Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
12 JANUARI 2005. - Basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden (NOTA : opgeheven voor de Franse gemeenschap bij DFG2019-03-14/24, art. 149, 016; Inwerkingtreding : 23-04-2019)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-02-2005 en tekstbijwerking tot 04-08-2025)
Titre
12 JANVIER 2005. - [Loi de principes concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus] (Intitulé remplacé par L2005-12-23/31, art. 8, 002; En vigueur : 15-01-2007) (NOTE : abrogé pour la Communauté française par DCFR2019-03-14/24, art. 149, 016; En vigueur : 23-04-2019)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-02-2005 et mise à jour au 04-08-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL 1. - Algemene bepalingen. TITEL II. - Basisbeginselen. HOOFDSTUK I. - Algemene basisbeginselen. HOOFDSTUK II. - Basisbeginselen van toepassing ... Afdeling I. - Veroordeelden. Afdeling II. - Verdachten. TITEL III. - Gevangenissen. HOOFDSTUK I. - Indeling en bestemming. HOOFDSTUK II. - Huishoudelijk reglement. HOOFDSTUK III. - Plaatsing, overplaatsing en on... HOOFDSTUK IV. - Toezicht. Afdeling I. - Algemene bepaling. Afdeling II. - Centrale Toezichtsraad voor het ... Afdeling III. - Commissies van toezicht. HOOFDSTUK V. - Toegang tot de gevangenis. TITEL IV. - Detentieplanning. HOOFDSTUK I. - Onderzoek naar de persoon en de ... HOOFDSTUK II. - Individueel detentieplan. TITEL V. - Levensvoorwaarden in de gevangenis. HOOFDSTUK I. - Materiële levensvoorwaarden. HOOFDSTUK II. - Samenlevingsvoorwaarden. Afdeling I. - Algemeen. Afdeling II. - Gemeenschapsregime. Afdeling III. - Regime van beperkte gemeenschap. Afdeling IV. - Bijzondere bepaling voor verdach... HOOFDSTUK III. - Contacten met de buitenwereld. Afdeling I. - Algemeen beginsel. Afdeling II. - Briefwisseling. Afdeling III. - Bezoek. Afdeling IV. - Gebruik van de telefoon en ander... Onderafdeling I. - Gebruik van de telefoon. Onderafdeling II. - Gebruik van andere telecomm... Afdeling V. - Schriftelijke en mondelinge conta... Afdeling VI. - Schriftelijke en mondelinge cont... Afdeling VII. - Contacten met de media. HOOFDSTUK IV. - Godsdienst en levensbeschouwing. HOOFDSTUK V. - Vormingsactiviteiten en vrijetij... HOOFDSTUK VI. - Arbeid. Afdeling I. - Algemene bepalingen. Afdeling II. - Inkomsten uit arbeid. HOOFDSTUK VII. - Gezondheidszorg [1 ...]1. Afdeling I. Afdeling II. HOOFDSTUK VIII. Afdeling I. Afdeling II. HOOFDSTUK IX. - Sociale hulp- en dienstverlening. HOOFDSTUK X. - Rechtshulpverlening en juridisch... HOOFDSTUK XI. [1 - Inhouding op door de peniten... TITEL VI. - Orde, veiligheid en gebruik van dwang. HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen. HOOFDSTUK II. - Algemene gedragsvoorschriften. HOOFDSTUK III. - Controle- en veiligheidsmaatre... Afdeling I. - Controlemaatregelen. Afdeling II. - Bijzondere veiligheidsmaatregelen. Afdeling III. - Plaatsing in een individueel bi... HOOFDSTUK IV. - Maatregelen van rechtstreekse d... TITEL VII. - Tuchtregime. HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Tuchtrechtelijke inbreuken. HOOFDSTUK III. - Tuchtsancties. Afdeling I. - Algemene tuchtsancties. Afdeling II. - Bijzondere tuchtsancties. Afdeling III. - Opsluiting in een strafcel. (Afdeling IV. - Afzondering in de aan de gedeti... HOOFDSTUK IV. - De toemeting van tuchtsancties. HOOFDSTUK V. - De tuchtprocedure. TITEL VIII. - Afhandeling van klachten en van b... HOOFDSTUK I. - Klachten. HOOFDSTUK II. - Hoger beroep tegen de uitspraak... HOOFDSTUK III. - Bezwaar tegen de plaatsing of ... TITEL IX. - Tijdelijke bepaling. TITEL X. - Opheffingsbepaling en wijzigingsbepa... HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepaling. HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot wijziging van he... HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van h... HOOFDSTUK IV. - (Opgeheven) HOOFDSTUK V. - Bepalingen tot wijziging van de ... HOOFDSTUK VI. - Slotbepaling.
Table des matières
TITRE Ier. - Dispositions générales. TITRE II. - Principes fondamentaux. CHAPITRE Ier. - Principes fondamentaux généraux. CHAPITRE II. - Principes fondamentaux applicabl... Section Ire. - Des condamnés. Section II. - Des inculpés. TITRE III. - Des prisons. CHAPITRE Ier. - De la répartition et de la dest... CHAPITRE II. - Du règlement d'ordre intérieur. CHAPITRE III. - Du placement, du transfèrement ... CHAPITRE IV. - De la surveillance. Section Ire. - Disposition générale. Section II. - Du Conseil central de surveillanc... Section III. - Des commissions de surveillance. CHAPITRE V. - De l'accès à la prison. TITRE IV. - De la planification de la détention. CHAPITRE Ier. - De l'enquête sur la personne et... CHAPITRE II. - Du plan de détention individuel. TITRE V. - Des conditions de vie dans la prison. CHAPITRE Ier. - Des conditions de vie matérielles. CHAPITRE II. - Des conditions de vie en communa... Section Ire. - Généralités. Section II. - Du régime de vie en communauté. Section III. - Du régime de vie en semi-communa... Section IV. - Disposition particulière pour les... CHAPITRE III. - Des contacts avec le monde exté... Section Ire. - Principe général. Section II. - De la correspondance. Section III. - Des visites. Section IV. - De l'usage du téléphone et autres... Sous-section Ire. - De l'usage du téléphone. Sous-section II. - De l'usage des autres moyens... Section V. - Des contacts écrits et oraux avec ... Section VI. - Des contacts écrits et oraux avec... Section VII. - Des contacts avec les médias. CHAPITRE IV. - De la religion et de la philosop... CHAPITRE V. - Des activités de formation et des... CHAPITRE VI. - Du travail. Section Ire. - Dispositions générales. Section II. - Des revenus du travail. CHAPITRE VII. - Des soins de santé [1 ...]1. Section Ire. Section II. CHAPITRE VIII. Section 1re. Section II. CHAPITRE IX. - De l'aide sociale. CHAPITRE X. - De l'assistance judiciaire et de ... CHAPITRE XI. [1 - Du prélèvement sur les sommes... TITRE VI. - De l'ordre, de la sécurité et du re... CHAPITRE Ier. - Principes généraux. CHAPITRE II. - Des règles de conduite générales. CHAPITRE III. - Des mesures de contrôle et de s... Section Ire. - Des mesures de contrôle. Section II. - Des mesures de sécurité particuli... Section III. - Du placement sous régime de sécu... CHAPITRE IV. - Des mesures de coercition directe. TITRE VII. - Du régime disciplinaire. CHAPITRE Ier. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - Des infractions disciplinaires. CHAPITRE III. - Des sanctions disciplinaires. Section Ire. - Des sanctions disciplinaires gén... Section II. - Des sanctions disciplinaires part... Section III. - De l'enfermement en cellule de p... (Section IV. - De l'isolement dans l'espace de ... CHAPITRE IV. - De l'application de sanctions di... CHAPITRE V. - De la procédure disciplinaire. TITRE VIII. - Du traitement des plaintes et des... CHAPITRE Ier. - Des plaintes. CHAPITRE II. - Du recours contre la décision de... CHAPITRE III. - De la réclamation contre le pla... TITRE IX. - Disposition temporaire. TITRE X. - Disposition abrogatoire et dispositi... CHAPITRE Ier. - Disposition abrogatoire. CHAPITRE II. - Dispositions modifiant le Code p... CHAPITRE III. - Dispositions modifiant le Code ... CHAPITRE IV. - (Abrogé) CHAPITRE V. - Dispositions modifiant la loi du ... CHAPITRE VI. - Disposition finale.
Tekst (267)
Texte (267)
TITEL 1. - Algemene bepalingen.
TITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art.2. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
  1° Minister : de Minister van Justitie;
  2° vrijheidsstraf : opsluiting, hechtenis, gevangenisstraf, militaire gevangenisstraf, vervangende gevangenisstraf [1 ...]1;
  3° vrijheidsbenemende maatregel : elke vorm van vrijheidsbeneming op andere dan de in 2°, genoemde gronden, met uitsluiting van de internering op basis van [1 de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering]1;
  4° gedetineerde : de persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of van een vrijheidsbenemende maatregel geheel of gedeeltelijk plaatsvindt in een gevangenis;
  5° veroordeelde : de gedetineerde ten aanzien van wie een veroordeling tot een vrijheidsstraf werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan;
  6° verdachte : de gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke vervolging en ten aanzien van wie geen veroordeling werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan, ongeacht of het gaat om een verdachte die nog niet naar het vonnisgerecht werd verwezen, om een beklaagde of om een beschuldigde;
  7° orde : een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of het handhaven van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis;
  8° veiligheid : de interne en externe veiligheid;
  9° interne veiligheid : een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding;
  10° externe veiligheid : een toestand waarbij de samenleving beschermd wordt door middel van de verzekerde bewaring van gedetineerden en door het voorkomen van misdrijven die zouden gepleegd kunnen worden vanuit de gevangenis;
  11° penitentiaire administratie : het openbaar bestuur belast met de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en van vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de bevoegde overheid de uitvoering heeft gevorderd;
  12° directeur-generaal : de leidende ambtenaar die verantwoordelijk is voor het algemeen bestuur van de penitentiaire administratie;
  13° [3 de directeur : ambtenaar van niveau A bekleed met de functie van directeur of ambtenaar van niveau A aangewezen door de directeur-generaal om onder gezag van het inrichtingshoofd de taken uit te voeren die de wet aan de directeur heeft toevertrouwd.]3
  14° inrichtingshoofd : de als dusdanig door de minister aangestelde directeur die belast is met het bestuur van één of meer gevangenissen;
  15° gevangenis : een door de Koning aangewezen inrichting bestemd voor de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een vrijheidsstraf en van vrijheidsbenemende maatregelen;
  16° strafinrichting : een door de Koning specifiek aangewezen gevangenis die bestemd is voor de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een vrijheidsstraf;
  [4 16° /1 detentiehuis: een door de Koning specifiek aangewezen gevangenis die bestaat in een autonome kleinschalige voorziening die is ingebed in de maatschappelijke omgeving en waarmee zij nauwe contacten onderhoudt;]4
  17° afdeling : een onderdeel van een gevangenis met een bijzondere bestemming.
  18° zorgverlener :
  - de aan de gevangenis verbonden (beroepsbeoefenaar), zoals bedoeld in artikel 2, 3° van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt, die met een opdracht van gezondheidszorg in de gevangenis is belast; <W 2005-12-23/31, art. 9, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  - de aan de gevangenis verbonden psycholoog [2 of maatschappelijk assistent]2 die met een opdracht van gezondheidszorg in de gevangenis is belast;
  19° expert : de aan de gevangenis verbonden arts, psycholoog, maatschappelijk assistent of gediplomeerde die met een medico-psychosociale expertise in de gevangenis is belast.
  
Art.2. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
  1° Ministre : le Ministre de la Justice;
  2° peine privative de liberté : la réclusion, la détention, l'emprisonnement, l'emprisonnement militaire, l'emprisonnement subsidiaire [1 ...]1;
  3° mesure privative de liberté : toute forme de privation de liberté basée sur d'autres fondements que ceux énoncés au 2°, à l'exclusion de l'internement [1 sur base de la loi du 5 mei 2014 relative à l'internement]1;
  4° détenu : la personne à l'égard de laquelle l'exécution d'une peine privative de liberté ou d'une mesure privative de liberté s'effectue en tout ou en partie dans une prison;
  5° condamné : le détenu à l'égard duquel une condamnation à une peine privative de liberté a été prononcée et a acquis force de chose jugée;
  6° inculpé : le détenu faisant l'objet de poursuites pénales et à l égard duquel aucune condamnation ayant acquis force de chose jugée n'a été prononcée, qu'il s'agisse d'un inculpé qui n'a pas encore été renvoyé devant la juridiction de jugement, d'un prévenu ou d'un accusé;
  7° ordre : l'état de respect des règles de conduite nécessaires à l'instauration ou au maintien d'un climat social humain dans la prison;
  8° sécurité : la sécurité intérieure et extérieure;
  9° sécurité intérieure : l'état de préservation de l'intégrité physique des personnes à l'intérieur de la prison et d'absence de risque de dégradation, de destruction ou de soustraction illicites de biens meubles ou immeubles;
  10° sécurité extérieure : l'état de protection de la société grâce au maintien de détenus en lieu de sûreté et à la prévention de délits qui pourraient être commis à partir de la prison;
  11° administration pénitentiaire : l'administration publique chargée de l'exécution de condamnations à des peines privatives de liberté et de mesures privatives de liberté dont l'autorité compétente a requis l'exécution;
  12° directeur général : le fonctionnaire dirigeant responsable de la direction générale de l'administration pénitentiaire;
  13° [3 directeur : fonctionnaire de niveau A ayant la fonction de directeur ou fonctionnaire de niveau A, désigné par le directeur général pour accomplir, sous l'autorité du chef d'établissement, les missions que la loi a confiées au directeur. ]3
  14° chef d'établissement : le directeur désigné à ce titre par le ministre et chargé de la direction d'une ou de plusieurs prisons;
  15° prison : l'établissement désigné par le Roi et destiné à l'exécution de condamnations à une peine privative de liberté et de mesures privatives de liberté;
  16° établissement pénitentiaire : la prison spécifiquement désignée par le Roi et destinée à l'exécution des condamnations à une peine privative de liberté;
  [4 16° /1 maison de détention: prison spécifiquement désignée par le Roi qui consiste en une petite structure autonome, ancrée dans le milieu social et avec laquelle elle entretient des contacts étroits;]4
  17° section : [2 une partie]2 d'une prison qui a une destination particulière.
  18° prestataire de soins :
  - le (praticien professionnel) visé à l'article 2, 3°, de la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient, attaché à la prison et chargé d'une mission de soins de santé dans la prison; <L 2005-12-23/31, art. 9, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  - le psychologue [2 ou l'assistant social]2 attaché à la prison et chargé d'une mission de soins de santé dans la prison;
  19° expert : le médecin, le psychologue, l'assistant social ou le diplômé, attaché à la prison et chargé d'une expertise médico-psychosociale dans la prison.
  
Art.3. Deze wet heeft betrekking op de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en op de uitvoering van vrijheidsbenemende maatregelen.
Art.3. La présente loi concerne l'exécution de condamnations à des peines privatives de liberté coulées en force de chose jugée ainsi que l'exécution de mesures privatives de liberté.
TITEL II. - Basisbeginselen.
TITRE II. - Principes fondamentaux.
HOOFDSTUK I. - Algemene basisbeginselen.
CHAPITRE Ier. - Principes fondamentaux généraux.
Art.4. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen wordt een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer gelegd door de insluiting in een gevangenis van de persoon ten aanzien waarvan deze straf of maatregel is uitgesproken.
Art.4. Sauf exceptions prévues par ou en vertu de la loi, l'exécution d'une peine ou mesure privative de liberté s'effectue en écrouant la personne à l'égard de laquelle cette peine ou cette mesure a été prononcée dans une prison.
Art.5. § 1. De vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt ten uitvoer gelegd in psychosociale,fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid.
  § 2. Bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt er zorg voor gedragen dat de orde en de veiligheid worden gevrijwaard.
Art.5. § 1er. L'exécution de la peine ou mesure privative de liberté s'effectue dans des conditions psychosociales, physiques et matérielles qui respectent la dignité humaine, permettent de préserver ou d'accroître chez le détenu le respect de soi et sollicitent son sens des responsabilités personnelles et sociales.
  § 2. Durant l'exécution de la peine ou mesure privative de liberté, il est veillé à la sauvegarde de l'ordre et de la sécurité.
Art.6. § 1. De gedetineerde wordt aan geen andere beperkingen van zijn politieke, burgerlijke, sociale, economische of culturele rechten onderworpen dan deze die uit de strafrechtelijke veroordeling of uit de vrijheidsbenemende maatregel voortvloeien, deze die onlosmakelijk met de vrijheidsbeneming verbonden zijn en deze die door of krachtens de wet worden bepaald.
  § 2. Bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel dient vermijdbare detentieschade voorkomen te worden.
Art.6. § 1er. Le détenu n'est soumis à aucune limitation de ses droits politiques, civils, sociaux, économiques ou culturels autre que les limitations qui découlent de sa condamnation pénale ou de la mesure privative de liberté, celles qui sont indissociables de la privation de liberté et celles qui sont déterminées par ou en vertu de la loi.
  § 2. Durant l'exécution de la peine ou mesure privative de liberté, il convient d'empêcher les effets préjudiciables évitables de la détention.
Art.7. § 1. In elke gevangenis wordt een klimaat van overleg nagestreefd. Daartoe wordt in elke gevangenis een overlegorgaan opgericht teneinde de gedetineerden in de gelegenheid te stellen inspraak te hebben in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang die voor hun medewerking in aanmerking komen.
  § 2. De Koning bepaalt de wijze van samenstelling en de werkwijze van de overlegorganen.
Art.7. § 1er. Dans chaque prison, on tentera d'instaurer un climat de concertation. A cet effet, on créera dans chaque prison un organe de concertation afin de permettre aux détenus de s'exprimer sur les questions d'intérêt communautaire pour lesquelles ils peuvent apporter leur participation.
  § 2. Le Roi fixe les modalités de composition et de fonctionnement des organes de concertation.
Art.8. § 1. Alle beslissingen die in het kader van deze wet worden genomen, zijn met redenen omkleed, behalve in de gevallen waarin de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen geen motivering vereist, of in de gevallen waarin de kennisgeving van de motivering de veiligheid ernstig in gevaar zou brengen.
  (Indien een beslissing niet met redenen is omkleed), wordt de directeur-generaal er onmiddellijk van in kennis gesteld, alsook van de redenen waarom de motivering ontbreekt. Indien de beslissing niet beantwoordt aan de in het eerste lid bedoelde motiveringsplicht, beveelt hij dat de beslissing met redenen wordt omkleed. <W 2005-12-23/31, art. 10, 1°, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  (De beslissingen die niet met redenen zijn omkleed), worden ingeschreven in een bijzonder daartoe bestemd register, volgens de door de Koning bepaalde regels. Dit register wordt uitsluitend ter beschikking gesteld van de toezicht- en klachtenorganen. <W 2005-12-23/31, art. 10, 2°, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  § 2. De uitzonderingen bepaald in § 1, eerste lid, zijn niet van toepassing op de beslissingen die krachtens titel VII genomen worden.
Art.8. § 1er. Toutes les décisions prises dans le cadre de la présente loi sont motivées, sauf les cas où la loi du 29 juillet 1991 relative la motivation formelle des actes administratifs n'exige pas d'indication des motifs, ou les cas où la sécurité serait gravement mise en péril par la communication de la motivation.
  (Lorsqu'une décision n'est pas motivée), le directeur général en est immédiatement informé, ainsi que des motifs qui justifient cette absence de motivation. Si la décision ne répond pas à l'exigence de motivation prévue à l'alinéa 1er, le directeur général ordonne que la décision soit motivée. <L 2005-12-23/31, art. 10, 1°, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  (Les décisions qui ne sont pas motivées) sont inscrites dans un registre spécialement prévu à cet effet, selon les modalités déterminées par le Roi. Ce registre est uniquement mis à la disposition des organes de surveillance et de plaintes. <L 2005-12-23/31, art. 10, 2°, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  § 2. Les exceptions prévues au § 1er, alinéa 1er, ne sont pas d'application aux décisions prises en vertu du titre VII.
HOOFDSTUK II. - Basisbeginselen van toepassing op specifieke categorieën van gedetineerden.
CHAPITRE II. - Principes fondamentaux applicables à des catégories spécifiques de détenus.
Afdeling I. - Veroordeelden.
Section Ire. - Des condamnés.
Art.9. § 1. Het strafkarakter van de vrijheidsstraf bestaat uitsluitend in het geheel of gedeeltelijk verlies van de vrijheid van komen en gaan en de daarmee onlosmakelijk verbonden vrijheidsbeperkingen.
  § 2. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt gericht op het herstel van het door het misdrijf aan de slachtoffers aangedane onrecht, op de rehabilitatie van de veroordeelde en op de geïndividualiseerde voorbereiding van zijn reïntegratie in de vrije samenleving.
  § 3. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld constructief mee te werken aan de realisering van het individueel detentieplan, bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, dat wordt opgesteld met het oog op een schadebeperkende, op herstel en op reïntegratie gerichte en veilige uitvoering van de vrijheidsstraf.
Art.9. § 1er. Le caractère punitif de la peine privative de liberté se traduit exclusivement par la perte totale ou partielle de la liberté de mouvement et les restrictions à la liberté qui y sont liées de manière indissociable.
  § 2. L'exécution de la peine privative de liberté est axée sur la réparation du tort causé aux victimes par l'infraction, sur la réhabilitation du condamné et sur la préparation, de manière personnalisée, de sa réinsertion dans la société libre.
  § 3. Le condamné se voit offrir la possibilité de collaborer de façon constructive à la réalisation du plan de détention individuel visé au titre IV, chapitre II, lequel est établi dans la perspective d'une exécution de la peine privative de liberté qui limite les effets préjudiciables, est axée sur la réparation et la réinsertion, et se déroule en sécurité.
Afdeling II. - Verdachten.
Section II. - Des inculpés.
Art.10. § 1. Verdachten worden geacht onschuldig te zijn zolang zij niet veroordeeld zijn door een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan.
  § 2. Bij de omgang met verdachten moet elke schijn vermeden worden dat hun vrijheidsbeneming het karakter heeft van een straf.
Art.10. § 1er. Les inculpés sont présumés innocents tant qu'ils n'ont pas été condamnés en vertu d'une condamnation ayant acquis force de chose jugée.
  § 2. Les inculpés doivent être traités de manière à ne donner aucunement l'impression que leur privation de liberté présente un caractère punitif.
Art.11. Behoudens wanneer zij met het oog op de deelname aan (gemeenschappelijke activiteiten) schriftelijk met het tegendeel instemmen, worden verdachten gescheiden van de veroordeelden gehouden. <W 2005-12-23/31, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art.11. Les inculpés sont maintenus à l'écart des condamnés, sauf lorsqu'ils acceptent par écrit le contraire en vue de participer à des activités communes.
Art.12. De verdachten dienen de nodige faciliteiten, verenigbaar met de orde en de veiligheid, te genieten om hun recht van verdediging zo goed mogelijk te behartigen in de rechtsprocedure waarin zij betrokken zijn.
Art.12. Les inculpés doivent bénéficier des facilités nécessaires, compatibles avec l'ordre et la sécurité, pour faire valoir au mieux leur droit de défense dans la procédure juridique qui les concerne.
Art.13. § 1. Bij de uitvoering van de vrijheidsbenemende maatregel wordt het regime aangepast aan de vereisten inzake de eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld.
  § 2. Behoudens de beperkingen door of krachtens de wet gesteld worden aan verdachten alle faciliteiten verleend die verenigbaar zijn met de orde en de veiligheid.
Art.13. § 1er. Durant l'exécution de la mesure privative de liberté, le régime est adapté aux exigences du respect du principe de la présomption d'innocence.
  § 2. Sous réserve des limites imposées par ou en vertu de la loi, les inculpés bénéficient de toutes les facilités compatibles avec l'ordre et la sécurité.
TITEL III. - Gevangenissen.
TITRE III. - Des prisons.
HOOFDSTUK I. - Indeling en bestemming.
CHAPITRE Ier. - De la répartition et de la destination.
Art.14. De Koning deelt de gevangenissen in volgens hun bestemming. Hij kan de gevangenissen indelen volgens andere criteria dan volgens hun bestemming.
Art.14. Le Roi répartit les prisons en fonction de leur destination. Il peut les répartir en fonction d'autres critères que leur destination.
Art.15. § 1. De Koning bepaalt de bestemming van de gevangenissen. Hij kan één of meer delen van een gevangenis aanwijzen als een afdeling met een bijzondere bestemming.
  § 2. Onverminderd andere aan gevangenissen te geven bestemmingen, wijst de Koning gevangenissen of afdelingen van gevangenissen aan die specifiek bestemd zijn voor de onderbrenging van :
  1° verdachten;
  2° vrouwelijke gedetineerden;
  3° gedetineerden die in de gevangenis worden opgenomen samen met hun kind van minder drie jaar;
  4° [1 ...]1;
  5° [1 ...]1;
  6° [1 ...]1.
  
Art.15. § 1er. Le Roi détermine la destination des prisons. Il peut désigner une ou plusieurs parties d'une prison comme section à destination particulière.
  § 2. Sans préjudice d'autres destinations à donner aux prisons, le Roi désigne des prisons ou des sections de prison spécifiquement destinées à accueillir :
  1° les inculpés;
  2° les femmes détenues;
  3° les détenus hébergés en prison avec leur enfant de moins de trois ans;
  4° [1 ...]1;
  5° [1 ...]1;
  6° [1 ...]1.
  
Art.15/1. [1 § 1. Aan steden en gemeenten op het grondgebied waarvan zich een detentiehuis bevindt, kan een subsidie worden toegekend.
   Deze subsidie voorziet in een tussenkomst voor de kosten verbonden aan het bevorderen van de integratie van het detentiehuis op hun grondgebied en van de toegankelijkheid van hun diensten voor de gedetineerden die in het detentiehuis verblijven.
   § 2. De Koning bepaalt de nadere regels aangaande deze subsidiëring.]1

  
Art.15/1. [1 § 1er. Un subside peut être accordé aux villes et communes sur le territoire desquelles se trouve une maison de détention.
   Ce subside prévoit une contribution aux coûts liés à la promotion de l'intégration de la maison de détention sur leur territoire et l'accessibilité des leurs services pour les détenus qui séjournent dans la maison de détention.
   § 2. Le Roi détermine les modalités concernant ce subside.]1

  
HOOFDSTUK II. - Huishoudelijk reglement.
CHAPITRE II. - Du règlement d'ordre intérieur.
Art.16. § 1. In iedere gevangenis wordt door het inrichtingshoofd een huishoudelijk reglement opgesteld overeenkomstig de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen en overeenkomstig de door de minister gegeven instructies.
  § 2. De huishoudelijke reglementen worden ter goedkeuring aan de minister voorgelegd.
  § 3. Een exemplaar van het huishoudelijk reglement wordt ter beschikking gesteld van de gedetineerden.
Art.16. § 1er. Dans chaque prison, le chef d'établissement établit un règlement d'ordre intérieur conformément aux dispositions fixées par ou en vertu de la présente loi et conformément aux instructions données par le ministre.
  § 2. Les règlements d'ordre intérieur sont soumis à l'approbation du ministre.
  § 3. Un exemplaire du règlement d'ordre intérieur est mis à la disposition des détenus.
HOOFDSTUK III. - Plaatsing, overplaatsing en onthaal.
CHAPITRE III. - Du placement, du transfèrement et de l'accueil.
Art.17. De gedetineerden worden geplaatst in een gevangenis of afdeling dan wel overgeplaatst naar een gevangenis of afdeling, rekening houdend [1 met de bestemming of andere criteria zoals bepaald in artikel 14 of 15]1, en voor de veroordeelden mede rekening houdend met het individuele detentieplan.
  
Art.17. Les détenus sont placés dans une prison ou une section ou bien transférés dans une prison ou une section en tenant compte [1 de la destination ou d'autres critères comme prévu à l'article 14 ou 15]1 et, pour les condamnés, en tenant compte du plan de détention individuel.
  
Art.18. § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt over de plaatsing of overplaatsing van gedetineerden beslist door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen.
  [2 § 1/1. De in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren kunnen bepalen dat de veroordeelde zich ter uitvoering van de beslissing tot plaatsing of overplaatsing zelfstandig begeeft naar de aangewezen gevangenis.]2
  § 2. Tegen een beslissing tot plaatsing of overplaatsing die door de in § 1 bedoelde ambtenaren genomen is, kan een bezwaar worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III.
  § 3. [1 ...]1.
  
Art.18. § 1er. Sans préjudice de dispositions légales contraires, le placement ou le transfèrement des détenus est décidé par des fonctionnaires de l'administration pénitentiaire désignés à cet effet par le directeur général.
  [2 § 1/1. Les fonctionnaires visés au paragraphe 1er peuvent décider que le condamné se rendra de sa propre initiative à la prison désignée pour exécuter la décision de placement ou de transfèrement.]2
  § 2. Toute décision de placement ou de transfèrement prise par les fonctionnaires visés au § 1er peut faire l'objet d'une réclamation comme prévu au titre VIII, chapitre III.
  § 3. [1 ...]1.
  
Art.19. § 1. De gedetineerde wordt bij zijn onthaal geïnformeerd over zijn rechten en plichten, over de in de gevangenis of afdeling geldende regels, over de rol van het personeel en over de aldaar bestaande of van daaruit toegankelijke mogelijkheden van medische, juridische, psychosociale, familiale hulpverlening, van morele, levensbeschouwelijke of godsdienstige ondersteuning en van maatschappelijke hulp- en dienstverlening.
  § 2. De Koning stelt de nadere regels vast om, voorzover mogelijk, de informatie bedoeld in § 1 in een voor de gedetineerde verstaanbare taal of op een begrijpelijke wijze te verstrekken.
  § 3. De Koning stelt de nadere regels vast voor het onthaal van de gedetineerde in de gevangenis of in een afdeling ervan.
Art.19. § 1er. Lors de son accueil, le détenu sera informé de ses droits et de ses devoirs, des règles en vigueur dans la prison ou dans la section, du rôle du personnel ainsi que des possibilités existant sur place ou accessibles à partir de là en matière d'aide médicale, juridique, psychosociale et familiale, en matière de soutien moral, philosophique ou religieux ainsi qu'en matière d'aide sociale.
  § 2. Le Roi fixe les modalités nécessaires pour que, dans la mesure du possible, les informations visées au § 1er soient données au détenu dans une langue qu'il comprend ou de manière intelligible.
  § 3. Le Roi fixe les modalités d'accueil du détenu dans la prison ou dans l'une de ses sections.
HOOFDSTUK IV. - Toezicht.
CHAPITRE IV. - De la surveillance.
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Section Ire. - Disposition générale.
Art.20. Onverminderd de door of krachtens de wet bepaalde opdrachten of machtigingen tot inspectie, controle of toezicht door gerechtelijke, administratieve of andere overheden, wordt een onafhankelijk toezicht gehouden op de gevangenissen en op de bejegening van de gedetineerden, door de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen en door de commissies van toezicht.
Art.20. Sans préjudice des missions ou des délégations d'inspection, de contrôle ou de surveillance confiées à des autorités judiciaires, administratives ou autres par ou en vertu de la loi, une surveillance indépendante des prisons et du traitement réservé aux détenus est exercée par le Conseil central de surveillance pénitentiaire et par les commissions de surveillance.
Afdeling II. - Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen.
Section II. - Du Conseil central de surveillance pénitentiaire.
Art.21. [1 Bij de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt een Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen opgericht, hierna de "Centrale Raad" genoemd.]1
  
Art.21. [1 Il est institué auprès de la Chambre des représentants un Conseil central de surveillance pénitentiaire, dénommé ci-après "Conseil central".]1
  
Art.22. [1 De Centrale Raad heeft tot taak :
   1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenissen, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
   2° aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, hetzij ambtshalve, hetzij op hun verzoek, advies te verlenen over het gevangeniswezen en de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen;
   3° Commissies van toezicht, zoals bedoeld in artikel 26, op te richten en de werking ervan te ondersteunen, te coördineren en te controleren;
   4° jaarlijks ten behoeve van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de minister bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, een verslag op te stellen betreffende de gevangenissen, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften. Het verslag omvat onder meer alle adviezen die conform de bepaling onder 2° zijn uitgebracht, een beleidsplan en de jaarverslagen zoals bepaald in artikel 26, § 2, 4°.
   Het verslag is publiek.
   Het ontwerp van verslag wordt voorafgaandelijk aan de bekendmaking bezorgd aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de minister bevoegd voor de penitentiaire gezondheidszorg, die binnen een termijn van twee maanden vanaf datum van ontvangst hun gebeurlijke bemerkingen bezorgen.]1

  
Art.22. [1 Le Conseil central a pour mission :
   1° d'exercer un contrôle indépendant sur les prisons, sur le traitement réservé aux détenus et sur le respect des règles les concernant;
   2° de soumettre à la Chambre des représentants, au ministre qui a la Justice dans ses attributions et au ministre qui a les soins des santé pénitentiaires dans ses attributions, soit d'office, soit à la demande de ceux-ci, des avis sur l'administration des établissements pénitentiaires et sur l'exécution des peines et mesures privatives de liberté;
   3° de créer des Commissions de surveillance telles que visées à l'article 26 et en assurer l'appui, la coordination et le contrôle de fonctionnement;
   4° de rédiger pour la Chambre des représentants et le ministre qui a la Justice dans ses attributions et le ministre qui a les soins de santé pénitentiaires dans ses attributions un rapport concernant les prisons, le traitement réservé aux détenus et le respect des règles les concernant. Le rapport contient notamment tous les avis rendus conformément au 2°, un plan stratégique et les rapports annuels prévus à l'article 26, § 2, 4°.
   Le rapport est public.
   Le projet de rapport est transmis avant la publication au ministre qui a la Justice dans ses attributions et au ministre qui a les soins de santé pénitentiaires dans ses attributions, lesquels communiquent leurs éventuelles remarques dans un délai de deux mois à compter de la date de réception.]1

  
Art.23. [1 § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van hun taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Centrale Raad vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenissen en, mits voorafgaandelijke instemming van de gedetineerde, tot de verblijfsruimte van de gedetineerde en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde, alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
   Zij zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
   § 2. Zij hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
   § 3. Op verzoek van de voorzitter van de Centrale Raad brengt de directeur-generaal verslag uit over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Centrale Raad behoren. De directeur-generaal antwoordt binnen een termijn van twee maanden na ontvangst van het verzoek op de vragen om inlichtingen vanwege de Centrale Raad.]1

  
Art.23. [1 § 1er. Pour autant que cela soit nécessaire à l'accomplissement de leurs missions, les membres du Conseil central ont librement accès à tous les endroits des prisons et, moyennant autorisation préalable du détenu, à l'espace de séjour du détenu et ont le droit de consulter sur place, sauf exceptions prévues par la loi, tous les livres et documents se rapportant à la prison, y compris le registre des sanctions disciplinaires et, moyennant autorisation préalable écrite du détenu, toutes les pièces contenant des informations personnelles concernant le détenu.
   Ils sont tenus de respecter les règles de sécurité en vigueur.
   § 2. Ils ont le droit d'entretenir une correspondance avec les détenus sans être contrôlés et d'entrer en contact avec eux sans être surveillés.
   § 3. A la demande du président du Conseil central, le directeur général fait rapport sur des questions relevant de la compétence du Conseil central. Le directeur général répond dans un délai de deux mois après réception à la demande d'informations émanant du Conseil central.]1

  
Art.24. [1 § 1. [2 De Centrale Raad bestaat uit twaalf effectieve leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangers, die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.
   Bij de samenstelling van Centrale Raad wordt de taalpariteit in acht genomen, op basis van de taal waarin de kandidaat-leden hun kandidatuur hebben ingediend en voor de leden bedoeld in paragraaf 3, op basis van hun diploma.]2

   § 2. De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Centrale Raad worden toevertrouwd.
  [2 De leden genieten de burgerlijke en politieke rechten.]2
   § 3. [2 De Centrale Raad telt onder haar effectieve leden en onder haar plaatsvervangende leden ten minste]2 :
   1° twee Nederlandstaligen en twee Franstaligen die houder zijn van een diploma [2 ...]2 master in de rechtswetenschappen waaronder minstens één Nederlandstalige magistraat van de zetel en één Franstalige magistraat van de zetel;
   2° een Nederlandstalige en een Franstalige arts.
   § 4. De Kamer van volksvertegenwoordigers wijst onder de [2 effectieve]2 leden van de Centrale Raad een [2 ...]2 bureau aan, bestaande uit twee Nederlandstalige leden en twee Franstalige leden, waarvan minstens één lid per taalrol houder is van een diploma [2 ...]2 master in de rechtswetenschappen.
   De leden van het bureau oefenen hun ambt voltijds uit en kunnen geen enkele andere beroepsactiviteit uitoefenen tijdens de duur van hun mandaat. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan afwijkingen op dat verbod toestaan op voorwaarde dat zij de betrokkene niet hinderen bij de behoorlijke uitoefening van zijn opdracht.
   § 5. De Kamer van volksvertegenwoordigers wijst één lid van het [2 ...]2 bureau aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter. De voorzitter en de ondervoorzitter [2 zijn van een verschillende taalrol]2.
   § 6. Het lidmaatschap van de Centrale Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
   1° het lidmaatschap van een Commissie van toezicht;
   2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor de penitentiaire administratie;
   3° het uitoefenen van een functie bij de Beleidcel van een [2 regeringslid]2;
   4° het uitoefenen van een verkozen mandaat of het lidmaatschap van een uitvoerend orgaan op Europees niveau, federaal niveau, gemeenschapsniveau of gewestniveau;
  [2 5° de uitoefening van een ambt bij de strafuitvoeringsrechtbank.]2
   § 7. [2 De effectieve leden van de Centrale Raad worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden en die begint te lopen vanaf de eedaflegging. Na afloop van die termijn blijven de leden hun functie uitoefenen tot de eedaflegging van hun opvolger.
   De plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden, en die begint te lopen vanaf de eedaflegging van het lid van wie ze de plaatsvervanging verzekeren.
   Het lid wiens mandaat een einde neemt voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar, wordt voor de resterende duur van het mandaat vervangen door zijn plaatsvervanger. In dit geval valt de opvolger onder de toepassing van het eerste lid. Indien de resterende duur van het mandaat minder dan een jaar bedraagt, geldt dit niet als een mandaat voor de toepassing van de beperking van het aantal mandaten vastgesteld in deze bepaling.
   Bij het openvallen van een plaats van plaatsvervangend lid gaat de Kamer van volksvertegenwoordigers onverwijld over tot de benoeming van een nieuw plaatsvervangend lid.]2

  [2 § 7/1. Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de effectieve leden en de plaatsvervangende leden in handen van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers de volgende eed af: "Ik zweer de plichten van mijn opdracht gewetensvol en onpartijdig te vervullen.]2
   § 8. De Kamer van volksvertegenwoordigers kan een einde maken aan het mandaat van de leden van de Centrale Raad :
   1° op hun verzoek;
   2° om ernstige en dwingende redenen.]1

  
Art.24. [1 § 1er. [2 Le Conseil central est composé de douze membres effectifs et d'un nombre équivalent de suppléants, qui sont nommés par la Chambre des représentants à la majorité des deux tiers des suffrages émis.
   La parité linguistique est respectée pour la composition du Conseil central, sur la base de la langue dans laquelle les candidats-membres ont posé leur candidature et, pour les membres visés au paragraphe 3, sur la base de leur diplôme.]2

   § 2. Les membres sont nommés sur la base de leur compétence ou de leur expérience en rapport avec les missions qui sont confiées au Conseil central.
  [2 Les membres jouissent des droits civils et politiques.]2
   § 3. [2 Le conseil central compte parmi ses membres effectifs et ses membres suppléants au moins]2 :
   1° deux francophones et deux néerlandophones titulaires [2 ...]2 d'un master en droit parmi lesquelles au moins un magistrat francophone du siège et un magistrat néerlandophone du siège;
   2° un médecin francophone et un médecin néerlandophone.
   § 4. La Chambre des représentants désigne parmi les membres [2 effectifs]2 du Conseil central un bureau [2 ...]2, composé de deux membres francophones et de deux membres néerlandophones, dont au moins un membre par rôle linguistique est titulaire [2 ...]2 d'un master en droit.
   Les membres du bureau exercent leurs fonctions à temps plein et ne peuvent exercer aucune autre activité professionnelle pendant la durée de leur mandat. La Chambre des représentants peut accorder des dérogations à cette interdiction à condition qu'elles n'empêchent pas l'intéressé de s'acquitter dûment de sa mission.
   § 5. La Chambre des représentants désigne un des membres du bureau [2 ...]2 en qualité de président et un autre en qualité de vice-président. Le président et le vice-président [2 appartiennent]2 à un rôle linguistique différent.
   § 6. Pendant la durée du mandat, l'appartenance au Conseil central est incompatible avec :
   1° l'appartenance à une Commission de surveillance;
   2° l'exercice d'une fonction auprès de l'administration pénitentiaire ou l'exécution d'une mission pour celle-ci;
   3° l'exercice d'une fonction au sein de la cellule stratégique d'un [2 membre du gouvernement]2;
   4° l'exercice d'un mandat électif ou l'appartenance à un organe exécutif européen, fédéral, communautaire ou régional;
  [2 5° l'exercice d'une fonction auprès du tribunal de l'application des peines.]2
   § 7. [2 Les membres effectifs du Conseil central sont nommés pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la prestation de serment. Après cette période, les membres continuent à exercer leur fonction jusqu'à la prestation de serment de leur successeur.
   Les suppléants sont nommés pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la prestation de serment du membre dont ils assurent la suppléance.
   Le membre dont le mandat prend fin avant l'expiration de la période de cinq ans est remplacé par son suppléant pour la période restante du mandat. Dans ce cas, le successeur tombe sous l'application de l'alinéa 1er. Si la durée restante du mandat est de moins d'un an, celui-ci n'entre pas en ligne de compte pour l'application de la limitation du nombre de mandats prévue dans cette disposition.
   Lors de la vacance d'une place de suppléant, la Chambre des représentants nomme sans délai un nouveau membre suppléant.]2

  [2 § 7/1. Avant d'accepter leur fonction, les membres effectifs et les membres suppléants prêtent le serment suivant entre les mains du président de la Chambre des représentants: "Je jure de remplir en toute conscience et impartialité les devoirs de ma charge.]2
   § 8. La Chambre des représentants peut mettre fin au mandat des membres du Conseil central :
   1° à leur demande;
   2° pour des raisons graves et impérieuses.]1

  
Art.25. [1 § 1. De Centrale Raad wordt bijgestaan door een secretariaat dat naar taal paritair samengesteld is. [2 De taalpariteit van de leden van het secretariaat wordt in acht genomen op basis van hun diploma.]2
  [2 Het statuut en de wijze van aanwerving van de leden van het secretariaat worden bepaald door de Centrale Raad.]2
   § 2. De voorzitter van de Centrale Raad geeft leiding aan het secretariaat.]1

  
Art.25. [1 § 1er. Le Conseil central est assisté par un secrétariat composé paritairement sur le plan linguistique. [2 La parité linguistique des membres du secrétariat est respectée sur la base de leur diplôme.]2
  [2 Le statut et le mode de recrutement des membres du secrétariat sont fixés par le Conseil central.]2
   § 2. Le président du Conseil central dirige le secrétariat.]1

  
Art. 25/1. [1 § 1. De Centrale Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op.
   Het reglement bepaalt in het bijzonder de wijze van oproeping van de leden, de wijze van beraadslaging en de wijze van controle van de werking van de Commissies van toezicht.
  [2 De leden van de Centrale Raad nemen geen kennis van zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben en laten zich in voorkomend geval vervangen.]2
   Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers [2 en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad]2.
   § 2. De Centrale Raad houdt ten minste één zitting per maand, op bijeenroeping van zijn voorzitter of op verzoek van één derde van zijn leden. De Centrale Raad kan slechts vergaderen wanneer de helft plus één van de leden aanwezig is.
   § 3. De Centrale Raad stelt zowel voor haar werking als die van de Commissies van toezicht een deontologische code op.
   § 4. De artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek zijn van toepassing op de leden van de Centrale Raad en de leden van het secretariaat zonder afbreuk te doen aan de taak van de Centrale Raad.]1

  
Art. 25/1. [1 § 1er. Le Conseil central établit son règlement d'ordre intérieur.
   Le règlement fixe en particulier les modalités de convocation des membres, les modalités de délibération et les modalités de contrôle du fonctionnement des Commissions de surveillance.
  [2 Les membres du Conseil central ne connaissent pas des affaires dans lesquelles ils ont un intérêt personnel ou dans lesquelles leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ont un intérêt personnel et, le cas échéant, se font remplacer.]2
   Le règlement d'ordre intérieur est approuvé par la Chambre des représentants [2 et publié au Moniteur belge]2.
   § 2. Le Conseil central se réunit au moins une fois par mois, sur convocation de son président ou à la demande d'un tiers de ses membres. Le Conseil central ne peut se réunir que si la moitié de ses membres plus un sont présents.
   § 3. Le Conseil central rédige un code de déontologie pour son propre fonctionnement, de même que pour celui des Commissions de surveillance.
   § 4. Les articles 458 et 458bis du Code pénal sont applicables aux membres du Conseil central et aux membres du secrétariat sans porter atteinte à la mission du Conseil central.]1

  
Art. 25/2. [1 § 1. De Centrale Raad stelt uit zijn leden een Franstalige en een Nederlandstalige Beroepscommissie samen, elk samengesteld uit drie leden.
   De Centrale Raad wijst eveneens drie plaatsvervangende leden per taalrol aan.
   Elke Beroepscommissie wordt voorgezeten door een magistraat van de zetel.
   § 2. De Beroepscommissie is belast met de behandeling van :
   1° de beroepschriften ingediend tegen de uitspraken van de klachtencommissies zoals bepaald in artikel 31;
   2° de beroepschriften ingediend tegen de beslissingen tot plaatsen in een individueel bijzonder veiligheidsregime, zoals bepaald in titel VI, hoofdstuk III, afdeling III;
   3° de beroepschriften ingediend tegen de beslissingen die genomen worden naar aanleiding van bezwaarschriften tegen een plaatsing of overplaatsing, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III.
   § 3. Bij de behandeling van het beroepschrift wraakt de Beroepscommissie, ambtshalve, op vraag van één van de partijen of op vraag van het lid zelf, elk lid van de Beroepscommissie van wie de onafhankelijkheid ten aanzien van de behandeling van de klacht kan worden betwist.]1

  
Art. 25/2. [1 § 1er. Le Conseil central constitue parmi ses membres une commission d'appel francophone et une commission d'appel néerlandophone, comprenant chacune trois membres.
   Le Conseil central désigne également trois membres suppléants pour chaque rôle linguistique.
   Chaque Commission d'appel est présidée par un magistrat du siège.
   § 2. La Commission d'appel est chargée d'examiner :
   1° les recours introduits contre les décisions des commissions des plaintes, tel que déterminé à l'article 31;
   2° les recours introduits contre les décisions de placement sous régime de sécurité particulier individuel, tel que prévu au titre VI, chapitre III, section III;
   3° les recours introduits contre les décisions prises suite à des réclamations contre un placement ou un transfèrement, tel que prévu au titre VIII, chapitre III.
   § 3. Lors du traitement du recours, la Commission d'appel récuse tout membre de la Commission d'appel dont l'indépendance concernant le traitement de la plainte peut être contestée, et ce d'office, à la demande d'une des parties ou à la demande du membre lui-même.]1

  
Art. 25/3. [1 § 1. [2 De leden van de Centrale Raad die lid zijn van het bureau genieten een jaarlijkse wedde van 54 990 euro. De magistraten en ambtenaren die lid zijn van het bureau behouden tenminste hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
   De leden van de Centrale Raad en van de Beroepscommissie die geen lid zijn van het bureau hebben recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag 150 euro bedraagt. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van het vastgesteld presentiegeld.
   De wedde bedoeld in het eerste lid en het presentiegeld bedoeld in het tweede lid vallen onder de indexeringsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten. Zij worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.]2

   § 2. Voor de werking van de Centrale Raad en van de commissies van toezicht wordt een dotatie uitgetrokken op de algemene uitgavenbegroting van het Rijk.
   De Centrale Raad stelt jaarlijks een ontwerp van begroting op voor zijn werking en de werking van de commissies van toezicht. Bijgestaan door het Rekenhof, onderzoekt de Kamer van volksvertegenwoordigers de gedetailleerde begrotingsvoorstellen van de Centrale Raad, keurt ze goed en controleert de uitvoering van zijn begroting. Zij onderzoekt ze en keurt daarenboven de gedetailleerde rekeningen goed.
   De Centrale Raad hanteert voor zijn begroting en rekeningen een schema dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers.]1

  
Art. 25/3. [1 § 1er. [2 Les membres du Conseil central qui sont membres du bureau bénéficient d'un traitement annuel de 54 990 euros. Les magistrats et les fonctionnaires qui sont membres du bureau conservent au moins leur traitement ainsi que les augmentations et avantages y afférents.
   Les membres du Conseil central et de la Commission d'appel qui ne sont pas membres du bureau ont droit à un jeton de présence dont le montant s'élève à 150 euros par jour presté. Les activités d'une durée inférieure à quatre heures par jour donnent droit à la moitié du jeton de présence fixé.
   Le traitement visé au premier alinéa et le jeton de présence visé au deuxième alinéa sont soumis aux règles d'indexation applicables aux traitements du personnel des services publics fédéraux. Ils sont rattachés à l'indice-pivot 138,01.]2

   § 2. Une dotation est inscrite au budget général des dépenses de l'Etat pour financer le fonctionnement du Conseil central et des commissions de surveillance.
   Le Conseil central établit annuellement un projet de budget pour son fonctionnement et celui des commissions de surveillance. Assistée par la Cour des comptes, la Chambre des représentants examine les propositions budgétaires détaillées du Conseil central. Elle les approuve et contrôle l'exécution de son budget, elle examine et approuve en outre les comptes détaillés.
   Pour son budget et ses comptes, le Conseil central utilise un schéma budgétaire et des comptes comparable à celui qui est utilisé par la Chambre des représentants.]1

  
Art.25/4. [1 De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het Rijkspersoneel zijn van toepassing op de leden van de Centrale Raad die lid zijn van het bureau.
   De Staatskas draagt de lasten van de rust- en overlevingspensioenen die zijn toegekend aan de in het eerste lid bedoelde leden en hun rechthebbenden.
   Voor de opvorderbaarheid van het recht op de in dit artikel bedoelde pensioenen en de berekening ervan komen enkel de gepresteerde diensten als lid van het bureau van de Centrale Raad in aanmerking.
   De gemiddelde wedde op grond waarvan de in dit artikel bedoelde pensioenen worden berekend, wordt vastgesteld op basis van de wedde als bedoeld in art. 25/3, § 1, eerste lid. Voor de magistraten en ambtenaren die lid zijn van het bureau en hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen op basis van art. 25/3, § 1, eerste lid, behouden, wordt de gemiddelde wedde vastgesteld op basis van deze wedde en de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover deze in aanmerking worden genomen voor het pensioen als magistraat of ambtenaar.]1

  
Art.25/4. [1 Les lois sur le régime de pensions des agents de l'Etat s'appliquent aux membres du Conseil central qui sont membres du bureau.
   Le Trésor public supporte la charge des pensions de retraite et de survie accordées aux membres visés à l'alinéa 1er et à leurs ayants droit.
   Pour l'exigibilité du droit aux pensions visées au présent article et le calcul de celles-ci, seules les prestations effectuées en tant que membre du bureau du Conseil central entrent en considération.
   Le traitement moyen servant de base au calcul des pensions visées au présent article est fixé sur la base du traitement visé à l'article 25/3, § 1er, alinéa 1er. Pour les magistrats et les fonctionnaires qui sont membres du bureau et qui conservent, en application de l'article 25/3, § 1er, alinéa 1er, leur traitement ainsi que les augmentations et avantages y afférents, le traitement moyen est fixé sur la base de ce traitement et des augmentations et avantages y afférents, pour autant que ceux-ci entrent en considération pour le calcul de leur pension de magistrat ou de fonctionnaire.]1

  
Afdeling III. - Commissies van toezicht.
Section III. - Des commissions de surveillance.
Art.26. [1 § 1. De Centrale Raad richt bij elke gevangenis een Commissie van toezicht op en deelt dit mee aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
   § 2. De Commissie van toezicht heeft tot taak :
   1° een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenis waarvoor ze bevoegd is, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;
   2° aan de Centrale Raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek, advies en inlichtingen te geven betreffende aangelegenheden in de gevangenis die rechtstreeks of onrechtstreeks met het welzijn van de gedetineerden verband houden en voorstellen te doen die zij gepast acht;
   3° te bemiddelen tussen de directeur en de gedetineerden omtrent problemen die ter kennis worden gebracht van de leden;
   4° jaarlijks een verslag betreffende de gevangenis, de bejegening van gedetineerden en de naleving van de hen betreffende voorschriften op te stellen.]1

  
Art.26. [1 § 1er. Le Conseil central institue une commission de surveillance auprès de chaque prison et en informe la Chambre des représentants.
   § 2. La Commission de surveillance a pour mission :
   1° d'exercer un contrôle indépendant sur la prison pour laquelle elle est compétente, sur le traitement réservé aux détenus et sur le respect des règles les concernant;
   2° de soumettre au Conseil central, soit d'office, soit sur demande, des avis et des informations concernant des questions qui, dans la prison, présentent un lien direct ou indirect avec le bien-être des détenus, et de formuler les propositions qu'elle juge appropriées;
   3° d'assurer la médiation entre le directeur et les détenus concernant des problèmes qui sont portés à la connaissance des membres;
   4° de rédiger un rapport annuel concernant la prison, le traitement réservé aux détenus et le respect des règles les concernant.]1

  
Art.27. [1 § 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken noodzakelijk is, hebben de leden van de Commissies van toezicht vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenis en, mits voorafgaandelijke instemming van de gedetineerde, tot de verblijfsruimte van de gedetineerde en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtsancties en, mits voorafgaandelijke schriftelijke instemming van de gedetineerde, van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.
   Zij zijn ertoe gehouden de geldende veiligheidsregels na te leven.
   § 2. Ze hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.
   § 3. Op verzoek van de voorzitter van de Commissie van toezicht brengt de directeur verslag uit over de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Commissie behoren. De directeur antwoordt uiterlijk binnen een maand na ontvangst van het verzoek op de vragen om inlichtingen vanwege de Commissie van toezicht.]1

  
Art.27. [1 § 1er. Pour autant que cela soit nécessaire à l'accomplissement des missions, les membres des Commissions de surveillance ont librement accès à tous les endroits de la prison et, moyennant autorisation préalable du détenu, à l'espace de séjour du détenu et ont le droit de consulter sur place, sauf exceptions prévues par la loi, tous les livres et documents se rapportant à la prison, y compris le registre des sanctions disciplinaires et, moyennant autorisation écrite préalable du détenu, à toutes les pièces contenant des informations personnelles concernant le détenu.
   Ils sont tenus de respecter les règles de sécurité en vigueur.
   § 2. Ils ont le droit d'entretenir une correspondance avec les détenus sans être contrôlés et d'entrer en contact avec eux sans être surveillés.
   § 3. A la demande du président de la Commission de surveillance, le directeur fait rapport sur les questions relevant de la compétence de la Commission. Le directeur répond au plus tard dans le mois de la réception de la demande d'informations émanant de la Commission de surveillance.]1

  
Art.28. [1 § 1. [2 Elke Commissie van toezicht bestaat uit ten minste zes en maximum achttien leden.
   De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Commissie van toezicht worden toevertrouwd.]2

   § 2. Elke Commissie van toezicht telt onder haar leden ten minste :
   1° twee personen die houder zijn van een diploma [2 ...]2 master in de rechtswetenschappen;
   2° een arts.
   § 3. De Centrale Raad wijst, op voordracht van de Commissie van toezicht, bij elke Commissie van toezicht één lid aan als voorzitter en één lid als ondervoorzitter.
   Voor de Commissies van toezicht bij een gevangenis gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, behoren de voorzitter en de ondervoorzitter tot een verschillende taalrol [2 , wat bepaald wordt op basis van de taal waarin de kandidaat-leden hun kandidatuur hebben ingediend en voor de leden bedoeld in § 2, op basis van hun diploma]2.
   § 4. Het lidmaatschap van een Commissie van toezicht is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met :
   1° het lidmaatschap van de Centrale Raad;
   2° de uitoefening van een ambt bij of de uitvoering van een opdracht voor de penitentiaire administratie;
   3° de uitoefening van een ambt bij de strafuitvoeringsrechtbank;
   4° de uitoefening van een ambt bij de Beleidscel van een [2 regeringslid]2;
   5° het uitoefenen van een verkozen mandaat of het lidmaatschap van een uitvoerend orgaan op Europees niveau, federaal niveau, gemeenschapsniveau of gewestniveau.
  [2 § 4/1. De leden van de Commissie van toezicht worden, na schriftelijk advies van de voorzitter van de Commissie van toezicht, door de Centrale Raad benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden en die begint te lopen vanaf de aanwijzing. Na afloop van die termijn blijven de leden hun functie uitoefenen tot de aanwijzing van hun opvolger.]2
   § 5. De Centrale Raad kan een einde maken aan het mandaat van de leden :
   1° op hun verzoek;
   2° om ernstige en dwingende redenen.]1

  
Art.28. [1 § 1er. [2 Chaque Commission de surveillance se compose d'un minimum de six membres et d'un maximum de dix-huit membres.
   Les membres sont nommés sur la base de leur compétence ou de leur expérience par rapport aux missions confiées à la Commission de surveillance.]2

   § 2. Chaque Commission de surveillance compte parmi ses membres au moins :
   1° deux personnes titulaires [2 ...]2 d'un master en droit;
   2° un médecin.
   § 3. Le Conseil central désigne, sur proposition de la Commission de surveillance, dans chaque Commission de surveillance, l'un des membres en qualité de président et un autre en qualité de vice-président.
   Pour les commissions de surveillance instituées auprès d'une prison située dans la Région de Bruxelles-Capitale, le président et le vice-président appartiennent à un rôle linguistique différent [2 sur la base de la langue dans laquelle les candidats-membres ont posé leur candidature et, pour les membres visés au paragraphe 2, sur la base de leur diplôme]2.
   § 4. Pendant la durée du mandat, l'appartenance à une commission de surveillance est incompatible avec :
   1° l'appartenance au Conseil central;
   2° l'exercice d'une fonction auprès de l'administration pénitentiaire ou l'exécution d'une mission pour celle-ci;
   3° l'exercice d'une fonction au sein du tribunal de l'application des peines;
   4° l'exercice d'une fonction au sein de la Cellule stratégique d'un [2 membre du gouvernement]2;
   5° l'exercice d'un mandat électif ou l'appartenance à un organe exécutif européen, fédéral, communautaire ou régional.
  [2 § 4/1. Les membres de la Commission de surveillance sont nommés, après avis écrit du président de la Commission de surveillance, par le Conseil central pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la désignation. Après cette période, les membres continuent à exercer leur fonction jusqu'à la désignation de leur successeur.]2
   § 5. Le Conseil central peut mettre fin au mandat des membres :
   1° à leur demande;
   2° pour des raisons graves et impérieuses.]1

  
Art.29. [1 § 1. [2 Elke Commissie van toezicht wordt bijgestaan door een secretariaat, waarvan de leden niet behoren tot de penitentiaire administratie. De leden van het secretariaat worden op voordracht van de Commissie van toezicht aangewezen door de Centrale Raad.
   Het statuut en de wijze van aanwerving van de leden van het secretariaat worden bepaald door de Centrale Raad.]2

   § 2. De aanwijzing van [2 een lid van het secretariaat]2 van de Commissie van toezicht kan om ernstige redenen bij gemotiveerde beslissing worden opgeheven door de Centrale Raad.
   § 3. De taak van [2 de leden van het secretariaat]2 wordt bepaald door de voorzitter van de Commissie van toezicht.]1

  
Art.29. [1 § 1er. [2 Chaque Commission de surveillance est assistée par un secrétariat, dont les membres n'appartiennent pas à l'administration pénitentiaire. Les membres du secrétariat sont désignés par le Conseil central sur proposition de la Commission de surveillance.
   Le statut et le mode de recrutement des membres du secrétariat sont fixés par le Conseil central.]2

   § 2. Il peut être mis fin à la désignation [2 d'un membre du secrétariat]2 de la Commission de surveillance par décision motivée du Conseil central pour des raisons graves.
   § 3. La mission [2 des membres du secrétariat]2 est fixée par le président de la Commission de surveillance.]1

  
Art.30. [1 § 1. Elke Commissie van toezicht stelt haar huishoudelijk reglement op, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Centrale Raad. Het reglement bepaalt in het bijzonder de wijze van oproeping van de leden en de wijze van beraadslaging.
  [2 De leden van de Commissie van toezicht onthouden zich bij een beraadslaging over zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben.]2
   § 2. De Commissie van toezicht houdt ten minste één zitting per maand. [2 ...]2
   § 3. Eén of meer leden van de Commissie van toezicht zijn er beurtelings mee belast gedurende één maand tenminste éénmaal per week als maandcommissaris de gevangenis of gevangenissen waarbij zij zijn ingericht te bezoeken, inzonderheid met het oog op de uitoefening van de taken bedoeld in artikel 26, § 2, 1° [2 en 3°]2.
   De maandcommissarissen houden wekelijks spreekuur ten behoeve van de gedetineerden.
   § 4. De artikelen 458 en 458bis van het Strafwetboek zijn van toepassing op de leden van de Commissie van toezicht en de leden van het secretariaat zonder afbreuk te doen aan de taak van de Commissie voor toezicht.]1

  
Art.30. [1 § 1er. Chaque Commission de surveillance établit son règlement intérieur, qu'elle soumet à l'approbation du Conseil central. Le règlement fixe en particulier les modalités de convocation des membres et de délibération.
  [2 Les membres de la Commission de surveillance s'abstiennent de délibérer sur les affaires dans lesquelles ils ont un intérêt personnel ou dans lesquelles leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ont un intérêt personnel.]2
   § 2. La Commission de surveillance se réunit au moins une fois par mois. [2 ...]2
   § 3. Un ou plusieurs membres de la Commission de surveillance sont chargés à tour de rôle, pendant un mois et à raison d'au moins une fois par semaine, de visiter en qualité de commissaire de mois la ou les prisons auprès desquelles la commission est établie, en particulier afin d'accomplir les missions visées à l'article 26, § 2, 1° [2 et 3°]2.
   Les commissaires de mois organisent chaque semaine une permanence pour les détenus.
   § 4. Les articles 458 et 458bis du Code pénal sont applicables aux membres de la Commission de surveillance et aux membres du secrétariat sans porter atteinte à la mission de la Commission de surveillance.]1

  
Art.31. [1 § 1. Elke Commissie van toezicht stelt uit haar leden een Klachtencommissie van drie leden samen, voorgezeten door een persoon die houder is van een diploma [2 ...]2 master in de rechtswetenschappen.
   In geval van verhindering van een of meer leden van de Klachtencommissie wijst de voorzitter de leden van de Commissie van toezicht aan die hen kunnen vervangen.
   § 2. De leden van de Klachtencommissie zijn uitsluitend belast met de behandeling van de klachten, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk I.
   § 3. Bij de behandeling van de klacht wraakt de Klachtencommissie, ambtshalve, op vraag van een van de partijen of op vraag van het lid zelf, elk lid van wie de onafhankelijkheid ten aanzien van de behandeling van de klacht kan worden betwist.]1

  
Art.31. [1 § 1er. Chaque Commission de surveillance constitue parmi ses membres une Commission des plaintes de trois membres, présidée par une personne titulaire [2 ...]2 d'un master en droit.
   En cas d'empêchement d'un ou plusieurs membres de la commission des plaintes, le président désigne les membres de la Commission de surveillance qui peuvent les remplacer.
   § 2. Les membres de la Commission des plaintes sont uniquement chargés du traitement des plaintes tel que prévu au titre VIII, chapitre Ier.
   § 3. Lors du traitement d'une plainte, la Commission des plaintes récuse tout membre dont l'indépendance concernant le traitement de la plainte peut être contestée, et ce, d'office, à la demande d'une des parties ou à la demande du membre lui-même]1

  
Art. 31/1. [1 De leden van de Commissies van toezicht en de leden van de klachtencommissie hebben recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag 90 euro bedraagt. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van het vastgesteld presentiegeld. Dit presentiegeld valt onder de indexeringsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten. Het wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.]1
  
Art. 31/1. [1 Les membres des Commissions de surveillance et les membres de la Commission des plaintes ont droit à un jeton de présence dont le montant s'élève à 90 euros par jour presté. Les activités d'une durée inférieure à quatre heures par jour donnent droit à la moitié du jeton de présence fixé. Ce jeton de présence est soumis aux règles d'indexation applicables aux traitements du personnel des services publics fédéraux. Il est lié à l'indice-pivot 138,01.]1
  
HOOFDSTUK V. - Toegang tot de gevangenis.
CHAPITRE V. - De l'accès à la prison.
Art.32. De toegang tot de gevangenis wordt afhankelijk gesteld van controle- en veiligheidsmaatregelen [1 , met inbegrip van de vastlegging en de opslag van de beeltenis van de persoon die de gevangenis betreedt,]1 waarvan de Koning de aard en de nadere regels bepaalt.
  [2 Het identiteitsdocument dat bij toegang tot de gevangenis wordt voorgelegd met het oog op identificatie van de bezoeker, kan voor de duur van het bezoek in bewaring worden genomen.]2
  
Art.32. L'accès à la prison est subordonné à des mesures de contrôle et de sécurité [1 en ce compris la prise et l'enregistrement du portrait de la personne qui entre dans la prison]1 dont le Roi détermine la nature et les modalités.
  [2 Le document d'identité présenté à l'entrée de la prison permettant d'identifier le visiteur peut être conservé en dépôt pendant la durée de la visite.]2
  
Art.33. § 1. De leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers,de Senaat, het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap [1 , het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Belgische leden van het Europees Parlement, alsook, binnen zijn rechtsgebied, de stafhouder of het lid van de raad van de Orde dat de stafhouder daartoe aanwijst]1, hebben toegang tot de gevangenissen door van hun hoedanigheid te doen blijken.
  Om een bewoonde verblijfsruimte te betreden of om in contact te treden met bepaalde gedetineerden is een bijzondere toelating van de [1 directeur-generaal of zijn gemachtigde]1 vereist.
  Deze bezoekers worden vergezeld door de directeur of door het personeelslid dat hij aanwijst.
  § 2. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen stelt de Koning, in aanvulling op deze wet, de regels vast voor de toegang tot de gevangenissen :
  1° voor personen of instanties die met leden van het personeel van de gevangenis gelijk te stellen zijn op grond van hun professionele of statutaire betrokkenheid bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel;
  2° voor personen of instanties die belast zijn met het toezicht of de controle op de gevangenissen of de bejegening van de gedetineerden of met het verlenen van advies daarover aan de minister;
  3° voor openbare officieren of ambtenaren die zich in de gevangenis aanmelden voor de uitoefening van hun ambt of het volbrengen van hun opdrachten.
  
Art.33. § 1er. Les membres de la Chambre des représentants, du Sénat, du Parlement flamand, du Parlement de la Communauté française, du Parlement de la Région wallonne, du Parlement de la Communauté germanophone [1 , du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale et les membres Belges du Parlement Européen, ainsi que, dans les limites de son ressort, le bâtonnier ou le membre du conseil de l'Ordre désigné par le bâtonnier à cet effet]1, ont accès aux prisons en justifiant de leur qualité.
  Une autorisation spéciale du [1 directeur général ou de son délégué]1 est requise pour pénétrer dans un espace de séjour occupé ou se mettre en rapport avec des détenus particuliers.
  Ces visiteurs sont accompagnés par le directeur ou par le membre du personnel qu'il désigne.
  § 2. Sauf dispositions légales contraires, le Roi fixe les règles d'accès aux prisons complémentaires à la présente loi :
  1° pour les personnes ou instances pouvant être assimilées à des membres du personnel de la prison en vertu de leur participation, à titre professionnel ou statutaire, à la mise à exécution de la peine ou mesure privative de liberté;
  2° pour les personnes ou instances chargées de la surveillance ou du contrôle des prisons ou de la prise en charge des détenus, ou de la formulation d'un avis à ce sujet à l'intention du ministre;
  3° pour les officiers ou fonctionnaires publics qui se présentent à la prison pour l'exercice de leurs fonctions ou l'accomplissement de leurs missions.
  
Art.34. § 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen hebben andere personen geen toegang tot de gevangenissen dan na toelating door de minister.
  § 2. Zij worden vergezeld door de directeur of door het personeelslid dat hij aanwijst.
  § 3. Tenzij zij hiertoe een bijzondere toelating van de minister ontvingen, mogen zij noch in de bewoonde verblijfsruimtes binnentreden, noch in contact komen met de gedetineerden, noch zich in verbinding stellen met andere personeelsleden dan deze die ermee belast werden hen in de gevangenis te begeleiden.
Art.34. § 1er. Sauf dispositions légales contraires, les autres personnes n'ont accès aux prisons que sur autorisation du ministre.
  § 2. Elles sont accompagnées par le directeur ou par le membre du personnel qu'il désigne.
  § 3. A moins d'y avoir été spécialement autorisées par le ministre, elles ne peuvent ni pénétrer dans les espaces de séjour occupés, ni entrer en rapport avec les détenus, ni se mettre en relation avec des membres du personnel autres que ceux qui sont chargés de les accompagner dans la prison.
TITEL IV. - Detentieplanning.
TITRE IV. - De la planification de la détention.
HOOFDSTUK I. - Onderzoek naar de persoon en de levenssituatie van de veroordeelde.
CHAPITRE Ier. - De l'enquête sur la personne et la situation du condamné.
Art.35. § 1. Zodra de veroordeelde ingesloten en onthaald werd, wordt een aanvang gemaakt met een onderzoek naar zijn persoon en levenssituatie met het oog op het opstellen van het in artikel 38 bedoelde individueel detentieplan.
  § 2. Van het in § 1 bedoelde onderzoek kan worden afgezien wanneer dit, gelet op de korte duur van het te ondergaan gedeelte van de vrijheidsstraf, niet aangewezen is en de veroordeelde hiermee instemt of wanneer de veroordeelde geen detentieplan wenst. De instemming of de omstandigheid dat de veroordeelde geen detentieplan wenst, waarop door de veroordeelde steeds kan worden teruggekomen, wordt opgetekend in [1 het dossier van de veroordeelde]1.
  § 3. Indien de veroordeelde reeds een vrijheidsstraf ondergaat, mag het onderzoek beperkt blijven tot aangelegenheden die rechtstreeks van belang zijn om een reeds bestaand individueel detentieplan eventueel bij te stellen.
  
Art.35. § 1er. Dès l'incarcération et l'accueil du condamné débute une enquête sur sa personne et sa situation dans la perspective du plan de détention individuel visé à l'article 38.
  § 2. Il peut être renoncé à l'enquête visée au § 1er si elle ne se justifie pas dans la mesure où la partie de la peine privative de liberté est de courte durée et si le condamné y consent, ou lorsque le condamné ne désire pas de plan de détention. Cet accord ou la circonstance que le condamné ne désire pas de plan de détention, décision sur laquelle le condamné peut revenir à tout moment, est acté dans [1 le dossier du condamné]1.
  § 3. Si le condamné purge déjà une peine privative de liberté, l'enquête peut se limiter aux aspects présentant un intérêt direct pour une éventuelle adaptation d'un plan de détention individuel existant.
  
Art.36. § 1. Het onderzoek naar de persoon en de levenssituatie van de veroordeelde omvat een onderzoek naar de omstandigheden waarvan de kennis noodzakelijk is :
  1° om het door artikel 6, § 2, geformuleerde schadebeperkingbeginsel te individualiseren;
  2° om de in artikel 9, § 2, bedoelde doelstellingen bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te individualiseren;
  3° om, zo nodig, de beslissing tot plaatsing oordeelkundig bij te stellen op grond van gegevens die worden verkregen tijdens het in de bepalingen onder 1° en 2° bedoelde onderzoek.
  § 2. De veroordeelde heeft het recht kennis te nemen van de onderzoeksresultaten.
  § 3. [1 ...]1.
  
Art.36. § 1er. L'enquête sur la personne et la situation du condamné comporte une enquête sur les circonstances qu'il est nécessaire de connaître :
  1° pour personnaliser le principe de la limitation des effets préjudiciables formulé à l'article 6, § 2;
  2° pour personnaliser les objectifs de l'exécution de la peine privative de liberté, tels que prévus à l'article 9, § 2;
  3° pour, au besoin, moduler judicieusement la décision de placement, sur la base d'informations recueillies au cours de l'enquête visée aux points 1° et 2°.
  § 2. Le condamné a le droit de prendre connaissance des résultats de l'enquête.
  § 3. [1 ...]1.
  
HOOFDSTUK II. - Individueel detentieplan.
CHAPITRE II. - Du plan de détention individuel.
Art.38. § 1. Op basis van het in de artikelen 35 [1 en 36]1 bedoelde onderzoek wordt, in overleg en met medewerking van de veroordeelde, een individueel detentieplan uitgewerkt.
  § 2 [1 ...]1.
  § 3. Het individueel detentieplan bevat een schets van het detentietraject en, in voorkomend geval, van de activiteiten die op herstel gericht zijn, met name de schade die de slachtoffers opgelopen hebben. Het detentieplan bevat ook eventuele adviezen over overplaatsingen die voor de veroordeelde redelijkerwijze in het vooruitzicht kunnen worden gesteld, rekening houdend met de duur van de uitgesproken straffen, met de criteria voor de toepassing van bijzondere wijzen van tenuitvoerlegging en van vervroegde invrijheidstelling of met de datum van definitieve invrijheidstelling.
  Dit plan bevat bovendien voorstellen van activiteiten waaraan de veroordeelde zal deelnemen, zoals :
  1° in het kader van de strafuitvoering beschikbare of beschikbaar te stellen arbeid;
  2° onderwijs- of vormingsprogramma's, opleidings- of omscholingsactiviteiten en andere activiteiten die op reïntegratie gericht zijn;
  3° psychosociale begeleidingsprogramma's of medische of psychologische behandelingsprogramma's.
  Het detentieplan wordt opgesteld rekening houdend met de mogelijkheden van de gedetineerde en van de penitentiaire administratie.
  § 4. Het detentieplan wordt opgenomen in een samenwerkingsprotocol dat ondertekend wordt door de veroordeelde en door de directeur.
  § 5. [1 ...]1.
  
Art.38. § 1er. Sur la base de l'enquête visée aux articles 35 [1 et 36]1, un plan de détention individuel est élaboré en concertation avec le condamné et avec la participation de celui-ci.
  § 2. [1 ...]1.
  § 3. Le plan de détention individuel contient une esquisse du parcours de détention et, le cas échéant, des activités axées sur la réparation notamment du tort causé aux victimes. Le plan de détention contient aussi des avis éventuels concernant des transferts qui peuvent raisonnablement être prévus pour le condamné compte tenu de la durée des peines prononcées, des critères d'application de modalités particulières d'exécution et de libération anticipée ou de la date de la libération définitive.
  Ce plan contient par ailleurs des propositions d'activités auxquelles le détenu participera, telles que :
  1° le travail disponible ou à mettre à sa disposition dans le cadre de l'exécution de la peine;
  2° les programmes d'enseignement ou de formation, les activités de formation ou de recyclage et d'autres activités axées sur la réinsertion;
  3° les programmes d'encadrement psychosocial ou les programmes de traitement médical ou psychologique.
  Le plan de détention est élaboré en tenant compte des possibilités du détenu et de l'administration pénitentiaire.
  § 4. Le plan de détention est intégré dans un protocole de collaboration qui est signé par le condamné et par le directeur.
  § 5. [1 ...]1.
  
Art.39. Het individueel detentieplan wordt, in samenwerking met de veroordeelde, in de loop van de detentie zoveel als nodig aangevuld, nader geconcretiseerd en bijgestuurd, onder meer in functie van de evolutie van de veroordeelde en van gerechtelijke of administratieve beslissingen die zijn detentietraject beïnvloeden of kunnen beïnvloeden.
Art.39. En cours de détention, le plan de détention individuel est, autant qu'il en est besoin, complété, concrétisé et adapté, en collaboration avec le condamné, notamment en fonction de son évolution et des décisions judiciaires ou administratives qui influencent ou peuvent influencer son parcours de détention.
TITEL V. - Levensvoorwaarden in de gevangenis.
TITRE V. - Des conditions de vie dans la prison.
HOOFDSTUK I. - Materiële levensvoorwaarden.
CHAPITRE Ier. - Des conditions de vie matérielles.
Art.41. § 1. De gedetineerde heeft het recht de verblijfsruimte die hem toegewezen wordt naar eigen goeddunken in te richten, mits eerbiediging van hetgeen in het belang van de orde of de veiligheid door het huishoudelijk reglement wordt bepaald.
  § 2. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de verblijfsruimtes en de ruimtes voor gemeenschappelijke activiteiten moeten voldoen inzake gezondheid, brandveiligheid en hygiëne, en stelt daartoe regels vast die minstens betrekking hebben op de omvang, de verlichting, de verluchting, de sanitaire voorzieningen en het onderhoud.
Art.41. § 1er. Le détenu a le droit d'aménager à sa guise l'espace de séjour qui lui est dévolu, pour autant qu'il respecte les dispositions du règlement d'ordre intérieur relatives à l'ordre et à la sécurité.
  § 2. Le Roi fixe les conditions auxquelles les espaces de séjour et les espaces réservés aux activités communes doivent répondre en matière de santé, de sécurité incendie et d'hygiène, et fixe à cet effet des règles portant au minimum sur les dimensions, l'éclairage, l'aération, les installations sanitaires et l'entretien.
Art.42. De gedetineerde krijgt voldoende voedsel dat voldoet aan de normen van de moderne hygiëne en zo nodig aangepast is aan de vereisten van zijn gezondheidstoestand.
Art.42. L'alimentation du détenu doit être fournie en quantité suffisante, respecter les normes d'hygiène modernes et, le cas échéant, être adaptée aux exigences de son état de santé.
Art.43. § 1. De gedetineerde heeft het recht om in de gevangenis zijn eigen kledij en schoeisel te dragen, mits deze voldoen aan de normen die door een gedwongen samenleven met anderen gesteld worden op het vlak van de hygiëne, de welvoeglijkheid, de orde of de veiligheid.
  Aan gedetineerden die hun eigen kledij en schoeisel niet wensen te dragen, wordt door de gevangenis behoorlijke kledij en schoeisel ter beschikking gesteld.
  § 2. De directeur kan de gedetineerde verplichten door de gevangenis ter beschikking gestelde, behoorlijke kledij of schoeisel te dragen, wanneer de eigen kledij en het eigen schoeisel van de gedetineerde niet aan de in § 1, eerste lid, gestelde normen beantwoorden.
  § 3. De gedetineerde kan verplicht worden tijdens de arbeid of andere activiteiten aangepaste kledij en schoeisel te dragen die hem daartoe ter beschikking worden gesteld.
  § 4. In het huishoudelijk reglement worden de in de gevangenis geldende regels met betrekking tot het dragen en het onderhoud van kledij en schoeisel nader omschreven.
Art.43. § 1er. En prison, le détenu a le droit de porter ses propres vêtements et chaussures pour autant que ceux-ci répondent aux normes dictées par une cohabitation forcée avec autrui sur le plan de l'hygiène, de la bienséance, de l'ordre ou de la sécurité.
  La prison met des chaussures et des vêtements adéquats à la disposition des détenus qui ne souhaitent pas porter leurs propres vêtements et chaussures.
  § 2. Le directeur peut obliger le détenu à porter des chaussures ou vêtements adéquats mis à sa disposition par la prison lorsque les chaussures et vêtements personnels du détenu ne répondent pas aux normes fixées au § 1er, alinéa 1er.
  § 3. Durant le travail ou d'autres activités, le détenu peut être contraint de porter les chaussures ou vêtements adaptés qui lui sont fournis.
  § 4. Les règles en vigueur dans la prison en matière de port et d'entretien des vêtements et des chaussures sont précisées dans le règlement d'ordre intérieur.
Art.44. Het inrichtingshoofd draagt er zorg voor dat de gedetineerde in staat wordt gesteld zijn uiterlijk en zijn lichamelijke hygiëne dagelijks behoorlijk te verzorgen.
Art.44. Le chef d'établissement veille à ce que le détenu soit en mesure de soigner chaque jour convenablement son apparence et son hygiène corporelle.
Art.45. § 1. De voorwerpen die de gedetineerde bij zijn insluiting in de gevangenis bij zich draagt en de voorwerpen die hij tijdens zijn verblijf verwerft, worden overeenkomstig de regels die de Koning zal vaststellen in het belang van de orde en de veiligheid, naargelang het geval, en onverminderd andere wettelijke bepalingen, hetzij in zijn bezit gelaten, hetzij voor hem in bewaring genomen onder afgifte van een bewijs van ontvangst, hetzij op zijn verzoek uit de gevangenis verwijderd.
  § 2. De gedetineerde heeft het recht de hem toebehorende voorwerpen waarvan het bezit niet onverenigbaar is met de orde en de veiligheid in zijn verblijfsruimte onder te brengen dan wel bij zich te hebben, overeenkomstig door het huishoudelijk reglement te bepalen regels.
Art.45. § 1er. Conformément aux règles à définir par le Roi dans l'intérêt de l'ordre et de la sécurité les objets que le détenu porte sur lui lors de son incarcération et les objets qu'il acquiert pendant sa détention sont, selon le cas et sauf dispositions légales contraires, soit laissés en sa possession, soit mis en dépôt contre remise d'un reçu, soit éloignés de la prison à sa demande.
  § 2. Conformément aux règles à définir dans le règlement d'ordre intérieur, le détenu a le droit d'entreposer dans son espace de séjour ou de garder sur lui les objets qui lui appartiennent et dont la détention n'est pas incompatible avec l'ordre et la sécurité.
Art.46. § 1. De gedetineerden hebben niet het recht in de gevangenis contant geld te bezitten.
  § 2. De gedetineerde wordt in de gelegenheid gesteld om, overeenkomstig de door de Koning vast te stellen regels, te beschikken over een individuele rekening.
  § 3. Het inrichtingshoofd en de personen die instaan voor het beheer van deze individuele rekening zijn gehouden tot een discretieplicht.
Art.46. § 1er. Les détenus n'ont pas le droit de posséder de l'argent comptant en prison.
  § 2. Conformément aux règles à définir par le Roi, le détenu reçoit la possibilité de disposer d'un compte personnel.
  § 3. Le chef d'établissement et les personnes qui s'occupent de la gestion de ce compte personnel sont tenus à une obligation de discrétion.
Art.47. § 1. Tenzij het hem bij wijze van tuchtsanctie werd ontzegd, heeft een gedetineerde het recht, binnen de door het huishoudelijk reglement bepaalde perken, op eigen kosten gebruiks- en verbruiksgoederen aan te schaffen uit een aanbod dat door tussenkomst van een in elke gevangenis in te richten kantinedienst wordt verstrekt en dat zoveel mogelijk tegemoet komt aan de behoeften van de gedetineerden.
  § 2. Goederen die de orde of de veiligheid in gevaar kunnen brengen, worden uit het aanbod geweerd.
Art.47. § 1er. Sauf si une sanction disciplinaire le lui interdit, un détenu a le droit, dans les limites fixées par le règlement d'ordre intérieur, de se procurer à ses frais des biens durables et des biens de consommation parmi ceux qui sont proposes par l'entremise d'un service de cantine à organiser dans chaque prison et qui réponde autant que possible aux besoins des détenus.
  § 2. Les articles pouvant présenter un risque pour l'ordre ou la sécurité sont écartés de l'offre.
HOOFDSTUK II. - Samenlevingsvoorwaarden.
CHAPITRE II. - Des conditions de vie en communauté.
Afdeling I. - Algemeen.
Section Ire. - Généralités.
Art.48. [1 ...]1 Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen vindt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en de vrijheidsbenemende maatregel plaats in een gemeenschapsregime of in een regime van beperkte gemeenschap, tenzij plaatsing in een individueel bijzonder beveiligingsregime noodzakelijk is.
  § 2.[1 ...]1.
  
Art.48. [1 ...]1 Sauf exceptions prévues par ou en vertu de la loi et sauf nécessité de placement sous régime de sécurité individuel particulier, l'exécution de la peine privative de liberté et de la mesure privative de liberté se déroule dans le cadre d'un régime de vie en communauté ou d'un régime de vie en semi-communauté.
  § 2. [1 ...]1.
  
Afdeling II. - Gemeenschapsregime.
Section II. - Du régime de vie en communauté.
Art.49. In een gemeenschapsregime verblijven de gedetineerden, behoudens wanneer zij daarvan vrijgesteld zijn of wanneer zij verplicht of gerechtigd zijn zich in hun verblijfsruimte op te houden, in gemeenschappelijke leef- en werkruimten en nemen zij gemeenschappelijk deel aan in de gevangenis georganiseerde activiteiten.
Art.49. Dans le cadre d'un régime de vie en communauté, les détenus se tiennent dans des espaces de séjour et de travail communautaires et prennent part en commun aux activités organisées dans la prison, sauf lorsqu'ils en sont dispenses ou qu'ils sont contraints ou autorisés à rester dans leur espace de séjour.
Art.50. § 1. De directeur kan, voor de duur die hij bepaalt, de veroordeelde die een gemeenschapsregime geniet op diens verzoek vrijstellen van een verblijf in gemeenschappelijke leef- en werkruimten of van deelname aan één of meer gemeenschappelijke activiteiten, wanneer hij de ingeroepen gronden voor die vrijstelling als redelijk beschouwt.
  § 2. De gedetineerden verblijven in hun verblijfsruimte tijdens de voor de nachtrust bepaalde tijd en tijdens andere in het huishoudelijk reglement bepaalde periodes of activiteiten.
Art.50. § 1er. Lorsqu'il juge les motifs invoqués pour la dispense raisonnables, le directeur peut, pour la durée qu'il détermine, dispenser à sa demande le condamné qui bénéficie d'un régime de vie en communauté de se tenir dans des espaces de séjour et de travail communautaires ou de participer à une ou plusieurs activités communes.
  § 2. Les détenus se tiennent dans leur espace de séjour pendant la période fixée pour le repos nocturne et pendant les autres périodes ou activités prévues par le règlement d'ordre intérieur.
Afdeling III. - Regime van beperkte gemeenschap.
Section III. - Du régime de vie en semi-communauté.
Art.51. In een regime van beperkte gemeenschap worden de gedetineerden in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan gemeenschappelijke activiteiten. Daarbuiten houden zij zich op in hun (toegewezen verblijfsruimte). <W 2005-12-23/31, art. 15, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art.51. Dans le cadre d'un régime de vie en semi-communauté, les détenus bénéficient de la possibilité de prendre part à des activités communes. En dehors de cela, ils séjournent dans leur (espace de séjour attribué). <L 2005-12-23/31, art. 15, 002; En vigueur : 15-01-2007>
Afdeling IV. - Bijzondere bepaling voor verdachten.
Section IV. - Disposition particulière pour les inculpés.
Art.52. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen wordt de verdachte te allen tijde in de gelegenheid gesteld om zich in zijn verblijfsruimte af te zonderen, onverminderd zijn recht om deel te nemen aan gemeenschappelijke activiteiten.
Art.52. Sauf exceptions prévues par ou en vertu de la loi, l'inculpé dispose à tout moment de la possibilité de se retirer dans son espace de séjour, sans préjudice de son droit de prendre part à des activités communes.
HOOFDSTUK III. - Contacten met de buitenwereld.
CHAPITRE III. - Des contacts avec le monde extérieur.
Afdeling I. - Algemeen beginsel.
Section Ire. - Principe général.
Art.53. De gedetineerde heeft recht op contacten met de buitenwereld binnen de beperkingen die door of krachtens de wet worden bepaald.
Art.53. Le détenu a le droit d'avoir des contacts avec le monde extérieur dans les limites fixées par ou en vertu de la loi.
Afdeling II. - Briefwisseling.
Section II. - De la correspondance.
Art.54. § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen heeft de gedetineerde het recht, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 55 tot 57, een onbeperkt aantal brieven te verzenden en te ontvangen.
  § 2. Voorzover geen andere regeling geldt, is de gedetineerde verplicht zijn brieven te verzenden en te ontvangen door tussenkomst van de directeur.
Art.54. § 1er. Sans préjudice de dispositions légales contraires, le détenu a le droit d'envoyer et de recevoir un nombre illimité de lettres aux conditions fixées par les articles 55 à 57.
  § 2. Pour autant qu'une autre réglementation ne soit applicable, le détenu a l'obligation d'envoyer et de recevoir ses lettres par l'entremise du directeur.
Art.55.   § 1. De brieven die aan de gedetineerde worden toegezonden kunnen, voor ze overhandigd worden, aan de controle van de directeur of van het personeelslid dat deze aanwijst, onderworpen worden.
  (Met het oog op de handhaving van de orde of de veiligheid, heeft deze controle betrekking op de aanwezigheid van de aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties.
  De controle laat het lezen van de brief niet toe, tenzij er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat [1 dit]1 noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid. [1 In voorkomend geval kan het lezen van de brief in afwezigheid van de gedetineerde gebeuren.]1) <W 2006-07-20/39, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  § 2. De directeur heeft de bevoegdheid om de brieven of de bijgesloten voorwerpen en substanties niet te bezorgen aan de gedetineerde, wanneer dit volstrekt noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid.
  § 3. Indien de directeur beslist brieven of bijgesloten voorwerpen of substanties niet te bezorgen, wordt de gedetineerde daarvan schriftelijk in kennis gesteld, alsmede van de motieven die aan deze beslissing ten grondslag liggen.
  § 4. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot de controle van de aan de gedetineerde toegezonden brieven en bijgesloten voorwerpen.
  
Art.55.   § 1er. Les lettres envoyées au détenu peuvent, préalablement à leur remise, être soumises au contrôle du directeur ou du membre du personnel désigné par lui.
  (En vue du maintien de l'ordre ou de la sécurité, ce contrôle porte sur la présence de substances ou d'objets qui sont étrangers à la correspondance.
  Ce contrôle n'autorise pas la lecture de la lettre sauf s'il existe des indices personnalisés [1 que cela]1 est nécessaire dans l'intérêt de l'ordre ou de la sécurité. [1 La lecture de la lettre peut, le cas échéant, se passer en l'absence du détenu]1) <L 2006-07-20/39, art. 31, 003; En vigueur : 07-08-2006>
  § 2. Lorsque cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, le directeur a le droit de ne pas transmettre au détenu les lettres ou les substances ou objets qui y sont joints.
  § 3. Si le directeur décide de ne pas transmettre des lettres ou des substances ou objets qui y sont joints, le détenu est informé par écrit de cette décision ainsi que des motifs sur lesquels elle repose.
  § 4. Le Roi fixe les modalités relatives au contrôle des lettres qui sont envoyées au détenu ainsi que des objets qui y sont joints.
  
Art.56. § 1. De brieven die de gedetineerden verzenden, worden vóór de verzending ervan niet aan de controle van de directeur [1 of van het personeelslid dat deze aanwijst,]1 onderworpen, tenzij er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat controle noodzakelijk is in het belang van de orde of de veiligheid.
  [1 In voorkomend geval kan de brief, met het oog op controle en, indien nodig, met het oog op het lezen ervan, geopend worden in afwezigheid van de gedetineerde.]1
  § 2. In geval van toepassing van § 1 heeft de directeur de bevoegdheid de voor verzending aangeboden brieven niet te verzenden, wanneer dit volstrekt noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid.
  § 3. Indien de directeur beslist de brief niet te verzenden, wordt de gedetineerde schriftelijk in kennis gesteld van de motieven die aan de basis liggen van deze beslissing.
  De brief wordt aan de gedetineerde terugbezorgd, tenzij er redenen zijn om de brief ter beschikking te houden van de gerechtelijke overheden.
  § 4. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot de controle van de uitgaande briefwisseling van de gedetineerde.
  
Art.56. § 1er. Les lettres envoyées par les détenus ne sont, préalablement à leur envoi, pas soumises au contrôle du directeur [1 ou du membre du personnel désigné par lui]1, sauf s'il existe des indices personnalisés qu'une vérification est nécessaire dans l'intérêt de l'ordre ou de la sécurité.
  [1 Aux fins de contrôle et, si nécessaire, en vue de sa lecture, la lettre peut, le cas échéant, être ouverte en l'absence du détenu.]1
  § 2. En cas d'application du § 1er et lorsque cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, le directeur a le droit de ne pas envoyer les lettres qui lui sont présentées pour envoi.
  § 3. Si le directeur décide de ne pas envoyer la lettre, le détenu est informé par écrit des motifs sur lesquels repose cette décision.
  La lettre est restituée au détenu, à moins qu'il n'existe des raisons de la tenir à la disposition des autorités judiciaires.
  § 4. Le Roi fixe les modalités relatives au contrôle de la correspondance sortante du détenu.
  
Art.57. § 1. De brieven afkomstig van of gericht aan de volgende personen of overheden zijn niet onderworpen aan de in de artikelen 55 en 56 bepaalde controle :
  1° de Koning;
  2° [3 de voorzitter van het Europees Parlement,]3 de voorzitter van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers, het Vlaams Parlement, het Parlement van de Franse Gemeenschap, het Parlement van het Waalse Gewest, het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  3° de ministers en staatssecretarissen van de Federale Regering; de ministers en staatssecretarissen van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen;
  4° de voorzitter van het directiecomité van de FOD Justitie, de directeur-generaal, de adviseurs-generaal en de regionale directeurs van het directoraat-generaal waaronder de penitentiaire administratie ressorteert;
  5° de directeur van de gevangenis;
  6° de voorzitter en de leden van de Centrale Raad;
  7° de maandcommissaris, de voorzitter en de leden van de commissies van toezicht;
  8° de voorzitter van het beschermingscomité van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is;
  9° de voorzitters van het [1 Grondwettelijk Hof]1;
  10° de rechterlijke overheden;
  11° de eerste voorzitter van de Raad van State, de auditeur-generaal bij de Raad van State, de hoofdgriffier van de Raad van State;
  12° de syndicus van de gerechtsdeurwaarders en de voorzitters van de Kamer van notarissen van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is;
  13° de voorzitter van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
  14° de ombudsmannen van de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten.
  15° de stafhouder van de Orde van advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is;
  16° de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie;
  17° [2 de twee codirecteurs van het interfederaal Centrum voor gelijke kansen en bestrijding van discriminatie en racisme opgericht door het samenwerkingsakkoord van 12 juni 2013]2
  18° de bij de Federale Commissie opgerichte ombudsdienst " Rechten van de patiënt ";
  19° de voorzitter van het Vast Comité van toezicht op de politiediensten;
  [3 20° de inspecteur-generaal van de Algemene Inspectie van de federale politie en de lokale politie;
   21° de voorzitter van het Controleorgaan op de politionele informatie;
   22° de voorzitter van de Gegevensbeschermingsautoriteit.]3

  Om van deze mogelijkheid gebruik te maken, richten de gedetineerden hun brieven aan het adres waar deze personen of overheden hun ambt uitoefenen.
  § 2. De Koning kan deze lijst van personen en overheden aanvullen.
  
Art.57. § 1er. Les lettres provenant ou à destination des personnes ou autorités suivantes ne sont pas soumises au contrôle visé aux articles 55 et 56 :
  1° le Roi;
  2° [3 le président du Parlement européen,]3 le président du Sénat, de la Chambre des représentants, du Parlement flamand, du Parlement de la Communauté française, du Parlement de la Région wallonne, du Parlement de la Communauté germanophone et du Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale;
  3° les ministres et secrétaires d'Etat du Gouvernement fédéral; les ministres et secrétaires d'Etat des gouvernements des communautés et des régions;
  4° le président du comité de direction du SPF Justice, le directeur général, les conseillers généraux et les directeurs régionaux de la direction générale dont dépend l'administration pénitentiaire;
  5° le directeur de la prison;
  6° le président et les membres du Conseil central;
  7° le commissaire de mois, le président et les membres des commissions de surveillance;
  8° le président du comité de patronage de l'arrondissement où la prison est située;
  9° les présidents de la [1 Cour constitutionnelle]1;
  10° les autorités judiciaires;
  11° le premier président du Conseil d'Etat, l'auditeur général près le Conseil d'Etat, le greffier en chef du Conseil d'Etat;
  12° le syndic des huissiers de justice et les présidents de la Chambre des notaires de l'arrondissement où la prison est située;
  13° le président du Comité européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains ou dégradants;
  14° les médiateurs du gouvernement fédéral, des communautés et des régions;
  15° le bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement dans lequel la prison est située;
  16° le président du Conseil supérieur de la Justice;
  17° [2 les deux co-directeurs du Centre interfédéral pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme et les discriminations, créé par l'accord de coopération du 12 juin 2013;]2
  18° le service de médiation instauré auprès de la commission fédérale " Droits du patient ";
  19° le président du Comité permanent de contrôle des services de police;
  [3 20° l'inspecteur général de l'Inspection générale de la police fédérale et de la police locale;
   21° le président de l'Organe de contrôle de l'information policière;
   22° le président de l'Autorité de protection des données.]3

  Pour faire usage de cette possibilité, les détenus doivent adresser leurs lettres au lieu où ces personnes ou autorités exercent leur charge.
  § 2. Cette liste de personnes et autorités peut être complétée par le Roi.
  
Afdeling III. - Bezoek.
Section III. - Des visites.
Art.58. § 1. Behoudens de door de wet bepaalde uitzonderingen hebben de verdachten het recht om dagelijks bezoek te ontvangen.
  § 2. Behoudens de door de wet bepaalde uitzonderingen hebben de overige gedetineerden recht op minimum drie bezoeken per week, gespreid over drie dagen, waarvan op zijn minst een dag in het weekend en de woensdagnamiddag.
  § 3. De duur van een bezoek is minimum één uur.
  § 4. Behoudens de door de wet voorziene uitzonderingen heeft iedere gedetineerde minstens eenmaal per maand recht op ongestoord bezoek gedurende minimum twee uur, overeenkomstig de door de Koning te bepalen voorwaarden en nadere regels.
Art.58. § 1er. Sauf les exceptions prévues par la loi, les inculpés ont le droit de recevoir des visites chaque jour.
  § 2. Sauf les exceptions prévues par la loi, les autres détenus ont le droit de recevoir des visites trois fois par semaine au minimum, réparties sur trois jours, dont au moins un jour du week-end et le mercredi après-midi.
  § 3. La durée minimale d'une visite est d'une heure.
  § 4. Sauf les exceptions prévues par la loi, chaque détenu a le droit de recevoir une visite dans l'intimité durant une durée minimale de deux heures, au moins une fois par mois, aux conditions et selon les modalités fixées par le Roi.
Art.59. § 1. Bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, de voogd, de echtgenoot, de wettelijk of feitelijk samenwonende partner, de broers, zusters, ooms en tantes worden toegelaten tot het bezoek aan de gedetineerden na van hun hoedanigheid te hebben doen blijken.
  De directeur kan aan deze personen het bezoek enkel voorlopig ontzeggen, wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen en wanneer de nadere regels voor het bezoek die bepaald zijn in artikel 60, § 3, ontoereikend zijn om dit gevaar af te wenden.
  [1 Onverminderd het vorige lid, kan de directeur het ongestoord bezoek tijdelijk weigeren :
   1° wanneer de bezoeker of de gedetineerde eerder de bezoekregeling niet heeft nageleefd en er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk op de bezoekregeling zich kan herhalen;
   2° wanneer de gedetineerde of de bezoeker niet-toegelaten voorwerpen in de gevangenis heeft binnengebracht;
   3° wanneer de persoonlijkheid van de gedetineerde een contra-indicatie vormt voor de toekenning van ongestoord bezoek.]1

  § 2. Andere bezoekers worden toegelaten tot het bezoek na een voorafgaande toelating door de directeur.
  Een toelating tot bezoek kan enkel worden geweigerd wanneer de betrokken persoon van geen gerechtvaardigd belang kan doen blijken of wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid in gevaar kan brengen.
  [1 Onverminderd het vorige lid, kan de directeur het ongestoord bezoek tijdelijk weigeren :
   1° wanneer de bezoeker of de gedetineerde eerder de bezoekregeling niet heeft nageleefd en er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk op de bezoekregeling zich kan herhalen;
   2° wanneer de gedetineerde of de bezoeker niet-toegelaten voorwerpen in de gevangenis heeft binnengebracht;
   3° wanneer de persoonlijkheid van de gedetineerde een contra-indicatie vormt voor de toekenning van ongestoord bezoek.]1

  § 3. De voorlopige ontzegging of weigering geschiedt schriftelijk en is met redenen omkleed.
  
Art.59. § 1er. Les parents et alliés en ligne directe, le tuteur, le conjoint, le cohabitant légal ou de fait, les frères, les soeurs, les oncles et les tantes sont admis à rendre visite aux détenus après avoir justifié de leur identité.
  Le directeur ne peut leur interdire la visite qu'à titre provisoire, lorsqu'il existe des indices personnalisés que la visite pourrait présenter un grave danger pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité et lorsque les modalités de visite visées à l'article 60, § 3, ne suffisent pas à écarter ce danger.
  [1 Sans préjudice de l'alinéa précédent, le directeur peut interdire la visite dans l'intimité à titre provisoire :
   1° lorsque le visiteur ou le détenu a enfreint antérieurement le règlement des visites et qu'il y a des raisons de supposer que cette infraction au règlement des visites est susceptible de se reproduire;
   2° lorsque le détenu ou le visiteur a introduit des objets non autorisés dans la prison;
   3° lorsque la personnalité du détenu constitue une contre-indication à l'octroi de la visite dans l'intimité.]1

  § 2. Les autres visiteurs sont admis à la visite après autorisation préalable du directeur.
  Une autorisation de visite ne peut être refusée que si la personne concernée ne peut justifier d'aucun intérêt légitime ou s'il existe des indices personnalisés que la visite peut présenter un danger pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité.
  [1 Sans préjudice de l'alinéa précédent, le directeur peut interdire la visite dans l'intimité à titre provisoire :
   1° lorsque le visiteur ou le détenu a enfreint antérieurement le règlement des visites et qu'il y a des raisons de supposer que cette infraction au règlement des visites est susceptible de se reproduire;
   2° lorsque le détenu ou le visiteur a introduit des objets non autorisés dans la prison;
   3° lorsque la personnalité du détenu constitue une contre-indication à l'octroi de la visite dans l'intimité.]1

  § 3. L'interdiction provisoire ou le refus sont notifiés par écrit et motivés.
  
Art.60. § 1. In het huishoudelijk reglement wordt de regeling van het bezoek bepaald, zowel wat de tijdstippen en de lokalen betreft als wat de regels betreft met betrekking tot de wijze waarop de gedetineerden en de bezoekers zich dienen te gedragen.
  § 2. Het inrichtingshoofd draagt er zorg voor dat het bezoek kan plaatsvinden in omstandigheden die de banden met het affectief milieu in stand houden of bevorderen, inzonderheid wanneer het een bezoek door minderjarigen aan hun ouder betreft.
  § 3. De directeur kan beslissen dat de bezoeken aan een gedetineerde plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt, in de volgende gevallen :
  1° wanneer er ernstige redenen bestaan dat er zich tijdens het bezoek incidenten kunnen voordoen die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen;
  2° op verzoek van de bezoeker;
  3° op verzoek van de gedetineerde;
  4° als de bezoeker of de gedetineerde eerder de bezoekregeling niet heeft nageleefd en er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk op de bezoekregeling zich kan herhalen.
Art.60. § 1er. Le règlement d'ordre intérieur fixe les règles applicables aux visites, tant en ce qui concerne les moments et locaux qu'en ce qui concerne les règles relatives au comportement des détenus et des visiteurs.
  § 2. Le chef d'établissement veille à ce que la visite puisse se dérouler dans des conditions qui préservent ou renforcent les liens avec le milieu affectif, en particulier lorsqu'il s'agit d'une visite de mineurs à leur parent.
  § 3. Le directeur peut décider que les visites à un détenu auront lieu dans un local pourvu d'une paroi de séparation transparente entre les visiteurs et le détenu, dans les cas suivants :
  1° lorsqu'il existe des raisons sérieuses de craindre qu'aient lieu pendant la visite des incidents qui pourraient mettre en danger l'ordre ou la sécurité;
  2° à la demande du visiteur;
  3° à la demande du détenu;
  4° si le visiteur ou le détenu a enfreint antérieurement le règlement des visites et qu'il y a des raisons de supposer que cette infraction au règlement des visites est susceptible de se reproduire.
Art.61. § 1. De directeur kan met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid het aantal personen dat tegelijkertijd tot de gedetineerde wordt toegelaten, beperken.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 32 kan hij het bezoek afhankelijk stellen [1 ...]1 van een voorafgaand onderzoek van de door de bezoeker meegebrachte voorwerpen of substanties of van een onderzoek aan de kledij van de bezoeker op de aanwezigheid van voorwerpen of substanties die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen.
  In voorkomend geval kunnen de in het eerste lid bedoelde voorwerpen, in de mate dat het bezit ervan onverenigbaar is met de gestelde regels voor het bezoek, gedurende het bezoek in bewaring genomen worden of ter beschikking gehouden worden van de gerechtelijke overheden.
  
Art.61. § 1er. En vue du maintien de l'ordre et de la sécurité, le directeur peut limiter le nombre de personnes admises en même temps auprès du détenu.
  § 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 32, il peut subordonner la visite [1 ...]1 à un examen préalable des substances ou des objets qu'il apporte ou à une fouille de ses vêtements quant à la présence de substances ou objets pouvant mettre l'ordre ou la sécurité en danger.
  Le cas échéant, les objets visés à l'alinéa 1er peuvent, dans la mesure où leur possession est incompatible avec les règles arrêtées pour la visite, être pris en dépôt durant la visite ou être tenus à la disposition des autorités judiciaires.
  
Art.62. (...) Tijdens het bezoek wordt toezicht uitgeoefend met het oog op de handhaving van de orde of de veiligheid. <W 2005-12-23/31, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  § 2. (...). <W 2005-12-23/31, art. 16, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art.62. (...) Une surveillance est exercée pendant la visite en vue du maintien de l'ordre ou de la sécurité. <L 2005-12-23/31, art. 16, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  § 2. (...). <L 2005-12-23/31, art. 16, 002; En vigueur : 15-01-2007>
Art.63. Een bezoek mag voortijdig beëindigd worden wanneer een bezoeker of de gedetineerde handelingen stelt die in strijd zijn met de voor het bezoek geldende regels van het huishoudelijk reglement.
Art.63. Il peut être mis fin prématurément à une visite lorsque le visiteur ou le détenu accomplit des actes qui sont contraires aux dispositions du règlement d'ordre intérieur applicables en matière de visites.
Afdeling IV. - Gebruik van de telefoon en andere telecommunicatiemiddelen.
Section IV. - De l'usage du téléphone et autres moyens de télécommunication.
Onderafdeling I. - Gebruik van de telefoon.
Sous-section Ire. - De l'usage du téléphone.
Art.64. § 1. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen heeft de gedetineerde het recht om op zijn kosten dagelijks te telefoneren met personen van buiten de gevangenis op de tijdstippen en voor een duur die bepaald wordt door het huishoudelijk reglement.
  § 2. Behoudens de wettelijk bepaalde uitzonderingen heeft elke gedetineerde, die pas van zijn vrijheid beroofd werd, het recht op één kosteloos telefoongesprek binnen de landsgrenzen, of buiten de landsgrenzen wanneer er geen diplomatieke of consulaire instantie bestaat in België.
  § 3. De directeur kan de gedetineerde het recht om te telefoneren geheel of gedeeltelijk ontzeggen wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het telefonisch gesprek de handhaving van de orde of de veiligheid kan bedreigen. (...). <W 2005-12-23/31, art. 17, 1°, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  (De beslissing van de directeur is gemotiveerd en wordt schriftelijk meegedeeld aan de gedetineerde.) <W 2005-12-23/31, art. 17, 2°, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  § 4. Onverminderd andersluidende bepalingen bepaalt de Koning met wie de gedetineerde niet mag telefoneren.
  § 5. Teneinde een controle van de telefoongesprekken van de gedetineerde mogelijk te maken om redenen van orde en veiligheid, kunnen de door de gedetineerde gevormde telefoonnummers worden geregistreerd, bewaard en geraadpleegd door de penitentiaire administratie en worden meegedeeld aan de gerechtelijke overheden in de gevallen door de wet bepaald, overeenkomstig de nadere regels en de termijnen die bij koninklijk besluit bepaald worden, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
  De gedetineerde wordt, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels, geïnformeerd van de mogelijkheid van registratie, bewaring en raadpleging van telefoonnummers door de penitentiaire administratie, evenals van de mogelijkheid die hij heeft om aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer de uitoefening van het recht te vragen, bedoeld in artikel 13 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens.
  § 6. In aanvulling bij de wet stelt de Koning nadere regels vast met betrekking tot het gebruik door de gedetineerde van de telefoon en van de daarmee gelijk te stellen communicatiemiddelen.
Art.64. § 1er. Sauf exceptions prévues par ou en vertu de la loi, le détenu a le droit de téléphoner quotidiennement, à ses frais, à des personnes extérieures à la prison, aux moments et pour une durée fixés par le règlement d'ordre intérieur.
  § 2. Sauf exceptions légales, tout détenu qui vient d'être privé de sa liberté a droit à une communication téléphonique gratuite à l'intérieur du pays, ou à l'étranger lorsqu'il n'existe aucune instance diplomatique ou consulaire en Belgique.
  § 3. Le directeur peut priver totalement ou partiellement le détenu du droit de téléphoner lorsqu'il existe des indices personnalisés que la communication téléphonique peut menacer le maintien de l'ordre ou de la sécurité. (...). <L 2005-12-23/31, art. 17, 1°, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  (La décision du directeur est motivée et notifiée par écrit au détenu.). <L 2005-12-23/31, art. 17, 2°, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  § 4. Sans préjudice de dispositions contraires, le Roi détermine avec quelles personnes le détenu n'est pas autorisé à communiquer.
  § 5. Afin de permettre un contrôle des communications téléphoniques du détenu pour des raisons d'ordre et de sécurité, les numéros formés par le détenu peuvent être enregistrés, conservés et consultés par l'administration pénitentiaire et communiqués aux autorités judiciaires dans les cas prévus par la loi, selon les modalités et dans les délais déterminés par arrêté royal, après avis de la Commission de la protection de la vie privée.
  Le détenu est informé, selon les modalités déterminées par le Roi, de la possibilité de l'enregistrement, de la conservation et de la consultation des numéros de téléphone par l'administration pénitentiaire, ainsi que de la possibilité qu'il a de demander à la Commission de la protection de la vie privée l'exercice du droit visé à l'article 13 de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel.
  § 6. Le Roi complète la loi par des modalités relatives à l'usage par le détenu du téléphone et des moyens de communication y assimilés.
Onderafdeling II. - Gebruik van andere telecommunicatiemiddelen.
Sous-section II. - De l'usage des autres moyens de télécommunications.
Art.65. [1 Elk telecommunicatiemiddel dat niet ter beschikking wordt gesteld van de gedetineerden door de penitentiaire administratie of dat niet toegelaten is door of krachtens deze wet, is verboden.]1
  
Art.65. [1 Tout moyen de télécommunication qui n'est pas mis à disposition des détenus par l'administration pénitentiaire ou autorisé par ou en vertu de la présente loi, est interdit.]1
  
Afdeling V. - Schriftelijke en mondelinge contacten met advocaten.
Section V. - Des contacts écrits et oraux avec les avocats.
Art.66. § 1. De briefwisseling tussen de gedetineerde en de advocaat van zijn keuze is niet onderworpen aan de in de artikelen 55 en 56 bedoelde controle van de directeur.
  Teneinde de vrije briefwisseling te verzekeren worden de hoedanigheid en het beroepsadres van de advocaat en de identiteit van de gedetineerde op de briefomslag vermeld.
  § 2. Indien de directeur ernstige gronden heeft om aan te nemen dat de briefwisseling tussen de advocaat en de gedetineerde geen betrekking heeft op rechtshulpverlening, kan hij de ter verzending aangeboden of toegezonden brieven aan de controle onderwerpen van de Stafhouder van de Orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de gevangenis gelegen is.
Art.66. § 1er. La correspondance entre le détenu et l'avocat de son choix n'est pas soumise au contrôle du directeur, visé aux articles 55 et 56.
  Afin d'assurer la liberté de correspondre, la qualité et l'adresse professionnelle de l'avocat et l'identité du détenu figurent sur l'enveloppe.
  § 2. Si le directeur a des raisons sérieuses de penser que la correspondance entre l'avocat et le détenu n'a aucun rapport avec l'assistance juridique, il peut soumettre les lettres qui lui sont présentées ou adressées pour envoi au contrôle du Bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement judiciaire où la prison est située.
Art.67. § 1. Advocaten die van hun hoedanigheid doen blijken, mogen in de gevangenis de gedetineerden die op hen een beroep doen of waarvan zij de belangen behartigen bezoeken, tijdens de uren van de dag die, voor elke gevangenis, worden vastgelegd door de Koning, na advies van de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophones.
  Deze regeling wordt opgenomen in het huishoudelijk reglement.
  § 2. De op grond van artikel 32 door de Koning te bepalen veiligheids- en controlemaatregelen zijn op hen toepasselijk overeenkomstig de door Hem te bepalen nadere regels.
  § 3. Tijdens het gesprek van de advocaat met de gedetineerde kan geen ander dan visueel toezicht uitgeoefend worden.
  § 4. Aan de advocaten die niet in het bezit zijn van een Europese beroepskaart of die niet in één van de Lidstaten van de Europese Unie gevestigd zijn, wordt toegang verleend op grond van een bijzondere machtiging van de minister, na advies van de procureur des Konings en van de stafhouder van de Orde der advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is.
  § 5. Indien de directeur ernstige gronden heeft om aan te nemen dat het bezoek van de advocaat de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen, deelt hij dit onmiddellijk mee aan de stafhouder van de Orde der advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is. In afwachting van een beslissing van de stafhouder kan de directeur de advocaat voorlopig de toegang tot de gevangenis ontzeggen.
Art.67. § 1er. Les avocats qui justifient de leur qualité sont admis à rendre visite aux détenus qui font appel à eux ou dont ils défendent les intérêts, aux heures de la journée fixées pour chaque prison par le Roi, après avis de l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et de l'Ordre van Vlaamse Balies.
  Ces dispositions sont inscrites dans le règlement d'ordre intérieur.
  § 2. Les règles de sécurité et de contrôle fixées par le Roi sur la base de l'article 32 leur sont applicables conformément aux modalités fixées par Lui.
  § 3. Seule une surveillance visuelle peut être exercée durant l'entretien entre l'avocat et le détenu.
  § 4. L'admission des avocats qui ne sont pas titulaires d'une carte professionnelle européenne ou qui ne sont pas établis dans l'un des Etats membres de l'Union européenne a lieu en vertu d'une autorisation spéciale délivrée par le ministre, après avis du procureur du Roi et du bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement dans lequel la prison est située.
  § 5. Si le directeur a de sérieuses raisons de penser que la visite de l'avocat peut compromettre gravement la sécurité, il en informe immédiatement le bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement où la prison est située. Dans l'attente d'une décision du bâtonnier, le directeur peut interdire provisoirement à l'avocat d'accéder à la prison.
Art.68. § 1. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen heeft de gedetineerde het recht om op zijn kosten dagelijks te telefoneren met zijn advocaat. De nadere regels hiervoor worden, voor elke gevangenis, vastgelegd door de Koning, na advies van de Orde van Vlaamse balies en de Orde des Barreaux francophones et germanophones.
  De desbetreffende regeling wordt opgenomen in het huishoudelijke reglement van de gevangenis.
  § 2. De ontzegging van het recht om te telefoneren, zoals bepaald in artikel 64, § 3, is niet van toepassing op telefoongesprekken van de gedetineerde met zijn advocaat. Ze kan er echter op toepasselijk worden gemaakt na gunstig advies van de stafhouder van de Orde van advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is.
Art.68. § 1er. Sans préjudice des exceptions prévues par ou en vertu de la loi, le détenu a le droit de téléphoner, à ses frais, quotidiennement à son avocat. Les modalités de l'exercice de ce droit sont fixées par le Roi, pour chaque prison, après avis de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et de Ordre van Vlaamse Balies.
  Les dispositions y relatives sont inscrites dans le règlement d'ordre intérieur de la prison.
  § 2. La privation du droit de téléphoner visée à l'article 64, § 3, n'est pas applicable aux conversations téléphoniques entre le détenu et son avocat. Elle peut toutefois leur être rendue applicable moyennant l'avis favorable du bâtonnier de l'Ordre des avocats de l'arrondissement où la prison est située.
Afdeling VI. - Schriftelijke en mondelinge contacten met consulaire en diplomatieke ambtenaren.
Section VI. - Des contacts écrits et oraux avec les agents consulaires et du corps diplomatique.
Art.69. § 1. De gedetineerden van vreemde nationaliteit mogen, zo zij dit wensen, in verbinding treden met de consulaire en diplomatieke ambtenaren van hun land, in voorkomend geval overeenkomstig de regelingen vastgesteld in of krachtens internationale overeenkomsten en behoudens het wettelijk uitgevaardigd verbod van vrij verkeer zoals bepaald in artikel 20 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en onverminderd de uitzonderingen bepaald in internationale verdragen.
  § 2. De briefwisseling tussen de gedetineerde en de consulaire en diplomatieke ambtenaren van hun land is niet onderworpen aan de in de artikelen 55 en 56 bedoelde controle van de directeur.
  Teneinde de vrije briefwisseling te verzekeren worden de hoedanigheid en het beroepsadres van de consulaire en diplomatieke ambtenaren en de identiteit van de gedetineerde op de briefomslag vermeld.
  § 3. De Koning stelt nadere regels voor het bezoek van consulaire en diplomatieke ambtenaren en betreffende de telefonische contacten tussen gedetineerden van vreemde nationaliteit en de consulaire en diplomatieke ambtenaren van hun land.
Art.69. § 1er. Les détenus de nationalité étrangère peuvent, pour autant qu'ils le souhaitent, entrer en relation avec les agents consulaires et du corps diplomatique de leur pays, le cas échéant conformément aux réglementations prévues par ou en vertu des conventions internationales et sans préjudice de l'interdiction légale de communiquer visée à l'article 20 de la loi du 20 juillet 1990 relative a la détention préventive et des exceptions prévues par les traités internationaux.
  § 2. La correspondance entre le détenu et les agents consulaires et du corps diplomatique de leur pays n'est pas soumise au contrôle du directeur, vise aux articles 55 et 56.
  Afin d'assurer la liberté de correspondre, la qualité et l'adresse professionnelle des agents consulaires et du corps diplomatique et l'identité du détenu figurent sur l'enveloppe.
  § 3. Le Roi fixe les modalités de la visite des agents diplomatiques et consulaires ainsi que les modalités relatives aux contacts téléphoniques entre les détenus de nationalité étrangère et les agents diplomatiques et consulaires de leur pays.
Afdeling VII. - Contacten met de media.
Section VII. - Des contacts avec les médias.
Art.70. § 1. Op schriftelijke contacten met de media zijn de regels betreffende de briefwisseling van toepassing.
  § 2. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen kan de directeur, mits voorafgaande machtiging door de minister, de toestemming geven aan een gedetineerde om een gesprek te voeren met een vertegenwoordiger van de media, voorzover dit verenigbaar is met de handhaving van de orde en de veiligheid, met de goede zeden, met de bescherming van de rechten en vrijheden van derden en met het respect voor de slachtoffers van misdrijven.
  § 3. De minister kan de in § 2 bedoelde toestemming afhankelijk maken van voorwaarden ter vrijwaring van de daarin vermelde belangen.
Art.70. § 1er. Les contacts écrits avec les médias sont soumis aux règles relatives à la correspondance.
  § 2. Sauf exceptions prévues par ou en vertu de la loi, le directeur peut, moyennant autorisation préalable du ministre, permettre à un détenu de s'entretenir avec un représentant des médias, pour autant que cela soit compatible avec le maintien de l'ordre et de la sécurité, avec les bonnes moeurs, avec la protection des droits et des libertés de tiers et avec le respect dû aux victimes de délits.
  § 3. Le ministre peut subordonner la permission prévue au § 2 à des conditions destinées à préserver les intérêts visés audit paragraphe.
HOOFDSTUK IV. - Godsdienst en levensbeschouwing.
CHAPITRE IV. - De la religion et de la philosophie.
Art.71. § 1. De gedetineerde heeft het recht om zijn godsdienst of zijn levensbeschouwing individueel en in gemeenschap met anderen te beleven en te belijden, mits inachtneming van de rechten van anderen.
  § 2. Hij heeft recht op godsdienstige, geestelijke of morele bijstand van een daartoe bij de gevangenis aangestelde of tot de gevangenis toegelaten vertegenwoordiger van zijn godsdienst of levensbeschouwing.
Art.71. § 1er. Le détenu a le droit de vivre et de pratiquer sa religion ou sa philosophie individuellement ou en communauté avec d'autres, dans le respect des droits d'autrui.
  § 2. Il a droit à l'assistance religieuse, spirituelle ou morale d'un représentant de son culte ou de sa philosophie attache ou admis à la prison à cet effet.
Art.72. <W 2006-07-20/39, art. 33, 003; Inwerkingtreding : 07-08-2006> [1 ...]1 Aalmoezeniers, consulenten die deel uitmaken van een van de erkende erediensten, evenals de morele consulenten van door de wet erkende organisaties die morele dienstverlening geven op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing worden aangewezen bij de gevangenissen, in overeenstemming met de door de Koning vast te leggen regels.
  § 2. [1 ...]1.
  
Art.72. <L 2006-07-20/39, art. 33, 003; En vigueur : 07-08-2006> [1 ...]1 Des aumôniers, des conseillers appartenant à un des cultes reconnus ainsi que des conseillers moraux d'organisations reconnues par la loi qui dispensent des services moraux sur la base d'une philosophie non confessionnelle sont désignés auprès des prisons conformément aux règles à fixer par le Roi.
  § 2. [1 ...]1.
  
Art. 72/1. [1 De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en in overleg met de representatieve organen van de erkende erediensten en de door de wet erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties, het statuut en de uitoefening van de functie van de aalmoezeniers, de consulenten van de erkende erediensten en de moreel consulenten van de door de wet erkende niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties in de gevangenissen.]1
  
Art. 72/1. [1 Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et en concertation avec les organes représentatifs des cultes reconnus et des organisations philosophiques non confessionnelles reconnues par la loi, le statut et l'exercice de la fonction des aumôniers, des conseillers des cultes reconnus et des conseillers moraux des organisations philosophiques non confessionnelles reconnues par la loi, au sein des prisons.]1
  
Art.73. § 1. De in artikel [1 72]1 bedoelde personen hebben het recht de gedetineerden die het gevraagd hebben te bezoeken in hun verblijfsruimte en met hen niet aan toezicht onderworpen briefwisseling te voeren binnen de gevangenis. Met inachtneming van de veiligheidsvoorschriften ontmoeten zij de gedetineerden die het gevraagd hebben en bij voorrang de gedetineerden die zich in afzondering bevinden ingevolge een bijzondere veiligheidsmaatregel, een bijzonder individueel beveiligingsregime of een tuchtsanctie.
  § 2. Voor het ontvangen van de gedetineerden beschikken de in artikel 72 bedoelde personen over een passende ruimte waarin ze hen in een vertrouwelijke sfeer kunnen ontmoeten.
  
Art.73. § 1er. Les personnes visées à l'article [1 72]1, ont le droit de rendre visite aux détenus qui en ont fait la demande dans leur espace de séjour, et de correspondre avec eux sans contrôle au sein de la prison. Dans le respect des règles de sécurité, ils rencontrent les détenus qui en font la demande, et en priorité les détenus qui sont placés en isolement à la suite d'une mesure de sécurité particulière, d'un régime de sécurité individuel particulier ou d'une sanction disciplinaire.
  § 2. Les personnes visées à l'article 72 disposent, pour recevoir les détenus, d'un local adéquat qui leur permet de rencontrer ceux-ci dans une atmosphère confidentielle.
  
Art.74. § 1. De gedetineerde heeft het recht om zonder beperkingen, naar eigen keuze deel te nemen aan de uitoefening van de erediensten en aan de daarmee samenhangende gemeenschappelijke activiteiten, evenals aan de bijeenkomsten en activiteiten die georganiseerd worden door de morele consulenten.
  § 2. De gedetineerde brengt zijn intentie tot deelname aan de in § 1 bedoelde activiteiten ter kennis aan de aalmoezenier, (aan de consulenten die deel uitmaken van een van de erkende erediensten) of aan de morele consulent en wordt tot deze activiteiten toegelaten mits hij zich verbindt tot naleving van voorwaarden van orde, waardigheid en verdraagzaamheid die met deze activiteiten samengaan. <W 2006-07-20/39, art. 34, 1°, 003; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  § 3. De organisatie van de gemeenschappelijke activiteiten in het kader van godsdienst of de niet-confessionele levensbeschouwing kunnen het voorwerp zijn van overleg zoals bepaald in artikel 7. In voorkomend geval worden de aalmoezeniers, (de consulenten die deel uitmaken van een van de erkende erediensten) en de morele consulenten betrokken bij het overleg. <W 2006-07-20/39, art. 34, 2°, 003; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
  § 4. In elke gevangenis wordt voorzien in een passende ruimte voor de in § 1 bedoelde gemeenschappelijke activiteiten die kaderen in het recht van de gedetineerde om zijn godsdienst of levensbeschouwing vrij te beleven en te belijden.
  § 5. De Koning bepaalt de gedragsregels van de in artikel 72 bedoelde personen.
Art.74. § 1er. Le détenu a le droit de prendre part, sans restriction et suivant son propre choix, à la pratique des cultes et aux activités communes qui s'y rattachent, ainsi qu'aux rencontres et activités organisées par les conseillers moraux.
  § 2. Le détenu fait part de son intention de prendre part aux activités visées au § 1er à l'aumônier, (aux conseillers appartenant à un des cultes reconnus) ou au conseiller moral, et y est autorisé pour autant qu'il s'engage à respecter les conditions d'ordre, de dignité et de tolérance indissociables de ces activités. <L 2006-07-20/39, art. 34, 1°, 003; En vigueur : 07-08-2006>
  § 3. L'organisation d'activités communes dans le cadre de la religion ou de la philosophie non confessionnelle peut faire l'objet d'une concertation au sens de l'article 7. Le cas échéant, les aumôniers, (les conseillers appartenant à un des cultes reconnus) et les conseillers moraux sont associés à cette concertation. <L 2006-07-20/39, art. 34, 2°, 003; En vigueur : 07-08-2006>
  § 4. Un local adéquat est prévu dans chaque prison pour les activités communes visées au § 1er qui s'inscrivent dans le cadre du droit du détenu de vivre et de pratiquer librement sa religion ou sa philosophie.
  § 5. Le Roi détermine les règles de conduite des personnes visées à l'article 72.
Art.75. De Koning stelt, in aanvulling op deze wet, nadere regels vast tot vrijwaring van het recht van de gedetineerde omschreven in artikel 71, inzonderheid de faciliteiten waarover aalmoezeniers, (...), morele consulenten (...) kunnen beschikken tot verwezenlijking van het recht van de gedetineerde op het vrij beleven en belijden van zijn godsdienst en niet-confessionele levensbeschouwing en van het daaraan verbonden recht op godsdienstige, geestelijke en morele ondersteuning. <W 2006-07-20/39, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
Art.75. Le Roi complète la présente loi par des modalités relatives à la garantie du droit du détenu défini à l'article 71, en particulier les facilités dont les aumôniers, les (les conseillers et), les conseillers moraux (...) peuvent disposer pour concrétiser le droit du détenu de vivre et de pratiquer librement sa religion et sa philosophie non confessionnelle ainsi que le droit connexe à l'assistance religieuse, spirituelle et morale. <L 2006-07-20/39, art. 35, 003; En vigueur : 07-08-2006>
HOOFDSTUK V. - Vormingsactiviteiten en vrijetijdsbesteding.
CHAPITRE V. - Des activités de formation et des loisirs.
Art.76. § 1. De penitentiaire administratie draagt er zorg voor dat aan de gedetineerde een zo ruim mogelijke toegang wordt verleend tot het geheel van vormingsactiviteiten die ter beschikking worden gesteld met het oog op zijn persoonlijke ontplooiing, op het zinvol doorbrengen van zijn detentietijd, en op het behoud of de verbetering van vooruitzichten op een geslaagde reïntegratie in de vrije samenleving.
  § 2. Als vormingsactiviteiten in de zin van § 1 worden onder meer beschouwd : onderwijs, alfabetisering, beroepsopleiding of voortgezette beroepsopleiding, sociaal-culturele vorming en sociale vaardigheidstraining, creatieve en culturele activiteiten, lichamelijke opvoeding.
  § 3. [1 ...]1.
  
Art.76. § 1er. L'administration pénitentiaire veille à ce que le détenu bénéficie d'un accès aussi large que possible à l'ensemble des activités de formation proposées dans l'optique de contribuer à son épanouissement personnel, de donner un sens a la période de détention et de préserver ou d'améliorer les perspectives d'une réinsertion réussie dans la société libre.
  § 2. Sont notamment considérés comme activités de formation au sens du § 1er : l'enseignement, l'alphabétisation, la formation professionnelle ou formation professionnelle continue, la formation socioculturelle et la formation aux aptitudes sociales, les activités créatives et culturelles, l'éducation physique.
  § 3. [1 ...]1.
  
Art.77. § 1. De gedetineerde heeft het recht door bemiddeling van de gevangenis, voor eigen rekening, kranten, tijdschriften en andere publicaties te ontvangen waarvan de verspreiding niet wettelijk of bij rechterlijke beslissing is verboden.
  § 2. In de gevangenis wordt aan de gedetineerde de mogelijkheid gegeven een beroep te doen op bibliotheekvoorzieningen die de gedetineerden in de gelegenheid stellen, overeenkomstig de in het huishoudelijk reglement bepaalde regels, een keuze van lectuur te maken uit een voldoende groot aanbod.
  § 3. De directeur kan een gedetineerde alleen de kennisneming van bepaalde publicaties of gedeelten van publicaties ontzeggen, wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is.
  In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de gedetineerde.
  § 4. De gedetineerde heeft het recht om radio- en televisieprogramma's te volgen overeenkomstig door het huishoudelijk reglement vast te stellen regels.
  Wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is, kan de directeur de gedetineerden het volgen van bepaalde programma's ontzeggen. In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de gedetineerde.
Art.77. § 1er. Le détenu a le droit de recevoir, par l'intermédiaire de la prison et à son propre compte, des journaux, périodiques et autres publications dont la diffusion n'est pas interdite par la loi ou par décision judiciaire.
  § 2. Au sein de la prison, le détenu bénéficie de la possibilité de faire usage d'équipements de bibliothèque qui permettent aux détenus d'opérer un choix de lecture parmi une offre suffisante, conformément aux règles définies dans le règlement d'ordre intérieur.
  § 3. Le directeur ne peut interdire à un détenu de prendre connaissance de certaines publications ou parties de publications que si cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité.
  Le cas échéant, la décision d'interdiction est motivée et portée à la connaissance du détenu par écrit.
  § 4. Le détenu a le droit de suivre des programmes radiophoniques et télévisés conformément aux règles à établir par le règlement intérieur.
  Lorsque cela est absolument nécessaire pour le maintien de l'ordre ou de la sécurité, le directeur peut interdire aux détenus de suivre certains programmes. Le cas échéant, la décision d'interdiction est motivée et portée à la connaissance du détenu par écrit.
Art.78. § 1. De veroordeelde die daartoe bereid en bekwaam is, heeft het recht, conform het individueel detentieplan en naargelang van de wijze van strafuitvoering die op hem van toepassing is, binnen, buiten of vanuit de gevangenis een onvoltooide opleiding af te maken, zich om te scholen of bij te scholen, of een beroepsopleiding of voortgezette opleiding te volgen.
  § 2. Verdachten hebben het recht voorzover de duur van de detentie het mogelijk maakt en behoudens door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen, om binnen of vanuit de gevangenis, gelijkaardige activiteiten uit te oefenen.
Art.78. § 1er. Le condamné qui est disposé à terminer une formation inachevée, à se recycler ou à se perfectionner, ou à suivre une formation professionnelle ou une formation continue à l'intérieur, à l'extérieur ou à partir de la prison, et qui en a les capacités, a le droit de le faire conformément au plan de détention individuel et en fonction des modalités d'exécution de la peine qui lui sont applicables.
  § 2. Pour autant que la durée de la détention le permette et sauf exceptions prévues par ou en vertu de la loi, les inculpés ont le droit d'accomplir des activités similaires à l'intérieur ou à partir de la prison.
Art.79. § 1. De gedetineerde heeft recht op lichamelijke oefeningen en sport gedurende ten minste twee uren in de week en recht op een dagelijkse wandeling of een andere recreatieve activiteit van minstens één uur in de buitenlucht.
  § 2. Behoudens de door of krachtens deze wet bepaalde uitzonderingen heeft hij het recht aan gemeenschappelijke ontspanningsactiviteiten deel te nemen gedurende de uren die in het huishoudelijk reglement worden bepaald.
Art.79. § 1er. Le détenu a droit à des exercices physiques et à des activités sportives pendant au moins deux heures par semaine, ainsi qu'à une promenade quotidienne ou à une autre activité récréative d'au moins une heure en plein air.
  § 2. Sauf exceptions prévues par ou en vertu de la présente loi, il a le droit de participer à des activités communes de détente durant les heures fixées par le règlement d'ordre intérieur.
Art.80. [1 De gedetineerde mag]1, met de toestemming van de directeur, een niet-winstgevende activiteit van intellectuele of artistieke aard uitoefenen. Die toestemming wordt in principe verleend. Ze kan echter door de directeur op elk moment worden geweigerd of ingetrokken op grond van de eigen behoeften van de instelling, wanneer :
  - de bedoelde activiteit gevaar oplevert voor de orde of de veiligheid;
  - de activiteit wordt aangewend voor illegale doeleinden;
  - de controle die vereist is om de orde of de veiligheid te waarborgen, een onredelijk grote arbeidsbelasting voor de administratie meebrengt.
  
Art.80. [1 Le détenu peut]1, avec l'autorisation du directeur, exercer une activité intellectuelle ou artistique non lucrative. Cette autorisation est accordée en principe. Toutefois, le directeur peut refuser ou retirer à tout moment l'autorisation en tenant compte des nécessités propres à l'établissement, lorsque :
  - l'activité visée présente un danger pour l'ordre ou la sécurité;
  - l'activité est utilisée à des fins illégales;
  - le contrôle nécessaire pour garantir l'ordre ou la sécurité représente pour l'administration un surcroît de travail déraisonnable.
  
HOOFDSTUK VI. - Arbeid.
CHAPITRE VI. - Du travail.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section Ire. - Dispositions générales.
Art.81. De gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid.
Art.81. Le détenu a le droit de participer au travail disponible dans la prison.
Art.82. De penitentiaire administratie draagt er zorg voor dat arbeid beschikbaar gesteld wordt of beschikbaar gesteld kan worden die aan de gedetineerden de mogelijkheid biedt om zinvol hun detentietijd door te brengen, om na hun invrijheidstelling de geschiktheid tot een bestaansactiviteit te behouden, te bevorderen of te verwerven, om hun detentie te verzachten, om verantwoordelijkheden op te nemen, in voorkomend geval ten aanzien van hun naastbestaanden en de slachtoffers en om, zo daartoe grond bestaat, met het oog op herstel of met het oog op reïntegratie, schulden geheel of gedeeltelijk af te betalen.
Art.82. L'administration pénitentiaire veille à l'offre ou à la possibilité d'offre d'un travail qui permette aux détenus de donner un sens à la période de détention, de préserver, renforcer ou d'acquérir l'aptitude à exercer après leur libération une activité assurant leur subsistance, d'adoucir leur détention, d'assumer des responsabilités, le cas échéant, vis-à-vis de leurs proches parents et des victimes, et, s'il y a lieu, de payer intégralement ou partiellement des dettes dans la perspective d'une réparation ou de leur réinsertion.
Art.83. § 1. De tewerkstelling van de gedetineerde in de gevangenis geschiedt in omstandigheden die, voorzover de aard van de detentie zich daartegen niet verzet, zoveel mogelijk overeenstemmen met die welke in de vrije samenleving identieke activiteiten kenmerken.
  § 2. De arbeidsduur en de arbeidstijden worden vastgesteld in het huishoudelijk reglement. In geen geval mag de duur van de arbeidstijd de duur overschrijden die voor overeenkomstige activiteiten in de vrije samenleving door of krachtens de wet worden bepaald.
  § 3. De Koning bepaalt, in aanvulling op de wet, onder welke voorwaarden de tijd besteed aan vormingsactiviteiten met arbeidstijd kan worden gelijkgesteld.
Art.83. § 1er. La mise au travail du détenu dans la prison a lieu dans des conditions qui, pour autant que la nature de la détention ne s'y oppose pas, se rapprochent autant que possible de celles qui caractérisent des activités identiques dans la société libre.
  § 2. La durée et les horaires de travail sont fixés par le règlement d'ordre intérieur. La durée du travail ne peut en aucun cas excéder celle qui est fixée par ou en vertu de la loi pour des activités correspondantes dans la société libre.
  § 3. Le Roi complète la loi en fixant les conditions auxquelles le temps consacré à des activités de formation peut être assimilé à du temps de travail.
Art.84. § 1. De directeur staat in voor de toewijzing van de in de gevangenis beschikbare arbeid aan de gedetineerden die om arbeid verzocht hebben. Dit verzoek wordt opgetekend in een door de Koning vastgesteld formulier.
  § 2. De toegewezen arbeid mag de waardigheid van de gedetineerde niet aantasten en mag evenmin het karakter hebben van een disciplinaire bestraffing.
  § 3. Bij de toewijzing van arbeid aan veroordeelden wordt rekening gehouden met het in titel IV, hoofdstuk II bedoelde individueel detentieplan.
  [1 § 4. De in de gevangenis beschikbaar gestelde arbeid maakt niet het voorwerp uit van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.]1
  
Art.84. § 1er. Le directeur veille à l'attribution du travail disponible dans la prison aux détenus qui en ont fait la demande. Cette demande doit être actée dans un formulaire établi par le Roi.
  § 2. Le travail attribué ne peut porter atteinte à la dignité du détenu ni présenter le caractère d'une sanction disciplinaire.
  § 3. L'attribution du travail aux condamnés tient compte du plan de détention individuel visé au titre IV, chapitre II.
  [1 § 4. Le travail mis à disposition en prison ne fait pas l'objet d'un contrat de travail au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.]1
  
Art.85. De gedetineerde is gerechtigd, mits toelating van de directeur, andere dan in de gevangenis beschikbaar gestelde arbeid te verrichten.
  De directeur kan de toelating weigeren wanneer, rekening houdend met de behoeften van de inrichting :
  - de bedoelde arbeid gevaar oplevert voor de orde of de veiligheid;
  - de controle die nodig is om de orde of de veiligheid te waarborgen voor de administratie een onredelijk grote arbeidsbelasting meebrengt.
  De weigering van de toelating wordt met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de gedetineerde.
Art.85. Moyennant autorisation du directeur, le détenu a le droit d'effectuer un autre travail que celui qui est offert à la prison.
  Le directeur peut refuser l'autorisation en tenant compte des nécessités propres à l'établissement, lorsque :
  - le travail visé présente un danger pour l'ordre ou la sécurité;
  - le contrôle nécessaire pour garantir l'ordre ou la sécurité représente pour l'administration un surcroit de travail déraisonnable.
  Le refus de l'autorisation est motivé et porté à la connaissance du détenu par écrit.
Afdeling II. - Inkomsten uit arbeid.
Section II. - Des revenus du travail.
Art.86. § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt het bedrag van de inkomsten voor de in de gevangenis beschikbaar gestelde arbeid vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  § 2. Gedetineerden voor wie de tijd voor vormingsactiviteiten overeenkomstig artikel 83, § 3, met arbeidstijd wordt gelijkgesteld, wegens deelname aan programma's van beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding, omscholing, of andere opleidings- en vormingsactiviteiten, ontvangen een opleidingstoelage, overeenkomstig de regels vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Die toelage is erop gericht de gedetineerden ertoe aan te zetten opleidingen te volgen, onder andere door hen in staat te stellen hun noodzakelijke uitgaven die niet langer door de inkomsten uit arbeid zouden kunnen worden gedekt deels of geheel te betalen.
  § 3. Bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden de regels vastgesteld voor de toekenning van de vergoeding aan gedetineerden die het slachtoffer zijn van een arbeidsongeval in de gevangenis.
Art.86. § 1er. Sans préjudice de dispositions légales contraires, le montant des revenus pour le travail offert dans la prison est fixé par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
  § 2. Les détenus pour qui le temps consacré à des activités de formation est assimilé, conformément à l'article 83, § 3, à un temps de travail en raison de leur participation à des programmes de formation professionnelle, de formation professionnelle continue, de recyclage, ou à d'autres activités d'étude et de formation, reçoivent une allocation de formation, conformément aux règles fixées par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres. Cette allocation est destinée à inciter les détenus à se former, en leur permettant notamment de supporter tout ou partie de leurs dépenses nécessaires qui ne pourraient plus être couvertes par les revenus du travail.
  § 3. Un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres fixe les règles relatives à l'octroi d'une indemnité aux détenus victimes d'un accident du travail en prison.
HOOFDSTUK VII. - Gezondheidszorg [1 ...]1.
CHAPITRE VII. - Des soins de santé [1 ...]1.
Afdeling I.
Section Ire.
Art.87. [1 De gezondheidszorg in de gevangenissen beoogt het lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn van de gedetineerden te bevorderen, te behouden of te herstellen.]1
  
Art.87. [1 Les soins de santé en milieu pénitentiaire visent à promouvoir, conserver ou restaurer pour les détenus un état de bien être à la fois physique, psychique et social.]1
  
Art.88. De gedetineerde heeft recht op een gezondheidszorg die gelijkwaardig is met de gezondheidszorg in de vrije samenleving [1 ...]1.
  
Art.88. Le détenu a droit à des soins de santé qui sont équivalents aux soins dispensés dans la société libre [1 ...]1.
  
Art.89. [1 ...]1 [1 De gedetineerde wordt zo spoedig mogelijk na zijn opname door een aan de gevangenis verbonden arts gezien en daarna op de raadpleging ingeschreven telkens hij erom verzoekt.]1
  
Art.89. [1 ...]1 [1 Le détenu est vu par un médecin attaché à la prison le plus rapidement possible après son incarcération et inscrit à la consultation chaque fois qu'il le demande.]1
  
Art.91. § 1. De gedetineerde heeft het recht het bezoek te ontvangen van een arts van zijn keuze. De vrij gekozen arts heeft de bevoegdheid om de gedetineerde met raadgeving te dienen. Na onderzoek van de gedetineerde deelt de vrij gekozen arts zijn advies betreffende diagnose, voorgestelde diagnostische onderzoeken en behandeling schriftelijk mee aan de aan de gevangenis verbonden arts. Indien de artsen, na overleg, het niet eens zijn, vragen zij, met instemming van de gedetineerde, het advies van een derde arts die zij in onderling overleg aanwijzen.
  § 2. Indien daartoe redelijke gronden bestaan kan de gedetineerde zich, op zijn verzoek, in de gevangenis laten behandelen door een vrij gekozen arts, mits toestemming van [1 de referentiearts van de centrale dienst ter coördinatie van de medische zorg bij de penitentiaire administratie]1.
  [1 De referentiearts]1 brengt de verzoeker binnen zeven dagen na de indiening van het verzoek schriftelijk op de hoogte van zijn met redenen omklede beslissing. Bij afwijzing van het verzoek wijst [1 de referentiearts]1 hem op de beroepsmogelijkheid bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad alsmede op de termijnen waarbinnen en de wijze waarop dit beroep moet worden ingesteld.
  De artikelen 165 en 166 zijn van overeenkomstige toepassing.
  § 3. De Koning regelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor het bezoek en de tenlasteneming van de kosten verbonden aan het advies, aan de behandeling op advies van de vrij gekozen arts en aan de behandeling door een vrij gekozen arts. Hij bepaalt de nadere procedure bij meningsverschil tussen de artsen.
  
Art.91. § 1er. Le détenu a le droit de recevoir la visite d'un médecin de son choix. Le médecin librement choisi est habilité à conseiller le détenu. Après avoir examiné le détenu, le médecin librement choisi communique par écrit au médecin attaché à la prison son avis sur le diagnostic ainsi que sur les examens diagnostiques et le traitement proposés. Si les médecins, après s'être concertés, restent en désaccord, ils demandent, avec l'accord du détenu, l'avis d'un troisième médecin qu'ils auront désigné d'un commun accord.
  § 2. Si des motifs raisonnables le justifient, le détenu peut, à sa demande, se faire traiter dans la prison par un médecin librement choisi, moyennant l'autorisation [1 du médecin référent du service de coordination central des soins médicaux de l'administration pénitentiaire]1.
  Dans les sept jours de l'introduction de la demande, [1 le médecin référent]1 avise le demandeur par écrit de sa décision motivée. En cas de rejet de la demande, [1 le médecin référent]1 l'informe de la possibilité de recours auprès de la Commission d'appel du Conseil central ainsi que des modalités et des délais de recours.
  Les articles 165 et 166 s'appliquent par analogie.
  § 3. Le Roi règle par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités de la visite et la prise en charge des frais afférents à l'avis, au traitement proposé par le médecin librement choisi ainsi qu'au traitement dispensé par un médecin librement choisi. Il fixe la procédure à suivre en cas de désaccord entre les médecins.
  
Art.93. § 1. [1 Wanneer een gedetineerde een diagnostisch onderzoek of een medisch aanbevolen gespecialiseerde behandeling nodig heeft waarvoor de gevangenis niet of onvoldoende is uitgerust, wordt hij op verzoek van de aan de gevangenis verbonden arts overgebracht naar een gespecialiseerde gevangenis of doorverwezen naar een ziekenhuis of naar een instelling voor gezondheidszorg die over de vereiste uitrusting beschikt.]1
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. Wanneer de gedetineerde naar een ziekenhuis of naar een instelling voor gezondheidszorg wordt overgebracht wordt dit beschouwd als een bijhuis van de gevangenis [1 ...]1.
  
Art.93. § 1er. [1 Lorsqu'un détenu a besoin d'un examen diagnostique ou d'un traitement spécialisé médicalement recommandé pour lequel la prison n'est pas, ou pas suffisamment, équipée, il est transféré, à la demande du médecin attaché à la prison, vers une prison spécialisée ou orienté vers un hôpital ou un établissement de soins disposant des équipements requis.]1
  § 2. [1 ...]1
  § 3. [1 ...]1
  § 4. Lorsque le détenu est transféré dans un hôpital ou un établissement de soins, celui-ci est considéré comme une succursale de la prison [1 ...]1.
  
Art.94. Wanneer een behandelende arts van oordeel is dat de geestelijke of lichamelijke gezondheid van een gedetineerde ernstig wordt geschaad door de voortzetting van de detentie of door enigerlei daarmee verband houdende omstandigheden, meldt hij dit, met instemming van de gedetineerde, aan de directeur en aan het diensthoofd van de dienst voor gezondheidszorg bij de penitentiaire administratie.
Art.94. Lorsqu'un médecin traitant estime que la santé mentale ou physique d'un détenu subit de graves dommages du fait de la poursuite de la détention ou de toute circonstance y ayant trait, il en informe, avec l'accord du détenu, le directeur et le chef de service du service des soins de santé de l'administration pénitentiaire.
Art.95. In geval van levensgevaar of overlijden van de gedetineerde draagt de directeur er zorg voor dat [2 de door de gedetineerde aangewezen personen, of bij gebreke daarvan, zijn naastbestaanden en in voorkomend geval, zijn voogd of zijn bewindvoerder]2 daarvan onmiddellijk in kennis worden gesteld.
  [2 ...]2
  
Art.95. Lorsque le détenu est en danger de mort ou décède, le directeur veille à ce que [2 la personne désignée par le détenu ou, à défaut, ses proches et le cas échéant, son tuteur ou son administrateur]2 en soient informés immédiatement.
  [2 ...]2
  
Art.96. § 1. De zorgverleners behouden hun professionele onafhankelijkheid en hun evaluaties en beslissingen met betrekking tot de gezondheid van de gedetineerde worden enkel gefundeerd op medische criteria.
  § 2. Zij kunnen niet gedwongen worden handelingen te stellen die hun vertrouwensrelatie met de gedetineerde in het gedrang brengen.
  § 3. [1 ...]1
  
Art.96. § 1er. Les prestataires de soins conservent leur indépendance professionnelle, et leurs évaluations et décisions concernant la santé des détenus sont fondées uniquement sur des critères médicaux.
  § 2. Ils ne peuvent être contraints d'accomplir des actes qui compromettent leur relation de confiance avec le détenu.
  § 3. [1 ...]1
  
Art.98. Er wordt een [1 ...]1 Penitentiaire Gezondheidsraad opgericht die aan de minister [1 bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor Volksgezondheid]1 adviezen verleent teneinde de kwaliteit van de gezondheidszorg te bevorderen in het belang van de gedetineerde patiënt. De Koning bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werking ervan.
  
Art.98. Il est institué un Conseil pénitentiaire de la santé [1 ...]1, qui donne au ministre [1 chargé de la Justice et au ministre chargé de la Santé publique]1 des avis en vue de promouvoir la qualité des soins de santé dans l'intérêt du patient détenu. Le Roi en fixe la composition, les compétences et le fonctionnement.
  
Afdeling II.
Section II.
HOOFDSTUK VIII.
CHAPITRE VIII.
Afdeling I.
Section 1re.
Afdeling II.
Section II.
HOOFDSTUK IX. - Sociale hulp- en dienstverlening.
CHAPITRE IX. - De l'aide sociale.
Art.102. De gedetineerde heeft in het kader van het uitwerken en het beheer van zijn detentieplan recht op voorbereiding en opvolging door de aan de gevangenis verbonden dienst.
Art.102. Le détenu a le droit à une préparation et à un suivi par le service attaché à la prison dans le cadre de l'élaboration et de la gestion de son plan de détention.
Art.103. § 1. De gedetineerde heeft recht op het in de gevangenis aanwezige aanbod inzake sociale hulp- en dienstverlening.
  § 2. Het inrichtingshoofd neemt alle maatregelen opdat de diensten voor sociale hulp- en dienstverlening hun aanbod ter beschikking van de gedetineerden kunnen stellen, mits inachtneming van de orde en de veiligheid.
  (NOTA : HOOFDSTUK IX van titel V omvat de artikelen 102 en 103. Zie <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 2005-12-23/31, art. 21, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007&gt;</span></span>)
Art.103. § 1er. Le détenu a droit à l'offre présente en prison en matière d'aide sociale.
  § 2. Le chef d'établissement prend toutes les dispositions afin que les services d'aide sociale puissent mettre leur offre à la disposition du détenu, dans le respect de l'ordre et de la sécurité.
  (NOTE : Le CHAPITRE IX du titre V contient les articles 102 et 103. Voir <L 2005-12-23/31, art. 21, 002; En vigueur : 15-01-2007>)
HOOFDSTUK X. - Rechtshulpverlening en juridische bijstand.
CHAPITRE X. - De l'assistance judiciaire et de l'aide juridique.
Art.104. § 1. De gedetineerde heeft recht op alle vormen van in de samenleving beschikbare rechtshulpverlening en op juridische bijstand zoals bepaald in artikel 508/1 van het Gerechtelijk Wetboek.
  § 2. De penitentiaire administratie overlegt met de commissie voor juridische bijstand op welke wijze de gedetineerden in de gelegenheid worden gesteld hun in § 1 bedoelde rechten te doen gelden en op welke wijze collectieve informatie- en vormingsinitiatieven kunnen genomen worden rond belangrijke juridische thema's.
  § 3. Eenieder die in het kader van dit hoofdstuk rechtshulp of juridische bijstand verleent, is gebonden door het beroepsgeheim.
  § 4. In de gevangenis wordt een lokaal ter beschikking gesteld voor de rechtshulpverlening en de juridische bijstand, tijdens een aantal uren waaromtrent met het inrichtingshoofd afspraken worden gemaakt. De rechtshulp en de juridische bijstand worden verstrekt in materiële omstandigheden die de vertrouwelijkheid van het gesprek met de gedetineerde waarborgen.
Art.104. § 1er. Le détenu a droit à toutes les formes d'assistance judiciaire disponibles dans la société et à l'aide juridique visée à l'article 508/1 du Code judiciaire.
  § 2. L'administration pénitentiaire examine avec la commission d'aide juridique comment offrir aux détenus la possibilité de faire valoir leurs droits visés au § 1er et prendre des initiatives collectives d'information et de formation sur d'importants thèmes juridiques.
  § 3. Quiconque fournit une assistance judiciaire ou une aide juridique dans le cadre du présent chapitre est tenu au secret professionnel.
  § 4. Dans la prison, un local est prévu pour l'assistance judiciaire et l'aide juridique pendant un certain nombre d'heures à convenir avec le chef d'établissement. L'assistance judiciaire et l'aide juridique sont fournies dans des conditions matérielles qui garantissent la confidentialité de l'entretien avec le détenu.
HOOFDSTUK XI. [1 - Inhouding op door de penitentiaire administratie verschuldigde geldsommen]1
CHAPITRE XI. [1 - Du prélèvement sur les sommes dues par l'administration pénitentiaire]1
Art. 104/1. [1 Indien de gedetineerde door nalatigheid of kwaadwilligheid schade veroorzaakt aan goederen die hem door de penitentiaire administratie ter beschikking worden gesteld, kan de directeur het bedrag van de veroorzaakte schade verhalen op de geldsommen die door de penitentiaire administratie aan de gedetineerde verschuldigd zijn. De inhouding op de inkomsten uit penitentiaire arbeid mag per maand echter niet meer dan veertig procent van het uit te betalen bedrag bedragen.]1
  
Art. 104/1. [1 Si, par négligence ou malveillance, le détenu occasionne des dégradations à des biens qui sont mis à sa disposition par l'administration pénitentiaire, le directeur peut récupérer le montant des dégradations occasionnées sur les sommes qui sont dues au détenu par l'administration pénitentiaire. Le prélèvement sur les revenus du travail pénitentiaire ne peut, par mois, s'élever à plus de quarante pourcent du montant à octroyer.]1
  
TITEL VI. - Orde, veiligheid en gebruik van dwang.
TITRE VI. - De l'ordre, de la sécurité et du recours à la coercition.
HOOFDSTUK I. - Algemene beginselen.
CHAPITRE Ier. - Principes généraux.
Art.105. § 1. Het handhaven van de orde en de veiligheid impliceert een dynamische wisselwerking tussen het gevangenispersoneel en de gedetineerden, enerzijds, en een evenwichtige verhouding tussen de technische middelen die worden ingezet en een constructief detentieregime, anderzijds.
  De aan de gedetineerde opgelegde plichten en beperkingen van rechten met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid moeten, zowel door hun aard als door hun duur, in verhouding staan tot deze doelstellingen.
  § 2. Het inrichtingshoofd en het onder zijn leiding en gezag staand personeel dragen de verantwoordelijkheid voor de handhaving van de orde en de veiligheid.
Art.105. § 1er. Le maintien de l'ordre et de la sécurité implique une interaction dynamique entre le personnel pénitentiaires et les détenus, d'une part, et un équilibre entre les moyens techniques mis en oeuvre et un régime de détention constructif, d'autre part.
  Les obligations et restrictions de droits imposées au détenu en vue du maintien de l'ordre et de la sécurité doivent être proportionnées à ces objectifs, tant par leur nature que par leur durée.
  § 2. Le chef d'établissement et le personnel placé sous sa direction et son autorité assument la responsabilité du maintien de l'ordre et de la sécurité.
HOOFDSTUK II. - Algemene gedragsvoorschriften.
CHAPITRE II. - Des règles de conduite générales.
Art.106. § 1. De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort.
  § 2. De gedetineerde moet de voorschriften van het huishoudelijk reglement die op hem van toepassing zijn eerbiedigen en de bevelen of instructies opvolgen van het personeel met betrekking tot de handhaving van de orde en de veiligheid en tot de uitvoering van de reglementen, behoudens wanneer het hem door een beslissing van de directeur of van diens gemachtigde toegestaan wordt daarvan af te wijken.
Art.106. § 1er. Le détenu a le devoir de veiller à ne pas menacer ou troubler l'ordre et la sécurité par son comportement vis-a-vis du personnel, des codétenus et des autres personnes.
  § 2. Le détenu doit respecter les règles du règlement d'ordre intérieur qui lui sont applicables et obéir aux ordres ou instructions du personnel portant sur le maintien de l'ordre et de la sécurité et sur l'application des règlements, sauf s'il a été autorisé à y déroger par une décision du directeur ou de son délégué.
HOOFDSTUK III. - Controle- en veiligheidsmaatregelen.
CHAPITRE III. - Des mesures de contrôle et de sécurité.
Afdeling I. - Controlemaatregelen.
Section Ire. - Des mesures de contrôle.
Art.107. § 1. Het inrichtingshoofd kan de gedetineerde verplichten een legitimatiebewijs bij zich te dragen.
  § 2. Met het oog op de identificatie van de gedetineerde tijdens de detentie, dient de gedetineerde zijn medewerking te verlenen aan het vastleggen van zijn vingerafdrukken, zijn beeltenis, en aan handelingen met het oog op de beschrijving van zijn uiterlijke lichamelijke kenmerken.
Art.107. § 1er. Le chef d'établissement peut obliger le détenu à porter sur lui une pièce d'identité.
  § 2. En vue de son identification pendant la détention, le détenu doit collaborer à l'enregistrement de ses empreintes digitales et de son portrait ainsi qu'aux actes visant à établir une description de ses caractéristiques physiques extérieures.
Art. 108. § 1. De gedetineerde mag wanneer dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid noodzakelijk is, aan zijn kledij onderzocht worden [2 door leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door de directeur gegeven richtlijnen]2.
  Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn.
  § 2. [1 Alle gedetineerden worden gefouilleerd op het lichaam :
   - bij het betreden van de gevangenis;
   - voorafgaand aan de plaatsing in een beveiligde cel of de opsluiting in een strafcel;
   - overeenkomstig de in de gevangenis geldende richtlijnen, na het bezoek van de in artikel 59 vermelde personen, dat niet heeft plaatsgevonden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt.
   De gedetineerde wordt gefouilleerd op het lichaam wanneer de directeur van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om het in § 1, tweede lid, omschreven doel te bereiken. De directeur bezorgt zijn beslissing schriftelijk aan de gedetineerde uiterlijk vierentwintig uur nadat de fouillering heeft plaatsgevonden.
   De fouillering op het lichaam laat toe de gedetineerde te verplichten om zich uit te kleden tot op het lichaam en de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen.]1

  De fouillering op het lichaam mag enkel plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden en moet uitgevoerd worden door minimum twee [2 leden van het bewakingspersoneel]2 van hetzelfde geslacht als de gedetineerde.
  § 3. Het onderzoek aan de kledij en de fouillering op het lichaam mogen geen tergend karakter hebben en dienen te geschieden met eerbiediging van de waardigheid van de gedetineerde.
  § 4. Indien bij een onderzoek aan de kledij of de fouillering op het lichaam van de gedetineerde voorwerpen of substanties worden aangetroffen die niet in het bezit van de gedetineerde mogen zijn, kunnen deze in beslag genomen worden en onder afgifte van bewijs van ontvangst ten behoeve van de gedetineerde worden bewaard, hetzij met diens toestemming vernietigd worden, hetzij ter beschikking gehouden worden van de bevoegde overheden met het oog op de voorkoming of vaststelling van strafbare feiten.
Art. 108. § 1er. Lorsque cela est nécessaire dans l'intérêt du maintien de l'ordre ou de la sécurité, le détenu peut subir une fouille de ses vêtements [2 par les membres du personnel de surveillance, conformément aux directives données par le directeur]2.
  Cette fouille a pour objectif de vérifier si le détenu est en possession de substances ou d'objets interdits ou dangereux.
  § 2. [1 Tous détenus sont fouillés au corps :
   - à leur entrée dans la prison;
   - préalablement au placement dans une cellule sécurisée ou à l'enfermement dans une cellule de punition;
   - conformément aux directives en vigueur dans la prison, après la visite avec des personnes mentionnées à l'article 59 lorsqu'elle n'a pas eu lieu dans un local pourvu d'une paroi transparente qui sépare les visiteurs des détenus.
   Le détenu est fouillé au corps quand le directeur estime qu'il y a des indices individualisés que la fouille des vêtements ne suffit pas à atteindre le but décrit au § 1er, alinéa 2. Le directeur remet sa décision par écrit au détenu au plus tard vingt-quatre heures après que la fouille a eu lieu.
   La fouille au corps permet d'obliger le détenu à se déshabiller afin d'inspecter de l'extérieur le corps et les ouvertures et cavités du corps.]1

  La fouille à corps ne peut avoir lieu que dans un espace fermé, en l'absence d'autres détenus, et doit être effectuée par au moins deux membres du personnel[2 de surveillance]2 du même sexe que le détenu[2 ...]2.
  § 3. La fouille des vêtements et la fouille à corps ne peuvent avoir un caractère vexatoire et doivent se dérouler dans le respect de la dignité du détenu.
  § 4. Si la fouille des vêtements du détenu ou la fouille a corps du détenu permettent de découvrir des objets ou substances que le détenu n'a pas le droit d'avoir en sa possession, ceux-ci peuvent être saisis et, contre remise d'un reçu, être conservés au profit du détenu, être détruits avec l'accord de celui-ci ou être tenus à la disposition des autorités compétentes en vue de prévenir ou d'établir des faits punissables.
(NOTA : bij arrest nr 20/2014 van 29-01-2014 (2014-01-29/25), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 108, §2, L1, gewijzigd bij artikel 5 van W 2013-07-01/10, vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 20/2014 du 29-01-2014 (2014-01-29/25), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 108, §2, L1, modifié par l'article 5 de L 2013-07-01/10)
Art.109. § 1. Met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid wordt de verblijfsruimte van de gedetineerde overeenkomstig de richtlijnen van het inrichtingshoofd door [1 de leden van het bewakingspersoneel]1 geregeld doorzocht op de conformiteit ervan met de in de gevangenis geldende regels.
  Deze controlemaatregel mag niet ongerechtvaardigd zijn ten opzichte van het doel ervan.
  § 2. Ingeval verboden voorwerpen of substanties worden aangetroffen, kunnen deze in beslag genomen worden en onder afgifte van bewijs van ontvangst ten behoeve van de gedetineerde worden bewaard, hetzij met diens toestemming vernietigd worden, hetzij ter beschikking gehouden worden van de bevoegde overheden met het oog op de voorkoming of vaststelling van strafbare feiten.
  
Art.109. § 1er. Dans l'intérêt du maintien de l'ordre et de la sécurité, l'espace de séjour du détenu est régulièrement fouillé par [1 les membres du personnel de surveillance]1, conformément aux directives du chef d'établissement, pour en vérifier la conformité avec les règles en vigueur dans la prison.
  Cette mesure de contrôle ne peut être abusive par rapport à son objet.
  § 2. En cas de découverte de substances ou d'objets interdits, ceux-ci peuvent être saisis et, contre remise d'un reçu, être conservés au profit du détenu, être détruits avec l'accord de celui-ci ou être tenus à la disposition des autorités compétentes en vue de prévenir ou d'établir des faits punissables.
  
Afdeling II. - Bijzondere veiligheidsmaatregelen.
Section II. - Des mesures de sécurité particulières.
Art.110. § 1. Onverminderd de door de Koning te bepalen algemene veiligheidsvoorschriften, kan de directeur, wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid, ten aanzien van een gedetineerde bijzondere veiligheidsmaatregelen bevelen.
  De bijzondere veiligheidsmaatregel moet evenredig zijn aan de bedreiging en van die aard zijn dat hij ze verhelpt.
  § 2. Vooraleer de directeur een beslissing neemt over het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel, wordt de gedetineerde gehoord. In de gevallen waarin de situatie van gevaar geen uitstel duldt, wordt hij zo spoedig mogelijk gehoord.
  De gedetineerde wordt schriftelijk in kennis gesteld van deze beslissing, alsmede van de motieven die aan deze beslissing ten grondslag liggen.
  § 3. Wanneer de situatie van gevaar geen enkel uitstel duldt, kunnen ook andere personeelsleden van de gevangenis, voorlopig bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen, mits onmiddellijke kennisgeving ervan aan de directeur.
  De directeur neemt een definitieve beslissing overeenkomstig de in § 2 bedoelde procedure. Hij kan de onmiddellijke intrekking bevelen van de krachtens § 3, eerste lid genomen maatregel.
Art.110. § 1er. Sans préjudice des règles de sécurité générales à déterminer par le Roi, le directeur peut, s'il existe de sérieux indices que l'ordre ou la sécurité sont menacés, ordonner des mesures de sécurité particulières à l'égard d'un détenu.
  La mesure de sécurité particulière doit être proportionnelle à la menace et de nature à y porter remède.
  § 2. Avant que le directeur ne prenne une décision quant à l'imposition d'une mesure de sécurité particulière, le détenu est entendu. Dans les cas où la menace n'autorise aucun retard, il est entendu dans les plus brefs délais.
  Le détenu est informe par écrit de cette décision, ainsi que des motifs qui la sous-tendent.
  § 3. Si la menace n'autorise aucun retard, d'autres membres du personnel de la prison peuvent également imposer à titre temporaire des mesures de sécurité particulières à condition d'en informer immédiatement le directeur.
  Le directeur prend une décision définitive en conformité avec la procédure visée au § 2. Il peut ordonner sur le champ la levée de la mesure prise en vertu du § 3, alinéa 1er.
Art.111. § 1. De bijzondere beveiligingsmaatregelen mogen onder geen voorwendsel het karakter hebben van een tuchtsanctie, ook al zouden zij genomen worden op grond van feiten die tevens aanleiding kunnen geven tot tuchtsancties zoals bepaald in titel VII.
  § 2. Wanneer de feiten die aanleiding kunnen geven tot een bijzondere beveiligingsmaatregel eveneens het karakter hebben van een tuchtrechtelijke inbreuk, wordt enkel de tuchtprocedure ingesteld.
  § 3. De noodzaak tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel na een tuchtsanctie kan slechts beoordeeld en beslist worden na het beëindigen van de tuchtsanctie.
Art.111. § 1er. Les mesures de sécurité particulières ne peuvent sous aucun prétexte présenter le caractère d'une sanction disciplinaire, même si elles sont motivées par des faits qui peuvent également donner lieu à des sanctions disciplinaires comme prévu au titre VII.
  § 2. Lorsque les faits qui peuvent donner lieu à une mesure de sécurité particulière présentent également le caractère d'une infraction disciplinaire, seule la procédure disciplinaire est engagée.
  § 3. La nécessité d'imposer une mesure de sécurité particulière après une sanction disciplinaire peut seulement être évaluée et décidée lorsque la sanction disciplinaire a pris fin.
Art.112. § 1. Als bijzondere veiligheidsmaatregelen zijn toelaatbaar, afzonderlijk of in combinatie, mits zij uitsluitend tot dat doel worden aangewend en voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd :
  1° het ontnemen of onthouden van voorwerpen;
  2° de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke of individuele activiteiten;
  3° de observatie overdag en tijdens de nacht, maar met maximale eerbiediging van de nachtrust;
  4° het verplicht verblijf in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte;
  5° de onderbrenging in een beveiligde cel, zonder voorwerpen waarvan het gebruik gevaarlijk kan zijn.
  § 2. Deze bijzondere veiligheidsmaatregelen mogen niet langer duren dan zeven dagen. Zij kunnen niet verlengd worden zonder een met redenen omklede beslissing van de directeur, na de gedetineerde te hebben gehoord. De maatregel kan maximaal driemaal verlengd worden.
  § 3. In geval van overbrenging naar een andere gevangenis beslist de directeur van die gevangenis of er nog gronden bestaan voor de handhaving van die maatregelen.
Art.112. § 1er. Sont autorisées comme mesures de sécurité particulières prises séparément ou cumulées, pour autant qu'elles soient appliquées exclusivement à cette fin et pour la durée strictement nécessaire :
  1° le retrait ou la privation d'objets;
  2° l'exclusion de certaines activités communes ou individuelles;
  3° l'observation durant la journée et la nuit, tout en respectant au maximum le repos nocturne;
  4° le séjour obligatoire dans l'espace de séjour attribué au détenu;
  5° le placement en cellule sécurisée, sans objets dont l'utilisation peut être dangereuse.
  § 2. Ces mesures de sécurité particulières ne peuvent être maintenues plus de sept jours. Elles ne peuvent être prolongées sans décision motivée du directeur, après avoir entendu le détenu. Les mesures peuvent être prolongées au maximum trois fois.
  § 3. En cas de transfèrement vers une autre prison, le directeur de celle-ci détermine si le maintien de ces mesures se justifie encore.
Art.113. § 1. De gedetineerde die het voorwerp is van een maatregel bedoeld in de artikelen 112, § 1, en 117, § 1, behoudt het recht tot deelname aan de in de gevangenis aangeboden activiteiten als bepaald in titel V, hoofdstukken IV tot VI, en het recht op contacten met de buitenwereld, als bepaald in titel V, hoofdstuk III, voorzover de uitoefening van deze rechten niet onverenigbaar is met de veiligheidsmaatregel.
  § 2. In de gevallen bepaald in artikel 112, 4° en 5°, draagt de directeur er zorg voor dat de gedetineerde :
  1° de maaltijden kan gebruiken onder betamelijke omstandigheden, behoorlijke kledij en schoeisel van de gevangenis ter beschikking krijgt en zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne fatsoenlijk kan verzorgen;
  2° over voldoende lectuur beschikt;
  3° de mogelijkheid heeft om minstens één uur per dag in de buitenlucht te verblijven;
  4° briefwisseling kan voeren onder de in titel V, hoofdstuk III, afdeling II, bepaalde voorwaarden;
  5° zijn godsdienst of zijn levensbeschouwing individueel kan beleven en belijden en daartoe dagelijks het bezoek kan ontvangen van de daarvoor aan de gevangenis verbonden of tot de gevangenis toegelaten vertegenwoordiger van zijn godsdienst of levensbeschouwing;
  6° een beroep kan doen op een advocaat en op de in artikel 104 bedoelde juridische bijstand;
  7° een beroep kan doen op psychosociale en medische hulpverlening.
  In dezelfde gevallen wordt de gedetineerde zorgvuldig opgevolgd door de directeur en een adviserende arts, die de gedetineerde daartoe regelmatig bezoeken, zich vergewissen van zijn toestand en nagaan of hij geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft.
  § 3. De personen of instanties die belast zijn met het toezicht en de controle over de gevangenissen of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zijn gerechtigd de gedetineerde in de (beveiligde cel) te bezoeken. <W 2005-12-23/31, art. 22, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art.113. § 1er. Le détenu qui fait l'objet d'une mesure prévue aux articles 112, § 1er, et 117, § 1er, conserve le droit de participer aux activités proposées dans la prison en vertu du titre V, chapitres IV à VI, ainsi que le droit d'avoir des contacts extérieurs, comme prévu au titre V, chapitre III, pour autant que l'exercice de ces droits ne soit pas incompatible avec la mesure de sécurité.
  § 2. Dans les cas prévus à l'article 112, 4° et 5°, le directeur veille à ce que le détenu :
  1° puisse consommer ses repas dans des conditions décentes, reçoive de la prison des chaussures et des vêtements décents et puisse soigner décemment son apparence et son hygiène corporelle;
  2° dispose de suffisamment de lecture;
  3° bénéficie de la possibilité de séjourner au moins une heure par jour en plein air;
  4° puisse entretenir une correspondance aux conditions prévues au titre V, chapitre III, section II;
  5° puisse vivre et pratiquer individuellement sa religion ou sa philosophie et puisse, à cette fin, recevoir quotidiennement la visite du représentant de son culte ou de sa philosophie attaché à la prison ou admis à y pénétrer;
  6° puisse faire appel à un avocat et à l'aide juridique visée à l'article 104;
  7° puisse faire appel à l'aide psychosociale et médicale.
  Dans les mêmes cas, le détenu est suivi minutieusement par le directeur et par un médecin-conseil, qui, à cette fin, lui rendent régulièrement visite, s'assurent de son état et vérifient si celui-ci n'a pas de plaintes ou d'observations à formuler.
  § 3. Les personnes ou instances chargées de la surveillance et du contrôle des prisons ou de l'exécution de la peine ou mesure privative de liberté sont habilitées à rendre visite au détenu dans la (cellule sécurisée). <L 2005-12-23/31, art. 22, 002; En vigueur : 15-01-2007>
Art.114. Bij een ernstige gebeurtenis die de veiligheid in gevaar kan brengen, neemt de directeur alle dringende maatregelen die de omstandigheden vereisen en brengt hij hiervan de minister langs de vlugste weg op de hoogte.
Art.114. En cas d'événement grave pouvant menacer la sécurité, le directeur prend toutes les mesures urgentes requises par les circonstances et en informe le ministre par la voie la plus rapide.
Art.115. Bij toepassing van een in deze afdeling bepaalde veiligheidsmaatregel wordt daar melding van gemaakt in een bijzonder register met precisering van de omstandigheden die tot het nemen van de veiligheidsmaatregel aanleiding hebben gegeven, het tijdstip waarop de maatregel werd genomen en de duur van de maatregel.
  Het bijzonder register wordt ter beschikking gehouden van de toezicht- en klachtenorganen.
Art.115. En cas d'application d'une mesure de sécurité prévue dans la présente section, il en est fait mention dans un registre spécial en précisant les circonstances ayant amené à prendre la mesure de sécurité, le moment auquel elle a été prise et sa durée.
  Le registre spécial est tenu à la disposition des organes de surveillance et de plaintes.
Afdeling III. - Plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime.
Section III. - Du placement sous régime de sécurité particulier individuel.
Art.116. § 1. Wanneer uit concrete omstandigheden of uit de gedragingen van een gedetineerde blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid, en gebleken is dat zowel de in afdeling I vermelde controlemaatregelen als de in afdeling II vermelde bijzondere beveiligingsmaatregelen ontoereikend zijn, kan hij in een individueel bijzonder veiligheidsregime worden geplaatst.
  § 2. Tot de plaatsing in een individueel bijzonder regime kan enkel worden besloten wanneer de veiligheid op geen enkele andere wijze gevrijwaard kan worden en voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd.
Art.116. § 1er. S'il ressort de circonstances concrètes ou des attitudes d'un détenu que celui-ci représente une menace constante pour la sécurité, et s'il est apparu que tant les mesures de contrôle prévues à la section Ire que les mesures de sécurité particulières prévues à la section II sont insuffisantes, le détenu peut être placé sous régime de sécurité particulier individuel.
  § 2. Le placement sous régime particulier individuel peut uniquement être décidé lorsque la sécurité ne peut être préservée d'aucune autre manière et pour la durée strictement nécessaire à cet effet.
Art.117. [1 § 1. De plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime bestaat in één van de hierna vermelde maatregelen of in een combinatie van meerdere ervan:
   1° uitsluiting van deelname aan gemeenschappelijke activiteiten;
   2° systematische controle van uitgaande en inkomende briefwisseling overeenkomstig de in artikel 55 en 56 bepaalde regels;
   3° beperking van bezoek in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt, zoals bepaald in artikel 60, § 3;
   4° gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon, zoals bepaald in artikel 64, § 3;
   5° systematische toepassing van de in artikel 108, § 1, bepaalde controlemaatregel;
   6° toepassing van een of meerdere bijzondere in artikel 112, § 1, bepaalde veiligheidsmaatregelen.
   § 2. Indien uit concrete omstandigheden blijkt dat de gedetineerde een reëel en ernstig risico vormt voor de veiligheid vanwege zijn banden met de georganiseerde misdaad en hij verdacht wordt van of veroordeeld is voor een overtreding van artikel 2bis, § 4, b), van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsmiddelen en antiseptica en van de stoffen die kunnen worden gebruikt voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen of voor het misdrijf bedoeld in artikel 324ter, § 4, van het Strafwetboek kan de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime bovendien bestaan uit de hierna opgesomde maatregelen of een combinatie van meerdere ervan:
   1° de permanente observatie door middel van een camera, mits eerbiediging van de menselijke waardigheid van de gedetineerde en mits uitvoering van een regelmatige controle, minstens tijdens de bezoeken van de arts bedoeld in artikel 118, § 5, van de eventuele gevolgen op de mentale gezondheid.
   2° in afwijking van artikel 58, de uitsluiting van het recht op bezoek en/of van het recht op ongestoord bezoek van alle of sommige bezoekers bedoeld in artikel 59.
   § 3. De basisbeginselen vermeld in titel II blijven onverkort van toepassing op het individueel bijzonder veiligheidsregime.]1

  
Art.117. [1 § 1er. Le placement sous régime de sécurité particulier individuel consiste à prendre l'une des mesures mentionnées ci-après ou une combinaison de plusieurs de ces mesures:
   1° l'interdiction de prendre part à des activités communes;
   2° le contrôle systématique de la correspondance entrante et sortante, conformément aux modalités prévues aux articles 55 et 56;
   3° le confinement des visites à un local pourvu d'une paroi de séparation transparente entre les visiteurs et le détenu, comme prévu à l'article 60, § 3;
   4° la privation partielle de l'usage du téléphone, comme prévue à l'article 64, § 3;
   5° l'application systématique de la mesure de contrôle prévue à l'article 108, § 1er;
   6° l'application d'une ou de plusieurs mesures de sécurité particulières prévues à l'article 112, § 1er.
   § 2. Si des circonstances concrètes montrent que le détenu représente un risque réel et grave pour la sécurité en raison de ses liens avec la criminalité organisée et qu'il est inculpé ou condamné pour infraction à l'article 2bis, § 4, b), de la loi du 24 février 1921 concernant le trafic des substances vénéneuses, soporifiques, stupéfiantes, psychotropes, désinfectantes ou antiseptiques et des substances pouvant servir à la fabrication illicite de substances stupéfiantes et psychotropes ou pour l'infraction prévue à l'article 324ter, § 4, du Code pénal, le placement dans un régime de sécurité particulier individuel peut, en outre, consister en des mesures énumérées ci-dessous ou en une combinaison de plusieurs d'entre elles:
   1° une observation permanente par caméra en veillant au respect de la dignité humaine du détenu et en contrôlant régulièrement, au moins lors de visites du médecin prévues par l'article 118, § 5, les éventuelles conséquences sur sa santé mentale.
   2° par dérogation à l'article 58, l'exclusion du droit de visite et/ou du droit de visite dans l'intimité, de tout ou partie des visiteurs visés à l'article 59.
   § 3. Les principes fondamentaux mentionnés au titre II s'appliquent sans restriction au régime de sécurité particulier individuel.]1

  
Art.118. § 1. De beslissing tot plaatsing in een bijzonder individueel veiligheidsregime wordt genomen door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, op voorstel van de directeur.
  § 2. Het voorstel vermeldt de concrete omstandigheden of gedragingen van de gedetineerde waaruit blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid.
  Het voorstel vermeldt de concrete nadere regels van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime, met omstandige motivering van elk van de voorgestelde maatregelen.
  Het voorstel wordt vergezeld van een medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde.
  § 3. Alvorens het voorstel in te dienen, stelt de directeur de gedetineerde in kennis van de inhoud en de motieven van het voorstel en geeft hem de gelegenheid, desgewenst bijgestaan door een raadsman of door een door de directeur daartoe aanvaarde zelf gekozen vertrouwenspersoon, zijn verweermiddelen te laten gelden. Daarvan wordt akte genomen ten behoeve van de door de directeur-generaal te nemen beslissing.
  [3 § 3/1. In afwijking van artikel 116, § 1, en van de paragrafen 1 tot 3 wordt de beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime bedoeld in artikel 117, § 2, genomen door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, na advies van de federale procureur of de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
   De directeur-generaal deelt de gedetineerde de concrete, bijzondere omstandigheden of houdingen mee waaruit blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid.
   Daarnaast deelt de directeur-generaal de gedetineerde de nadere regels van de plaatsing onder het individueel bijzonder veiligheidsregime mee, waarbij elke voorgestelde maatregel omstandig wordt gemotiveerd.
   De directeur-generaal vraagt een psycho-medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde.
   Hij stelt de gedetineerde in de gelegenheid, desgewenst bijgestaan door een raadsman, zijn verweermiddelen te laten gelden tijdens een hoorzitting met de directeur. Daarvan wordt akte genomen ten behoeve van de door de directeur-generaal te nemen beslissing.
   Na ontvangst van het verslag van het horen van de gedetineerde, neemt de directeur-generaal een beslissing.]3

  § 4. De beslissing van de directeur-generaal tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime vermeldt de nadere regels betreffende de plaatsing, met omstandige motivering van elk van de maatregelen.
  De beslissing wordt ter kennis gebracht van de directeur, van de gedetineerde en, wanneer de beslissing betrekking heeft op een verdachte, van de onderzoeksrechter.
  De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar, ongeacht of er al dan niet hoger beroep wordt ingesteld.
  § 5. De gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime die zijn afzondering uit de gemeenschap tot gevolg heeft, wordt minstens eenmaal per week bezocht door de directeur en een [2 arts]2, die zich vergewissen van de toestand van de gedetineerde en nagaan of de gedetineerde geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft.
  § 6. Elke beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime en elke aanpassing van het regime door de directeur-generaal wordt bijgehouden door de penitentiaire administratie in een centraal register en door de directeur in een lokaal register, met vermelding van de identiteit van de gedetineerde en de afwijkingen van het normale regime die door de directeur-generaal worden beslist.
  Voor de ganse duur van de plaatsing wordt door de directeur per week het verloop van de plaatsing in het lokaal register genoteerd. Naar aanleiding van het bezoek dat de directeur en een [2 arts]2 hem brengt krachtens § 5, kan de gedetineerde zelf opmerkingen met betrekking tot zijn toestand en situatie doen optekenen in dat register.
  Personen of instanties die belast zijn met het toezicht en de controle over de gevangenissen of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel kunnen zich gedurende de ganse duur van de plaatsing dit register doen voorleggen. Zij kunnen er hun eigen opmerkingen optekenen evenals deze van de gedetineerde.
  § 7. De beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime geldt voor een door de directeur-generaal bepaalde termijn van maximaal twee maanden die eventueel hernieuwbaar is.
  Eenmaal per maand brengt de directeur aan de directeur-generaal omstandig verslag uit betreffende het verloop van de plaatsing in het individueel bijzonder veiligheidsregime. Op basis hiervan kan de directeur-generaal beslissen een einde te maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen.
  De beslissing kan slechts worden hernieuwd, mits een voorafgaand verzoek van de directeur, vergezeld van een psycho-medisch verslag, en met inachtneming van de bepalingen van §§ 1 tot 4.
  [3 In afwijking van het derde lid wordt bij plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime in toepassing van paragraaf 3/1, een psycho-medisch verslag over het verloop van dit individueel bijzonder veiligheidsregime en de voortzetting ervan overgemaakt aan de directeur-generaal een week vóór de vervaldag ervan. De beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime kan hernieuwd worden door de directeur-generaal, met inachtneming van paragraaf 3/1;
   De federale procureur of de inlichtingen- en veiligheidsdiensten brengen om de twee maanden een geactualiseerd advies uit.]3

  § 8. In geval van overbrenging naar een andere gevangenis beoordeelt de directeur van die gevangenis, na de gedetineerde te hebben gehoord, of er nog gronden bestaan voor de handhaving van de maatregel, en brengt hieromtrent advies uit aan de directeur-generaal. De beslissing van de directeur-generaal vermeldt de individuele gronden die de verdere plaatsing eventueel noodzaken.
  [3 Het eerste lid is niet van toepassing op het individueel bijzonder veiligheidsregime opgelegd in toepassing van de paragrafen 3/1 en § 7, vierde lid.]3
  § 9. [1 Zodra een beklaagde of beschuldigde, die in een individueel bijzonder veiligheidsregime werd geplaatst, veroordeeld is, beoordeelt de directeur de noodzaak van een handhaving of aanpassing van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime, en brengt hierover advies uit aan de directeur-generaal. Op basis hiervan kan de directeur-generaal een einde maken aan de plaatsing of de plaatsingsmaatregelen milderen.]1
  [3 Het eerste lid is niet van toepassing op het individueel bijzonder veiligheidsregime opgelegd in toepassing van de paragrafen 3/1 en 7, vierde lid.]3
  § 10. [3 De gedetineerde heeft het recht beroep aan te tekenen tegen de beslissingen van de directeur-generaal genomen overeenkomstig de paragrafen 1, eerste lid, 3/1, eerste lid, 7, eerste, tweede en vierde lid, en de paragrafen 8 en 9.]3. Dit beroep dient te worden ingediend bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad.
  De artikelen 165 en 166 zijn van toepassing op de beroepsprocedure. De directeur-generaal of een door hem afgevaardigde vertegenwoordigt hierbij de penitentiaire administratie. <W 2005-12-23/31, art. 23, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  § 11. Plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime is niet van toepassing op minderjarige gedetineerden.
  
Art.118. § 1er. La décision de placement sous régime de sécurité particulier individuel est prise par le directeur général de l'administration pénitentiaire ou par son delégué, sur proposition du directeur.
  § 2. La proposition indique les circonstances ou attitudes concrètes du détenu dont il ressort qu'il représente une menace permanente pour la sécurité.
  La proposition précise les modalités concrètes du placement sous régime de sécurité particulier individuel, chacune des mesures proposées étant motivée de manière circonstanciée.
  La proposition est accompagnée d'un avis médical quant à la compatibilité des modalités du régime proposé avec l'état de santé du détenu.
  § 3. Avant d'introduire la proposition, le directeur informe le détenu de la teneur et des motifs de la proposition et lui donne la possibilité de faire valoir ses moyens de défense avec, s'il le souhaite, l'assistance d'un conseil ou d'une personne de confiance choisie par lui-même et admise à cette charge par le directeur. Il en est pris acte pour les besoins de la décision à prendre par le directeur général.
  [3 § 3/1. Par dérogation à l'article 116, § 1er, et aux paragraphes 1er à 3, la décision de placement en régime de sécurité particulier individuel visée à l'article 117, § 2, est prise par le directeur général de l'administration pénitentiaire ou son délégué, après avis du procureur fédéral ou des services de renseignement et de sécurité.
   Le directeur général informe le détenu des circonstances ou attitudes concrètes particulières dont il ressort qu'il représente une menace permanente pour la sécurité.
   En outre, le directeur général informe le détenu des modalités concrètes du placement sous régime de sécurité particulier individuel, chacune des modalités proposées étant motivée de manière circonstanciée.
   Le directeur général demande un avis psycho-médical sur la compatibilité des modalités du régime proposé avec l'état de santé du détenu.
   Il donne au détenu la possibilité, assisté d'un conseil s'il le souhaite, de présenter ses moyens de défense lors d'une audition avec le directeur. Il en est pris acte pour les besoins de la décision à prendre par le directeur général.
   Dès réception du rapport d'audition du détenu, le directeur général prend une décision.]3

  § 4. La décision de placement sous régime de sécurité particulier individuel prise par le directeur général mentionne les modalités concretes du placement, chacune des mesures étant motivée de manière circonstanciée.
  La décision est portée à la connaissance du directeur, du détenu et, si la décision concerne un inculpé, du juge d'instruction.
  La décision est immédiatement exécutoire, qu'il y ait appel ou non.
  § 5. Le détenu faisant l'objet d'un placement sous un régime de sécurité particulier individuel qui a pour conséquence qu'il est isolé de la communauté reçoit au moins une fois par semaine la visite du directeur et d'un [2 médecin]2, lesquels s'assurent de l'état du détenu et vérifient si celui-ci n'a pas de plaintes ou d'observations à formuler.
  § 6. Toute décision de placement sous régime de sécurité particulier individuel et toute adaptation de ce régime par le directeur général est consignée par l'administration pénitentiaire dans un registre central et par le directeur dans un registre local, en précisant l'identité du détenu et les dérogations au régime normal décidées par le directeur général.
  Pendant toute la durée du placement, le directeur consigne chaque semaine le déroulement du placement dans le registre local. Lors de la visite que lui rendent le directeur et un [2 médecin]2 en vertu du § 5, le détenu peut lui-même faire enregistrer dans ce registre des observations concernant son état et sa situation.
  Les personnes ou instances chargées de la surveillance et du contrôle des prisons ou de l'exécution de la peine ou mesure privative de liberté peuvent demander à voir ce registre pendant toute la durée du placement. Elles peuvent y consigner leurs propres observations ainsi que celles du détenu.
  § 7. La décision de placement sous régime de sécurité particulier individuel est prise pour un délai, éventuellement renouvelable, de maximum deux mois, fixé par le directeur général.
  Une fois par mois, le directeur fait un rapport circonstancie au directeur général concernant le déroulement du placement sous regime de sécurité particulier individuel. Sur la base de ce rapport, le directeur général peut décider de mettre un terme au placement ou d'adoucir les mesures de placement.
  La décision peut seulement être renouvelée sur requête préalable du directeur, accompagnée d'un rapport psychomédical, et dans le respect des dispositions des §§ 1er à 4.
  [3 Par dérogation à l'alinéa 3, en cas de placement sous régime de sécurité particulier individuel pris en application du paragraphe 3/1, un rapport psychomédical concernant le déroulement de ce régime de sécurité particulier individuel et sa poursuite est transmis au directeur général une semaine avant son échéance. La décision de placement sous régime de sécurité particulier individuel peut être renouvelée par le directeur général, dans le respect du paragraphe 3/1;
   Le procureur fédéral ou les services de renseignement et de sécurité rendent un avis actualisé tous les deux mois.]3

  § 8. En cas de transfèrement dans une autre prison, le directeur de celle-ci décide, après avoir entendu le détenu, si le maintien de la mesure se justifie encore et adresse un avis à ce sujet au directeur général. La décision du directeur général mentionne les motifs individuels qui nécessitent éventuellement la poursuite du placement.
  [3 L'alinéa 1er ne s'applique pas au régime de sécurité particulier individuel pris en application des paragraphes 3/1 et 7, alinéa 4.]3
  § 9. [1 Dès qu'un prévenu ou un accusé qui a été placé sous régime de sécurité particulier individuel, est condamné, le directeur évalue la nécessité d'un maintien ou d'une adaptation du placement sous régime de sécurité particulier individuel et rend un avis à ce sujet au directeur général. Sur base de celui-ci, le directeur général peut mettre fin au placement ou adoucir les mesures de placement.]1
  [3 L'alinéa 1er ne s'applique pas au régime de sécurité particulier individuel pris en application des paragraphes 3/1 et 7, alinéa 4.]3
  § 10. [3 Le détenu a le droit d'interjeter appel contre les décisions prises par le directeur général conformément aux paragraphes 1er, alinéa 1er, 3/1, alinéa 1er, 7, alinéa 1er, 2 et 4, et aux paragraphes 8 et 9.]3. Cet appel sera introduit auprès de la Commission d'appel du Conseil central. <L 2005-12-23/31, art. 23, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  Les articles 165 et 166 sont applicables à la procédure d'appel. Le directeur général ou une personne mandatée par lui représente l'administration pénitentiaire dans cette procédure.
  § 11. Le placement sous régime de sécurité particulier individuel n'est pas applicable aux détenus mineurs.
  
HOOFDSTUK IV. - Maatregelen van rechtstreekse dwang.
CHAPITRE IV. - Des mesures de coercition directe.
Art.119. § 1. Met het oog op de handhaving van de orde of de veiligheid mag ten aanzien van de gedetineerden alleen rechtstreekse dwang gebruikt worden, wanneer deze doelstellingen op geen andere wijze kunnen worden bereikt en voor de daartoe strikt noodzakelijke tijd.
  § 2. Onder dezelfde voorwaarden mag tegenover andere personen dan de gedetineerden rechtstreekse dwang worden gebruikt, in afwachting van de tussenkomst van de politiediensten, wanneer zij pogen gedetineerden te bevrijden, wederrechtelijk de gevangenis binnen te dringen of zich daarin ophouden zonder daartoe gerechtigd te zijn.
  § 3. Onder gebruik van rechtstreekse dwang in de zin van § 1 wordt verstaan het gebruik van fysieke dwang op personen, al dan niet met het gebruik maken van materiële of mechanische hulpmiddelen, van dwangtuigen die de bewegingsvrijheid beperken of van wapens die krachtens de wapenwet tot de reglementaire uitrusting behoren.
Art.119. § 1er. En vue du maintien de l'ordre ou de la sécurité, une coercition directe peut seulement être exercée à l'égard des détenus lorsque ces objectifs ne peuvent être atteints d'une autre manière et pour la durée strictement nécessaire à cet effet.
  § 2. Dans l'attente de l'intervention des services de police, une coercition directe peut être exercée aux mêmes conditions à l'égard d'autres personnes que les détenus, lorsque celles-ci tentent de libérer des détenus, de pénétrer illégalement dans la prison ou de s'y attarder sans en être autorisées.
  § 3. Par recours à la coercition directe au sens du § 1er, on entend l'usage de la contrainte physique sur des personnes avec ou sans utilisation d'accessoires matériels ou mécaniques, d'instruments de contrainte limitant la liberté de mouvement ou d'armes qui, aux termes de la loi sur les armes, font partie de l'équipement réglementaire.
Art.120. § 1. Bij meerdere geschikte mogelijkheden van rechtstreekse dwang moeten deze gekozen worden die het minst schadelijk zijn.
  § 2. Elk gebruik van rechtstreekse dwang moet redelijk zijn en in verhouding staan tot het nagestreefde doel.
  § 3. Alvorens tot rechtstreekse dwang over te gaan dient eerst met deze dwang gedreigd te worden, behoudens wanneer de omstandigheden dit niet toelaten of wanneer een voorafgaande bedreiging het gebruik van rechtstreekse dwang onwerkzaam zou maken.
Art.120. § 1er. Lorsque plusieurs possibilités de coercition directe peuvent convenir, le choix doit se porter sur celles qui sont les moins préjudiciables.
  § 2. Tout recours a la coercition directe doit être raisonnable et en rapport avec l'objectif visé.
  § 3. Avant de recourir à la coercition directe, il convient d'en brandir d'abord la menace, sauf lorsque les circonstances ne le permettent pas ou lorsque toute menace préalable rendrait le recours à la coercition directe inopérant.
Art.121. Bij toepassing van een maatregel van rechtstreekse dwang wordt daar melding van gemaakt in een bijzonder register met precisering van de omstandigheden die tot het nemen van de veiligheidsmaatregel aanleiding hebben gegeven, het tijdstip waarop de maatregel werd genomen en de duur van de maatregel.
  Het bijzonder register wordt ter beschikking gehouden van de voorzitter van de Commissie van toezicht, van de maandcommissaris en van de andere controlerende instanties.
Art.121. En cas d'application d'une mesure de coercition directe, il en est fait état dans un registre spécial en précisant les circonstances ayant amené à prendre la mesure de sécurité, le moment où elle a été prise et sa durée.
  Le registre spécial est tenu à la disposition du président de la Commission de surveillance, du commissaire de mois et des autres instances de contrôle.
TITEL VII. - Tuchtregime.
TITRE VII. - Du régime disciplinaire.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Art.122. Het tuchtregime strekt ertoe de orde en de veiligheid te vrijwaren met eerbiediging van de waardigheid, het zelfrespect en de individuele en sociale verantwoordelijkheid van de gedetineerden.
  Het beroep op de tuchtprocedure moet beperkt blijven tot situaties waarin de handhaving van de orde en de veiligheid van de inrichting dit gebiedend rechtvaardigen en er geen enkel ander middel kan worden gebruikt om dit te verzekeren.
Art.122. Le régime disciplinaire vise à garantir l'ordre et la sécurité dans le respect de la dignité, du respect de soi ainsi que de la responsabilité individuelle et sociale des détenus.
  Le recours à la procédure disciplinaire doit être limité aux situations dans lesquelles le maintien de l'ordre et de la sécurité de l'établissement le justifient de manière impérieuse et qu'aucun autre moyen ne peut être employé pour l'assurer.
Art.123. Een gedetineerde mag niet belast worden met de handhaving van de tucht in de gevangenis.
Art.123. Un détenu ne peut être chargé du maintien de la discipline dans la prison.
Art.124. § 1. Een gedetineerde mag tuchtrechtelijk niet gestraft worden voor andere inbreuken en met andere sancties dan die welke omschreven worden door deze wet.
  § 2. Indien de tuchtsanctie, ten tijde van de tuchtrechtelijke beslissing vastgesteld, verschilt van die welke ten tijde van het tuchtrechtelijk misdrijf was bepaald, wordt de minst zware sanctie toegepast.
Art.124. § 1er. Un détenu ne peut être puni disciplinairement pour d'autres infractions et par d'autres sanctions que celles définies par la présente loi.
  § 2. Si la sanction disciplinaire établie au moment de la décision disciplinaire diffère de celle qui était portée au moment de l'infraction disciplinaire, la sanction la moins forte est appliquée.
Art.125. Samenloop van een tuchtrechtelijke inbreuk en een misdrijf staat de tuchtprocedure en de mogelijkheid van tuchtrechtelijke bestraffing niet in de weg.
Art.125. Le concours d'une infraction disciplinaire avec un délit ne fait pas obstacle à la procédure disciplinaire et à la possibilité de punir disciplinairement.
Art.126. Een gedetineerde mag voor één en dezelfde tuchtrechtelijke inbreuk slechts eenmaal tuchtrechtelijk gestraft worden.
Art.126. Un détenu ne peut être puni disciplinairement qu'une seule fois pour la même infraction disciplinaire.
Art.127. § 1. De bevoegdheid tot het opleggen van tuchtsancties berust bij de directeur.
  § 2. Werd de tuchtrechtelijke inbreuk gepleegd tijdens de overbrenging naar een andere gevangenis, dan is de directeur van de gevangenis van bestemming bevoegd.
  § 3. Indien de tuchtrechtelijke inbreuk gepleegd werd ten aanzien van een persoon die bevoegd is om tuchtsancties op te leggen, dient deze zich van de zaak te onthouden.
  Naar gelang van het geval wordt de tuchtrechtelijke bevoegdheid dan uitgeoefend door de directeur of een hiërarchisch hoger lid van de penitentiaire administratie dat aangewezen werd door de minister. Indien de tuchtrechtelijke bevoegdheid uitgeoefend wordt door een hiërarchisch hoger lid van de penitentiaire administratie, wordt diens beslissing gelijkgesteld met een beslissing van de directeur zoals bedoeld in artikel 148.
  § 4. Een tuchtsanctie kan worden opgelegd of worden uitgevoerd in een andere gevangenis of afdeling dan deze waarin de tuchtrechtelijke inbreuk werd gepleegd of waarin het tuchtrapport werd opgesteld.
Art.127. § 1er. La compétence d'infliger des sanctions disciplinaires appartient au directeur.
  § 2. Lorsque l'infraction disciplinaire a été commise pendant le transfèrement vers une autre prison, la compétence appartient au directeur de la prison de destination.
  § 3. Lorsque l'infraction disciplinaire a été commise à l'égard d'une personne investie de la compétence pour infliger des sanctions disciplinaires, cette personne doit s'abstenir de toute intervention.
  Selon le cas, la compétence disciplinaire est alors exercée par le directeur ou par un membre hiérarchiquement supérieur de l'administration pénitentiaire, désigné par le ministre. Si la compétence disciplinaire est exercée par un membre hiérarchiquement supérieur de l'administration pénitentiaire, sa décision est assimilée à une décision du directeur visée à l'article 148.
  § 4. Une sanction disciplinaire peut être infligée ou exécutée dans une prison ou section autre que celle où l'infraction disciplinaire a été commise ou que celle où le rapport disciplinaire a été établi.
HOOFDSTUK II. - Tuchtrechtelijke inbreuken.
CHAPITRE II. - Des infractions disciplinaires.
Art.128. De tuchtrechtelijke inbreuken worden volgens hun ernst ingedeeld in twee categorieën.
Art.128. Les infractions disciplinaires sont réparties en deux catégories selon leur gravité.
Art.129. Als tuchtrechtelijke inbreuken van de eerste categorie worden beschouwd :
  1° de opzettelijke aantasting van de fysieke integriteit van personen, of de bedreiging daarmee;
  2° de opzettelijke aantasting van de psychische integriteit van personen, of de bedreiging daarmee;
  3° de opzettelijke beschadiging of vernieling van andermans roerende of onroerende goederen, of de bedreiging daarmee;
  4° de wederrechtelijke ontvreemding van goederen;
  5° de opzettelijke aantasting van de orde, zoals omschreven in artikel 2, 7°;
  6° het aanzetten tot of het voeren van collectieve acties die de veiligheid of de orde in de gevangenis ernstig in gevaar brengen;
  7° het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden voorwerpen of substanties.
  8° ontsnapping of deelname aan een ontsnapping.
  [1 9° het bezit of gebruik van technologische middelen die onregelmatige communicatie met de buitenwereld mogelijk maken.]1
  
Art.129. Sont considérés comme infractions disciplinaires de la première catégorie :
  1° l'atteinte intentionnelle a l'intégrité physique de personnes ou la menace d'une telle atteinte;
  2° l'atteinte intentionnelle à l'intégrité psychique de personnes, ou la menace d'une telle atteinte;
  3° la dégradation ou la destruction intentionnelle de biens meubles ou immeubles d'autrui, ou la menace de tels actes;
  4° la soustraction illicite de biens;
  5° l'atteinte intentionnelle à l'ordre défini par l'article 2, 7°;
  6° l'incitation à des actions collectives mettant sérieusement en péril la sécurité ou l'ordre dans la prison, ou la conduite de telles actions;
  7° la possession ou le trafic de substances ou d'objets interdits par ou en vertu de la loi.
  8° l'évasion ou la participation à celle-ci.
  [1 9° la possession ou l'utilisation de moyens technologiques qui permettent de communiquer de manière irrégulière avec le monde extérieur.]1
  
Art.130. Worden beschouwd als tuchtrechtelijke inbreuken van de tweede categorie :
  1° het beledigen van personen die zich in de gevangenis bevinden;
  2° [1 het niet naleven van de door het huishoudelijk reglement voorgeschreven bepalingen;]1
  3° het geen gevolg geven aan de aanmaningen en de bevelen van het personeel van de gevangenis;
  4° het zich zonder toelating bevinden in een ruimte buiten de toegestane tijdsperiode of in een ruimte die men niet gerechtigd is te betreden;
  5° het op onregelmatige wijze communiceren met een medegedetineerde of een persoon vreemd aan de gevangenis [1 , met uitzondering van de in artikel 129, 9°, vermelde tuchtrechtelijke inbreuk]1;
  6° het niet of onvoldoende rein houden van de verblijfsruimte en de gemeenschappelijke lokalen of het bevuilen van terreinen;
  7° het veroorzaken van lawaaihinder die het goede verloop van de activiteiten van de gevangenis verstoort.
  
Art.130. Sont considérés comme infractions disciplinaires de la seconde catégorie :
  1° la prolifération d'injures à l'égard de personnes se trouvant dans la prison;
  2° [1 le non-respect des dispositions prévues par le règlement d'ordre intérieur;]1
  3° le refus d'obtempérer aux injonctions et aux ordres du personnel de la prison;
  4° la présence non autorisée dans un espace en dehors du délai admis ou dans un espace pour lequel aucun droit d'accès n'a été accordé;
  5° les contacts non réglementaires avec un codétenu ou avec une personne étrangère à la prison [1 , à l'exception de l'infraction disciplinaire mentionnée à l'article 129, 9°]1;
  6° le fait de ne pas maintenir ou de ne pas maintenir suffisamment l'espace de séjour et des espaces communs en état de propreté, ou le fait de souiller des terrains;
  7° le fait d'occasionner des nuisances sonores qui entravent le bon déroulement des activités de la prison.
  
Art.131. [1 De poging tot het plegen van en deelneming aan een in de artikelen 129 en 130 bedoelde tuchtrechtelijke inbreuk wordt gestraft met dezelfde straffen als de tuchtrechtelijke inbreuk zelf.]1
  
Art.131. [1 La tentative d'une infraction disciplinaire visée aux articles 129 et 130 et la participation à une telle infraction sont punies des mêmes peines que l'infraction elle-même.]1
  
HOOFDSTUK III. - Tuchtsancties.
CHAPITRE III. - Des sanctions disciplinaires.
Afdeling I. - Algemene tuchtsancties.
Section Ire. - Des sanctions disciplinaires générales.
Art.132. Ongeacht de aard van de tuchtrechtelijke inbreuk kunnen de volgende tuchtsancties worden opgelegd :
  1° berisping met inschrijving in het in artikel 146 bedoelde register voor tuchtsancties;
  2° beperking of ontzegging, voor een maximumduur van dertig dagen, van het recht om in de kantine bepaalde voorwerpen aan te schaffen, met uitzondering van toiletartikelen en artikelen voor briefwisseling;
  3° afzondering in (de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte), zoals hierna in afdeling IV nader bepaald, voor een maximumduur van dertig dagen voor een inbreuk van de eerste categorie en voor een maximumduur van vijftien dagen voor een inbreuk van de tweede categorie; <W 2005-12-23/31, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  4° opsluiting in een strafcel, zoals hierna in afdeling III nader bepaald, voor een maximumduur van negen dagen voor een inbreuk van de eerste categorie en voor een maximumduur van drie dagen voor een inbreuk van de tweede categorie;
  [1 deze sanctie kan voor een maximumduur van veertien dagen worden opgelegd in geval van gijzelneming.]1
  
Art.132. Quelle que soit la nature de l'infraction disciplinaire, les sanctions disciplinaires suivantes peuvent être infligées :
  1° la réprimande avec inscription dans le registre des sanctions disciplinaires vise à l'article 146;
  2° la restriction ou la privation, pour une durée maximale de trente jours, du droit de se procurer certains objets à la cantine, à l'exception des articles de toilette et du nécessaire pour la correspondance;
  3° l'isolement (dans l'espace de séjour attribué au détenu), selon les modalités prévues à la section IV ci-après, pour une durée maximale de trente jours en cas d'infraction de la première catégorie et pour une durée maximale de quinze jours en cas d'infraction de la seconde catégorie; <L 2005-12-23/31, art. 19, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  4° l'enfermement en cellule de punition, selon les modalités prévues à la section III ci-après, pour une durée maximale de neuf jours en cas d'infraction de la première catégorie et pour une durée maximale de trois jours en cas d'infraction de la seconde catégorie;
  [1 cette sanction peut être infligée pour une durée maximale de quatorze jours en cas de prise d'otage.]1
  
Afdeling II. - Bijzondere tuchtsancties.
Section II. - Des sanctions disciplinaires particulières.
Art.133. De volgende tuchtsancties kunnen voor een maximumduur van dertig dagen worden opgelegd voor een inbreuk van de eerste categorie en van vijftien dagen voor een inbreuk van de tweede categorie, mits er een verband is met de aard of de omstandigheden van de tuchtrechtelijke inbreuk :
  1° de ontzegging van bezit van bepaalde voorwerpen;
  2° de ontzegging of beperking van het recht om een beroep te doen op de bibliotheekvoorzieningen, onverminderd het recht van de gedetineerde om vanuit de bibliotheek informatie te bekomen die bestemd is voor een door hem aangevatte opleiding, of die kadert in het recht op de vrije beleving van godsdienst of levensbeschouwing;
  3° de ontzegging of beperking van de omgang met bezoekers van buiten de gevangenis; betreft het de in artikel 59, § 1, bedoelde personen, dan bestaat de sanctie in het organiseren van het bezoek in een lokaal dat is voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt;
  4° de ontzegging of beperking van het in artikel 64 bedoelde recht om te telefoneren;
  5° het verbod om deel te nemen aan culturele, sportieve of ontspanningsactiviteiten in gemeenschappelijk verband.
  6° [1 het verbod om deel te nemen aan werk in gemeenschappelijk verband;]1.
  [1 7° het verbod om deel te nemen aan opleidingsactiviteiten in gemeenschappelijk verband. ]1
  
Art.133. Les sanctions disciplinaires suivantes peuvent être infligées pour une durée maximale de trente jours pour une infraction de la première catégorie et de quinze jours pour une infraction de la seconde catégorie, pour autant qu'il y ait un lien avec la nature ou les circonstances de l'infraction disciplinaire :
  1° la privation du droit de posséder certains objets;
  2° la privation ou la restriction du droit d'utiliser les équipements de la bibliothèque, sans préjudice du droit du détenu d'y obtenir des informations dans le cadre d'une formation qu'il a entreprise ou du droit à vivre librement sa religion ou sa philosophie;
  3° la privation ou la restriction des contacts avec des visiteurs extérieurs à la prison; à l'égard des personnes visées à l'article 59, § 1er, la sanction consiste à organiser la visite dans un local équipé d'une paroi de séparation vitrée entre le détenu et les visiteurs;
  4° la privation ou la restriction du droit de téléphoner visé à l'article 64;
  5° l'interdiction de participer à des activités culturelles, sportives ou de détente communes.
  6° [1 l'interdiction de participer au travail en commun;]1
  [1 7° l'interdiction de participer aux activités de formation communes.]1
  
Afdeling III. - Opsluiting in een strafcel.
Section III. - De l'enfermement en cellule de punition.
Art.134. § 1. Opsluiting in een strafcel bestaat erin de gedetineerde te plaatsen in een speciaal daartoe uitgeruste cel waarin hij alleen verblijft.
  § 2. De strafcel dient te voldoen aan de eisen inzake veiligheid, gezondheid en hygiëne die de Koning nader bepaalt en dient in ieder geval voorzien te zijn van een oproepsysteem.
  § 3. Zwangere vrouwen of gedetineerden wier kind van minder dan drie jaar in de gevangenis verblijft, zijn uitgesloten van opsluiting in een strafcel.
Art.134. § 1er. L'enfermement en cellule de punition consiste à placer le détenu dans une cellule spécialement équipée à cet effet, où il séjourne seul.
  § 2. La cellule de punition doit satisfaire aux exigences de sécurité, de santé et d'hygiène dont les modalités sont fixées par le Roi, et doit en tout cas être pourvue d'un système d'appel.
  § 3. L'enfermement en cellule de punition est exclu à l'égard des femmes enceintes ou des détenus dont l'enfant de moins de trois ans séjourne en prison.
Art.135. § 1. Behoudens andersluidende beslissing van de directeur blijft de gedetineerde voor de duur van deze tuchtsanctie ontzegd van het recht :
  1° om in de kantine bepaalde voorwerpen aan te schaffen, met uitzondering van toiletartikelen en artikelen voor de briefwisseling;
  2° om bezoek te ontvangen van personen van buiten de gevangenis zoals bepaald in artikel 58; indien de tuchtsanctie meer dan drie dagen duurt, wordt bezoek toegestaan aan de in artikel 59, § 1, bedoelde personen in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt;
  3° om te telefoneren, behoudens met een advocaat (of met de persoon die rechtshulp of juridische bijstand verleent in de zin van artikel 104); <W 2005-12-23/31, art. 24, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  4° om contacten te hebben met de media;
  5° om deel te nemen aan activiteiten in gemeenschappelijk verband;
  6° om in het bezit te blijven van de hem toebehorende voorwerpen;
  7° om voorwerpen of materialen in zijn bezit te hebben voor individuele vrijetijdsbesteding, behoudens de in artikel 136 bepaalde uitzonderingen.
  § 2. De gedetineerde ontvangt voor de duur van de opsluiting in een strafcel geen inkomsten uit arbeid of opleidingsbijdrage.
Art.135. § 1er. Sauf décision contraire du directeur, le détenu demeure privé, pendant toute la durée de cette sanction disciplinaire, du droit :
  1° de se procurer certains objets à la cantine, à l'exception des articles de toilette et du nécessaire pour la correspondance;
  2° de recevoir la visite de personnes extérieures à la prison comme prévu à l'article 58; si la sanction disciplinaire se prolonge plus de trois jours, les visites des personnes visées à l'article 59, § 1er, sont autorisées dans un local équipé d'une paroi de séparation transparente entre les visiteurs et le détenu;
  3° de téléphoner, sauf avec un avocat (ou avec la personne qui fournit une assistance judiciaire ou juridique au sens de l'article 104); <L 2005-12-23/31, art. 24, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  4° d'avoir des contacts avec les médias;
  5° de prendre part à des activités communes;
  6° de rester en possession des objets lui appartenant;
  7° d'avoir en sa possession des objets ou matériaux pour loisirs individuels, sauf les exceptions prévues à l'article 136.
  § 2. Pendant toute la durée de son enfermement en cellule de punition, le détenu ne perçoit pas de revenus du travail ou d'allocation de formation.
Art.136. De directeur draagt er zorg voor dat de gedetineerde die in een strafcel is opgesloten :
  1° de maaltijden kan gebruiken onder betamelijke omstandigheden, behoorlijke kledij en schoeisel van de gevangenis ter beschikking krijgt en zijn uiterlijk en lichamelijke hygiëne fatsoenlijk kan verzorgen;
  2° over voldoende lectuur beschikt;
  3° de mogelijkheid heeft om minstens één uur per dag in de buitenlucht te verblijven;
  4° de individuele vormingsactiviteiten verder kan zetten die niet onverenigbaar zijn met de opsluiting in een strafcel;
  5° briefwisseling kan voeren onder de in titel V, hoofdstuk III, afdeling II bepaalde voorwaarden;
  6° zijn godsdienst of zijn levensbeschouwing individueel kan beleven en belijden en daartoe dagelijks het bezoek kan ontvangen van de daarvoor aan de gevangenis verbonden of tot de gevangenis toegelaten vertegenwoordiger van zijn godsdienst of levensbeschouwing;
  7° een beroep kan doen op een advocaat en op de in artikel 104 bedoelde juridische bijstand;
  8° een beroep kan doen op psychosociale en medische hulpverlening.
Art.136. Le directeur veille à ce que le détenu enfermé en cellule de punition :
  1° puisse consommer ses repas dans des conditions décentes, reçoive de la prison des chaussures et des vêtements décents et puisse soigner décemment son apparence et son hygiène corporelle;
  2° dispose de suffisamment de lecture;
  3° bénéficie de la possibilité de séjourner au moins une heure par jour en plein air;
  4° puisse poursuivre les activités de formation personnelle qui ne sont pas incompatibles avec l'enfermement en cellule de punition;
  5° puisse entretenir une correspondance aux conditions prévues au titre V, chapitre III, section II;
  6° puisse vivre et pratiquer individuellement sa religion ou sa philosophie et puisse, à cette fin, recevoir quotidiennement la visite du représentant de son culte ou de sa philosophie attaché à la prison ou admis à y pénétrer;
  7° puisse faire appel à un avocat et à l'aide juridique visée à l'article 104;
  8° puisse faire appel à l'aide psychosociale et médicale.
Art.137. § 1. Op positief advies van de [1 arts]1 kan een observatie door middel van een camera, microfoon of enig ander technisch middel plaatsvinden wanneer het voor de vrijwaring van de fysieke integriteit van de gedetineerde geboden is. De gedetineerde wordt hiervan in kennis gesteld.
  § 2. Dagelijks bezoeken de directeur en een [1 arts]1 de gedetineerde om zich te vergewissen van diens toestand en situatie en om na te gaan of de gedetineerde geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft.
  § 3. De personen of instanties die belast zijn met het toezicht en de controle over de gevangenissen of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zijn gerechtigd de gedetineerde in de strafcel te bezoeken.
  
Art.137. § 1er. Sur avis positif du [1 médecin]1, une observation par caméra, microphone ou tout autre moyen technique peut être mise en place lorsqu'elle est indiquée pour préserver l'intégrité physique du détenu. Le détenu est informé de cette mesure.
  § 2. Le directeur et un [1 médecin]1 rendent quotidiennement visite au détenu pour s'assurer de son état et de sa situation et pour vérifier s'il n'a pas de plaintes ou d'observations à formuler.
  § 3. Les personnes ou instances chargées de la surveillance et du contrôle des prisons ou de l'exécution de la peine ou mesure privative de liberté sont habilitées à rendre visite au détenu en cellule de punition.
  
Art.138. Bij elke opsluiting in een strafcel stelt degene die de tuchtsanctie oplegt een formulier op met vermelding van de identiteit van de gedetineerde, van de feiten en van de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot deze tuchtsanctie.
  Voor de ganse duur van de tuchtsanctie wordt per dag op het formulier genoteerd, met vermelding van het uur van aanvang en beëindiging, wie de gedetineerde heeft bezocht en om welke reden de gedetineerde de strafcel heeft verlaten. Naar aanleiding van het bezoek dat de directeur hem dagelijks brengt krachtens artikel 137, § 2, kan de gedetineerde zelf opmerkingen met betrekking tot zijn toestand en situatie doen optekenen op dat formulier.
  Personen of instanties die belast zijn met het toezicht en de controle over de gevangenissen of de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel kunnen zich dit formulier gedurende de ganse duur van de tuchtsanctie doen voorleggen. Zij kunnen er hun eigen opmerkingen optekenen evenals deze van de gedetineerde.
  Nadat de opsluiting in een strafcel is beëindigd, wordt dit formulier geklasseerd in het dossier van de gedetineerde.
Art.138. Pour tout enfermement en cellule de punition, la personne qui inflige la sanction disciplinaire établit un formulaire en précisant l'identité du détenu, les faits et les circonstances qui ont donné lieu à cette sanction disciplinaire.
  Pendant toute la durée de la sanction disciplinaire, les personnes qui ont rendu visite au détenu et les raisons pour lesquelles le détenu a quitté la cellule de punition sont mentionnées chaque jour sur le formulaire avec indication de l'heure de début et de fin. Lors de la visite que lui rend quotidiennement le directeur en vertu de l'article 137, § 2, le détenu peut lui-même faire mentionner des observations concernant son état et sa situation sur ce formulaire.
  Les personnes ou instances chargées de la surveillance et du contrôle des prisons ou de l'exécution de la peine ou mesure privative de liberté peuvent demander à voir ce formulaire pendant toute la durée de la sanction disciplinaire. Elles peuvent y consigner leurs propres observations ainsi que celles du détenu.
  Lorsque l'enfermement en cellule de punition a pris fin, ce formulaire est classé dans le dossier du détenu.
Art.139. Indien gedurende de tijd van zijn verblijf in de strafcel de gedetineerde een zware aanslag pleegt op de fysieke integriteit van een persoon, kan de opsluiting in de strafcel worden verlengd, op basis van een beslissing die genomen wordt overeenkomstig de in hoofdstuk V bepaalde procedure. Het verblijf in de strafcel kan in geen geval als gevolg van deze opeenvolgende beslissingen veertien dagen overschrijden.
Art.139. Si, pendant son séjour en cellule de punition, le détenu commet une atteinte grave à l'intégrité physique d'une personne, l'enfermement en cellule de punition peut être prolongé, sur la base d'une décision prise conformément à la procédure prévue au chapitre V. Le séjour en cellule de punition ne peut en aucun cas excéder quatorze jours par suite de ces décisions successives.
(Afdeling IV. - Afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte).
(Section IV. - De l'isolement dans l'espace de séjour attribué au détenu).
Art.140. § 1. (Deze tuchtsanctie wordt uitgevoerd in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte.) <W 2005-12-23/31, art. 26, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  § 2. Voor de duur van deze tuchtsanctie blijft de gedetineerde ontzegd van het recht om deel te nemen aan gemeenschappelijke activiteiten, [1 ...]1. De directeur kan de gedetineerde toestaan deel te nemen aan vormingsactiviteiten in gemeenschappelijk verband [1 en aan activiteiten die verband houden met zijn eredienst of zijn levensbeschouwing]1.
  [1 De directeur draagt er zorg voor dat de gedetineerde :
   1° de mogelijkheid heeft om minstens één uur per dag in de buitenlucht te verblijven;
   2° zijn godsdienst of levensbeschouwing individueel kan beleven en belijden en daartoe dagelijks het bezoek kan ontvangen van de daarvoor aan de gevangenis verbonden of tot de gevangenis toegelaten vertegenwoordiger van zijn godsdienst of levensbeschouwing.]1

  De gedetineerde behoudt het recht om verder bezoek te ontvangen van de in artikel 59, § 1, bedoelde personen van buiten de gevangenis.
  Behoudens andersluidende beslissing vanwege de directeur vindt het bezoek plaats in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt.
  Het gebruik van de telefoon wordt beperkt tot één telefoongesprek per week, zonder afbreuk te doen aan het recht om te telefoneren naar een advocaat of naar een persoon die belast is met rechtshulp of juridische bijstand, in overeenstemming met wat bedoeld is in artikel 104.
  De gedetineerde ontvangt voor de duur van de afzondering op (de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte) : <W 2005-12-23/31, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  1° geen inkomsten uit arbeid, tenzij voor arbeid verricht buiten gemeenschappelijk verband;
  2° geen opleidingsbijdrage voor vormingsactiviteiten in gemeenschappelijk verband die overeenkomstig artikel 83, § 3 met arbeid worden gelijkgesteld, behoudens wanneer de directeur hem heeft toegestaan aan dergelijke activiteiten deel te nemen.
  
Art.140. § 1er. (Cette sanction disciplinaire s'effectue dans l'espace de séjour attribué au détenu.) <L 2005-12-23/31, art. 26, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  § 2. Pendant toute la durée de cette sanction disciplinaire, le détenu demeure privé du droit de prendre part à des activités communes[1 ...]1. Le directeur peut autoriser le détenu à prendre part à des activités de formation communes [1 et à des activités qui se rattachent à son culte ou à sa philosophie]1.
  [1 Le directeur veille à ce que le détenu :
   1° bénéficie de la possibilité de séjourner au moins une heure par jour en plein air;
   2° puisse vivre et pratiquer individuellement sa religion ou sa philosophie et puisse, à cette fin, recevoir quotidiennement la visite du représentant de son culte ou de sa philosophie attaché à la prison ou admis à y pénétrer.]1

  Le détenu conserve le droit de recevoir la visite de personnes extérieures à la prison visées à l'article 59, § 1er.
  Sauf décision contraire de la part du directeur, la visite a lieu dans un local équipé d'une paroi de séparation vitrée entre les visiteurs et le détenu.
  L'usage du téléphone est limité à un entretien téléphonique par semaine, sans préjudice du droit de téléphoner à un avocat ou à une personne chargée de l'assistance judiciaire ou de l'aide juridique, conformément à ce qui est prévu à l'article 104.
  Pendant la durée de son isolement (dans l'espace de séjour attribué au détenu), le détenu : <L 2005-12-23/31, art. 19, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  1° ne perçoit pas de revenus du travail, sauf pour un travail qui n'est pas effectué en commun;
  2° ne perçoit pas d'allocations de formation pour les activités de formation communes assimilées à du travail conformément à l'article 83, § 3, sauf lorsque le directeur l'a autorisé à prendre part à de telles activités.
  
Art.141. De gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van deze tuchtsanctie wordt minstens wekelijks bezocht door de directeur en een [1 arts]1, die zich vergewissen van de toestand van de gedetineerde en nagaan of de gedetineerde geen klachten of opmerkingen te formuleren heeft.
  
Art.141. Le détenu faisant l'objet de cette sanction disciplinaire reçoit au moins une fois par semaine la visite du directeur et d'un [1 médecin]1, lesquels s'assurent de l'état du détenu et vérifient s'il n'a pas de plaintes ou d'observations à formuler.
  
Art.142. Indien, tijdens zijn periode van afzondering in (de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte), de gedetineerde een zware aanslag pleegt op de fysieke integriteit van een persoon, kan deze afzondering op cel verlengd worden, op basis van een beslissing die genomen wordt overeenkomstig de in hoofdstuk V bepaalde procedure. De afzondering in (de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte) kan als gevolg van deze opeenvolgende beslissingen in geen geval vijfenveertig dagen overschrijden. <W 2005-12-23/31, art. 19, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art.142. Si, pendant sa période d'isolement (dans l'espace de séjour attribué au détenu), le détenu commet une atteinte grave à l'intégrité physique d'une personne, l'isolement (dans l'espace de séjour attribué au détenu) peut être prolongé, sur la base d'une décision prise conformément à la procédure prévue au chapitre V. L'isolement (dans l'espace de séjour attribué au détenu) ne peut en aucun cas excéder quarante-cinq jours par suite de ces décisions successives. <L 2005-12-23/31, art. 19, 002; En vigueur : 15-01-2007>
HOOFDSTUK IV. - De toemeting van tuchtsancties.
CHAPITRE IV. - De l'application de sanctions disciplinaires.
Art.143. § 1. Bij de keuze van de aard en de omvang van de tuchtsanctie wordt rekening gehouden met de ernst van de inbreuk, met de omstandigheden waarin zij plaatsvond, verzachtende omstandigheden en met de voorlopige maatregelen die eventueel overeenkomstig artikel 145, § 1, werden opgelegd.
  § 2. [1 Bij samenloop tussen tuchtrechtelijke inbreuken worden de verschillende inbreuken bestraft als één tuchtrechtelijke inbreuk van dezelfde categorie als de zwaarste van de samenlopende tuchtinbreuken.]1
  § 3. De tuchtsancties kunnen afzonderlijk of cumulatief worden opgelegd, met uitzondering van de tuchtsanctie van opsluiting in een strafcel en (afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte), die alleen kunnen worden opgelegd met uitsluiting van de andere tuchtsancties. <W 2005-12-23/31, art. 20, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  In alle gevallen worden de grenzen van de evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de tuchtrechtelijke sancties alsook de vereisten inzake redelijkheid en billijkheid in acht genomen.
  § 4. De tuchtsancties kunnen geheel of ten dele met uitstel worden opgelegd voor een proeftijd van maximaal drie maanden, mits de algemene voorwaarde dat de gedetineerde zich onthoudt van nieuwe tuchtrechtelijke inbreuken.
  Voor de duur van de proeftijd kunnen tevens bijzondere voorwaarden worden opgelegd voorzover de gedetineerde zich vooraf akkoord verklaart om deze na te leven en mits ze niet de aard van een sanctie hebben.
  Wanneer de proeftijd gunstig is verlopen, kan de uitgesproken tuchtsanctie niet meer ten uitvoer gelegd worden.
  Bij het niet naleven van de aan het uitstel verbonden voorwaarden kan de directeur bepalen dat de met uitstel uitgesproken tuchtsanctie geheel of gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd.
  § 5. De directeur kan een in uitvoering zijnde tuchtsanctie omzetten in een tuchtsanctie met uitstel en hij kan de in uitvoering zijnde sanctie voortijdig beëindigen wanneer hij van oordeel is dat het doel van de sanctie is bereikt vooraleer de uitvoeringstermijn verstreken is.
  
Art.143. § 1er. Pour déterminer la nature et le degré de la sanction disciplinaire, il est tenu compte de la gravité de l'infraction, des circonstances dans lesquelles elle s'est produite, des circonstances atténuantes et des mesures provisoires qui ont été éventuellement imposées conformément à l'article 145, § 1er.
  § 2. [1 En cas de concours d'infractions disciplinaires, les diverses infractions sont sanctionnées comme une seule infraction disciplinaire de la même catégorie que la plus grave des infractions concourantes.]1
  § 3. Les sanctions disciplinaires peuvent être infligées de manière séparée ou cumulative, à l'exception des sanctions disciplinaires d'enfermement en cellule de punition et (d'isolement dans l'espace de séjour attribué au détenu), lesquelles peuvent uniquement être infligées à l'exclusion des autres sanctions disciplinaires. <L 2005-12-23/31, art. 20, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  Dans tous les cas, les limites de la proportionnalité entre la gravité de l'infraction et les sanctions disciplinaires ainsi que les critères de raison et d'équité sont respectés.
  § 4. Les sanctions disciplinaires peuvent être infligées avec un sursis total ou partiel pour un délai d'épreuve de trois mois maximum, à la condition générale que le détenu ne commette aucune nouvelle infraction disciplinaire.
  Le délai d'épreuve peut également être assorti de conditions particulières pour autant que le détenu se déclare préalablement d'accord de les observer et qu'elles ne présentent pas le caractère d'une sanction.
  Si le délai d'épreuve s'est déroulé de manière positive, la sanction disciplinaire prononcée ne peut plus être mise a exécution.
  En cas de non-respect des conditions liées au sursis, le directeur peut décider la mise à exécution totale ou partielle de la sanction disciplinaire prononcée avec sursis.
  § 5. Le directeur peut convertir une sanction disciplinaire en cours d'exécution en une sanction disciplinaire avec sursis, et peut également mettre prématurément un terme à la sanction disciplinaire en cours d'exécution lorsqu'il estime que l'objectif de la sanction est atteint avant la fin du délai d'exécution.
  
HOOFDSTUK V. - De tuchtprocedure.
CHAPITRE V. - De la procédure disciplinaire.
Art.144. § 1. Wanneer een lid van het personeel een feit vaststelt waarvan het vermoedt dat het een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt of wanneer een dergelijke inbreuk hem ter kennis wordt gebracht, stelt hij een rapport op voor de directeur. Hij bezorgt dit rapport zo spoedig mogelijk aan de directeur die binnen zeven dagen na de ontvangst van dit rapport handelt overeenkomstig [2 ...]2 § 3.
  Het opstellen van het rapport brengt geen wijziging mee aan de levensvoorwaarden van de gedetineerde in de gevangenis, behoudens het bepaalde in artikel 145.
  Het rapport, dat ondertekend wordt door de opsteller, vermeldt de identiteit van de opsteller, de identiteit van de gedetineerde, de feiten die als tuchtrechtelijke inbreuk worden beschouwd, de plaats, het ogenblik en de concrete omstandigheden waarin de feiten plaatsvonden.
  De minister bepaalt het model voor dit rapport.
  De directeur laat zich alle nuttige informatie bezorgen voor de beoordeling van de zaak.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. Indien de directeur meent dat de feiten een tuchtrechtelijk gevolg vereisen, wordt de gedetineerde door afgifte van een formulier schriftelijk in kennis gesteld van de tenlastelegging, van het feit dat tegen hem een tuchtprocedure zal worden opgestart, dat hij zijn tuchtdossier kan raadplegen en dat hij gehoord zal worden op een door de directeur bepaalde dag en tijdstip.
  De gedetineerde die de schriftelijke tenlastelegging niet kan lezen, of die de taal ervan niet verstaat, wordt in de gelegenheid gesteld de inhoud en de omschrijving van de tenlastelegging te verstaan.
  De minister bepaalt het model van het in het eerste lid bedoelde formulier.
  § 4. De gedetineerde heeft het recht zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat [1 ...]1.
  [1 Tweede lid opgeheven.]1
  § 5. [1 De directeur hoort de gedetineerde in zijn middelen van verdediging binnen zeven dagen na de overhandiging van het in paragraaf 3 bedoeld formulier.]1
  Indien de gedetineerde het voorwerp uitmaakt van een in artikel 145 bedoelde voorlopige maatregel, wordt hij gehoord binnen [1 tweeënzeventig uur]1 uur nadat deze in werking is getreden.
  De directeur stelt de gedetineerde, in een taal die hij kan verstaan, desgevallend met behulp van derden, in kennis van de hem ten laste gelegde feiten.
  De gedetineerde brengt zijn verweermiddelen mondeling en, zo hij dit wenst schriftelijk, ter kennis van de directeur.
  De directeur kan de opsteller van het tuchtrapport en één of meerdere getuigen horen in aanwezigheid van de gedetineerde.
  § 6. De directeur neemt een beslissing binnen [1 vierentwintig uur]1 uren nadat de gedetineerde werd gehoord.
  De gedetineerde kan alleen schuldig worden verklaard aan de hem ten laste gelegde tuchtrechtelijke inbreuk wanneer de directeur, op grond van al het bewijsmateriaal waarover hij beschikt, de ten laste gelegde feiten bewezen acht en de daarvoor ter verantwoording geroepen gedetineerde daaraan, schuldig acht.
  [3 ...]3
  § 7. De gedetineerde wordt [1 binnen vierentwintig uur mondeling, in een taal die hij kan verstaan, en schriftelijk]1 in kennis gesteld van de beslissing en van de beweegredenen waarop zij steunt, in het bijzonder de motieven die de keuze en de maat van de sanctie hebben bepaald.
  Zowel bij de mondelinge als bij de in het eerste lid bedoelde schriftelijke mededeling wordt de gedetineerde in kennis gesteld van de mogelijkheid om een klacht in te dienen.
  § 8. De beslissing is uitvoerbaar zodra zij mondeling ter kennis van de gedetineerde is gebracht en dit onverminderd de mogelijkheid van beklag.
  
Art.144. § 1er. Lorsqu'un membre du personnel constate ce qu'il suppose être une infraction disciplinaire ou si une telle infraction est portée à sa connaissance, il rédige un rapport a l'intention du directeur. Il remet ce rapport le plus rapidement possible au directeur qui, dans les sept jours de sa réception, traite ce rapport conformément au [2 ...]2 § 3.
  La rédaction du rapport n'entraîne aucune modification des conditions de vie du détenu dans la prison, hormis ce qui est prévu a l'article 145.
  Le rapport, qui est signé par son auteur, mentionne l'identité du rédacteur, l'identité du détenu, les faits qui sont considérés comme une infraction disciplinaire, l'endroit, le moment et les circonstances concrètes dans lesquelles ils se sont produits.
  Le ministre établit le modèle de ce rapport.
  Le directeur recueille toutes les informations qu'il juge utiles pour le traitement de l'affaire.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. Lorsque le directeur estime que les faits justifient des suites disciplinaires, le détenu est informé, par la remise d'un document écrit reprenant la prévention, du fait qu'une procédure disciplinaire va être entamée contre lui, qu'il peut consulter son dossier disciplinaire et qu'il sera entendu, aux jour et heure fixés par le directeur.
  Le détenu qui n'est pas en mesure de lire la prévention écrite ou ne comprend pas la langue dans laquelle elle est rédigée est mis dans les conditions de comprendre le contenu et la description de la prévention.
  Le ministre établit le modèle du formulaire visé à l'alinéa 1er.
  § 4. Pendant la procédure disciplinaire, le détenu a le droit de se faire assister par un avocat [1 ...]1.
  [1 Alinéa 2 abrogé.]1
  § 5. [1 Le directeur entend le détenu en ses moyens de défense dans les sept jours qui suivent la notification du formulaire visé au § 3.]1
  Si le détenu fait l'objet d'une mesure provisoire visée a l'article 145, il est entendu dans les [1 septante-deux heures]1 qui suivent la prise de cours de cette mesure.
  Le directeur informe le détenu, dans une langue qu'il peut comprendre, le cas échéant avec l'aide d'un tiers, des faits qui lui sont reprochés.
  Le détenu porte ses moyens de défense à la connaissance du directeur oralement et, s'il le souhaite, par écrit.
  Le directeur peut entendre l'auteur du rapport disciplinaire et un ou plusieurs témoins en présence du détenu.
  § 6. Le directeur prend une décision dans les [1 vingt-quatre heures]1 qui suivent l'audition du détenu.
  Le détenu ne peut être déclare coupable de l'infraction disciplinaire qui lui est reprochée que si le directeur estime, sur la base de toutes les preuves dont il dispose, que les faits reprochés sont établis et que le détenu appelé à se justifier en est coupable.
  [3 ...]3
  § 7. La décision et les motifs sur lesquels elle repose, en particulier les raisons qui ont déterminé le choix et le degré de la sanction, [1 sont communiqués au détenu dans les vingt quatre heures, verbalement, dans une langue qu'il peut comprendre, et par écrit]1.
  Lors de la communication, aussi bien verbale qu'écrite, visée à l'alinéa 1er, le détenu est informé de la possibilité d'introduire une plainte.
  § 8. La décision est exécutoire dès qu'elle a été portée verbalement à la connaissance du détenu, et ce, sans préjudice de la possibilité de plainte.
  
Art.145. § 1. In geval van ernstige en opzettelijke aantasting van de interne veiligheid of indien door het aanzetten of voeren van collectieve acties de veiligheid in de gevangenis ernstig in gevaar wordt gebracht kan de directeur, in afwachting van de tuchtprocedure, voorlopige maatregelen nemen en daartoe tot op het ogenblik waarop de beslissing tot tuchtsanctie mondeling aan de gedetineerde is meegedeeld [1 de in artikel 112, § 1, 4° en 5°]1 bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen.
  [1 In geval van gevaar voor de orde of de veiligheid kan de directeur, in afwachting van de tuchtprocedure, voorlopige maatregelen nemen en daartoe tot op het ogenblik waarop de beslissing tot tuchtsanctie mondeling aan de gedetineerde is meegedeeld de in artikel 112, § 1, 1°, 2° en 3°, bedoelde bijzondere veiligheidsmaatregelen opleggen.]1
  § 2. De voorlopige maatregelen mogen niet worden genomen met het oog op onmiddellijke bestraffing.
  § 3. [1 Indien de in afwachting van de tuchtprocedure genomen bijzondere veiligheidsmaatregel wordt omgevormd in een vergelijkbare sanctie, wordt de duur van de voorlopige maatregel in mindering gebracht van deze tuchtsanctie.]1
  
Art.145. § 1er. En cas d'atteinte volontaire grave à la sécurité interne ou si l'instigation ou la conduite d'actions collectives menacent gravement la sécurité au sein de la prison, le directeur peut, dans l'attente de la procédure disciplinaire, prendre des mesures provisoires et imposer à cet effet les mesures de sécurité particulières visées [1 à l'article 112, § 1er, 4° et 5°]1 jusqu'au moment où la décision de sanction disciplinaire est communiquée verbalement au détenu.
  [1 En cas de danger pour l'ordre ou la sécurité, le directeur peut, dans l'attente de la procédure disciplinaire, prendre des mesures provisoires et imposer à cet effet les mesures de sécurité particulières visées à l'article 112, § 1er 1°, 2° et 3°, jusqu'au moment où la décision de sanction disciplinaire est communiquée au détenu.]1
  § 2. Les mesures provisoires ne peuvent pas être prises à fin de sanction immédiate.
  § 3. [1 Lorsque la mesure de sécurité particulière prise dans l'attente de la procédure disciplinaire est transformée en une sanction comparable, la durée de la mesure provisoire est déduite de celle de cette sanction disciplinaire.]1
  
Art.146. De tuchtrechtelijke sancties worden ingeschreven in een bijzonder daartoe bestemd register. De Koning bepaalt de vorm van dat register en de verplicht op te nemen vermeldingen.
Art.146. Les sanctions disciplinaires sont inscrites dans un registre spécialement prévu à cet effet. Le Roi détermine la forme de ce registre et les mentions à y apporter obligatoirement.
TITEL VIII. - Afhandeling van klachten en van bezwaar tegen plaatsing of overplaatsing.
TITRE VIII. - Du traitement des plaintes et des réclamations contre le placement ou le transfèrement.
HOOFDSTUK I. - Klachten.
CHAPITRE Ier. - Des plaintes.
Art.147. Onverminderd de mogelijkheden die hem geboden worden in het kader van de briefwisseling, het bezoek en het toezicht op de gevangenissen, dient de gedetineerde in de gelegenheid gesteld te worden zich te wenden tot de directeur, met [1 ...]1 klachten, in aangelegenheden die hem zelf betreffen.
  [1 ...]1.
  
Art.147. Sans préjudice des possibilités qui sont offertes au détenu dans le cadre de la correspondance, des visites et de la surveillance des prisons, l'occasion doit lui être donnée d'adresser au directeur [1 ...]1 des plaintes à propos de questions qui le concernent personnellement.
  [1 ...]1.
  
Art.148. [1 Onverminderd de mogelijkheid voor een gedetineerde om zich te richten tot de directie en de Commissie van toezicht]1, kan een gedetineerde bij de Klachtencommissie beklag doen over elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem genomen werd.
  Met een in het eerste lid bedoelde beslissing wordt gelijkgesteld het verzuim of de weigering een beslissing te nemen binnen een wettelijke termijn, of bij het ontbreken ervan, binnen een redelijke termijn.
  
Art.148. [1 Sans préjudice de la possibilité pour un détenu de s'adresser à la direction et à la Commission de surveillance]1, un détenu peut se plaindre auprès de la Commission des plaintes de toute décision prise à son égard par le directeur ou au nom de celui-ci.
  L'omission ou le refus de prise de décision dans un délai légal ou, à défaut, dans un délai raisonnable, sont assimilés aux décisions visées à l'alinéa 1er.
  
Art.149. De gedetineerde die een klacht wenst in te dienen, wordt daartoe onverwijld in de gelegenheid gesteld. Voorzover dit nog niet was geschied, wordt hem uiterlijk vierentwintig uur nadat hij daartoe het verzoek gedaan heeft, schriftelijke mededeling gedaan van de beslissing waarover hij een klacht wenst in te dienen en van de redenen waarop die beslissing steunt.
Art.149. Le détenu souhaitant introduire une plainte est mis immédiatement en mesure de le faire. Dans la mesure où cela n'avait pas encore été fait, la décision à propos de laquelle il souhaite introduire une plainte et les motifs sur lesquels la décision repose lui sont communiqués par écrit au plus tard vingt-quatre heures après qu'il en a fait la demande.
Art.150. § 1. Beklag wordt gedaan door indiening van een klacht bij de Klachtencommissie bij de gevangenis waar de beslissing is genomen waarover de gedetineerde zich beklaagt.
  § 2. In de klacht worden zo nauwkeurig mogelijk de beslissing waarover geklaagd wordt en de redenen van de klacht vermeld.
  § 3. De taal waarin de klacht moet worden opgesteld en behandeld, wordt bepaald door de bij het koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken.
  § 4. Aan een gedetineerde die ongeletterd is of de taal van de op hem toepasselijke procedure niet kent, wordt [1 ...]1 bijstand verleend bij het opstellen van de klacht en bij de verdere afhandeling van de procedure.
  § 5. De klacht wordt ingediend uiterlijk de zevende dag na die waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de beslissing waarover hij zich wenst te beklagen.
  Een na afloop van deze termijn ingediende klacht is niettemin ontvankelijk indien blijkt, rekening houdend met alle omstandigheden, dat de gedetineerde de klacht zo spoedig heeft ingediend als redelijkerwijs van hem verlangd kon worden.
  
Art.150. § 1er. Toute plainte est exprimée par l'introduction d'une plainte auprès de la Commission des plaintes de la prison où a été prise la décision au sujet de laquelle le détenu se plaint.
  § 2. La plainte mentionne de manière aussi précise que possible la décision sur laquelle porte la plainte ainsi que les motifs de la plainte.
  § 3. La langue dans laquelle la plainte doit être rédigée et traité, est définie par les lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées par l'arrêté royal du 18 juillet 1966.
  § 4. Le détenu illettré ou ne connaissant pas la langue de la procédure qui lui est applicable bénéficie pour la rédaction de la plainte et la suite de la procédure d'une assistance [1 ...]1
  § 5. La plainte est introduite au plus tard le septième jour suivant le jour où le détenu a eu connaissance de la décision au sujet de laquelle il souhaite se plaindre.
  Toute plainte introduite après ce délai est néanmoins recevable s'il apparaît, compte tenu de toutes les circonstances, que le détenu a introduit la plainte aussi rapidement que ce qui pouvait raisonnablement être exigé de lui.
  
Art.151. § 1. Behalve in de gevallen bedoeld in § 2, wordt de klacht behandeld door de voltallige Klachtencommissie.
  § 2. De voorzitter van de Klachtencommissie of een door hem aangewezen lid van de Klachtencommissie kan, indien hij de klacht als kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond acht, of wanneer hij de zaak als hoogdringend beoordeelt, de zaak als alleensprekend klachtenrechter afdoen. In dit geval zijn de artikelen 152 en volgende van overeenkomstige toepassing.
  § 3. De alleensprekende klachtenrechter kan de behandeling te allen tijde naar de voltallige Klachtencommissie verwijzen.
  § 4. Behoudens onverenigbaarheid met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag, geschiedt de behandeling van de klacht niet in het openbaar.
Art.151. § 1er. Hormis les cas visés au § 2, la plainte est examinée par la Commission des plaintes réunie en organe plénier.
  § 2. S'il juge la plainte manifestement non recevable, manifestement non fondée ou manifestement fondée, ou s'il juge l'affaire urgente, le président de la Commission des plaintes ou un membre de la Commission des plaintes désigné par lui peut traiter le dossier en tant que juge des plaintes unique. En ce cas, les articles 152 et suivants sont applicables par analogie.
  § 3. Le juge des plaintes unique peut à tout moment renvoyer l'examen de la plainte devant la Commission des plaintes réunie en organe plénier.
  § 4. Sauf incompatibilité avec une disposition contraignante d'une Convention applicable en Belgique, l'examen de la plainte n'est pas public.
Art.152. § 1. Na ontvangst van de klacht wordt een afschrift ervan aan de directeur overgezonden.
  § 2. Indien de directeur van oordeel is dat de klacht kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond is, of dat poging tot bemiddeling door de maandcommissaris, bedoeld in artikel 153, wenselijk is, brengt hij dit binnen achtenveertig uur (na ontvangst van de klacht), schriftelijk, met mededeling van zijn motieven, ter kennis van de alleensprekende klachtenrechter of van de Klachtencommissie.
  In de andere gevallen deelt hij, binnen achtenveertig uur na het indienen van de klacht, schriftelijk de informatie en opmerkingen mee die hij nuttig acht voor de beoordeling van de gegrondheid van de klacht. <W 2005-12-23/31, art. 28, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  De inhoud van deze informatie en opmerkingen wordt onmiddellijk schriftelijk ter kennis gebracht van de klager.
Art.152. § 1er. [1 Dès]1 réception de la plainte, une copie de celle-ci est transmise au directeur.
  § 2. Si le directeur estime que la plainte est manifestement non recevable, manifestement non fondée ou qu'une tentative de médiation de la part du commissaire de mois, comme prévu à l'article 153, est souhaitable, il en informe au plus tard dans les quarante-huit heures (de la reception de la plainte) le juge des plaintes unique ou la Commission des plaintes par écrit, en précisant ses motifs.
  Dans les autres cas, il communique au plus tard dans les 48 heures (de la réception de la plainte) par écrit les informations et observations qu'il juge utiles pour l'appréciation du bien-fondé de la plainte. <L 2005-12-23/31, art. 29, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  La teneur de ces informations et observations est immédiatement portée à la connaissance du plaignant par écrit.
  
Art.153. § 1. Alvorens de klacht verder te behandelen, kan de Klachtencommissie of de alleen zetelend klachtenrechter, [1 behoudens verzet van de directeur]1, de klacht overzenden aan de maandcommissaris, teneinde het deze mogelijk te maken om een bemiddeling voor te stellen en te organiseren tussen de directeur en de gedetineerde en, in zoverre het vergelijk daartoe aanleiding geeft, aan de gedetineerde de mogelijkheid te geven om afstand te doen van zijn klacht.
  § 2. Mits hij daartoe door de gedetineerde formeel gemandateerd wordt, stelt de maandcommissaris de alleen zetelende klachtenrechter dan wel de klachtencommissie op de hoogte van het bereikte vergelijk en van, in voorkomend geval, de klachtafstand van de gedetineerde.
  § 3. Klachtafstand maakt een einde aan de beklagprocedure.
  
Art.153. § 1er. Avant de poursuivre l'examen de la plainte, la Commission des plaintes ou le juge des plaintes unique peut, [1 sauf opposition du directeur]1, transmettre la plainte au commissaire du mois, afin de permettre à celui-ci de proposer et d'organiser une médiation entre le directeur et le détenu et, dans la mesure où l'arrangement y donne lieu, de permettre au détenu de renoncer a sa plainte.
  § 2. Pour autant qu'il en ait été formellement mandaté par le détenu, le commissaire du mois informe le juge des plaintes unique ou la Commission des plaintes de l'arrangement obtenu et, le cas échéant, de l'abandon de la plainte par le détenu.
  § 3. L'abandon de la plainte met un terme à la procédure.
  
Art.154. § 1. De Klachtencommissie stelt de klager en de directeur in de gelegenheid desgewenst mondelinge opmerkingen te maken met betrekking tot de klacht, tenzij ze het beklag als kennelijk onontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond beoordeelt, zonder dat nader onderzoek vereist is.
  § 2. De Klachtencommissie kan de directeur en de klager buiten elkaars aanwezigheid horen. In dat geval worden zij in de gelegenheid gesteld vooraf de vragen op te geven die zij gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de klachtencommissie aan de klager en aan de directeur mondeling medegedeeld.
  § 3. De Klachtencommissie kan, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de directeur of van de klager, bij derden mondelinge of schriftelijke inlichtingen inwinnen. Indien mondelinge inlichtingen worden ingewonnen kunnen, de directeur en de klager vooraf de vragen opgeven die zij bij hun afwezigheid gesteld wensen te zien en wordt de zakelijke inhoud van de aldus afgelegde verklaring door de voorzitter van de Klachtencommissie aan de klager en aan de directeur mondeling medegedeeld.
  § 4. Indien de gedetineerde zich niet langer bevindt in de gevangenis waar de beslissing waartegen beklag wordt gedaan genomen is, kan de Klachtencommissie bepalen :
  1° dat de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld de klacht schriftelijk toe te lichten of van commentaar te voorzien;
  2° dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de Klachtencommissie kunnen worden gemaakt;
  3° dat, indien bij een andere persoon mondelinge inlichtingen worden ingewonnen, de directeur en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld aan die persoon schriftelijke vragen te stellen.
Art.154. § 1er. Sauf si elle estime, sans qu'un examen plus approfondi soit requis, que la plainte est manifestement non recevable, manifestement non fondée ou manifestement fondée, la Commission des plaintes offre au plaignant et au directeur la possibilité de formuler, s'ils le souhaitent, des observations verbales à propos de la plainte.
  § 2. La Commission des plaintes peut entendre le directeur et le plaignant en l'absence l'un de l'autre. En ce cas, la possibilité leur est donnée de faire préalablement part des questions qu'ils souhaitent voir poser, et le contenu pratique de la déclaration ainsi faite est communiqué oralement au plaignant et au directeur par le président de la Commission des plaintes.
  § 3. La Commission des plaintes peut, soit d'office, soit à la demande du directeur ou du plaignant, recueillir des renseignements oraux ou écrits auprès de tiers. Si des renseignements sont recueillis par voie orale, le directeur et le plaignant peuvent prealablement faire part des questions qu'ils souhaitent voir poser en leur absence, et le contenu pratique de la déclaration ainsi faite est communiqué oralement au plaignant et au directeur par le président de la Commission des plaintes.
  § 4. Lorsque le detenu ne séjourne plus dans la prison où la décision dont il se plaint a été prise, la Commission des plaintes peut décider :
  1° qu'il n'est permis au directeur et au plaignant que de préciser ou de commenter la plainte par écrit;
  2° que les observations verbales peuvent être formulées à un membre de la Commission des plaintes;
  3° que, si des informations verbales sont recueillies auprès d'une autre personne, il n'est permis au directeur et au plaignant que de poser des questions par écrit à cette personne.
Art.155. § 1. De klager heeft het recht zich door een advocaat te laten bijstaan of door een door hem gekozen vertrouwenspersoon die daartoe door de Klachtencommissie wordt aanvaard.
  § 2. Zowel de directeur als de klager hebben het recht de stukken van het geding in te zien [1 ...]1.
  
Art.155. § 1er. Le plaignant a le droit de se faire assister par un avocat ou par une personne de confiance choisie par lui-même et admise en cette qualité par la Commission des plaintes.
  § 2. Tant le directeur que le plaignant ont le droit de consulter les pièces de la procédure [1 ...]1.
  
Art.156. In afwachting van de uitspraak over de klacht kan de voorzitter van de Klachtencommissie [1 ...]1, na de directeur te hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de beslissing waarop de klacht betrekking heeft geheel of gedeeltelijk schorsen.
  Hij doet hiervan onverwijld mededeling aan de directeur en de klager.
  
Art.156. Dans l'attente de la décision concernant la plainte, le président de la Commission des plaintes peut, [1 ...]1 après avoir entendu le directeur, suspendre en tout ou en partie l'exécution de la décision sur laquelle porte la plainte.
  Il en informe le directeur et le plaignant sans délai.
  
Art.157. § 1. Er wordt zo spoedig mogelijk, en uiterlijk veertien dagen na het indienen van de klacht of van het falen van de bemiddeling bedoeld in artikel 153, uitspraak gedaan over de klacht.
  De uitspraak is met redenen omkleed en vermeldt de mogelijkheid van beroep bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit beroep moet worden ingesteld.
  § 2. Aan de klager en de directeur wordt onverwijld en kosteloos een afschrift van de uitspraak van de Klachtencommissie overgezonden.
  § 3. De secretaris van de Klachtencommissie zendt van alle uitspraken van de Klachtencommissie een afschrift naar de minister. [1 ...]1.
  
Art.157. § 1er. Il est statué sur la plainte le plus rapidement possible, et au plus tard quatorze jours après le dépôt de la plainte ou l'échec de la médiation visée à l'article 153.
  La décision est motivée et fait état de la possibilité de recours auprès de la Commission d'appel du Conseil central, ainsi que des modalités et des délais de recours.
  § 2. Une copie de la décision de la Commission des plaintes est adressée sans délai et gratuitement au plaignant et au directeur.
  § 3. Le secrétaire de la Commission des plaintes adresse une copie de toutes les décisions de la Commission au ministre. [1 ...]1.
  
Art.158. § 1. De Klachtencommissie kan beslissen de klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk, ongegrond of gegrond te verklaren.
  § 2. De klacht wordt gegrond verklaard wanneer de Klachtencommissie van oordeel is dat de beslissing waarover geklaagd is :
  1° in strijd is met een in de gevangenis geldend wettelijk voorschrift of met een bindende bepaling van een in België geldend verdrag; of
  2° bij afweging van alle in aanmerking komende belangen, onredelijk of onbillijk moet worden geacht.
  § 3. Voorzover de klacht gegrond wordt verklaard, vernietigt de Klachtencommissie de beslissing, en kan ze :
  1° de directeur opdragen, binnen een door haar bepaalde termijn, een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van haar uitspraak;
  2° bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing;
  3° zich beperken tot een gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing.
  [1 § 3/1. Bij vernietiging van een beslissing genomen overeenkomstig artikel 118, § 3/1, eerste lid, en § 7, vierde lid, van een beslissing tot plaatsing of overplaatsing als bedoeld in de artikelen 17 en 18 of tot toewijzing van een verblijfsruimte genomen ten aanzien van een gedetineerde geplaatst onder voormeld individueel bijzonder veiligheidsregime, kan de Klachtencommissie of de Beroepscommissie enkel toepassing maken van paragraaf 3, 1° en 3°. Zij vermeldt de specifieke redenen waarom ze de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk vernietigt en omkleedt eveneens haar beslissing met de bijzondere redenen hoe deze beslissing verzoend kan worden met de aangegeven veiligheidsrisico's. In voorkomend geval omkleedt zij haar beslissing met de bijzondere redenen waarom zij afwijkt van het advies van de federale procureur of de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.]1
  § 4. Bij vernietiging van de beslissing worden de gevolgen van de vernietigde beslissing, voor zover mogelijk, door de directeur ongedaan gemaakt, dan wel in overeenstemming gebracht met de uitspraak van de Klachtencommissie.
  Voorzover de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan kunnen gemaakt worden, bepaalt de Klachtencommissie, na de directeur te hebben gehoord, of aan de klager enige tegemoetkoming, met uitsluiting van elke financiële vergoeding, moet worden toegekend.
  § 5. De beslissing van de Klachtencommissie is uitvoerbaar ongeacht de mogelijkheid van beroep, behoudens tegenstrijdige beslissing van de voorzitter van de Beroepscommissie overeenkomstig artikel 160. In geval van hoger beroep blijft niettemin de beslissing van de Klachtencommissie om een compensatie toe te kennen, zoals bepaald in § 4, tweede lid, opgeschort.
  
Art.158. § 1er. La Commission des plaintes peut décider de déclarer la plainte en tout ou en partie recevable, non fondée ou fondée.
  § 2. La plainte est déclarée fondée lorsque la Commission des plaintes estime que la décision sur laquelle porte la plainte :
  1° est contraire à une règle légale applicable dans la prison ou à une disposition contraignante d'une convention applicable en Belgique; ou
  2° doit être considérée, après évaluation de tous les intérêts entrant en ligne de compte, comme deraisonnable ou inéquitable.
  § 3. Dans la mesure où la plainte est déclarée fondée, la Commission des plaintes annule ladite décision et peut :
  1° ordonner au directeur de prendre, dans un délai qu'elle détermine, une nouvelle décision qui tient compte de la décision de la Commission des plaintes;
  2° déterminer que sa décision se substitue à la décision annulee;
  3° se limiter à une annulation complète ou partielle de la décision.
  [1 § 3/1. En cas d'annulation d'une décision prise conformément à l'article 118, § 3/1, alinéa 1 ou § 7, alinéa 4, d'une décision de placement ou transfèrement visées aux articles 17 et 18 ou d'une décision d'attribution d'un espace de séjour prise à l'égard d'un détenu placé sous un tel régime de sécurité particulier individuel, si la Commission des plaintes ou d'appel estime que le recours est fondé, elle ne peut appliquer que le paragraphe 3, 1° et 3°. Elle mentionne les raisons spécifiques pour lesquelles elle annule complètement ou partiellement la décision attaquée et elle motive également comment sa décision peut être conciliée avec les risques de sécurité mis en avant. Le cas échéant, elle motive sa décision avec les raisons particulières pour lesquelles elle s'écarte de l'avis du procureur fédéral ou des services de renseignement et de sécurité.]1
  § 4. En cas d'annulation de la décision, les conséquences de la décision annulée sont autant que possible supprimées ou conformées à la décision de la Commission des plaintes.
  Dans la mesure où il ne peut être remédié aux conséquences de la décision annulée, la Commission des plaintes détermine, après avoir entendu le directeur, s'il y a lieu d'accorder au plaignant une quelconque compensation à l'exclusion de toute indemnisation financière.
  § 5. La décision de la Commission des plaintes est exécutoire sans préjudice de la possibilité de recours, sauf décision contraire prise par le président de la Commission d'appel conformément à l'article 160. En cas de recours, la décision de la Commission des plaintes tendant à accorder une compensation conformément au § 4, alinéa 2, est toutefois suspendue.
  
HOOFDSTUK II. - Hoger beroep tegen de uitspraak van de Klachtencommissie.
CHAPITRE II. - Du recours contre la décision de la Commission des plaintes.
Art.159. § 1. Tegen de uitspraak van de Klachtencommissie kunnen het inrichtingshoofd, of bij diens afwezigheid de persoon die hem vervangt, en de klager hoger beroep instellen bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad.
  § 2. Om hoger beroep in te stellen, wordt, uiterlijk op de zevende dag na de ontvangst van het in artikel 157, § 2, bedoelde afschrift van de uitspraak, aan de Beroepscommissie een met redenen omkleed beroepschrift toegezonden.
  § 3. Artikel 150, §§ 2 tot 5, is van overeenkomstige toepassing.
Art.159. § 1er. Le chef d'établissement ou, en son absence, la personne qui le remplace, et le plaignant peuvent introduire un recours contre la décision de la Commission des plaintes auprès de la Commission d'appel du Conseil central.
  § 2. Le recours est introduit en adressant une lettre motivee à la Commission d'appel au plus tard le septième jour qui suit la réception de la copie de la décision visée a l'article 157, § 2.
  § 3. L'article 150, §§ 2 à 5, est applicable par analogie.
Art.160. In afwachting van de uitspraak van de Beroepscommissie kan de voorzitter, op verzoek van diegene die het beroep heeft ingesteld, en na de andere betrokkene in de procedure te hebben gehoord, de tenuitvoerlegging van de uitspraak van de Klachtencommissie geheel of gedeeltelijk schorsen.
  Hij doet hiervan onverwijld mededeling aan het inrichtingshoofd en de klager.
Art.160. Dans l'attente de la décision de la Commission d'appel, le président peut, à la demande de l'auteur du recours et après avoir entendu l'autre partie à la procédure, suspendre en tout ou en partie l'exécution de la décision de la Commission des plaintes.
  Il en informe sans délai le chef d'établissement et le plaignant.
Art.161. § 1. Indien het beroep wordt ingesteld door de klager, wordt onmiddellijk na ontvangst van het beroepschrift een afschrift ervan overgezonden aan het inrichtingshoofd.
  Deze deelt uiterlijk binnen achtenveertig uur na ontvangst van het beroepschrift, schriftelijk de voor de beoordeling van de gegrondheid van het beroepschrift naar zijn oordeel nuttige informatie en opmerkingen mee, die door de Beroepscommissie onverwijld ter kennis gebracht worden van de klager.
  Indien het beroep wordt ingesteld door het inrichtingshoofd, of in geval van diens afwezigheid de persoon die hem vervangt, wordt onmiddellijk na ontvangst van het beroepschrift een afschrift ervan overgezonden aan de klager.
  § 2. De artikelen 154 en 155 zijn van overeenkomstige toepassing op de behandeling van het beroepschrift, met dien verstande [1 ...]1 :
  1° dat het inrichtingshoofd, of in geval van diens afwezigheid de persoon die hem vervangt, en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld het beroepschrift schriftelijk toe te lichten of van commentaar te voorzien;
  2° dat de mondelinge opmerkingen ten overstaan van een lid van de Beroepscommissie [1 in de gevangenis]1 kunnen worden gemaakt;
  3° of dat, indien bij een andere persoon mondelinge inlichtingen worden ingewonnen, het inrichtingshoofd, of in geval van diens afwezigheid de persoon die hem vervangt, en de klager uitsluitend in de gelegenheid worden gesteld aan die persoon schriftelijke vragen te stellen.
  
Art.161. § 1er. Si le recours est introduit par le plaignant, une copie en est transmise au chef d'établissement dès réception du recours.
  Au plus tard dans les quarante-huit heures de la réception du recours, celui-ci communique par écrit les informations et observations qu'il juge utiles pour l'appréciation du bien-fondé du recours, et ces données sont immédiatement portées à la connaissance du plaignant par la Commission d'appel.
  Si le recours est introduit par le chef d'établissement ou, en son absence, par la personne qui le remplace, une copie est transmise au plaignant dès réception du recours.
  § 2. Les articles 154 et 155 sont applicables par analogie à l'examen du recours, étant entendu [1 ...]1 :
  1° qu'il n'est permis au chef d'établissement ou, en son absence, à la personne qui le remplace et au plaignant que de préciser ou de commenter le recours par écrit;
  2° que les observations verbales peuvent être formulées[1 dans la prison]1 à un membre de la Commission d'appel;
  3° ou que, si des informations verbales sont recueillies auprès d'une autre personne, il n'est permis au chef d'établissement ou, en son absence, à la personne qui le remplace et au plaignant que de poser des questions par écrit à cette personne.
  
Art.162. § 1. De Beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk uitspraak over het beroepschrift en uiterlijk veertien dagen na het instellen van het hoger beroep.
  § 2. [1 ...]1.
  § 3. De artikelen 156, 157, § 2 en 3 en 158, § 1 tot 4 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de uitspraken van de Beroepscommissie onmiddellijk uitvoerbaar zijn.
  
Art.162. § 1er. La Commission d'appel statue sur le recours dans les meilleurs délais et au plus tard quatorze jours après l'introduction du recours.
  § 2. [1 ...]1.
  § 3. Les articles 156, 157, §§ 2 et 3, et 158, §§ 1er à 4, sont applicables par analogie, étant entendu que les décisions de la Commission d'appel sont immédiatement executoires.
  
HOOFDSTUK III. - Bezwaar tegen de plaatsing of overplaatsing en beroep tegen de beslissing over het bezwaarschrift.
CHAPITRE III. - De la réclamation contre le placement ou le transfèrement et recours contre la décision concernant la réclamation.
Art.163. § 1. Tegen de beslissing tot plaatsing of overplaatsing als bedoeld in de artikelen 17 en 18 kan door de gedetineerde bezwaar worden ingediend bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie.
  § 2. De indiening van het bezwaar schorst de beslissing tot plaatsing of overplaatsing niet.
  § 3. Het bezwaarschrift kan rechtstreeks of door bemiddeling van de directeur ingediend worden.
  § 4. Het bezwaarschrift wordt opgesteld in het Nederlands of het Frans en bepaalt de taal van de rechtspleging.
  § 5. Op de bezwaarschriftprocedure is artikel 150, §§ 2, 4 en 5, van overeenkomstige toepassing.
Art.163. § 1er. Le détenu peut introduire auprès du directeur général de l'administration pénitentiaire une réclamation contre la décision de placement ou de transfèrement visée aux articles 17 et 18.
  § 2. L'introduction d'une réclamation ne suspend pas la décision de placement ou de transfèrement.
  § 3. La réclamation peut être introduite directement ou par l'intermédiaire du directeur.
  § 4. La réclamation est rédigée en français ou en néerlandais et détermine la langue de la procédure.
  § 5. L'article 150, §§ 2, 4 et 5, est applicable par analogie à la procédure de réclamation.
Art.164. § 1. De gedetineerde wordt in de gelegenheid gesteld zijn bezwaarschrift toe te lichten ten aanzien van directeur-generaal of zijn gemachtigde, naar eigen keuze schriftelijk of mondeling.
  Hij heeft daarbij recht op bijstand van een advocaat of een zelf gekozen vertrouwenspersoon, met uitsluiting van een medegedetineerde.
  De gedetineerde kan enkel mondelinge toelichting geven door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat of een vertrouwenspersoon.
  § 2. De directeur-generaal brengt de indiener van het bezwaarschrift binnen [1 veertien]1 dagen na de [2 ontvangst]2 van het bezwaarschrift schriftelijk op de hoogte van zijn met redenen omklede beslissing. Hierbij wijst hij hem op de beroepsmogelijkheid alsmede op de termijnen waarbinnen en de wijze waarop dit beroep moet worden ingesteld.
  
Art.164. § 1er. La possibilité est offerte au détenu de donner au directeur général ou à son délégué des précisions concernant sa réclamation et ce, par écrit ou oralement, selon son choix.
  Pour ce faire, le détenu a le droit de se faire assister par un avocat ou une personne de confiance qu'il choisit lui-même, a l'exception d'un codétenu.
  Le détenu ne peut donner des précisions verbales qu'en se faisant représenter par un avocat ou une personne de confiance.
  § 2. Dans les [1 quatorze]1 jours qui suivent [2 la réception]2 de la réclamation, le directeur général informe le réclamant par écrit de sa décision motivée. Il l'informe par la même occasion de la possibilité de recours ainsi que des modalités et des délais de recours.
  
Art.165. § 1. De gedetineerde heeft het recht beroep in te stellen bij de Beroepscommissie van de Centrale Raad tegen de beslissing van de directeur-generaal over het bezwaarschrift.
  § 2. Het beroep wordt ingesteld uiterlijk de zevende dag na de dag waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de aangevochten beslissing. Bij afwezigheid van een beslissing binnen de in artikel 164, § 2, bepaalde termijn, beschikt de gedetineerde eveneens over zeven dagen na het verstrijken van deze termijn om beroep in te stellen.
  § 3. Het beroepschrift kan rechtstreeks of door bemiddeling van de directeur worden ingediend.
  § 4. Op de wijze van indiening zijn de artikelen 150, §§ 2, 4 en 5, en (163, § 4), van overeenkomstige toepassing. <W 2005-12-23/31, art. 30, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
Art.165. § 1er. Le détenu a le droit d'introduire auprès de la Commission d'appel du Conseil central un recours contre la décision prise par le directeur général concernant la réclamation.
  § 2. Le recours est introduit au plus tard le septième jour a compter de la date à laquelle le détenu a été informé de la décision contestée. A défaut d'une décision dans le délai fixé à l'article 164, § 2, le detenu dispose également de sept jours, à dater de la fin de ce délai, pour introduire un recours.
  § 3. Le recours peut être introduit directement ou par l'intermédiaire du directeur.
  § 4. Les articles 150, §§ 2, 4 et 5, et (163, § 4), sont applicables par analogie aux modalités d'introduction du recours.
Art.166. § 1. [1 Ten aanzien van de behandeling van het beroepschrift zijn de artikelen 154 en 155 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in deze procedure de directeur-generaal of zijn gemachtigde optreedt en dat alle opmerkingen schriftelijk geformuleerd worden.]1
  § 2. De Beroepscommissie doet zo spoedig mogelijk en uiterlijk veertien dagen vanaf het instellen van het hoger beroep uitspraak over het beroepschrift. Ten aanzien van de uitspraak van de Beroepscommissie zijn de artikelen 157, §§ 2 en 3 en 158, §§ 1 tot 4, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. De uitspraak van de Beroepscommissie is onmiddellijk uitvoerbaar.
  
Art.166. § 1er. [1 Les articles 154 et 155 sont applicables par analogie à l'examen du recours, étant entendu que c'est le directeur-général ou son délégué qui agit dans cette procédure et que toutes les observations doivent être formulées par écrit.]1
  § 2. La Commission d'appel statue sur le recours dans les plus brefs délais, et au plus tard quatorze jours après l'introduction du recours. Les articles 157, §§ 2 et 3, et 158, §§ 1er à 4, alinéa 1er, sont applicables par analogie à la décision de la Commission d'appel. La décision de la Commission d'appel est immédiatement exécutoire.
  
TITEL IX. - Tijdelijke bepaling.
TITRE IX. - Disposition temporaire.
Art.167. § 1. Behoudens andersluidende bepalingen zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op de personen die (krachtens de artikelen) 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten geïnterneerd zijn, in afwachting dat de rechtspositie voor deze personen bij wet geregeld is. <W 2005-12-23/31, art. 31, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  § 2. De artikelen 17 en 18 en 163 tot 166 betreffende de plaatsing en overplaatsing zijn niet van toepassing op de in § 1 vermelde personen.
  § 3. Het in artikel 38 bedoelde individueel detentieplan dient ten aanzien van de in § 1 bedoelde personen te worden opgesteld, rekening houdend met hun specifieke noden.
  § 4. In het kader van een tuchtprocedure, een klacht procedure en een beroepsprocedure tegen de uitspraak van de Klachtencommissie, wordt de in § 1 vermelde persoon steeds bijgestaan door een advocaat. Indien betrokkene geen advocaat gekozen heeft, meldt de directeur dit, met het oog op een ambtshalve aanwijzing van een advocaat, aan de stafhouder van het gerechtelijk arrondissement waar de gevangenis gelegen is.
  [1 ...]1
  
Art.167. § 1er. Sauf dispositions contraires, les dispositions de la présente loi sont applicables aux personnes internées sur la base des articles 7 et 21 de la loi du 9 avril 1930 de défense sociale contre les anormaux, les délinquants d'habitude et les auteurs de certains délits sexuels, en attendant qu'une loi détermine le statut juridique applicable à ces personnes.
  § 2. Les articles 17, 18 et 163 à 166 inclus relatifs au placement et au transfèrement ne sont pas applicables aux personnes visées au § 1er. <L 2005-12-23/31, art. 30, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  § 3. Vis-à-vis des personnes visées au § 1er, le plan de détention individuel visé à l'article 38 doit être établi en tenant compte de leur besoins spécifiques.
  § 4. Dans le cadre d'une procédure disciplinaire, d'une procédure de plainte et d'une procédure d'appel contre une décision de la Commission des plaintes, la personne visée au § 1er est toujours assistée par un avocat. Si l'intéressé ne choisit pas d'avocat, le directeur en fait part au bâtonnier de l'arrondissement judiciaire où se situe la prison, en vue de la commission d'office d'un avocat.
  [1 ...]1
  
TITEL X. - Opheffingsbepaling en wijzigingsbepalingen.
TITRE X. - Disposition abrogatoire et dispositions modificatives.
HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition abrogatoire.
Art.168. De wet van 1 mei 1913 tot intrekking van de wet van 4 maart 1870 betreffende de vermindering der straffen onder het stelsel der afzondering ondergaan, wordt opgeheven.
Art.168. La loi du 1er mai 1913 abrogeant la loi du 4 mars 1870 relative à la réduction des peines subies sous le regime de la séparation est abrogée.
HOOFDSTUK II. - Bepalingen tot wijziging van het Strafwetboek.
CHAPITRE II. - Dispositions modifiant le Code pénal.
Art.169. <W 2005-12-23/31, art. 32, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007> Artikel 30ter van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 18 maart 1970 en vernummerd bij de wet van 10 juli 1996, wordt opgeheven.
Art.169. <L 2005-12-23/31, art. 32, 002; En vigueur : 15-01-2007> L'article 30ter du Code pénal, inséré par la loi du 18 mars 1970 et renuméroté par la loi du 10 juillet 1996, est abrogé.
Art.170. In artikel 157 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 7 mei 1999 worden de woorden " huizen van bewaring, huizen van arrest of strafhuizen " vervangen door het woord " gevangenissen ".
Art.170. A l'article 157 du même Code, modifié par la loi du 7 mai 1999 les mots " maisons de dépôt, d'arrêt, () ou de peine " sont remplacés par le mot " prisons ".
HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering.
CHAPITRE III. - Dispositions modifiant le Code d'instruction criminelle.
Art.171. In titel VII van boek II van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999, wordt het opschrift van Hoofdstuk II, vervangen door het opschrift " Gevangenissen ".
Art.171. L'intitulé du livre II, titre VII, chapitre II, du Code d'instruction criminelle modifié par la loi du 7 mai 1999 est remplacé par l'intitulé " Des prisons ".
Art.172. In de artikelen 603 en 604 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 7 mei 1999 wordt het woord " gevangenissen " telkens vervangen door het woord " strafinrichtingen ".
Art.172. A l'article 603 du même Code, modifié par la loi du 7 mai 1999, les mots " prisons, destinées à " sont remplacés par les mots " établissements pénitentiaires, destinés à ". A l'article 604 du même Code, les mots " prisons établies " sont remplacés par les mots " établissements pénitentiaires établis ".
Art.173. In artikel 612 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967 en 7 mei 1999, vervallen de woorden " huis van arrest of ".
Art.173. A l'article 612 du même Code, modifié par les lois du 10 juillet 1967 et 7 mai 1999, les mots " soit une maison d'arrêt, (...), soit " sont supprimés.
Art.174. Artikel 613, tweede lid van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967 en 7 mei 1999, wordt vervangen als volgt :
  " De voorzitter van het hof van assisen kan alle voor de berechting noodzakelijke bevelen geven die in de huizen van arrest bij de hoven van assisen moeten worden uitgevoerd. ".
Art.174. L'article 613, alinéa 2, du même Code modifié par la loi du 7 mai 1999, est remplacé par la disposition suivante :
  " Le président de la cour d'assises pourra donner tous les ordres nécessaires pour le jugement qui devront être exécutés dans les maisons d'arrêt près des cours d'assises. ".
Art.175. In artikel 614 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 juli 1967 worden de woorden " van de strafinrichtingen " vervangen door de woorden " van de gevangenissen ".
Art.175. A l'article 614 du même Code, modifié par la loi du 10 juillet 1967 les mots " des établissements penitentiaires " sont remplacés par les mots " des prisons ".
Art.176. In de artikelen 615 en 618 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967 en 7 mei 1999, wordt het woord " gevangenis " telkens vervangen door het woord " strafinrichting ". "
Art.176. A l'article 615 du même Code, modifié par les lois des 10 juillet et 10 octobre 1967 et 7 mai 1999, les mots " de prison " sont remplacés par les mots " d'établissement penitentiaire ". A l'article 618 du même Code, modifié par les lois des 10 juillet et 10 octobre 1967 et 7 mai 1999, les mots " de la prison " sont remplacés par les mots " de l'établissement pénitentiaire ".
HOOFDSTUK IV. - (Opgeheven)
CHAPITRE IV. - (Abrogé)
HOOFDSTUK V. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
CHAPITRE V. - Dispositions modifiant la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
Art.179. Artikel 20 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, waarvan het eerste lid, § 1 en het tweede lid, § 2 zal vormen, wordt aangevuld met §§ 3, 4, 5 en 6, luidend als volgt :
  " § 3. Als er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat een verdachte zou pogen bewijzen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, kan de onderzoeksrechter bevelen om een verdachte gescheiden te houden van andere verdachten en, in afwijking van § 2 :
  1° het bezoek verbieden van individueel in het bevel vermelde personen van buiten de inrichting;
  2° de briefwisseling verbieden gericht aan of uitgaande van individueel in het bevel vermelde personen;
  3° telefonische contacten verbieden met individueel in het bevel vermelde personen.
  § 4. De onderzoeksrechter neemt deze beslissing bij een met redenen omklede beschikking, die wordt overgeschreven in een daartoe bestemd register in de gevangenis en die door de directeur van de gevangenis wordt betekend aan de verdachte.
  De beslissing geldt voor de strikt noodzakelijke duur door de onderzoeksrechter bepaald en uiterlijk tot op het ogenblik dat hij het dossier overzendt aan de procureur des Konings overeenkomstig artikel 127, eerste lid van het Wetboek van strafvordering.
  § 5. De beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van bezoek, briefwisseling en telefoongesprekken laat de rechten van de verdachte op deze contactmogelijkheden met zijn advocaat onverlet.
  De beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van briefwisseling, laat de rechten van de verdachte op briefwisseling met personen met wie hij krachtens (artikel 57) van de basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden zonder controle briefwisseling mag voeren, onverlet. <W 2005-12-23/31, art. 34, 1°, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  De onderzoeksrechter kan het bezoek van de in artikel 59, § 1, eerste lid, bedoelde personen, enkel beperken indien deze personen in verdenking werden gesteld, onverminderd de in artikel 59, § 1, tweede lid van de basiswet betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden bepaalde bepalingen.
  § 6. De verdachte kan bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis een verzoekschrift indienen tot wijziging of opheffing van de door de onderzoeksrechter (krachtens § 3) opgelegde maatregelen bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis. Het verzoekschrift wordt bij het dossier van de voorlopige hechtenis gevoegd. <W 2005-12-23/31, art. 33, 2°, 002; Inwerkingtreding : 15-01-2007>
  De procedure verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 21 tot 24. Hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld overeenkomstig artikel 30 en cassatieberoep overeenkomstig artikel 31.
Art.179. L'article 20 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, dont l'alinéa 1er formera le § 1er, et l'alinéa 2, le § 2, est complété par des §§ 3, 4, 5 et 6 rédigés comme suit :
  " § 3. S'il existe de sérieuses raisons de craindre qu'un inculpé puisse tenter de faire disparaître des preuves ou d'entrer en collusion avec des tiers, le juge d'instruction peut ordonner de maintenir un inculpé à l'écart d'autres inculpés et, par dérogation au § 2 :
  1° d'interdire la visite des personnes extérieures à la prison citées individuellement dans l'ordonnance;
  2° d'interdire la correspondance provenant ou à destination des personnes citées individuellement dans l'ordonnance;
  3° d'interdire les contacts téléphoniques avec les personnes citées individuellement dans l'ordonnance.
  § 4. Le juge d'instruction prend cette décision par ordonnance motivée, laquelle est retranscrite à la prison dans un registre prévu à cet effet et est signifiée à l'inculpé par le directeur de la prison.
  La décision s'applique pour la durée strictement nécessaire fixée par le juge d'instruction, et au plus tard jusqu'au moment où celui-ci transmet le dossier au procureur du Roi conformément à l'article 127, alinéa 1er, du Code d'instruction criminelle.
  § 5. La décision du juge d'instruction portant restriction des visites, de la correspondance et des communications téléphoniques ne modifie pas les droits de l'inculpé en ce qui concerne ces possibilités de contact avec son avocat.
  La décision du juge d'instruction portant restriction de la correspondance ne modifie pas les droits de l'inculpé en ce qui concerne la correspondance avec les personnes avec lesquelles il peut correspondre sans surveillance en vertu de l'(article 57) de la loi de principes concernant l'administration des établissements pénitentiaires ainsi que le statut juridique des détenus. <L 2005-12-23/31, art. 179, 1°, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  Sans préjudice des restrictions prévues à l'article 59, § 1er, alinéa 2, de la loi de principes concernant l'administration des établissements pénitentiaires et le statut juridique des détenus, le juge d'instruction ne peut restreindre les visites des personnes citées à l'article 59, § 1er, alinéa 1er que dans la mesure où celles-ci ont été inculpées.
  § 6. L'inculpé peut introduire auprès de la juridiction d'instruction qui statue sur la détention préventive une requête en vue de la modification ou de la levée des mesures imposées par le juge d'instruction (en vertu du § 3). Cette requête est jointe au dossier de la détention préventive. <L 2005-12-23/31, art. 34, 2°, 002; En vigueur : 15-01-2007>
  La procédure se déroule conformément aux dispositions des articles 21 à 24. L'appel de la décision est interjeté conformément à l'article 30 et le pourvoi en cassation est introduit conformément à l'article 31.
HOOFDSTUK VI. - Slotbepaling.
CHAPITRE VI. - Disposition finale.
Art. 180. De Koning bepaalt de datum waarop deze wet of afzonderlijke bepalingen ervan in werking treden, behalve wat dit artikel betreft.
Art. 180. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur de la présente loi ou de certaines de ses dispositions, sauf en ce qui concerne le présent article.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 71, 72, §1, 73, 74, §1 tot §4 vastgesteld op 01-11-2005 door KB 2005-10-25/33, art. 4)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 98 vastgesteld op 01-01-2006 door KB 2005-12-12/38, art. 11)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 4 tot 6 en 8 tot 13 en van artikelen 105 tot 121, met uitzondering van artikel 118, § 10, vastgesteld op 15-01-2007 door KB 2006-12-28/39, art. 1 en 2)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 57, 179 - met uitzondering van § 5, derde lid - en artikelen 168 tot 176 vastgesteld op 15-01-2007 door KB 2006-12-28/40, art. 1 tot 3)
  (NOTA : Inwerkingtreding van de artikelen 1, 2, 3, 16, 19, 42, 44, 45, 46, 47, 53, 54, 55, 56, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 76, 77, 78, 79, 80, 103, 104 en 167, § 1, vastgesteld op 01-09-2011 bij KB 2011-04-08/01, art. 31, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van de artikelen 122, 123, 124, 125, 126, 127, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, §§ 1 en 3, 135, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146 en 167, § 4, vastgesteld op 01-09-2011 bij KB 2011-04-08/02, art. 3, 1°)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 20 ; 21 ; 22 ; 23 ; 24 ; 25/1 ; 25/3 vastgesteld op 01-01-2019 door KB 2018-07-19/02, art. 4)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 25 vastgesteld op 01-04-2019 door KB 2018-07-19/02, art. 5)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 26 ; 27 ; 28 ; 29 ; 30 ; 31/1 vastgesteld op 01-09-2019 door KB 2018-07-19/02, art. 6)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 18, §2; 25/2 ; 31 ; 118, § 10 ; 147 ; 148 ; 149 ; 150 ; 151 ; 152 ; 153 ; 154 ; 155 ; 156 ; 157 ; 158 ; 159 ; 160 ; 161 ; 162 ; 163 ; 164 ; 165 ; 166 vastgesteld op 01-10-2020 door KB 2018-07-19/02, art. 7)
  (NOTA : Inwerkingtreding van artikel 7 vastgesteld op 15-09-2018 door KB 2018-06-22/25, art. 12)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 48 ; 49 ; 50 ; 51 ; 52 vastgesteld op 01-11-2018 door KB 2018-10-03/02, art. 3)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 41 ; 134,§2 vastgesteld op 14-02-2019 door KB 2019-02-03/07, art. 12)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 43 vastgesteld op 01-07-2020 door KB 2019-04-05/04, art. 3)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 35 ; 36 ; 38 ; 39 ; 102 ; 167, §3 vastgesteld op 29-04-2019 door KB 2019-04-05/17, art. 1,1°)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 74 ; 75 vastgesteld op 01-07-2019 door KB 2019-05-17/28, art. 40)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 81 tot 86,§1,§2 vastgesteld op 01-01-2020 door KB 2019-06-26/05, art. 14,1°)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 14 en 15 vastgesteld op 30-08-2019 door KB 2019-08-17/03, art. 8, §1, 1°, 015> )
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 17, 18, § 1, 167, § 2 vastgesteld op 01-01-2020 door KB 2019-08-17/03, art. 8, § 2, 015>)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 32; 33; 34 vastgesteld op 01-12-2019 door KB 2019-08-17/02, art. 12)
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 86,§3 vastgesteld op 01-01-2020 door KB 2019-06-26/04, art. 52,1°)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 71, 72, §1, 73, 74, §1 à §4 fixée le 01-11-2005 par AR 2005-10-25/33, art. 4)
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 98 fixée le 01-01-2006 par AR 2005-12-12/38, art. 11)
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 4 à 6, 8 à 13 et des articles 105 à 121, à l'exception de l'article 118, § 10, fixée le 15-01-2007 par AR 2006-12-28/39, art. 1 et 2)
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 57, 179 - à l'exception de l'article § 5, alinéa 3 - et des articles 168 à 176 fixée le 15-01-2007 par AR 2006-12-28/40, art. 1 à 3)
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 1er, 2, 3, 16, 19, 42, 44, 45, 46, 47, 53, 54, 55, 56, 58, 59, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 68, 69, 70, 76, 77, 78, 79, 80, 103, 104 et 167, § 1 fixée au 01-09-2011 par AR 2011-04-08/01, art. 31, 1°)
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 122, 123, 124, 125, 126, 127, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, §§1 et 3, 135, 136, 137, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146 et 167, § 4, fixée au 01-09-2011 par AR 2011-04-08/02, art. 3, 1°)
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 20; 21; 22; 23; 24; 25/1; 25/3 fixée au 01-01-2019 par AR 2018-07-19/02, art. 4)
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 25 fixée au 01-04-2019 par AR 2018-07-19/02, art. 5)
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 26; 27; 28; 29; 30; 31/1 fixée au 01-09-2019 par AR 2018-07-19/02, art. 6)
  (NOTE : Entrée en vigueur des articles 18, §2; 25/2; 31; 118, § 10; 147; 148; 149; 150; 151; 152; 153; 154; 155; 156; 157; 158; 159; 160; 161; 162; 163; 164; 165; 166 fixée au 01-10-2020 par AR 2018-07-19/02, art. 7)
  (NOTE : Entrée en vigueur de l'article 7 fixée au 15-09-2018 par AR 2018-06-22/25, art. 12)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 48; 49; 50; 51; 52 fixée au 01-11-2018 par AR 2018-10-03/02, art. 3)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 41; 134,§2 fixée au 14-02-2019 par AR 2019-02-03/07, art. 12)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 43 fixée au 01-07-2020 par AR 2019-04-05/04, art. 3)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 35; 36; 38; 39; 102; 167, §3 fixée au 29-04-2019 par AR 2019-04-05/17, art. 1,1°)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 74;75 fixée au 01-07-2019 par AR 2019-05-17/28, art. 40)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 81 à 86,§1,§2 fixée au 01-01-2020 par AR 2019-06-26/05, art. 14,1°)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 17, 18, §1, 167, §2 fixée au 01-01-2020 par AR 2019-08-17/03, art. 8,§ 2)
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 14 et 15 fixée au 30-08-2019 par AR 2019-08-17/03, art. 8,§ 1,1°
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 32; 33; 34 fixée au 01-12-2019 par AR 2019-08-17/02, art. 12)
(NOTE : Entrée en vigueur de l'article 86,§3 fixée au 01-01-2020 par AR 2019-06-26/04, art. 52,1°)