Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 SEPTEMBER 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 24 oktober 1988 betreffende de samenstelling en werking van de Commissie tot erkenning van de gemachtigden inzake uitvindingsoctrooien en de inschrijving en doorhaling in het register van de erkende gemachtigden inzake uitvindingsoctrooien.
Titre
17 SEPTEMBRE 2005. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 24 octobre 1988 relatif à la composition et au fonctionnement de la Commission d'agrément des mandataires en matière de brevets d'invention et à l'inscription et la radiation du registre des mandataires agréés en matière de brevets d'invention.
Informations sur le document
Numac: 2005011365
Datum: 2005-09-17
Info du document
Numac: 2005011365
Date: 2005-09-17
Tekst (9)
Texte (9)
Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 oktober 1988 betreffende de samenstelling en werking van de Commissie tot erkenning van de gemachtigden inzake uitvindingsoctrooien en de inschrijving en doorhaling in het register van de erkende gemachtigden inzake uitvindingsoctrooien wordt het punt 8°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 30 september 1992, opgeheven.
Article 1. Dans l'article 1er de l'arrêté royal du 24 octobre 1988 relatif à la composition et au fonctionnement de la Commission d'agrément des mandataires en matière de brevets d'invention et à l'inscription et la radiation du registre des mandataires agréés en matière de brevets d'invention, le point 8°, inséré par l'arrêté royal du 30 septembre 1992, est abrogé.
Art.2. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IIbis, bestaande uit artikel 10, ingevoegd, luidende :
" HOOFDSTUK IIbis. - De aanvraag tot inschrijving in het register ".
" HOOFDSTUK IIbis. - De aanvraag tot inschrijving in het register ".
Art.2. Il est inséré dans le même arrêté un chapitre IIbis, comprenant l'article 10, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IIbis. - De la demande d'inscription au registre ".
" CHAPITRE IIbis. - De la demande d'inscription au registre ".
Art.3. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 10. Wie in het register wenst te worden ingeschreven, richt daartoe, via een aangetekende zending, een aanvraag tot de Minister, uiterlijk twee maanden na de dag waarop het bericht, bedoeld in artikel 11, § 1, derde lid, en het bericht, bedoeld in artikel 19quater, § 1, in het Belgisch Staatsblad is verschenen.
De aanvraag tot inschrijving in het register geldt tevens als aanvraag tot deelneming aan het examen, bedoeld in artikel 11 en, desgevallend, als aanvraag tot deelneming aan de bekwaamheidsproef, bedoeld in artikel 19ter, 3°.
De aanvraag tot inschrijving wordt ingediend door middel van een formulier dat door de Dienst wordt afgeleverd. De taal die op het formulier wordt gebruikt is bepalend voor de keuze van de taal waarin het examen wordt afgelegd. ".
" Art. 10. Wie in het register wenst te worden ingeschreven, richt daartoe, via een aangetekende zending, een aanvraag tot de Minister, uiterlijk twee maanden na de dag waarop het bericht, bedoeld in artikel 11, § 1, derde lid, en het bericht, bedoeld in artikel 19quater, § 1, in het Belgisch Staatsblad is verschenen.
De aanvraag tot inschrijving in het register geldt tevens als aanvraag tot deelneming aan het examen, bedoeld in artikel 11 en, desgevallend, als aanvraag tot deelneming aan de bekwaamheidsproef, bedoeld in artikel 19ter, 3°.
De aanvraag tot inschrijving wordt ingediend door middel van een formulier dat door de Dienst wordt afgeleverd. De taal die op het formulier wordt gebruikt is bepalend voor de keuze van de taal waarin het examen wordt afgelegd. ".
Art.3. L'article 10 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 10. Celui qui désire être inscrit au registre adresse à cet effet une demande au Ministre, par envoi recommandé, au plus tard deux mois après la date de publication au Moniteur belge de l'avis visé à l'article 11, § 1er, alinéa 3, et de l'avis visé à l'article 19quater, § 1er.
La demande d'inscription au registre vaut également demande de participation à l'épreuve visée à l'article 11 et, le cas échéant, demande de participation à l'épreuve d'aptitude visée à l'article 19ter, 3°.
La demande d'inscription est introduite à l'aide d'un formulaire délivré par l'Office. La langue utilisée sur le formulaire est déterminante pour le choix de la langue dans laquelle l'épreuve sera présentée. ".
" Art. 10. Celui qui désire être inscrit au registre adresse à cet effet une demande au Ministre, par envoi recommandé, au plus tard deux mois après la date de publication au Moniteur belge de l'avis visé à l'article 11, § 1er, alinéa 3, et de l'avis visé à l'article 19quater, § 1er.
La demande d'inscription au registre vaut également demande de participation à l'épreuve visée à l'article 11 et, le cas échéant, demande de participation à l'épreuve d'aptitude visée à l'article 19ter, 3°.
La demande d'inscription est introduite à l'aide d'un formulaire délivré par l'Office. La langue utilisée sur le formulaire est déterminante pour le choix de la langue dans laquelle l'épreuve sera présentée. ".
Art.4. Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" Art. 11. § 1. Het examen wordt eenmaal per jaar georganiseerd, op de datum die de Minister bepaalt.
De gemeenschappelijke vergadering bepaalt het reglement en het programma van het examen en stelt de opgaven voor de schriftelijke proef vast.
Het reglement, het programma en de datum van het examen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
§ 2. Voor de organisatie van het examen kunnen de afdelingen zich laten bijstaan door deskundigen. Deze worden gekozen uit een lijst die door de Minister is goedgekeurd. ".
" Art. 11. § 1. Het examen wordt eenmaal per jaar georganiseerd, op de datum die de Minister bepaalt.
De gemeenschappelijke vergadering bepaalt het reglement en het programma van het examen en stelt de opgaven voor de schriftelijke proef vast.
Het reglement, het programma en de datum van het examen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
§ 2. Voor de organisatie van het examen kunnen de afdelingen zich laten bijstaan door deskundigen. Deze worden gekozen uit een lijst die door de Minister is goedgekeurd. ".
Art.4. L'article 11 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 11. § 1er. L'épreuve est organisée une fois par an, à la date fixée par le Ministre.
L'assemblée des sections réunies arrête le règlement et le programme de l'épreuve, et établit les questions de la partie écrite.
Le règlement, le programme et la date de l'épreuve sont publiés au Moniteur belge.
§ 2. En vue de l'organisation de l'épreuve, les sections peuvent se faire assister par des experts. Ceux-ci sont choisis sur une liste approuvée par le Ministre. ".
" Art. 11. § 1er. L'épreuve est organisée une fois par an, à la date fixée par le Ministre.
L'assemblée des sections réunies arrête le règlement et le programme de l'épreuve, et établit les questions de la partie écrite.
Le règlement, le programme et la date de l'épreuve sont publiés au Moniteur belge.
§ 2. En vue de l'organisation de l'épreuve, les sections peuvent se faire assister par des experts. Ceux-ci sont choisis sur une liste approuvée par le Ministre. ".
Art.5. In artikel 14, § 3, van hetzelfde besluit, wordt het tweede lid opgeheven.
Art.5. A l'article 14, § 3, du même arrêté, l'alinéa 2 est supprimé.
Art.6. In artikel 16, § 1, vijfde lid, van hetzelfde besluit, vervallen de woorden " of op een gelijkwaardige kwalificatie in de zin van artikel 3 van de richtlijn ".
Art.6. A l'article 16, § 1er, alinéa 5, du même arrêté, les mots " ou fondée sur une qualification équivalente au sens de l'article 3 de la directive " sont supprimés.
Art.7. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk IVbis ingevoegd, luidende :
" HOOFDSTUK IVbis. - Onderdanen van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van een andere Staat partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Art. 19bis. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° lidstaat : een lidstaat van de Europese Gemeenschap;
2° Staat partij : een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
3° diploma : alle diploma's, certificaten en andere titels dan wel elk geheel van dergelijke diploma's, certificaten en andere titels :
a) afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lid-Staat of een andere Staat partij, die is aangewezen overeenkomstig zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen,
b) waaruit blijkt dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling van gelijkwaardig opleidingsniveau en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist, en
c) waaruit blijkt dat de houder de vereiste beroepskwalificaties bezit om tot een gereglementeerd beroep in die lid-Staat of die andere Staat partij te worden toegelaten of om dat uit te oefenen,
wanneer de met het diploma, het certificaat of de andere titel afgesloten opleiding overwegend in de Gemeenschap of in de Europese Economische Ruimte is genoten, of wanneer de houder ervan een driejarige beroepservaring heeft opgedaan, gewaarmerkt door de lid-Staat of de Staat partij die een diploma, een certificaat of een andere titel van een derde land heeft erkend.
Alle diploma's, certificaten en andere titels, dan wel elk geheel van dergelijke diploma's, certificaten en andere titels die door een bevoegde autoriteit in een lid-Staat of een andere Staat partij, zijn afgegeven, worden gelijkgesteld met een diploma in de zin van het eerste lid, indien daarmee een in de Gemeenschap of in de Europese Economische Ruimte gevolgde opleiding wordt afgesloten welke door een bevoegde autoriteit in die lid-Staat of die andere Staat partij als gelijkwaardig wordt erkend, en daaraan dezelfde rechten inzake toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep zijn verbonden;
4° gereglementeerd beroep : de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lid-Staat of een andere Staat partij dit beroep vormen;
5° gereglementeerde beroepsactiviteit : een beroepsactiviteit voor zover de toegang tot of de uitoefening, dan wel een van de wijzen van uitoefening daarvan, in een lid-Staat of een andere Staat partij, krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, direct of indirect, afhankelijk is gesteld van het bezit van een diploma;
6° gereglementeerde opleiding : alle opleidingen :
a) die rechtstreeks gericht zijn op de uitoefening van een bepaald beroep, en
b) die bestaan in een postsecundaire studie van ten minste drie jaar, of uit een met deze studieduur overeenstemmende deeltijdse studie, aan een universiteit, een instelling voor hoger onderwijs of een instelling van gelijkwaardig niveau, en, in voorkomend geval, uit de bovenop de postsecundaire studie vereiste beroepsopleiding, beroepsstage of praktijkervaring; de structuur en het niveau van de beroepsopleiding, beroepsstage of praktijkervaring worden vastgelegd bij de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lid-Staat of Staat partij of worden door de hiertoe aangewezen instantie gecontroleerd of erkend;
7° bekwaamheidsproef : een controle, uitsluitend de beroepskennis van de aanvrager betreffende, die door de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lid-Staat wordt verricht en die tot doel heeft te beoordelen of deze de bekwaamheid bezit om in deze lid-Staat een gereglementeerd beroep uit te oefenen.
Art. 19ter. De voorwaarden omschreven in artikel 60, § 1, 5°, 6° en 7°, van de wet zijn niet van toepassing op de onderdaan van een lid-Staat of van een andere Staat partij die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° in een andere lid-Staat of een andere Staat partij een kwalificatie hebben behaald, die gelijkwaardig is aan die in België vereiste voor de toegang tot of het uitoefening van het beroep van gemachtigde.
De aanvrager wordt geacht een gelijkwaardige kwalificatie te hebben behaald :
a) als hij in het bezit is van het diploma dat door een andere lid-Staat of door een andere Staat partij is voorgeschreven om tot het beroep van erkende gemachtigde op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lid-Staat of een andere Staat partij behaald is, of
b) als hij het beroep van erkende gemachtigde gedurende twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaren voltijds heeft uitgeoefend in een andere lid-Staat of een andere Staat partij waar dat beroep niet gereglementeerd is en één of meer opleidingstitels bezit :
- die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lid-Staat of een andere Staat partij die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die Staat;
- waaruit blijkt dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling van hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau in een lid-Staat of in een andere Staat partij, en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist, en
- die hem op de uitoefening van dit beroep hebben voorbereid.
De in punt b) hierboven bedoelde beroepservaring van twee jaar mag echter niet worden geëist wanneer de aanvrager met de in dit voornoemd punt b) bedoelde opleidingstitel(s), een gereglementeerde opleiding heeft afgesloten;
2° een overzicht van de vakgebieden bestreken door het diploma of de opleidingstitel bedoeld in punt 1° hebben overlegd;
3° een bekwaamheidsproef met succes hebben afgelegd, wanneer de door hem ontvangen opleiding, volgens punt 1°, a) en b), betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke bestreken worden door het in België voorgeschreven diploma.
Indien de Commissie overweegt om van de aanvrager te verlangen dat hij een bekwaamheidsproef aflegt, moet ze eerst nagaan of de kennis die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring als erkende gemachtigde inzake uitvindingsoctrooien heeft verworven, van dien aard is dat het wezenlijke verschil als bedoeld in het eerste lid van dit punt geheel of ten dele wordt ondervangen.
Art. 19quater. § 1. De bekwaamheidsproef wordt eenmaal per jaar georganiseerd, op de datum bedoeld in artikel 11, § 1, derde lid.
§ 2. De Commissie is gemachtigd om :
1° te beslissen, in het licht van het in artikel 19ter, 2°, bedoelde overzicht, of de opleiding die de kandidaat genoten heeft betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door het Belgische diploma van gemachtigde;
2° de bekwaamheidsproef te organiseren en af te nemen.
§ 3. Als de kandidaat de bekwaamheidsproef aflegt, laat de Commissie hem weten over welke vakgebieden hij die proef aflegt. Deze vakgebieden worden bepaald op grond van een vergelijking tussen de in België vereiste opleiding en de opleiding die door de aanvrager werd genoten, en mogen niet samenvallen met de vakgebieden, die door het diploma of de titel(s) waarnaar de aanvrager verwijst worden bestreken.
§ 4. De bekwaamheidsproef kan een mondeling en een schriftelijk gedeelte omvatten, die elk betrekking hebben op alle door de kandidaat afgelegde vakgebieden.
§ 5. Om te slagen voor de bekwaamheidsproef moet de kandidaat ten minste 50 % van de punten behalen voor elk examengedeelte waaraan hij deelneemt, en 60 % van de punten in totaal. ".
" HOOFDSTUK IVbis. - Onderdanen van een lidstaat van de Europese Gemeenschap of van een andere Staat partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.
Art. 19bis. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° lidstaat : een lidstaat van de Europese Gemeenschap;
2° Staat partij : een Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
3° diploma : alle diploma's, certificaten en andere titels dan wel elk geheel van dergelijke diploma's, certificaten en andere titels :
a) afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lid-Staat of een andere Staat partij, die is aangewezen overeenkomstig zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen,
b) waaruit blijkt dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling voor hoger onderwijs of een andere instelling van gelijkwaardig opleidingsniveau en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist, en
c) waaruit blijkt dat de houder de vereiste beroepskwalificaties bezit om tot een gereglementeerd beroep in die lid-Staat of die andere Staat partij te worden toegelaten of om dat uit te oefenen,
wanneer de met het diploma, het certificaat of de andere titel afgesloten opleiding overwegend in de Gemeenschap of in de Europese Economische Ruimte is genoten, of wanneer de houder ervan een driejarige beroepservaring heeft opgedaan, gewaarmerkt door de lid-Staat of de Staat partij die een diploma, een certificaat of een andere titel van een derde land heeft erkend.
Alle diploma's, certificaten en andere titels, dan wel elk geheel van dergelijke diploma's, certificaten en andere titels die door een bevoegde autoriteit in een lid-Staat of een andere Staat partij, zijn afgegeven, worden gelijkgesteld met een diploma in de zin van het eerste lid, indien daarmee een in de Gemeenschap of in de Europese Economische Ruimte gevolgde opleiding wordt afgesloten welke door een bevoegde autoriteit in die lid-Staat of die andere Staat partij als gelijkwaardig wordt erkend, en daaraan dezelfde rechten inzake toegang tot of uitoefening van een gereglementeerd beroep zijn verbonden;
4° gereglementeerd beroep : de gereglementeerde beroepsactiviteit of het geheel van gereglementeerde beroepsactiviteiten die in een lid-Staat of een andere Staat partij dit beroep vormen;
5° gereglementeerde beroepsactiviteit : een beroepsactiviteit voor zover de toegang tot of de uitoefening, dan wel een van de wijzen van uitoefening daarvan, in een lid-Staat of een andere Staat partij, krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, direct of indirect, afhankelijk is gesteld van het bezit van een diploma;
6° gereglementeerde opleiding : alle opleidingen :
a) die rechtstreeks gericht zijn op de uitoefening van een bepaald beroep, en
b) die bestaan in een postsecundaire studie van ten minste drie jaar, of uit een met deze studieduur overeenstemmende deeltijdse studie, aan een universiteit, een instelling voor hoger onderwijs of een instelling van gelijkwaardig niveau, en, in voorkomend geval, uit de bovenop de postsecundaire studie vereiste beroepsopleiding, beroepsstage of praktijkervaring; de structuur en het niveau van de beroepsopleiding, beroepsstage of praktijkervaring worden vastgelegd bij de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lid-Staat of Staat partij of worden door de hiertoe aangewezen instantie gecontroleerd of erkend;
7° bekwaamheidsproef : een controle, uitsluitend de beroepskennis van de aanvrager betreffende, die door de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lid-Staat wordt verricht en die tot doel heeft te beoordelen of deze de bekwaamheid bezit om in deze lid-Staat een gereglementeerd beroep uit te oefenen.
Art. 19ter. De voorwaarden omschreven in artikel 60, § 1, 5°, 6° en 7°, van de wet zijn niet van toepassing op de onderdaan van een lid-Staat of van een andere Staat partij die aan de volgende voorwaarden voldoet :
1° in een andere lid-Staat of een andere Staat partij een kwalificatie hebben behaald, die gelijkwaardig is aan die in België vereiste voor de toegang tot of het uitoefening van het beroep van gemachtigde.
De aanvrager wordt geacht een gelijkwaardige kwalificatie te hebben behaald :
a) als hij in het bezit is van het diploma dat door een andere lid-Staat of door een andere Staat partij is voorgeschreven om tot het beroep van erkende gemachtigde op zijn grondgebied te worden toegelaten dan wel deze activiteit aldaar uit te oefenen, en dat in een lid-Staat of een andere Staat partij behaald is, of
b) als hij het beroep van erkende gemachtigde gedurende twee jaar tijdens de voorafgaande tien jaren voltijds heeft uitgeoefend in een andere lid-Staat of een andere Staat partij waar dat beroep niet gereglementeerd is en één of meer opleidingstitels bezit :
- die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit in een lid-Staat of een andere Staat partij die is aangewezen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die Staat;
- waaruit blijkt dat de houder met succes een postsecundaire studiecyclus van ten minste drie jaar of een gelijkwaardige deeltijdstudie heeft gevolgd aan een universiteit of een instelling van hoger onderwijs of een andere instelling van hetzelfde opleidingsniveau in een lid-Staat of in een andere Staat partij, en, in voorkomend geval, dat hij met succes de beroepsopleiding heeft gevolgd die in aanvulling op de postsecundaire studiecyclus wordt vereist, en
- die hem op de uitoefening van dit beroep hebben voorbereid.
De in punt b) hierboven bedoelde beroepservaring van twee jaar mag echter niet worden geëist wanneer de aanvrager met de in dit voornoemd punt b) bedoelde opleidingstitel(s), een gereglementeerde opleiding heeft afgesloten;
2° een overzicht van de vakgebieden bestreken door het diploma of de opleidingstitel bedoeld in punt 1° hebben overlegd;
3° een bekwaamheidsproef met succes hebben afgelegd, wanneer de door hem ontvangen opleiding, volgens punt 1°, a) en b), betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke bestreken worden door het in België voorgeschreven diploma.
Indien de Commissie overweegt om van de aanvrager te verlangen dat hij een bekwaamheidsproef aflegt, moet ze eerst nagaan of de kennis die de aanvrager tijdens zijn beroepservaring als erkende gemachtigde inzake uitvindingsoctrooien heeft verworven, van dien aard is dat het wezenlijke verschil als bedoeld in het eerste lid van dit punt geheel of ten dele wordt ondervangen.
Art. 19quater. § 1. De bekwaamheidsproef wordt eenmaal per jaar georganiseerd, op de datum bedoeld in artikel 11, § 1, derde lid.
§ 2. De Commissie is gemachtigd om :
1° te beslissen, in het licht van het in artikel 19ter, 2°, bedoelde overzicht, of de opleiding die de kandidaat genoten heeft betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door het Belgische diploma van gemachtigde;
2° de bekwaamheidsproef te organiseren en af te nemen.
§ 3. Als de kandidaat de bekwaamheidsproef aflegt, laat de Commissie hem weten over welke vakgebieden hij die proef aflegt. Deze vakgebieden worden bepaald op grond van een vergelijking tussen de in België vereiste opleiding en de opleiding die door de aanvrager werd genoten, en mogen niet samenvallen met de vakgebieden, die door het diploma of de titel(s) waarnaar de aanvrager verwijst worden bestreken.
§ 4. De bekwaamheidsproef kan een mondeling en een schriftelijk gedeelte omvatten, die elk betrekking hebben op alle door de kandidaat afgelegde vakgebieden.
§ 5. Om te slagen voor de bekwaamheidsproef moet de kandidaat ten minste 50 % van de punten behalen voor elk examengedeelte waaraan hij deelneemt, en 60 % van de punten in totaal. ".
Art.7. Il est inséré, dans le même arrêté, un chapitre IVbis, rédigé comme suit :
" CHAPITRE IVbis. - Des ressortissants d'un Etat membre de la Communauté européenne ou d'un autre Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen
Art. 19bis. Aux fins du présent chapitre, on entend par :
1° Etat membre : un Etat membre de la communauté européenne;
2° Etat partie : un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen;
3° diplôme : tout diplôme, certificat ou autre titre ou tout ensemble de tels diplômes, certificats ou autres titres :
a) qui a été délivré par une autorité compétente dans un Etat membre ou un autre Etat partie, désignée conformément aux dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat,
b) dont il résulte que le titulaire a suivi avec succès un cycle d'études postsecondaires d'une durée minimale de trois ans, ou d'une durée équivalente à temps partiel, effectué dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur ou dans un autre établissement d'un niveau équivalent de formation et, le cas échéant, qu'il a suivi avec succès la formation professionnelle requise en plus du cycle d'études postsecondaires, et
c) dont il résulte que le titulaire possède les qualifications professionnelles requises pour accéder à une profession réglementée dans cet Etat membre ou cet autre Etat partie ou l'exercer,
dès lors que la formation sanctionnée par ce diplôme, certificat ou autre titre a été acquise dans une mesure prépondérante dans la Communauté ou dans l'Espace économique européen, ou dès lors que son titulaire a une expérience professionnelle de trois ans certifiée par l'Etat membre ou l'Etat partie qui a reconnu un diplôme, certificat ou autre titre délivré dans un pays tiers.
Est assimilé à un diplôme au sens du premier alinéa tout diplôme, certificat ou autre titre, ou tout ensemble de tels diplômes, certificats et autres titres, qui a été délivré par une autorité compétente dans un Etat membre ou un autre Etat partie dès lors qu'il sanctionne une formation acquise dans la Communauté ou dans l'Espace économique européen et reconnue par une autorité compétente dans cet Etat membre ou cet autre Etat partie comme étant de niveau équivalent, et qu'il y confère les mêmes droits d'accès à une profession réglementée ou d'exercice de celle-ci;
4° profession réglementée : l'activité ou l'ensemble des activités professionnelles réglementées qui constituent cette profession dans un Etat membre ou un autre Etat partie;
5° activité professionnelle réglementée : une activité professionnelle dont l'accès ou l'exercice, ou une des modalités d'exercice, dans un Etat membre ou un autre Etat partie est subordonné, directement ou indirectement, par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives, à la possession d'un diplôme;
6° formation réglementée : toute formation :
a) qui est directement orientée sur l'exercice d'une profession déterminée et
b) qui consiste en un cycle d'études postsecondaires d'une durée minimale de trois ans, ou d'une durée équivalente à temps partiel, effectué dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur ou dans un autre établissement d'un niveau équivalent de formation, et, éventuellement, en une formation professionnelle, un stage professionnel ou une pratique professionnelle exigés en plus du cycle d'études postsecondaires; la structure et le niveau de la formation professionnelle, du stage professionnel ou de la pratique professionnelle doivent être déterminés par les dispositions législatives, réglementaires ou administratives de l'Etat membre ou de l'Etat partie en question ou faire l'objet d'un contrôle ou d'un agrément par l'autorité désignée à cet effet;
7° épreuve d'aptitude : un contrôle concernant exclusivement les connaissances professionnelles du demandeur, qui est effectué par les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil et qui a pour but d'apprécier l'aptitude du demandeur à exercer dans cet Etat membre une profession réglementée.
Art. 19ter. Les conditions prévues à l'article 60, § 1er, 5°, 6° et 7°, de la loi ne s'appliquent pas au ressortissant d'un Etat membre ou d'un autre Etat partie qui satisfait aux conditions suivantes :
1° avoir acquis dans un autre Etat membre ou un autre Etat partie une qualification équivalente à celle requise en Belgique pour accéder à la profession de mandataire ou l'exercer.
Le demandeur est considéré comme ayant acquis une qualification équivalente :
a) s'il possède le diplôme qui est prescrit par un autre Etat membre ou par un autre Etat partie pour accéder à la profession de mandataire agréé sur son territoire ou l'y exercer et qui a été obtenu dans un Etat membre ou un autre Etat partie, ou bien
b) s'il a exercé à temps plein la profession de mandataire agréé pendant deux ans au cours des dix années précédentes dans un autre Etat membre ou un autre Etat partie qui ne réglemente pas cette profession en ayant un ou plusieurs titres de formation :
- qui ont été délivrés par une autorité compétente dans un Etat membre ou un autre Etat partie, désignée conformément aux dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat;
- dont il résulte que le titulaire a suivi avec succès un cycle d'études postsecondaires d'une durée minimale de trois ans, ou d'une durée équivalente à temps partiel, dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur ou dans un autre établissement du même niveau de formation d'un Etat membre ou d'un autre Etat partie et, le cas échéant, qu'il a suivi avec succès la formation professionnelle requise en plus du cycle d'études postsecondaires, et
- qui l'ont préparé à l'exercice de cette profession.
Toutefois, les deux ans d'expérience professionnelle visés au point b) ci-dessus ne peuvent pas être exigés lorsque le ou les titres de formation détenus par le demandeur, et visés au point b) précité, sanctionnent une formation réglementée;
2° avoir présenté le relevé des matières couvertes par le diplôme ou le titre de formation visé au point 1°;
3° avoir satisfait à une épreuve d'aptitude lorsque la formation qu'il a reçue, selon le point 1°, a) et b), porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par le diplôme requis en Belgique.
Si la Commission envisage d'exiger du demandeur qu'il passe une épreuve d'aptitude, elle doit d'abord vérifier si les connaissances acquises par le demandeur au cours de son expérience professionnelle comme mandataire agréé en matière de brevets d'invention sont de nature à couvrir, en tout ou en partie, la différence substantielle visée à l'alinéa 1er du présent point.
Art. 19quater. § 1er. L'épreuve d'aptitude est organisée une fois par an, à la date visée à l'article 11, § 1er, alinéa 3.
§ 2. La Commission est habilitée à :
1° décider, à la lumière du relevé visé à l'article 19ter, 2°, si la formation que le candidat a reçue porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par le diplôme belge de mandataire;
2° organiser et faire subir l'épreuve d'aptitude.
§ 3. Lorsque le candidat présente l'épreuve d'aptitude, la Commission lui fait savoir quelles sont les matières qu'il est tenu de présenter. Ces matières sont déterminées sur base d'une comparaison entre la formation requise en Belgique et celle reçue par le demandeur et doivent relever des matières qui ne sont pas couvertes par le diplôme ou le ou les titres dont le demandeur fait état.
§ 4. L'épreuve d'aptitude peut comprendre une partie orale et une partie écrite portant chacune sur l'ensemble des matières présentées par le candidat.
§ 5. Pour satisfaire à l'épreuve d'aptitude, le candidat doit obtenir au moins 50 % des points pour chaque partie de l'épreuve à laquelle il participe, et 60 % des points au total. ".
" CHAPITRE IVbis. - Des ressortissants d'un Etat membre de la Communauté européenne ou d'un autre Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen
Art. 19bis. Aux fins du présent chapitre, on entend par :
1° Etat membre : un Etat membre de la communauté européenne;
2° Etat partie : un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen;
3° diplôme : tout diplôme, certificat ou autre titre ou tout ensemble de tels diplômes, certificats ou autres titres :
a) qui a été délivré par une autorité compétente dans un Etat membre ou un autre Etat partie, désignée conformément aux dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat,
b) dont il résulte que le titulaire a suivi avec succès un cycle d'études postsecondaires d'une durée minimale de trois ans, ou d'une durée équivalente à temps partiel, effectué dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur ou dans un autre établissement d'un niveau équivalent de formation et, le cas échéant, qu'il a suivi avec succès la formation professionnelle requise en plus du cycle d'études postsecondaires, et
c) dont il résulte que le titulaire possède les qualifications professionnelles requises pour accéder à une profession réglementée dans cet Etat membre ou cet autre Etat partie ou l'exercer,
dès lors que la formation sanctionnée par ce diplôme, certificat ou autre titre a été acquise dans une mesure prépondérante dans la Communauté ou dans l'Espace économique européen, ou dès lors que son titulaire a une expérience professionnelle de trois ans certifiée par l'Etat membre ou l'Etat partie qui a reconnu un diplôme, certificat ou autre titre délivré dans un pays tiers.
Est assimilé à un diplôme au sens du premier alinéa tout diplôme, certificat ou autre titre, ou tout ensemble de tels diplômes, certificats et autres titres, qui a été délivré par une autorité compétente dans un Etat membre ou un autre Etat partie dès lors qu'il sanctionne une formation acquise dans la Communauté ou dans l'Espace économique européen et reconnue par une autorité compétente dans cet Etat membre ou cet autre Etat partie comme étant de niveau équivalent, et qu'il y confère les mêmes droits d'accès à une profession réglementée ou d'exercice de celle-ci;
4° profession réglementée : l'activité ou l'ensemble des activités professionnelles réglementées qui constituent cette profession dans un Etat membre ou un autre Etat partie;
5° activité professionnelle réglementée : une activité professionnelle dont l'accès ou l'exercice, ou une des modalités d'exercice, dans un Etat membre ou un autre Etat partie est subordonné, directement ou indirectement, par des dispositions législatives, réglementaires ou administratives, à la possession d'un diplôme;
6° formation réglementée : toute formation :
a) qui est directement orientée sur l'exercice d'une profession déterminée et
b) qui consiste en un cycle d'études postsecondaires d'une durée minimale de trois ans, ou d'une durée équivalente à temps partiel, effectué dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur ou dans un autre établissement d'un niveau équivalent de formation, et, éventuellement, en une formation professionnelle, un stage professionnel ou une pratique professionnelle exigés en plus du cycle d'études postsecondaires; la structure et le niveau de la formation professionnelle, du stage professionnel ou de la pratique professionnelle doivent être déterminés par les dispositions législatives, réglementaires ou administratives de l'Etat membre ou de l'Etat partie en question ou faire l'objet d'un contrôle ou d'un agrément par l'autorité désignée à cet effet;
7° épreuve d'aptitude : un contrôle concernant exclusivement les connaissances professionnelles du demandeur, qui est effectué par les autorités compétentes de l'Etat membre d'accueil et qui a pour but d'apprécier l'aptitude du demandeur à exercer dans cet Etat membre une profession réglementée.
Art. 19ter. Les conditions prévues à l'article 60, § 1er, 5°, 6° et 7°, de la loi ne s'appliquent pas au ressortissant d'un Etat membre ou d'un autre Etat partie qui satisfait aux conditions suivantes :
1° avoir acquis dans un autre Etat membre ou un autre Etat partie une qualification équivalente à celle requise en Belgique pour accéder à la profession de mandataire ou l'exercer.
Le demandeur est considéré comme ayant acquis une qualification équivalente :
a) s'il possède le diplôme qui est prescrit par un autre Etat membre ou par un autre Etat partie pour accéder à la profession de mandataire agréé sur son territoire ou l'y exercer et qui a été obtenu dans un Etat membre ou un autre Etat partie, ou bien
b) s'il a exercé à temps plein la profession de mandataire agréé pendant deux ans au cours des dix années précédentes dans un autre Etat membre ou un autre Etat partie qui ne réglemente pas cette profession en ayant un ou plusieurs titres de formation :
- qui ont été délivrés par une autorité compétente dans un Etat membre ou un autre Etat partie, désignée conformément aux dispositions législatives, réglementaires ou administratives de cet Etat;
- dont il résulte que le titulaire a suivi avec succès un cycle d'études postsecondaires d'une durée minimale de trois ans, ou d'une durée équivalente à temps partiel, dans une université ou un établissement d'enseignement supérieur ou dans un autre établissement du même niveau de formation d'un Etat membre ou d'un autre Etat partie et, le cas échéant, qu'il a suivi avec succès la formation professionnelle requise en plus du cycle d'études postsecondaires, et
- qui l'ont préparé à l'exercice de cette profession.
Toutefois, les deux ans d'expérience professionnelle visés au point b) ci-dessus ne peuvent pas être exigés lorsque le ou les titres de formation détenus par le demandeur, et visés au point b) précité, sanctionnent une formation réglementée;
2° avoir présenté le relevé des matières couvertes par le diplôme ou le titre de formation visé au point 1°;
3° avoir satisfait à une épreuve d'aptitude lorsque la formation qu'il a reçue, selon le point 1°, a) et b), porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par le diplôme requis en Belgique.
Si la Commission envisage d'exiger du demandeur qu'il passe une épreuve d'aptitude, elle doit d'abord vérifier si les connaissances acquises par le demandeur au cours de son expérience professionnelle comme mandataire agréé en matière de brevets d'invention sont de nature à couvrir, en tout ou en partie, la différence substantielle visée à l'alinéa 1er du présent point.
Art. 19quater. § 1er. L'épreuve d'aptitude est organisée une fois par an, à la date visée à l'article 11, § 1er, alinéa 3.
§ 2. La Commission est habilitée à :
1° décider, à la lumière du relevé visé à l'article 19ter, 2°, si la formation que le candidat a reçue porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par le diplôme belge de mandataire;
2° organiser et faire subir l'épreuve d'aptitude.
§ 3. Lorsque le candidat présente l'épreuve d'aptitude, la Commission lui fait savoir quelles sont les matières qu'il est tenu de présenter. Ces matières sont déterminées sur base d'une comparaison entre la formation requise en Belgique et celle reçue par le demandeur et doivent relever des matières qui ne sont pas couvertes par le diplôme ou le ou les titres dont le demandeur fait état.
§ 4. L'épreuve d'aptitude peut comprendre une partie orale et une partie écrite portant chacune sur l'ensemble des matières présentées par le candidat.
§ 5. Pour satisfaire à l'épreuve d'aptitude, le candidat doit obtenir au moins 50 % des points pour chaque partie de l'épreuve à laquelle il participe, et 60 % des points au total. ".
Art.8. Artikel 20, § 1, van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" § 1. De afdelingen, ieder wat haar betreft, stellen de lijst vast van de geslaagde kandidaten en onderzoeken of zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 60, § 1, 1° tot 6°, van de wet en, in het geval van de onderdanen als bedoeld in artikel 19ter, of ze voldoen aan de voorwaarden bepaald in dat artikel en in artikel 60, § 1, 1° tot 4°, van de wet. ".
" § 1. De afdelingen, ieder wat haar betreft, stellen de lijst vast van de geslaagde kandidaten en onderzoeken of zij voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 60, § 1, 1° tot 6°, van de wet en, in het geval van de onderdanen als bedoeld in artikel 19ter, of ze voldoen aan de voorwaarden bepaald in dat artikel en in artikel 60, § 1, 1° tot 4°, van de wet. ".
Art.8. L'article 20, § 1er, du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les sections, chacune en ce qui la concerne, arrêtent la liste des lauréats et examinent s'ils satisfont aux conditions fixées par l'article 60, § 1er, 1° à 6°, de la loi et, dans le cas des ressortissants visés à l'article 19ter, examinent s'ils satisfont aux conditions fixées par cet article et par l'article 60, § 1er, 1° à 4°, de la loi. ".
" § 1er. Les sections, chacune en ce qui la concerne, arrêtent la liste des lauréats et examinent s'ils satisfont aux conditions fixées par l'article 60, § 1er, 1° à 6°, de la loi et, dans le cas des ressortissants visés à l'article 19ter, examinent s'ils satisfont aux conditions fixées par cet article et par l'article 60, § 1er, 1° à 4°, de la loi. ".
Art. 9. Onze minister bevoegd voor Economie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 17 september 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN.
Gegeven te Brussel, 17 september 2005.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Economie,
M. VERWILGHEN.
Art. 9. Notre ministre qui a l'Economie dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Donné à Bruxelles, le 17 septembre 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN.
Donné à Bruxelles, le 17 septembre 2005.
ALBERT
Par le Roi :
Le Ministre de l'Economie,
M. VERWILGHEN.