Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
29 MAART 2004. - Wet betreffende de samenwerking met het Internationaal [Strafhof] en de internationale straftribunalen. <W2018-07-11/02, art. 14, 005; Inwerkingtreding : 28-07-2018> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-04-2004 en tekstbijwerking tot 21-12-2022)
Titre
29 MARS 2004. - Loi concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-04-2004 et mise à jour au 21-12-2022)
Informations sur le document
Numac: 2004009246
Datum: 2004-03-29
Info du document
Numac: 2004009246
Date: 2004-03-29
Table des matières
TITEL I. - Voorafgaande bepaling.
TITEL II. - Samenwerking met het Internationaal...
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Algemene beginselen tot regelin...
HOOFDSTUK III. - Betrekkingen tussen het Hof en...
HOOFDSTUK IV. - Aanhouding, overbrenging, doorv...
Afdeling I. - Verzoek tot aanhouding en overdra...
Afdeling II. - Verzoek tot voorlopige aanhouding.
Afdeling III. - [1 Verzoek tot voorlopige invri...
Afdeling IV. [1 - Overdracht van de aangehouden...
Afdeling V. [1 - Specialiteitsbeginsel.]1
Afdeling VI. [1 (vroegere afdeling IV wordt de ...
HOOFDSTUK IVbis. [1 - Voorlopige invrijheidstel...
HOOFDSTUK V. - Andere vormen van samenwerking.
Afdeling I. - Beginselen.
Afdeling II. - Vorm en inhoud van het verzoek o...
Afdeling III. - Tenuitvoerlegging van het verzo...
Afdeling IV. - Specifieke regels eigen aan de t...
Afdeling V. - Opschorting van de tenuitvoerlegg...
Afdeling VI. - Tenuitvoerlegging op Belgisch gr...
HOOFDSTUK VI. - Tenuitvoerlegging van door het ...
HOOFDSTUK VII. - Misdrijven tegen de rechtsbede...
HOOFDSTUK VIII. - Procedure van voordracht van ...
TITEL III. - Samenwerking met het Internationaa...
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
HOOFDSTUK II. - Onttrekking van zaken aan de Be...
HOOFDSTUK III. - Wederzijdse rechtshulp.
HOOFDSTUK IV. - Aanhouding en overbrenging.
HOOFDSTUK V. - Tenuitvoerlegging van de straffen.
TITEL IV. - Opheffings- en overgangsbepalingen.
TITEL V. - Samenwerking met het Speciaal Tribun...
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
HOOFDSTUK II. - Wederzijdse rechtshulp.
HOOFDSTUK III. [1 - Strafuitvoering]1
TITEL VI. - Samenwerking met de bijzondere kame...
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
HOOFDSTUK II. - Wederzijdse rechtshulp.
HOOFDSTUK III. [1 - Strafuitvoering]1
TITEL VIbis. [1 - Samenwerking met het Speciaal...
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeen]1
HOOFDSTUK II. [1 - Wederzijdse rechtshulp]1
HOOFDSTUK III. [1 - Aanhouding en overbrenging]1
HOOFDSTUK IV. [1 - Strafuitvoering]1
TITEL VIter. [1 - Samenwerking met de Gespecial...
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeen.]1
HOOFDSTUK II. [1 - Wederzijdse rechtshulp.]1
HOOFDSTUK III. [1 - Aanhouding en overbrenging.]1
HOOFDSTUK IV. [1 - Voorlopige invrijheidstellin...
HOOFDSTUK V. [1 - Strafuitvoering.]1
TITEL VIquater. [1 - Samenwerking met de intern...
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeen]1
HOOFDSTUK II. [1 - Wederzijdse rechtshulp]1
TITEL VIquinquies. [1 - Samenwerking met de Ond...
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeen]1
HOOFDSTUK II. [1 - Wederzijdse rechtshulp]1
TITEL VII. (- Inwerkingtreding.)
Table des matières
TITRE Ier. - Disposition préliminaire.
TITRE II. - Coopération avec la Cour pénale int...
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
CHAPITRE II. - Principes généraux régissant la ...
CHAPITRE III. - Relations entre la Cour et la B...
CHAPITRE IV. - Arrestation, transfert, transit ...
Section Ire. - Demande d'arrestation et de remise.
Section II. - Demande d'arrestation provisoire.
Section III. - [1 Demande de mise en liberté pr...
Section IV. [1 - Remise de la personne arrêtée.]1
Section V. [1 - Principe de spécialité.]1
Section VI. [1 (ancienne section IV devient la ...
CHAPITRE IVbis. [1 - Libération provisoire et c...
CHAPITRE V. - Autres formes de coopération.
Section Ire. - Principes.
Section II. - Forme et contenu de la demande d'...
Section III. - Exécution de la demande d'entraide.
Section IV. - Règles spécifiques propres à l'ex...
Section V. - Sursis à exécution et rejet de la ...
Section VI. - Exécution d'actes prévus à l'arti...
CHAPITRE VI. - Exécution de décisions rendues p...
CHAPITRE VII. - Atteintes à l'administration de...
CHAPITRE VIII. - Procédure de présentation d'un...
TITRE III. - Coopération avec le Tribunal inter...
CHAPITRE Ier. - Généralités.
CHAPITRE II. - Dessaisissement des juridictions...
CHAPITRE III. - Entraide judiciaire.
CHAPITRE IV. - Arrestation et transfert.
CHAPITRE V. - Exécution des peines.
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et transi...
TITRE V. - Coopération avec le Tribunal Spécial...
CHAPITRE Ier. - Généralités.
CHAPITRE II. - Entraide judiciaire.
CHAPITRE III. [1 - Exécution des peines]1
TITRE VI. - Coopération avec les Chambres extra...
CHAPITRE Ier. - Généralités.
CHAPITRE II. - Entraide judiciaire.
CHAPITRE III. [1 - Exécution des peines]1
TITRE VIbis. [1 - Coopération avec le Tribunal ...
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités]1
CHAPITRE II. [1 - Entraide judiciaire]1
CHAPITRE III. [1 - Arrestation et transfert]1
CHAPITRE IV. [1 - Exécution des peines]1
TITRE VIter. [1 - Coopération avec les Chambres...
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités.]1
CHAPITRE II. [1 - Entraide judiciaire.]1
CHAPITRE III. [1 - Arrestation et transfert.]1
CHAPITRE IV. [1 - Libération provisoire.]1
CHAPITRE V. [1 - Exécution des peines.]1
TITRE VIquater. [1 - Coopération avec les Mécan...
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités]1
CHAPITRE II. [1 - Entraide judiciaire]1
TITRE VIquinquies. [1 - Coopération avec les Eq...
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités]1
CHAPITRE II. [1 - Entraide judiciaire]1
TITRE VII. (- Entrée en vigueur.)
Tekst (165)
Texte (165)
TITEL I. - Voorafgaande bepaling.
TITRE Ier. - Disposition préliminaire.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
TITEL II. - Samenwerking met het Internationaal [1 Strafhof]1.
TITRE II. - Coopération avec la Cour pénale internationale.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Art.2. Voor de toepassing van Titel II van deze wet wordt verstaan onder :
- " België " : het Koninkrijk België;
- " het Hof " : het Internationaal [2 Strafhof]2 en de organen ervan, in de zin van artikel 34 van het Statuut, te weten het voorzitterschap van het Hof, de Afdeling beroep, de Afdeling berechting en de Afdeling vooronderzoek, de diensten van de aanklager en de griffie;
- " het Statuut " : het Statuut van Rome inzake het Internationaal [2 Strafhof]2 van 17 juli 1998;
- " de centrale autoriteit " : de autoriteit bevoegd voor de samenwerking tussen België en het Internationaal [2 Strafhof]2, te weten [1 , binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht]1;
- " het Reglement voor de proces- en bewijsvoering " : het Reglement voor de proces- en bewijsvoering bedoeld in artikel 51 van het Statuut;
[1 -"het Openbaar ministerie" : de federale procureur;]1
- " de aanklager " : de diensten van de aanklager van het Internationaal [2 Strafhof]2 in de zin van artikel 42 van het Statuut;
- " de griffie " : de griffie van het Internationaal [2 Strafhof]2 in de zin van artikel 43 van het Statuut.
- " België " : het Koninkrijk België;
- " het Hof " : het Internationaal [2 Strafhof]2 en de organen ervan, in de zin van artikel 34 van het Statuut, te weten het voorzitterschap van het Hof, de Afdeling beroep, de Afdeling berechting en de Afdeling vooronderzoek, de diensten van de aanklager en de griffie;
- " het Statuut " : het Statuut van Rome inzake het Internationaal [2 Strafhof]2 van 17 juli 1998;
- " de centrale autoriteit " : de autoriteit bevoegd voor de samenwerking tussen België en het Internationaal [2 Strafhof]2, te weten [1 , binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht]1;
- " het Reglement voor de proces- en bewijsvoering " : het Reglement voor de proces- en bewijsvoering bedoeld in artikel 51 van het Statuut;
[1 -"het Openbaar ministerie" : de federale procureur;]1
- " de aanklager " : de diensten van de aanklager van het Internationaal [2 Strafhof]2 in de zin van artikel 42 van het Statuut;
- " de griffie " : de griffie van het Internationaal [2 Strafhof]2 in de zin van artikel 43 van het Statuut.
Art.2. Aux fins du Titre II de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- " la Belgique " : le Royaume de Belgique;
- " la Cour " : la Cour pénale internationale et ses organes, au sens de l'article 34 du Statut, soit la Présidence de la Cour, la Section des appels, la Section de première instance et la Section préliminaire, le Bureau du Procureur et le Greffe;
- " le Statut " : le Statut de Rome de la Cour pénale internationale du 17 juillet 1998;
- " l'autorité centrale " : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et la Cour pénale internationale, soit [1 au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire]1;
- " le Règlement de procédure et de preuve " : le Règlement de procédure et de preuve visé à l'article 51 du Statut;
[1 -"le Ministère public" : le procureur fédéral;]1
- " le Procureur " : le Bureau du Procureur de la Cour pénale internationale au sens de l'article 42 du Statut;
- " le Greffe " : le Greffe de la Cour pénale internationale au sens de l'article 43 du Statut.
- " la Belgique " : le Royaume de Belgique;
- " la Cour " : la Cour pénale internationale et ses organes, au sens de l'article 34 du Statut, soit la Présidence de la Cour, la Section des appels, la Section de première instance et la Section préliminaire, le Bureau du Procureur et le Greffe;
- " le Statut " : le Statut de Rome de la Cour pénale internationale du 17 juillet 1998;
- " l'autorité centrale " : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et la Cour pénale internationale, soit [1 au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire]1;
- " le Règlement de procédure et de preuve " : le Règlement de procédure et de preuve visé à l'article 51 du Statut;
[1 -"le Ministère public" : le procureur fédéral;]1
- " le Procureur " : le Bureau du Procureur de la Cour pénale internationale au sens de l'article 42 du Statut;
- " le Greffe " : le Greffe de la Cour pénale internationale au sens de l'article 43 du Statut.
Modifications
Art.3. Overeenkomstig artikel 86 van het Statuut werkt België ten volle samen met het Hof in het kader van het onderzoek naar en de vervolging van de misdaden die tot zijn bevoegdheid behoren.
Art.3. Conformément à l'article 86 du Statut, la Belgique coopère pleinement avec la Cour dans les enquêtes et poursuites que celle-ci mène pour les crimes relevant de sa compétence.
Art.4. De samenwerking met het Hof is geregeld in de bepalingen van het Statuut, die van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, alsmede in titel II van deze wet.
Art.4. La coopération avec la Cour est réglée par les dispositions du Statut, celles du Règlement de procédure et de preuve ainsi que par le Titre II de la présente loi.
HOOFDSTUK II. - Algemene beginselen tot regeling van de gerechtelijke samenwerking tussen België en het Hof.
CHAPITRE II. - Principes généraux régissant la coopération judiciaire entre la Belgique et la Cour.
Art.5. [1 De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Hof in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Hof en om, overeenkomstig artikel 10 van deze wet, elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Hof zou kunnen vallen, over te zenden aan het Hof. Zij staat in voor de opvolging ervan.]1
Modifications
Art.5. [1 L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant de la Cour, pour transmettre à la Cour les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre à la Cour, conformément à l'article 10 de la présente loi, toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence de la Cour. Elle en assure le suivi.]1
Modifications
Art.6. De verzoeken van het Hof worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
Art.6. Les demandes de la Cour sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
Art.7. De [1 bevoegde]1 Belgische [1 ...]1 autoriteiten kunnen om de medewerking van het Hof verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Hof de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Hof overeenkomstig artikel 50 van het Statuut, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.
Modifications
Art.7. Les autorités [1 ...]1 belges [1 compétentes]1 peuvent solliciter la coopération de la Cour. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont la Cour assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail de la Cour conformément à l'article 50 du Statut, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.
Modifications
HOOFDSTUK III. - Betrekkingen tussen het Hof en België.
CHAPITRE III. - Relations entre la Cour et la Belgique.
Art.8. § 1. Overeenkomstig artikel 14 van het Statuut kan de Minister van Justitie, bij een beslissing vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een situatie waarin een of meer misdaden waarover het Hof rechtsmacht heeft, lijken te zijn gepleegd, verwijzen naar het Hof, waarbij de aanklager wordt verzocht de situatie te onderzoeken teneinde vast te stellen of een of meer geïdentificeerde personen in staat van beschuldiging moeten worden gesteld wegens het plegen van deze misdaden.
In dat geval vermeldt België voorzover mogelijk de relevante omstandigheden van de zaak, en legt alle bewijsstukken over waarover het beschikt.
§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 47 van deze wet en overeenkomstig artikel 14 van het Statuut, kan de minister van Justitie, op grond van een beslissing vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de feiten die betrekking hebben op de misdrijven bedoeld in boek II, Titel Ibis, van het Strafwetboek en die bij de gerechtelijke autoriteiten aanhangig zijn gemaakt, ter kennis brengen van het Hof.
Zodra de aanklager is overgegaan tot de kennisgeving bedoeld in artikel 18, § 1, van het Statuut, betreffende de feiten die de Minister van Justitie ter kennis heeft gebracht van het Hof, spreekt het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal, de onttrekking uit aan het Belgische rechtscollege waarbij dezelfde feiten aanhangig zijn gemaakt.
Ingeval het Hof, op verzoek van de Minister van Justitie, na de onttrekking van de zaak aan het Belgische rechtscollege, laat weten dat de aanklager van het Hof heeft beslist geen akte van inbeschuldigingstelling op te stellen, dat het Hof die akte niet heeft bevestigd, dat het Hof zich onbevoegd heeft verklaard of de zaak onontvankelijk heeft verklaard, zijn de Belgische gerechten opnieuw bevoegd.
In dat geval vermeldt België voorzover mogelijk de relevante omstandigheden van de zaak, en legt alle bewijsstukken over waarover het beschikt.
§ 2. Onverminderd de toepassing van artikel 47 van deze wet en overeenkomstig artikel 14 van het Statuut, kan de minister van Justitie, op grond van een beslissing vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de feiten die betrekking hebben op de misdrijven bedoeld in boek II, Titel Ibis, van het Strafwetboek en die bij de gerechtelijke autoriteiten aanhangig zijn gemaakt, ter kennis brengen van het Hof.
Zodra de aanklager is overgegaan tot de kennisgeving bedoeld in artikel 18, § 1, van het Statuut, betreffende de feiten die de Minister van Justitie ter kennis heeft gebracht van het Hof, spreekt het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal, de onttrekking uit aan het Belgische rechtscollege waarbij dezelfde feiten aanhangig zijn gemaakt.
Ingeval het Hof, op verzoek van de Minister van Justitie, na de onttrekking van de zaak aan het Belgische rechtscollege, laat weten dat de aanklager van het Hof heeft beslist geen akte van inbeschuldigingstelling op te stellen, dat het Hof die akte niet heeft bevestigd, dat het Hof zich onbevoegd heeft verklaard of de zaak onontvankelijk heeft verklaard, zijn de Belgische gerechten opnieuw bevoegd.
Art.8. § 1er. En application de l'article 14 du Statut, le Ministre de la Justice peut, par décision délibérée en Conseil des Ministres, déférer à la Cour une situation dans laquelle un ou plusieurs crimes relevant de la compétence de la Cour paraissent avoir été commis et prier le procureur d'enquêter sur cette situation en vue de déterminer si une ou plusieurs personnes identifiées doivent être accusées de ces crimes.
Dans ce cas, la Belgique indique, dans la mesure du possible, les circonstances pertinentes de l'affaire et produit les pièces dont elle dispose.
§ 2. Sans préjudice de l'application de l'article 47 de la présente loi, et en application de l'article 14 du Statut, le ministre de la Justice peut, par décision délibérée en Conseil des ministres, porter à la connaissance de la Cour des faits ayant trait aux infractions définies dans le Livre II, Titre Ibis, du Code pénal et dont les autorités judiciaires sont saisies.
Une fois que le Procureur aura procédé à la notification prévue à l'article 18, § 1er, du Statut, au sujet des faits que le Ministre de la Justice a portés à la connaissance de la Cour, la Cour de cassation, sur réquisition du procureur général, prononce le dessaisissement de la juridiction belge saisie des mêmes faits.
Lorsque la Cour, à la demande du Ministre de la Justice, fait savoir, après le dessaisissement de la juridiction belge, que le procureur a décidé de ne pas établir d'acte d'accusation, que la Cour ne l'a pas confirmé, que celle-ci s'est déclarée incompétente ou a déclaré l'affaire irrecevable, les juridictions belges sont à nouveau compétentes.
Dans ce cas, la Belgique indique, dans la mesure du possible, les circonstances pertinentes de l'affaire et produit les pièces dont elle dispose.
§ 2. Sans préjudice de l'application de l'article 47 de la présente loi, et en application de l'article 14 du Statut, le ministre de la Justice peut, par décision délibérée en Conseil des ministres, porter à la connaissance de la Cour des faits ayant trait aux infractions définies dans le Livre II, Titre Ibis, du Code pénal et dont les autorités judiciaires sont saisies.
Une fois que le Procureur aura procédé à la notification prévue à l'article 18, § 1er, du Statut, au sujet des faits que le Ministre de la Justice a portés à la connaissance de la Cour, la Cour de cassation, sur réquisition du procureur général, prononce le dessaisissement de la juridiction belge saisie des mêmes faits.
Lorsque la Cour, à la demande du Ministre de la Justice, fait savoir, après le dessaisissement de la juridiction belge, que le procureur a décidé de ne pas établir d'acte d'accusation, que la Cour ne l'a pas confirmé, que celle-ci s'est déclarée incompétente ou a déclaré l'affaire irrecevable, les juridictions belges sont à nouveau compétentes.
Art.9. Ingeval de rechtsmacht van het Hof in werking wordt gesteld overeenkomstig artikel 13 van het Statuut, kan de centrale autoriteit na overleg met het openbaar ministerie de Belgische rechtsmacht laten gelden overeenkomstig artikel 18 van het Statuut of, in voorkomend geval, de rechtsmacht van het Hof of de ontvankelijkheid van een zaak betwisten overeenkomstig artikel 19 van het Statuut.
Art.9. Lorsque la compétence de la Cour est mise en oeuvre conformément à l'article 13 du Statut, l'autorité centrale, après concertation avec le ministère public, peut faire valoir la compétence de la juridiction belge en application de l'article 18 du Statut ou, le cas échéant, contester la compétence de la Cour ou la recevabilité d'une affaire, en application de l'article 19 du Statut.
Art.10. De centrale autoriteit kan op eigen initiatief aan het Hof het bewijsmateriaal en de gegevens overzenden die een Belgische autoriteit heeft verzameld, indien dit bewijsmateriaal of deze gegevens voor het Hof van belang kunnen zijn. Ingeval het bewijsmateriaal en de gegevens die de centrale autoriteit aan het Hof heeft overgezonden niet afkomstig zijn van het openbaar ministerie, stelt de centrale autoriteit het openbaar ministerie vooraf in kennis van de overzending van dit bewijsmateriaal of van deze gegevens aan het Hof.
Art.10. L'autorité centrale peut transmettre d'initiative à la Cour les éléments de preuve et les informations qu'une autorité belge a recueillis si ces éléments de preuve ou ces informations sont susceptibles d'intéresser la Cour. Lorsque les éléments de preuve et les informations transmis par l'autorité centrale à la Cour ne proviennent pas du ministère public, l'autorité centrale informe préalablement le ministère public de la transmission à la Cour de ces éléments de preuve ou de ces informations.
HOOFDSTUK IV. - Aanhouding, overbrenging, doorvoer en overdracht van personen aan het Hof.
CHAPITRE IV. - Arrestation, transfert, transit et remise de personnes à la Cour.
Afdeling I. - Verzoek tot aanhouding en overdracht.
Section Ire. - Demande d'arrestation et de remise.
Art.11. Overeenkomstig artikel 89 van het Statuut, legt België de verzoeken tot aanhouding en overdracht ten uitvoer die uitgaan van het Hof.
Art.11. Conformément à l'article 89 du Statut, la Belgique exécute les demandes d'arrestation et de remise émanant de la Cour.
Art.12. Ingeval België ten aanzien van eenzelfde persoon van het Hof een verzoek tot aanhouding en overdracht ontvangt en van een andere Staat een verzoek tot uitlevering of van overdracht, stelt de centrale autoriteit het Hof en de verzoekende Staat daarvan in kennis en past het artikel 90 van het Statuut toe.
Art.12. Si la Belgique reçoit au sujet d'une même personne une demande d'arrestation et de remise de la Cour et une demande d'extradition ou de remise d'un autre Etat, l'autorité centrale en avise la Cour et l'Etat requérant et fait application des dispositions de l'article 90 du Statut.
Art.13. § 1. Het verzoek tot aanhouding en overdracht uitgaande van het Hof ten aanzien van een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt, gebeurt overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Statuut schriftelijk, uitgezonderd in spoedeisende gevallen zoals geregeld door hetzelfde artikel van het Statuut.
Het verzoek wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van de verblijfplaats van de betrokken persoon of van de plaats waar hij is aangetroffen.
§ 2. De raadkamer onderzoekt of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat en of de stukken tot staving bedoeld in artikel 91 van het Statuut zijn overgelegd.
§ 3. Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het verzoek tot aanhouding en overdracht van het Hof uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen, na het openbaar ministerie te hebben gehoord. Het arrest is uitvoerbaar.
§ 4. Binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsbeneming worden de beslissing die het verzoek tot aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart en de bijgevoegde officiële stukken aan de [1 aangehouden persoon]1 betekend. Deze beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om beroep in te stellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Het beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring bij de correctionele griffie of van een verklaring van de [1 aangehouden persoon]1 aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn vertegenwoordiger.
[1 De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de instelling van het beroep.]1 Het arrest is uitvoerbaar. De [1 aangehouden persoon]1 blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
[1 Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart, definitief is geworden.]1
§ 5. Ingeval het beroep is gegrond op de niet-naleving van het beginsel [1 ne bis in idem]1, wordt de termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak moet doen geschorst vanaf het beroep tot dat de centrale autoriteit het antwoord heeft ontvangen van het Hof op de raadplegingen overeenkomstig artikel 89, § 2, van het Statuut.
Het verzoek wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van de verblijfplaats van de betrokken persoon of van de plaats waar hij is aangetroffen.
§ 2. De raadkamer onderzoekt of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat en of de stukken tot staving bedoeld in artikel 91 van het Statuut zijn overgelegd.
§ 3. Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het verzoek tot aanhouding en overdracht van het Hof uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen, na het openbaar ministerie te hebben gehoord. Het arrest is uitvoerbaar.
§ 4. Binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsbeneming worden de beslissing die het verzoek tot aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart en de bijgevoegde officiële stukken aan de [1 aangehouden persoon]1 betekend. Deze beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om beroep in te stellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Het beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring bij de correctionele griffie of van een verklaring van de [1 aangehouden persoon]1 aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn vertegenwoordiger.
[1 De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de instelling van het beroep.]1 Het arrest is uitvoerbaar. De [1 aangehouden persoon]1 blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
[1 Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart, definitief is geworden.]1
§ 5. Ingeval het beroep is gegrond op de niet-naleving van het beginsel [1 ne bis in idem]1, wordt de termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak moet doen geschorst vanaf het beroep tot dat de centrale autoriteit het antwoord heeft ontvangen van het Hof op de raadplegingen overeenkomstig artikel 89, § 2, van het Statuut.
Modifications
Art.13. § 1er. La demande d'arrestation et de remise émise par la Cour à l'égard d'une personne qui se trouve sur le territoire belge est faite par écrit conformément à l'article 91, § 1er, du Statut, sauf le cas d'urgence réglé par le même article du Statut.
La demande est rendue exécutoire par la chambre du conseil du lieu de la résidence de la personne concernée ou du lieu où elle a été trouvée.
§ 2. La chambre du conseil vérifie qu'il n'y a pas erreur sur la personne et que les pièces justificatives visées à l'article 91 du Statut ont été fournies.
§ 3. Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire la demande d'arrestation et de remise de la Cour, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours après audition du ministère public. L'arrêt est exécutoire.
§ 4. Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise et les pièces officielles y annexées sont signifiées à [1 la personne arrêtée]1. [1 Celle-ci]1 dispose d'un délai de vingt-quatre heures, à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de [1 la personne arrêtée]1 au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
[1 La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil, et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours.]1 L'arrêt est exécutoire. [1 La personne arrêtée]1 restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
[1 La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.]1
§ 5. Lorsque le recours est fondé sur le non respect du principe [1 ne bis in idem]1, le délai dans lequel la chambre des mises en accusation doit statuer est suspendu à dater du recours jusqu'à la réception par l'autorité centrale de la réponse de la Cour aux consultations engagées conformément à l'article 89, § 2, du Statut.
La demande est rendue exécutoire par la chambre du conseil du lieu de la résidence de la personne concernée ou du lieu où elle a été trouvée.
§ 2. La chambre du conseil vérifie qu'il n'y a pas erreur sur la personne et que les pièces justificatives visées à l'article 91 du Statut ont été fournies.
§ 3. Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire la demande d'arrestation et de remise de la Cour, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours après audition du ministère public. L'arrêt est exécutoire.
§ 4. Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise et les pièces officielles y annexées sont signifiées à [1 la personne arrêtée]1. [1 Celle-ci]1 dispose d'un délai de vingt-quatre heures, à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de [1 la personne arrêtée]1 au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
[1 La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil, et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours.]1 L'arrêt est exécutoire. [1 La personne arrêtée]1 restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
[1 La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.]1
§ 5. Lorsque le recours est fondé sur le non respect du principe [1 ne bis in idem]1, le délai dans lequel la chambre des mises en accusation doit statuer est suspendu à dater du recours jusqu'à la réception par l'autorité centrale de la réponse de la Cour aux consultations engagées conformément à l'article 89, § 2, du Statut.
Modifications
Afdeling II. - Verzoek tot voorlopige aanhouding.
Section II. - Demande d'arrestation provisoire.
Art.14. § 1. Overeenkomstig artikel 92 van het Statuut kan het Hof in spoedeisende gevallen door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat om de voorlopige aanhouding van een gezochte persoon verzoeken. Het verzoek bevat de stukken bedoeld in artikel 92, § 2, van het Statuut in afwachting dat de stukken bedoeld in artikel 91 van het Statuut worden overgezonden.
§ 2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding uitgevaardigd door de onderzoeksrechter van de plaats waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft zijn verblijfplaats heeft of van de plaats waar hij is aangetroffen. [1 Met inachtneming van artikel 55, § 2, van het Statuut hoort de onderzoeksrechter de betrokkene teneinde na te gaan of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat en of de stukken bedoeld in artikel 92, § 2, van het Statuut zijn overgelegd.]1 Het bevel tot aanhouding moet binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsbeneming worden betekend. [1 ...]1
[1 Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.]1
§ 3. [1 Het openbaar ministerie stelt de centrale autoriteit onverwijld in kennis van de voorlopige aanhouding.]1 door de onderzoeksrechter bedoeld in § 2 van dit artikel. [1 De centrale autoriteit]1 stelt het Hof daarvan onmiddellijk in kennis en vraagt dat een verzoek tot aanhouding en overdracht wordt opgesteld.
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
§ 2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding uitgevaardigd door de onderzoeksrechter van de plaats waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft zijn verblijfplaats heeft of van de plaats waar hij is aangetroffen. [1 Met inachtneming van artikel 55, § 2, van het Statuut hoort de onderzoeksrechter de betrokkene teneinde na te gaan of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat en of de stukken bedoeld in artikel 92, § 2, van het Statuut zijn overgelegd.]1 Het bevel tot aanhouding moet binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsbeneming worden betekend. [1 ...]1
[1 Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.]1
§ 3. [1 Het openbaar ministerie stelt de centrale autoriteit onverwijld in kennis van de voorlopige aanhouding.]1 door de onderzoeksrechter bedoeld in § 2 van dit artikel. [1 De centrale autoriteit]1 stelt het Hof daarvan onmiddellijk in kennis en vraagt dat een verzoek tot aanhouding en overdracht wordt opgesteld.
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
Modifications
Art.14. § 1er. Conformément à l'article 92 du Statut, en cas d'urgence, la Cour peut demander, par tout moyen de communication laissant une trace écrite, l'arrestation provisoire d'une personne recherchée. La demande contient les pièces visées à l'article 92, § 2, du Statut dans l'attente de la transmission des pièces visées à l'article 91 du Statut.
§ 2. La demande d'arrestation provisoire est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction du lieu où la personne faisant l'objet de cette demande a sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée. [1 Dans le respect de l'article 55, § 2, du Statut, le juge d'instruction entend l'intéressé afin de vérifier qu'il n'y a pas erreur sur la personne et que les pièces visées à l'article 92, § 2, du Statut ont été fournies.]1 Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté. [1 ...]1
[1 Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.]1
§ 3. [1 Le ministère public informe sans délai l'autorité centrale]1 de l'arrestation provisoire par le juge d'instruction visé au § 2 du présent article. [1 L'autorité centrale]1 en informe immédiatement la Cour et l'invite à présenter une demande d'arrestation et de remise.
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
§ 2. La demande d'arrestation provisoire est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction du lieu où la personne faisant l'objet de cette demande a sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée. [1 Dans le respect de l'article 55, § 2, du Statut, le juge d'instruction entend l'intéressé afin de vérifier qu'il n'y a pas erreur sur la personne et que les pièces visées à l'article 92, § 2, du Statut ont été fournies.]1 Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté. [1 ...]1
[1 Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.]1
§ 3. [1 Le ministère public informe sans délai l'autorité centrale]1 de l'arrestation provisoire par le juge d'instruction visé au § 2 du présent article. [1 L'autorité centrale]1 en informe immédiatement la Cour et l'invite à présenter une demande d'arrestation et de remise.
§ 4. [1 ...]1
§ 5. [1 ...]1
Modifications
Art.15. Overeenkomstig artikel 92 van het Statuut wordt een voorlopig aangehouden persoon in ieder geval in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit het verzoek tot aanhouding en overdracht en de stukken tot staving bedoeld in artikel 91 van het Statuut niet heeft ontvangen binnen drie maanden te rekenen vanaf de datum van de voorlopige aanhouding.
Art.15. Conformément à l'article 92 du Statut, une personne provisoirement arrêtée est dans tous les cas remise en liberté si l'autorité centrale n'a pas reçu la demande d'arrestation et de remise et les pièces justificatives visées à l'article 91 du Statut dans le délai de trois mois à compter de la date de l'arrestation provisoire.
Afdeling III. - [1 Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling.]1
Section III. - [1 Demande de mise en liberté provisoire.]1
Art.16. § 1. Overeenkomstig artikel 59, § 3, van het Statuut heeft de aangehouden persoon het recht om bij de kamer van inbeschuldigingstelling zijn voorlopige invrijheidstelling te verzoeken door middel van een verzoekschrift [1 ...]1, zulks in afwachting van zijn overdracht.
§ 2. Overeenkomstig artikel 59, § 5, van het Statuut wordt de kamer van vooronderzoek van het Hof in kennis gesteld van elk verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en doet zij hieromtrent aanbevelingen. [1 De centrale autoriteit zendt de aanbevelingen van het Hof over aan de kamer van inbeschuldigingstelling door tussenkomst van het openbaar ministerie.]1 Alvorens een beslissing te nemen neemt de kamer van inbeschuldigingstelling deze aanbevelingen ten volle in overweging. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling de aanbevelingen van het Hof niet volgt, geeft ze uitdrukkelijk de redenen voor deze beslissing aan.
§ 3. [1 De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. Die termijn wordt echter geschorst tijdens de in § 2 bedoelde raadpleging van de kamer van vooronderzoek van het Hof. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden. De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Hof het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd. Ingeval de betwisting van de voorlopige aanhouding gegrond is op de niet-naleving van het beginsel ne bis in idem wordt de termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak moet doen over dat punt geschorst voor de duur van de in artikel 89, § 2, van het Statuut bedoelde raadplegingen tussen de centrale autoriteit en het Hof.]1
§ 4. [1 In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Hof over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.]1
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan de kamer van vooronderzoek overeenkomstig artikel 59, § 6, van het Statuut de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
[1 § 5. Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover [2 dit]2 binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
§ 6. Wanneer het in § 1 bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
§ 7. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in § 4, eerste lid, in fine.]1
§ 2. Overeenkomstig artikel 59, § 5, van het Statuut wordt de kamer van vooronderzoek van het Hof in kennis gesteld van elk verzoek tot voorlopige invrijheidstelling en doet zij hieromtrent aanbevelingen. [1 De centrale autoriteit zendt de aanbevelingen van het Hof over aan de kamer van inbeschuldigingstelling door tussenkomst van het openbaar ministerie.]1 Alvorens een beslissing te nemen neemt de kamer van inbeschuldigingstelling deze aanbevelingen ten volle in overweging. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling de aanbevelingen van het Hof niet volgt, geeft ze uitdrukkelijk de redenen voor deze beslissing aan.
§ 3. [1 De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. Die termijn wordt echter geschorst tijdens de in § 2 bedoelde raadpleging van de kamer van vooronderzoek van het Hof. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden. De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Hof het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd. Ingeval de betwisting van de voorlopige aanhouding gegrond is op de niet-naleving van het beginsel ne bis in idem wordt de termijn waarbinnen de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak moet doen over dat punt geschorst voor de duur van de in artikel 89, § 2, van het Statuut bedoelde raadplegingen tussen de centrale autoriteit en het Hof.]1
§ 4. [1 In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Hof over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet worden nageleefd, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.]1
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan de kamer van vooronderzoek overeenkomstig artikel 59, § 6, van het Statuut de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
[1 § 5. Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover [2 dit]2 binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
§ 6. Wanneer het in § 1 bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
§ 7. De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in § 4, eerste lid, in fine.]1
Art.16. § 1er. Conformément à l'article 59, § 3, du Statut, la personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête [1 ...]1, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
§ 2. Conformément à l'article 59, § 5, du Statut, la chambre préliminaire de la Cour est avisée de toute demande de mise en liberté provisoire et fait des recommandations à ce sujet. [1 L'autorité centrale transmet les recommandations de la Cour à la chambre des mises en accusation par l'intermédiaire du ministère public.]1 Avant de rendre sa décision, la chambre des mises en accusation prend pleinement en considération ces recommandations. Si la chambre des mises en accusation ne suit pas les recommandations de la Cour, elle indique expressément les motifs de cette décision.
§ 3. [1 La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Ce délai est toutefois suspendu pendant la consultation de la chambre préliminaire de la Cour prévue au § 2. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire. La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par la Cour. En cas de contestation de l'arrestation provisoire fondée sur le non-respect du principe ne bis in idem, le délai dans lequel la chambre des mises en accusation doit statuer sur ce point est suspendu pendant la durée des consultations visées par l'article 89, § 2, du Statut entre l'autorité centrale et la Cour.]1
§ 4. [1 En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne à la Cour. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.]1
Conformément à l'article 59, § 6, du Statut, si la mise en liberté provisoire est accordée, la chambre préliminaire de la Cour peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
[1 § 5. La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
§ 6. Lorsque la requête prévue au § 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
§ 7. Les dispositions du présent article sont applicables au mandat d'arrêt visé au § 4, alinéa 1er, in fine.]1
§ 2. Conformément à l'article 59, § 5, du Statut, la chambre préliminaire de la Cour est avisée de toute demande de mise en liberté provisoire et fait des recommandations à ce sujet. [1 L'autorité centrale transmet les recommandations de la Cour à la chambre des mises en accusation par l'intermédiaire du ministère public.]1 Avant de rendre sa décision, la chambre des mises en accusation prend pleinement en considération ces recommandations. Si la chambre des mises en accusation ne suit pas les recommandations de la Cour, elle indique expressément les motifs de cette décision.
§ 3. [1 La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Ce délai est toutefois suspendu pendant la consultation de la chambre préliminaire de la Cour prévue au § 2. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire. La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par la Cour. En cas de contestation de l'arrestation provisoire fondée sur le non-respect du principe ne bis in idem, le délai dans lequel la chambre des mises en accusation doit statuer sur ce point est suspendu pendant la durée des consultations visées par l'article 89, § 2, du Statut entre l'autorité centrale et la Cour.]1
§ 4. [1 En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne à la Cour. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.]1
Conformément à l'article 59, § 6, du Statut, si la mise en liberté provisoire est accordée, la chambre préliminaire de la Cour peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
[1 § 5. La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
§ 6. Lorsque la requête prévue au § 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
§ 7. Les dispositions du présent article sont applicables au mandat d'arrêt visé au § 4, alinéa 1er, in fine.]1
Modifications
Afdeling IV. [1 - Overdracht van de aangehouden persoon.]1
Section IV. [1 - Remise de la personne arrêtée.]1
Art.17. Een voorlopig aangehouden persoon kan met zijn overbrenging instemmen zonder dat de daartoe vereiste voorwaarden zijn vervuld. De instemming moet zijn neergelegd in een proces-verbaal ten overstaan van een lid van het openbaar ministerie en nadat deze laatste de betrokkene heeft gehoord teneinde hem in kennis te stellen van zijn recht op een formele overdrachtsprocedure. De genoemde persoon kan zich tijdens zijn verhoor laten bijstaan door een advocaat.
Art.17. Une personne provisoirement arrêtée peut donner son consentement à être transférée sans que les conditions requises pour son transfert ne soient réunies. Le consentement doit être établi par procès-verbal devant un membre du ministère public et après audition par celui-ci, pour informer la personne concernée de son droit à une procédure formelle de remise. Ladite personne peut se faire assister d'un avocat au cours de son audition.
Art.18. § 1. Zodra de beslissing [1 die]1 het verzoek tot aanhouding en overdracht [1 uitvoerbaar verklaart,]1 definitief is geworden, stelt de centrale autoriteit de griffier daarvan onmiddellijk in kennis teneinde de overbrenging te regelen.
§ 2. De betrokkene wordt zo vlug mogelijk overgebracht naar het Hof en in ieder geval binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de beslissing tot overbrenging. De overbrenging geschiedt met inachtneming van de relevante bepalingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
§ 3. De betrokkene wordt overgebracht naar het Hof op de datum en op de wijze overeengekomen tussen de centrale autoriteit en de griffier. Als door omstandigheden de overbrenging op de overeengekomen datum onmogelijk is, leggen de centrale autoriteit en de griffier een nieuwe datum en wijze voor de overbrenging vast.
§ 2. De betrokkene wordt zo vlug mogelijk overgebracht naar het Hof en in ieder geval binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van de beslissing tot overbrenging. De overbrenging geschiedt met inachtneming van de relevante bepalingen van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
§ 3. De betrokkene wordt overgebracht naar het Hof op de datum en op de wijze overeengekomen tussen de centrale autoriteit en de griffier. Als door omstandigheden de overbrenging op de overeengekomen datum onmogelijk is, leggen de centrale autoriteit en de griffier een nieuwe datum en wijze voor de overbrenging vast.
Modifications
Art.18. § 1er. Lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est définitive, l'autorité centrale en informe immédiatement le Greffier afin d'organiser le transfert.
§ 2. La personne est transférée à la Cour aussitôt que possible et, en tout cas, dans un délai de trois mois à dater de la décision de transfert. Le transfert a lieu dans le respect des dispositions pertinentes de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
§ 3. L'intéressé est transféré à la Cour à la date et suivant les modalités convenues entre l'autorité centrale et le Greffier. Si les circonstances rendent le transfert impossible à la date convenue, l'autorité centrale et le Greffier conviennent d'une nouvelle date et des modalités du transfert.
§ 2. La personne est transférée à la Cour aussitôt que possible et, en tout cas, dans un délai de trois mois à dater de la décision de transfert. Le transfert a lieu dans le respect des dispositions pertinentes de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
§ 3. L'intéressé est transféré à la Cour à la date et suivant les modalités convenues entre l'autorité centrale et le Greffier. Si les circonstances rendent le transfert impossible à la date convenue, l'autorité centrale et le Greffier conviennent d'une nouvelle date et des modalités du transfert.
Afdeling V. [1 - Specialiteitsbeginsel.]1
Section V. [1 - Principe de spécialité.]1
Art.19. Met toepassing van artikel 101, § 2, van het Statuut, staat de centrale autoriteit op verzoek van het Hof een afwijking toe op het specialiteitsbeginsel bedoeld in artikel 101, § 1, van het Statuut.
Art.19. En application de l'article 101, § 2, du Statut, l'autorité centrale accorde, à la demande de la Cour, une dérogation au principe de la spécialité visé à l'article 101, § 1er, du Statut.
Afdeling VI. [1 (vroegere afdeling IV wordt de nieuwe afdeling VI)]1 - Doorvoer.
Section VI. [1 (ancienne section IV devient la nouvelle section VI)]1 - Transit.
Art.20. [1 § 1.]1 Op verzoek van het Hof, ingediend overeenkomstig artikel 89, § 3, b), van het Statuut, stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Hof overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Hof overeenkomstig artikel 89, § 3, e), van het Statuut een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
[1 § 2. Op verzoek van het Hof, ingediend overeenkomstig artikel 93, § 7, a), van het Statuut stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp als bedoeld in voormelde bepaling van het Statuut. Overeenkomstig artikel 93, § 7, b), van het Statuut, heeft het bevel tot aanhouding van de betrokkene uitwerking op het Belgische grondgebied tijdens de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Hof overeenkomstig artikel 89, § 3, e), van het Statuut een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
[1 § 2. Op verzoek van het Hof, ingediend overeenkomstig artikel 93, § 7, a), van het Statuut stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek tot wederzijdse rechtshulp als bedoeld in voormelde bepaling van het Statuut. Overeenkomstig artikel 93, § 7, b), van het Statuut, heeft het bevel tot aanhouding van de betrokkene uitwerking op het Belgische grondgebied tijdens de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
Modifications
Art.20. [1 § 1er.]1 Sur demande de la Cour, effectuée conformément à l'article 89, § 3, b), du Statut, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée à la Cour par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée de la Cour conformément à l'article 89, § 3, e) du Statut. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
[1 § 2. Sur demande de la Cour, effectuée conformément à l'article 93, § 7, a), du Statut, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire visée à la disposition précitée du Statut. Conformément à l'article 93, § 7, b), du Statut, le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge durant le temps nécessaire à son passage.]1
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée de la Cour conformément à l'article 89, § 3, e) du Statut. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
[1 § 2. Sur demande de la Cour, effectuée conformément à l'article 93, § 7, a), du Statut, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire visée à la disposition précitée du Statut. Conformément à l'article 93, § 7, b), du Statut, le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge durant le temps nécessaire à son passage.]1
Modifications
HOOFDSTUK IVbis. [1 - Voorlopige invrijheidstelling en dagvaarding tot verschijning]1
CHAPITRE IVbis. [1 - Libération provisoire et citation à comparaître.]1
Art. 20bis. [1 § 1. Met de instemming van de centrale autoriteit en overeenkomstig regel 119 van het Reglement voor de proces- en de bewijsvoering, kan een persoon in België een voorlopige invrijheidstelling die wordt bedoeld in artikel 60 van het Statuut, genieten, in voorkomend geval onder de door het Hof opgelegde voorwaarden.
§ 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dit laatste stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk het Hof ervan op de hoogte brengt.
§ 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit, binnen die termijn, geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen, die respectievelijk in de artikelen 92 en 91 van het Statuut worden beoogd.]1
§ 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dit laatste stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk het Hof ervan op de hoogte brengt.
§ 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit, binnen die termijn, geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen, die respectievelijk in de artikelen 92 en 91 van het Statuut worden beoogd.]1
Art. 20bis. [1 § 1er. Moyennant l'accord de l'autorité centrale et conformément à la règle 119 du Règlement de procédure et de preuve, une personne peut bénéficier, en Belgique, d'une libération provisoire visée à l'article 60 du Statut, le cas échéant aux conditions édictées par la Cour.
§ 2. Lorsque les conditions auxquelles la libération provisoire est soumise ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, agissant d'office ou à la demande de l'autorité centrale, peut décerner un mandat d'arrêt à l'encontre de la personne libérée provisoirement. Son ordonnance motivée, qui n'est susceptible d'aucun recours, est communiquée immédiatement au ministère public. Celui-ci en avise sans délai l'autorité centrale, qui en informe immédiatement la Cour.
§ 3. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée de quinze jours à compter de son exécution.
L'intéressé est remis en liberté aux mêmes conditions si, dans ce délai, l'autorité centrale n'a pas reçu de demande d'arrestation provisoire ou de demande d'arrestation et de remise, visées respectivement aux articles 92 et 91 du Statut.]1
§ 2. Lorsque les conditions auxquelles la libération provisoire est soumise ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, agissant d'office ou à la demande de l'autorité centrale, peut décerner un mandat d'arrêt à l'encontre de la personne libérée provisoirement. Son ordonnance motivée, qui n'est susceptible d'aucun recours, est communiquée immédiatement au ministère public. Celui-ci en avise sans délai l'autorité centrale, qui en informe immédiatement la Cour.
§ 3. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée de quinze jours à compter de son exécution.
L'intéressé est remis en liberté aux mêmes conditions si, dans ce délai, l'autorité centrale n'a pas reçu de demande d'arrestation provisoire ou de demande d'arrestation et de remise, visées respectivement aux articles 92 et 91 du Statut.]1
Modifications
Art. 20ter. [1 Met toepassing van artikel 58, § 7, van het Statuut kan het Hof een dagvaarding tot verschijning uitvaardigen tegen een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt. De eventuele vrijheidsbeperkende maatregelen die het Hof de betrokkene in dat kader oplegt, worden op het Belgische grondgebied uitgevoerd op grond van een verzoek om wederzijdse rechtshulp van het Hof overeenkomstig hoofdstuk IX van het Statuut. Ingeval de betrokkene die voorwaarden niet naleeft, stelt de - naar behoren ingelichte - centrale autoriteit het Hof daarvan onverwijld in kennis.]1
Art. 20ter. [1 En application de l'article 58, § 7, du Statut, la Cour peut délivrer une citation à comparaître à l'encontre d'une personne qui se trouve sur le territoire belge. Les éventuelles conditions restrictives de liberté imposées, dans ce cadre, à l'intéressé par la Cour sont exécutées sur le territoire belge sur la base d'une demande d'entraide judiciaire formulée par la Cour en application du chapitre IX du Statut. En cas de non-respect de ces conditions par l'intéressé, l'autorité centrale, dûment informée, le notifie sans délai à la Cour.]1
Modifications
HOOFDSTUK V. - Andere vormen van samenwerking.
CHAPITRE V. - Autres formes de coopération.
Afdeling I. - Beginselen.
Section Ire. - Principes.
Art.21. Overeenkomstig artikel 93 van het Statuut wordt aan het Hof bijstand verleend in de gevallen bedoeld in artikel 22 van deze wet.
Art.21. Conformément à l'article 93 du Statut, l'entraide est accordée à la Cour dans les cas visés à l'article 22 de la présente loi.
Art.22. Verzoeken van het Hof tot bijstand in verband met onderzoek of vervolging moeten rechtstreeks aan de centrale autoriteit worden gericht.
Overeenkomstig artikel 93 van het Statuut kunnen die verzoeken betrekking hebben op alle handelingen die krachtens de Belgische wetgeving niet zijn verboden en het onderzoek naar en de vervolging van misdaden die tot de rechtsmacht van het Hof behoren, kunnen vergemakkelijken. Zij hebben inzonderheid betrekking op :
1° de identificatie van personen, de plaats waar die persoon zich bevindt of de lokalisatie van goederen;
2° de bewijsgaring, daaronder begrepen getuigenverklaringen onder ede en overlegging van bewijsmateriaal, met inbegrip van deskundigenonderzoek en van verslagen die het Hof nodig heeft;
3° het verhoor van personen ten aanzien van wie een onderzoek is ingesteld of die wordt vervolgd;
4° de betekening van stukken, met inbegrip van stukken betreffende de rechtspleging;
5° de maatregelen die erop zijn gericht de vrijwillige verschijning voor het Hof te vergemakkelijken van personen die als getuige of deskundige een verklaring afleggen;
6° de tijdelijke overbrenging van personen overeenkomstig artikel 27 van deze wet;
7° de plaatsopneming of het onderzoek van terreinen, inzonderheid de opgraving en het onderzoek van lijken begraven in massagraven;
8° de tenuitvoerlegging van huiszoekingen en inbeslagnemingen;
9° de overzending van dossiers en stukken, daaronder begrepen officiële dossiers en stukken;
10° de bescherming van slachtoffers en getuigen en de instandhouding van bewijsmateriaal;
11° de identificatie, de lokalisatie, de bevriezing of de inbeslagneming van de opbrengst verkregen uit misdaden, van goederen, van vermogensbestanddelen en van middelen die verband houden met de misdaden, met het oog op een eventuele verbeurdverklaring ervan, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw.
Overeenkomstig artikel 93 van het Statuut kunnen die verzoeken betrekking hebben op alle handelingen die krachtens de Belgische wetgeving niet zijn verboden en het onderzoek naar en de vervolging van misdaden die tot de rechtsmacht van het Hof behoren, kunnen vergemakkelijken. Zij hebben inzonderheid betrekking op :
1° de identificatie van personen, de plaats waar die persoon zich bevindt of de lokalisatie van goederen;
2° de bewijsgaring, daaronder begrepen getuigenverklaringen onder ede en overlegging van bewijsmateriaal, met inbegrip van deskundigenonderzoek en van verslagen die het Hof nodig heeft;
3° het verhoor van personen ten aanzien van wie een onderzoek is ingesteld of die wordt vervolgd;
4° de betekening van stukken, met inbegrip van stukken betreffende de rechtspleging;
5° de maatregelen die erop zijn gericht de vrijwillige verschijning voor het Hof te vergemakkelijken van personen die als getuige of deskundige een verklaring afleggen;
6° de tijdelijke overbrenging van personen overeenkomstig artikel 27 van deze wet;
7° de plaatsopneming of het onderzoek van terreinen, inzonderheid de opgraving en het onderzoek van lijken begraven in massagraven;
8° de tenuitvoerlegging van huiszoekingen en inbeslagnemingen;
9° de overzending van dossiers en stukken, daaronder begrepen officiële dossiers en stukken;
10° de bescherming van slachtoffers en getuigen en de instandhouding van bewijsmateriaal;
11° de identificatie, de lokalisatie, de bevriezing of de inbeslagneming van de opbrengst verkregen uit misdaden, van goederen, van vermogensbestanddelen en van middelen die verband houden met de misdaden, met het oog op een eventuele verbeurdverklaring ervan, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw.
Art.22. Les demandes d'entraide émanant de la Cour, liées à une enquête ou à des poursuites, doivent être adressées directement à l'autorité centrale.
Conformément à l'article 93 du Statut, ces demandes peuvent comprendre tout acte non interdit par la législation belge, propre à faciliter l'enquête et les poursuites relatives aux crimes relevant de la compétence de la Cour. Elles concernent notamment :
1° l'identification de personnes, le lieu où elles se trouvent ou la localisation de biens;
2° le rassemblement d'éléments de preuve, y compris les dépositions faites sous serment, et la production des éléments de preuve, y compris les expertises et les rapports dont la Cour a besoin;
3° l'interrogatoire de personnes faisant l'objet d'une enquête ou de poursuites;
4° la signification de documents, y compris les pièces de procédure;
5° les mesures propres à faciliter la comparution volontaire devant la Cour de personnes déposant comme témoins ou experts;
6° le transfèrement temporaire de personnes en vertu de l'article 27 de la présente loi;
7° l'examen de localités ou de sites, notamment l'exhumation et l'examen de cadavres enterrés dans des fosses communes;
8° l'exécution de perquisitions et de saisies;
9 la transmission de dossiers et de documents, y compris les dossiers et les documents officiels;
10° la protection des victimes et des témoins et la préservation des éléments de preuve;
11° l'identification, la localisation, le gel ou la saisie du produit des crimes, des biens, des avoirs et des instruments qui sont liés aux crimes, aux fins de leur confiscation éventuelle, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi.
Conformément à l'article 93 du Statut, ces demandes peuvent comprendre tout acte non interdit par la législation belge, propre à faciliter l'enquête et les poursuites relatives aux crimes relevant de la compétence de la Cour. Elles concernent notamment :
1° l'identification de personnes, le lieu où elles se trouvent ou la localisation de biens;
2° le rassemblement d'éléments de preuve, y compris les dépositions faites sous serment, et la production des éléments de preuve, y compris les expertises et les rapports dont la Cour a besoin;
3° l'interrogatoire de personnes faisant l'objet d'une enquête ou de poursuites;
4° la signification de documents, y compris les pièces de procédure;
5° les mesures propres à faciliter la comparution volontaire devant la Cour de personnes déposant comme témoins ou experts;
6° le transfèrement temporaire de personnes en vertu de l'article 27 de la présente loi;
7° l'examen de localités ou de sites, notamment l'exhumation et l'examen de cadavres enterrés dans des fosses communes;
8° l'exécution de perquisitions et de saisies;
9 la transmission de dossiers et de documents, y compris les dossiers et les documents officiels;
10° la protection des victimes et des témoins et la préservation des éléments de preuve;
11° l'identification, la localisation, le gel ou la saisie du produit des crimes, des biens, des avoirs et des instruments qui sont liés aux crimes, aux fins de leur confiscation éventuelle, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi.
Afdeling II. - Vorm en inhoud van het verzoek om bijstand.
Section II. - Forme et contenu de la demande d'entraide.
Art.23. Het verzoek bevat de volgende stukken of wordt erdoor gestaafd, overeenkomstig artikel 96, § 2, van het Statuut :
1° een beknopt overzicht van het onderwerp van het verzoek en van de aard van de gevraagde bijstand, daaronder begrepen de juridische grondslag en de gronden van het verzoek;
2° zo gedetailleerd mogelijke informatie omtrent de persoon of de plaats die moet worden geïdentificeerd of gevonden teneinde de gevraagde bijstand te kunnen verlenen;
3° een beknopt overzicht van de essentiële feiten waarop het verzoek is gegrond;
4° een toelichtend verslag en een gedetailleerde uiteenzetting van de procedures of van de voorwaarden die in acht moeten worden genomen;
5° elk gegeven dat op grond van de Belgische wetgeving vereist kan zijn om gevolg te geven aan het verzoek;
6° enig ander gegeven dat nuttig kan zijn om de gevraagde bijstand te kunnen verlenen.
De verzoeken van het Hof en de door België verstrekte antwoorden worden medegedeeld in een van de officiële talen van België en in hun oorspronkelijke vorm.
1° een beknopt overzicht van het onderwerp van het verzoek en van de aard van de gevraagde bijstand, daaronder begrepen de juridische grondslag en de gronden van het verzoek;
2° zo gedetailleerd mogelijke informatie omtrent de persoon of de plaats die moet worden geïdentificeerd of gevonden teneinde de gevraagde bijstand te kunnen verlenen;
3° een beknopt overzicht van de essentiële feiten waarop het verzoek is gegrond;
4° een toelichtend verslag en een gedetailleerde uiteenzetting van de procedures of van de voorwaarden die in acht moeten worden genomen;
5° elk gegeven dat op grond van de Belgische wetgeving vereist kan zijn om gevolg te geven aan het verzoek;
6° enig ander gegeven dat nuttig kan zijn om de gevraagde bijstand te kunnen verlenen.
De verzoeken van het Hof en de door België verstrekte antwoorden worden medegedeeld in een van de officiële talen van België en in hun oorspronkelijke vorm.
Art.23. Conformément à l'article 96, § 2, du Statut, la demande contient ou est accompagnée des éléments suivants :
1° l'exposé succinct de l'objet de la demande et de la nature de l'assistance demandée, y compris les fondements juridiques et les motifs de la demande;
2° des renseignements aussi détaillés que possible sur la personne ou le lieu qui doivent être identifiés ou localisés de manière à ce que l'assistance demandée puisse être fournie;
3° l'exposé succinct des faits essentiels qui justifient la demande;
4° l'exposé des motifs et l'explication détaillée des procédures ou des conditions à respecter;
5° tout renseignement que peut exiger la législation belge pour qu'il soit donné suite à la demande;
6° tout autre renseignement utile pour que l'assistance demandée puisse être fournie.
Les demandes émanant de la Cour et les réponses fournies par la Belgique sont communiquées dans une des langues officielles de la Belgique et dans leur forme originale.
1° l'exposé succinct de l'objet de la demande et de la nature de l'assistance demandée, y compris les fondements juridiques et les motifs de la demande;
2° des renseignements aussi détaillés que possible sur la personne ou le lieu qui doivent être identifiés ou localisés de manière à ce que l'assistance demandée puisse être fournie;
3° l'exposé succinct des faits essentiels qui justifient la demande;
4° l'exposé des motifs et l'explication détaillée des procédures ou des conditions à respecter;
5° tout renseignement que peut exiger la législation belge pour qu'il soit donné suite à la demande;
6° tout autre renseignement utile pour que l'assistance demandée puisse être fournie.
Les demandes émanant de la Cour et les réponses fournies par la Belgique sont communiquées dans une des langues officielles de la Belgique et dans leur forme originale.
Afdeling III. - Tenuitvoerlegging van het verzoek om bijstand.
Section III. - Exécution de la demande d'entraide.
Art.24. De centrale autoriteit onderzoekt of het verzoek de stukken opgesomd in artikel 96, § 2, van het Statuut bevat of erdoor wordt gestaafd en wijst een prejudiciële beslissing die niet vatbaar is voor beroep. Indien zij oordeelt dat het verzoek conform artikel 96, § 2, van het Statuut is, zendt zij het toe aan de bevoegde rechterlijke autoriteit. Indien een verzoek niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in Titel II, hoofdstuk V, afdeling II, van deze wet kan de centrale autoriteit de verbetering of aanvulling eisen, zulks onverminderd de bewarende maatregelen die ondertussen wettelijk kunnen worden genomen.
Art.24. L'autorité centrale examine si la demande contient ou est accompagnée des éléments énoncés à l'article 96, § 2, du Statut et rend une décision préliminaire, non sujette à recours. Si elle juge la demande conforme à l'article 96, § 2, du Statut, elle transmet la demande à l'autorité judiciaire compétente. Si une demande ne répond pas aux conditions prévues par la section II du chapitre V du Titre II de la présente loi, l'autorité centrale peut exiger qu'elle soit corrigée ou complétée, sans préjudice de mesures conservatoires qui pourraient, entre- temps, être légalement prises.
Art.25. Overeenkomstig artikel 99 van het Statuut geeft België gevolg aan verzoeken om bijstand volgens de procedure bepaald in zijn wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
Op verzoek machtigt de centrale autoriteit de door haar aangewezen personen om aanwezig te zijn bij en deel te nemen aan de tenuitvoerlegging van het verzoek.
Op verzoek machtigt de centrale autoriteit de door haar aangewezen personen om aanwezig te zijn bij en deel te nemen aan de tenuitvoerlegging van het verzoek.
Art.25. Conformément à l'article 99 du Statut, la Belgique donne suite aux demandes d'assistance selon la procédure prévue par sa législation et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
Lorsque la demande en est faite, l'autorité centrale autorise les personnes qu'elle désigne à être présentes et à assister à l'exécution de la demande.
Lorsque la demande en est faite, l'autorité centrale autorise les personnes qu'elle désigne à être présentes et à assister à l'exécution de la demande.
Afdeling IV. - Specifieke regels eigen aan de tenuitvoerlegging van bepaalde verzoeken om bijstand.
Section IV. - Règles spécifiques propres à l'exécution de certaines demandes d'entraide.
Art.26. [1 § 1. Het verzoek om bijstand uitgaande van het Hof dat betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.]1
[1 § 2.]1 Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Hof om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. [1 Alvorens de stukken aan het Hof over te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending.]1 Zij doet uitspraak in laatste aanleg zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
[1 § 3. Wanneer de kamer bij wie een zaak aanhangig is gemaakt een beschikking tot bijdrage heeft gewezen, met toepassing van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, [3 of wanneer het voorzitterschap een dergelijke beschikking heeft gewezen, met toepassing van het Huishoudelijk reglement van het Hof,]3 en goederen van de beschuldigde zich op het Belgische grondgebied bevinden, wordt [2 door het openbaar ministerie]2 op verzoek van het Hof overgegaan tot de inbeslagneming en de overdracht van die goederen aan het Hof, teneinde de terugvordering mogelijk te maken van de kosten voorgeschoten in het kader van de rechtsbijstand.]1
[2 Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van deze paragraaf, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]2
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.]1
[1 § 2.]1 Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Hof om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. [1 Alvorens de stukken aan het Hof over te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending.]1 Zij doet uitspraak in laatste aanleg zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
[1 § 3. Wanneer de kamer bij wie een zaak aanhangig is gemaakt een beschikking tot bijdrage heeft gewezen, met toepassing van het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, [3 of wanneer het voorzitterschap een dergelijke beschikking heeft gewezen, met toepassing van het Huishoudelijk reglement van het Hof,]3 en goederen van de beschuldigde zich op het Belgische grondgebied bevinden, wordt [2 door het openbaar ministerie]2 op verzoek van het Hof overgegaan tot de inbeslagneming en de overdracht van die goederen aan het Hof, teneinde de terugvordering mogelijk te maken van de kosten voorgeschoten in het kader van de rechtsbijstand.]1
[2 Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van deze paragraaf, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]2
Art.26. [1 § 1er. La demande d'entraide émanant de la Cour qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.]1
[1 § 2.]1 Les perquisitions et saisies demandées par la Cour sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. [1 Avant de transmettre les pièces à la Cour, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces à la Cour et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé.]1 Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
[1 § 3. Lorsqu'une ordonnance de mise à contribution a été rendue par la chambre saisie d'une affaire, en application du Règlement de procédure et de preuve, [3 ou par la présidence, en application du Règlement de la Cour,]3 et que des biens appartenant à l'accusé se trouvent sur le territoire belge, il est procédé, [2 par le ministère public]2 sur demande de la Cour, à la saisie et au transfert de ces avoirs à la Cour, pour permettre le recouvrement des frais avancés dans le cadre de l'aide judiciaire.]1
[2 Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent paragraphe.]2
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.]1
[1 § 2.]1 Les perquisitions et saisies demandées par la Cour sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. [1 Avant de transmettre les pièces à la Cour, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces à la Cour et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé.]1 Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
[1 § 3. Lorsqu'une ordonnance de mise à contribution a été rendue par la chambre saisie d'une affaire, en application du Règlement de procédure et de preuve, [3 ou par la présidence, en application du Règlement de la Cour,]3 et que des biens appartenant à l'accusé se trouvent sur le territoire belge, il est procédé, [2 par le ministère public]2 sur demande de la Cour, à la saisie et au transfert de ces avoirs à la Cour, pour permettre le recouvrement des frais avancés dans le cadre de l'aide judiciaire.]1
[2 Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent paragraphe.]2
Art.27. Overeenkomstig artikel 93, § 7, van het Statuut kan elke in België gedetineerde persoon op verzoek van het Hof tijdelijk naar het Hof worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Hof, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Hof.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Hof, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Hof.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
Art.27. Conformément à l'article 93, § 7, du Statut, toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande de la Cour, transférée temporairement à celle-ci afin qu'elle puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement à la Cour, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte de la Cour.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement à la Cour, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte de la Cour.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
Art.28. [1 § 1.]1 Wanneer het Hof iemand het statuut van beschermde getuige verleent en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, dan beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. [1 Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.]1
[1 § 2. In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.]1
[1 § 3.]1 Wanneer het Hof de [1 in § 1]1 bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen, moeten worden behouden.
[1 § 2. In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.]1
[1 § 3.]1 Wanneer het Hof de [1 in § 1]1 bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen, moeten worden behouden.
Art.28. [1 § 1er.]1 Lorsque la Cour a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés par l'article 102 du même Code. [1 Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.]1
[1 § 2. Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.]1
[1 § 3.]1 Lorsque la Cour met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée [1 au § 1er]1, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
[1 § 2. Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.]1
[1 § 3.]1 Lorsque la Cour met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée [1 au § 1er]1, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
Afdeling V. - Opschorting van de tenuitvoerlegging en weigering van het verzoek om bijstand in bepaalde specifieke gevallen.
Section V. - Sursis à exécution et rejet de la demande d'entraide dans certains cas spécifiques.
Art.29. Indien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het verzoek om bijstand afbreuk kan doen aan het goede verloop van een lopend onderzoek of aan de gang zijnde vervolging in een andere zaak dan die waarop het verzoek betrekking heeft, kan de centrale autoriteit, op voorwaarde dat de gerechtelijke autoriteiten vooraf advies uitbrengen, de tenuitvoerlegging ervan opschorten gedurende een termijn die wordt vastgesteld in overleg met het Hof, overeenkomstig artikel 94 van het Statuut.
Art.29. Si l'exécution immédiate de la demande d'entraide peut nuire au bon déroulement de l'enquête ou des poursuites en cours dans une affaire différente de celle à laquelle cette demande se rapporte, l'autorité centrale peut, moyennant avis préalable des autorités judiciaires, surseoir à l'exécution de celle-ci pendant un temps fixé de commun accord avec la Cour et conformément à l'article 94 du Statut.
Art.30. Overeenkomstig artikel 95 van het Statuut kan de centrale autoriteit, ingeval het Hof een exceptie van niet-ontvankelijkheid krachtens artikel 18 of 19 van het Statuut onderzoekt, de tenuitvoerlegging van een verzoek gedaan op grond van de gerechtelijke samenwerking en bijstand opschorten in afwachting dat het Hof uitspraak doet, tenzij het Hof uitdrukkelijk heeft bepaald dat de aanklager de bewijsgaring overeenkomstig artikel 18 of 19 van het Statuut kan voortzetten.
Art.30. Conformément à l'article 95 du Statut, lorsque la Cour examine une exception d'irrecevabilité conformément aux articles 18 ou 19 du Statut, l'autorité centrale peut surseoir à l'exécution d'une demande faite au titre de la coopération et de l'assistance judiciaire, en attendant que la Cour ait statué, à moins que la Cour n'ait expressément décidé que le Procureur pouvait continuer de rassembler des éléments de preuve en application des articles 18 ou 19 du Statut.
Art.31. Overeenkomstig artikel 93, § 4, van het Statuut stelt de centrale autoriteit, ingeval zij ernstige redenen heeft om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van een verzoek om bijstand de nationale veiligheid in gevaar kan brengen, het Hof daarvan onmiddellijk in kennis. De centrale autoriteit kan beslissen alle handelingen vereist voor de tenuitvoerlegging van het verzoek op te schorten in afwachting dat de bevoegde nationale autoriteit zich overeenkomstig de wet uitspreekt over een verzoek tot overlegging of bekendmaking van bewijsmateriaal dat verband houdt met de nationale veiligheid. Zodra de centrale autoriteit heeft beslist de tenuitvoerlegging van een verzoek om bijstand op te schorten, pleegt zij overeenkomstig artikel 72, § 5, van het Statuut overleg met het Hof teneinde alle maatregelen in overweging te nemen die redelijkerwijs mogelijk zijn om door middel van overleg een oplossing uit te werken. Als alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen genomen zijn om de zaak door overleg op te lossen, stelt de centrale autoriteit overeenkomstig artikel 72, § 6, van het Statuut het Hof ervan in kennis dat de uitvoering van het verzoek niet kan plaatsvinden zonder de Belgische nationale veiligheidsbelangen te schaden.
Art.31. Conformément à l'article 93, § 4, du Statut, si l'autorité centrale a de sérieuses raisons de penser que l'exécution d'une demande d'assistance pourrait porter atteinte à la sécurité nationale, elle en informe immédiatement la Cour. L'autorité centrale peut décider de suspendre tout acte nécessaire à l'exécution de la demande en attendant que l'autorité compétente nationale se prononce, conformément à la loi, sur une demande ayant pour objet la production ou la divulgation d'éléments de preuve qui touchent à la sécurité nationale. Dès que l'autorité centrale décide de suspendre l'exécution d'une demande d'assistance, elle entame, conformément à l'article 72, § 5, du Statut, des concertations avec la Cour afin d'envisager toutes les mesures raisonnablement possibles pour trouver une solution par la concertation. Conformément à l'article 72, § 6, du Statut, lorsque toutes les mesures raisonnablement possibles ont été prises pour régler la question par la concertation, l'autorité centrale avise la Cour du fait que l'exécution de la demande ne peut avoir lieu sans porter atteinte aux intérêts de la sécurité nationale belge.
Afdeling VI. - Tenuitvoerlegging op Belgisch grondgebied, door de aanklager, van handelingen bedoeld in artikel 99, § 4, van het Statuut.
Section VI. - Exécution d'actes prévus à l'article 99, § 4, du Statut par le Procureur sur le territoire belge.
Art.32. Ingeval de aanklager op Belgisch grondgebied handelingen bedoeld in artikel 99, § 4, van het Statuut ten uitvoer wenst te leggen, wordt overeenkomstig voornoemd artikel van het Statuut overleg gepleegd met de [1 centrale autoriteit]1. [1 De centrale autoriteit]1 kan, op voorwaarde dat de gerechtelijke autoriteiten vooraf advies uitbrengen, weigeren dat de aanklager de genoemde handelingen op het Belgische grondgebied ten uitvoer legt ingeval deze handelingen binnen dezelfde termijn en volgens de nadere regels bepaald in dit hoofdstuk kunnen worden verricht in antwoord op een verzoek om bijstand.
Modifications
Art.32. Lorsque le Procureur veut exécuter des actes prévus à l'article 99, § 4, du Statut sur le territoire belge, [1 l'autorité centrale]1 est [1 consultée]1 conformément audit article du Statut. [1 L'autorité centrale]1, moyennant avis préalable des autorités judiciaires, peut refuser que le Procureur exécute lesdits actes d'instruction sur le territoire belge si ces actes peuvent être exécutés, dans les mêmes délais et selon les modalités prévues par le présent chapitre, en réponse à une demande d'assistance.
Modifications
HOOFDSTUK VI. - Tenuitvoerlegging van door het Hof gewezen beslissingen.
CHAPITRE VI. - Exécution de décisions rendues par la Cour.
Art.33. Ingeval het Hof daarom verzoekt, kan België een definitieve en uitvoerbaar verklaarde beslissing van het Hof houdende vrijheidsbeneming ten uitvoer leggen, voor zover België ingestemd heeft om voor te komen op de lijst van Staten die Partij zijn en die bereid zijn om veroordeelde personen te aanvaarden.
Art.33. En cas de demande de la Cour, la Belgique peut prendre en charge l'exécution d'une décision définitive et exécutoire de privation de liberté de la Cour, pour autant que la Belgique ait consenti à figurer sur la liste des Etats parties qui acceptent de recevoir des condamnés.
Art.34. § 1. Wanneer de centrale autoriteit instemt met het verzoek van het Hof om een vrijheidsbenemende straf ten uitvoer te leggen, stelt zij het Hof daarvan in kennis en deelt zij het Hof alle relevante gegevens betreffende de tenuitvoerlegging van de straf mee.
§ 2. Overeenkomstig artikel 103, § 2, a), van het Statuut stelt de centrale autoriteit, in voorkomend geval, het Hof ook in kennis van alle omstandigheden die de voorwaarden of de duur van de opsluiting aanzienlijk kunnen beïnvloeden. Het Hof wordt ten minste 45 dagen vooraf in kennis gesteld van dergelijke bekende of voorzienbare omstandigheden. Indien het Hof overeenkomstig artikel 103, § 2, b), van het Statuut de wijziging in de omstandigheden niet kan aanvaarden, stelt het de centrale autoriteit daarvan in kennis en wijst het een andere Staat aan om de straf ten uitvoer te leggen.
§ 2. Overeenkomstig artikel 103, § 2, a), van het Statuut stelt de centrale autoriteit, in voorkomend geval, het Hof ook in kennis van alle omstandigheden die de voorwaarden of de duur van de opsluiting aanzienlijk kunnen beïnvloeden. Het Hof wordt ten minste 45 dagen vooraf in kennis gesteld van dergelijke bekende of voorzienbare omstandigheden. Indien het Hof overeenkomstig artikel 103, § 2, b), van het Statuut de wijziging in de omstandigheden niet kan aanvaarden, stelt het de centrale autoriteit daarvan in kennis en wijst het een andere Staat aan om de straf ten uitvoer te leggen.
Art.34. § 1er. Lorsque l'autorité centrale agrée la demande de la Cour de prendre en charge l'exécution d'une peine privative de liberté, elle en informe la Cour et lui communique toutes les informations pertinentes relatives à l'exécution de la peine.
§ 2. Conformément à l'article 103, § 2, a), du Statut, l'autorité centrale avise également, le cas échéant, la Cour de toute circonstance qui serait de nature à modifier sensiblement les conditions ou la durée de la détention. La Cour est avisée au moins 45 jours à l'avance de toute circonstance de ce type, connue ou prévisible. Conformément à l'article 103, § 2, b), du Statut, si la Cour ne peut accepter ledit changement de circonstances, elle en avise l'autorité centrale et désigne un autre Etat chargé de l'exécution.
§ 2. Conformément à l'article 103, § 2, a), du Statut, l'autorité centrale avise également, le cas échéant, la Cour de toute circonstance qui serait de nature à modifier sensiblement les conditions ou la durée de la détention. La Cour est avisée au moins 45 jours à l'avance de toute circonstance de ce type, connue ou prévisible. Conformément à l'article 103, § 2, b), du Statut, si la Cour ne peut accepter ledit changement de circonstances, elle en avise l'autorité centrale et désigne un autre Etat chargé de l'exécution.
Art.35. § 1. Overeenkomstig artikel 105 van het Statuut is de vrijheidsbenemende straf die het Hof heeft uitgesproken uitvoerbaar in België vanaf het tijdstip waarop de centrale autoriteit het verzoek heeft aanvaard. De straf die het Hof heeft uitgesproken kan in geen geval worden gewijzigd. Alleen het Hof kan uitspraak doen over een verzoek tot herziening van zijn beslissing betreffende de schuld of de straf.
§ 2. Binnen vierentwintig uur nadat de overgebrachte persoon is aangekomen in de strafinrichting waarin hij moet worden opgesloten, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats van detentie. Deze laatste ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Hof de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. Overeenkomstig artikel 106, § 1, van het Statuut is de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf onderworpen aan het toezicht van het Hof. De detentievoorwaarden worden geregeld door de Belgische wetgeving.
§ 4. [1 De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld door artikel 110 van het Statuut. De door het Hof gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de strafuitvoeringsmodaliteiten niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Hof uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.]1
[1 § 5. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Hof, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar dit vraagt.
§ 6. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Hof, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.]1
[1 § 7.]1 Overeenkomstig artikel 104, § 2, van het Statuut kan een veroordeelde persoon te allen tijde het Hof verzoeken uit België te worden overgebracht.
§ 2. Binnen vierentwintig uur nadat de overgebrachte persoon is aangekomen in de strafinrichting waarin hij moet worden opgesloten, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats van detentie. Deze laatste ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Hof de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. Overeenkomstig artikel 106, § 1, van het Statuut is de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf onderworpen aan het toezicht van het Hof. De detentievoorwaarden worden geregeld door de Belgische wetgeving.
§ 4. [1 De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld door artikel 110 van het Statuut. De door het Hof gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de strafuitvoeringsmodaliteiten niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Hof uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.]1
[1 § 5. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Hof, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar dit vraagt.
§ 6. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Hof, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.]1
[1 § 7.]1 Overeenkomstig artikel 104, § 2, van het Statuut kan een veroordeelde persoon te allen tijde het Hof verzoeken uit België te worden overgebracht.
Modifications
Art.35. § 1er. Conformément à l'article 105 du Statut, la peine privative de liberté prononcée par la Cour est exécutoire en Belgique dès le moment où la demande est acceptée par l'autorité centrale. La peine prononcée par la Cour ne peut en aucun cas être modifiée. Seule la Cour a le droit de se prononcer sur une demande de révision de sa décision sur la culpabilité ou la peine.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance du lieu de détention. Celui-ci procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement de la Cour, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Conformément à l'article 106, § 1er, du Statut, l'exécution d'une peine d'emprisonnement est soumise au contrôle de la Cour. Les conditions de détention sont régies par la législation belge.
§ 4. [1 Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par l'article 110 du Statut. Les décisions rendues par la Cour sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par la Cour.]1
[1 § 5. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque la Cour, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 6. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible la Cour, seule compétente pour décider d'une telle libération.]1
[1 § 7.]1 Conformément à l'article 104, § 2, du Statut, la personne condamnée par la Cour peut à tout moment demander à celle-ci son transfert hors de Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance du lieu de détention. Celui-ci procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement de la Cour, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Conformément à l'article 106, § 1er, du Statut, l'exécution d'une peine d'emprisonnement est soumise au contrôle de la Cour. Les conditions de détention sont régies par la législation belge.
§ 4. [1 Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par l'article 110 du Statut. Les décisions rendues par la Cour sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par la Cour.]1
[1 § 5. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque la Cour, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 6. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible la Cour, seule compétente pour décider d'une telle libération.]1
[1 § 7.]1 Conformément à l'article 104, § 2, du Statut, la personne condamnée par la Cour peut à tout moment demander à celle-ci son transfert hors de Belgique.
Modifications
Art.36. Binnen de perken van artikel 108 van het Statuut en overeenkomstig de Belgische wetgeving, kan België de veroordeelde die zijn straf heeft ondergaan uitleveren of op enig andere wijze overdragen aan de Staat die zijn uitlevering of zijn overdracht heeft gevraagd of aan het Internationaal Tribunaal dat zijn overdracht heeft gevraagd met het oog op veroordeling of tenuitvoerlegging van een straf.
Art.36. Dans les limites posées par l'article 108 du Statut, la Belgique peut, en application de sa législation, extrader ou remettre de quelque autre manière que ce soit le condamné qui a accompli sa peine à l'Etat qui a demandé son extradition ou sa remise, ou au Tribunal international qui a demandé sa remise aux fins de jugement ou d'exécution d'une peine.
Art.37. Ingeval de veroordeelde overeenkomstig artikel 81 van het Statuut beroep instelt tegen een beslissing betreffende de schuld of de straf, overeenkomstig artikel 84 van het Statuut een verzoek tot herziening van een beslissing betreffende de schuld of de straf indient of overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een verzoek tot strafvermindering indient, kan het verzoekschrift worden overgezonden door de centrale autoriteit, die het samen met alle relevante stukken zo spoedig mogelijk overzendt aan het Hof.
Art.37. Si le condamné dépose une demande d'appel d'une décision sur la culpabilité ou la peine conformément à l'article 81 du Statut, une demande de révision d'une décision sur la culpabilité ou la peine conformément à l'article 84 du Statut ou une demande de réduction de peine conformément à l'article 110 du Statut, sa requête peut être transmise par l'intermédiaire de l'autorité centrale, qui la communique à la Cour dans les meilleurs délais, avec tous les documents pertinents.
Art.38. Overeenkomstig artikel 106, § 3, van het Statuut zijn mededelingen tussen een veroordeelde persoon en het Hof vrij en vertrouwelijk.
Art.38. Conformément à l'article 106, § 3, du Statut, les communications entre la Cour et un condamné sont libres et confidentielles.
Art.39. Indien een veroordeelde zijn plaats van detentie ontvlucht, kan de centrale autoriteit, na het Hof te hebben geraadpleegd, de Staat waar de veroordeelde zich bevindt, verzoeken om die persoon krachtens de geldende bilaterale of multilaterale overeenkomsten aan hem over te dragen, of het Hof op grond van hoofdstuk IX van het Statuut om de overdracht van die persoon verzoeken.
Art.39. En cas d'évasion d'un condamné de son lieu de détention, l'autorité centrale peut, après avoir consulté la Cour, demander à l'Etat dans lequel se trouve le condamné, de le lui remettre, en application des accords bilatéraux ou multilatéraux en vigueur, ou demander à la Cour de solliciter la remise de cette personne conformément au chapitre IX du Statut.
Art.40. [1 § 1.]1 Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de geldboeten en de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Hof krachtens hoofdstuk VII van het Statuut heeft bevolen.
[1 § 2. Het verzoek van het Hof tot tenuitvoerlegging van een geldboete moet worden geformuleerd in euro of anders gepaard gaan met een omzetting van het bedrag van de geldboete in euro.
Het openbaar ministerie gaat over tot de tenuitvoerlegging van dat verzoek, voor zover dit betrekking heeft op een definitieve geldboete. De procedure bedoeld in de artikelen 464/1 tot 464/41 van het Wetboek van strafvordering, met betrekking tot het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, is van toepassing ongeacht het bedrag van de geldboete.
Wanneer de betrokkene in staat is het bewijs van een betaling, geheel of ten dele, te leveren, brengt het openbaar ministerie dit ter kennis van de centrale autoriteit, die het Hof raadpleegt en daarbij alle nodige informatie opvraagt. Elk deel van het bedrag van de geldboete dat op eender welke wijze wordt geïnd door het Hof, wordt integraal in mindering gebracht van het bedrag van de geldboete die het voorwerp is van tenuitvoerlegging in België.
Er wordt een einde gesteld aan de tenuitvoerlegging van de geldboete zodra het openbaar ministerie door de centrale autoriteit in kennis gesteld is van de betaling van het volledige bedrag van de geldboete.]1
[1 § 3.]1 Wanneer het Hof België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, maakt de correctionele rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, kan de correctionele rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, de overeenkomstig artikel 109, § 2, van het Statuut en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek bedoelde maatregelen tot verbeurdverklaring van een overeenstemmend bedrag nemen.
[1 § 4. De geldsommen, de roerende en onroerende goederen of de opbrengst van de verkoop ervan, verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof, overeenkomstig de paragrafen 2 en 3, worden integraal overdragen aan het Hof op initiatief van het openbaar ministerie. Het stelt de centrale autoriteit in kennis van alle overdrachten aan het Hof met toepassing van deze paragraaf.]1
[1 § 5. Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van dit artikel, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]1
[1 § 2. Het verzoek van het Hof tot tenuitvoerlegging van een geldboete moet worden geformuleerd in euro of anders gepaard gaan met een omzetting van het bedrag van de geldboete in euro.
Het openbaar ministerie gaat over tot de tenuitvoerlegging van dat verzoek, voor zover dit betrekking heeft op een definitieve geldboete. De procedure bedoeld in de artikelen 464/1 tot 464/41 van het Wetboek van strafvordering, met betrekking tot het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, is van toepassing ongeacht het bedrag van de geldboete.
Wanneer de betrokkene in staat is het bewijs van een betaling, geheel of ten dele, te leveren, brengt het openbaar ministerie dit ter kennis van de centrale autoriteit, die het Hof raadpleegt en daarbij alle nodige informatie opvraagt. Elk deel van het bedrag van de geldboete dat op eender welke wijze wordt geïnd door het Hof, wordt integraal in mindering gebracht van het bedrag van de geldboete die het voorwerp is van tenuitvoerlegging in België.
Er wordt een einde gesteld aan de tenuitvoerlegging van de geldboete zodra het openbaar ministerie door de centrale autoriteit in kennis gesteld is van de betaling van het volledige bedrag van de geldboete.]1
[1 § 3.]1 Wanneer het Hof België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, maakt de correctionele rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, kan de correctionele rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, de overeenkomstig artikel 109, § 2, van het Statuut en onverminderd de rechten van derden te goeder trouw, in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek bedoelde maatregelen tot verbeurdverklaring van een overeenstemmend bedrag nemen.
[1 § 4. De geldsommen, de roerende en onroerende goederen of de opbrengst van de verkoop ervan, verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof, overeenkomstig de paragrafen 2 en 3, worden integraal overdragen aan het Hof op initiatief van het openbaar ministerie. Het stelt de centrale autoriteit in kennis van alle overdrachten aan het Hof met toepassing van deze paragraaf.]1
[1 § 5. Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van dit artikel, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]1
Modifications
Art.40. [1 § 1er.]1 La Belgique exécute les peines d'amende et les mesures de confiscation ordonnées par la Cour, en vertu du chapitre VII du Statut, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi.
[1 § 2. La demande de la Cour tendant à l'exécution d'une peine d'amende doit être libellée en euros ou, à défaut, être accompagnée d'une conversion du montant de la peine en euros.
Le ministère public procède à l'exécution de cette demande, pour autant qu'elle porte sur une peine d'amende définitive. La procédure prévue aux articles 464/1 à 464/41 du Code d'instruction criminelle relative à l'enquête pénale d'exécution est applicable, quel que soit le montant de la peine d'amende.
Lorsque la personne concernée est en mesure de fournir la preuve d'un paiement, en tout ou en partie, le ministère public en avertit l'autorité centrale qui consulte la Cour, en sollicitant toute information nécessaire. Toute partie du montant de la peine d'amende recouvrée de quelque manière que ce soit par la Cour est entièrement déduite du montant de la peine d'amende faisant l'objet d'une exécution en Belgique.
Il est mis fin à l'exécution de la peine d'amende dès que le ministère public est informé par l'autorité centrale du paiement de la totalité de la peine d'amende.]1
[1 § 3.]1 Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par la Cour à la Belgique, le tribunal correctionnel du lieu où sont situés les biens sur lesquels porte la confiscation rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Conformément à l'article 109, § 2, du Statut, lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, peuvent être ordonnées par le tribunal correctionnel du lieu où sont situés les biens sur lesquels porte la confiscation, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi.
[1 § 4. Les sommes d'argent, les biens mobiliers et immobiliers, ou le produit de leur vente, obtenus en exécution d'un arrêt de la Cour, conformément aux paragraphes 2 et 3, sont intégralement transférés à la Cour à l'initiative du ministère public. Celui-ci informe l'autorité centrale de tout transfert à la Cour en application du présent paragraphe.]1
[1 § 5. Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent article.]1
[1 § 2. La demande de la Cour tendant à l'exécution d'une peine d'amende doit être libellée en euros ou, à défaut, être accompagnée d'une conversion du montant de la peine en euros.
Le ministère public procède à l'exécution de cette demande, pour autant qu'elle porte sur une peine d'amende définitive. La procédure prévue aux articles 464/1 à 464/41 du Code d'instruction criminelle relative à l'enquête pénale d'exécution est applicable, quel que soit le montant de la peine d'amende.
Lorsque la personne concernée est en mesure de fournir la preuve d'un paiement, en tout ou en partie, le ministère public en avertit l'autorité centrale qui consulte la Cour, en sollicitant toute information nécessaire. Toute partie du montant de la peine d'amende recouvrée de quelque manière que ce soit par la Cour est entièrement déduite du montant de la peine d'amende faisant l'objet d'une exécution en Belgique.
Il est mis fin à l'exécution de la peine d'amende dès que le ministère public est informé par l'autorité centrale du paiement de la totalité de la peine d'amende.]1
[1 § 3.]1 Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par la Cour à la Belgique, le tribunal correctionnel du lieu où sont situés les biens sur lesquels porte la confiscation rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Conformément à l'article 109, § 2, du Statut, lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, peuvent être ordonnées par le tribunal correctionnel du lieu où sont situés les biens sur lesquels porte la confiscation, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi.
[1 § 4. Les sommes d'argent, les biens mobiliers et immobiliers, ou le produit de leur vente, obtenus en exécution d'un arrêt de la Cour, conformément aux paragraphes 2 et 3, sont intégralement transférés à la Cour à l'initiative du ministère public. Celui-ci informe l'autorité centrale de tout transfert à la Cour en application du présent paragraphe.]1
[1 § 5. Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent article.]1
Modifications
HOOFDSTUK VII. - Misdrijven tegen de rechtsbedeling van het Internationaal [1 Strafhof]1.
CHAPITRE VII. - Atteintes à l'administration de la justice de la Cour pénale internationale.
Art.41. Hij die een misdrijf pleegt tegen de rechtsbedeling van het Internationaal [1 Strafhof]1 door een of meer feiten te plegen zoals bedoeld in artikel 70, § 1, a) tot f), van het Statuut, is strafbaar met gevangenisstraf van 6 maanden tot 5 jaar en met een geldboete van 50 euro tot 100.000 euro of met een van deze straffen alleen.
Modifications
Art.41. Quiconque portera atteinte à l'administration de la justice de la Cour pénale internationale en commettant l'un ou plusieurs des actes visés à l'article 70, § 1er, a) à f), du Statut est punissable d'une peine d'emprisonnement de 6 mois à 5 ans et d'une amende de 50 euros à 100.000 euros ou de l'une de ces peines seulement.
HOOFDSTUK VIII. - Procedure van voordracht van kandidaten voor het ambt van rechter bij het Internationaal [1 Strafhof]1.
CHAPITRE VIII. - Procédure de présentation d'un candidat pour la fonction de juge auprès de la Cour pénale internationale.
Art.42. § 1. Een openstaande betrekking voor het ambt van rechter bij het Internationaal [1 Strafhof]1 wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, wanneer de Ministerraad op voordracht van de Minister van Justitie beslist om een kandidaat voor deze verkiezing voor te stellen. De aankondiging in het Belgisch Staatsblad bevat de profielen van kandidaturen gegrond op artikel 36 van het Statuut en vermeldt de termijn waarbinnen de kandidaturen aan de Minister van Justitie moeten toekomen.
§ 2. Na het verstrijken van die termijn vraagt de Minister van Justitie aan de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie twee kandidatenlijsten op te stellen : een lijst met een rangschikking van de kandidaturen met het profiel bedoeld in artikel 36, § 3, b), i), van het Statuut en een andere met een rangschikking van de kandidaturen die deel uitmaken van de categorie bedoeld in artikel 36, § 3, b), ii), van het Statuut. Beide lijsten worden opgesteld nadat de kandidaten zijn gehoord door de verenigde benoemings- en aanwijzigingscommissie. Deze commissie zendt de lijsten over binnen een termijn van 60 volle dagen te rekenen vanaf de overzending door de Minister van Justitie van de dossiers betreffende de kandidaturen. Er zal evenwel slecht één enkele lijst opgesteld worden indien de te begeven betrekkingen slechts betrekking hebben op één enkele van de categorieën bedoeld bij artikel 36, § 3, b), van het Statuut.
§ 3. Na het verstrijken van de termijn van 60 dagen, bedoeld in § 2, beschikt de Koning over een termijn van 60 volle dagen om, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de kandidatuur te kiezen welke België voor de te begeven zetel voordraagt. Hij moet beslissen over de persoon die als eerste gerangschikt staat indien er slechts één enkele lijst is, of op één van de twee eerst gerangschikte personen van elke lijst, indien er, in overeenstemming met § 2, twee lijsten opgesteld zijn.
§ 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de keuze van de commissie bij een met redenen omklede beslissing verwerpen. De commissie beschikt over een termijn van 15 volle dagen om overeenkomstig § 2 één of twee nieuwe kandidatenlijsten voor te stellen. Na het verstrijken van die termijn beschikt de Koning over een termijn van 30 volle dagen om ofwel bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de kandidatuur te kiezen die België voor de te begeven zetel voordraagt, en dit volgens dezelfde procedure als die welke omschreven is in § 3, in fine, ofwel, via een met redenen omklede weigering, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, geen enkele van de voorgestelde kandidaten voor te dragen, wat de procedure afsluit.
§ 2. Na het verstrijken van die termijn vraagt de Minister van Justitie aan de verenigde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie twee kandidatenlijsten op te stellen : een lijst met een rangschikking van de kandidaturen met het profiel bedoeld in artikel 36, § 3, b), i), van het Statuut en een andere met een rangschikking van de kandidaturen die deel uitmaken van de categorie bedoeld in artikel 36, § 3, b), ii), van het Statuut. Beide lijsten worden opgesteld nadat de kandidaten zijn gehoord door de verenigde benoemings- en aanwijzigingscommissie. Deze commissie zendt de lijsten over binnen een termijn van 60 volle dagen te rekenen vanaf de overzending door de Minister van Justitie van de dossiers betreffende de kandidaturen. Er zal evenwel slecht één enkele lijst opgesteld worden indien de te begeven betrekkingen slechts betrekking hebben op één enkele van de categorieën bedoeld bij artikel 36, § 3, b), van het Statuut.
§ 3. Na het verstrijken van de termijn van 60 dagen, bedoeld in § 2, beschikt de Koning over een termijn van 60 volle dagen om, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de kandidatuur te kiezen welke België voor de te begeven zetel voordraagt. Hij moet beslissen over de persoon die als eerste gerangschikt staat indien er slechts één enkele lijst is, of op één van de twee eerst gerangschikte personen van elke lijst, indien er, in overeenstemming met § 2, twee lijsten opgesteld zijn.
§ 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de keuze van de commissie bij een met redenen omklede beslissing verwerpen. De commissie beschikt over een termijn van 15 volle dagen om overeenkomstig § 2 één of twee nieuwe kandidatenlijsten voor te stellen. Na het verstrijken van die termijn beschikt de Koning over een termijn van 30 volle dagen om ofwel bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de kandidatuur te kiezen die België voor de te begeven zetel voordraagt, en dit volgens dezelfde procedure als die welke omschreven is in § 3, in fine, ofwel, via een met redenen omklede weigering, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, geen enkele van de voorgestelde kandidaten voor te dragen, wat de procedure afsluit.
Modifications
Art.42. § 1er. La vacance de poste à la fonction de juge auprès de la Cour pénale internationale fait l'objet d'une publication au Moniteur belge lorsque le Conseil des ministres, sur proposition du Ministre de la Justice, décide de présenter un candidat à cette élection. L'annonce publiée au Moniteur belge présente les profils de candidatures fondés sur l'article 36 du Statut et indique le délai dans lequel les candidatures doivent parvenir au ministre de la Justice.
§ 2. A l'expiration de ce délai, le Ministre de la Justice demande à la commission de nomination et de désignation réunie du Conseil supérieur de la Justice que deux listes de candidatures soient établies : l'une établissant un classement des candidatures ayant le profil visé à l'article 36, § 3, b), i), du Statut et l'autre établissant un classement des candidatures appartenant à la catégorie visée à l'article 36, § 3, b), ii), du Statut. Ces deux listes sont établies après audition des candidats par la commission de nomination et de désignation réunie. Cette commission transmet les listes dans un délai de 60 jours francs à dater de la transmission des dossiers de candidatures par le ministre de la Justice. Toutefois, une seule de ces listes sera établie si le ou les postes à pourvoir ne relèvent que d'une seule des catégories visées à l'article 36, § 3, b), du Statut.
§ 3. A l'expiration du délai de 60 jours visé au § 2, le Roi dispose de 60 jours francs pour sélectionner, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la candidature qui sera présentée par la Belgique pour le siège à pourvoir. Sa décision doit porter sur la personne classée première de la liste, en cas de liste unique, ou sur l'une des deux personnes classées premières de chaque liste lorsque deux listes sont établies conformément au § 2.
§ 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, opposer au choix de la commission un refus motivé. La commission dispose d'un délai de 15 jours francs pour procéder à une nouvelle présentation d'une ou deux listes de candidatures, conformément au § 2. A l'expiration de ce délai, le Roi dispose d'un délai de 30 jours francs, soit pour sélectionner, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la candidature qui sera présentée par la Belgique pour le siège à pourvoir suivant la même procédure que celle visée au § 3 in fine, soit pour décider, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, par le biais d'un refus motive, de ne présenter aucun des candidats proposés, ce qui clôt la procédure.
§ 2. A l'expiration de ce délai, le Ministre de la Justice demande à la commission de nomination et de désignation réunie du Conseil supérieur de la Justice que deux listes de candidatures soient établies : l'une établissant un classement des candidatures ayant le profil visé à l'article 36, § 3, b), i), du Statut et l'autre établissant un classement des candidatures appartenant à la catégorie visée à l'article 36, § 3, b), ii), du Statut. Ces deux listes sont établies après audition des candidats par la commission de nomination et de désignation réunie. Cette commission transmet les listes dans un délai de 60 jours francs à dater de la transmission des dossiers de candidatures par le ministre de la Justice. Toutefois, une seule de ces listes sera établie si le ou les postes à pourvoir ne relèvent que d'une seule des catégories visées à l'article 36, § 3, b), du Statut.
§ 3. A l'expiration du délai de 60 jours visé au § 2, le Roi dispose de 60 jours francs pour sélectionner, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, la candidature qui sera présentée par la Belgique pour le siège à pourvoir. Sa décision doit porter sur la personne classée première de la liste, en cas de liste unique, ou sur l'une des deux personnes classées premières de chaque liste lorsque deux listes sont établies conformément au § 2.
§ 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, opposer au choix de la commission un refus motivé. La commission dispose d'un délai de 15 jours francs pour procéder à une nouvelle présentation d'une ou deux listes de candidatures, conformément au § 2. A l'expiration de ce délai, le Roi dispose d'un délai de 30 jours francs, soit pour sélectionner, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la candidature qui sera présentée par la Belgique pour le siège à pourvoir suivant la même procédure que celle visée au § 3 in fine, soit pour décider, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, par le biais d'un refus motive, de ne présenter aucun des candidats proposés, ce qui clôt la procédure.
TITEL III. - Samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Rwanda.
TITRE III. - Coopération avec le Tribunal international pour l'ex-Yougoslavie et le Tribunal international pour le Rwanda.
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Art.43. Voor de toepassing van Titel III van deze wet wordt verstaan onder :
- " Tribunaal " : het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 827 (1993) van 25 mei 1993 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van voormalig Joegoslavië sedert 1991, [1 het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor daden van genocide of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van Rwanda en van de Rwandese burgers die ervan worden verdacht aansprakelijk te zijn voor zulke daden of schendingen begaan op het grondgebied van buurstaten tussen 1 januari en 31 december 1994 en het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010]1;
- " Resolutie 808 (1993) " : resolutie 808 (1993) van 22 februari 1993 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- " Resolutie 827 (1993) " : resolutie 827 (1993) van 25 mei 1993 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- " Resolutie 955 (1994) " : resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
[1 - "Resolutie 1966 (2010)" : resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- " Statuut " : het Statuut van het Tribunaal aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in zijn resolutie 827 (1993) [1, het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de V7erenigde Naties in zijn resolutie 955(1994) en het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde naties in zijn resolutie 1966 (2010);]1
- " Reglement " : het Reglement inzake procedure en bewijsvoering dat het Internationaal Straftribunaal voor voormalig Joegoslavië op 11 februari 1994 heeft aangenomen [1 , het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda aangenomen op 29 juni 1995 en het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen aangenomen op 8 juni 2012]1;
- " Aanklager " : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent;
[1 - "Centrale autoriteit" : autoriteit bevoegd inzake samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
- " Tribunaal " : het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 827 (1993) van 25 mei 1993 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van voormalig Joegoslavië sedert 1991, [1 het Internationaal Tribunaal ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 en belast met de berechting van de personen verdacht aansprakelijk te zijn voor daden van genocide of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht begaan op het grondgebied van Rwanda en van de Rwandese burgers die ervan worden verdacht aansprakelijk te zijn voor zulke daden of schendingen begaan op het grondgebied van buurstaten tussen 1 januari en 31 december 1994 en het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen ingesteld door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties bij zijn resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010]1;
- " Resolutie 808 (1993) " : resolutie 808 (1993) van 22 februari 1993 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- " Resolutie 827 (1993) " : resolutie 827 (1993) van 25 mei 1993 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- " Resolutie 955 (1994) " : resolutie 955 (1994) van 8 november 1994 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
[1 - "Resolutie 1966 (2010)" : resolutie 1966 (2010) van 22 december 2010 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- " Statuut " : het Statuut van het Tribunaal aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in zijn resolutie 827 (1993) [1, het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de V7erenigde Naties in zijn resolutie 955(1994) en het Statuut aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde naties in zijn resolutie 1966 (2010);]1
- " Reglement " : het Reglement inzake procedure en bewijsvoering dat het Internationaal Straftribunaal voor voormalig Joegoslavië op 11 februari 1994 heeft aangenomen [1 , het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het Internationaal Straftribunaal voor Rwanda aangenomen op 29 juni 1995 en het Reglement inzake procedure en bewijsvoering van het internationaal mechanisme voor de uitoefening van de restbevoegdheden van de straftribunalen aangenomen op 8 juni 2012]1;
- " Aanklager " : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent;
[1 - "Centrale autoriteit" : autoriteit bevoegd inzake samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
Modifications
Art.43. Aux fins du Titre III de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- " Tribunal " : le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations Unies par sa résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 et chargé de juger les personnes présumées responsables de violations graves du droit international humanitaire commises sur le territoire de l'ex-Yougoslavie depuis 1991 [1 , le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 et chargé de juger les personnes présumées coupables d'actes de génocide ou d'autres violations graves du droit international humanitaire commis sur le territoire du Rwanda et les citoyens rwandais présumés responsables de tels actes ou violations commis sur le territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le 31 décembre 1994 et le Mécanisme international [2 appelé à]2 exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010]1;
- " Résolution 808 (1993) " : la résolution 808 (1993) du 22 février 1993 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- " Résolution 827 (1993) " : la résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- " Résolution 955 (1994) " : la résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
[1 - "Résolution 1966 (2010)" : la résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;]1
- " Statut " : le Statut du Tribunal adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 827 (1993) [1 , le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 955 (1994) et le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 1966 (2010);]1
- " Règlement " : le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour l'ex-Yougoslavie adopté le 11 février 1994 et le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995 [1 , le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995 et le Règlement de procédure et de preuve du Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux adopté le 8 juin 2012;]1
- " Procureur " : le Procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
[1 - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
- " Tribunal " : le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations Unies par sa résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 et chargé de juger les personnes présumées responsables de violations graves du droit international humanitaire commises sur le territoire de l'ex-Yougoslavie depuis 1991 [1 , le Tribunal international créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 et chargé de juger les personnes présumées coupables d'actes de génocide ou d'autres violations graves du droit international humanitaire commis sur le territoire du Rwanda et les citoyens rwandais présumés responsables de tels actes ou violations commis sur le territoire d'Etats voisins entre le 1er janvier et le 31 décembre 1994 et le Mécanisme international [2 appelé à]2 exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux créé par le Conseil de sécurité des Nations unies par sa résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010]1;
- " Résolution 808 (1993) " : la résolution 808 (1993) du 22 février 1993 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- " Résolution 827 (1993) " : la résolution 827 (1993) du 25 mai 1993 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- " Résolution 955 (1994) " : la résolution 955 (1994) du 8 novembre 1994 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
[1 - "Résolution 1966 (2010)" : la résolution 1966 (2010) du 22 décembre 2010 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;]1
- " Statut " : le Statut du Tribunal adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 827 (1993) [1 , le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 955 (1994) et le Statut adopté par le Conseil de sécurité des Nations unies dans sa résolution 1966 (2010);]1
- " Règlement " : le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour l'ex-Yougoslavie adopté le 11 février 1994 et le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995 [1 , le Règlement de procédure et de preuve du Tribunal pénal international pour le Rwanda adopté le 29 juin 1995 et le Règlement de procédure et de preuve du Mécanisme international chargé d'exercer les fonctions résiduelles des Tribunaux pénaux adopté le 8 juin 2012;]1
- " Procureur " : le Procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
[1 - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
Art.44. België zal volgens de bepalingen van deze wet zijn verplichtingen tot samenwerking voortvloeiende uit de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op grond van hoofdstuk VII van het Handvest van de Verenigde Naties aangenomen resoluties 808 (1993), 827 (1993) [1 , 955 (1994) en 1966 (2010)]1 nakomen.
Modifications
Art.44. En vertu des dispositions de la présente loi, la Belgique respectera les obligations de coopération qui découlent des résolutions 808 (1993), 827 (1993) [1 , 955 (1994) et 1966 (2010)]1 adoptées par le Conseil de sécurité des Nations unies sur la base du chapitre VII de la Charte des Nations unies.
Modifications
Art.45. De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Tribunaal hun volledige gerechtelijke samenwerking in procedures betreffende de misdrijven omschreven in de artikelen 1 tot 8 van het Statuut van het Tribunaal voor voormalig Joegoslavië en in de artikelen 2 tot 4 van het Statuut van het Tribunaal voor Rwanda, overeenkomstig de bepalingen van de resoluties vermeld in artikel 44 van deze wet en overeenkomstig de bepalingen van het Statuut, van het Reglement en van deze wet.
Art.45. Les autorités compétentes accordent au Tribunal leur pleine et entière coopération judiciaire dans toute procédure visant les infractions définies aux articles 1er à 8 du Statut du Tribunal pour l'ex-Yougoslavie et aux articles 2 à 4 du Statut du Tribunal pour le Rwanda, conformément aux dispositions des résolutions mentionnées à l'article 44 de la présente loi ainsi qu'aux dispositions du Statut, du Règlement et de la présente loi.
Art.46. [1 § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
Modifications
Art.46. [1 § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. - Onttrekking van zaken aan de Belgische gerechten.
CHAPITRE II. - Dessaisissement des juridictions belges.
Art.47. Wanneer het Tribunaal, naar aanleiding van een feit dat tot zijn bevoegdheid behoort, vraagt dat een zaak aan de nationale gerechten wordt onttrokken, beslist het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal en na de betrokkene te hebben gehoord, tot onttrekking van de zaak aan het Belgische gerecht waarbij hetzelfde feit aanhangig is gemaakt, na te hebben nagegaan of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Art.47. Lorsqu'une demande de dessaisissement des juridictions nationales est formulée par le Tribunal à propos d'un fait relevant de sa compétence, la Cour de cassation, sur réquisition du procureur général, et après audition de la personne intéressée, prononce le dessaisissement de la juridiction belge saisie du même fait, après avoir vérifié qu'il n'y a pas erreur sur la personne.
Art.48. Het arrest dat de onttrekking van de zaak gelast, verhindert de voortzetting van de procedure in België, onverminderd de toepassing van artikel 49 van deze wet. De onttrekking van de zaak belet niet dat de burgerlijke partij het recht heeft om vergoeding te vorderen. De uitoefening van dat recht wordt opgeschort zolang de zaak aanhangig is voor het Tribunaal.
Art.48. L'arrêt de dessaisissement empêche la poursuite de la procédure en Belgique, sans préjudice de l'application de l'article 49 de la présente loi. Le dessaisissement ne fait pas obstacle au droit de la partie civile de demander réparation. L'exercice de ce droit est suspendu tant que l'affaire est pendante devant le Tribunal.
Art.49. Ingeval het Tribunaal, nadat de zaak aan het Belgisch gerecht is onttrokken, mededeelt dat de aanklager besloten heeft geen akte van beschuldiging op te stellen, dat het Tribunaal deze akte niet heeft bevestigd of dat het Tribunaal zich onbevoegd heeft verklaard, regelt het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal en na de betrokkene te hebben gehoord, de procedure en beveelt, in voorkomend geval, de verwijzing naar het bevoegde hof, de bevoegde rechtbank of het bevoegde onderzoeksgerecht.
Art.49. Lorsque le Tribunal fait savoir, après dessaisissement de la juridiction belge, que le Procureur a décidé de ne pas établir d'acte d'accusation, que le Tribunal ne l'a pas confirmé, ou que le Tribunal s'est déclaré incompétent, la Cour de cassation, sur réquisition du procureur général, et après audition de la personne intéressée, règle la procédure et, s'il y a lieu, prononce le renvoi devant la cour, le tribunal ou la juridiction d'instruction compétents.
HOOFDSTUK III. - Wederzijdse rechtshulp.
CHAPITRE III. - Entraide judiciaire.
Art.50. § 1. (De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van het Tribunaal die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.) <W 2006-07-01/60, art. 13, 002; Inwerkingtreding : 07-08-2006>
§ 2. [1 Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.]1
§ 3. [1 Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.]1
§ 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige verleent en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, dan beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. [1 Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.]1
[1 In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.]1
Wanneer het Tribunaal de in het [1 eerste]1 lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen, moeten worden behouden.
[1 § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
§ 2. [1 Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.]1
§ 3. [1 Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.]1
§ 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige verleent en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, dan beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. [1 Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.]1
[1 In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.]1
Wanneer het Tribunaal de in het [1 eerste]1 lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen, moeten worden behouden.
[1 § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
Art.50. § 1er. (Les demandes du Procureur ou les ordonnances du Tribunal visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.) <L 2006-07-01/60, art. 13, 002; En vigueur : 07-08-2006>
§ 2. [1 La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.]1
§ 3. [1 Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.]1
§ 4. Lorsque le Tribunal a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés par l'article 102 du même Code. [1 Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.]1
[1 Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance, est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.]1
Lorsque le Tribunal met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa [1 1er]1, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre a son égard ou à l'égard des autres personnes.
[1 § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
§ 2. [1 La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.]1
§ 3. [1 Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.]1
§ 4. Lorsque le Tribunal a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés par l'article 102 du même Code. [1 Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.]1
[1 Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance, est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.]1
Lorsque le Tribunal met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa [1 1er]1, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre a son égard ou à l'égard des autres personnes.
[1 § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
Art.51. De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Tribunaal in kennis van de datum en de plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.
Art.51. L'autorité judiciaire compétente saisie informe le Tribunal de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le Procureur ou le juge requérant sont autorises à assister à cette exécution.
Art.52. Ingeval bij een Belgisch gerecht een procedure aanhangig is inzake feiten bedoeld bij de artikelen 136bis tot 136quater, 136sexies en 136septies van het Strafwetboek die tot de bevoegdheid van het Tribunaal zouden kunnen behoren, wordt het Tribunaal hierover ingelicht door de [1 centrale autoriteit]1.
Modifications
Art.52. Lorsqu'une procédure est en cours devant une juridiction belge pour des faits visés aux articles 136bis à 136quater, 136sexies et 136septies du Code pénal qui pourraient relever de la compétence du Tribunal, celui-ci en est informé par [1 l'autorité centrale]1.
Modifications
HOOFDSTUK IV. - Aanhouding en overbrenging.
CHAPITRE IV. - Arrestation et transfert.
Art.53. § 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door het Tribunaal ten aanzien van een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar verklaart, aan de [1 aangehouden persoon]1 betekend. Deze laatste beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de [1 aangehouden persoon]1 aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
[1 De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het beroep.]1 Het arrest is uitvoerbaar. De [1 aangehouden persoon]1 blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
[1 Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.]1
Wanneer het bevel tot aanhouding van het Tribunaal definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. [1 Het in het Reglement bedoeld verzoek tot voorlopige aanhouding, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.]1
[1 § 3. De aangehouden persoon heeft het recht om de kamer van inbeschuldigingstelling bij verzoekschrift te verzoeken om voorlopige invrijheidstelling in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover [2 dit]2 binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.]1
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar verklaart, aan de [1 aangehouden persoon]1 betekend. Deze laatste beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de [1 aangehouden persoon]1 aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
[1 De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de indiening van het beroep.]1 Het arrest is uitvoerbaar. De [1 aangehouden persoon]1 blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
[1 Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.]1
Wanneer het bevel tot aanhouding van het Tribunaal definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. [1 Het in het Reglement bedoeld verzoek tot voorlopige aanhouding, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.]1
[1 § 3. De aangehouden persoon heeft het recht om de kamer van inbeschuldigingstelling bij verzoekschrift te verzoeken om voorlopige invrijheidstelling in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover [2 dit]2 binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.]1
Art.53. § 1er. Le mandat d'arrêt décerné par le Tribunal à l'égard d'une personne qui se trouve sur le territoire belge est rendu exécutoire par la chambre du conseil du lieu de sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée.
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal est signifiée à [1 la personne arrêtée]1. [1 Celle-ci]1 dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de [1 la personne arrêtée]1 au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
[1 La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours.]1 L'arrêt est exécutoire. [1 La personne arrêtée]1 restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
[1 La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.]1
Lorsque le mandat d'arrêt du Tribunal est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. [1 La demande d'arrestation provisoire visée au Règlement, qui est formulée en cas d'urgence par le procureur, est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la personne faisant l'objet de ce mandat a sa résidence, ou le lieu où elle a été trouvée. Le juge d'instruction vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation provisoire ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté.
Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.]1
[1 § 3. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par le Tribunal.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne au Tribunal. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, le Tribunal peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.]1
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal est signifiée à [1 la personne arrêtée]1. [1 Celle-ci]1 dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de [1 la personne arrêtée]1 au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
[1 La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours.]1 L'arrêt est exécutoire. [1 La personne arrêtée]1 restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
[1 La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.]1
Lorsque le mandat d'arrêt du Tribunal est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. [1 La demande d'arrestation provisoire visée au Règlement, qui est formulée en cas d'urgence par le procureur, est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la personne faisant l'objet de ce mandat a sa résidence, ou le lieu où elle a été trouvée. Le juge d'instruction vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation provisoire ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté.
Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.]1
[1 § 3. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par le Tribunal.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne au Tribunal. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, le Tribunal peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.]1
Modifications
Art.54. Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement van het Tribunaal.
Art.54. Dans le respect de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le gouvernement transfère la personne arrêtée, conformément au Règlement du Tribunal.
HOOFDSTUK V. - Tenuitvoerlegging van de straffen.
CHAPITRE V. - Exécution des peines.
Art.55. § 1. Voorzover België is ingeschreven op de lijst van de Staten die aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties te kennen hebben gegeven bereid te zijn veroordeelde personen te aanvaarden met het oog op de tenuitvoerlegging van hun gevangenisstraf, en voor zover een persoon veroordeeld door het Tribunaal te dien einde naar België wordt overgebracht overeenkomstig de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal, is de gevangenisstraf in België rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de [1 van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen]1 rechtbank van eerste aanleg. [1 De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit]1, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast, op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal, de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
[1 § 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.]1
[1 § 6.]1 Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de [1 van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen]1 rechtbank van eerste aanleg. [1 De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit]1, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast, op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal, de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
[1 § 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.]1
[1 § 6.]1 Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.
Modifications
Art.55. § 1er. Dans la mesure où la Belgique est inscrite sur la liste des Etats qui ont fait savoir au Conseil de sécurité des Nations unies qu'ils étaient disposés à recevoir des condamnés afin qu'ils y subissent leur peine d'emprisonnement et où une personne condamnée par le Tribunal est transférée en Belgique à cette fin conformément à l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et ce Tribunal, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance [1 de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention]1. [1 Le procureur du Roi procède à l'interrogatoire d'identité]1, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
[1 § 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.]1
[1 § 6.]1 La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut de ce Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et ce Tribunal.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance [1 de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention]1. [1 Le procureur du Roi procède à l'interrogatoire d'identité]1, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
[1 § 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.]1
[1 § 6.]1 La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut de ce Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et ce Tribunal.
Modifications
Art. 55bis. [1 Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. [2 De geldsommen, de roerende en onroerende goederen of de opbrengst van de verkoop ervan, verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden integraal overdragen aan het Tribunaal op initiatief van het openbaar ministerie. Het stelt de centrale autoriteit in kennis van alle overdrachten aan het Tribunaal met toepassing van dit artikel.]2]1 [2 Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van dit artikel, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]2
Art. 55bis. [1 La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. [2 Les sommes d'argent, les biens mobiliers et immobiliers, ou le produit de leur vente, obtenus en exécution d'un arrêt du Tribunal, sont intégralement transférés au Tribunal à l'initiative du ministère public. Celui-ci informe l'autorité centrale de tout transfert au Tribunal en application du présent article.]2]1 [2 Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent article.]2
TITEL IV. - Opheffings- en overgangsbepalingen.
TITRE IV. - Dispositions abrogatoires et transitoires.
Art.56. § 1. De wet van 22 maart 1996 betreffende de erkenning van en de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Rwanda wordt opgeheven op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
§ 2. Artikel 28 van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht wordt opgeheven op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
§ 2. Artikel 28 van de wet van 5 augustus 2003 betreffende ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht wordt opgeheven op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art.56. § 1er. La loi du 22 mars 1996 relative à la reconnaissance du Tribunal international pour l'ex-Yougoslavie et du Tribunal international pour le Rwanda et à la coopération avec ces tribunaux est abrogée à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
§ 2. L'article 28 de la loi du 5 août 2003 relative aux violations graves du droit international humanitaire est abrogé à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
§ 2. L'article 28 de la loi du 5 août 2003 relative aux violations graves du droit international humanitaire est abrogé à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
Art.57. De samenwerkingshandelingen in het kader van de wet van 22 maart 1996 betreffende de erkenning van en de samenwerking met het Internationaal Tribunaal voor voormalig Joegoslavië en het Internationaal Tribunaal voor Rwanda, waaraan uitvoering wordt gegeven op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet worden voort ten uitvoer gelegd in het kader van deze wet.
Art.57. Les actes de coopération, dans le cadre de la loi du 22 mars 1996 relative à la reconnaissance du Tribunal international pour l'ex-Yougoslavie et le Tribunal international pour le Rwanda et à la coopération avec ces tribunaux, en cours d'exécution au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, continuent d'être exécutés dans le cadre de la présente loi.
TITEL V. - Samenwerking met het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone.
TITRE V. - Coopération avec le Tribunal Spécial pour la Sierra Leone.
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Art.58. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/60, art. 4; Inwerkingtreding : 07-08-2006> Voor de toepassing van Titel V van deze wet wordt verstaan onder :
- " Tribunaal " : het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone ingesteld bij de internationale overeenkomst van 16 januari 2002 gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone, en voortvloeiend uit resolutie 1315 (2000) van 14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties [1 en het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone ingesteld bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone, en voortvloeiend uit resolutie 1315 (2000) van 14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties]1;
- " Statuut " : het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone gevoegd bij de op 6 maart 2002 aan de voorzitter van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties gerichte brief van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties [1 en het Statuut van het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone gevoegd als bijlage bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone]1;
- " Aanklager " : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent;
[1 - "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
- " Tribunaal " : het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone ingesteld bij de internationale overeenkomst van 16 januari 2002 gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone, en voortvloeiend uit resolutie 1315 (2000) van 14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties [1 en het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone ingesteld bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone, en voortvloeiend uit resolutie 1315 (2000) van 14 augustus 2000 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties]1;
- " Statuut " : het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone gevoegd bij de op 6 maart 2002 aan de voorzitter van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties gerichte brief van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties [1 en het Statuut van het Residueel Speciaal Tribunaal voor Sierra Leone gevoegd als bijlage bij de internationale overeenkomst van 29 juli (New York) en 11 augustus 2010 (Freetown) gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Sierra Leone]1;
- " Aanklager " : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent;
[1 - "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Tribunaal, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
Modifications
Art.58. <L 2006-07-01/60, art. 4, 002; En vigueur : 07-08-2006> Aux fins du Titre V de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- " Tribunal " : le Tribunal Spécial pour la Sierra Leone créé par l'accord international du 16 janvier 2002 conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone, et découlant de la résolution 1315 (2000) du 14 août 2000 du Conseil de Sécurité des Nations unies [1 et le Tribunal Spécial Résiduel pour la Sierra Leone créé par l'accord international des 29 juillet (New York) et 11 août 2010 (Freetown) conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone, et découlant de la résolution 1315 (2000) du 14 août 2000 du Conseil de Sécurité des Nations unies]1;
- " Statut " : le Statut du Tribunal Spécial pour la Sierra Leone annexé à la lettre du Secrétaire-général des Nations unies, adressée le 6 mars 2002 au Président du Conseil de Sécurité des Nations unies [1 et le Statut du Tribunal Spécial Résiduel pour la Sierra Leone, annexé à l'accord international des 29 juillet (New York) et 11 août 2010 (Freetown) conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone]1;
- " Procureur " : le procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut ";
[1 - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
- " Tribunal " : le Tribunal Spécial pour la Sierra Leone créé par l'accord international du 16 janvier 2002 conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone, et découlant de la résolution 1315 (2000) du 14 août 2000 du Conseil de Sécurité des Nations unies [1 et le Tribunal Spécial Résiduel pour la Sierra Leone créé par l'accord international des 29 juillet (New York) et 11 août 2010 (Freetown) conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone, et découlant de la résolution 1315 (2000) du 14 août 2000 du Conseil de Sécurité des Nations unies]1;
- " Statut " : le Statut du Tribunal Spécial pour la Sierra Leone annexé à la lettre du Secrétaire-général des Nations unies, adressée le 6 mars 2002 au Président du Conseil de Sécurité des Nations unies [1 et le Statut du Tribunal Spécial Résiduel pour la Sierra Leone, annexé à l'accord international des 29 juillet (New York) et 11 août 2010 (Freetown) conclu entre les Nations unies et le gouvernement de la Sierra Leone]1;
- " Procureur " : le procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut ";
[1 - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
Modifications
Art.59. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/60, art. 5; Inwerkingtreding : 07-08-2006> België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van het Tribunaal.
Art.59. Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par le Tribunal.
Art.60. [1 § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
Modifications
Art.60. [1 § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
Modifications
Art.61. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/60, art. 7; Inwerkingtreding : 07-08-2006>De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Tribunaal hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek van het Tribunaal om samenwerking en waaraan de centrale autoriteit heeft beslist gevolg te geven.
Art.61. Les autorités compétentes accordent au Tribunal leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération du Tribunal à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.
HOOFDSTUK II. - Wederzijdse rechtshulp.
CHAPITRE II. - Entraide judiciaire.
Art.62. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/60, art. 9; Inwerkingtreding : 07-08-2006> § 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van het Tribunaal die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. [1 Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.]1
§ 3. [1 Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.]1
§ 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige verleent en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, dan beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen.
Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon.
Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. [1 Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.]1
[1 In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het vierde tot het negende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.]1
Wanneer het Tribunaal de in het [1 eerste]1 lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen, moeten worden behouden.
[1 § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
§ 2. [1 Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.]1
§ 3. [1 Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Hof en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.]1
§ 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige verleent en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, dan beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen.
Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon.
Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. [1 Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.]1
[1 In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het vierde tot het negende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.]1
Wanneer het Tribunaal de in het [1 eerste]1 lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen, moeten worden behouden.
[1 § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
Art.62. § 1er. Les demandes du procureur ou les ordonnances du Tribunal visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. [1 La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.]1
§ 3. [1 Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.]1
§ 4. Lorsque le Tribunal a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne.
Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104.
Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés par l'article 102 du même Code. [1 Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.]1
[1 Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 4 à 9 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.]1
Lorsque le Tribunal met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa [1 1er]1, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
[1 § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
§ 2. [1 La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.]1
§ 3. [1 Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.]1
§ 4. Lorsque le Tribunal a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne.
Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104.
Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés par l'article 102 du même Code. [1 Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.]1
[1 Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 4 à 9 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.]1
Lorsque le Tribunal met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa [1 1er]1, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
[1 § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
Art.63. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/60, art. 10; Inwerkingtreding : 07-08-2006> De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Tribunaal in kennis van de datum en de plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.
Art.63. L'autorité judiciaire compétente saisie informe le Tribunal de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le Procureur ou le juge requérant sont autorisés à assister à cette exécution.
HOOFDSTUK III. [1 - Strafuitvoering]1
CHAPITRE III. [1 - Exécution des peines]1
Art. 63bis. [1 § 1. Voor zover België met het Tribunaal een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na de aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.]1
§ 2. Binnen vierentwintig uur na de aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.]1
Art. 63bis. [1 § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec le Tribunal, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à l'interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut du Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et le Tribunal.]1
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à l'interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut du Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et le Tribunal.]1
Modifications
Art. 63ter. [1 Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. [2 De geldsommen, de roerende en onroerende goederen of de opbrengst van de verkoop ervan, verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden integraal overdragen aan het Tribunaal op initiatief van het openbaar ministerie. Het stelt de centrale autoriteit in kennis van alle overdrachten aan het Tribunaal met toepassing van dit artikel.]2]1 [2 Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van dit artikel, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]2
Art. 63ter. [1 La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. [2 Les sommes d'argent, les biens mobiliers et immobiliers, ou le produit de leur vente, obtenus en exécution d'un arrêt du Tribunal, sont intégralement transférés au Tribunal à l'initiative du ministère public. Celui-ci informe l'autorité centrale de tout transfert au Tribunal en application du présent article.]2]1 [2 Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent article.]2
TITEL VI. - Samenwerking met de bijzondere kamers belast met de vervolging van de misdaden gepleegd onder het regime van democratisch Kampuchea.
TITRE VI. - Coopération avec les Chambres extraordinaires chargées de poursuivre les crimes commis sous le régime du Kampuchéa démocratique.
HOOFDSTUK I. - Algemeen.
CHAPITRE Ier. - Généralités.
Art.64. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/65, art. 4; Inwerkingtreding : 12-08-2006> Voor de toepassing van titel VI van deze wet wordt verstaan onder :
- " Bijzondere kamers " : de bijzondere kamers opgericht bij de Cambodjaanse wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van de bijzondere kamers belast met de vervolging van de misdaden gepleegd onder het regime van democratisch Kampuchea, zoals gewijzigd bij de Cambodjaanse wet van 27 oktober 2004 tot bekrachtiging van de internationale overeenkomst van 17 maart 2003 gesloten tussen de Verenigde Naties en de Regering van het Koninkrijk Cambodja;
- " Statuut " : de Cambodjaanse wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van de bijzondere kamers belast met de vervolging van de misdaden gepleegd onder het regime van democratisch Kampuchea, zoals gewijzigd bij de Cambodjaanse wet van 27 oktober 2004 tot bekrachtiging van de internationale overeenkomst van 17 maart 2003 gesloten tussen de Verenigde Naties en de Regering van het Koninkrijk Cambodja;
- " Onderzoeksrechter " : de onderzoeksrechters belast met het onderzoek alsmede eenieder die door hen is gemachtigd of onder hun gezag werkt in het kader van de functie die zij op grond van het Statuut uitoefenen;
- " Aanklager " : de aanklagers belast met de vervolgingen alsmede eenieder die door hen is gemachtigd of onder hun gezag werkt in het kader van de functie die zij op grond van het Statuut uitoefenen;
[1 - "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de bijzondere kamers, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
- " Bijzondere kamers " : de bijzondere kamers opgericht bij de Cambodjaanse wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van de bijzondere kamers belast met de vervolging van de misdaden gepleegd onder het regime van democratisch Kampuchea, zoals gewijzigd bij de Cambodjaanse wet van 27 oktober 2004 tot bekrachtiging van de internationale overeenkomst van 17 maart 2003 gesloten tussen de Verenigde Naties en de Regering van het Koninkrijk Cambodja;
- " Statuut " : de Cambodjaanse wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van de bijzondere kamers belast met de vervolging van de misdaden gepleegd onder het regime van democratisch Kampuchea, zoals gewijzigd bij de Cambodjaanse wet van 27 oktober 2004 tot bekrachtiging van de internationale overeenkomst van 17 maart 2003 gesloten tussen de Verenigde Naties en de Regering van het Koninkrijk Cambodja;
- " Onderzoeksrechter " : de onderzoeksrechters belast met het onderzoek alsmede eenieder die door hen is gemachtigd of onder hun gezag werkt in het kader van de functie die zij op grond van het Statuut uitoefenen;
- " Aanklager " : de aanklagers belast met de vervolgingen alsmede eenieder die door hen is gemachtigd of onder hun gezag werkt in het kader van de functie die zij op grond van het Statuut uitoefenen;
[1 - "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de bijzondere kamers, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
Modifications
Art.64. Aux fins du titre VI de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- " Chambres extraordinaires " : les Chambres extraordinaires créées par la loi cambodgienne du 10 août 2001 portant création des Chambres extraordinaires chargées de poursuivre les crimes commis sous le régime du [1 Kampuchéa]1 démocratique, telle qu'amendée par la loi cambodgienne du 27 octobre 2004 approuvant la ratification de l'accord international du 17 mars 2003 conclu entre l'Organisation des Nations unies et le Gouvernement royal cambodgien;
- " Statut " : la loi cambodgienne du 10 août 2001 portant création des Chambres extraordinaires chargées de poursuivre les crimes commis sous le régime du [1 Kampuchéa]1 démocratique, telle qu'amendée par la loi cambodgienne du 27 octobre 2004 approuvant la ratification de l'accord international du 17 mars 2003 conclu entre l'Organisation des Nations unies et le Gouvernement royal cambodgien;
- " Juge d'instruction " : les juges d'instruction chargés de l'instruction, ainsi que toute personne autorisée par eux ou travaillant sous leur autorité dans le cadre des fonctions qui leur incombent en vertu du statut;
- " Procureur " : les procureurs chargés des poursuites, ainsi que toute personne autorisée par eux ou travaillant sous leur autorité dans le cadre des fonctions qui leur incombent en vertu du statut;
[1 - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et les Chambres extraordinaires, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public " : le procureur fédéral.]1
- " Chambres extraordinaires " : les Chambres extraordinaires créées par la loi cambodgienne du 10 août 2001 portant création des Chambres extraordinaires chargées de poursuivre les crimes commis sous le régime du [1 Kampuchéa]1 démocratique, telle qu'amendée par la loi cambodgienne du 27 octobre 2004 approuvant la ratification de l'accord international du 17 mars 2003 conclu entre l'Organisation des Nations unies et le Gouvernement royal cambodgien;
- " Statut " : la loi cambodgienne du 10 août 2001 portant création des Chambres extraordinaires chargées de poursuivre les crimes commis sous le régime du [1 Kampuchéa]1 démocratique, telle qu'amendée par la loi cambodgienne du 27 octobre 2004 approuvant la ratification de l'accord international du 17 mars 2003 conclu entre l'Organisation des Nations unies et le Gouvernement royal cambodgien;
- " Juge d'instruction " : les juges d'instruction chargés de l'instruction, ainsi que toute personne autorisée par eux ou travaillant sous leur autorité dans le cadre des fonctions qui leur incombent en vertu du statut;
- " Procureur " : les procureurs chargés des poursuites, ainsi que toute personne autorisée par eux ou travaillant sous leur autorité dans le cadre des fonctions qui leur incombent en vertu du statut;
[1 - "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et les Chambres extraordinaires, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public " : le procureur fédéral.]1
Modifications
Art.65. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/65, art. 5; Inwerkingtreding : 12-08-2006> België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van de bijzondere kamers.
Art.65. Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par les Chambres extraordinaires.
Art.66. [1 § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van de bijzondere kamers in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan de bijzondere kamers en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van de bijzondere kamers kan vallen, over te zenden aan de bijzondere kamers. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van de bijzondere kamers worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de bijzondere kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de bijzondere kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de bijzondere kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
§ 2. De verzoeken van de bijzondere kamers worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de bijzondere kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de bijzondere kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de bijzondere kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
Modifications
Art.66. [1 § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes formulées par les Chambres extraordinaires, pour transmettre aux Chambres extraordinaires les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre aux Chambres extraordinaires toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence des Chambres extraordinaires. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes des Chambres extraordinaires sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération des Chambres extraordinaires. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont les Chambres extraordinaires assortissent l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail des Chambres extraordinaires, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
§ 2. Les demandes des Chambres extraordinaires sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération des Chambres extraordinaires. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont les Chambres extraordinaires assortissent l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail des Chambres extraordinaires, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
Modifications
Art.67. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/65, art. 7; Inwerkingtreding : 12-08-2006> De bevoegde autoriteiten verlenen aan de bijzondere kamers hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek van de bijzondere kamers om samenwerking, waaraan de centrale autoriteit beslist heeft gevolg te geven.
Art.67. Les autorités compétentes accordent aux Chambres extraordinaires leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération des Chambres extraordinaires à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.
HOOFDSTUK II. - Wederzijdse rechtshulp.
CHAPITRE II. - Entraide judiciaire.
Art.68. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/65, art. 9; Inwerkingtreding : 12-08-2006> § 1. De verzoeken van de aanklager of de onderzoeksrechter, of de beschikkingen van de bijzondere kamers die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op het vaststellen van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. [1 Het verzoek van de aanklager of de onderzoeksrechter, of de beschikking van de bijzondere kamers die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.]1
§ 3. [1 Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de bijzondere kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de bijzondere kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de bijzondere kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.]1
§ 4. Wanneer de onderzoeksrechter, de aanklager of de bijzondere kamers een persoon het statuut van beschermde getuige verlenen en België vragen om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, dan beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde wijze als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. [1 Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.]1
[1 In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.]1
Wanneer de onderzoeksrechter, de aanklager of de bijzondere kamers de in het [1 eerste]1 lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontnemen, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen, moeten worden behouden.
[1 § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de bijzondere kamers tijdelijk naar de bijzondere kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de bijzondere kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de bijzondere kamers.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de bijzondere kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de bijzondere kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het Buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de bijzondere kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
§ 2. [1 Het verzoek van de aanklager of de onderzoeksrechter, of de beschikking van de bijzondere kamers die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.]1
§ 3. [1 Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de bijzondere kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de bijzondere kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de bijzondere kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.]1
§ 4. Wanneer de onderzoeksrechter, de aanklager of de bijzondere kamers een persoon het statuut van beschermde getuige verlenen en België vragen om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, dan beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde wijze als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. [1 Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.]1
[1 In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.]1
Wanneer de onderzoeksrechter, de aanklager of de bijzondere kamers de in het [1 eerste]1 lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontnemen, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen, moeten worden behouden.
[1 § 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de bijzondere kamers tijdelijk naar de bijzondere kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de bijzondere kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de bijzondere kamers.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de bijzondere kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de bijzondere kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van de bijzondere kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het Buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de bijzondere kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
Art.68. § 1er. Les demandes du procureur ou du juge d'instruction, ou les ordonnances des Chambres extraordinaires visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. [1 La demande du procureur ou du juge d'instruction, ou l'ordonnance des Chambres extraordinaires qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.]1
§ 3. [1 Les perquisitions et saisies demandées par les Chambres extraordinaires sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces aux Chambres extraordinaires, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces aux Chambres extraordinaires et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.]1
§ 4. Lorsque le Juge d'instruction, le procureur ou les Chambres extraordinaires ont octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demandent à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés par l'article 102 du même Code. [1 Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.]1
[1 Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.]1
Lorsque le juge d'instruction, le procureur ou les Chambres extraordinaires mettent fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa [1 1er]1, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
[1 § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande des Chambres extraordinaires, transférée temporairement à celles-ci afin qu'elles puissent l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement aux Chambres extraordinaires, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte des Chambres extraordinaires.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande des Chambres extraordinaires, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée aux Chambres extraordinaires par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée des Chambres extraordinaires. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande des Chambres extraordinaires, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège des Chambres extraordinaires. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
§ 2. [1 La demande du procureur ou du juge d'instruction, ou l'ordonnance des Chambres extraordinaires qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.]1
§ 3. [1 Les perquisitions et saisies demandées par les Chambres extraordinaires sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces aux Chambres extraordinaires, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces aux Chambres extraordinaires et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.]1
§ 4. Lorsque le Juge d'instruction, le procureur ou les Chambres extraordinaires ont octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demandent à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés par l'article 102 du même Code. [1 Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.]1
[1 Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.]1
Lorsque le juge d'instruction, le procureur ou les Chambres extraordinaires mettent fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa [1 1er]1, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
[1 § 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande des Chambres extraordinaires, transférée temporairement à celles-ci afin qu'elles puissent l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement aux Chambres extraordinaires, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte des Chambres extraordinaires.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande des Chambres extraordinaires, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée aux Chambres extraordinaires par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée des Chambres extraordinaires. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande des Chambres extraordinaires, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide judiciaire au siège des Chambres extraordinaires. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
Art.69. <INGEVOEGD bij W 2006-07-01/65, art. 10; Inwerkingtreding : 12-08-2006> De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, stelt de bijzondere kamers in kennis van de datum en de plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.
Art.69. L'autorité judiciaire compétente saisie informe les Chambres extraordinaires de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le Procureur ou le juge requérant sont autorisés à assister à cette exécution.
HOOFDSTUK III. [1 - Strafuitvoering]1
CHAPITRE III. [1 - Exécution des peines]1
Art. 69bis. [1 Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die de bijzondere kamers hebben bevolen. Wanneer de bijzondere kamers België verzoeken een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, kan de correctionele rechtbank van de plaats waar de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft gelijkwaardige maatregelen bevelen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. [2 De geldsommen, de roerende en onroerende goederen of de opbrengst van de verkoop ervan, verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van de bijzondere kamers, worden integraal overdragen aan de bijzondere kamers op initiatief van het openbaar ministerie. Het stelt de centrale autoriteit in kennis van alle overdrachten aan de bijzondere kamers met toepassing van dit artikel.]2]1 [2 Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van dit artikel, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]2
Art. 69bis. [1 La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par les Chambres extraordinaires sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par les Chambres extraordinaires à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, peuvent être ordonnées par le tribunal correctionnel du lieu où sont situés les biens sur lesquels porte la confiscation, sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. [2 Les sommes d'argent, les biens mobiliers et immobiliers, ou le produit de leur vente, obtenus en exécution d'un arrêt des Chambres extraordinaires, sont intégralement transférés aux Chambres extraordinaires à l'initiative du ministère public. Celui-ci informe l'autorité centrale de tout transfert aux Chambres extraordinaires en application du présent article.]2]1 [2 Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent article.]2
TITEL VIbis. [1 - Samenwerking met het Speciaal Tribunaal voor Libanon]1
TITRE VIbis. [1 - Coopération avec le Tribunal Spécial pour le Liban]1
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeen]1
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités]1
Art.70. [1 Voor de toepassing van titel VIbis van deze wet wordt verstaan onder :
- "Tribunaal" : het Speciaal Tribunaal voor Libanon ingesteld bij de internationale overeenkomst van 6 februari 2007 gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Libanon, en voortvloeiend uit resolutie 1664 (2006) van 29 maart 2006 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- "Statuut" : het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Libanon gevoegd bij de resolutie 1757 (2007) van 30 mei 2007 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- "Aanklager" : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Speciaal Tribunaal voor Libanon, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
- "Tribunaal" : het Speciaal Tribunaal voor Libanon ingesteld bij de internationale overeenkomst van 6 februari 2007 gesloten tussen de Verenigde Naties en de regering van Libanon, en voortvloeiend uit resolutie 1664 (2006) van 29 maart 2006 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- "Statuut" : het Statuut van het Speciaal Tribunaal voor Libanon gevoegd bij de resolutie 1757 (2007) van 30 mei 2007 aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;
- "Aanklager" : de aanklager van het Tribunaal alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functie die hij op grond van het Statuut uitoefent;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Speciaal Tribunaal voor Libanon, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
Art.70. [1 Aux fins du titre VIbis de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- "Tribunal" : le Tribunal Spécial pour le Liban créé par l'accord international du 6 février 2007 conclu entre les Nations unies et le gouvernement du Liban, découlant de la résolution 1664 (2006) du 29 mars 2006 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Statut" : le Statut du Tribunal Spécial pour le Liban annexé à la résolution 1757 (2007) du 30 mai 2007 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Procureur" : le procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal spécial pour le Liban, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
- "Tribunal" : le Tribunal Spécial pour le Liban créé par l'accord international du 6 février 2007 conclu entre les Nations unies et le gouvernement du Liban, découlant de la résolution 1664 (2006) du 29 mars 2006 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Statut" : le Statut du Tribunal Spécial pour le Liban annexé à la résolution 1757 (2007) du 30 mai 2007 adoptée par le Conseil de sécurité des Nations unies;
- "Procureur" : le procureur du Tribunal ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Tribunal spécial pour le Liban, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
Modifications
Art.71. [1 België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van het Tribunaal.]1
Art.71. [1 Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par le Tribunal.]1
Modifications
Art.72. [1 § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Tribunaal in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Tribunaal en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Tribunaal kan vallen, over te zenden aan het Tribunaal. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
§ 2. De verzoeken van het Tribunaal worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Tribunaal verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Tribunaal de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Tribunaal, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
Art.72. [1 § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Tribunal, pour transmettre au Tribunal les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Tribunal toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Tribunal. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
§ 2. Les demandes du Tribunal sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Tribunal. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Tribunal assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Tribunal, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
Modifications
Art.73. [1 De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Tribunaal hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek van het Tribunaal om samenwerking en waaraan de centrale autoriteit heeft beslist gevolg te geven.]1
Art.73. [1 Les autorités compétentes accordent au Tribunal leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération du Tribunal à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. [1 - Wederzijdse rechtshulp]1
CHAPITRE II. [1 - Entraide judiciaire]1
Art.74. [1 § 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van het Tribunaal die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige heeft verleend en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer het Tribunaal de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
§ 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
§ 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van het Tribunaal die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Tribunaal om verzoekt, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Tribunaal toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Tribunaal en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer het Tribunaal iemand het statuut van beschermde getuige heeft verleend en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer het Tribunaal de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
§ 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van het Tribunaal tijdelijk naar het Tribunaal worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar het Tribunaal, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van het Tribunaal.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan het Tribunaal overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van het Tribunaal een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en van de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van het Tribunaal stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van het Tribunaal. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
Art.74. [1 § 1er. Les demandes du procureur ou les ordonnances du Tribunal visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque le Tribunal a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque le Tribunal met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
§ 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
§ 2. La demande du procureur ou l'ordonnance du Tribunal qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Tribunal sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Tribunal, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Tribunal et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque le Tribunal a octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque le Tribunal met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
§ 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande du Tribunal, transférée temporairement à celui-ci afin qu'il puisse l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies :
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement au Tribunal, sous réserve des conditions dont ils peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte du Tribunal.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée au Tribunal par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée du Tribunal. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande du Tribunal, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide au siège du Tribunal. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
Art.75. [1 De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Tribunaal in kennis van de datum en de plaats van de tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.]1
Art.75. [1 L'autorité judiciaire compétente saisie informe le Tribunal de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le procureur ou le juge requérant sont autorisés à assister à cette exécution.]1
Modifications
HOOFDSTUK III. [1 - Aanhouding en overbrenging]1
CHAPITRE III. [1 - Arrestation et transfert]1
Art.76. [1 § 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door het Tribunaal ten aanzien van een persoon die zich op het Belgische grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
Wanneer het bevel tot aanhouding van het Tribunaal definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. De aangehouden persoon heeft het recht om bij de kamer van inbeschuldigingstelling zijn voorlopige invrijheidstelling te verzoeken door middel van een verzoekschrift, zulks in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover [2 dit]2 binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.]1
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van het Tribunaal uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan pas plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
Wanneer het bevel tot aanhouding van het Tribunaal definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. De aangehouden persoon heeft het recht om bij de kamer van inbeschuldigingstelling zijn voorlopige invrijheidstelling te verzoeken door middel van een verzoekschrift, zulks in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of het Tribunaal het bevel tot aanhouding op geldige wijze heeft uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling voorwaarden teneinde te waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan het Tribunaal over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kan het Tribunaal de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover [2 dit]2 binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon pas een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding dat wordt bedoeld in het vierde lid in fine.]1
Art.76. [1 § 1er. Le mandat d'arrêt décerné par le Tribunal à l'égard d'une personne qui se trouve sur le territoire belge est rendu exécutoire par la chambre du conseil du lieu de sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée.
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal est signifiée à la personne arrêtée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de la personne arrêtée au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours. L'arrêt est exécutoire. La personne arrêtée restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.
Lorsque le mandat d'arrêt du Tribunal est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par le Tribunal.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne au Tribunal. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, le Tribunal peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.]1
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt du Tribunal est signifiée à la personne arrêtée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de la personne arrêtée au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours. L'arrêt est exécutoire. La personne arrêtée restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.
Lorsque le mandat d'arrêt du Tribunal est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par le Tribunal.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne au Tribunal. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, le Tribunal peut demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.]1
Modifications
Art.77. [1 Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement van het Tribunaal.]1
Art.77. [1 Dans le respect de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le gouvernement transfère la personne arrêtée, conformément au Règlement du Tribunal.]1
Modifications
HOOFDSTUK IV. [1 - Strafuitvoering]1
CHAPITRE IV. [1 - Exécution des peines]1
Art.78. [1 § 1. Voor zover België met het Tribunaal een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast, op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal, de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.]1
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast, op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van het Tribunaal, de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde vrijlating worden uitsluitend geregeld door het Statuut van het Tribunaal. De door het Tribunaal gewezen beslissingen zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door het Tribunaal uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer het Tribunaal, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoekt.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit het Tribunaal, dat als enige bevoegd is om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van het Tribunaal inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake de herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van voornoemd Tribunaal, alsmede door de bilaterale overeenkomst houdende tenuitvoerlegging van de straffen gesloten tussen België en dat Tribunaal.]1
Art.78. [1 § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec le Tribunal, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut du Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et le Tribunal.]1
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement du Tribunal, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut du Tribunal. Les décisions rendues par le Tribunal sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par le Tribunal.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque le Tribunal, dans l'exercice de ses compétences en matière de libération anticipée, le lui demande.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible le Tribunal, seul compétent pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision du Tribunal sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut du Tribunal ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et le Tribunal.]1
Modifications
Art.79. [1 Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die het Tribunaal heeft bevolen. Wanneer het Tribunaal België verzoekt een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, maakt de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, zulks onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. [2 De geldsommen, de roerende en onroerende goederen of de opbrengst van de verkoop ervan, verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van het Tribunaal, worden integraal overdragen aan het Tribunaal op initiatief van het openbaar ministerie. Het stelt de centrale autoriteit in kennis van alle overdrachten aan het Tribunaal met toepassing van dit artikel.]2]1 [2 Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van dit artikel, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]2
Art.79. [1 La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par le Tribunal sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par le Tribunal à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. [2 Les sommes d'argent, les biens mobiliers et immobiliers, ou le produit de leur vente, obtenus en exécution d'un arrêt du Tribunal, sont intégralement transférés au Tribunal à l'initiative du ministère public. Celui-ci informe l'autorité centrale de tout transfert au Tribunal en application du présent article.]2]1 [2 Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent article.]2
TITEL VIter. [1 - Samenwerking met de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo.]1
TITRE VIter. [1 - Coopération avec les Chambres spécialisées pour le Kosovo.]1
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeen.]1
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités.]1
Art.80. [1 Voor de toepassing van titel VIter van deze wet wordt verstaan onder:
- "Gespecialiseerde Kamers": de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo en het Bureau van de gespecialiseerde aanklager, opgericht bij de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager;
- "Statuut": artikel 162 van de Grondwet van de Republiek Kosovo, de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager, en de residuele regelingen die zouden worden aangenomen op grond van artikel 60 van de wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en de Gespecialiseerde Aanklager;
- "Reglement voor de proces- en bewijsvoering": het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, aangenomen op 17 maart 2017, herzien op 29 mei 2017 en in werking getreden op 5 juli 2017, zoals vervolledigd door de procedureregels voor de Gespecialiseerde Kamer van het Grondwettelijk Hof, aangenomen en in werking getreden op 21 juli 2017;
- "Aanklager": de aanklager van de Gespecialiseerde Kamers alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij op grond van het Statuut uitoefent;
- "Centrale autoriteit": de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie": de federale procureur.]1
- "Gespecialiseerde Kamers": de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo en het Bureau van de gespecialiseerde aanklager, opgericht bij de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager;
- "Statuut": artikel 162 van de Grondwet van de Republiek Kosovo, de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager, en de residuele regelingen die zouden worden aangenomen op grond van artikel 60 van de wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en de Gespecialiseerde Aanklager;
- "Reglement voor de proces- en bewijsvoering": het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, aangenomen op 17 maart 2017, herzien op 29 mei 2017 en in werking getreden op 5 juli 2017, zoals vervolledigd door de procedureregels voor de Gespecialiseerde Kamer van het Grondwettelijk Hof, aangenomen en in werking getreden op 21 juli 2017;
- "Aanklager": de aanklager van de Gespecialiseerde Kamers alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij op grond van het Statuut uitoefent;
- "Centrale autoriteit": de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie": de federale procureur.]1
Art.80. [1 Aux fins du titre VIter de la présente loi, les termes ci-après désignent:
- "Chambres spécialisées": les Chambres spécialisées pour le Kosovo et le Bureau du Procureur spécialisé créés par la loi kosovare du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé;
- "Statut": l'article 162 de la Constitution de la République du Kosovo, la loi kosovare du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé et les arrangements résiduels qui seraient adoptés sur la base de l'article 60 de la loi du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé;
- "Règlement de procédure et de preuve": le Règlement de procédure et de preuve des Chambres spécialisées pour le Kosovo, adopté le 17 mars 2017, révisé le 29 mai 2017 et entré en vigueur le 5 juillet 2017, tel que complété par les règles de procédure pour la Chambre spécialisée de la Cour constitutionnelle, adoptées et entrées en vigueur le 21 juillet 2017;
- "Procureur": le procureur des Chambres spécialisées ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale": l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et les Chambres spécialisées pour le Kosovo, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public": le procureur fédéral.]1
- "Chambres spécialisées": les Chambres spécialisées pour le Kosovo et le Bureau du Procureur spécialisé créés par la loi kosovare du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé;
- "Statut": l'article 162 de la Constitution de la République du Kosovo, la loi kosovare du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé et les arrangements résiduels qui seraient adoptés sur la base de l'article 60 de la loi du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé;
- "Règlement de procédure et de preuve": le Règlement de procédure et de preuve des Chambres spécialisées pour le Kosovo, adopté le 17 mars 2017, révisé le 29 mai 2017 et entré en vigueur le 5 juillet 2017, tel que complété par les règles de procédure pour la Chambre spécialisée de la Cour constitutionnelle, adoptées et entrées en vigueur le 21 juillet 2017;
- "Procureur": le procureur des Chambres spécialisées ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale": l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et les Chambres spécialisées pour le Kosovo, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public": le procureur fédéral.]1
Modifications
Art.81. [1 België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van de Gespecialiseerde Kamers.]1
Art.81. [1 Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par les Chambres spécialisées.]1
Modifications
Art.82. [1 § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van de Gespecialiseerde Kamers in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan de Gespecialiseerde Kamers, en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van de Gespecialiseerde Kamers kan vallen, over te zenden aan de Gespecialiseerde Kamers. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van de Gespecialiseerde Kamers worden aan de centrale autoriteit gericht via elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de Gespecialiseerde Kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de Gespecialiseerde Kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de Gespecialiseerde Kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
§ 2. De verzoeken van de Gespecialiseerde Kamers worden aan de centrale autoriteit gericht via elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de Gespecialiseerde Kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de Gespecialiseerde Kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de Gespecialiseerde Kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
Art.82. [1 § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant des Chambres spécialisées, pour transmettre aux Chambres spécialisées les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre aux Chambres spécialisées toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence des Chambres spécialisées. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes des Chambres spécialisées sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération des Chambres spécialisées. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont les Chambres spécialisées assortissent l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail des Chambres spécialisées, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
§ 2. Les demandes des Chambres spécialisées sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération des Chambres spécialisées. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont les Chambres spécialisées assortissent l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail des Chambres spécialisées, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
Modifications
Art.83. [1 De bevoegde autoriteiten verlenen aan de Gespecialiseerde Kamers hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek om samenwerking van de Gespecialiseerde Kamers waaraan de centrale autoriteit beslist heeft gevolg te geven.]1
Art.83. [1 Les autorités compétentes accordent aux Chambres spécialisées leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération des Chambres spécialisées à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. [1 - Wederzijdse rechtshulp.]1
CHAPITRE II. [1 - Entraide judiciaire.]1
Art.84. [1 § 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van de Gespecialiseerde Kamers die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van de Gespecialiseerde Kamers, die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de Gespecialiseerde Kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers iemand het statuut van beschermde getuige hebben verleend en België vragen om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde wijze als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf gewijzigd is. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf, ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer de Gespecialiseerde Kamers de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontnemen, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
§ 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers tijdelijk naar de Gespecialiseerde Kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de Gespecialiseerde Kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de Gespecialiseerde Kamers.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de Gespecialiseerde Kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de Gespecialiseerde Kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de Gespecialiseerde Kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
§ 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van de Gespecialiseerde Kamers, die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de Gespecialiseerde Kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers iemand het statuut van beschermde getuige hebben verleend en België vragen om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde wijze als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel [2 29]2 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf gewijzigd is. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf, ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer de Gespecialiseerde Kamers de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontnemen, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
§ 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers tijdelijk naar de Gespecialiseerde Kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de Gespecialiseerde Kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de Gespecialiseerde Kamers.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de Gespecialiseerde Kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de Gespecialiseerde Kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de Gespecialiseerde Kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.]1
Art.84. [1 § 1er. Les demandes du procureur ou les ordonnances des Chambres spécialisées visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. La demande du procureur ou l'ordonnance des Chambres spécialisées qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par les Chambres spécialisées sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces aux Chambres spécialisées, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces aux Chambres spécialisées et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque les Chambres spécialisées ont octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demandent à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la Commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la Commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque les Chambres spécialisées mettent fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
§ 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande des Chambres spécialisées, transférée temporairement à celles-ci afin qu'elles puissent l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies:
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement aux Chambres spécialisées, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte des Chambres spécialisées.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande des Chambres spécialisées, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée aux Chambres spécialisées par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée des Chambres spécialisées. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande des Chambres spécialisées, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide au siège des Chambres spécialisées. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
§ 2. La demande du procureur ou l'ordonnance des Chambres spécialisées qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par les Chambres spécialisées sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces aux Chambres spécialisées, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces aux Chambres spécialisées et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque les Chambres spécialisées ont octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demandent à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la Commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article [2 29]2 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la Commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque les Chambres spécialisées mettent fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
§ 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande des Chambres spécialisées, transférée temporairement à celles-ci afin qu'elles puissent l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies:
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement aux Chambres spécialisées, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte des Chambres spécialisées.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande des Chambres spécialisées, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée aux Chambres spécialisées par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée des Chambres spécialisées. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande des Chambres spécialisées, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide au siège des Chambres spécialisées. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.]1
Art.85. [1 De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt de Gespecialiseerde Kamers in kennis van de datum en de plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.]1
Art.85. [1 L'autorité judiciaire compétente saisie informe les Chambres spécialisées de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le procureur ou le juge requérant sont autorisés à assister à cette exécution.]1
Modifications
HOOFDSTUK III. [1 - Aanhouding en overbrenging.]1
CHAPITRE III. [1 - Arrestation et transfert.]1
Art.86. [1 § 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door de Gespecialiseerde Kamers ten aanzien van een persoon die zich op het Belgisch grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze laatste beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
Wanneer het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding, bedoeld in het Statuut en in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of van de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.
§ 3. De aangehouden persoon heeft het recht de kamer van inbeschuldigingstelling te verzoeken om zijn voorlopige invrijheidstelling, door middel van een verzoekschrift, in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of de Gespecialiseerde Kamers het bevel tot aanhouding op geldige wijze hebben uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden vast die moeten waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan de Gespecialiseerde Kamers over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kunnen de Gespecialiseerde Kamers de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald in artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover [2 dit]2 binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding zoals bedoeld in het vierde lid in fine.]1
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze laatste beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
Wanneer het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding, bedoeld in het Statuut en in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of van de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.
§ 3. De aangehouden persoon heeft het recht de kamer van inbeschuldigingstelling te verzoeken om zijn voorlopige invrijheidstelling, door middel van een verzoekschrift, in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of de Gespecialiseerde Kamers het bevel tot aanhouding op geldige wijze hebben uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden vast die moeten waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan de Gespecialiseerde Kamers over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kunnen de Gespecialiseerde Kamers de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald in artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover [2 dit]2 binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding zoals bedoeld in het vierde lid in fine.]1
Art.86. [1 § 1er. Le mandat d'arrêt décerné par les Chambres spécialisées à l'égard d'une personne qui se trouve sur le territoire belge est rendu exécutoire par la chambre du conseil du lieu de sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée.
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées est signifiée à la personne arrêtée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de la personne arrêtée au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours. L'arrêt est exécutoire. La personne arrêtée restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.
Lorsque le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. La demande d'arrestation provisoire visée au Statut et au Règlement de procédure et de preuve, qui est formulée en cas d'urgence par le procureur, est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la personne faisant l'objet de ce mandat a sa résidence, ou le lieu où elle a été trouvée. Le juge d'instruction vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation provisoire ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté.
Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.
§ 3. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par les Chambres spécialisées.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne aux Chambres spécialisées. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, les Chambres spécialisées peuvent demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.]1
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées est signifiée à la personne arrêtée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de la personne arrêtée au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours. L'arrêt est exécutoire. La personne arrêtée restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.
Lorsque le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. La demande d'arrestation provisoire visée au Statut et au Règlement de procédure et de preuve, qui est formulée en cas d'urgence par le procureur, est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la personne faisant l'objet de ce mandat a sa résidence, ou le lieu où elle a été trouvée. Le juge d'instruction vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation provisoire ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté.
Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.
§ 3. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par les Chambres spécialisées.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne aux Chambres spécialisées. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, les Chambres spécialisées peuvent demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.]1
Modifications
Art.87. [1 Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers.]1
Art.87. [1 Dans le respect de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le gouvernement transfère la personne arrêtée, conformément au Règlement de procédure et de preuve des Chambres spécialisées.]1
Modifications
HOOFDSTUK IV. [1 - Voorlopige invrijheidstelling.]1
CHAPITRE IV. [1 - Libération provisoire.]1
Art.88. [1 § 1. Met de instemming van de centrale autoriteit en overeenkomstig bepaling 57 van het Reglement voor de proces- en de bewijsvoering, kan een persoon in België een voorlopige invrijheidstelling zoals beoogd door het Statuut, genieten, in voorkomend geval onder de voorwaarden opgelegd door de Gespecialiseerde Kamers.
§ 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dat stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk de Gespecialiseerde Kamers ervan op de hoogte brengt.
§ 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit binnen die termijn geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen.]1
§ 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dat stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk de Gespecialiseerde Kamers ervan op de hoogte brengt.
§ 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit binnen die termijn geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen.]1
Art.88. [1 § 1er. Moyennant l'accord de l'autorité centrale et conformément à la règle 57 du Règlement de procédure et de preuve, une personne peut bénéficier, en Belgique, d'une libération provisoire visée par le Statut, le cas échéant aux conditions édictées par les Chambres spécialisées.
§ 2. Lorsque les conditions auxquelles la libération provisoire est soumise ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, agissant d'office ou à la demande de l'autorité centrale, peut décerner un mandat d'arrêt à l'encontre de la personne libérée provisoirement. Son ordonnance motivée, qui n'est susceptible d'aucun recours, est communiquée immédiatement au ministère public. Celui-ci en avise sans délai l'autorité centrale, qui en informe immédiatement les Chambres spécialisées.
§ 3. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée de quinze jours à compter de son exécution.
L'intéressé est remis en liberté aux mêmes conditions si, dans ce délai, l'autorité centrale n'a pas reçu de demande d'arrestation provisoire ou de demande d'arrestation et de remise.]1
§ 2. Lorsque les conditions auxquelles la libération provisoire est soumise ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, agissant d'office ou à la demande de l'autorité centrale, peut décerner un mandat d'arrêt à l'encontre de la personne libérée provisoirement. Son ordonnance motivée, qui n'est susceptible d'aucun recours, est communiquée immédiatement au ministère public. Celui-ci en avise sans délai l'autorité centrale, qui en informe immédiatement les Chambres spécialisées.
§ 3. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée de quinze jours à compter de son exécution.
L'intéressé est remis en liberté aux mêmes conditions si, dans ce délai, l'autorité centrale n'a pas reçu de demande d'arrestation provisoire ou de demande d'arrestation et de remise.]1
Modifications
HOOFDSTUK V. [1 - Strafuitvoering.]1
CHAPITRE V. [1 - Exécution des peines.]1
Art.89. [1 § 1. Voor zover België met de Gespecialiseerde Kamers een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van de Gespecialiseerde Kamers de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers. De beslissingen gewezen door de Gespecialiseerde Kamers zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door de Gespecialiseerde Kamers uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer de Gespecialiseerde Kamers, bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoeken.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit de Gespecialiseerde Kamers, die als enige bevoegd zijn om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van de Gespecialiseerde Kamers inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers, alsmede door de bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering gesloten tussen België en de Gespecialiseerde Kamers.]1
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van de Gespecialiseerde Kamers de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers. De beslissingen gewezen door de Gespecialiseerde Kamers zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door de Gespecialiseerde Kamers uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer de Gespecialiseerde Kamers, bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoeken.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit de Gespecialiseerde Kamers, die als enige bevoegd zijn om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van de Gespecialiseerde Kamers inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers, alsmede door de bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering gesloten tussen België en de Gespecialiseerde Kamers.]1
Art.89. [1 § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec les Chambres spécialisées, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement des Chambres spécialisées, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut des Chambres spécialisées. Les décisions rendues par les Chambres spécialisées sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par les Chambres spécialisées.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque les Chambres spécialisées, dans l'exercice de leurs compétences en matière de libération anticipée, le lui demandent.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible les Chambres spécialisées, seules compétentes pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision des Chambres spécialisées sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut des Chambres spécialisées ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et les Chambres spécialisées.]1
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement des Chambres spécialisées, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut des Chambres spécialisées. Les décisions rendues par les Chambres spécialisées sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par les Chambres spécialisées.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque les Chambres spécialisées, dans l'exercice de leurs compétences en matière de libération anticipée, le lui demandent.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible les Chambres spécialisées, seules compétentes pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision des Chambres spécialisées sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut des Chambres spécialisées ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et les Chambres spécialisées.]1
Modifications
Art.90. [1 Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die de Gespecialiseerde Kamers hebben bevolen. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers België verzoeken een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. [2 De geldsommen, de roerende en onroerende goederen of de opbrengst van de verkoop ervan, verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest van de Gespecialiseerde Kamers, worden integraal overdragen aan de Gespecialiseerde Kamers op initiatief van het openbaar ministerie. Het stelt de centrale autoriteit in kennis van alle overdrachten aan de Gespecialiseerde Kamers met toepassing van dit artikel.]2]1 [2 Voor zover zijn bevoegdheden dit mogelijk maken, staat het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring het openbaar ministerie bij in de tenuitvoerlegging van dit artikel, indien het openbaar ministerie erom verzoekt.]2
Art.90. [1 La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par les Chambres spécialisées sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par les Chambres spécialisées à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. [2 Les sommes d'argent, les biens mobiliers et immobiliers, ou le produit de leur vente, obtenus en exécution d'un arrêt des Chambres spécialisées, sont intégralement transférés aux Chambres spécialisées à l'initiative du ministère public. Celui-ci informe l'autorité centrale de tout transfert aux Chambres spécialisées en application du présent article.]2]1 [2 Dans la mesure de ses compétences, l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation assiste, à sa demande, le ministère public pour l'exécution du présent article.]2
TITEL VIquater. [1 - Samenwerking met de internationale Onderzoeksmechanismen]1
TITRE VIquater. [1 - Coopération avec les Mécanismes d'enquête internationaux]1
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeen]1
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités]1
Art.91. [1 Voor de toepassing van Titel VIquater van deze wet wordt verstaan onder :
- [2 "Mechanismen": de internationale Onderzoeks-mechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard;]2
- [2 "Statuut": het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties of door de bevoegde internationale organisatie waarvan België lid is;]2
- "Hoofd van het Mechanisme" : het hoofd van het Mechanisme alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij uitoefent krachtens het Statuut;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Mechanisme, te weten binnen de federale Overheidsdienst Justitie de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
- [2 "Mechanismen": de internationale Onderzoeks-mechanismen ingesteld door de Verenigde Naties, of door een andere internationale organisatie waarvan België lid is, en die het mandaat hebben om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden door de uitoefening van bepaalde functies van gerechtelijke aard;]2
- [2 "Statuut": het mandaat van het Mechanisme, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties of door de bevoegde internationale organisatie waarvan België lid is;]2
- "Hoofd van het Mechanisme" : het hoofd van het Mechanisme alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij uitoefent krachtens het Statuut;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en het Mechanisme, te weten binnen de federale Overheidsdienst Justitie de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
Art.91. [1 Aux fins du titre VIquater de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- [2 "Mécanismes": les Mécanismes d'enquête internationaux créés par l'Organisation des Nations unies, ou par une autre organisation internationale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre l'impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l'humanité, les crimes de génocide ou toute autre infraction internationale, par l'exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire;]2
- [2 "Statut": le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l'Organisation des Nations unies ou par l'organisation internationale compétente, dont la Belgique est membre;]2
- "Chef du Mécanisme" : le chef du Mécanisme ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Mécanisme, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
- [2 "Mécanismes": les Mécanismes d'enquête internationaux créés par l'Organisation des Nations unies, ou par une autre organisation internationale, dont la Belgique est membre, et ayant mandat de lutter contre l'impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l'humanité, les crimes de génocide ou toute autre infraction internationale, par l'exercice de certaines fonctions à caractère judiciaire;]2
- [2 "Statut": le mandat du Mécanisme tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l'Organisation des Nations unies ou par l'organisation internationale compétente, dont la Belgique est membre;]2
- "Chef du Mécanisme" : le chef du Mécanisme ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et le Mécanisme, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
Art.92. [1 België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van het Mechanisme.]1
Art.92. [1 Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par le Mécanisme.]1
Modifications
Art.93. [1 § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Mechanisme in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan het Mechanisme en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Mechanisme kan vallen, over te zenden aan het Mechanisme. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Mechanisme worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of in het Engels. Zo niet moeten zij vergezeld gaan van een eensluidend verklaarde vertaling in een van de officiële talen van België.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Mechanisme verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Mechanisme de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Mechanisme, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van de officiële talen van de Verenigde Naties.]1
§ 2. De verzoeken van het Mechanisme worden aan de centrale autoriteit gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of in het Engels. Zo niet moeten zij vergezeld gaan van een eensluidend verklaarde vertaling in een van de officiële talen van België.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Mechanisme verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Mechanisme de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van het Mechanisme, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van de officiële talen van de Verenigde Naties.]1
Art.93. [1 § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant du Mécanisme, pour transmettre au Mécanisme les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre au Mécanisme toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence du Mécanisme. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes du Mécanisme sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou en anglais. A défaut, elles doivent être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans une des langues officielles de la Belgique.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Mécanisme. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Mécanisme assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Mécanisme, doivent être accompagnées d'une traduction dans une des langues officielles des Nations unies.]1
§ 2. Les demandes du Mécanisme sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou en anglais. A défaut, elles doivent être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans une des langues officielles de la Belgique.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération du Mécanisme. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont le Mécanisme assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail du Mécanisme, doivent être accompagnées d'une traduction dans une des langues officielles des Nations unies.]1
Modifications
Art.94. [1 De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Mechanisme hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek van het Mechanisme om samenwerking en waaraan de centrale autoriteit heeft beslist gevolg te geven.]1
Art.94. [1 Les autorités compétentes accordent au Mécanisme leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération du Mécanisme à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. [1 - Wederzijdse rechtshulp]1
CHAPITRE II. [1 - Entraide judiciaire]1
Art.95. [1 § 1. De verzoeken van het hoofd van het Mechanisme die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die, overeenkomstig het Statuut van het Mechanisme, inzonderheid betrekking hebben op het vaststellen van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. Het verzoek van het hoofd van het Mechanisme dat betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Mechanisme om verzoekt, overeenkomstig zijn Statuut, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Mechanisme toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Mechanisme en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer het Mechanisme, overeenkomstig zijn Statuut, iemand het statuut van beschermde getuige toekent of vraagt om de toekenning ervan en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 29 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid, ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer het Mechanisme de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van de andere personen moeten worden behouden.]1
§ 2. Het verzoek van het hoofd van het Mechanisme dat betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Mechanisme om verzoekt, overeenkomstig zijn Statuut, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Mechanisme toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Mechanisme en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer het Mechanisme, overeenkomstig zijn Statuut, iemand het statuut van beschermde getuige toekent of vraagt om de toekenning ervan en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 29 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid, ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer het Mechanisme de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van de andere personen moeten worden behouden.]1
Art.95. [1 § 1er. Les demandes du chef du Mécanisme visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui, conformément au Statut du Mécanisme, concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. La demande du chef du Mécanisme qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Mécanisme, conformément à son Statut, sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Mécanisme, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Mécanisme et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque le Mécanisme, conformément à son Statut, octroie ou sollicite l'octroi du statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la Commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 29 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la Commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque le Mécanisme met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.]1
§ 2. La demande du chef du Mécanisme qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par le Mécanisme, conformément à son Statut, sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces au Mécanisme, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces au Mécanisme et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque le Mécanisme, conformément à son Statut, octroie ou sollicite l'octroi du statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la Commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 29 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la Commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque le Mécanisme met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.]1
Modifications
Art.96. [1 De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Mechanisme in kennis van de datum en plaats van de tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. Het hoofd van het Mechanisme kan door de centrale autoriteit gemachtigd worden om die tenuitvoerlegging bij te wonen.]1
Art.96. [1 L'autorité judiciaire compétente saisie informe le Mécanisme de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le chef du Mécanisme peut être autorisé par l'autorité centrale à assister à cette exécution.]1
Modifications
TITEL VIquinquies. [1 - Samenwerking met de Onderzoeksteams]1
TITRE VIquinquies. [1 - Coopération avec les Equipes d'enquête]1
HOOFDSTUK I. [1 - Algemeen]1
CHAPITRE Ier. [1 - Généralités]1
Art.97. [1 Voor de toepassing van Titel VIquinquies van deze wet wordt verstaan onder :
- "Onderzoeksteams" : de Onderzoeksteams opgericht door de Verenigde Naties en met mandaat om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden;
- "Statuut" : het mandaat van het Onderzoeksteam, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties;
- "Personeel van het Onderzoeksteam" : elke persoon die door zijn mandaat gemachtigd is om op te treden in naam van een Onderzoeksteam;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit bevoegd voor samenwerking tussen België en een Onderzoeksteam, te weten, binnen de federale overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
- "Onderzoeksteams" : de Onderzoeksteams opgericht door de Verenigde Naties en met mandaat om straffeloosheid voor oorlogsmisdaden, misdaden tegen de mensheid, misdaden van genocide of enig ander internationaal misdrijf te bestrijden;
- "Statuut" : het mandaat van het Onderzoeksteam, zoals nader omschreven in de relevante instrumenten die zijn aangenomen door de Verenigde Naties;
- "Personeel van het Onderzoeksteam" : elke persoon die door zijn mandaat gemachtigd is om op te treden in naam van een Onderzoeksteam;
- "Centrale autoriteit" : de autoriteit bevoegd voor samenwerking tussen België en een Onderzoeksteam, te weten, binnen de federale overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie" : de federale procureur.]1
Art.97. [1 Aux fins du Titre VIquinquies de la présente loi, les termes ci-après désignent :
- "Equipes d'enquête" : les Equipes d'enquête créées par l'Organisation des Nations unies et ayant mandat de lutter contre l'impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l'humanité, les crimes de génocide ou toute autre infraction internationale;
- "Statut" : le mandat de l'Equipe d'enquête, tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l'Organisation des Nations unies;
- "Personnel de l'Equipe d'enquête" : toute personne autorisée par son mandat à agir au nom d'une Equipe d'enquête;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et une Equipe d'enquête, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
- "Equipes d'enquête" : les Equipes d'enquête créées par l'Organisation des Nations unies et ayant mandat de lutter contre l'impunité pour les crimes de guerre, les crimes contre l'humanité, les crimes de génocide ou toute autre infraction internationale;
- "Statut" : le mandat de l'Equipe d'enquête, tel que détaillé dans les instruments pertinents adoptés par l'Organisation des Nations unies;
- "Personnel de l'Equipe d'enquête" : toute personne autorisée par son mandat à agir au nom d'une Equipe d'enquête;
- "Autorité centrale" : l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et une Equipe d'enquête, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public" : le procureur fédéral.]1
Modifications
Art.98. [1 Overeenkomstig de bepalingen van deze wet, wanneer er een internationale verplichting tot samenwerking met een Onderzoeksteam bestaat, geeft België gevolg aan de verzoeken tot samenwerking zoals geformuleerd door het Onderzoeksteam.
Overeenkomstig de bepalingen van deze wet, wanneer er geen internationale verplichting tot samenwerking met een Onderzoeksteam is, kan België gevolg geven aan de verzoeken tot samenwerking zoals geformuleerd door het Onderzoeksteam.]1
Overeenkomstig de bepalingen van deze wet, wanneer er geen internationale verplichting tot samenwerking met een Onderzoeksteam is, kan België gevolg geven aan de verzoeken tot samenwerking zoals geformuleerd door het Onderzoeksteam.]1
Art.98. [1 Conformément aux dispositions de la présente loi, lorsqu'il existe une obligation internationale de coopérer avec une Equipe d'enquête, la Belgique donne suite aux demandes de coopération formulées par ladite Equipe d'enquête.
Conformément aux dispositions de la présente loi, lorsqu'il n'existe pas d'obligation internationale de coopérer avec une Equipe d'enquête, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par ladite Equipe d'enquête.]1
Conformément aux dispositions de la présente loi, lorsqu'il n'existe pas d'obligation internationale de coopérer avec une Equipe d'enquête, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par ladite Equipe d'enquête.]1
Modifications
Art.99. [1 § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van het Onderzoeksteam in ontvangst te nemen via de diplomatieke weg en om via diezelfde weg aan het Onderzoeksteam de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden alsook elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van het Onderzoeksteam kan vallen. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van het Onderzoeksteam worden aan de Belgische autoriteiten gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten opgesteld zijn in een van de officiële talen van België of in het Engels. Zo niet moeten zij vergezeld gaan van een eensluidend verklaarde vertaling in een van de officiële talen van België.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Onderzoeksteam verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit en via de diplomatieke weg. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Onderzoeksteam de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. De stukken ter staving moeten, indien zij niet in een van de werktalen van het Onderzoeksteam zijn opgesteld, vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
§ 2. De verzoeken van het Onderzoeksteam worden aan de Belgische autoriteiten gericht door elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten opgesteld zijn in een van de officiële talen van België of in het Engels. Zo niet moeten zij vergezeld gaan van een eensluidend verklaarde vertaling in een van de officiële talen van België.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van het Onderzoeksteam verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit en via de diplomatieke weg. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan het Onderzoeksteam de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stelt. De stukken ter staving moeten, indien zij niet in een van de werktalen van het Onderzoeksteam zijn opgesteld, vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.]1
Art.99. [1 § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir, par la voie diplomatique, les demandes émanant de l'Equipe d'enquête et pour lui transmettre, par la même voie, les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes ainsi que toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence de l'Equipe d'enquête. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes de l'Equipe d'enquête sont adressées aux autorités belges par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou en anglais. A défaut, elles doivent être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans une des langues officielles de la Belgique.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération de l'Equipe d'enquête. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale et par la voie diplomatique. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont l'Equipe d'enquête assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail de l'Equipe d'enquête, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
§ 2. Les demandes de l'Equipe d'enquête sont adressées aux autorités belges par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou en anglais. A défaut, elles doivent être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans une des langues officielles de la Belgique.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération de l'Equipe d'enquête. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale et par la voie diplomatique. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont l'Equipe d'enquête assortit l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail de l'Equipe d'enquête, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.]1
Modifications
Art.100. [1 De bevoegde autoriteiten verlenen aan het Onderzoeksteam hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek tot samenwerking vanwege het Onderzoeksteam en die vallen onder een internationale verplichting tot samenwerking, of waaraan de centrale autoriteit beslist heeft gevolg te geven.]1
Art.100. [1 Les autorités compétentes accordent à l'Equipe d'enquête leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération de l'Equipe d'enquête relevant d'une obligation internationale de coopérer ou à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. [1 - Wederzijdse rechtshulp]1
CHAPITRE II. [1 - Entraide judiciaire]1
Art.101. [1 § 1. De verzoeken van het Onderzoeksteam die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die, overeenkomstig het Statuut van het Onderzoeksteam, inzonderheid betrekking hebben op het vaststellen van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. Het verzoek van het Onderzoeksteam met betrekking tot een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Onderzoeksteam om verzoekt, overeenkomstig zijn Statuut, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Onderzoeksteam toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Onderzoeksteam en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer het Onderzoeksteam bevoegd is om iemand het statuut van beschermde getuige toe te kennen of om de toekenning ervan te vragen en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 29 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer het Onderzoeksteam de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van de andere personen moeten worden behouden]1
§ 2. Het verzoek van het Onderzoeksteam met betrekking tot een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar het Onderzoeksteam om verzoekt, overeenkomstig zijn Statuut, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving, zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan het Onderzoeksteam toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan het Onderzoeksteam en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer het Onderzoeksteam bevoegd is om iemand het statuut van beschermde getuige toe te kennen of om de toekenning ervan te vragen en België vraagt om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde manier als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant, bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 29 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf is gewijzigd. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven, op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer het Onderzoeksteam de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontneemt, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van de andere personen moeten worden behouden]1
Art.101. [1 § 1er. Les demandes de l'Equipe d'enquête visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui, conformément au Statut de l'Equipe d'enquête, concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. La demande de l'Equipe d'enquête qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par l'Equipe d'enquête, conformément à son Statut, sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces à l'Equipe d'enquête, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces à l'Equipe d'enquête et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque l'Equipe d'enquête a compétence pour octroyer ou solliciter l'octroi du statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la Commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 29 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la Commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque l'Equipe d'enquête met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.]1
§ 2. La demande de l'Equipe d'enquête qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par l'Equipe d'enquête, conformément à son Statut, sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces à l'Equipe d'enquête, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces à l'Equipe d'enquête et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque l'Equipe d'enquête a compétence pour octroyer ou solliciter l'octroi du statut de témoin protégé à une personne et demande à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la Commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 29 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la Commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque l'Equipe d'enquête met fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.]1
Modifications
Art.102. [1 De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt het Onderzoeksteam in kennis van de datum en plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. Het personeel van het Onderzoeksteam kan door de centrale autoriteit gemachtigd worden om die tenuitvoerlegging bij te wonen.]1
Art.102. [1 L'autorité judiciaire compétente saisie informe l'Equipe d'enquête de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le personnel de l'Equipe d'enquête peut être autorisé par l'autorité centrale à assister à cette exécution.]1
Modifications
TITEL VII. (- Inwerkingtreding.)
TITRE VII. (- Entrée en vigueur.)
Art. 103. [3 (NOTA : oud art. 91 wordt nieuw art. 103)]3
[2 (NOTA : oud art. 80 wordt nieuw art. 91)]2
[1 (NOTA : oud art. 70 wordt nieuw art. 80)]1
Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. <W 2006-07-01/65, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 12-08-2006>
[2 (NOTA : oud art. 80 wordt nieuw art. 91)]2
[1 (NOTA : oud art. 70 wordt nieuw art. 80)]1
Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. <W 2006-07-01/65, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 12-08-2006>
Art. 103. [3 (NOTE : ancien article 91, devient nouvel article 103)]3
[2 (NOTE : ancien article 80, devient nouvel article 91)]2
[1 (NOTE : ancien article 70, devient nouvel article 80)]1
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. <L 2006-07-01/65, art. 12, 003 ; En vigueur : 12-08-2006>
[2 (NOTE : ancien article 80, devient nouvel article 91)]2
[1 (NOTE : ancien article 70, devient nouvel article 80)]1
La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge. <L 2006-07-01/65, art. 12, 003 ; En vigueur : 12-08-2006>