Artikel 1. § 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° biobrandstof : vloeibare of gasvormige transportbrandstof die gewonnen is uit biomassa;
2° biomassa : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;
3° andere hernieuwbare brandstoffen : andere hernieuwbare brandstoffen dan biobrandstoffen, die afkomstig zijn van hernieuwbare energiebronnen als omschreven in Richtlijn 2001/77/EG en voor vervoersdoeleinden gebruikt worden;
4° energie-inhoud : de calorische onderwaarde van een brandstof;
5° diesel : aardolieproducten die beantwoorden aan de specificaties van de normen NBN EN 590 in de laatste uitgave;
6° benzine : aardolieproducten die beantwoorden aan de specificaties van de normen NBN EN 228 in de laatste uitgave;
7° biodiesel : voor gebruik als biobrandstof bestemd methylester van plantaardige of dierlijke olie van dieselkwaliteit dat beantwoordt aan de specificaties van de norm NBN EN 14214;
8° bio-ETBE (ethyl-tertiair-butylether) : op basis van bioethanol geproduceerde ETBE. Het volumepercentage bio-ETBE dat als biobrandstof wordt gerekend, bedraagt 47 %;
9° bio-ethanol : voor gebruik als biobrandstof bestemd ethanol dat gewonnen is uit biomassa en/of de biologisch afbreekbare afvalfractie;
10° biogas : voor gebruik als biobrandstof bestemd brandstofgas dat gewonnen is uit biomassa en/of uit de biologisch afbreekbare afvalfractie en dat gezuiverd kan worden tot aardgaskwaliteit, of houtgas;
11° biomethanol : voor gebruik als biobrandstof bestemd methanol dat gewonnen is uit biomassa;
12° biodimethylether : voor gebruik als biobrandstof bestemde dimethylether die gewonnen is uit biomassa;
13° bio-MTBE (methyl-tertiair-butylether) : een op basis van biomethanol geproduceerde brandstof. Het volumepercentage bio-MTBE dat als biobrandstof wordt gerekend, bedraagt 36 %;
14° synthetische biobrandstoffen : synthetische koolwaterstoffen of mengsels van synthetische koolwaterstoffen die gewonnen zijn uit biomassa;
15° biowaterstof : voor gebruik als biobrandstof bestemde waterstof die gewonnen is uit biomassa en/of uit de biologisch afbreekbare afvalfractie;
16° onvermengde plantaardige olie : door persing, extractie of soortgelijke procédés uit oliehoudende planten gewonnen olie, natuurlijk of geraffineerd, doch chemisch ongewijzigd, die beantwoordt aan de motortypen en de emissievoorschriften daarvoor;
17° CEN : Comité européen de Normalisation;
18° (De bevoegde overheden zijn :
- Algemene Directie Energie : de Algemene directie Energie van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
- Het Directoraat-generaal Leefmilieu : het Directoraat-generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu) <KB 2006-11-22/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 07-12-2006>
19° de controlediensten : de diensten bevoegd voor het toezicht op en de controle op de kwaliteit van de aardolieproducten van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.
(20° Eindgebruiker : elke natuurlijke of rechtspersoon die de in dit Besluit bedoelde biobrandstoffen gebruikt;
21° Betrokken partij : elke natuurlijke of rechtspersoon die producent of eindgebruiker is van de in dit Besluit bedoelde biobrandstof.) <KB 2006-11-22/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 07-12-2006>
§ 2. De definities vervat in de wet van 21 december 1998 betreffende de productnormen ter bevordering van duurzame productie- en consumptiepatronen en ter bescherming van het leefmilieu en de volksgezondheid zijn eveneens van toepassing op dit besluit.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
4 MAART 2005. - Koninklijk besluit betreffende de benamingen en de kenmerken van de biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen voor motorvoertuigen en voor niet voor de weg bestemde mobiele machines. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 08-03-2005 en tekstbijwerking tot 07-12-2006)
Titre
4 MARS 2005. - Arrêté royal relatif aux dénominations et aux caractéristiques des biocarburants et d'autres carburants renouvelables pour les véhicules à moteur et pour les engins mobiles non routiers. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 08-03-2005 et mise à jour au 07-12-2006)
Informations sur le document
Numac: 2005022151
Datum: 2005-03-04
Info du document
Numac: 2005022151
Date: 2005-03-04
Table des matières
Tekst (9)
Texte (9)
HOOFDSTUK 1. - Definities.
CHAPITRE 1er. - Définitions.
Article 1. § 1er. Aux fins du présent arrêté, on entend par :
1° biocarburant : un combustible liquide ou gazeux utilisé pour le transport et produit à partir de la biomasse;
2° biomasse : la fraction biodégradable des produits, déchets et résidus provenant de l'agriculture (y compris les substances végétales et animales), de la sylviculture et de ses industries connexes, ainsi que la fraction biodégradable des déchets industriels et municipaux;
3° autres carburants renouvelables : des carburants renouvelables autres que les biocarburants, provenant de sources d'énergie renouvelables au sens de la Directive 2001/77/CE et utilisés à des fins de transport;
4° teneur énergétique : le pouvoir calorifique inférieur d'un combustible;
5° diesel : produits pétroliers répondant aux spécifications des normes NBN EN 590 dans sa dernière édition;
6° essence : produits pétroliers répondant aux spécifications des normes NBN EN 228 dans sa dernière édition;
7° biodiesel : ester méthylique de qualité diesel produit à partir d'une huile végétale ou animale à utiliser comme biocarburant et répondant aux spécifications de la norme NBN EN 14214;
8° bio-ETBE (éthyl-tertio-butyl-éther) : ETBE produit à partir de bioéthanol. Le pourcentage en volume de biocarburant dans le bio-ETBE est de 47 %;
9° bioéthanol : éthanol produit à partir de la biomasse et/ou de la fraction biodégradable des déchets et utilisé comme biocarburant;
10° biogas : gaz combustible produit à partir de la biomasse et/ou de la fraction biodégradable des déchets, purifié jusqu'à obtention d'une qualité équivalente à celle du gaz naturel et utilisé comme biocarburant, ou gaz produit à partir du bois;
11° biométhanol : méthanol produit à partir de la biomasse, à utiliser comme biocarburant;
12° biodiméthyléther : diméthyléther produit à partir de la biomasse, utilisé comme biocarburant;
13° bio-MTBE (méthyl-tertio-butyl-éther) : un carburant produit à partir de biométhanol. Le pourcentage en volume de biocarburant dans le bio-MTBE est de 36 %;
14° biocarburants synthétiques : hydrocarbures synthétiques ou mélanges d'hydrocarbures synthétiques produits à partir de la biomasse;
15° biohydrogène : hydrogène produit à partir de la biomasse et/ou de la fraction biodégradable des déchets et utilisé comme biocarburant;
16° huile végétale pure : huile produite à partir de plantes oléagineuses par pression, extraction ou procédés comparables, brute ou raffinée, mais sans modification chimique, dans les cas où son utilisation est compatible avec le type de moteur concerné et les exigences correspondantes en matière d'émissions;
17° CEN : Comité européen de Normalisation;
18° (Les autorités compétentes sont :
- La Direction générale Energie : La Direction générale Energie du SPF Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie;
- La Direction générale Environnement : la Direction générale Environnement du SPF Santé Publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement;) <AR 2006-11-22/37, art. 1, 002; En vigueur : 07-12-2006>
19° les services de contrôle : les services compétents pour la surveillance et le contrôle de la qualité des produits pétroliers du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie.
(20° L'utilisateur final : personne physique ou morale qui utilise le biocarburant visé dans le présent arrêté;
21° : Partie concernée : toute personne physique ou morale, producteur ou utilisateur final de biocarburant visé dans le présent arrêté.) <AR 2006-11-22/37, art. 1, 002; En vigueur : 07-12-2006>
§ 2. Les définitions contenues dans la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de Production et de Consommation durables et la protection de l'environnement et de la santé sont également d'application au présent arrêté.
1° biocarburant : un combustible liquide ou gazeux utilisé pour le transport et produit à partir de la biomasse;
2° biomasse : la fraction biodégradable des produits, déchets et résidus provenant de l'agriculture (y compris les substances végétales et animales), de la sylviculture et de ses industries connexes, ainsi que la fraction biodégradable des déchets industriels et municipaux;
3° autres carburants renouvelables : des carburants renouvelables autres que les biocarburants, provenant de sources d'énergie renouvelables au sens de la Directive 2001/77/CE et utilisés à des fins de transport;
4° teneur énergétique : le pouvoir calorifique inférieur d'un combustible;
5° diesel : produits pétroliers répondant aux spécifications des normes NBN EN 590 dans sa dernière édition;
6° essence : produits pétroliers répondant aux spécifications des normes NBN EN 228 dans sa dernière édition;
7° biodiesel : ester méthylique de qualité diesel produit à partir d'une huile végétale ou animale à utiliser comme biocarburant et répondant aux spécifications de la norme NBN EN 14214;
8° bio-ETBE (éthyl-tertio-butyl-éther) : ETBE produit à partir de bioéthanol. Le pourcentage en volume de biocarburant dans le bio-ETBE est de 47 %;
9° bioéthanol : éthanol produit à partir de la biomasse et/ou de la fraction biodégradable des déchets et utilisé comme biocarburant;
10° biogas : gaz combustible produit à partir de la biomasse et/ou de la fraction biodégradable des déchets, purifié jusqu'à obtention d'une qualité équivalente à celle du gaz naturel et utilisé comme biocarburant, ou gaz produit à partir du bois;
11° biométhanol : méthanol produit à partir de la biomasse, à utiliser comme biocarburant;
12° biodiméthyléther : diméthyléther produit à partir de la biomasse, utilisé comme biocarburant;
13° bio-MTBE (méthyl-tertio-butyl-éther) : un carburant produit à partir de biométhanol. Le pourcentage en volume de biocarburant dans le bio-MTBE est de 36 %;
14° biocarburants synthétiques : hydrocarbures synthétiques ou mélanges d'hydrocarbures synthétiques produits à partir de la biomasse;
15° biohydrogène : hydrogène produit à partir de la biomasse et/ou de la fraction biodégradable des déchets et utilisé comme biocarburant;
16° huile végétale pure : huile produite à partir de plantes oléagineuses par pression, extraction ou procédés comparables, brute ou raffinée, mais sans modification chimique, dans les cas où son utilisation est compatible avec le type de moteur concerné et les exigences correspondantes en matière d'émissions;
17° CEN : Comité européen de Normalisation;
18° (Les autorités compétentes sont :
- La Direction générale Energie : La Direction générale Energie du SPF Economie, P.M.E., Classes Moyennes et Energie;
- La Direction générale Environnement : la Direction générale Environnement du SPF Santé Publique, Sécurité de la chaîne alimentaire et Environnement;) <AR 2006-11-22/37, art. 1, 002; En vigueur : 07-12-2006>
19° les services de contrôle : les services compétents pour la surveillance et le contrôle de la qualité des produits pétroliers du Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie.
(20° L'utilisateur final : personne physique ou morale qui utilise le biocarburant visé dans le présent arrêté;
21° : Partie concernée : toute personne physique ou morale, producteur ou utilisateur final de biocarburant visé dans le présent arrêté.) <AR 2006-11-22/37, art. 1, 002; En vigueur : 07-12-2006>
§ 2. Les définitions contenues dans la loi du 21 décembre 1998 relative aux normes de produits ayant pour but la promotion de modes de Production et de Consommation durables et la protection de l'environnement et de la santé sont également d'application au présent arrêté.
HOOFDSTUK 2. - Minimaal aandeel van biobrandstoffen.
CHAPITRE 2. - Part minimale de biocarburants.
Art.2. Biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen mogen, onvermengd of vermengd in benzine en diesel, op de markt worden gebracht wanneer en voor zover ze voldoen aan de voorwaarden bepaald in dit besluit, onverminderd de bepalingen inzake accijnzen.
Art.2. La mise sur le marché de biocarburants et autres carburants renouvelables, en mélange ou non, dans l'essence et le diesel, est autorisée si et pour autant qu'ils satisfassent aux conditions définies dans le présent arrêté, sans préjudice aux dispositions en matière d'accises.
Art.3. § 1. De biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen moeten voldoen aan de normen vastgesteld door het CEN.
(Bij ontstentenis van een CEN- norm voor een biobrandstof kunnen de Ministers van Energie en Leefmilieu beslissen tot het ontwikkelen van een Belgische NBN-norm. Een biobrandstof waarvoor een Belgische NBN- norm bestaat, dient aan deze norm te voldoen.) <KB 2006-11-22/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-12-2006>
§ 2. (Een biobrandstof die afwijkt van de bestaande CEN- of NBN- norm of waarvoor geen CEN- of NBN- norm bestaat, mag enkel op de markt gebracht worden indien de natuurlijke personen of rechtspersonen die deze motorbrandstof op de markt wensen te brengen een beslissing tot afwijking bekomen hebben vanwege de bevoegde overheden.
Deze beslissing tot afwijking kan gegeven worden :
1° voor niet-genormeerde motorbrandstoffen wanneer ze verhandeld worden tussen een beperkt aantal welbepaalde partijen in het kader van een specifiek project en onder de voorwaarden gedefinieerd in § 3;
2° voor het op de markt brengen met als doel de verkoop aan de eindgebruiker van koolzaadolie van de GN-code 1514 onder de voorwaarden gedefinieerd in § 4.) <KB 2006-11-22/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-12-2006>
(§ 3. Een biobrandstof die afwijkt van de bestaande CEN- of NBN- norm of waarvoor geen CEN- of NBN- norm bestaat, mag enkel verhandeld worden tussen een beperkt aantal welbepaalde partijen in het kader van een specifiek project op voorwaarde dat de betrokken partijen hiervoor een beslissing tot afwijking van de bevoegde overheden hebben gekregen.
Behoudens enige andere voorwaarde die de bevoegde overheden mogelijk opleggen, wordt de beslissing tot afwijking vanwege de bevoegde overheden tot het op de markt brengen beperkt tot de betrokken partijen. Deze laatsten mogen de biobrandstof in geen geval aanbieden aan een distributiepunt dat toegankelijk is voor andere eindgebruikers dan deze die expliciet betrokken zijn in het specifieke project of aan enige andere eindgebruiker die niet in de aanvraag is vermeld. De verdeler voorziet een etikettering, die op het distributiepunt wordt aangebracht. De verdeler waarschuwt de eindgebruiker met behulp van een label over de mogelijke gevolgen bij het gebruik van de biobrandstof in niet aangepaste voertuigen.
De voornoemde beslissing tot afwijking geldt voor een periode van drie jaar. Ze kan telkens met 3 jaar worden verlengd op basis van een nieuwe aanvraag. Ze kan worden ingetrokken bij niet-naleving van de voorwaarden van de toelating.
Om een beslissing tot afwijking voor het verhandelen van een niet-genormeerde biobrandstof te bekomen, dienen de bij het project betrokken partijen per aangetekende brief een aanvraag in bij de Algemene Directie Energie.
De aanvraag wordt ingediend met een formulier dat volgende elementen bevat :
1° een nauwkeurige omschrijving van de biobrandstof en zijn technische specificaties;
2° een nauwkeurige omschrijving van het specifieke project, de lijst van de bij het project betrokken partijen en de voorwaarden waarop de biobrandstof tussen deze partijen mag worden verhandeld;
3° de looptijd van het project.
" Het goedkeuringsformulier projecten of captieve vloten " is beschikbaar bij de bevoegde overheden.
De Algemene Directie Energie bezorgt binnen 10 kalenderdagen een kopie van de aanvraag aan het Directoraat-generaal Leefmilieu.
De Algemene Directie Energie deelt de gezamenlijke beslissing van de twee directoraten-generaal per aangetekende brief binnen een termijn van drie maand na de aanvraag mee. Zowel een beslissing van afwijking als de weigering van een dergelijke afwijking wordt hierbij met redenen omkleed.
De Algemene Directie Energie beoordeelt de aanvraag op de technische kenmerken van de biobrandstof en op de wijze van verhandeling ervan. Het Directoraat-generaal Leefmilieu beoordeelt de aanvraag op het vlak van leefmilieu. De aanvraag kan alleen gunstig worden beoordeeld als beide bevoegde overheden akkoord gaan.
Deze modaliteiten beschreven in deze § 3 zijn eveneens van toepassing :
1° voor koolzaadolie van de GN-code 1514 geproduceerd als motorbrandstof;
2° voor motorbrandstoffen met een hoger gehalte aan biobrandstof dan toegelaten door de Europese norm EN 590 voor diesel en de Europese norm EN 228 voor benzine;
Voor de gewestelijke vervoersmaatschappijen wordt de termijn voor de mededeling van de gezamenlijke beslissing teruggebracht naar 6 weken. "
§ 4. Onverminderd de bepalingen van § 3 en van de Programmawet van 27 december 2004, inzonderheid artikel 419bis, § 3, ingevoegd door de Programmawet van 11 juli 2005 en van de Programmawet van 11 juli 2005, inzonderheid artikelen 33 en 34, mag koolzaadolie van de GN-code 1514 geproduceerd als motorbrandstof op de markt gebracht worden op voorwaarde dat de natuurlijke of rechtspersonen die deze biobrandstof op de markt wensen te brengen
1° een beslissing tot afwijking hiertoe van de bevoegde overheden hebben verkregen en
2° het kwaliteitscertificaat voor koolzaadolie als motorbrandstof ondertekenen.
De beslissing tot afwijking bedoeld in 1° bepaalt, bij afwezigheid van een Belgische norm voor koolzaadolie als motorbrandstof, de kwaliteitseisen waaraan deze motorbrandstof dient te voldoen en eventuele andere voorwaarden en beperkingen voor het in verbruik stellen.
De beslissing tot afwijking geldt voor een periode van drie jaar. Ze kan telkens voor 3 jaar worden verlengd op basis van een nieuwe aanvraag. Ze kan worden ingetrokken bij niet-naleving van de voorwaarden van de beslissing.
Om een beslissing tot afwijking voor het in verbruik stellen van koolzaadolie als motorbrandstof te verkrijgen, richten de natuurlijke of rechtspersonen die deze biobrandstof op de markt wensen te brengen een aanvraag aan de Algemene Directie Energie aan de hand van " het goedkeuringsformulier koolzaadolie voor landbouwers " dat beschikbaar is op de website van de bevoegde diensten.
De Algemene Directie Energie bezorgt binnen 10 kalenderdagen een kopie van de aanvraag aan het Directoraat-generaal Leefmilieu.
De Algemene Directie Energie deelt de gezamenlijke beslissing van de twee directoraten-generaal per aangetekende brief binnen een termijn van 6 weken na de aanvraag mee. Zowel een beslissing van afwijking als de weigering van een dergelijke afwijking wordt hierbij met redenen omkleed.
De Algemene Directie Energie beoordeelt de aanvraag op de technische kenmerken van de biobrandstof en op de wijze van verhandeling ervan. Het Directoraat-generaal Leefmilieu beoordeelt de aanvraag op het vlak van leefmilieu. De aanvraag kan alleen gunstig worden beoordeeld als beide bevoegde overheden akkoord gaan.
Het kwaliteitscertificaat bedoeld in 2° wordt opgesteld door de bevoegde overheden. Het bevat engagementen vanwege de aanvragende partijen. Deze engagementen betreffen :
1° de kwaliteit van de aangeboden koolzaadolie;
2° de controle van de kwaliteit van de aangeboden koolzaadolie;
3° de wijze van aanbieding van deze koolzaadolie;
4° de informatie aan de eindgebruiker.
Het kwaliteitscertificaat wordt aangevuld met een technische bijlage waarin de hierboven vermelde engagementen worden toegelicht.
De Ministers van de bevoegde overheden bepalen het kwaliteitscertificaat.
Het kwaliteitscertificaat wordt door de aanvragende partijen in tweevoud en ondertekend aan de bevoegde overheden bezorgd.
Een modelexemplaar van het kwaliteitscertificaat, van zijn technische bijlage, evenals de lijst van de natuurlijke en rechtspersonen die koolzaadolie geproduceerd als motorbrandstof op de markt brengen volgens de voorwaarden bedoeld in deze paragraaf is beschikbaar op de websites van de bevoegde overheden.) <KB 2006-11-22/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-12-2006>
(Bij ontstentenis van een CEN- norm voor een biobrandstof kunnen de Ministers van Energie en Leefmilieu beslissen tot het ontwikkelen van een Belgische NBN-norm. Een biobrandstof waarvoor een Belgische NBN- norm bestaat, dient aan deze norm te voldoen.) <KB 2006-11-22/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-12-2006>
§ 2. (Een biobrandstof die afwijkt van de bestaande CEN- of NBN- norm of waarvoor geen CEN- of NBN- norm bestaat, mag enkel op de markt gebracht worden indien de natuurlijke personen of rechtspersonen die deze motorbrandstof op de markt wensen te brengen een beslissing tot afwijking bekomen hebben vanwege de bevoegde overheden.
Deze beslissing tot afwijking kan gegeven worden :
1° voor niet-genormeerde motorbrandstoffen wanneer ze verhandeld worden tussen een beperkt aantal welbepaalde partijen in het kader van een specifiek project en onder de voorwaarden gedefinieerd in § 3;
2° voor het op de markt brengen met als doel de verkoop aan de eindgebruiker van koolzaadolie van de GN-code 1514 onder de voorwaarden gedefinieerd in § 4.) <KB 2006-11-22/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-12-2006>
(§ 3. Een biobrandstof die afwijkt van de bestaande CEN- of NBN- norm of waarvoor geen CEN- of NBN- norm bestaat, mag enkel verhandeld worden tussen een beperkt aantal welbepaalde partijen in het kader van een specifiek project op voorwaarde dat de betrokken partijen hiervoor een beslissing tot afwijking van de bevoegde overheden hebben gekregen.
Behoudens enige andere voorwaarde die de bevoegde overheden mogelijk opleggen, wordt de beslissing tot afwijking vanwege de bevoegde overheden tot het op de markt brengen beperkt tot de betrokken partijen. Deze laatsten mogen de biobrandstof in geen geval aanbieden aan een distributiepunt dat toegankelijk is voor andere eindgebruikers dan deze die expliciet betrokken zijn in het specifieke project of aan enige andere eindgebruiker die niet in de aanvraag is vermeld. De verdeler voorziet een etikettering, die op het distributiepunt wordt aangebracht. De verdeler waarschuwt de eindgebruiker met behulp van een label over de mogelijke gevolgen bij het gebruik van de biobrandstof in niet aangepaste voertuigen.
De voornoemde beslissing tot afwijking geldt voor een periode van drie jaar. Ze kan telkens met 3 jaar worden verlengd op basis van een nieuwe aanvraag. Ze kan worden ingetrokken bij niet-naleving van de voorwaarden van de toelating.
Om een beslissing tot afwijking voor het verhandelen van een niet-genormeerde biobrandstof te bekomen, dienen de bij het project betrokken partijen per aangetekende brief een aanvraag in bij de Algemene Directie Energie.
De aanvraag wordt ingediend met een formulier dat volgende elementen bevat :
1° een nauwkeurige omschrijving van de biobrandstof en zijn technische specificaties;
2° een nauwkeurige omschrijving van het specifieke project, de lijst van de bij het project betrokken partijen en de voorwaarden waarop de biobrandstof tussen deze partijen mag worden verhandeld;
3° de looptijd van het project.
" Het goedkeuringsformulier projecten of captieve vloten " is beschikbaar bij de bevoegde overheden.
De Algemene Directie Energie bezorgt binnen 10 kalenderdagen een kopie van de aanvraag aan het Directoraat-generaal Leefmilieu.
De Algemene Directie Energie deelt de gezamenlijke beslissing van de twee directoraten-generaal per aangetekende brief binnen een termijn van drie maand na de aanvraag mee. Zowel een beslissing van afwijking als de weigering van een dergelijke afwijking wordt hierbij met redenen omkleed.
De Algemene Directie Energie beoordeelt de aanvraag op de technische kenmerken van de biobrandstof en op de wijze van verhandeling ervan. Het Directoraat-generaal Leefmilieu beoordeelt de aanvraag op het vlak van leefmilieu. De aanvraag kan alleen gunstig worden beoordeeld als beide bevoegde overheden akkoord gaan.
Deze modaliteiten beschreven in deze § 3 zijn eveneens van toepassing :
1° voor koolzaadolie van de GN-code 1514 geproduceerd als motorbrandstof;
2° voor motorbrandstoffen met een hoger gehalte aan biobrandstof dan toegelaten door de Europese norm EN 590 voor diesel en de Europese norm EN 228 voor benzine;
Voor de gewestelijke vervoersmaatschappijen wordt de termijn voor de mededeling van de gezamenlijke beslissing teruggebracht naar 6 weken. "
§ 4. Onverminderd de bepalingen van § 3 en van de Programmawet van 27 december 2004, inzonderheid artikel 419bis, § 3, ingevoegd door de Programmawet van 11 juli 2005 en van de Programmawet van 11 juli 2005, inzonderheid artikelen 33 en 34, mag koolzaadolie van de GN-code 1514 geproduceerd als motorbrandstof op de markt gebracht worden op voorwaarde dat de natuurlijke of rechtspersonen die deze biobrandstof op de markt wensen te brengen
1° een beslissing tot afwijking hiertoe van de bevoegde overheden hebben verkregen en
2° het kwaliteitscertificaat voor koolzaadolie als motorbrandstof ondertekenen.
De beslissing tot afwijking bedoeld in 1° bepaalt, bij afwezigheid van een Belgische norm voor koolzaadolie als motorbrandstof, de kwaliteitseisen waaraan deze motorbrandstof dient te voldoen en eventuele andere voorwaarden en beperkingen voor het in verbruik stellen.
De beslissing tot afwijking geldt voor een periode van drie jaar. Ze kan telkens voor 3 jaar worden verlengd op basis van een nieuwe aanvraag. Ze kan worden ingetrokken bij niet-naleving van de voorwaarden van de beslissing.
Om een beslissing tot afwijking voor het in verbruik stellen van koolzaadolie als motorbrandstof te verkrijgen, richten de natuurlijke of rechtspersonen die deze biobrandstof op de markt wensen te brengen een aanvraag aan de Algemene Directie Energie aan de hand van " het goedkeuringsformulier koolzaadolie voor landbouwers " dat beschikbaar is op de website van de bevoegde diensten.
De Algemene Directie Energie bezorgt binnen 10 kalenderdagen een kopie van de aanvraag aan het Directoraat-generaal Leefmilieu.
De Algemene Directie Energie deelt de gezamenlijke beslissing van de twee directoraten-generaal per aangetekende brief binnen een termijn van 6 weken na de aanvraag mee. Zowel een beslissing van afwijking als de weigering van een dergelijke afwijking wordt hierbij met redenen omkleed.
De Algemene Directie Energie beoordeelt de aanvraag op de technische kenmerken van de biobrandstof en op de wijze van verhandeling ervan. Het Directoraat-generaal Leefmilieu beoordeelt de aanvraag op het vlak van leefmilieu. De aanvraag kan alleen gunstig worden beoordeeld als beide bevoegde overheden akkoord gaan.
Het kwaliteitscertificaat bedoeld in 2° wordt opgesteld door de bevoegde overheden. Het bevat engagementen vanwege de aanvragende partijen. Deze engagementen betreffen :
1° de kwaliteit van de aangeboden koolzaadolie;
2° de controle van de kwaliteit van de aangeboden koolzaadolie;
3° de wijze van aanbieding van deze koolzaadolie;
4° de informatie aan de eindgebruiker.
Het kwaliteitscertificaat wordt aangevuld met een technische bijlage waarin de hierboven vermelde engagementen worden toegelicht.
De Ministers van de bevoegde overheden bepalen het kwaliteitscertificaat.
Het kwaliteitscertificaat wordt door de aanvragende partijen in tweevoud en ondertekend aan de bevoegde overheden bezorgd.
Een modelexemplaar van het kwaliteitscertificaat, van zijn technische bijlage, evenals de lijst van de natuurlijke en rechtspersonen die koolzaadolie geproduceerd als motorbrandstof op de markt brengen volgens de voorwaarden bedoeld in deze paragraaf is beschikbaar op de websites van de bevoegde overheden.) <KB 2006-11-22/37, art. 2, 002; Inwerkingtreding : 07-12-2006>
Art.3. § 1er. Les biocarburants et autres carburants renouvelables doivent satisfaire aux normes établies par le CEN.
(En absence d'une norme CEN pour un biocarburant, les Ministres de l'Energie et de l'Environnement peuvent décider du développement d'une norme belge NBN. Un biocarburant pour lequel une norme belge NBN existe doit répondre à cette norme.) <AR 2006-11-22/37, art. 2, 002; En vigueur : 07-12-2006>
§ 2. (Un biocarburant qui déroge à la norme CEN ou NBN existante ou pour laquelle aucune norme CEN ou NBN n'existe, peut uniquement être mis sur le marché si les personnes physiques ou morales qui veulent mettre ce biocarburant sur le marché ont obtenu une décision de dérogation des autorités compétentes.
Cette décision de dérogation peut être octroyée :
1° pour des biocarburants non-normés quand ils sont vendus entre un nombre limité de parties précisées dans le cadre d'un projet spécifique et sous les conditions définies au § 3;
2° pour la mise sur le marché avec comme but la vente au consommateur final d'huile de colza du code NC 1514 sous les conditions définies au § 4.) <AR 2006-11-22/37, art. 2, 002; En vigueur : 07-12-2006>
(§ 3. Un biocarburant qui déroge à la norme CEN ou NBN existante ou pour lequel aucune norme CEN ou NBN n'existe, peut uniquement être vendu entre un nombre limité de parties précisées dans le cadre d'un projet spécifique, pour autant que les parties concernées en obtiennent la décision de dérogation des services compétents.
Outre les conditions éventuelles fixées par les autorités compétentes, la décision de dérogation des autorités compétentes restreint la mise sur le marché aux seules parties concernées. Ces dernières ne pourront en aucun cas distribuer le biocarburant dans un point de distribution accessible pour d'autres utilisateurs finaux que ceux qui sont explicitement impliqués dans le projet spécifique ou à tout autre utilisateur final non précisé lors de la demande. Le distributeur prévoit un étiquetage, qui s'opère au point de distribution. Le distributeur avertit l'utilisateur final, au moyen d'un label, des conséquences possibles de l'utilisation du biocarburant dans des véhicules inadaptés.
La décision de dérogation précitée est valable pour une période de trois ans. Elle peut être prolongée pour une période de trois ans sur base d'une nouvelle demande. Elle peut être retirée en cas de non-respect des conditions de l'autorisation.
Afin d'obtenir une décision de dérogation pour vendre un biocarburant, les parties impliquées dans le projet introduisent une demande par lettre recommandée auprès de la Direction générale de l'Energie.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire qui contient les éléments suivants :
1° une description précise du biocarburant et ses spécifications techniques;
2° une description précise du projet spécifique, l'énumération des parties impliquées et les conditions pour la vente de biocarburant entre ces parties;
3° la durée du projet.
" Le formulaire d'autorisation projet ou flottes captives " est disponible auprès des autorités compétentes.
La Direction générale Energie envoie une copie de la demande dans les dix jours calendrier à la Direction générale Environnement.
La Direction générale Energie notifie la décision commune des deux directions générales par lettre recommandée dans un délai de 3 mois suivant la demande. Tant une décision de dérogation que le refus d'une telle dérogation seront motivés.
La Direction générale Energie juge la demande sur la base des caractéristiques techniques du biocarburant et sur la manière de mettre en vente. La Direction générale Environnement juge la demande d'un point de vue environnemental. La demande ne peut être accueillie favorablement qu'avec l'accord conjoint des autorités compétentes.
Ces modalités décrites dans ce § 3 sont également d'application :
1° à l'huile de colza du code NC 1514, produite comme carburant;
2° aux carburants avec une teneur en biocarburant plus élevée que celle autorisée par la norme EN 590 pour le diesel et à la norme EN 228 pour l'essence;
Pour les sociétés de transport en commun régionales la notification de la décision commune est reportée à un délai de six semaines.
§ 4. Sans préjudice des dispositions du § 3 et des dispositions de la loi programme du 27 décembre 2004, notamment l'article 419bis, § 3, inséré par la loi-programme du 11 juillet 2005 et de la loi-programme du 25 juillet 2005, notamment les articles 33 et 34, l'huile de colza du code NC 1514 produite comme carburant peut être mise sur le marché, à condition que les personnes physiques ou morales qui veulent mettre ce biocarburant sur le marché :
1° en aient obtenu la décision de dérogation préalable des autorités compétentes et
2° signent le certificat de qualité pour l'huile de colza comme carburant.
La décision de dérogation préalable visée au 1° fixe, en cas d'absence d'une norme belge, les exigences de qualité auxquelles ce biocarburant doit répondre et les autres conditions et restrictions éventuelles pour la mise à la consommation.
La décision de dérogation précitée est valable pour une période de trois ans. Elle peut être prolongée par période de trois ans sur base d'une nouvelle demande. Elle peut être retirée en cas de non-respect des conditions de la décision.
Afin d'obtenir une décision de dérogation pour la mise à la consommation d'huile de colza comme carburant, les personnes physiques ou morales voulant mettre ce biocarburant sur le marché, adressent une demande auprès de la Direction générale Energie par moyen du " formulaire d'autorisation huile de colza pour agriculteurs " disponible sur le site internet des services compétents.
La Direction générale Energie envoie une copie de la demande dans les dix jours calendrier à la Direction Générale Environnement.
La Direction générale Energie notifie la décision commune des deux directions générales par lettre recommandée dans un délai de 6 semaines suivant la demande. Tant une décision de dérogation que le refus d'une telle dérogation seront motivés.
La Direction générale Energie juge la demande sur les caractéristiques techniques du biocarburant et sur la manière de le mettre en vente. La Direction générale Environnement juge la demande d'un point de vue environnemental. La demande ne peut être accueillie favorablement qu'avec l'accord des deux autorités compétentes.
Le certificat de qualité visé au 2° est rédigé par les autorités compétentes. Il contient des engagements de la part des parties demanderesses. Ces engagements, portent sur :
1° la qualité de l'huile de colza offerte;
2° le contrôle de la qualité de l'huile de colza offerte;
3° la manière d'offrir cette huile de colza;
4° l'information au consommateur final.
Le certificat de qualité est complété par une annexe technique dans laquelle les engagements cités ci-dessus sont expliqués.
Les Ministres des autorités compétentes fixent le certificat de qualité.
Le certificat de qualité est envoyé signé par les parties demanderesses en deux exemplaires aux autorités compétentes.
Un exemplaire du certificat de qualité, de son annexe technique, ainsi que la liste des personnes physiques et morales mettant sur le marché l'huile de colza produite comme carburant dans les conditions visées dans ce paragraphe sont disponibles sur les sites internet des autorités compétentes.) <AR 2006-11-22/37, art. 2, 002; En vigueur : 07-12-2006>
(En absence d'une norme CEN pour un biocarburant, les Ministres de l'Energie et de l'Environnement peuvent décider du développement d'une norme belge NBN. Un biocarburant pour lequel une norme belge NBN existe doit répondre à cette norme.) <AR 2006-11-22/37, art. 2, 002; En vigueur : 07-12-2006>
§ 2. (Un biocarburant qui déroge à la norme CEN ou NBN existante ou pour laquelle aucune norme CEN ou NBN n'existe, peut uniquement être mis sur le marché si les personnes physiques ou morales qui veulent mettre ce biocarburant sur le marché ont obtenu une décision de dérogation des autorités compétentes.
Cette décision de dérogation peut être octroyée :
1° pour des biocarburants non-normés quand ils sont vendus entre un nombre limité de parties précisées dans le cadre d'un projet spécifique et sous les conditions définies au § 3;
2° pour la mise sur le marché avec comme but la vente au consommateur final d'huile de colza du code NC 1514 sous les conditions définies au § 4.) <AR 2006-11-22/37, art. 2, 002; En vigueur : 07-12-2006>
(§ 3. Un biocarburant qui déroge à la norme CEN ou NBN existante ou pour lequel aucune norme CEN ou NBN n'existe, peut uniquement être vendu entre un nombre limité de parties précisées dans le cadre d'un projet spécifique, pour autant que les parties concernées en obtiennent la décision de dérogation des services compétents.
Outre les conditions éventuelles fixées par les autorités compétentes, la décision de dérogation des autorités compétentes restreint la mise sur le marché aux seules parties concernées. Ces dernières ne pourront en aucun cas distribuer le biocarburant dans un point de distribution accessible pour d'autres utilisateurs finaux que ceux qui sont explicitement impliqués dans le projet spécifique ou à tout autre utilisateur final non précisé lors de la demande. Le distributeur prévoit un étiquetage, qui s'opère au point de distribution. Le distributeur avertit l'utilisateur final, au moyen d'un label, des conséquences possibles de l'utilisation du biocarburant dans des véhicules inadaptés.
La décision de dérogation précitée est valable pour une période de trois ans. Elle peut être prolongée pour une période de trois ans sur base d'une nouvelle demande. Elle peut être retirée en cas de non-respect des conditions de l'autorisation.
Afin d'obtenir une décision de dérogation pour vendre un biocarburant, les parties impliquées dans le projet introduisent une demande par lettre recommandée auprès de la Direction générale de l'Energie.
La demande est introduite au moyen d'un formulaire qui contient les éléments suivants :
1° une description précise du biocarburant et ses spécifications techniques;
2° une description précise du projet spécifique, l'énumération des parties impliquées et les conditions pour la vente de biocarburant entre ces parties;
3° la durée du projet.
" Le formulaire d'autorisation projet ou flottes captives " est disponible auprès des autorités compétentes.
La Direction générale Energie envoie une copie de la demande dans les dix jours calendrier à la Direction générale Environnement.
La Direction générale Energie notifie la décision commune des deux directions générales par lettre recommandée dans un délai de 3 mois suivant la demande. Tant une décision de dérogation que le refus d'une telle dérogation seront motivés.
La Direction générale Energie juge la demande sur la base des caractéristiques techniques du biocarburant et sur la manière de mettre en vente. La Direction générale Environnement juge la demande d'un point de vue environnemental. La demande ne peut être accueillie favorablement qu'avec l'accord conjoint des autorités compétentes.
Ces modalités décrites dans ce § 3 sont également d'application :
1° à l'huile de colza du code NC 1514, produite comme carburant;
2° aux carburants avec une teneur en biocarburant plus élevée que celle autorisée par la norme EN 590 pour le diesel et à la norme EN 228 pour l'essence;
Pour les sociétés de transport en commun régionales la notification de la décision commune est reportée à un délai de six semaines.
§ 4. Sans préjudice des dispositions du § 3 et des dispositions de la loi programme du 27 décembre 2004, notamment l'article 419bis, § 3, inséré par la loi-programme du 11 juillet 2005 et de la loi-programme du 25 juillet 2005, notamment les articles 33 et 34, l'huile de colza du code NC 1514 produite comme carburant peut être mise sur le marché, à condition que les personnes physiques ou morales qui veulent mettre ce biocarburant sur le marché :
1° en aient obtenu la décision de dérogation préalable des autorités compétentes et
2° signent le certificat de qualité pour l'huile de colza comme carburant.
La décision de dérogation préalable visée au 1° fixe, en cas d'absence d'une norme belge, les exigences de qualité auxquelles ce biocarburant doit répondre et les autres conditions et restrictions éventuelles pour la mise à la consommation.
La décision de dérogation précitée est valable pour une période de trois ans. Elle peut être prolongée par période de trois ans sur base d'une nouvelle demande. Elle peut être retirée en cas de non-respect des conditions de la décision.
Afin d'obtenir une décision de dérogation pour la mise à la consommation d'huile de colza comme carburant, les personnes physiques ou morales voulant mettre ce biocarburant sur le marché, adressent une demande auprès de la Direction générale Energie par moyen du " formulaire d'autorisation huile de colza pour agriculteurs " disponible sur le site internet des services compétents.
La Direction générale Energie envoie une copie de la demande dans les dix jours calendrier à la Direction Générale Environnement.
La Direction générale Energie notifie la décision commune des deux directions générales par lettre recommandée dans un délai de 6 semaines suivant la demande. Tant une décision de dérogation que le refus d'une telle dérogation seront motivés.
La Direction générale Energie juge la demande sur les caractéristiques techniques du biocarburant et sur la manière de le mettre en vente. La Direction générale Environnement juge la demande d'un point de vue environnemental. La demande ne peut être accueillie favorablement qu'avec l'accord des deux autorités compétentes.
Le certificat de qualité visé au 2° est rédigé par les autorités compétentes. Il contient des engagements de la part des parties demanderesses. Ces engagements, portent sur :
1° la qualité de l'huile de colza offerte;
2° le contrôle de la qualité de l'huile de colza offerte;
3° la manière d'offrir cette huile de colza;
4° l'information au consommateur final.
Le certificat de qualité est complété par une annexe technique dans laquelle les engagements cités ci-dessus sont expliqués.
Les Ministres des autorités compétentes fixent le certificat de qualité.
Le certificat de qualité est envoyé signé par les parties demanderesses en deux exemplaires aux autorités compétentes.
Un exemplaire du certificat de qualité, de son annexe technique, ainsi que la liste des personnes physiques et morales mettant sur le marché l'huile de colza produite comme carburant dans les conditions visées dans ce paragraphe sont disponibles sur les sites internet des autorités compétentes.) <AR 2006-11-22/37, art. 2, 002; En vigueur : 07-12-2006>
Art.4. Om er voor te zorgen dat een minimaal aandeel van biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen op het Belgisch grondgebied beschikbaar is, worden de volgende streefcijfers vastgesteld :
1° op 31 december 2005, 2 % biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen berekend op basis van de energie-inhoud van de totale hoeveelheid benzine en diesel op de markt gebracht voor verbruik tijdens het voorafgaande kalenderjaar;
2° dit percentage wordt jaarlijks en lineair vermeerderd met 0,75 %. De tussentijdse streefcijfers worden elk kalenderjaar verkregen op 31 december en dit tot in 2010, datum waarop het streefcijfer 5,75 % wordt.
1° op 31 december 2005, 2 % biobrandstoffen en andere hernieuwbare brandstoffen berekend op basis van de energie-inhoud van de totale hoeveelheid benzine en diesel op de markt gebracht voor verbruik tijdens het voorafgaande kalenderjaar;
2° dit percentage wordt jaarlijks en lineair vermeerderd met 0,75 %. De tussentijdse streefcijfers worden elk kalenderjaar verkregen op 31 december en dit tot in 2010, datum waarop het streefcijfer 5,75 % wordt.
Art.4. Afin qu'une part minimale de biocarburants et d'autres carburants renouvelables soit disponible sur le territoire belge, les chiffres indicatifs suivants sont fixés :
1° au 31 décembre 2005, 2 % de biocarburants et d'autres carburants renouvelables calculé sur base de la teneur énergétique de la quantité totale d'essence et de diesel mis sur le marché durant l'année civile précédente;
2° ce pourcentage est augmenté annuellement et de manière linéaire à concurrence de 0,75 %. Les objectifs intermédiaires sont obtenus au 31 décembre de chaque année civile jusqu'en 2010, date à laquelle l'objectif de référence est de 5,75 %.
1° au 31 décembre 2005, 2 % de biocarburants et d'autres carburants renouvelables calculé sur base de la teneur énergétique de la quantité totale d'essence et de diesel mis sur le marché durant l'année civile précédente;
2° ce pourcentage est augmenté annuellement et de manière linéaire à concurrence de 0,75 %. Les objectifs intermédiaires sont obtenus au 31 décembre de chaque année civile jusqu'en 2010, date à laquelle l'objectif de référence est de 5,75 %.
HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding en uitvoering.
CHAPITRE 3. - Entrée en vigueur et exécution.
Art.5. Dit besluit treedt in werking op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Art.5. Le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 6. Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Economie en Energie, Onze Minister van Volksgezondheid, Onze Minister van Middenstand, Onze Minister bevoegd voor Consumentenzaken en Onze Minister van Leefmilieu, zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 4 maart 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Economie en Energie,
M. VERWILGHEN
De Minister van Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
De Minister van Werk,
Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
De Minister van Leefmilieu,
B. TOBBACK.
Gegeven te Brussel, 4 maart 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
De Minister van Economie en Energie,
M. VERWILGHEN
De Minister van Volksgezondheid,
R. DEMOTTE
De Minister van Middenstand,
Mevr. S. LARUELLE
De Minister van Werk,
Mevr. F. VAN DEN BOSSCHE
De Minister van Leefmilieu,
B. TOBBACK.
Art. 6. Notre Ministre des Finances, Notre Ministre de l'Economie et de l'Energie, Notre Ministre de la Santé publique, Notre Ministre des Classes moyennes, Notre Ministre qui a la Protection de la Consommation dans ses attributions et Notre Ministre de l'Environnement, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 4 mars 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Le Ministre de l'Economie et de l'Energie,
M. VERWILGHEN
Le Ministre de la Santé publique,
R. DEMOTTE
La Ministre des Classes moyennes,
Mme S. LARUELLE
La Ministre de l'Emploi,
Mme F. VAN DEN BOSSCHE
Le Ministre de l'Environnement,
B. TOBBACK.
Donné à Bruxelles, le 4 mars 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Le Ministre de l'Economie et de l'Energie,
M. VERWILGHEN
Le Ministre de la Santé publique,
R. DEMOTTE
La Ministre des Classes moyennes,
Mme S. LARUELLE
La Ministre de l'Emploi,
Mme F. VAN DEN BOSSCHE
Le Ministre de l'Environnement,
B. TOBBACK.