caractère familial.
§ 3. Le délai de prescription de la peine ne court pas pendant l'interruption de l'exécution de la peine.
Art.16. De onderbreking van de strafuitvoering wordt niet toegestaan wanneer er in hoofde van de veroordeelde tegenaanwijzingen bestaan; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de onderbreking van de strafuitvoering ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1.
Modifications
Art.16. L'interruption de l'exécution de la peine n'est pas autorisée s'il existe des contre-indications dans le chef du condamné; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine, sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant l'interruption de l'exécution de la peine ou sur le risque qu'il importune les victimes.
Art.17. § 1. De onderbreking van de strafuitvoering wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de veroordeelde en na een met redenen omkleed advies van de directeur.
De minister of zijn gemachtigde en de directeur kunnen de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden over de ernstige en buitengewone familiale redenen die de veroordeelde aanvoert om een onderbreking van zijn strafuitvoering te vragen. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
§ 2. Binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek van de veroordeelde neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering.
(De beslissing tot toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de onderbreking van de strafuitvoering zal plaatsvinden.) <W 2006-12-27/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 3. De beslissing van de toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering bepaalt de duur ervan.
De minister of zijn gemachtigde en de directeur kunnen de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden over de ernstige en buitengewone familiale redenen die de veroordeelde aanvoert om een onderbreking van zijn strafuitvoering te vragen. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
§ 2. Binnen veertien dagen na ontvangst van het verzoek van de veroordeelde neemt de minister of zijn gemachtigde een beslissing. Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering.
(De beslissing tot toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de onderbreking van de strafuitvoering zal plaatsvinden.) <W 2006-12-27/33, art. 56, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 3. De beslissing van de toekenning van een onderbreking van de strafuitvoering bepaalt de duur ervan.
Art.17. § 1er. L'interruption de l'exécution de la peine est accordée par le ministre ou son délégué à la demande écrite du condamné et après avis motivé du directeur.
Le ministre ou son délégué et le directeur peuvent charger le [2 service compétent des Communautés]2 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale sur les motifs graves et exceptionnels à caractère familial évoqués par le condamné pour demander une interruption de l'exécution de sa peine. Le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale est déterminé par le Roi.
§ 2. Le ministre ou son délégué prend une décision dans les quatorze jours de la réception de la demande du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public, au directeur.
La victime est [1 informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de l'octroi d'une interruption de l'exécution de la peine.
(La décision d'octroi d'une interruption de l'exécution de la peine est communiquée dans les vingt-quatre heures au procureur du Roi de l'arrondissement où l'interruption de l'exécution de la peine se déroulera.) <L 2006-12-27/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-02-2007>
§ 3. La décision d'accorder une interruption de l'exécution de la peine en précise la durée.
Le ministre ou son délégué et le directeur peuvent charger le [2 service compétent des Communautés]2 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale sur les motifs graves et exceptionnels à caractère familial évoqués par le condamné pour demander une interruption de l'exécution de sa peine. Le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale est déterminé par le Roi.
§ 2. Le ministre ou son délégué prend une décision dans les quatorze jours de la réception de la demande du condamné. Cette décision motivée est communiquée par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné, au ministère public, au directeur.
La victime est [1 informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de l'octroi d'une interruption de l'exécution de la peine.
(La décision d'octroi d'une interruption de l'exécution de la peine est communiquée dans les vingt-quatre heures au procureur du Roi de l'arrondissement où l'interruption de l'exécution de la peine se déroulera.) <L 2006-12-27/33, art. 56, 002; En vigueur : 01-02-2007>
§ 3. La décision d'accorder une interruption de l'exécution de la peine en précise la durée.
Art.18. De onderbreking van de strafuitvoering kan worden verlengd op verzoek van de veroordeelde volgens de in artikel 17 bepaalde procedure.
Art.18. L'interruption de peine peut être prolongée à la demande du condamné selon la procédure fixée par l'article 17.
Art.19. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de voortzetting van de onderbreking van de strafuitvoering binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. [1 Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. Ze wordt eveneens zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel meegedeeld aan het slachtoffer.]1
De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing over de voortzetting van de onderbreking van de strafuitvoering binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. [1 Deze met redenen omklede beslissing wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur. Ze wordt eveneens zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel meegedeeld aan het slachtoffer.]1
Modifications
Art.19. Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immédiatement sa décision au ministre ou à son délégué.
Le ministre ou son délégué prend une décision sur la poursuite de l'interruption de l'exécution de la peine dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. [1 Cette décision motivée est communiquée par écrit, dans les vingt-quatre heures, au condamné, au ministère public et au directeur. Elle est également communiquée à la victime le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide.]1
Le ministre ou son délégué prend une décision sur la poursuite de l'interruption de l'exécution de la peine dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. [1 Cette décision motivée est communiquée par écrit, dans les vingt-quatre heures, au condamné, au ministère public et au directeur. Elle est également communiquée à la victime le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide.]1
Modifications
Art. 19/1. [1 vroegere art. 20]1 Behalve in het in artikel 19 bedoelde geval, neemt de onderbreking van de strafuitvoering van rechtswege een einde ingeval de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten.
Teneinde opnieuw de onderbreking van de strafuitvoering te verkrijgen, moet de veroordeelde een nieuw schriftelijk verzoek indienen.
Teneinde opnieuw de onderbreking van de strafuitvoering te verkrijgen, moet de veroordeelde een nieuw schriftelijk verzoek indienen.
Modifications
Art. 19/1. [1 anc. art. 20]1 Sauf dans le cas prévu à l'article 19, l'interruption de l'exécution de la peine prend fin de plein droit si le condamné est à nouveau incarcéré.
Afin d'obtenir une nouvelle interruption de l'exécution de la peine, le condamné doit introduire une nouvelle demande écrite.
Afin d'obtenir une nouvelle interruption de l'exécution de la peine, le condamné doit introduire une nouvelle demande écrite.
Modifications
HOOFDSTUK IVbis. - [1 Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I, [2 II, IIbis, III en IV]2]1
CHAPITRE IVbis. - [1 Disposition commune aux chapitres Ier, [2 II, IIbis, III et IV]2]1
Art.20. [1 De uitgaansvergunning als bedoeld in artikel 4, § 3, het penitentiair verlof en de onderbreking van de strafuitvoering worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
Art.20. [1 La permission de sortie visée à l'article 4, § 3, le congé pénitentiaire et l'interruption de l'exécution de la peine ne sont pas accordés s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume.]1
HOOFDSTUK V. [1 - De invrijheidstelling met het oog op verwijdering en overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen in het kader van hun imminente verwijdering]1
CHAPITRE V. [1 - De la libération en vue d'un éloignement ou d'un transfert vers un lieu qui relève de la compétence du Ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers en vue de leur éloignement imminent]1
Art. 20/1. [1 De veroordeelde die het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing, of van een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve verwijdering, kan het voorwerp uitmaken van een effectieve verwijdering of van een overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in het kader van zijn imminente verwijdering vanaf [2 zes]2 maanden vóór het einde van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheidsstraffen waartoe hij is veroordeeld. De minister of zijn gemachtigde verleent de invrijheidstelling met dit oogmerk.]1
[2 Indien de veroordeelde binnen de twee jaar na de invrijheidstelling door de minister terugkeert naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. De procureur des Konings deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
De minister of zijn gemachtigde neemt binnen zeven dagen volgend op de voorlopige aanhouding van de veroordeelde een beslissing tot uitvoering van het resterende gedeelte van de straffen. Deze beslissing wordt binnen een werkdag schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, de procureur des Konings en de directeur.]2
[2 Indien de veroordeelde binnen de twee jaar na de invrijheidstelling door de minister terugkeert naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. De procureur des Konings deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de minister of zijn gemachtigde.
De minister of zijn gemachtigde neemt binnen zeven dagen volgend op de voorlopige aanhouding van de veroordeelde een beslissing tot uitvoering van het resterende gedeelte van de straffen. Deze beslissing wordt binnen een werkdag schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, de procureur des Konings en de directeur.]2
Art. 20/1. [1 Le condamné qui fait l'objet d'un arrêté royal d'expulsion exécutoire, d'un arrêté ministériel de renvoi exécutoire, ou d'un ordre de quitter le territoire exécutoire avec preuve d'éloignement effectif, peut faire l'objet d'un éloignement effectif ou d'un transfert vers un lieu qui relève de la compétence du ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers, en vue de son éloignement imminent à partir de [2 six]2 mois avant la fin de la partie exécutoire de la ou des peines privatives de liberté auxquelles il a été condamné. Le ministre ou son délégué autorise sa libération à cette fin.]1
[2 Si le condamné revient en Belgique dans les deux ans qui suivent sa libération par le ministre sans être en règle avec la législation et la réglementation relatives à l'accès, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Le procureur du Roi communique immédiatement sa décision au ministre ou à son délégué.
Le ministre ou son délégué prend une décision d'exécution de la partie restante des peines dans les sept jours qui suivent l'arrestation provisoire du condamné. Cette décision est communiquée par écrit dans un délai d'un jour ouvrable au condamné, au procureur du Roi et au directeur.]2
[2 Si le condamné revient en Belgique dans les deux ans qui suivent sa libération par le ministre sans être en règle avec la législation et la réglementation relatives à l'accès, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Le procureur du Roi communique immédiatement sa décision au ministre ou à son délégué.
Le ministre ou son délégué prend une décision d'exécution de la partie restante des peines dans les sept jours qui suivent l'arrestation provisoire du condamné. Cette décision est communiquée par écrit dans un délai d'un jour ouvrable au condamné, au procureur du Roi et au directeur.]2
HOOFDSTUK VI. [1 - Informatie aan het slachtoffer bij definitieve invrijheidsstelling]1
CHAPITRE VI. [1 - De l'information à la victime lors de la libération définitive]1
Art. 20/2. [1 Indien de gedetineerde veroordeelde in vrijheid wordt gesteld wegens het bereiken van het strafeinde, brengt de minister of zijn gemachtigde het slachtoffer hiervan zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur op de hoogte via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel.]1
Art. 20/2. [1 Si le condamné détenu est remis en liberté parce qu'il est arrivé au terme de sa peine, le ministre ou son délégué en informe la victime le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide.]1
Modifications
TITEL V. - De door de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten.
TITRE V. - Des modalités d'exécution de la peine accordées par le juge d'application des peines et le tribunal de l'application des peines.
HOOFDSTUK I. - De beperkte detentie en het elektronisch toezicht.
CHAPITRE Ier. - De la détention limitée et de la surveillance électronique.
Afdeling I. - De beperkte detentie.
Section Ire. - De la détention limitée.
Art.21. § 1. De beperkte detentie is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toelaat om op regelmatige wijze, de strafinrichting te verlaten voor een bepaalde duur van maximum [1 zestien]1 uur per dag.
§ 2. De beperkte detentie kan aan de veroordeelde worden toegekend om professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.
§ 2. De beperkte detentie kan aan de veroordeelde worden toegekend om professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.
Modifications
Art.21. § 1er. La détention limitée est un mode d'exécution de la peine privative de liberté qui permet au condamné de quitter, de manière régulière, l'établissement pénitentiaire pour une durée déterminée de maximum [1 seize]1 heures par jour.
§ 2. La détention limitée peut être accordée au condamné afin de défendre des intérêts professionnels, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de la prison.
§ 2. La détention limitée peut être accordée au condamné afin de défendre des intérêts professionnels, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de la prison.
Modifications
Afdeling II. - Het elektronisch toezicht.
Section II. - De la surveillance électronique.
Art.22. Het elektronisch toezicht is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde het geheel of een gedeelte van zijn vrijheidsstraf buiten de gevangenis ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd.
Art.22. La surveillance électronique est un mode d'exécution de la peine privative de liberté par lequel le condamné subit l'ensemble ou une partie de sa peine privative de liberté en dehors de la prison selon un plan d'exécution déterminé, dont le respect est contrôlé notamment par des moyens électroniques.
Afdeling III. - De tijdsvoorwaarden.
Section III. - Des conditions de temps.
Art.23. § 1. [1 De beperkte detentie en het elektronisch toezicht kunnen worden toegekend aan de veroordeelde die zich, op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling.]1
De veroordeelde dient bovendien te voldoen aan de voorwaarden die bepaald zijn bij artikel 28, § 1, of, in voorkomend geval, bij de artikelen 47, § 1, en 48.
§ 2. [1 Vier maanden voordat de veroordeelde zich in de bij paragraaf 1, eerste lid, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt, of indien deze termijn niet kan worden gerespecteerd, onmiddellijk, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht.]1
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht indienen, overeenkomstig de artikelen 29 en 49.
De veroordeelde dient bovendien te voldoen aan de voorwaarden die bepaald zijn bij artikel 28, § 1, of, in voorkomend geval, bij de artikelen 47, § 1, en 48.
§ 2. [1 Vier maanden voordat de veroordeelde zich in de bij paragraaf 1, eerste lid, bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt, of indien deze termijn niet kan worden gerespecteerd, onmiddellijk, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht.]1
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht indienen, overeenkomstig de artikelen 29 en 49.
Modifications
Art.23. § 1er. [1 La détention limitée et la surveillance électronique peuvent être accordées au condamné qui se trouve, à six mois près, dans les conditions de temps pour l'octroi d'une libération conditionnelle.]1
Le condamné doit en outre satisfaire aux conditions visées à l'article 28, § 1er, ou, le cas échéant, aux articles 47, § 1er, et 48.
§ 2. [1 Quatre mois avant que le condamné ne se trouve dans la condition de temps prévue au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté, le directeur l'informe par écrit de la possibilité de demander une détention limitée ou une surveillance électronique.]1
Le condamné peut dès ce moment introduire une demande écrite d'octroi de détention limitée ou de surveillance électronique, conformément aux articles 29 et 49.
Le condamné doit en outre satisfaire aux conditions visées à l'article 28, § 1er, ou, le cas échéant, aux articles 47, § 1er, et 48.
§ 2. [1 Quatre mois avant que le condamné ne se trouve dans la condition de temps prévue au paragraphe 1er, alinéa 1er, ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté, le directeur l'informe par écrit de la possibilité de demander une détention limitée ou une surveillance électronique.]1
Le condamné peut dès ce moment introduire une demande écrite d'octroi de détention limitée ou de surveillance électronique, conformément aux articles 29 et 49.
Modifications
HOOFDSTUK II. - De voorwaardelijke invrijheidstelling.
CHAPITRE II. - De la libération conditionnelle.
Afdeling I. - Definitie.
Section Ire. - Définition.
Art.24. De voorwaardelijke invrijheidstelling is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn straf ondergaat buiten de gevangenis, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
Art.24. La libération conditionnelle est un mode d'exécution de la peine privative de liberté par lequel le condamné subit sa peine en dehors de la prison, moyennant le respect des conditions qui lui sont imposées pendant un délai d'épreuve déterminé.
Afdeling II. - De tijdsvoorwaarden.
Section II. - Des conditions de temps.
Art.25. § 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meerdere vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, voorzover de veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan en indien hij voldoet aan de in artikel 28, § 1, bedoelde voorwaarden.
§ 2. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde :
a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
[1 c) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, vijftien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
d) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een effectieve correctionele gevangenisstraf van minstens drie jaar wegens de in de :
- artikelen 102, 103, tweede lid, 106, 107, 108, 136bis tot 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, tweede lid, 279, 279bis, 280, 3° tot 8°, 323, 324, 324ter, 327, eerste lid, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 tot 4, 348, 349, tweede lid, 352, [6 371/1, 371/2, 372]6, 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1 en 3, 385, tweede lid, 386, tweede lid, 393 tot 397, 399, tweede lid, 400 tot 405, 405bis, 3° tot 11°, 405ter, 405quater, 406, eerste lid, 407 tot 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 tot 430, 433, 433ter tot 433duodecies, 435 tot 438bis, 442quater, §§ 2 en 3, 454 tot 456, 470, 471, zevende zinsdeel van de opsomming, 472 tot 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, en § 3, 518, 531, 532 en 532bis van het Strafwetboek;
- artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
- [7 artikel 4.5.2.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek]7
- artikel 30 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart;
- artikel 34 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij;
- artikel 7, tweede lid, van de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen,
bedoelde feiten en dat er minder dan tien jaar zijn verlopen tussen het ogenblik waarop hij zijn straf heeft uitgezeten of het ogenblik waarop zijn straf is verjaard en de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, negentien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
e) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een criminele straf, drieëntwintig jaar van deze straf heeft ondergaan,]1
en indien hij voldoet aan de in de artikelen 47, § 1, en 48, bedoelde voorwaarden [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5.
§ 2. De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan elke veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt voor zover de veroordeelde :
a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
[1 c) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, vijftien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
d) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een effectieve correctionele gevangenisstraf van minstens drie jaar wegens de in de :
- artikelen 102, 103, tweede lid, 106, 107, 108, 136bis tot 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, tweede lid, 279, 279bis, 280, 3° tot 8°, 323, 324, 324ter, 327, eerste lid, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 tot 4, 348, 349, tweede lid, 352, [6 371/1, 371/2, 372]6, 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1 en 3, 385, tweede lid, 386, tweede lid, 393 tot 397, 399, tweede lid, 400 tot 405, 405bis, 3° tot 11°, 405ter, 405quater, 406, eerste lid, 407 tot 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 tot 430, 433, 433ter tot 433duodecies, 435 tot 438bis, 442quater, §§ 2 en 3, 454 tot 456, 470, 471, zevende zinsdeel van de opsomming, 472 tot 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, en § 3, 518, 531, 532 en 532bis van het Strafwetboek;
- artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
- [7 artikel 4.5.2.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek]7
- artikel 30 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart;
- artikel 34 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij;
- artikel 7, tweede lid, van de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen,
bedoelde feiten en dat er minder dan tien jaar zijn verlopen tussen het ogenblik waarop hij zijn straf heeft uitgezeten of het ogenblik waarop zijn straf is verjaard en de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, negentien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
e) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een criminele straf, drieëntwintig jaar van deze straf heeft ondergaan,]1
en indien hij voldoet aan de in de artikelen 47, § 1, en 48, bedoelde voorwaarden [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5.
Modifications
Art.25. § 1er. La libération conditionnelle est octroyée à tout condamné à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à trois ans ou moins, pour autant que le condamné ait subi un tiers de ces peines et qu'il réponde aux conditions visées à l'article 28, § 1er.
§ 2. La libération conditionnelle est octroyée à tout condamné à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à plus de trois ans, pour autant que le condamné ait :
a) soit, subi un tiers de ces peines [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
b) soit, si le jugement ou l'arrêt de condamnation a constaté que le condamné se trouvait en état de récidive, subi les deux tiers de ces peines, sans que la durée des peines déjà subies excède quatorze ans [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
c) [1 soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, subi quinze ans de cette peine [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
d) soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4 et si la motivation [5 du jugement ou]5 de l'arrêt fait apparaître qu'il avait précédemment été condamné à une peine correctionnelle d'au moins trois ans d'emprisonnement ferme pour des faits visés :
- aux articles 102, 103, alinéa 2, 106, 107, 108, 136bis à 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, alinéa 2, 279, 279bis, 280, 3° à 8°, 323, 324, 324ter, 327, alinéa 1er, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 à 4, 348, 349, alinéa 2, 352, [6 371/1, 371/2, 372]6 , 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1er et 3, 385, alinéa 2, 386, alinéa 2, 393 à 397, 399, alinéa 2, 400 à 405, 405bis, 3° à 11°, 405ter, 405quater, 406, alinéa 1er, 407 à 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 à 430, 433, 433ter à 433duodecies, 435 à 438bis, 442quater, §§ 2 et 3, 454 à 456, 470, 471, septième membre de phrase de l'énumération, 472 à 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, et § 3, 518, 531, 532 et 532bis du Code pénal;
- aux articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
- [7 à l'article 4.5.2.3 du Code belge de la Navigation]7
- à l'article 30 de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne;
- à l'article 34 de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime;
- à l'article 7, alinéa 2, de la loi du 12 mars 1858 concernant les crimes et délits qui portent atteinte aux relations internationales,
et qu'il s'est écoulé moins de dix ans entre le moment où il a purgé sa peine ou le moment où sa peine a été prescrite et les faits ayant donné lieu à sa condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, subi dix-neuf ans de cette peine [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5;
e) soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, et si la motivation [5 du jugement ou]5 de l'arrêt fait apparaître qu'il avait précédemment été condamné à une peine criminelle, subi vingt-trois ans de cette peine;]1
et qu'il réponde aux conditions visées aux articles 47, § 1er, et 48 [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5.
§ 2. La libération conditionnelle est octroyée à tout condamné à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à plus de trois ans, pour autant que le condamné ait :
a) soit, subi un tiers de ces peines [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
b) soit, si le jugement ou l'arrêt de condamnation a constaté que le condamné se trouvait en état de récidive, subi les deux tiers de ces peines, sans que la durée des peines déjà subies excède quatorze ans [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
c) [1 soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, subi quinze ans de cette peine [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
d) soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4 et si la motivation [5 du jugement ou]5 de l'arrêt fait apparaître qu'il avait précédemment été condamné à une peine correctionnelle d'au moins trois ans d'emprisonnement ferme pour des faits visés :
- aux articles 102, 103, alinéa 2, 106, 107, 108, 136bis à 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, alinéa 2, 279, 279bis, 280, 3° à 8°, 323, 324, 324ter, 327, alinéa 1er, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 à 4, 348, 349, alinéa 2, 352, [6 371/1, 371/2, 372]6 , 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1er et 3, 385, alinéa 2, 386, alinéa 2, 393 à 397, 399, alinéa 2, 400 à 405, 405bis, 3° à 11°, 405ter, 405quater, 406, alinéa 1er, 407 à 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 à 430, 433, 433ter à 433duodecies, 435 à 438bis, 442quater, §§ 2 et 3, 454 à 456, 470, 471, septième membre de phrase de l'énumération, 472 à 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, et § 3, 518, 531, 532 et 532bis du Code pénal;
- aux articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
- [7 à l'article 4.5.2.3 du Code belge de la Navigation]7
- à l'article 30 de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne;
- à l'article 34 de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime;
- à l'article 7, alinéa 2, de la loi du 12 mars 1858 concernant les crimes et délits qui portent atteinte aux relations internationales,
et qu'il s'est écoulé moins de dix ans entre le moment où il a purgé sa peine ou le moment où sa peine a été prescrite et les faits ayant donné lieu à sa condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, subi dix-neuf ans de cette peine [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5;
e) soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, et si la motivation [5 du jugement ou]5 de l'arrêt fait apparaître qu'il avait précédemment été condamné à une peine criminelle, subi vingt-trois ans de cette peine;]1
et qu'il réponde aux conditions visées aux articles 47, § 1er, et 48 [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5.
Modifications
Art. 25/1. [1 Zes maanden voordat de veroordeelde zich in de bij artikel 25, § 1 of § 2, bepaalde tijdsvoorwaarden bevindt [2 of indien deze termijn niet kan worden gerespecteerd, onmiddellijk]2, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een voorwaardelijke invrijheidstelling.
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een voorwaardelijke invrijheidstelling indienen, overeenkomstig artikel 30 of artikel 50, naar gelang van het geval.]1
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een voorwaardelijke invrijheidstelling indienen, overeenkomstig artikel 30 of artikel 50, naar gelang van het geval.]1
Art. 25/1. [1 Six mois avant que le condamné se trouve dans les conditions de temps déterminées par l'article 25, § 1er ou § 2, [2 ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté,]2 le directeur l'informe par écrit de la possibilité de demander une libération conditionnelle.
Dès ce moment, le condamné peut introduire une demande écrite d'octroi d'une libération conditionnelle conformément à l'article 30 ou à l'article 50, selon le cas.]1
Dès ce moment, le condamné peut introduire une demande écrite d'octroi d'une libération conditionnelle conformément à l'article 30 ou à l'article 50, selon le cas.]1
HOOFDSTUK IIbis. [1 Bepaling die gemeen is aan de hoofdstukken I en II]1
CHAPITRE IIbis. - [1 Disposition commune aux chapitres Ier et II]1
Art. 25/2. [1 De beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk.]1
Art. 25/2. [1 La détention limitée, la surveillance électronique et la libération conditionnelle ne sont pas accordées s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume.]1
HOOFDSTUK III. - De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.
CHAPITRE III. - De la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise.
Art. 25/3. [1 § 1. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde, van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, zijn straf ondergaat buiten de gevangenis in een ander land dan België, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt toegestaan aan de veroordeelde die op grond van een uitvoerbaar vonnis of een uitvoerbare titel overgebracht dient te worden naar een ander land.]1
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt toegestaan aan de veroordeelde die op grond van een uitvoerbaar vonnis of een uitvoerbare titel overgebracht dient te worden naar een ander land.]1
Art. 25/3. [1 § 1er. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire est un mode d'exécution de la peine privative de liberté par lequel le condamné, pour qui il ressort d'un avis de l'Office des étrangers qu'il n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume, subit sa peine en dehors de la prison dans un autre pays que la Belgique, moyennant le respect de conditions qui lui sont imposées pendant un délai d'épreuve déterminé.
§ 2. La mise en liberté provisoire en vue de la remise est accordée au condamné qui, sur la base d'un jugement exécutoire ou d'un titre exécutoire, doit être transféré dans un autre pays.]1
§ 2. La mise en liberté provisoire en vue de la remise est accordée au condamné qui, sur la base d'un jugement exécutoire ou d'un titre exécutoire, doit être transféré dans un autre pays.]1
Modifications
Art.26. § 1. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, voorzover de veroordeelde één derde van deze straffen heeft ondergaan en indien hij voldoet aan de in artikel 28, § 2, bedoelde voorwaarden.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt, voorzover de veroordeelde :
a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
[1 c) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, vijftien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
d) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een effectieve correctionele gevangenisstraf van minstens drie jaar wegens de in de :
- artikelen 102, 103, tweede lid, 106, 107, 108, 136bis tot 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, tweede lid, 279, 279bis, 280, 3° tot 8°, 323, 324, 324ter, 327, eerste lid, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 tot 4, 348, 349, tweede lid, 352, [6 371/1, 371/2, 372]6, 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1 en 3, 385, tweede lid, 386, tweede lid, 393 tot 397, 399, tweede lid, 400 tot 405, 405bis, 3° tot 11°, 405ter, 405quater, 406, eerste lid, 407 tot 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 tot 430, 433, 433tertot 433duodecies, 435 tot 438bis, 442quater, §§ 2 en 3, 454 tot 456, 470, 471, zevende zinsdeel van de opsomming, 472 tot 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, en § 3, 518, 531, 532 en 532bis van het Strafwetboek;
- artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
- [7 artikel 4.5.2.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek]7
- artikel 30 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart;
- artikel 34 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij;
- artikel 7, tweede lid, van de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen,
bedoelde feiten en dat er minder dan tien jaar zijn verlopen tussen het ogenblik waarop hij zijn straf heeft uitgezeten of het ogenblik waarop zijn straf is verjaard en de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, negentien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
e) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een criminele straf, drieëntwintig jaar van deze straf heeft ondergaan,]1
en indien hij voldoet aan de in artikel 47, § 2, bedoelde voorwaarden [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of artikel 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde tot één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte meer dan drie jaar bedraagt, voorzover de veroordeelde :
a) hetzij één derde van deze straffen heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
b) hetzij, indien in het vonnis of in het arrest van veroordeling is vastgesteld dat de veroordeelde zich in staat van herhaling bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
[1 c) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, vijftien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
d) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een effectieve correctionele gevangenisstraf van minstens drie jaar wegens de in de :
- artikelen 102, 103, tweede lid, 106, 107, 108, 136bis tot 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, tweede lid, 279, 279bis, 280, 3° tot 8°, 323, 324, 324ter, 327, eerste lid, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 tot 4, 348, 349, tweede lid, 352, [6 371/1, 371/2, 372]6, 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1 en 3, 385, tweede lid, 386, tweede lid, 393 tot 397, 399, tweede lid, 400 tot 405, 405bis, 3° tot 11°, 405ter, 405quater, 406, eerste lid, 407 tot 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 tot 430, 433, 433tertot 433duodecies, 435 tot 438bis, 442quater, §§ 2 en 3, 454 tot 456, 470, 471, zevende zinsdeel van de opsomming, 472 tot 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, en § 3, 518, 531, 532 en 532bis van het Strafwetboek;
- artikelen 77bis tot 77quinquies van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
- [7 artikel 4.5.2.3 van het Belgisch Scheepvaartwetboek]7
- artikel 30 van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart;
- artikel 34 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij;
- artikel 7, tweede lid, van de wet van 12 maart 1858 betreffende de misdaden en de wanbedrijven die afbreuk doen aan de internationale betrekkingen,
bedoelde feiten en dat er minder dan tien jaar zijn verlopen tussen het ogenblik waarop hij zijn straf heeft uitgezeten of het ogenblik waarop zijn straf is verjaard en de feiten die aanleiding hebben gegeven tot zijn veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, negentien jaar van deze straf heeft ondergaan [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5;
e) hetzij, in geval van veroordeling tot een [4 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting]4, en indien uit de motivering van het [5 vonnis of]5 arrest blijkt dat hij voordien veroordeeld was tot een criminele straf, drieëntwintig jaar van deze straf heeft ondergaan,]1
en indien hij voldoet aan de in artikel 47, § 2, bedoelde voorwaarden [5 , onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vijfde lid, of artikel 344, vijfde lid, van het Wetboek van strafvordering]5.
Modifications
Art.26. § 1er. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise est octroyée au condamné à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à trois ans ou moins, pour autant que le condamné ait subi un tiers de ces peines et qu'il réponde aux conditions visées à l'article 28, § 2.
§ 2. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise est octroyée au condamné à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à plus de trois ans, pour autant que le condamné ait :
a) soit, subi un tiers de ces peines , [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
b) soit, si le jugement ou l'arrêt de condamnation a constaté que le condamné se trouvait en état de récidive, subi les deux tiers de ces peines, sans que la durée des peines déjà subies excède quatorze ans [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
c) [1 soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, subi quinze ans de cette peine [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5;
d) soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4 et si la motivation [5 du jugement ou]5 de l'arrêt fait apparaître qu'il avait précédemment été condamné à une peine correctionnelle d'au moins trois ans d'emprisonnement ferme pour des faits visés :
- aux articles 102, 103, alinéa 2, 106, 107, 108, 136bis à 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, alinéa 2, 279, 279bis, 280, 3° à 8°, 323, 324, 324ter, 327, alinéa 1er, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 à 4, 348, 349, alinéa 2, 352, [6 ]6, 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1er et 3, 385, alinéa 2, 386, alinéa 2, 393 à 397, 399, alinéa 2, 400 à 405, 405bis, 3° à 11°, 405ter, 405quater, 406, alinéa 1er, 407 à 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 à 430, 433, 433ter à 433duodecies, 435 à 438bis, 442quater, §§ 2 et 3, 454 à 456, 470, 471, septième membre de phrase de l'énumération, 472 à 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, et § 3, 518, 531, 532 et 532bis du Code pénal;
- aux articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
- [7 à l'article 4.5.2.3 du Code belge de la Navigation]7
- à l'article 30 de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne;
- à l'article 34 de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime;
- à l'article 7, alinéa 2, de la loi du 12 mars 1858 concernant les crimes et délits qui portent atteinte aux relations internationales,
et qu'il s'est écoulé moins de dix ans entre le moment où il a purgé sa peine ou le moment où sa peine a été prescrite et les faits ayant donné lieu à sa condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, subi dix-neuf ans de cette peine [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5;
e) soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, et si la motivation [5 du jugement ou]5 de l'arrêt fait apparaître qu'il avait précédemment été condamné, à une peine criminelle, subi vingt-trois ans de cette peine,]1
et qu'il réponde aux conditions visées à l'article 47, § 2 [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5.
§ 2. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise est octroyée au condamné à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à plus de trois ans, pour autant que le condamné ait :
a) soit, subi un tiers de ces peines , [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
b) soit, si le jugement ou l'arrêt de condamnation a constaté que le condamné se trouvait en état de récidive, subi les deux tiers de ces peines, sans que la durée des peines déjà subies excède quatorze ans [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 4, ou 344, alinéa 4, du Code d'instruction criminelle]5;
c) [1 soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, subi quinze ans de cette peine [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5;
d) soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4 et si la motivation [5 du jugement ou]5 de l'arrêt fait apparaître qu'il avait précédemment été condamné à une peine correctionnelle d'au moins trois ans d'emprisonnement ferme pour des faits visés :
- aux articles 102, 103, alinéa 2, 106, 107, 108, 136bis à 136septies, 137, 138, 140, 141, 146, 147, 278, alinéa 2, 279, 279bis, 280, 3° à 8°, 323, 324, 324ter, 327, alinéa 1er, 330bis, 331bis, 337, 347bis, §§ 2 à 4, 348, 349, alinéa 2, 352, [6 ]6, 373, 375, 376, 377, 377bis, [2 377ter, 377quater,]2 379, 380, 381, 383bis, §§ 1er et 3, 385, alinéa 2, 386, alinéa 2, 393 à 397, 399, alinéa 2, 400 à 405, 405bis, 3° à 11°, 405ter, 405quater, 406, alinéa 1er, 407 à 410ter, 417ter, 417quater, 423, 425, 427 à 430, 433, 433ter à 433duodecies, 435 à 438bis, 442quater, §§ 2 et 3, 454 à 456, 470, 471, septième membre de phrase de l'énumération, 472 à 475, 477sexies, § 2, 488bis, § 2, 1°, et § 3, 518, 531, 532 et 532bis du Code pénal;
- aux articles 77bis à 77quinquies de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers;
- [7 à l'article 4.5.2.3 du Code belge de la Navigation]7
- à l'article 30 de la loi du 27 juin 1937 portant révision de la loi du 16 novembre 1919 relative à la réglementation de la navigation aérienne;
- à l'article 34 de la loi du 5 juin 1928 portant révision du Code disciplinaire et pénal pour la marine marchande et la pêche maritime;
- à l'article 7, alinéa 2, de la loi du 12 mars 1858 concernant les crimes et délits qui portent atteinte aux relations internationales,
et qu'il s'est écoulé moins de dix ans entre le moment où il a purgé sa peine ou le moment où sa peine a été prescrite et les faits ayant donné lieu à sa condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, subi dix-neuf ans de cette peine [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5;
e) soit, en cas de condamnation à une [4 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus ou à une réclusion à perpétuité]4, et si la motivation [5 du jugement ou]5 de l'arrêt fait apparaître qu'il avait précédemment été condamné, à une peine criminelle, subi vingt-trois ans de cette peine,]1
et qu'il réponde aux conditions visées à l'article 47, § 2 [5 , sous réserve de l'application des articles 195, alinéa 5, ou 344, alinéa 5, du Code d'instruction criminelle]5.
Modifications
Art. 26/1. [1 Zes maanden voordat de veroordeelde zich in de bij artikel 26, § 1 of § 2 bepaalde tijdsvoorwaarden bevindt [2 of indien deze termijn niet kan worden gerespecteerd, onmiddellijk]2, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering indienen, overeenkomstig artikel 30 of artikel 50, naar gelang van het geval.]1
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering indienen, overeenkomstig artikel 30 of artikel 50, naar gelang van het geval.]1
Modifications
[1]Art. 26/1. reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight"><span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap">[1 De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, is een wijze van uitvoering van de ontzetting van het in artikel 382bis, eerste lid, 4°, van het Strafwetboek bedoelde recht, waarbij de duur van de ontzetting kan verminderd worden, de nadere regels of de voorwaarden van de ontzetting kunnen worden aangepast of de ontzetting kan worden opgeschort of beëindigd.<span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap"></span></span>
----------
Art. 26/1. [1 Six mois avant que le condamné se trouve dans les conditions de temps déterminées par l'article 26, § 1er ou § 2, [2 ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté,]2 le directeur l'informe par écrit sur la possibilité de demander une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise.
Dès ce moment, le condamné peut introduire une demande écrite d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise, conformément à l'article 30 ou à l'article 50, selon le cas.]1
Dès ce moment, le condamné peut introduire une demande écrite d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise, conformément à l'article 30 ou à l'article 50, selon le cas.]1
Modifications
[1]Art. 26/1. reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight"><span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap">[1 La réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée est une modalité d'exécution de l'interdiction du droit visée à l'article 382bis, alinéa 1er, 4°, du Code pénal, dans le cadre de laquelle la durée de l'interdiction peut être réduite, les modalités ou les conditions relatives à l'interdiction peuvent être adaptées ou l'interdiction peut être suspendue ou prendre fin.<span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap"></span></span>
----------
HOOFDSTUK IV. - [1 De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]1
CHAPITRE IV. - [1 De la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée]1
TITEL VI. - Over de toekenning van de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten.
TITRE VI. - Octroi des modalités d'exécution de la peine fixées au Titre V.
HOOFDSTUK I. - De vrijheidsstraffen van drie jaar of minder.
CHAPITRE Ier. - Des peines privatives de liberté de trois ans ou moins.
Afdeling I. - Definitie.
Section Ire. - Définition.
Art.27. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder vrijheidsstraffen van drie jaar of minder, één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt.
[1 Wanneer aan een of meer van de vrijheidsstraffen bedoeld in het eerste lid de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank bedoeld in de artikelen 34bis tot 34quater van het Strafwetboek verbonden is, zijn de bepalingen van hoofdstuk II van toepassing.]1
[1 Wanneer aan een of meer van de vrijheidsstraffen bedoeld in het eerste lid de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank bedoeld in de artikelen 34bis tot 34quater van het Strafwetboek verbonden is, zijn de bepalingen van hoofdstuk II van toepassing.]1
Modifications
Art.27. Pour l'application du présent chapitre, il y a lieu d'entendre par peines privatives de liberté de trois ans ou moins, une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à trois ans ou moins.
[1 Lorsqu'une ou plusieurs des peines privatives de liberté visées à l'alinéa 1er sont assorties de la peine complémentaire de mise à la disposition du tribunal de l'application des peines visée aux articles 34bis à 34quater du Code pénal, les dispositions du chapitre II s'appliquent.]1
[1 Lorsqu'une ou plusieurs des peines privatives de liberté visées à l'alinéa 1er sont assorties de la peine complémentaire de mise à la disposition du tribunal de l'application des peines visée aux articles 34bis à 34quater du Code pénal, les dispositions du chapitre II s'appliquent.]1
Modifications
Afdeling II. - De voorwaarden.
Section II. - Des conditions.
Art.28. § 1. Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering [2 en met uitzondering van de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]2, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan [5 waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]5. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° het feit dat de veroordeelde niet de mogelijkheid heeft om in zijn behoeften te voorzien;
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid;
[1 5° ...;]1
[3 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
Het 1° is niet van toepassing op de beperkte detentie.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan [5 waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]5. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° [4 ...]4
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de door de veroordeelde geleverde inspanning om de burgerlijke partij te vergoeden [3 , rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
[2 § 3. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen.]2
1° het feit dat de veroordeelde niet de mogelijkheid heeft om in zijn behoeften te voorzien;
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid;
[1 5° ...;]1
[3 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
Het 1° is niet van toepassing op de beperkte detentie.
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan [5 waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]5. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° [4 ...]4
2° een manifest risico voor de fysieke integriteit van derden;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de door de veroordeelde geleverde inspanning om de burgerlijke partij te vergoeden [3 , rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
[2 § 3. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen.]2
Modifications
Art.28. § 1er. A l'exception de la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise [2 et à l'exception de la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée]2, les modalités d'exécution de la peine prévues au Titre V peuvent être accordées au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci [5 auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre]5. Ces contre-indications portent sur :
1° le fait que le condamné n'a pas la possibilité de subvenir à ses besoins;
2° un risque manifeste pour l'intégrité physique de tiers;
3° le risque que le condamné importune les victimes;
4° l'attitude du condamné à l'égard des victimes des infractions qui ont donné lieu à sa condamnation;
[1 5° ...;]1
[3 6° les efforts consentis par le condamné pour indemniser la partie civile, compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné.]3
Le 1° n'est pas applicable à la détention limitée.
§ 2. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci [5 auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre]5. Ces contre-indications portent sur :
1° [4 ...]4
2° un risque manifeste pour l'intégrité physique de tiers;
3° le risque que le condamné importune les victimes;
4° les efforts fournis par le condamné pour indemniser les parties civiles [3 , compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné.]3
[2 § 3. La réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de ce dernier portant sur le risque que le condamné importune les victimes.]2
1° le fait que le condamné n'a pas la possibilité de subvenir à ses besoins;
2° un risque manifeste pour l'intégrité physique de tiers;
3° le risque que le condamné importune les victimes;
4° l'attitude du condamné à l'égard des victimes des infractions qui ont donné lieu à sa condamnation;
[1 5° ...;]1
[3 6° les efforts consentis par le condamné pour indemniser la partie civile, compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné.]3
Le 1° n'est pas applicable à la détention limitée.
§ 2. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci [5 auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre]5. Ces contre-indications portent sur :
1° [4 ...]4
2° un risque manifeste pour l'intégrité physique de tiers;
3° le risque que le condamné importune les victimes;
4° les efforts fournis par le condamné pour indemniser les parties civiles [3 , compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné.]3
[2 § 3. La réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de ce dernier portant sur le risque que le condamné importune les victimes.]2
Modifications
Art. 28/1. [1 Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in de artikelen 405ter, 409, 417/2 tot 417/4, 417/16 tot 417/19, 417/24 tot 417/28, 417/33, 417/34, 417/41, 417/43 tot 417/47, 425 tot 427 en 433septies van het Strafwetboek of voor feiten die gepleegd zijn in een context van intrafamiliaal geweld, kan het elektronisch toezicht niet worden toegekend indien het slachtoffer verblijft op de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht. De strafuitvoeringsrechtbank kan dergelijk elektronisch toezicht uitzonderlijk toch toekennen met een beslissing die omkleed is met bijzondere redenen die aangeven waarom de uitvoering van het elektronisch toezicht op het adres waar het slachtoffer van de feiten verblijft geen gevaar voor het slachtoffer met zich meebrengt. ]1
Art. 28/1. [1 Lorsque le condamné subit une peine pour des faits visés par les articles 405ter, 409, 417/2 à 417/4, 417/16 à 417/19, 417/24 à 417/28, 417/33, 417/34, 417/41, 417/43 à 417/47, 425 à 427 et 433septies du Code pénal ou pour des faits commis dans un contexte de violences intrafamiliales, la surveillance électronique ne peut pas être octroyée si la victime réside au lieu où la surveillance électronique sera effectuée. Le juge de l'application des peines peut, à titre exceptionnel, accorder une telle surveillance électronique par une décision motivée par des raisons particulières, lesquelles indiquent en quoi l'exécution de la surveillance électronique à l'adresse où réside la victime des faits ne présente aucun danger pour celle-ci. ]1
Modifications
Afdeling III. - De toekenningsprocedure.
Section III. - De la procédure d'octroi.
Art.29. § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
§ 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend [1 ...]1 op de griffie van de gevangenis [1 ...]1.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt [1 , behoudens bij toepassing van paragraaf 2/1,]1 een afschrift aan de directeur.
[1 § 2/1. De veroordeelde, van wie de griffie van de gevangenis vaststelt, nadat hij zich spontaan na ontvangst van het bevel van het openbaar ministerie tot uitvoering van zijn veroordeling heeft aangeboden in de gevangenis, dat hij één of meer vrijheidsstraffen dient te ondergaan en hij zich op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, kan het schriftelijk verzoek bedoeld in paragraaf 2 onmiddellijk indienen, behoudens wanneer er overeenkomstig artikel 32 een gespecialiseerd advies vereist is. De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek en de opsluitingsfiche binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift van het schriftelijk verzoek en de opsluitingsfiche aan het openbaar ministerie.
De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt van rechtswege eenmalig opgeschort vanaf het indienen van het schriftelijk verzoek. Deze opschorting neemt van rechtswege een einde vanaf de dag dat het vonnis van de strafuitvoeringsrechter die uitspraak doet over het verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of, in geval van toekenning van het elektronisch toezicht, op het ogenblik van de effectieve plaatsing onder elektronisch toezicht. De verjaring van de in het verzoek vervatte straffen loopt niet tijdens deze periode van opschorting.
Binnen vijftien werkdagen vanaf de indiening van het schriftelijk verzoek op de griffie van de gevangenis, legt de betrokken veroordeelde zijn dossier neer op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Dit dossier omvat de mededeling van de elementen die relevant zijn voor de specifiek aangevraagde strafuitvoeringsmodaliteit, met name:
- indien het een verzoek tot elektronisch toezicht betreft: precieze informatie over een zinvolle dagbesteding, over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht en het akkoord van de meerderjarige huisgenoten op die plaats;
- indien het een verzoek tot beperkte detentie betreft: precieze informatie omtrent de professionele, opleidings- of familiale belangen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.
Het dossier omvat eveneens de elementen die relevant zijn voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter van de tegenaanwijzingen bedoeld in artikel 28, § 1.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank deelt onverwijld een afschrift van dit dossier mee aan het openbaar ministerie en voegt aan het dossier een geactualiseerd uittreksel uit het strafregister, de opsluitingsfiche en een afschrift van de vonnissen en arresten waarop het verzoek betrekking heeft.
§ 2/2. Tijdens de opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt of het openbaar ministerie, de opsluiting van de veroordeelde bevelen indien deze de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt of wanneer er een gevaar bestaat dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken. Deze beslissing wordt onmiddellijk meegedeeld aan de veroordeelde, de bevoegde strafuitvoeringsrechter en de gevangenisdirecteur. De opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf neemt hierdoor een einde, evenals de toepassing van de procedure vermeld onder paragraaf 2/1.]1
§ 3. [1 Behoudens bij toepassing van paragraaf 2/1]1, brengt de directeur een advies uit binnen [1 een maand]1 na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
§ 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend [1 ...]1 op de griffie van de gevangenis [1 ...]1.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt [1 , behoudens bij toepassing van paragraaf 2/1,]1 een afschrift aan de directeur.
[1 § 2/1. De veroordeelde, van wie de griffie van de gevangenis vaststelt, nadat hij zich spontaan na ontvangst van het bevel van het openbaar ministerie tot uitvoering van zijn veroordeling heeft aangeboden in de gevangenis, dat hij één of meer vrijheidsstraffen dient te ondergaan en hij zich op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, kan het schriftelijk verzoek bedoeld in paragraaf 2 onmiddellijk indienen, behoudens wanneer er overeenkomstig artikel 32 een gespecialiseerd advies vereist is. De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek en de opsluitingsfiche binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift van het schriftelijk verzoek en de opsluitingsfiche aan het openbaar ministerie.
De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt van rechtswege eenmalig opgeschort vanaf het indienen van het schriftelijk verzoek. Deze opschorting neemt van rechtswege een einde vanaf de dag dat het vonnis van de strafuitvoeringsrechter die uitspraak doet over het verzoek in kracht van gewijsde is gegaan of, in geval van toekenning van het elektronisch toezicht, op het ogenblik van de effectieve plaatsing onder elektronisch toezicht. De verjaring van de in het verzoek vervatte straffen loopt niet tijdens deze periode van opschorting.
Binnen vijftien werkdagen vanaf de indiening van het schriftelijk verzoek op de griffie van de gevangenis, legt de betrokken veroordeelde zijn dossier neer op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Dit dossier omvat de mededeling van de elementen die relevant zijn voor de specifiek aangevraagde strafuitvoeringsmodaliteit, met name:
- indien het een verzoek tot elektronisch toezicht betreft: precieze informatie over een zinvolle dagbesteding, over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht en het akkoord van de meerderjarige huisgenoten op die plaats;
- indien het een verzoek tot beperkte detentie betreft: precieze informatie omtrent de professionele, opleidings- of familiale belangen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen.
Het dossier omvat eveneens de elementen die relevant zijn voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter van de tegenaanwijzingen bedoeld in artikel 28, § 1.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank deelt onverwijld een afschrift van dit dossier mee aan het openbaar ministerie en voegt aan het dossier een geactualiseerd uittreksel uit het strafregister, de opsluitingsfiche en een afschrift van de vonnissen en arresten waarop het verzoek betrekking heeft.
§ 2/2. Tijdens de opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt of het openbaar ministerie, de opsluiting van de veroordeelde bevelen indien deze de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt of wanneer er een gevaar bestaat dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken. Deze beslissing wordt onmiddellijk meegedeeld aan de veroordeelde, de bevoegde strafuitvoeringsrechter en de gevangenisdirecteur. De opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf neemt hierdoor een einde, evenals de toepassing van de procedure vermeld onder paragraaf 2/1.]1
§ 3. [1 Behoudens bij toepassing van paragraaf 2/1]1, brengt de directeur een advies uit binnen [1 een maand]1 na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
Modifications
Art.29. § 1er. La détention limitée et la surveillance électronique sont accordées par le juge de l'application des peines à la demande écrite du condamné.
§ 2. La demande écrite est introduite [1 ...]1 au greffe de la prison [1 ...]1.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et [1 , sous réserve de l'application du paragraphe 2/1,]1 en remet une copie au directeur.
[1 § 2/1. Le condamné, dont le greffe de la prison constate, après qu'il s'est spontanément présenté à la prison après réception de l'ordre d'exécution de sa condamnation du ministère public, qu'il doit subir une ou plusieurs peines privatives de liberté pour lesquelles il se trouve, à six mois près, dans les conditions de temps pour l'octroi d'une libération conditionnelle, peut introduire immédiatement la demande écrite visée au paragraphe 2, sauf si un avis spécialisé est requis conformément à l'article 32. Le greffe de la prison transmet la demande écrite et la fiche d'écrou au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et remet une copie de la demande écrite et la fiche d'écrou au ministère public.
L'exécution de la peine privative de liberté est suspendue une seule fois de plein droit dès l'introduction de la demande écrite. Cette suspension prend fin de plein droit le jour où le jugement du juge de l'application des peines qui statue sur la demande est passé en force de chose jugée ou, en cas d'octroi de la surveillance électronique, au moment du placement effectif sous surveillance électronique. La prescription des peines contenues dans la demande ne court pas durant cette période de suspension.
Dans les quinze jours ouvrables de l'introduction de la demande écrite au greffe de la prison, le condamné concerné dépose son dossier au greffe du tribunal de l'application des peines. Ce dossier contient la communication des éléments pertinents pour la modalité d'exécution de la peine spécifiquement demandée, à savoir:
- s'il s'agit d'une demande de surveillance électronique: des informations précises sur la manière dont il entend occuper utilement ses journées, sur l'endroit où la surveillance électronique se déroulera et l'accord des cohabitants majeurs de cet endroit;
- s'il s'agit d'une demande de détention limitée: des informations précises sur les intérêts professionnels, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de la prison.
Le dossier contient également les éléments pertinents pour l'évaluation par le juge de l'application des peines des contre-indications visées à l'article 28, § 1er.
Le greffe du tribunal de l'application des peines communique sans délai une copie de ce dossier au ministère public et joint au dossier un extrait actualisé du casier judiciaire, la fiche d'écrou et une copie des jugements et arrêts auxquels se rapporte la demande.
§ 2/2. Durant la suspension de l'exécution de la peine privative de liberté, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve ou le ministère public peut ordonner l'incarcération du condamné si celui-ci met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers ou s'il existe un risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine. Cette décision est communiquée sans délai au condamné, au juge de l'application des peines compétent et au directeur de la prison. La suspension de l'exécution de la peine privative de liberté prend ce faisant fin, ainsi que l'application de la procédure mentionnée au paragraphe 2/1.]1
§ 3. [1 Sous réserve de l'application du paragraphe 2/1]1, le directeur rend un avis dans [1 le mois]1 de la réception de la copie de la demande écrite. Les articles 31 et 32 sont d'application.
§ 2. La demande écrite est introduite [1 ...]1 au greffe de la prison [1 ...]1.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et [1 , sous réserve de l'application du paragraphe 2/1,]1 en remet une copie au directeur.
[1 § 2/1. Le condamné, dont le greffe de la prison constate, après qu'il s'est spontanément présenté à la prison après réception de l'ordre d'exécution de sa condamnation du ministère public, qu'il doit subir une ou plusieurs peines privatives de liberté pour lesquelles il se trouve, à six mois près, dans les conditions de temps pour l'octroi d'une libération conditionnelle, peut introduire immédiatement la demande écrite visée au paragraphe 2, sauf si un avis spécialisé est requis conformément à l'article 32. Le greffe de la prison transmet la demande écrite et la fiche d'écrou au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et remet une copie de la demande écrite et la fiche d'écrou au ministère public.
L'exécution de la peine privative de liberté est suspendue une seule fois de plein droit dès l'introduction de la demande écrite. Cette suspension prend fin de plein droit le jour où le jugement du juge de l'application des peines qui statue sur la demande est passé en force de chose jugée ou, en cas d'octroi de la surveillance électronique, au moment du placement effectif sous surveillance électronique. La prescription des peines contenues dans la demande ne court pas durant cette période de suspension.
Dans les quinze jours ouvrables de l'introduction de la demande écrite au greffe de la prison, le condamné concerné dépose son dossier au greffe du tribunal de l'application des peines. Ce dossier contient la communication des éléments pertinents pour la modalité d'exécution de la peine spécifiquement demandée, à savoir:
- s'il s'agit d'une demande de surveillance électronique: des informations précises sur la manière dont il entend occuper utilement ses journées, sur l'endroit où la surveillance électronique se déroulera et l'accord des cohabitants majeurs de cet endroit;
- s'il s'agit d'une demande de détention limitée: des informations précises sur les intérêts professionnels, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de la prison.
Le dossier contient également les éléments pertinents pour l'évaluation par le juge de l'application des peines des contre-indications visées à l'article 28, § 1er.
Le greffe du tribunal de l'application des peines communique sans délai une copie de ce dossier au ministère public et joint au dossier un extrait actualisé du casier judiciaire, la fiche d'écrou et une copie des jugements et arrêts auxquels se rapporte la demande.
§ 2/2. Durant la suspension de l'exécution de la peine privative de liberté, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve ou le ministère public peut ordonner l'incarcération du condamné si celui-ci met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers ou s'il existe un risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine. Cette décision est communiquée sans délai au condamné, au juge de l'application des peines compétent et au directeur de la prison. La suspension de l'exécution de la peine privative de liberté prend ce faisant fin, ainsi que l'application de la procédure mentionnée au paragraphe 2/1.]1
§ 3. [1 Sous réserve de l'application du paragraphe 2/1]1, le directeur rend un avis dans [1 le mois]1 de la réception de la copie de la demande écrite. Les articles 31 et 32 sont d'application.
Modifications
Art. 29/1. [1 § 1. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen wordt toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde of van het openbaar ministerie.
§ 2. [3 Het schriftelijk verzoek vanwege het openbaar ministerie wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en hiervan wordt een afschrift bezorgd aan de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.
De veroordeelde die geniet van een strafuitvoeringsmodaliteit dient zijn schriftelijk verzoek in te dienen op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. De griffie bezorgt hiervan een afschrift aan het openbaar ministerie.
Indien de veroordeelde gedetineerd is, legt hij zijn verzoek neer op de griffie van de gevangenis. De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift hiervan aan de directeur.]3
§ 3. Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, brengt de directeur een advies uit binnen [2 een maand]2 na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.]1
§ 2. [3 Het schriftelijk verzoek vanwege het openbaar ministerie wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en hiervan wordt een afschrift bezorgd aan de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.
De veroordeelde die geniet van een strafuitvoeringsmodaliteit dient zijn schriftelijk verzoek in te dienen op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. De griffie bezorgt hiervan een afschrift aan het openbaar ministerie.
Indien de veroordeelde gedetineerd is, legt hij zijn verzoek neer op de griffie van de gevangenis. De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift hiervan aan de directeur.]3
§ 3. Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, brengt de directeur een advies uit binnen [2 een maand]2 na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.]1
Art. 29/1. [1 § 1er. La réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée est accordée par le juge de l'application des peines à la demande écrite du condamné ou du ministère public.
§ 2. [3 La demande écrite du ministère public est introduite au greffe du tribunal de l'application des peines et une copie en est remise au directeur de la prison si le condamné est détenu.
Le condamné qui bénéficie d'une modalité d'exécution de la peine doit introduire sa demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines. Le greffe en remet une copie au ministère public.
Si le condamné est détenu, il dépose sa demande au greffe de la prison. Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.]3
§ 3. Si le condamné est détenu, le directeur rend un avis dans [2 le mois]2 de la réception de la copie de la demande écrite. Les articles 31 et 32 sont d'application.]1
§ 2. [3 La demande écrite du ministère public est introduite au greffe du tribunal de l'application des peines et une copie en est remise au directeur de la prison si le condamné est détenu.
Le condamné qui bénéficie d'une modalité d'exécution de la peine doit introduire sa demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines. Le greffe en remet une copie au ministère public.
Si le condamné est détenu, il dépose sa demande au greffe de la prison. Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.]3
§ 3. Si le condamné est détenu, le directeur rend un avis dans [2 le mois]2 de la réception de la copie de la demande écrite. Les articles 31 et 32 sont d'application.]1
Art.30. § 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter [1 op schriftelijk verzoek van de veroordeelde]1.
[1 § 1/1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.]1
§ 2. [1 De directeur brengt een advies uit uiterlijk [2 een maand]2 na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.]1 De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
[4 § 3. In afwijking van de paragrafen 1/1 en 2 dient de veroordeelde, die onder elektronisch toezicht staat dat hem werd toegekend op een verzoek ingediend overeenkomstig artikel 29, § 2/1, het schriftelijk verzoek in op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en voegt hij bij zijn verzoek de elementen die relevant zijn voor de gevraagde [3 strafuitvoeringsmodaliteit en voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter]3 van de tegenaanwijzingen bedoeld in artikel 28, § 1. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank bezorgt hiervan een afschrift aan het openbaar ministerie en aan de griffie van de gevangenis, die hen een afschrift van de opsluitingsfiche overzendt.]4
[1 ...]1
[1 § 1/1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.]1
§ 2. [1 De directeur brengt een advies uit uiterlijk [2 een maand]2 na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.]1 De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
[4 § 3. In afwijking van de paragrafen 1/1 en 2 dient de veroordeelde, die onder elektronisch toezicht staat dat hem werd toegekend op een verzoek ingediend overeenkomstig artikel 29, § 2/1, het schriftelijk verzoek in op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en voegt hij bij zijn verzoek de elementen die relevant zijn voor de gevraagde [3 strafuitvoeringsmodaliteit en voor de evaluatie door de strafuitvoeringsrechter]3 van de tegenaanwijzingen bedoeld in artikel 28, § 1. De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank bezorgt hiervan een afschrift aan het openbaar ministerie en aan de griffie van de gevangenis, die hen een afschrift van de opsluitingsfiche overzendt.]4
[1 ...]1
Art.30. § 1er. La libération conditionnelle et la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise sont accordées par le juge de l'application des peines [1 sur demande écrite du condamné]1.
[1 § 1er/1. La demande écrite est introduite au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.]1
§ 2. [1 Le directeur rend un avis au plus tard dans [2 le mois]2 après la réception de la demande écrite du condamné.]1 Les articles 31 et 32 sont d'application.
[4 § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er/1 et 2, le condamné qui est sous surveillance électronique, laquelle lui a été accordée sur une demande introduite conformément à l'article 29, § 2/1, introduit la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines et joint à sa demande les éléments pertinents pour la modalité d'exécution [3 de la peine demandée et pour l'évaluation par le juge de l'application des peines]3 des contre-indications visées à l'article 28, § 1er. Le greffe du tribunal de l'application des peines en remet une copie au ministère public et au greffe de la prison, qui leur communique une copie de la fiche d'écrou.]4
[1 ...]1
[1 § 1er/1. La demande écrite est introduite au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.]1
§ 2. [1 Le directeur rend un avis au plus tard dans [2 le mois]2 après la réception de la demande écrite du condamné.]1 Les articles 31 et 32 sont d'application.
[4 § 3. Par dérogation aux paragraphes 1er/1 et 2, le condamné qui est sous surveillance électronique, laquelle lui a été accordée sur une demande introduite conformément à l'article 29, § 2/1, introduit la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines et joint à sa demande les éléments pertinents pour la modalité d'exécution [3 de la peine demandée et pour l'évaluation par le juge de l'application des peines]3 des contre-indications visées à l'article 28, § 1er. Le greffe du tribunal de l'application des peines en remet une copie au ministère public et au greffe de la prison, qui leur communique une copie de la fiche d'écrou.]4
[1 ...]1
Art.31. § 1. Om zijn advies op te stellen, stelt de directeur een dossier samen en hoort hij de veroordeelde. Dit dossier omvat :
- een afschrift van de opsluitingsfiche;
- een afschrift van de vonnissen en arresten;
- de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
- een uittreksel uit het strafregister;
- de datum waarop de veroordeelde kan worden toegelaten tot de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit;
- het verslag van de directeur dat wordt opgesteld overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels;
- (in voorkomend geval, het met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten;) <W 2006-12-27/33, art. 58, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[2 - in voorkomend geval het verslag van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme;]2
- [3 ...]3
- de memorie van de veroordeelde of van zijn raadsman.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd voorstel tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
§ 4. Het advies van de directeur wordt overgezonden (aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank) en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde. <W 2006-12-27/33, art. 58, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 5. [1 ...]1
- een afschrift van de opsluitingsfiche;
- een afschrift van de vonnissen en arresten;
- de uiteenzetting van de feiten waarvoor de betrokkene werd veroordeeld;
- een uittreksel uit het strafregister;
- de datum waarop de veroordeelde kan worden toegelaten tot de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit;
- het verslag van de directeur dat wordt opgesteld overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels;
- (in voorkomend geval, het met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten;) <W 2006-12-27/33, art. 58, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[2 - in voorkomend geval het verslag van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme;]2
- [3 ...]3
- de memorie van de veroordeelde of van zijn raadsman.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd voorstel tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
§ 4. Het advies van de directeur wordt overgezonden (aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank) en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde. <W 2006-12-27/33, art. 58, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 5. [1 ...]1
Art.31. § 1er. Pour rédiger son avis, le directeur constitue un dossier et entend le condamné. Ce dossier contient :
- une copie de la fiche d'écrou;
- une copie des jugements et arrêts;
- l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été condamné;
- un extrait du casier judiciaire;
- la date d'admissibilité à la modalité d'exécution de la peine concernée;
- le rapport du directeur rédigé selon les règles fixées par le Roi;
- (le cas échéant, l'avis motivé d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans l'expertise diagnostique des délinquants sexuels;) <L 2006-12-27/33, art. 58, 1°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[2 - le cas échéant, le rapport d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans les problématiques liées au terrorisme et à l'extrémisme violent;]2
- [3 ...]3
- le mémoire du condamné ou de son conseil.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. L'avis du directeur contient une proposition motivée d'octroi ou de refus de la modalité d'exécution de la peine et, le cas échéant, les conditions particulières qu'il estime nécessaire d'imposer au condamné.
§ 4. L'avis du directeur est adressé au greffe du tribunal de l'application des peines, et une copie en est communiquée au ministère public et au condamné.
§ 5. [1 ...]1
- une copie de la fiche d'écrou;
- une copie des jugements et arrêts;
- l'exposé des faits pour lesquels l'intéressé a été condamné;
- un extrait du casier judiciaire;
- la date d'admissibilité à la modalité d'exécution de la peine concernée;
- le rapport du directeur rédigé selon les règles fixées par le Roi;
- (le cas échéant, l'avis motivé d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans l'expertise diagnostique des délinquants sexuels;) <L 2006-12-27/33, art. 58, 1°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[2 - le cas échéant, le rapport d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans les problématiques liées au terrorisme et à l'extrémisme violent;]2
- [3 ...]3
- le mémoire du condamné ou de son conseil.
§ 2. [3 ...]3
§ 3. L'avis du directeur contient une proposition motivée d'octroi ou de refus de la modalité d'exécution de la peine et, le cas échéant, les conditions particulières qu'il estime nécessaire d'imposer au condamné.
§ 4. L'avis du directeur est adressé au greffe du tribunal de l'application des peines, et une copie en est communiquée au ministère public et au condamné.
§ 5. [1 ...]1
Art.32. [2 § 1.]2 Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld [1 in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek]1, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek (...) indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, [3 moet het advies van de directeur bedoeld in artikel 29, § 3, en in artikel 30 § 2, vergezeld zijn van]3 een met redenen omkleed advies van een (dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten). <W 2006-12-27/33, art. 59, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
Het advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen.
[2 § 2. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek, of indien de veroordeelde tekenen vertoont van gewelddadig extremisme zoals gedefinieerd in het tweede lid, moet het advies bedoeld [3 in artikel 29, § 3, en in artikel 30, § 2]3, vergezeld zijn van een verslag van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme.
Onder gewelddadig extremisme wordt verstaan het bevorderen, het aanmoedigen of het plegen van handelingen die tot terrorisme kunnen leiden en waarbij een ideologie wordt verdedigd ter verkondiging van een raciale, nationale, etnische of religieuze suprematie of die in strijd is met de fundamentele waarden en principes van de democratie.
Het advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een aangepast begeleidingstraject op te leggen.]2
Het advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen.
[2 § 2. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek, of indien de veroordeelde tekenen vertoont van gewelddadig extremisme zoals gedefinieerd in het tweede lid, moet het advies bedoeld [3 in artikel 29, § 3, en in artikel 30, § 2]3, vergezeld zijn van een verslag van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme.
Onder gewelddadig extremisme wordt verstaan het bevorderen, het aanmoedigen of het plegen van handelingen die tot terrorisme kunnen leiden en waarbij een ideologie wordt verdedigd ter verkondiging van een raciale, nationale, etnische of religieuze suprematie of die in strijd is met de fundamentele waarden en principes van de democratie.
Het advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een aangepast begeleidingstraject op te leggen.]2
Art.32. [2 § 1er.]2 Si le condamné subit une peine pour des faits visés [1 aux articles 371/1 à 378 du Code pénal]1, ou pour des faits visés aux articles 379 à 387 du même Code (...) si ceux-ci ont été commis sur des mineurs ou avec leur participation, [3 l'avis du directeur visé à l'article 29, § 3, et à l'article 30, § 2, doit être accompagné]3 d'un avis motivé (d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans l'expertise diagnostique des délinquants sexuels). <L 2006-12-27/33, art. 59, 1° et 2°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
L'avis contient une appréciation de la nécessité d'imposer un traitement.
[2 § 2. Si le condamné subit une peine pour des faits visés au titre 1erter du livre II du Code pénal ou si le condamné présente des signes d'extrémisme violent tels que définis à l'alinéa 2, l'avis visé [3 à l'article 29, § 3, et à l'article 30, § 2]3 doit être accompagné d'un rapport d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans les problématiques liées au terrorisme et à l'extrémisme violent.
Par extrémisme violent, il convient d'entendre le fait de promouvoir, encourager ou commettre des actes pouvant mener au terrorisme et qui visent à défendre une idéologie prônant une suprématie raciale, nationale, ethnique ou religieuse ou s'opposant aux valeurs et principes fondamentaux de la démocratie.
Cet avis contient une appréciation de la nécessité d'imposer un parcours d'accompagnement adapté.]2
L'avis contient une appréciation de la nécessité d'imposer un traitement.
[2 § 2. Si le condamné subit une peine pour des faits visés au titre 1erter du livre II du Code pénal ou si le condamné présente des signes d'extrémisme violent tels que définis à l'alinéa 2, l'avis visé [3 à l'article 29, § 3, et à l'article 30, § 2]3 doit être accompagné d'un rapport d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans les problématiques liées au terrorisme et à l'extrémisme violent.
Par extrémisme violent, il convient d'entendre le fait de promouvoir, encourager ou commettre des actes pouvant mener au terrorisme et qui visent à défendre une idéologie prônant une suprématie raciale, nationale, ethnique ou religieuse ou s'opposant aux valeurs et principes fondamentaux de la démocratie.
Cet avis contient une appréciation de la nécessité d'imposer un parcours d'accompagnement adapté.]2
Art.33. § 1. [4 In de gevallen waarin het openbaar ministerie dit nodig acht en waarover het College van procureurs-generaal richtlijnen kan uitvaardigen, stelt het openbaar ministerie een advies op en zendt het, binnen tien werkdagen na de ontvangst van het afschrift van het advies van de directeur of na de indiening van het verzoek van de veroordeelde bedoeld in artikel 29/1, § 2, tweede lid, of in artikel 30, § 3, of na het verstrijken van de termijn voor neerlegging van het dossier op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank bedoeld in artikel 29, § 2/1, derde lid, over aan de strafuitvoeringsrechter en bezorgt hiervan een afschrift aan de veroordeelde en, in voorkomend geval, aan de directeur.]4
§ 2. [4 In de gevallen waarin de wet geen voorafgaandelijke adviesverlening door de directeur heeft bepaald, kan het openbaar ministerie met het oog op het toekennen ervan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.]4
[2 § 3. [4 ...]4]2
§ 2. [4 In de gevallen waarin de wet geen voorafgaandelijke adviesverlening door de directeur heeft bepaald, kan het openbaar ministerie met het oog op het toekennen ervan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren. De inhoud van dit beknopt voorlichtingsverslag en deze maatschappelijke enquête wordt door de Koning bepaald.]4
[2 § 3. [4 ...]4]2
Art.33. § 1er. [4 Dans les cas où le ministère public l'estime utile et pour lesquels le Collège des procureurs généraux peut édicter des directives, le ministère public rédige un avis et le transmet, dans les dix jours ouvrables à compter de la réception de la copie de l'avis du directeur ou après l'introduction de la demande du condamné visée à l'article 29/1, § 2, alinéa 2, ou à l'article 30, § 3, ou à l'expiration du délai pour le dépôt du dossier au greffe du tribunal de l'application des peines visé à l'article 29, § 2/1, alinéa 3, au juge de l'application des peines et en remet une copie au condamné et, le cas échéant, au directeur.]4
§ 2. [4 Dans les cas où la loi n'a pas prévu de formulation d'avis préalable du directeur, le ministère public peut, en vue de leur octroi, charger le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale. Le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale est déterminé par le Roi.]4
[2 § 3. [4 ...]4]2
§ 2. [4 Dans les cas où la loi n'a pas prévu de formulation d'avis préalable du directeur, le ministère public peut, en vue de leur octroi, charger le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale. Le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale est déterminé par le Roi.]4
[2 § 3. [4 ...]4]2
Art.34. [1 § 1. De strafuitvoeringsrechter doet uitspraak overeenkomstig de bepalingen van de onderafdelingen II en III van afdeling IV binnen de maand na de ontvangst van het advies van de directeur bedoeld in artikel 31 of na de indiening van het verzoek bedoeld in artikel 29/1, § 2, eerste en tweede lid, of artikel 30, § 3, of na het verstrijken van de termijn voor neerlegging van het dossier op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank bedoeld in artikel 29, § 2/1, derde lid, en ten vroegste na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie of na het verstrijken van de adviestermijn van het openbaar ministerie.
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechter evenwel oordeelt dat het dossier niet in staat is en er om een beslissing te kunnen nemen bijkomende informatie nodig is of dat hij het nodig acht om de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht te geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht, de beperkte detentie of de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal plaatsvinden of dat het nodig is een zitting te organiseren om de veroordeelde te horen, kan de termijn van een maand bedoeld in paragraaf 1 eenmaal met maximaal een maand worden verlengd.
Indien hij de opdracht geeft aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht, de beperkte detentie of de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal plaatsvinden, brengt de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank deze opdracht via het snelste, schriftelijk communicatiemiddel ter kennis van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, vergezeld van het dossier dat minstens de volgende documenten omvat: het afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling, het afschrift van de opsluitingsfiche en het uittreksel uit het strafregister. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
De strafuitvoeringsrechter kan bij de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de verslagen in verband met de gerechtelijke procedures opvragen.
Indien de strafuitvoeringsrechter bijkomende informatie heeft gevraagd of indien hij de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht heeft gegeven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht, de beperkte detentie of de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal plaatsvinden, en hij het om een beslissing te kunnen nemen alsnog nodig acht een zitting te organiseren om de veroordeelde te horen, kan de termijn bedoeld in het eerste lid nogmaals met maximaal een maand worden verlengd.
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechter oordeelt dat bijkomende informatie nodig is om een beslissing te kunnen nemen of indien hij de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht geeft een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren, deelt hij de verlenging van de termijn onverwijld mee aan het openbaar ministerie, aan de directeur, indien de veroordeelde gedetineerd is, en aan de veroordeelde en verzoekt de veroordeelde of, in voorkomend geval, de directeur om binnen veertien dagen de nodige informatie schriftelijk mee te delen.]1
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechter evenwel oordeelt dat het dossier niet in staat is en er om een beslissing te kunnen nemen bijkomende informatie nodig is of dat hij het nodig acht om de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht te geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht, de beperkte detentie of de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal plaatsvinden of dat het nodig is een zitting te organiseren om de veroordeelde te horen, kan de termijn van een maand bedoeld in paragraaf 1 eenmaal met maximaal een maand worden verlengd.
Indien hij de opdracht geeft aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht, de beperkte detentie of de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal plaatsvinden, brengt de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank deze opdracht via het snelste, schriftelijk communicatiemiddel ter kennis van de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, vergezeld van het dossier dat minstens de volgende documenten omvat: het afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling, het afschrift van de opsluitingsfiche en het uittreksel uit het strafregister. De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.
De strafuitvoeringsrechter kan bij de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de verslagen in verband met de gerechtelijke procedures opvragen.
Indien de strafuitvoeringsrechter bijkomende informatie heeft gevraagd of indien hij de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht heeft gegeven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht, de beperkte detentie of de voorwaardelijke invrijheidsstelling zal plaatsvinden, en hij het om een beslissing te kunnen nemen alsnog nodig acht een zitting te organiseren om de veroordeelde te horen, kan de termijn bedoeld in het eerste lid nogmaals met maximaal een maand worden verlengd.
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechter oordeelt dat bijkomende informatie nodig is om een beslissing te kunnen nemen of indien hij de bevoegde dienst van de Gemeenschappen de opdracht geeft een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren, deelt hij de verlenging van de termijn onverwijld mee aan het openbaar ministerie, aan de directeur, indien de veroordeelde gedetineerd is, en aan de veroordeelde en verzoekt de veroordeelde of, in voorkomend geval, de directeur om binnen veertien dagen de nodige informatie schriftelijk mee te delen.]1
Modifications
Art.34. [1 § 1er. Le juge de l'application des peines statue conformément aux dispositions des sous-sections II et III de la section IV dans le mois de la réception de l'avis du directeur visé à l'article 31 ou de l'introduction de la demande visée à l'article 29/1, § 2, alinéas 1e et 2, ou à l'article 30, § 3, ou à l'expiration du délai pour le dépôt du dossier au greffe du tribunal de l'application des peines visé à l'article 29, § 2/1, alinéa 3, et, au plus tôt, après réception de l'avis du ministère public ou après expiration du délai imparti au ministère public pour communiquer son avis.
§ 2. Si le juge de l'application des peines estime toutefois que le dossier n'est pas en état et que, pour pouvoir prendre une décision, des informations complémentaires sont nécessaires, qu'il estime nécessaire de charger le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où la surveillance électronique, la détention limitée ou la libération conditionnelle se déroulera ou qu'il est nécessaire d'organiser une audience pour entendre le condamné, le délai d'un mois visé au paragraphe 1er peut être prolongé une fois d'un mois au maximum.
S'il charge le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où la surveillance électronique, la détention limitée ou la libération conditionnelle se déroulera, le greffe du tribunal de l'application des peines porte cette demande à la connaissance du service compétent des Communautés par le moyen de communication écrit le plus rapide, accompagnée du dossier qui contient au moins les documents suivants: la copie des jugements et des arrêts de condamnation, la copie de la fiche d'écrou et l'extrait du casier judiciaire. Le Roi détermine le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale.
Le juge de l'application des peines peut réclamer auprès du service compétent des Communautés les rapports qui concernent les procédures judiciaires.
Si le juge de l'application des peines a demandé des informations supplémentaires ou s'il a chargé le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où la surveillance électronique, la détention limitée ou la libération conditionnelle se déroulera, et qu'il estime encore nécessaire pour pouvoir prendre une décision d'organiser une audience pour entendre le condamné, le délai visé à l'alinéa 1er peut encore être prolongé une fois d'un mois au maximum.
§ 3. Si le juge de l'application des peines estime que des informations complémentaires sont nécessaires pour pouvoir prendre une décision ou s'il charge le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, il communique sans délai la prolongation du délai au ministère public, au directeur, si le condamné est en détention, et au condamné et invite ce dernier ou, le cas échéant, le directeur à communiquer par écrit les informations nécessaires dans les quatorze jours.]1
§ 2. Si le juge de l'application des peines estime toutefois que le dossier n'est pas en état et que, pour pouvoir prendre une décision, des informations complémentaires sont nécessaires, qu'il estime nécessaire de charger le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où la surveillance électronique, la détention limitée ou la libération conditionnelle se déroulera ou qu'il est nécessaire d'organiser une audience pour entendre le condamné, le délai d'un mois visé au paragraphe 1er peut être prolongé une fois d'un mois au maximum.
S'il charge le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où la surveillance électronique, la détention limitée ou la libération conditionnelle se déroulera, le greffe du tribunal de l'application des peines porte cette demande à la connaissance du service compétent des Communautés par le moyen de communication écrit le plus rapide, accompagnée du dossier qui contient au moins les documents suivants: la copie des jugements et des arrêts de condamnation, la copie de la fiche d'écrou et l'extrait du casier judiciaire. Le Roi détermine le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale.
Le juge de l'application des peines peut réclamer auprès du service compétent des Communautés les rapports qui concernent les procédures judiciaires.
Si le juge de l'application des peines a demandé des informations supplémentaires ou s'il a chargé le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où la surveillance électronique, la détention limitée ou la libération conditionnelle se déroulera, et qu'il estime encore nécessaire pour pouvoir prendre une décision d'organiser une audience pour entendre le condamné, le délai visé à l'alinéa 1er peut encore être prolongé une fois d'un mois au maximum.
§ 3. Si le juge de l'application des peines estime que des informations complémentaires sont nécessaires pour pouvoir prendre une décision ou s'il charge le service compétent des Communautés de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, il communique sans délai la prolongation du délai au ministère public, au directeur, si le condamné est en détention, et au condamné et invite ce dernier ou, le cas échéant, le directeur à communiquer par écrit les informations nécessaires dans les quatorze jours.]1
Modifications
Art.36. [1 § 1. Indien de strafuitvoeringsrechter de veroordeelde wenst te horen, deelt hij de verlenging van de termijn onverwijld mee aan het openbaar ministerie, aan de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is en aan de veroordeelde. Hij kan daarbij binnen de door hem bepaalde termijn de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is of de veroordeelde verzoeken bijkomende informatie schriftelijk mee te delen.
§ 2. De dag, het uur en de plaats van de zitting worden meegedeeld bij aangetekende zending aan de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk aan de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is en het openbaar ministerie.
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn advocaat alsook het openbaar ministerie en de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 5. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 6. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.]1
§ 2. De dag, het uur en de plaats van de zitting worden meegedeeld bij aangetekende zending aan de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk aan de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is en het openbaar ministerie.
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn advocaat op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat. De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier krijgen.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn advocaat alsook het openbaar ministerie en de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 5. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 6. De strafuitvoeringsrechter beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.]1
Modifications
Art.36. [1 § 1er. Si le juge de l'application des peines souhaite entendre le condamné, il communique sans délai la prolongation du délai au ministère public, au directeur, si le condamné est en détention, et au condamné. Il peut à cet égard inviter le directeur, si le condamné est en détention, ou le condamné, dans le délai qu'il fixe, à communiquer par écrit des informations complémentaires.
§ 2. Les lieu, jour et heure de l'audience sont communiqués par envoi recommandé au condamné et à la victime et par écrit au directeur, si le condamné est en détention, et au ministère public.
§ 3. Le dossier est tenu, au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son avocat pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou, si le condamné est en détention, au greffe de la prison où le condamné subit sa peine. Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 4. Le juge de l'application des peines entend le condamné et son avocat ainsi que le ministère public et le directeur, si le condamné est en détention.
La victime est entendue sur les conditions particulières à imposer dans son intérêt. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.
Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
§ 5. L'audience se déroule à huis clos.
§ 6. Le juge de l'application des peines rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré.]1
§ 2. Les lieu, jour et heure de l'audience sont communiqués par envoi recommandé au condamné et à la victime et par écrit au directeur, si le condamné est en détention, et au ministère public.
§ 3. Le dossier est tenu, au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son avocat pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou, si le condamné est en détention, au greffe de la prison où le condamné subit sa peine. Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 4. Le juge de l'application des peines entend le condamné et son avocat ainsi que le ministère public et le directeur, si le condamné est en détention.
La victime est entendue sur les conditions particulières à imposer dans son intérêt. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.
Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
§ 5. L'audience se déroule à huis clos.
§ 6. Le juge de l'application des peines rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré.]1
Modifications
Art.37. [1 Wanneer de strafuitvoeringsrechter weigert de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, heeft de veroordeelde het recht om bij het volgende verzoek tot toekenning van eenzelfde strafuitvoeringsmodaliteit te vragen om te worden gehoord.
Na drie weigeringen van toekenning van een zelfde strafuitvoeringsmodaliteit kan de veroordeelde verzoeken om in openbare terechtzitting te verschijnen bij het volgende verzoek tot toekenning van dezelfde strafuitvoeringsmodaliteit.
Het verzoek om in een openbare terechtzitting te verschijnen kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid.]1
Na drie weigeringen van toekenning van een zelfde strafuitvoeringsmodaliteit kan de veroordeelde verzoeken om in openbare terechtzitting te verschijnen bij het volgende verzoek tot toekenning van dezelfde strafuitvoeringsmodaliteit.
Het verzoek om in een openbare terechtzitting te verschijnen kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid.]1
Modifications
Art.37. [1 Lorsque le juge de l'application des peines refuse d'accorder la modalité d'exécution de la peine, le condamné a le droit de demander d'être entendu lors de la demande suivante pour l'octroi de la même modalité d'exécution de la peine.
Après trois refus de se voir accorder une même modalité d'exécution de la peine, le condamné peut demander de comparaître en audience publique lors de la demande suivante pour l'octroi de la même modalité d'exécution de la peine.
La demande de comparution en audience publique ne peut être rejetée, par décision motivée, que si cette publicité est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale.]1
Après trois refus de se voir accorder une même modalité d'exécution de la peine, le condamné peut demander de comparaître en audience publique lors de la demande suivante pour l'octroi de la même modalité d'exécution de la peine.
La demande de comparution en audience publique ne peut être rejetée, par décision motivée, que si cette publicité est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale.]1
Modifications
Afdeling IV. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechter.
Section IV. - De la décision du juge de l'application des peines.
Onderafdeling I. - Algemene bepaling.
Sous-section Ire. - Disposition générale.
Art.38. [1 ...]1
[1 De strafuitvoeringsrechter]1 kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer hij vaststelt dat alle wettelijk vastgelegde voorwaarden zijn vervuld [1 ...]1.
[1 De strafuitvoeringsrechter]1 kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer hij vaststelt dat alle wettelijk vastgelegde voorwaarden zijn vervuld [1 ...]1.
Modifications
Art.38. [1 ...]1
[1 Le juge de l'application des peines]1 octroie la modalité d'exécution de la peine lorsqu'il constate que toutes les conditions fixées par la loi sont remplies [1 ...]1.
[1 Le juge de l'application des peines]1 octroie la modalité d'exécution de la peine lorsqu'il constate que toutes les conditions fixées par la loi sont remplies [1 ...]1.
Modifications
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Sous-section II. - De la décision d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine.
Art.39. Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° behalve voor de beperkte detentie [2 en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied,]2 een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast;
[2 4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter.]2
1° geen strafbare feiten plegen;
2° behalve voor de beperkte detentie [2 en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied,]2 een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 die met de begeleiding is belast;
[2 4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter.]2
Art.39. Le jugement d'octroi de la modalité d'exécution de la peine détermine que le condamné est soumis aux conditions générales suivantes :
1° ne pas commettre d'infractions;
2° sauf pour la détention limitée [2 et la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire]2, avoir une adresse fixe et, en cas de changement d'adresse, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, [1 au service compétent des Communautés]1 chargé de sa guidance;
3° donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, [1 du service compétent des Communautés]1 chargé d'exercer la guidance.
[2 4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, l'obligation de quitter effectivement le territoire et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable du juge de l'application des peines.]2
1° ne pas commettre d'infractions;
2° sauf pour la détention limitée [2 et la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire]2, avoir une adresse fixe et, en cas de changement d'adresse, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, [1 au service compétent des Communautés]1 chargé de sa guidance;
3° donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, [1 du service compétent des Communautés]1 chargé d'exercer la guidance.
[2 4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, l'obligation de quitter effectivement le territoire et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable du juge de l'application des peines.]2
Art.40. [1 § 1.]1 De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn om het risico op recidive te beperken of indien deze noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
[1 § 2. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie hierover moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat.
§ 3. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechter zijn overeenkomstig paragraaf 2 gegeven toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.]1
[1 § 2. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie hierover moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat.
§ 3. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechter zijn overeenkomstig paragraaf 2 gegeven toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.]1
Modifications
Art.40. [1 § 1er.]1 Le juge de l'application des peines peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées si elles sont absolument nécessaires pour limiter le risque de récidive ou si elles sont nécessaires dans l'intérêt de la victime.
[1 § 2. En cas d'octroi d'une libération conditionnelle, le juge de l'application des peines détermine également dans son jugement si le condamné peut ou non quitter le territoire du Royaume pendant la libération conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le juge de l'application des peines détermine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume.
§ 3. En cas de condamnation pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s'il existe des éléments concrets d'extrémisme violent tels que définis à l'article 32, § 2, alinéa 2, l'autorisation donnée par le juge de l'application des peines conformément au paragraphe 2 de quitter le territoire du Royaume doit faire l'objet d'une motivation spéciale.]1
[1 § 2. En cas d'octroi d'une libération conditionnelle, le juge de l'application des peines détermine également dans son jugement si le condamné peut ou non quitter le territoire du Royaume pendant la libération conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le juge de l'application des peines détermine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume.
§ 3. En cas de condamnation pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s'il existe des éléments concrets d'extrémisme violent tels que définis à l'article 32, § 2, alinéa 2, l'autorisation donnée par le juge de l'application des peines conformément au paragraphe 2 de quitter le territoire du Royaume doit faire l'objet d'une motivation spéciale.]1
Modifications
Art.41. [3 ]3 § 1.Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor één van de feiten bedoeld [2 in de artikelen 371/1 tot 378 van het Strafwetboek]2, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek (...) indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming, kan de strafuitvoeringsrechter aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde verbinden van het volgen van een begeleiding of een behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd. De rechter bepaalt de termijn gedurende welke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen. [1 ...]1 <W 2006-12-27/33, art. 62, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[3 § 2. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor één van de feiten bedoeld in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek, of indien de veroordeelde tekenen vertoont van gewelddadig extremisme zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, kan de strafuitvoeringsrechter aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde verbinden van het volgen van een aangepast begeleidingstraject bij een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme. De rechter bepaalt de termijn gedurende dewelke de veroordeelde dit traject moet volgen.]3
[3 § 2. Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor één van de feiten bedoeld in titel 1ter van boek II van het Strafwetboek, of indien de veroordeelde tekenen vertoont van gewelddadig extremisme zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, kan de strafuitvoeringsrechter aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde verbinden van het volgen van een aangepast begeleidingstraject bij een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de problematieken verbonden met het terrorisme en het gewelddadig extremisme. De rechter bepaalt de termijn gedurende dewelke de veroordeelde dit traject moet volgen.]3
Art.41. [3 § 1er.]3 Si le condamné subit une peine pour un des faits visés [2 aux articles 371/1 à 378 du Code pénal]2, ou pour des faits visés aux articles 379 à 387 du même Code (...) si ceux-ci ont été commis sur des mineurs ou avec leur participation, le juge de l'application des peines peut assortir l'octroi de la modalité d'exécution de la peine de l'obligation de suivre une guidance ou un traitement dans un service spécialisé dans la guidance ou le traitement des délinquants sexuels. Le juge fixe la durée de la période pendant laquelle le condamné devra suivre cette guidance ou ce traitement. [1 ...]1. <L 2006-12-27/33, art. 62, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[3 § 2. Si le condamné subit une peine pour un des faits visés au titre 1erter du livre II du Code pénal ou si le condamné présente des signes d'extrémisme violent tels que définis à l'article 32, § 2, alinéa 2, le juge de l'application des peines peut assortir l'octroi de la modalité d'exécution de la peine de l'obligation de suivre un parcours d'accompagnement adapté auprès d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans les problématiques liées au terrorisme et à l'extrémisme violent. Le juge fixe la durée de la période pendant laquelle le condamné devra suivre ce parcours.]3
[3 § 2. Si le condamné subit une peine pour un des faits visés au titre 1erter du livre II du Code pénal ou si le condamné présente des signes d'extrémisme violent tels que définis à l'article 32, § 2, alinéa 2, le juge de l'application des peines peut assortir l'octroi de la modalité d'exécution de la peine de l'obligation de suivre un parcours d'accompagnement adapté auprès d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans les problématiques liées au terrorisme et à l'extrémisme violent. Le juge fixe la durée de la période pendant laquelle le condamné devra suivre ce parcours.]3
Art.42. De strafuitvoeringsrechter bepaalt in het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht het programma van de concrete invulling hiervan.
De [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde regels.
De [1 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]1 staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde regels.
Modifications
Art.42. Le juge de l'application des peines détermine dans le jugement d'octroi d'une détention limitée ou d'une surveillance électronique le programme du contenu concret de celle-ci.
[1 Le service compétent des Communautés]1 se charge de donner un contenu concret à la modalité d'exécution de la peine octroyée conformément aux modalités fixées par le Roi.
[1 Le service compétent des Communautés]1 se charge de donner un contenu concret à la modalité d'exécution de la peine octroyée conformément aux modalités fixées par le Roi.
Modifications
Art.43. [1 § 1. [4 Indien de strafuitvoeringsrechter beslist over de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht, kan hij op dat ogenblik ook penitentiair verlof toekennen.]4
§ 2. Indien de veroordeelde na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht om penitentiair verlof verzoekt, wordt het schriftelijk verzoek ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen een werkdag over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
De directeur brengt een advies uit omtrent het voorgestelde verlofadres uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde. De directeur kan de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijk onderzoek te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. [2 De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.]2
Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en de veroordeelde.
[4 In de gevallen waarin het openbaar ministerie dit nodig acht en waarover het College van procureurs-generaal richtlijnen kan uitvaardigen, stelt het openbaar ministerie een advies op en zendt het, binnen tien werkdagen na de ontvangst van het afschrift van het advies van de directeur over aan de strafuitvoeringsrechter en bezorgt hiervan een afschrift aan de veroordeelde en, in voorkomend geval, aan de directeur.]4
De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing binnen [4 een maand]4 na de ontvangst van het advies van de directeur [4 , en ten vroegste na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie of na het verstrijken van de adviestermijn van het openbaar ministerie]4.
De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.
[4 § 2/1. In afwijking van paragraaf 2, dient de veroordeelde die na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht in toepassing van artikel 29, § 2/1, om penitentiair verlof verzoekt, zijn schriftelijk verzoek in op de griffie van strafuitvoeringsrechtbank. Dit verzoek omvat de informatie over de feitelijke omstandigheden en het kader waarbinnen het verlof zal plaats vinden.
De strafuitvoeringsrechter doet uitspraak binnen de maand na de indiening van het verzoek van de veroordeelde.
De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.]4
§ 3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan [3 viermaal]3 zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd.
§ 4. Artikel 46 is van toepassing.]1
§ 2. Indien de veroordeelde na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht om penitentiair verlof verzoekt, wordt het schriftelijk verzoek ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen een werkdag over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
De directeur brengt een advies uit omtrent het voorgestelde verlofadres uiterlijk binnen zes weken na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde. De directeur kan de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijk onderzoek te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. [2 De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.]2
Het advies van de directeur wordt overgezonden aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en een afschrift ervan wordt meegedeeld aan het openbaar ministerie en de veroordeelde.
[4 In de gevallen waarin het openbaar ministerie dit nodig acht en waarover het College van procureurs-generaal richtlijnen kan uitvaardigen, stelt het openbaar ministerie een advies op en zendt het, binnen tien werkdagen na de ontvangst van het afschrift van het advies van de directeur over aan de strafuitvoeringsrechter en bezorgt hiervan een afschrift aan de veroordeelde en, in voorkomend geval, aan de directeur.]4
De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing binnen [4 een maand]4 na de ontvangst van het advies van de directeur [4 , en ten vroegste na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie of na het verstrijken van de adviestermijn van het openbaar ministerie]4.
De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.
[4 § 2/1. In afwijking van paragraaf 2, dient de veroordeelde die na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht in toepassing van artikel 29, § 2/1, om penitentiair verlof verzoekt, zijn schriftelijk verzoek in op de griffie van strafuitvoeringsrechtbank. Dit verzoek omvat de informatie over de feitelijke omstandigheden en het kader waarbinnen het verlof zal plaats vinden.
De strafuitvoeringsrechter doet uitspraak binnen de maand na de indiening van het verzoek van de veroordeelde.
De artikelen 39 en 40 zijn van toepassing.]4
§ 3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan [3 viermaal]3 zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof is elk trimester van rechtswege hernieuwd.
§ 4. Artikel 46 is van toepassing.]1
Art.43. [1 § 1er. [4 Si le juge de l'application des peines décide de l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique, il peut également octroyer un congé pénitentiaire à ce moment.]4
§ 2. Si le condamné demande un congé pénitentiaire après l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique, la demande écrite est déposée au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans le jour ouvrable et en remet une copie au directeur.
Le directeur rend un avis sur l'adresse de congé proposée au plus tard dans les six semaines de la réception de la demande écrite du condamné. Le directeur peut charger le [2 service compétent des Communautés]2 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale dans le milieu d'accueil proposé par le condamné pour le congé pénitentiaire. [2 Le Roi détermine le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale.]2
L'avis du directeur est adressé au greffe du tribunal de l'application des peines, et une copie en est communiquée au ministère public et au condamné.
[4 Dans les cas où le ministère public l'estime utile et pour lesquels le Collège des procureurs généraux peut édicter des directives, le ministère public rédige un avis et le transmet, dans les dix jours ouvrables à compter de la réception de la copie de l'avis du directeur, au juge de l'application des peines et en remet une copie au condamné et, le cas échéant, au directeur.]4
Le juge de l'application des peines prend une décision dans [4 le mois]4 de la réception de l'avis du directeur [4 et au plus tôt, après réception de l'avis du ministère public ou après expiration du délai imparti au ministère public pour communiquer son avis]4.
Les articles 39 et 40 s'appliquent.
[4 § 2/1. Par dérogation au paragraphe 2, le condamné qui demande un congé pénitentiaire après l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique en application de l'article 29, § 2/1, introduit sa demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines. Cette demande contient les informations relatives aux circonstances factuelles et au cadre dans lequel le congé se déroulera.
Le juge de l'application des peines statue dans le mois qui suit l'introduction de la demande du condamné.
Les articles 39 et 40 s'appliquent.]4
§ 3. Le juge de l'application des peines fixe la durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être inférieure à [3 quatre fois]3 trente-six heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé de plein droit chaque trimestre.
§ 4. L'article 46 s'applique.]1
§ 2. Si le condamné demande un congé pénitentiaire après l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique, la demande écrite est déposée au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans le jour ouvrable et en remet une copie au directeur.
Le directeur rend un avis sur l'adresse de congé proposée au plus tard dans les six semaines de la réception de la demande écrite du condamné. Le directeur peut charger le [2 service compétent des Communautés]2 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale dans le milieu d'accueil proposé par le condamné pour le congé pénitentiaire. [2 Le Roi détermine le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale.]2
L'avis du directeur est adressé au greffe du tribunal de l'application des peines, et une copie en est communiquée au ministère public et au condamné.
[4 Dans les cas où le ministère public l'estime utile et pour lesquels le Collège des procureurs généraux peut édicter des directives, le ministère public rédige un avis et le transmet, dans les dix jours ouvrables à compter de la réception de la copie de l'avis du directeur, au juge de l'application des peines et en remet une copie au condamné et, le cas échéant, au directeur.]4
Le juge de l'application des peines prend une décision dans [4 le mois]4 de la réception de l'avis du directeur [4 et au plus tôt, après réception de l'avis du ministère public ou après expiration du délai imparti au ministère public pour communiquer son avis]4.
Les articles 39 et 40 s'appliquent.
[4 § 2/1. Par dérogation au paragraphe 2, le condamné qui demande un congé pénitentiaire après l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique en application de l'article 29, § 2/1, introduit sa demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines. Cette demande contient les informations relatives aux circonstances factuelles et au cadre dans lequel le congé se déroulera.
Le juge de l'application des peines statue dans le mois qui suit l'introduction de la demande du condamné.
Les articles 39 et 40 s'appliquent.]4
§ 3. Le juge de l'application des peines fixe la durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être inférieure à [3 quatre fois]3 trente-six heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé de plein droit chaque trimestre.
§ 4. L'article 46 s'applique.]1
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Sous-section III. - De la décision de non-octroi d'une modalité d'exécution de la peine.
Art.45. Indien de strafuitvoeringsrechter de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt hij in zijn vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen [1 ...]1.
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis.
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis.
Modifications
Art.45. Si le juge de l'application des peines n'accorde pas la modalité d'exécution de la peine sollicitée, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné peut introduire une nouvelle demande [1 ...]1.
Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement.
Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement.
Modifications
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing.
Sous-section IV. - De la communication de la décision.
Art.46. § 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [5 bij aangetekende zending]5 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en [4 ...]4 van de directeur. [4 Bij kennisname van het vonnis stemt de veroordeelde in met de voorwaarden.]4
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
[5 Onverminderd het eerste lid, wordt de veroordeelde die niet gedetineerd is en ten aanzien van wie werd beslist zonder hem te horen en zonder dat hij werd bijgestaan door een advocaat, zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van het vonnis.]5
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- [3 aan de dienst van de Gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht;]3
[3 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;]3
[6 - aan de Dienst Vreemdelingenzaken, ingeval de beslissing betrekking heeft op een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]6
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
[5 Onverminderd het eerste lid, wordt de veroordeelde die niet gedetineerd is en ten aanzien van wie werd beslist zonder hem te horen en zonder dat hij werd bijgestaan door een advocaat, zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van het vonnis.]5
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- [3 aan de dienst van de Gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht;]3
[3 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;]3
[6 - aan de Dienst Vreemdelingenzaken, ingeval de beslissing betrekking heeft op een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]6
Modifications
Art.46. § 1er. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [5 par envoi recommandé]5, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et [4 ...]4 du directeur. [4 Lors de la prise de connaissance du jugement, le condamné marque son accord sur les conditions.]4
La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 du jugement et, le cas échéant, des conditions qui sont imposées dans son intérêt.
[5 Sans préjudice de l'alinéa 1er, le condamné qui n'est pas détenu et à l'égard duquel il a été statué sans l'avoir entendu et sans qu'il ait été assisté par un avocat est informé du jugement dans les plus brefs délais et en tout cas dans les vingt-quatre heures par le moyen de communication écrit le plus rapide.]5
§ 2. Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- à [2 banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
- [3 au service des Communautés, compétent en matière de surveillance électronique, si la décision porte sur une surveillance électronique;]3
[3 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime;]3
[6 - à l'Office des Etrangers, si la décision porte sur une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise.]6
La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 du jugement et, le cas échéant, des conditions qui sont imposées dans son intérêt.
[5 Sans préjudice de l'alinéa 1er, le condamné qui n'est pas détenu et à l'égard duquel il a été statué sans l'avoir entendu et sans qu'il ait été assisté par un avocat est informé du jugement dans les plus brefs délais et en tout cas dans les vingt-quatre heures par le moyen de communication écrit le plus rapide.]5
§ 2. Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- à [2 banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
- [3 au service des Communautés, compétent en matière de surveillance électronique, si la décision porte sur une surveillance électronique;]3
[3 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime;]3
[6 - à l'Office des Etrangers, si la décision porte sur une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise.]6
Modifications
HOOFDSTUK II. - De vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar.
CHAPITRE II. - Des peines privatives de liberté de plus de trois ans.
Afdeling I. - De voorwaarden.
Section Ire. - Des conditions.
Art.47. § 1. Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering [2 en met uitzondering van de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]2, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan [4 waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]4. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde;
2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid;
[1 5° ...]1
[3 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan [4 waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]4. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° [4 ...]4;
2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden [3 , rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
[2 § 3. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen.]2
1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeelde;
2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de houding van de veroordeelde ten aanzien van de slachtoffers van de misdrijven die tot zijn veroordeling hebben geleid;
[1 5° ...]1
[3 6° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partij te vergoeden, rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
§ 2. De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering kan aan de veroordeelde worden toegekend voorzover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan [4 waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden]4. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op :
1° [4 ...]4;
2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten;
3° het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de burgerlijke partijen te vergoeden [3 , rekening houdend met de vermogenssituatie van de veroordeelde zoals die door zijn toedoen is gewijzigd sinds het plegen van de feiten waarvoor hij veroordeeld is.]3
[2 § 3. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, kan aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan die betrekking hebben op het risico dat de veroordeelde de slachtoffers zou lastig vallen.]2
Modifications
Art.47. § 1er. A l'exception de la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise [2 et à l'exception de la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée ]2, les modalités d'exécution de la peine prévues au Titre V peuvent être accordées au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci [4 auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre]4. Ces contre-indications portent sur :
1° l'absence de perspectives de réinsertion sociale du condamné;
2° le risque de perpétration de nouvelles infractions graves;
3° le risque que le condamné importune les victimes;
4° l'attitude du condamné à l'égard des victimes des infractions qui ont donné lieu à sa condamnation;
[1 5° ...]1
[3 6° les efforts consentis par le condamné pour indemniser la partie civile, compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné.]3
§ 2. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci [4 auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre]4. Ces contre-indications portent sur :
1° [4 ...]4;
2° le risque de perpétration de nouvelles infractions graves;
3° le risque que le condamné importune les victimes;
4° les efforts fournis par le condamné pour indemniser les parties civiles [3 , compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné.]3
[2 § 3. La réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de ce dernier portant sur le risque que le condamné importune les victimes.]2
1° l'absence de perspectives de réinsertion sociale du condamné;
2° le risque de perpétration de nouvelles infractions graves;
3° le risque que le condamné importune les victimes;
4° l'attitude du condamné à l'égard des victimes des infractions qui ont donné lieu à sa condamnation;
[1 5° ...]1
[3 6° les efforts consentis par le condamné pour indemniser la partie civile, compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné.]3
§ 2. La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de celui-ci [4 auxquelles la fixation de conditions particulières ne puisse répondre]4. Ces contre-indications portent sur :
1° [4 ...]4;
2° le risque de perpétration de nouvelles infractions graves;
3° le risque que le condamné importune les victimes;
4° les efforts fournis par le condamné pour indemniser les parties civiles [3 , compte tenu de la situation patrimoniale du condamné telle qu'elle a évolué par son fait depuis la perpétration des faits pour lesquels il a été condamné.]3
[2 § 3. La réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée peut être accordée au condamné pour autant qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef de ce dernier portant sur le risque que le condamné importune les victimes.]2
Modifications
Art. 47 /. [1 Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in de artikelen 405ter, 409, 417/2 tot 417/4, 417/16 tot 417/19, 417/24 tot 417/28, 417/33, 417/34, 417/41, 417/43 tot 417/47, 425 tot 427 en 433septies van het Strafwetboek of voor feiten die gepleegd zijn in een context van intrafamiliaal geweld, kan het elektronisch toezicht niet worden toegekend indien het slachtoffer verblijft op de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht. De strafuitvoeringsrechtbank kan dergelijk elektronisch toezicht uitzonderlijk toch toekennen met een beslissing die omkleed is met bijzondere redenen die aangeven waarom de uitvoering van het elektronisch toezicht op het adres waar het slachtoffer van de feiten verblijft geen gevaar voor het slachtoffer met zich meebrengt. ]1
Art. 47/1. [1 Lorsque le condamné subit une peine pour des faits visés par les articles 405ter, 409, 417/2 à 417/4, 417/16 à 417/19, 417/24 à 417/28, 417/33, 417/34, 417/41, 417/43 à 417/47, 425 à 427 et 433septies du Code pénal ou pour des faits commis dans un contexte de violences intrafamiliales, la surveillance électronique ne peut pas être octroyée si la victime réside au lieu où la surveillance électronique sera effectuée. Le tribunal de l'application des peines peut, à titre exceptionnel, accorder une telle surveillance électronique par une décision motivée par des raisons particulières, lesquelles indiquent en quoi l'exécution de la surveillance électronique à l'adresse où réside la victime des faits ne présente aucun danger pour celle-ci. ]1
Modifications
Art.48. Behalve voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering [1 en behalve voor de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]1 dient het dossier van de veroordeelde een sociaal reclasseringsplan te bevatten waaruit de perspectieven op reclassering van de veroordeelde blijken.
Modifications
Art.48. Sauf pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise [1 et sauf pour la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée]1, le dossier du condamné doit contenir un plan de réinsertion sociale indiquant les perspectives de réinsertion du condamné.
Modifications
Afdeling II. - De toekenningsprocedure.
Section II. - De la procédure d'octroi.
Art.49. § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden door de strafuitvoeringsrechtbank toegekend op schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
§ 2. Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis
De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
§ 3. De directeur brengt binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het verzoek een advies uit. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
§ 2. Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis
De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
§ 3. De directeur brengt binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het verzoek een advies uit. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
Art.49. § 1er. La détention limitée et la surveillance électronique sont accordées par le tribunal de l'application des peines à la demande écrite du condamné.
§ 2. La demande est introduite au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.
§ 3. Le directeur rend un avis dans les deux mois de la réception de la copie de la demande. Les articles 31 et 32 sont d'application.
§ 2. La demande est introduite au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.
§ 3. Le directeur rend un avis dans les deux mois de la réception de la copie de la demande. Les articles 31 et 32 sont d'application.
Art. 49/1. [1 § 1. De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen wordt toegekend door de [2 strafuitvoeringsrechtbank]2 op schriftelijk verzoek van de veroordeelde of van het openbaar ministerie.
§ 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is. De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
§ 3. Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, brengt de directeur een advies uit binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.]1
§ 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is. De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
§ 3. Ingeval de veroordeelde gedetineerd is, brengt de directeur een advies uit binnen twee maanden na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.]1
Art. 49/1. [1 § 1er. La réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée est accordée par le [2 tribunal de l'application des peines]2 à la demande écrite du condamné ou du ministère public.
§ 2. La demande écrite est introduite au greffe du tribunal de l'application des peines, ou au greffe de la prison si le condamné est détenu. Le greffe de la prison transmet la demande écrite dans les vingt-quatre heures au greffe du tribunal de l'application des peines et en remet une copie au directeur.
§ 3. Si le condamné est détenu, le directeur rend un avis dans les deux mois de la réception de la copie de la demande écrite. Les articles 31 et 32 sont d'application.]1
§ 2. La demande écrite est introduite au greffe du tribunal de l'application des peines, ou au greffe de la prison si le condamné est détenu. Le greffe de la prison transmet la demande écrite dans les vingt-quatre heures au greffe du tribunal de l'application des peines et en remet une copie au directeur.
§ 3. Si le condamné est détenu, le directeur rend un avis dans les deux mois de la réception de la copie de la demande écrite. Les articles 31 et 32 sont d'application.]1
Art.50. § 1. De voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering worden toegekend door de strafuitvoeringsrechtbank [1 op schriftelijk verzoek van de veroordeelde]1.
[1 § 1/1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.]1
§ 2. [1 De directeur brengt een advies uit uiterlijk vier maanden na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.]1 De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
[1 § 1/1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.]1
§ 2. [1 De directeur brengt een advies uit uiterlijk vier maanden na de ontvangst van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.]1 De artikelen 31 en 32 zijn van toepassing.
Modifications
Art.50. § 1er. La libération conditionnelle et la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise sont accordées par le tribunal de l'application des peines [1 sur demande écrite du condamné]1.
[1 § 1er/1. La demande écrite est introduite au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.]1
§ 2. [1 Le directeur rend un avis au plus tard dans les quatre mois de la réception de la demande écrite du condamné.]1 Les articles 31 et 32 sont d'application.
[1 § 1er/1. La demande écrite est introduite au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.]1
§ 2. [1 Le directeur rend un avis au plus tard dans les quatre mois de la réception de la demande écrite du condamné.]1 Les articles 31 et 32 sont d'application.
Modifications
Art.51. Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op [1 tot toekenning of afwijzing van de strafuitvoeringsmodaliteit en, in voorkomend geval, over de bijzondere voorwaarden die het nodig acht op te leggen aan de veroordeelde]1, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
Modifications
Art.51. Dans le mois de la réception de l'avis du directeur, le ministère public rédige un avis motivé [1 sur l'octroi ou le refus de la modalité d'exécution de la peine et, le cas échéant, les conditions particulières qu'il estime nécessaire d'imposer au condamné]1, le transmet au tribunal de l'application des peines et en communique une copie au condamné et au directeur.
Modifications
Art.52. § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. [1 Deze zitting vindt plaats uiterlijk zes maanden na de indiening van het verzoek. Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij artikel 51 bepaalde termijn, brengt het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit voor of tijdens de zitting.]1
[2 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
[2 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
Art.52. § 1er. L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile du tribunal de l'application des peines après réception de l'avis du ministère public. [1 Cette audience a lieu au plus tard six mois après le dépôt de la demande. Si l'avis du ministère public n'est pas communiqué dans le délai déterminé à l'article 51, le ministère public rend son avis par écrit avant ou pendant l'audience.]1
[2 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.]2
§ 2. Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe de la prison où le condamné subit sa peine.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
[2 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.]2
§ 2. Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe de la prison où le condamné subit sa peine.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
Art.53. De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [2 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]2
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
[3 ...]3
[1 De strafuitvoeringsrechtbank en het openbaar ministerie kunnen de [4 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]4 opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
De opdrachtgevende overheid kan bij de [4 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]4 de verslagen in verband met de gerechtelijke procedures opvragen.]1
[3 De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
Wanneer de strafuitvoeringsrechtbank driemaal heeft geweigerd om een zelfde strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, kan de veroordeelde bij het volgende verzoek tot toekenning van dezelfde strafuitvoeringsmodaliteit verzoeken om in openbare terechtzitting te verschijnen.
Dit verzoek kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de behandeling van de zaak éénmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden later mag plaatsvinden.
De beslissing tot uitstel wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.]3
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [2 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]2
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
[3 ...]3
[1 De strafuitvoeringsrechtbank en het openbaar ministerie kunnen de [4 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]4 opdracht geven een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren.
De opdrachtgevende overheid kan bij de [4 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]4 de verslagen in verband met de gerechtelijke procedures opvragen.]1
[3 De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
Wanneer de strafuitvoeringsrechtbank driemaal heeft geweigerd om een zelfde strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, kan de veroordeelde bij het volgende verzoek tot toekenning van dezelfde strafuitvoeringsmodaliteit verzoeken om in openbare terechtzitting te verschijnen.
Dit verzoek kan, bij een met redenen omklede beslissing, enkel worden geweigerd indien deze openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de behandeling van de zaak éénmaal uitstellen tot een latere zitting, zonder dat die zitting meer dan twee maanden later mag plaatsvinden.
De beslissing tot uitstel wordt schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.]3
Art.53. Le tribunal de l'application des peines entend le condamné et son conseil, le ministère public et le directeur.
La victime est entendue sur les conditions particulières à poser dans son intérêt. [2 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]2
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseil et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
Le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
[3 ...]3
[1 Le tribunal d'application des peines et le ministère public peuvent charger le [4 service compétents des Communautés]4 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale.
L'autorité mandante peut réclamer auprès du [4 service compétents des Communautés]4 les rapports qui concernent les procédures judiciaires.]1
[3 L'audience se déroule à huis clos.
Lorsque le tribunal de l'application des peines a refusé trois fois d'accorder une même modalité d'exécution de la peine, le condamné peut demander de comparaître en audience publique lors de la demande suivante pour l'octroi de la même modalité d'exécution de la peine.
Cette demande ne peut être rejetée, par décision motivée, que si cette publicité est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale.
Le tribunal de l'application des peines peut remettre une seule fois l'examen de l'affaire à une audience ultérieure, sans que cette audience puisse avoir lieu plus de deux mois après la remise.
La décision d'ajournement est portée par écrit à la connaissance du directeur si le condamné est en détention.]3
La victime est entendue sur les conditions particulières à poser dans son intérêt. [2 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]2
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseil et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
Le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
[3 ...]3
[1 Le tribunal d'application des peines et le ministère public peuvent charger le [4 service compétents des Communautés]4 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale.
L'autorité mandante peut réclamer auprès du [4 service compétents des Communautés]4 les rapports qui concernent les procédures judiciaires.]1
[3 L'audience se déroule à huis clos.
Lorsque le tribunal de l'application des peines a refusé trois fois d'accorder une même modalité d'exécution de la peine, le condamné peut demander de comparaître en audience publique lors de la demande suivante pour l'octroi de la même modalité d'exécution de la peine.
Cette demande ne peut être rejetée, par décision motivée, que si cette publicité est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale.
Le tribunal de l'application des peines peut remettre une seule fois l'examen de l'affaire à une audience ultérieure, sans que cette audience puisse avoir lieu plus de deux mois après la remise.
La décision d'ajournement est portée par écrit à la connaissance du directeur si le condamné est en détention.]3
Afdeling III. - De beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.
Section III. - De la décision du tribunal de l'application des peines.
Onderafdeling I. - Algemene bepaling.
Sous-section Ire. - Disposition générale.
Art.54. [1 § 1.]1 De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen (veertien) dagen nadat de zaak in beraad is genomen. <W 2006-12-27/33, art. 63, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
De strafuitvoeringsrechtbank kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer zij vaststelt dat alle wettelijke vastgelegde voorwaarden zijn vervuld en indien de veroordeelde zich akkoord verklaart met de opgelegde voorwaarden.
[1 § 2. Indien de zaak een veroordeling betreft tot een [2 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar of meer, tot een opsluiting of hechtenis van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting of hechtenis]2, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek, beslist de strafuitvoeringsrechtbank binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit neemt, wordt de beslissing met eenparigheid van stemmen genomen.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen.
Deze termijn is minimaal zes maanden en maximaal achttien maanden te rekenen van het vonnis.]1
De strafuitvoeringsrechtbank kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe wanneer zij vaststelt dat alle wettelijke vastgelegde voorwaarden zijn vervuld en indien de veroordeelde zich akkoord verklaart met de opgelegde voorwaarden.
[1 § 2. Indien de zaak een veroordeling betreft tot een [2 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar of meer, tot een opsluiting of hechtenis van dertig jaar of meer of tot een levenslange opsluiting of hechtenis]2, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek, beslist de strafuitvoeringsrechtbank binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen. Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank een beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit neemt, wordt de beslissing met eenparigheid van stemmen genomen.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen.
Deze termijn is minimaal zes maanden en maximaal achttien maanden te rekenen van het vonnis.]1
Art.54. [1 § 1.]1 Le tribunal de l'application des peines rend sa décision dans les (quatorze) jours de la mise en délibéré. <L 2006-12-27/33, art. 63, 002; En vigueur : 01-02-2007>
Le tribunal de l'application des peines octroie la modalité d'exécution de la peine, lorsqu'il constate que toutes les conditions prévues par la loi sont remplies, et si le condamné marque son accord sur les conditions imposées.
[1 § 2. Si l'affaire concerne une condamnation à une peine [2 d'emprisonnement correctionnel de trente ans ou plus, à une réclusion ou détention de trente ans ou plus ou à une réclusion ou détention à perpétuité]2, assortie d'une mise à disposition du tribunal de l'application des peines conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal, le tribunal de l'application des peines rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré. Si le tribunal de l'application des peines prend la décision d'accorder une modalité d'exécution de la peine, la décision est prise à l'unanimité.
Si le tribunal de l'application des peines n'accorde pas la modalité d'exécution de la peine sollicitée, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné peut introduire une nouvelle demande.
Ce délai est de six mois au moins et de dix-huit mois au plus à compter du jugement.]1
Le tribunal de l'application des peines octroie la modalité d'exécution de la peine, lorsqu'il constate que toutes les conditions prévues par la loi sont remplies, et si le condamné marque son accord sur les conditions imposées.
[1 § 2. Si l'affaire concerne une condamnation à une peine [2 d'emprisonnement correctionnel de trente ans ou plus, à une réclusion ou détention de trente ans ou plus ou à une réclusion ou détention à perpétuité]2, assortie d'une mise à disposition du tribunal de l'application des peines conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal, le tribunal de l'application des peines rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré. Si le tribunal de l'application des peines prend la décision d'accorder une modalité d'exécution de la peine, la décision est prise à l'unanimité.
Si le tribunal de l'application des peines n'accorde pas la modalité d'exécution de la peine sollicitée, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné peut introduire une nouvelle demande.
Ce délai est de six mois au moins et de dix-huit mois au plus à compter du jugement.]1
Onderafdeling II. - De beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Sous-section II. - De la décision d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine.
Art.55. Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden :
1° geen strafbare feiten plegen;
2° behalve voor de beperkte detentie [1 en voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied]1 een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 die met de begeleiding is belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 die met de begeleiding is belast.
[1 4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechtbank.]1
1° geen strafbare feiten plegen;
2° behalve voor de beperkte detentie [1 en voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied]1 een vast adres hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 die met de begeleiding is belast;
3° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 die met de begeleiding is belast.
[1 4° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechtbank.]1
Art.55. Le jugement d'octroi de la modalité d'exécution de la peine précise que le condamné est soumis aux conditions générales suivantes :
1° ne pas commettre d'infractions;
2° sauf pour la détention limitée [1 et pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire]1, avoir une adresse fixe et, en cas de changement, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, [2 au service compétent des Communautés]2 chargé de la guidance;
3° donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, [2 du service compétent des Communautés]2 chargé de la guidance.
[1 4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, l'obligation de quitter effectivement le territoire et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable du tribunal de l'application des peines.]1
1° ne pas commettre d'infractions;
2° sauf pour la détention limitée [1 et pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire]1, avoir une adresse fixe et, en cas de changement, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, [2 au service compétent des Communautés]2 chargé de la guidance;
3° donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, [2 du service compétent des Communautés]2 chargé de la guidance.
[1 4° pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, l'obligation de quitter effectivement le territoire et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable du tribunal de l'application des peines.]1
Art.56. [1 § 1.]1 De strafuitvoeringsrechtbank kan de veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die de mogelijkheid bieden het sociaal reclasseringsplan uit te voeren of tegemoet te komen aan de in artikel 47, § 1, bedoelde tegenaanwijzingen, dan wel noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
[1 § 2. De strafuitvoeringsrechtbank omkleedt het vonnis tevens met bijzondere redenen wanneer de beslissing tot toekenning of afwijzing van de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit afwijkt van het advies van de directeur of van het advies van het openbaar ministerie of wanneer haar beslissing om al dan niet bijzondere voorwaarden op te leggen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, afwijkt van het advies van de directeur of van het advies van het openbaar ministerie.
§ 3. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat.
§ 4. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechtbank haar overeenkomstig paragraaf 3, gegeven toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.]1
De artikelen 41 tot 43 zijn van toepassing
[1 § 2. De strafuitvoeringsrechtbank omkleedt het vonnis tevens met bijzondere redenen wanneer de beslissing tot toekenning of afwijzing van de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit afwijkt van het advies van de directeur of van het advies van het openbaar ministerie of wanneer haar beslissing om al dan niet bijzondere voorwaarden op te leggen overeenkomstig paragraaf 1, eerste lid, afwijkt van het advies van de directeur of van het advies van het openbaar ministerie.
§ 3. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechtbank in haar vonnis de maximumperiode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat.
§ 4. In geval van een veroordeling wegens feiten bedoeld in Boek II, titel Iter, van het Strafwetboek, of in geval er concrete elementen bestaan van gewelddadig extremisme, zoals gedefinieerd in artikel 32, § 2, tweede lid, moet de strafuitvoeringsrechtbank haar overeenkomstig paragraaf 3, gegeven toestemming om het grondgebied van het Rijk te verlaten, met bijzondere redenen omkleden.]1
De artikelen 41 tot 43 zijn van toepassing
Modifications
Art.56. [1 § 1er.]1 Le tribunal de l'application des peines peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées qui permettent la réalisation du plan de réinsertion sociale, qui permettent de répondre aux contre-indications, visées à l'article 47, § 1er, ou qui s'avèrent nécessaires dans l'intérêt des victimes.
[1 § 2. Le tribunal de l'application des peines motive sa décision également avec des raisons particulières lorsque sa décision d'octroi ou de refus de la modalité d'exécution de la peine s'écarte de l'avis du directeur ou de l'avis du ministère public ou lorsque sa décision de d'imposer ou non des conditions particulières conformément au paragraphe 1er, alinéa premier, s'écarte de l'avis du directeur ou de l'avis du ministère public.
§ 3. Lorsqu'il s'agit de l'octroi d'une libération conditionnelle, le tribunal de l'application des peines détermine également dans son jugement si le condamné peut quitter le territoire du Royaume ou non pendant la libération conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le tribunal de l'application des peines détermine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume.
§ 4. En cas de condamnation pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s'il existe des éléments concrets d'extrémisme violent tels que définis à l'article 32, § 2, alinéa 2, l'autorisation donnée par le tribunal de l'application des peines conformément au paragraphe 3 de quitter le territoire du Royaume doit faire l'objet d'une motivation spéciale.]1
Les articles 41 à 43 sont d'application.
[1 § 2. Le tribunal de l'application des peines motive sa décision également avec des raisons particulières lorsque sa décision d'octroi ou de refus de la modalité d'exécution de la peine s'écarte de l'avis du directeur ou de l'avis du ministère public ou lorsque sa décision de d'imposer ou non des conditions particulières conformément au paragraphe 1er, alinéa premier, s'écarte de l'avis du directeur ou de l'avis du ministère public.
§ 3. Lorsqu'il s'agit de l'octroi d'une libération conditionnelle, le tribunal de l'application des peines détermine également dans son jugement si le condamné peut quitter le territoire du Royaume ou non pendant la libération conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le tribunal de l'application des peines détermine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume.
§ 4. En cas de condamnation pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal, ou s'il existe des éléments concrets d'extrémisme violent tels que définis à l'article 32, § 2, alinéa 2, l'autorisation donnée par le tribunal de l'application des peines conformément au paragraphe 3 de quitter le territoire du Royaume doit faire l'objet d'une motivation spéciale.]1
Les articles 41 à 43 sont d'application.
Modifications
Onderafdeling III. - De beslissing tot niet-toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit.
Sous-section III. - De la décision de non-octroi d'une modalité d'exécution de la peine.
Art.57. Indien de strafuitvoeringsrechtbank de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen [1 ...]1.
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. [1 Onder voorbehoud van artikel 54, § 2, derde lid, is deze termijn]1 maximaal een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt.
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. [1 Onder voorbehoud van artikel 54, § 2, derde lid, is deze termijn]1 maximaal een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt.
Modifications
Art.57. Si le tribunal de l'application des peines n'accorde pas la modalité d'exécution de la peine sollicitée, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné peut introduire une nouvelle demande [1 ...]1.
Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement lorsque le condamné subit une ou plusieurs peines correctionnelles d'emprisonnement à titre principal dont le total ne dépasse pas cinq ans. [1 Sous réserve de l'article 54, § 2, alinéa 3, ce délai]1est de maximum un an en cas de peines criminelles ou lorsque le total des peines correctionnelles d'emprisonnement à titre principal est supérieur à cinq ans.
Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement lorsque le condamné subit une ou plusieurs peines correctionnelles d'emprisonnement à titre principal dont le total ne dépasse pas cinq ans. [1 Sous réserve de l'article 54, § 2, alinéa 3, ce délai]1est de maximum un an en cas de peines criminelles ou lorsque le total des peines correctionnelles d'emprisonnement à titre principal est supérieur à cinq ans.
Modifications
Onderafdeling IV. - De mededeling van de beslissing.
Sous-section IV. - De la communication de la décision.
Art.58. § 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [5 bij aangetekende zending]5 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijk communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- [4 aan de dienst van de Gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht;]4
[4 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;]4
[6 - aan de Dienst Vreemdelingenzaken, ingeval de beslissing betrekking heeft op een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]6
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijk communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- [4 aan de dienst van de Gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht;]4
[4 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;]4
[6 - aan de Dienst Vreemdelingenzaken, ingeval de beslissing betrekking heeft op een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering.]6
Modifications
Art.58. § 1er. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [5 par envoi recommandé]5, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et, si le condamné est en détention, du directeur.
La victime est informée, [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide]1, du jugement et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt.
§ 2. Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
- [4 au service des Communautés, compétent en matière de surveillance électronique, si la décision porte sur une surveillance électronique;]4
[4 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime;]4
[6 - à l'Office des Etrangers, si la décision porte sur une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise.]6
La victime est informée, [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide]1, du jugement et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt.
§ 2. Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
- [4 au service des Communautés, compétent en matière de surveillance électronique, si la décision porte sur une surveillance électronique;]4
[4 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime;]4
[6 - à l'Office des Etrangers, si la décision porte sur une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou de la remise.]6
Modifications
HOOFDSTUK III. - Bepalingen die gemeen zijn aan de hoofdstukken I en II.
CHAPITRE III. - Dispositions communes aux chapitres premier et II.
Afdeling I. - Bijzondere maatregelen.
Section Ire. - Des mesures particulières.
Art.59. Bij wijze van uitzondering kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij een procedure tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig is, een andere uitvoeringsmodaliteit toekennen dan die welke gevraagd is, wanneer dit absoluut noodzakelijk is om op korte termijn de verzochte strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen. Er kan aldus worden toegekend :
1° een uitgaansvergunning;
2° een penitentiair verlof;
3° een beperkte detentie;
4° een elektronisch toezicht.
Binnen twee maanden na de beslissing tot toekenning van de bijzondere uitvoeringsmodaliteit, doet de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank uitspraak over de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit. Deze termijn kan éénmaal worden verlengd.
[1 Deze strafuitvoeringsmodaliteiten, met uitzondering van de in artikel 4, § 2, bedoelde uitgaansvergunning, worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. De artikelen 64, 67, 68 en 70 zijn van toepassing.]1
[2 De artikelen 64, 67, 68 en 70 zijn van toepassing.]2
1° een uitgaansvergunning;
2° een penitentiair verlof;
3° een beperkte detentie;
4° een elektronisch toezicht.
Binnen twee maanden na de beslissing tot toekenning van de bijzondere uitvoeringsmodaliteit, doet de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank uitspraak over de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit. Deze termijn kan éénmaal worden verlengd.
[1 Deze strafuitvoeringsmodaliteiten, met uitzondering van de in artikel 4, § 2, bedoelde uitgaansvergunning, worden niet toegekend wanneer op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de veroordeelde niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. De artikelen 64, 67, 68 en 70 zijn van toepassing.]1
[2 De artikelen 64, 67, 68 en 70 zijn van toepassing.]2
Art.59. A titre exceptionnel, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines, saisi d'une procédure d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine, peut accorder une modalité d'exécution de la peine autre que celle demandée si cela est absolument nécessaire pour permettre l'octroi à court terme de la modalité d'exécution de la peine sollicitée. Il peut ainsi accorder :
1° une permission de sortie;
2° un congé pénitentiaire;
3° une détention limitée;
4° une surveillance électronique.
Dans les deux mois de la décision d'octroi de la modalité particulière d'exécution de la peine, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines statue sur la modalité d'exécution de la peine demandée. Cette période peut être prolongée une fois.
[1 Ces modalités d'exécution des peines, à l'exception de la permission de sortie visée à l'article 4, § 2, ne sont pas accordées s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume. Les articles 64, 67, 68 et 70 s'appliquent.]1
[2 Les articles 64, 67, 68 et 70 s'appliquent.]2
1° une permission de sortie;
2° un congé pénitentiaire;
3° une détention limitée;
4° une surveillance électronique.
Dans les deux mois de la décision d'octroi de la modalité particulière d'exécution de la peine, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines statue sur la modalité d'exécution de la peine demandée. Cette période peut être prolongée une fois.
[1 Ces modalités d'exécution des peines, à l'exception de la permission de sortie visée à l'article 4, § 2, ne sont pas accordées s'il ressort d'un avis de l'Office des étrangers que le condamné n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume. Les articles 64, 67, 68 et 70 s'appliquent.]1
[2 Les articles 64, 67, 68 et 70 s'appliquent.]2
Afdeling II. - De aanvang van de uitvoering van de strafuitvoeringsmodaliteit.
Section II. - Du début de l'exécution de la modalité d'exécution de la peine.
Art.60. Het vonnis tot toekenning van een bij Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit zoals bepaald bij Titel V wordt uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde aan de (door deze wet) bepaalde tijdsvoorwaarden voldoet. <W 2006-12-27/33, art. 64, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering die uitvoerbaar worden op het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt.
[1 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen [3 van de strafuitvoeringsrechtbank]3 tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied van een veroordeelde die het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing of van een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve verwijdering. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering of overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en dit ten laatste [2 twintig]2 dagen nadat de beslissing tot toekenning in kracht van gewijsde is gegaan.]1
[3 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering of van overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of, van zodra de veroordeelde voldoet aan de door deze wet bepaalde tijdsvoorwaarden, op het ogenblik van de kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of overbrenging niet zal plaats vinden, en dit ten laatste twintig dagen nadat de veroordeelde voldoet aan de door deze wet bepaalde tijdsvoorwaarden en nadat het vonnis in kracht van gewijsde is getreden. Indien de verwijdering, overbrenging of kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het verstrijken van voormelde termijn, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld.]3
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering die uitvoerbaar worden op het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt.
[1 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen [3 van de strafuitvoeringsrechtbank]3 tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied van een veroordeelde die het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbaar koninklijk besluit tot uitzetting, van een uitvoerbaar ministerieel besluit tot terugwijzing of van een uitvoerbaar bevel tot verlaten van het grondgebied met bewijs van effectieve verwijdering. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering of overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en dit ten laatste [2 twintig]2 dagen nadat de beslissing tot toekenning in kracht van gewijsde is gegaan.]1
[3 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied. In dat geval is het vonnis uitvoerbaar op het ogenblik van effectieve verwijdering of van overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of, van zodra de veroordeelde voldoet aan de door deze wet bepaalde tijdsvoorwaarden, op het ogenblik van de kennisgeving door de Dienst Vreemdelingenzaken dat de verwijdering of overbrenging niet zal plaats vinden, en dit ten laatste twintig dagen nadat de veroordeelde voldoet aan de door deze wet bepaalde tijdsvoorwaarden en nadat het vonnis in kracht van gewijsde is getreden. Indien de verwijdering, overbrenging of kennisgeving niet heeft plaats gevonden bij het verstrijken van voormelde termijn, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld.]3
Art.60. Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine visée au Titre V est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée et au plus tôt à partir du moment où le condamné satisfait aux conditions de temps prévues (par la présente loi). <L 2006-12-27/33, art. 64, 002; En vigueur : 01-02-2007>
Toutefois, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de la remise qui deviennent exécutoires au moment de la remise.
[1 Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions [3 du tribunal de l'application des peines]3 d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire d'un condamné qui fait l'objet d'un arrêté royal d'expulsion exécutoire, d'un arrêté ministériel de renvoi exécutoire ou d'un ordre de quitter le territoire exécutoire avec preuve d'éloignement effectif. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif ou du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du Ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers, et ce, au plus tard [2 vingt]2 jours après que la décision d'octroi a été coulée en force de chose jugée.]1
[3 Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions du juge de l'application des peines d'octroi d'une libération provisoire en vue de l'éloignement du territoire. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif ou du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers ou, dès que le condamné satisfait aux conditions de temps prévues par la présente loi, au moment de de la notification par l'Office des étrangers que l'éloignement ou le transfert n'aura pas lieu, et ce, au plus tard vingt jours après que le condamné satisfait aux conditions de temps prévues par la présente loi et après que le jugement soit passé en force de chose jugée. Si l'éloignement, le transfert ou la notification n'a pas eu lieu à l'expiration du délai précité, le condamné est remis en liberté.]3
Toutefois, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire.
Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de la remise qui deviennent exécutoires au moment de la remise.
[1 Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions [3 du tribunal de l'application des peines]3 d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire d'un condamné qui fait l'objet d'un arrêté royal d'expulsion exécutoire, d'un arrêté ministériel de renvoi exécutoire ou d'un ordre de quitter le territoire exécutoire avec preuve d'éloignement effectif. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif ou du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du Ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers, et ce, au plus tard [2 vingt]2 jours après que la décision d'octroi a été coulée en force de chose jugée.]1
[3 Les alinéas 1er et 2 ne s'appliquent pas aux décisions du juge de l'application des peines d'octroi d'une libération provisoire en vue de l'éloignement du territoire. Dans ce cas, le jugement devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif ou du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers ou, dès que le condamné satisfait aux conditions de temps prévues par la présente loi, au moment de de la notification par l'Office des étrangers que l'éloignement ou le transfert n'aura pas lieu, et ce, au plus tard vingt jours après que le condamné satisfait aux conditions de temps prévues par la présente loi et après que le jugement soit passé en force de chose jugée. Si l'éloignement, le transfert ou la notification n'a pas eu lieu à l'expiration du délai précité, le condamné est remis en liberté.]3
Afdeling III. - De wijziging van de beslissing.
Section III. - De la modification de la décision.
Art.61. § 1. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit is genomen maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de strafuitvoeringsmodaliteit die werd toegekend.
§ 2. (De veroordeelde wordt [2 bij een ter post aangetekende brief]2 opgeroepen om binnen zeven dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen voor de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, voor de strafuitvoeringsrechtbank. De oproeping [2 bij een ter post aangetekende brief]2 schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit.) <W 2006-12-27/33, art. 65, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[2 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen vóór de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
§ 4. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Artikel 46 is van toepassing.
§ 2. (De veroordeelde wordt [2 bij een ter post aangetekende brief]2 opgeroepen om binnen zeven dagen na de vaststelling van de onverenigbaarheid te verschijnen voor de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, voor de strafuitvoeringsrechtbank. De oproeping [2 bij een ter post aangetekende brief]2 schorst de tenuitvoerlegging van de beslissing tot toekenning van de desbetreffende strafuitvoeringsmodaliteit.) <W 2006-12-27/33, art. 65, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
[2 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste twee dagen vóór de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
§ 4. De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Artikel 46 is van toepassing.
Art.61. § 1er. S'il se produit, après la décision d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine visée au Titre V, mais avant son exécution, une situation incompatible avec les conditions fixées dans cette décision, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut, sur réquisition du ministère public, prendre une nouvelle décision, en ce compris le retrait de la modalité d'exécution de la peine qui avait été accordée.
§ 2. (Le condamné est convoqué [2 par pli recommandé à la poste]2 à comparaître devant le juge de l'application des peines ou, le cas échéant, devant le tribunal de l'application dans les sept jours qui suivent la constatation de l'incompatibilité. La convocation [2 par pli recommandé à la poste]2 suspend l'exécution de la décision d'octroi de la modalité d'exécution de la peine en question.) <L 2006-12-27/33, art. 65, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[2 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.]2
§ 3. Le dossier est tenu, pendant au moins deux jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 4. L'audience se déroule à huis clos.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines entend le condamné et son conseil, le ministère public et le directeur.
La victime est entendue sur les conditions particulières à imposer dans son intérêt. [1 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]1
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseil et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines rend sa décision dans les sept jours de la mise en délibéré.
L'article 46 est d'application.
§ 2. (Le condamné est convoqué [2 par pli recommandé à la poste]2 à comparaître devant le juge de l'application des peines ou, le cas échéant, devant le tribunal de l'application dans les sept jours qui suivent la constatation de l'incompatibilité. La convocation [2 par pli recommandé à la poste]2 suspend l'exécution de la décision d'octroi de la modalité d'exécution de la peine en question.) <L 2006-12-27/33, art. 65, 002; En vigueur : 01-02-2007>
[2 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.]2
§ 3. Le dossier est tenu, pendant au moins deux jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 4. L'audience se déroule à huis clos.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines entend le condamné et son conseil, le ministère public et le directeur.
La victime est entendue sur les conditions particulières à imposer dans son intérêt. [1 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]1
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseil et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines rend sa décision dans les sept jours de la mise en délibéré.
L'article 46 est d'application.
TITEL VI/1. [1 - De wijziging van de bevoegdheid.]1
TITRE VI/1. [1 - De la modification de la compétence.]1
Art. 61/1. [1 De strafuitvoeringsrechtbank wordt van rechtswege bevoegd om nieuwe beslissingen te nemen in het dossier van de veroordeelde aan wie een in titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit werd toegekend door de strafuitvoeringsrechter, zodra die veroordeelde ingevolge de bijkomende tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot een vrijheidsstraf, een uitvoerbaar gedeelte van een of meer vrijheidsstraffen van meer dan drie jaar ondergaat. De strafuitvoeringsrechter die dit vaststelt, zendt het dossier onverwijld over aan de griffie van de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank.]1
Art. 61/1. [1 Le tribunal de l'application des peines est de plein droit compétent pour prendre de nouvelles décisions dans le dossier du condamné auquel le juge de l'application des peines a octroyé une modalité d'exécution de la peine visée au titre V dès que, à la suite de l'exécution additionnelle d'une condamnation à une peine privative de liberté passée en force de chose jugée, ce condamné subit une partie exécutoire d'une ou plusieurs peines privatives de liberté de plus de trois ans. Le juge de l'application des peines qui le constate transmet sans délai le dossier au greffe du tribunal de l'application des peines compétent.]1
Modifications
TITEL VII. - De opvolging en de controle van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten.
TITRE VII. - Du suivi et du contrôle des modalités d'exécution de la peine visées au Titre V.
Art.62. § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. [2 De bevoegde dienst van de Gemeenschappen is belast met de opvolging van en het toezicht op:
1° het programma en de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht;
2° de geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank aan de veroordeelde opgelegd zijn.]2
§ 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd of een elektronisch toezicht wordt toegekend, [2 contacteert de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van de beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, de veroordeelde]2 op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de strafuitvoeringsmodaliteit te bezorgen.
§ 3. [2 In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 brengt de bevoegde dienst van de Gemeenschappen binnen een maand na de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hem erom verzoekt en ten minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de strafuitvoeringsrechtbank of de strafuitvoeringsrechter relevante informatie met betrekking tot de veroordeelde waarover de bevoegde dienst van de Gemeenschappen beschikt. Het verslag bevat ten minste:
1° informatie over het programma en de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht en de mate waarin die in acht worden genomen;
2° een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen.
De bevoegde dienst van de Gemeenschappen stelt in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank en de bevoegde dienst van de Gemeenschappen gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.]2
§ 4. Indien aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde wordt gekoppeld om een begeleiding of een behandeling te volgen, nodigt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, na inzage van de tijdens de procedure alsmede, in voorkomend geval, tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraf verrichte expertises, de veroordeelde uit om een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Deze keuze wordt aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank ter goedkeuring voorgelegd.
Deze persoon of dienst die de opdracht aanneemt, brengt aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank alsook aan de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2, binnen een maand na de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit en telkens die persoon of dienst het nuttig acht, op verzoek van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de opvolging van de begeleiding of de behandeling.
Het in het vorige lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, zijn ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
1° het programma en de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht;
2° de geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank aan de veroordeelde opgelegd zijn.]2
§ 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd of een elektronisch toezicht wordt toegekend, [2 contacteert de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van de beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit, de veroordeelde]2 op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de strafuitvoeringsmodaliteit te bezorgen.
§ 3. [2 In de gevallen bedoeld in paragraaf 1 brengt de bevoegde dienst van de Gemeenschappen binnen een maand na de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hem erom verzoekt en ten minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de strafuitvoeringsrechtbank of de strafuitvoeringsrechter relevante informatie met betrekking tot de veroordeelde waarover de bevoegde dienst van de Gemeenschappen beschikt. Het verslag bevat ten minste:
1° informatie over het programma en de concrete invulling van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht en de mate waarin die in acht worden genomen;
2° een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen.
De bevoegde dienst van de Gemeenschappen stelt in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank en de bevoegde dienst van de Gemeenschappen gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.]2
§ 4. Indien aan de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit de voorwaarde wordt gekoppeld om een begeleiding of een behandeling te volgen, nodigt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, na inzage van de tijdens de procedure alsmede, in voorkomend geval, tijdens de uitvoering van de vrijheidsstraf verrichte expertises, de veroordeelde uit om een bevoegde persoon of dienst te kiezen. Deze keuze wordt aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank ter goedkeuring voorgelegd.
Deze persoon of dienst die de opdracht aanneemt, brengt aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank alsook aan de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2, binnen een maand na de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit en telkens die persoon of dienst het nuttig acht, op verzoek van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank en ten minste om de zes maanden, verslag uit over de opvolging van de begeleiding of de behandeling.
Het in het vorige lid bedoelde verslag handelt over de volgende punten : de daadwerkelijke aanwezigheden van de betrokkene op de voorgestelde raadplegingen, zijn ongewettigde afwezigheden, het eenzijdig stopzetten van de begeleiding of de behandeling door de betrokkene, de moeilijkheden die bij de uitvoering daarvan zijn gerezen en de situaties die een ernstig risico inhouden voor derden.
Art.62. § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 20 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, le ministère public est chargé du contrôle du condamné. [2 Le service compétent des Communautés est chargé du suivi et du contrôle:
1° du programme et du contenu concret de la détention limitée ou de la surveillance électronique;
2° des conditions particulières individualisées imposées au condamné par le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines.]2
§ 2. Si des conditions particulières sont imposées ou si une surveillance électronique est accordée, [2 le service compétent des Communautés, contacte]2 le condamné immédiatement après que la décision d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine est devenue exécutoire, afin de lui fournir toute information utile au bon déroulement de la modalité d'exécution de la peine.
§ 3. [2 Dans les cas visés au paragraphe 1er, et dans le mois de l'octroi de la modalité d'exécution de la peine, le service compétent des Communautés fait rapport au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines sur le condamné, puis chaque fois qu'il l'estime utile ou que le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines l'y invite, et au moins une fois tous les six mois. Ce rapport contient toutes les informations relatives au condamné dont dispose le service compétent des Communautés et qui sont pertinentes pour le tribunal de l'application des peines ou le juge de l'application des peines. Le rapport contient au moins:
1° des informations sur le programme et le contenu concret de la détention limitée ou de la surveillance électronique ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées;
2° une énumération de toutes les conditions particulières individualisées imposées au condamné, ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées.
Le cas échéant, le service compétent des Communautés propose les mesures qu'il juge nécessaires.
Les communications entre le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines et le service compétent des Communautés donnent lieu à des rapports dont une copie est adressée au ministère public.]2
§ 4. Si l'octroi de la modalité d'exécution de la peine est soumis à la condition de suivre une guidance ou un traitement, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines invite le condamné, au vu des expertises réalisées au cours de la procédure, ainsi que, le cas échéant, au cours de l'exécution de la peine privative de liberté, à choisir une personne compétente ou un service compétent. Ce choix est soumis à l'approbation du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines.
Ladite personne ou ledit service qui accepte la mission, adresse au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines ainsi [2 qu'au service compétent des Communautés]2, dans le mois de l'octroi de la modalité d'exécution de la peine et chaque fois que cette personne ou ce service l'estime utile, sur invitation du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines, et au moins une fois tous les six mois, un rapport de suivi sur la guidance ou le traitement.
Le rapport visé à l'alinéa précédent porte sur les points suivants : les présences effectives de l'intéressé aux consultations proposées, ses absences injustifiées, la cessation unilatérale de la guidance ou du traitement par l'intéressé, les difficultés survenues dans la mise en oeuvre de ceux-ci et les situations comportant un risque sérieux pour les tiers.
1° du programme et du contenu concret de la détention limitée ou de la surveillance électronique;
2° des conditions particulières individualisées imposées au condamné par le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines.]2
§ 2. Si des conditions particulières sont imposées ou si une surveillance électronique est accordée, [2 le service compétent des Communautés, contacte]2 le condamné immédiatement après que la décision d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine est devenue exécutoire, afin de lui fournir toute information utile au bon déroulement de la modalité d'exécution de la peine.
§ 3. [2 Dans les cas visés au paragraphe 1er, et dans le mois de l'octroi de la modalité d'exécution de la peine, le service compétent des Communautés fait rapport au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines sur le condamné, puis chaque fois qu'il l'estime utile ou que le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines l'y invite, et au moins une fois tous les six mois. Ce rapport contient toutes les informations relatives au condamné dont dispose le service compétent des Communautés et qui sont pertinentes pour le tribunal de l'application des peines ou le juge de l'application des peines. Le rapport contient au moins:
1° des informations sur le programme et le contenu concret de la détention limitée ou de la surveillance électronique ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées;
2° une énumération de toutes les conditions particulières individualisées imposées au condamné, ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées.
Le cas échéant, le service compétent des Communautés propose les mesures qu'il juge nécessaires.
Les communications entre le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines et le service compétent des Communautés donnent lieu à des rapports dont une copie est adressée au ministère public.]2
§ 4. Si l'octroi de la modalité d'exécution de la peine est soumis à la condition de suivre une guidance ou un traitement, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines invite le condamné, au vu des expertises réalisées au cours de la procédure, ainsi que, le cas échéant, au cours de l'exécution de la peine privative de liberté, à choisir une personne compétente ou un service compétent. Ce choix est soumis à l'approbation du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines.
Ladite personne ou ledit service qui accepte la mission, adresse au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines ainsi [2 qu'au service compétent des Communautés]2, dans le mois de l'octroi de la modalité d'exécution de la peine et chaque fois que cette personne ou ce service l'estime utile, sur invitation du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines, et au moins une fois tous les six mois, un rapport de suivi sur la guidance ou le traitement.
Le rapport visé à l'alinéa précédent porte sur les points suivants : les présences effectives de l'intéressé aux consultations proposées, ses absences injustifiées, la cessation unilatérale de la guidance ou du traitement par l'intéressé, les difficultés survenues dans la mise en oeuvre de ceux-ci et les situations comportant un risque sérieux pour les tiers.
Art.63. § 1. De veroordeelde, het openbaar ministerie en de directeur kunnen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank verzoeken één of meer opgelegde voorwaarden te schorsen, nader te omschrijven of aan te passen aan de omstandigheden, zonder dat evenwel de opgelegde voorwaarden kunnen worden verscherpt of bijkomende voorwaarden kunnen worden opgelegd.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, of op de griffie van de gevangenis indien de veroordeelde gedetineerd is.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van het schriftelijk verzoek over aan de andere partijen.
Indien het voorwaarden betreft die zijn opgelegd in het belang van het slachtoffer, wordt eveneens onverwijld een afschrift van het verzoek overgezonden aan het slachtoffer.
§ 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde, het openbaar ministerie, (en, in voorkomend geval, de directeur en) het slachtoffer deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. <W 2006-12-27/33, art. 67, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing van de opgelegde voorwaarden, overeenkomstig § 1, kan hij of zij op een zitting hieromtrent verdere informatie inwinnen. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde schriftelijk verzoek. De veroordeelde en zijn raadsman en het openbaar ministerie worden gehoord.
Indien het voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1 Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Het vonnis over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing van de opgelegde voorwaarden, overeenkomstig § 1, wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, aan het slachtoffer]1 zijn opgelegd, en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig de artikelen 46, § 2, en 58, § 2, op de hoogte moeten worden gebracht.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, of op de griffie van de gevangenis indien de veroordeelde gedetineerd is.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van het schriftelijk verzoek over aan de andere partijen.
Indien het voorwaarden betreft die zijn opgelegd in het belang van het slachtoffer, wordt eveneens onverwijld een afschrift van het verzoek overgezonden aan het slachtoffer.
§ 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde, het openbaar ministerie, (en, in voorkomend geval, de directeur en) het slachtoffer deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. <W 2006-12-27/33, art. 67, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 3. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing van de opgelegde voorwaarden, overeenkomstig § 1, kan hij of zij op een zitting hieromtrent verdere informatie inwinnen. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het in § 1 bedoelde schriftelijk verzoek. De veroordeelde en zijn raadsman en het openbaar ministerie worden gehoord.
Indien het voorwaarden betreft die in zijn belang zijn opgelegd, kan het slachtoffer worden gehoord. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1 Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Het vonnis over de schorsing, nadere omschrijving of aanpassing van de opgelegde voorwaarden, overeenkomstig § 1, wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en het slachtoffer, indien het voorwaarden betreft die in het belang van [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, aan het slachtoffer]1 zijn opgelegd, en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig de artikelen 46, § 2, en 58, § 2, op de hoogte moeten worden gebracht.
Modifications
Art.63. § 1er. Le condamné, le ministère public et le directeur peuvent demander au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines de suspendre une ou plusieurs conditions imposées, de les préciser ou de les adapter aux circonstances, sans toutefois les renforcer ou imposer des conditions supplémentaires.
La demande écrite est introduite au greffe du tribunal de l'application des peines, ou au greffe de la prison si le condamné est détenu.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite dans les vingt-quatre heures au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le greffe du tribunal de l'application des peines transmet sans délai une copie de la demande écrite aux autres parties.
S'il s'agit de conditions qui sont imposées dans l'intérêt de la victime, une copie de la demande est aussi transmise sans délai à la victime.
§ 2. S'ils ont des remarques, la personne condamnée, le ministère public (et, le cas échéant, le directeur et) la victime les communiquent par écrit, dans les sept jours de la réception de la copie, au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines. <L 2006-12-27/33, art. 67, 002; En vigueur : 01-02-2007>
§ 3. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines l'estime utile de pouvoir se prononcer sur la suspension, la précision ou l'adaptation, conformément au § 1er, des conditions imposées, il peut organiser une audience pour recueillir de plus amples informations à ce sujet. Cette audience doit avoir lieu au plus tard un mois après la réception de la demande écrite visée au § 1er. La personne condamnée et son conseiller et le ministère public sont entendus.
S'il s'agit de conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, celle-ci peut être entendue. [1 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]1 La victime peut se faire représenter ou assister par un conseiller et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre aussi d'autres personnes.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 4. Dans les quinze jours de la réception de la demande écrite ou, si une audience a lieu, dans les quinze jours après la mise en délibéré, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines rend sa décision. Le jugement sur la suspension, sur la précision ou sur l'adaptation, conformément au § 1er, des mesures imposées est communiqué par lettre recommandée à la poste à la personne condamnée et [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, à la victime]1, s'il s'agit de conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, et est porté à la connaissance du ministère public et du directeur.
Les modifications sont aussi communiquées aux autorités et aux instances qui, conformément aux articles 46, § 2, et 58, § 2, doivent être mises au courant.
La demande écrite est introduite au greffe du tribunal de l'application des peines, ou au greffe de la prison si le condamné est détenu.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite dans les vingt-quatre heures au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le greffe du tribunal de l'application des peines transmet sans délai une copie de la demande écrite aux autres parties.
S'il s'agit de conditions qui sont imposées dans l'intérêt de la victime, une copie de la demande est aussi transmise sans délai à la victime.
§ 2. S'ils ont des remarques, la personne condamnée, le ministère public (et, le cas échéant, le directeur et) la victime les communiquent par écrit, dans les sept jours de la réception de la copie, au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines. <L 2006-12-27/33, art. 67, 002; En vigueur : 01-02-2007>
§ 3. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines l'estime utile de pouvoir se prononcer sur la suspension, la précision ou l'adaptation, conformément au § 1er, des conditions imposées, il peut organiser une audience pour recueillir de plus amples informations à ce sujet. Cette audience doit avoir lieu au plus tard un mois après la réception de la demande écrite visée au § 1er. La personne condamnée et son conseiller et le ministère public sont entendus.
S'il s'agit de conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, celle-ci peut être entendue. [1 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]1 La victime peut se faire représenter ou assister par un conseiller et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre aussi d'autres personnes.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 4. Dans les quinze jours de la réception de la demande écrite ou, si une audience a lieu, dans les quinze jours après la mise en délibéré, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines rend sa décision. Le jugement sur la suspension, sur la précision ou sur l'adaptation, conformément au § 1er, des mesures imposées est communiqué par lettre recommandée à la poste à la personne condamnée et [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, à la victime]1, s'il s'agit de conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, et est porté à la connaissance du ministère public et du directeur.
Les modifications sont aussi communiquées aux autorités et aux instances qui, conformément aux articles 46, § 2, et 58, § 2, doivent être mises au courant.
Modifications
TITEL VIII. - De herroeping, de schorsing en de herziening van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten.
TITRE VIII. - De la révocation, de la suspension et de la révision des modalités d'exécution de la peine visées au Titre V.
HOOFDSTUK I. - De herroeping.
CHAPITRE Ier. - De la révocation.
Art.64. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteiten, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig maken in de volgende gevallen :
1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
2° wanneer de veroordeelde een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden;
3° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
4° wanneer de veroordeelde geen gevolg geeft aan de oproepingen van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, van het openbaar ministerie of, in voorkomend geval, van de [3 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]3.
5° wanneer de veroordeelde zijn adreswijziging niet doorgeeft aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de [3 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]3 die met de begeleiding is belast.
(6° wanneer de veroordeelde het programma van de concrete invulling [3 of de concrete invulling]3 van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht, [3 met inbegrip van de naleving van het uurrooster,]3 zoals bepaald overeenkomstig artikel 42, tweede lid, niet naleeft.) <W 2008-06-08/32, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
[2 7° wanneer de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bevindt;
8° wanneer de veroordeelde na de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied nalaat of weigert om het grondgebied effectief te verlaten, niet meewerkt aan zijn verwijdering, niet meewerkt aan zijn identificatie met het oog op het bekomen van een reisdocument of terugkeert zonder de in artikel 55, 4°, vereiste toestemming van de strafuitvoeringsrechtbank.]2
1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
2° wanneer de veroordeelde een ernstig gevaar vormt voor de fysieke of psychische integriteit van derden;
3° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
4° wanneer de veroordeelde geen gevolg geeft aan de oproepingen van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, van het openbaar ministerie of, in voorkomend geval, van de [3 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]3.
5° wanneer de veroordeelde zijn adreswijziging niet doorgeeft aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de [3 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]3 die met de begeleiding is belast.
(6° wanneer de veroordeelde het programma van de concrete invulling [3 of de concrete invulling]3 van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht, [3 met inbegrip van de naleving van het uurrooster,]3 zoals bepaald overeenkomstig artikel 42, tweede lid, niet naleeft.) <W 2008-06-08/32, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
[2 7° wanneer de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit bevindt;
8° wanneer de veroordeelde na de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied nalaat of weigert om het grondgebied effectief te verlaten, niet meewerkt aan zijn verwijdering, niet meewerkt aan zijn identificatie met het oog op het bekomen van een reisdocument of terugkeert zonder de in artikel 55, 4°, vereiste toestemming van de strafuitvoeringsrechtbank.]2
Art.64. Le ministère public peut saisir le juge de l'application des peines ou, le cas échéant, le tribunal de l'application des peines en vue de la révocation de la modalité d'exécution de la peine accordée, dans les cas suivants :
1° [1 s'il est constaté dans une décision passée en force de chose jugée, que le condamné a commis, pendant le délai d'épreuve, un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis du Code pénal.]1
2° si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers;
3° si les conditions particulières imposées ne sont pas respectées;
4° si le condamne ne donne pas suite aux convocations du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines, du ministère public ou, le cas échéant, [3 du service compétent des Communautés]3.
5° si le condamné ne communique pas son changement d'adresse au ministère public et, le cas échéant, [3 au service compétent des Communautés]3 chargé d'exercer la guidance.
(6° si le condamné ne respecte pas le programme du contenu concret [3 ou le contenu concret]3 de la détention limitée ou de la surveillance électronique, [3 en ce compris le respect de l'horaire,]3 comme détermine conformément à l'article 42, alinéa 2.) <L 2008-06-08/32, art. 13, 006; En vigueur : 26-06-2008>
[2 7° si le condamné ne se trouve plus dans les conditions de temps pour la modalité d'exécution de la peine accordée;
8° si, après l'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, le condamné omet ou refuse de quitter effectivement le territoire, ne coopère pas à son éloignement, ne coopère pas à son identification en vue de l'obtention d'un document de voyage ou revient sans l'autorisation du tribunal de l'application des peines requise à l'article 55, 4°.]2
1° [1 s'il est constaté dans une décision passée en force de chose jugée, que le condamné a commis, pendant le délai d'épreuve, un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis du Code pénal.]1
2° si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers;
3° si les conditions particulières imposées ne sont pas respectées;
4° si le condamne ne donne pas suite aux convocations du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines, du ministère public ou, le cas échéant, [3 du service compétent des Communautés]3.
5° si le condamné ne communique pas son changement d'adresse au ministère public et, le cas échéant, [3 au service compétent des Communautés]3 chargé d'exercer la guidance.
(6° si le condamné ne respecte pas le programme du contenu concret [3 ou le contenu concret]3 de la détention limitée ou de la surveillance électronique, [3 en ce compris le respect de l'horaire,]3 comme détermine conformément à l'article 42, alinéa 2.) <L 2008-06-08/32, art. 13, 006; En vigueur : 26-06-2008>
[2 7° si le condamné ne se trouve plus dans les conditions de temps pour la modalité d'exécution de la peine accordée;
8° si, après l'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, le condamné omet ou refuse de quitter effectivement le territoire, ne coopère pas à son éloignement, ne coopère pas à son identification en vue de l'obtention d'un document de voyage ou revient sans l'autorisation du tribunal de l'application des peines requise à l'article 55, 4°.]2
Art.65. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
In geval van herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.
[1 De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen.]1
In geval van herroeping overeenkomstig artikel 64, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.
[1 De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan, mits akkoord van de veroordeelde, een andere strafuitvoeringsmodaliteit toekennen.]1
Modifications
Art.65. En cas de révocation, le condamné est immédiatement réincarcéré.
En cas de révocation conformément à l'article 64, 1°, la révocation est censée avoir débuté le jour où le crime ou le délit a été commis.
[1 Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines, peut, moyennant l'accord du condamné, octroyer une autre modalité de l'exécution de la peine.]1
En cas de révocation conformément à l'article 64, 1°, la révocation est censée avoir débuté le jour où le crime ou le délit a été commis.
[1 Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines, peut, moyennant l'accord du condamné, octroyer une autre modalité de l'exécution de la peine.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. - De schorsing.
CHAPITRE II. - De la suspension.
Art.66. § 1. In de in artikel 64 bedoelde gevallen kan het openbaar ministerie, met het oog op het schorsen van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 2. In geval van schorsing wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
[1 § 2/1. In geval van schorsing kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank een uitgaansvergunning overeenkomstig de artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen [2 ...]2.]1
§ 3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit [2 , in welk geval hij of zij, overeenkomstig artikel 65, derde lid, een andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen,]2 of heft hij of zij de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit op. In dat laatste geval kan de strafuitvoeringsmodaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 63. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder dezelfde voorwaarden als voorheen.
§ 2. In geval van schorsing wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
[1 § 2/1. In geval van schorsing kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank een uitgaansvergunning overeenkomstig de artikelen 4 en 5 of een penitentiair verlof overeenkomstig de artikelen 7 en 8 toekennen [2 ...]2.]1
§ 3. Binnen een termijn van ten hoogste één maand, te rekenen van het vonnis tot schorsing, herroept de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de strafuitvoeringsmodaliteit [2 , in welk geval hij of zij, overeenkomstig artikel 65, derde lid, een andere strafuitvoeringsmodaliteit kan toekennen,]2 of heft hij of zij de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit op. In dat laatste geval kan de strafuitvoeringsmodaliteit worden herzien overeenkomstig artikel 63. Indien binnen deze termijn geen beslissing is genomen, wordt de veroordeelde opnieuw in vrijheid gesteld onder dezelfde voorwaarden als voorheen.
Art.66. § 1er. Dans les cas visés à l'article 64, le ministère public peut saisir le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines en vue de la suspension de la modalité d'exécution de la peine accordée.
§ 2. En cas de suspension, le condamné est immédiatement réincarcéré.
[1 § 2/1. En cas de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut accorder une permission de sortie conformément aux articles 4 et 5 ou un congé pénitentiaire conformément aux articles 7 et 8 [2 ...]2.]1
§ 3. Dans un délai d'un mois maximum à compter du jugement de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines révoque la modalité d'exécution de la peine [2 auquel cas il peut, conformément à l'article 65, alinéa 3, octroyer une autre modalité de l'exécution de la peine]2 ou en lève la suspension. Dans ce dernier cas, la modalité d'exécution de la peine peut être revue conformément aux dispositions de l'article 63. Si aucune décision n'intervient dans ce délai, le condamné est remis en liberté aux mêmes conditions que précédemment.
§ 2. En cas de suspension, le condamné est immédiatement réincarcéré.
[1 § 2/1. En cas de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut accorder une permission de sortie conformément aux articles 4 et 5 ou un congé pénitentiaire conformément aux articles 7 et 8 [2 ...]2.]1
§ 3. Dans un délai d'un mois maximum à compter du jugement de suspension, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines révoque la modalité d'exécution de la peine [2 auquel cas il peut, conformément à l'article 65, alinéa 3, octroyer une autre modalité de l'exécution de la peine]2 ou en lève la suspension. Dans ce dernier cas, la modalité d'exécution de la peine peut être revue conformément aux dispositions de l'article 63. Si aucune décision n'intervient dans ce délai, le condamné est remis en liberté aux mêmes conditions que précédemment.
HOOFDSTUK III. - De herziening.
CHAPITRE III. - De la révision.
Art.67. § 1. Ingeval de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, waarbij overeenkomstig de artikelen 64 of 66 de zaak aanhangig is gemaakt, van oordeel is dat de herroeping of de schorsing niet noodzakelijk is in het belang van de maatschappij, van het slachtoffer of van de sociale reïntegratie van de veroordeelde, kan hij of zij de strafuitvoeringsmodaliteit herzien. In dit geval kan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen [2 ...]2. De strafuitvoeringsmodaliteit wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden [2 ...]2.
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen [2 ...]2, bepaalt hij of zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen [2 ...]2, bepaalt hij of zij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
Art.67. § 1er. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines, saisi conformément aux articles 64 ou 66, estime que la révocation ou la suspension n'est pas nécessaire dans l'intérêt de la société, de la victime ou de la réinsertion sociale du condamné, il peut revoir la modalité d'exécution de la peine. Dans ce cas, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut renforcer les conditions imposées ou imposer des conditions supplémentaires [2 ...]2. La modalité d'exécution de la peine est toutefois révoquée si le condamné ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions [2 ...]2.
§ 2. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires [2 ...]2, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire.
§ 2. Si le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires [2 ...]2, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire.
HOOFDSTUK III/1. [1 - De vordering tot herbeoordeling ingevolge de bijkomende tenuitvoerlegging van een veroordeling.]1
CHAPITRE III/1. [1 - De l'action en réévaluation à la suite de l'exécution additionnelle d'une condamnation.]1
Art. 67/1. [1 Ingeval er ten aanzien van een veroordeelde aan wie een in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit werd toegekend door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank, een nieuwe in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot een vrijheidsstraf ten uitvoer wordt gelegd, die betrekking heeft op feiten gepleegd voor de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit en waarvoor de veroordeelde niet is opgesloten op grond van een bevel tot aanhouding of een bevel tot onmiddellijke aanhouding, kan het openbaar ministerie de zaak met het oog op een herbeoordeling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit aanhangig maken bij de bevoegde strafuitvoeringsrechter of de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan elke beslissing nemen bedoeld in de artikelen 63, 64, 65, 66 en 67. De beslissing tot schorsing, herroeping of herziening van de voorwaarden kan enkel genomen worden op de gronden vermeld in artikel 64 of omdat er ingevolge de nieuwe veroordeling een tegenaanwijzing wordt vastgesteld waar niet aan tegemoet gekomen kan worden door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
De toegekende strafuitvoeringsmodaliteit blijft lopen en, behoudens toepassing van artikel 70, wordt de veroordeelde niet opgesloten in afwachting van de beslissing van de strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank.
Artikel 68 is op die procedure van toepassing, met dien verstande dat ook de slachtoffers van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de nieuwe veroordeling worden gehoord. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan op verzoek van de veroordeelde beslissen tot het behoud van de lopende strafuitvoeringsmodaliteit.]1
De toegekende strafuitvoeringsmodaliteit blijft lopen en, behoudens toepassing van artikel 70, wordt de veroordeelde niet opgesloten in afwachting van de beslissing van de strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank.
Artikel 68 is op die procedure van toepassing, met dien verstande dat ook de slachtoffers van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de nieuwe veroordeling worden gehoord. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan op verzoek van de veroordeelde beslissen tot het behoud van de lopende strafuitvoeringsmodaliteit.]1
Art. 67/1. [1 Si à l'égard d'un condamné à qui le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines avait octroyé une modalité d'exécution de la peine visée au titre V, une nouvelle condamnation à une peine privative de liberté passée en force de chose jugée est portée à exécution pour des faits commis avant l'octroi de la modalité d'exécution de la peine et sur la base de laquelle le condamné n'est pas en détention par le biais d'un mandat d'arrêt ou d'un ordre d'arrestation immédiate, le ministère public peut saisir le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines compétent en vue d'une réévaluation de la modalité d'exécution de la peine octroyée. Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut prendre toute décision visée aux articles 63, 64, 65, 66 et 67. La décision de suspension, de révocation ou de révision des conditions ne peut être prise que pour les motifs énoncés à l'article 64 ou parce qu'une contre-indication est constatée à la suite de la nouvelle condamnation à laquelle la fixation de conditions particulières ne puisse répondre.
La modalité d'exécution de la peine octroyée continue à courir et, sous réserve de l'application de l'article 70, le condamné n'est pas incarcéré dans l'attente de la décision du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines.
L'article 68 s'applique à cette procédure, étant entendu que les victimes des faits qui ont donné lieu à la nouvelle condamnation seront également entendues. A la demande du condamné, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut décider de maintenir la modalité d'exécution de la peine en cours.]1
La modalité d'exécution de la peine octroyée continue à courir et, sous réserve de l'application de l'article 70, le condamné n'est pas incarcéré dans l'attente de la décision du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines.
L'article 68 s'applique à cette procédure, étant entendu que les victimes des faits qui ont donné lieu à la nouvelle condamnation seront également entendues. A la demande du condamné, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut décider de maintenir la modalité d'exécution de la peine en cours.]1
Modifications
HOOFDSTUK IV. - De procedure.
CHAPITRE IV. - De la procédure.
Art.68. § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping, schorsing of herziening van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteiteit [7 of met het oog op een herbeoordeling bedoeld in artikel 67/1]7, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. (De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk vijftien dagen na de aanhangigmaking van de zaak door het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank.) <W 2006-12-27/33, art. 68, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier [4 per ter post aangetekende brief]4 opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
Indien het de niet-naleving van de voorwaarden die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd betreft, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord. [2 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie licht bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die ze in haar advies heeft gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]2
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 4. Binnen (zeven) dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank over de herroeping, de schorsing of de herziening. <W 2006-12-27/33, art. 68, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 5. Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank dat de periode die de veroordeelde in beperkte detentie was of onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling [4 en een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied]4, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het gedeelte van de vrijheidsstraf dat de veroordeelde nog moet ondergaan rekening houdend met de periode van de proeftijd die goed is verlopen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd.
[4 [7 Behoudens in het geval de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de eerder toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank in het vonnis tot herroeping de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen.]7
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Deze termijn is maximum een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt. Deze termijn is minimum zes maanden en maximum achttien maanden indien de zaak een veroordeling betreft tot een vrijheidsstraf van dertig jaar of meer of een levenslange vrijheidsstraf, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek.]4
§ 6. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt [2 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]2 op de hoogte gebracht van de herroeping of de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit of, in geval van herziening, van de in het belang van het slachtoffer gewijzigde voorwaarden.
§ 7. Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [3 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]3 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- [6 aan de dienst van de Gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht;]6
[6 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd.]6
[5 § 8. Een bij verstek gewezen vonnis tot herroeping of herziening is vatbaar voor verzet.]5
De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier [4 per ter post aangetekende brief]4 opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of op de griffie van de gevangenis ingeval de veroordeelde gedetineerd is.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
Indien het de niet-naleving van de voorwaarden die in het belang van het slachtoffer zijn opgelegd betreft, wordt het slachtoffer hieromtrent gehoord. [2 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie licht bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die ze in haar advies heeft gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]2
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 4. Binnen (zeven) dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank over de herroeping, de schorsing of de herziening. <W 2006-12-27/33, art. 68, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
§ 5. Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank dat de periode die de veroordeelde in beperkte detentie was of onder elektronisch toezicht stond, wordt afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping van een voorwaardelijke invrijheidstelling [4 en een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied]4, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank het gedeelte van de vrijheidsstraf dat de veroordeelde nog moet ondergaan rekening houdend met de periode van de proeftijd die goed is verlopen en met de inspanning die de veroordeelde heeft geleverd om de voorwaarden te respecteren die hem waren opgelegd.
[4 [7 Behoudens in het geval de veroordeelde zich niet meer in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de eerder toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, bepaalt de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank in het vonnis tot herroeping de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen.]7
Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis indien de veroordeelde een of meer correctionele hoofdgevangenisstraffen ondergaat die samen niet meer dan vijf jaar bedragen. Deze termijn is maximum een jaar in geval van criminele straffen of als het geheel van de correctionele hoofdgevangenisstraffen meer dan vijf jaar bedraagt. Deze termijn is minimum zes maanden en maximum achttien maanden indien de zaak een veroordeling betreft tot een vrijheidsstraf van dertig jaar of meer of een levenslange vrijheidsstraf, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek.]4
§ 6. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt [2 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]2 op de hoogte gebracht van de herroeping of de schorsing van de strafuitvoeringsmodaliteit of, in geval van herziening, van de in het belang van het slachtoffer gewijzigde voorwaarden.
§ 7. Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [3 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]3 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- [6 aan de dienst van de Gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht;]6
[6 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd.]6
[5 § 8. Een bij verstek gewezen vonnis tot herroeping of herziening is vatbaar voor verzet.]5
Modifications
Art.68. § 1er. Le ministère public peut saisir le juge d'application des peines ou le tribunal de l'application des peines en vue d'une révocation, d'une suspension ou d'une révision de la modalité d'exécution de la peine accordée [7 ou en vue d'une réévaluation visée à l'article 67/1]7. (L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines. Cette audience doit se tenir au plus tard dans les quinze jours de la saisine du juge de l'application des peines ou du tribunal de l'application des peines par le ministère public.) <L 2006-12-27/33, art. 68, 1°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
Le condamné est convoqué,[4 par pli recommandé à la poste]4, au moins dix jours avant la date de l'examen du dossier.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 2. Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou au greffe de la prison si le condamné est détenu.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 3. Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public.
S'il s'agit du non-respect des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, la victime est entendue. [2 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public explique à cette occasion les conditions qu'il a formulées dans son avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]2
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseiller et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cet effet par le Roi.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
§ 4. Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines délibère sur la révocation, la suspension ou la révision dans les (sept) jours de la mise en délibéré. <L 2006-12-27/33, art. 68, 2°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
§ 5. S'il s'agit d'un jugement de révocation d'une détention limitée ou d'une surveillance électronique, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines précise que la période au cours de laquelle le condamné était en détention limitée ou sous surveillance électronique est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l'octroi.
S'il s'agit d'un jugement de révocation d'une libération conditionnelle [4 et d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire]4, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines détermine la partie de la peine privative de liberté que doit encore subir le condamné en tenant compte de la période du délai d'épreuve qui s'est bien déroulée et des efforts fournis par le condamné pour respecter les conditions qui lui étaient imposées.
[4 [7 Sauf dans le cas où le condamné ne se trouve plus dans les conditions de temps relatives à la modalité d'exécution de la peine précédemment octroyée, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines fixe dans son jugement de révocation la date à laquelle le condamné peut introduire une nouvelle demande.]7
Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement lorsque le condamné subit une ou plusieurs peines correctionnelles d'emprisonnement à titre principal dont le total ne dépasse pas cinq ans. Ce délai est d'un an maximum en cas de peines criminelles ou lorsque le total des peines correctionnelles d'emprisonnement principal est supérieur à cinq ans. Ce délai est de six mois minimum et de dix-huit mois maximum si l'affaire concerne une condamnation à une peine privative de liberté de trente ans ou plus ou une peine privative de liberté à perpétuité, assortie d'une mise à disposition du tribunal de l'application des peines conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal.]4
§ 6. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, par pli judiciaire, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur.
La victime est informée [2 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]2 de la révocation ou de la suspension de la modalité d'exécution de la peine ou, en cas de révision, des conditions modifiées dans son intérêt.
§ 7. Le jugement de révocation, de suspension ou de révision est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- à [3 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]3 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
- [5 au service des Communautés, compétent en matière de surveillance électronique, si la décision porte sur une surveillance électronique;]5
[5 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime.]5
[6 § 8. Un jugement de révocation ou de révision par défaut est susceptible d'opposition.]6
Le condamné est convoqué,[4 par pli recommandé à la poste]4, au moins dix jours avant la date de l'examen du dossier.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 2. Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou au greffe de la prison si le condamné est détenu.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 3. Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public.
S'il s'agit du non-respect des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime, la victime est entendue. [2 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public explique à cette occasion les conditions qu'il a formulées dans son avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]2
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseiller et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cet effet par le Roi.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
§ 4. Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines délibère sur la révocation, la suspension ou la révision dans les (sept) jours de la mise en délibéré. <L 2006-12-27/33, art. 68, 2°, 002; En vigueur : 01-02-2007>
§ 5. S'il s'agit d'un jugement de révocation d'une détention limitée ou d'une surveillance électronique, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines précise que la période au cours de laquelle le condamné était en détention limitée ou sous surveillance électronique est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l'octroi.
S'il s'agit d'un jugement de révocation d'une libération conditionnelle [4 et d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire]4, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines détermine la partie de la peine privative de liberté que doit encore subir le condamné en tenant compte de la période du délai d'épreuve qui s'est bien déroulée et des efforts fournis par le condamné pour respecter les conditions qui lui étaient imposées.
[4 [7 Sauf dans le cas où le condamné ne se trouve plus dans les conditions de temps relatives à la modalité d'exécution de la peine précédemment octroyée, le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines fixe dans son jugement de révocation la date à laquelle le condamné peut introduire une nouvelle demande.]7
Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement lorsque le condamné subit une ou plusieurs peines correctionnelles d'emprisonnement à titre principal dont le total ne dépasse pas cinq ans. Ce délai est d'un an maximum en cas de peines criminelles ou lorsque le total des peines correctionnelles d'emprisonnement principal est supérieur à cinq ans. Ce délai est de six mois minimum et de dix-huit mois maximum si l'affaire concerne une condamnation à une peine privative de liberté de trente ans ou plus ou une peine privative de liberté à perpétuité, assortie d'une mise à disposition du tribunal de l'application des peines conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal.]4
§ 6. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, par pli judiciaire, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur.
La victime est informée [2 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]2 de la révocation ou de la suspension de la modalité d'exécution de la peine ou, en cas de révision, des conditions modifiées dans son intérêt.
§ 7. Le jugement de révocation, de suspension ou de révision est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- à [3 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]3 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
- [5 au service des Communautés, compétent en matière de surveillance électronique, si la décision porte sur une surveillance électronique;]5
[5 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime.]5
[6 § 8. Un jugement de révocation ou de révision par défaut est susceptible d'opposition.]6
Modifications
HOOFDSTUK V. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions diverses.
Art.69. § 1. De verjaring van de straffen loopt niet wanneer de veroordeelde in vrijheid is krachtens een niet herroepen beslissing tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit zoals bedoeld in Titel V.
§ 2. De verjaring kan niet worden aangevoerd in het in artikel 64, 1°, bedoelde geval.
§ 2. De verjaring kan niet worden aangevoerd in het in artikel 64, 1°, bedoelde geval.
Art.69. § 1er. La prescription des peines ne court pas lorsque le condamné est en liberté en vertu d'une décision non révoquée d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine visée au Titre V.
§ 2. La prescription ne peut être invoquée dans le cas visé à l'article 64, 1°.
§ 2. La prescription ne peut être invoquée dans le cas visé à l'article 64, 1°.
TITEL IX. - De voorlopige aanhouding.
TITRE IX. - De l'arrestation provisoire.
Art.70. In de gevallen waarin overeenkomstig artikel 64 herroeping mogelijk is, [2 of waarin toepassing wordt gemaakt van artikel 67/1,]2 kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt [1 of het openbaar ministerie]1, zijn voorlopige aanhouding bevelen, onder verplichting de bevoegde strafuitvoeringsrechter of de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank daarvan onmiddellijk in kennis te stellen.
De bevoegde strafuitvoeringsrechter of de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen (zeven werkdagen) na de opsluiting van de veroordeelde over de schorsing van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, aan het openbaar ministerie en aan de directeur. <W 2006-12-27/33, art. 69, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
De beslissing tot schorsing is geldig voor de duur van één maand, overeenkomstig artikel 66, § 3.
De bevoegde strafuitvoeringsrechter of de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen (zeven werkdagen) na de opsluiting van de veroordeelde over de schorsing van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de veroordeelde, aan het openbaar ministerie en aan de directeur. <W 2006-12-27/33, art. 69, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
De beslissing tot schorsing is geldig voor de duur van één maand, overeenkomstig artikel 66, § 3.
Art.70. Dans les cas pouvant donner lieu à la révocation conformément à l'article 64 [2 ou dans lesquels l'article 67/1 est appliqué]2, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve [1 ou le ministère public]1, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci, à charge d'en donner immédiatement avis au juge de l'application des peines ou au tribunal de l'application des peines compétent.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines compétent se prononce sur la suspension de la modalité d'exécution de la peine dans les (sept jours ouvrables) qui suivent l'incarcération du condamné. Ce jugement est communiqué par écrit, dans les vingt-quatre heures, au condamné, au ministère public et au directeur. <L 2006-12-27/33, art. 69, 002; En vigueur : 01-02-2007>
La décision de suspension est valable pour une durée d'un mois, conformément à l'article 66, § 3.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines compétent se prononce sur la suspension de la modalité d'exécution de la peine dans les (sept jours ouvrables) qui suivent l'incarcération du condamné. Ce jugement est communiqué par écrit, dans les vingt-quatre heures, au condamné, au ministère public et au directeur. <L 2006-12-27/33, art. 69, 002; En vigueur : 01-02-2007>
La décision de suspension est valable pour une durée d'un mois, conformément à l'article 66, § 3.
TITEL X. - De definitieve invrijheidstelling.
TITRE X. - De la libération définitive.
Art.71. Indien tijdens de proeftijd geen enkele herroeping heeft plaatsgehad, wordt de veroordeelde definitief in vrijheid gesteld.
De proeftijd is gelijk aan de duur van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog [6 moet]6 ondergaan op de dag waarop de beslissing betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling [3 of betreffende de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering]3 uitvoerbaar is geworden. Die proeftijd kan evenwel niet korter zijn dan [5 een jaar]5.
[4 De proeftijd is]4 ten minste vijf jaar en ten hoogste tien jaar in geval van veroordeling tot een tijdelijke criminele straf [1 , met uitzondering van de veroordelingen tot een criminele straf van dertig jaar,]1 of tot één of meer correctionele straffen die samen vijf jaar hoofdgevangenisstraf te boven gaan.
De proeftijd bedraagt tien jaar in geval van veroordeling [1 tot een [3 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of tot een levenslange opsluiting]3.
[2 Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van de definitieve invrijheidstelling.]2
De proeftijd is gelijk aan de duur van de vrijheidsstraf die de veroordeelde nog [6 moet]6 ondergaan op de dag waarop de beslissing betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling [3 of betreffende de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering]3 uitvoerbaar is geworden. Die proeftijd kan evenwel niet korter zijn dan [5 een jaar]5.
[4 De proeftijd is]4 ten minste vijf jaar en ten hoogste tien jaar in geval van veroordeling tot een tijdelijke criminele straf [1 , met uitzondering van de veroordelingen tot een criminele straf van dertig jaar,]1 of tot één of meer correctionele straffen die samen vijf jaar hoofdgevangenisstraf te boven gaan.
De proeftijd bedraagt tien jaar in geval van veroordeling [1 tot een [3 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, tot een opsluiting van dertig jaar of tot een levenslange opsluiting]3.
[2 Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van de definitieve invrijheidstelling.]2
Modifications
Art.71. Lorsqu'aucune révocation n'est intervenue durant le délai d'épreuve, le condamné est définitivement remis en liberté.
[4 Le délai d'épreuve est]4 égal à la durée de la peine privative de liberté que le condamné [6 doit]6 encore subir au jour où la décision relative à la libération conditionnelle [3 ou à la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise]3 est devenue exécutoire. Toutefois, ce délai d'épreuve ne peut être inférieur à [5 un an]5.
Le délai d'épreuve est d'au moins cinq ans et de dix ans au plus en cas de condamnation à une peine criminelle à temps [1 , à l'exception des condamnations à une peine criminelle de trente ans,]1 ou à une ou plusieurs peines correctionnelles dont le total excède cinq ans d'emprisonnement principal.
Le délai d'épreuve est de dix ans en cas de condamnation [1 à une [3 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou à une réclusion à perpétuité]3.
[2 La victime est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la libération définitive.]2
[4 Le délai d'épreuve est]4 égal à la durée de la peine privative de liberté que le condamné [6 doit]6 encore subir au jour où la décision relative à la libération conditionnelle [3 ou à la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou en vue de la remise]3 est devenue exécutoire. Toutefois, ce délai d'épreuve ne peut être inférieur à [5 un an]5.
Le délai d'épreuve est d'au moins cinq ans et de dix ans au plus en cas de condamnation à une peine criminelle à temps [1 , à l'exception des condamnations à une peine criminelle de trente ans,]1 ou à une ou plusieurs peines correctionnelles dont le total excède cinq ans d'emprisonnement principal.
Le délai d'épreuve est de dix ans en cas de condamnation [1 à une [3 peine correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou à une réclusion à perpétuité]3.
[2 La victime est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la libération définitive.]2
Modifications
TITEL XI. - De bijzondere bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechter.
TITRE XI. - Des compétences particulières du juge de l'application des peines.
HOOFDSTUK I. - De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.
CHAPITRE Ier. - De la libération provisoire pour raisons médicales.
Art.72. De strafuitvoeringsrechter kan aan de veroordeelde bij wie is vastgesteld dat hij zich in de terminale fase van een ongeneeslijke ziekte bevindt of bij wie is vastgesteld dat zijn detentie onverenigbaar is met zijn gezondheidstoestand, een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen toekennen.
Art.72. Le juge de l'application des peines peut accorder une libération provisoire pour raisons médicales au condamné pour lequel il est établi qu'il se trouve en phase terminale d'une maladie incurable ou que sa détention est devenue incompatible avec son état de santé.
Art.73. De strafuitvoeringsrechter kan een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen aan de veroordeelde toekennen, voorzover :
1° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het risico dat hij tijdens de (voorlopige invrijheidstelling om medische redenen) ernstige strafbare feiten zou plegen, op het feit dat hij geen woonst of opvang zou hebben of op het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen; <W 2006-12-27/33, art. 71, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
2° de veroordeelde (, of zijn vertegenwoordiger,) instemt met de voorwaarden die aan de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen worden verbonden, rekening houdend met de bepalingen van het 1°. <W 2006-12-27/33, art. 71, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
1° er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het risico dat hij tijdens de (voorlopige invrijheidstelling om medische redenen) ernstige strafbare feiten zou plegen, op het feit dat hij geen woonst of opvang zou hebben of op het risico dat hij de slachtoffers zou lastig vallen; <W 2006-12-27/33, art. 71, 1°, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
2° de veroordeelde (, of zijn vertegenwoordiger,) instemt met de voorwaarden die aan de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen worden verbonden, rekening houdend met de bepalingen van het 1°. <W 2006-12-27/33, art. 71, 2°, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
Art.73. Une libération provisoire pour raisons médicales peut être octroyée par le juge de l'application des peines à un condamné, pour autant :
1° qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef du condamné; ces contre-indications portent sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant (la mise en liberté provisoire pour raisons médicale), sur le fait qu'il n'a pas de milieu d'accueil ou sur le risque qu'il importune les victimes; <L 2006-12-27/33, art. 71, 1°, 002; En vigueur : 01-06-2008>
2° que le condamné (ou son représentant) marque son accord sur les conditions dont la libération provisoire pour raisons médicales est assortie, compte tenu des dispositions du 1°. <L 2006-12-27/33, art. 71, 2°, 002; En vigueur : 01-06-2008>
1° qu'il n'existe pas de contre-indications dans le chef du condamné; ces contre-indications portent sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant (la mise en liberté provisoire pour raisons médicale), sur le fait qu'il n'a pas de milieu d'accueil ou sur le risque qu'il importune les victimes; <L 2006-12-27/33, art. 71, 1°, 002; En vigueur : 01-06-2008>
2° que le condamné (ou son représentant) marque son accord sur les conditions dont la libération provisoire pour raisons médicales est assortie, compte tenu des dispositions du 1°. <L 2006-12-27/33, art. 71, 2°, 002; En vigueur : 01-06-2008>
Art.74. § 1. Een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen kan, op schriftelijk verzoek van de veroordeelde, (of zijn vertegenwoordiger,) door de strafuitvoeringsrechter worden toegekend na een met redenen omkleed advies van de directeur. Dit advies is vergezeld van dat van de behandelende geneesheer, van de leidende ambtenaar-geneesheer van de Penitentiaire Gezondheidsdienst en, in voorkomend geval, van de door de veroordeelde gekozen geneesheer. <W 2006-12-27/33, art. 72, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
§ 2. [2 Het verzoek wordt ingediend bij de directeur. De directeur verzamelt onverwijld en uiterlijk binnen zeven dagen de adviezen van de in paragraaf 1 vermelde geneesheren. De griffie van de gevangenis zendt het verzoek, samen met de in paragraaf 1 bedoelde adviezen, onmiddellijk over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en aan het openbaar ministerie.]2
Het openbaar ministerie stelt onverwijld een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
§ 3. Binnen zeven dagen na de [2 ontvangst van het dossier zoals bepaald in paragraaf 2, eerste lid]2 neemt de strafuitvoeringsrechter een beslissing. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur [2 bij ter post aangetekende brief]2 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.
§ 4. [2 Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
[3 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd.]3.]2
§ 2. [2 Het verzoek wordt ingediend bij de directeur. De directeur verzamelt onverwijld en uiterlijk binnen zeven dagen de adviezen van de in paragraaf 1 vermelde geneesheren. De griffie van de gevangenis zendt het verzoek, samen met de in paragraaf 1 bedoelde adviezen, onmiddellijk over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en aan het openbaar ministerie.]2
Het openbaar ministerie stelt onverwijld een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechter en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
§ 3. Binnen zeven dagen na de [2 ontvangst van het dossier zoals bepaald in paragraaf 2, eerste lid]2 neemt de strafuitvoeringsrechter een beslissing. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur [2 bij ter post aangetekende brief]2 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.
§ 4. [2 Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
[3 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd.]3.]2
Art.74. § 1er. Une libération provisoire pour raisons médicales peut être accordée, à la demande écrite du condamné, (ou de son représentant,) par le juge de l'application des peines après avis motivé du directeur. Cet avis est accompagné de celui du médecin traitant, du médecin-fonctionnaire dirigeant du Service de Santé pénitentiaire et, le cas échéant, du médecin choisi par le condamné. <L 2006-12-27/33, art. 72, 002; En vigueur : 01-06-2008>
§ 2. [2 La demande est introduite auprès du directeur. Celui-ci recueille sans délai et au plus tard dans les sept jours les avis des médecins mentionnés au paragraphe 1er. Le greffe de la prison transmet immédiatement la demande, accompagnée des avis visés au paragraphe 1er, au greffe du tribunal de l'application des peines et au ministère public.]2
Le ministère public rédige sans délai un avis motivé, le transmet au juge de l'application des peines et en communique une copie au condamné et au directeur.
§ 3. Le juge de l'application des peines prend une décision dans les sept jours [2 de la réception du dossier comme déterminé au paragraphe 2, alinéa 1er]2. Ce jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [2 par pli recommandé à la poste]2, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur.
La victime est [1 informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de l'octroi d'une libération provisoire pour raisons médicales.
§ 4. [2 Le jugement d'octroi d'une mise en liberté provisoire pour raisons médicales est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où s'établira le condamné;
- à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
[3 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime]3.]2
§ 2. [2 La demande est introduite auprès du directeur. Celui-ci recueille sans délai et au plus tard dans les sept jours les avis des médecins mentionnés au paragraphe 1er. Le greffe de la prison transmet immédiatement la demande, accompagnée des avis visés au paragraphe 1er, au greffe du tribunal de l'application des peines et au ministère public.]2
Le ministère public rédige sans délai un avis motivé, le transmet au juge de l'application des peines et en communique une copie au condamné et au directeur.
§ 3. Le juge de l'application des peines prend une décision dans les sept jours [2 de la réception du dossier comme déterminé au paragraphe 2, alinéa 1er]2. Ce jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [2 par pli recommandé à la poste]2, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur.
La victime est [1 informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de l'octroi d'une libération provisoire pour raisons médicales.
§ 4. [2 Le jugement d'octroi d'une mise en liberté provisoire pour raisons médicales est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où s'établira le condamné;
- à la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
[3 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime]3.]2
Art.75. De strafuitvoeringsrechter verbindt aan de beslissing tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling om medische redenen de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. In voorkomend geval bepaalt hij ook bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van artikel 73.
Art.75. Le juge d'application des peines assortit la décision d'octroi d'une libération provisoire pour raisons médicales de la condition générale que le condamné ne peut pas commettre de nouvelles infractions. Le cas échéant, il fixe également des conditions particulières en tenant compte des dispositions de l'article 73.
Art. 75/1. [1 § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt is het openbaar ministerie belast met de controle op de veroordeelde. In voorkomend geval is de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 belast met de opvolging van en het toezicht op alle door de strafuitvoeringsrechter aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden.
§ 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, roept de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van het vonnis, de veroordeelde op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de invrijheidstelling om medische redenen te bezorgen.
§ 3. Binnen een maand na de toekenning van de invrijheidstelling brengt de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de strafuitvoeringsrechter relevante informatie met betrekking tot de veroordeelde waarover de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 beschikt. Het verslag bevat ten minste een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen. De [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter en de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.]1
§ 2. Ingeval er bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, roept de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2, onmiddellijk na het uitvoerbaar worden van het vonnis, de veroordeelde op om hem alle nuttige informatie voor een goed verloop van de invrijheidstelling om medische redenen te bezorgen.
§ 3. Binnen een maand na de toekenning van de invrijheidstelling brengt de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 verslag uit over de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechter en verder telkens hij het nuttig acht of wanneer de strafuitvoeringsrechter hem erom verzoekt, en ten minste om de zes maanden. Dit verslag bevat alle voor de strafuitvoeringsrechter relevante informatie met betrekking tot de veroordeelde waarover de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 beschikt. Het verslag bevat ten minste een opsomming van alle aan de veroordeelde opgelegde voorwaarden alsook de mate waarin die in acht worden genomen. De [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 stelt, in voorkomend geval, de maatregelen voor die hij nuttig acht.
De mededelingen tussen de strafuitvoeringsrechter en de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 gebeuren in de vorm van verslagen, die in afschrift aan het openbaar ministerie worden overgezonden.]1
Art. 75/1. [1 § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 20 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, le ministère public est chargé du contrôle du condamné. Le cas échéant, [2 le service compétent des Communautés]2 est chargé du suivi et du contrôle de toutes les conditions imposées au condamné par le juge de l'application des peines.
§ 2. En cas d'imposition de conditions particulières, [2 le service compétent des Communautés]2 appelle le condamné immédiatement après que le jugement est devenu exécutoire pour lui communiquer toutes les informations utiles au bon déroulement de la mise en liberté pour raisons médicales.
§ 3. Dans le mois de l'octroi de la mise en liberté, [2 le service compétent des Communautés]2 fait rapport au juge de l'application des peines sur le condamné, puis à chaque fois qu'il l'estime utile ou que le juge de l'application des peines l'y invite, et au moins une fois tous les six mois. Ce rapport contient toutes les informations pertinentes dont dispose [2 le service compétent des Communautés]2 au sujet du condamné pour le juge de l'application des peines. Le rapport contient au moins une énumération de toutes les conditions imposées au condamné ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées. Le cas échéant, [2 le service compétent des Communautés]2 propose les mesures qu'il juge utiles.
Les communications entre le juge de l'application des peines et [2 le service compétent des Communautés]2 donnent lieu à des rapports, dont une copie est adressée au ministère public.]1
§ 2. En cas d'imposition de conditions particulières, [2 le service compétent des Communautés]2 appelle le condamné immédiatement après que le jugement est devenu exécutoire pour lui communiquer toutes les informations utiles au bon déroulement de la mise en liberté pour raisons médicales.
§ 3. Dans le mois de l'octroi de la mise en liberté, [2 le service compétent des Communautés]2 fait rapport au juge de l'application des peines sur le condamné, puis à chaque fois qu'il l'estime utile ou que le juge de l'application des peines l'y invite, et au moins une fois tous les six mois. Ce rapport contient toutes les informations pertinentes dont dispose [2 le service compétent des Communautés]2 au sujet du condamné pour le juge de l'application des peines. Le rapport contient au moins une énumération de toutes les conditions imposées au condamné ainsi que la mesure dans laquelle celles-ci sont respectées. Le cas échéant, [2 le service compétent des Communautés]2 propose les mesures qu'il juge utiles.
Les communications entre le juge de l'application des peines et [2 le service compétent des Communautés]2 donnent lieu à des rapports, dont une copie est adressée au ministère public.]1
Art. 75/2. [1 § 1. De strafuitvoeringsrechter kan, op verzoek van de veroordeelde of van het openbaar ministerie, een of meer opgelegde voorwaarden schorsen, nader omschrijven of aanpassen aan de omstandigheden, zonder evenwel deze te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van dit verzoek over aan de andere partij.
§ 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde of het openbaar ministerie deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter.
Indien de strafuitvoeringsrechter het nuttig acht, organiseert hij een zitting, die ten laatste een maand na de ontvangst van het in paragraaf 1 bedoelde schriftelijk verzoek moet plaatsvinden. De veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie worden gehoord.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 3. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter. Het vonnis wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 74, § 4, op de hoogte moeten worden gebracht.]1
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van dit verzoek over aan de andere partij.
§ 2. Indien zij opmerkingen hebben, delen de veroordeelde of het openbaar ministerie deze schriftelijk mee binnen zeven dagen na ontvangst van het afschrift aan de strafuitvoeringsrechter.
Indien de strafuitvoeringsrechter het nuttig acht, organiseert hij een zitting, die ten laatste een maand na de ontvangst van het in paragraaf 1 bedoelde schriftelijk verzoek moet plaatsvinden. De veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie worden gehoord.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 3. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van het schriftelijk verzoek of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechter. Het vonnis wordt bij een ter post aangetekende brief meegedeeld aan de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
De wijzigingen worden eveneens meegedeeld aan de autoriteiten en instanties die overeenkomstig artikel 74, § 4, op de hoogte moeten worden gebracht.]1
Art. 75/2. [1 Le juge de l'application des peines peut, à la demande du condamné ou du ministère public, suspendre, préciser ou adapter une ou plusieurs conditions imposées aux circonstances, sans toutefois les renforcer ou imposer des conditions complémentaires.
La demande écrite est déposée au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le greffe du tribunal de l'application des peines transmet sans délai une copie de cette demande écrite à l'autre partie.
§ 2. S'ils ont des remarques, le condamné ou le ministère public les communiquent par écrit, dans les sept jours de la réception de la copie, au juge de l'application des peines.
Si le juge de l'application l'estime utile, il organise une audience, qui doit avoir lieu au plus tard un mois après la réception de la demande écrite visée au paragraphe 1er. Le condamné et son conseil ainsi que le ministère public sont entendus.
Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 3. Dans les quinze jours de la réception de la demande écrite ou, si une audience a eu lieu, dans les quinze jours de la mise en délibéré, le juge de l'application des peines rend sa décision. Le jugement est notifié par pli recommandé à la poste au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public.
Les modifications sont également communiquées aux autorités et aux instances qui, conformément à l'article 74, § 4, doivent être mises au courant.]1
La demande écrite est déposée au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le greffe du tribunal de l'application des peines transmet sans délai une copie de cette demande écrite à l'autre partie.
§ 2. S'ils ont des remarques, le condamné ou le ministère public les communiquent par écrit, dans les sept jours de la réception de la copie, au juge de l'application des peines.
Si le juge de l'application l'estime utile, il organise une audience, qui doit avoir lieu au plus tard un mois après la réception de la demande écrite visée au paragraphe 1er. Le condamné et son conseil ainsi que le ministère public sont entendus.
Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 3. Dans les quinze jours de la réception de la demande écrite ou, si une audience a eu lieu, dans les quinze jours de la mise en délibéré, le juge de l'application des peines rend sa décision. Le jugement est notifié par pli recommandé à la poste au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public.
Les modifications sont également communiquées aux autorités et aux instances qui, conformément à l'article 74, § 4, doivent être mises au courant.]1
Modifications
Art.76. [2 § 1.]2 Onverminderd artikel (79) kan de strafuitvoeringsrechter beslissen de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen te herroepen : <W 2006-12-27/33, art. 73, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de in artikel 80 bedoelde termijn, een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
2° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
3° wanneer de medische redenen waarom een voorlopige invrijheidstelling werd toegestaan, niet meer aanwezig zijn. De strafuitvoeringsrechter kan hiertoe [2 ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie]2 op elk ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen aan een wetsgeneesheer de opdracht geven een medische expertise uit te voeren.
[2 § 2. In de in paragraaf 1 bedoelde gevallen kan de strafuitvoeringsrechter de bij voorlopige invrijheidstelling om medische redenen opgelegde voorwaarden herzien. In dat geval kan de strafuitvoeringsrechter de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt evenwel herroepen indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.]2
1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de in artikel 80 bedoelde termijn, een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
2° wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd;
3° wanneer de medische redenen waarom een voorlopige invrijheidstelling werd toegestaan, niet meer aanwezig zijn. De strafuitvoeringsrechter kan hiertoe [2 ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie]2 op elk ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen aan een wetsgeneesheer de opdracht geven een medische expertise uit te voeren.
[2 § 2. In de in paragraaf 1 bedoelde gevallen kan de strafuitvoeringsrechter de bij voorlopige invrijheidstelling om medische redenen opgelegde voorwaarden herzien. In dat geval kan de strafuitvoeringsrechter de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De voorlopige invrijheidstelling om medische redenen wordt evenwel herroepen indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.]2
Art.76. [2 § 1er.]2 Sans préjudice de l'article (79), le juge de l'application des peines peut décider de révoquer la libération provisoire pour raisons médicales : <L 2006-12-27/33, art. 73, 002; En vigueur : 01-06-2008>
1° [1 s'il est constaté dans une décision passée en force de chose jugée, que le condamné a commis, pendant le délai visé à l'article 80, un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis du Code pénal;]1
2° si les conditions particulières imposées ne sont pas respectées;
3° si les raisons médicales pour lesquelles la libération provisoire a été accordée ont disparu. A cet effet, le juge de l'application des peines peut charger, [2 d'office ou à la demande du ministère public,]2 à tout moment de la libération provisoire pour raisons médicales, un médecin légiste d'une mission d'expertise médicale.
[2 § 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, le juge de l'application des peines peut revoir les conditions imposées à la mise en liberté provisoire pour raisons médicales. Dans ce cas, le juge de l'application des peines peut renforcer les conditions imposées ou imposer des conditions supplémentaires. La mise en liberté provisoire pour raisons médicales est toutefois révoquée si le condamné ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions.]2
1° [1 s'il est constaté dans une décision passée en force de chose jugée, que le condamné a commis, pendant le délai visé à l'article 80, un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis du Code pénal;]1
2° si les conditions particulières imposées ne sont pas respectées;
3° si les raisons médicales pour lesquelles la libération provisoire a été accordée ont disparu. A cet effet, le juge de l'application des peines peut charger, [2 d'office ou à la demande du ministère public,]2 à tout moment de la libération provisoire pour raisons médicales, un médecin légiste d'une mission d'expertise médicale.
[2 § 2. Dans les cas visés au paragraphe 1er, le juge de l'application des peines peut revoir les conditions imposées à la mise en liberté provisoire pour raisons médicales. Dans ce cas, le juge de l'application des peines peut renforcer les conditions imposées ou imposer des conditions supplémentaires. La mise en liberté provisoire pour raisons médicales est toutefois révoquée si le condamné ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions.]2
Art.77. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
In geval van herroeping overeenkomstig artikel 76, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.
In geval van herroeping overeenkomstig artikel 76, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.
Art.77. En cas de révocation, le condamné est immédiatement réincarcéré.
En cas de révocation conformément à l'article 76, 1°, la révocation est censée avoir débuté le jour où le crime ou le délit a été commis.
En cas de révocation conformément à l'article 76, 1°, la révocation est censée avoir débuté le jour où le crime ou le délit a été commis.
Art.78. § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op een herroeping van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen [3 of een herziening van de voorwaarden in de in artikel 76, § 1, 1° tot 3°]3, bedoelde gevallen, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken.
De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier [3 bij een ter post aangetekende brief]3 opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de debatten beraadslaagt de strafuitvoeringsrechter over de herroeping.
[3 Indien de strafuitvoeringsrechter beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.]3
§ 5. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de herroeping.
§ 6. Het vonnis tot herroeping wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
[4 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd.]4
De veroordeelde wordt ten minste tien dagen voor de datum van de behandeling van het dossier [3 bij een ter post aangetekende brief]3 opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 2. Het dossier wordt ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
§ 4. Binnen vijftien dagen na de debatten beraadslaagt de strafuitvoeringsrechter over de herroeping.
[3 Indien de strafuitvoeringsrechter beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.]3
§ 5. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 in kennis gesteld van de herroeping.
§ 6. Het vonnis tot herroeping wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
[4 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd.]4
Art.78. § 1er. Le ministère public peut saisir le juge de l'application des peines en vue d'une révocation de la libération provisoire pour raisons médicales [3 ou d'une révision des conditions dans les cas prévus à l'article 76, § 1er, 1° à 3°]3.
Le condamné est convoqué [3 par pli recommandé à la poste]3 au moins dix jours avant la date de l'examen du dossier.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 2. Le dossier est tenu, au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou, si le condamné est en détention, au greffe de la prison.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 3. Le juge de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public.
Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
§ 4. Dans les quinze jours qui suivent les débats, le juge de l'application des peines met la révocation en délibération.
[3 Si le juge de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire.]3
§ 5. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [3 par pli recommandé à la poste]3, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur.
La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la révocation]1.
§ 6. Le jugement d'octroi est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamne;
[4 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime.]4
Le condamné est convoqué [3 par pli recommandé à la poste]3 au moins dix jours avant la date de l'examen du dossier.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 2. Le dossier est tenu, au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou, si le condamné est en détention, au greffe de la prison.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 3. Le juge de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public.
Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
§ 4. Dans les quinze jours qui suivent les débats, le juge de l'application des peines met la révocation en délibération.
[3 Si le juge de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire.]3
§ 5. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [3 par pli recommandé à la poste]3, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur.
La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la révocation]1.
§ 6. Le jugement d'octroi est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police;
- le cas échéant, au directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamne;
[4 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime.]4
Art.79. § 1. Ingeval de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt, kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt [1 of het openbaar ministerie]1, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt onmiddellijk zijn beslissing mee aan de strafuitvoeringsrechter.
§ 2. De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing over de voortzetting van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen binnen de zeven werkdagen die volgen op de opsluiting van de veroordeelde.
De veroordeelde wordt via het snelst mogelijke communicatiemiddel opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 3. Het dossier wordt ten minste twee dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
[1 Artikel 78, §§ 5 en 6, zijn]1 van toepassing.
§ 2. De strafuitvoeringsrechter neemt een beslissing over de voortzetting van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen binnen de zeven werkdagen die volgen op de opsluiting van de veroordeelde.
De veroordeelde wordt via het snelst mogelijke communicatiemiddel opgeroepen.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
§ 3. Het dossier wordt ten minste twee dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 4. De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie.
De strafuitvoeringsrechter kan beslissen eveneens andere personen te horen.
[1 Artikel 78, §§ 5 en 6, zijn]1 van toepassing.
Modifications
Art.79. § 1er. Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve [1 ou le ministère public]1, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci. Il communique immédiatement sa décision au juge de l'application des peines.
§ 2. Le juge de l'application des peines prend une décision sur la poursuite de la libération provisoire pour raisons médicales dans les sept jours ouvrables qui suivent l'incarcération du condamné.
Le condamné est convoqué par le moyen de communication le plus rapide.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 3. Le dossier est tenu, au moins deux jours avant la date fixée pour l'audience, a la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou, si le condamné est en détention, au greffe de la prison.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 4. Le juge de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public.
Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
[1 L'article 78, §§ 5 et 6]1, est d'application.
§ 2. Le juge de l'application des peines prend une décision sur la poursuite de la libération provisoire pour raisons médicales dans les sept jours ouvrables qui suivent l'incarcération du condamné.
Le condamné est convoqué par le moyen de communication le plus rapide.
L'audience se déroule à huis clos.
§ 3. Le dossier est tenu, au moins deux jours avant la date fixée pour l'audience, a la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou, si le condamné est en détention, au greffe de la prison.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 4. Le juge de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public.
Le juge de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
[1 L'article 78, §§ 5 et 6]1, est d'application.
Modifications
Art.80. Indien er geen herroeping van de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen heeft plaatsgevonden, wordt de veroordeelde definitief in vrijheid gesteld na het verstrijken van het op het ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen [1 met een maximum van tien jaar]1. In geval van een veroordeling tot een levenslange vrijheidsstraf wordt het op het ogenblik van de voorlopige invrijheidstelling nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraf geacht tien jaar te zijn.
(De verjaring van de straf loopt niet tijdens de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.) <W 2006-12-27/33, art. 74, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
(De verjaring van de straf loopt niet tijdens de voorlopige invrijheidstelling om medische redenen.) <W 2006-12-27/33, art. 74, 002; Inwerkingtreding : 01-06-2008>
Modifications
Art.80. S'il n'y a pas eu révocation de la libération provisoire pour raisons médicales, le condamné est libéré définitivement à l'échéance de la partie des peines privatives de liberté qui devait encore être subie au moment de la libération provisoire [1 avec un maximum de dix ans]1. En cas de condamnation à une peine privative de liberté à perpétuité, la partie de la peine privative de liberté restante au moment de la mise en liberté provisoire est réputée être de dix ans.
(Le délai de prescription de la peine ne court pas pendant la mise en liberté provisoire pour raisons médicales.) <L 2006-12-27/33, art. 74, 002; En vigueur : 01-06-2008>
(Le délai de prescription de la peine ne court pas pendant la mise en liberté provisoire pour raisons médicales.) <L 2006-12-27/33, art. 74, 002; En vigueur : 01-06-2008>
Modifications
HOOFDSTUK II. - De samenloop van misdrijven.
CHAPITRE II. - Du concours d'infractions.
HOOFDSTUK III. - De vervanging van de door de strafrechter uitgesproken vrijheidsstraf door een werkstraf.
CHAPITRE III. - Du remplacement de la peine privative de liberté prononcée par le juge pénal par une peine de travail.
HOOFDSTUK IV. [1 De vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen]1
CHAPITRE IV. - [1 De la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée]1
Art. 95/1. [1 § 1. Onverminderd de artikelen 28, § 3, en 47, § 3, kan de strafuitvoeringsrechter beslissen een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot ontzetting van het in artikel 382bis, eerste lid, 4°, van het Strafwetboek bedoelde recht te wijzigen door de duur van de ontzetting te verminderen, de nadere regels of de voorwaarden van de ontzetting aan te passen, de ontzetting op te schorten of te beëindigen.
§ 2. [3 De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt bij schriftelijk verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie.
Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van het schriftelijk verzoek of de vordering aan het slachtoffer.
De behandeling vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter na het indienen van de vordering van het openbaar ministerie of het indienen van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij aangetekende zending ter kennis gebracht van de veroordeelde, de directeur, indien de veroordeelde gedetineerd is, en het slachtoffer.
Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan tevens, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie en de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
De beslissing wordt binnen vierentwintig uur bij aangetekende zending ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.]3
§ 3. De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. [2 Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.]2
§ 4. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de vermindering of opschorting van de ontzetting, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken, wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd. De in § 2 bedoelde procedure is van toepassing.]1
§ 2. [3 De zaak wordt bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig gemaakt bij schriftelijk verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie.
Het verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank of, ingeval de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift ervan aan de directeur.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank zendt onverwijld een afschrift van het schriftelijk verzoek of de vordering aan het slachtoffer.
De behandeling vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechter na het indienen van de vordering van het openbaar ministerie of het indienen van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij aangetekende zending ter kennis gebracht van de veroordeelde, de directeur, indien de veroordeelde gedetineerd is, en het slachtoffer.
Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan tevens, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier bekomen.
De strafuitvoeringsrechter hoort de veroordeelde en zijn raadsman alsook het openbaar ministerie en de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De zitting vindt plaats met gesloten deuren.
De strafuitvoeringsrechter beslist binnen zeven dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
De beslissing wordt binnen vierentwintig uur bij aangetekende zending ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.]3
§ 3. De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. [2 Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, in kennis gesteld van de beslissing en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.]2
§ 4. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping van de vermindering of opschorting van de ontzetting, de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken, wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd. De in § 2 bedoelde procedure is van toepassing.]1
Art. 95/1. [1 § 1er. Sans préjudice des articles 28, § 3, et 47, § 3, le juge de l'application des peines peut décider de modifier une condamnation passée en force de chose jugée d'interdiction du droit visé à l'article 382bis, alinéa 1er, 4°, du Code pénal, en vue de réduire la durée de l'interdiction, d'adapter les modalités ou les conditions de l'interdiction, de la suspendre ou d'y mettre fin.
§ 2. [3 Le juge de l'application des peines est saisi de l'affaire à la demande écrite du condamné ou sur réquisition du ministère public.
La demande est introduite au greffe du tribunal de l'application des peines ou au greffe de la prison si le condamné est en détention.
Le greffe de la prison transmet la demande dans les vingt-quatre heures au greffe du tribunal de l'application des peines et en remet une copie au directeur.
Le greffe du tribunal de l'application des peines transmet sans délai à la victime une copie de la demande écrite ou de la réquisition.
L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile du juge de l'application des peines après introduction de la réquisition du ministère public ou introduction de la demande écrite du condamné.
Le condamné, le directeur, si le condamné est en détention, et la victime sont informés par envoi recommandé des lieu, jour et heure de l'audience.
Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le condamné peut également, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
Le juge de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public et le directeur, si le condamné est en détention.
La victime est entendue sur les conditions particulières imposées dans son intérêt. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseil et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
L'audience a lieu à huis clos.
Le juge de l'application des peines rend sa décision dans les sept jours de la mise en déliberé.
La décision est notifiée dans les vingt-quatre heures, par envoi recommandé, au condamné et portée par écrit à la connaissance du ministère public et, si le condamné est en détention, du directeur.]3
§ 3. Le juge de l'application des peines peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées si elles sont absolument nécessaires dans l'intérêt de la victime. [2 La victime est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la décision et, le cas échéant, des conditions qui sont imposées dans son intérêt.]2
§ 4. Le ministère public peut saisir le juge de l'application des peines de l'affaire en vue de la révocation de la réduction ou de la suspension de l'interdiction, si les conditions particulières imposées ne sont pas respectées. La procédure visée au § 2 est d'application.]1
§ 2. [3 Le juge de l'application des peines est saisi de l'affaire à la demande écrite du condamné ou sur réquisition du ministère public.
La demande est introduite au greffe du tribunal de l'application des peines ou au greffe de la prison si le condamné est en détention.
Le greffe de la prison transmet la demande dans les vingt-quatre heures au greffe du tribunal de l'application des peines et en remet une copie au directeur.
Le greffe du tribunal de l'application des peines transmet sans délai à la victime une copie de la demande écrite ou de la réquisition.
L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile du juge de l'application des peines après introduction de la réquisition du ministère public ou introduction de la demande écrite du condamné.
Le condamné, le directeur, si le condamné est en détention, et la victime sont informés par envoi recommandé des lieu, jour et heure de l'audience.
Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le condamné peut également, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
Le juge de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public et le directeur, si le condamné est en détention.
La victime est entendue sur les conditions particulières imposées dans son intérêt. La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseil et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
L'audience a lieu à huis clos.
Le juge de l'application des peines rend sa décision dans les sept jours de la mise en déliberé.
La décision est notifiée dans les vingt-quatre heures, par envoi recommandé, au condamné et portée par écrit à la connaissance du ministère public et, si le condamné est en détention, du directeur.]3
§ 3. Le juge de l'application des peines peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées si elles sont absolument nécessaires dans l'intérêt de la victime. [2 La victime est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la décision et, le cas échéant, des conditions qui sont imposées dans son intérêt.]2
§ 4. Le ministère public peut saisir le juge de l'application des peines de l'affaire en vue de la révocation de la réduction ou de la suspension de l'interdiction, si les conditions particulières imposées ne sont pas respectées. La procédure visée au § 2 est d'application.]1
TITEL XIbis. - Bijzondere bevoegdheden van de strafuitvoeringsrechtbank
Titre XIbis. - Des compétences particulières du tribunal de l'application des peines
HOOFDSTUK I. - De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank
CHAPITRE Ier. - De la mise à la disposition du tribunal de l'application des peines
Afdeling 1. - Algemeen
Section 1re. - Généralités
Art. 95/2. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank die overeenkomstig de artikelen 34bis tot en met 34quater van het Strafwetboek ten aanzien van de veroordeelde is uitgesproken, neemt een aanvang bij het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf.
§ 2. De strafuitvoeringsrechtbank beslist voorafgaand aan het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf, overeenkomstig de procedure bepaald in afdeling 2, hetzij tot vrijheidsbeneming, hetzij tot invrijheidstelling onder toezicht van de terbeschikkinggestelde veroordeelde.
Na het in het eerste lid bedoelde onderzoek door de strafuitvoeringsrechtbank, wordt de veroordeelde aan wie een voorwaardelijke invrijheidstelling was verleend op het einde van zijn [1 proeftermijn]1 in vrijheid onder toezicht gesteld, in voorkomend geval met voorwaarden zoals bedoeld in § 2 van artikel 95/7.
§ 3. De ter beschikking gestelde veroordeelde wordt van zijn vrijheid benomen indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
§ 2. De strafuitvoeringsrechtbank beslist voorafgaand aan het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf, overeenkomstig de procedure bepaald in afdeling 2, hetzij tot vrijheidsbeneming, hetzij tot invrijheidstelling onder toezicht van de terbeschikkinggestelde veroordeelde.
Na het in het eerste lid bedoelde onderzoek door de strafuitvoeringsrechtbank, wordt de veroordeelde aan wie een voorwaardelijke invrijheidstelling was verleend op het einde van zijn [1 proeftermijn]1 in vrijheid onder toezicht gesteld, in voorkomend geval met voorwaarden zoals bedoeld in § 2 van artikel 95/7.
§ 3. De ter beschikking gestelde veroordeelde wordt van zijn vrijheid benomen indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
Modifications
Art. 95/2. § 1er. La mise à la disposition du tribunal de l'application des peines prononcée à l'égard du condamné conformément aux articles 34bis à 34quater du Code pénal prend cours à l'expiration de la peine principale [1 ...]1.
§ 2. Le tribunal de l'application des peines décide préalablement à l'expiration de la peine principale [1 ...]1 conformément à la procédure établie à la section 2, soit de priver de liberté, soit de libérer sous surveillance le condamné mis à disposition.
Après examen par le tribunal d'application des peines prévu à l'alinéa 1er, le condamné qui bénéficiait d'une libération conditionnelle au terme de [1 son délai d'épreuve]1 est placé en libération sous surveillance, le cas échéant avec des conditions telles que prévues au § 2 de l'article 95/7,
§ 3. Le condamné mis à disposition est privé de sa liberté lorsqu'il existe dans son chef un risque qu'il commette des infractions graves portant atteinte à l'intégrité physique ou psychique de tiers et qu'il n'est pas possible d'y pallier en imposant des conditions particulières dans le cadre d'une libération sous surveillance.
§ 2. Le tribunal de l'application des peines décide préalablement à l'expiration de la peine principale [1 ...]1 conformément à la procédure établie à la section 2, soit de priver de liberté, soit de libérer sous surveillance le condamné mis à disposition.
Après examen par le tribunal d'application des peines prévu à l'alinéa 1er, le condamné qui bénéficiait d'une libération conditionnelle au terme de [1 son délai d'épreuve]1 est placé en libération sous surveillance, le cas échéant avec des conditions telles que prévues au § 2 de l'article 95/7,
§ 3. Le condamné mis à disposition est privé de sa liberté lorsqu'il existe dans son chef un risque qu'il commette des infractions graves portant atteinte à l'intégrité physique ou psychique de tiers et qu'il n'est pas possible d'y pallier en imposant des conditions particulières dans le cadre d'une libération sous surveillance.
Modifications
Afdeling 2. - Uitvoeringsprocedure van de terbeschikkingstelling
Section 2. - De la procédure d'exécution de la mise à disposition
Art. 95/3. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De directeur, indien de veroordeelde gedetineerd is, brengt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf een advies uit.
§ 2. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd advies tot vrijheidsbeneming of invrijheidstelling onder toezicht. In voorkomend geval vermeldt hij de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
[4 Artikel 31, §§ 1 en 4, is van toepassing.]4
Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in [2 de [3 artikelen 371/1 tot]3 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming]2, moet het advies worden ingediend samen met een met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten. Dit advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen.
§ 2. Het advies van de directeur omvat een gemotiveerd advies tot vrijheidsbeneming of invrijheidstelling onder toezicht. In voorkomend geval vermeldt hij de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht op te leggen aan de veroordeelde.
[4 Artikel 31, §§ 1 en 4, is van toepassing.]4
Indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in [2 de [3 artikelen 371/1 tot]3 378 van het Strafwetboek, of voor feiten bedoeld in de artikelen 379 tot 387 van hetzelfde Wetboek indien ze gepleegd werden op minderjarigen of met hun deelneming]2, moet het advies worden ingediend samen met een met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten. Dit advies omvat een beoordeling van de noodzaak om een behandeling op te leggen.
Art. 95/3. § 1er. Si le condamné est en détention, le directeur rend un avis au plus tard quatre mois avant l'expiration de la peine principale [1 ...]1.
§ 2. L'avis du directeur contient un avis motivé relatif à la privation de liberté ou à la libération sous surveillance. Le cas échéant, le directeur mentionne les conditions particulières qu'il estime nécessaires d'imposer au condamné.
[4 L'article 31, §§ 1er et 4, est d'application.]4
Si le condamné subit une peine pour des faits visés [2 aux [3 articles 371/1 à]3 378 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 379 à 387 du même Code s'ils ont été commis sur la personne de mineurs ou avec leur participation]2, l'avis doit être accompagné d'un avis motivé d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans l'expertise diagnostique des délinquants sexuels. Cet avis contient une appréciation de la nécessité d'imposer un traitement.
§ 2. L'avis du directeur contient un avis motivé relatif à la privation de liberté ou à la libération sous surveillance. Le cas échéant, le directeur mentionne les conditions particulières qu'il estime nécessaires d'imposer au condamné.
[4 L'article 31, §§ 1er et 4, est d'application.]4
Si le condamné subit une peine pour des faits visés [2 aux [3 articles 371/1 à]3 378 du Code pénal, ou pour des faits visés aux articles 379 à 387 du même Code s'ils ont été commis sur la personne de mineurs ou avec leur participation]2, l'avis doit être accompagné d'un avis motivé d'un service ou d'une personne spécialisé(e) dans l'expertise diagnostique des délinquants sexuels. Cet avis contient une appréciation de la nécessité d'imposer un traitement.
Art. 95/4. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur of, indien de veroordeelde niet gedetineerd is, uiterlijk vier maanden voorafgaand aan zijn definitieve invrijheidstelling bepaald in de artikelen [2 ...]2 71 en 80 of uiterlijk één maand nadat de veroordeelde wiens proeftermijn ingevolge de overeenkomstig artikel 47, § 2, verleende voorlopige invrijheidstelling verstreken is op het grondgebied is teruggekeerd, [1 of uiterlijk vier maanden voorafgaand aan het einde van de termijn van uitstel als bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie]1 stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank. Het openbaar ministerie deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
Art. 95/4. Dans le mois de la réception de l'avis du directeur ou, si le condamné n'est pas en détention, au plus tard quatre mois avant sa libération définitive conformément aux articles [2 ...]2 71 et 80, ou au plus tard un mois après le retour sur le territoire du condamné pour lequel le délai d'épreuve a pris fin à la suite de la libération provisoire accordée conformément à l'article 47, § 2, [1 ou au plus tard quatre mois avant la fin du délai du sursis tel que visé dans l'article 8 de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation]1 le ministère public rédige un avis motivé qu'il communique au tribunal de l'application des peines. Il en transmet une copie au condamné et au directeur.
Art. 95/5. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden vóór het verstrijken van de [1 ...]1 hoofdstraf. Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij 95/4 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
§ 2. [2 De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en, indien de veroordeelde gedetineerd is, schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 2. [2 De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en, indien de veroordeelde gedetineerd is, schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]2
Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank, of, indien de veroordeelde gedetineerd is, op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
Art. 95/5. § 1er. L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile du tribunal de l'application des peines après réception de l'avis du ministère public. Cette audience a lieu au plus tard deux mois avant l'expiration de la peine principale [1 ...]1. Si l'avis du ministère public n'est pas communiqué dans le délai fixé à l'article 95/4, le ministère public doit rendre son avis par écrit avant ou pendant l'audience.
§ 2. [2 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et, si le condamné est en détention, portés par écrit à la connaissance du directeur.]2.
Le dossier est tenu au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou, si le condamné est en détention, au greffe de la prison où il subit sa peine.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 2. [2 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et, si le condamné est en détention, portés par écrit à la connaissance du directeur.]2.
Le dossier est tenu au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines ou, si le condamné est en détention, au greffe de la prison où il subit sa peine.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
Art. 95/6. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, de directeur.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.
Het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. [1 Het slachtoffer is aanwezig op de zitting voor de tijd die nodig is om deze voorwaarden te onderzoeken. Het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de directeur lichten bij deze gelegenheid de voorwaarden toe die zij in hun advies hebben gesteld in het belang van het slachtoffer. Het slachtoffer kan zijn opmerkingen voordragen.]1
Het slachtoffer kan zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door een raadsman en kan zich laten bijstaan door de gemachtigde van een overheidsinstelling of een door de Koning hiertoe erkende vereniging.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.
Modifications
Art. 95/6. Le tribunal de l'application des peines entend le condamné et son conseil, le ministère public et, si le condamné est en détention, le directeur.
La victime est entendue sur les conditions particulières imposées dans son intérêt. [1 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]1
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseil et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
Le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné en fait la demande.
La victime est entendue sur les conditions particulières imposées dans son intérêt. [1 La victime est présente à l'audience le temps nécessaire à l'examen de ces conditions. Le ministère public et, le cas échéant, le directeur expliquent à cette occasion les conditions qu'ils ont formulées dans leur avis dans l'intérêt de la victime. La victime peut présenter ses observations.]1
La victime peut se faire représenter ou assister par un conseil et peut se faire assister par le délégué d'un organisme public ou d'une association agréée à cette fin par le Roi.
Le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre également d'autres personnes.
Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné en fait la demande.
Modifications
Art. 95/7. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechtbank de invrijheidstelling onder toezicht toekent, bepaalt zij dat de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt onderworpen aan de algemene voorwaarden zoals bepaald door artikel 55.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de ter beschikking gestelde veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die het risico van het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van personen kunnen aantasten, ondervangen of die noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
Indien de veroordeelde ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank is gesteld voor één van de feiten bedoeld in de [2 artikelen [4 371/1, 371/2, 372]4]2, 373, tweede en derde lid, 375, 376, tweede en derde lid, 377, eerste, tweede, vierde en zesde lid van het Strafwetboek, kan de strafuitvoeringsrechtbank aan de toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht de voorwaarde verbinden van het volgen van een begeleiding of behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt de termijn gedurende dewelke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen.
§ 3. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing en, ingeval van een invrijheidstelling onder toezicht, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 4. Het vonnis tot toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [3 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]3 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfsplaats heeft;
[5 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd.]5
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechtbank de invrijheidstelling onder toezicht toekent, bepaalt zij dat de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt onderworpen aan de algemene voorwaarden zoals bepaald door artikel 55.
De strafuitvoeringsrechtbank kan de ter beschikking gestelde veroordeelde onderwerpen aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden die het risico van het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van personen kunnen aantasten, ondervangen of die noodzakelijk blijken in het belang van de slachtoffers.
Indien de veroordeelde ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank is gesteld voor één van de feiten bedoeld in de [2 artikelen [4 371/1, 371/2, 372]4]2, 373, tweede en derde lid, 375, 376, tweede en derde lid, 377, eerste, tweede, vierde en zesde lid van het Strafwetboek, kan de strafuitvoeringsrechtbank aan de toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht de voorwaarde verbinden van het volgen van een begeleiding of behandeling bij een dienst die in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten is gespecialiseerd. De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt de termijn gedurende dewelke de veroordeelde deze begeleiding of behandeling moet volgen.
§ 3. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en, indien de veroordeelde gedetineerd is, van de directeur.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing en, ingeval van een invrijheidstelling onder toezicht, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 4. Het vonnis tot toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- aan [3 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]3 op het politieambt;
- in voorkomend geval, aan de directeur van het justitiehuis van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfsplaats heeft;
[5 - aan de directeur van het justitiehuis van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd.]5
Modifications
Art. 95/7. § 1er. Le tribunal de l'application des peines rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré.
§ 2. Si le tribunal de l'application des peines accorde la libération sous surveillance, il établit que le condamne mis à disposition est soumis aux conditions générales fixées à l'article 55.
Le tribunal de l'application des peines peut soumettre le condamné mis à disposition à des conditions particulières individualisées qui pallient au risque qu'il commette des infractions graves susceptibles de porter atteinte à l'intégrité physique ou psychique de personnes ou qui s'avèrent nécessaires dans l'intérêt des victimes.
Dans le cas où le condamné est mis à la disposition du tribunal de l'application des peines pour un des faits visés aux [2 articles [4 371/1, 371/2, 372]4]2, 373, alinéas 2 et 3, 375, 376, alinéas 2 et 3, ou 377, alinéas 1er, 2, 4 et 6, du Code pénal, le tribunal de l'application des peines peut assortir la libération sous surveillance de la condition de suivre une guidance ou un traitement auprès d'un service spécialisé dans la guidance ou le traitement de délinquants sexuels. Le tribunal de l'application des peines fixe la durée de la période pendant laquelle le condamné devra suivre cette guidance ou ce traitement.
§ 3. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, par pli judiciaire, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et, si le condamné est en détention, du directeur.
La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de la décision et, en cas de libération sous surveillance, des conditions qui sont imposées dans son intérêt.
§ 4. Le jugement d'octroi de la mise en liberté sous surveillance est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- le chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- [3 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]3 sur la fonction de police;
- le cas échéant, le directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
[5 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime.]5
§ 2. Si le tribunal de l'application des peines accorde la libération sous surveillance, il établit que le condamne mis à disposition est soumis aux conditions générales fixées à l'article 55.
Le tribunal de l'application des peines peut soumettre le condamné mis à disposition à des conditions particulières individualisées qui pallient au risque qu'il commette des infractions graves susceptibles de porter atteinte à l'intégrité physique ou psychique de personnes ou qui s'avèrent nécessaires dans l'intérêt des victimes.
Dans le cas où le condamné est mis à la disposition du tribunal de l'application des peines pour un des faits visés aux [2 articles [4 371/1, 371/2, 372]4]2, 373, alinéas 2 et 3, 375, 376, alinéas 2 et 3, ou 377, alinéas 1er, 2, 4 et 6, du Code pénal, le tribunal de l'application des peines peut assortir la libération sous surveillance de la condition de suivre une guidance ou un traitement auprès d'un service spécialisé dans la guidance ou le traitement de délinquants sexuels. Le tribunal de l'application des peines fixe la durée de la période pendant laquelle le condamné devra suivre cette guidance ou ce traitement.
§ 3. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, par pli judiciaire, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et, si le condamné est en détention, du directeur.
La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de la décision et, en cas de libération sous surveillance, des conditions qui sont imposées dans son intérêt.
§ 4. Le jugement d'octroi de la mise en liberté sous surveillance est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- le chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- [3 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]3 sur la fonction de police;
- le cas échéant, le directeur de la maison de justice de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
[5 - au directeur de la maison de justice du lieu de résidence de la victime s'il y a des conditions qui ont été imposées dans l'intérêt de la victime.]5
Modifications
Art. 95/8. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Het vonnis wordt uitvoerbaar op de dag dat de veroordeelde zijn [1 ...]1 hoofdstraf heeft ondergaan of, in geval van vervroegde invrijheidstelling, op de dag dat de veroordeelde overeenkomstig de artikelen [2 ...]2 71 of 80 definitief in vrijheid wordt gesteld [1 of, indien de hoofdstraf met uitstel uitgesproken werd, op het einde van de termijn van uitstel zoals bedoeld in artikel 8 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie]1.
[1 Het vonnis tot vrijheidsbeneming is uitvoerbaar bij voorraad.]1
[1 Het vonnis tot vrijheidsbeneming is uitvoerbaar bij voorraad.]1
Art. 95/8. Le jugement est exécutoire le jour où le condamné a subi sa peine principale [1 ...]1 ou, en cas de libération anticipée, le jour où le condamné est définitivement remis en liberté conformément aux articles [2 ...]2 71 ou 80 [1 ou, si la peine principale a été prononcée avec sursis, à la fin du délai de sursis tel que visé dans l'article 8 de la loi du 29 juin concernant la suspension, le sursis et la probation]1.
[1 La décision de privation de liberté est exécutoire par provision.]1
[1 La décision de privation de liberté est exécutoire par provision.]1
Art. 95/9. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht is genomen, maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de invrijheidstelling onder toezicht.
Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.
Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.
Art. 95/9. S'il se produit, après la décision d'octroi d'une libération sous surveillance mais avant son exécution, une situation incompatible avec les conditions fixées dans cette décision, le tribunal de l'application des peines peut, sur réquisition du ministère public, prendre une nouvelle décision, en ce compris le retrait de la libération sous surveillance.
L'article 61, §§ 2 à 4, est d'application.
L'article 61, §§ 2 à 4, est d'application.
Afdeling 3. - Het verloop van de vrijheidsbeneming
Section 3. - Du déroulement de la privation de liberté
Onderafdeling 1. - Algemeen
Sous-section 1re. - Généralités
Art. 95/10. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Bij de aanvang van de vrijheidsbeneming licht de directeur de veroordeelde schriftelijk in over de mogelijkheden tot toekenning van de in deze afdeling bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten.
Art. 95/10. Au début de la privation de liberté, le directeur informe par écrit le condamné des possibilités d'octroi des modalités d'exécution de la peine visées dans la présente section.
Onderafdeling 2. - Uitgaansvergunning en penitentiair verlof
Sous-section 2. - De la permission de sortie et du congé pénitentiaire
Art. 95/11. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De strafuitvoeringsrechtbank kan tijdens deze periode van vrijheidsbeneming een uitgaansvergunning, zoals bedoeld in artikel 4, §§ 1 en 2, of een penitentiair verlof, zoals bedoeld in artikel 6, toekennen op verzoek van de terbeschikkinggestelde.
Ingeval zulks nodig is, kan de strafuitvoeringsrechtbank tevens uitgaansvergunningen toekennen om de sociale re-integratie van de ter beschikking gestelde veroordeelde voor te bereiden. De uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
De uitgaansvergunning of het penitentiair verlof wordt toegekend op voorwaarde dat er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden die door de terbeschikkinggestelde worden aanvaard; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1.
Ingeval zulks nodig is, kan de strafuitvoeringsrechtbank tevens uitgaansvergunningen toekennen om de sociale re-integratie van de ter beschikking gestelde veroordeelde voor te bereiden. De uitgaansvergunningen kunnen met een bepaalde periodiciteit worden toegekend.
De uitgaansvergunning of het penitentiair verlof wordt toegekend op voorwaarde dat er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden die door de terbeschikkinggestelde worden aanvaard; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken, op het risico dat hij tijdens de uitgaansvergunning of het penitentiair verlof ernstige strafbare feiten zou plegen of op het risico dat hij de slachtoffers zou [1 lastig vallen]1.
Modifications
Art. 95/11. § 1er. Pendant la période de privation de liberté, le tribunal de l'application des peines peut, à la demande du condamné mis à disposition, lui accorder une permission de sortie telle que visée a l'article 4, §§ 1er et 2, ou un congé pénitentiaire tel que visé à l'article 6.
Si cela s'avère nécessaire, le tribunal de l'application des peines peut également accorder des permissions de sortie en vue de préparer la réinsertion sociale du condamné mis à disposition. Les permissions de sortie peuvent être accordées avec une périodicité déterminée.
La permission de sortie ou le congé pénitentiaire est accordé à condition qu'il n'existe pas dans le chef du condamné de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières acceptées par le condamné mis à disposition ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine, sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant la permission de sortie ou le congé pénitentiaire ou sur le risque qu'il importune les victimes.
Si cela s'avère nécessaire, le tribunal de l'application des peines peut également accorder des permissions de sortie en vue de préparer la réinsertion sociale du condamné mis à disposition. Les permissions de sortie peuvent être accordées avec une périodicité déterminée.
La permission de sortie ou le congé pénitentiaire est accordé à condition qu'il n'existe pas dans le chef du condamné de contre-indications auxquelles la fixation de conditions particulières acceptées par le condamné mis à disposition ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine, sur le risque qu'il commette des infractions graves pendant la permission de sortie ou le congé pénitentiaire ou sur le risque qu'il importune les victimes.
Art. 95/12. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis die het verzoek binnen vierentwintig uur aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank overzendt en een afschrift bezorgt aan de directeur.
§ 2. Ingeval het een verzoek om een penitentiair verlof betreft, stelt de directeur binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek zijn met redenen omkleed advies op.
De directeur kan de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. [2 De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.]2
Ingeval het een verzoek om uitgaansvergunning betreft, stelt de directeur onverwijld zijn met redenen omkleed advies op.
[1 Artikel 31 is van toepassing.]1
Het met redenen omkleed advies, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt overgezonden aan de strafuitvoeringsrechtbank en omvat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die de directeur nodig acht op te leggen. Een afschrift van het advies wordt meegedeeld aan de veroordeelde en aan het openbaar ministerie.
§ 3. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in § 2 bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
De voorzitter doet uitspraak na de ter beschikking gestelde veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
§ 2. Ingeval het een verzoek om een penitentiair verlof betreft, stelt de directeur binnen twee maanden na de ontvangst van het verzoek zijn met redenen omkleed advies op.
De directeur kan de [2 bevoegde dienst van de Gemeenschappen]2 opdragen een beknopt voorlichtingsrapport op te stellen of een maatschappelijke enquête te houden in het door de veroordeelde voor het penitentiair verlof voorgestelde opvangmilieu. [2 De Koning bepaalt de inhoud van dat beknopt voorlichtingsrapport en van die maatschappelijke enquête.]2
Ingeval het een verzoek om uitgaansvergunning betreft, stelt de directeur onverwijld zijn met redenen omkleed advies op.
[1 Artikel 31 is van toepassing.]1
Het met redenen omkleed advies, bedoeld in het eerste en derde lid, wordt overgezonden aan de strafuitvoeringsrechtbank en omvat, in voorkomend geval, een voorstel van bijzondere voorwaarden die de directeur nodig acht op te leggen. Een afschrift van het advies wordt meegedeeld aan de veroordeelde en aan het openbaar ministerie.
§ 3. Indien het advies van de directeur niet wordt meegedeeld binnen de in § 2 bepaalde termijn, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op schriftelijk verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde, de minister op straffe van een dwangsom veroordelen tot het uitbrengen van zijn advies, via de directeur, binnen de termijn voorzien door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en om aan de veroordeelde een afschrift van dit advies ter kennis te brengen.
De voorzitter doet uitspraak na de ter beschikking gestelde veroordeelde en de minister of zijn gemachtigde te hebben gehoord, op advies van het openbaar ministerie, binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
Art. 95/12. § 1er. La demande écrite est déposée au greffe de la prison, lequel la transmet dans les vingt-quatre heures au greffe du tribunal de l'application des peines et en communique une copie au directeur.
§ 2. Dans le cas où il s'agit d'une demande de congé pénitentiaire, le directeur rédige son avis motivé dans les deux mois de la réception de la demande.
Le directeur peut charger le [2 service compétent des Communautés]2 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale dans le milieu d'accueil proposé par le condamné pour le congé pénitentiaire. [2 Le Roi détermine le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale.]2
Dans le cas où il s'agit d'une demande de permission de sortie, le directeur rédige son avis motivé sans délai.
[1 L'article 31 est d'application.]1
L'avis motivé visé aux alinéas 1er et 3 est communiqué au tribunal de l'application des peines; il contient, le cas échéant, une proposition de conditions particulières que le directeur estime nécessaires d'imposer. Une copie de l'avis est transmise au condamné et au ministère public.
§ 3. Si l'avis du directeur n'est pas communiqué dans le délai prévu au § 2, le président du tribunal de première instance peut, a la demande écrite du condamné mis à disposition, condamner le ministre sous peine d'astreinte à émettre son avis, par l'intermédiaire du directeur dans le délai prévu par le président du tribunal de première instance et à communiquer au condamné une copie de cet avis.
Le président statue après avoir entendu le condamné mis à disposition et le ministre ou son délégué, sur avis du ministère public dans les cinq jours de la réception de la demande.
Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
§ 2. Dans le cas où il s'agit d'une demande de congé pénitentiaire, le directeur rédige son avis motivé dans les deux mois de la réception de la demande.
Le directeur peut charger le [2 service compétent des Communautés]2 de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale dans le milieu d'accueil proposé par le condamné pour le congé pénitentiaire. [2 Le Roi détermine le contenu de ce rapport d'information succinct et de cette enquête sociale.]2
Dans le cas où il s'agit d'une demande de permission de sortie, le directeur rédige son avis motivé sans délai.
[1 L'article 31 est d'application.]1
L'avis motivé visé aux alinéas 1er et 3 est communiqué au tribunal de l'application des peines; il contient, le cas échéant, une proposition de conditions particulières que le directeur estime nécessaires d'imposer. Une copie de l'avis est transmise au condamné et au ministère public.
§ 3. Si l'avis du directeur n'est pas communiqué dans le délai prévu au § 2, le président du tribunal de première instance peut, a la demande écrite du condamné mis à disposition, condamner le ministre sous peine d'astreinte à émettre son avis, par l'intermédiaire du directeur dans le délai prévu par le président du tribunal de première instance et à communiquer au condamné une copie de cet avis.
Le président statue après avoir entendu le condamné mis à disposition et le ministre ou son délégué, sur avis du ministère public dans les cinq jours de la réception de la demande.
Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
Art. 95/13. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. Binnen zeven dagen na de ontvangst van het advies van de directeur, stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over het verzoek om een uitgaansvergunning of penitentiaire verlof, of op verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde, kan hij een zitting organiseren. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het advies van de directeur.
Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De ter beschikking gestelde veroordeelde, zijn raadsman, de directeur en het openbaar ministerie worden gehoord.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.
§ 2. Indien de strafuitvoeringsrechtbank het nuttig acht om te kunnen oordelen over het verzoek om een uitgaansvergunning of penitentiaire verlof, of op verzoek van de ter beschikking gestelde veroordeelde, kan hij een zitting organiseren. Deze zitting moet plaatsvinden ten laatste één maand na de ontvangst van het advies van de directeur.
Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De ter beschikking gestelde veroordeelde, zijn raadsman, de directeur en het openbaar ministerie worden gehoord.
De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen eveneens andere personen te horen.
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.
Art. 95/13. § 1er. Dans les sept jours de la réception de l'avis du directeur, le ministère public rédige un avis motivé, le transmet au tribunal de l'application des peines et en communique une copie au condamné et au directeur.
§ 2. Si le tribunal de l'application des peines l'estime utile pour pouvoir se prononcer sur la demande de permission de sortie ou de congé pénitentiaire, ou sur demande du condamné mis à disposition, il peut organiser une audience. Cette audience doit avoir lieu au plus tard un mois après la réception de l'avis du directeur.
Le dossier est tenu au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe de la prison où il subit sa peine.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 3. La personne condamnée mise à disposition, son conseiller, le directeur et le ministère public sont entendus.
Le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre aussi d'autres personnes.
Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné en fait la demande.
§ 2. Si le tribunal de l'application des peines l'estime utile pour pouvoir se prononcer sur la demande de permission de sortie ou de congé pénitentiaire, ou sur demande du condamné mis à disposition, il peut organiser une audience. Cette audience doit avoir lieu au plus tard un mois après la réception de l'avis du directeur.
Le dossier est tenu au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe de la prison où il subit sa peine.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 3. La personne condamnée mise à disposition, son conseiller, le directeur et le ministère public sont entendus.
Le tribunal de l'application des peines peut décider d'entendre aussi d'autres personnes.
Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné en fait la demande.
Art. 95/14. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1 Binnen veertien dagen na de ontvangst van het advies van de directeur of, indien er een zitting heeft plaatsgevonden, binnen vijftien dagen nadat de zaak in beraad is genomen, beslist de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 2. De strafuitvoeringsrechtbank verbindt aan de beslissing tot toekenning de algemene voorwaarde dat de terbeschikkinggestelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. In voorkomend geval bepaalt zij de bijzondere voorwaarden, rekening houdend met de bepalingen van artikel 95/11, § 1, derde lid.
§ 3. De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan, die niet meer dan zestien uur mag bedragen.
Behoudens andersluidende beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank wordt de beslissing tot toekenning van penitentiair verlof geacht van rechtswege elk kwartaal te worden hernieuwd.
De directeur beslist, na overleg met de terbeschikkinggestelde, over de verdeling van het toegestane verlof voor elk trimester.
§ 4. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur. Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de toekenning van een eerste penitentiair verlof en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 5. Het vonnis tot toekenning van een uitgaansvergunning of een penitentiair verlof wordt meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zal verblijven en aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt.
§ 2. De strafuitvoeringsrechtbank verbindt aan de beslissing tot toekenning de algemene voorwaarde dat de terbeschikkinggestelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. In voorkomend geval bepaalt zij de bijzondere voorwaarden, rekening houdend met de bepalingen van artikel 95/11, § 1, derde lid.
§ 3. De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning bepaalt de duur ervan, die niet meer dan zestien uur mag bedragen.
Behoudens andersluidende beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank wordt de beslissing tot toekenning van penitentiair verlof geacht van rechtswege elk kwartaal te worden hernieuwd.
De directeur beslist, na overleg met de terbeschikkinggestelde, over de verdeling van het toegestane verlof voor elk trimester.
§ 4. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij gerechtsbrief ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur. Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de toekenning van een eerste penitentiair verlof en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
§ 5. Het vonnis tot toekenning van een uitgaansvergunning of een penitentiair verlof wordt meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zal verblijven en aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt.
Art. 95/14. § 1er. Dans les quatorze jours de la réception de l'avis du directeur ou, si une audience a lieu, dans les quinze jours après la mise en délibéré, le tribunal de l'application des peines rend sa décision.
§ 2. Le tribunal de l'application des peines assortit la décision d'octroi de la condition générale selon laquelle le condamné mis à disposition ne peut commettre de nouvelles infractions. Le cas échéant, il fixe les conditions particulières compte tenu des dispositions de l'article 95/11, § 1er, alinéa 3.
§ 3. La décision d'octroi d'une permission de sortie en établit la durée qui ne peut excéder seize heures.
La décision d'octroi du congé pénitentiaire est réputée être renouvelée d'office chaque trimestre sauf décision contraire du tribunal de l'application des peines.
Le directeur décide, après concertation avec le condamné mis à disposition, de la répartition du congé accordé pour chaque trimestre.
§ 4. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, par pli judiciaire, au condamne et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur. La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de l'octroi d'un premier congé pénitentiaire et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt.
§ 5. Le jugement d'octroi d'une permission de sortie ou d'un congé pénitentiaire est communique au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné résidera, et à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police.
§ 2. Le tribunal de l'application des peines assortit la décision d'octroi de la condition générale selon laquelle le condamné mis à disposition ne peut commettre de nouvelles infractions. Le cas échéant, il fixe les conditions particulières compte tenu des dispositions de l'article 95/11, § 1er, alinéa 3.
§ 3. La décision d'octroi d'une permission de sortie en établit la durée qui ne peut excéder seize heures.
La décision d'octroi du congé pénitentiaire est réputée être renouvelée d'office chaque trimestre sauf décision contraire du tribunal de l'application des peines.
Le directeur décide, après concertation avec le condamné mis à disposition, de la répartition du congé accordé pour chaque trimestre.
§ 4. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, par pli judiciaire, au condamne et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur. La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide,]1 de l'octroi d'un premier congé pénitentiaire et, le cas échéant, des conditions imposées dans son intérêt.
§ 5. Le jugement d'octroi d'une permission de sortie ou d'un congé pénitentiaire est communique au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné résidera, et à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police.
Art. 95/15. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Indien het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning wordt geweigerd, kan de terbeschikkinggestelde een nieuwe aanvraag indienen ten vroegste drie maanden na de datum van deze beslissing.
Deze termijn om een nieuwe aanvraag in te dienen kan worden verkort op gemotiveerd advies van de directeur.
Deze termijn om een nieuwe aanvraag in te dienen kan worden verkort op gemotiveerd advies van de directeur.
Art. 95/15. Si un congé pénitentiaire ou une permission de sortie est refusé, le condamné mis à disposition peut introduire une nouvelle demande au plus tôt trois mois après la date de la décision.
Ce délai pour introduire une nouvelle demande peut être réduit sur avis motivé du directeur.
Ce délai pour introduire une nouvelle demande peut être réduit sur avis motivé du directeur.
Art. 95/16. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de herroeping, schorsing of herziening van de beslissing tot toekenning van het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning met periodiciteit, de zaak aanhangig maken bij de strafuitvoeringsrechtbank indien de voorwaarden van de beslissing tot toekenning niet worden nageleefd of indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt.
§ 2. In geval van schorsing is [3 artikel 66, §§ 2 en 3,]3 van toepassing.
§ 3. In geval van herziening kan de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De beslissing tot toekenning van het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
§ 4. Artikel 68, § 1, leden 1 tot 3, § 2, eerste en tweede lid, § 3, eerste tot vierde lid, en § 4, is van toepassing.
§ 5. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur.
Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping of schorsing van een penitentiair verlof of in geval van herziening van de in zijn belang gewijzigde voorwaarden, wordt het slachtoffer [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig, uur via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing.
Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft en aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt.
§ 2. In geval van schorsing is [3 artikel 66, §§ 2 en 3,]3 van toepassing.
§ 3. In geval van herziening kan de strafuitvoeringsrechtbank de opgelegde voorwaarden verscherpen of bijkomende voorwaarden opleggen. De beslissing tot toekenning van het penitentiair verlof of de uitgaansvergunning wordt evenwel herroepen, indien de veroordeelde niet instemt met de nieuwe voorwaarden.
Indien de strafuitvoeringsrechtbank beslist de opgelegde voorwaarden te verscherpen of bijkomende voorwaarden op te leggen, bepaalt hij het ogenblik waarop deze beslissing uitvoerbaar wordt.
§ 4. Artikel 68, § 1, leden 1 tot 3, § 2, eerste en tweede lid, § 3, eerste tot vierde lid, en § 4, is van toepassing.
§ 5. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur.
Ingeval het een vonnis betreft tot herroeping of schorsing van een penitentiair verlof of in geval van herziening van de in zijn belang gewijzigde voorwaarden, wordt het slachtoffer [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig, uur via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing.
Het vonnis tot herroeping, schorsing of herziening wordt meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde verblijft en aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt.
Art. 95/16. § 1er. Le ministère public peut saisir le tribunal de l'application des peines en vue de la révocation, de la suspension ou de la révision de la décision d'octroi du congé pénitentiaire ou de la permission de sortie avec périodicité, en cas de non-respect des conditions de la décision d'octroi ou si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers.
§ 2. En cas de suspension, l'[3 article 66, §§ 2 et 3]3 est d'application.
§ 3. En cas de révision, le tribunal de l'application des peines peut renforcer les conditions imposées ou imposer des conditions supplémentaires. La décision d'octroi du congé pénitentiaire ou de la permission de sortie est toutefois révoquée si le condamné ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions.
Si le tribunal de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire.
§ 4. L'article 68, § 1er, alinéas 1er à 3, § 2, alinéas 1 et 2, § 3, alinéas 1er à 4, et § 4, est d'application.
§ 5. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [3 par pli recommandé à la poste]3, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur.
S'il s'agit d'un jugement de révocation, de suspension concernant un congé pénitentiaire, ou en cas de révision des conditions modifiées dans son intérêt, la victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la décision]1.
Le jugement de révocation, de suspension ou de révision est communiqué au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné réside, et à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police.
§ 2. En cas de suspension, l'[3 article 66, §§ 2 et 3]3 est d'application.
§ 3. En cas de révision, le tribunal de l'application des peines peut renforcer les conditions imposées ou imposer des conditions supplémentaires. La décision d'octroi du congé pénitentiaire ou de la permission de sortie est toutefois révoquée si le condamné ne marque pas son accord sur les nouvelles conditions.
Si le tribunal de l'application des peines décide de renforcer les conditions imposées ou d'imposer des conditions supplémentaires, il fixe le moment à partir duquel cette décision devient exécutoire.
§ 4. L'article 68, § 1er, alinéas 1er à 3, § 2, alinéas 1 et 2, § 3, alinéas 1er à 4, et § 4, est d'application.
§ 5. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [3 par pli recommandé à la poste]3, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur.
S'il s'agit d'un jugement de révocation, de suspension concernant un congé pénitentiaire, ou en cas de révision des conditions modifiées dans son intérêt, la victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de la décision]1.
Le jugement de révocation, de suspension ou de révision est communiqué au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné réside, et à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police.
Art. 95/17. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. In de in artikel 95/16 bedoelde gevallen waarin herroeping van het penitentiair verlof of van de uitgaansvergunning mogelijk is, kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de ter beschikking gestelde veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen, onder verplichting de bevoegde strafuitvoeringsrechtbank daarvan onmiddellijk in kennis te stellen.
§ 2. De bevoegde strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de ter beschikking gestelde veroordeelde over de schorsing van het penitentiair verlof of van de uitgaansvergunning. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de ter beschikking gestelde veroordeelde, aan het openbaar ministerie en aan de directeur.
De beslissing tot schorsing is geldig voor de duur van één maand, overeenkomstig artikel 66, § 3.
§ 2. De bevoegde strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen zeven werkdagen na de opsluiting van de ter beschikking gestelde veroordeelde over de schorsing van het penitentiair verlof of van de uitgaansvergunning. Dit vonnis wordt binnen vierentwintig uur schriftelijk meegedeeld aan de ter beschikking gestelde veroordeelde, aan het openbaar ministerie en aan de directeur.
De beslissing tot schorsing is geldig voor de duur van één maand, overeenkomstig artikel 66, § 3.
Art. 95/17. § 1er. Dans les cas pouvant donner lieu à révocation du congé pénitentiaire ou de la permission de sortie, visés à l'article 95/16, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné mis à disposition se trouve, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci, à charge d'en donner immédiatement avis au tribunal de l'application des peines compétent.
§ 2. Le tribunal de l'application des peines compétent se prononce sur la suspension du congé pénitentiaire ou de la permission de sortie dans les sept jours ouvrables qui suivent l'incarcération du condamné mis à disposition. Ce jugement est communiqué par écrit, dans les vingt-quatre heures, au condamné mis à disposition, au ministère public et au directeur.
La décision de suspension est valable pour une durée d'un mois, conformément à l'article 66, § 3.
§ 2. Le tribunal de l'application des peines compétent se prononce sur la suspension du congé pénitentiaire ou de la permission de sortie dans les sept jours ouvrables qui suivent l'incarcération du condamné mis à disposition. Ce jugement est communiqué par écrit, dans les vingt-quatre heures, au condamné mis à disposition, au ministère public et au directeur.
La décision de suspension est valable pour une durée d'un mois, conformément à l'article 66, § 3.
Onderafdeling 3. - Beperkte detentie en elektronisch toezicht
Sous-section 3. - De la détention limitée et de la surveillance électronique
Art. 95/18. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De strafuitvoeringsrechtbank kan tijdens deze periode van vrijheidsbeneming een beperkte detentie, zoals bedoeld in artikel 21, of een elektronisch toezicht, zoals bedoeld in artikel 22, toekennen aan de ter beschikkinggestelde.
De artikelen 47, § 1, en 48 zijn van toepassing.
§ 2. [2 De toekenningsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 49, 51, 52 en 53, eerste tot vierde lid en [3 tiende en elfde lid]3.]2
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de ter beschikking gestelde veroordeelde hierom verzoekt.
De strafuitvoeringsrechtbank beslist overeenkomstig artikel [1 54, § 1]1.
Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank de beperkte detentie of het elektronisch toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis.
De artikelen 55, 56 en 58 zijn van toepassing op de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.
Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht wordt uitvoerbaar de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan. De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
De artikelen 47, § 1, en 48 zijn van toepassing.
§ 2. [2 De toekenningsprocedure verloopt overeenkomstig de artikelen 49, 51, 52 en 53, eerste tot vierde lid en [3 tiende en elfde lid]3.]2
Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de ter beschikking gestelde veroordeelde hierom verzoekt.
De strafuitvoeringsrechtbank beslist overeenkomstig artikel [1 54, § 1]1.
Ingeval de strafuitvoeringsrechtbank de beperkte detentie of het elektronisch toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de terbeschikkinggestelde een nieuw verzoek kan indienen. Deze termijn mag niet langer zijn dan zes maanden te rekenen van het vonnis.
De artikelen 55, 56 en 58 zijn van toepassing op de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank.
Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht wordt uitvoerbaar de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan. De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
Art. 95/18. § 1er. Pendant la période de privation de liberté, le tribunal de l'application des peines peut accorder au condamné mis à disposition une détention limitée telle que visée à l'article 21 ou une surveillance électronique telle que visée à l'article 22.
Les articles 47, § 1er, et 48 sont d'application.
§ 2. [2 La procédure d'octroi se déroule conformément aux articles 49, 51, 52 et 53, alinéas 1er à 4 et [3 alinéas 10 et 11]3.]2
Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné mis à disposition en fait la demande.
Le tribunal de l'application des peines rend sa décision conformément à l'article [1 54, § 1er]1.
Si le tribunal de l'application des peines n'accorde pas la détention limitée ou la surveillance électronique, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné mis à disposition peut introduire une nouvelle demande. Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement.
Les articles 55, 56 et 58 s'appliquent à la décision du tribunal de l'application des peines.
Le jugement d'octroi d'une détention limitée ou d'une surveillance électronique est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée. Toutefois, le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire.
Les articles 47, § 1er, et 48 sont d'application.
§ 2. [2 La procédure d'octroi se déroule conformément aux articles 49, 51, 52 et 53, alinéas 1er à 4 et [3 alinéas 10 et 11]3.]2
Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné mis à disposition en fait la demande.
Le tribunal de l'application des peines rend sa décision conformément à l'article [1 54, § 1er]1.
Si le tribunal de l'application des peines n'accorde pas la détention limitée ou la surveillance électronique, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné mis à disposition peut introduire une nouvelle demande. Ce délai ne peut excéder six mois à compter du jugement.
Les articles 55, 56 et 58 s'appliquent à la décision du tribunal de l'application des peines.
Le jugement d'octroi d'une détention limitée ou d'une surveillance électronique est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée. Toutefois, le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire.
Art. 95/19. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht is genomen, maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de beperkte detentie of van het elektronisch toezicht.
Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.
Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.
Art. 95/19. S'il se produit, après la décision d'octroi d'une détention limitée ou d'une surveillance électronique mais avant son exécution, une situation incompatible avec les conditions fixées dans cette décision, le tribunal de l'application des peines peut, sur réquisition du ministère public, prendre une nouvelle décision, en ce compris le retrait de la détention limitée ou de la surveillance électronique.
L'article 61, §§ 2 à 4, est d'application.
L'article 61, §§ 2 à 4, est d'application.
Art. 95/20. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> De artikelen 62 en 63 zijn van toepassing voor de opvolging en de controle van de beperkte detentie en het elektronisch toezicht.
Titel VIII [1 en titel IX zijn ]1 van toepassing.
Titel VIII [1 en titel IX zijn ]1 van toepassing.
Modifications
Art. 95/20. Les articles 62 et 63 sont d'application pour le suivi et le contrôle de la détention limitée et de la surveillance électronique.
Le titre VIII [1 et le titre IX sont]1 d'application.
Le titre VIII [1 et le titre IX sont]1 d'application.
Modifications
Afdeling 4. - Ambtshalve jaarlijkse controle door de strafuitvoeringsrechtbank
Section 4. - Du contrôle annuel d'office par le tribunal de l'application des peines
Art. 95/21. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> De strafuitvoeringsrechtbank onderzoekt na één jaar vrijheidsbeneming, die uitsluitend gesteund is op de beslissing ingevolge de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, ambtshalve de mogelijkheid van het toekennen van een invrijheidstelling onder toezicht. [1 De vrijheidsbeneming van de ter beschikking gestelde veroordeelde wordt gehandhaafd indien in zijn hoofde een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten, die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten, bestaat dat in geval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.]1
Vier maanden voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde termijn brengt de directeur een advies uit. Artikel 95/3, § 2, is van toepassing.
Vier maanden voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde termijn brengt de directeur een advies uit. Artikel 95/3, § 2, is van toepassing.
Modifications
Art. 95/21. Après une privation de liberté d'un an, fondée exclusivement sur la décision faisant suite à la mise à la disposition du tribunal de l'application des peines, le tribunal de l'application des peines examine d'office la possibilité d'accorder une libération sous surveillance. [1 La privation de liberté du condamné mis à disposition est maintenue lorsqu'il existe dans son chef un risque qu'il commette des infractions graves portant atteinte à l'intégrité physique ou psychique de tiers et qu'il n'est pas possible d'y pallier en imposant des conditions particulières dans le cadre d'une libération sous surveillance.]1
Le directeur émet un avis quatre mois avant le délai visé à l'alinéa 1er. L'article 95/3, § 2, est d'application.
Le directeur émet un avis quatre mois avant le délai visé à l'alinéa 1er. L'article 95/3, § 2, est d'application.
Modifications
Art. 95/22. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Binnen een maand na de ontvangst van het advies van de directeur stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op, zendt dit over aan de strafuitvoeringsrechtbank en deelt het in afschrift mee aan de veroordeelde en de directeur.
Art. 95/22. Dans le mois de la réception de l'avis du directeur, le ministère public rédige un avis motivé, qu'il communique au tribunal de l'application des peines et en copie au condamné et au directeur.
Art. 95/23. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden voor het einde van de termijn bepaald in artikel 95/21.
Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij 95/22 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
[1 De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]1
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
De artikelen 95/6 en 95/7 zijn van toepassing.
Ingeval het advies van het openbaar ministerie niet wordt toegezonden binnen de bij 95/22 bepaalde termijn, dient het openbaar ministerie zijn advies schriftelijk uit te brengen voor of tijdens de zitting.
[1 De dag, het uur en de plaats van de zitting wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]1
§ 3. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de gevangenis waar de veroordeelde zijn straf ondergaat.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
De artikelen 95/6 en 95/7 zijn van toepassing.
Modifications
Art. 95/23. § 1er. L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile du tribunal de l'application des peines après réception de l'avis du ministère public. Cette audience a lieu au plus tard deux mois avant l'expiration du délai prévu à l'article 95/21.
Si l'avis du ministère public n'est pas communiqué dans le délai fixé à l'article 95/22, le ministère public doit rendre son avis par écrit avant ou pendant l'audience.
[1 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.]1
§ 3. Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe de la prison où le condamné subit sa peine.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
Les articles 95/6 et 95/7 sont d'application.
Si l'avis du ministère public n'est pas communiqué dans le délai fixé à l'article 95/22, le ministère public doit rendre son avis par écrit avant ou pendant l'audience.
[1 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.]1
§ 3. Le dossier est tenu, pendant au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe de la prison où le condamné subit sa peine.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
Les articles 95/6 et 95/7 sont d'application.
Modifications
Art. 95/24. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. [1 Onverminderd]1 van de toepassing van artikel 95/2, § 2, tweede lid, wordt het vonnis tot toekenning van een invrijheidstelling onder toezicht uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste op het einde van de termijn bepaald in artikel 95/21.
De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
§ 2. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht is genomen, maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de invrijheidstelling onder toezicht.
Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.
De strafuitvoeringsrechtbank kan evenwel een latere datum bepalen waarop het vonnis uitvoerbaar wordt.
§ 2. Indien zich, nadat de beslissing tot toekenning van de invrijheidstelling onder toezicht is genomen, maar voor de uitvoering ervan, een situatie voordoet die onverenigbaar is met de voorwaarden die in deze beslissing zijn bepaald, kan de strafuitvoeringsrechtbank, op vordering van het openbaar ministerie, een nieuwe beslissing nemen, met inbegrip van de intrekking van de invrijheidstelling onder toezicht.
Artikel 61, §§ 2 tot 4, is van toepassing.
Modifications
Art. 95/24. § 1er. [1 Sans préjudice de]1 l'application de l'article 95/2, § 2, alinéa 2, le jugement d'octroi d'une libération sous surveillance est exécutoire à compter du jour où il est coulé en force de chose jugée et au plus tôt à la fin du délai prévu à l'article 95/21.
Toutefois, le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire.
§ 2. S'il se produit, après la décision d'octroi d'une libération sous surveillance mais avant son exécution, une situation incompatible avec les conditions fixées dans cette décision, le tribunal de l'application des peines peut, sur réquisition du ministère public, prendre une nouvelle décision, en ce compris le retrait de la libération sous surveillance.
L'article 61, §§ 2 à 4, est d'application.
Toutefois, le tribunal de l'application des peines peut fixer à une date ultérieure le moment où le jugement sera exécutoire.
§ 2. S'il se produit, après la décision d'octroi d'une libération sous surveillance mais avant son exécution, une situation incompatible avec les conditions fixées dans cette décision, le tribunal de l'application des peines peut, sur réquisition du ministère public, prendre une nouvelle décision, en ce compris le retrait de la libération sous surveillance.
L'article 61, §§ 2 à 4, est d'application.
Modifications
Art. 95/25. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Indien de strafuitvoeringsrechtbank de invrijheidstelling onder toezicht niet toekent, bepaalt zij in haar vonnis de datum waarop de directeur een nieuw advies moet uitbrengen.
Deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar te rekenen van het vonnis.
Deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar te rekenen van het vonnis.
Art. 95/25. Si le tribunal de l'application des peines n'accorde pas la libération sous surveillance, il indique dans son jugement la date à laquelle le directeur doit émettre un nouvel avis.
Ce délai ne peut excéder un an à compter du jugement.
Ce délai ne peut excéder un an à compter du jugement.
Afdeling 5. - Het verloop van de invrijheidstelling onder toezicht
Section 5. - Du déroulement de la libération sous surveillance
Art. 95/26. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> De opvolging en de controle van de ter beschikking gestelde veroordeelde tijdens de invrijheidstelling onder toezicht gebeurt overeenkomstig de artikelen 62 en 63.
Art. 95/26. Le suivi et le contrôle du condamné mis à disposition durant la libération sous surveillance s'effectuent conformément aux articles 62 et 63.
Art. 95/27. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. Het openbaar ministerie kan, met het oog op de [2 herroeping, schorsing of herziening]2 van de invrijheidstelling onder toezicht, de zaak bij de strafuitvoeringsrechtbank aanhangig maken in de volgende gevallen :
1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de ter beschikking gestelde veroordeelde tijdens de in artikel 95/28 bedoelde termijn, een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
2° in de gevallen bedoeld in artikel 64, 2°, 3°, 4° en 5°.
§ 2. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
In geval van herroeping overeenkomstig § 1, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.
§ 3. [2 De artikelen 68, §§ 1 tot 4, en 70 zijn van toepassing.]2.
1° [1 wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de ter beschikking gestelde veroordeelde tijdens de in artikel 95/28 bedoelde termijn, een wanbedrijf of een misdaad, of een gelijkwaardig misdrijf dat in aanmerking genomen wordt overeenkomstig artikel 99bis van het Strafwetboek, heeft gepleegd;]1
2° in de gevallen bedoeld in artikel 64, 2°, 3°, 4° en 5°.
§ 2. In geval van herroeping wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
In geval van herroeping overeenkomstig § 1, 1°, wordt de herroeping geacht in te zijn gegaan op de dag waarop die misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd.
§ 3. [2 De artikelen 68, §§ 1 tot 4, en 70 zijn van toepassing.]2.
Art. 95/27. § 1er. Le ministère public peut saisir le tribunal de l'application des peines en vue [2 e la révocation, de la suspension ou de la révision]2 de la libération sous surveillance, dans les cas suivants :
1° [1 s'il est constaté par une décision passée en force de chose jugée que le condamné mis à disposition a commis, durant le délai visé à l'article 95/28, un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis du Code pénal;]1
2° dans les cas visés à l'article 64, 2° à 5°.
§ 2. En cas de révocation, le condamné est immédiatement réincarcéré.
En cas de révocation conformément au § 1er, 1°, la révocation est réputée avoir pris cours le jour où le crime ou le délit a été commis.
§ 3. [2 Les articles 68, §§ 1er à 4, et 70 s'appliquent.]2.
1° [1 s'il est constaté par une décision passée en force de chose jugée que le condamné mis à disposition a commis, durant le délai visé à l'article 95/28, un délit ou un crime, ou une infraction équivalente prise en compte conformément à l'article 99bis du Code pénal;]1
2° dans les cas visés à l'article 64, 2° à 5°.
§ 2. En cas de révocation, le condamné est immédiatement réincarcéré.
En cas de révocation conformément au § 1er, 1°, la révocation est réputée avoir pris cours le jour où le crime ou le délit a été commis.
§ 3. [2 Les articles 68, §§ 1er à 4, et 70 s'appliquent.]2.
Art. 95/28. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 95/29 wordt de ter beschikking van de strafuitvoeringsrechtbank gestelde definitief in vrijheid gesteld na het verstrijken van de bij de rechter vastgestelde termijn voor de terbeschikkingstelling overeenkomstig de artikelen 34bis tot en met 34quater van het Strafwetboek.
Art. 95/28. Sous réserve de l'application de l'article 95/29, le condamné mis à la disposition du tribunal de l'application des peines est définitivement remis en liberté à l'expiration du délai de mise à disposition fixé par le juge conformément aux articles 34bis à 34quater du Code pénal.
Afdeling 6. - Ontheffing van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank
Section 6. - De la levée de la mise à la disposition du tribunal de l'application des peines
Art. 95/29. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De onder toezicht in vrijheid gestelde veroordeelden kunnen de strafuitvoeringsrechtbank verzoeken om een einde te stellen aan de periode van de ter beschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.
Dit schriftelijk verzoek mag ingediend worden twee jaar nadat de invrijheidstelling onder toezicht is toegekend geweest en vervolgens om de twee jaar.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 2. Binnen een maand na de indiening van het verzoek wint het openbaar ministerie alle nuttige inlichtingen in, stelt een met redenen omkleed advies op en zendt dit alles over aan de strafuitvoeringsrechtbank. Een afschrift van het advies wordt aan de veroordeelde meegedeeld.
Dit schriftelijk verzoek mag ingediend worden twee jaar nadat de invrijheidstelling onder toezicht is toegekend geweest en vervolgens om de twee jaar.
Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
§ 2. Binnen een maand na de indiening van het verzoek wint het openbaar ministerie alle nuttige inlichtingen in, stelt een met redenen omkleed advies op en zendt dit alles over aan de strafuitvoeringsrechtbank. Een afschrift van het advies wordt aan de veroordeelde meegedeeld.
Art. 95/29. § 1er. Le condamné libéré sous surveillance peut demander au tribunal de l'application des peines qu'il soit mis fin à la période de mise à la disposition du tribunal de l'application des peines.
Cette demande écrite peut être introduite deux ans après l'octroi de la libération sous surveillance et, ensuite, tous les deux ans.
La demande écrite est déposée au greffe du tribunal de l'application des peines.
§ 2. Dans le mois du dépôt de la demande, le ministère public recueille toutes les informations utiles, rédige un avis motivé et communique le tout au tribunal de l'application des peines. Une copie de l'avis est communiquée au condamné.
Cette demande écrite peut être introduite deux ans après l'octroi de la libération sous surveillance et, ensuite, tous les deux ans.
La demande écrite est déposée au greffe du tribunal de l'application des peines.
§ 2. Dans le mois du dépôt de la demande, le ministère public recueille toutes les informations utiles, rédige un avis motivé et communique le tout au tribunal de l'application des peines. Une copie de l'avis est communiquée au condamné.
Art. 95/30. <INGEVOEGD bij W 2007-04-26/89, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-2012> § 1. De behandeling van de zaak vindt plaats op de eerste nuttige zitting van de strafuitvoeringsrechtbank na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie. Deze zitting moet plaatsvinden uiterlijk twee maanden na de indiening van het schriftelijk verzoek.
[3 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]3
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman en het openbaar ministerie.
§ 4. Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.
§ 5. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Zij kent de ontheffing van de terbeschikkingstelling toe indien redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de veroordeelde nieuwe strafbare feiten zal plegen.
§ 6. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing.
Het vonnis tot ontheffing van de terbeschikkingstelling wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde was gevestigd;
- aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
- [4 aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen.]4
[3 De dag, het uur en de plaats van de zitting worden bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de veroordeelde en het slachtoffer en schriftelijk ter kennis gebracht van de directeur.]3
§ 2. Het dossier wordt gedurende ten minste vier dagen voor de datum waarop de zitting is vastgesteld voor inzage ter beschikking gesteld van de veroordeelde en zijn raadsman op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
De veroordeelde kan, op zijn verzoek, een afschrift van het dossier verkrijgen.
§ 3. De strafuitvoeringsrechtbank hoort de veroordeelde en zijn raadsman en het openbaar ministerie.
§ 4. Behoudens in de gevallen dat de openbaarheid gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de nationale veiligheid, is de zitting openbaar indien de veroordeelde hierom verzoekt.
§ 5. De strafuitvoeringsrechtbank beslist binnen veertien dagen nadat de zaak in beraad is genomen.
Zij kent de ontheffing van de terbeschikkingstelling toe indien redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de veroordeelde nieuwe strafbare feiten zal plegen.
§ 6. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur [3 bij een ter post aangetekende brief]3 ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie.
Het slachtoffer wordt [1 zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel,]1 op de hoogte gebracht van de beslissing.
Het vonnis tot ontheffing van de terbeschikkingstelling wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties :
- aan de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde was gevestigd;
- aan [2 de nationale gegevensbank als bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992]2 op het politieambt;
- [4 aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen.]4
Art. 95/30. § 1er. L'examen de l'affaire a lieu à la première audience utile du tribunal de l'application des peines après réception de l'avis du ministère public. Cette audience doit avoir lieu au plus tard deux mois après le dépôt de la demande écrite.
[3 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.]3
§ 2. Le dossier est tenu, au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 3. Le tribunal de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public.
§ 4. Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné en fait la demande.
§ 5. Le tribunal de l'application des peines rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré.
Il accorde la levée de la mise à disposition s'il n'y a raisonnablement pas lieu de craindre que le condamné commette de nouvelles infractions.
§ 6. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [3 par pli recommandé à la poste]3, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public.
La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures par le moyen de communication écrit le plus rapide de la décision]1.
Le jugement d'octroi de la levée de la mise à disposition est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné était établi;
- à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police;
- [4 le cas échéant, au service compétent des Communautés.]4
[3 Les lieu, jour et heure de l'audience sont notifiés par pli recommandé à la poste au condamné et à la victime et portés par écrit à la connaissance du directeur.]3
§ 2. Le dossier est tenu, au moins quatre jours avant la date fixée pour l'audience, à la disposition du condamné et de son conseil pour consultation au greffe du tribunal de l'application des peines.
Le condamné peut, à sa demande, obtenir une copie du dossier.
§ 3. Le tribunal de l'application des peines entend le condamné et son conseil ainsi que le ministère public.
§ 4. Sauf dans les cas où la publicité des débats est dangereuse pour l'ordre public, les bonnes moeurs ou la sécurité nationale, l'audience est publique si le condamné en fait la demande.
§ 5. Le tribunal de l'application des peines rend sa décision dans les quatorze jours de la mise en délibéré.
Il accorde la levée de la mise à disposition s'il n'y a raisonnablement pas lieu de craindre que le condamné commette de nouvelles infractions.
§ 6. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, [3 par pli recommandé à la poste]3, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public.
La victime est informée [1 le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures par le moyen de communication écrit le plus rapide de la décision]1.
Le jugement d'octroi de la levée de la mise à disposition est communiqué aux autorités et instances suivantes :
- au chef de corps de la police locale de la commune où le condamné était établi;
- à [2 la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992]2 sur la fonction de police;
- [4 le cas échéant, au service compétent des Communautés.]4
TITEL XII. - Het cassatieberoep.
TITRE XII. - Du pourvoi en cassation.
Art.96. Tegen de beslissingen van de strafuitvoeringsrechter en van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening of de herroeping]3 van de in Titel V bedoelde strafuitvoeringsmodaliteiten [3 ...]3 , evenals de overeenkomstig Titel XI genomen beslissingen, staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie [2 , ambtshalve of op bevel van de Minister van Justitie,]2 en de veroordeelde.
[1 Er staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie [2 , ambtshalve of op bevel van de Minister van Justitie,]2 en de ter beschikking gestelde veroordeelde tegen de overeenkomstig titel XIbis, hoofdstuk 1 genomen beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot :
a) de vrijheidsbeneming;
b) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een periodieke uitgaansvergunning [3 ...]3;
c) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een penitentiair verlof [3 ...]3;
d) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een beperkte detentie [3 ...]3;
e) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een elektronisch toezicht [3 ...]3;
f) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een invrijheidstelling onder toezicht [3 ...]3 of
g) de beslissing tot afwijzing of tot toekenning van de ontheffing van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.]1
[1 Er staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie [2 , ambtshalve of op bevel van de Minister van Justitie,]2 en de ter beschikking gestelde veroordeelde tegen de overeenkomstig titel XIbis, hoofdstuk 1 genomen beslissingen van de strafuitvoeringsrechtbank met betrekking tot :
a) de vrijheidsbeneming;
b) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een periodieke uitgaansvergunning [3 ...]3;
c) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een penitentiair verlof [3 ...]3;
d) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een beperkte detentie [3 ...]3;
e) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een elektronisch toezicht [3 ...]3;
f) de toekenning, de afwijzing [3 , de herziening]3 of de herroeping van een invrijheidstelling onder toezicht [3 ...]3 of
g) de beslissing tot afwijzing of tot toekenning van de ontheffing van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank.]1
Art.96. Les décisions du juge de l'application des peines et du tribunal de l'application des peines relatives à l'octroi, au refus [3 , à la révision ou à la révocation]3 des modalités d'exécution de la peine visées au Titre V, [3 ...]3, ainsi que les décisions prises en vertu du Titre XI sont susceptibles de pourvoi en cassation par le ministère public [2 , soit d'office, soit par les ordres du Ministre de la Justice,]2 et le condamné.
[1 Sont susceptibles de pourvoi en cassation par le ministère public [2 , soit d'office, soit par les ordres du Ministre de la Justice,]2 et le condamné mis à disposition, les décisions du tribunal de l'application des peines prises conformément au titre XIbis, chapitre premier, et relatives :
a) à la privation de liberté;
b) à l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'une permission de sortie périodique et [3 ...]3
c) à l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'un congé pénitentiaire et [3 ...]3
d) à l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'une détention limitée et [3 ...]3
e) l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'une surveillance électronique et [3 ...]3
f) à l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'une libération sous surveillance, et [3 ...]3 ou
g) à la décision de refus ou d'octroi de la levée de la mise à la disposition du tribunal de l'application des peines.]1
[1 Sont susceptibles de pourvoi en cassation par le ministère public [2 , soit d'office, soit par les ordres du Ministre de la Justice,]2 et le condamné mis à disposition, les décisions du tribunal de l'application des peines prises conformément au titre XIbis, chapitre premier, et relatives :
a) à la privation de liberté;
b) à l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'une permission de sortie périodique et [3 ...]3
c) à l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'un congé pénitentiaire et [3 ...]3
d) à l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'une détention limitée et [3 ...]3
e) l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'une surveillance électronique et [3 ...]3
f) à l'octroi, au refus [3 , à la révision]3 ou à la révocation d'une libération sous surveillance, et [3 ...]3 ou
g) à la décision de refus ou d'octroi de la levée de la mise à la disposition du tribunal de l'application des peines.]1
Art.97. § 1. Het openbaar ministerie stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van vierentwintig uur, te rekenen van [1 de uitspraak van het vonnis]1.
De veroordeelde stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van [1 [4 vijf]4 dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis]1. [1 De verklaring van cassatieberoep [3 wordt neergelegd ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en]3 moet door een advocaat worden ondertekend.]1 De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep.
§ 2. Het dossier wordt door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden aan de griffie van het Hof van Cassatie binnen achtenveertig uur, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep.
§ 3. Het cassatieberoep tegen een beslissing die een in Titel V of Titel XI bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit toekent [2 , een periodieke uitgaansvergunning, een penitentiair verlof, een beperkte detentie, een elektronisch toezicht, een invrijheidstelling onder toezicht of die de veroordeelde overeenkomstig titel XIbis ontheft van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank]2, heeft schorsende kracht.
Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen dertig dagen, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, met dien verstande dat de veroordeelde inmiddels opgesloten blijft.
De veroordeelde stelt het cassatieberoep in binnen een termijn van [1 [4 vijf]4 dagen, te rekenen van de uitspraak van het vonnis]1. [1 De verklaring van cassatieberoep [3 wordt neergelegd ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en]3 moet door een advocaat worden ondertekend.]1 De cassatiemiddelen worden voorgesteld in een memorie die op de griffie van het Hof van Cassatie moet toekomen ten laatste op de vijfde dag na de datum van het cassatieberoep.
§ 2. Het dossier wordt door de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank toegezonden aan de griffie van het Hof van Cassatie binnen achtenveertig uur, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep.
§ 3. Het cassatieberoep tegen een beslissing die een in Titel V of Titel XI bedoelde strafuitvoeringsmodaliteit toekent [2 , een periodieke uitgaansvergunning, een penitentiair verlof, een beperkte detentie, een elektronisch toezicht, een invrijheidstelling onder toezicht of die de veroordeelde overeenkomstig titel XIbis ontheft van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank]2, heeft schorsende kracht.
Het Hof van Cassatie doet uitspraak binnen dertig dagen, te rekenen van het instellen van het cassatieberoep, met dien verstande dat de veroordeelde inmiddels opgesloten blijft.
Art.97. § 1er. Le ministère public se pourvoit en cassation dans un délai de vingt-quatre heures à compter [1 du prononcé du jugement]1.
Le condamné se pourvoit en cassation dans un délai de [1 [4 cinq]4 jours à compter du prononcé du jugement]1. [1 La déclaration de recours en cassation [3 est faite au greffe du tribunal de l'application des peines et]3 doit être signée par un avocat.]1 Les moyens de cassation sont proposés dans un mémoire qui doit parvenir au greffe de la Cour de cassation au plus tard le cinquième jour qui suit la date du pourvoi.
§ 2. Le dossier est transmis par le greffe du tribunal de l'application des peines au greffe de la Cour de cassation dans les quarante-huit heures du pourvoi en cassation.
§ 3. Le pourvoi en cassation contre une décision qui octroie une modalité d'exécution de la peine visée au Titre V ou au Titre XI [2 , une permission de sortie périodique, un congé pénitentiaire, une détention limitée, une surveillance électronique, une libération sous surveillance ou la levée de la mise à la disposition du tribunal de l'application des peines conformément au titre XIbis]2 a un effet suspensif.
La Cour de cassation statue dans les trente jours du pourvoi en cassation, le condamné étant pendant ce temps maintenu en détention.
Le condamné se pourvoit en cassation dans un délai de [1 [4 cinq]4 jours à compter du prononcé du jugement]1. [1 La déclaration de recours en cassation [3 est faite au greffe du tribunal de l'application des peines et]3 doit être signée par un avocat.]1 Les moyens de cassation sont proposés dans un mémoire qui doit parvenir au greffe de la Cour de cassation au plus tard le cinquième jour qui suit la date du pourvoi.
§ 2. Le dossier est transmis par le greffe du tribunal de l'application des peines au greffe de la Cour de cassation dans les quarante-huit heures du pourvoi en cassation.
§ 3. Le pourvoi en cassation contre une décision qui octroie une modalité d'exécution de la peine visée au Titre V ou au Titre XI [2 , une permission de sortie périodique, un congé pénitentiaire, une détention limitée, une surveillance électronique, une libération sous surveillance ou la levée de la mise à la disposition du tribunal de l'application des peines conformément au titre XIbis]2 a un effet suspensif.
La Cour de cassation statue dans les trente jours du pourvoi en cassation, le condamné étant pendant ce temps maintenu en détention.
Art.98. Na een cassatiearrest met verwijzing, doet een andere strafuitvoeringsrechter of een anders samengestelde strafuitvoeringsrechtbank uitspraak binnen veertien dagen, te rekenen van de uitspraak van dit arrest, met dien verstande dat de veroordeelde inmiddels opgesloten blijft.
Art.98. Après un arrêt de cassation avec renvoi, un autre juge de l'application des peines ou un tribunal de l'application des peines autrement composé statue dans les quatorze jours à compter du prononcé de cet arrêt, le condamné étant pendant ce temps maintenu en détention.
TITEL XIIbis. - Overlegstructuren.
TITRE XIIbis. - Structures de concertation.
Art. 98/1. <W 2008-07-24/36, art. 4, 007; Inwerkingtreding : 17-08-2008; daarentegen geeft het KB 2008-10-01/34 een Inwerkingtreding : 01-11-2008, zie KB 2008-10-01/34, art. 9, 1°> Bij de FOD Justitie wordt een overlegstructuur inzake de toepassing van deze wet opgericht. Deze overlegstructuur heeft tot taak om, zowel op federaal als op lokaal vlak, de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van deze wet geregeld samen te brengen teneinde hun samenwerking te evalueren. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de samenstelling en de werking van deze overlegstructuur.
Art. 98/1. <L 2008-07-24/36, art. 4, 007; En vigueur : 17-08-2008; par contre l'AR 2008-10-01/34 donne En vigueur : 01-11-2008, voir AR 2008-10-01/34, art. 9, 1°> Il est crée au sein du SPF Justice une structure de concertation relative à l'application de la présente loi. Cette structure de concertation a pour mission de réunir régulièrement, tant sur le plan fédéral que sur le plan local, les instances concernés par l'exécution de la présente loi afin d'évaluer leur collaboration. Le Roi fixe les modalités relatives à la composition et au fonctionnement de cette structure de concertation.es de composition et de fonctionnement de ces structures de concertation.
TITEL XIIter. [1 Het gebruik van videoconferentie voor de zittingen voor de strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank]1
TITRE XIIter. [1 L'utilisation de la vidéoconférence pour les audiences devant le juge de l'application des peines et le tribunal de l'application des peines]1
Art. 98/2. [1 De artikelen 556 tot 562 en 565 tot 567 van het Wetboek van strafvordering zijn van toepassing voor zover daarvan niet wordt afgeweken door deze titel.]1
Art. 98/2. [1 Les articles 556 à 562 et 565 à 567 du Code d'instruction criminelle s'appliquent dans la mesure où il n'y est pas dérogé par le présent titre.]1
Modifications
Art. 98/3. [1 § 1. De veroordeelde, het slachtoffer, de directeur of elke andere persoon waarvan de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank heeft beslist deze te horen, kunnen de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank verzoeken om toelating om aan de zitting per videoconferentie deel te nemen. Dit verzoek moet ten laatste op de zesde dag voor de zitting langs elektronische weg worden meegedeeld bij de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en aan de andere in deze paragraaf bedoelde personen.
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan dit verzoek inwilligen indien hij van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
Voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de mogelijkheid tot interactie tussen de aanwezigen op de zitting, de fase van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de technische capaciteit van de gevangenissen en de verblijfssituatie, de fysieke of psychische toestand en de kwetsbare toestand waarin de veroordeelde, het slachtoffer of elke andere persoon die het gerecht beslist te horen, bevindt.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank stelt de betrokkene, het openbaar ministerie en naargelang het geval, de veroordeelde, het slachtoffer en de directeur in kennis van deze beslissing ten laatste op de derde dag vóór de zitting.
Ten aanzien van de veroordeelde die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 2. De strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank kunnen, bij een met redenen omklede beslissing, de veroordeelde, het slachtoffer, de directeur of elke andere persoon die ze beslist hebben te horen, verbieden fysiek te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting, wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals voorzien in paragraaf 1, derde lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering zijn vervuld;
3° ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat de epidemische noodsituatie is afgekondigd ingevolge artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank geeft, ten laatste op de zesde dag voor de zitting, kennis van deze beslissing aan de opgeroepen personen om te verschijnen op of om deel te nemen aan de zitting per videoconferentie.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
Ten aanzien van een veroordeelde die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 3. De persoon die overeenkomstig paragraaf 1 werd toegelaten om per videoconferentie deel te nemen aan de zitting, wordt verondersteld te hebben toegestemd.
Behalve de veroordeelde die van zijn vrijheid is benomen, heeft de persoon die werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen of deel te nemen, altijd het recht om voor het begin van de zitting te beslissen om in de zittingszaal waar het gerecht zetelt te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting.
Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
§ 4. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze titel gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een persoon betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, aan het gerechtelijk elektronisch adres van de griffie van de gevangenis als het een veroordeelde betreft die van zijn vrijheid benomen is of, in voorkomend geval, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die persoon, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij of persoon heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.]1
De strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank kan dit verzoek inwilligen indien hij van oordeel is dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem, overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering moet voldoen, zijn vervuld.
Voor de in het tweede lid bedoelde beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt onder meer rekening gehouden met de mogelijkheid tot interactie tussen de aanwezigen op de zitting, de fase van de procedure, de aard van het geschil, de complexiteit van de zaak, de bijstand van een advocaat, de technische capaciteit van de gevangenissen en de verblijfssituatie, de fysieke of psychische toestand en de kwetsbare toestand waarin de veroordeelde, het slachtoffer of elke andere persoon die het gerecht beslist te horen, bevindt.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank stelt de betrokkene, het openbaar ministerie en naargelang het geval, de veroordeelde, het slachtoffer en de directeur in kennis van deze beslissing ten laatste op de derde dag vóór de zitting.
Ten aanzien van de veroordeelde die heeft verzocht per videoconferentie te mogen verschijnen, aan wie een toelating ter kennis is gebracht en die niet verschijnt, hetzij per videoconferentie, hetzij op de plaats waar het gerecht zetelt en op het tijdstip dat in de oproeping is vermeld, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 2. De strafuitvoeringsrechter en de strafuitvoeringsrechtbank kunnen, bij een met redenen omklede beslissing, de veroordeelde, het slachtoffer, de directeur of elke andere persoon die ze beslist hebben te horen, verbieden fysiek te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting, wanneer ze van oordeel zijn dat is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1° het gebruik van videoconferentie is verenigbaar met de bijzondere omstandigheden van de zaak, die worden beoordeeld zoals voorzien in paragraaf 1, derde lid;
2° de waarborgen waaraan het videoconferentiesysteem overeenkomstig artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering zijn vervuld;
3° ingeval de videoconferentie de enige mogelijkheid is om aan de zitting deel te nemen omdat de epidemische noodsituatie is afgekondigd ingevolge artikel 3, § 1, van de wet van 14 augustus 2021 betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie en maatregelen van bestuurlijke politie worden genomen die de fysieke verschijning op de zitting beletten of die tot gevolg hebben dat een dergelijke fysieke verschijning onmogelijk wordt.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank geeft, ten laatste op de zesde dag voor de zitting, kennis van deze beslissing aan de opgeroepen personen om te verschijnen op of om deel te nemen aan de zitting per videoconferentie.
Tegen deze beslissing staat geen enkel rechtsmiddel open.
Ten aanzien van een veroordeelde die in kennis is gesteld van een verbod om fysiek te verschijnen of deel te nemen en die niet per videoconferentie op de zitting verschijnt, zijn de regels inzake het verstek van toepassing.
§ 3. De persoon die overeenkomstig paragraaf 1 werd toegelaten om per videoconferentie deel te nemen aan de zitting, wordt verondersteld te hebben toegestemd.
Behalve de veroordeelde die van zijn vrijheid is benomen, heeft de persoon die werd toegelaten om per videoconferentie te verschijnen of deel te nemen, altijd het recht om voor het begin van de zitting te beslissen om in de zittingszaal waar het gerecht zetelt te verschijnen op of deel te nemen aan de zitting.
Bij de aanvang van elke zitting kijkt het gerecht na of het akkoord vrij en geïnformeerd werd gegeven. Het proces-verbaal van de zitting maakt hier melding van.
§ 4. Elke kennisgeving door de griffie als bedoeld in deze titel gebeurt op elektronische wijze aan het professioneel elektronisch adres van de advocaat of, indien het een persoon betreft die niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, aan het gerechtelijk elektronisch adres van de griffie van de gevangenis als het een veroordeelde betreft die van zijn vrijheid benomen is of, in voorkomend geval, aan het gerechtelijk elektronisch adres van die persoon, of, bij gebreke daaraan, aan het laatste elektronisch adres dat die partij of persoon heeft verstrekt in het kader van de rechtspleging. Indien bij de griffier geen elektronisch adres gekend is, of indien de kennisgeving aan het elektronisch adres kennelijk niet is geslaagd, kan de betrokkene enkel fysiek in de zittingszaal verschijnen op de zitting waarop hij regelmatig werd opgeroepen om te verschijnen. Als het verbod om fysiek te verschijnen niet kon ter kennis worden gebracht, kan het gerecht de zitting op een latere datum verdagen.]1
Art. 98/3. [1 § 1er. Le condamné, la victime, le directeur ou tout autre personne que le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines a décidé d'entendre peuvent demander au juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines l'autorisation de participer à l'audience par vidéoconférence. Cette demande doit être communiquée au plus tard le sixième jour avant l'audience par voie électronique au greffe du tribunal de l'application des peines ainsi qu'aux autres personnes visées par le présent paragraphe.
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut faire droit à cette demande s'il estime que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies.
Pour l'évaluation des circonstances particulières de l'affaire visée à l'alinéa 2, il est notamment tenu compte de la possibilité d'interaction entre les personnes présentes à l'audience, de la phase de la procédure, de la nature du litige, de la complexité de l'affaire, de l'assistance d'un avocat, de la capacité technique des prisons et de la situation résidentielle, de la situation physique ou psychique et la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve le condamné, la victime ou toute autre personne que la juridiction souhaite entendre.
Le greffe du tribunal de l'application des peines notifie cette décision à l'intéressé, au ministère public et selon le cas, au condamné, à la victime et au directeur, au plus tard le troisième jour avant l'audience.
A l'égard du condamné qui a demandé de comparaitre par vidéoconférence, à qui une autorisation a été notifiée et qui ne comparait ni par vidéoconférence ni au lieu où siège la juridiction et à l'heure indiquée dans la convocation, les règles du défaut s'appliquent.
§ 2. Le juge de l'application des peines et le tribunal de l'application des peines peuvent, par décision motivée, interdire au condamné, à la victime, au directeur ou à toute autre personne qu'ils ont décidé d'entendre de comparaitre ou de participer à l'audience physiquement, s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, qui sont évaluées comme prévu au paragraphe 1er, alinéa 3;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies;
3° lorsque la vidéoconférence est l'unique possibilité de participer à l'audience car une situation d'urgence épidémique est déclarée conformément à l'article 3, § 1er, de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique et des mesures de police administrative empêchant la comparution physique à l'audience ou ayant pour conséquence d'empêcher une telle comparution physique sont adoptées.
Cette décision est notifiée par le greffe du tribunal de l'application des peines aux personnes appelées à comparaitre ou à participer par vidéoconférence, au plus tard, le sixième jour avant l'audience.
Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
A l'égard du condamné à qui une interdiction de comparaitre physiquement a été notifiée et qui ne comparait pas à l'audience par vidéoconférence, les règles du défaut s'appliquent.
§ 3. La personne ayant été autorisée à comparaitre ou participer par vidéoconférence en vertu du paragraphe 1er est présumée avoir marqué son accord.
Sauf en ce qui concerne le condamné qui est privé de sa liberté, la personne ayant été autorisée à comparaitre ou participer par vidéoconférence, a toujours le droit de décider, avant le début de l'audience, de comparaitre ou de participer à l'audience dans le lieu où la juridiction siège.
Au début de chaque audience, la juridiction vérifie que l'accord est libre et éclairé. Le procès-verbal de l'audience en fait mention.
§ 4. Toute notification par le greffe visée au présent titre a lieu par voie électronique à l'adresse électronique professionnelle de l'avocat ou, s'il s'agit d'une personne non représentée par un avocat, à l'adresse judiciaire électronique du greffe de la prison si le condamné est privé de sa liberté ou, le cas échéant, à l'adresse judiciaire électronique de cette personne ou, à défaut, à la dernière adresse électronique que cette partie ou personne a fournie dans le cadre de la procédure. Si aucune adresse électronique n'est connue du greffier, ou si la notification à l'adresse électronique a manifestement échoué, la personne concernée ne peut comparaitre que physiquement dans la salle d'audience à l'audience à laquelle elle a été régulièrement convoquée par la juridiction. Lorsque l'interdiction de comparaitre physiquement n'a pas pu être notifiée, la juridiction peut remettre l'audience à une date ultérieure.]1
Le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines peut faire droit à cette demande s'il estime que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies.
Pour l'évaluation des circonstances particulières de l'affaire visée à l'alinéa 2, il est notamment tenu compte de la possibilité d'interaction entre les personnes présentes à l'audience, de la phase de la procédure, de la nature du litige, de la complexité de l'affaire, de l'assistance d'un avocat, de la capacité technique des prisons et de la situation résidentielle, de la situation physique ou psychique et la situation de vulnérabilité dans laquelle se trouve le condamné, la victime ou toute autre personne que la juridiction souhaite entendre.
Le greffe du tribunal de l'application des peines notifie cette décision à l'intéressé, au ministère public et selon le cas, au condamné, à la victime et au directeur, au plus tard le troisième jour avant l'audience.
A l'égard du condamné qui a demandé de comparaitre par vidéoconférence, à qui une autorisation a été notifiée et qui ne comparait ni par vidéoconférence ni au lieu où siège la juridiction et à l'heure indiquée dans la convocation, les règles du défaut s'appliquent.
§ 2. Le juge de l'application des peines et le tribunal de l'application des peines peuvent, par décision motivée, interdire au condamné, à la victime, au directeur ou à toute autre personne qu'ils ont décidé d'entendre de comparaitre ou de participer à l'audience physiquement, s'ils estiment que les conditions suivantes sont réunies:
1° l'usage de la vidéoconférence est compatible avec les circonstances particulières de l'affaire, qui sont évaluées comme prévu au paragraphe 1er, alinéa 3;
2° les garanties auxquelles doit répondre le système de vidéoconférence conformément à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle sont réunies;
3° lorsque la vidéoconférence est l'unique possibilité de participer à l'audience car une situation d'urgence épidémique est déclarée conformément à l'article 3, § 1er, de la loi du 14 août 2021 relative aux mesures de police administrative lors d'une situation d'urgence épidémique et des mesures de police administrative empêchant la comparution physique à l'audience ou ayant pour conséquence d'empêcher une telle comparution physique sont adoptées.
Cette décision est notifiée par le greffe du tribunal de l'application des peines aux personnes appelées à comparaitre ou à participer par vidéoconférence, au plus tard, le sixième jour avant l'audience.
Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
A l'égard du condamné à qui une interdiction de comparaitre physiquement a été notifiée et qui ne comparait pas à l'audience par vidéoconférence, les règles du défaut s'appliquent.
§ 3. La personne ayant été autorisée à comparaitre ou participer par vidéoconférence en vertu du paragraphe 1er est présumée avoir marqué son accord.
Sauf en ce qui concerne le condamné qui est privé de sa liberté, la personne ayant été autorisée à comparaitre ou participer par vidéoconférence, a toujours le droit de décider, avant le début de l'audience, de comparaitre ou de participer à l'audience dans le lieu où la juridiction siège.
Au début de chaque audience, la juridiction vérifie que l'accord est libre et éclairé. Le procès-verbal de l'audience en fait mention.
§ 4. Toute notification par le greffe visée au présent titre a lieu par voie électronique à l'adresse électronique professionnelle de l'avocat ou, s'il s'agit d'une personne non représentée par un avocat, à l'adresse judiciaire électronique du greffe de la prison si le condamné est privé de sa liberté ou, le cas échéant, à l'adresse judiciaire électronique de cette personne ou, à défaut, à la dernière adresse électronique que cette partie ou personne a fournie dans le cadre de la procédure. Si aucune adresse électronique n'est connue du greffier, ou si la notification à l'adresse électronique a manifestement échoué, la personne concernée ne peut comparaitre que physiquement dans la salle d'audience à l'audience à laquelle elle a été régulièrement convoquée par la juridiction. Lorsque l'interdiction de comparaitre physiquement n'a pas pu être notifiée, la juridiction peut remettre l'audience à une date ultérieure.]1
Modifications
Art. 98/4. [1 § 1. Behalve wanneer de procedure ter openbare zitting moet plaatsvinden, is de verschijning per videoconferentie van de veroordeelde, het slachtoffer, de directeur of de persoon die de strafuitvoeringsrechter of strafuitvoeringsrechtbank heeft beslist te horen slechts mogelijk indien de videoconferentie de waarborgen vervult bedoeld in artikel 558, §§ 1 en 2, van het Wetboek van strafvordering en:
1° ingeval de persoon van zijn vrijheid benomen is, een gemachtigde van de directeur van de gevangenis of, in voorkomend geval, zijn advocaat als hij aanwezig is, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf, de persoon die van zijn vrijheid is benomen en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar ze zich bevinden, noch op andere wijze kan worden gevolgd wat er wordt gezegd; of
2° de persoon zelf of, in voorkomend geval, zijn advocaat aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of
3° ingeval het gerecht van oordeel is dat de aanwezigheid van de advocaat of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bij de persoon vereist is, de advocaat of, bij gebreke ervan, de gerechtsdeurwaarder aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan hijzelf, de betrokkene en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.]1
1° ingeval de persoon van zijn vrijheid benomen is, een gemachtigde van de directeur van de gevangenis of, in voorkomend geval, zijn advocaat als hij aanwezig is, aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf, de persoon die van zijn vrijheid is benomen en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar ze zich bevinden, noch op andere wijze kan worden gevolgd wat er wordt gezegd; of
2° de persoon zelf of, in voorkomend geval, zijn advocaat aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan zijzelf en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd; of
3° ingeval het gerecht van oordeel is dat de aanwezigheid van de advocaat of, bij gebreke ervan, een gerechtsdeurwaarder bij de persoon vereist is, de advocaat of, bij gebreke ervan, de gerechtsdeurwaarder aan het gerecht bevestigt dat niemand anders dan hijzelf, de betrokkene en, in voorkomend geval, de met name genoemde personen die door de rechter zijn gemachtigd om aanwezig te zijn, aanwezig is op de plaats waar de persoon zich bevindt op het moment van de verschijning, noch op andere wijze kan volgen wat er wordt gezegd.]1
Art. 98/4. [1 § 1er. Sauf lorsque la procédure doit se dérouler en audience publique, la comparution par vidéoconférence du condamné, de la victime, du directeur ou de la personne que le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines a décidé d'entendre, n'est possible que si la vidéoconférence réunit les garanties visées à l'article 558, §§ 1er et 2, du Code d'instruction criminelle et:
1° lorsque la personne est privée de sa liberté, un délégué du directeur de la prison ou, le cas échéant, son avocat lorsque celui-ci est présent, confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes, la personne privée de sa liberté et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où ils se trouvent et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
2° que la personne-même, ou le cas échéant, son avocat confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
3° lorsque la juridiction estime que la présence de l'avocat ou, à défaut, d'un huissier de justice est requise auprès de la personne, l'avocat ou, à défaut, l'huissier de justice confirme à la juridiction que personne d'autre que lui-même, la personne concernée et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution, et ne peut suivre autrement ce qui y est dit.]1
1° lorsque la personne est privée de sa liberté, un délégué du directeur de la prison ou, le cas échéant, son avocat lorsque celui-ci est présent, confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes, la personne privée de sa liberté et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où ils se trouvent et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
2° que la personne-même, ou le cas échéant, son avocat confirme à la juridiction que personne d'autre qu'eux-mêmes et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution et ne peut autrement suivre ce qui est dit; ou
3° lorsque la juridiction estime que la présence de l'avocat ou, à défaut, d'un huissier de justice est requise auprès de la personne, l'avocat ou, à défaut, l'huissier de justice confirme à la juridiction que personne d'autre que lui-même, la personne concernée et, le cas échéant, les personnes nommément désignées et autorisées par le juge à être présentes, n'est présent au lieu où la personne se trouve au moment de la comparution, et ne peut suivre autrement ce qui y est dit.]1
Modifications
Art. 98/5. [1 Artikel 98/3, § 1, is niet van toepassing ten aanzien van de veroordeelde die gedetineerd is in de gevallen waarin de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank in het administratieve gedeelte van de gevangenis zetelt waar de veroordeelde verblijft, overeenkomstig artikel 76, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek.]1
Art. 98/5. [1 L'article 98/3, § 1er, ne s'applique pas au condamné qui est détenu dans les cas où le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines siège dans la partie administrative de la prison où le condamné séjourne, conformément à l'article 76, § 4, alinéa 1er, du Code judiciaire.]1
Modifications
TITEL XIIquater. [1 Tijdelijke bepalingen ]1
TITRE XIIquater. [1 Dispositions temporaires ]1
HOOFDSTUK I. [1 De noodprocedure strafuit-voeringsrechter ]1
CHAPITRE Ier. [1 De la procédure d'urgence juge de l'application des peines ]1
Afdeling 1. [1 Toepassingsgebied ]1
Section 1. [1 Champ d'application ]1
Art. 98/6. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de veroordeelde tot een of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder, maar zes maanden of meer bedraagt, ten aanzien van wie de bepalingen van deze wet overeenkomstig artikel 109/1 niet van toepassing zijn.
Aan de veroordeelde bedoeld in het eerste lid kent de strafuitvoeringsrechter een beperkte detentie, een elektronisch toezicht, een voorwaardelijke invrijheidstelling, een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering toe op de hierna bepaalde wijze en onder de hierna bepaalde voorwaarden. ]1
Aan de veroordeelde bedoeld in het eerste lid kent de strafuitvoeringsrechter een beperkte detentie, een elektronisch toezicht, een voorwaardelijke invrijheidstelling, een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering toe op de hierna bepaalde wijze en onder de hierna bepaalde voorwaarden. ]1
Art. 98/6. [1 Le présent chapitre s'applique au condamné à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie exécutoire est inférieure ou égale à trois ans, mais supérieure ou égale à six mois, à l'égard duquel les dispositions de la présente loi ne s'appliquent pas conformément à l'article 109/1.
Le juge de l'application des peines octroie au condamné visé à l'alinéa 1er une détention limitée, une surveillance électronique, une libération conditionnelle, une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou une mise en liberté provisoire en vue de la remise sous la forme et aux conditions précisées ci-après. ]1
Le juge de l'application des peines octroie au condamné visé à l'alinéa 1er une détention limitée, une surveillance électronique, une libération conditionnelle, une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire ou une mise en liberté provisoire en vue de la remise sous la forme et aux conditions précisées ci-après. ]1
Modifications
Afdeling II. [1 Strafuitvoeringsmodaliteiten ]1
Section II. [1 Modalités d'exécution de la peine ]1
Art. 98/7. [1 De beperkte detentie is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf die de veroordeelde toelaat om op regelmatige wijze de strafinrichting te verlaten voor een bepaalde duur van maximum zestien uur per dag.
De beperkte detentie kan aan de veroordeelde worden toegekend om professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen. ]1
De beperkte detentie kan aan de veroordeelde worden toegekend om professionele, opleidings- of familiale belangen te behartigen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen. ]1
Art. 98/7. [1 La détention limitée est un mode d'exécution de la peine privative de liberté qui permet au condamné de quitter, de manière régulière, l'établissement pénitentiaire pour une durée déterminée de maximum seize heures par jour.
La détention limitée peut être octroyée au condamné afin de défendre des intérêts professionnels, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de la prison. ]1
La détention limitée peut être octroyée au condamné afin de défendre des intérêts professionnels, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de la prison. ]1
Modifications
Art. 98/8. [1 Het elektronisch toezicht is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde het geheel of een gedeelte van zijn vrijheidsstraf buiten de gevangenis ondergaat volgens een bepaald uitvoeringsplan, waarvan de naleving onder meer door elektronische middelen wordt gecontroleerd. ]1
Art. 98/8. [1 La surveillance électronique est un mode d'exécution de la peine privative de liberté par lequel le condamné subit l'ensemble ou une partie de sa peine privative de liberté en dehors de la prison selon un plan d'exécution déterminé, dont le respect est contrôlé notamment par des moyens électroniques. ]1
Modifications
Art. 98/9. [1 § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden toegekend aan de veroordeelde die zich, op zes maanden na, in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling en indien hij voldoet aan de in artikel 98/13 bedoelde voorwaarden.
§ 2. Drie maanden voordat de veroordeelde zich in de bij paragraaf 1 bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt of, indien deze termijn niet gerespecteerd kan worden, onmiddellijk, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht.
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht indienen, overeenkomstig artikel 98/14. ]1
§ 2. Drie maanden voordat de veroordeelde zich in de bij paragraaf 1 bepaalde tijdsvoorwaarde bevindt of, indien deze termijn niet gerespecteerd kan worden, onmiddellijk, licht de directeur hem schriftelijk in over de mogelijkheid tot het aanvragen van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht.
De veroordeelde kan vanaf dat moment een schriftelijk verzoek tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht indienen, overeenkomstig artikel 98/14. ]1
Art. 98/9. [1 § 1er. La détention limitée et la surveillance électronique sont octroyées au condamné qui se trouve, à six mois près, dans les conditions de temps pour l'octroi de la libération conditionnelle et qui satisfait aux conditions visées à l'article 98/13.
§ 2. Trois mois avant que le condamné ne se trouve dans la condition de temps prévue au paragraphe 1er ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté, le directeur l'informe par écrit de la possibilité de demander une détention limitée ou une surveillance électronique.
Le condamné peut dès ce moment introduire une demande écrite d'octroi de détention limitée ou de surveillance électronique, conformément à l'article 98/14. ]1
§ 2. Trois mois avant que le condamné ne se trouve dans la condition de temps prévue au paragraphe 1er ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté, le directeur l'informe par écrit de la possibilité de demander une détention limitée ou une surveillance électronique.
Le condamné peut dès ce moment introduire une demande écrite d'octroi de détention limitée ou de surveillance électronique, conformément à l'article 98/14. ]1
Modifications
Art. 98/10. [1 De voorwaardelijke invrijheidstelling is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf waardoor de veroordeelde zijn straf ondergaat buiten de gevangenis, mits naleving van de voorwaarden die hem gedurende een bepaalde proeftijd worden opgelegd.
De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan de veroordeelde die een derde van zijn straffen heeft ondergaan en die voldoet aan de in artikel 98/13 bedoelde voorwaarden. ]1
De voorwaardelijke invrijheidstelling wordt toegekend aan de veroordeelde die een derde van zijn straffen heeft ondergaan en die voldoet aan de in artikel 98/13 bedoelde voorwaarden. ]1
Art. 98/10. [1 La libération conditionnelle est un mode d'exécution de la peine privative de liberté par lequel le condamné subit sa peine en dehors de la prison, moyennant le respect des conditions qui lui sont imposées pendant un délai d'épreuve déterminé.
La libération conditionnelle est octroyée au condamné qui a subi un tiers de ses peines et qui satisfait aux conditions visées à l'article 98/13. ]1
La libération conditionnelle est octroyée au condamné qui a subi un tiers de ses peines et qui satisfait aux conditions visées à l'article 98/13. ]1
Modifications
Art. 98/11. [1 De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied is een wijze van uitvoering van de vrijheidsstraf die wordt toegekend aan de veroordeelde, van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, mits naleving van de voorwaarde het grondgebied effectief te verlaten en met het verbod om tijdens een bepaalde proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter.
De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt toegekend aan de veroordeelde die, op zes maanden na, een derde van zijn straffen heeft ondergaan en die voldoet aan de in artikel 98/13 bedoelde voorwaarden. ]1
De voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt toegekend aan de veroordeelde die, op zes maanden na, een derde van zijn straffen heeft ondergaan en die voldoet aan de in artikel 98/13 bedoelde voorwaarden. ]1
Art. 98/11. [1 La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire est un mode d'exécution de la peine privative de liberté octroyé au condamné à l'égard duquel il ressort, en vertu d'un avis de l'Office des Etrangers, qu'il n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume, moyennant le respect de la condition de quitter effectivement le territoire et de l'interdiction de revenir en Belgique pendant un délai d'épreuve déterminé sans être en règle avec la législation et la réglementation concernant l'accès au territoire, le séjour ou l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable du juge de l'application des peines.
La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire est octroyée au condamné qui, à six mois près, a subi un tiers de ses peines et qui satisfait aux conditions visées à l'article 98/13.]1
La mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire est octroyée au condamné qui, à six mois près, a subi un tiers de ses peines et qui satisfait aux conditions visées à l'article 98/13.]1
Modifications
Art. 98/12. [1 De voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt toegestaan aan de veroordeelde die op grond van een uitvoerbaar vonnis of een uitvoerbare titel overgebracht dient te worden naar een ander land.
De voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde die een derde van zijn straffen heeft ondergaan en die voldoet aan de in artikel 98/13 bedoelde voorwaarden. ]1
De voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt toegekend aan de veroordeelde die een derde van zijn straffen heeft ondergaan en die voldoet aan de in artikel 98/13 bedoelde voorwaarden. ]1
Art. 98/12. [1 La mise en liberté provisoire en vue de la remise est accordée au condamné qui, sur la base d'un jugement exécutoire ou d'un titre exécutoire, doit être transféré dans un autre pays.
La mise en liberté provisoire en vue de la remise est octroyée au condamné qui a subi un tiers de ses peines et qui satisfait aux conditions visées à l'article 98/13. ]1
La mise en liberté provisoire en vue de la remise est octroyée au condamné qui a subi un tiers de ses peines et qui satisfait aux conditions visées à l'article 98/13. ]1
Modifications
Afdeling III. [1 De toekenningsvoorwaarden en -procedure ]1
Section III. [1 Conditions et procédure d'octroi ]1
Art. 98/13. [1 De strafuitvoeringsrechter kent de in afdeling II bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten toe op voorwaarde dat de veroordeelde beschikt over een verblijfplaats en voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden bestaat waaraan niet tegemoet kan worden gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
De voorwaarde om over een verblijfplaats te beschikken is niet van toepassing op de beperkte detentie, de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering.
Onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16.
Een elektronisch toezicht kan slechts worden toegekend aan de veroordeelde van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, voor zover op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken, dat moet verleend worden binnen tien dagen na kennisgeving door de directeur, blijkt dat die veroordeelde niet onmiddellijk kan worden verwijderd of overgebracht naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. ]1
De voorwaarde om over een verblijfplaats te beschikken is niet van toepassing op de beperkte detentie, de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering.
Onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16.
Een elektronisch toezicht kan slechts worden toegekend aan de veroordeelde van wie op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk, voor zover op grond van een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken, dat moet verleend worden binnen tien dagen na kennisgeving door de directeur, blijkt dat die veroordeelde niet onmiddellijk kan worden verwijderd of overgebracht naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. ]1
Art. 98/13. [1 Le juge de l'application des peines octroie les modalités de la peine visées à la section II à condition que le condamné ait un lieu de résidence et pour autant qu'il n'y ait pas dans le chef du condamné de risque directement observable pour l'intégrité physique de tiers auquel la fixation de conditions particulières ne puisse répondre.
La condition relative à la disposition d'un lieu de résidence ne s'applique pas à la détention limitée, à la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire et à la mise en liberté provisoire en vue de la remise.
Par risque directement observable pour l'intégrité physique des tiers, on entend un risque qui ressort à première vue du comportement actuel du condamné ou des pièces du dossier visées à l'article 98/16.
Une surveillance électronique ne peut être accordée au condamné pour qui il ressort d'un avis de l'Office des Etrangers qu'il n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume, que dans la mesure où, sur la base d'un avis de l'Office des Etrangers, qui est à rendre dans les dix jours suivant la notification par le directeur, il apparaît que ce condamné ne peut être immédiatement éloigné ou transféré dans un lieu relevant de la compétence du ministre chargé de l'entrée, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers. ]1
La condition relative à la disposition d'un lieu de résidence ne s'applique pas à la détention limitée, à la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire et à la mise en liberté provisoire en vue de la remise.
Par risque directement observable pour l'intégrité physique des tiers, on entend un risque qui ressort à première vue du comportement actuel du condamné ou des pièces du dossier visées à l'article 98/16.
Une surveillance électronique ne peut être accordée au condamné pour qui il ressort d'un avis de l'Office des Etrangers qu'il n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume, que dans la mesure où, sur la base d'un avis de l'Office des Etrangers, qui est à rendre dans les dix jours suivant la notification par le directeur, il apparaît que ce condamné ne peut être immédiatement éloigné ou transféré dans un lieu relevant de la compétence du ministre chargé de l'entrée, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers. ]1
Modifications
Art. 98/14. [1 § 1. De beperkte detentie en het elektronisch toezicht worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter op schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
§ 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
Indien het een verzoek tot elektronisch toezicht betreft en de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in de artikelen 405ter, 409, 417/2 tot 417/4, 417/16 tot 417/19, 417/24 tot 417/28, 417/33, 417/34, 417/41, 417/43 tot 417/47, 425 tot 427 en 433septies van het Strafwetboek of voor feiten die gepleegd zijn in een context van intrafamiliaal geweld, vraagt de directeur aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen om een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht zal plaatsvinden, tenzij dat in het concrete geval niet nuttig blijkt.
§ 3. De directeur brengt een advies uit binnen een maand na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. Artikel 98/16 is van toepassing. ]1
§ 2. Het schriftelijk verzoek wordt ingediend op de griffie van de gevangenis.
De griffie van de gevangenis zendt het schriftelijk verzoek binnen vierentwintig uur over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en bezorgt een afschrift aan de directeur.
Indien het een verzoek tot elektronisch toezicht betreft en de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten bedoeld in de artikelen 405ter, 409, 417/2 tot 417/4, 417/16 tot 417/19, 417/24 tot 417/28, 417/33, 417/34, 417/41, 417/43 tot 417/47, 425 tot 427 en 433septies van het Strafwetboek of voor feiten die gepleegd zijn in een context van intrafamiliaal geweld, vraagt de directeur aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen om een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht zal plaatsvinden, tenzij dat in het concrete geval niet nuttig blijkt.
§ 3. De directeur brengt een advies uit binnen een maand na de ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek. Artikel 98/16 is van toepassing. ]1
Art. 98/14. [1 . § 1er. La détention limitée et la surveillance électronique sont octroyées par le juge de l'application des peines à la demande écrite du condamné.
§ 2. La demande écrite est introduite au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.
S'il s'agit d'une demande de surveillance électronique et que le condamné subit une peine pour des faits visés par les articles 405ter, 409, 417/2 à 417/4, 417/16 à 417/19, 417/24 à 417/28, 417/33, 417/34, 417/41, 417/43 à 417/47, 425 à 427 et 433septies du Code pénal ou pour des faits commis dans un contexte de violences intrafamiliales, le directeur demande au service compétent des communautés de procéder à une enquête sociale en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où se déroulera la surveillance électronique, sauf si cela s'avère inutile dans le cas concret.
§ 3. Le directeur rend un avis dans le mois de la réception de la copie de la demande écrite. L'article 98/16 s'applique. ]1
§ 2. La demande écrite est introduite au greffe de la prison.
Le greffe de la prison transmet la demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines dans les vingt-quatre heures et en remet une copie au directeur.
S'il s'agit d'une demande de surveillance électronique et que le condamné subit une peine pour des faits visés par les articles 405ter, 409, 417/2 à 417/4, 417/16 à 417/19, 417/24 à 417/28, 417/33, 417/34, 417/41, 417/43 à 417/47, 425 à 427 et 433septies du Code pénal ou pour des faits commis dans un contexte de violences intrafamiliales, le directeur demande au service compétent des communautés de procéder à une enquête sociale en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où se déroulera la surveillance électronique, sauf si cela s'avère inutile dans le cas concret.
§ 3. Le directeur rend un avis dans le mois de la réception de la copie de la demande écrite. L'article 98/16 s'applique. ]1
Modifications
Art. 98/15. [1 . De voorwaardelijke invrijheidstelling, de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering worden toegekend door de strafuitvoeringsrechter op ambtshalve advies van de directeur.
De directeur brengt een advies uit ten laatste twee maanden voor de veroordeelde zich naargelang het geval in de bij artikel 98/10, tweede lid, 98/11, tweede lid, of 98/12, tweede lid, bepaalde tijdsvoorwaarden bevindt of, indien deze termijn niet gerespecteerd kan worden, onmiddellijk. Artikel 98/16 is van toepassing.
Indien het advies betrekking heeft op een voorwaardelijke invrijheidstelling en de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten van intrafamiliaal geweld, vraagt de directeur aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen om een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar de voorwaardelijke invrijheidstelling zal plaatsvinden, tenzij dat in het concrete geval niet nuttig blijk ]1
De directeur brengt een advies uit ten laatste twee maanden voor de veroordeelde zich naargelang het geval in de bij artikel 98/10, tweede lid, 98/11, tweede lid, of 98/12, tweede lid, bepaalde tijdsvoorwaarden bevindt of, indien deze termijn niet gerespecteerd kan worden, onmiddellijk. Artikel 98/16 is van toepassing.
Indien het advies betrekking heeft op een voorwaardelijke invrijheidstelling en de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten van intrafamiliaal geweld, vraagt de directeur aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen om een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar de voorwaardelijke invrijheidstelling zal plaatsvinden, tenzij dat in het concrete geval niet nuttig blijk ]1
Art. 98/15. [1 La libération conditionnelle, la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire et la mise en liberté provisoire en vue de la remise sont accordées par le juge de l'application des peines sur avis d'office du directeur.
Le directeur rend un avis au plus tard deux mois avant que le condamné satisfasse, selon le cas, aux conditions de temps prévues aux articles 98/10, alinéa 2, 98/11, alinéa 2, ou 98/12, alinéa 2, ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté. L'article 98/16 s'applique.
Si l'avis concerne une libération conditionnelle et que le condamné subit une peine pour des faits de violence intrafamiliale, le directeur demande au service compétent des communautés de procéder à une enquête sociale en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où se déroulera la libération conditionnelle, sauf si cela s'avère inutile dans le cas concret. ]1
Le directeur rend un avis au plus tard deux mois avant que le condamné satisfasse, selon le cas, aux conditions de temps prévues aux articles 98/10, alinéa 2, 98/11, alinéa 2, ou 98/12, alinéa 2, ou immédiatement si ce délai ne peut être respecté. L'article 98/16 s'applique.
Si l'avis concerne une libération conditionnelle et que le condamné subit une peine pour des faits de violence intrafamiliale, le directeur demande au service compétent des communautés de procéder à une enquête sociale en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où se déroulera la libération conditionnelle, sauf si cela s'avère inutile dans le cas concret. ]1
Modifications
Art. 98/16. [1 . De directeur hoort de veroordeelde en stelt een dossier samen. Dit dossier omvat:
1° een afschrift van de opsluitingsfiche, met vermelding van de toelaatbaarheidsdatum van de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit;
2° het advies van de directeur dat volgende elementen omvat:
a) indien de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit een elektronisch toezicht betreft: informatie over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht en het akkoord van de meerderjarige huisgenoten op die plaats en, indien het verzoek uitgaat van een veroordeelde zonder recht op verblijf: een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken waarin wordt aangegeven of de veroordeelde onmiddellijk kan worden verwijderd of overgebracht kan worden naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
b) indien de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit een beperkte detentie betreft: precieze informatie omtrent de professionele, opleidings- of familiale belangen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen;
c) indien de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit een voorwaardelijke invrijheidstelling betreft: informatie omtrent het voorgestelde verblijfsadres;
d) in voorkomend geval, de maatschappelijke enquête bedoeld in de artikelen 98/14, § 2, derde lid, en 98/15, derde lid;
e) de elementen die de directeur relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden;
f) een voorstel tot toekenning of afwijzing en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
De griffie van de gevangenis zendt het dossier over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en deelt een afschrift ervan mee aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank voegt aan het dossier een geactualiseerd afschrift toe van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling, alsook, in voorkomend geval, een afschrift van de slachtofferfiches. ]1
1° een afschrift van de opsluitingsfiche, met vermelding van de toelaatbaarheidsdatum van de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit;
2° het advies van de directeur dat volgende elementen omvat:
a) indien de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit een elektronisch toezicht betreft: informatie over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht en het akkoord van de meerderjarige huisgenoten op die plaats en, indien het verzoek uitgaat van een veroordeelde zonder recht op verblijf: een advies van de Dienst Vreemdelingenzaken waarin wordt aangegeven of de veroordeelde onmiddellijk kan worden verwijderd of overgebracht kan worden naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
b) indien de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit een beperkte detentie betreft: precieze informatie omtrent de professionele, opleidings- of familiale belangen die zijn aanwezigheid buiten de gevangenis vereisen;
c) indien de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit een voorwaardelijke invrijheidstelling betreft: informatie omtrent het voorgestelde verblijfsadres;
d) in voorkomend geval, de maatschappelijke enquête bedoeld in de artikelen 98/14, § 2, derde lid, en 98/15, derde lid;
e) de elementen die de directeur relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden;
f) een voorstel tot toekenning of afwijzing en, in voorkomend geval, de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
De griffie van de gevangenis zendt het dossier over aan de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank en deelt een afschrift ervan mee aan het openbaar ministerie en aan de veroordeelde.
De griffie van de strafuitvoeringsrechtbank voegt aan het dossier een geactualiseerd afschrift toe van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling, alsook, in voorkomend geval, een afschrift van de slachtofferfiches. ]1
Art. 98/16. [1 Le directeur entend le condamné et constitue un dossier. Ce dossier contient:
1° une copie de la fiche d'écrou, mentionnant la date d'admissibilité à la modalité d'exécution de la peine à apprécier;
2° l'avis du directeur qui contient les éléments suivants:
a) si la modalité d'exécution de la peine à apprécier concerne une surveillance électronique: des informations sur l'endroit où la surveillance électronique se déroulera et l'accord des cohabitants majeurs de cet endroit et, si la demande émane d'un condamné sans droit de séjour: un avis de l'Office des Etrangers indiquant si le condamné peut être immédiatement éloigné ou transféré dans un lieu relevant de la compétence du ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers;
b) si la modalité d'exécution de la peine à apprécier concerne une détention limitée: des informations précises sur les intérêts d'ordre professionnel, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de la prison;
c) si la modalité d'exécution de la peine à apprécier concerne une libération conditionnelle: des informations concernant l'adresse de séjour proposée;
d) le cas échéant, l'enquête sociale visée aux articles 98/14, § 2, alinéa 3, et 98/15, alinéa 3;
e) les éléments que le directeur estime pertinents pour évaluer le risque directement observable pour l'intégrité physique de tiers;
f) une proposition d'octroi ou de refus et, le cas échéant, les conditions particulières qu'il estime nécessaires pour limiter le risque de récidive ou qui sont nécessaires dans l'intérêt de la victime.
Le greffe de la prison transmet le dossier au greffe du tribunal de l'application des peines et en communique une copie au ministère public et au condamné.
Le greffe du tribunal de l'application des peines joint au dossier une copie actualisée du casier judiciaire, une copie des jugements et des arrêts de condamnation ainsi que, le cas échéant, une copie des fiches victime. ]1
1° une copie de la fiche d'écrou, mentionnant la date d'admissibilité à la modalité d'exécution de la peine à apprécier;
2° l'avis du directeur qui contient les éléments suivants:
a) si la modalité d'exécution de la peine à apprécier concerne une surveillance électronique: des informations sur l'endroit où la surveillance électronique se déroulera et l'accord des cohabitants majeurs de cet endroit et, si la demande émane d'un condamné sans droit de séjour: un avis de l'Office des Etrangers indiquant si le condamné peut être immédiatement éloigné ou transféré dans un lieu relevant de la compétence du ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement d'étrangers;
b) si la modalité d'exécution de la peine à apprécier concerne une détention limitée: des informations précises sur les intérêts d'ordre professionnel, de formation ou familiaux qui requièrent sa présence hors de la prison;
c) si la modalité d'exécution de la peine à apprécier concerne une libération conditionnelle: des informations concernant l'adresse de séjour proposée;
d) le cas échéant, l'enquête sociale visée aux articles 98/14, § 2, alinéa 3, et 98/15, alinéa 3;
e) les éléments que le directeur estime pertinents pour évaluer le risque directement observable pour l'intégrité physique de tiers;
f) une proposition d'octroi ou de refus et, le cas échéant, les conditions particulières qu'il estime nécessaires pour limiter le risque de récidive ou qui sont nécessaires dans l'intérêt de la victime.
Le greffe de la prison transmet le dossier au greffe du tribunal de l'application des peines et en communique une copie au ministère public et au condamné.
Le greffe du tribunal de l'application des peines joint au dossier une copie actualisée du casier judiciaire, une copie des jugements et des arrêts de condamnation ainsi que, le cas échéant, une copie des fiches victime. ]1
Modifications
Art. 98/17. [1 . Indien de directeur een voorstel tot toekenning van een elektronisch toezicht of, ingeval de veroordeelde zijn straf in de gevangenis ondergaat, tot een voorwaardelijke invrijheidstelling heeft geformuleerd en voor zover de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning ervan, wordt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf per aangevraagde strafuitvoeringsmodaliteit eenmalig van rechtswege opgeschort. De griffie van de gevangenis brengt dit onmiddellijk ter kennis van het openbaar ministerie en van de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank.
Deze opschorting neemt van rechtswege een einde vanaf de dag dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of, in geval van toekenning van een elektronisch toezicht, op het ogenblik van de effectieve plaatsing onder elektronisch toezicht. De verjaring van de in het verzoek vervatte straffen loopt niet tijdens deze periode van opschorting.
Tijdens de opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt of het openbaar ministerie, de opsluiting van de veroordeelde bevelen indien deze de fysieke integriteit van derden ernstig in gevaar brengt of wanneer er een gevaar bestaat dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken. Deze beslissing wordt onmiddellijk meegedeeld aan de veroordeelde, de strafuitvoeringsrechter en de directeur. De opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf neemt hierdoor een einde. ]1
Deze opschorting neemt van rechtswege een einde vanaf de dag dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan of, in geval van toekenning van een elektronisch toezicht, op het ogenblik van de effectieve plaatsing onder elektronisch toezicht. De verjaring van de in het verzoek vervatte straffen loopt niet tijdens deze periode van opschorting.
Tijdens de opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt of het openbaar ministerie, de opsluiting van de veroordeelde bevelen indien deze de fysieke integriteit van derden ernstig in gevaar brengt of wanneer er een gevaar bestaat dat de veroordeelde zich aan de uitvoering van zijn straf zou onttrekken. Deze beslissing wordt onmiddellijk meegedeeld aan de veroordeelde, de strafuitvoeringsrechter en de directeur. De opschorting van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf neemt hierdoor een einde. ]1
Art. 98/17. [1 Si le directeur a formulé une proposition d'octroi d'une surveillance électronique ou, au cas où le condamné subit sa peine en prison, d'une libération conditionnelle et pour autant que le condamné se trouve dans les conditions de temps pour son octroi, l'exécution de la peine privative de liberté est suspendue de plein droit une seule fois par modalité d'exécution de la peine demandée. Le greffe de la prison en informe immédiatement le ministère public et le greffe du tribunal de l'application des peines.
Cette suspension prend fin de plein droit à partir du jour où le jugement est passé en force de chose jugée ou, en cas d'octroi d'une surveillance électronique, au moment du placement effectif sous surveillance électronique. La prescription des peines contenues dans la demande ne court pas durant cette période de suspension.
Durant la suspension de l'exécution de la peine privative de liberté, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve ou le ministère public peut ordonner l'incarcération du condamné si celui-ci met gravement en péril l'intégrité physique de tiers ou s'il existe un risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine. Cette décision est communiquée sans délai au condamné, au juge du tribunal de l'application des peines et au directeur. La suspension de l'exécution de la peine privative de liberté prend ce faisant fin. ]1
Cette suspension prend fin de plein droit à partir du jour où le jugement est passé en force de chose jugée ou, en cas d'octroi d'une surveillance électronique, au moment du placement effectif sous surveillance électronique. La prescription des peines contenues dans la demande ne court pas durant cette période de suspension.
Durant la suspension de l'exécution de la peine privative de liberté, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve ou le ministère public peut ordonner l'incarcération du condamné si celui-ci met gravement en péril l'intégrité physique de tiers ou s'il existe un risque que le condamné se soustraie à l'exécution de sa peine. Cette décision est communiquée sans délai au condamné, au juge du tribunal de l'application des peines et au directeur. La suspension de l'exécution de la peine privative de liberté prend ce faisant fin. ]1
Modifications
Art. 98/18. [1 . In de gevallen waarin het openbaar ministerie dit nodig acht en waarover het College van procureurs-generaal richtlijnen kan uitvaardigen, stelt het openbaar ministerie een advies op omtrent het bestaan van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden en zendt het, binnen vijf werkdagen na de ontvangst van het afschrift van het advies van de directeur, over aan de strafuitvoeringsrechter en bezorgt hiervan een afschrift aan de veroordeelde en aan de directeur. ]1
Art. 98/18. [1 Dans les cas où le ministère public l'estime utile et pour lesquels le Collège des procureurs généraux peut édicter des directives, le ministère public rédige un avis quant à l'existence d'un risque directement observable pour l'intégrité physique de tiers et le transmet au juge de l'application des peines, dans les cinq jours ouvrables à compter de la réception de la copie de l'avis du directeur, et en communique une copie au condamné et au directeur. ]1
Modifications
Art. 98/19. [1 De strafuitvoeringsrechter doet uitspraak binnen de maand na de ontvangst van het dossier van de directeur bedoeld in artikel 98/16, eerste lid, en ten vroegste na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie of na het verstrijken van de adviestermijn van het openbaar ministerie.
Ingeval de aanvraag betrekking heeft op een voorwaardelijke invrijheidstelling en de veroordeelde een straf ondergaat voor:
- feiten bedoeld in de artikelen 393 tot 397, 399 tot 405quater, 409, 410 tot 410ter, 417/2, 417/3, 468 tot 476 en 477bis tot 477sexies van het Strafwetboek;
- feiten van invoer, uitvoer, doorvoer en vervoer bedoeld in artikel 2bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, of feiten bedoeld in de artikelen 278 tot 280, 324ter, 349, 352, 419, 420, 428, 429 en 433septies van het Strafwetboek, voor zover deze gepleegd zijn in combinatie met een van de feiten bedoeld in het eerste streepje;
kan de strafuitvoeringsrechter die oordeelt dat het dossier niet in staat is, bijkomende informatie vragen of aan de bevoegde diensten van de gemeenschappen overeenkomstig artikel 34, § 2, tweede lid, de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar de voorwaardelijke invrijheidstelling zal plaatsvinden. In dat geval kan de termijn van een maand bedoeld in paragraaf 1 eenmaal met maximaal een maand worden verlengd. De strafuitvoeringsrechter deelt de verlenging van de termijn onverwijld mee aan het openbaar ministerie, aan de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is, en aan de veroordeelde en verzoekt de veroordeelde of, in voorkomend geval, de directeur om binnen veertien dagen de nodige informatie schriftelijk mee te delen. ]1
Ingeval de aanvraag betrekking heeft op een voorwaardelijke invrijheidstelling en de veroordeelde een straf ondergaat voor:
- feiten bedoeld in de artikelen 393 tot 397, 399 tot 405quater, 409, 410 tot 410ter, 417/2, 417/3, 468 tot 476 en 477bis tot 477sexies van het Strafwetboek;
- feiten van invoer, uitvoer, doorvoer en vervoer bedoeld in artikel 2bis van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, of feiten bedoeld in de artikelen 278 tot 280, 324ter, 349, 352, 419, 420, 428, 429 en 433septies van het Strafwetboek, voor zover deze gepleegd zijn in combinatie met een van de feiten bedoeld in het eerste streepje;
kan de strafuitvoeringsrechter die oordeelt dat het dossier niet in staat is, bijkomende informatie vragen of aan de bevoegde diensten van de gemeenschappen overeenkomstig artikel 34, § 2, tweede lid, de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag op te stellen of een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar de voorwaardelijke invrijheidstelling zal plaatsvinden. In dat geval kan de termijn van een maand bedoeld in paragraaf 1 eenmaal met maximaal een maand worden verlengd. De strafuitvoeringsrechter deelt de verlenging van de termijn onverwijld mee aan het openbaar ministerie, aan de directeur indien de veroordeelde gedetineerd is, en aan de veroordeelde en verzoekt de veroordeelde of, in voorkomend geval, de directeur om binnen veertien dagen de nodige informatie schriftelijk mee te delen. ]1
Art. 98/19. [1 Le juge de l'application des peines statue dans le mois de la réception du dossier du directeur visé à l'article 98/16, alinéa 1er, et, au plus tôt, après réception de l'avis du ministère public ou après expiration du délai imparti au ministère public pour communiquer son avis.
Dans le cas où la demande porte sur une libération conditionnelle et le condamné subit une peine pour:
- des faits visés aux articles 393 à 397, 399 à 405quater, 409, 410 à 410ter, 417/2, 417/3, 468 à 476 et 477bis à 477sexies, du Code pénal;
- des faits d'importation, d'exportation, de transit et de transport visés à l'article 2bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes, ou des faits visés dans les articles 278 à 280, 324ter, 349, 352, 419, 420, 428, 429 et 433septies du Code pénal pour autant que ces faits ont été commis en combinaison avec un des faits visés par le premier tiret;
le juge de l'application des peines qui estime que le dossier n'est pas en état peut demander des informations complémentaires ou charger le service compétent des communautés conformément à l'article 34, § 2, alinéa 2, de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où la libération conditionnelle se déroulera. Dans ce cas, le délai d'un mois visé au paragraphe 1er peut être prolongé une fois d'un mois au maximum. Le juge de l'application des peines notifie immédiatement la prolongation du délai au ministère public, au directeur si le condamné est en détention, et au condamné et invite ce dernier ou, le cas échéant, le directeur à communiquer par écrit les informations nécessaires dans les quatorze jours. ]1
Dans le cas où la demande porte sur une libération conditionnelle et le condamné subit une peine pour:
- des faits visés aux articles 393 à 397, 399 à 405quater, 409, 410 à 410ter, 417/2, 417/3, 468 à 476 et 477bis à 477sexies, du Code pénal;
- des faits d'importation, d'exportation, de transit et de transport visés à l'article 2bis de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes, ou des faits visés dans les articles 278 à 280, 324ter, 349, 352, 419, 420, 428, 429 et 433septies du Code pénal pour autant que ces faits ont été commis en combinaison avec un des faits visés par le premier tiret;
le juge de l'application des peines qui estime que le dossier n'est pas en état peut demander des informations complémentaires ou charger le service compétent des communautés conformément à l'article 34, § 2, alinéa 2, de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale, en vue d'obtenir les informations nécessaires sur le milieu d'accueil où la libération conditionnelle se déroulera. Dans ce cas, le délai d'un mois visé au paragraphe 1er peut être prolongé une fois d'un mois au maximum. Le juge de l'application des peines notifie immédiatement la prolongation du délai au ministère public, au directeur si le condamné est en détention, et au condamné et invite ce dernier ou, le cas échéant, le directeur à communiquer par écrit les informations nécessaires dans les quatorze jours. ]1
Modifications
Afdeling IV. [1 De beslissing van de strafuitvoeringsrechter ]1
Section IV. [1 De la décision du juge de l'application des peines ]1
Art. 98/20. [1 De strafuitvoeringsrechter die de toelaatbaarheidsdatum bedoeld in artikel 98/16, eerste lid, 1°, niet betwist, kent de strafuitvoeringsmodaliteit toe behalve wanneer hij vaststelt dat de voorwaarden bedoeld in artikel 98/13 niet zijn vervuld.
Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie, een elektronisch toezicht of een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit.
Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt uitvoerbaar op het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt.
Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt uitvoerbaar op het ogenblik van de effectieve verwijdering of de overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en dit ten vroegste de dag dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor deze strafuitvoeringsmodaliteit en ten laatste twintig dagen nadat de veroordeelde een derde van zijn straffen heeft ondergaan of, indien hij op het ogenblik van de toekenning reeds een derde van de straffen heeft ondergaan, twintig dagen na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis. Indien de verwijdering of de overbrenging niet heeft plaatsgevonden bij het verstrijken van de uiterste datum van uitvoerbaarheid, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld. ]1
Het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie, een elektronisch toezicht of een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitvoerbaar vanaf de dag dat het in kracht van gewijsde is gegaan en ten vroegste vanaf het ogenblik dat de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit.
Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op overlevering wordt uitvoerbaar op het ogenblik dat de overlevering plaatsvindt.
Het vonnis tot toekenning van een voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied wordt uitvoerbaar op het ogenblik van de effectieve verwijdering of de overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en dit ten vroegste de dag dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en de veroordeelde zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor deze strafuitvoeringsmodaliteit en ten laatste twintig dagen nadat de veroordeelde een derde van zijn straffen heeft ondergaan of, indien hij op het ogenblik van de toekenning reeds een derde van de straffen heeft ondergaan, twintig dagen na het in kracht van gewijsde treden van het vonnis. Indien de verwijdering of de overbrenging niet heeft plaatsgevonden bij het verstrijken van de uiterste datum van uitvoerbaarheid, wordt de veroordeelde in vrijheid gesteld. ]1
Art. 98/20. [1 Le juge de l'application des peines qui ne conteste pas la date d'admissibilité visée à l'article 98/16, alinéa 1er, 1°, octroie la modalité d'exécution de la peine, sauf s'il constate que les conditions visées à l'article 98/13 ne sont pas remplies.
Le jugement d'octroi d'une détention limitée, d'une surveillance électronique ou d'une libération conditionnelle est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée et au plus tôt à partir du moment où le condamné répond aux conditions de temps pour la modalité d'exécution de la peine accordée.
Le jugement d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de la remise devient exécutoire au moment de la remise.
Le jugement d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif ou du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, et ce, au plus tôt le jour où le jugement est passé en force de chose jugée et où le condamné répond aux conditions de temps pour cette modalité d'exécution de la peine et au plus tard vingt jours après que le condamné a subi un tiers des peines ou, s'il a déjà subi un tiers de ses peines au moment de l'octroi, vingt jours après que le jugement est passé en force de chose jugée. Si l'éloignement ou le transfert ne s'est pas produit à l'expiration du délai d'exécutabilité, le condamné est remis en liberté. ]1
Le jugement d'octroi d'une détention limitée, d'une surveillance électronique ou d'une libération conditionnelle est exécutoire à partir du jour où il est passé en force de chose jugée et au plus tôt à partir du moment où le condamné répond aux conditions de temps pour la modalité d'exécution de la peine accordée.
Le jugement d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de la remise devient exécutoire au moment de la remise.
Le jugement d'octroi d'une mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire devient exécutoire au moment de l'éloignement effectif ou du transfert vers un lieu qui relève de la compétence du ministre compétent pour l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, et ce, au plus tôt le jour où le jugement est passé en force de chose jugée et où le condamné répond aux conditions de temps pour cette modalité d'exécution de la peine et au plus tard vingt jours après que le condamné a subi un tiers des peines ou, s'il a déjà subi un tiers de ses peines au moment de l'octroi, vingt jours après que le jugement est passé en force de chose jugée. Si l'éloignement ou le transfert ne s'est pas produit à l'expiration du délai d'exécutabilité, le condamné est remis en liberté. ]1
Modifications
Art. 98/21. [1 Het vonnis tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit bepaalt dat de veroordeelde onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden:
1° geen strafbare feiten plegen;
2° de slachtoffers niet lastigvallen;
3° voor het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling, een verblijfplaats hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;
4° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;
5° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter." ]1
1° geen strafbare feiten plegen;
2° de slachtoffers niet lastigvallen;
3° voor het elektronisch toezicht en de voorwaardelijke invrijheidstelling, een verblijfplaats hebben en, bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, ook aan de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;
4° gevolg geven aan de oproepingen van het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, van de bevoegde dienst van de gemeenschappen die met de begeleiding is belast;
5° voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied, de verplichting om het grondgebied effectief te verlaten en het verbod om tijdens de proeftijd terug te keren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en de reglementering betreffende de toegang, het verblijf of de vestiging in het Rijk en zonder de voorafgaande toelating van de strafuitvoeringsrechter." ]1
Art. 98/21. [1 Le jugement d'octroi de la modalité d'exécution de la peine détermine que le condamné est soumis aux conditions générales suivantes:
1° ne pas commettre d'infractions;
2° ne pas importuner les victimes;
3° pour la surveillance électronique et la libération conditionnelle, avoir une résidence et, en cas de changement, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, également au service compétent des communautés chargé de la guidance;
4° donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, du service compétent des communautés chargé de la guidance;
5° pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, l'obligation de quitter effectivement le territoire et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable du juge de l'application des peines. ]1
1° ne pas commettre d'infractions;
2° ne pas importuner les victimes;
3° pour la surveillance électronique et la libération conditionnelle, avoir une résidence et, en cas de changement, communiquer sans délai l'adresse de sa nouvelle résidence au ministère public et, le cas échéant, également au service compétent des communautés chargé de la guidance;
4° donner suite aux convocations du ministère public et, le cas échéant, du service compétent des communautés chargé de la guidance;
5° pour la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire, l'obligation de quitter effectivement le territoire et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume et sans l'autorisation préalable du juge de l'application des peines. ]1
Modifications
Art. 98/22. [1 § 1. De strafuitvoeringsrechter kan de veroordeelde aan geïndividualiseerde bijzondere voorwaarden onderwerpen indien deze absoluut noodzakelijk zijn om het risico op recidive te beperken of indien deze noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer.
§ 2. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de maximale periode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat. ]1
§ 2. Ingeval het een toekenning van een voorwaardelijke invrijheidsstelling betreft, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis eveneens of de veroordeelde tijdens de voorwaardelijke invrijheidsstelling al dan niet het grondgebied van het Rijk mag verlaten.
Ingeval de veroordeelde het grondgebied van het Rijk mag verlaten, bepaalt de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis de maximale periode voor dewelke de veroordeelde dit kan en de frequentie ervan en, in voorkomend geval, of en op welke wijze de veroordeelde het openbaar ministerie voorafgaandelijk moet inlichten voor hij het grondgebied van het Rijk verlaat. ]1
Art. 98/22. [1 § 1er. Le juge de l'application des peines peut soumettre le condamné à des conditions particulières individualisées si elles sont absolument nécessaires pour limiter le risque de récidive ou si elles sont nécessaires dans l'intérêt de la victime.
§ 2. Lorsqu'il s'agit de l'octroi d'une libération conditionnelle, le juge de l'application des peines détermine également dans son jugement si le condamné peut ou non quitter le territoire du Royaume pendant la libération conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le juge de l'application des peines détermine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer préalablement le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume. ]1
§ 2. Lorsqu'il s'agit de l'octroi d'une libération conditionnelle, le juge de l'application des peines détermine également dans son jugement si le condamné peut ou non quitter le territoire du Royaume pendant la libération conditionnelle.
Dans le cas où le condamné peut quitter le territoire du Royaume, le juge de l'application des peines détermine dans son jugement la période maximale pendant laquelle le condamné peut le faire et à quelle fréquence et, le cas échéant, si et de quelle manière le condamné doit en informer préalablement le ministère public avant de quitter le territoire du Royaume. ]1
Modifications
Art. 98/23. [1 . De strafuitvoeringsrechter bepaalt in het vonnis tot toekenning van een beperkte detentie of een elektronisch toezicht het programma van de concrete invulling hiervan.
De bevoegde dienst van de gemeenschappen staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde nadere regels. ]1
De bevoegde dienst van de gemeenschappen staat in voor de uitwerking van de concrete invulling van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit overeenkomstig de door de Koning daartoe bepaalde nadere regels. ]1
Art. 98/23. [1 Le juge de l'application des peines détermine dans le jugement d'octroi d'une détention limitée ou d'une surveillance électronique le programme du contenu concret de celle-ci.
Le service compétent des communautés se charge de donner un contenu concret à la modalité d'exécution de la peine octroyée conformément aux modalités fixées par le Roi. ]1
Le service compétent des communautés se charge de donner un contenu concret à la modalité d'exécution de la peine octroyée conformément aux modalités fixées par le Roi. ]1
Modifications
Art. 98/24. [1 . § 1. Indien de strafuitvoeringsrechter beslist over de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht, kan hij op dat ogenblik ook penitentiair verlof toekennen.
§ 2. Indien de veroordeelde na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht om penitentiair verlof verzoekt, dient de veroordeelde zijn schriftelijk verzoek in op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Dit verzoek omvat de informatie over de feitelijke omstandigheden en het kader waarbinnen het verlof zal plaats vinden.
De strafuitvoeringsrechter doet uitspraak binnen de maand na de indiening van het verzoek van de veroordeelde.
De artikelen 98/21 en 98/22 zijn van toepassing.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan viermaal zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof wordt elk trimester van rechtswege hernieuwd.
§ 4. Artikel 98/26 is van toepassing. ]1
§ 2. Indien de veroordeelde na de toekenning van de beperkte detentie of het elektronisch toezicht om penitentiair verlof verzoekt, dient de veroordeelde zijn schriftelijk verzoek in op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank. Dit verzoek omvat de informatie over de feitelijke omstandigheden en het kader waarbinnen het verlof zal plaats vinden.
De strafuitvoeringsrechter doet uitspraak binnen de maand na de indiening van het verzoek van de veroordeelde.
De artikelen 98/21 en 98/22 zijn van toepassing.
§ 3. De strafuitvoeringsrechter bepaalt de duur van het penitentiair verlof, dat niet minder dan viermaal zesendertig uur per trimester mag zijn. Het penitentiair verlof wordt elk trimester van rechtswege hernieuwd.
§ 4. Artikel 98/26 is van toepassing. ]1
Art. 98/24. [1 § 1er. Si le juge de l'application des peines décide de l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique, il peut également octroyer un congé pénitentiaire à ce moment.
§ 2. Si le condamné demande un congé pénitentiaire après l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique, il dépose sa demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines. Cette demande contient les informations relatives aux circonstances factuelles et au cadre dans lequel le congé se déroulera.
Le juge de l'application des peines statue dans le mois qui suit l'introduction de la demande du condamné.
Les articles 98/21 et 98/22 s'appliquent.
§ 3. Le juge de l'application des peines fixe la durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être inférieure à quatre fois trente-six heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé de plein droit chaque trimestre.
§ 4. L'article 98/26 s'applique. ]1
§ 2. Si le condamné demande un congé pénitentiaire après l'octroi de la détention limitée ou de la surveillance électronique, il dépose sa demande écrite au greffe du tribunal de l'application des peines. Cette demande contient les informations relatives aux circonstances factuelles et au cadre dans lequel le congé se déroulera.
Le juge de l'application des peines statue dans le mois qui suit l'introduction de la demande du condamné.
Les articles 98/21 et 98/22 s'appliquent.
§ 3. Le juge de l'application des peines fixe la durée du congé pénitentiaire, qui ne peut être inférieure à quatre fois trente-six heures par trimestre. Le congé pénitentiaire est renouvelé de plein droit chaque trimestre.
§ 4. L'article 98/26 s'applique. ]1
Modifications
Art. 98/25. [1 Indien de strafuitvoeringsrechter de te beoordelen strafuitvoeringsmodaliteit afwijst, bepaalt hij in zijn vonnis de datum waarop de veroordeelde een nieuw verzoek kan indienen of de directeur een nieuw advies moet uitbrengen.
Deze termijn mag niet langer zijn dan twee maanden te rekenen van het vonnis. ]1
Deze termijn mag niet langer zijn dan twee maanden te rekenen van het vonnis. ]1
Art. 98/25. [1 Si le juge de l'application des peines rejette la modalité d'exécution de la peine à évaluer, il indique dans son jugement la date à laquelle le condamné peut introduire une nouvelle demande ou à laquelle le directeur doit émettre un nouvel avis.
Ce délai ne peut pas excéder deux mois à compter du jugement. ]1
Ce délai ne peut pas excéder deux mois à compter du jugement. ]1
Modifications
Art. 98/26. [1 . § 1. Het vonnis wordt binnen vierentwintig uur bij aangetekende zending ter kennis gebracht van de veroordeelde en schriftelijk ter kennis gebracht van het openbaar ministerie en van de directeur. Bij kennisname van het vonnis stemt de veroordeelde in met de voorwaarden.
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
Onverminderd het eerste lid brengt de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank de veroordeelde ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf werd opgeschort overeenkomstig artikel 98/17, zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte van het vonnis.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties:
- de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, de bevoegde dienst van de gemeenschappen van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- de dienst van de gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht;
- de bevoegde dienst van de gemeenschappen van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;
- de Dienst Vreemdelingenzaken, ingeval de beslissing betrekking heeft op een veroordeelde die niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. ]1
Het slachtoffer wordt zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte gebracht van het vonnis en, in voorkomend geval, van de voorwaarden die in zijn belang zijn opgelegd.
Onverminderd het eerste lid brengt de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank de veroordeelde ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf werd opgeschort overeenkomstig artikel 98/17, zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke, schriftelijke communicatiemiddel, op de hoogte van het vonnis.
§ 2. Het vonnis tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit wordt meegedeeld aan de volgende autoriteiten en instanties:
- de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zich zal vestigen;
- de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
- in voorkomend geval, de bevoegde dienst van de gemeenschappen van het gerechtelijk arrondissement waarin de veroordeelde zijn verblijfplaats heeft;
- de dienst van de gemeenschappen, bevoegd voor het elektronisch toezicht, ingeval de beslissing betrekking heeft op een elektronisch toezicht;
- de bevoegde dienst van de gemeenschappen van de verblijfplaats van het slachtoffer ingeval er slachtoffergerichte voorwaarden zijn opgelegd;
- de Dienst Vreemdelingenzaken, ingeval de beslissing betrekking heeft op een veroordeelde die niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. ]1
Art. 98/26. [1 . § 1er. Le jugement est notifié dans les vingt-quatre heures, par envoi recommandé, au condamné et porté par écrit à la connaissance du ministère public et du directeur. Lors de la prise de connaissance du jugement, le condamné marque son accord sur les conditions.
La victime est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide du jugement et, le cas échéant, des conditions qui sont imposées dans son intérêt.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, le greffe du tribunal de l'application des peines informe le condamné à l'égard duquel l'exécution de la peine privative de liberté a été suspendue conformément à l'article 98/17 du jugement, dans les plus brefs délais et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide."
§ 2. Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine est communiqué aux autorités et instances suivantes:
- le chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- le cas échéant, le service compétent des communautés de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
- le service des communautés, compétent pour la surveillance électronique, si la décision concerne une surveillance électronique;
- le service compétent de la communauté du lieu de résidence de la victime en cas de conditions imposées dans l'intérêt de la victime;
- l'Office des Etrangers, si la décision porte sur un condamné qui n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume. ]1
La victime est informée le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide du jugement et, le cas échéant, des conditions qui sont imposées dans son intérêt.
Sans préjudice de l'alinéa 1er, le greffe du tribunal de l'application des peines informe le condamné à l'égard duquel l'exécution de la peine privative de liberté a été suspendue conformément à l'article 98/17 du jugement, dans les plus brefs délais et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide."
§ 2. Le jugement d'octroi d'une modalité d'exécution de la peine est communiqué aux autorités et instances suivantes:
- le chef de corps de la police locale de la commune où le condamné s'établira;
- la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
- le cas échéant, le service compétent des communautés de l'arrondissement judiciaire du lieu de résidence du condamné;
- le service des communautés, compétent pour la surveillance électronique, si la décision concerne une surveillance électronique;
- le service compétent de la communauté du lieu de résidence de la victime en cas de conditions imposées dans l'intérêt de la victime;
- l'Office des Etrangers, si la décision porte sur un condamné qui n'est pas autorisé ou habilité à séjourner dans le Royaume. ]1
Modifications
Art. 98/27. [1 Naast de in artikel 64, 1° tot 7°, bedoelde gevallen, kan het openbaar ministerie, met het oog op de herroeping van de toegekende strafuitvoeringsmodaliteit, de zaak ook bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig maken wanneer de veroordeelde de in artikel 98/21, 2°, bepaalde algemene voorwaarde niet naleeft.
Ingeval de veroordeelde de in artikel 98/21, 5°, bepaalde algemene voorwaarde niet naleeft, maakt het openbaar ministerie de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig, in welk geval de strafuitvoeringsrechter de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied herroept. In hetzelfde geval kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt of het openbaar ministerie zijn voorlopige aanhouding bevelen, in welk geval de strafuitvoeringsrechter de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied herroept. Enkel artikel 68, §§ 5, 6 en 7, is op deze procedures van toepassing. ]1
Ingeval de veroordeelde de in artikel 98/21, 5°, bepaalde algemene voorwaarde niet naleeft, maakt het openbaar ministerie de zaak bij de strafuitvoeringsrechter aanhangig, in welk geval de strafuitvoeringsrechter de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied herroept. In hetzelfde geval kan de procureur des Konings van de rechtbank in het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt of het openbaar ministerie zijn voorlopige aanhouding bevelen, in welk geval de strafuitvoeringsrechter de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied herroept. Enkel artikel 68, §§ 5, 6 en 7, is op deze procedures van toepassing. ]1
Art. 98/27. [1 Outre les cas visés à l'article 64, 1° à 7°, le ministère public peut saisir le juge de l'application des peines en vue de la révocation de la modalité d'exécution de la peine octroyée si le condamné ne respecte pas la condition générale prévue à l'article 98/21, 2°.
Lorsque le condamné ne respecte pas la condition générale prévue à l'article 98/21, 5°, le ministère public saisit le juge de l'application des peines, auquel cas le juge de l'application des peines révoque la mise en libération provisoire en vue de l'éloignement du territoire. Dans le même cas, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve ou le ministère public, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci, auquel cas le juge de l'application des peines révoque la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire. Seul l'article 68, §§ 5, 6 et 7, s'applique à ces procédures ]1
Lorsque le condamné ne respecte pas la condition générale prévue à l'article 98/21, 5°, le ministère public saisit le juge de l'application des peines, auquel cas le juge de l'application des peines révoque la mise en libération provisoire en vue de l'éloignement du territoire. Dans le même cas, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve ou le ministère public, peut ordonner l'arrestation provisoire de celui-ci, auquel cas le juge de l'application des peines révoque la mise en liberté provisoire en vue de l'éloignement du territoire. Seul l'article 68, §§ 5, 6 et 7, s'applique à ces procédures ]1
Modifications
HOOFDSTUK II. [1 De vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" vanaf zes maanden voor strafeinde ]1
CHAPITRE II. [1 La libération anticipée "surpopulation" à partir de six mois avant la fin de peine ]1
Art. 98/28. [1 § 1. De directeur kent een vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" toe aan de veroordeelde die zich in de tijdsvoorwaarden bevindt voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling, vanaf zes maanden voor het einde van het uitvoerbaar gedeelte van de vrijheidsstraf of van de vrijheidsstraffen waartoe hij is veroordeeld, voor zover hij uitsluitend in kracht van gewijsde getreden veroordelingen tot een vrijheidsstraf ondergaat en voor zover hij cumulatief aan de volgende voorwaarden voldoet:
1° hij beschikt over een opvangadres;
2° hij stelt geen manifest risico voor een ernstige aantasting van de fysieke integriteit van derden.
De veroordeelde die geen recht heeft op verblijf komt slechts in aanmerking voor deze maatregel, voor zover de Dienst Vreemdelingenzaken meedeelt aan de directeur dat hij in de onmogelijkheid verkeert om onmiddellijk over te gaan tot verwijdering van het grondgebied of tot overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van de veroordeelde. De betrokken veroordeelde dient enkel te voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 2°.
In afwijking van het eerste lid is de veroordeelde wiens strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de geldigheidsduur van deze maatregel door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank wordt herroepen, gedurende twee maanden na de tenuitvoerlegging van het vonnis tot herroeping uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling.
§ 2. De volgende categorieën van veroordeelden zijn uitgesloten van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregel van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking":
- de veroordeelden die een of meerdere vrijheidsbenemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan tien jaar bedraagt;
- de veroordeelden die een straf ondergaan voor de feiten bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die een straf ondergaan voor de feiten bedoeld in de artikelen 417/5 tot 417/41, 417/43 tot 417/47, 417/50, 417/52, 417/54 en 417/55 van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbank bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 maart 2024 tot oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank "Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces" ("T.E.R.") en tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
§ 3. De beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" bepaalt dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden:
1° geen strafbare feiten plegen;
2° de slachtoffers niet lastigvallen;
3° een opvangadres blijven hebben, en bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan de directeur of, indien het een veroordeelde bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, betreft, het grondgebied effectief verlaten binnen de door de Dienst Vreemdelingenzaken opgelegde termijn en tijdens de proeftermijn niet terugkeren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en reglementering betreffende de toegang, het verblijf en de vestiging in het Rijk.
§ 4. De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het ogenblik van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking".
§ 5. De directeur deelt de beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" mee aan de veroordeelde.
De directeur stelt het slachtoffer zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel in kennis van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking".
De directeur deelt de beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" mee aan de volgende autoriteiten en instanties:
1° de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zijn opvangadres heeft;
2° de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
3° de procureur des Konings van het arrondissement waar de veroordeelde zijn opvangadres heeft;
4° het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank, indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is;
5° de voor de begeleiding van de beperkte detentie bevoegde dienst van de gemeenschappen, indien de veroordeelde zich in beperkte detentie bevindt;
6° de Dienst Vreemdelingenzaken, indien de beslissing betrekking heeft op de veroordeelde bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
§ 6. De directeur kan de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" herroepen in de volgende gevallen:
1° wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn een misdrijf heeft gepleegd;
2° wegens niet-naleving van de in paragraaf 3, 2°, bepaalde algemene voorwaarde;
3° na een voorlopige aanhouding overeenkomstig paragraaf 8.
In geval van herroeping wordt de periode tijdens dewelke de veroordeelde in vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" was en die loopt tot aan de beslissing tot herroeping, afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
Indien de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" wordt herroepen, kan zij niet opnieuw worden toegekend.
§ 7. De directeur brengt de beslissing tot herroeping zo snel mogelijk ter kennis van:
1° de veroordeelde;
2° alle autoriteiten en instanties aan wie de beslissing tot toekenning werd meegedeeld overeenkomstig paragraaf 5, derde lid.
De directeur stelt het slachtoffer zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel in kennis van de beslissing tot herroeping.
§ 8. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedurende de proeftermijn, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt zijn beslissing onmiddellijk mee aan de directeur.
De directeur neemt een beslissing over de herroeping van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Hij deelt zijn beslissing binnen vierentwintig uur schriftelijk mee aan de veroordeelde en aan de in het eerste lid bedoelde procureur des Konings.
De directeur stelt het slachtoffer zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel in kennis van de beslissing tot herroeping. Hij deelt de beslissing tot herroeping zo snel mogelijk mee aan het openbaar ministerie, indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is.
§ 9. Behoudens in het in paragraaf 8 bedoelde geval, neemt de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" van rechtswege een einde ingeval:
1° er in hoofde van de veroordeelde bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, een niet-naleving van de voorwaarde bedoeld in paragraaf 3, 3°, wordt vastgesteld;
2° de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
De directeur informeert hiervan de veroordeelde, het slachtoffer en alle in paragraaf 5, derde lid, vermelde autoriteiten en instanties. ]1
1° hij beschikt over een opvangadres;
2° hij stelt geen manifest risico voor een ernstige aantasting van de fysieke integriteit van derden.
De veroordeelde die geen recht heeft op verblijf komt slechts in aanmerking voor deze maatregel, voor zover de Dienst Vreemdelingenzaken meedeelt aan de directeur dat hij in de onmogelijkheid verkeert om onmiddellijk over te gaan tot verwijdering van het grondgebied of tot overbrenging naar een plaats die valt onder de bevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen van de veroordeelde. De betrokken veroordeelde dient enkel te voldoen aan de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 2°.
In afwijking van het eerste lid is de veroordeelde wiens strafuitvoeringsmodaliteit tijdens de geldigheidsduur van deze maatregel door de strafuitvoeringsrechter of de strafuitvoeringsrechtbank wordt herroepen, gedurende twee maanden na de tenuitvoerlegging van het vonnis tot herroeping uitgesloten van de vervroegde invrijheidstelling.
§ 2. De volgende categorieën van veroordeelden zijn uitgesloten van de in dit hoofdstuk bedoelde maatregel van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking":
- de veroordeelden die een of meerdere vrijheidsbenemende straffen ondergaan waarvan het totaal meer dan tien jaar bedraagt;
- de veroordeelden die een straf ondergaan voor de feiten bedoeld in boek II, titel Iter, van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die een straf ondergaan voor de feiten bedoeld in de artikelen 417/5 tot 417/41, 417/43 tot 417/47, 417/50, 417/52, 417/54 en 417/55 van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die het voorwerp uitmaken van een veroordeling met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek;
- de veroordeelden die worden opgevolgd door het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse in het kader van de gemeenschappelijke gegevensbank bedoeld in artikel 3 van de wet van 29 maart 2024 tot oprichting van de gemeenschappelijke gegevensbank "Terrorisme, Extremisme, Radicaliseringsproces" ("T.E.R.") en tot wijziging van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, de wet van 30 juli 2018 tot oprichting van lokale integrale veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
§ 3. De beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" bepaalt dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn onderworpen is aan de volgende algemene voorwaarden:
1° geen strafbare feiten plegen;
2° de slachtoffers niet lastigvallen;
3° een opvangadres blijven hebben, en bij wijziging ervan, zijn nieuwe verblijfplaats onmiddellijk meedelen aan de directeur of, indien het een veroordeelde bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, betreft, het grondgebied effectief verlaten binnen de door de Dienst Vreemdelingenzaken opgelegde termijn en tijdens de proeftermijn niet terugkeren naar België zonder in orde te zijn met de wetgeving en reglementering betreffende de toegang, het verblijf en de vestiging in het Rijk.
§ 4. De proeftermijn is gelijk aan de duur van het nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen op het ogenblik van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking".
§ 5. De directeur deelt de beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" mee aan de veroordeelde.
De directeur stelt het slachtoffer zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel in kennis van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking".
De directeur deelt de beslissing tot toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" mee aan de volgende autoriteiten en instanties:
1° de korpschef van de lokale politie van de gemeente waar de veroordeelde zijn opvangadres heeft;
2° de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;
3° de procureur des Konings van het arrondissement waar de veroordeelde zijn opvangadres heeft;
4° het openbaar ministerie bij de strafuitvoeringsrechtbank, indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is;
5° de voor de begeleiding van de beperkte detentie bevoegde dienst van de gemeenschappen, indien de veroordeelde zich in beperkte detentie bevindt;
6° de Dienst Vreemdelingenzaken, indien de beslissing betrekking heeft op de veroordeelde bedoeld in paragraaf 1, tweede lid.
§ 6. De directeur kan de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" herroepen in de volgende gevallen:
1° wanneer bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing wordt vastgesteld dat de veroordeelde tijdens de proeftermijn een misdrijf heeft gepleegd;
2° wegens niet-naleving van de in paragraaf 3, 2°, bepaalde algemene voorwaarde;
3° na een voorlopige aanhouding overeenkomstig paragraaf 8.
In geval van herroeping wordt de periode tijdens dewelke de veroordeelde in vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" was en die loopt tot aan de beslissing tot herroeping, afgetrokken van het op het ogenblik van de toekenning van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" nog resterende gedeelte van de vrijheidsstraffen.
Indien de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" wordt herroepen, kan zij niet opnieuw worden toegekend.
§ 7. De directeur brengt de beslissing tot herroeping zo snel mogelijk ter kennis van:
1° de veroordeelde;
2° alle autoriteiten en instanties aan wie de beslissing tot toekenning werd meegedeeld overeenkomstig paragraaf 5, derde lid.
De directeur stelt het slachtoffer zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel in kennis van de beslissing tot herroeping.
§ 8. Indien de veroordeelde de fysieke of psychische integriteit van derden ernstig in gevaar brengt gedurende de proeftermijn, kan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de veroordeelde zich bevindt, zijn voorlopige aanhouding bevelen. Hij deelt zijn beslissing onmiddellijk mee aan de directeur.
De directeur neemt een beslissing over de herroeping van de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" binnen zeven dagen volgend op de aanhouding van de veroordeelde. Hij deelt zijn beslissing binnen vierentwintig uur schriftelijk mee aan de veroordeelde en aan de in het eerste lid bedoelde procureur des Konings.
De directeur stelt het slachtoffer zo snel mogelijk en in elk geval binnen vierentwintig uur, via het snelst mogelijke schriftelijke communicatiemiddel in kennis van de beslissing tot herroeping. Hij deelt de beslissing tot herroeping zo snel mogelijk mee aan het openbaar ministerie, indien de strafuitvoeringsrechtbank reeds gevat is.
§ 9. Behoudens in het in paragraaf 8 bedoelde geval, neemt de vervroegde invrijheidstelling "overbevolking" van rechtswege een einde ingeval:
1° er in hoofde van de veroordeelde bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, een niet-naleving van de voorwaarde bedoeld in paragraaf 3, 3°, wordt vastgesteld;
2° de veroordeelde opnieuw wordt opgesloten.
In het geval bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt de veroordeelde onmiddellijk opnieuw opgesloten.
De directeur informeert hiervan de veroordeelde, het slachtoffer en alle in paragraaf 5, derde lid, vermelde autoriteiten en instanties. ]1
Art. 98/28. [1 § 1er. Le directeur accorde une libération anticipée "surpopulation" au condamné qui se trouve dans les conditions de temps pour la libération conditionnelle à partir de six mois avant la fin de la partie exécutoire de la peine privative de liberté ou des peines privatives de liberté auxquelles il a été condamné pour autant qu'il n'exécute que des peines passées en force de chose jugée de privation de liberté et pour autant qu'il remplisse cumulativement les conditions suivantes:
1° il dispose d'une adresse d'accueil;
2° il ne présente pas de risque manifeste d'atteinte grave à l'intégrité physique des tiers.
Le condamné qui n'a pas le droit au séjour ne peut bénéficier de cette mesure que dans la mesure où l'Office des Etrangers communique au directeur qu'il est dans l'incapacité de procéder immédiatement à l'éloignement du territoire ou au transfert du condamné vers un lieu relevant de la compétence du ministre chargé de l'entrée, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers. Le condamné concerné ne doit remplir que la condition visée à l'alinéa 1er, 2°.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le condamné dont la modalité d'exécution de la peine est révoquée par le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines pendant la période de validité de cette mesure est exclu de la libération anticipée pendant les deux mois qui suivent l'exécution du jugement de révocation.
§ 2. Les catégories de condamnés suivantes sont exclues de la mesure de la libération anticipée "surpopulation" visée dans le présent chapitre:
- les condamnés qui subissent une ou plusieurs peines privatives de liberté dont le total s'élève à plus de dix ans;
- les condamnés qui subissent une peine pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal;
- les condamnés qui subissent une peine pour des faits visés aux articles 417/5 à 417/41, 417/43 à 417/47, 417/50, 417/52, 417/54 et 417/55 du Code pénal;
- les condamnés qui font l'objet d'une condamnation avec une mise à la disposition du tribunal de l'application des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal;
- les condamnés qui sont suivis par l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace dans le cadre de la banque de données commune visée à l'article 3 de la loi du 29 mars 2024 portant création de la banque de données commune "Terrorisme, Extrémisme, processus de Radicalisation" ("T.E.R.") et modifiant la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, la loi du 30 juillet 2018 portant création de cellules de sécurité intégrale locales en matière de radicalisme, d'extrémisme et de terrorisme et la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
§ 3. La décision d'octroi de la libération anticipée "surpopulation" détermine que le condamné est soumis aux conditions générales suivantes pendant le délai d'épreuve;
1° ne pas commettre d'infractions;
2° ne pas importuner les victimes;
3° continuer à avoir une adresse d'accueil et, en cas de changement de celle-ci, communiquer immédiatement son nouveau lieu de séjour au directeur ou, dans le cas d'un condamné visé au paragraphe 1er, alinéa 2, l'obligation de quitter effectivement le territoire dans le délai imposé par l'Office des Etrangers et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume.
§ 4. Le délai d'épreuve est égal à la durée de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l'octroi de la libération anticipée "surpopulation".
§ 5. Le directeur communique la décision d'octroi de la libération anticipée "surpopulation" au condamné.
Le directeur informe la victime le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de l'octroi de la libération anticipée "surpopulation".
Le directeur communique la décision d'octroi de la libération anticipée "surpopulation" aux autorités et instances suivantes:
1° le chef de corps de la police locale de la commune où le condamné a son adresse d'accueil;
2° la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
3° le procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel le condamné a son adresse d'accueil;
4° le ministère public près le tribunal de l'application des peines si le tribunal de l'application des peines est déjà saisi;
5° le service compétent des communautés chargé de l'accompagnement de la détention limitée, si le condamné est en détention limitée;
6° l'Office des Etrangers, si la décision porte sur un condamné visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
§ 6. Le directeur peut révoquer la libération anticipée "surpopulation" dans les cas suivants:
1° s'il est constaté dans une décision passée en force de chose jugée que le condamné a commis une infraction pendant le délai d'épreuve;
2° pour non-respect de la condition générale prévue au paragraphe 3, 2° ;
3° après une arrestation provisoire conformément au paragraphe 8.
En cas de révocation, la période au cours de laquelle le condamné était en libération anticipée "surpopulation" et qui court jusqu'à la décision de révocation est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l'octroi de la libération anticipée "surpopulation".
Si la libération anticipée "surpopulation" est révoquée, elle ne peut pas être accordée à nouveau.
§ 7. Le directeur communique la décision de révocation le plus rapidement possible:
1° au condamné;
2° à toutes les autorités et instances auxquelles la décision d'octroi a été communiquée conformément au paragraphe 5, alinéa 3.
Le directeur informe la victime de la décision de révocation le plus rapidement possible et en tous cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrite le plus rapide.
§ 8. Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers pendant le délai d'épreuve, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner son arrestation provisoire. Il communique immédiatement sa décision au directeur.
Le directeur prend une décision sur la révocation de la libération anticipée "surpopulation" dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Il communique sa décision par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné et au procureur du Roi visé à l'alinéa 1er.
Le directeur communique la décision de révocation à la victime dans les plus brefs délais, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide. Il communique la décision de révocation dans les plus brefs délais au ministère public près le tribunal de l'application des peines, si le tribunal de l'application des peines a déjà été saisi.
§ 9. Sauf dans le cas visé au paragraphe 8, la libération anticipée "surpopulation" prend fin de plein droit au cas où:
1° un non-respect de la condition visée au paragraphe 3, 3°, est constaté dans le chef du condamné visé au paragraphe 1, deuxième alinéa;
2° le condamné est à nouveau incarcéré.
Dans le cas visé par l'alinéa 1er, 1°, le condamné est immédiatement réincarcéré.
Le directeur en informe le condamné, la victime et toutes les autorités et instances mentionnées au paragraphe 5, alinéa 3. ]1
1° il dispose d'une adresse d'accueil;
2° il ne présente pas de risque manifeste d'atteinte grave à l'intégrité physique des tiers.
Le condamné qui n'a pas le droit au séjour ne peut bénéficier de cette mesure que dans la mesure où l'Office des Etrangers communique au directeur qu'il est dans l'incapacité de procéder immédiatement à l'éloignement du territoire ou au transfert du condamné vers un lieu relevant de la compétence du ministre chargé de l'entrée, du séjour, de l'établissement et de l'éloignement des étrangers. Le condamné concerné ne doit remplir que la condition visée à l'alinéa 1er, 2°.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le condamné dont la modalité d'exécution de la peine est révoquée par le juge de l'application des peines ou le tribunal de l'application des peines pendant la période de validité de cette mesure est exclu de la libération anticipée pendant les deux mois qui suivent l'exécution du jugement de révocation.
§ 2. Les catégories de condamnés suivantes sont exclues de la mesure de la libération anticipée "surpopulation" visée dans le présent chapitre:
- les condamnés qui subissent une ou plusieurs peines privatives de liberté dont le total s'élève à plus de dix ans;
- les condamnés qui subissent une peine pour des faits visés au livre II, titre Ierter, du Code pénal;
- les condamnés qui subissent une peine pour des faits visés aux articles 417/5 à 417/41, 417/43 à 417/47, 417/50, 417/52, 417/54 et 417/55 du Code pénal;
- les condamnés qui font l'objet d'une condamnation avec une mise à la disposition du tribunal de l'application des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal;
- les condamnés qui sont suivis par l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace dans le cadre de la banque de données commune visée à l'article 3 de la loi du 29 mars 2024 portant création de la banque de données commune "Terrorisme, Extrémisme, processus de Radicalisation" ("T.E.R.") et modifiant la loi du 30 juillet 2018 relative à la protection des personnes physiques à l'égard des traitements de données à caractère personnel, la loi du 30 juillet 2018 portant création de cellules de sécurité intégrale locales en matière de radicalisme, d'extrémisme et de terrorisme et la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
§ 3. La décision d'octroi de la libération anticipée "surpopulation" détermine que le condamné est soumis aux conditions générales suivantes pendant le délai d'épreuve;
1° ne pas commettre d'infractions;
2° ne pas importuner les victimes;
3° continuer à avoir une adresse d'accueil et, en cas de changement de celle-ci, communiquer immédiatement son nouveau lieu de séjour au directeur ou, dans le cas d'un condamné visé au paragraphe 1er, alinéa 2, l'obligation de quitter effectivement le territoire dans le délai imposé par l'Office des Etrangers et l'interdiction de revenir en Belgique pendant le délai d'épreuve sans être en règle avec la législation et la réglementation relative à l'accès au territoire, au séjour ou à l'établissement dans le Royaume.
§ 4. Le délai d'épreuve est égal à la durée de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l'octroi de la libération anticipée "surpopulation".
§ 5. Le directeur communique la décision d'octroi de la libération anticipée "surpopulation" au condamné.
Le directeur informe la victime le plus rapidement possible et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide, de l'octroi de la libération anticipée "surpopulation".
Le directeur communique la décision d'octroi de la libération anticipée "surpopulation" aux autorités et instances suivantes:
1° le chef de corps de la police locale de la commune où le condamné a son adresse d'accueil;
2° la banque de données nationale visée à l'article 44/2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police;
3° le procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel le condamné a son adresse d'accueil;
4° le ministère public près le tribunal de l'application des peines si le tribunal de l'application des peines est déjà saisi;
5° le service compétent des communautés chargé de l'accompagnement de la détention limitée, si le condamné est en détention limitée;
6° l'Office des Etrangers, si la décision porte sur un condamné visé au paragraphe 1er, alinéa 2.
§ 6. Le directeur peut révoquer la libération anticipée "surpopulation" dans les cas suivants:
1° s'il est constaté dans une décision passée en force de chose jugée que le condamné a commis une infraction pendant le délai d'épreuve;
2° pour non-respect de la condition générale prévue au paragraphe 3, 2° ;
3° après une arrestation provisoire conformément au paragraphe 8.
En cas de révocation, la période au cours de laquelle le condamné était en libération anticipée "surpopulation" et qui court jusqu'à la décision de révocation est déduite de la partie restante des peines privatives de liberté au moment de l'octroi de la libération anticipée "surpopulation".
Si la libération anticipée "surpopulation" est révoquée, elle ne peut pas être accordée à nouveau.
§ 7. Le directeur communique la décision de révocation le plus rapidement possible:
1° au condamné;
2° à toutes les autorités et instances auxquelles la décision d'octroi a été communiquée conformément au paragraphe 5, alinéa 3.
Le directeur informe la victime de la décision de révocation le plus rapidement possible et en tous cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrite le plus rapide.
§ 8. Si le condamné met gravement en péril l'intégrité physique ou psychique de tiers pendant le délai d'épreuve, le procureur du Roi près le tribunal dans le ressort duquel le condamné se trouve peut ordonner son arrestation provisoire. Il communique immédiatement sa décision au directeur.
Le directeur prend une décision sur la révocation de la libération anticipée "surpopulation" dans les sept jours qui suivent l'arrestation du condamné. Il communique sa décision par écrit dans les vingt-quatre heures au condamné et au procureur du Roi visé à l'alinéa 1er.
Le directeur communique la décision de révocation à la victime dans les plus brefs délais, et en tout cas dans les vingt-quatre heures, par le moyen de communication écrit le plus rapide. Il communique la décision de révocation dans les plus brefs délais au ministère public près le tribunal de l'application des peines, si le tribunal de l'application des peines a déjà été saisi.
§ 9. Sauf dans le cas visé au paragraphe 8, la libération anticipée "surpopulation" prend fin de plein droit au cas où:
1° un non-respect de la condition visée au paragraphe 3, 3°, est constaté dans le chef du condamné visé au paragraphe 1, deuxième alinéa;
2° le condamné est à nouveau incarcéré.
Dans le cas visé par l'alinéa 1er, 1°, le condamné est immédiatement réincarcéré.
Le directeur en informe le condamné, la victime et toutes les autorités et instances mentionnées au paragraphe 5, alinéa 3. ]1
Modifications
Art. 98/29. [1 . Dit hoofdstuk is van toepassing tot 31 december 2026.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde datum vervroegen ]1
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde datum vervroegen ]1
Art. 98/29. [1 Le présent chapitre s'applique jusqu'au 31 décembre 2026.
Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, anticiper la date visée à l'alinéa 1er. ]1
Le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, anticiper la date visée à l'alinéa 1er. ]1
Modifications
TITEL XIII. - Wijzigings-, opheffings- en overgangsbepalingen.
TITRE XIII. - Dispositions modificatives, abrogatoires et transitoires.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions modificatives.
Afdeling 1. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering.
Section Ire. - Modification du titre préliminaire du Code de procédure pénale.
Art.99. In artikel 3bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 12 maart 1998 en 7 mei 1999, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd :
" Slachtoffers ontvangen met name de nuttige informatie over de nadere regels voor de burgerlijke partijstelling en de verklaring van benadeelde persoon. ".
" Slachtoffers ontvangen met name de nuttige informatie over de nadere regels voor de burgerlijke partijstelling en de verklaring van benadeelde persoon. ".
Art.99. Dans l'article 3bis du titre préliminaire du Code de procédure pénale, modifié par les lois des 12 mars 1998 et 7 mai 1999, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Les victimes reçoivent notamment les informations utiles sur les modalités de constitution de partie civile et de déclaration de personne lésée. ".
" Les victimes reçoivent notamment les informations utiles sur les modalités de constitution de partie civile et de déclaration de personne lésée. ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering.
Section 2. - Modifications du Code d'instruction criminelle.
Art.100. Artikel 182 van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 11 juli 1994 en 28 maart 2000, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. ".
" De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. ".
Art.100. L'article 182 du Code d'instruction criminelle, modifié par les lois des 10 juillet 1967, 11 juillet 1994 et 28 mars 2000, est complété par l'alinéa suivant :
" Le procureur du Roi communique les lieu, jour et heure de la comparution par tout moyen approprié aux victimes connues. ".
" Le procureur du Roi communique les lieu, jour et heure de la comparution par tout moyen approprié aux victimes connues. ".
Art.101. Artikel 195 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 april 1987 en gewijzigd bij de wetten van 24 december 1993, 22 juni en 20 juli 2005, wordt aangevuld met de volgende leden :
" Als de rechter een effectieve vrijheidsstraf uitspreekt, licht hij de partijen in over de uitvoering van deze vrijheidsstraf en over de mogelijke strafuitvoeringsmodaliteiten.
Hij licht eveneens de burgerlijke partij in over de mogelijkheden om in het kader van de strafuitvoering te worden gehoord over de voorwaarden die in het belang van de burgerlijke partij moeten worden opgelegd. ".
" Als de rechter een effectieve vrijheidsstraf uitspreekt, licht hij de partijen in over de uitvoering van deze vrijheidsstraf en over de mogelijke strafuitvoeringsmodaliteiten.
Hij licht eveneens de burgerlijke partij in over de mogelijkheden om in het kader van de strafuitvoering te worden gehoord over de voorwaarden die in het belang van de burgerlijke partij moeten worden opgelegd. ".
Art.101. L'article 195 du même Code, remplacé par la loi du 27 avril 1987 et modifié par les lois des 24 décembre 1993, 22 juin et 20 juillet 2005, est complété par les alinéas suivants :
" Si le juge prononce une peine privative de liberté effective, il informe les parties de l'exécution de cette peine privative de liberté et des éventuelles modalités d'exécution de la peine.
Il informe également la partie civile des possibilités d'être entendue dans le cadre de l'exécution de la peine au sujet des conditions qui doivent être imposées dans l'intérêt de la partie civile. ".
" Si le juge prononce une peine privative de liberté effective, il informe les parties de l'exécution de cette peine privative de liberté et des éventuelles modalités d'exécution de la peine.
Il informe également la partie civile des possibilités d'être entendue dans le cadre de l'exécution de la peine au sujet des conditions qui doivent être imposées dans l'intérêt de la partie civile. ".
Art.102. Artikel 216quater, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 11 juli 1994 en gewijzigd bij de wet van 13 april 2005, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. ".
" De procureur des Konings deelt de plaats, de dag en het uur van verschijning met alle passende middelen aan de gekende slachtoffers mee. ".
Art.102. L'article 216quater, § 1er, du même Code, inséré par la loi du 11 juillet 1994 et modifié par la loi du 13 avril 2005, est complété par l'alinéa suivant :
" Le procureur du Roi communique les lieu, jour et heure de la comparution par tout moyen approprié aux victimes connues. ".
" Le procureur du Roi communique les lieu, jour et heure de la comparution par tout moyen approprié aux victimes connues. ".
Afdeling 3. - Wijziging van het Strafwetboek.
Section 3. - Modification du Code pénal.
Art.103. In artikel 37ter, § 1, tweede lid, derde gedachtestreepje, van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 17 april 2002, wordt het cijfer " 386ter " vervangen door het cijfer " 387 ".
Art.103. Dans l'article 37ter, § 1er, alinéa 2, troisième tiret, du Code pénal, inséré par la loi du 17 avril 2002, le chiffre " 386ter " est remplacé par le chiffre " 387 ".
Afdeling 4. - Wijziging van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen.
Section 4. - Modification de la loi du 23 mai 1990 sur le transfèrement interétatique des personnes condamnées, la reprise et le transfert de la surveillance de personnes condamnées sous condition ou libérées sous condition ainsi que la reprise et le transfert de l'exécution de peines et de mesures privatives de liberté.
Art.104. In artikel 16 van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, ingevoegd bij de wet van 26 mei 2005, worden in de eerste en de vierde zin de woorden " de commissie voor de voorwaardelijke invrijheidstelling " vervangen door de woorden " de strafuitvoeringsrechter of, in voorkomend geval, de strafuitvoeringsrechtbank ".
Art.104. Dans la première et la quatrième phrase de l'article 16 de la loi du 23 mai 1990 sur le transfèrement interétatique des personnes condamnées, la reprise et le transfert de la surveillance de personnes condamnées sous condition ou libérées sous condition ainsi que la reprise et le transfert de l'exécution de peines et de mesures privatives de liberté, inséré par la loi du 26 mai 2005, les mots " la commission de libération conditionnelle " sont remplacés par les mots " le juge de l'application des peines ou, le cas échéant, le tribunal de l'application des peines ".
Afdeling 5. - Wijziging van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
Section 5. - Modification de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
Art.105. <W 2006-12-27/33, art. 76, 002; Inwerkingtreding : 01-02-2007> In artikel 20 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, gewijzigd bij de wetten van 5 maart 1998 en 7 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt als volgt vervangen :
" De politiediensten houden toezicht op de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, op de veroordeelden die genieten van enige andere maatregel die de strafuitvoering schorst, op de veroordeelden in penitentiair verlof, op de veroordeelden tot een probatieopschorting of een probatie-uitstel alsook op de verdachten die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis. ";
2° het tweede lid wordt als volgt vervangen :
" Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden die zijn opgelegd aan de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, aan de veroordeelden die genieten van enige andere maatregel die de strafuitvoering schorst, aan de veroordeelden in penitentiair verlof, aan de veroordeelden tot een probatieopschorting of een probatie-uitstel alsook aan de verdachten die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis.
1° het eerste lid wordt als volgt vervangen :
" De politiediensten houden toezicht op de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, op de veroordeelden die genieten van enige andere maatregel die de strafuitvoering schorst, op de veroordeelden in penitentiair verlof, op de veroordeelden tot een probatieopschorting of een probatie-uitstel alsook op de verdachten die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis. ";
2° het tweede lid wordt als volgt vervangen :
" Zij houden eveneens toezicht op de naleving van de hen daartoe meegedeelde voorwaarden die zijn opgelegd aan de veroordeelden die een strafuitvoeringsmodaliteit van de vrijheidsstraf genieten, aan de veroordeelden die genieten van enige andere maatregel die de strafuitvoering schorst, aan de veroordeelden in penitentiair verlof, aan de veroordeelden tot een probatieopschorting of een probatie-uitstel alsook aan de verdachten die in vrijheid gesteld of gelaten zijn overeenkomstig de wet betreffende de voorlopige hechtenis.
Art.105. <L 2006-12-27/33, art. 76, 002; En vigueur : 01-02-2007> A l'article 20 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, modifiée par les lois des 5 mars 1998 et 7 décembre 1998, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
" Les services de police surveillent les condamnés qui bénéficient d'une modalité d'exécution de la peine de leur peine privative de liberté, les condamnés qui bénéficient de toute autre mesure qui suspend l'exécution de la peine, les condamnés en congé pénitentiaire, les condamnés à une suspension probatoire ou à un sursis probatoire ainsi que les inculpés laissés ou mis en liberté conformément à la loi relative à la détention préventive. ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par l'alinéa suivant :
" Ils veillent également que soient respectées les conditions qui leur sont communiquées à cet effet et qui sont imposées aux condamnés qui bénéficient d'une modalité d'exécution de la peine de leur peine privative de liberté, aux condamnés qui bénéficient de toute autre mesure qui suspend l'exécution de la peine, aux condamnés en congé pénitentiaire, aux condamnés à une suspension probatoire ou à un sursis probatoire ainsi qu'aux inculpés laissés ou mis en liberté conformément à la loi relative à la détention préventive."
1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
" Les services de police surveillent les condamnés qui bénéficient d'une modalité d'exécution de la peine de leur peine privative de liberté, les condamnés qui bénéficient de toute autre mesure qui suspend l'exécution de la peine, les condamnés en congé pénitentiaire, les condamnés à une suspension probatoire ou à un sursis probatoire ainsi que les inculpés laissés ou mis en liberté conformément à la loi relative à la détention préventive. ";
2° l'alinéa 2 est remplacé par l'alinéa suivant :
" Ils veillent également que soient respectées les conditions qui leur sont communiquées à cet effet et qui sont imposées aux condamnés qui bénéficient d'une modalité d'exécution de la peine de leur peine privative de liberté, aux condamnés qui bénéficient de toute autre mesure qui suspend l'exécution de la peine, aux condamnés en congé pénitentiaire, aux condamnés à une suspension probatoire ou à un sursis probatoire ainsi qu'aux inculpés laissés ou mis en liberté conformément à la loi relative à la détention préventive."
HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions abrogatoires.
Art.106. De wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964, gewijzigd bij de wetten van 7 mei 1999, 28 november 2000, 22 november 2004 en 12 januari 2005, wordt opgeheven.
Art.106. La loi du 5 mars 1998 relative à la libération conditionnelle et modifiant la loi du 9 avril 1930 de défense sociale à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude, remplacée par la loi du 1er juillet 1964, modifiée par les lois des 7 mai 1999, 28 novembre 2000, 22 novembre 2004 et 12 janvier 2005, est abrogée.
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions transitoires.
TITEL XIV. - Inwerkingtreding.
TITRE XIV. - Entrée en vigueur.
Art. 109. Met uitzondering van dit artikel, dat in werking treedt de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, treedt elk artikel van deze wet in werking op de door de Koning te bepalen datum, [7 en uiterlijk op 1 september 2022]7.
[7 In afwijking van het eerste lid treden de bepalingen van deze wet die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten bepaald in titel V, ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte twee jaar of minder [8 maar zes maanden of meer]8 bedraagt, in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 september 2023.]7
[8 In afwijking van het eerste lid treden de bepalingen van deze wet, die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten bepaald in titel V, ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte minder dan zes maanden bedraagt, in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op [9 1 juni 2030]9]8
[7 In afwijking van het eerste lid treden de bepalingen van deze wet die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten bepaald in titel V, ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte twee jaar of minder [8 maar zes maanden of meer]8 bedraagt, in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op 1 september 2023.]7
[8 In afwijking van het eerste lid treden de bepalingen van deze wet, die betrekking hebben op de door de strafuitvoeringsrechter toe te kennen strafuitvoeringsmodaliteiten bepaald in titel V, ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte minder dan zes maanden bedraagt, in werking op een door de Koning te bepalen datum en uiterlijk op [9 1 juni 2030]9]8
Art. 109. A l'exception du présent article, qui entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, chacun des articles de la présente loi entre en vigueur à la date fixée par le Roi, [7 et au plus tard le 1er septembre 2022]7.
[7 Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions de la présente loi qui ont trait aux modalités d'exécution de la peine accordées par le juge de l'application des peines visées au titre V, entrent en vigueur à l'égard des condamnés exécutant une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à deux ans ou moins [8 mais six mois ou plus]8, à une date à déterminer par le Roi, et au plus tard le 1er septembre 2023.]7
[8 Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions de la présente loi qui ont trait aux modalités d'exécution de la peine accordées par le juge de l'application des peines visées au titre V, entrent en vigueur à l'égard des condamnés exécutant une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à moins de six mois, à une date à déterminer par le Roi, et au plus tard le [9 1er juin 2030]9.]8
[7 Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions de la présente loi qui ont trait aux modalités d'exécution de la peine accordées par le juge de l'application des peines visées au titre V, entrent en vigueur à l'égard des condamnés exécutant une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à deux ans ou moins [8 mais six mois ou plus]8, à une date à déterminer par le Roi, et au plus tard le 1er septembre 2023.]7
[8 Par dérogation à l'alinéa 1er, les dispositions de la présente loi qui ont trait aux modalités d'exécution de la peine accordées par le juge de l'application des peines visées au titre V, entrent en vigueur à l'égard des condamnés exécutant une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à moins de six mois, à une date à déterminer par le Roi, et au plus tard le [9 1er juin 2030]9.]8
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, § 1, eerste lid, 1°, tweede lid en § 2, 24, 25, § 2, 26, § 2, 31, 32, 36, 37, 41, 42, 43, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 96, 97, 98, 99, 100, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 107 en 108 vastgesteld op 01-02-2007 door KB 2007-01-22/30, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 98/1 vastgesteld op 01-11-2008 door KB 2008-10-01/34, art. 9, 1°)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 20/1, ingevoegd door de W 2012-03-15/09, art. 4; Inwerkingtreding : 09-04-2012, vastgesteld op 09-04-2012 door KB 2013-11-07/36, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 25/1 en artikel 26/1 van Titel V, Hoofdstuk III, ingevoegd door de W 2013-03-17/01, art. 5 en 7; Inwerkingtreding : 19-03-2013, vastgesteld op 19-03-2013 door KB 2013-11-07/36, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 26/1 van Titel V, Hoofdstuk IV, ingevoegd door de W 2012-12-14/53, art. 4; Inwerkingtreding : 02-05-2013, vastgesteld op 02-05-2013 door KB 2013-11-07/36, art. 3)
(NOTA : Inwerkingtreding van art 72 tot en met 80 vastgesteld op 12-01-2015, door KB 2014-12-30/09, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 98/1 vastgesteld op 01-11-2008 door KB 2008-10-01/34, art. 9, 1°)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 20/1, ingevoegd door de W 2012-03-15/09, art. 4; Inwerkingtreding : 09-04-2012, vastgesteld op 09-04-2012 door KB 2013-11-07/36, art. 1)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 25/1 en artikel 26/1 van Titel V, Hoofdstuk III, ingevoegd door de W 2013-03-17/01, art. 5 en 7; Inwerkingtreding : 19-03-2013, vastgesteld op 19-03-2013 door KB 2013-11-07/36, art. 2)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 26/1 van Titel V, Hoofdstuk IV, ingevoegd door de W 2012-12-14/53, art. 4; Inwerkingtreding : 02-05-2013, vastgesteld op 02-05-2013 door KB 2013-11-07/36, art. 3)
(NOTA : Inwerkingtreding van art 72 tot en met 80 vastgesteld op 12-01-2015, door KB 2014-12-30/09, art. 1)
Modifications
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, § 1, premier alinéa, 1°, deuxième alinéa et § 2, 24, 25, § 2, 26, §2, 31, 32, 36, 37, 41, 42, 43, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 71, 96, 97, 98, 99, 100, 101, 102, 103, 104, 105, 106, 107 et 108 fixée au 01-02-2007 par AR 2007-01-22/30, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 98/1 fixée au 01-11-2008 par AR 2008-10-01/34, art. 9, 1°)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 20/1, inséré par L 2012-03-15/09, art. 4; En vigueur : 09-04-2012, fixée au 09-04-2012 par AR 2013-11-07/36, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 25/1 et l'article 26/1 du Titre V, Chapitre III, inséré par L 2013-03-17/01, art. 5 et 7; En vigueur : 19-03-2013, fixée par 19-03-2013 par AR 2013-11-07/36, art. 2)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 26/1 du Titre V, Chapitre IV, inséré par L 2012-12-14/53, art. 4; En vigueur : 02-05-2013, fixée au 02-05-2013 par AR 2013-11-07/36, art. 3)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 72 à 80 fixée au 12-01-2015 par AR 2014-12-30/09, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 98/1 fixée au 01-11-2008 par AR 2008-10-01/34, art. 9, 1°)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 20/1, inséré par L 2012-03-15/09, art. 4; En vigueur : 09-04-2012, fixée au 09-04-2012 par AR 2013-11-07/36, art. 1)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 25/1 et l'article 26/1 du Titre V, Chapitre III, inséré par L 2013-03-17/01, art. 5 et 7; En vigueur : 19-03-2013, fixée par 19-03-2013 par AR 2013-11-07/36, art. 2)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 26/1 du Titre V, Chapitre IV, inséré par L 2012-12-14/53, art. 4; En vigueur : 02-05-2013, fixée au 02-05-2013 par AR 2013-11-07/36, art. 3)
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 72 à 80 fixée au 12-01-2015 par AR 2014-12-30/09, art. 1)
Modifications
Art. 109/1. [1 Tot 1 juni 2030 zijn de artikelen 21, 22, 23, 24, 25, 25/1, 25/3, 26 en 26/1 van titel V, hoofdstukken I, II en III, en de artikelen 28, 29, 30, 31, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 42, 43, 45, 46, 59 en 60 niet van toepassing ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt, behoudens ten aanzien van:
- de veroordeelde die een straf ondergaat waarvoor overeenkomstig artikel 32 een gespecialiseerd advies vereist is;
- de veroordeelde voor wat betreft de toekenning van de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen.
Na een evaluatie van de beschikbare penitentiaire capaciteit en de extrapolatie van de instroom van de gedetineerdenbevolking, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde datum ten aanzien van alle of een deel van de veroordeelden bedoeld in het eerste lid vervroegen. ]1
- de veroordeelde die een straf ondergaat waarvoor overeenkomstig artikel 32 een gespecialiseerd advies vereist is;
- de veroordeelde voor wat betreft de toekenning van de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaalde aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen.
Na een evaluatie van de beschikbare penitentiaire capaciteit en de extrapolatie van de instroom van de gedetineerdenbevolking, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde datum ten aanzien van alle of een deel van de veroordeelden bedoeld in het eerste lid vervroegen. ]1
Art. 109/1. [1 Jusqu'au 1er juin 2030, les articles 21, 22, 23, 24, 25, 25/1, 25/3, 26 et 26/1 du titre V, chapitres Ier, II et III, et les articles 28, 29, 30, 31, 33, 34, 36, 37, 38, 39, 40, 42, 43, 45, 46, 59 et 60 ne s'appliquent pas à l'égard du condamné qui subit une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à trois ans ou moins, sauf à l'égard du:
- condamné qui subit une peine pour laquelle un avis spécialisé est requis conformément à l'article 32;
- condamné en ce qui concerne l'octroi de la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée.
Après évaluation de la capacité carcérale disponible et extrapolation du flux de la population détenue entrante, le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, anticiper la date visée à l'alinéa 1er à l'égard de tout ou partie des condamnés visés à l'alinéa 1er. ]1
- condamné qui subit une peine pour laquelle un avis spécialisé est requis conformément à l'article 32;
- condamné en ce qui concerne l'octroi de la réduction de la durée de l'interdiction, prononcée par le juge, du droit d'habiter, de résider ou de se tenir dans une zone déterminée désignée.
Après évaluation de la capacité carcérale disponible et extrapolation du flux de la population détenue entrante, le Roi peut, par un arrêté délibéré en Conseil des ministres, anticiper la date visée à l'alinéa 1er à l'égard de tout ou partie des condamnés visés à l'alinéa 1er. ]1