Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
6 NOVEMBER 2003. - Ministerieel besluit tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden. (NOTA : opgeheven voor het Vlaams Gewest bij BVR2018-11-30/16, art. 627,7°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-2019) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-11-2003 en tekstbijwerking tot 02-04-2025)
Titre
6 NOVEMBRE 2003. - Arrêté ministériel fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées. (NOTE : abrogé pour la Région flamande par AGF2018-11-30/16, art. 627,7°, 024; En vigueur : 01-01-2019) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-11-2003 et mise à jour au 02-04-2025)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (138)
Texte (137)
HOOFDSTUK I. - Definities.
CHAPITRE Ier. - Définitions.
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " Dienst " : de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  2° " inrichting " : één van de inrichting en bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (met uitzondering van de psychiatrische verzorgingstehuizen en de centra voor dagverzorging) of een inrichting die een geheel vormt en is samengesteld uit een sectie die als rust- en verzorgingstehuis (RVT) is erkend en een sectie die als rustoord voor bejaarden (ROB) is erkend; als dat geheel eveneens een centrum voor dagverzorging omvat, dan wordt dit laatste niet in aanmerking genomen;
  3° " referentieperiode " : de ononderbroken periode van 12 maanden waarvoor alle gegevens betreffende de activiteit van de inrichting aan de Dienst zijn bezorgd. Deze periode loopt van 1 juli van het jaar J tot 30 juni van het jaar dat daarop volgt (J + 1);
  4° " factureringsperiode " : de ononderbroken periode van 12 maanden waarvoor een quota aan dagen en een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven zijn vastgesteld. Die periode loopt van 1 januari tot 31 december van het jaar J + 2;
  5° " volledige tegemoetkoming " : de forfaitaire tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, bedoeld in artikel 147, § 3, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  6° " partiële tegemoetkoming " : één of meerdere delen van de volledige tegemoetkoming;
  7° " patiënten " : alle residenten die in de inrichting zijn opgenomen;
  8° " rechthebbenden " : de patiënten die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de voormelde [3 ....]3, en de patiënten opgenomen in een inrichting of in een deel van een inrichting, erkend als rust- en verzorgingstehuis, en die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 1, 20°, van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd;
  9° " verzorgingspersoneel " : het personeel dat de verpleegkundigen bijstaat in de zorgverlening en de patiënten helpt bij de handelingen van het dagelijks leven, het behoud van hun zelfredzaamheid en hun levenskwaliteit;
  10° " personeel voor reactivering " : het personeel dat taken inzake reactivering, revalidatie en sociale reïntegratie vervult;
  11° [ " nieuwe inrichting " :
  a) elke inrichting die van de bevoegde overheid een nieuw erkenningsnummer krijgt, met uitzondering van de volgende gevallen :
  - de bijkomende erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als rustoord voor bejaarden;
  - de inrichting waarvoor uit de beslissing tot erkenning door de bevoegde overheid duidelijk blijkt dat het niet gaat om een nieuwe inrichting, ondanks de toekenning van een nieuw erkenningnummer;
  - de inrichting die als gevolg van een overname, een fusie, een splitsing of een exploitatietransfer op een andere locatie, bewijst dat het de voortzetting van een vroegere activiteit betreft, ondanks de wijziging van het erkenningnummer;
  b) de inrichting die tijdens de referentieperiode niets heeft gefactureerd sinds de dag waarop zij de facturering heeft gestart;
  c) de inrichting waarvoor uit de beslissing tot erkenning door de bevoegde overheid duidelijk blijkt dat het een nieuwe inrichting betreft, ondanks het behoud van een al bestaand erkenningsnummer;
  d) de inrichting die als gevolg van een overname, een fusie of een splitsing bewijst dat het om een nieuwe inrichting gaat, ondanks het behoud van een al bestaand erkenningsnummer.]
  [e) elke inrichting die het voorwerp uitmaakt van een overname na faillissement;]
  12° " gelijkgestelde dagen of uren " : de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, voor zover zij aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de inrichting (onder meer jaarlijkse vakantie, feestdagen, ziekteperiode gedekt door een gewaarborgd loon);
  13° " niet-gelijkgestelde dagen of uren " : de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, voor zover zij geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de inrichting (onder meer ziekteperiode niet gedekt door een gewaarborgd loon, bevallingsrust, onbetaald verlof, enz.). Hierin moeten eveneens de dagen worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid.
  [1 4° " gemiddeld aantal erkende bedden " : het aantal door de bevoegde overheid erkende bedden dat met de volgende formule overeenstemt :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 05-11-2004, p. 75099).
  waarbij :
  L = aantal erkende bedden op de eerste dag van de referteperiode;
  li = verhoging of vermindering van het aantal bedden tijdens de referteperiode;
  Ji = aantal kalenderdagen tussen de datum van de aanpassing van het aantal bedden en de laatste dag van de referteperiode;
  J = aantal kalenderdagen van de referteperiode
  n = aantal aanpassingen van het aantal bedden in de referentieperiode.]
  [1 15° " verpleegkundig coördinator " : de loontrekkende of statutaire verpleegkundige van een ROB, aangeduid binnen een zorgequipe van minstens 12 voltijds equivalenten, samengesteld uit verpleegkundig personeel, verzorgingspersoneel en personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren. Behoudens anders luidende bepalingen in de normen die van toepassing zijn op deze inrichting, wordt de aanduiding van deze verpleegkundig coördinator overgelaten aan de beoordeling van de beheerder;
  [3 15° bis " hoofdverpleegkundige " : het personeelslid, bedoeld in de punten B, 3, e) en f) van Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzonder erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels;]3
   16° " hoofdparamedicus " : het loontrekkend of statutair lid van het personeel voor reactivering van een instelling, aangeduid binnen een zorgequipe van minstens 12 voltijds equivalenten, samengesteld uit het personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren. Behoudens anders luidende bepalingen in de normen die van toepassing zijn op deze inrichting, wordt de aanduiding van deze hoofdparamedicus overgelaten aan de beoordeling van de beheerder.]1

  [2 17° "zorgpersoneel" : het verpleegkundige personeel, het verzorgingspersoneel en het personeel voor reactivering.]2
  [3 18° " directeur " : de persoon die door de inrichtende macht belast is met het dagelijks beheer van de inrichting.]3
  
Article 1. Le présent arrêté entend par :
  1° " Service " : le Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
  2° " institution " : l'une des institutions visée à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 (à l'exception des maisons de soins psychiatriques et des centres de soins de jour) ou une institution, constituant une seule entité, composée d'une section agréée comme maison de repos et de soins (MRS) et d'une section agréée comme maison de repos pour personnes âgées (MRPA); si cette entité comporte également un centre de soins de jour, ce dernier n'est pas pris en considération;
  3° " période de référence " : la période ininterrompue de 12 mois pour laquelle l'ensemble des données relatives aux activités de l'institution sont communiquées au Service. Cette période va du 1er juillet de l'année J au 30 juin de l'année qui suit (J + 1);
  4° " période de facturation " : la période ininterrompue de 12 mois pour laquelle un quota de journées et une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière sont fixés. Cette période va du 1er janvier au 31 décembre de l'année J + 2;
  5° " allocation complète " : l'allocation forfaitaire pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière visée à l'article 147, § 3, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994;
  6° " allocation partielle " : une ou plusieurs parties de l'allocation complète;
  7° " patients " : l'ensemble des résidents hébergés dans une institution;
  8° " bénéficiaires " : les patients qui peuvent prétendre à une intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la loi [3 ...]3, et les patients, hébergés dans une institution ou une partie d'institution, agréée comme maison de repos et de soins, qui peuvent prétendre à une intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les prestations visées à l'article 1er, 20°, de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses;
  9° " personnel soignant " : le personnel qui assiste effectivement les praticiens de l'art infirmier dans la dispensation des soins, et aide les patients dans les actes de la vie journalière, la préservation de leur autonomie et le maintien de leur qualité de vie;
  10° " personnel de réactivation " : le personnel qui accomplit des tâches de réactivation, de rééducation et de réintégration sociale;
  11° [ " nouvelle institution " :
  a) toute institution qui reçoit un nouveau numéro d'agrément de la part de l'autorité compétente, à l'exception des cas suivants :
  - l'agrément complémentaire comme maison de repos et de soins ou comme maison de repos pour personnes âgées;
  - l'institution pour laquelle la décision d'agrément par l'autorité compétente fait apparaître clairement qu'il ne s'agit pas d'un nouvel établissement, malgré l'octroi d'un nouveau numéro d'agrément;
  - l'institution qui, suite à une reprise, une fusion, une scission ou à un transfert de l'exploitation sur un autre site, apporte la preuve qu'il s'agit de la poursuite d'une activité antérieure, malgré le changement de numéro d'agrément;
  b) l'institution qui n'a rien facturé au cours de la période de référence, et cela depuis le jour où elle commence à facturer;
  c) l'institution pour laquelle la décision d'agrément par l'autorité compétente fait apparaître clairement qu'il s'agit d'un nouvel établissement, malgré le maintien d'un numéro d'agrément déjà existant;
  d) l'institution qui, suite à une reprise, une fusion ou une scission, apporte la preuve qu'il s'agit bien d'un nouvel établissement, malgré le maintien d'un numéro d'agrément déjà existant.]
  [e) toute institution qui fait l'objet d'une reprise après une faillite;]
  12° " journées ou heures assimilées " : les journées ou les heures non prestées mais assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'institution (notamment les vacances annuelles, les jours fériés, les périodes de maladie couverte par un salaire garanti);
  13° " journées ou heures non assimilées " : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles n'ont pas donné lieu au paiement d'une rémunération par l'institution (notamment les périodes de maladie non couvertes par un salaire garanti, les repos d'accouchement, les congés sans solde). Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité.
  [1 4° " nombre moyen de lits agréés " : le nombre de lits agréés par l'autorité compétente correspondant à la formule suivante :
  (Formule non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 05-11-2004, p. 75099).
  où :
  L = nombre de lits agréés au premier jour de la période de référence;
  li = augmentation ou diminution du nombre de lits pendant la période de référence;
  Ji = nombre de jours calendrier entre la date de l'adaptation du nombre de lits et le dernier jour de la période de référence;
  J = nombre de jours calendrier de la période de référence.
  n = nombre d'adaptations du nombre de lits pendant la période de référence.]
  [1 15° " coordinateur infirmier " : le praticien de l'art infirmier salarié ou statutaire d'une MRPA, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins 12 équivalents temps plein, composée de personnel infirmier, soignant, et de réactivation, afin d'en assurer la coordination. La désignation de ce coordinateur infirmier est laissée à l'appréciation du gestionnaire, sauf en cas de dispositions différentes dans les normes applicables à cette institution;
  [3 15° bis " infirmier(ère) en chef " : le membre du personnel visé aux points B, 3, e) et f), de l'Annexe 1re à l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises;]3
   16° " paramédical en chef " : le membre du personnel de réactivation salarié ou statutaire d'une institution, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins 12 équivalents temps plein composée de personnel de réactivation, afin d'en assurer la coordination. La désignation de ce paramédical en chef est laissée à l'appréciation du gestionnaire, sauf en cas de dispositions différentes dans les normes applicables à cette institution.]1

  [2 17° "personnel de soins" : le personnel infirmier, le personnel soignant et le personnel de réactivation.]2
  [3 18° " directeur " : la personne chargée par le pouvoir organisateur de la gestion journalière de l'institution.]3
  
Art.1_WAALS_GEWEST.    In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " Dienst " : de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  2° " inrichting " : één van de inrichting en bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (met uitzondering van de psychiatrische verzorgingstehuizen en de centra voor dagverzorging) of een inrichting die een geheel vormt en is samengesteld uit een sectie die als rust- en verzorgingstehuis (RVT) is erkend en een sectie die als rustoord voor bejaarden (ROB) is erkend; als dat geheel eveneens een centrum voor dagverzorging omvat, dan wordt dit laatste niet in aanmerking genomen;
  3° " referentieperiode " : de ononderbroken periode van 12 maanden waarvoor alle gegevens betreffende de activiteit van de inrichting aan de Dienst zijn bezorgd. Deze periode loopt van 1 juli van het jaar J tot 30 juni van het jaar dat daarop volgt (J + 1);
  4° " factureringsperiode " : de ononderbroken periode van 12 maanden waarvoor een quota aan dagen en een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven zijn vastgesteld. Die periode loopt van 1 januari tot 31 december van het jaar J + 2;
  5° " volledige tegemoetkoming " : de forfaitaire tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, bedoeld in artikel 147, § 3, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  6° " partiële tegemoetkoming " : één of meerdere delen van de volledige tegemoetkoming;
  7° " patiënten " : alle residenten die in de inrichting zijn opgenomen;
  8° " rechthebbenden " : de patiënten die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de voormelde [3 ....]3, en de patiënten opgenomen in een inrichting of in een deel van een inrichting, erkend als rust- en verzorgingstehuis, en die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 1, 20°, van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd;
  9° " verzorgingspersoneel " : het personeel dat de verpleegkundigen bijstaat in de zorgverlening en de patiënten helpt bij de handelingen van het dagelijks leven, het behoud van hun zelfredzaamheid en hun levenskwaliteit;
  10° " personeel voor reactivering " : het personeel dat taken inzake reactivering, revalidatie en sociale reïntegratie vervult;
  11° [ " nieuwe inrichting " :
  a) elke inrichting die van de bevoegde overheid een nieuw erkenningsnummer krijgt, met uitzondering van de volgende gevallen :
  - de bijkomende erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als rustoord voor bejaarden;
  - de inrichting waarvoor uit de beslissing tot erkenning door de bevoegde overheid duidelijk blijkt dat het niet gaat om een nieuwe inrichting, ondanks de toekenning van een nieuw erkenningnummer;
  - de inrichting die als gevolg van een overname, een fusie, een splitsing of een exploitatietransfer op een andere locatie, bewijst dat het de voortzetting van een vroegere activiteit betreft, ondanks de wijziging van het erkenningnummer;
  b) de inrichting die tijdens de referentieperiode niets heeft gefactureerd sinds de dag waarop zij de facturering heeft gestart;
  c) de inrichting waarvoor uit de beslissing tot erkenning door de bevoegde overheid duidelijk blijkt dat het een nieuwe inrichting betreft, ondanks het behoud van een al bestaand erkenningsnummer;
  d) de inrichting die als gevolg van een overname, een fusie of een splitsing bewijst dat het om een nieuwe inrichting gaat, ondanks het behoud van een al bestaand erkenningsnummer.]
  [e) elke inrichting die het voorwerp uitmaakt van een overname na faillissement;]
  12° " gelijkgestelde dagen of uren " : de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, voor zover zij aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de inrichting (onder meer jaarlijkse vakantie, feestdagen, ziekteperiode gedekt door een gewaarborgd loon);
  13° " niet-gelijkgestelde dagen of uren " : de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, voor zover zij geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de inrichting (onder meer ziekteperiode niet gedekt door een gewaarborgd loon, bevallingsrust, onbetaald verlof, enz.). Hierin moeten eveneens de dagen worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid.
  [1 4° " gemiddeld aantal erkende bedden " : het aantal door de bevoegde overheid erkende bedden dat met de volgende formule overeenstemt :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 05-11-2004, p. 75099).
  waarbij :
  L = aantal erkende bedden op de eerste dag van de referteperiode;
  li = verhoging of vermindering van het aantal bedden tijdens de referteperiode;
  Ji = aantal kalenderdagen tussen de datum van de aanpassing van het aantal bedden en de laatste dag van de referteperiode;
  J = aantal kalenderdagen van de referteperiode
  n = aantal aanpassingen van het aantal bedden in de referentieperiode.]
  [1 15° " verpleegkundig coördinator " : de loontrekkende of statutaire verpleegkundige van een ROB, aangeduid binnen een zorgequipe van minstens 12 voltijds equivalenten, samengesteld uit verpleegkundig personeel, verzorgingspersoneel en personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren. Behoudens anders luidende bepalingen in de normen die van toepassing zijn op deze inrichting, wordt de aanduiding van deze verpleegkundig coördinator overgelaten aan de beoordeling van de beheerder;
  [3 15° bis " hoofdverpleegkundige " : het personeelslid, bedoeld in de punten B, 3, e) en f) van Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzonder erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels;]3
   16° " hoofdparamedicus " : het loontrekkend of statutair lid van het personeel voor reactivering van een instelling, aangeduid binnen een zorgequipe van minstens 12 voltijds equivalenten, samengesteld uit het personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren. Behoudens anders luidende bepalingen in de normen die van toepassing zijn op deze inrichting, wordt de aanduiding van deze hoofdparamedicus overgelaten aan de beoordeling van de beheerder.]1

  [2 17° "zorgpersoneel" : het verpleegkundige personeel, het verzorgingspersoneel en het personeel voor reactivering.]2
  [3 18° " directeur " : de persoon die door de inrichtende macht belast is met het dagelijks beheer van de inrichting.]3
  [4 19° "IF-IC" : het nieuwe loonmodel zoals bedoeld in het het akkoordprotocol van het Comité C van 10 februari 2023 evenals in het aanhangsel bij het protocol deel 3 van 10 februari 2023 met betrekking tot de activering in de weddeschaal en de procedures opgesteld ingevolge het Waals Comité C van 20 december 2023 met betrekking tot de uitvoering van het Waalse non-profitakkoord voor de jaren 2023, 2024 activering van de IFIC 11-schaal voor de functie van verzorgende in RVT en in de collectieve arbeidsovereenkomst van 31 januari 2023 tot invoering van een nieuw loonmodel voor gezondheidsinstellingen en -diensten die door het Waals Gewest worden erkend of gesubsidieerd enerzijds, en tot wijziging anderzijds van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 oktober 2021 betreffende de procedures voor de invoering van een nieuwe sectorale functieclassificatie en de rapportering aan de IFIC-vzw, gewijzigd bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 12 december 2022 om een aanpassing van het tijdschema van de hervorming mogelijk te maken.]4
  [5 20° een VTE: een voltijdsequivalent;
   21° bijkomend ondersteunend personeel: personeel dat ondersteuning biedt aan het zorgpersoneel zodat dit laatste zich opnieuw kan concentreren op zijn kerntaken en zo beter aanwezig kan zijn bij de patiënten. ]5
Art. 1 _REGION_WALLONNE.
   Le présent arrêté entend par :
  1° " Service " : le Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
  2° " institution " : l'une des institutions visée à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 (à l'exception des maisons de soins psychiatriques et des centres de soins de jour) ou une institution, constituant une seule entité, composée d'une section agréée comme maison de repos et de soins (MRS) et d'une section agréée comme maison de repos pour personnes âgées (MRPA); si cette entité comporte également un centre de soins de jour, ce dernier n'est pas pris en considération;
  3° " période de référence " : la période ininterrompue de 12 mois pour laquelle l'ensemble des données relatives aux activités de l'institution sont communiquées au Service. Cette période va du 1er juillet de l'année J au 30 juin de l'année qui suit (J + 1);
  4° " période de facturation " : la période ininterrompue de 12 mois pour laquelle un quota de journées et une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière sont fixés. Cette période va du 1er janvier au 31 décembre de l'année J + 2;
  5° " allocation complète " : l'allocation forfaitaire pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière visée à l'article 147, § 3, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994;
  6° " allocation partielle " : une ou plusieurs parties de l'allocation complète;
  7° " patients " : l'ensemble des résidents hébergés dans une institution;
  8° " bénéficiaires " : les patients qui peuvent prétendre à une intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la loi [3 ...]3, et les patients, hébergés dans une institution ou une partie d'institution, agréée comme maison de repos et de soins, qui peuvent prétendre à une intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les prestations visées à l'article 1er, 20°, de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses;
  9° " personnel soignant " : le personnel qui assiste effectivement les praticiens de l'art infirmier dans la dispensation des soins, et aide les patients dans les actes de la vie journalière, la préservation de leur autonomie et le maintien de leur qualité de vie;
  10° " personnel de réactivation " : le personnel qui accomplit des tâches de réactivation, de rééducation et de réintégration sociale;
  11° [ " nouvelle institution " :
  a) toute institution qui reçoit un nouveau numéro d'agrément de la part de l'autorité compétente, à l'exception des cas suivants :
  - l'agrément complémentaire comme maison de repos et de soins ou comme maison de repos pour personnes âgées;
  - l'institution pour laquelle la décision d'agrément par l'autorité compétente fait apparaître clairement qu'il ne s'agit pas d'un nouvel établissement, malgré l'octroi d'un nouveau numéro d'agrément;
  - l'institution qui, suite à une reprise, une fusion, une scission ou à un transfert de l'exploitation sur un autre site, apporte la preuve qu'il s'agit de la poursuite d'une activité antérieure, malgré le changement de numéro d'agrément;
  b) l'institution qui n'a rien facturé au cours de la période de référence, et cela depuis le jour où elle commence à facturer;
  c) l'institution pour laquelle la décision d'agrément par l'autorité compétente fait apparaître clairement qu'il s'agit d'un nouvel établissement, malgré le maintien d'un numéro d'agrément déjà existant;
  d) l'institution qui, suite à une reprise, une fusion ou une scission, apporte la preuve qu'il s'agit bien d'un nouvel établissement, malgré le maintien d'un numéro d'agrément déjà existant.]
  [e) toute institution qui fait l'objet d'une reprise après une faillite;]
  12° " journées ou heures assimilées " : les journées ou les heures non prestées mais assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'institution (notamment les vacances annuelles, les jours fériés, les périodes de maladie couverte par un salaire garanti);
  13° " journées ou heures non assimilées " : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles n'ont pas donné lieu au paiement d'une rémunération par l'institution (notamment les périodes de maladie non couvertes par un salaire garanti, les repos d'accouchement, les congés sans solde). Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité.
  [1 4° " nombre moyen de lits agréés " : le nombre de lits agréés par l'autorité compétente correspondant à la formule suivante :
  (Formule non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 05-11-2004, p. 75099).
  où :
  L = nombre de lits agréés au premier jour de la période de référence;
  li = augmentation ou diminution du nombre de lits pendant la période de référence;
  Ji = nombre de jours calendrier entre la date de l'adaptation du nombre de lits et le dernier jour de la période de référence;
  J = nombre de jours calendrier de la période de référence.
  n = nombre d'adaptations du nombre de lits pendant la période de référence.]
  [1 15° " coordinateur infirmier " : le praticien de l'art infirmier salarié ou statutaire d'une MRPA, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins 12 équivalents temps plein, composée de personnel infirmier, soignant, et de réactivation, afin d'en assurer la coordination. La désignation de ce coordinateur infirmier est laissée à l'appréciation du gestionnaire, sauf en cas de dispositions différentes dans les normes applicables à cette institution;
  [3 15° bis " infirmier(ère) en chef " : le membre du personnel visé aux points B, 3, e) et f), de l'Annexe 1re à l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises;]3
   16° " paramédical en chef " : le membre du personnel de réactivation salarié ou statutaire d'une institution, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins 12 équivalents temps plein composée de personnel de réactivation, afin d'en assurer la coordination. La désignation de ce paramédical en chef est laissée à l'appréciation du gestionnaire, sauf en cas de dispositions différentes dans les normes applicables à cette institution.]1

  [2 17° "personnel de soins" : le personnel infirmier, le personnel soignant et le personnel de réactivation.]2
  [3 18° " directeur " : la personne chargée par le pouvoir organisateur de la gestion journalière de l'institution.]3
  [4 19° " IF-IC " : le nouveau modèle salarial tel que visé par le protocole d'accord du comité C du 10 février 2023 ainsi que par l'avenant au protocole partie 3 du 10 février 2023 relatif à l'activation barémique et procédures établi à la suite du comité C wallon du 20 décembre 2023 relatif à la mise en oeuvre de l'Accord non-marchand wallon pour les années 2023,2024- activation de l'échelle IFIC 11 pour la fonction d'aide-soignant en MR-S et dans la convention collective de travail du 31 janvier 2023 introduisant un nouveau modèle salarial pour les établissements et services de santé qui sont agréés ou subventionnés par la Région wallonne d'une part, et modifiant d'autre part la convention collective de travail du 11 octobre 2021 concernant les procédures relatives à l'introduction d'une nouvelle classification sectorielle de fonctions et au rapportage à l'asbl IF-IC modifiée par la CCT du 12 décembre 2022 en vue de permettre une adaptation du calendrier de la réforme. ]4
  [5 20° un ETP : un équivalent temps plein;
   21° personnel d'appui supplémentaire : le personnel qui apporte un soutien au personnel de soin afin que ce dernier puisse retrouver du temps pour se recentrer sur son coeur de métier et ainsi assurer une meilleure présence auprès des patients. ]5
Art. 1_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    In dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " Dienst " : de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering;
  2° " inrichting " : één van de inrichting en bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (met uitzondering van de psychiatrische verzorgingstehuizen en de centra voor dagverzorging) of een inrichting die een geheel vormt en is samengesteld uit een sectie die als rust- en verzorgingstehuis (RVT) is erkend en een sectie die als rustoord voor bejaarden (ROB) is erkend; als dat geheel eveneens een centrum voor dagverzorging omvat, dan wordt dit laatste niet in aanmerking genomen;
  3° " referentieperiode " : de ononderbroken periode van 12 maanden waarvoor alle gegevens betreffende de activiteit van de inrichting aan de Dienst zijn bezorgd. Deze periode loopt van 1 juli van het jaar J tot 30 juni van het jaar dat daarop volgt (J + 1);
  4° " factureringsperiode " : de ononderbroken periode van 12 maanden waarvoor een quota aan dagen en een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven zijn vastgesteld. Die periode loopt van 1 januari tot 31 december van het jaar J + 2;
  5° " volledige tegemoetkoming " : de forfaitaire tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, bedoeld in artikel 147, § 3, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  6° " partiële tegemoetkoming " : één of meerdere delen van de volledige tegemoetkoming;
  7° " patiënten " : alle residenten die in de inrichting zijn opgenomen;
  8° " rechthebbenden " : de patiënten die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van de voormelde [3 ....]3, en de patiënten opgenomen in een inrichting of in een deel van een inrichting, erkend als rust- en verzorgingstehuis, en die aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 1, 20°, van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd;
  9° " verzorgingspersoneel " : het personeel dat de verpleegkundigen bijstaat in de zorgverlening en de patiënten helpt bij de handelingen van het dagelijks leven, het behoud van hun zelfredzaamheid en hun levenskwaliteit;
  10° " personeel voor reactivering " : het personeel dat taken inzake reactivering, revalidatie en sociale reïntegratie vervult [4 of dat taken uitvoert die bedoeld zijn om bij te dragen aan het welzijn van de bewoners binnen de instelling]4;
  11° [ " nieuwe inrichting " :
  a) elke inrichting die van de bevoegde overheid een nieuw erkenningsnummer krijgt, met uitzondering van de volgende gevallen :
  - de bijkomende erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als rustoord voor bejaarden;
  - de inrichting waarvoor uit de beslissing tot erkenning door de bevoegde overheid duidelijk blijkt dat het niet gaat om een nieuwe inrichting, ondanks de toekenning van een nieuw erkenningnummer;
  - de inrichting die als gevolg van een overname, een fusie, een splitsing of een exploitatietransfer op een andere locatie, bewijst dat het de voortzetting van een vroegere activiteit betreft, ondanks de wijziging van het erkenningnummer;
  b) de inrichting die tijdens de referentieperiode niets heeft gefactureerd sinds de dag waarop zij de facturering heeft gestart;
  c) de inrichting waarvoor uit de beslissing tot erkenning door de bevoegde overheid duidelijk blijkt dat het een nieuwe inrichting betreft, ondanks het behoud van een al bestaand erkenningsnummer;
  d) de inrichting die als gevolg van een overname, een fusie of een splitsing bewijst dat het om een nieuwe inrichting gaat, ondanks het behoud van een al bestaand erkenningsnummer.]
  [e) elke inrichting die het voorwerp uitmaakt van een overname na faillissement;]
  12° " gelijkgestelde dagen of uren " : de niet-gepresteerde dagen of uren die echter gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, voor zover zij aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de inrichting (onder meer jaarlijkse vakantie, feestdagen, ziekteperiode gedekt door een gewaarborgd loon);
  13° " niet-gelijkgestelde dagen of uren " : de niet-gepresteerde dagen of uren die niet gelijkgesteld worden met arbeidsdagen of -uren, voor zover zij geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding door de inrichting (onder meer ziekteperiode niet gedekt door een gewaarborgd loon, bevallingsrust, onbetaald verlof, enz.). Hierin moeten eveneens de dagen worden opgenomen van het personeelslid met disponibiliteit wegens ziekte of gebrekkigheid.
  [1 4° " gemiddeld aantal erkende bedden " : het aantal door de bevoegde overheid erkende bedden dat met de volgende formule overeenstemt :
  (Formule niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 05-11-2004, p. 75099).
  waarbij :
  L = aantal erkende bedden op de eerste dag van de referteperiode;
  li = verhoging of vermindering van het aantal bedden tijdens de referteperiode;
  Ji = aantal kalenderdagen tussen de datum van de aanpassing van het aantal bedden en de laatste dag van de referteperiode;
  J = aantal kalenderdagen van de referteperiode
  n = aantal aanpassingen van het aantal bedden in de referentieperiode.]
  [1 15° " verpleegkundig coördinator " : de loontrekkende of statutaire verpleegkundige van een ROB, aangeduid binnen een zorgequipe van minstens 12 voltijds equivalenten, samengesteld uit verpleegkundig personeel, verzorgingspersoneel en personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren. Behoudens anders luidende bepalingen in de normen die van toepassing zijn op deze inrichting, wordt de aanduiding van deze verpleegkundig coördinator overgelaten aan de beoordeling van de beheerder;
  [3 15° bis " hoofdverpleegkundige " : het personeelslid, bedoeld in de punten B, 3, e) en f) van Bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 21 september 2004 houdende vaststelling van de normen voor de bijzonder erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging of als centrum voor niet aangeboren hersenletsels;]3
   16° " hoofdparamedicus " : het loontrekkend of statutair lid van het personeel voor reactivering van een instelling, aangeduid binnen een zorgequipe van minstens 12 voltijds equivalenten, samengesteld uit het personeel voor reactivering, om er de coördinatie van te verzekeren. Behoudens anders luidende bepalingen in de normen die van toepassing zijn op deze inrichting, wordt de aanduiding van deze hoofdparamedicus overgelaten aan de beoordeling van de beheerder.]1

  [2 17° "zorgpersoneel" : het verpleegkundige personeel, het verzorgingspersoneel en het personeel voor reactivering.]2
  [3 18° " directeur " : de persoon die door de inrichtende macht belast is met het dagelijks beheer van de inrichting.]3
  [4 19° Ministers: het lid of de leden van het Verenigd College, bevoegd voor het beleid inzake Gezondheid en Bijstand aan Personen.]4
Art. 1 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   Le présent arrêté entend par :
  1° " Service " : le Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité;
  2° " institution " : l'une des institutions visée à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 (à l'exception des maisons de soins psychiatriques et des centres de soins de jour) ou une institution, constituant une seule entité, composée d'une section agréée comme maison de repos et de soins (MRS) et d'une section agréée comme maison de repos pour personnes âgées (MRPA); si cette entité comporte également un centre de soins de jour, ce dernier n'est pas pris en considération;
  3° " période de référence " : la période ininterrompue de 12 mois pour laquelle l'ensemble des données relatives aux activités de l'institution sont communiquées au Service. Cette période va du 1er juillet de l'année J au 30 juin de l'année qui suit (J + 1);
  4° " période de facturation " : la période ininterrompue de 12 mois pour laquelle un quota de journées et une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière sont fixés. Cette période va du 1er janvier au 31 décembre de l'année J + 2;
  5° " allocation complète " : l'allocation forfaitaire pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière visée à l'article 147, § 3, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994;
  6° " allocation partielle " : une ou plusieurs parties de l'allocation complète;
  7° " patients " : l'ensemble des résidents hébergés dans une institution;
  8° " bénéficiaires " : les patients qui peuvent prétendre à une intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la loi [3 ...]3, et les patients, hébergés dans une institution ou une partie d'institution, agréée comme maison de repos et de soins, qui peuvent prétendre à une intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les prestations visées à l'article 1er, 20°, de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses;
  9° " personnel soignant " : le personnel qui assiste effectivement les praticiens de l'art infirmier dans la dispensation des soins, et aide les patients dans les actes de la vie journalière, la préservation de leur autonomie et le maintien de leur qualité de vie;
  10° " personnel de réactivation " : le personnel qui accomplit des tâches de réactivation, de rééducation et de réintégration sociale [4 , ou qui accomplit des tâches destinées à contribuer au bien-être des résidents au sein de l'institution]4;
  11° [ " nouvelle institution " :
  a) toute institution qui reçoit un nouveau numéro d'agrément de la part de l'autorité compétente, à l'exception des cas suivants :
  - l'agrément complémentaire comme maison de repos et de soins ou comme maison de repos pour personnes âgées;
  - l'institution pour laquelle la décision d'agrément par l'autorité compétente fait apparaître clairement qu'il ne s'agit pas d'un nouvel établissement, malgré l'octroi d'un nouveau numéro d'agrément;
  - l'institution qui, suite à une reprise, une fusion, une scission ou à un transfert de l'exploitation sur un autre site, apporte la preuve qu'il s'agit de la poursuite d'une activité antérieure, malgré le changement de numéro d'agrément;
  b) l'institution qui n'a rien facturé au cours de la période de référence, et cela depuis le jour où elle commence à facturer;
  c) l'institution pour laquelle la décision d'agrément par l'autorité compétente fait apparaître clairement qu'il s'agit d'un nouvel établissement, malgré le maintien d'un numéro d'agrément déjà existant;
  d) l'institution qui, suite à une reprise, une fusion ou une scission, apporte la preuve qu'il s'agit bien d'un nouvel établissement, malgré le maintien d'un numéro d'agrément déjà existant.]
  [e) toute institution qui fait l'objet d'une reprise après une faillite;]
  12° " journées ou heures assimilées " : les journées ou les heures non prestées mais assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles ont donné lieu au paiement d'une rémunération par l'institution (notamment les vacances annuelles, les jours fériés, les périodes de maladie couverte par un salaire garanti);
  13° " journées ou heures non assimilées " : les journées ou les heures non prestées et non assimilées à des journées ou des heures de travail dans la mesure où elles n'ont pas donné lieu au paiement d'une rémunération par l'institution (notamment les périodes de maladie non couvertes par un salaire garanti, les repos d'accouchement, les congés sans solde). Il faut également y inclure les journées où le membre du personnel est en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité.
  [1 4° " nombre moyen de lits agréés " : le nombre de lits agréés par l'autorité compétente correspondant à la formule suivante :
  (Formule non reprise pour motifs techniques. Voir M.B. 05-11-2004, p. 75099).
  où :
  L = nombre de lits agréés au premier jour de la période de référence;
  li = augmentation ou diminution du nombre de lits pendant la période de référence;
  Ji = nombre de jours calendrier entre la date de l'adaptation du nombre de lits et le dernier jour de la période de référence;
  J = nombre de jours calendrier de la période de référence.
  n = nombre d'adaptations du nombre de lits pendant la période de référence.]
  [1 15° " coordinateur infirmier " : le praticien de l'art infirmier salarié ou statutaire d'une MRPA, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins 12 équivalents temps plein, composée de personnel infirmier, soignant, et de réactivation, afin d'en assurer la coordination. La désignation de ce coordinateur infirmier est laissée à l'appréciation du gestionnaire, sauf en cas de dispositions différentes dans les normes applicables à cette institution;
  [3 15° bis " infirmier(ère) en chef " : le membre du personnel visé aux points B, 3, e) et f), de l'Annexe 1re à l'arrêté royal du 21 septembre 2004 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins, comme centre de soins de jour ou comme centre pour lésions cérébrales acquises;]3
   16° " paramédical en chef " : le membre du personnel de réactivation salarié ou statutaire d'une institution, désigné au sein d'une équipe de soins d'au moins 12 équivalents temps plein composée de personnel de réactivation, afin d'en assurer la coordination. La désignation de ce paramédical en chef est laissée à l'appréciation du gestionnaire, sauf en cas de dispositions différentes dans les normes applicables à cette institution.]1

  [2 17° "personnel de soins" : le personnel infirmier, le personnel soignant et le personnel de réactivation.]2
  [3 18° " directeur " : la personne chargée par le pouvoir organisateur de la gestion journalière de l'institution.]3
  [4 Ministres : le ou les Membres du Collège réuni compétent(s) pour la politique de la Santé et la politique de l'Aide aux personnes]4
HOOFDSTUK II. - (De financieringsnormen van het personeel.)
CHAPITRE II. - (Des normes de financement du personnel.)
Sectie 1. - In de rustoorden voor bejaarden.
Section 1re. - Dans les maisons de repos pour personnes âgées.
Art.2. § 1. De rustoorden voor bejaarden moeten over hun eigen loontrekkend of statutair verpleegkundig en verzorgingspersoneel beschikken en, indien nodig, over personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract. Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal (patiënten) die zijn gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 150 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
  § 2. In de rustoorden voor bejaarden zijn (de financieringsnormen van het personeel) per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig (patiënten), de volgende :
  a) voor de afhankelijkheidscategorie O :
  - 0,25 verpleegkundige;
  (- 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  b) voor de afhankelijkheidscategorie A :
  - 1,20 verpleegkundige;
  - [1 1,05 leden van het verzorgingspersoneel]1;
   (1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  c) voor de afhankelijkheidscategorie B :
  - 2,10 verpleegkundigen;
  - 4 leden van het verzorgingspersoneel;
  - 0,35 personeelslid voor reactivering;
  (- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  d) voor de afhankelijkheidscategorie C :
  - 4,10 verpleegkundigen;
  - 5,06 leden van het verzorgingspersoneel;
  - 0,385 personeelslid voor reactivering;
  (- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  e) voor de (patiënten) die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) :
  - 4,10 verpleegkundigen;
  - 6,06 leden van het verzorgingspersoneel;
  - 0,385 personeelslid voor reactivering.
  (- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  [2 f) voor de patiënten die in de afhankelijkheidscategorie D zijn opgenomen :
   - 1,2 verpleegkundigen;
   - 4 leden van het verzorgingspersoneel;
   - 1,25 personeelsleden voor reactivering;
   - 1,4 personeelsleden voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie).]2

  
Art.2. § 1er. Les maisons de repos pour personnes âgées doivent disposer de leur propre personnel infirmier et soignant, salarié ou statutaire, et, s'il y a lieu, de personnel de réactivation, salarié, statutaire, ou lié à l'institution par un contrat d'entreprise. La composition de ce personnel est déterminée compte tenu du nombre de (patients) classés dans chacune des catégories de dépendance visées à l'article 150 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
  § 2. Dans les maisons de repos pour personnes âgées, (les normes de financement du personnel) par qualification, exprimées en équivalents à temps plein et par trente (patients), sont les suivantes :
  a) pour la catégorie de dépendance O :
  - 0,25 praticien de l'art infirmier;
  (- 1,4 membre du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  b) pour la catégorie de dépendance A :
  - 1,20 praticien de l'art infirmier;
  - [1 1,05 membres du personnel soignant]1;
  (- 1,4 membre du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  c) pour la catégorie de dépendance B :
  - 2,10 praticiens de l'art infirmier;
  - 4 membres du personnel soignant;
  - 0,35 membre du personnel de réactivation;
  (- 1,4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  d) pour la catégorie de dépendance C :
  - 4,10 praticiens de l'art infirmier;
  - 5,06 membres du personnel soignant;
  - 0,385 membre du personnel de réactivation;
  (- 1,4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  e) pour les (patients) classés dans la catégorie de dépendance C en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd) :
  - 4,10 praticiens de l'art infirmier;
  - 6,06 membres du personnel soignant;
  - 0,385 membre du personnel de réactivation.
  (- 1,4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  [2 f) pour les patients classés dans la catégorie de dépendance D :
   - 1,2 praticiens de l'art infirmier;
   - 4 membres du personnel soignant;
   - 1,25 membres du personnel de réactivation;
   - 1,4 membres du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison).]2

  
Art. 2_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    § 1. De rustoorden voor bejaarden moeten over hun eigen loontrekkend of statutair verpleegkundig en verzorgingspersoneel beschikken en, indien nodig, over personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract. Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal (patiënten) die zijn gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 150 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
  § 2. In de rustoorden voor bejaarden zijn (de financieringsnormen van het personeel) per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig (patiënten), de volgende :
  a) voor de afhankelijkheidscategorie O :
  - 0,25 verpleegkundige;
  [3 - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,1 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 0,7 personeelslid voor reactivering;]3

  (- 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  b) voor de afhankelijkheidscategorie A :
  - 1,20 verpleegkundige;
  - [1 1,05 leden van het verzorgingspersoneel]1;
  [3 tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,1 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 0,7 personeelslid voor reactivering;]3

   (1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  c) voor de afhankelijkheidscategorie B :
  - 2,10 verpleegkundigen;
  - 4 leden van het verzorgingspersoneel;
  - [3 tot 30 juni 2022: 0,35 personeelslid voor reactivering;
   - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,45 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 1,05 personeelslid voor reactivering;]3
.
  (- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  d) voor de afhankelijkheidscategorie C :
  - 4,10 verpleegkundigen;
  - 5,06 leden van het verzorgingspersoneel;
  - [3 tot 30 juni 2022: 0,35 personeelslid voor reactivering;
   - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,45 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 1,05 personeelslid voor reactivering]3
.
  (- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  e) voor de (patiënten) die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) :
  - 4,10 verpleegkundigen;
  - 6,06 leden van het verzorgingspersoneel;
  [3 - tot 30 juni 2022: 0,385 personeelslid voor reactivering;
   - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,485 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 1,085 personeelslid voor reactivering]3
-
  (- bijkomend 1,4 lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);)
  [2 f) voor de patiënten die in de afhankelijkheidscategorie D zijn opgenomen :
   - 1,2 verpleegkundigen;
   - 4 leden van het verzorgingspersoneel;
   [3 - tot 30 juni 2022: 1,25 personeelslid voor reactivering;
   - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 1,35 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 1,95 personeelslid voor reactivering;.]3
;
   - 1,4 personeelsleden voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie).]2
Art. 2 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   § 1er. Les maisons de repos pour personnes âgées doivent disposer de leur propre personnel infirmier et soignant, salarié ou statutaire, et, s'il y a lieu, de personnel de réactivation, salarié, statutaire, ou lié à l'institution par un contrat d'entreprise. La composition de ce personnel est déterminée compte tenu du nombre de (patients) classés dans chacune des catégories de dépendance visées à l'article 150 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
  § 2. Dans les maisons de repos pour personnes âgées, (les normes de financement du personnel) par qualification, exprimées en équivalents à temps plein et par trente (patients), sont les suivantes :
  a) pour la catégorie de dépendance O :
  - 0,25 praticien de l'art infirmier;
  [3 - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 0,1 membre du personnel de réactivation;]3
  [3 - à partir du 1er juillet 2023 : 0,7 membre du personnel de réactivation ;]3
  (- 1,4 membre du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  b) pour la catégorie de dépendance A :
  - 1,20 praticien de l'art infirmier;
  - [1 1,05 membres du personnel soignant]1;
  [3 - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 0,1 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 0,7 membre du personnel de réactivation ;]3

  (- 1,4 membre du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  c) pour la catégorie de dépendance B :
  - 2,10 praticiens de l'art infirmier;
  - 4 membres du personnel soignant;
  [3 - jusqu'au 30 juin 2022 : 0,35 membre du personnel de réactivation ;
   - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 0,45 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 1,05 membres du personnel de réactivation ]3
;
  (- 1,4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  d) pour la catégorie de dépendance C :
  - 4,10 praticiens de l'art infirmier;
  - 5,06 membres du personnel soignant;
  [3 - jusqu'au 30 juin 2022 : 0,385 membre du personnel de réactivation ;
   - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 0,485 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 1,085 membres du personnel de réactivation ]3
;
  (- 1,4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  e) pour les (patients) classés dans la catégorie de dépendance C en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd) :
  - 4,10 praticiens de l'art infirmier;
  - 6,06 membres du personnel soignant;
  [3 - jusqu'au 30 juin 2022 : 0,385 membre du personnel de réactivation ;
   - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 0,485 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 1,085 membres du personnel de réactivation ]3
;
  (- 1,4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison);)
  [2 f) pour les patients classés dans la catégorie de dépendance D :
   - 1,2 praticiens de l'art infirmier;
   - 4 membres du personnel soignant;
   - [3 - jusqu'au 30 juin 2022 : 1,25 membres du personnel de réactivation ;
   - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 1,35 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 1,95 membres du personnel de réactivation ;]3

   - 1,4 membres du personnel de réactivation par 30 patients qui occupent un lit de court séjour agréé (fonction de liaison).]2
Art. 2_WAALS_GEWEST.    § 1. De rustoorden voor bejaarden moeten over hun eigen loontrekkend of statutair verpleegkundig en verzorgingspersoneel beschikken en, indien nodig, over personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract.[5 Rustoorden voor bejaarden kunnen, indien nodig, een beroep doen op verplegend personeel dat aan de instelling gebonden is door een arbeidsovereenkomst en op loontrekkend verpleegkundig personeel dat in dienst is van een andere zorgstructuur op basis van een beschikbaarheidsovereenkomst, in de zin van artikel 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers.]5 Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal (patiënten) die zijn gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 150 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
  § 2. [3 In de rustoorden voor bejaarden zijn de financieringsnormen van het personeel per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig patiënten, de volgende :
   1° voor de afhankelijkheidscategorie O :
   a) 0,25 verpleegkundige;
   b) 0,084 personeelslid voor reactivering;
   c) 1,4 aanvullend lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);
   2° voor de afhankelijkheidscategorie A :
   a) 1,20 verpleegkundige;
   b) 1,05 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 0,084 personeelslid voor reactivering;
   d) [4 1,886]4 aanvullend lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);
   3° voor de afhankelijkheidscategorie B :
   a) 2,10 verpleegkundigen;
   b) 4 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 0,434 personeelslid voor reactivering;
   d) [4 3,766]4 aanvullend lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);
   4° voor de afhankelijkheidscategorie C :
   a) 4,10 verpleegkundigen;
   b) 5,06 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 0,469 personeelslid voor reactivering;
   d) [4 3,731]4 aanvullend lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);
   5° voor de patiënten die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) :
   a) 4,10 verpleegkundigen;
   b) 6,06 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 0,469 personeelslid voor reactivering;
   d) [4 3,731]4 aanvullend lid van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie);
   6° voor de patiënten die gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie D:
   a) 1,2 verpleegkundigen;
   b) 4 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 1,334 personeelsleden voor reactivering;
   d) [4 2,866]4 leden van het personeel voor reactivering per 30 patiënten die verblijven in een erkend bed voor kortverblijf (liaisonfunctie).]3
Art. 2 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. Les maisons de repos pour personnes âgées doivent disposer de leur propre personnel infirmier et soignant, salarié ou statutaire, et, s'il y a lieu, de personnel de réactivation, salarié, statutaire, ou lié à l'institution par un contrat d'entreprise. [5 Les maisons de repos pour personnes âgées peuvent, si nécessaire, recourir à du personnel infirmier lié à l'institution par un contrat d'entreprise ainsi que recourir à du personnel infirmier salarié auprès d'une autre structure de soins sur la base d'un contrat de mise à disposition, au sens de l'article 32 de la loi sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs du 24 juillet 1987. ]5 La composition de ce personnel est déterminée compte tenu du nombre de (patients) classés dans chacune des catégories de dépendance visées à l'article 150 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
  § 2. [3 Dans les maisons de repos pour personnes âgées, les normes de financement du personnel par qualification, exprimées en équivalents à temps plein et par trente patients sont les suivantes :
   1° pour la catégorie de dépendance O :
   a) 0,25 praticien de l'art infirmier ;
   b) 0,084 membre du personnel de réactivation ;
   c) 1,4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par trente patients qui occupent un lit de court séjour agréé, fonction de liaison ;
   2° pour la catégorie de dépendance A :
   a) 1,20 praticien de l'art infirmier ;
   b) 1,05 membres du personnel soignant ;
   c) 0,084 membre du personnel de réactivation ;
   d) [4 1,886]4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par trente patients qui occupent un lit de court séjour agréé, fonction de liaison ;
   3° pour la catégorie de dépendance B :
   a) 2,10 praticiens de l'art infirmier ;
   b) 4 membres du personnel soignant ;
   c) 0,434 membre du personnel de réactivation ;
   d) [4 3,766]4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par trente patients qui occupent un lit de court séjour agréé, fonction de liaison ;
   4° pour la catégorie de dépendance C :
   a) 4,10 praticiens de l'art infirmier ;
   b) 5,06 membres du personnel soignant ;
   c) 0,469 membre du personnel de réactivation ;
   d) [4 3,731]4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par trente patients qui occupent un lit de court séjour agréé, fonction de liaison ;
   5° pour les patients classés dans la catégorie de dépendance C en raison de leur dépendance psychique, catégorie Cd :
   a) 4,10 praticiens de l'art infirmier ;
   b) 6,06 membres du personnel soignant ;
   c) 0,469 membre du personnel de réactivation.
   d) [4 3,731]4 membre supplémentaire du personnel de réactivation par trente patients qui occupent un lit de court séjour agréé, fonction de liaison ;
   6° pour les patients classés dans la catégorie de dépendance D :
   a) 1,2 praticiens de l'art infirmier ;
   b) 4 membres du personnel soignant ;
   c) 1,334 membres du personnel de réactivation ;
   d) [4 2,866]4 membres du personnel de réactivation par trente patients qui occupent un lit de court séjour agréé, fonction de liaison. ]3
Sectie 2. - In de rust- en verzorgingstehuizen.
Section 2. - Dans les maisons de repos et de soins.
Art.3. § 1. De rust- en verzorgingstehuizen moeten over hun eigen verpleegkundig en verzorgingspersoneel, over hun eigen kinesitherapeuten en/of ergotherapeuten, loontrekkend of statutair, beschikken en, indien nodig, over ander personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract. Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal (patiënten) dat is gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 148 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
  § 2. In de rust- en verzorgingstehuizen zijn (de financieringsnormen van het personeel) per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig (patiënten), de volgende :
  a) voor de afhankelijkheidscategorie B :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 5,2 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
  (- 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  b) voor de afhankelijkheidscategorie C :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 6,2 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 0,5 personeelslid voor reactivering.
  (- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  c) voor de (patiënten) die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 6,7 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 0,5 personeelslid voor reactivering;
  (- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  (d) voor de afhankelijkheidscategorie Cc :
  - 7 verpleegkundigen;
  - 12 leden van het verzorgend personeel;
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 1,5 personeelsleden voor reactivering.)
  (e)) bij het overmaken van de vragenlijst, zoals bedoeld in artikel 32, kan een inrichting uitdrukkelijk vragen aan de Dienst om, gedurende een overgangsfase die afloopt op 30 september 2004, de norm zoals bedoeld onder het punt a) als volgt toe te passen:
  4 verpleegkundigen;
  5 leden van het verzorgend personeel;
  1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
  
Art.3. § 1er. Les maisons de repos et de soins doivent disposer de leur propre personnel infirmier et soignant, de leur propres kinésithérapeutes et/ou ergothérapeutes, salariés ou statutaires, et s'il y a lieu, d'autres membres du personnel de réactivation, salariés, statutaires, ou liés à l'institution par un contrat d'entreprise. La composition de ce personnel est déterminée compte tenu du nombre de (patients) classés dans chacune des catégories de dépendance visées à l'article 148 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
  § 2. Dans les maisons de repos et de soins (les normes de financement du personnel) par qualification, exprimées en équivalents à temps plein et par trente (patients), sont les suivantes :
  a) pour la catégorie de dépendance B :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 5,2 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  (- 0,10 membre du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  b) pour la catégorie de dépendance C :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 6,2 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 0,5 membre du personnel de réactivation;
  (- 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  c) pour les (patients) classés dans la catégorie de dépendance C en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd) :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 6,7 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 0,5 membre du personnel de réactivation;
  (- 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  (d) pour la catégorie de dépendance Cc :
  - 7 praticiens de l'art infirmier;
  - 12 membres du personnel soignant;
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 1,5 membre du personnel de réactivation.)
  (e)) lors de la transmission du questionnaire visé à l'article 32, une institution peut faire la demande expresse au Service d'adapter comme suit la norme visée au point a) au cours d'une période transitoire qui prend fin le 30 septembre 2004 :
  - 4 praticiens de l'art infirmier;
  - 5 membres du personnel soignant;
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède.
  
Art.3 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   § 1. [2 ...]2
  § 2. In de rust- en verzorgingstehuizen zijn (de financieringsnormen van het personeel) per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig (patiënten), de volgende :
  a) voor de afhankelijkheidscategorie B :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 5,2 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
  (- 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  b) voor de afhankelijkheidscategorie C :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 6,2 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 0,5 personeelslid voor reactivering.
  (- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  c) voor de (patiënten) die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 6,7 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 0,5 personeelslid voor reactivering;
  (- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  (d) voor de afhankelijkheidscategorie Cc :
  - 7 verpleegkundigen;
  - 12 leden van het verzorgend personeel;
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 1,5 personeelsleden voor reactivering.)
  (e)) bij het overmaken van de vragenlijst, zoals bedoeld in artikel 32, kan een inrichting uitdrukkelijk vragen aan de Dienst om, gedurende een overgangsfase die afloopt op 30 september 2004, de norm zoals bedoeld onder het punt a) als volgt toe te passen:
  4 verpleegkundigen;
  5 leden van het verzorgend personeel;
  1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
Art. 3 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   § 1er. [2 ...]2
  § 2. Dans les maisons de repos et de soins (les normes de financement du personnel) par qualification, exprimées en équivalents à temps plein et par trente (patients), sont les suivantes :
  a) pour la catégorie de dépendance B :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 5,2 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  (- 0,10 membre du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  b) pour la catégorie de dépendance C :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 6,2 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 0,5 membre du personnel de réactivation;
  (- 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  c) pour les (patients) classés dans la catégorie de dépendance C en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd) :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 6,7 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 0,5 membre du personnel de réactivation;
  (- 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  (d) pour la catégorie de dépendance Cc :
  - 7 praticiens de l'art infirmier;
  - 12 membres du personnel soignant;
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 1,5 membre du personnel de réactivation.)
  (e)) lors de la transmission du questionnaire visé à l'article 32, une institution peut faire la demande expresse au Service d'adapter comme suit la norme visée au point a) au cours d'une période transitoire qui prend fin le 30 septembre 2004 :
  - 4 praticiens de l'art infirmier;
  - 5 membres du personnel soignant;
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède.
Art. 3_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    § 1. De rust- en verzorgingstehuizen moeten over hun eigen verpleegkundig en verzorgingspersoneel, over hun eigen kinesitherapeuten en/of ergotherapeuten, loontrekkend of statutair, beschikken en, indien nodig, over ander personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract. Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal (patiënten) dat is gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 148 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
  § 2. In de rust- en verzorgingstehuizen zijn (de financieringsnormen van het personeel) per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig (patiënten), de volgende :
  a) voor de afhankelijkheidscategorie B :
  - 5 verpleegkundigen;
  [2 - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,1 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 0,7 personeelslid voor reactivering;]2

  - [1 5,2 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
  (- 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  b) voor de afhankelijkheidscategorie C :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 6,2 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - [2 tot 30 juni 2022: 0,5 personeelslid voor reactivering;
   - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,6 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 1,2 personeelslid voor reactivering]2
.
  (- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  c) voor de (patiënten) die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 6,7 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  [2 - tot 30 juni 2022: 0,5 personeelslid voor reactivering;
   - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 0,6 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 1,2 personeelslid voor reactivering;]2
;
  (- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  (d) voor de afhankelijkheidscategorie Cc :
  - 7 verpleegkundigen;
  - 12 leden van het verzorgend personeel;
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - [2 - tot 30 juni 2022: 1,5 personeelslid voor reactivering;
   - tussen 1 juli 2022 en 30 juni 2023: 1,6 personeelslid voor reactivering;
   - vanaf 1 juli 2023: 2,2 personeelslid voor reactivering;]2

  (e)) bij het overmaken van de vragenlijst, zoals bedoeld in artikel 32, kan een inrichting uitdrukkelijk vragen aan de Dienst om, gedurende een overgangsfase die afloopt op 30 september 2004, de norm zoals bedoeld onder het punt a) als volgt toe te passen:
  4 verpleegkundigen;
  5 leden van het verzorgend personeel;
  1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
Art. 3 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   § 1er. Les maisons de repos et de soins doivent disposer de leur propre personnel infirmier et soignant, de leur propres kinésithérapeutes et/ou ergothérapeutes, salariés ou statutaires, et s'il y a lieu, d'autres membres du personnel de réactivation, salariés, statutaires, ou liés à l'institution par un contrat d'entreprise. La composition de ce personnel est déterminée compte tenu du nombre de (patients) classés dans chacune des catégories de dépendance visées à l'article 148 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
  § 2. Dans les maisons de repos et de soins (les normes de financement du personnel) par qualification, exprimées en équivalents à temps plein et par trente (patients), sont les suivantes :
  a) pour la catégorie de dépendance B :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  [2 - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 0,1 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 0,7 membre du personnel de réactivation;]2

  - [1 5,2 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  (- 0,10 membre du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  b) pour la catégorie de dépendance C :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 6,2 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  -[2 - jusqu'au 30 juin 2022 : 0,5 membre du personnel de réactivation ;
   - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 0,6 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 1,2 membres du personnel de réactivation ]2
;
  (- 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  c) pour les (patients) classés dans la catégorie de dépendance C en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd) :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 6,7 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  [2 - jusqu'au 30 juin 2022 : 0,5 membre du personnel de réactivation ;
   - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 0,6 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 1,2 membres du personnel de réactivation]2
;
  (- 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  (d) pour la catégorie de dépendance Cc :
  - 7 praticiens de l'art infirmier;
  - 12 membres du personnel soignant;
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  [2 - jusqu'au 30 juin 2022 : 1,5 membres du personnel de réactivation ;
   - entre le 1er juillet 2022 et le 30 juin 2023 : 1,6 membre du personnel de réactivation ;
   - à partir du 1er juillet 2023 : 2,2 membres du personnel de réactivation]2
;
  (e)) lors de la transmission du questionnaire visé à l'article 32, une institution peut faire la demande expresse au Service d'adapter comme suit la norme visée au point a) au cours d'une période transitoire qui prend fin le 30 septembre 2004 :
  - 4 praticiens de l'art infirmier;
  - 5 membres du personnel soignant;
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède.
Art. 3 TOEKOMSTIG RECHT.   § 1. De rust- en verzorgingstehuizen moeten over hun eigen verpleegkundig en verzorgingspersoneel, over hun eigen kinesitherapeuten en/of ergotherapeuten, loontrekkend of statutair, beschikken en, indien nodig, over ander personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract. Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal (patiënten) dat is gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 148 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
  § 2. In de rust- en verzorgingstehuizen zijn (de financieringsnormen van het personeel) per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig (patiënten), de volgende :
  a) voor de afhankelijkheidscategorie B :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 5,2 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist.
  (- 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  b) voor de afhankelijkheidscategorie C :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 6,2 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 0,5 personeelslid voor reactivering.
  (- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  c) voor de (patiënten) die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) :
  - 5 verpleegkundigen;
  - [1 6,7 leden van het verzorgend personeel;]1
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 0,5 personeelslid voor reactivering;
  (- bijkomend 0,10 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;)
  (d) voor de afhankelijkheidscategorie Cc :
  - 7 verpleegkundigen;
  - 12 leden van het verzorgend personeel;
  - 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
  - 1,5 personeelsleden voor reactivering.)
  e)[2 voor de patiënten die in de afhankelijkheidscategorie D zijn opgenomen:
   2,5 verpleegkundigen;
   5,2 leden van het verzorgend personeel;
   1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist;
   2,5 personeelsleden voor reactivering;
   bijkomend 0,1 lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten.]2

  
Art. 3 DROIT FUTUR.   § 1er. Les maisons de repos et de soins doivent disposer de leur propre personnel infirmier et soignant, de leur propres kinésithérapeutes et/ou ergothérapeutes, salariés ou statutaires, et s'il y a lieu, d'autres membres du personnel de réactivation, salariés, statutaires, ou liés à l'institution par un contrat d'entreprise. La composition de ce personnel est déterminée compte tenu du nombre de (patients) classés dans chacune des catégories de dépendance visées à l'article 148 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
  § 2. Dans les maisons de repos et de soins (les normes de financement du personnel) par qualification, exprimées en équivalents à temps plein et par trente (patients), sont les suivantes :
  a) pour la catégorie de dépendance B :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 5,2 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  (- 0,10 membre du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  b) pour la catégorie de dépendance C :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 6,2 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 0,5 membre du personnel de réactivation;
  (- 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  c) pour les (patients) classés dans la catégorie de dépendance C en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd) :
  - 5 praticiens de l'art infirmier;
  - [1 6,7 membres du personnel soignant]1
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 0,5 membre du personnel de réactivation;
  (- 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale;)
  (d) pour la catégorie de dépendance Cc :
  - 7 praticiens de l'art infirmier;
  - 12 membres du personnel soignant;
  - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
  - 1,5 membre du personnel de réactivation.)
  e) [2 pour les patients classés dans la catégorie de dépendance D :
   - 2,5 praticiens de l'art infirmier;
   - 5,2 membres du personnel soignant;
   - 1 kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède;
   - 2,5 membres du personnel de réactivation;
   - 0,1 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale.]2

  
Art. 3_WAALS_GEWEST.    § 1. De rust- en verzorgingstehuizen moeten over hun eigen verpleegkundig en verzorgingspersoneel, over hun eigen kinesitherapeuten en/of ergotherapeuten, loontrekkend of statutair, beschikken en, indien nodig, over ander personeel voor reactivering, loontrekkend, statutair of met de inrichting verbonden door een ondernemingscontract. [4 , het zelfstandig verpleegkundig personeel of het loontrekkend verpleegkundig personeel dat in dienst is van een andere zorgstructuur op basis van een beschikbaarheidsovereenkomst, in de zin van artikel 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. ]4 Bij de samenstelling van dat personeel wordt rekening gehouden met het aantal (patiënten) dat is gerangschikt in elk van de afhankelijkheidscategorieën, bedoeld in artikel 148 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
  § 2. [3 In de rust- en verzorgingstehuizen zijn de financieringsnormen van het personeel per kwalificatie, uitgedrukt in voltijds equivalent en per dertig patiënten, de volgende:
   1° voor de afhankelijkheidscategorie B :
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 5,2 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 1 kinesitherapeut of ergotherapeut of logopedist;
   c) 0,084 personeelsleden voor reactivering;
   e) 0,1 aanvullend lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;
   2° voor de afhankelijkheidscategorie C:
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 6,2 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 1 kinesitherapeut of ergotherapeut of logopedist;
   c) 0,584 personeelsleden voor reactivering;
   e) 0,10 aanvullend lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;
   3° voor de patiënten die omwille van hun psychische afhankelijkheid gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd) :
   a) 5 verpleegkundigen;
   b) 6,7 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 1 kinesitherapeut of ergotherapeut of logopedist;
   c) 0,584 personeelsleden voor reactivering;
   e) 0,10 aanvullend lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten;
   4° voor de patiënten die gerangschikt zijn in de afhankelijkheidscategorie D :
   a) 2,5 verpleegkundigen;
   b) 5,2 leden van het verzorgingspersoneel;
   c) 1 kinesitherapeut of ergotherapeut of logopedist;
   c) 2,5 personeelsleden voor reactivering;
   e) 0,1 aanvullend lid van het personeel voor reactivering dat een bekwaming heeft in palliatieve zorg, ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten.]3
Art. 3 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. Les maisons de repos et de soins doivent disposer de leur propre personnel infirmier et soignant, de leur propres kinésithérapeutes et/ou ergothérapeutes, salariés ou statutaires, et s'il y a lieu, d'autres membres du personnel de réactivation, salariés, statutaires, ou liés à l'institution par un contrat d'entreprise. [4 Les maisons de repos et de soins peuvent, si nécessaire, recourir à du personnel infirmier lié à l'institution par un contrat d'entreprise ainsi que recourir à du personnel infirmier salarié auprès d'une autre structure de soins sur la base d'un contrat de mise à disposition, au sens de l'article 32 de la loi sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs du 24 juillet 1987.]4 La composition de ce personnel est déterminée compte tenu du nombre de (patients) classés dans chacune des catégories de dépendance visées à l'article 148 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
  § 2. [3 Dans les maisons de repos et de soins, les normes de financement du personnel par qualification, exprimées en équivalents à temps plein et par trente patients, sont les suivantes :
   1° pour la catégorie de dépendance B :
   a) 5 praticiens de l'art infirmier ;
   b) 5,2 membres du personnel soignant ;
   c) 1 kinésithérapeute ou ergothérapeute ou logopède ;
   d) 0,084 membre du personnel de réactivation ;
   e) 0,1 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale ;
   2° pour la catégorie de dépendance C :
   a) 5 praticiens de l'art infirmier ;
   b) 6,2 membres du personnel soignant ;
   c) 1 kinésithérapeute ou ergothérapeute ou logopède ;
   d) 0,584 membre du personnel de réactivation ;
   e) 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale ;
   3° pour les patients classés dans la catégorie de dépendance C en raison de leur dépendance psychique, catégorie Cd :
   a) 5 praticiens de l'art infirmier ;
   b) 6,7 membres du personnel soignant ;
   c) 1 kinésithérapeute ou ergothérapeute ou logopède ;
   d) 0,584 membre du personnel de réactivation ;
   e) 0,10 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale ;
   4° pour les patients classés dans la catégorie de dépendance D :
   a) 2,5 praticiens de l'art infirmier ;
   b) 5,2 membres du personnel soignant ;
   c) 1 kinésithérapeute ou ergothérapeute ou logopède ;
   d) 2,5 membres du personnel de réactivation ;
   e) 0,1 membre supplémentaire du personnel de réactivation, compétent en matière de soins palliatifs, pour le soutien aux soins des patients en phase terminale.]3
Sectie 3. - De leden van het verzorgingspersoneel en het personeel voor reactivering.
Section 3. - Les membres du personnel soignant et du personnel de réactivation.
Art.4. § 1. [4 De leden van het verzorgingspersoneel moeten als zorgkundige geregistreerd zijn door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.]4
  [5 Vanaf 1 juli 2013, moeten alle leden van het verzorgingspersoneel, die door de instelling worden aangeworven, voorlopig of definitief geregistreerd zijn door de Federale overheidsdienst Volksgezondheid.
   Vanaf die datum en tot 30 juni 2015, mag het percentage leden van het verzorgingspersoneel, die in aanmerking worden genomen om te evalueren of de instelling de normen bedoeld in artikel 2, 3 en 5 naleeft, en die geen specifieke kwalificatie van zorgkundige hebben of die niet voorlopig of definitief door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid geregistreerd zijn, niet hoger liggen dan 5 %.]5

  § 2. [3 De personeelsleden voor reactivering moeten over ten minste één van de volgende bekwamingen beschikken of over een bekwaming die daarmee gelijkgesteld is door de bevoegde overheid :
   - graduaat of licentiaat of master in de kinesitherapie;
   - graduaat of bachelor of licentiaat of master in de logopedie;
   - graduaat of bachelor in de ergotherapie;
   - graduaat of bachelor in de arbeidstherapie;
   - graduaat of bachelor in de readaptatiewetenschappen;
   - graduaat of bachelor in de dieetleer;
   - graduaat of bachelor of licentiaat of master in de pedagogie of de orthopedagogiek;
   - graduaat of bachelor of postgraduaat of master in de psychomotoriek;
   - licentiaat of master in de psychologie;
   - graduaat of bachelor psychologisch assistent;
   - graduaat of bachelor sociaal werker of in de sociale gezondheidszorg of [6 sociaal verpleegkundige]6 of [6 verpleegkundige gespecialiseerd in de sociale gezondheidszorg]6;
   - bachelor of master in het sociaal werk;
   - graduaat of bachelor in de gezinswetenschappen;
   - licenciaat of master in de gerontologie;
   - graduaat of bachelor opvoeder.]3

  [6 - bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie.]6
  
Art.4. § 1er. [4 Les membres du personnel soignant doivent être enregistrés comme aide-soignant par le Service public fédéral Santé publique.]4
  [5 A partir du 1er juillet 2013, tous les membres du personnel soignant nouvellement engagés par l'institution doivent être enregistrés, provisoirement ou définitivement, par le Service public fédéral Santé publique.
   A partir de cette date et jusqu'au 30 juin 2015, la proportion de membres du personnel soignant pris en considération pour évaluer le respect par l'institution des normes visées aux articles 2, 3 et 5, qui n'ont pas la qualification spécifique d'aide-soignant ou qui ne sont pas enregistrés, provisoirement ou définitivement, par le Service public fédéral Santé publique, ne peut excéder 5 %.]5

  § 2. [3 Les membres du personnel de réactivation doivent disposer d'au moins une des qualifications suivantes ou d'une qualification assimilée à celles-ci par l'autorité compétente :
   - graduat ou licence ou master en kinésithérapie;
   - graduat ou baccalauréat ou licence ou master en logopédie;
   - graduat ou baccalauréat en ergothérapie;
   - graduat ou baccalauréat en thérapie du travail;
   - graduat ou baccalauréat en sciences de réadaptation;
   - graduat ou baccalauréat en diététique;
   - graduat ou baccalauréat ou licence ou master en pédagogie ou en orthopédagogie;
   - graduat ou baccalauréat ou post-graduat ou master en psychomotricité;
   - licence ou master en psychologie;
   - graduat ou baccalauréat d'assistant en psychologie;
   - graduat ou baccalauréat d'assistant social ou " in de sociale gezondheidszorg " ou d'infirmière sociale ou d'infirmière spécialisée en santé communautaire;
   - " bachelor of master in het sociaal werk ";
   - " graduaat of bachelor in de gezinswetenschappen ";
   - licence ou master en gérontologie;
   - graduat ou baccalauréat d'éducateur.]3

  [6 - "bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie".]6
  
Art.4_WAALS_GEWEST.    § 1. [4 De leden van het verzorgingspersoneel moeten als zorgkundige geregistreerd zijn door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.]4
  [5 Vanaf 1 juli 2013, moeten alle leden van het verzorgingspersoneel, die door de instelling worden aangeworven, voorlopig of definitief geregistreerd zijn door de Federale overheidsdienst Volksgezondheid.
   Vanaf die datum en tot 30 juni 2015, mag het percentage leden van het verzorgingspersoneel, die in aanmerking worden genomen om te evalueren of de instelling de normen bedoeld in artikel 2, 3 en 5 naleeft, en die geen specifieke kwalificatie van zorgkundige hebben of die niet voorlopig of definitief door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid geregistreerd zijn, niet hoger liggen dan 5 %.]5

  [7 Vanaf 1 juli 2022 worden, voor personeelsleden met een IF-IC functietoewijzing, alleen personeelsleden met een toewijzing "6372 - verzorgende in de ouderenzorg" als verzorgingspersoneel beschouwd.
   In afwijking van lid 4 kan een deel van het personeel dat door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid als verzorgende is geregistreerd, met een IF-IC functietoewijzing met functiecode "6371 - CANTOU-begeleider", als verzorgingspersoneel worden beschouwd wanneer de instelling over een aangepaste leefeenheid voor gedesoriënteerde bejaarde personen, die aan de normen van hoofdstuk VII van bijlage 120 voldoet, bevattend de specifieke normen voor de opvang en huisvesting van gedesoriënteerde bejaarde personen of personen met ernstige cognitieve stoornissen of met gediagnosticeerde dementie in een aangepaste leefeenheid.
   Het percentage van het verzorgingspersoneel met een IF-IC functietoewijzing met functiecode "6371 - CANTOU-begeleider", mag niet hoger zijn dan het gemiddelde percentage patiënten in afhankelijkheidscategorie Cd en patiënten in afhankelijkheidscategorie D op het gemiddelde aantal patiënten in de referentieperiode.]7

  § 2. [3 De personeelsleden voor reactivering moeten over ten minste één van de volgende bekwamingen beschikken of over een bekwaming die daarmee gelijkgesteld is door de bevoegde overheid :
   - graduaat of licentiaat of master in de kinesitherapie;
   - graduaat of bachelor of licentiaat of master in de logopedie;
   - graduaat of bachelor in de ergotherapie;
   - graduaat of bachelor in de arbeidstherapie;
   - graduaat of bachelor in de readaptatiewetenschappen;
   - graduaat of bachelor in de dieetleer;
   - graduaat of bachelor of licentiaat of master in de pedagogie of de orthopedagogiek;
   - graduaat of bachelor of postgraduaat of master in de psychomotoriek;
   - licentiaat of master in de psychologie;
   - graduaat of bachelor psychologisch assistent;
   - graduaat of bachelor sociaal werker of in de sociale gezondheidszorg of [6 sociaal verpleegkundige]6 of [6 verpleegkundige gespecialiseerd in de sociale gezondheidszorg]6;
   - bachelor of master in het sociaal werk;
   - graduaat of bachelor in de gezinswetenschappen;
   - licenciaat of master in de gerontologie;
   - graduaat of bachelor opvoeder.]3

  [6 - bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie.]6
Art. 4 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. [4 Les membres du personnel soignant doivent être enregistrés comme aide-soignant par le Service public fédéral Santé publique.]4
  [5 A partir du 1er juillet 2013, tous les membres du personnel soignant nouvellement engagés par l'institution doivent être enregistrés, provisoirement ou définitivement, par le Service public fédéral Santé publique.
   A partir de cette date et jusqu'au 30 juin 2015, la proportion de membres du personnel soignant pris en considération pour évaluer le respect par l'institution des normes visées aux articles 2, 3 et 5, qui n'ont pas la qualification spécifique d'aide-soignant ou qui ne sont pas enregistrés, provisoirement ou définitivement, par le Service public fédéral Santé publique, ne peut excéder 5 %.]5

  [7 A partir du 1er juillet 2022, pour les membres du personnel bénéficiant d'une attribution de fonction IF-IC, seuls les membres du personnel bénéficiant des attributions " 6372 - aide-soignant soins résidentiels pour personnes âgées " sont considérés comme membres du personnel soignant.
   Par dérogation à l'alinéa 4, une partie du personnel enregistré comme aide-soignant par le Service public fédéral Santé publique, bénéficiant d'une attribution de fonction IF-IC avec un code fonction " 6371 - accompagnateur CANTOU " peut être considérée comme personnel soignant lorsque l'établissement dispose d'une unité de vie adaptée pour aînés désorientés, qui respecte les normes prévues au chapitre VII de l'annexe 120, reprenant les normes spécifiques relatives à l'accueil et à l'hébergement des personnes âgées désorientées ou atteintes de troubles cognitifs majeurs ou diagnostiquées démentes dans une unité adaptée.
   Le pourcentage du personnel soignant bénéficiant d'une attribution de fonction IF-IC avec un code fonction " 6371 - accompagnateur CANTOU " ne peut pas être supérieur au pourcentage moyen des patients en catégorie de dépendance Cd et des patients en catégorie de dépendance D sur le nombre moyen de patients de la période de référence. ]7

  § 2. [3 Les membres du personnel de réactivation doivent disposer d'au moins une des qualifications suivantes ou d'une qualification assimilée à celles-ci par l'autorité compétente :
   - graduat ou licence ou master en kinésithérapie;
   - graduat ou baccalauréat ou licence ou master en logopédie;
   - graduat ou baccalauréat en ergothérapie;
   - graduat ou baccalauréat en thérapie du travail;
   - graduat ou baccalauréat en sciences de réadaptation;
   - graduat ou baccalauréat en diététique;
   - graduat ou baccalauréat ou licence ou master en pédagogie ou en orthopédagogie;
   - graduat ou baccalauréat ou post-graduat ou master en psychomotricité;
   - licence ou master en psychologie;
   - graduat ou baccalauréat d'assistant en psychologie;
   - graduat ou baccalauréat d'assistant social ou " in de sociale gezondheidszorg " ou d'infirmière sociale ou d'infirmière spécialisée en santé communautaire;
   - " bachelor of master in het sociaal werk ";
   - " graduaat of bachelor in de gezinswetenschappen ";
   - licence ou master en gérontologie;
   - graduat ou baccalauréat d'éducateur.]3

  [6 - "bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie".]6
Art. 4_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    § 1. [4 De leden van het verzorgingspersoneel moeten als zorgkundige geregistreerd zijn door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid.]4
  [5 Vanaf 1 juli 2013, moeten alle leden van het verzorgingspersoneel, die door de instelling worden aangeworven, voorlopig of definitief geregistreerd zijn door de Federale overheidsdienst Volksgezondheid.
   Vanaf die datum en tot 30 juni 2015, mag het percentage leden van het verzorgingspersoneel, die in aanmerking worden genomen om te evalueren of de instelling de normen bedoeld in artikel 2, 3 en 5 naleeft, en die geen specifieke kwalificatie van zorgkundige hebben of die niet voorlopig of definitief door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid geregistreerd zijn, niet hoger liggen dan 5 %.]5

  § 2. [3 [7 De leden van het reactiveringspersoneel moeten ten minste een van de volgende kwalificaties hebben of een kwalificatie die door de bevoegde overheid als gelijkwaardig wordt erkend:
   - bachelor of master in de kinesitherapie;
   - "bachelor in wellbeing- en vitaliteitsmanagement";
   - bachelor of master in de logopedie;
   - bachelor in de ergotherapie;
   - bachelor of master in de arbeidstherapie;
   - bachelor of master in de readaptatiewetenschappen;
   - bachelor in de dieetleer;
   - bachelor of master in de pedagogie of in de orthopedagogie;
   - bachelor of master in de psychomotoriek;
   - bachelor of master in de psychologie;
   - bachelor of master in de gerontologie, geriatrie en psychogeriatrie;
   - "bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie";
   - bachelor in de gemeenschapsgezondheid;
   - bachelor of master in de medische antropologie;
   - bachelor maatschappelijk assistent of "bachelor in de sociale gezondheidszorg";
   - bachelor of master in het sociaal werk;
   - bachelor of master in de gezinswetenschappen;
   - bachelor sociaal verpleegkundige of verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg en psychiatrie;
   - bachelor gespecialiseerde opvoedkundige of getuigschrift hoger secundair onderwijs opvoedkundige;
   - bachelor in de gezondheidstechnologie ;
   - bachelor in de audiologie;
   - bachelor in de podologie en podotherapie;
   - master in de osteopathie;
   - bachelor in de kunsttherapie;
   - bachelor of master-na-masteropleiding in de muziektherapie;
   - bachelor of master in de gezondheidszorgbemiddeling en interculturele bemiddeling;
   - getuigschrift hoger secundair onderwijs in de sociale esthetica of bachelor in de sociale esthetica;
   - bachelor in beeldende kunst, muziek, theater, circus of film.
   Binnen de grenzen van het begrip reactiveringspersoneel bedoeld in artikel 1, 10°, kan de in het vorige lid bedoelde lijst door de ministers worden aangevuld, zowel om de studiegebieden als de studieniveaus uit te breiden]7
Art. 4 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   § 1er. [4 Les membres du personnel soignant doivent être enregistrés comme aide-soignant par le Service public fédéral Santé publique.]4
  [5 A partir du 1er juillet 2013, tous les membres du personnel soignant nouvellement engagés par l'institution doivent être enregistrés, provisoirement ou définitivement, par le Service public fédéral Santé publique.
   A partir de cette date et jusqu'au 30 juin 2015, la proportion de membres du personnel soignant pris en considération pour évaluer le respect par l'institution des normes visées aux articles 2, 3 et 5, qui n'ont pas la qualification spécifique d'aide-soignant ou qui ne sont pas enregistrés, provisoirement ou définitivement, par le Service public fédéral Santé publique, ne peut excéder 5 %.]5

  § 2. [3 [7 § 2. Les membres du personnel de réactivation doivent disposer d'au moins une des qualifications suivantes ou d'une qualification assimilée à celles-ci par l'autorité compétente :
   - bachelier ou master en kinésithérapie;
   - "bachelor in wellbeing- en vitaliteitsmanagement";
   - bachelier ou master en logopédie;
   - bachelier en ergothérapie;
   - bachelier ou master en thérapie du travail;
   - bachelier ou master en sciences de réadaptation;
   - bachelier en diététique;
   - bachelier ou master en pédagogie ou en orthopédagogie;
   - bachelier ou master en psychomotricité;
   - bachelier ou master en psychologie;
   - bachelier ou master en gérontologie, gériatrie et psychogériatrie ;
   - "bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie";
   - bachelier en Santé communautaire;
   - bachelier ou master en Anthropologie médicale;
   - bachelier d'assistant social ou "bachelor in de sociale gezondheidszorg";
   - bachelor of master in het sociaal werk;
   - bachelier ou master en sciences de la famille;
   - bachelier d'infirmier social ou d'infirmier en santé mentale et psychiatrie ;
   - bachelier d'éducateur spécialisé ou CESS d'éducateur;
   - bachelier en technologie des soins de santé ;
   - bachelier en audiologie;
   - bachelier en podologie et podothérapie;
   - master en ostéopathie;
   - bachelier en art-thérapie;
   - bachelier ou master postformation en musicothérapie ;
   - bachelier ou master en médiation en soins de santé et médiation interculturelle ;
   - CESS en esthétique sociale ou bachelier en esthétique sociale ;
   - bachelier dans le domaine des arts plastiques, de la musique, du théâtre, du cirque ou du cinéma.
   Dans les limites de la notion de personnel de réactivation visée à l'article 1er, 10°, la liste visée à l'alinéa précédent peut être complétée par les Ministres, tant pour élargir les domaines d'études que les niveaux d'études]7
.]3
Sectie 4. - De continuïteit van de verzorging.
Section 4. - De la continuité des soins.
Art.5. [1 De inrichtingen verzekeren de continuïteit van de verzorging, zowel overdag als 's nachts, door minstens een lid van het verpleegkundig personeel, het verzorgend personeel of het personeel voor reactivering.
   Voor het verzekeren van deze continuïteit van de verzorging, moeten de inrichtingen, die in de referentieperiode gemiddeld minstens 10 patiënten in [2 de categorieën B, C, Cd, Cc en/of D]2 huisvesten en die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld 40 % patiënten huisvesten in [2 de categorieën B, C, Cd, Cc en/of D]2, beschikken tijdens de referentieperiode gemiddeld over minstens 5 voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens 2 voltijds equivalenten verpleegkundigen. [3 Het verplegend uitzendpersoneel, bedoeld in artikel 8, § 2, d), wordt ook in aanmerking genomen.]3]1

  
Art.5. [1 Les institutions assurent la continuité des soins, de jour comme de nuit, par au moins un membre du personnel infirmier, soignant ou de réactivation.
   Pour assurer cette continuité des soins, les institutions qui, au cours de la période de référence, hébergent en moyenne au moins 10 patients classés dans [2 les catégories B, C, Cd, Cc et/ou D]2 et qui hébergent en moyenne au moins 40 % de patients classés dans [2 les catégories B, C, Cd, Cc et/ou D]2 par rapport au nombre moyen de lits agréés, doivent disposer en moyenne, au cours de la période de référence, d'au moins 5 équivalents temps plein de personnel infirmier, soignant ou de réactivation, salarié ou statutaire, dont au moins 2 équivalents temps plein praticiens de l'art infirmier. [3 Le personnel infirmier intérimaire visé à l'article 8, § 2, d), est également pris en considération.]3]1

  
Art.5_WAALS_GEWEST.    [1 De inrichtingen verzekeren de continuïteit van de verzorging, zowel overdag als 's nachts, door minstens een lid van het verpleegkundig personeel, het verzorgend personeel of het personeel voor reactivering.   Voor het verzekeren van deze continuïteit van de verzorging, moeten de inrichtingen, die in de referentieperiode gemiddeld minstens 10 patiënten in [2 de categorieën B, C, Cd, Cc en/of D]2 huisvesten en die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld 40 % patiënten huisvesten in [2 de categorieën B, C, Cd, Cc en/of D]2, beschikken tijdens de referentieperiode gemiddeld over minstens 5 voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens 2 voltijds equivalenten verpleegkundigen. [3 Het verplegend uitzendpersoneel, [4 het zelfstandig verpleegkundig personeel of het loontrekkend verpleegkundig personeel dat in dienst is van een andere zorgstructuur op basis van een beschikbaarheidsovereenkomst, in de zin van artikel 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers. " worden ingevoegd tussen de woorden "verplegend uitzendpersoneel]4 bedoeld in artikel 8, § [4 1,89]4, d), wordt ook in aanmerking genomen.]3]1  
Art. 5 _REGION_WALLONNE.   [1 Les institutions assurent la continuité des soins, de jour comme de nuit, par au moins un membre du personnel infirmier, soignant ou de réactivation.   Pour assurer cette continuité des soins, les institutions qui, au cours de la période de référence, hébergent en moyenne au moins 10 patients classés dans [2 les catégories B, C, Cd, Cc et/ou D]2 et qui hébergent en moyenne au moins 40 % de patients classés dans [2 les catégories B, C, Cd, Cc et/ou D]2 par rapport au nombre moyen de lits agréés, doivent disposer en moyenne, au cours de la période de référence, d'au moins 5 équivalents temps plein de personnel infirmier, soignant ou de réactivation, salarié ou statutaire, dont au moins 2 équivalents temps plein praticiens de l'art infirmier. [3 Le personnel infirmier intérimaire [5 , indépendant ou qui travaille comme salarié dans une autre structure de soins et mis à disposition sur la base d'un contrat de mise à disposition, au sens de l'article 32 de la loi sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs du 24 juillet 1987.]5 visé à l'article 8, § [4 1,89]4 d), est également pris en considération.]3]1  
HOOFDSTUK III. - De berekening van de forfaitaire tegemoetkoming.
CHAPITRE III. - Du calcul de l'allocation forfaitaire.
Art.6. [5 § 1.]5 De volledige tegemoetkoming bevat de volgende onderdelen :
  a) Deel A1 : de financiering van het genormeerde personeel volgens de bepalingen van hoofdstuk II;
  b) Deel A2 : een tegemoetkoming als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen;
  [7 Deel A3 : een tegemoetkoming bedoeld om de harmonisering van de barema's te dekken voor alle leden van het verzorgingspersoneel die beschikken over de kwalificatie van zorgkundige;]7
  c) Deel B1 : de financiering van het verzorgingsmateriaal zoals bedoeld in artikel 147, §§ 1 en 2, van het hiervoor vermeld koninklijk besluit van 3 juli 1996;
  d) Deel B2 : de financiering voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten;
  e) Deel C : de financiering van de palliatieve functie;
  f) Deel D : een partiële tegemoetkoming in de beheerskost en in de kost voor de gegevensoverdracht;
  g) [1 Deel E1 : het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige in RVT;
   Deel E2 : het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundigen, de hoofdparamedici en de verpleegkundig coördinatoren, in RVT en in ROB;]1

  [2 Deel E3 : financiering van een referentiepersoon dementie;]2
  [5 ...]5;
  h) Deel F : de tegemoetkoming voor de coördinerend en raadgevend arts in RVT;
  i) Deel G : de bijkomende financiering van het kortverblijf;
  j) Deel H : de financiering van de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie;
  k) Deel Z1 : de financiering van de liaisonfunctie voor kortverblijf voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009;
  l) Deel Z2 : de financiering van personeel ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten in RVT voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009.
  [3 m) Deel Z3 : de bijkomende financiering van de zorgafhankelijkheidscategorie A tussen 1 januari 2010 en 31 december 2011;
   n) Deel Z4 : de financiering van de verhoging van de norm in RVT tussen 1 juli 2010 en 31 december 2011.]3

  [6 o) Deel Z5 : de financiering van de afhankelijkheidscategorie D tussen 1 januari 2013 en 31 december 2014.]6
  [6 § 2. Bij de berekening van deze delen gelden de volgende afrondingsregels, waarbij met het cijfer dat volgt op de af te ronden decimaal geen rekening wordt gehouden wanneer het lager is dan vijf en de af te ronden decimaal met een eenheid wordt verhoogd als dat cijfer gelijk is aan of hoger is dan vijf :
   a) voor de berekening van het aantal voltijdse equivalent (VTE) : alle (tussen)berekeningen worden per kwalificatie afgerond tot 3 cijfers na de komma, zowel het VTE per trimester als het VTE tijdens de referentieperiode, als het totaal aantal VTE per kwalificatie;
   b) voor de berekening van bedragen uitgedrukt in euro : alle berekeningen worden afgerond tot 2 cijfers na de komma;
   c) voor de berekening van de anciënniteit, bedoeld in artikel 13 : alle berekeningen worden afgerond tot 3 cijfers na de komma;
   d) voor de berekening van het gemiddelde aantal rechthebbenden en niet-rechthebbenden : alle berekeningen worden afgerond tot 3 cijfers na de komma.]6

  [7 § 3. Bij een exploitatietransfer vanuit een openbare dienst, wordt het gedetacheerd statutair personeel dat op het moment van de overdracht van de exploitatie opgenomen is in een lijst, gelijkgesteld aan eigen loontrekkend of statutair personeel, indien aan de Dienst wordt overgemaakt :
   1° de exhaustieve lijst met namen van de betrokken statutaire personeelsleden, hun kwalificatie en hun wekelijkse arbeidsduur, en vergezeld van een kopie van de beslissing van hun benoeming. Deze lijst moet worden ondertekend door de openbare dienst én door de verantwoordelijke van de instelling en aan de Dienst worden overgemaakt binnen de maand na de exploitatietransfer. Aan deze lijst kunnen nadien geen personen worden toegevoegd, de wekelijkse arbeidsduur van de personen kan niet worden verhoogd en hun kwalificatie kan niet worden aangepast;
   2° als de Dienst erom vraagt, alle andere bijkomende informatie met betrekking tot de exploitatietransfer en de rol van de openbare dienst.]7

  
Art.6. [5 § 1er.]5 L'allocation complète est composée des parties suivantes :
  a) Partie A1 : le financement du personnel normé selon les dispositions du chapitre II;
  b) Partie A2 : une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires;
  [7 Partie A3 : une intervention destinée à couvrir l'harmonisation des barèmes de tous les membres du personnel soignant disposant de la qualification d'aide-soignant;]7
  c) Partie B1 : le financement du matériel de soins visé à l'article 147, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité;
  d) Partie B2 : le financement de produits et de matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales;
  e) Partie C : le financement de la fonction palliative;
  f) Partie D : une intervention partielle dans les frais d'administration et dans le coût de la transmission de données;
  g) [1 Partie E1 : le complément de fonction pour l'infirmier(ère) chef en MRS;
   Partie E2 : le complément de fonction pour les infirmiers(ères) chefs, les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers, en MRPA et en MRS;]1

  [2 Partie E3 : le financement d'une personne de référence pour la démence;]2
  [5 ...]5;
  h) Partie F : l'intervention pour le médecin coordinateur et conseiller en MRS;
  i) Partie G : le financement supplémentaire du court séjour;
  j) Partie H : le financement de la formation complémentaire du personnel en matière de démence;
  k) Partie Z1 : le financement de la fonction de liaison pour le court séjour pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009;
  l) Partie Z2 : le financement du personnel pour le soutien aux soins des patients en phase terminale en MRS pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009.
  [3 m) Partie Z3 : le financement supplémentaire de la catégorie de dépendance A entre le 1er janvier 2010 et le 31 décembre 2011;
   n) Partie Z4 : le financement de l'augmentation de la norme en MRS entre le 1er juillet 2010 et le 31 décembre 2011.]3

  [6 o) Partie Z5 : le financement de la catégorie de dépendance D entre le 1er janvier 2013 et le 31 décembre 2014.]6
  [6 § 2. Pour le calcul de ces parties, les règles suivantes sont appliquées pour les arrondis, en négligeant le chiffre suivant la décimale à arrondir s'il est inférieur à cinq et en portant la décimale à arrondir à l'unité supérieure si ce chiffre est égal ou supérieur à cinq :
   a) pour le calcul du nombre d'équivalents temps plein (ETP) : tous les calculs par qualification, y compris les calculs intermédiaires, sont arrondis à trois décimales, tant pour le nombre d'ETP par trimestre que pour le nombre d'ETP pendant la période de référence ou le nombre total d'ETP;
   b) pour le calcul des montants exprimés en euros : tous les calculs sont arrondis à deux décimales;
   c) pour le calcul de l'ancienneté visé à l'article 13 : tous les calculs sont arrondis à trois décimales;
   d) pour le calcul du nombre moyen de bénéficiaires et de non bénéficiaires : tous les calculs sont arrondis à trois décimales.]6

  [7 § 3. En cas de transfert d'exploitation à partir d'un service public, le personnel statutaire détaché figurant sur une liste dressée au moment du transfert est assimilé au personnel propre à l'institution, salarié ou statutaire, à condition que soient transmises au Service :
   1° la liste complète des membres du personnel statutaire détaché, comprenant leurs noms, leurs qualifications et leur durée de travail hebdomadaire, et accompagnée d'une copie de la décision de leur nomination. Cette liste doit être signée par le service public et par le responsable de l'institution et transmise au Service dans le mois du transfert d'exploitation. Aucune personne ne peut être ajoutée ultérieurement à cette liste, leur durée de travail hebdomadaire ne peut être augmentée et leur qualification ne peut être modifiée;
   2° si le Service en fait la demande, toute autre information supplémentaire en rapport avec le transfert d'exploitation et le rôle du service public.]7

  

Modifications

[1]Art.6. reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight"><span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap">[1 Les montants octroyés aux institutions respectivement pour chaque partie de l'allocation forfaitaire ne peuvent être affectés par les institutions qu'aux fins auxquelles elles ont été octroyées en vertu du présent arrêté. <span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap"></span></span>
----------
[5]  <Inséré par ARR 2023-09-14/05, art. 5, 028; En vigueur : 01-07-2023> Art. 6_REGION_WALLONNE.   <AM 2008-07-04/33, art. 3, 008; En vigueur : 01-07-2008> [5 § 1er.L'allocation complète est composée des parties suivantes :  a) Partie A1 : le financement du personnel normé selon les dispositions du chapitre II;  b) Partie A2 : une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires;  [7 Partie A3 : une intervention destinée à couvrir l'harmonisation des barèmes de tous les membres du personnel soignant disposant de la qualification d'aide-soignant;  [10 Partie A4 : Le financement du personnel d'appui supplémentaire;   c) Partie B1 : le financement du matériel de soins visé à l'article 147, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité;  d) Partie B2 : le financement de produits et de matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales;  e) Partie C : le financement de la fonction palliative;  f) Partie D : une intervention partielle dans les frais d'administration et dans le coût de la transmission de données;  g) [1 Partie E1 : le complément de fonction pour l'infirmier(ère) chef en MRS;   Partie E2 : le complément de fonction pour les infirmiers(ères) chefs, les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers, en MRPA et en MRS;  [2 Partie E3 : le financement d'une personne de référence pour la démence;  [5 ...;  h) Partie F : l'intervention pour le médecin coordinateur et conseiller [8 ...  i) Partie G : le financement supplémentaire du court séjour;  j) Partie H : le financement de la formation complémentaire du personnel en matière de démence;  k) Partie Z1 : le financement de la fonction de liaison pour le court séjour pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009;  l) Partie Z2 : le financement du personnel pour le soutien aux soins des patients en phase terminale en MRS pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009.  [3 m) Partie Z3 : le financement supplémentaire de la catégorie de dépendance A entre le 1er janvier 2010 et le 31 décembre 2011;   n) Partie Z4 : le financement de l'augmentation de la norme en MRS entre le 1er juillet 2010 et le 31 décembre 2011;  [6 o) Partie Z5 : le financement de la catégorie de dépendance D entre le 1er janvier 2013 et le 31 décembre 2014;  [9 p) Partie W1 : le financement complémentaire de la fonction de référent pour la démence entre le 1er juillet 2023 et le 31 décembre 2024.   [6 § 2. Pour le calcul de ces parties, les règles suivantes sont appliquées pour les arrondis, en négligeant le chiffre suivant la décimale à arrondir s'il est inférieur à cinq et en portant la décimale à arrondir à l'unité supérieure si ce chiffre est égal ou supérieur à cinq :   a) pour le calcul du nombre d'équivalents temps plein (ETP) : tous les calculs par qualification, y compris les calculs intermédiaires, sont arrondis à trois décimales, tant pour le nombre d'ETP par trimestre que pour le nombre d'ETP pendant la période de référence ou le nombre total d'ETP;   b) pour le calcul des montants exprimés en euros : tous les calculs sont arrondis à deux décimales;   c) pour le calcul de l'ancienneté visé à l'article 13 : tous les calculs sont arrondis à trois décimales;   d) pour le calcul du nombre moyen de bénéficiaires et de non bénéficiaires : tous les calculs sont arrondis à trois décimales.  [7 § 3. En cas de transfert d'exploitation à partir d'un service public, le personnel statutaire détaché figurant sur une liste dressée au moment du transfert est assimilé au personnel propre à l'institution, salarié ou statutaire, à condition que soient transmises au Service :   1° la liste complète des membres du personnel statutaire détaché, comprenant leurs noms, leurs qualifications et leur durée de travail hebdomadaire, et accompagnée d'une copie de la décision de leur nomination. Cette liste doit être signée par le service public et par le responsable de l'institution et transmise au Service dans le mois du transfert d'exploitation. Aucune personne ne peut être ajoutée ultérieurement à cette liste, leur durée de travail hebdomadaire ne peut être augmentée et leur qualification ne peut être modifiée;   2° si le Service en fait la demande, toute autre information supplémentaire en rapport avec le transfert d'exploitation et le rôle du service public.  ----------
Art. 6_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    [5 § 1.]5 De volledige tegemoetkoming bevat de volgende onderdelen :
  a) Deel A1 : de financiering van het genormeerde personeel volgens de bepalingen van hoofdstuk II;
  b) Deel A2 : een tegemoetkoming als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen;
  [7 Deel A3 : een tegemoetkoming bedoeld om de harmonisering van de barema's te dekken voor alle leden van het verzorgingspersoneel die beschikken over de kwalificatie van zorgkundige;]7
  c) Deel B1 : de financiering van het verzorgingsmateriaal zoals bedoeld in artikel 147, §§ 1 en 2, van het hiervoor vermeld koninklijk besluit van 3 juli 1996;
  d) Deel B2 : de financiering voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten;
  e) Deel C : de financiering van de palliatieve functie;
  f) Deel D : een partiële tegemoetkoming in de beheerskost en in de kost voor de gegevensoverdracht;
  g) [1 Deel E1 : het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige in RVT;
   Deel E2 : het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundigen, de hoofdparamedici en de verpleegkundig coördinatoren, in RVT en in ROB;]1

  [2 Deel E3 : financiering van een referentiepersoon dementie;]2
  [5 ...]5;
  h) Deel F : de tegemoetkoming voor de [8 coördinerend en raadgevend arts of de referentiearts]8;
  i) Deel G : de bijkomende financiering van het kortverblijf;
  j) Deel H : de financiering van de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie;
  k) Deel Z1 : de financiering van de liaisonfunctie voor kortverblijf voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009;
  l) Deel Z2 : de financiering van personeel ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten in RVT voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009.
  [3 m) Deel Z3 : de bijkomende financiering van de zorgafhankelijkheidscategorie A tussen 1 januari 2010 en 31 december 2011;
   n) Deel Z4 : de financiering van de verhoging van de norm in RVT tussen 1 juli 2010 en 31 december 2011.]3

  [6 o) Deel Z5 : de financiering van de afhankelijkheidscategorie D tussen 1 januari 2013 en 31 december 2014.]6
  [6 § 2. Bij de berekening van deze delen gelden de volgende afrondingsregels, waarbij met het cijfer dat volgt op de af te ronden decimaal geen rekening wordt gehouden wanneer het lager is dan vijf en de af te ronden decimaal met een eenheid wordt verhoogd als dat cijfer gelijk is aan of hoger is dan vijf :
   a) voor de berekening van het aantal voltijdse equivalent (VTE) : alle (tussen)berekeningen worden per kwalificatie afgerond tot 3 cijfers na de komma, zowel het VTE per trimester als het VTE tijdens de referentieperiode, als het totaal aantal VTE per kwalificatie;
   b) voor de berekening van bedragen uitgedrukt in euro : alle berekeningen worden afgerond tot 2 cijfers na de komma;
   c) voor de berekening van de anciënniteit, bedoeld in artikel 13 : alle berekeningen worden afgerond tot 3 cijfers na de komma;
   d) voor de berekening van het gemiddelde aantal rechthebbenden en niet-rechthebbenden : alle berekeningen worden afgerond tot 3 cijfers na de komma.]6

  [7 § 3. Bij een exploitatietransfer vanuit een openbare dienst, wordt het gedetacheerd statutair personeel dat op het moment van de overdracht van de exploitatie opgenomen is in een lijst, gelijkgesteld aan eigen loontrekkend of statutair personeel, indien aan de Dienst wordt overgemaakt :
   1° de exhaustieve lijst met namen van de betrokken statutaire personeelsleden, hun kwalificatie en hun wekelijkse arbeidsduur, en vergezeld van een kopie van de beslissing van hun benoeming. Deze lijst moet worden ondertekend door de openbare dienst én door de verantwoordelijke van de instelling en aan de Dienst worden overgemaakt binnen de maand na de exploitatietransfer. Aan deze lijst kunnen nadien geen personen worden toegevoegd, de wekelijkse arbeidsduur van de personen kan niet worden verhoogd en hun kwalificatie kan niet worden aangepast;
   2° als de Dienst erom vraagt, alle andere bijkomende informatie met betrekking tot de exploitatietransfer en de rol van de openbare dienst.]7
Art. 6 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   [5 § 1er.]5 L'allocation complète est composée des parties suivantes :
  a) Partie A1 : le financement du personnel normé selon les dispositions du chapitre II;
  b) Partie A2 : une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires;
  [7 Partie A3 : une intervention destinée à couvrir l'harmonisation des barèmes de tous les membres du personnel soignant disposant de la qualification d'aide-soignant;]7
  c) Partie B1 : le financement du matériel de soins visé à l'article 147, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité;
  d) Partie B2 : le financement de produits et de matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales;
  e) Partie C : le financement de la fonction palliative;
  f) Partie D : une intervention partielle dans les frais d'administration et dans le coût de la transmission de données;
  g) [1 Partie E1 : le complément de fonction pour l'infirmier(ère) chef en MRS;
   Partie E2 : le complément de fonction pour les infirmiers(ères) chefs, les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers, en MRPA et en MRS;]1

  [2 Partie E3 : le financement d'une personne de référence pour la démence;]2
  [5 ...]5;
  h) Partie F : l'intervention pour le [8 médecin coordinateur et conseiller ou du médecin référent]8;
  i) Partie G : le financement supplémentaire du court séjour;
  j) Partie H : le financement de la formation complémentaire du personnel en matière de démence;
  k) Partie Z1 : le financement de la fonction de liaison pour le court séjour pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009;
  l) Partie Z2 : le financement du personnel pour le soutien aux soins des patients en phase terminale en MRS pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009.
  [3 m) Partie Z3 : le financement supplémentaire de la catégorie de dépendance A entre le 1er janvier 2010 et le 31 décembre 2011;
   n) Partie Z4 : le financement de l'augmentation de la norme en MRS entre le 1er juillet 2010 et le 31 décembre 2011.]3

  [6 o) Partie Z5 : le financement de la catégorie de dépendance D entre le 1er janvier 2013 et le 31 décembre 2014.]6
  [6 § 2. Pour le calcul de ces parties, les règles suivantes sont appliquées pour les arrondis, en négligeant le chiffre suivant la décimale à arrondir s'il est inférieur à cinq et en portant la décimale à arrondir à l'unité supérieure si ce chiffre est égal ou supérieur à cinq :
   a) pour le calcul du nombre d'équivalents temps plein (ETP) : tous les calculs par qualification, y compris les calculs intermédiaires, sont arrondis à trois décimales, tant pour le nombre d'ETP par trimestre que pour le nombre d'ETP pendant la période de référence ou le nombre total d'ETP;
   b) pour le calcul des montants exprimés en euros : tous les calculs sont arrondis à deux décimales;
   c) pour le calcul de l'ancienneté visé à l'article 13 : tous les calculs sont arrondis à trois décimales;
   d) pour le calcul du nombre moyen de bénéficiaires et de non bénéficiaires : tous les calculs sont arrondis à trois décimales.]6

  [7 § 3. En cas de transfert d'exploitation à partir d'un service public, le personnel statutaire détaché figurant sur une liste dressée au moment du transfert est assimilé au personnel propre à l'institution, salarié ou statutaire, à condition que soient transmises au Service :
   1° la liste complète des membres du personnel statutaire détaché, comprenant leurs noms, leurs qualifications et leur durée de travail hebdomadaire, et accompagnée d'une copie de la décision de leur nomination. Cette liste doit être signée par le service public et par le responsable de l'institution et transmise au Service dans le mois du transfert d'exploitation. Aucune personne ne peut être ajoutée ultérieurement à cette liste, leur durée de travail hebdomadaire ne peut être augmentée et leur qualification ne peut être modifiée;
   2° si le Service en fait la demande, toute autre information supplémentaire en rapport avec le transfert d'exploitation et le rôle du service public.]7
Art. 6bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 De bedragen die respectievelijk voor elk deel van de forfaitaire tegemoetkoming aan de instellingen toegekend worden, mogen door de instellingen uitsluitend worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij krachtens dit besluit zijn toegekend. ]1
  
Art. 6 _REGION_WALLONNE.
   [5 § 1er.]5 L'allocation complète est composée des parties suivantes :
  a) Partie A1 : le financement du personnel normé selon les dispositions du chapitre II;
  b) Partie A2 : une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires;
  [7 Partie A3 : une intervention destinée à couvrir l'harmonisation des barèmes de tous les membres du personnel soignant disposant de la qualification d'aide-soignant;]7
  [10 Partie A4 : Le financement du personnel d'appui supplémentaire; ]10
  c) Partie B1 : le financement du matériel de soins visé à l'article 147, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité;
  d) Partie B2 : le financement de produits et de matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales;
  e) Partie C : le financement de la fonction palliative;
  f) Partie D : une intervention partielle dans les frais d'administration et dans le coût de la transmission de données;
  g) [1 Partie E1 : le complément de fonction pour l'infirmier(ère) chef en MRS;
   Partie E2 : le complément de fonction pour les infirmiers(ères) chefs, les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers, en MRPA et en MRS;]1

  [2 Partie E3 : le financement d'une personne de référence pour la démence;]2
  [5 ...]5;
  h) Partie F : l'intervention pour le médecin coordinateur et conseiller [8 ...]8
  i) Partie G : le financement supplémentaire du court séjour;
  j) Partie H : le financement de la formation complémentaire du personnel en matière de démence;
  k) Partie Z1 : le financement de la fonction de liaison pour le court séjour pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009;
  l) Partie Z2 : le financement du personnel pour le soutien aux soins des patients en phase terminale en MRS pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009.
  [3 m) Partie Z3 : le financement supplémentaire de la catégorie de dépendance A entre le 1er janvier 2010 et le 31 décembre 2011;
   n) Partie Z4 : le financement de l'augmentation de la norme en MRS entre le 1er juillet 2010 et le 31 décembre 2011;]3

  [6 o) Partie Z5 : le financement de la catégorie de dépendance D entre le 1er janvier 2013 et le 31 décembre 2014;]6
  [9 p) Partie W1 : le financement complémentaire de la fonction de référent pour la démence entre le 1er juillet 2023 et le 31 décembre 2024. ]9
  [6 § 2. Pour le calcul de ces parties, les règles suivantes sont appliquées pour les arrondis, en négligeant le chiffre suivant la décimale à arrondir s'il est inférieur à cinq et en portant la décimale à arrondir à l'unité supérieure si ce chiffre est égal ou supérieur à cinq :
   a) pour le calcul du nombre d'équivalents temps plein (ETP) : tous les calculs par qualification, y compris les calculs intermédiaires, sont arrondis à trois décimales, tant pour le nombre d'ETP par trimestre que pour le nombre d'ETP pendant la période de référence ou le nombre total d'ETP;
   b) pour le calcul des montants exprimés en euros : tous les calculs sont arrondis à deux décimales;
   c) pour le calcul de l'ancienneté visé à l'article 13 : tous les calculs sont arrondis à trois décimales;
   d) pour le calcul du nombre moyen de bénéficiaires et de non bénéficiaires : tous les calculs sont arrondis à trois décimales.]6

  [7 § 3. En cas de transfert d'exploitation à partir d'un service public, le personnel statutaire détaché figurant sur une liste dressée au moment du transfert est assimilé au personnel propre à l'institution, salarié ou statutaire, à condition que soient transmises au Service :
   1° la liste complète des membres du personnel statutaire détaché, comprenant leurs noms, leurs qualifications et leur durée de travail hebdomadaire, et accompagnée d'une copie de la décision de leur nomination. Cette liste doit être signée par le service public et par le responsable de l'institution et transmise au Service dans le mois du transfert d'exploitation. Aucune personne ne peut être ajoutée ultérieurement à cette liste, leur durée de travail hebdomadaire ne peut être augmentée et leur qualification ne peut être modifiée;
   2° si le Service en fait la demande, toute autre information supplémentaire en rapport avec le transfert d'exploitation et le rôle du service public.]7
Art. 6_WAALS_GEWEST.
Art.7.[1 Le financement du personnel normé visé aux articles 2, 3 et 5 couvre le salaire qui, quelle que soit la qualification de ce personnel, est composé des éléments suivants :
Sectie 1. - Deel A1 : de financiering van de personeelsnorm.
Art.8.§ 1er. [4 Le Service calcule le nombre d'équivalents temps plein par qualification présents dans l'institution au cours de la période de référence. Pour ce faire, les règles suivantes sont appliquées :
Art.7. [1 De financiering van het genormeerde personeel zoals bedoeld in de artikelen 2, 3 en 5, dekt de loonkost die voor elke personeelskwalificatie is samengesteld uit :
   a) het bruto maandloon;
   b) [2 de onregelmatige prestaties en de ongemakkelijke prestaties van de verpleegkundigen en de leden van het verzorgend personeel (13,74 % op het brutomaandloon) en de onregelmatige prestaties van de leden [3 de onregelmatige en de ongemakkelijke prestaties van de kinesitherapeuten, de ergotherapeuten, de logopedisten en van de leden van het personeel voor reactivering (0,79 % van het brutomaandloon)]3;]2
   c) het dubbel vakantiegeld (92 % van het brutomaandloon, inclusief de onregelmatige prestaties en de haard- en standplaatstoelage);
   d) de eindejaarspremie (vast bedrag + 2.5 % op brutomaandloon, verhoogd met haard- en standplaatstoelage);
   e) de patronale lasten volgens de bedragen die van toepassing zijn in de private sector (forfaitair 34,67 %);
   f) de jaarlijkse premies van 164,20 en 13,98 euro;
   g) de jaarlijkse attractiviteitspremie (549,84 euro);
   h) twee bijkomende dagen verlof;
   i) een tussenkomst in de arbeidsongevallenverzekering (0,91 % van het brutojaarsalaris);
   j) een tussenkomst in de kost voor sociaal secretariaat (214,53 euro per jaar per voltijds equivalent);
   k) een tussenkomst in de kost voor interbedrijfs-geneeskundige dienst (107,09 euro per jaar per voltijds equivalent);
   l) een tussenkomst in de kost voor verplaatsing van en naar het werk (303,07 euro per jaar per voltijds equivalent);
   m) een tussenkomst in de kost voor beroepskledij (276 euro per jaar per voltijds equivalent);
   n) de haard en standplaatstoelage.]1

  
Art. 8 _REGION_WALLONNE.   § 1er. [4 Le Service calcule le nombre d'équivalents temps plein par qualification présents dans l'institution au cours de la période de référence. Pour ce faire, les règles suivantes sont appliquées :   1° une personne physique occupée à temps plein chez le même employeur est prise en considération pour une durée de travail moyenne de 38 heures par semaine au maximum, y compris ses prestations comme praticien de l'art infirmier en tant qu'intérimaire;   2° le nombre maximum d'heures prestées par jour est limité à 11;   3° le nombre maximum d'heures par trimestre tx s'élève à : nombre de jours du lundi au vendredi pendant le trimestre tx * 7,6 heures par jour;   4° pour un équivalent temps plein, le nombre minimum de jours à prester par trimestre, y compris les jours assimilés, est déterminé au moyen de la règle suivante :   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)   où :   P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx   NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx   H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour   d1 = nombre de jours calendrier d'occupation à temps plein   d2 = nombre de jours calendrier au cours du trimestre;   5° pour ces maxima, il est tenu compte de toutes les journées prestées et/ou assimilées ou heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, même si ces journées ou heures ont été prestées dans plusieurs institutions auprès du même employeur. En cas de dépassement de ces maxima constaté par le Service, celui-ci les limite au maximum autorisé. Le maximum de prestations admis est alors réparti proportionnellement entre les différentes institutions, en fonction du nombre d'heures du contrat de la personne dans chaque institution;   6° les journées pendant lesquelles le travailleur est mis en disponibilité ne sont pas prises en considération;   7° en cas de licenciement, l'indemnité compensatoire de préavis n'est pas prise en considération;   8° si les prestations d'un membre du personnel sont réparties entre plusieurs activités, ces heures/jours prestés sont attribués dans l'ordre pour :   a) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 6°, 7°, 12° et 15° ;   b) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 2° ;   c) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 10° et 11° ;   d) et enfin les prestations faisant l'objet de l'allocation forfaitaire, comme visé à l'article 17.]4  § 2. Lors du calcul visé au § 1er, les règles suivantes sont d'application :  a) l'équivalent temps plein du personnel salarié ou statutaire est déterminé comme suit :  1) [10 pour la période d'occupation à temps plein :   L'équivalent temps plein par trimestre tx = ((P/(P + NP)) x (d1/d2)) x (th'/th)   où :   P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx   NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx   d1 = nombre de jours calendrier d'occupation à temps plein   d2 = nombre de jours calendrier au cours du trimestre   th' = nombre d'heures de travail hebdomadaire à temps plein dans l'institution   th = 38 heures de travail hebdomadaire temps plein. ]10  2) L'équivalent temps plein pour les membres du personnel occupés à temps partiel :  L'équivalent temps plein par trimestre tx =  (P/H)  où :  P = le nombre d'heures prestées et/où assimilées au cours du trimestre, à l'exception du nombre d'heures d'occupation à temps plein comme visé au point 1)  H = nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour   3) L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé à l'aide des résultats du calcul aux points 1) et 2) et est égal à :  (somme des équivalents temps plein par trimestre tx pendant la période de référence/nombre de trimestres pendant la période de référence);  b) [4 les ETP des membres du personnel suivants ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'allocation visée à l'article 17 :   1° les membres du personnel qui tombent sous l'application du " maribel social " en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand ou qui tombent sous l'application du " maribel fiscal " en application de l'arrêté royal du 13 juin 2010 modifiant l'arrêté royal du 18 juillet 2002 précité;   2° les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions de l'article 4, § 1er, 3° de l'arrêté royal du 15 septembre 2006 portant exécution de l'article 59 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière (les " remplaçants ");   3° les remplaçants des travailleurs d'au moins 50 ans, qui ne bénéficient pas des mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, mais qui bénéficient d'un congé supplémentaire dans le cadre de l'accord social qui a trait au secteur des soins de santé, conclu par le gouvernement fédéral en 2005 avec les organisations représentatives concernées des employeurs et des travailleurs;   4° les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions de l'article 6 de l'annexe à l'arrêté royal du 15 février 2012 rendant obligatoire la convention collective de travail du 11 avril 2011, conclue au sein de la Commission paritaire des établissements et des services de santé, relative au projet de formation en art infirmier;   5° les membres du personnel qui tombent sous l'application de l'article 17 du protocole d'accord cadre du 26 juillet 2000 relatif au projet de formation en vue de l'obtention du titre d'infirmier dans les secteurs fédéraux de la Santé;   6° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 2 juillet 2009 fixant les conditions dans lesquelles le Comité de l'Assurance peut conclure des conventions en application de l'article 56, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, pour le financement de soins alternatifs et de soutien aux soins à des personnes âgées fragiles;   7° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de conventions conclues en application de l'article 22 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée;   8° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les dispositions générales d'exécution des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand résultant de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations;   9° les membres du personnel financés dans le cadre de l'annexe XIV de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant le subventionnement des activités d'animation dans les centres de soins résidentiels et dans les centres de court séjour;   10° la personne de référence pour la démence financée dans la partie E3;   11° les membres du personnel financés dans le cadre des mesures visées à l'article 4bis [9 et à l'article 4ter]9 de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des rémunérations dans certaines institutions de soins;   12° les membres du personnel financés dans le cadre de l'arrêté ministériel du 22 juin 2000 fixant l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les centres de soins de jour;   13° les membres du personnel financés dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi sur les C.P.A.S.;   14° les membres du personnel qui bénéficient d'un contrat d'apprentissage ou d'une convention d'insertion socio-professionnelle visée dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 28 juillet 1998 relatif à la convention d'insertion socioprofessionnelle des centres d'éducation et de formation en alternance;   15° les parties d'ETP pendant lesquelles les prestations du kinésithérapeute salarié sont facturées via la nomenclature.   Par contre, le nombre d'heures de dispense de prestations de travail, accordée en exécution de l'arrêté royal du 15 septembre 2006 précité, doit être compris dans l'équivalent temps plein visé au point a).]4  c) [5 ...]5;  d) les institutions qui sont confrontées à un manque de personnel infirmier et qui sont dans l'impossibilité d'engager immédiatement du personnel salarié ou statutaire, peuvent faire appel aux services d'une société de travail intérimaire agréée par l'autorité compétente. [11 , conclure un contrat d'entreprise avec un praticien de l'art infirmier ou conclure un contrat de mise à disposition, au sens de l'article 32 de la loi sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs du 24 juillet 1987, avec une autre structure de soins afin de mettre à disposition du personnel infirmier qui travaille comme salarié au sein de cette structure.]11 Dans ce cas, elles doivent motiver ce recours auprès du Service au moyen d'offres d'emploi et de demandes adressées à l'une des instances suivantes : le " Vlaamse dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding " (VDAB), l'Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi (FOREm), le " Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling " (BGDA) ou l'Office régional bruxellois de l'emploi (ORBEm). Elles doivent également envoyer au Service une copie des factures sur lesquelles figurent le nombre d'heures prestées par ce membre du personnel dans l'institution. Le Service peut aussi demander les documents nécessaires d'où il ressort qu'il s'agit d'un praticien de l'art infirmier qualifié. Ce praticien de l'art infirmier peut être pris en considération pour [6 une moyenne de 38 heures par semaine au maximum]6 au maximum.  L'équivalent temps plein par trimestre tx est dans ce cas-ci égal à :  (U/D) où :  U = le nombre d'heures prestées au cours du trimestre  D = le nombre de jours du lundi au vendredi, [...], au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour   L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).  e) [7 afin d'éviter partiellement ou totalement la réduction prévue à l'article 12 ou les réductions prévues à l'article 16, §§ 2 ou 3, les heures effectivement prestées dans sa qualification par le directeur indépendant d'une institution peuvent compenser un manque dans cette qualification, pour un maximum de 19 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 12, et pour un maximum de 38 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 16, §§ 2 ou 3. La fixation du nombre d'heures prestées par trimestre et dans la qualification de ce directeur est effectuée par le directeur indépendant lui-même dans une déclaration sur l'honneur.   Le directeur indépendant ne peut faire valoir ces heures que dans une seule institution au maximum. Si le Service constate qu'un directeur indépendant communique ces heures dans plusieurs institutions et que le total de 19 heures ou de 38 heures est ainsi dépassé, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces heures. Dans une institution, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur indépendant.]7  L'équivalent temps plein par trimestre tx est dans ce cas-ci égal à :  (U/D) où :  U = le nombre d'heures prestées au cours du trimestre  D = le nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour   L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).  f) [7 pour le directeur qualifié salarié ou statutaire d'une institution, l'équivalent temps plein est déterminé selon les règles visées au point a) du présent paragraphe. Les heures effectivement prestées dans sa qualification par ce directeur salarié ou statutaire sont prises en considération pour un maximum de 50 % de son ETP total en ce qui concerne le respect des normes visées à l'article 2, 3 ou 5, § 2, et pour un maximum de 38 heures par semaine en moyenne, afin d'éviter les réductions prévues à l'article 16, §§ 2 ou 3. Dans une institution, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur.   Ce nombre d'heures est déterminé conformément aux règles visées aux points a) ou b). Un travailleur salarié ou un directeur statutaire d'une institution ne peut être pris en considération pour cette fonction qu'une seule fois. Si le Service constate qu'une personne est communiquée comme directeur dans plusieurs institutions, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces jours ou heures]7  g) l'équivalent temps plein par trimestre tx d'un membre du personnel de réactivation indépendant lié à l'institution par un contrat d'entreprise est égal à :  (P/D) où :  P = nombre d'heures prestées au cours du trimestre  D = nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.   L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).  § 3. [8 ...]8.  
Art.8. [4 § 1. De Dienst berekent het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie dat in de inrichting aanwezig is tijdens de referentieperiode. Daarbij worden de volgende regels toegepast :
   1° een fysiek persoon die voltijds bij dezelfde werkgever is tewerkgesteld, wordt in aanmerking genomen voor een gemiddelde arbeidsduur van maximum 38 uur per week, met inbegrip van zijn prestaties als een uitzendverpleegkundige;
   2° het maximum aantal gepresteerde uren per dag is beperkt tot 11 uur;
   3° het maximum aantal uren per trimester tx bedraagt : aantal dagen van maandag tot vrijdag in het trimester tx * 7,6 uur/dag;
   4° voor het minimum aantal te presteren dagen per trimester, inclusief de gelijkgestelde dagen, voor een voltijdse equivalent geldt de volgende regel :
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   waarbij :
   P = aantal gepresteerde en aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx
   NP = aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx
   H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
   d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling
   d2 = aantal kalenderdagen in het trimester;
   5° voor deze maxima wordt rekening gehouden met alle gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen of uren in de loop van het trimester, ook al zijn die dagen of uren gepresteerd in meerdere inrichtingen van/bij dezelfde werkgever. Als de Dienst vaststelt dat deze maxima zijn overschreden, zal hij die dagen of uren beperken tot het aanvaarde maximum. Het toegelaten maximum aan prestaties wordt dan proportioneel verdeeld over de verschillende inrichtingen op basis van het aantal uren van het contract van de persoon in iedere inrichting;
   6° de dagen waarop de werknemer met disponibiliteit is, worden niet in aanmerking genomen;
   7° in geval van ontslag wordt de compenserende opzeggingsvergoeding niet in aanmerking genomen;
   8° indien de prestaties van een personeelslid worden gespreid over verschillende activiteiten, worden deze gepresteerde uren/dagen in volgorde toegewezen aan :
   a) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 6°, 7°, 12° et 15° ;
   b) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 2° ;
   c) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 10° en 11° ;
   d) en tenslotte de prestaties die het voorwerp uitmaken van de forfaitaire tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 17]4

  § 2. Bij de berekening zoals bedoeld in § 1 gelden de volgende regels :
  a) het voltijds equivalent van het loontrekkend of statutair personeelslid wordt als volgt bepaald :
  1) Voor de periode van voltijdse tewerkstelling :
  Het voltijds equivalent per trimester tx =
  ((P/(P+NP)) x (d1/d2))
  waarbij :
  P = aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx
  NP = aantal niet gelijkgestelde dagen in trimester tx
  d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling
  d2 = aantal kalenderdagen in het trimester
  2) Het voltijds equivalent voor deeltijds werkende personeelsleden :
  Het voltijds equivalent per trimester tx =
  (P/H)
  waarbij :
  P = aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling zoals bedoeld onder punt 1)
  H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, (...), gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  3) Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening in punt 1) en 2) en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode);
  b) [4 de VTE's van de volgende personeelsleden worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de tegemoetkoming, zoals bedoeld in artikel 17 :
   1° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de " sociale maribel " met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector of onder de toepassing vallen van de " fiscale maribel " met toepassing van het koninklijk besluit van 13 juni 2010 tot wijziging van het voornoemde koninklijk besluit van 18 juli 2002;
   2° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 4, § 1, 3° van het koninklijk besluit van 15 september 2006 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft (de " vervangers ");
   3° de vervangers van de werknemers van minstens 50 jaar, die de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan niet genieten, maar die een bijkomend verlof genieten in het kader van het sociaal akkoord dat betrekking heeft op de sector van de geneeskundige verzorging en dat in 2005 door de Federale Regering werd gesloten met de betrokken representatieve organisaties van de werkgevers en werknemers;
   4° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 15 februari 2012 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 april 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende het vormingsproject tot verpleegkundigen;
   5° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel 17 van het protocol van raamakkoord van 26 juli 2000 betreffende het opleidingsproject tot verpleegkundige in de federale Gezondheidssector;
   6° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, overeenkomsten kan sluiten voor de financiering van alternatieve en ondersteunende zorg voor kwetsbare ouderen;
   7° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de overeenkomsten gesloten met toepassing van artikel 22 van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
   8° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in de sociale profitsector voortspruitend uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact;
   9° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van bijlage XIV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende de subsidiëring van de animatiewerking in de woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf;
   10° de referentiepersoon voor dementie die in deel E 3 wordt gefinancierd;
   11° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de maatregelen bedoeld in artikel 4bis van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft;
   12° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het ministerieel besluit van 22 juni 2000 tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de centra voor dagverzorging;
   13° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van artikel 60, § 7, van de O.C.M.W.-wet;
   14° de personeelsleden die werken onder het statuut van een leercontract of een overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven, bedoeld in het Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 juli 1998 betreffende de overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven van de centra voor alternerende opleiding en onderwijs;
   15° het aandeel VTE gedurende hetwelk de prestaties van de loontrekkende kinesitherapeut via de nomenclatuur worden gefactureerd.
   Daarentegen moet het aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties dat is toegekend ter uitvoering van het voornoemde koninklijk besluit van 15 september 2006, begrepen zijn in het voltijds equivalent bedoeld onder punt a);]4

  c) [5 ...]5;
  d) de inrichtingen die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die in de onmogelijkheid zijn om onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel aan te werven, kunnen beroep doen op de diensten van een door de bevoegde overheid erkende interim-onderneming. In dat geval dient dit aan de Dienst te worden gemotiveerd aan de hand van aanvragen voor het aanwerven van personeel bij één van de volgende instanties : de Vlaamse dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding (VDAB), de " Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi " (FOREm), de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling (BGDA) of de " Office régional bruxellois de l'emploi " (ORBEm). Aan de Dienst dient eveneens een kopie van de facturen waarop het aantal in de inrichting gepresteerde uren van dit personeelslid staat vermeld, te worden overgemaakt. De Dienst kan ook de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het gaat om een gekwalificeerde verpleegkundige. Een verpleegkundige kan voor [6 een gemiddelde van maximum 38 uur per week]6 in aanmerking worden genomen.
  Het voltijds equivalent per trimester tx is in dit geval gelijk aan :
  (U/D) waarbij :
  U = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  e) [7 om de vermindering zoals bedoeld in artikel 12 of de verminderingen zoals bedoeld in artikel 16, §§ 2 en 3, gedeeltelijk of volledig te vermijden, kunnen de effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van de zelfstandige directeur van een inrichting een tekort in die kwalificatie compenseren, voor maximum 19 uur per week wat de toepassing van artikel 12 betreft, en voor maximum 38 uur per week wat de toepassing van artikel 16, §§ 2 of 3 betreft. Het aantal gepresteerde uren per trimester en in de kwalificatie van die directeur wordt, door de zelfstandige directeur zelf bepaald, met een verklaring op erewoord.
   Een zelfstandig directeur kan deze uren slechts laten gelden in maximum één inrichting. Ingeval de Dienst vaststelt dat een zelfstandig directeur deze uren meedeelt in meerdere inrichtingen, en waarbij het totaal van 19 uur of 38 uur wordt overschreden, zal in geen enkel geval met deze uren rekening worden gehouden. In eeninrichtingkan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van zelfstandig directeur uitoefenen.]7

  Het voltijds equivalent per trimester tx is in dit geval gelijk aan :
  (U/D) waarbij :
  U = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  f) [7 voor de gekwalificeerde loontrekkende of statutaire directeur van een inrichting wordt het voltijds equivalent bepaald volgens de regels, bedoeld in a) van onderhavige paragraaf. De effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van die loontrekkende of statutaire directeur worden in aanmerking genomen voor maximum 50 % van zijn totaal voltijds equivalent voor het naleven van de normen bedoeld in de artikelen 2, 3 of 5, § 2, en voor gemiddeld maximum 38 uur per week, om de verminderingen bedoeld in artikel 16, §§ 2 of 3 te vermijden. In eeninrichting kan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van directeur uitoefenen.
   Dit aantal uren wordt bepaald volgens de regels zoals bedoeld onder de punten a) of b). Een loontrekkende of statutaire directeur van een inrichting kan in deze functie slechts één keer in aanmerking worden genomen. Indien de Dienst vaststelt dat een persoon als directeur wordt meegedeeld in meerdere inrichtingen zal in geen enkel geval met deze dagen of uren rekening worden gehouden.]7

  g) het voltijds equivalent per trimester tx van een zelfstandig lid van het personeel voor reactivering, aan de inrichting gebonden door een ondernemingscontract, is gelijk aan :
  (P/D) waarbij :
  P = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, met uitsluiting van de wettelijke feestdagen, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  § 3. [8 ...]8.
  
Art. 8 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. [4 Le Service calcule le nombre d'équivalents temps plein par qualification présents dans l'institution au cours de la période de référence. Pour ce faire, les règles suivantes sont appliquées :
   1° une personne physique occupée à temps plein chez le même employeur est prise en considération pour une durée de travail moyenne de 38 heures par semaine au maximum, y compris ses prestations comme praticien de l'art infirmier en tant qu'intérimaire;
   2° le nombre maximum d'heures prestées par jour est limité à 11;
   3° le nombre maximum d'heures par trimestre tx s'élève à : nombre de jours du lundi au vendredi pendant le trimestre tx * 7,6 heures par jour;
   4° pour un équivalent temps plein, le nombre minimum de jours à prester par trimestre, y compris les jours assimilés, est déterminé au moyen de la règle suivante :
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   où :
   P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx
   NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx
   H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour
   d1 = nombre de jours calendrier d'occupation à temps plein
   d2 = nombre de jours calendrier au cours du trimestre;
   5° pour ces maxima, il est tenu compte de toutes les journées prestées et/ou assimilées ou heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, même si ces journées ou heures ont été prestées dans plusieurs institutions auprès du même employeur. En cas de dépassement de ces maxima constaté par le Service, celui-ci les limite au maximum autorisé. Le maximum de prestations admis est alors réparti proportionnellement entre les différentes institutions, en fonction du nombre d'heures du contrat de la personne dans chaque institution;
   6° les journées pendant lesquelles le travailleur est mis en disponibilité ne sont pas prises en considération;
   7° en cas de licenciement, l'indemnité compensatoire de préavis n'est pas prise en considération;
   8° si les prestations d'un membre du personnel sont réparties entre plusieurs activités, ces heures/jours prestés sont attribués dans l'ordre pour :
   a) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 6°, 7°, 12° et 15° ;
   b) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 2° ;
   c) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 10° et 11° ;
   d) et enfin les prestations faisant l'objet de l'allocation forfaitaire, comme visé à l'article 17.]4

  § 2. Lors du calcul visé au § 1er, les règles suivantes sont d'application :
  a) l'équivalent temps plein du personnel salarié ou statutaire est déterminé comme suit :
  1) [10 pour la période d'occupation à temps plein :
   L'équivalent temps plein par trimestre tx = ((P/(P + NP)) x (d1/d2)) x (th'/th)
   où :
   P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx
   NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx
   d1 = nombre de jours calendrier d'occupation à temps plein
   d2 = nombre de jours calendrier au cours du trimestre
   th' = nombre d'heures de travail hebdomadaire à temps plein dans l'institution
   th = 38 heures de travail hebdomadaire temps plein. ]10

  2) L'équivalent temps plein pour les membres du personnel occupés à temps partiel :
  L'équivalent temps plein par trimestre tx =
  (P/H)
  où :
  P = le nombre d'heures prestées et/où assimilées au cours du trimestre, à l'exception du nombre d'heures d'occupation à temps plein comme visé au point 1)
  H = nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour
  3) L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé à l'aide des résultats du calcul aux points 1) et 2) et est égal à :
  (somme des équivalents temps plein par trimestre tx pendant la période de référence/nombre de trimestres pendant la période de référence);
  b) [4 les ETP des membres du personnel suivants ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'allocation visée à l'article 17 :
   1° les membres du personnel qui tombent sous l'application du " maribel social " en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand ou qui tombent sous l'application du " maribel fiscal " en application de l'arrêté royal du 13 juin 2010 modifiant l'arrêté royal du 18 juillet 2002 précité;
   2° les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions de l'article 4, § 1er, 3° de l'arrêté royal du 15 septembre 2006 portant exécution de l'article 59 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière (les " remplaçants ");
   3° les remplaçants des travailleurs d'au moins 50 ans, qui ne bénéficient pas des mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, mais qui bénéficient d'un congé supplémentaire dans le cadre de l'accord social qui a trait au secteur des soins de santé, conclu par le gouvernement fédéral en 2005 avec les organisations représentatives concernées des employeurs et des travailleurs;
   4° les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions de l'article 6 de l'annexe à l'arrêté royal du 15 février 2012 rendant obligatoire la convention collective de travail du 11 avril 2011, conclue au sein de la Commission paritaire des établissements et des services de santé, relative au projet de formation en art infirmier;
   5° les membres du personnel qui tombent sous l'application de l'article 17 du protocole d'accord cadre du 26 juillet 2000 relatif au projet de formation en vue de l'obtention du titre d'infirmier dans les secteurs fédéraux de la Santé;
   6° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 2 juillet 2009 fixant les conditions dans lesquelles le Comité de l'Assurance peut conclure des conventions en application de l'article 56, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, pour le financement de soins alternatifs et de soutien aux soins à des personnes âgées fragiles;
   7° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de conventions conclues en application de l'article 22 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée;
   8° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les dispositions générales d'exécution des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand résultant de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations;
   9° les membres du personnel financés dans le cadre de l'annexe XIV de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant le subventionnement des activités d'animation dans les centres de soins résidentiels et dans les centres de court séjour;
   10° la personne de référence pour la démence financée dans la partie E3;
   11° les membres du personnel financés dans le cadre des mesures visées à l'article 4bis [9 et à l'article 4ter]9 de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des rémunérations dans certaines institutions de soins;
   12° les membres du personnel financés dans le cadre de l'arrêté ministériel du 22 juin 2000 fixant l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les centres de soins de jour;
   13° les membres du personnel financés dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi sur les C.P.A.S.;
   14° les membres du personnel qui bénéficient d'un contrat d'apprentissage ou d'une convention d'insertion socio-professionnelle visée dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 28 juillet 1998 relatif à la convention d'insertion socioprofessionnelle des centres d'éducation et de formation en alternance;
   15° les parties d'ETP pendant lesquelles les prestations du kinésithérapeute salarié sont facturées via la nomenclature.
   Par contre, le nombre d'heures de dispense de prestations de travail, accordée en exécution de l'arrêté royal du 15 septembre 2006 précité, doit être compris dans l'équivalent temps plein visé au point a).]4

  c) [5 ...]5;
  d) les institutions qui sont confrontées à un manque de personnel infirmier et qui sont dans l'impossibilité d'engager immédiatement du personnel salarié ou statutaire, peuvent faire appel aux services d'une société de travail intérimaire agréée par l'autorité compétente. [11 , conclure un contrat d'entreprise avec un praticien de l'art infirmier ou conclure un contrat de mise à disposition, au sens de l'article 32 de la loi sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs du 24 juillet 1987, avec une autre structure de soins afin de mettre à disposition du personnel infirmier qui travaille comme salarié au sein de cette structure.]11 Dans ce cas, elles doivent motiver ce recours auprès du Service au moyen d'offres d'emploi et de demandes adressées à l'une des instances suivantes : le " Vlaamse dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding " (VDAB), l'Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi (FOREm), le " Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling " (BGDA) ou l'Office régional bruxellois de l'emploi (ORBEm). Elles doivent également envoyer au Service une copie des factures sur lesquelles figurent le nombre d'heures prestées par ce membre du personnel dans l'institution. Le Service peut aussi demander les documents nécessaires d'où il ressort qu'il s'agit d'un praticien de l'art infirmier qualifié. Ce praticien de l'art infirmier peut être pris en considération pour [6 une moyenne de 38 heures par semaine au maximum]6 au maximum.
  L'équivalent temps plein par trimestre tx est dans ce cas-ci égal à :
  (U/D) où :
  U = le nombre d'heures prestées au cours du trimestre
  D = le nombre de jours du lundi au vendredi, [...], au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour
  L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :
  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).
  e) [7 afin d'éviter partiellement ou totalement la réduction prévue à l'article 12 ou les réductions prévues à l'article 16, §§ 2 ou 3, les heures effectivement prestées dans sa qualification par le directeur indépendant d'une institution peuvent compenser un manque dans cette qualification, pour un maximum de 19 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 12, et pour un maximum de 38 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 16, §§ 2 ou 3. La fixation du nombre d'heures prestées par trimestre et dans la qualification de ce directeur est effectuée par le directeur indépendant lui-même dans une déclaration sur l'honneur.
   Le directeur indépendant ne peut faire valoir ces heures que dans une seule institution au maximum. Si le Service constate qu'un directeur indépendant communique ces heures dans plusieurs institutions et que le total de 19 heures ou de 38 heures est ainsi dépassé, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces heures. Dans une institution, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur indépendant.]7

  L'équivalent temps plein par trimestre tx est dans ce cas-ci égal à :
  (U/D) où :
  U = le nombre d'heures prestées au cours du trimestre
  D = le nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour
  L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :
  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).
  f) [7 pour le directeur qualifié salarié ou statutaire d'une institution, l'équivalent temps plein est déterminé selon les règles visées au point a) du présent paragraphe. Les heures effectivement prestées dans sa qualification par ce directeur salarié ou statutaire sont prises en considération pour un maximum de 50 % de son ETP total en ce qui concerne le respect des normes visées à l'article 2, 3 ou 5, § 2, et pour un maximum de 38 heures par semaine en moyenne, afin d'éviter les réductions prévues à l'article 16, §§ 2 ou 3. Dans une institution, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur.
   Ce nombre d'heures est déterminé conformément aux règles visées aux points a) ou b). Un travailleur salarié ou un directeur statutaire d'une institution ne peut être pris en considération pour cette fonction qu'une seule fois. Si le Service constate qu'une personne est communiquée comme directeur dans plusieurs institutions, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces jours ou heures]7

  g) l'équivalent temps plein par trimestre tx d'un membre du personnel de réactivation indépendant lié à l'institution par un contrat d'entreprise est égal à :
  (P/D) où :
  P = nombre d'heures prestées au cours du trimestre
  D = nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.
  L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :
  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).
  § 3. [8 ...]8.
Art. 8_WAALS_GEWEST.    [4 § 1. De Dienst berekent het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie dat in de inrichting aanwezig is tijdens de referentieperiode. Daarbij worden de volgende regels toegepast :
   1° een fysiek persoon die voltijds bij dezelfde werkgever is tewerkgesteld, wordt in aanmerking genomen voor een gemiddelde arbeidsduur van maximum 38 uur per week, met inbegrip van zijn prestaties als een uitzendverpleegkundige;
   2° het maximum aantal gepresteerde uren per dag is beperkt tot 11 uur;
   3° het maximum aantal uren per trimester tx bedraagt : aantal dagen van maandag tot vrijdag in het trimester tx * 7,6 uur/dag;
   4° voor het minimum aantal te presteren dagen per trimester, inclusief de gelijkgestelde dagen, voor een voltijdse equivalent geldt de volgende regel :
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   waarbij :
   P = aantal gepresteerde en aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx
   NP = aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx
   H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
   d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling
   d2 = aantal kalenderdagen in het trimester;
   5° voor deze maxima wordt rekening gehouden met alle gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen of uren in de loop van het trimester, ook al zijn die dagen of uren gepresteerd in meerdere inrichtingen van/bij dezelfde werkgever. Als de Dienst vaststelt dat deze maxima zijn overschreden, zal hij die dagen of uren beperken tot het aanvaarde maximum. Het toegelaten maximum aan prestaties wordt dan proportioneel verdeeld over de verschillende inrichtingen op basis van het aantal uren van het contract van de persoon in iedere inrichting;
   6° de dagen waarop de werknemer met disponibiliteit is, worden niet in aanmerking genomen;
   7° in geval van ontslag wordt de compenserende opzeggingsvergoeding niet in aanmerking genomen;
   8° indien de prestaties van een personeelslid worden gespreid over verschillende activiteiten, worden deze gepresteerde uren/dagen in volgorde toegewezen aan :
   a) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 6°, 7°, 12° et 15° ;
   b) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 2° ;
   c) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 10° en 11° ;
   d) en tenslotte de prestaties die het voorwerp uitmaken van de forfaitaire tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 17]4

  § 2. Bij de berekening zoals bedoeld in § 1 gelden de volgende regels :
  a) het voltijds equivalent van het loontrekkend of statutair personeelslid wordt als volgt bepaald :
  1) [10 voor de periode van voltijdse tewerkstelling:
   Het voltijds equivalent per trimester tx = ((P/(P + NP)) x (d1/d2)) x (th'/th)
   waarbij:
   P = aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx
   NP = aantal niet gelijkgestelde dagen in trimester tx
   d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling
   d2 = aantal kalenderdagen in het trimester
   th' = aantal voltijdse werkuren per week in de instelling
   th' = 38 voltijdse werkuren per week. ]10

  2) Het voltijds equivalent voor deeltijds werkende personeelsleden :
  Het voltijds equivalent per trimester tx =
  (P/H)
  waarbij :
  P = aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling zoals bedoeld onder punt 1)
  H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, (...), gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  3) Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening in punt 1) en 2) en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode);
  b) [4 de VTE's van de volgende personeelsleden worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de tegemoetkoming, zoals bedoeld in artikel 17 :
   1° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de " sociale maribel " met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector of onder de toepassing vallen van de " fiscale maribel " met toepassing van het koninklijk besluit van 13 juni 2010 tot wijziging van het voornoemde koninklijk besluit van 18 juli 2002;
   2° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 4, § 1, 3° van het koninklijk besluit van 15 september 2006 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft (de " vervangers ");
   3° de vervangers van de werknemers van minstens 50 jaar, die de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan niet genieten, maar die een bijkomend verlof genieten in het kader van het sociaal akkoord dat betrekking heeft op de sector van de geneeskundige verzorging en dat in 2005 door de Federale Regering werd gesloten met de betrokken representatieve organisaties van de werkgevers en werknemers;
   4° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 15 februari 2012 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 april 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende het vormingsproject tot verpleegkundigen;
   5° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel 17 van het protocol van raamakkoord van 26 juli 2000 betreffende het opleidingsproject tot verpleegkundige in de federale Gezondheidssector;
   6° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, overeenkomsten kan sluiten voor de financiering van alternatieve en ondersteunende zorg voor kwetsbare ouderen;
   7° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de overeenkomsten gesloten met toepassing van artikel 22 van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
   8° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in de sociale profitsector voortspruitend uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact;
   9° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van bijlage XIV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende de subsidiëring van de animatiewerking in de woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf;
   10° de referentiepersoon voor dementie die in deel E 3 wordt gefinancierd;
   11° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de maatregelen bedoeld in artikel 4bis [9 en in artikel 4ter]9 van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft;
   12° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het ministerieel besluit van 22 juni 2000 tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de centra voor dagverzorging;
   13° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van artikel 60, § 7, van de O.C.M.W.-wet;
   14° de personeelsleden die werken onder het statuut van een leercontract of een overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven, bedoeld in het Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 juli 1998 betreffende de overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven van de centra voor alternerende opleiding en onderwijs;
   15° het aandeel VTE gedurende hetwelk de prestaties van de loontrekkende kinesitherapeut via de nomenclatuur worden gefactureerd.
   Daarentegen moet het aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties dat is toegekend ter uitvoering van het voornoemde koninklijk besluit van 15 september 2006, begrepen zijn in het voltijds equivalent bedoeld onder punt a);]4

  c) [5 ...]5;
  d) de inrichtingen die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die in de onmogelijkheid zijn om onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel aan te werven, kunnen beroep doen op de diensten van een door de bevoegde overheid erkende interim-onderneming [11 , een arbeidsovereenkomst sluiten met een verpleegkundige of een beschikbaarheidsovereenkomst sluiten, in de zin van artikel 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de uitzendarbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling van werknemers aan gebruikers, met een andere zorgstructuur met het oog op de terbeschikkingstelling van loontrekkend verpleegkundig personeel dat in die structuur werkt. ]11 In dat geval dient dit aan de Dienst te worden gemotiveerd aan de hand van aanvragen voor het aanwerven van personeel bij één van de volgende instanties : de Vlaamse dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding (VDAB), de " Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi " (FOREm), de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling (BGDA) of de " Office régional bruxellois de l'emploi " (ORBEm). Aan de Dienst dient eveneens een kopie van de facturen waarop het aantal in de inrichting gepresteerde uren van dit personeelslid staat vermeld, te worden overgemaakt. De Dienst kan ook de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het gaat om een gekwalificeerde verpleegkundige. Een verpleegkundige kan voor [6 een gemiddelde van maximum 38 uur per week]6 in aanmerking worden genomen.
  Het voltijds equivalent per trimester tx is in dit geval gelijk aan :
  (U/D) waarbij :
  U = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  e) [7 om de vermindering zoals bedoeld in artikel 12 of de verminderingen zoals bedoeld in artikel 16, §§ 2 en 3, gedeeltelijk of volledig te vermijden, kunnen de effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van de zelfstandige directeur van een inrichting een tekort in die kwalificatie compenseren, voor maximum 19 uur per week wat de toepassing van artikel 12 betreft, en voor maximum 38 uur per week wat de toepassing van artikel 16, §§ 2 of 3 betreft. Het aantal gepresteerde uren per trimester en in de kwalificatie van die directeur wordt, door de zelfstandige directeur zelf bepaald, met een verklaring op erewoord.
   Een zelfstandig directeur kan deze uren slechts laten gelden in maximum één inrichting. Ingeval de Dienst vaststelt dat een zelfstandig directeur deze uren meedeelt in meerdere inrichtingen, en waarbij het totaal van 19 uur of 38 uur wordt overschreden, zal in geen enkel geval met deze uren rekening worden gehouden. In eeninrichtingkan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van zelfstandig directeur uitoefenen.]7

  Het voltijds equivalent per trimester tx is in dit geval gelijk aan :
  (U/D) waarbij :
  U = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  f) [7 voor de gekwalificeerde loontrekkende of statutaire directeur van een inrichting wordt het voltijds equivalent bepaald volgens de regels, bedoeld in a) van onderhavige paragraaf. De effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van die loontrekkende of statutaire directeur worden in aanmerking genomen voor maximum 50 % van zijn totaal voltijds equivalent voor het naleven van de normen bedoeld in de artikelen 2, 3 of 5, § 2, en voor gemiddeld maximum 38 uur per week, om de verminderingen bedoeld in artikel 16, §§ 2 of 3 te vermijden. In eeninrichting kan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van directeur uitoefenen.
   Dit aantal uren wordt bepaald volgens de regels zoals bedoeld onder de punten a) of b). Een loontrekkende of statutaire directeur van een inrichting kan in deze functie slechts één keer in aanmerking worden genomen. Indien de Dienst vaststelt dat een persoon als directeur wordt meegedeeld in meerdere inrichtingen zal in geen enkel geval met deze dagen of uren rekening worden gehouden.]7

  g) het voltijds equivalent per trimester tx van een zelfstandig lid van het personeel voor reactivering, aan de inrichting gebonden door een ondernemingscontract, is gelijk aan :
  (P/D) waarbij :
  P = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, met uitsluiting van de wettelijke feestdagen, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  § 3. [8 ...]8.
Art. 8 _REGION_FLAMANDE.
   § 1er. [4 Le Service calcule le nombre d'équivalents temps plein par qualification présents dans l'institution au cours de la période de référence. Pour ce faire, les règles suivantes sont appliquées :
   1° une personne physique occupée à temps plein chez le même employeur est prise en considération pour une durée de travail moyenne de 38 heures par semaine au maximum, y compris ses prestations comme praticien de l'art infirmier en tant qu'intérimaire;
   2° le nombre maximum d'heures prestées par jour est limité à 11;
   3° le nombre maximum d'heures par trimestre tx s'élève à : nombre de jours du lundi au vendredi pendant le trimestre tx * 7,6 heures par jour;
   4° pour un équivalent temps plein, le nombre minimum de jours à prester par trimestre, y compris les jours assimilés, est déterminé au moyen de la règle suivante :
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   où :
   P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx
   NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx
   H = nombre de jours du lundi au vendredi, au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour
   d1 = nombre de jours calendrier d'occupation à temps plein
   d2 = nombre de jours calendrier au cours du trimestre;
   5° pour ces maxima, il est tenu compte de toutes les journées prestées et/ou assimilées ou heures prestées et/ou assimilées au cours du trimestre, même si ces journées ou heures ont été prestées dans plusieurs institutions auprès du même employeur. En cas de dépassement de ces maxima constaté par le Service, celui-ci les limite au maximum autorisé. Le maximum de prestations admis est alors réparti proportionnellement entre les différentes institutions, en fonction du nombre d'heures du contrat de la personne dans chaque institution;
   6° les journées pendant lesquelles le travailleur est mis en disponibilité ne sont pas prises en considération;
   7° en cas de licenciement, l'indemnité compensatoire de préavis n'est pas prise en considération;
   8° si les prestations d'un membre du personnel sont réparties entre plusieurs activités, ces heures/jours prestés sont attribués dans l'ordre pour :
   a) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 6°, 7°, 12° et 15° ;
   b) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 2° ;
   c) les prestations visées à l'article 8, § 2, b), 10° et 11° ;
   d) et enfin les prestations faisant l'objet de l'allocation forfaitaire, comme visé à l'article 17.]4

  § 2. Lors du calcul visé au § 1er, les règles suivantes sont d'application :
  a) l'équivalent temps plein du personnel salarié ou statutaire est déterminé comme suit :
  1) Pour la période d'occupation à temps plein :
  L'équivalent temps plein par trimestre tx =
  ((P/(P + NP)) x (d1/d2))
  où :
  P = nombre de journées prestées et nombre de journées assimilées dans le trimestre tx
  NP = nombre de jours non assimilés dans le trimestre tx
  d1 = nombre de jours calendrier d'occupation à temps plein
  d2 = nombre de jours calendrier au cours du trimestre
  2) L'équivalent temps plein pour les membres du personnel occupés à temps partiel :
  L'équivalent temps plein par trimestre tx =
  (P/H)
  où :
  P = le nombre d'heures prestées et/où assimilées au cours du trimestre, à l'exception du nombre d'heures d'occupation à temps plein comme visé au point 1)
  H = nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour
  3) L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé à l'aide des résultats du calcul aux points 1) et 2) et est égal à :
  (somme des équivalents temps plein par trimestre tx pendant la période de référence/nombre de trimestres pendant la période de référence);
  b) [4 les ETP des membres du personnel suivants ne sont pas pris en considération pour le calcul de l'allocation visée à l'article 17 :
   1° les membres du personnel qui tombent sous l'application du " maribel social " en application de l'arrêté royal du 18 juillet 2002 portant des mesures visant à promouvoir l'emploi dans le secteur non marchand ou qui tombent sous l'application du " maribel fiscal " en application de l'arrêté royal du 13 juin 2010 modifiant l'arrêté royal du 18 juillet 2002 précité;
   2° les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions de l'article 4, § 1er, 3° de l'arrêté royal du 15 septembre 2006 portant exécution de l'article 59 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, en ce qui concerne les mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière (les " remplaçants ");
   3° les remplaçants des travailleurs d'au moins 50 ans, qui ne bénéficient pas des mesures de dispense des prestations de travail et de fin de carrière, mais qui bénéficient d'un congé supplémentaire dans le cadre de l'accord social qui a trait au secteur des soins de santé, conclu par le gouvernement fédéral en 2005 avec les organisations représentatives concernées des employeurs et des travailleurs;
   4° les membres du personnel qui tombent sous l'application des dispositions de l'article 6 de l'annexe à l'arrêté royal du 15 février 2012 rendant obligatoire la convention collective de travail du 11 avril 2011, conclue au sein de la Commission paritaire des établissements et des services de santé, relative au projet de formation en art infirmier;
   5° les membres du personnel qui tombent sous l'application de l'article 17 du protocole d'accord cadre du 26 juillet 2000 relatif au projet de formation en vue de l'obtention du titre d'infirmier dans les secteurs fédéraux de la Santé;
   6° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 2 juillet 2009 fixant les conditions dans lesquelles le Comité de l'Assurance peut conclure des conventions en application de l'article 56, § 2, alinéa 1er, 3°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, pour le financement de soins alternatifs et de soutien aux soins à des personnes âgées fragiles;
   7° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de conventions conclues en application de l'article 22 de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 précitée;
   8° les membres du personnel qui sont financés dans le cadre de l'arrêté royal du 27 avril 2007 portant les dispositions générales d'exécution des mesures en faveur de l'emploi des jeunes dans le secteur non marchand résultant de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations;
   9° [9 les membres du personnel afin de remplir la condition d'agrément visée à l'article 38, alinéa premier, 4°, de l'annexe XII à l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 relatif à la programmation, aux conditions d'agrément et au régime de subventionnement de structures de services de soins et de logement et d'associations d'usagers et d'intervenants de proximité ]9 dans le cadre de l'annexe XIV de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juillet 2009 portant le subventionnement des activités d'animation dans les centres de soins résidentiels et dans les centres de court séjour;
   10° la personne de référence pour la démence financée dans la partie E3;
   11° les membres du personnel financés dans le cadre des mesures visées à l'article 4bis de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des rémunérations dans certaines institutions de soins;
   12° les membres du personnel financés dans le cadre de l'arrêté ministériel du 22 juin 2000 fixant l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les centres de soins de jour;
   13° les membres du personnel financés dans le cadre de l'article 60, § 7, de la loi sur les C.P.A.S.;
   14° les membres du personnel qui bénéficient d'un contrat d'apprentissage ou d'une convention d'insertion socio-professionnelle visée dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 28 juillet 1998 relatif à la convention d'insertion socioprofessionnelle des centres d'éducation et de formation en alternance;
   15° les parties d'ETP pendant lesquelles les prestations du kinésithérapeute salarié sont facturées via la nomenclature.
   Par contre, le nombre d'heures de dispense de prestations de travail, accordée en exécution de l'arrêté royal du 15 septembre 2006 précité, doit être compris dans l'équivalent temps plein visé au point a).]4

  c) [5 ...]5;
  d) les institutions qui sont confrontées à un manque de personnel infirmier et qui sont dans l'impossibilité d'engager immédiatement du personnel salarié ou statutaire, peuvent faire appel aux services d'une société de travail intérimaire agréée par l'autorité compétente. Dans ce cas, elles doivent motiver ce recours auprès du Service au moyen d'offres d'emploi et de demandes adressées à l'une des instances suivantes : le " Vlaamse dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding " (VDAB), l'Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi (FOREm), le " Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling " (BGDA) ou l'Office régional bruxellois de l'emploi (ORBEm). Elles doivent également envoyer au Service une copie des factures sur lesquelles figurent le nombre d'heures prestées par ce membre du personnel dans l'institution. Le Service peut aussi demander les documents nécessaires d'où il ressort qu'il s'agit d'un praticien de l'art infirmier qualifié. Ce praticien de l'art infirmier peut être pris en considération pour [6 une moyenne de 38 heures par semaine au maximum]6 au maximum.
  L'équivalent temps plein par trimestre tx est dans ce cas-ci égal à :
  (U/D) où :
  U = le nombre d'heures prestées au cours du trimestre
  D = le nombre de jours du lundi au vendredi, [...], au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour
  L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :
  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).
  e) [7 afin d'éviter partiellement ou totalement la réduction prévue à l'article 12 ou les réductions prévues à l'article 16, §§ 2 ou 3, les heures effectivement prestées dans sa qualification par le directeur indépendant d'une institution peuvent compenser un manque dans cette qualification, pour un maximum de 19 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 12, et pour un maximum de 38 heures par semaine en ce qui concerne l'application de l'article 16, §§ 2 ou 3. La fixation du nombre d'heures prestées par trimestre et dans la qualification de ce directeur est effectuée par le directeur indépendant lui-même dans une déclaration sur l'honneur.
   Le directeur indépendant ne peut faire valoir ces heures que dans une seule institution au maximum. Si le Service constate qu'un directeur indépendant communique ces heures dans plusieurs institutions et que le total de 19 heures ou de 38 heures est ainsi dépassé, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces heures. Dans une institution, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur indépendant.]7

  L'équivalent temps plein par trimestre tx est dans ce cas-ci égal à :
  (U/D) où :
  U = le nombre d'heures prestées au cours du trimestre
  D = le nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour
  L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :
  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).
  f) [7 pour le directeur qualifié salarié ou statutaire d'une institution, l'équivalent temps plein est déterminé selon les règles visées au point a) du présent paragraphe. Les heures effectivement prestées dans sa qualification par ce directeur salarié ou statutaire sont prises en considération pour un maximum de 50 % de son ETP total en ce qui concerne le respect des normes visées à l'article 2, 3 ou 5, § 2, et pour un maximum de 38 heures par semaine en moyenne, afin d'éviter les réductions prévues à l'article 16, §§ 2 ou 3. Dans une institution, une seule personne physique au maximum peut exercer au même moment la fonction de directeur.
   Ce nombre d'heures est déterminé conformément aux règles visées aux points a) ou b). Un travailleur salarié ou un directeur statutaire d'une institution ne peut être pris en considération pour cette fonction qu'une seule fois. Si le Service constate qu'une personne est communiquée comme directeur dans plusieurs institutions, il ne sera en aucun cas tenu compte de ces jours ou heures]7

  g) l'équivalent temps plein par trimestre tx d'un membre du personnel de réactivation indépendant lié à l'institution par un contrat d'entreprise est égal à :
  (P/D) où :
  P = nombre d'heures prestées au cours du trimestre
  D = nombre de jours du lundi au vendredi, (...), au cours du trimestre, multiplié par 7,6 heures par jour.
  L'équivalent temps plein au cours de la période de référence est déterminé au moyen des résultats de la formule précitée et est égal à :
  (la somme des équivalents temps plein par trimestre tx au cours de la période de référence/le nombre de trimestres au cours de la période de référence).
  § 3. [8 ...]8.
Art. 8_VLAAMS_GEWEST. § 1. [4 De Dienst berekent het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie dat in de inrichting aanwezig is tijdens de referentieperiode. Daarbij worden de volgende regels toegepast :
   1° een fysiek persoon die voltijds bij dezelfde werkgever is tewerkgesteld, wordt in aanmerking genomen voor een gemiddelde arbeidsduur van maximum 38 uur per week, met inbegrip van zijn prestaties als een uitzendverpleegkundige;
   2° het maximum aantal gepresteerde uren per dag is beperkt tot 11 uur;
   3° het maximum aantal uren per trimester tx bedraagt : aantal dagen van maandag tot vrijdag in het trimester tx * 7,6 uur/dag;
   4° voor het minimum aantal te presteren dagen per trimester, inclusief de gelijkgestelde dagen, voor een voltijdse equivalent geldt de volgende regel :
   [(P * 11) + (NP * 7,6)] >= H * (d1/d2)
   waarbij :
   P = aantal gepresteerde en aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx
   NP = aantal niet-gelijkgestelde dagen in trimester tx
   H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
   d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling
   d2 = aantal kalenderdagen in het trimester;
   5° voor deze maxima wordt rekening gehouden met alle gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen of uren in de loop van het trimester, ook al zijn die dagen of uren gepresteerd in meerdere inrichtingen van/bij dezelfde werkgever. Als de Dienst vaststelt dat deze maxima zijn overschreden, zal hij die dagen of uren beperken tot het aanvaarde maximum. Het toegelaten maximum aan prestaties wordt dan proportioneel verdeeld over de verschillende inrichtingen op basis van het aantal uren van het contract van de persoon in iedere inrichting;
   6° de dagen waarop de werknemer met disponibiliteit is, worden niet in aanmerking genomen;
   7° in geval van ontslag wordt de compenserende opzeggingsvergoeding niet in aanmerking genomen;
   8° indien de prestaties van een personeelslid worden gespreid over verschillende activiteiten, worden deze gepresteerde uren/dagen in volgorde toegewezen aan :
   a) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 6°, 7°, 12° et 15° ;
   b) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 2° ;
   c) prestaties zoals bedoeld in artikel 8, § 2, b), 10° en 11° ;
   d) en tenslotte de prestaties die het voorwerp uitmaken van de forfaitaire tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 17]4

  § 2. Bij de berekening zoals bedoeld in § 1 gelden de volgende regels :
  a) het voltijds equivalent van het loontrekkend of statutair personeelslid wordt als volgt bepaald :
  1) Voor de periode van voltijdse tewerkstelling :
  Het voltijds equivalent per trimester tx =
  ((P/(P+NP)) x (d1/d2))
  waarbij :
  P = aantal gepresteerde en het aantal gelijkgestelde dagen in trimester tx
  NP = aantal niet gelijkgestelde dagen in trimester tx
  d1 = aantal kalenderdagen van voltijdse tewerkstelling
  d2 = aantal kalenderdagen in het trimester
  2) Het voltijds equivalent voor deeltijds werkende personeelsleden :
  Het voltijds equivalent per trimester tx =
  (P/H)
  waarbij :
  P = aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren tijdens het trimester, met uitsluiting van het aantal uren van voltijdse tewerkstelling zoals bedoeld onder punt 1)
  H = aantal dagen van maandag tot vrijdag, (...), gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  3) Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de berekening in punt 1) en 2) en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode);
  b) [4 de VTE's van de volgende personeelsleden worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van de tegemoetkoming, zoals bedoeld in artikel 17 :
   1° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de " sociale maribel " met toepassing van het koninklijk besluit van 18 juli 2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector of onder de toepassing vallen van de " fiscale maribel " met toepassing van het koninklijk besluit van 13 juni 2010 tot wijziging van het voornoemde koninklijk besluit van 18 juli 2002;
   2° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 4, § 1, 3° van het koninklijk besluit van 15 september 2006 tot uitvoering van artikel 59 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wat de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan betreft (de " vervangers ");
   3° de vervangers van de werknemers van minstens 50 jaar, die de maatregelen inzake vrijstelling van arbeidsprestaties en eindeloopbaan niet genieten, maar die een bijkomend verlof genieten in het kader van het sociaal akkoord dat betrekking heeft op de sector van de geneeskundige verzorging en dat in 2005 door de Federale Regering werd gesloten met de betrokken representatieve organisaties van de werkgevers en werknemers;
   4° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van de bepalingen van artikel 6 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 15 februari 2012 waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 april 2011, gesloten in het Paritair Comité voor de gezondheidsinrichtingen en -diensten, betreffende het vormingsproject tot verpleegkundigen;
   5° de personeelsleden die onder de toepassing vallen van artikel 17 van het protocol van raamakkoord van 26 juli 2000 betreffende het opleidingsproject tot verpleegkundige in de federale Gezondheidssector;
   6° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 2 juli 2009 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder het Verzekeringscomité met toepassing van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, overeenkomsten kan sluiten voor de financiering van alternatieve en ondersteunende zorg voor kwetsbare ouderen;
   7° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de overeenkomsten gesloten met toepassing van artikel 22 van de voornoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
   8° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het koninklijk besluit van 27 april 2007 houdende de algemene uitvoeringsbepalingen van de maatregelen ten gunste van de tewerkstelling van jongeren in de sociale profitsector voortspruitend uit de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact;
   9° [9 de personeelsleden om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 38, eerste lid, 4°, van bijlage XII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers]9 in het kader van bijlage XIV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 houdende de subsidiëring van de animatiewerking in de woonzorgcentra en de centra voor kortverblijf;
   10° de referentiepersoon voor dementie die in deel E 3 wordt gefinancierd;
   11° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van de maatregelen bedoeld in artikel 4bis van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft;
   12° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van het ministerieel besluit van 22 juni 2000 tot vaststelling van de tegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de centra voor dagverzorging;
   13° de personeelsleden die gefinancierd worden in het kader van artikel 60, § 7, van de O.C.M.W.-wet;
   14° de personeelsleden die werken onder het statuut van een leercontract of een overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven, bedoeld in het Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 28 juli 1998 betreffende de overeenkomst inzake inschakeling in het maatschappelijk en beroepsleven van de centra voor alternerende opleiding en onderwijs;
   15° het aandeel VTE gedurende hetwelk de prestaties van de loontrekkende kinesitherapeut via de nomenclatuur worden gefactureerd.
   Daarentegen moet het aantal uren van vrijstelling van arbeidsprestaties dat is toegekend ter uitvoering van het voornoemde koninklijk besluit van 15 september 2006, begrepen zijn in het voltijds equivalent bedoeld onder punt a);]4

  c) [5 ...]5;
  d) de inrichtingen die te kampen hebben met een tekort aan verpleegkundig personeel en die in de onmogelijkheid zijn om onmiddellijk loontrekkend of statutair verpleegkundig personeel aan te werven, kunnen beroep doen op de diensten van een door de bevoegde overheid erkende interim-onderneming. In dat geval dient dit aan de Dienst te worden gemotiveerd aan de hand van aanvragen voor het aanwerven van personeel bij één van de volgende instanties : de Vlaamse dienst voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding (VDAB), de " Office communautaire et régional de la formation professionnelle et de l'emploi " (FOREm), de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling (BGDA) of de " Office régional bruxellois de l'emploi " (ORBEm). Aan de Dienst dient eveneens een kopie van de facturen waarop het aantal in de inrichting gepresteerde uren van dit personeelslid staat vermeld, te worden overgemaakt. De Dienst kan ook de nodige documenten vragen waaruit blijkt dat het gaat om een gekwalificeerde verpleegkundige. Een verpleegkundige kan voor [6 een gemiddelde van maximum 38 uur per week]6 in aanmerking worden genomen.
  Het voltijds equivalent per trimester tx is in dit geval gelijk aan :
  (U/D) waarbij :
  U = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  e) [7 om de vermindering zoals bedoeld in artikel 12 of de verminderingen zoals bedoeld in artikel 16, §§ 2 en 3, gedeeltelijk of volledig te vermijden, kunnen de effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van de zelfstandige directeur van een inrichting een tekort in die kwalificatie compenseren, voor maximum 19 uur per week wat de toepassing van artikel 12 betreft, en voor maximum 38 uur per week wat de toepassing van artikel 16, §§ 2 of 3 betreft. Het aantal gepresteerde uren per trimester en in de kwalificatie van die directeur wordt, door de zelfstandige directeur zelf bepaald, met een verklaring op erewoord.
   Een zelfstandig directeur kan deze uren slechts laten gelden in maximum één inrichting. Ingeval de Dienst vaststelt dat een zelfstandig directeur deze uren meedeelt in meerdere inrichtingen, en waarbij het totaal van 19 uur of 38 uur wordt overschreden, zal in geen enkel geval met deze uren rekening worden gehouden. In eeninrichtingkan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van zelfstandig directeur uitoefenen.]7

  Het voltijds equivalent per trimester tx is in dit geval gelijk aan :
  (U/D) waarbij :
  U = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, [...], gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  f) [7 voor de gekwalificeerde loontrekkende of statutaire directeur van een inrichting wordt het voltijds equivalent bepaald volgens de regels, bedoeld in a) van onderhavige paragraaf. De effectief in zijn kwalificatie gepresteerde uren van die loontrekkende of statutaire directeur worden in aanmerking genomen voor maximum 50 % van zijn totaal voltijds equivalent voor het naleven van de normen bedoeld in de artikelen 2, 3 of 5, § 2, en voor gemiddeld maximum 38 uur per week, om de verminderingen bedoeld in artikel 16, §§ 2 of 3 te vermijden. In eeninrichting kan maximum en tegelijkertijd één fysiek persoon de functie van directeur uitoefenen.
   Dit aantal uren wordt bepaald volgens de regels zoals bedoeld onder de punten a) of b). Een loontrekkende of statutaire directeur van een inrichting kan in deze functie slechts één keer in aanmerking worden genomen. Indien de Dienst vaststelt dat een persoon als directeur wordt meegedeeld in meerdere inrichtingen zal in geen enkel geval met deze dagen of uren rekening worden gehouden.]7

  g) het voltijds equivalent per trimester tx van een zelfstandig lid van het personeel voor reactivering, aan de inrichting gebonden door een ondernemingscontract, is gelijk aan :
  (P/D) waarbij :
  P = aantal gepresteerde uren tijdens het trimester
  D = aantal dagen van maandag tot vrijdag, met uitsluiting van de wettelijke feestdagen, gedurende het trimester, vermenigvuldigd met 7,6 uur per dag.
  Het voltijds equivalent tijdens de referentieperiode wordt bepaald aan de hand van de resultaten van de hiervoor vermelde formule en is gelijk aan :
  (som van de voltijds equivalenten per trimester tx in de referentieperiode/aantal trimesters in de referentieperiode).
  § 3. [8 ...]8.
  
Art. 9. § 1er. Le Service calcule le niveau d'encadrement, en équivalents temps plein et par qualification, dont devait disposer l'institution pendant la période de référence (norme théorique), et cela suivant les normes visées (aux articles 2 et 3).
  § 2. Lors du calcul visé au § 1er, les règles suivantes sont d'application :
  a) le nombre moyen de (patients) par catégorie est égal à :
  (le nombre de (journées d'hébergement) des (patients) par catégorie de dépendance au cours de la période de référence/le nombre de jours calendrier au cours de la période de référence);
  b) la norme théorique est obtenue en multipliant le nombre de (patients) par catégorie par (la norme de financement) du personnel exprimé dans les articles 2 et 3 par 30 bénéficiaires.
Art.9. § 1. De Dienst berekent, in voltijds equivalenten, het personeelseffectief, per kwalificatie, waarover de inrichting moest beschikken tijdens de referentieperiode (theoretische norm) en dit volgens de normen zoals bedoeld (in de artikelen 2 en 3).
  § 2. Bij de berekening zoals bedoeld in § 1 gelden de volgende regels :
  a) het gemiddeld aantal (patiënten) per categorie is gelijk aan :
  (het aantal (verblijfdagen) van de (patiënten) per afhankelijkheidscategorie in de referentieperiode/het aantal kalenderdagen in de referentieperiode);
  b) de theoretische norm wordt bekomen door het aantal (patiënten) per categorie te vermenigvuldigen met (de financieringsnormen van het personeel) die in de artikelen 2 en 3 is uitgedrukt per 30 rechthebbenden.
Art.11. Si l'institution, au cours de la période de référence, ne satisfait pas à la norme théorique pour une ou plusieurs qualifications de personnel visées à l'article 9, ce déficit par qualification peut dans certains cas être compensé par un excédent de personnel salarié dans une autre qualification. Toutefois, cette compensation n'est pas possible lorsqu'il s'agit d'un déficit relatif à la norme d'un kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède par 30 bénéficiaires en MRS.
  La hiérarchie suivante est alors d'application :
  a) [1 s'il y a un excédent de praticiens de l'art infirmier A1 ou A2, il faut d'abord affecter l'excédent de praticiens de l'art infirmier A1, puis l'excédent de praticiens de l'art infirmier A2, au déficit de personnel de réactivation;]1
  b) s'il y a encore un excédent de praticiens de l'art infirmier (y compris le nombre restant de praticiens de l'art infirmier A1 [1 ou A2]1), il faut l'affecter au déficit de personnel soignant;
  c) s'il y a un déficit de personnel de réactivation, un certain nombre de praticiens de l'art infirmier A1 peuvent d'abord combler ce déficit de personnel de réactivation, avant d'être affectés à la norme pour le personnel infirmier. Ce n'est possible que si l'institution dispose de suffisamment de membres du personnel pour satisfaire à la norme globale; en outre, seuls les praticiens de l'art infirmier A1 [1 ou A2]1 qui viennent en excédent de 80 % de la norme du personnel infirmier peuvent être pris en considération pour l'application de cette mesure. Le déficit ainsi créé parmi les praticiens de l'art infirmier peut alors être compensé suivant les dispositions du point f) ;
  d) s'il y a un excédent de personnel de réactivation, il faut l'affecter au déficit de praticiens de l'art infirmier;
  e) s'il y a encore un excédent de personnel de réactivation, il faut l'affecter au déficit restant de personnel soignant;
  f) s'il y a un excédent de personnel soignant, il faut l'affecter au déficit restant de praticiens de l'art infirmier.
  La compensation est appliquée selon les règles suivantes :
  a) le déficit de membres du personnel de réactivation ne peut être compensé que par un excédent de membres du personnel infirmier A1 [1 ou A2, avec priorité pour les A1]1;
  b) le déficit de praticiens de l'art infirmier peut être compensé pour 20 % au maximum par un excédent de membres du personnel de réactivation et/ou du personnel soignant [1 Ce pourcentage de 20 % peut être augmenté jusqu'à 30 % pour les institutions qui occupent au moins 7 ETP praticiens de l'art infirmier]1;
  c) le déficit de personnel soignant peut être compensé de façon illimitée par un excédent de praticiens de l'art infirmier et/ou du personnel de réactivation.
  Dans cette situation, le montant à financer est déterminé comme suit :
  a) pour le personnel qui remplit (la norme théorique) visée à (l'article 9) dans sa propre qualification, le financement par équivalent temps plein pour une certaine qualification est égal au coût salarial visé à l'article 13;
  b) les règles suivantes sont d'application pour le personnel qui, en application du présent article, est pris en considération pour la compensation d'un déficit de personnel dans une autre qualification :
  - le praticien de l'art infirmier A1 qui compense un déficit de personnel de réactivation, est indemnisé selon le coût salarial d'un praticien de l'art infirmier A1 [1 ou A2]1;
  - le personnel de réactivation qui compense un déficit de praticiens de l'art infirmier est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel de réactivation;
  - le personnel soignant qui compense un déficit de praticiens de l'art infirmier est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel soignant;
  - le membre du personnel qui compense un déficit de membres du personnel soignant est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel soignant.
  Le financement par équivalent temps plein est égal au coût salarial visé à l'article 13.
  
Art.10. Indien het aanwezige personeel per kwalificatie dat wordt bepaald volgens de bepalingen van artikel 8, groter of gelijk is aan de theoretische norm per kwalificatie zoals bedoeld in artikel 9, is de financiering per voltijds equivalent in een bepaalde kwalificatie gelijk aan de loonkost zoals bedoeld in artikel 13.
Art. 11. Si l'institution, au cours de la période de référence, ne satisfait pas à la norme théorique pour une ou plusieurs qualifications de personnel visées à l'article 9, ce déficit par qualification peut dans certains cas être compensé par un excédent de personnel salarié dans une autre qualification. Toutefois, cette compensation n'est pas possible lorsqu'il s'agit d'un déficit relatif à la norme d'un kinésithérapeute et/ou ergothérapeute et/ou logopède par 30 bénéficiaires en MRS.
  La hiérarchie suivante est alors d'application :
  a) [1 s'il y a un excédent de praticiens de l'art infirmier A1 ou A2, il faut d'abord affecter l'excédent de praticiens de l'art infirmier A1, puis l'excédent de praticiens de l'art infirmier A2, au déficit de personnel de réactivation;]1
  b) s'il y a encore un excédent de praticiens de l'art infirmier (y compris le nombre restant de praticiens de l'art infirmier A1 [1 ou A2]1), il faut l'affecter au déficit de personnel soignant;
  c) s'il y a un déficit de personnel de réactivation, un certain nombre de praticiens de l'art infirmier A1 peuvent d'abord combler ce déficit de personnel de réactivation, avant d'être affectés à la norme pour le personnel infirmier. Ce n'est possible que si l'institution dispose de suffisamment de membres du personnel pour satisfaire à la norme globale; en outre, seuls les praticiens de l'art infirmier A1 [1 ou A2]1 qui viennent en excédent de 80 % de la norme du personnel infirmier peuvent être pris en considération pour l'application de cette mesure. Le déficit ainsi créé parmi les praticiens de l'art infirmier peut alors être compensé suivant les dispositions du point f) ;
  d) s'il y a un excédent de personnel de réactivation, il faut l'affecter au déficit de praticiens de l'art infirmier;
  e) s'il y a encore un excédent de personnel de réactivation, il faut l'affecter au déficit restant de personnel soignant;
  f) s'il y a un excédent de personnel soignant, il faut l'affecter au déficit restant de praticiens de l'art infirmier.
  La compensation est appliquée selon les règles suivantes :
  a) le déficit de membres du personnel de réactivation ne peut être compensé que par un excédent de membres du personnel infirmier A1 [1 ou A2, avec priorité pour les A1]1;
  b) le déficit de praticiens de l'art infirmier peut être compensé pour 20 % au maximum par un excédent de membres du personnel de réactivation et/ou du personnel soignant [1 Ce pourcentage de 20 % peut être augmenté jusqu'à 30 % pour les institutions qui occupent au moins 7 ETP praticiens de l'art infirmier]1;
  c) le déficit de personnel soignant peut être compensé de façon illimitée par un excédent de praticiens de l'art infirmier et/ou du personnel de réactivation.
  Dans cette situation, le montant à financer est déterminé comme suit :
  a) pour le personnel qui remplit (la norme théorique) visée à (l'article 9) dans sa propre qualification, le financement par équivalent temps plein pour une certaine qualification est égal au coût salarial visé à l'article 13;
  b) les règles suivantes sont d'application pour le personnel qui, en application du présent article, est pris en considération pour la compensation d'un déficit de personnel dans une autre qualification :
  - le praticien de l'art infirmier A1 qui compense un déficit de personnel de réactivation, est indemnisé selon le coût salarial d'un praticien de l'art infirmier A1 [1 ou A2]1;
  - le personnel de réactivation qui compense un déficit de praticiens de l'art infirmier est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel de réactivation;
  - le personnel soignant qui compense un déficit de praticiens de l'art infirmier est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel soignant;
  - le membre du personnel qui compense un déficit de membres du personnel soignant est indemnisé selon le coût salarial d'un membre du personnel soignant.
  Le financement par équivalent temps plein est égal au coût salarial visé à l'article 13.
  
Art.11. Indien de inrichting tijdens de referentieperiode in één of meerdere personeelskwalificaties niet voldoet aan de theoretische norm zoals bedoeld in artikel 9, kan dit tekort per kwalificatie in een aantal gevallen worden gecompenseerd door een overschot aan loontrekkende personeelsleden in een andere kwalificatie. Deze compensatie is niet mogelijk als het gaat om een tekort in de norm van 1 kinesitherapeut en/of ergotherapeut en/of logopedist per 30 rechthebbenden in RVT.
  Daarbij geldt de volgende hiërarchie :
  a) [1 indien er een teveel is aan A1 of A2 verpleegkundigen, moet eerst het teveel aan A1 verpleegkundigen en vervolgens het teveel aan A2 verpleegkundigen worden toegewezen aan het tekort aan personeelsleden voor reactivering ;]1
  b) indien er nog een teveel is aan verpleegkundigen (met inbegrip van het resterend aantal A1 verpleegkundigen [1 of A2 verpleegkundige]1), dit toewijzen aan het tekort aan verzorgenden;
  c) indien er nog een tekort is aan personeelsleden voor reactivering kunnen een aantal A1-verpleegkundigen [1 of A2 verpleegkundige]1 vooraleer ze worden toegewezen aan de norm voor verpleegkunde, eerst toegewezen worden aan dit tekort aan personeelsleden voor reactivering. Dit is mogelijk op voorwaarde dat de inrichting beschikt over voldoende personeelsleden om de globale norm op te vullen. Enkel de A1 verpleegkundigen die aanwezig zijn bovenop 80 % van de norm van de verpleegkundigen kunnen voor deze maatregel in aanmerking komen. Het tekort dat op die manier ontstaat bij de verpleegkundigen kan dan gecompenseerd worden volgens de bepalingen van punt f) ;
  d) indien er een teveel is aan personeel voor reactivering, dit toewijzen aan het tekort aan verpleegkundigen;
  e) indien er nog een teveel is aan personeel voor reactivering, dit toewijzen aan het resterend tekort aan verzorgenden;
  f) indien er een teveel is aan verzorgenden, dit toewijzen aan het resterend tekort aan verpleegkundigen.
  De compensatie wordt toegepast volgens de volgende regels :
  a) het tekort aan personeelsleden voor reactivering kan enkel worden gecompenseerd door een teveel aan leden van het verpleegkundig personeel A1 [1 of A2 verpleegkundige, met voorrang voor de A1's]1;
  b) het tekort aan verpleegkundigen kan voor maximum 20 % worden gecompenseerd door een teveel aan personeelsleden voor reactivering en/of van het verzorgingspersoneel. [1 Dit percentage van 20 % kan verhoogd worden tot 30 % voor de inrichtingen die minstens 7 VTE verpleegkundigen tewerkstellen]1;
  c) het tekort aan verzorgingspersoneel kan onbeperkt worden gecompenseerd door een teveel aan verpleegkundigen en/of personeelsleden voor reactivering.
  In deze situatie wordt het te financieren bedrag als volgt bepaald :
  a) voor het personeel dat (de theoretische norm) zoals bedoeld in (artikel 9) opvult in zijn eigen kwalificatie is de financiering per voltijds equivalent in een bepaalde kwalificatie gelijk aan de loonkost zoals bedoeld in artikel 13;
  b) voor het personeel dat in toepassing van dit artikel in aanmerking komt voor het compenseren van een tekort aan personeel in een andere kwalificatie gelden de volgende regels :
  - de verpleegkundige A1 [1 of A2 verpleegkundige]1 die een tekort aan personeel voor reactivering compenseert, wordt vergoed volgens de loonkost van een A1 verpleegkundige;
  - het personeel voor reactivering dat een tekort aan verpleegkundigen compenseert, wordt vergoed volgens de loonkost van een personeelslid voor reactivering;
  - de verzorgende die een tekort aan verpleegkundige compenseert, wordt vergoed volgens de loonkost van een verzorgende;
  - het personeelslid dat een tekort aan verzorgenden compenseert, wordt vergoed volgens de loonkost van een verzorgende.
  De financiering per voltijds equivalent is gelijk aan de loonkost zoals bedoeld in artikel 13.
  
Art.13. § 1er. [3 Le coût salarial dépend de l'ancienneté moyenne par qualification du personnel de soins dans l'institution à l'exclusion des membres du personnel visés à l'article 8, § 2, b) - à l'exception de la personne de référence pour la démence visée au 10° qui est également prise en considération. Cette ancienneté moyenne est déterminée par qualification comme suit :
   somme de (l'ancienneté du membre du personnel x ETP de ce membre du personnel)/nombre total ETP dans cette qualification.
   Par ancienneté, on entend l'ancienneté barémique le dernier jour de la période de référence ou, pour les membres du personnel qui ont quitté l'institution ou qui ont changé de qualification, l'ancienneté barémique telle qu'elle est d'application à la date de la fin du contrat. L'ancienneté barémique d'un membre du personnel est au maximum égale à (son âge - 18 ans).
   L'ancienneté est calculée par individu et par qualification. Si une personne est liée par plusieurs contrats pendant la période de référence, son ancienneté est prise en considération le dernier jour de la période de référence ou à la fin de son contrat.
   Pour ce calcul, il n'est pas tenu compte des membres du personnel qui travaillent dans l'institution avec un contrat d'intérimaire ou comme directeur avec un statut de travailleur indépendant. Les personnes qui y travaillent en qualité de travailleur indépendant sont comptées avec une ancienneté de zéro année.
   Pour un calcul correct de l'ancienneté moyenne par qualification, les institutions communiquent au Service l'ancienneté barémique, le nombre de journées et/ou d'heures prestées pour toutes les personnes (salariées, statutaires, travailleurs indépendants, intérimaires) qui travaillaient dans l'institution en tant que praticiens de l'art infirmier, membres du personnel de réactivation ou membres du personnel soignant au cours de la période de référence.]3

  § 2. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein praticien de l'art infirmier gradué (A1) s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les praticiens de l'art infirmier :
   a) est inférieure à 4 ans : 48.890,56 euros;
   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 52.738 euros;
   c) à partir de 6 ans et moins de 8 ans : 56.644,85 euros;
   d) à partir de 8 ans et moins de 12 ans : 58.201,01 euros;
   e) à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 60.221,45 euros;
   f) à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 61.567,11 euros;
   g) à partir de 16 ans : 66.925,74 euros.]1

  § 3. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein praticien de l'art infirmier A2 ou assistant en soins hospitaliers s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les praticiens de l'art infirmier et assistants en soins hospitaliers :
   a) est inférieure à 4 ans : 44.987,06 euros;
   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 48.120,68 euros;
   c) à partir de 6 ans et moins de 8 ans : 51.577,81 euros;
   d) à partir de 8 ans et moins de 12 ans : 53.105,02 euros;
   e) à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 55.105,65 euros;
   f) à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 56.437,07 euros;
   g) à partir de 16 ans : 57.775,76 euros.]1

  § 4. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein aide soignant s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les aides soignants :
   a) est inférieure à 4 ans : 42.856,43 euros;
   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 43.363,83 euros;
   c) à partir de 6 ans et moins de 10 ans : 44.031,31 euros;
   d) à partir de 10 ans et moins de 12 ans : 45.607,76 euros;
   e) à partir de 12 ans : 46.323,94 euros.]1

  § 5. [4 Le coût salarial pour un équivalent temps plein membre du personnel de réactivation et pour un kinésithérapeute, un ergothérapeute ou un logopède s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les membres de ce personnel :
   a) est inférieure à 4 ans : 43.784,03 euros
   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 47.196,14 euros
   c) à partir de 6 ans et moins de 10 ans : 50.666,19 euros
   d) à partir de 10 ans et moins de 12 ans : 52.047,10 euros
   e) à partir de 12 ans : 53.842,19 euros.]4

  (§ 6. Sans préjudice de l'application des dispositions prévues à l'article 15, les praticiens de l'art infirmier qui remplissent les normes pour praticiens de l'art infirmier visées aux articles 2, 3 et 5 sont financés suivant les coûts salariaux d'un praticien de l'art infirmier A2.)
  § 7. [2 Entre le 1er juillet et le 31 décembre 2010, les montants visés aux §§ 2, 3 et 4 sont augmentés d'un montant de rattrapage s'élevant à :
   1° pour les montants visés au § 2 :
   a) 390,38 euros
   b) 423,66 euros
   c) 457,06 euros
   d) 470,45 euros
   e) 487,68 euros
   f) 499,16 euros
   g) 544,47 euros
   2° pour les montants visés au § 3 :
   a) 355,04 euros
   b) 383,04 euros
   c) 413,03 euros
   d) 426,43 euros
   e) 443,66 euros
   f) 455,14 euros
   g) 466,63 euros
   3° pour les montants visés au § 4 :
   a) 332,33 euros
   b) 338,23 euros
   c) 344,13 euros
   d) 358,67 euros
   e) 365,75 euros.
   Pour obtenir ce montant de rattrapage, les institutions doivent accorder à leur personnel infirmier et soignant l'avantage visé à l'article 30, 7°, à partir du 1er janvier 2010.]2
]
  [4 § 8. Entre le 1er janvier et le 30 juin 2012, les montants visés au § 5 sont augmentés d'un montant de rattrapage s'élevant à :
   a) 40,76 euros
   b) 44,22 euros
   c) 47,72 euros
   d) 49,12 euros
   e) 50,90 euros.]4

  
Art.12. Indien er na toepassing van (artikel 8, § 2, e) of f)) en artikel 11 nog steeds een tekort is aan personeel in een bepaalde kwalificatie wordt hiervoor de volgende vermindering bepaald :
  (het overblijvend procentueel tekort in deze kwalificatie x de loonkost per FTE zoals bedoeld in artikel 13 x aantal FTE tekort).
  Deze vermindering wordt toegepast op het bedrag dat in artikel 17 wordt berekend.
Art. 13 _REGION_WALLONNE.   § 1er. [3 Le coût salarial dépend de l'ancienneté moyenne par qualification du personnel de soins dans l'institution à l'exclusion des membres du personnel visés à l'article 8, § 2, b) - à l'exception de la personne de référence pour la démence visée au 10° qui est également prise en considération. Cette ancienneté moyenne est déterminée par qualification comme suit :   somme de (l'ancienneté du membre du personnel x ETP de ce membre du personnel)/nombre total ETP dans cette qualification.   Par ancienneté, on entend l'ancienneté barémique le dernier jour de la période de référence ou, pour les membres du personnel qui ont quitté l'institution ou qui ont changé de qualification, l'ancienneté barémique telle qu'elle est d'application à la date de la fin du contrat. L'ancienneté barémique d'un membre du personnel est au maximum égale à (son âge - 18 ans).   L'ancienneté est calculée par individu et par qualification. Si une personne est liée par plusieurs contrats pendant la période de référence, son ancienneté est prise en considération le dernier jour de la période de référence ou à la fin de son contrat.   Pour ce calcul, il n'est pas tenu compte des membres du personnel qui travaillent dans l'institution avec un contrat d'intérimaire ou comme directeur avec un statut de travailleur indépendant. [5 ou comme praticien de l'art infirmier avec un statut de travailleur indépendant ou comme praticien de l'art infirmier mis à disposition sur base d'un contrat de mise à disposition, au sens de l'article 32 de la loi sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs du 24 juillet 1987 ]5 Les personnes qui y travaillent en qualité de travailleur indépendant [5 , à l'exception des praticiens de l'art infirmier, ]5 sont comptées avec une ancienneté de zéro année.   Pour un calcul correct de l'ancienneté moyenne par qualification, les institutions communiquent au Service l'ancienneté barémique, le nombre de journées et/ou d'heures prestées pour toutes les personnes (salariées, statutaires, travailleurs indépendants, intérimaires) qui travaillaient dans l'institution en tant que praticiens de l'art infirmier, membres du personnel de réactivation ou membres du personnel soignant au cours de la période de référence.]3  § 2. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein praticien de l'art infirmier gradué (A1) s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les praticiens de l'art infirmier :   a) est inférieure à 4 ans : 48.890,56 euros;   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 52.738 euros;   c) à partir de 6 ans et moins de 8 ans : 56.644,85 euros;   d) à partir de 8 ans et moins de 12 ans : 58.201,01 euros;   e) à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 60.221,45 euros;   f) à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 61.567,11 euros;   g) à partir de 16 ans : 66.925,74 euros.]1  § 3. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein praticien de l'art infirmier A2 ou assistant en soins hospitaliers s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les praticiens de l'art infirmier et assistants en soins hospitaliers :   a) est inférieure à 4 ans : 44.987,06 euros;   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 48.120,68 euros;   c) à partir de 6 ans et moins de 8 ans : 51.577,81 euros;   d) à partir de 8 ans et moins de 12 ans : 53.105,02 euros;   e) à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 55.105,65 euros;   f) à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 56.437,07 euros;   g) à partir de 16 ans : 57.775,76 euros.]1  § 4. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein aide soignant s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les aides soignants :   a) est inférieure à 4 ans : 42.856,43 euros;   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 43.363,83 euros;   c) à partir de 6 ans et moins de 10 ans : 44.031,31 euros;   d) à partir de 10 ans et moins de 12 ans : 45.607,76 euros;   e) à partir de 12 ans : 46.323,94 euros.]1  § 5. [4 Le coût salarial pour un équivalent temps plein membre du personnel de réactivation et pour un kinésithérapeute, un ergothérapeute ou un logopède s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les membres de ce personnel :   a) est inférieure à 4 ans : 43.784,03 euros   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 47.196,14 euros   c) à partir de 6 ans et moins de 10 ans : 50.666,19 euros   d) à partir de 10 ans et moins de 12 ans : 52.047,10 euros   e) à partir de 12 ans : 53.842,19 euros.]4  (§ 6. Sans préjudice de l'application des dispositions prévues à l'article 15, les praticiens de l'art infirmier qui remplissent les normes pour praticiens de l'art infirmier visées aux articles 2, 3 et 5 sont financés suivant les coûts salariaux d'un praticien de l'art infirmier A2.)   § 7. [2 Entre le 1er juillet et le 31 décembre 2010, les montants visés aux §§ 2, 3 et 4 sont augmentés d'un montant de rattrapage s'élevant à :   1° pour les montants visés au § 2 :   a) 390,38 euros   b) 423,66 euros   c) 457,06 euros   d) 470,45 euros   e) 487,68 euros   f) 499,16 euros   g) 544,47 euros   2° pour les montants visés au § 3 :   a) 355,04 euros   b) 383,04 euros   c) 413,03 euros   d) 426,43 euros   e) 443,66 euros   f) 455,14 euros   g) 466,63 euros   3° pour les montants visés au § 4 :   a) 332,33 euros   b) 338,23 euros   c) 344,13 euros   d) 358,67 euros   e) 365,75 euros.   Pour obtenir ce montant de rattrapage, les institutions doivent accorder à leur personnel infirmier et soignant l'avantage visé à l'article 30, 7°, à partir du 1er janvier 2010.]2]  [4 § 8. Entre le 1er janvier et le 30 juin 2012, les montants visés au § 5 sont augmentés d'un montant de rattrapage s'élevant à :   a) 40,76 euros   b) 44,22 euros   c) 47,72 euros   d) 49,12 euros   e) 50,90 euros.]4  
Art.13. § 1. [3 De loonkost is afhankelijk van de gemiddelde anciënniteit per kwalificatie van het verzorgingspersoneel in de inrichtingmet uitzondering van de in artikel 8, § 2, b) bedoelde personeelsleden - met uitzondering van de in 10° bedoelde referentiepersoon dementie, die ook in aanmerking wordt genomen. Die gemiddelde anciënniteit wordt per kwalificatie bepaald als volgt :
   som van (de anciënniteit van het personeelslid x VTE van dat personeelslid)/ totale aantal VTE's in die kwalificatie.
   Onder anciënniteit wordt de baremieke anciënniteit bedoeld op de laatste dag van de referentieperiode of voor de personeelsleden die de inrichting hebben verlaten of die een andere kwalificatie hebben gekregen, de baremieke anciënniteit zoals die van toepassing is op de einddatum van het contract. De baremieke anciënniteit van een personeelslid is maximum gelijk aan (zijn leeftijd - 18).
   De anciënniteit wordt per individu en per kwalificatie berekend. Indien een persoon meerdere contracten tijdens de referentieperiode heeft, wordt rekening gehouden met zijn anciënniteit op de laatste dag van de referentieperiode of op het einde van zijn contract.
   Bij deze berekening wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden die in de inrichting werkzaam zijn met een uitzendcontract, of als directeur met een statuut van zelfstandige. De personen die er werkzaam zijn op zelfstandige basis, worden meegeteld met een anciënniteit van nul jaar.
   Voor een correcte berekening van de gemiddelde anciënniteit per kwalificatie delen de inrichtingen aan de Dienst de baremieke anciënniteit, het aantal gepresteerde dagen en/of uren mee voor alle personen (loontrekkers, statutairen, zelfstandigen, uitzendpersoneel) die tijdens de referentieperiode werkzaam waren in de inrichting als verpleegkundige, personeel voor reactivering of als verzorgende.]3

  § 2. [1 De loonkost voor een voltijds equivalent gegradueerde verpleegkundige (A1) bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verpleegkundigen in de inrichting :
   a) kleiner is dan 4 jaar : 48.890,56 euro;
   b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 52.738 euro;
   c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 8 jaar : 56.644,85 euro;
   d) vanaf 8 jaar en kleiner dan 12 jaar : 58.201,01 euro;
   e) vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar : 60.221,45 euro;
   f) vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar : 61.567,11 euro;
   g) vanaf 16 jaar : 66.925,74 euro.]1

   § 3. [1 De loonkost voor een voltijds equivalent verpleegkundige A2 of ziekenhuisassistent bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verpleegkundigen en ziekenhuisassistenten in de inrichting :
   a) kleiner is dan 4 jaar : 44.987,06 euro;
   b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 48.120,68 euro;
   c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 8 jaar : 51.577,81 euro;
   d) vanaf 8 jaar en kleiner dan 12 jaar : 53.105,02 euro;
   e) vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar : 55.105,65 euro;
   f) vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar : 56.437,07 euro;
   g) vanaf 16 jaar : 57.775,76 euro.]1

   § 4. [1 De loonkost voor een voltijds equivalent verzorgende bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verzorgenden in de inrichting :
   a) kleiner is dan 4 jaar : 42.856,43 euro;
   b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 43.363,83 euro;
   c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 10 jaar : 44.031,31 euro;
   d) vanaf 10 jaar en kleiner dan 12 jaar : 45.607,76 euro;
   e) vanaf 12 jaar : 46.323,94 euro.]1

   § 5. [4 De loonkost voor een voltijds equivalent personeelslid voor reactivering en voor een kinesitherapeut, een ergotherapeut of een logopedist bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle leden van dat personeel in de inrichting :
   a) minder is dan 4 jaar : 43.784,03 euro
   b) vanaf 4 jaar en minder dan 6 jaar : 47.196,14 euro
   c) vanaf 6 jaar en minder dan 10 jaar : 50.666,19 euro
   d) vanaf 10 jaar en minder dan 12 jaar : 52.047,10 euro
   e) vanaf 12 jaar : 53.842,19 euro.]4

  (§ 6. Onverminderd de toepassing van de bepalingen in artikel 15 worden de verpleegkundigen die beantwoorden aan de in de artikelen 2, 3 en 5 bedoelde normen voor verpleegkundigen, gefinancierd volgens de loonkost van een verpleegkundige A2.)
  § 7. [2 Tussen 1 juli en 31 december 2010 worden de bedragen bedoeld in §§ 2, 3 en 4 verhoogd met een inhaalbedrag van :
   1° voor de bedragen bedoeld in § 2 :
   a) 390,38 euro
   b) 423,66 euro
   c) 457,06 euro
   d) 470,45 euro
   e) 487,68 euro
   f) 499,16 euro
   g) 544,47 euro
   2° voor de bedragen bedoeld in § 3 :
   a) 355,04 euro
   b) 383,04 euro
   c) 413,03 euro
   d) 426,43 euro
   e) 443,66 euro
   f) 455,14 euro
   g) 466,63 euro
   3° voor de bedragen bedoeld in § 4 :
   a) 332,33 euro
   b) 338,23 euro
   c) 344,13 euro
   d) 358,67 euro
   e) 365,75 euro.
   Om dit inhaalbedrag te krijgen, moeten de inrichtingen de voordelen zoals bedoeld in artikel 30, 7°, toekennen aan hun verpleegkundig personeel en verzorgingspersoneel vanaf 1 januari 2010.]2

  [4 § 8. Tussen 1 januari en 30 juni 2012 worden de bedragen, bedoeld in § 5, verhoogd met een inhaalbedrag van :
   a) 40,76 euro
   b) 44,22 euro
   c) 47,72 euro
   d) 49,12 euro
   e) 50,90 euro.]4

  
Art. 13 _REGION_WALLONNE.
   § 1er. [3 Le coût salarial dépend de l'ancienneté moyenne par qualification du personnel de soins dans l'institution à l'exclusion des membres du personnel visés à l'article 8, § 2, b) - à l'exception de la personne de référence pour la démence visée au 10° qui est également prise en considération. Cette ancienneté moyenne est déterminée par qualification comme suit :
   somme de (l'ancienneté du membre du personnel x ETP de ce membre du personnel)/nombre total ETP dans cette qualification.
   Par ancienneté, on entend l'ancienneté barémique le dernier jour de la période de référence ou, pour les membres du personnel qui ont quitté l'institution ou qui ont changé de qualification, l'ancienneté barémique telle qu'elle est d'application à la date de la fin du contrat. L'ancienneté barémique d'un membre du personnel est au maximum égale à (son âge - 18 ans).
   L'ancienneté est calculée par individu et par qualification. Si une personne est liée par plusieurs contrats pendant la période de référence, son ancienneté est prise en considération le dernier jour de la période de référence ou à la fin de son contrat.
   Pour ce calcul, il n'est pas tenu compte des membres du personnel qui travaillent dans l'institution avec un contrat d'intérimaire ou comme directeur avec un statut de travailleur indépendant. [5 ou comme praticien de l'art infirmier avec un statut de travailleur indépendant ou comme praticien de l'art infirmier mis à disposition sur base d'un contrat de mise à disposition, au sens de l'article 32 de la loi sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d'utilisateurs du 24 juillet 1987 ]5 Les personnes qui y travaillent en qualité de travailleur indépendant [5 , à l'exception des praticiens de l'art infirmier, ]5 sont comptées avec une ancienneté de zéro année.
   Pour un calcul correct de l'ancienneté moyenne par qualification, les institutions communiquent au Service l'ancienneté barémique, le nombre de journées et/ou d'heures prestées pour toutes les personnes (salariées, statutaires, travailleurs indépendants, intérimaires) qui travaillaient dans l'institution en tant que praticiens de l'art infirmier, membres du personnel de réactivation ou membres du personnel soignant au cours de la période de référence.]3

  § 2. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein praticien de l'art infirmier gradué (A1) s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les praticiens de l'art infirmier :
   a) est inférieure à 4 ans : 48.890,56 euros;
   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 52.738 euros;
   c) à partir de 6 ans et moins de 8 ans : 56.644,85 euros;
   d) à partir de 8 ans et moins de 12 ans : 58.201,01 euros;
   e) à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 60.221,45 euros;
   f) à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 61.567,11 euros;
   g) à partir de 16 ans : 66.925,74 euros.]1

  § 3. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein praticien de l'art infirmier A2 ou assistant en soins hospitaliers s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les praticiens de l'art infirmier et assistants en soins hospitaliers :
   a) est inférieure à 4 ans : 44.987,06 euros;
   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 48.120,68 euros;
   c) à partir de 6 ans et moins de 8 ans : 51.577,81 euros;
   d) à partir de 8 ans et moins de 12 ans : 53.105,02 euros;
   e) à partir de 12 ans et moins de 14 ans : 55.105,65 euros;
   f) à partir de 14 ans et moins de 16 ans : 56.437,07 euros;
   g) à partir de 16 ans : 57.775,76 euros.]1

  § 4. [1 Le coût salarial pour un équivalent temps plein aide soignant s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les aides soignants :
   a) est inférieure à 4 ans : 42.856,43 euros;
   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 43.363,83 euros;
   c) à partir de 6 ans et moins de 10 ans : 44.031,31 euros;
   d) à partir de 10 ans et moins de 12 ans : 45.607,76 euros;
   e) à partir de 12 ans : 46.323,94 euros.]1

  § 5. [4 Le coût salarial pour un équivalent temps plein membre du personnel de réactivation et pour un kinésithérapeute, un ergothérapeute ou un logopède s'élève à, si l'ancienneté moyenne dans l'institution pour tous les membres de ce personnel :
   a) est inférieure à 4 ans : 43.784,03 euros
   b) à partir de 4 ans et moins de 6 ans : 47.196,14 euros
   c) à partir de 6 ans et moins de 10 ans : 50.666,19 euros
   d) à partir de 10 ans et moins de 12 ans : 52.047,10 euros
   e) à partir de 12 ans : 53.842,19 euros.]4

  (§ 6. Sans préjudice de l'application des dispositions prévues à l'article 15, les praticiens de l'art infirmier qui remplissent les normes pour praticiens de l'art infirmier visées aux articles 2, 3 et 5 sont financés suivant les coûts salariaux d'un praticien de l'art infirmier A2.)
  § 7. [2 Entre le 1er juillet et le 31 décembre 2010, les montants visés aux §§ 2, 3 et 4 sont augmentés d'un montant de rattrapage s'élevant à :
   1° pour les montants visés au § 2 :
   a) 390,38 euros
   b) 423,66 euros
   c) 457,06 euros
   d) 470,45 euros
   e) 487,68 euros
   f) 499,16 euros
   g) 544,47 euros
   2° pour les montants visés au § 3 :
   a) 355,04 euros
   b) 383,04 euros
   c) 413,03 euros
   d) 426,43 euros
   e) 443,66 euros
   f) 455,14 euros
   g) 466,63 euros
   3° pour les montants visés au § 4 :
   a) 332,33 euros
   b) 338,23 euros
   c) 344,13 euros
   d) 358,67 euros
   e) 365,75 euros.
   Pour obtenir ce montant de rattrapage, les institutions doivent accorder à leur personnel infirmier et soignant l'avantage visé à l'article 30, 7°, à partir du 1er janvier 2010.]2
]
  [4 § 8. Entre le 1er janvier et le 30 juin 2012, les montants visés au § 5 sont augmentés d'un montant de rattrapage s'élevant à :
   a) 40,76 euros
   b) 44,22 euros
   c) 47,72 euros
   d) 49,12 euros
   e) 50,90 euros.]4
Art.13_WAALS_GEWEST.    § 1. [3 De loonkost is afhankelijk van de gemiddelde anciënniteit per kwalificatie van het verzorgingspersoneel in de inrichtingmet uitzondering van de in artikel 8, § 2, b) bedoelde personeelsleden - met uitzondering van de in 10° bedoelde referentiepersoon dementie, die ook in aanmerking wordt genomen. Die gemiddelde anciënniteit wordt per kwalificatie bepaald als volgt :
   som van (de anciënniteit van het personeelslid x VTE van dat personeelslid)/ totale aantal VTE's in die kwalificatie.
   Onder anciënniteit wordt de baremieke anciënniteit bedoeld op de laatste dag van de referentieperiode of voor de personeelsleden die de inrichting hebben verlaten of die een andere kwalificatie hebben gekregen, de baremieke anciënniteit zoals die van toepassing is op de einddatum van het contract. De baremieke anciënniteit van een personeelslid is maximum gelijk aan (zijn leeftijd - 18).
   De anciënniteit wordt per individu en per kwalificatie berekend. Indien een persoon meerdere contracten tijdens de referentieperiode heeft, wordt rekening gehouden met zijn anciënniteit op de laatste dag van de referentieperiode of op het einde van zijn contract.
   Bij deze berekening wordt geen rekening gehouden met de personeelsleden die in de inrichting werkzaam zijn met een uitzendcontract, of als directeur met een statuut van zelfstandige. [5 of als verpleegkundige met het statuut van zelfstandige of als verpleegkundige die ter beschikking wordt gesteld op basis van een terbeschikkingstellingsovereenkomst, in de zin van artikel 32 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de uitzendarbeid, de uitzendarbeid en de terbeschikkingstelling van werknemers aan gebruikers]5 De personen die er werkzaam zijn op zelfstandige basis [5 , met uitzondering van de verpleegkundigen," ]5, worden meegeteld met een anciënniteit van nul jaar.
   Voor een correcte berekening van de gemiddelde anciënniteit per kwalificatie delen de inrichtingen aan de Dienst de baremieke anciënniteit, het aantal gepresteerde dagen en/of uren mee voor alle personen (loontrekkers, statutairen, zelfstandigen, uitzendpersoneel) die tijdens de referentieperiode werkzaam waren in de inrichting als verpleegkundige, personeel voor reactivering of als verzorgende.]3

  § 2. [1 De loonkost voor een voltijds equivalent gegradueerde verpleegkundige (A1) bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verpleegkundigen in de inrichting :
   a) kleiner is dan 4 jaar : 48.890,56 euro;
   b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 52.738 euro;
   c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 8 jaar : 56.644,85 euro;
   d) vanaf 8 jaar en kleiner dan 12 jaar : 58.201,01 euro;
   e) vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar : 60.221,45 euro;
   f) vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar : 61.567,11 euro;
   g) vanaf 16 jaar : 66.925,74 euro.]1

   § 3. [1 De loonkost voor een voltijds equivalent verpleegkundige A2 of ziekenhuisassistent bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verpleegkundigen en ziekenhuisassistenten in de inrichting :
   a) kleiner is dan 4 jaar : 44.987,06 euro;
   b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 48.120,68 euro;
   c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 8 jaar : 51.577,81 euro;
   d) vanaf 8 jaar en kleiner dan 12 jaar : 53.105,02 euro;
   e) vanaf 12 jaar en kleiner dan 14 jaar : 55.105,65 euro;
   f) vanaf 14 jaar en kleiner dan 16 jaar : 56.437,07 euro;
   g) vanaf 16 jaar : 57.775,76 euro.]1

   § 4. [1 De loonkost voor een voltijds equivalent verzorgende bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle verzorgenden in de inrichting :
   a) kleiner is dan 4 jaar : 42.856,43 euro;
   b) vanaf 4 jaar en kleiner dan 6 jaar : 43.363,83 euro;
   c) vanaf 6 jaar en kleiner dan 10 jaar : 44.031,31 euro;
   d) vanaf 10 jaar en kleiner dan 12 jaar : 45.607,76 euro;
   e) vanaf 12 jaar : 46.323,94 euro.]1

   § 5. [4 De loonkost voor een voltijds equivalent personeelslid voor reactivering en voor een kinesitherapeut, een ergotherapeut of een logopedist bedraagt, indien de gemiddelde anciënniteit van alle leden van dat personeel in de inrichting :
   a) minder is dan 4 jaar : 43.784,03 euro
   b) vanaf 4 jaar en minder dan 6 jaar : 47.196,14 euro
   c) vanaf 6 jaar en minder dan 10 jaar : 50.666,19 euro
   d) vanaf 10 jaar en minder dan 12 jaar : 52.047,10 euro
   e) vanaf 12 jaar : 53.842,19 euro.]4

  (§ 6. Onverminderd de toepassing van de bepalingen in artikel 15 worden de verpleegkundigen die beantwoorden aan de in de artikelen 2, 3 en 5 bedoelde normen voor verpleegkundigen, gefinancierd volgens de loonkost van een verpleegkundige A2.)
  § 7. [2 Tussen 1 juli en 31 december 2010 worden de bedragen bedoeld in §§ 2, 3 en 4 verhoogd met een inhaalbedrag van :
   1° voor de bedragen bedoeld in § 2 :
   a) 390,38 euro
   b) 423,66 euro
   c) 457,06 euro
   d) 470,45 euro
   e) 487,68 euro
   f) 499,16 euro
   g) 544,47 euro
   2° voor de bedragen bedoeld in § 3 :
   a) 355,04 euro
   b) 383,04 euro
   c) 413,03 euro
   d) 426,43 euro
   e) 443,66 euro
   f) 455,14 euro
   g) 466,63 euro
   3° voor de bedragen bedoeld in § 4 :
   a) 332,33 euro
   b) 338,23 euro
   c) 344,13 euro
   d) 358,67 euro
   e) 365,75 euro.
   Om dit inhaalbedrag te krijgen, moeten de inrichtingen de voordelen zoals bedoeld in artikel 30, 7°, toekennen aan hun verpleegkundig personeel en verzorgingspersoneel vanaf 1 januari 2010.]2

  [4 § 8. Tussen 1 januari en 30 juni 2012 worden de bedragen, bedoeld in § 5, verhoogd met een inhaalbedrag van :
   a) 40,76 euro
   b) 44,22 euro
   c) 47,72 euro
   d) 49,12 euro
   e) 50,90 euro.]4
Art. 14. [§ 1er.] Dans les institutions qui, après l'application des articles 8, 9 et 11, disposent encore d'une réserve en personnel de réactivation, il est tenu compte, lors de la fixation du montant à financer pour la norme de personnel visée à l'article 17, d'un certain nombre d'équivalents temps plein qui s'élève au maximum à :
  ((nombre moyen de [patients] 0 x 0,10 équivalent temps plein membre du personnel de réactivation) + (nombre moyen de [patients] A x 0,20 équivalent temps plein membre du personnel de réactivation))/30 [patients].
  Le nombre moyen de [patients] 0 et A correspond au nombre calculé en exécution de l'article 9, § 2, a).
  Lorsque la réserve visée au premier alinéa est insuffisante pour remplir cet équivalent temps plein de 0,10 ou 0,20/30 [patients], la différence peut être compensée par un excédent de praticiens de l'art infirmier A1.
  § 2. [1 Dans les institutions qui, après l'application du § 1er, disposent encore d'une réserve en personnel de réactivation ou, à défaut, de personnel soignant, il est tenu compte, lors de la fixation du montant à financer pour la norme de personnel visée à l'article 17, [2 ...]2, d'un certain nombre d'équivalents temps plein qui s'élève au maximum à :
   ((nombre de patients classés dans la catégorie de dépendance A, effectivement présents [2 dans l'institution le 31 mars de la période de référence]2, et qui ont un score égal au moins à (2) pour l'orientation dans le temps et pour l'orientation dans l'espace, comme stipulé à l'article 151, § 2 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité) x 0,8 équivalent temps plein membre du personnel de réactivation ou du personnel soignant / 30 patients).]1

  
Art.14. [§ 1.] In de inrichtingen die na toepassing van de artikelen 8, 9 en 11 nog een reserve aan personeelsleden voor reactivering hebben wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor de personeelsnorm zoals bedoeld in artikel 17, bijkomend rekening gehouden met een aantal voltijds equivalenten dat maximum gelijk is aan :
  ((gemiddeld aantal (patiënten) 0 x 0,10 voltijds equivalent personeelslid voor reactivering) + (gemiddeld aantal (patiënten) A x 0,20 voltijds equivalent personeelslid voor reactivering))/30 [patiënten].
  Het gemiddeld aantal [patiënten] 0 en A stemt overeen met het aantal dat berekend wordt in uitvoering van artikel 9, § 2, a).
  Indien de reserve zoals bedoeld in het eerste lid onvoldoende is om dit voltijds equivalent van 0,10 of 0,20/30 [patiënten] op te vullen, kan het verschil worden gecompenseerd door een teveel aan verpleegkundigen A1.
  § 2. [1 In de instellingen die na toepassing van § 1, nog een reserve aan personeelsleden voor reactivering hebben, of indien niet, nog een reserve aan verzorgend personeel, wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor de personeelsnorm zoals bedoeld in artikel 17, bijkomend rekening gehouden [2 ...]2 met het aantal voltijds equivalenten dat maximum gelijk is aan :
   ((aantal patiënten behorend tot de afhankelijkheidscategorie A, die effectief aanwezig zijn [2 in de instelling op 31 maart van de referentie periode]2 en die minstens een (2) scoren voor oriëntatie in tijd en voor oriëntatie in ruimte, zoals bedoeld in artikel 151, § 2, van het hoger genoemd koninklijk besluit van 3 juli 1996) x 0.8 voltijds equivalent personeelslid voor reactivering of verzorgend personeel / 30 patiënten)]1

  
Art.16. [1 § 1er. Dans les institutions qui satisfont aux dispositions de l'article 5, alinéa 2, et pour lesquelles la norme visée à l'article 2 est inférieure à cinq équivalents temps plein dont au moins deux praticiens de l'art infirmier, la base de départ du financement, visé à l'article 17, du personnel normé est fixée à deux équivalents temps plein praticiens de l'art infirmier et trois équivalents temps plein membres du personnel soignant, sauf si la non application de cette règle se révèle plus avantageuse pour l'institution.
  [3 L'alinéa précédent ne s'applique pas aux institutions visées à l'article 19, §§ 1er à 4.]3
   § 2. Dans les institutions qui, au cours de la période de référence, hébergent en moyenne au moins 10 patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 et au moins 40 % de patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 par rapport au nombre moyen de lits agréés, tout en ne disposant pas en moyenne, au cours de la période de référence, d'au moins cinq équivalents temps plein de personnel infirmier, soignant ou de réactivation, salarié ou statutaire, dont au moins deux équivalents temps plein 1,89 équivalents temps plein praticiens de l'art infirmier, le financement, visé à l'article 17, du personnel normé est diminué de 50 %.
   § 3. Dans les institutions qui, au cours de la période de référence, n'hébergent pas en moyenne au moins 10 patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2, ou qui n'hébergent pas en moyenne au moins 40 % de patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 par rapport au nombre moyen de lits agréés, et qui ne disposent pas en moyenne, au cours de la période de référence, d'au moins cinq équivalents temps plein de personnel infirmier, soignant ou de réactivation, salarié ou statutaire, dont au moins deux équivalents temps plein praticiens de l'art infirmier, le financement, visé à l'article 17, du personnel normé est fixé en tenant compte de la moitié du financement de la norme visée à l'article 2 pour les catégories [2 B, C, Cd, Cc et D]2.]1

  
Art.15. In de inrichtingen die niet onder de toepassing vallen van artikel 12 of (artikel 16, § 2), worden een aantal van de verpleegkundigen A1 die de in artikel 2 en 3 bedoelde norm voor verpleegkundigen opvullen, gefinancierd volgens de loonkost van een A1 verpleegkundige. Het aantal verpleegkundigen A1 dat aldus wordt gefinancierd, bedraagt maximum 30 % van de theoretische norm voor verpleegkundigen zoals bedoeld in artikel 9.
Art. 16 _REGION_WALLONNE.    [1 § 1er. Dans les institutions qui satisfont aux dispositions de l'article 5, alinéa 2, et pour lesquelles la norme visée à l'article 2 est inférieure à cinq équivalents temps plein dont au moins deux praticiens de l'art infirmier, la base de départ du financement, visé à l'article 17, du personnel normé est fixée à [4 deux équivalents temps plein ]4 praticiens de l'art infirmier et trois équivalents temps plein membres du personnel soignant, sauf si la non application de cette règle se révèle plus avantageuse pour l'institution.  [3 L'alinéa précédent ne s'applique pas aux institutions visées à l'article 19, §§ 1er à 4.]3   § 2. Dans les institutions qui, au cours de la période de référence, hébergent en moyenne au moins 10 patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 et au moins 40 % de patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 par rapport au nombre moyen de lits agréés, tout en ne disposant pas en moyenne, au cours de la période de référence, d'au moins cinq équivalents temps plein de personnel infirmier, soignant ou de réactivation, salarié ou statutaire, dont au moins [4 deux équivalents temps plein ]4 praticiens de l'art infirmier, le financement, visé à l'article 17, du personnel normé est diminué de 50 %.   § 3. Dans les institutions qui, au cours de la période de référence, n'hébergent pas en moyenne au moins 10 patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2, ou qui n'hébergent pas en moyenne au moins 40 % de patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 par rapport au nombre moyen de lits agréés, et qui ne disposent pas en moyenne, au cours de la période de référence, d'au moins cinq équivalents temps plein de personnel infirmier, soignant ou de réactivation, salarié ou statutaire, dont au moins [4 deux équivalents temps plein ]4 praticiens de l'art infirmier, le financement, visé à l'article 17, du personnel normé est fixé en tenant compte de la moitié du financement de la norme visée à l'article 2 pour les catégories [2 B, C, Cd, Cc et D]2.]1  
Art.16. [1 § 1. In de inrichtingen die voldoen aan de bepalingen van artikel 5, tweede lid, en waar de norm zoals bedoeld in artikel 2 kleiner is dan vijf voltijdse equivalenten waarvan twee verpleegkundigen, wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor het genormeerde personeel zoals bedoeld in artikel 17, uitgegaan van twee voltijds equivalenten verpleegkundigen en drie voltijds equivalenten verzorgingspersoneel, behalve als het niet toepassen van deze regel voordeliger is voor de inrichting.
  [3 Het voorgaande lid is niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in artikel 19, §§ 1 tot en met 4.]3
   § 2. Voor de instellingen die tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens 10 patiënten in de categorie [2 B, C, Cd, Cc en/of D]2 huisvesten en die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld 40 % patiënten huisvesten in de categorie [2 B, C, Cd, Cc en/of D]2 en die tijdens de referentieperiode niet over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens twee voltijds equivalenten verpleegkundigen beschikken, wordt de in artikel 17 bedoelde financiering van het genormeerde personeel verminderd met 50 %.
   § 3. Voor de instellingen die tijdens de referentieperiode gemiddeld geen 10 patiënten in de categorie [2 B, C, Cd, Cc en/of D]2 huisvesten of die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld geen 40 % patiënten huisvesten in de categorie [2 B, C, Cd, Cc en/of D]2 en die tijdens de referentieperiode niet over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens twee voltijds equivalenten verpleegkundigen beschikken, wordt de in artikel 17 bedoelde financiering van het genormeerde personeel bepaald rekening houdende met de helft van de financiering van de norm zoals bedoeld in artikel 2 voor de categorieën [2 B, C, Cd, Cc en D]2.]1

  
Art. 16 _REGION_WALLONNE.
   [1 § 1er. Dans les institutions qui satisfont aux dispositions de l'article 5, alinéa 2, et pour lesquelles la norme visée à l'article 2 est inférieure à cinq équivalents temps plein dont au moins deux praticiens de l'art infirmier, la base de départ du financement, visé à l'article 17, du personnel normé est fixée à [4 deux équivalents temps plein ]4 praticiens de l'art infirmier et trois équivalents temps plein membres du personnel soignant, sauf si la non application de cette règle se révèle plus avantageuse pour l'institution.
  [3 L'alinéa précédent ne s'applique pas aux institutions visées à l'article 19, §§ 1er à 4.]3
   § 2. Dans les institutions qui, au cours de la période de référence, hébergent en moyenne au moins 10 patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 et au moins 40 % de patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 par rapport au nombre moyen de lits agréés, tout en ne disposant pas en moyenne, au cours de la période de référence, d'au moins cinq équivalents temps plein de personnel infirmier, soignant ou de réactivation, salarié ou statutaire, dont au moins [4 deux équivalents temps plein ]4 praticiens de l'art infirmier, le financement, visé à l'article 17, du personnel normé est diminué de 50 %.
   § 3. Dans les institutions qui, au cours de la période de référence, n'hébergent pas en moyenne au moins 10 patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2, ou qui n'hébergent pas en moyenne au moins 40 % de patients classés dans la catégorie [2 B, C, Cd, Cc et/ou D]2 par rapport au nombre moyen de lits agréés, et qui ne disposent pas en moyenne, au cours de la période de référence, d'au moins cinq équivalents temps plein de personnel infirmier, soignant ou de réactivation, salarié ou statutaire, dont au moins [4 deux équivalents temps plein ]4 praticiens de l'art infirmier, le financement, visé à l'article 17, du personnel normé est fixé en tenant compte de la moitié du financement de la norme visée à l'article 2 pour les catégories [2 B, C, Cd, Cc et D]2.]1
Art.16_WAALS_GEWEST.    [1 § 1. In de inrichtingen die voldoen aan de bepalingen van artikel 5, tweede lid, en waar de norm zoals bedoeld in artikel 2 kleiner is dan vijf voltijdse equivalenten waarvan twee verpleegkundigen, wordt bij de bepaling van het te financieren bedrag voor het genormeerde personeel zoals bedoeld in artikel 17, uitgegaan van [4 1,89 voltijds equivalent]4verpleegkundigen en drie voltijds equivalenten verzorgingspersoneel, behalve als het niet toepassen van deze regel voordeliger is voor de inrichting.  [3 Het voorgaande lid is niet van toepassing op de inrichtingen bedoeld in artikel 19, §§ 1 tot en met 4.]3   § 2. Voor de instellingen die tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens 10 patiënten in de categorie [2 B, C, Cd, Cc en/of D]2 huisvesten en die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld 40 % patiënten huisvesten in de categorie [2 B, C, Cd, Cc en/of D]2 en die tijdens de referentieperiode niet over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens [4 1,89 voltijds equivalent]4verpleegkundigen beschikken, wordt de in artikel 17 bedoelde financiering van het genormeerde personeel verminderd met 50 %.   § 3. Voor de instellingen die tijdens de referentieperiode gemiddeld geen 10 patiënten in de categorie [2 B, C, Cd, Cc en/of D]2 huisvesten of die minstens t.o.v. het gemiddeld aantal erkende bedden gemiddeld geen 40 % patiënten huisvesten in de categorie [2 B, C, Cd, Cc en/of D]2 en die tijdens de referentieperiode niet over minstens vijf voltijdse equivalenten van loontrekkend of statutair personeel, verpleegkundigen, verzorgenden of personeel voor reactivering, waarvan minstens [4 1,89 voltijds equivalent]4verpleegkundigen beschikken, wordt de in artikel 17 bedoelde financiering van het genormeerde personeel bepaald rekening houdende met de helft van de financiering van de norm zoals bedoeld in artikel 2 voor de categorieën [2 B, C, Cd, Cc en D]2.]1  
Art.18. § 1er. (Le montant par jour et par bénéficiaire visé à l'article 17 est adapté lorsque dans l'institution, durant la période de référence ou durant la période qui se situe entre la période de référence et la période de facturation, survient une modification de l'agrément des lits.
  Le montant de l'adaptation est égal à :
  ((nombre de lits MRS après adaptation / nombre total de lits après adaptation) - (nombre de lits MRS avant adaptation / nombre total de lits avant adaptation)) x [2 19,43 euros]2 x ((nombre de jours entre la date de début de la période de référence et la date de l'adaptation avec au maximum le nombre de jours calendrier pendant la période de facturation) / le nombre de jours de la période de facturation) +
  ((nombre de lits court séjour après adaptation / nombre total de lits après adaptation) - (nombre de lits court séjour avant adaptation / nombre total de lits avant adaptation)) x 5,05 euros x ((nombre de jours entre la date de début de la période de référence et la date de l'adaptation avec au maximum le nombre de jours calendrier pendant la période de facturation) / le nombre de jours de la période de facturation).)
  § 2. (Le montant par jour et par bénéficiaire visé à l'article 17 est adapté lorsque durant la période de facturation, survient une modification de l'agrément des lits. Cette adaptation a lieu dès que cette modification se produit.
  Le montant de l'adaptation est égal à :
  ((nombre de lits MRS après adaptation / nombre total de lits après adaptation) - (nombre de lits MRS avant adaptation / nombre total de lits avant adaptation)) x [2 19,43 euros]2 +
  ((nombre de lits court séjour après adaptation / nombre total de lits après adaptation) - (nombre de lits court séjour avant adaptation / nombre total de lits avant adaptation)) x 5,05 euros.)
  (§ 3. Pour déterminer le montant par jour et par bénéficiaire visé à l'[1 article 6]1 dans les institutions issues d'une reprise, d'une fusion, d'une scission ou d'un transfert de l'exploitation sur un autre site, le Service :
  1° soit reprend les données, visées à l'article 33, de l'institution antérieure pendant la période de référence (dans le cas d'une reprise ou d'un transfert de l'exploitation sur un autre site);
  2° soit additionne les données, visées à l'article 33, des institutions antérieures pendant la période de référence (dans le cas d'une fusion ou de la reprise d'un établissement par un autre);
  3° soit demande aux institutions visées de répartir sur la période de référence les données, visées à l'article 33, de l'institution antérieure, entre les institutions qui résultent de la scission, au prorata du nombre de lits de chacune d'elles, de telle manière que la combinaison qui paraît la plus favorable aux institutions en cause soit retenue (dans le cas d'une scission).)
  
Art.17. Het basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel is gelijk aan :
  (de som van het aantal voltijds equivalenten in een bepaalde kwalificatie x de loonkost van deze kwalificatie).
  waarbij :
  - het aantal voltijds equivalenten wordt bepaald in toepassing van de artikelen 8, 9, 11, 14, 15 en 16.
  - de loonkost wordt bepaald in toepassing van de artikelen 13 en 16, § 2.
  Dit bedrag wordt desgevallend verminderd volgens de bepalingen van artikel 12, tenzij in geval van toepassing van de bepalingen van artikel 16, § 2 of § 3.
  Het bedrag van de financiering van het genormeerde personeel per dag en per rechthebbende bedraagt :
  (Basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel/aantal verblijfdagen voor de patiënten in de referentieperiode)
  In afwijking van de bepalingen van het vorige lid, bedraagt het bedrag per dag en per rechthebbende van de financiering van het genormeerde personeel voor de inrichtingen waarop artikel 19 of artikel 37bis van toepassing is :
  ((Basisbedrag van de financiering van het genormeerde personeel/aantal verblijfdagen voor de patiënten in de referentieperiode bedoeld in artikel 19 of artikel 37bis ) x (aantal kalenderdagen in de referentieperiode bedoeld in artikel 19 of artikel 37bis /365))
Art. 18 _REGION_FLAMANDE.    § 1er. (Le montant par jour et par bénéficiaire visé à l'article 17 est adapté lorsque dans l'institution, durant la période de référence ou durant la période qui se situe entre la période de référence et la période de facturation, survient une modification de l'agrément des lits.  Le montant de l'adaptation est égal à :  ((nombre de lits MRS après adaptation / nombre total de lits après adaptation) - (nombre de lits MRS avant adaptation / nombre total de lits avant adaptation)) x [2 [3 15,08 euros]3]2 x ((nombre de jours entre la date de début de la période de référence et la date de l'adaptation avec au maximum le nombre de jours calendrier pendant la période de facturation) / le nombre de jours de la période de facturation) +  ((nombre de lits court séjour après adaptation / nombre total de lits après adaptation) - (nombre de lits court séjour avant adaptation / nombre total de lits avant adaptation)) x 5,05 euros x ((nombre de jours entre la date de début de la période de référence et la date de l'adaptation avec au maximum le nombre de jours calendrier pendant la période de facturation) / le nombre de jours de la période de facturation).)   § 2. (Le montant par jour et par bénéficiaire visé à l'article 17 est adapté lorsque durant la période de facturation, survient une modification de l'agrément des lits. Cette adaptation a lieu dès que cette modification se produit.  Le montant de l'adaptation est égal à :  ((nombre de lits MRS après adaptation / nombre total de lits après adaptation) - (nombre de lits MRS avant adaptation / nombre total de lits avant adaptation)) x [2 [3 15,08 euros]3]2 +  ((nombre de lits court séjour après adaptation / nombre total de lits après adaptation) - (nombre de lits court séjour avant adaptation / nombre total de lits avant adaptation)) x 5,05 euros.)   (§ 3. Pour déterminer le montant par jour et par bénéficiaire visé à l'[1 article 6]1 dans les institutions issues d'une reprise, d'une fusion, d'une scission ou d'un transfert de l'exploitation sur un autre site, le Service :  1° soit reprend les données, visées à l'article 33, de l'institution antérieure pendant la période de référence (dans le cas d'une reprise ou d'un transfert de l'exploitation sur un autre site);  2° soit additionne les données, visées à l'article 33, des institutions antérieures pendant la période de référence (dans le cas d'une fusion ou de la reprise d'un établissement par un autre);  3° soit demande aux institutions visées de répartir sur la période de référence les données, visées à l'article 33, de l'institution antérieure, entre les institutions qui résultent de la scission, au prorata du nombre de lits de chacune d'elles, de telle manière que la combinaison qui paraît la plus favorable aux institutions en cause soit retenue (dans le cas d'une scission).)   
Art.18. § 1. (Het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in artikel 17 wordt aangepast indien in de inrichting, tijdens de referentieperiode of tijdens de periode die zich situeert tussen de referentie- en de factureringsperiode, een wijziging van de erkende bedden plaatsvindt.
  Het bedrag van de aanpassing is gelijk aan :
  ((aantal RVT-bedden na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal RVT-bedden voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x [2 19,43 euro]2 x ((aantal dagen tussen de begindatum van de referentieperiode en de datum van de aanpassing met een maximum van het aantal kalenderdagen in de factureringsperiode) / aantal dagen in de factureringsperiode) +
  ((aantal bedden kortverblijf na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal bedden kortverblijf voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x 5,05 euro x ((aantal dagen tussen de begindatum van de referentieperiode en de datum van de aanpassing met een maximum van het aantal kalenderdagen in de factureringsperiode) / aantal dagen in de factureringsperiode).)
  § 2. (Het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in artikel 17 wordt aangepast indien tijdens de factureringsperiode een wijziging van de erkende bedden plaatsvindt. Deze aanpassing gebeurt van zodra deze wijziging plaatsvindt.
  Het bedrag van de aanpassing is gelijk aan :
  ((aantal RVT-bedden na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal RVT-bedden voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x [2 19,43 euro]2 +
  ((aantal bedden kortverblijf na aanpassing / totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal bedden kortverblijf voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x 5,05 euro)
  (§ 3. Om het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in [1 artikel 6]1 te berekenen in de inrichtingen die uit een overname, een fusie, een splitsing of een exploitatietransfer op een andere locatie ontstaan zijn, doet de Dienst :
  1° ofwel neemt hij tijdens de referentieperiode de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichting over (in geval van een overname of een exploitatietransfer op een andere locatie);
  2° ofwel voegt hij tijdens de referentieperiode de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichtingen toe (in geval van een fusie of de overname van een inrichting door een andere inrichting);
  3° ofwel vraagt hij aan de bedoelde inrichtingen om de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichting over de referentieperiode uit te splitsen tussen de inrichtingen die uit de splitsing zijn ontstaan naar rata van het aantal bedden van elke inrichting, zodat de combinatie die voor de desbetreffende inrichtingen de meest gunstige blijkt te zijn, in aanmerking wordt genomen (in geval van een splitsing).)
  
Art.19. § 1er. [2 Le montant de l'allocation complète par bénéficiaire et par jour]2 pour une nouvelle institution agréée entre le 1er juillet et le 30 septembre s'élève à :
  a) pour la période allant de la date d'agrément au 31 mars de l'année qui suit, ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) pour le reste de la période de facturation (du 1er avril de l'année qui suit jusqu'au 31 décembre), ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au quatrième trimestre;
  c) le montant de la période de facturation qui suit est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au quatrième trimestre et aux premier et deuxième trimestres de l'année qui suit.
  § 2. [2 Le montant de l'allocation complète par bénéficiaire et par jour]2 pour une nouvelle institution agréée entre le 1er octobre et le 31 décembre s'élève à :
  a) pour la période allant de la date d'agrément au 30 juin de l'année qui suit, ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) pour le reste de la période de facturation (du 1er juillet de l'année qui suit jusqu'au 31 décembre) ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au premier trimestre;
  c) le montant de la période de facturation qui suit est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond aux premier et deuxième trimestres de l'année qui suit celle de l'agrément.
  § 3. [2 Le montant de l'allocation complète par bénéficiaire et par jour]2 pour une nouvelle institution agréée entre le 1er janvier et le 31 mars s'élève à :
  a) pour la période allant de la date d'agrément au 30 septembre suivant, ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) pour le reste de la période de facturation (du 1er octobre au 31 décembre) ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au (deuxième trimestre (c'est-à-dire le trimestre qui suit celui de l'agrément));
  c) le montant de la période de facturation qui suit est calculé selon les dispositions des articles 8. à 16, où la période de référence correspond au (deuxième trimestre (c'est-à-dire le trimestre qui suit celui de l'agrément)).
  § 4. [2 Le montant de l'allocation complète par bénéficiaire et par jour]2 pour une nouvelle institution agréée entre le 1er avril et le 30 juin s'élève à :
  a) pour la période allant de la date de l'agrément à la fin de la période de facturation en cours (31 décembre) ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) le montant de la période de facturation qui suit est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au troisième trimestre (c'est-à-dire le trimestre qui suit celui de l'agrément).
  [1 § 5. Une régularisation financière est déterminée pour la période allant de la date de l'agrément au second trimestre suivant le trimestre de l'agrément inclus.
   Le calcul du montant de cette régularisation financière s'effectue comme suit :
   a) [2 le montant de l'allocation complète par bénéficiaire]2 est calculé suivant les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au trimestre de l'agrément et aux deux trimestres qui suivent le trimestre de l'agrément;
   b) la différence entre [2 ce montant]2 et le montant mentionné au point a) des §§ 1er à 4 est le montant de la régularisation financière.
   Le montant de la régularisation financière est calculé au plus tard le dernier jour du quatrième trimestre qui suit le trimestre de l'agrément.
   En cas de différence négative, cette régularisation financière n'est pas exécutée pour les institutions agréées avant le 1er novembre 2010.]1

  
Art. 18_VLAAMS_GEWEST.    § 1. (Het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in artikel 17 wordt aangepast indien in de inrichting, tijdens de referentieperiode of tijdens de periode die zich situeert tussen de referentie- en de factureringsperiode, een wijziging van de erkende bedden plaatsvindt.
  Het bedrag van de aanpassing is gelijk aan :
  ((aantal RVT-bedden na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal RVT-bedden voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x [2 [3 15,08 euro]3]2 x ((aantal dagen tussen de begindatum van de referentieperiode en de datum van de aanpassing met een maximum van het aantal kalenderdagen in de factureringsperiode) / aantal dagen in de factureringsperiode) +
  ((aantal bedden kortverblijf na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal bedden kortverblijf voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x 5,05 euro x ((aantal dagen tussen de begindatum van de referentieperiode en de datum van de aanpassing met een maximum van het aantal kalenderdagen in de factureringsperiode) / aantal dagen in de factureringsperiode).)
  § 2. (Het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in artikel 17 wordt aangepast indien tijdens de factureringsperiode een wijziging van de erkende bedden plaatsvindt. Deze aanpassing gebeurt van zodra deze wijziging plaatsvindt.
  Het bedrag van de aanpassing is gelijk aan :
  ((aantal RVT-bedden na aanpassing/totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal RVT-bedden voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x [2 [3 15,08 euro]3]2 +
  ((aantal bedden kortverblijf na aanpassing / totaal aantal bedden na aanpassing) - (aantal bedden kortverblijf voor aanpassing / totaal aantal bedden voor aanpassing)) x 5,05 euro)
  (§ 3. Om het bedrag per dag en per rechthebbende zoals bedoeld in [1 artikel 6]1 te berekenen in de inrichtingen die uit een overname, een fusie, een splitsing of een exploitatietransfer op een andere locatie ontstaan zijn, doet de Dienst :
  1° ofwel neemt hij tijdens de referentieperiode de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichting over (in geval van een overname of een exploitatietransfer op een andere locatie);
  2° ofwel voegt hij tijdens de referentieperiode de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichtingen toe (in geval van een fusie of de overname van een inrichting door een andere inrichting);
  3° ofwel vraagt hij aan de bedoelde inrichtingen om de gegevens, bedoeld in artikel 33, van de vroegere inrichting over de referentieperiode uit te splitsen tussen de inrichtingen die uit de splitsing zijn ontstaan naar rata van het aantal bedden van elke inrichting, zodat de combinatie die voor de desbetreffende inrichtingen de meest gunstige blijkt te zijn, in aanmerking wordt genomen (in geval van een splitsing).)
Art. 19. § 1er. [2 Le montant de l'allocation complète par bénéficiaire et par jour]2 pour une nouvelle institution agréée entre le 1er juillet et le 30 septembre s'élève à :
  a) pour la période allant de la date d'agrément au 31 mars de l'année qui suit, ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) pour le reste de la période de facturation (du 1er avril de l'année qui suit jusqu'au 31 décembre), ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au quatrième trimestre;
  c) le montant de la période de facturation qui suit est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au quatrième trimestre et aux premier et deuxième trimestres de l'année qui suit.
  § 2. [2 Le montant de l'allocation complète par bénéficiaire et par jour]2 pour une nouvelle institution agréée entre le 1er octobre et le 31 décembre s'élève à :
  a) pour la période allant de la date d'agrément au 30 juin de l'année qui suit, ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) pour le reste de la période de facturation (du 1er juillet de l'année qui suit jusqu'au 31 décembre) ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au premier trimestre;
  c) le montant de la période de facturation qui suit est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond aux premier et deuxième trimestres de l'année qui suit celle de l'agrément.
  § 3. [2 Le montant de l'allocation complète par bénéficiaire et par jour]2 pour une nouvelle institution agréée entre le 1er janvier et le 31 mars s'élève à :
  a) pour la période allant de la date d'agrément au 30 septembre suivant, ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) pour le reste de la période de facturation (du 1er octobre au 31 décembre) ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au (deuxième trimestre (c'est-à-dire le trimestre qui suit celui de l'agrément));
  c) le montant de la période de facturation qui suit est calculé selon les dispositions des articles 8. à 16, où la période de référence correspond au (deuxième trimestre (c'est-à-dire le trimestre qui suit celui de l'agrément)).
  § 4. [2 Le montant de l'allocation complète par bénéficiaire et par jour]2 pour une nouvelle institution agréée entre le 1er avril et le 30 juin s'élève à :
  a) pour la période allant de la date de l'agrément à la fin de la période de facturation en cours (31 décembre) ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) le montant de la période de facturation qui suit est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au troisième trimestre (c'est-à-dire le trimestre qui suit celui de l'agrément).
  [1 § 5. Une régularisation financière est déterminée pour la période allant de la date de l'agrément au second trimestre suivant le trimestre de l'agrément inclus.
   Le calcul du montant de cette régularisation financière s'effectue comme suit :
   a) [2 le montant de l'allocation complète par bénéficiaire]2 est calculé suivant les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au trimestre de l'agrément et aux deux trimestres qui suivent le trimestre de l'agrément;
   b) la différence entre [2 ce montant]2 et le montant mentionné au point a) des §§ 1er à 4 est le montant de la régularisation financière.
   Le montant de la régularisation financière est calculé au plus tard le dernier jour du quatrième trimestre qui suit le trimestre de l'agrément.
   En cas de différence négative, cette régularisation financière n'est pas exécutée pour les institutions agréées avant le 1er novembre 2010.]1

  
Art.19.§ 1. [2 Het bedrag van de volledige tegemoetkoming per rechthebbende en per dag]2 voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 juli en 30 september bedraagt :
Art.20. Lorsqu'une institution [1 ne présente pas de déficit de personnel comme visé aux articles 12 ou 16, § 2]1, et lorsque le coût salarial total des praticiens de l'art infirmier, du personnel de réactivation et du personnel soignant, calculé en fonction du coût visé à l'article 13, est supérieur au montant de base du financement, visé à l'article 17 ou 19, du personnel normé, une intervention supplémentaire est fixée à titre d'incitant pour des efforts supplémentaires au niveau des soins, à condition que :
Sectie 2. - Deel A2 : tegemoetkoming als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen.
Art. 20. Lorsqu'une institution [1 ne présente pas de déficit de personnel comme visé aux articles 12 ou 16, § 2]1, et lorsque le coût salarial total des praticiens de l'art infirmier, du personnel de réactivation et du personnel soignant, calculé en fonction du coût visé à l'article 13, est supérieur au montant de base du financement, visé à l'article 17 ou 19, du personnel normé, une intervention supplémentaire est fixée à titre d'incitant pour des efforts supplémentaires au niveau des soins, à condition que :
Art.20. Indien een inrichting [1 geen personeelstekort, zoals bedoeld in de artikelen 12 of 16, § 2, vertoont]1, en indien de totale loonkost van de verpleegkundigen, het personeel voor reactivering en het verzorgingspersoneel, berekend volgens de kost zoals bedoeld in artikel 13, hoger is dan het basisbedrag voor de in artikel 17 of 19 bedoelde financiering van het genormeerde personeel, wordt een bijkomende tegemoetkoming bepaald als aanmoediging voor bijkomende zorginspanningen, op voorwaarde dat :
  (kostprijs aanwezig personeel - kostprijs gefinancierd personeel) groter is of gelijk aan 40.000 euro
  en dat :
  ((kostprijs aanwezig personeel - kostprijs gefinancierd personeel)/kostprijs gefinancierd personeel) groter is of gelijk aan 4 %
  waarbij :
  - de kostprijs van het aanwezig personeel overeenstemt met de loonkost per kwalificatie zoals bedoeld in artikel 13, vermenigvuldigd met het aantal voltijds equivalenten per kwalificatie;
  - de kostprijs van het gefinancierd personeel overeenstemt met het basisbedrag voor de financiering van het genormeerde personeel zoals bedoeld in artikel 17 of 19.
  De tegemoetkoming bedraagt dan (78 %) van (de kostprijs van aanwezig personeel - kostprijs van gefinancierd personeel) met een maximum van (9,74 %) van de kostprijs van het gefinancierd personeel.
  Het bedrag van de tegemoetkoming per dag en per rechthebbende bedraagt :
  (Totaal bedrag van de tegemoetkoming/aantal verblijfdagen voor de patiënten in de referentieperiode).
  In afwijking van de bepalingen van het vorige lid, bedraagt het bedrag per dag en per rechthebbende voor de inrichtingen waarop artikel 19 of artikel 37bis van toepassing is :
  ((Totaal bedrag van de tegemoetkoming/aantal verblijfdagen voor de patiënten in de referentieperiode bedoeld in artikel 19 of artikel 37bis ) x (aantal kalenderdagen in de referentieperiode bedoeld in artikel 19 of artikel 37bis /365))
  
Art. 20bis. [1 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire s'élève à partir du 1er avril 2014 à :
   [(109,63 euros x nombre moyen total d'ETP d'aides-soignants salariés ou statutaires présents dans l'institution pendant la période de référence)/nombre de journées d'hébergement des patients pendant la période de référence]
   Entre le 1er avril 2014 et le 31 décembre 2014, ce montant de 109,63 euros est augmenté d'un montant de rattrapage de 36,54 euros.
   Pour obtenir ces montants, les institutions doivent accorder à tous les membres de leur personnel soignant qui disposent d'un enregistrement définitif ou provisoire comme aides-soignants l'avantage visé à l'article 30, 8°, à partir du 1er janvier 2013.]1

  
Sectie 2bis. [1 - Deel A3 : tegemoetkoming bedoeld om de harmonisering van de barema's te dekken voor alle leden van het verzorgingspersoneel die beschikken over de kwalificatie van zorgkundige]1
Art. 20bis. [1 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire s'élève à partir du 1er avril 2014 à :
Art. 20bis. [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende bedraagt vanaf 1 april 2014 :
   [(109,63 euro x gemiddeld totaal aantal loontrekkend of statutair VTE zorgkundigen aanwezig in de instelling tijdens de referentieperiode)/aantal verblijfsdagen van de patiënten gedurende de referentieperiode]
   Het bedrag van 109,63 euro wordt van 1 april 2014 tot 31 december 2014 verhoogd met een inhaalbedrag van 36,54 euro.
   Om deze bedragen te bekomen moeten de instellingen het voordeel beoogd in artikel 30, 8° vanaf 1 januari 2013 toekennen aan al de leden van hun verzorgend personeel dat over een definitieve of voorlopige erkenning als zorgkundige beschikt.]1

  
Art. 20ter. _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. L'institution peut recourir à du personnel d'appui supplémentaire, salarié ou statutaire, qui dispose de la qualification d'éducateur A2 ou d'aide-logistique dans une unité de soins ou de résidence. Cette dernière qualification correspond au descriptif de fonction IF-IC " 6071-Aide logistique dans une unité de soins ou de résidence ".
   Le nombre d'équivalents temps plein du personnel d'appui supplémentaire peut être de 0,1 par trente patients présents en moyenne dans la période de référence.
   § 2. Le coût salarial par qualification est fixé comme suit :
   1° pour un éducateur A2, le montant est de 66.621,04 euros;
   2° pour une aide logistique dans une unité de soins ou de résidence, le montant est de 55.226,21 euros.
   Ce coût salarial comprend tous les éléments repris à l'article 7, § 3. Le Service calcule le niveau d'encadrement, en ETP, auquel peut prétendre l'institution pendant la période de référence de la manière suivante :
   1° pour chaque qualification, le nombre d'ETP est calculé conformément à l'article 8;
   2° l'ETP financé dans la qualification éducateur A2 correspond au maximum entre l'ETP présent dans la qualification éducateur A2, et l'ETP visé au paragraphe 1er;
   3° l'ETP financé dans la qualification Aide logistique dans une unité de soins ou de résidence correspond au maximum entre l'ETP présent dans la qualification Aide logistique dans une unité de soins ou de résidence, et l'ETP visé au paragraphe 1er diminué de l'ETP déjà financé dans la qualification éducateur A2.
   Le montant du financement du personnel d'appui supplémentaire est égal à la somme des ETP financés dans chaque qualification multipliée par le coût salarial de la qualification correspondante divisé par le nombre de jours d'hébergement pour les patients durant la période de référence. ]1

  
Sectie 2ter. [1 Deel A4: financiering van het bijkomend ondersteunend personeel ]1
Art. 20ter. _REGION_WALLONNE. [1 § 1er. L'institution peut recourir à du personnel d'appui supplémentaire, salarié ou statutaire, qui dispose de la qualification d'éducateur A2 ou d'aide-logistique dans une unité de soins ou de résidence. Cette dernière qualification correspond au descriptif de fonction IF-IC " 6071-Aide logistique dans une unité de soins ou de résidence ".
Art.20ter.[1 . § 1. De instelling kan beroep doen op bijkomend ondersteunend personeel, in loontrekkend of statutair personeel, dat gekwalificeerd is als A2-opvoeder of logistiek assistent in een zorg- of wooneenheid. Deze laatste kwalificatie komt overeen met de IF-IC functiebeschrijving "6071-Logistiek medewerker in een zorg- of wooneenheid".
Art.21.[1 L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour le matériel de soins visé à l'article 147, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité s'élève à :
Sectie 3. - (Deel B1 : de financiering voor het verzorgingsmaterieel)
Art. 21.[1 L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour le matériel de soins visé à l'article 147, §§ 1er et 2, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité s'élève à :
Art.21. [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor het verzorgingsmateriaal, bedoeld in artikel 147, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996 bedraagt :
   [(0,13 euro x aantal patiënten Cat 0) + (0,26 euro x aantal patiënten Cat A) + (0,39 euro x aantal patiënten Cat B) + (0,53 euro x aantal patiënten Cat C en Cat Cd) + (8,60euro x aantal patiënten Cat Cc)]+ (0,39 euro x aantal patiënten Cat D)]/ het aantal patiënten.]1

  
Art. 21bis. L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales s'élève à 0,054 euro.
  L'institution doit pouvoir donner la preuve qu'elle applique des directives internes et qu'elle fait régulièrement usage de produits et de matériel menant à une meilleure hygiène, notamment des mains, afin de prévenir les maladies nosocomiales. L'utilisation correcte, conformément à ces directives, de ces produits et de ce matériel, est une condition d'octroi de l'allocation forfaitaire visée au présent chapitre.
  [1 L'institution a droit à cette intervention à partir du premier jour du trimestre au cours duquel elle satisfait aux conditions visées à l'alinéa précédent.]1
  
Sectie 3bis. - Deel B2 : de financiering voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten.
Art. 21bis_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.&nbsp;&nbsp; L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales s'élève à [2 0,17 euro]2.&nbsp;&nbsp;L'institution doit pouvoir donner la preuve qu'elle applique des directives internes et qu'elle fait régulièrement usage de produits et de matériel menant à une meilleure hygiène, notamment des mains, afin de prévenir les maladies nosocomiales. L'utilisation correcte, conformément à ces directives, de ces produits et de ce matériel, est une condition d'octroi de l'allocation forfaitaire visée au présent chapitre.&nbsp;&nbsp;[1 L'institution a droit à cette intervention à partir du premier jour du trimestre au cours duquel elle satisfait aux conditions visées à l'alinéa précédent.]1&nbsp;&nbsp;
Art. 21bis. <INGEVOEGD bij MB 2008-07-04/33, art. 6; Inwerkingtreding : 01-07-2008> De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten bedraagt 0,054 euro.
  De instelling moet het bewijs kunnen geven dat het interne richtlijnen hanteert en dat er regelmatig gebruik is van producten en materieel dat leidt tot een betere hygiëne, in het bijzonder van de handen, ter voorkoming van nosocomiale ziekten. Het correcte gebruik, overeenkomstig de richtlijnen, van deze producten en dit materieel, is een voorwaarde voor de toekenning van de tegemoetkoming zoals bedoeld in dit hoofdstuk.
  [1 De inrichting heeft recht op deze tegemoetkoming vanaf de eerste dag van het trimester waarin de inrichting voldoet aan de voorwaarden bedoeld in vorig lid.]1
  
Art. 21bis _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales s'élève à [2 0,17 euro]2.
  L'institution doit pouvoir donner la preuve qu'elle applique des directives internes et qu'elle fait régulièrement usage de produits et de matériel menant à une meilleure hygiène, notamment des mains, afin de prévenir les maladies nosocomiales. L'utilisation correcte, conformément à ces directives, de ces produits et de ce matériel, est une condition d'octroi de l'allocation forfaitaire visée au présent chapitre.
  [1 L'institution a droit à cette intervention à partir du premier jour du trimestre au cours duquel elle satisfait aux conditions visées à l'alinéa précédent.]1
Art. 21bis_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.&nbsp;&nbsp; De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor producten en materiaal ter voorkoming van nosocomiale ziekten bedraagt [2 0,17 euro]2.&nbsp;&nbsp;De instelling moet het bewijs kunnen geven dat het interne richtlijnen hanteert en dat er regelmatig gebruik is van producten en materieel dat leidt tot een betere hygiëne, in het bijzonder van de handen, ter voorkoming van nosocomiale ziekten. Het correcte gebruik, overeenkomstig de richtlijnen, van deze producten en dit materieel, is een voorwaarde voor de toekenning van de tegemoetkoming zoals bedoeld in dit hoofdstuk.&nbsp;&nbsp;[1 De inrichting heeft recht op deze tegemoetkoming vanaf de eerste dag van het trimester waarin de inrichting voldoet aan de voorwaarden bedoeld in vorig lid.]1&nbsp;&nbsp;
Art.22.[1 L'intervention de l'assurance soins de santé, destinée à financer la formation et la sensibilisation aux soins palliatifs de l'ensemble du personnel des institutions, est fixée à 0,27 euro par journée et par bénéficiaire hébergé classé dans les catégories de dépendance B, C, Cd ou Cc visées aux articles 148 et 150 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
Sectie 4. - Deel C : de financiering van de palliatieve functie.
Art.24. Pour bénéficier de l'intervention visée à l'article 22, alinéa 1er, les institutions susvisées doivent satisfaire aux conditions suivantes :
Art.22. [1 De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging, die bestemd is voor de financiering van de opleiding en de sensibilisatie voor de palliatieve verzorging van al het personeel van de inrichtingen, wordt vastgesteld op 0,27 euro per dag en per opgenomen rechthebbende die gerangschikt is in de afhankelijkheidscategorieën B, C, Cd of Cc bedoeld in de artikelen 148 en 150 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.
   Die tegemoetkoming wordt verleend aan de rust- en verzorgingstehuizen, aan de rustoorden voor bejaarden met een afdeling die een bijzondere erkenning van " rust- en verzorgingstehuis " heeft, en aan de rustoorden voor bejaarden die tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens 25 patiënten in de categorieën B, C, Cd en/of Cc huisvesten, die minstens 40 % uitmaken van het aantal erkende bedden in de referentieperiode.
   De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende bedraagt :
   [(0,27 euro x aantal patiënten B, C, Cd, Cc)/totale aantal patiënten]. ]1
Art.23.Met die tegemoetkoming organiseren de voormelde inrichtingen een continue opleiding voor hun personeel, waarvan het totale aantal uren over een jaar dat hierna " schooljaar " [van 1 september tot 31 augustus] wordt genoemd, minstens gelijk is aan het aantal [2 rechthebbenden B, C, Cd of Cc ]2 die op de vorige 30 juni in de inrichting waren opgenomen.
  Rekening houdende met de prioriteiten die ze zelf vaststellen, organiseren de voormelde inrichtingen die opleiding [1 bij voorkeur voor al hun personeel, maar minstens voor het zorgpersoneel]1. Ze zien er in het bijzonder op toe dat die opleiding wordt gegeven door personen die hooggeschoold zijn op het vlak van de palliatieve verzorging.
  Wanneer verscheidene personeelsleden van dezelfde inrichting tegelijkertijd dezelfde opleiding volgen, wordt bij de eindafrekening het aantal uren bepaald op basis van het aantal personeelsleden dat deze vorming heeft gevolgd, met een maximum van 10 personeelsleden per uur vorming.
  
Art. 23. Au moyen de cette intervention, les institutions susvisées organisent une formation continue de leur personnel dont le nombre total d'heures sur une année dite ci-après " scolaire " [allant du 1er septembre au 31 août] est au moins égal au nombre de [2 bénéficiaires B, C, Cd ou Cc]2 hébergés dans l'institution au 30 juin précédent.
  Les institutions susvisées organisent cette formation [1 de préférence pour l'ensemble de leur personnel, et au moins pour leur personnel de soins]1, en fonction des priorités qu'elles déterminent elles-mêmes. Elles veillent en particulier à ce que cette formation soit dispensée par des personnes hautement qualifiées dans le domaine des soins palliatifs.
  Lorsque plusieurs membres du personnel de la même institution suivent la même formation en même temps, le décompte final des heures de formation à organiser par l'institution s'effectue en tenant compte du nombre de membres du personnel qui ont suivi cette formation, avec un maximum de 10 personnes par heure de formation.
  
Art.24. Om de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 22, eerste lid, te genieten, moeten de voormelde inrichtingen de volgende voorwaarden vervullen :
  1° het opstellen van een intentieverklaring waarin het beleid wordt beschreven dat de inrichting van plan is te volgen op het vlak van de palliatieve verzorging. Die verklaring wordt op grote schaal verspreid en wordt ten minste aan de Dienst, aan elk personeelslid, alsook aan de opgenomen patiënten bezorgd. De nieuwe inrichtingen stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen de zes maanden na hun erkenning;
  2° het aanwijzen van een verantwoordelijke voor de organisatie binnen de inrichting van de palliatieve verzorging en van de opleiding van het personeel in de cultuur van de palliatieve verzorging. In de rust- en verzorgingstehuizen is die verantwoordelijke persoon normaliter de coördinerend en adviserend geneesheer of de hoofdverpleegkundige. In de rustoorden voor bejaarden is die verantwoordelijke persoon bij voorkeur een verpleegkundige of een lid van het geschoold personeel dat al een zekere ervaring op dat vlak bezit;
  3° voor de rustoorden voor bejaarden die geen sectie hebben met een bijzondere erkenning voor " rust- en verzorgingstehuizen " : het sluiten van een overeenkomst die minstens voorziet in een periodiek overleg, met een regionale vereniging die zich met palliatieve verzorging bezighoudt, binnen de zes maanden na hun erkenning.
  [1 De inrichting heeft recht op de bedoelde in artikel 22 tegemoetkoming vanaf de eerste dag van het trimester waarin de inrichting voldoet aan de voorwaarden bedoeld in vorig lid.]1
  
Art. 24. Pour bénéficier de l'intervention visée à l'article 22, alinéa 1er, les institutions susvisées doivent satisfaire aux conditions suivantes :
  1° élaborer une déclaration d'intention dans laquelle est décrite la politique que l'institution entend suivre en matière de soins palliatifs. Cette déclaration fait l'objet d'une large diffusion et est transmise à tout le moins au Service, à chaque membre du personnel, ainsi qu'aux patients hébergés. Les nouvelles institutions élaborent et diffusent cette déclaration au cours des six mois qui suivent leur agrément;
  2° désigner un responsable de l'organisation, au sein de l'institution, des soins palliatifs et de la formation du personnel à la culture des soins palliatifs. Dans les maisons de repos et de soins, ce responsable est normalement le médecin coordinateur et conseiller ou l'infirmier en chef. Dans les maisons de repos pour personnes âgées, ce responsable est de préférence un praticien de l'art infirmier ou un membre du personnel qualifié jouissant déjà d'une certaine expérience en la matière;
  3° pour les maisons de repos pour personnes âgées qui ne comportent pas de section bénéficiant d'un agrément spécial " maison de repos et de soins " : conclure avec une association régionale consacrée aux soins palliatifs une convention prévoyant au moins une concertation périodique, dans les six mois qui suivent leur agrément.
  [1 L'institution a droit à l'intervention visée à l'article 22 à partir du premier jour du trimestre au cours duquel elle satisfait aux conditions visées à l'alinéa précédent.]1
  
Art. 24. Om de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 22, eerste lid, te genieten, moeten de voormelde inrichtingen de volgende voorwaarden vervullen :
  1° het opstellen van een intentieverklaring waarin het beleid wordt beschreven dat de inrichting van plan is te volgen op het vlak van de palliatieve verzorging. Die verklaring wordt op grote schaal verspreid en wordt ten minste aan de Dienst, aan elk personeelslid, alsook aan de opgenomen patiënten bezorgd. De nieuwe inrichtingen stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen de zes maanden na hun erkenning;
  2° het aanwijzen van een verantwoordelijke voor de organisatie binnen de inrichting van de palliatieve verzorging en van de opleiding van het personeel in de cultuur van de palliatieve verzorging. In de rust- en verzorgingstehuizen is die verantwoordelijke persoon normaliter de coördinerend en adviserend geneesheer of de hoofdverpleegkundige. In de rustoorden voor bejaarden is die verantwoordelijke persoon bij voorkeur een verpleegkundige of een lid van het geschoold personeel dat al een zekere ervaring op dat vlak bezit;
  3° voor de rustoorden voor bejaarden die geen sectie hebben met een bijzondere erkenning voor " rust- en verzorgingstehuizen " : het sluiten van een overeenkomst die minstens voorziet in een periodiek overleg, met een regionale vereniging die zich met palliatieve verzorging bezighoudt, binnen de zes maanden na hun erkenning.
  [1 De inrichting heeft recht op de bedoelde in artikel 22 tegemoetkoming vanaf de eerste dag van het trimester waarin de inrichting voldoet aan de voorwaarden bedoeld in vorig lid.]1
  
Art. 25. Dans les délais visés à l'article 32, 1°, les institutions susvisées transmettent au Service, sur un questionnaire électronique dont le modèle est fourni par ce Service aux institutions, les données suivantes pour tous les patients décédés au cours de l'année écoulée :
  - âge et sexe du patient;
  - première date d'admission dans l'institution;
  - date a laquelle l'équipe de soins a entamé les soins palliatifs;
  - date à partir de laquelle le patient répondait aux critères visés à l'article 3, 1° à 5°, de l'arrêté royal du 2 décembre 1999 déterminant l'intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les médicaments, le matériel de soins et les auxiliaires pour les patients palliatifs à domicile visés à l'article 34, 14°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994; cette date doit être déterminée par le médecin de famille;
  - date de la fin d'hébergement dans l'institution;
  - lieu et date du décès.
  L'institution communique également, sur le même document, un aperçu de la formation dispensée au cours de l'année scolaire écoulée.
Art.26. Voor de nieuwe inrichtingen past de Dienst de volgende regels toe :
  1° Voor de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden die beschikken over een afdeling met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis en de rustoorden voor bejaarden die de laatste dag van de maand [1 die volgt op die van de erkenning]1 de voorwaarden vervullen zoals voorzien in artikel 22, tweede lid, wordt het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd door de inrichting vastgesteld met de volgende formule :
  H = P x M/12
  waarbij :
  H = het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd (afgerond tot de naasthogere eenheid als de eerste twee decimalen hoger dan of gelijk zijn aan 50);
  P = het aantal [2 rechthebbenden B, C, Cd of Cc ]2 dat de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning in de inrichting zijn opgenomen;
  M = het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de erkenning en het einde van het lopende schooljaar.
  2° voor de rustoorden voor bejaarden die de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning niet voldoen aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 22, tweede lid, wordt de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 22, eerste lid, toegekend vanaf de eerste factureringsperiode die volgt op de eerste referentieperiode tijdens welke die voorwaarden zijn vervuld.
  
Art. 26. Pour les nouvelles institutions, le Service applique les règles suivantes :
  1° pour les maisons de repos et de soins, les maisons de repos pour personnes âgées qui comportent une section qui a reçu un agrément spécial " maisons de repos et de soins " et les maisons de repos pour personnes âgées qui remplissent les conditions visées a l'article 22, alinéa 2 le dernier jour du mois qui suit celui de l'agrément, le nombre d'heures de formation à organiser par l'institution est déterminé au moyen de la formule suivante :
  H = P x M/12
  où :
  H = le nombre d'heures de formation à organiser (arrondi à l'unité supérieure si les deux premières décimales constituent un nombre supérieur ou égal à 50);
  P = le nombre de [1 bénéficiaires B, C, Cd ou Cc]1 hébergés dans l'institution le dernier jour du mois qui suit celui de l'agrément;
  M = le nombre de mois compris entre le premier jour du mois qui suit celui de l'agrément et la fin de l'année scolaire en cours.
  2° pour les maisons de repos pour personnes âgées qui ne remplissent pas les conditions visées à l'article 22, alinéa 2 le dernier jour du mois qui suit celui de l'agrément, l'intervention visée à l'article 22, alinéa 1er est octroyée à partir de la première période de facturation qui suit la première période de référence au cours de laquelle ces conditions ont été remplies.
  
Art. 26.Voor de nieuwe inrichtingen past de Dienst de volgende regels toe :
Section 6. - [1 Partie E1 : financement du complément de fonction pour l'infirmier(ère) en chef en MRS]1
Art.27. [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting]1 en per rechthebbende voor de dekking van de beheerskost en de kost voor de gegevensoverdracht bedraagt 0,10 euro.
Art.28. [1 L'intervention par jour d'hébergement]1 et par bénéficiaire pour la fonction d'infirmier en chef dans la section MRS s'élève à :
Art. 27. [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting]1 en per rechthebbende voor de dekking van de beheerskost en de kost voor de gegevensoverdracht bedraagt 0,10 euro.
  
Art. 28 _REGION_WALLONNE.    [1 L'intervention par jour d'hébergement]1 et par bénéficiaire pour la fonction d'infirmier en chef dans la section MRS s'élève à :  ((0,55 euro x nombre de bénéficiaires en MRS)/nombre total de bénéficiaires).  [2 A partir du 1er janvier 2024, L'intervention visée à l'alinéa premier est calculée au prorata de l'équivalent temps plein des infirmiers en chef en MRS financé en tant que personnel d'encadrement dans le cadre de l'article 4sexies de l'arrêté-royal du 17 aout 2007 et de l'équivalent temps plein des infirmiers en chef en MRS qui n'est pas financé en tant que personnel d'encadrement dans le cadre de l'article 4sexies de l'arrêté-royal du 17 aout 2007.]2  
Art.28. [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting]1 en per rechthebbende voor de functie van hoofdverpleegkundige in de RVT-afdeling bedraagt :
Art. 28. [1 L'intervention par jour d'hébergement]1 et par bénéficiaire pour la fonction d'infirmier en chef dans la section MRS s'élève à :
Art.28_WAALS_GEWEST.    [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting]1 en per rechthebbende voor de functie van hoofdverpleegkundige in de RVT-afdeling bedraagt :  ((0,55 euro x aantal rechthebbenden in RVT)/totaal aantal rechthebbenden).  [2 Vanaf 1 januari 2024 wordt de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming berekend in verhouding tot het voltijdsequivalent van de hoofdverpleegkundigen in RVT gefinancierd als kaderpersoneel in het kader van artikel 4sexies van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, en het voltijdsequivalent van de hoofdverpleegkundigen in RVT dat wordt niet gefinancierd als kaderpersoneel in het kader van artikel 4sexies van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007.]2  
Art. 28bis. [1 § 1er. [4 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire pour le complément de fonction destiné aux infirmiers(ères) chefs en maison de repos et de soins, aux paramédicaux en chef et aux coordinateurs infirmiers en MRPA et en MRS, s'élève à :
   [1.057,28 euros x le nombre d'équivalents temps plein à financer d'infirmiers(ères) chefs, de paramédicaux en chef et de coordinateurs infirmiers dans l'institution/nombre total de patients]/nombre de jours calendrier de la période de facturation.
   Pour les infirmiers(ères) en chef en maison de repos et de soins, ce montant est cumulable avec celui visé à l'article 28.]4

   Afin de couvrir le coût de ce complément de fonction pour l'année 2008, ce montant est doublé pour la période de facturation 2009 dans les établissements agréés avant le 1er janvier 2008. Dans les établissements agréés au cours de l'année 2008, ce montant est augmenté proportionnellement à la durée de leur agrément en 2008.
   § 2. Entrent en considération pour le financement du complément de fonction les infirmiers(ères) chefs, les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers qui répondent aux conditions suivantes :
   a) avoir un contrat où le rôle de coordinateur infirmier ou de paramédical en chef est prévu, ou avoir un contrat d'infirmier(ère) en chef. Pour le personnel statutaire, la décision de nomination ou la décision de désignation doit faire apparaître le rôle de coordinateur infirmier, de paramédical en chef ou la fonction d'infirmier(ère) en chef;
   b) au dernier jour de la période de référence, avoir une ancienneté barémique d'au moins 17 ans;
   c) [2 [3 au dernier jour de la période de référence,]3 avoir réussi une formation complémentaire de base parmi les suivantes :
   1° formation de cadre de santé;
   2° formation de niveau universitaire : master en art infirmier ou obstétrique, ou master en gestion et politique des soins de santé, ou master en santé publique (toutes options incluses);
   3° formation donnant droit à un titre reconnu de directeur de maison de repos;
   4° ou formation complémentaire de minimum 24 heures, dont le programme est approuvé par le SPF Santé publique, et portant sur :
   * la gestion des horaires, la durée du travail et les relations collectives de travail,
   * le bien-être au travail,
   * la gestion d'une équipe;
   d) suivre chaque année une formation permanente de minimum 8 heures, reconnue par le SPF Santé publique, portant sur une ou plusieurs des matières visées au point c), 4°.]2

   § 3. Le complément de fonction peut être financé, pour un maximum d'un équivalent temps plein infirmier ou paramédical, dans chaque institution comptant pendant la période de référence une équipe de soins (praticiens de l'art infirmier, personnel soignant et personnel de réactivation) d'au moins 12 équivalents temps plein salariés ou statutaires. Chaque fois que l'institution atteint la moitié de la tranche suivante de 12 équivalents temps plein, le complément de fonction peut être financé pour un maximum d'un équivalent temps plein infirmier ou paramédical supplémentaire.
  [5 Les membres du personnel présents dans l'institution, visés à l'article 8, § 2, b) et d), sont également pris en compte dans la composition de cette équipe de soins. ]5
   § 4. [3 Pour la première application de cet article, le contrat des membres du personnel pour lesquels le complément de fonction peut être financé est adapté]3, si besoin est, suivant les exigences du § 2, a), dans les six mois qui suivent la publication du présent arrêté. Pour le personnel statutaire, une décision est prise si nécessaire afin de répondre aux exigences du § 2, a), dans les six mois qui suivent la publication du présent arrêté.]1

   [2 [3 Pour la première application de cet article,]3 ces infirmiers(ères) chefs, paramédicaux en chef et coordinateurs infirmiers doivent avoir reçu la formation de base visée au § 2, c), pour le 31 décembre 2010 au plus tard. La formation permanente visée au § 2, d), sera suivie à partir de l'année 2011.]2
  
Art.28_WAALS_GEWEST.    [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting]1 en per rechthebbende voor de functie van hoofdverpleegkundige in de RVT-afdeling bedraagt :
  ((0,55 euro x aantal rechthebbenden in RVT)/totaal aantal rechthebbenden).
  [2 Vanaf 1 januari 2024 wordt de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming berekend in verhouding tot het voltijdsequivalent van de hoofdverpleegkundigen in RVT gefinancierd als kaderpersoneel in het kader van artikel 4sexies van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, en het voltijdsequivalent van de hoofdverpleegkundigen in RVT dat wordt niet gefinancierd als kaderpersoneel in het kader van artikel 4sexies van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007.]2
Art. 28bis _.    [1 § 1er. [4 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire pour le complément de fonction destiné aux infirmiers(ères) chefs en maison de repos et de soins, aux paramédicaux en chef et aux coordinateurs infirmiers en MRPA et en MRS, s'élève à :   [1.057,28 euros x le nombre d'équivalents temps plein à financer d'infirmiers(ères) chefs, de paramédicaux en chef et de coordinateurs infirmiers dans l'institution/nombre total de patients]/nombre de jours calendrier de la période de facturation.   Pour les infirmiers(ères) en chef en maison de repos et de soins, ce montant est cumulable avec celui visé à l'article 28.]4   Afin de couvrir le coût de ce complément de fonction pour l'année 2008, ce montant est doublé pour la période de facturation 2009 dans les établissements agréés avant le 1er janvier 2008. Dans les établissements agréés au cours de l'année 2008, ce montant est augmenté proportionnellement à la durée de leur agrément en 2008.   § 2. Entrent en considération pour le financement du complément de fonction les infirmiers(ères) chefs, les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers qui répondent aux conditions suivantes :   a) avoir un contrat où le rôle de coordinateur infirmier ou de paramédical en chef est prévu, ou avoir un contrat d'infirmier(ère) en chef. Pour le personnel statutaire, la décision de nomination ou la décision de désignation doit faire apparaître le rôle de coordinateur infirmier, de paramédical en chef ou la fonction d'infirmier(ère) en chef;   b) au dernier jour de la période de référence, avoir une ancienneté barémique d'au moins 17 ans;   c) [2 [3 au dernier jour de la période de référence,]3 avoir réussi une formation complémentaire de base parmi les suivantes :   1° formation de cadre de santé;   2° formation de niveau universitaire : master en art infirmier ou obstétrique, ou master en gestion et politique des soins de santé, ou master en santé publique (toutes options incluses);   3° formation donnant droit à un titre reconnu de directeur de maison de repos;   4° ou formation complémentaire de minimum 24 heures, dont le programme est approuvé par le SPF Santé publique, et portant sur :   * la gestion des horaires, la durée du travail et les relations collectives de travail,   * le bien-être au travail,   * la gestion d'une équipe;   d) suivre chaque année une formation permanente de minimum 8 heures, reconnue par le SPF Santé publique, portant sur une ou plusieurs des matières visées au point c), 4°.]2   § 3. Le complément de fonction peut être financé, pour un maximum d'un équivalent temps plein infirmier ou paramédical, dans chaque institution comptant pendant la période de référence une équipe de soins (praticiens de l'art infirmier, personnel soignant et personnel de réactivation) d'au moins 12 équivalents temps plein salariés ou statutaires. Chaque fois que l'institution atteint la moitié de la tranche suivante de 12 équivalents temps plein, le complément de fonction peut être financé pour un maximum d'un équivalent temps plein infirmier ou paramédical supplémentaire.  [5 Les membres du personnel présents dans l'institution, visés à l'article 8, § 2, b) et d), sont également pris en compte dans la composition de cette équipe de soins. ]5   § 4. [3 Pour la première application de cet article, le contrat des membres du personnel pour lesquels le complément de fonction peut être financé est adapté]3, si besoin est, suivant les exigences du § 2, a), dans les six mois qui suivent la publication du présent arrêté. Pour le personnel statutaire, une décision est prise si nécessaire afin de répondre aux exigences du § 2, a), dans les six mois qui suivent la publication du présent arrêté.]1   [2 [3 Pour la première application de cet article,]3 ces infirmiers(ères) chefs, paramédicaux en chef et coordinateurs infirmiers doivent avoir reçu la formation de base visée au § 2, c), pour le 31 décembre 2010 au plus tard. La formation permanente visée au § 2, d), sera suivie à partir de l'année 2011.]2  [6 § 5. A partir du 1er janvier 2024, L'intervention visée au paragraphe 1er ne tient pas compte de l'équivalent temps plein des membres du personnel financés en tant que personnel d'encadrement dans le cadre de l'article 4sexies de l'arrêté-royal du 17 aout 2007, pour ce qui concerne le financement du passage aux barèmes IFIC. ]6  
Art. 28bis. [1 § 1. [4 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor het functiecomplement in de ROB's en RVT's voor de hoofdverpleegkundigen, de hoofdparamedici en de verpleegkundig coördinatoren bedraagt :
   [1.057,28 euro x het aantal te financieren voltijds equivalent verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen in de inrichting/totaal aantal patiënten]/aantal kalenderdagen van de facturatieperiode.
   Voor de hoofdverpleegkundigen in RVT's, mag dat bedrag worden gecumuleerd met het bedrag bedoeld in artikel 28.]4

  Om tegemoet te komen aan de kost van dit functiecomplement voor het jaar 2008, wordt dit bedrag voor de facturatieperiode 2009 verdubbeld in de inrichtingen die erkend waren voor 1 januari 2008. In de inrichtingen, erkend in de loop van het jaar 2008, wordt dit bedrag proportioneel verhoogd met de duur van de erkenning in 2008.
   § 2. Komen in aanmerking voor de financiering van het functiecomplement de verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen die aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
   a) een contract hebben waarin de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus is voorzien, of een contract hebben als hoofdverpleegkundige. Voor het statutair personeel moet de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus blijken uit de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling;
   b) op de laatste dag van de referentieperiode, voldoen aan een baremieke anciënniteit van minstens 17 jaar;
   [2 c) [3 op de laatste dag van de referentieperiode,]3 geslaagd zijn in een van volgende aanvullende basisopleidingen :
   1° kaderopleiding;
   2° universitaire opleiding : master in de verpleegkunde of verloskunde, of master in het beleid en management van de gezondheidszorg, of master in de gezondheidszorg (alle opties inbegrepen);
   3° opleiding die toegang geeft tot de functie van rusthuisdirecteur;
   4° of een aanvullende opleiding van minimum 24 uren, waarvan het programma werd goedgekeurd door de FOD Volksgezondheid, aangaande :
   * uurroosters, arbeidsduur en collectieve arbeidsverhoudingen,
   * welzijn op het werk,
   * beheer van een team;
   d) jaarlijks een permanente vorming van minimum 8 uren volgen, erkend door de FOD Volksgezondheid, aangaande een of meerdere domeinen bedoeld in punt c), 4°.]2

   § 3. Het functiecomplement kan, voor maximum een voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus, worden gefinancierd in elke instelling die tijdens de referentieperiode over een zorgequipe van minstens 12 loontrekkende of statutaire voltijds equivalenten beschikt (verpleegkundig, verzorgend en personeel voor reactivering). Telkens als de instelling de helft van een nieuwe schijf van 12 voltijds equivalent bereikt, kan het functiecomplement voor maximum een bijkomend voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus worden gefinancierd.
  [5 De personeelsleden, bedoeld in artikel 8, § 2, b) en d), die in de inrichting aanwezig zijn, worden ook meegeteld in de samenstelling van dat verzorgingsteam.]5
   § 4. [3 Voor de eerste toepassing van dit artikel, wordt, indien nodig, het contract van de personeelsleden waarvoor het functiecomplement kan worden gefinancierd aangepast]3 volgens de vereisten uit § 2, a), binnen de zes maanden die volgen op de publicatie van dit besluit. Voor het statutair personeel wordt, indien nodig, een beslissing genomen, teneinde te voldoen aan de vereisten van § 2, a), binnen de zes maanden die volgen op de publicatie van dit besluit.]1

   [2 [3 Voor de eerste toepassing van dit artikel,]3 deze hoofdverpleegkundigen, hoofdparamedici en verpleegkundig coördinatoren moeten de basisvorming bedoeld in § 2, c), uiterlijk op 31 december 2010 hebben gevolgd. De permanente vorming bedoeld in § 2, d), zal gevolgd worden vanaf het jaar 2011.]2
  
Art. 28bis. [1 § 1er. [4 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire pour le complément de fonction destiné aux infirmiers(ères) chefs en maison de repos et de soins, aux paramédicaux en chef et aux coordinateurs infirmiers en MRPA et en MRS, s'élève à :
   [1.057,28 euros x le nombre d'équivalents temps plein à financer d'infirmiers(ères) chefs, de paramédicaux en chef et de coordinateurs infirmiers dans l'institution/nombre total de patients]/nombre de jours calendrier de la période de facturation.
   Pour les infirmiers(ères) en chef en maison de repos et de soins, ce montant est cumulable avec celui visé à l'article 28.]4

   Afin de couvrir le coût de ce complément de fonction pour l'année 2008, ce montant est doublé pour la période de facturation 2009 dans les établissements agréés avant le 1er janvier 2008. Dans les établissements agréés au cours de l'année 2008, ce montant est augmenté proportionnellement à la durée de leur agrément en 2008.
   § 2. Entrent en considération pour le financement du complément de fonction les infirmiers(ères) chefs, les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers qui répondent aux conditions suivantes :
   a) avoir un contrat où le rôle de coordinateur infirmier ou de paramédical en chef est prévu, ou avoir un contrat d'infirmier(ère) en chef. Pour le personnel statutaire, la décision de nomination ou la décision de désignation doit faire apparaître le rôle de coordinateur infirmier, de paramédical en chef ou la fonction d'infirmier(ère) en chef;
   b) au dernier jour de la période de référence, avoir une ancienneté barémique d'au moins 17 ans;
   c) [2 [3 au dernier jour de la période de référence,]3 avoir réussi une formation complémentaire de base parmi les suivantes :
   1° formation de cadre de santé;
   2° formation de niveau universitaire : master en art infirmier ou obstétrique, ou master en gestion et politique des soins de santé, ou master en santé publique (toutes options incluses);
   3° formation donnant droit à un titre reconnu de directeur de maison de repos;
   4° ou formation complémentaire de minimum 24 heures, dont le programme est approuvé par le SPF Santé publique, et portant sur :
   * la gestion des horaires, la durée du travail et les relations collectives de travail,
   * le bien-être au travail,
   * la gestion d'une équipe;
   d) suivre chaque année une formation permanente de minimum 8 heures, reconnue par le SPF Santé publique, portant sur une ou plusieurs des matières visées au point c), 4°.]2

   § 3. Le complément de fonction peut être financé, pour un maximum d'un équivalent temps plein infirmier ou paramédical, dans chaque institution comptant pendant la période de référence une équipe de soins (praticiens de l'art infirmier, personnel soignant et personnel de réactivation) d'au moins 12 équivalents temps plein salariés ou statutaires. Chaque fois que l'institution atteint la moitié de la tranche suivante de 12 équivalents temps plein, le complément de fonction peut être financé pour un maximum d'un équivalent temps plein infirmier ou paramédical supplémentaire.
  [5 Les membres du personnel présents dans l'institution, visés à l'article 8, § 2, b) et d), sont également pris en compte dans la composition de cette équipe de soins. ]5
   § 4. [3 Pour la première application de cet article, le contrat des membres du personnel pour lesquels le complément de fonction peut être financé est adapté]3, si besoin est, suivant les exigences du § 2, a), dans les six mois qui suivent la publication du présent arrêté. Pour le personnel statutaire, une décision est prise si nécessaire afin de répondre aux exigences du § 2, a), dans les six mois qui suivent la publication du présent arrêté.]1

   [2 [3 Pour la première application de cet article,]3 ces infirmiers(ères) chefs, paramédicaux en chef et coordinateurs infirmiers doivent avoir reçu la formation de base visée au § 2, c), pour le 31 décembre 2010 au plus tard. La formation permanente visée au § 2, d), sera suivie à partir de l'année 2011.]2
  
Art.28bis _ WAALS_GEWEST.    [1 § 1. [4 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor het functiecomplement in de ROB's en RVT's voor de hoofdverpleegkundigen, de hoofdparamedici en de verpleegkundig coördinatoren bedraagt :   [1.057,28 euro x het aantal te financieren voltijds equivalent verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen in de inrichting/totaal aantal patiënten]/aantal kalenderdagen van de facturatieperiode.   Voor de hoofdverpleegkundigen in RVT's, mag dat bedrag worden gecumuleerd met het bedrag bedoeld in artikel 28.]4  Om tegemoet te komen aan de kost van dit functiecomplement voor het jaar 2008, wordt dit bedrag voor de facturatieperiode 2009 verdubbeld in de inrichtingen die erkend waren voor 1 januari 2008. In de inrichtingen, erkend in de loop van het jaar 2008, wordt dit bedrag proportioneel verhoogd met de duur van de erkenning in 2008.   § 2. Komen in aanmerking voor de financiering van het functiecomplement de verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen die aan de volgende voorwaarden beantwoorden :   a) een contract hebben waarin de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus is voorzien, of een contract hebben als hoofdverpleegkundige. Voor het statutair personeel moet de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus blijken uit de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling;   b) op de laatste dag van de referentieperiode, voldoen aan een baremieke anciënniteit van minstens 17 jaar;   [2 c) [3 op de laatste dag van de referentieperiode,]3 geslaagd zijn in een van volgende aanvullende basisopleidingen :   1° kaderopleiding;   2° universitaire opleiding : master in de verpleegkunde of verloskunde, of master in het beleid en management van de gezondheidszorg, of master in de gezondheidszorg (alle opties inbegrepen);   3° opleiding die toegang geeft tot de functie van rusthuisdirecteur;   4° of een aanvullende opleiding van minimum 24 uren, waarvan het programma werd goedgekeurd door de FOD Volksgezondheid, aangaande :   * uurroosters, arbeidsduur en collectieve arbeidsverhoudingen,   * welzijn op het werk,   * beheer van een team;   d) jaarlijks een permanente vorming van minimum 8 uren volgen, erkend door de FOD Volksgezondheid, aangaande een of meerdere domeinen bedoeld in punt c), 4°.]2   § 3. Het functiecomplement kan, voor maximum een voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus, worden gefinancierd in elke instelling die tijdens de referentieperiode over een zorgequipe van minstens 12 loontrekkende of statutaire voltijds equivalenten beschikt (verpleegkundig, verzorgend en personeel voor reactivering). Telkens als de instelling de helft van een nieuwe schijf van 12 voltijds equivalent bereikt, kan het functiecomplement voor maximum een bijkomend voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus worden gefinancierd.  [5 De personeelsleden, bedoeld in artikel 8, § 2, b) en d), die in de inrichting aanwezig zijn, worden ook meegeteld in de samenstelling van dat verzorgingsteam.]5   § 4. [3 Voor de eerste toepassing van dit artikel, wordt, indien nodig, het contract van de personeelsleden waarvoor het functiecomplement kan worden gefinancierd aangepast]3 volgens de vereisten uit § 2, a), binnen de zes maanden die volgen op de publicatie van dit besluit. Voor het statutair personeel wordt, indien nodig, een beslissing genomen, teneinde te voldoen aan de vereisten van § 2, a), binnen de zes maanden die volgen op de publicatie van dit besluit.]1   [2 [3 Voor de eerste toepassing van dit artikel,]3 deze hoofdverpleegkundigen, hoofdparamedici en verpleegkundig coördinatoren moeten de basisvorming bedoeld in § 2, c), uiterlijk op 31 december 2010 hebben gevolgd. De permanente vorming bedoeld in § 2, d), zal gevolgd worden vanaf het jaar 2011.]2  [6 § 5. Vanaf 1 januari 2024 houdt de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming geen rekening met het voltijdsequivalent van de personeelsleden die gefinancierd worden als kaderpersoneel in het kader van artikel 4sexies van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, voor wat betreft de financiering van de overgang naar de IFIC-barema's.]6  
Art. 28ter. [1 § 1er. [3 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire pour la personne de référence pour la démence est déterminée selon les critères suivants :
   - l'équivalent temps plein pour la personne de référence pour la démence est calculé selon les disposition de l'article 8;
   - durant une même période, une personne de référence pour la démence au maximum est prise en compte. Durant la période où un membre du personnel exerce la fonction de personne de référence pour la démence, il en est tenu compte pour 19 heures par semaine au maximum;
   - l'intervention est calculée au moyen de la formule suivante : [((ETP de la personne de référence pour la démence au cours de la période de référence x salaire annuel suivant le niveau moyen d'ancienneté de la qualification de cette personne)/nombre moyen de patients pendant la période de référence)/nombre de jours calendrier de la période de facturation];
   - il est possible que plusieurs personnes de référence pour la démence soient désignées successivement au cours de la période de référence.]3

   § 2. [3 Pour pouvoir recevoir ce financement, l'institution doit satisfaire aux conditions suivantes :
   1° avoir hébergé une moyenne de 25 patients classés dans la catégorie de dépendance Cd pendant la période de référence. Lorsque cette condition a été remplie pour une période de référence à partir de la période de référence qui a commencé le 1er juillet 2010 au plus tôt, cette condition n'est plus exigée par la suite. S'il est constaté que pendant une période de référence complète, l'institution ne dispose pas d'une personne de référencepour la démence, cette condition est à nouveau d'application pour au moins une période de référence;
   2° transmettre au Service les pièces nécessaires attestant qu'un membre du personnel a un contrat ou a été nommé en tant que personne de référence pour la démence pour un minimum de 19 heures/semaine;
   3° ne pas recevoir de financement pour une personne de référence pour la démence sur base de l'article 4bis de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des rémunérations dans certaines institutions de soins;
   4° la fonction de personne de référence pour la démence est exercée par un seul membre du personnel. En son absence, la fonction peut être occupée par un autre membre du personnel qui répond aux conditions.]3

   § 3. La fonction de cette personne de référence peut être décrite comme suit :
   1° être la personne de conseil et d'avis pour les questions concernant l'encadrement et les soins pour les personnes atteintes de démence et leur entourage;
   2° [4 s'informer de la législation et de l'évolution de la connaissance en matière de démence;]4
   3° conseiller la direction sur la formation du personnel en matière de démence en veillant à proposer des experts externes pour dispenser certains aspects de cette formation;
   4° sensibiliser le personnel à l'identification des signes de démence naissante. Compte tenu de ceux-ci et en coordination avec l'infirmière-chef, avertir le médecin traitant et/ou le médecin coordinateur;
   5° encourager le personnel et l'entourage des personnes atteintes de démence à la réflexion sur la problématique de la démence et les stimuler à une approche et des attitudes favorisant le bien-être de ces personnes;
   6° contribuer au développement et à la mise en oeuvre d'une politique de qualité (procédures, concertation multidisciplinaire, etc.) en matière d'encadrement et de soins aux personnes atteintes de démence;
   7° susciter la création de réseaux impliquant des acteurs pertinents actifs sur le terrain : le centre d'expertise en démence, l'hôpital de jour gériatrique avec lequel est créé un lien fonctionnel, le médecin coordinateur, d'autres personnes de référence en matière de démence;
   8° assurer une fonction de liaison avec ces réseaux et le médecin coordinateur;
   9° sensibiliser le personnel et la direction à continuer à chercher des moyens pour améliorer la qualité de la vie des personnes atteintes de démence;
   10° proposer à la direction des moyens pour améliorer la qualité de vie du personnel qui soigne ou côtoie des personnes atteintes de démence, notamment au travers de l'organisation de supervision par des experts externes.
  [4 11° contribuer à la sensibilisation, la supervision et la formation du personnel en matière de démence. Son action à ce niveau porte par priorité sur les aspects psycho-sociaux de la démence, ses aspects éthico-déontologiques et la communication. Elle vise notamment à produire un effet sur les comportements agressifs des résidents et à diminuer l'usage des contentions tant chimiques que physiques.]4
   § 4. Sont pris en considération pour remplir la fonction de personne de référence pour la démence les membres du personnel [3 détenteurs d'un diplôme ou d'un brevet d'infirmier (A1 ou A2)]3 ou d'un des diplômes visés à l'article 4, § 2, et qui :
   1° pendant une période transitoire allant du 1er janvier 2005 au [2 30 juin [6 2014]6 au plus tard]2, ont suivi une formation idoine d'au moins 30 heures ou ont acquis durant 24 mois l'expérience professionnelle adéquate;
   2° à partir du [2 1er juillet [6 2014]6 au plus tard]2, ont suivi une formation d'au moins 60 heures comprenant les matières suivantes :
   a) les aspects médicaux de la démence;
   b) les aspects psycho-sociaux de la démence;
   c) les aspects éthico-déontologiques de la démence;
   d) les aspects juridiques de la démence;
   e) organisation des soins;
   f) communication.
  [5 3° sont salariés ou statutaires. Un directeur salarié ou statutaire, un(e) infirmier(ère) en chef, un paramédical en chef ou un coordinateur infirmier ne peuvent toutefois exercer en même temps la fonction de personne de référence pour la démence.]5
   § 5. Les exigences minimales pour la formation visée au § 4, 2°, sont communiquées par le Service aux institutions par voie de circulaire.
   § 6. [2 Le programme de la formation visée au § 4, 2°, est communiqué par les institutions ou les organismes de formation au SPF Santé publique qui, dans les 60 jours, examine s'il satisfait aux exigences minimales visées au § 5. A défaut de réponse dans les 60 jours suivant la date d'introduction de la demande, le programme de formation est considéré comme approuvé.
   Le nombre maximum autorisé d'élèves par module de formation est de 30.
   La durée de validité de cette reconnaissance est de quatre années scolaires, sauf s'il ressort d'un contrôle que le programme effectivement suivi ne correspond pas au programme pour lequel l'approbation a été donnée.]2
]1

   § 7. [2 Sont dispensés de suivre la formation visée au § 4, 2° :
   1° les praticiens de l'art infirmier (bachelor ou équivalent) ayant le titre d'infirmier spécialisé en santé mentale ou gériatrique ou une licence ou un master en gérontologie ou en gériatrie [7 ainsi que les "bachelors na bachelor opleiding psychosociale gerontologie"]7;
   2° les candidats à la fonction de personne de référence pour la démence qui, après le 1er janvier 2005 et avant le 31 décembre 2011, ont suivi une formation d'au moins 90 heures, comprenant les matières visées au § 4, 2°, et reconnue comme suffisante par la commission visée à l'alinéa 2;
   3° les candidats à la fonction de personne de référence pour la démence qui, après le 1er janvier 2005 et avant le 31 décembre 2011, ont suivi une formation d'au moins 60 heures, comprenant les matières visées au § 4, 2°, et reconnue comme suffisante par la commission visée à l'alinéa 2, et qui travaillent dans le secteur des soins aux personnes âgées depuis au moins trois ans.
   Pour les formations visées au points 2° et 3° ci-dessus, les demandes de reconnaissance, accompagnées des pièces justificatives nécessaires, sont adressées jusqu'au [6 30 juin 2014]6 au plus tard par les institutions, les individus concernés ou les organismes de formation au Service qui, après avoir soumis ces demandes à la Commission de convention entre les maisons de repos et de soins, les maisons de repos pour personnes âgées, les centres de soins de jour, et les organismes assureurs, leur répond dans les 60 jours. La liste des formations reconnues est publiée par le Service sur le site web de l'INAMI.]2

  
Art.28bis _ WAALS_GEWEST.
   [1 § 1. [4 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor het functiecomplement in de ROB's en RVT's voor de hoofdverpleegkundigen, de hoofdparamedici en de verpleegkundig coördinatoren bedraagt :
   [1.057,28 euro x het aantal te financieren voltijds equivalent verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen in de inrichting/totaal aantal patiënten]/aantal kalenderdagen van de facturatieperiode.
   Voor de hoofdverpleegkundigen in RVT's, mag dat bedrag worden gecumuleerd met het bedrag bedoeld in artikel 28.]4

  Om tegemoet te komen aan de kost van dit functiecomplement voor het jaar 2008, wordt dit bedrag voor de facturatieperiode 2009 verdubbeld in de inrichtingen die erkend waren voor 1 januari 2008. In de inrichtingen, erkend in de loop van het jaar 2008, wordt dit bedrag proportioneel verhoogd met de duur van de erkenning in 2008.
   § 2. Komen in aanmerking voor de financiering van het functiecomplement de verpleegkundig coördinatoren, hoofdparamedici en hoofdverpleegkundigen die aan de volgende voorwaarden beantwoorden :
   a) een contract hebben waarin de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus is voorzien, of een contract hebben als hoofdverpleegkundige. Voor het statutair personeel moet de rol van verpleegkundig coördinator of van hoofdparamedicus blijken uit de benoemingsbeslissing of de beslissing tot aanstelling;
   b) op de laatste dag van de referentieperiode, voldoen aan een baremieke anciënniteit van minstens 17 jaar;
   [2 c) [3 op de laatste dag van de referentieperiode,]3 geslaagd zijn in een van volgende aanvullende basisopleidingen :
   1° kaderopleiding;
   2° universitaire opleiding : master in de verpleegkunde of verloskunde, of master in het beleid en management van de gezondheidszorg, of master in de gezondheidszorg (alle opties inbegrepen);
   3° opleiding die toegang geeft tot de functie van rusthuisdirecteur;
   4° of een aanvullende opleiding van minimum 24 uren, waarvan het programma werd goedgekeurd door de FOD Volksgezondheid, aangaande :
   * uurroosters, arbeidsduur en collectieve arbeidsverhoudingen,
   * welzijn op het werk,
   * beheer van een team;
   d) jaarlijks een permanente vorming van minimum 8 uren volgen, erkend door de FOD Volksgezondheid, aangaande een of meerdere domeinen bedoeld in punt c), 4°.]2

   § 3. Het functiecomplement kan, voor maximum een voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus, worden gefinancierd in elke instelling die tijdens de referentieperiode over een zorgequipe van minstens 12 loontrekkende of statutaire voltijds equivalenten beschikt (verpleegkundig, verzorgend en personeel voor reactivering). Telkens als de instelling de helft van een nieuwe schijf van 12 voltijds equivalent bereikt, kan het functiecomplement voor maximum een bijkomend voltijds equivalent verpleegkundige of paramedicus worden gefinancierd.
  [5 De personeelsleden, bedoeld in artikel 8, § 2, b) en d), die in de inrichting aanwezig zijn, worden ook meegeteld in de samenstelling van dat verzorgingsteam.]5
   § 4. [3 Voor de eerste toepassing van dit artikel, wordt, indien nodig, het contract van de personeelsleden waarvoor het functiecomplement kan worden gefinancierd aangepast]3 volgens de vereisten uit § 2, a), binnen de zes maanden die volgen op de publicatie van dit besluit. Voor het statutair personeel wordt, indien nodig, een beslissing genomen, teneinde te voldoen aan de vereisten van § 2, a), binnen de zes maanden die volgen op de publicatie van dit besluit.]1

   [2 [3 Voor de eerste toepassing van dit artikel,]3 deze hoofdverpleegkundigen, hoofdparamedici en verpleegkundig coördinatoren moeten de basisvorming bedoeld in § 2, c), uiterlijk op 31 december 2010 hebben gevolgd. De permanente vorming bedoeld in § 2, d), zal gevolgd worden vanaf het jaar 2011.]2
  [6 § 5. Vanaf 1 januari 2024 houdt de in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming geen rekening met het voltijdsequivalent van de personeelsleden die gefinancierd worden als kaderpersoneel in het kader van artikel 4sexies van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007, voor wat betreft de financiering van de overgang naar de IFIC-barema's.]6
Art. 28ter _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.   [1 § 1er. [3 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire pour la personne de référence pour la démence est déterminée selon les critères suivants :   - l'équivalent temps plein pour la personne de référence pour la démence est calculé selon les disposition de l'article 8;   - durant une même période, une personne de référence pour la démence au maximum est prise en compte. Durant la période où un membre du personnel exerce la fonction de personne de référence pour la démence, il en est tenu compte pour 19 heures par semaine au maximum;   - l'intervention est calculée au moyen de la formule suivante : [((ETP de la personne de référence pour la démence au cours de la période de référence x salaire annuel suivant le niveau moyen d'ancienneté de la qualification de cette personne)/nombre moyen de patients pendant la période de référence)/nombre de jours calendrier de la période de facturation];   - il est possible que plusieurs personnes de référence pour la démence soient désignées successivement au cours de la période de référence.]3   § 2. [3 Pour pouvoir recevoir ce financement, l'institution doit satisfaire aux conditions suivantes :   1° avoir hébergé une moyenne de 25 patients classés dans la catégorie de dépendance Cd pendant la période de référence. Lorsque cette condition a été remplie pour une période de référence à partir de la période de référence qui a commencé le 1er juillet 2010 au plus tôt, cette condition n'est plus exigée par la suite. S'il est constaté que pendant une période de référence complète, l'institution ne dispose pas d'une personne de référencepour la démence, cette condition est à nouveau d'application pour au moins une période de référence;   2° transmettre au Service les pièces nécessaires attestant qu'un membre du personnel a un contrat ou a été nommé en tant que personne de référence pour la démence pour un minimum de 19 heures/semaine;   3° ne pas recevoir de financement pour une personne de référence pour la démence sur base de l'article 4bis de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des rémunérations dans certaines institutions de soins;   4° la fonction de personne de référence pour la démence est exercée par un seul membre du personnel. En son absence, la fonction peut être occupée par un autre membre du personnel qui répond aux conditions.]3   § 3. La fonction de cette personne de référence peut être décrite comme suit :   1° être la personne de conseil et d'avis pour les questions concernant l'encadrement et les soins pour les personnes atteintes de démence et leur entourage;   2° [4 s'informer de la législation et de l'évolution de la connaissance en matière de démence;]4   3° conseiller la direction sur la formation du personnel en matière de démence en veillant à proposer des experts externes pour dispenser certains aspects de cette formation;   4° sensibiliser le personnel à l'identification des signes de démence naissante. Compte tenu de ceux-ci et en coordination avec l'infirmière-chef, avertir le médecin traitant et/ou le médecin coordinateur;   5° encourager le personnel et l'entourage des personnes atteintes de démence à la réflexion sur la problématique de la démence et les stimuler à une approche et des attitudes favorisant le bien-être de ces personnes;   6° contribuer au développement et à la mise en oeuvre d'une politique de qualité (procédures, concertation multidisciplinaire, etc.) en matière d'encadrement et de soins aux personnes atteintes de démence;   7° susciter la création de réseaux impliquant des acteurs pertinents actifs sur le terrain : le centre d'expertise en démence, l'hôpital de jour gériatrique avec lequel est créé un lien fonctionnel, le médecin coordinateur, d'autres personnes de référence en matière de démence;   8° assurer une fonction de liaison avec ces réseaux et le médecin coordinateur;   9° sensibiliser le personnel et la direction à continuer à chercher des moyens pour améliorer la qualité de la vie des personnes atteintes de démence;   10° proposer à la direction des moyens pour améliorer la qualité de vie du personnel qui soigne ou côtoie des personnes atteintes de démence, notamment au travers de l'organisation de supervision par des experts externes.  [4 11° contribuer à la sensibilisation, la supervision et la formation du personnel en matière de démence. Son action à ce niveau porte par priorité sur les aspects psycho-sociaux de la démence, ses aspects éthico-déontologiques et la communication. Elle vise notamment à produire un effet sur les comportements agressifs des résidents et à diminuer l'usage des contentions tant chimiques que physiques.]4   § 4. Sont pris en considération pour remplir la fonction de personne de référence pour la démence les membres du personnel [3 détenteurs d'un diplôme ou d'un brevet d'infirmier (A1 ou A2)]3 ou d'un des diplômes visés à l'article 4, § 2, et qui :   1° [8 pour les personnes désignées comme personnes de référence pour la démence pour la première fois avant le 1er juillet 2014]8]2, ont suivi une formation idoine d'au moins 30 heures ou ont acquis durant 24 mois l'expérience professionnelle adéquate;   2° [8 pour les personnes désignées comme personne de référence pour la démence pour la première fois entre le 1er juillet 2014 et le 30 juin 2024]8, ont suivi une formation d'au moins 60 heures comprenant les matières suivantes :   a) les aspects médicaux de la démence;   b) les aspects psycho-sociaux de la démence;   c) les aspects éthico-déontologiques de la démence;   d) les aspects juridiques de la démence;   e) [8 l'organisation]8 des soins;   f) [8 la communication]8.  [8 2/1° pour les personnes désignées pour la première fois comme personne de référence pour la démence à partir du 1er juillet 2024 : ont suivi une formation d'au moins 70 heures, reconnue par les Ministres compétents, et ont satisfait avec fruit à l'épreuve certificative la sanctionnant. Cette formation comprend les matières suivantes :   a) la connaissance des troubles cognitifs et des démences, les actualités médicales et les perspectives dans l'accompagnement et le traitement des personnes présentant des troubles cognitifs ;   b) les aspects psycho-sociaux de l'accompagnement et des soins des personnes présentant une démence ou des troubles cognitifs, de leur entourage proche et de membres du personnel ;   c) les aspects éthiques et déontologiques de l'accompagnement des personnes présentant des troubles cognitifs ou une démence ;   d) les aspects juridiques relatifs aux troubles cognitifs et aux démences et la législation bicommunautaire relative à la personne de référence pour la démence ;   e) l'organisation des soins et des accompagnements ;   f) la communication et la collaboration interdisciplinaire au sein de l'établissement ;   g) la transmission des savoirs : sensibilisation, élaboration et méthodes de formations internes ;   h) la gestion de projet : élaboration sur base des besoins et méthodologie ;   i) le travail en réseaux : la création de réseaux autour des personnes présentant des troubles cognitifs avec les acteurs externes pertinents, et la présentation du réseau bruxellois bicommunautaire des personnes de référence pour la démence.]8  [5 3° sont salariés ou statutaires. Un directeur salarié ou statutaire, un(e) infirmier(ère) en chef, un paramédical en chef ou un coordinateur infirmier ne peuvent toutefois exercer en même temps la fonction de personne de référence pour la démence.]5   § 5. Les exigences minimales pour [9 les formations visées au § 4, 2° et 2/1° ]9, sont communiquées par le [9 Iriscare]9 aux institutions par voie de circulaire.   § 6. [2 [10 Le programme des formations visées au § 4, 2° et 2/1°, est communiqué par les organismes de formation à Iriscare qui, dans les 60 jours, examine s'il satisfait aux exigences minimales visées au § 5. A défaut de réponse dans les 60 jours suivant la date d'introduction de la demande, le programme de formation est considéré comme approuvé.   La durée de validité de cette reconnaissance est de quatre années scolaires, sauf s'il ressort d'un contrôle que le programme effectivement suivi ne correspond pas au programme pour lequel l'approbation a été donnée.   Le nombre maximum autorisé d'élèves par module de formation est de 30.   L'organisme de formation peut organiser un stage d'observation facultatif à l'attention de ses étudiants, en particulier de ceux qui n'ont pas d'expérience du travail de type paramédical en MRPA/MRS]10.]2]1   § 7. [2 [11 Sont dispensés de suivre les formations visées au § 4, 2° et 2/1°, pour autant qu'ils puissent démontrer d'une connaissance suffisante en matière de gestion de projet, de troubles cognitifs ou démences, ainsi que d'une formation suffisante à la communication indiquée dans l'accompagnement et les soins d'une personne présentant des troubles cognitifs : les praticiens de l'art infirmier (bachelor ou équivalent) ayant le titre d'infirmier spécialisé en gériatrie ou une licence ou un master en gérontologie ou en gériatrie ainsi que les "bachelors na bachelor opleiding psychosociale gerontologie".   Pour les formations visées à l'alinéa précédent, les demandes de reconnaissance, accompagnées des pièces justificatives nécessaires, sont adressées par les institutions, les individus concernés ou les organismes de formation à Iriscare qui leur répond dans les 60 jours. La liste des formations reconnues est publiée sur le site web d'Iriscare]11.]2  [12 § 8. Jusqu'au 30 juin 2024, les cycles de formations organisés sur la base des réglementations des autres entités fédérées belges, ainsi que les cycles de formation équivalents suivis au sein des autres Etats membres de l'Union européenne sont assimilés aux formations visées au § 4, 2°.   A partir du 1er juillet 2024, les cycles de formations organisés sur la base des réglementations des autres entités fédérées belges, ainsi que les cycles de formation équivalents suivis au sein des autres Etats membres de l'Union européenne sont assimilés aux formations visées au § 4, 2/1°.]12  
Art. 28ter. [1 § 1. [3 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor de referentiepersoon dementie wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria :
   - het voltijds equivalent van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode wordt berekend volgens de bepalingen van artikel 8;
   - gedurende eenzelfde periode wordt maximum een referentiepersoon dementie in aanmerking genomen. Tijdens deze periode waarin een personeelslid de functie van referentiepersoon dementie uitoefent, wordt rekening gehouden met maximum 19 uur per week;
   - de tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de volgende formule : [((VTE van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode x jaarlijkse loonkost volgens de gemiddelde anciënniteit van de kwalificatie van die persoon )/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode)/aantal kalenderdagen van de facturatieperiode];
   - het is mogelijk dat tijdens de referentieperiode meerdere opeenvolgende referentiepersonen worden aangeduid.]3

   § 2. [3 Om in aanmerking te kunnen komen voor die financiering moet de inrichting de volgende voorwaarden vervullen :
   1° gedurende de referentieperiode gemiddeld minstens 25 patiënten in de afhankelijkheidscategorie Cd te hebben gehuisvest. Van zodra gedurende een referentieperiode en dit ten vroegste vanaf de referentieperiode die begon op 1 juli 2010 aan deze voorwaarde is voldaan, is ze nadien niet meer van toepassing. Als vastgesteld wordt dat de inrichting gedurende een volledige referentieperiode niet over een referentiepersoon dementie beschikt, is deze voorwaarde terug van toepassing gedurende minstens een referentieperiode;
   2° aan de Dienst de nodige stukken overmaken die aantonen dat een personeelslid voor minstens 19 uur/week een contract heeft of benoemd is, als referentiepersoon dementie;
   3° geen financiering ontvangen voor een referentiepersoon dementie op basis van artikel 4bis van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft;
   4° die functie van referentiepersoon dementie kan tegelijkertijd worden uitgeoefend door maximum een personeelslid. In geval van afwezigheid kan deze functie wel uitgeoefend worden door een andere personeelslid dat beantwoordt aan de voorwaarden.]3

   § 3. De functie van referentiepersoon dementie kan als volgt omschreven worden :
   1° als raadgever optreden in verband met en advies geven over vragen in verband met de omkadering van en de verzorging die gegeven wordt aan personen die lijden aan dementie en hun omgeving;
   2° [4 zich informeren over de wetgeving en de ontwikkelingen op het vlak van de kennis over dementie ]4;
   3° de directie bijstaan bij de vorming van het personeel in verband met dementie en voorstellen formuleren over externe deskundigen die delen van deze opleidingen kunnen geven;
   4° het personeel bewust maken van tekenen van beginnende dementie. Op basis hiervan in samenspraak met de hoofdverpleegkundige de behandelende arts en/of de raadgevend en coördinerend arts hiervan op de hoogte brengen;
   5° het personeel en de omgeving van personen met dementie stimuleren om over de problematiek van dementie na te denken en om een aanpak en een houding te ontwikkelen die het welzijn van deze personen kan verbeteren;
   6° meewerken aan het ontwikkelen van een kwaliteitspolitiek (procedures, multidisciplinair overleg, enz.) in verband met de omkadering van en de zorg voor personen met dementie;
   7° pleiten voor het oprichten van een netwerk met daarin alle belangrijke partners : het expertisecentrum dementie, het geriatrisch dagziekenhuis waarmee er een functionele band moet gecreëerd worden, de coördinerend en raadgevend arts, andere referentiepersonen in verband met dementie;
   8° instaan voor een verbindingsfunctie tussen dit netwerk en de coördinerend en raadgevend arts;
   9° het personeel en de directie stimuleren om te blijven zoeken naar middelen die de levenskwaliteit van personen met dementie kunnen verbeteren;
   10° aan de directie voorstellen doen in verband met de verbetering van de levenskwaliteit van het personeel dat personen met dementie verzorgt of bijstaat en dit binnen de ganse organisatie en onder toezicht van externe deskundigen.
  [4 11° bijdragen tot de sensibilisering, de supervisie en de opleiding van het personeel op het vlak van dementie. Hij/zij houdt zich bij voorrang bezig met de psychosociale en ethisch-deontologische aspecten van dementie, alsook met de communicatie. Het is meer bepaald de bedoeling om een effect te hebben op het agressieve gedrag van de bewoners en het gebruik van zowel chemische als fysieke fixatie te verminderen.]4
   § 4. Komen in aanmerking om de functie van referentiepersoon dementie uit te voeren, die personeelsleden [3 die houder zijn van een diploma of een brevet van verpleegkundige (A1 of A2)]3 of van een van de diploma's vermeld in artikel 4, § 2, en die :
   1° gedurende een overgangsperiode die loopt van 1 januari 2005 tot [2 uiterlijk 30 juni [6 2014]6 ]2 een relevante vorming van minstens 30 uren gevolgd hebben of gedurende 24 maanden relevante beroepservaring hebben opgedaan;
   2° vanaf [2 uiterlijk 1 juli [6 2014]6 ]2 een opleiding gevolgd hebben van minstens 60 uren die de volgende onderwerpen behandeld :
   a) de medische aspecten van dementie;
   b) de psychosociale aspecten van dementie;
   c) de ethisch-deontologische aspecten van dementie;
   d) de juridische aspecten van dementie;
   e) organisatie van de zorg;
   f) communicatie.
  [5 3° loontrekkende of statutair zijn. Een loontrekkende of statutaire directeur, een hoofdverpleegkundige, een hoofdparamedicus of een verpleegkundig coördinator mogen echter niet tegelijkertijd de functie van referentiepersoon dementie uitoefenen.]5
   § 5. De minimumvereisten voor de opleiding bedoeld in § 4, 2°, worden via omzendbrief bekend gemaakt aan de instellingen door de Dienst.
   § 6. [2 Het programma van de opleidingen bedoeld in § 4, 2°, worden door de inrichtingen of de opleidingsorganisaties gecommuniceerd aan de FOD Volksgezondheid, die binnen de 60 dagen nagaat of ze voldoen aan de minimumvereisten bedoeld in § 5. Als er binnen de 60 dagen volgend op de datum van indiening van de aanvraag geen antwoord is gegeven, wordt het opleidingsprogramma als goedgekeurd beschouwd.
   Het maximaal toegelaten aantal leerlingen per opleidingsmodule bedraagt 30.
   De geldigheid van deze erkenning bedraagt 4 schooljaren, tenzij uit een controle blijkt dat het gevolgde programma niet overeenstemt met het programma waarvoor de goedkeuring is gegeven.]2
]1

  [2 § 7. Worden vrijgesteld van de opleiding bedoeld in § 4, 2° :
   1° de verpleegkundigen (bachelor of gelijkgesteld) die beschikken over een titel van verpleegkundige gespecialiseerd in de geestelijke gezondheidszorg of de geriatrie, of een licentiaat of een master in gerontologie of geriatrie [7 en de bachelors na bachelor opleiding psychosociale gerontologie]7;
   2° de kandidaten voor de functie van referentiepersoon dementie die, na 1 januari 2005 en voor 31 december 2011, een opleiding gevolgd hebben van minstens 90 uren, betreffende de onderwerpen bedoeld in § 4, 2°, en erkend als voldoende door de commissie bedoeld in het tweede lid;
   3° de kandidaten voor de functie van referentiepersoon dementie die, na 1 januari 2005 en voor 31 december 2011, een opleiding gevolgd hebben van minstens 60 uren, betreffende de onderwerpen bedoeld in § 4, 2°, erkend als voldoende door de commissie bedoeld in het tweede lid, en die al minstens drie jaar werkzaam zijn in de sector van de ouderenzorg.
   Voor de opleidingen bedoeld in de bovenbedoelde punten 2° et 3°, worden de aanvragen tot erkenning samen met de nodige bewijsstukken door de inrichtingen, de betrokken individuen of de opleidingsorganisaties uiterlijk [6 30 juni 2014]6 bezorgd aan de Dienst, die ze een antwoord overmaakt binnen de 60 dagen, nadat ze deze aanvragen heeft voorgelegd aan de overeenkomstencommissie tussen de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden, de centra voor dagverzorging en de verzekeringsinstellingen. De lijst van de erkende opleidingen wordt door de Dienst bekendgemaakt op de website van het RIZIV.]2

  
Art. 28ter. [1 § 1er. [3 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire pour la personne de référence pour la démence est déterminée selon les critères suivants :
   - l'équivalent temps plein pour la personne de référence pour la démence est calculé selon les disposition de l'article 8;
   - durant une même période, une personne de référence pour la démence au maximum est prise en compte. Durant la période où un membre du personnel exerce la fonction de personne de référence pour la démence, il en est tenu compte pour 19 heures par semaine au maximum;
   - l'intervention est calculée au moyen de la formule suivante : [((ETP de la personne de référence pour la démence au cours de la période de référence x salaire annuel suivant le niveau moyen d'ancienneté de la qualification de cette personne)/nombre moyen de patients pendant la période de référence)/nombre de jours calendrier de la période de facturation];
   - il est possible que plusieurs personnes de référence pour la démence soient désignées successivement au cours de la période de référence.]3

   § 2. [3 Pour pouvoir recevoir ce financement, l'institution doit satisfaire aux conditions suivantes :
   1° avoir hébergé une moyenne de 25 patients classés dans la catégorie de dépendance Cd pendant la période de référence. Lorsque cette condition a été remplie pour une période de référence à partir de la période de référence qui a commencé le 1er juillet 2010 au plus tôt, cette condition n'est plus exigée par la suite. S'il est constaté que pendant une période de référence complète, l'institution ne dispose pas d'une personne de référencepour la démence, cette condition est à nouveau d'application pour au moins une période de référence;
   2° transmettre au Service les pièces nécessaires attestant qu'un membre du personnel a un contrat ou a été nommé en tant que personne de référence pour la démence pour un minimum de 19 heures/semaine;
   3° ne pas recevoir de financement pour une personne de référence pour la démence sur base de l'article 4bis de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des rémunérations dans certaines institutions de soins;
   4° la fonction de personne de référence pour la démence est exercée par un seul membre du personnel. En son absence, la fonction peut être occupée par un autre membre du personnel qui répond aux conditions.]3

   § 3. La fonction de cette personne de référence peut être décrite comme suit :
   1° être la personne de conseil et d'avis pour les questions concernant l'encadrement et les soins pour les personnes atteintes de démence et leur entourage;
   2° [4 s'informer de la législation et de l'évolution de la connaissance en matière de démence;]4
   3° conseiller la direction sur la formation du personnel en matière de démence en veillant à proposer des experts externes pour dispenser certains aspects de cette formation;
   4° sensibiliser le personnel à l'identification des signes de démence naissante. Compte tenu de ceux-ci et en coordination avec l'infirmière-chef, avertir le médecin traitant et/ou le médecin coordinateur;
   5° encourager le personnel et l'entourage des personnes atteintes de démence à la réflexion sur la problématique de la démence et les stimuler à une approche et des attitudes favorisant le bien-être de ces personnes;
   6° contribuer au développement et à la mise en oeuvre d'une politique de qualité (procédures, concertation multidisciplinaire, etc.) en matière d'encadrement et de soins aux personnes atteintes de démence;
   7° susciter la création de réseaux impliquant des acteurs pertinents actifs sur le terrain : le centre d'expertise en démence, l'hôpital de jour gériatrique avec lequel est créé un lien fonctionnel, le médecin coordinateur, d'autres personnes de référence en matière de démence;
   8° assurer une fonction de liaison avec ces réseaux et le médecin coordinateur;
   9° sensibiliser le personnel et la direction à continuer à chercher des moyens pour améliorer la qualité de la vie des personnes atteintes de démence;
   10° proposer à la direction des moyens pour améliorer la qualité de vie du personnel qui soigne ou côtoie des personnes atteintes de démence, notamment au travers de l'organisation de supervision par des experts externes.
  [4 11° contribuer à la sensibilisation, la supervision et la formation du personnel en matière de démence. Son action à ce niveau porte par priorité sur les aspects psycho-sociaux de la démence, ses aspects éthico-déontologiques et la communication. Elle vise notamment à produire un effet sur les comportements agressifs des résidents et à diminuer l'usage des contentions tant chimiques que physiques.]4
   § 4. Sont pris en considération pour remplir la fonction de personne de référence pour la démence les membres du personnel [3 détenteurs d'un diplôme ou d'un brevet d'infirmier (A1 ou A2)]3 ou d'un des diplômes visés à l'article 4, § 2, et qui :
   1° pendant une période transitoire allant du 1er janvier 2005 au [2 30 juin [6 2014]6 au plus tard]2, ont suivi une formation idoine d'au moins 30 heures ou ont acquis durant 24 mois l'expérience professionnelle adéquate;
   2° à partir du [2 1er juillet [6 2014]6 au plus tard]2, ont suivi une formation d'au moins 60 heures comprenant les matières suivantes :
   a) les aspects médicaux de la démence;
   b) les aspects psycho-sociaux de la démence;
   c) les aspects éthico-déontologiques de la démence;
   d) les aspects juridiques de la démence;
   e) organisation des soins;
   f) communication.
  [5 3° sont salariés ou statutaires. Un directeur salarié ou statutaire, un(e) infirmier(ère) en chef, un paramédical en chef ou un coordinateur infirmier ne peuvent toutefois exercer en même temps la fonction de personne de référence pour la démence.]5
   § 5. Les exigences minimales pour la formation visée au § 4, 2°, sont communiquées par le Service aux institutions par voie de circulaire.
   § 6. [2 Le programme de la formation visée au § 4, 2°, est communiqué par les institutions ou les organismes de formation au SPF Santé publique qui, dans les 60 jours, examine s'il satisfait aux exigences minimales visées au § 5. A défaut de réponse dans les 60 jours suivant la date d'introduction de la demande, le programme de formation est considéré comme approuvé.
   Le nombre maximum autorisé d'élèves par module de formation est de 30.
   La durée de validité de cette reconnaissance est de quatre années scolaires, sauf s'il ressort d'un contrôle que le programme effectivement suivi ne correspond pas au programme pour lequel l'approbation a été donnée.]2
]1

   § 7. [2 Sont dispensés de suivre la formation visée au § 4, 2° :
   1° les praticiens de l'art infirmier (bachelor ou équivalent) ayant le titre d'infirmier spécialisé en santé mentale ou gériatrique ou une licence ou un master en gérontologie ou en gériatrie [7 ainsi que les "bachelors na bachelor opleiding psychosociale gerontologie"]7;
   2° les candidats à la fonction de personne de référence pour la démence qui, après le 1er janvier 2005 et avant le 31 décembre 2011, ont suivi une formation d'au moins 90 heures, comprenant les matières visées au § 4, 2°, et reconnue comme suffisante par la commission visée à l'alinéa 2;
   3° les candidats à la fonction de personne de référence pour la démence qui, après le 1er janvier 2005 et avant le 31 décembre 2011, ont suivi une formation d'au moins 60 heures, comprenant les matières visées au § 4, 2°, et reconnue comme suffisante par la commission visée à l'alinéa 2, et qui travaillent dans le secteur des soins aux personnes âgées depuis au moins trois ans.
   Pour les formations visées au points 2° et 3° ci-dessus, les demandes de reconnaissance, accompagnées des pièces justificatives nécessaires, sont adressées jusqu'au [6 30 juin 2014]6 au plus tard par les institutions, les individus concernés ou les organismes de formation au Service qui, après avoir soumis ces demandes à la Commission de convention entre les maisons de repos et de soins, les maisons de repos pour personnes âgées, les centres de soins de jour, et les organismes assureurs, leur répond dans les 60 jours. La liste des formations reconnues est publiée par le Service sur le site web de l'INAMI.]2

  
Art. 28ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    [1 § 1. [3 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor de referentiepersoon dementie wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria :   - het voltijds equivalent van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode wordt berekend volgens de bepalingen van artikel 8;   - gedurende eenzelfde periode wordt maximum een referentiepersoon dementie in aanmerking genomen. Tijdens deze periode waarin een personeelslid de functie van referentiepersoon dementie uitoefent, wordt rekening gehouden met maximum 19 uur per week;   - de tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de volgende formule : [((VTE van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode x jaarlijkse loonkost volgens de gemiddelde anciënniteit van de kwalificatie van die persoon )/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode)/aantal kalenderdagen van de facturatieperiode];   - het is mogelijk dat tijdens de referentieperiode meerdere opeenvolgende referentiepersonen worden aangeduid.]3   § 2. [3 Om in aanmerking te kunnen komen voor die financiering moet de inrichting de volgende voorwaarden vervullen :   1° gedurende de referentieperiode gemiddeld minstens 25 patiënten in de afhankelijkheidscategorie Cd te hebben gehuisvest. Van zodra gedurende een referentieperiode en dit ten vroegste vanaf de referentieperiode die begon op 1 juli 2010 aan deze voorwaarde is voldaan, is ze nadien niet meer van toepassing. Als vastgesteld wordt dat de inrichting gedurende een volledige referentieperiode niet over een referentiepersoon dementie beschikt, is deze voorwaarde terug van toepassing gedurende minstens een referentieperiode;   2° aan de Dienst de nodige stukken overmaken die aantonen dat een personeelslid voor minstens 19 uur/week een contract heeft of benoemd is, als referentiepersoon dementie;   3° geen financiering ontvangen voor een referentiepersoon dementie op basis van artikel 4bis van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft;   4° die functie van referentiepersoon dementie kan tegelijkertijd worden uitgeoefend door maximum een personeelslid. In geval van afwezigheid kan deze functie wel uitgeoefend worden door een andere personeelslid dat beantwoordt aan de voorwaarden.]3   § 3. De functie van referentiepersoon dementie kan als volgt omschreven worden :   1° als raadgever optreden in verband met en advies geven over vragen in verband met de omkadering van en de verzorging die gegeven wordt aan personen die lijden aan dementie en hun omgeving;   2° [4 zich informeren over de wetgeving en de ontwikkelingen op het vlak van de kennis over dementie ]4;   3° de directie bijstaan bij de vorming van het personeel in verband met dementie en voorstellen formuleren over externe deskundigen die delen van deze opleidingen kunnen geven;   4° het personeel bewust maken van tekenen van beginnende dementie. Op basis hiervan in samenspraak met de hoofdverpleegkundige de behandelende arts en/of de raadgevend en coördinerend arts hiervan op de hoogte brengen;   5° het personeel en de omgeving van personen met dementie stimuleren om over de problematiek van dementie na te denken en om een aanpak en een houding te ontwikkelen die het welzijn van deze personen kan verbeteren;   6° meewerken aan het ontwikkelen van een kwaliteitspolitiek (procedures, multidisciplinair overleg, enz.) in verband met de omkadering van en de zorg voor personen met dementie;   7° pleiten voor het oprichten van een netwerk met daarin alle belangrijke partners : het expertisecentrum dementie, het geriatrisch dagziekenhuis waarmee er een functionele band moet gecreëerd worden, de coördinerend en raadgevend arts, andere referentiepersonen in verband met dementie;   8° instaan voor een verbindingsfunctie tussen dit netwerk en de coördinerend en raadgevend arts;   9° het personeel en de directie stimuleren om te blijven zoeken naar middelen die de levenskwaliteit van personen met dementie kunnen verbeteren;   10° aan de directie voorstellen doen in verband met de verbetering van de levenskwaliteit van het personeel dat personen met dementie verzorgt of bijstaat en dit binnen de ganse organisatie en onder toezicht van externe deskundigen.  [4 11° bijdragen tot de sensibilisering, de supervisie en de opleiding van het personeel op het vlak van dementie. Hij/zij houdt zich bij voorrang bezig met de psychosociale en ethisch-deontologische aspecten van dementie, alsook met de communicatie. Het is meer bepaald de bedoeling om een effect te hebben op het agressieve gedrag van de bewoners en het gebruik van zowel chemische als fysieke fixatie te verminderen.]4   § 4. Komen in aanmerking om de functie van referentiepersoon dementie uit te voeren, die personeelsleden [3 die houder zijn van een diploma of een brevet van verpleegkundige (A1 of A2)]3 of van een van de diploma's vermeld in artikel 4, § 2, en die :   1° [8 voor personen die vóór 1 juli 2014 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen]8]6 ]2 een relevante vorming van minstens 30 uren gevolgd hebben of gedurende 24 maanden relevante beroepservaring hebben opgedaan;   2° [8 voor personen die tussen 1 juli 2014 en 30 juni 2024 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen:]8 ]2 een opleiding gevolgd hebben van minstens 60 uren die de volgende onderwerpen behandeld :   a) de medische aspecten van dementie;   b) de psychosociale aspecten van dementie;   c) de ethisch-deontologische aspecten van dementie;   d) de juridische aspecten van dementie;   e) [8 de organisatie]8 van de zorg;   f) [8 de communicatie ]8.  [8 2/1° voor personen die vanaf 1 juli 2024 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen: een door de bevoegde ministers erkende opleiding van minstens 70 uur gevolgd hebben en met vrucht geslaagd zijn voor de certificeringstest die deze opleiding bekrachtigt. Deze opleiding omvat de volgende onderwerpen:   a) kennis van cognitieve stoornissen en dementie, de medische actualiteit en vooruitzichten in de begeleiding en behandeling van mensen met cognitieve stoornissen;   b) psychosociale aspecten van begeleiding en verzorging van mensen met dementie of cognitieve stoornissen, hun naaste omgeving en personeelsleden;   c) ethische en deontologische aspecten van begeleiding van mensen met cognitieve stoornissen of dementie;   d) juridische aspecten van cognitieve stoornissen en dementie en bicommunautaire regelgeving over de referentiepersoon dementie;   e) organisatie van de zorgverlening en de begeleiding;   f) communicatie en interdisciplinaire samenwerking in de instelling;   g) kennisoverdracht: bewustmaking, ontwikkeling en methoden van interne opleiding;   h) projectbeheer: ontwikkeling op basis van de behoeften en methodologie ;   i) werken in netwerken: de oprichting van netwerken rond mensen met cognitieve stoornissen met de relevante externe actoren, en de presentatie van het Brusselse bicommunautaire netwerk van referentiepersonen dementie.]8  [5 3° loontrekkende of statutair zijn. Een loontrekkende of statutaire directeur, een hoofdverpleegkundige, een hoofdparamedicus of een verpleegkundig coördinator mogen echter niet tegelijkertijd de functie van referentiepersoon dementie uitoefenen.]5   § 5. De minimumvereisten voor [9 de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°]9, worden via omzendbrief bekend gemaakt aan de instellingen door [9 Iriscare]9.   § 6. [2 [10 § 6. Het programma van de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°, wordt door de opleidingsorganisaties meegedeeld aan Iriscare, die binnen 60 dagen nagaat of het voldoet aan de minimumvereisten bedoeld in § 5. Als er binnen 60 dagen volgend op de datum van indiening van de aanvraag geen antwoord is gegeven, wordt het opleidingsprogramma als goedgekeurd beschouwd.   De geldigheidsduur van deze erkenning bedraagt vier schooljaren, behalve wanneer uit een controle blijkt dat het werkelijk gevolgde programma niet overeenstemt met het programma waarvoor de goedkeuring is verleend.   Er worden maximum 30 leerlingen toegelaten per opleidingsmodule.   De opleidingsorganisatie kan voor haar studenten een facultatieve observatiestage organiseren, vooral voor studenten zonder ervaring met paramedisch werk in ROB's/RVT's]10.]2]1  [2 § 7.[11 Van de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°, zijn vrijgesteld op voorwaarde dat ze kunnen aantonen dat ze voldoende kennis hebben van projectbeheer, cognitieve stoornissen of dementie, en voldoende geschoold zijn in de communicatieve vaardigheden die nodig zijn voor de begeleiding en verzorging van mensen met cognitieve stoornissen: verpleegkundigen (bachelor of gelijkgesteld) die beschikken over een titel van verpleegkundige gespecialiseerd in de geriatrie, of een licentiaat of een master in gerontologie of geriatrie en de "bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie".   Voor de opleidingen bedoeld in het vorige lid worden de erkenningsaanvragen, samen met de nodige bewijsstukken, door de instellingen, de betrokken personen of de opleidingsorganisaties bezorgd aan Iriscare, die binnen 60 dagen antwoordt. De lijst van erkende opleidingen wordt bekendgemaakt op de website van Iriscare]11.]2  [12 § 8. Opleidingscursussen georganiseerd op basis van de regelgeving van andere Belgische deelentiteiten, en equivalente opleidingscursussen gevolgd in andere lidstaten van de Europese Unie, worden tot en met 30 juni 2024 gelijkgesteld met de opleidingen bedoeld in § 4, 2°.   Opleidingscursussen georganiseerd op basis van de regelgeving van andere Belgische deelentiteiten, en equivalente opleidingscursussen gevolgd in andere lidstaten van de Europese Unie, worden vanaf 1 juli 2024 gelijkgesteld met de opleidingen bedoeld in § 4, 2/1.]12  
Art. 28ter _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   [1 § 1er. [3 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire pour la personne de référence pour la démence est déterminée selon les critères suivants :
   - l'équivalent temps plein pour la personne de référence pour la démence est calculé selon les disposition de l'article 8;
   - durant une même période, une personne de référence pour la démence au maximum est prise en compte. Durant la période où un membre du personnel exerce la fonction de personne de référence pour la démence, il en est tenu compte pour 19 heures par semaine au maximum;
   - l'intervention est calculée au moyen de la formule suivante : [((ETP de la personne de référence pour la démence au cours de la période de référence x salaire annuel suivant le niveau moyen d'ancienneté de la qualification de cette personne)/nombre moyen de patients pendant la période de référence)/nombre de jours calendrier de la période de facturation];
   - il est possible que plusieurs personnes de référence pour la démence soient désignées successivement au cours de la période de référence.]3

   § 2. [3 Pour pouvoir recevoir ce financement, l'institution doit satisfaire aux conditions suivantes :
   1° avoir hébergé une moyenne de 25 patients classés dans la catégorie de dépendance Cd pendant la période de référence. Lorsque cette condition a été remplie pour une période de référence à partir de la période de référence qui a commencé le 1er juillet 2010 au plus tôt, cette condition n'est plus exigée par la suite. S'il est constaté que pendant une période de référence complète, l'institution ne dispose pas d'une personne de référencepour la démence, cette condition est à nouveau d'application pour au moins une période de référence;
   2° transmettre au Service les pièces nécessaires attestant qu'un membre du personnel a un contrat ou a été nommé en tant que personne de référence pour la démence pour un minimum de 19 heures/semaine;
   3° ne pas recevoir de financement pour une personne de référence pour la démence sur base de l'article 4bis de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des rémunérations dans certaines institutions de soins;
   4° la fonction de personne de référence pour la démence est exercée par un seul membre du personnel. En son absence, la fonction peut être occupée par un autre membre du personnel qui répond aux conditions.]3

   § 3. La fonction de cette personne de référence peut être décrite comme suit :
   1° être la personne de conseil et d'avis pour les questions concernant l'encadrement et les soins pour les personnes atteintes de démence et leur entourage;
   2° [4 s'informer de la législation et de l'évolution de la connaissance en matière de démence;]4
   3° conseiller la direction sur la formation du personnel en matière de démence en veillant à proposer des experts externes pour dispenser certains aspects de cette formation;
   4° sensibiliser le personnel à l'identification des signes de démence naissante. Compte tenu de ceux-ci et en coordination avec l'infirmière-chef, avertir le médecin traitant et/ou le médecin coordinateur;
   5° encourager le personnel et l'entourage des personnes atteintes de démence à la réflexion sur la problématique de la démence et les stimuler à une approche et des attitudes favorisant le bien-être de ces personnes;
   6° contribuer au développement et à la mise en oeuvre d'une politique de qualité (procédures, concertation multidisciplinaire, etc.) en matière d'encadrement et de soins aux personnes atteintes de démence;
   7° susciter la création de réseaux impliquant des acteurs pertinents actifs sur le terrain : le centre d'expertise en démence, l'hôpital de jour gériatrique avec lequel est créé un lien fonctionnel, le médecin coordinateur, d'autres personnes de référence en matière de démence;
   8° assurer une fonction de liaison avec ces réseaux et le médecin coordinateur;
   9° sensibiliser le personnel et la direction à continuer à chercher des moyens pour améliorer la qualité de la vie des personnes atteintes de démence;
   10° proposer à la direction des moyens pour améliorer la qualité de vie du personnel qui soigne ou côtoie des personnes atteintes de démence, notamment au travers de l'organisation de supervision par des experts externes.
  [4 11° contribuer à la sensibilisation, la supervision et la formation du personnel en matière de démence. Son action à ce niveau porte par priorité sur les aspects psycho-sociaux de la démence, ses aspects éthico-déontologiques et la communication. Elle vise notamment à produire un effet sur les comportements agressifs des résidents et à diminuer l'usage des contentions tant chimiques que physiques.]4
   § 4. Sont pris en considération pour remplir la fonction de personne de référence pour la démence les membres du personnel [3 détenteurs d'un diplôme ou d'un brevet d'infirmier (A1 ou A2)]3 ou d'un des diplômes visés à l'article 4, § 2, et qui :
   1° [8 pour les personnes désignées comme personnes de référence pour la démence pour la première fois avant le 1er juillet 2014]8]2, ont suivi une formation idoine d'au moins 30 heures ou ont acquis durant 24 mois l'expérience professionnelle adéquate;
   2° [8 pour les personnes désignées comme personne de référence pour la démence pour la première fois entre le 1er juillet 2014 et le 30 juin 2024]8, ont suivi une formation d'au moins 60 heures comprenant les matières suivantes :
   a) les aspects médicaux de la démence;
   b) les aspects psycho-sociaux de la démence;
   c) les aspects éthico-déontologiques de la démence;
   d) les aspects juridiques de la démence;
   e) [8 l'organisation]8 des soins;
   f) [8 la communication]8.
  [8 2/1° pour les personnes désignées pour la première fois comme personne de référence pour la démence à partir du 1er juillet 2024 : ont suivi une formation d'au moins 70 heures, reconnue par les Ministres compétents, et ont satisfait avec fruit à l'épreuve certificative la sanctionnant. Cette formation comprend les matières suivantes :
   a) la connaissance des troubles cognitifs et des démences, les actualités médicales et les perspectives dans l'accompagnement et le traitement des personnes présentant des troubles cognitifs ;
   b) les aspects psycho-sociaux de l'accompagnement et des soins des personnes présentant une démence ou des troubles cognitifs, de leur entourage proche et de membres du personnel ;
   c) les aspects éthiques et déontologiques de l'accompagnement des personnes présentant des troubles cognitifs ou une démence ;
   d) les aspects juridiques relatifs aux troubles cognitifs et aux démences et la législation bicommunautaire relative à la personne de référence pour la démence ;
   e) l'organisation des soins et des accompagnements ;
   f) la communication et la collaboration interdisciplinaire au sein de l'établissement ;
   g) la transmission des savoirs : sensibilisation, élaboration et méthodes de formations internes ;
   h) la gestion de projet : élaboration sur base des besoins et méthodologie ;
   i) le travail en réseaux : la création de réseaux autour des personnes présentant des troubles cognitifs avec les acteurs externes pertinents, et la présentation du réseau bruxellois bicommunautaire des personnes de référence pour la démence.]8

  [5 3° sont salariés ou statutaires. Un directeur salarié ou statutaire, un(e) infirmier(ère) en chef, un paramédical en chef ou un coordinateur infirmier ne peuvent toutefois exercer en même temps la fonction de personne de référence pour la démence.]5
   § 5. Les exigences minimales pour [9 les formations visées au § 4, 2° et 2/1° ]9, sont communiquées par le [9 Iriscare]9 aux institutions par voie de circulaire.
   § 6. [2 [10 Le programme des formations visées au § 4, 2° et 2/1°, est communiqué par les organismes de formation à Iriscare qui, dans les 60 jours, examine s'il satisfait aux exigences minimales visées au § 5. A défaut de réponse dans les 60 jours suivant la date d'introduction de la demande, le programme de formation est considéré comme approuvé.
   La durée de validité de cette reconnaissance est de quatre années scolaires, sauf s'il ressort d'un contrôle que le programme effectivement suivi ne correspond pas au programme pour lequel l'approbation a été donnée.
   Le nombre maximum autorisé d'élèves par module de formation est de 30.
   L'organisme de formation peut organiser un stage d'observation facultatif à l'attention de ses étudiants, en particulier de ceux qui n'ont pas d'expérience du travail de type paramédical en MRPA/MRS]1
0.]2]1
   § 7. [2 [11 Sont dispensés de suivre les formations visées au § 4, 2° et 2/1°, pour autant qu'ils puissent démontrer d'une connaissance suffisante en matière de gestion de projet, de troubles cognitifs ou démences, ainsi que d'une formation suffisante à la communication indiquée dans l'accompagnement et les soins d'une personne présentant des troubles cognitifs : les praticiens de l'art infirmier (bachelor ou équivalent) ayant le titre d'infirmier spécialisé en gériatrie ou une licence ou un master en gérontologie ou en gériatrie ainsi que les "bachelors na bachelor opleiding psychosociale gerontologie".
   Pour les formations visées à l'alinéa précédent, les demandes de reconnaissance, accompagnées des pièces justificatives nécessaires, sont adressées par les institutions, les individus concernés ou les organismes de formation à Iriscare qui leur répond dans les 60 jours. La liste des formations reconnues est publiée sur le site web d'Iriscare]11
.]2

  [12 § 8. Jusqu'au 30 juin 2024, les cycles de formations organisés sur la base des réglementations des autres entités fédérées belges, ainsi que les cycles de formation équivalents suivis au sein des autres Etats membres de l'Union européenne sont assimilés aux formations visées au § 4, 2°.
   A partir du 1er juillet 2024, les cycles de formations organisés sur la base des réglementations des autres entités fédérées belges, ainsi que les cycles de formation équivalents suivis au sein des autres Etats membres de l'Union européenne sont assimilés aux formations visées au § 4, 2/1°.]12
Art. 28ter_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    [1 § 1. [3 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor de referentiepersoon dementie wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria :
   - het voltijds equivalent van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode wordt berekend volgens de bepalingen van artikel 8;
   - gedurende eenzelfde periode wordt maximum een referentiepersoon dementie in aanmerking genomen. Tijdens deze periode waarin een personeelslid de functie van referentiepersoon dementie uitoefent, wordt rekening gehouden met maximum 19 uur per week;
   - de tegemoetkoming wordt berekend aan de hand van de volgende formule : [((VTE van de referentiepersoon dementie tijdens de referentieperiode x jaarlijkse loonkost volgens de gemiddelde anciënniteit van de kwalificatie van die persoon )/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode)/aantal kalenderdagen van de facturatieperiode];
   - het is mogelijk dat tijdens de referentieperiode meerdere opeenvolgende referentiepersonen worden aangeduid.]3

   § 2. [3 Om in aanmerking te kunnen komen voor die financiering moet de inrichting de volgende voorwaarden vervullen :
   1° gedurende de referentieperiode gemiddeld minstens 25 patiënten in de afhankelijkheidscategorie Cd te hebben gehuisvest. Van zodra gedurende een referentieperiode en dit ten vroegste vanaf de referentieperiode die begon op 1 juli 2010 aan deze voorwaarde is voldaan, is ze nadien niet meer van toepassing. Als vastgesteld wordt dat de inrichting gedurende een volledige referentieperiode niet over een referentiepersoon dementie beschikt, is deze voorwaarde terug van toepassing gedurende minstens een referentieperiode;
   2° aan de Dienst de nodige stukken overmaken die aantonen dat een personeelslid voor minstens 19 uur/week een contract heeft of benoemd is, als referentiepersoon dementie;
   3° geen financiering ontvangen voor een referentiepersoon dementie op basis van artikel 4bis van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's en de loonsverhogingen in bepaalde gezondheidsinrichtingen betreft;
   4° die functie van referentiepersoon dementie kan tegelijkertijd worden uitgeoefend door maximum een personeelslid. In geval van afwezigheid kan deze functie wel uitgeoefend worden door een andere personeelslid dat beantwoordt aan de voorwaarden.]3

   § 3. De functie van referentiepersoon dementie kan als volgt omschreven worden :
   1° als raadgever optreden in verband met en advies geven over vragen in verband met de omkadering van en de verzorging die gegeven wordt aan personen die lijden aan dementie en hun omgeving;
   2° [4 zich informeren over de wetgeving en de ontwikkelingen op het vlak van de kennis over dementie ]4;
   3° de directie bijstaan bij de vorming van het personeel in verband met dementie en voorstellen formuleren over externe deskundigen die delen van deze opleidingen kunnen geven;
   4° het personeel bewust maken van tekenen van beginnende dementie. Op basis hiervan in samenspraak met de hoofdverpleegkundige de behandelende arts en/of de raadgevend en coördinerend arts hiervan op de hoogte brengen;
   5° het personeel en de omgeving van personen met dementie stimuleren om over de problematiek van dementie na te denken en om een aanpak en een houding te ontwikkelen die het welzijn van deze personen kan verbeteren;
   6° meewerken aan het ontwikkelen van een kwaliteitspolitiek (procedures, multidisciplinair overleg, enz.) in verband met de omkadering van en de zorg voor personen met dementie;
   7° pleiten voor het oprichten van een netwerk met daarin alle belangrijke partners : het expertisecentrum dementie, het geriatrisch dagziekenhuis waarmee er een functionele band moet gecreëerd worden, de coördinerend en raadgevend arts, andere referentiepersonen in verband met dementie;
   8° instaan voor een verbindingsfunctie tussen dit netwerk en de coördinerend en raadgevend arts;
   9° het personeel en de directie stimuleren om te blijven zoeken naar middelen die de levenskwaliteit van personen met dementie kunnen verbeteren;
   10° aan de directie voorstellen doen in verband met de verbetering van de levenskwaliteit van het personeel dat personen met dementie verzorgt of bijstaat en dit binnen de ganse organisatie en onder toezicht van externe deskundigen.
  [4 11° bijdragen tot de sensibilisering, de supervisie en de opleiding van het personeel op het vlak van dementie. Hij/zij houdt zich bij voorrang bezig met de psychosociale en ethisch-deontologische aspecten van dementie, alsook met de communicatie. Het is meer bepaald de bedoeling om een effect te hebben op het agressieve gedrag van de bewoners en het gebruik van zowel chemische als fysieke fixatie te verminderen.]4
   § 4. Komen in aanmerking om de functie van referentiepersoon dementie uit te voeren, die personeelsleden [3 die houder zijn van een diploma of een brevet van verpleegkundige (A1 of A2)]3 of van een van de diploma's vermeld in artikel 4, § 2, en die :
   1° [8 voor personen die vóór 1 juli 2014 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen]8]6 ]2 een relevante vorming van minstens 30 uren gevolgd hebben of gedurende 24 maanden relevante beroepservaring hebben opgedaan;
   2° [8 voor personen die tussen 1 juli 2014 en 30 juni 2024 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen:]8 ]2 een opleiding gevolgd hebben van minstens 60 uren die de volgende onderwerpen behandeld :
   a) de medische aspecten van dementie;
   b) de psychosociale aspecten van dementie;
   c) de ethisch-deontologische aspecten van dementie;
   d) de juridische aspecten van dementie;
   e) [8 de organisatie]8 van de zorg;
   f) [8 de communicatie ]8.
  [8 2/1° voor personen die vanaf 1 juli 2024 voor het eerst als referentiepersoon dementie zijn aangewezen: een door de bevoegde ministers erkende opleiding van minstens 70 uur gevolgd hebben en met vrucht geslaagd zijn voor de certificeringstest die deze opleiding bekrachtigt. Deze opleiding omvat de volgende onderwerpen:
   a) kennis van cognitieve stoornissen en dementie, de medische actualiteit en vooruitzichten in de begeleiding en behandeling van mensen met cognitieve stoornissen;
   b) psychosociale aspecten van begeleiding en verzorging van mensen met dementie of cognitieve stoornissen, hun naaste omgeving en personeelsleden;
   c) ethische en deontologische aspecten van begeleiding van mensen met cognitieve stoornissen of dementie;
   d) juridische aspecten van cognitieve stoornissen en dementie en bicommunautaire regelgeving over de referentiepersoon dementie;
   e) organisatie van de zorgverlening en de begeleiding;
   f) communicatie en interdisciplinaire samenwerking in de instelling;
   g) kennisoverdracht: bewustmaking, ontwikkeling en methoden van interne opleiding;
   h) projectbeheer: ontwikkeling op basis van de behoeften en methodologie ;
   i) werken in netwerken: de oprichting van netwerken rond mensen met cognitieve stoornissen met de relevante externe actoren, en de presentatie van het Brusselse bicommunautaire netwerk van referentiepersonen dementie.]8

  [5 3° loontrekkende of statutair zijn. Een loontrekkende of statutaire directeur, een hoofdverpleegkundige, een hoofdparamedicus of een verpleegkundig coördinator mogen echter niet tegelijkertijd de functie van referentiepersoon dementie uitoefenen.]5
   § 5. De minimumvereisten voor [9 de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°]9, worden via omzendbrief bekend gemaakt aan de instellingen door [9 Iriscare]9.
   § 6. [2 [10 § 6. Het programma van de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°, wordt door de opleidingsorganisaties meegedeeld aan Iriscare, die binnen 60 dagen nagaat of het voldoet aan de minimumvereisten bedoeld in § 5. Als er binnen 60 dagen volgend op de datum van indiening van de aanvraag geen antwoord is gegeven, wordt het opleidingsprogramma als goedgekeurd beschouwd.
   De geldigheidsduur van deze erkenning bedraagt vier schooljaren, behalve wanneer uit een controle blijkt dat het werkelijk gevolgde programma niet overeenstemt met het programma waarvoor de goedkeuring is verleend.
   Er worden maximum 30 leerlingen toegelaten per opleidingsmodule.
   De opleidingsorganisatie kan voor haar studenten een facultatieve observatiestage organiseren, vooral voor studenten zonder ervaring met paramedisch werk in ROB's/RVT's]1
0.]2]1
  [2 § 7.[11 Van de opleidingen bedoeld in § 4, 2° en 2/1°, zijn vrijgesteld op voorwaarde dat ze kunnen aantonen dat ze voldoende kennis hebben van projectbeheer, cognitieve stoornissen of dementie, en voldoende geschoold zijn in de communicatieve vaardigheden die nodig zijn voor de begeleiding en verzorging van mensen met cognitieve stoornissen: verpleegkundigen (bachelor of gelijkgesteld) die beschikken over een titel van verpleegkundige gespecialiseerd in de geriatrie, of een licentiaat of een master in gerontologie of geriatrie en de "bachelor na bachelor opleiding psychosociale gerontologie".
   Voor de opleidingen bedoeld in het vorige lid worden de erkenningsaanvragen, samen met de nodige bewijsstukken, door de instellingen, de betrokken personen of de opleidingsorganisaties bezorgd aan Iriscare, die binnen 60 dagen antwoordt. De lijst van erkende opleidingen wordt bekendgemaakt op de website van Iriscare]11
.]2

  [12 § 8. Opleidingscursussen georganiseerd op basis van de regelgeving van andere Belgische deelentiteiten, en equivalente opleidingscursussen gevolgd in andere lidstaten van de Europese Unie, worden tot en met 30 juni 2024 gelijkgesteld met de opleidingen bedoeld in § 4, 2°.
   Opleidingscursussen georganiseerd op basis van de regelgeving van andere Belgische deelentiteiten, en equivalente opleidingscursussen gevolgd in andere lidstaten van de Europese Unie, worden vanaf 1 juli 2024 gelijkgesteld met de opleidingen bedoeld in § 4, 2/1.]12
Art. 28ter _REGION_WALLONNE.
   [1 § 1er. [3 L'intervention par journée d'hébergement et par bénéficiaire pour la personne de référence pour la démence est déterminée selon les critères suivants :
   - l'équivalent temps plein pour la personne de référence pour la démence est calculé selon les disposition de l'article 8;
   - [9 l'intervention est calculée au moyen de la formule suivante : ((somme de (ETP de la personne de référence pour la démence au cours de la période de référence x salaire annuel suivant le niveau moyen d'ancienneté de la qualification de cette personne)) /nombre moyen de patients pendant la période de référence) /nombre de jours calendrier de la période de facturation]9;
   - [9 ...]9;
   - [9 ...]9
   § 2. [3 Pour pouvoir recevoir ce financement, l'institution doit satisfaire aux conditions suivantes :
   1° [9 a) Soit, avoir hébergé une moyenne de minimum vingt patients classés dans la catégorie de dépendance Cd ou D pendant la période de référence.
   Lorsque cette condition est remplie, durant la période où un membre du personnel exerce sa fonction de personne de référence pour la démence, il en est tenu compte pour 19 heures par semaine au maximum.
   La fonction de personne de référence pour la démence est exercée par un seul membre du personnel. En cas d'absence durant ces heures de prestations, la fonction peut être occupée par un autre membre du personnel qui répond aux conditions.
   b) Lorsque la condition visée au point a) a été remplie pour une période de référence à partir de la période de référence qui a commencé le 1er juillet 2021 au plus tôt, cette condition n'est plus exigée par la suite, pour autant que l'institution héberge une moyenne de minimum quinze patients classés dans la catégorie de dépendance Cd ou D pendant la période de référence. Lorsque cette condition est remplie, durant la période où un membre du personnel exerce sa fonction de personne de référence pour la démence, il en est tenu compte pour 19 heures par semaine au maximum.
   c) Soit, avoir hébergé une moyenne de minimum trente-six patients classés dans la catégorie de dépendance Cd ou D pendant la période de référence. Lorsque cette condition est remplie, durant la période de référence où un ou plusieurs membres du personnel exercent la fonction de personne de référence pour la démence, il en est tenu compte pour 38 heures par semaine au maximum.
   La fonction de personne de référence pour la démence peut être exercée par deux membres du personnel au maximum en même temps, pour autant qu'au moins une personne de référence pour la démence soit engagée à un minimum de 19 heures par semaine. Le cas échéant, les référents pour la démence doivent travailler sur une grille horaire commune de minimum 4 heures par semaine afin d'assurer la coordination de leur travail.
   d) Lorsque la condition visée au point c) a été remplie pour une période de référence à partir de la période de référence qui a commencé le 1er juillet 2021 au plus tôt, cette condition n'est plus exigée par la suite, pour autant que l'institution héberge une moyenne de trente patients classés dans la catégorie de dépendance Cd ou D pendant la période de référence.]9
;
   2° transmettre au Service les pièces nécessaires attestant qu'[9 un ou plusieurs membres]9 du personnel a un contrat ou a été nommé en tant que personne de référence pour la démence [9 ...]9;
   3° [9 les prestations d'un membre du personnel engagé sur base de l'article 4bis de l'arrêté royal du 17 août 2007 pris en exécution des articles 57 et 59 de la loi-programme du 2 janvier 2001 concernant l'harmonisation des barèmes et l'augmentation des rémunérations dans certaines institutions de soins ne peuvent en aucun cas être prises en considération.]9;
   4° [9 ...]9
   § 3. [8 ...]8
   § 4. [9 Sont pris en considération pour remplir la fonction de personne de référence pour la démence les membres du personnel détenteurs d'un diplôme ou d'un brevet d'infirmier A1 ou A2 ou d'un des diplômes visés à l'article 4, § 2, qui sont salariés ou statutaires. Un directeur salarié ou statutaire, un infirmier en chef, un paramédical en chef ou un coordinateur infirmier ne peuvent toutefois exercer en même temps la fonction de personne de référence pour la démence.]9
   § 5. [8 ...]8
   § 6. [8 ...]8
   § 7. [8 ...]8
Art. 28ter_WAALS_GEWEST.
Section 6quater.
Sectie 6quater.
Section 7. REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE. [1 financement du médecin coordinateur et conseiller ou du médecin référent]1.
Art. 28quater.
Section 7. REGION_WALLONNE. [1 Partie F : financement du médecin coordinateur et conseiller.]1
Sectie 7. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.[1 Deel F: financiering van de coördinerend en raadgevend arts of de referentieart]1
Art.29.[1 L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour la fonction du médecin coordinateur dans la section MRS s'élève à :
Sectie 7. BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.[1 Deel F: financiering van de coördinerend en raadgevend arts of de referentieart]1
Art. 29_REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.&nbsp;&nbsp; [1 L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour la fonction du médecin coordinateur et conseiller ou du médecin référent s'élève à :&nbsp;&nbsp; (0,63 euro x nombre de patients en MRS + 0,30 euros x nombre de patients en MRPA)/nombre total de patients".&nbsp;&nbsp; Ce financement est destiné à rémunérer le médecin coordinateur et conseiller ou, dans établissements qui n'ont pas d'agrément spécial comme maison de repos et de soins, le médecin référent.&nbsp;&nbsp; Le médecin coordinateur et conseiller et le médecin référent sont liés à l'institution au minimum par un contrat d'entreprise. Les prestations du médecin coordinateur et conseiller sont en moyenne de 2 heures 20' par semaine et par 30 patients en MRS.&nbsp;&nbsp; Un exemplaire du contrat liant le médecin coordinateur et conseiller ou le médecin référent à l'établissement est conservé au sein de l'établissement et transmis à Iriscare sur demande.]1&nbsp;&nbsp;
Art.29.[1 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor de functie van coördinerend geneesheer in de RVT-afdeling bedraagt :
Art. 29.[1 L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour la fonction du médecin coordinateur dans la section MRS s'élève à :
Art. 29_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor de functie van coördinerend en raadgevend arts of referentiearts bedraagt:   (0,63 euro x aantal patiënten in RVT + 0,30 euro x aantal patiënten in ROB)/totaal aantal patiënten.   Die financiering is bestemd voor de bezoldiging van de coördinerend en raadgevend arts of, in de rusthuizen die geen bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis hebben, de referentiearts.   De coördinerend en raadgevend arts en de referentiearts zijn op zijn minst door een ondernemingscontract aan de inrichting verbonden. De prestaties van de coördinerend en raadgevend arts bedragen gemiddeld 2 uur 20' per week en per 30 patiënten in het RVT.   Een exemplaar van het contract waardoor de coördinerend en raadgevend arts of de referentiearts verbonden is aan de inrichting, wordt bewaard in de inrichting en op verzoek aan Iriscare bezorgd. ]1
  
Art. 29 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   [1 L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour la fonction du médecin coordinateur et conseiller ou du médecin référent s'élève à :
   (0,63 euro x nombre de patients en MRS + 0,30 euros x nombre de patients en MRPA)/nombre total de patients".
   Ce financement est destiné à rémunérer le médecin coordinateur et conseiller ou, dans établissements qui n'ont pas d'agrément spécial comme maison de repos et de soins, le médecin référent.
   Le médecin coordinateur et conseiller et le médecin référent sont liés à l'institution au minimum par un contrat d'entreprise. Les prestations du médecin coordinateur et conseiller sont en moyenne de 2 heures 20' par semaine et par 30 patients en MRS.
   Un exemplaire du contrat liant le médecin coordinateur et conseiller ou le médecin référent à l'établissement est conservé au sein de l'établissement et transmis à Iriscare sur demande.]1

  
Art. 29_WAALS_GEWEST.   [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting en per rechthebbende voor de functie van coördinerend en raadgevend geneesheer bestaat uit een basistegemoetkoming (F') en een aanvullende tegemoetkoming voor de instellingen met een RVT- erkenning (F''), berekend als volgt:   1° [2 Basistegemoetkoming (F'):   17.550 euro/aantal erkende bedden/aantal kalenderdagen in de factureringsperiode]2;   2° [2 Aanvullende tegemoetkoming voor de instellingen met een RVT- erkenning (F''):   0,32 euro x aantal bedden met een RVT- erkenning/aantal erkende bedden. ]2.   Het bedrag van de tegemoetkoming per dag en per rechthebbende is de som van deze twee delen (F' en F''). [2 gedeeld door een coëfficiënt van 0,95. ]2  [2 De instelling geeft de hele financiering die wordt gefactureerd en verkregen via deel F van de vergoeding door aan de coördinerende en adviserende arts. De opbrengst van deze facturering vormt de beloning van de coördinerende en adviserende arts. De instelling stelt de coördinerende en adviserende arts in kennis, via een door hem opgegeven e-mailadres, van elke wijziging van het bedrag van zijn vergoeding en van het bedrag van deel F. Zij verricht de aanvullende betalingen op eigen initiatief of vordert het bedrag in voorkomend geval terug bij de coördinerende en adviserende arts in geval van wijziging van het bedrag van deel F van de vergoeding. Aan het eind van elk kwartaal, deelt de instelling aan en via een door de coördinerende en adviserende arts opgegeven e-mailadres het aantal voor dat kwartaal gefactureerde vergoedingen mee, evenals het totale bedrag aan financiering dat via deel F is verkregen.]2.  [2 ...]2   De prestaties van deze geneesheer, die door een bedrijfscontract aan de instelling is verbonden, bedragen gemiddeld drie uur per week. Voor instellingen met een RVT-erkenning worden de gemiddelde wekelijkse prestaties verhoogd met dertig minuten voor elke vijfentwintig RVT-patiënten.   Instellingen met een RVT-erkenning waarvoor een vóór 1 oktober 2021 gesloten overeenkomst met een coördinerend geneesheer na die datum van kracht blijft, kunnen aanspraak maken op financiering voor deel F tussen 1 oktober 2021 en 31 maart 2022, mits uiterlijk op 31 maart 2022 een nieuwe overeenkomst tussen de instelling en een coördinerend en adviserend geneesheer wordt ondertekend en van kracht wordt. Een kopie van de overeenkomst tussen de coördinerend en adviserend arts en de instelling wordt door de instelling bewaard.]1
  
Art. 29 _REGION_WALLONNE.
  [1 L'intervention par jour d'hébergement et par bénéficiaire pour la fonction du médecin coordinateur et conseiller se compose d'une intervention de base (F') et d'une intervention complémentaire pour les établissements disposant d'un agrément MRS (F''), calculées comme suit :
   1° [2 Intervention de base (F') :
   17.550 euros/nombre de lits agréés /nombre de jour calendrier dans la période de facturation ]2
;
  2° [Intervention complémentaire pour les établissements qui disposent d'un agrément MRS (F'') :
   0,32 euro x nombre de lits disposant d'un agrément MRS /nombre de lits agréés. ]2
   Le montant de l'intervention par jour et par bénéficiaire se compose de la somme de ces deux parties (F' et F''). [2 divisé par un coefficient de 0,95. ]2
  [2 L'institution rétrocède l'entièreté du financement facturé et obtenu par le biais de la partie F de l'allocation au médecin coordinateur et conseiller. Le produit de cette facturation constitue la rémunération du médecin coordinateur et conseiller. L'institution informe le médecin coordinateur et conseiller, via une adresse de courrier électronique renseignée par celui-ci, de chaque modification survenue au montant de son allocation, et du montant de la partie F, elle effectue d'initiative les versements complémentaires, ou, le cas échéant, les récupérations auprès du médecin coordinateur et conseiller en cas de modification du montant de la partie F de l'allocation. A la fin de chaque trimestre, l'institution communique via une adresse de courrier électronique renseignée par le médecin coordinateur et conseiller, le nombre d'allocation facturée pour ce trimestre, ainsi que le montant total du financement obtenu par le biais de la partie F au médecin coordinateur et conseiller ]2.
  [2 ...]2
   Les prestations de ce médecin, lié à l'institution par un contrat d'entreprise, sont en moyenne de trois heures par semaine. Pour les établissements disposant d'un agrément MRS, les prestations hebdomadaires moyennes sont augmentées de trente minutes par vingt-cinq patients en MRS.
   Les établissements disposant d'un agrément MRS, pour lesquels une convention de médecin coordinateur conclue antérieurement au 1er octobre 2021 reste en application postérieurement à cette date, peuvent prétendre au financement de la partie F entre le 1er octobre 2021 et le 31 mars 2022, pour autant qu'un nouveau contrat d'entreprise liant l'institution et un médecin coordinateur et conseiller soit signé et prenne effet pour le 31 mars 2022 au plus tard. Un exemplaire du contrat liant le médecin coordinateur et conseiller et l'établissement est conservé au sein de cet établissement.]1

  
Art. 29_WAALS_GEWEST.
Section 8: Partie G : financement supplémentaire du court séjour.
Art. 29bis. <INGEVOEGD bij MB 2008-03-10/31, art. 6; Inwerkingtreding : 01-04-2008> In de instellingen die beschikken over erkende bedden voor kortverblijf, bedraagt de kost van de bijkomende financiering per dag huisvesting en per rechthebbende :
  ((1,41 euro x gemiddeld aantal erkende bedden voor kortverblijf tijdens de referentieperiode)/gemiddeld totaal aantal erkende bedden tijdens de referentieperiode).
Art. 29bis. Dans les institutions qui comportent des lits agréés pour des séjours de courte durée, le coût du financement supplémentaire par journée d'hébergement et par bénéficiaire s'élève à :
  ((1,41 euro x nombre moyen de lits agréés pendant la période de référence pour des séjours de courte durée)/nombre moyen total de lits agréés pendant la période de référence).
Art. 29bis. In de instellingen die beschikken over erkende bedden voor kortverblijf, bedraagt de kost van de bijkomende financiering per dag huisvesting en per rechthebbende :
Section 9: Partie H : financement de la formation complémentaire du personnel dans le domaine de la démence.
Art. 29ter. <INGEVOEGD bij MB 2008-03-10/31, art. 6; Inwerkingtreding : 01-04-2008> § 1. De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging die bestemd is voor de financiering van de opleiding en de sensibilisering van [2 al]2 het personeel op het vlak van de dementie, wordt vastgesteld op 0,27 euro per dag en per opgenomen rechthebbende die, omwille zijn psychische afhankelijkheid, gerangschikt is in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd), zoals bedoeld in de artikelen 148 en 150 van voormeld koninklijk besluit van 3 juli 1996.
  Die tegemoetkoming wordt verleend aan de rust- en verzorgingstehuizen, aan de rustoorden voor bejaarden met een afdeling die een bijzondere erkenning als "rust- en verzorgingstehuis" heeft, en aan de rustoorden voor bejaarden die tijdens de referentieperiode gemiddeld minstens 15 patiënten in de categorie Cd huisvestten.
  § 2. Met die tegemoetkoming organiseren de voormelde inrichtingen een continue opleiding voor hun personeel, waarvan het totale aantal uren over een jaar dat " schooljaar " (van 1 september tot 31 augustus) wordt genoemd, minstens gelijk is aan het aantal rechthebbenden Cd die op de vorige 30 juni in de inrichting waren opgenomen.
  Rekening houdende met de prioriteiten die ze zelf vaststellen, organiseren de inrichtingen die opleiding [2 bij voorkeur voor al hun personeel, maar minstens voor het zorgpersoneel]2. Ze zien er in het bijzonder op toe dat die opleiding wordt gegeven door personen die hooggeschoold zijn op het vlak van de aanpak rond dementie.
  Wanneer verscheidene personeelsleden van dezelfde inrichting tegelijkertijd dezelfde opleiding volgen, wordt bij de eindafrekening het aantal uren opleiding, te organiseren door de inrichting, rekening gehouden met het aantal personeelsleden dat deze opleiding heeft gevolgd, met een maximum van 10 personeelsleden per uur opleiding.
  De Dienst kan op elk ogenblik aan de instelling vragen om een overzicht te krijgen van de opleidingen die hebben plaatsgevonden, om op die wijze te kunnen nagaan of voldaan werd aan het minimum aantal uren opleiding.
  § 3. Om de tegemoetkoming bedoeld in § 1 te genieten, moeten de voormelde inrichtingen de volgende voorwaarden vervullen :
  1° het opstellen van een intentieverklaring waarin het beleid wordt beschreven dat de inrichting van plan is te volgen op het vlak van personen met dementie. Die verklaring wordt op grote schaal verspreid en wordt ten minste aan de Dienst, aan elk personeelslid, alsook aan de opgenomen patiënten bezorgd. De nieuwe inrichtingen stellen die verklaring op en verspreiden ze binnen de zes maanden na hun erkenning;
  2° [4 het aanstellen van een verantwoordelijke voor de tenlasteneming binnen de inrichting van de problematiek inzake dementie en van de opleiding van het personeel. Die verantwoordelijke is in principe de referentiepersoon dementie bedoeld in artikel 28ter. Als de inrichting niet over een dergelijke referentiepersoon beschikt, dan is die verantwoordelijke normaliter de coördinerend en adviserend geneesheer of de hoofdverpleegkundige in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden, een verpleegkundige of een gekwalificeerd lid van het personeel dat al een zekere ervaring op dat vlak bezit.]4]3
  § 4. Voor de nieuwe inrichtingen past de Dienst de volgende regels toe :
  1° Voor de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden die beschikken over een afdeling met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis en de rustoorden voor bejaarden die de laatste dag van de maand volgend op de erkenning de voorwaarden vervullen zoals voorzien in § 1, tweede lid, wordt het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd door de inrichting vastgesteld met de volgende formule :
  H = P x M / 12
  waarbij :
  H = het aantal uren opleiding dat moet worden georganiseerd (afgerond tot de naasthogere eenheid als de eerste twee decimalen hoger dan of gelijk zijn aan 50);
  P = het aantal rechthebbenden Cd dat de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning in de inrichting zijn opgenomen;
  M = het aantal maanden tussen de eerste dag van de maand die volgt op die van de erkenning en het einde van het lopende schooljaar.
  2° voor de rustoorden voor bejaarden die de laatste dag van de maand die volgt op die van de erkenning niet voldoen aan de voorwaarden zoals bedoeld in § 1, tweede lid, wordt de tegemoetkoming, bedoeld in § 1, eerste lid, toegekend vanaf de eerste factureringsperiode die volgt op de eerste referentieperiode tijdens welke die voorwaarden zijn vervuld.
  § 5. [1 De tegemoetkoming per dag huisvesting]1 en per rechthebbende voor de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie (deel H) bedraagt :
  ((0,27 euro x aantal [5 patiënten]5 Cd)/totaal aantal [5 patiënten]5).
  [1 De inrichting heeft recht op deze tegemoetkoming vanaf de eerste dag van het trimester waarin de inrichting voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 3.]1
  
Art. 29ter. § 1er. L'intervention de l'assurance soins de santé, destinée à financer la formation et la sensibilisation dans le domaine de la démence [2 de l'ensemble du personnel des institutions]2, est fixée à 0,27 euro par journée et par bénéficiaire hébergé classé dans la catégorie de dépendance C en raison de sa dépendance psychique (catégorie Cd), comme visé aux articles 148 et 150 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.
  Cette intervention est accordée aux maisons de repos et de soins, aux maisons de repos pour personnes âgées qui comportent une section qui a reçu un agrément spécial "maisons de repos et de soins", et aux maisons de repos pour personnes âgées qui, pendant la période de référence, ont hébergé en moyenne au moins 15 patients classés dans la catégorie Cd.
  § 2. Au moyen de cette intervention, les institutions susvisées organisent une formation continue de leur personnel dont le nombre total d'heures sur une année dite "scolaire" (allant du 1er septembre au 31 août) est au moins égal au nombre de bénéficiaires Cd hébergés dans l'institution au 30 juin précédent.
  Les institutions susvisées organisent cette formation [2 de préférence pour l'ensemble de leur personnel, et au moins pour leur personnel de soins]2, en fonction des priorités qu'elles déterminent elles-mêmes. Elles veillent en particulier à ce que cette formation soit dispensée par des personnes hautement qualifiées dans le domaine de la prise en charge de la démence.
  Lorsque plusieurs membres du personnel de la même institution suivent la même formation en même temps, le décompte final des heures de formation à organiser par l'institution s'effectue en tenant compte du nombre de membres du personnel qui ont suivi cette formation, avec un maximum de 10 personnes par heure de formation.
  Le Service peut demander à tout moment à l'institution de recevoir un aperçu des formations qui ont été dispensées afin de vérifier si le nombre minimum d'heures de formation a été rempli.
  § 3. Pour bénéficier de l'intervention visée au § 1er, les institutions susvisées doivent satisfaire aux conditions suivantes :
  1° élaborer une déclaration d'intention dans laquelle est décrite la politique que l'institution entend suivre dans le domaine des personnes atteintes de démence. Cette déclaration fait l'objet d'une large diffusion et est transmise à tout le moins au Service, à chaque membre du personnel, ainsi qu'aux patients hébergés. Les nouvelles institutions élaborent et diffusent cette déclaration au cours des six mois qui suivent leur agrément;
  2° [4 désigner un responsable de la prise en charge, au sein de l'institution, de la problématique de la démence et de la formation du personnel. Ce responsable est en principe la personne de référence pour la démence visée à l'article 28ter. Si l'institution ne dispose pas d'une telle personne de référence, ce responsable est normalement le médecin coordinateur et conseiller ou l'infirmier en chef dans les maisons de repos et de soins et, dans les maisons de repos pour personnes âgées, un praticien de l'art infirmier ou un membre du personnel qualifié jouissant déjà d'une certaine expérience en la matière.]4]3
  § 4. Pour les nouvelles institutions, le Service applique les règles suivantes :
  1° pour les maisons de repos et de soins, les maisons de repos pour personnes âgées qui comportent une section qui a reçu un agrément spécial " maisons de repos et de soins " et les maisons de repos pour personnes âgées qui remplissent les conditions visées au § 1er, alinéa 2, le dernier jour du mois qui suit celui de l'agrément, le nombre d'heures de formation à organiser par l'institution est déterminé au moyen de la formule suivante :
  H = P x M / 12
  où :
  H = le nombre d'heures de formation à organiser (arrondi à l'unité supérieure si les deux premières décimales constituent un nombre supérieur ou égal à 50);
  P = le nombre de bénéficiaires Cd hébergés dans l'institution le dernier jour du mois qui suit celui de l'agrément;
  M = le nombre de mois compris entre le premier jour du mois qui suit celui de l'agrément et la fin de l'année scolaire en cours.
  2° pour les maisons de repos pour personnes âgées qui ne remplissent pas les conditions visées au § 1er, alinéa 2, le dernier jour du mois qui suit celui de l'agrément, l'intervention visée au § 1er, alinéa 1er est octroyée à partir de la première période de facturation qui suit la première période de référence au cours de laquelle ces conditions ont été remplies.
  § 5. [1 L'intervention par jour d'hébergement]1 et par bénéficiaire pour la formation complémentaire du personnel dans le domaine de la démence (partie H) s'élève à :
  ((0,27 euro x nombre de [5 patients ]5 Cd)/nombre total de [5 patients ]5).
  [1 L'institution a droit à cette intervention à partir du premier jour du trimestre au cours duquel elle satisfait aux conditions visées au § 3.]1
  
Art. 29ter. § 1. De tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging die bestemd is voor de financiering van de opleiding en de sensibilisering van [2 al]2 het personeel op het vlak van de dementie, wordt vastgesteld op 0,27 euro per dag en per opgenomen rechthebbende die, omwille zijn psychische afhankelijkheid, gerangschikt is in de afhankelijkheidscategorie C (categorie Cd), zoals bedoeld in de artikelen 148 en 150 van voormeld koninklijk besluit van 3 juli 1996.
Section 10. - Partie Z1 : le financement de la fonction de liaison pour le court séjour pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009
Art. 29quater. <INGEVOEGD bij MB 2008-07-04/33, art. 7; Inwerkingtreding : 01-07-2008> Voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2008 bedraagt de financiering van de liaisonfunctie voor kortverblijf per rechthebbende en per dag :
  ((5,05 euro x gemiddeld aantal bedden in kortverblijf tijdens de referentieperiode) / (totaal aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode / aantal kalenderdagen in de referentieperiode)).
  Voor de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2009 bedraagt deze financiering per rechthebbende en per dag :
  ((5,62 euro x gemiddeld aantal patiënten in kortverblijf tijdens de referentieperiode) / (totaal aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode/aantal kalenderdagen in de referentieperiode)).
Art. 29quater. Pour la période allant du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2008, le financement par bénéficiaire et par jour de la fonction de liaison pour le court séjour s'élève a :
  ((5,05 euros x nombre moyen de lits de court séjour pendant la période de référence) / (nombre total de journées facturées dans la période de référence / nombre de jours calendrier dans la période de référence)).
  Pour la période allant du 1er janvier 2009 au 31 décembre 2009, ce financement par bénéficiaire et par jour s'élève à :
  ((5,62 euros x nombre moyen de patients en court séjour pendant la période de référence) / (nombre total de journées facturées dans la période de référence / nombre de jours calendrier dans la période de référence)).
Art. 29quater. Voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2008 bedraagt de financiering van de liaisonfunctie voor kortverblijf per rechthebbende en per dag :
Section 11. - Partie Z2 : le financement du personnel pour le soutien aux soins des patients en phase terminale en MRS pour la période du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009.
Art. 29quinquies. <INGEVOEGD bij MB 2008-07-04/33, art. 7; Inwerkingtreding : 01-07-2008> Voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009 bedraagt de financiering van personeel ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten in het RVT, per rechthebbende en per dag :
  (0,40 euro x aantal gefactureerde dagen in RVT tijdens de referentieperiode / totaal aantal gefactureerde dagen in de referentieperiode)
Art. 29quinquies. Pour la période allant du 1er juillet 2008 au 31 décembre 2009, le financement par bénéficiaire et par jour du personnel pour le soutien aux soins des patients en phase terminale en MRS s'élève à :
  (0,40 euro x nombre de journées facturées en MRS pendant la période de référence / nombre total de journées facturées dans la période de référence)
Art. 29quinquies. Voor de periode van 1 juli 2008 tot 31 december 2009 bedraagt de financiering van personeel ter ondersteuning van de verzorging van de terminale patiënten in het RVT, per rechthebbende en per dag :
Section 12. [1 Partie Z3 : le financement supplémentaire de la catégorie de dépendance A.]1
Art. 29sexies. [1 Voor de periode van 1 januari tot 31 december 2010 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag van de afhankelijkheidscategorie A :
   [(0,87 euro * gemiddeld aantal patiënten in afhankelijkheidscategorie A tijdens de referentieperiode)/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode]
   Voor de periode van 1 januari tot 31 december 2011 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag van de afhankelijkheidscategorie A :
   [(0,44 euro * gemiddeld aantal patiënten in afhankelijkheidscategorie A tijdens de referentieperiode)/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode] "]1

  
Art. 29sexies. [1 Pour la période allant du 1er janvier au 31 décembre 2010, le financement supplémentaire par bénéficiaire et par jour de la catégorie de dépendance A s'élève à :
   [(0,87 euro * nombre moyen de patients classés dans la catégorie de dépendance A pendant la période de référence)/nombre moyen de patients pendant la période de référence]
   Pour la période allant du 1er janvier au 31 décembre 2011, le financement supplémentaire par bénéficiaire et par jour de la catégorie de dépendance A s'élève à :
   [(0,44 euro * nombre moyen de patients classés dans la catégorie de dépendance A pendant la période de référence)/nombre moyen de patients pendant la période de référence] ".]1

  
Art. 29sexies. [1 Voor de periode van 1 januari tot 31 december 2010 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag van de afhankelijkheidscategorie A :
Section 13 . [1 Partie Z4 : le financement de l'augmentation de la norme en MRS entre le 1er juillet 2010 et le 31 décembre 2011.]1
Art. 29septies. [1 Voor de periode van 1 juli 2010 tot 31 december 2011 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag :
   [(0,70 euro * gemiddeld aantal patiënten in afhankelijkheidscategorieën B, C en Cd in RVT tijdens de referentieperiode)/gemiddeld aantal patiënten tijdens de referentieperiode].]1

  
Art. 29septies. [1 Pour la période allant du 1er juillet 2010 au 31 décembre 2011, le financement supplémentaire par bénéficiaire et par jour s'élève à :
   [(0,70 euros * nombre moyen de patients B, C et Cd hébergés dans la MRS pendant la période de référence)/nombre moyen de patients pendant la période de référence].]1

  
Art. 29septies. [1 Voor de periode van 1 juli 2010 tot 31 december 2011 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag :
Section 14 - [1 Partie Z5 : le financement de la catégorie de dépendance D entre le 1er janvier 2013 et le 31 décembre 2014 dans la maison de repos]1
Art. 29octies. [1 § 1. Voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag :
Art. 29octies.[1 § 1er. Pour la période allant du 1er janvier 2013 au 31 décembre 2013, le financement supplémentaire par bénéficiaire et par jour s'élève à :
Art. 29octies. [1 § 1. Voor de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2013 bedraagt de bijkomende financiering per rechthebbende en per dag :
Section 15 REGION_WALLONNE. - [1 Partie W1 : le financement complémentaire de la fonction de référent pour la démence entre le 1er juillet 2023 et le 31 décembre 2024.]1
Art. 29nonies_ WAALS_GEWEST.&nbsp;&nbsp; [3 § 1. De aanvullende financiering voor de functie referentiepersoon dementie voor de factureringsperioden 2023, vanaf 1 juli 2023, en 2024 wordt berekend volgens de volgende formule:&nbsp;&nbsp; ((som van((A/T)*S))-(som van (B*S))/Aantal kalenderdagen in de factureringsperiode)/gemiddeld aantal patiënten in de referentieperiode).&nbsp;&nbsp; De betekenis van de variabelen is als volgt:&nbsp;&nbsp; 1° A stemt overeen met het aantal uren per week in het contract of in de benoemingsakte van de referentiepersoon dementie ;&nbsp;&nbsp; 2° B stemt overeen met het voltijds equivalent van de referentiepersoon dementie waarmee rekening wordt gehouden in deel E3 van de forfaitaire tegemoetkoming;&nbsp;&nbsp; 3° S komt overeen met het jaarsalaris overeenkomstig het gemiddelde anciënniteitsniveau van de kwalificatie van deze persoon;&nbsp;&nbsp; 4° T komt overeen met het aantal uren per week voor een voltijds contract binnen deze instelling.&nbsp;&nbsp; § 2 De aanvullende financiering bedoeld in paragraaf 1 wordt toegekend onder de volgende voorwaarden :&nbsp;&nbsp; 1° de instelling voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 28ter, § 2, 1°, a) of c) ;&nbsp;&nbsp; 2° de instelling ontvangt de aanvullende financiering op de eerste dag van de maand waarin zij het contract of de benoemingsakte aan de dienst meedeelt, door middel van een brief waarin een datum wordt vastgesteld, en ten vroegste op de datum van inwerkingtreding van het/de contract(en) of de benoemingsakte(n) van de referentiepersoon dementie ;&nbsp;&nbsp; 3° de instelling brengt de dienst binnen de maand op de hoogte, door middel van een brief die een vaste datum verleent, wanneer een periode van onderbreking van het contract zich voordoet, voor zover deze geen aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een bezoldiging;&nbsp;&nbsp; 4° de prestaties van een personeelslid tewerkgesteld op basis van artikel 4bis van het koninklijk besluit van 17 augustus 2007 tot uitvoering van de artikelen 57 en 59 van de programmawet van 2 januari 2001 wat de harmonisering van de barema's, de loonsverhogingen en tewerkstellingsmaatregelen in bepaalde gezondheidsinstellingen kunnen in geen geval in aanmerking worden genomen.&nbsp;&nbsp; In paragraaf 2, 1°, wordt, indien de instelling voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 28ter, § 2, 1°, a), gedurende de periode waarin een personeelslid optreedt als referentiepersoon dementie, hiermee rekening gehouden voor een contract van maximaal 19 uur per week.&nbsp;&nbsp; In paragraaf 2, 3°, is geen bijkomende financiering verschuldigd tijdens deze periode van onderbreking van het contract. Als de instelling de dienst niet binnen een maand na het optreden van een onderbrekingsperiode van het contract op de hoogte brengt, kan aan de instelling geen aanvullende financiering meer worden toegekend voor de factureringsperioden 2023 en 2024, vanaf de datum van onderbreking.]3&nbsp;&nbsp;
Art. 29nonies_REGION_WALLONNE.
Art. 29nonies_ WAALS_GEWEST.
CHAPITRE IV. - Conditions générales de l'intervention.
HOOFDSTUK IV. - Algemene voorwaarden van de tussenkomst.
Section 1re. - L'allocation complète ou partielle.
Art.30.Om aanspraak te kunnen maken op de in artikel 6 bedoelde volledige tegemoetkoming moeten de inrichtingen beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
Art. 30.Pour pouvoir prétendre à l'allocation complète visée à l'article 6, les institutions doivent répondre aux conditions suivantes :
Art. 30. Om aanspraak te kunnen maken op de in artikel 6 bedoelde volledige tegemoetkoming moeten de inrichtingen beantwoorden aan de volgende voorwaarden :
  1° erkend zijn door de bevoegde overheid;
  2° voor de inrichtingen die een erkenning hebben als rust- en verzorgingstehuis : toetreden tot de overeenkomst tussen de rust- en verzorgingstehuizen en de verzekeringsinstellingen zoals bedoeld in artikel 47 van de hiervoor genoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
  3° voor de rustoorden voor bejaarden : toetreden tot de nationale overeenkomst tussen de rustoorden voor bejaarden en de verzekeringsinstellingen zoals bedoeld in artikel 47 van de hiervoor genoemde gecoördineerde wet van 14 juli 1994;
  4° daadwerkelijk het individueel verzorgingsdossier bijhouden, bedoeld in artikel 152, § 4 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996;
  5° het verpleegkundig personeel, het verzorgingspersoneel en het personeel voor reactivering dient minstens de voordelen te genieten zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 26 september 2002 tot uitvoering van artikel 35, § 3, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. De openbare inrichtingen die een van de volgende akkoorden toepassen voldoen aan de bepalingen van het genoemde besluit van 26 september 2002 :
  - het sectoraal akkoord betreffende een algemene weddeschaalherziening voor het personeel van de lokale en regionale sector van de Vlaamse Gemeenschap en gemeenschappelijke krachtlijnen voor een samenhangend personeelsbeleid in de lokale en regionale besturen (omzendbrief BA 93/07 van 18 juni 1993 van de Vlaamse Gemeenschap);
  - " la circulaire du 27 mai 1994 du Ministre des Affaires intérieures et de la Fonction publique du Gouvernement wallon concernant la révision générale des barèmes applicable aux pouvoirs provinciaux et locaux de Wallonie ";
  - het Sociaal Handvest van 28 april 1994 - Harmonisatie van het administratief statuut en algemene weddeherziening voor het personeel van de plaatselijke besturen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
  - het protocol nr. 59/1 van 13 juni 1991 betreffende het intersectoraal akkoord van sociale programmatie van de jaren 1991-1994 toepasselijk op het geheel van de overheidssector;
  - de " Allgemeine Revision der Sätze der Gehaltstabellen für die Bediensteten der öffentlichen Sozialhilfezentren des deutschen Sprachgebietes (Rundschreiben von 11 Januar 1995) ".
  (Het vakantiegeld bedoeld in artikel 7, c) wordt betaald aan de werknemers van de openbare sector, zoals die gefinancierd wordt of op een andere manier, op voorwaarde dat er een akkoord bestaat of een akkoord overeengekomen is met de vakbondsorganisaties op niveau van het bevoegde Comité, dat als gevolg heeft of vaststelt dat gelijkaardige rechten zijn toegekend, eventueel onder een andere vorm en volgens een vooropgestelde timing.
  Indien die niet begrepen zijn in hogervermelde akkoorden, worden de jaarlijkse premies bedoeld in artikel 7, f) betaald aan de werknemers van de openbare sector, zoals die gefinancierd worden of op een andere manier, op voorwaarde dat er een akkoord bestaat of een akkoord overeengekomen is met de vakbondsorganisaties op niveau van het bevoegde Comité, dat als gevolg heeft of vaststelt dat gelijkaardige rechten zijn toegekend, eventueel onder een andere vorm en volgens een vooropgestelde timing.
  Indien deze niet begrepen is in hogervermelde akkoorden, wordt de jaarlijkse attractiviteitspremie bedoeld in artikel 7, g) toch toegekend vanaf 1 december 2006 aan de werknemers van de openbare sector die gefinancierd worden door dit besluit.)
  [1 Als het niet vervat zit in hogervermelde akkoorden, wordt het functiecomplement dat overeenkomt met het deel E2 bedoeld in artikel 28bis in de publieke sector betaald zoals het gefinancierd wordt.]1
  (6° voor de rust- en verzorgingstehuizen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het protocol van 24 mei 2004, gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet, betreffende het gezondheidsbeleid t.a.v. patiënten in een persisterende vegetatieve status : beschikken over een overeenkomst die is gesloten met een van de deskundige ziekenhuiscentra die zijn opgenomen in bijlage 2 van het voormelde protocol van 24 mei 2004. Die overeenkomst moet de modaliteiten regelen volgens welke :
  - de permanente vorming van het personeel van de instelling wordt door het expertisecentrum verzorgd;
  - de gespecialiseerde adviezen worden uitgewisseld als antwoord op complexe individuele problemen.)
  [2 [4 aan alle loontrekkende of statutaire personeelsleden ]4 minstens de volgende toeslagen toekennen :
   a) voor de gepresteerde uren tussen 19 u. en 20 u., pro rata de effectief gepresteerde uren tijdens deze uurperiode :
   - voor het personeel dat wordt betaald volgens het zogenaamde regime " per prestatie " : 20 % van het barema-uurloon ongeacht de dag van de week aangezien de toeslag op zaterdag, zon- en feestdagen van toepassing is indien voordeliger dan de 20 %;
   - voor het personeel dat forfaitair betaald wordt (11 %) : de toeslag voor het nachtuurloon toegevoegd aan het basisbarema van 111 %, ongeacht de dag van de week, inclusief zaterdag en zon- en feestdagen;
   b) de gepresteerde uren tussen 20 u. en 6 u. worden beschouwd als nachturen en als dusdanig betaald, volgens de geldende voorwaarden op 31 december 2009, zowel voor de week als voor de zaterdagen, zondagen en feestdagen. Bovendien worden alle uren of fractie ervan van een prestatie die mindernacht overschrijdt, beschouwd en betaald als nachturen zelfs indien de prestatie start voor 20 u. of eindigt na 6 u.
  [6 8° op uniforme wijze het barema 1.35 toekennen, zoals bedoeld in de Collectieve arbeidsovereenkomst van 7 november 2013 met betrekking tot de harmonisatie van de barema's van de zorgkundigen, voor wat betreft de private inrichtingen, of gelijkaardige rechten, voor wat betreft de openbare inrichtingen, aan alle leden van het verzorgingspersoneel die beschikken over een definitieve registratie of, in voorkomend geval, een voorlopige registratie als zorgkundige, ongeacht of ze deel uitmaken van het normpersoneel.]6
   De akkoorden of gebruiken die betere voorwaarden bepalen, blijven van toepassing ook wat betreft de andere personeelscategorieën.]2

  [5 ...]5.
  
Art. 31. Le nombre d'allocations complètes que l'institution peut porter en compte pour ses bénéficiaires au cours de la période de facturation est limité par le quota de journées visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 9 juillet 2003 portant exécution de l'article 69, § 4, alinéa 2, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
  Dès le lendemain du jour où ce quota est atteint, seule une intervention partielle peut encore être portée en compte à tous les organismes assureurs pendant les jours calendrier restants de la période de facturation. Cette intervention partielle est égale au maximum à [1 la somme des parties B1, B2, C, D, E1, F, G et H]1. La date a laquelle le quota est atteint doit être mentionnée sur les notes de frais.
  
Art. 31. Het aantal volledige tegemoetkomingen dat de inrichting tijdens de factureringsperiode voor zijn rechthebbenden kan aanrekenen wordt beperkt door het quotum van dagen zoals bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 9 juli 2003 tot uitvoering van artikel 69, § 4, tweede lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
  Vanaf de dag volgend op de dag waarop dit quotum is bereikt, kan tijdens de nog resterende kalenderdagen in de factureringsperiode enkel nog een partiële tegemoetkoming aan alle verzekeringsinstellingen worden aangerekend. Deze partiële tegemoetkoming is maximum gelijk aan [1 de som van de delen B1, B2, C, D, E1, F, G en H]1. De datum waarop het quotum wordt bereikt, moet vermeld worden op de kostennota's.
  
Art. 31_WAALS_GEWEST.
Section 2. - Communication de données au Service.
Art.32.De inrichtingen bezorgen (...) de volgende documenten aan de Dienst :
Art. 32.Les institutions transmettent (...) au Service les documents suivants :
Art. 32_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. De inrichtingen bezorgen (...) de volgende documenten [3 aan Iriscare]3 :   1° (ieder trimester), een elektronisch ingevulde vragenlijst waarvan het model wordt bepaald door [3 Iriscare]3;   [3 1bis° vanaf de eerste werkdag na afloop van een kwartaal, het aantal dagen dat tijdens dat kwartaal werd gefactureerd;]3  2° [2 als [3 Iriscare ]3 erom vraagt, een kopie van de diploma's van het verplegend personeel, van het verzorgingspersoneel en/of van het personeel voor reactivering;]2  3° als [3 Iriscare]3 erom vraagt, een kopie van de RSZ-aangifte of van de RSZ-PPO-aangifte, waarin het personeelsbestand is opgenomen, alsook een kopie van de arbeidsovereenkomsten eigen aan de inrichting of een kopie van de beslissing van de organiserende instantie als het gaat om een overheidsdienst;  4° als [3 Iriscare]3 erom vraagt, een kopie van de ondernemingscontracten gesloten met het zelfstandig personeel bedoeld in artikel 8, § 2, c) en g), een kopie van de facturen met het aantal gepresteerde uren door dit personeel, alsook de betalingsbewijzen;  5° als [3 Iriscare]3 erom vraagt, een verklaring waaruit blijkt dat de voordelen zoals bedoeld in artikel 30, 5°, worden toegepast;  6° als [3 Iriscare]3 erom vraagt, het aantal erkende bedden en de verdeling van de patiënten over de afhankelijkheidscategorieën op een bepaalde datum.  [1 7° als [3 Iriscare]3 erom vraagt, de gegevens met betrekking tot het gebruik, conform met de interne richtlijnen van de inrichting, van de producten en materiaal die leiden tot betere hygiëne, ter voorkoming van nosocomiale ziekten.]1  8° [2 als [3 Iriscare]3 erom vraagt, een kopie van de overeenkomst die werd gesloten met de persoon die als referentiepersoon dementie is aangewezen;]2  [2 9° als [3 Iriscare]3 erom vraagt, alle andere gegevens met betrekking tot de financiering van enig onderdeel van de volledige tegemoetkoming.]2  
Art. 32 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.Les institutions transmettent (...) [3 à Iriscare]3 les documents suivants :
  1° (chaque trimestre), un questionnaire électronique dûment complété dont le modèle est fourni par [3 Iriscare]3;
  [3 1bis° à partir du premier jour ouvrable suivant un trimestre échu, le nombre de journées facturées pendant ce trimestre;]3
  2° [2 si [3 Iriscare]3 en fait la demande, la copie des diplômes du personnel infirmier, du personnel soignant et/ou du personnel de réactivation;]2
  3° si l[3 Iriscare ]3en fait la demande, une copie de la déclaration ONSS ou de la déclaration ONSS-APL comportant l'effectif du personnel, ainsi qu'une copie des contrats d'emploi propres à l'institution ou une copie de la délibération du pouvoir organisateur dans le cas d'un service public;
  4° si l[3 Iriscare]3 en fait la demande, une copie des contrats d'entreprise conclus avec le personnel indépendant visé à l'article 8, § 2, c) et g), une copie des factures comprenant le nombre d'heures prestées par ce personnel, ainsi que les preuves de paiement;
  5° si [3 Iriscare]3 en fait la demande, une déclaration d'où il ressort que les avantages visés à l'article 30, 5°, sont bien appliqués;
  6° si [3 Iriscare]3 en fait la demande, le nombre de lits agréés et la répartition des patients hébergés par catégories de dépendance à une date déterminée.
  [1 7° si [3 Iriscare]3 en fait la demande, les données relatives à l'usage, conforme aux directives internes de l'institution, des produits et du matériel menant à une meilleure hygiène, afin de prévenir les maladies nosocomiales.]1
  8° [2 si [3 Iriscare]3 en fait la demande, une copie du contrat conclu avec la personne qui a été désignée comme personne de référence pour la démence;]2
  [2 9° si [3 Iriscare]3en fait la demande, toute autre donnée relative au paiement de l'une ou l'autre partie de l'allocation complète.]2
  
Art.33. In de elektronische vragenlijst zoals bedoeld in artikel 32, 1°, worden ondermeer de volgende gegevens opgenomen per trimester :
  1° gegevens met betrekking tot de inrichting :
  a) het RSZ of RSZ-PPO-nummer;
  b) het statuut;
  c) de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur voor voltijdse prestaties;
  d) aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie voor de rechthebbenden per ziekenfonds;
  e) aantal gefactureerde dagen per afhankelijkheidscategorie voor de patiënten die niet zijn opgenomen in punt d);
  [f) aantal patiënten die behoren tot de afhankelijkheidscategorie A, die effectief aanwezig zijn in de instelling op [2 31 maart van de referentie periode]2 en die minstens een (2) scoren voor oriëntatie in tijd en voor oriëntatie in ruimte, zoals bedoeld in artikel 151, § 2 van voormeld koninklijk besluit van 3 juli 1996.]
  [4 g) bankrekeningnummer van de inrichting;
   h) nummer Kruispuntbank van Ondernemingen en vestigingseenheidsnummer.]4

  2° gegevens voor alle verpleegkundigen, personeel voor reactivering en verzorgenden : per persoon :
  a) naam en voornaam;
  b) inschrijvingsnummer in het rijksregister;
  c) aantal gepresteerde en/of gelijkgestelde dagen zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) ;
  d) aantal niet gelijkgestelde dagen, zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) ;
  e) aantal gepresteerde en/of geassimileerde uren zoals bedoeld in artikel 8, § 2, a) ;
  f) aantal gepresteerde uren zoals bedoeld in artikel 8, § 2, c), d), e) en g) ;
  g) de beroepskwalificatie;
  h) statuut : loontrekkende of statutair, interim, zelfstandige, [4 zelfstandig, statutair of loontrekkend directeur, vervanger ]4, en de informaties met betrekking tot de bepalingen van artikel 8, § 2, d);
  i) indien het gaat om een nieuw personeelslid of indien een einde werd gesteld aan de tewerkstelling, de begin- en/of einddatum;
  j) de baremieke anciënniteit zoals bedoeld in artikel 13;
  3° de gegevens zoals bedoeld in artikel 25 met betrekking tot de palliatieve functie.
  (4° de gegevens zoals bedoeld in artikel 29 met betrekking tot de coördinerend geneesheer.)
  (5° De gegevens bedoeld in artikel 29ter, § 3, betreffende de bijkomende vorming van het personeel op het vlak van dementie.)
  6° [4 de gegevens, bedoeld in artikel 28bis, met betrekking tot het functiecomplement;]4
  [4 7° de gegevens, bedoeld in 28ter, met betrekking tot de referentiepersoon dementie;
   8° de naam en het rijksregisternummer van de directeur;
   9° één of twee e-mailadressen waarnaar de Dienst nuttige informatie kan versturen.]4

  
Art. 33. Dans le questionnaire électronique visé à l'article 32, 1°, les données suivantes sont notamment reprises par trimestre :
  1° données en rapport avec l'institution :
  a) le numéro ONSS ou ONSS-APL;
  b) le statut;
  c) la durée moyenne de travail hebdomadaire pour les prestations à temps plein;
  d) le nombre de journées facturées par catégorie de dépendance et par mutualité pour les bénéficiaires;
  e) le nombre de journées facturées par catégorie de dépendance et par mutualité pour les patients non repris au point d);
  [f) nombre de patients classés dans la catégorie de dépendance A, effectivement présents dans l'institution [2 le 31 mars de la période de référence]2, et qui ont un score égal au moins à (2) pour l'orientation dans le temps et pour l'orientation dans l'espace, comme stipulé à l'article 151, § 2 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 précité.]
  [4 g) le numéro de compte bancaire de l'institution;
   h) le numéro de la Banque-Carrefour des entreprises et le numéro d'unité d'établissement.]4

  2° données relatives à l'ensemble du personnel infirmier, soignant et de réactivation : par personne :
  a) nom et prénom;
  b) numéro d'inscription au registre national;
  c) nombre de journées prestées et/ou assimilées comme visé à l'article 8, § 2, a) ;
  d) nombre de journées non assimilées comme visé à l'article 8, § 2, a) ;
  e) nombre d'heures prestées et/ou assimilées comme visé à l'article 8, § 2, a) ;
  f) nombre d'heures prestées comme visé à l'article 8, § 2, c), d), e) et g);
  g) la qualification professionnelle;
  h) le statut : salarié ou statutaire, intérimaire, indépendant, [4 directeur salarié, statutaire ou indépendant, remplaçant]4, et les informations relatives aux dispositions visées à l'article 8, § 2, d) ;
  i) s'il s'agit d'un nouveau membre du personnel ou si l'engagement a pris fin, la date du début et/ou de la fin;
  j) l'ancienneté barémique visée à l'article 13.
  3° les données visées à l'article 25 en rapport avec la fonction palliative.
  [4 ° les données visées à l'article 29 en rapport avec le médecin coordinateur.]
  [5° Les données visées à l'article 29ter, § 3, concernant la formation complémentaire du personnel dans le domaine de la démence.]
  6° [4 les données visées à l'article 28bis en rapport avec le complément de fonction;]4

  [4 7° les données visées à l'article 28ter en rapport avec la personne de référence pour la démence;
   8° le nom et le numéro de registre national du directeur;
   9° une ou deux adresses e-mail où le Service peut transmettre des informations utiles.]4

  
Art. 33.In de elektronische vragenlijst zoals bedoeld in artikel 32, 1°, worden ondermeer de volgende gegevens opgenomen per trimester :
CHAPITRE V. - Dérogations et sanctions.
Art.34. (opgeheven)
Art. 34. (abrogé)
Art.35. [1 Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1° niet worden overgemaakt binnen 90 dagen volgend op de referentieperiode, en de inrichting niet antwoordt binnen de 30 dagen na de herinnering die haar is gestuurd door de Dienst na het verstrijken van deze termijn, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 25 %.
   De inrichting kan de volledige tegemoetkoming bekomen vanaf de eerste dag van het trimester die volgt op de trimester waarin zij de gegevens bedoeld als in artikel 32, 1°, heeft meegedeeld en dit ten vroegste vanaf 1 april van de factureringsperiode.
   Aanvullende gegevens of correcties van vroeger meegedeelde gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1°, betreffende een periode waarvoor de tegemoetkoming reeds werd berekend, zijn niet langer ontvankelijk wanneer ze meer dan een jaar nadat de inrichting is in kennis gesteld van de tegemoetkoming, aan de Dienst worden bezorgd door deze inrichting.]1

  
Art. 35. [1 Si les données visées à l'article 32, 1° ne sont pas transmises dans les 90 jours qui suivent la période de référence, et si l'institution ne répond pas dans les 30 jours au rappel que lui envoie le Service à l'expiration de ce délai, le montant de l'allocation complète est diminué de 25 %.
   L'institution peut obtenir l'intégralité du montant de l'allocation complète à partir du premier jour du trimestre qui suit celui au cours duquel elle aura communiqué les données visées à l'article 32, 1°, et ce au plus tôt à partir du 1er avril de la période de facturation.
   Des données complémentaires ou des corrections de données communiquées antérieurement comme visé à l'article 32, 1°, relatives à une période pour laquelle l'allocation a déjà été calculée, ne sont plus recevables lorsqu'elles sont transmises au Service par l'institution plus d'un an après que cette institution ait reçu la notification du montant de son allocation.]1

  
Art. 35_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1° niet worden overgemaakt binnen 90 dagen volgend op de referentieperiode, en de inrichting niet antwoordt binnen de 30 dagen na de herinnering die haar is gestuurd door [2 Iriscare]2 na het verstrijken van deze termijn, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 25 %.   De inrichting kan de volledige tegemoetkoming bekomen vanaf de eerste dag van het trimester die volgt op de trimester waarin zij de gegevens bedoeld als in artikel 32, 1°, heeft meegedeeld en dit ten vroegste vanaf 1 april van de factureringsperiode.   Aanvullende gegevens of correcties [2 van gegevens]2 zoals bedoeld in artikel 32, 1°,[2 die betrekking hebben tot een facturatieperiode voor het lopende jaar geen aanleiding geven tot een herberekening van het forfait van deze facturatieperiode]2.]1  [2 Ї 2. Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° niet worden overgemaakt uiterlijk de laatste kalenderdag van de tweede maand na afloop van het betreffende kwartaal, ondanks de herinnering die Iriscare, uiterlijk op de vijftiende dag van de tweede maand na afloop van het betreffende kwartaal, naar de inrichting heeft verstuurd, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 10 % vanaf de eerste dag van de derde maand na afloop van het betreffende kwartaal.   In afwijking van het voorgaande lid, moeten de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° die het derde en vierde kwartaal van 2023 betreffen uiterlijk op 29 februari 2024 worden overgemaakt. Als de inrichting de gegevens niet heeft overgemaakt uiterlijk op 29 februari 2024, ondanks de herinnering die Iriscare haar heeft gestuurd uiterlijk op 15 februari 2024, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 2% vanaf de eerste dag van de derde maand na afloop van het betreffende kwartaal.   In afwijking van het eerste lid, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 5% voor de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° betreffende het eerste en tweede kwartaal van 2024.   De inrichting kan de volledige tegemoetkoming bekomen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin zij de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° meedeelt.   Aanvullende gegevens of correcties van gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis°, die vooraf zijn meegedeeld en een kwartaal betreffen waarvoor de tegemoetkoming reeds werd berekend, zijn niet langer ontvankelijk wanneer zij meer dan negen maanden na afloop van het betreffende kwartaal aan de dienst van Iriscare, verantwoordelijk voor de financiering van de instellingen, worden overgemaakt.]2  
Art. 35 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.[1 Si les données visées à l'article 32, 1° ne sont pas transmises dans les 90 jours qui suivent la période de référence, et si l'institution ne répond pas dans les 30 jours au rappel que lui envoie [2 Iriscare]2 à l'expiration de ce délai, le montant de l'allocation complète est diminué de 25 %.
   L'institution peut obtenir l'intégralité du montant de l'allocation complète à partir du premier jour du trimestre qui suit celui au cours duquel elle aura communiqué les données visées à l'article 32, 1°, et ce au plus tôt à partir du 1er avril de la période de facturation.
   Des données complémentaires ou des corrections de données [2 visées]2 à l'article 32, 1°,[2 communiquées antérieurement, qui se rapportent à une période de facturation antérieure à celle de l'année en cours ne donnent pas lieu à un recalcul du montant de l'allocation pour cette période de facturation]2.]1

  [2 § 2. Si les données visées à l'article 32, 1bis°, ne sont pas transmises avant le dernier jour calendrier du deuxième mois suivant la fin du trimestre concerné, malgré le rappel que lui envoie Iriscare au plus tard le quinzième jour du deuxième mois suivant la fin du trimestre concerné, le montant de l'allocation complète est diminué de 10 % à partir du premier jour du troisième mois suivant la fin du trimestre concerné.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, les données visées à l'article 32, 1bis°, relatives aux troisième et quatrième trimestres de l'année 2023 doivent être transmises au plus tard le 29 février 2024. Si les données ne sont pas transmises par l'institution avant le 29 février 2024, malgré le rappel que lui envoie Iriscare au plus tard le 15 février 2024, le montant de l'allocation complète est diminué de 2% à partir du premier jour du troisième mois suivant la fin du trimestre concerné.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le montant de l'allocation complète est diminué de 5% pour les données visées à l'article 32, 1bis°, relatives aux premier et deuxième trimestres de l'année 2024.
   L'institution peut obtenir l'intégralité du montant de l'allocation complète à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel elle aura communiqué les données visées à l'article 32, 1bis°.
   Des données complémentaires ou des corrections de données visées à l'article 32, 1bis°, communiquées antérieurement et relatives à un trimestre pour lequel l'allocation a déjà été calculée, ne sont plus recevables lorsqu'elles sont transmises au service d'Iriscare en charge du financement des institutions plus de neuf mois après l'expiration du trimestre concerné.]2

  
Art. 35_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. [1 Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1° niet worden overgemaakt binnen 90 dagen volgend op de referentieperiode, en de inrichting niet antwoordt binnen de 30 dagen na de herinnering die haar is gestuurd door [2 Iriscare]2 na het verstrijken van deze termijn, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 25 %.
   De inrichting kan de volledige tegemoetkoming bekomen vanaf de eerste dag van het trimester die volgt op de trimester waarin zij de gegevens bedoeld als in artikel 32, 1°, heeft meegedeeld en dit ten vroegste vanaf 1 april van de factureringsperiode.
   Aanvullende gegevens of correcties [2 van gegevens]2 zoals bedoeld in artikel 32, 1°,[2 die betrekking hebben tot een facturatieperiode voor het lopende jaar geen aanleiding geven tot een herberekening van het forfait van deze facturatieperiode]2.]1

  [2 Ї 2. Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° niet worden overgemaakt uiterlijk de laatste kalenderdag van de tweede maand na afloop van het betreffende kwartaal, ondanks de herinnering die Iriscare, uiterlijk op de vijftiende dag van de tweede maand na afloop van het betreffende kwartaal, naar de inrichting heeft verstuurd, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 10 % vanaf de eerste dag van de derde maand na afloop van het betreffende kwartaal.
   In afwijking van het voorgaande lid, moeten de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° die het derde en vierde kwartaal van 2023 betreffen uiterlijk op 29 februari 2024 worden overgemaakt. Als de inrichting de gegevens niet heeft overgemaakt uiterlijk op 29 februari 2024, ondanks de herinnering die Iriscare haar heeft gestuurd uiterlijk op 15 februari 2024, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 2% vanaf de eerste dag van de derde maand na afloop van het betreffende kwartaal.
   In afwijking van het eerste lid, wordt het bedrag van de volledige tegemoetkoming verminderd met 5% voor de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° betreffende het eerste en tweede kwartaal van 2024.
   De inrichting kan de volledige tegemoetkoming bekomen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin zij de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis° meedeelt.
   Aanvullende gegevens of correcties van gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1bis°, die vooraf zijn meegedeeld en een kwartaal betreffen waarvoor de tegemoetkoming reeds werd berekend, zijn niet langer ontvankelijk wanneer zij meer dan negen maanden na afloop van het betreffende kwartaal aan de dienst van Iriscare, verantwoordelijk voor de financiering van de instellingen, worden overgemaakt.]2
Art. 35 _REGION_WALLONNE.
   [1 Si les données visées à l'article 32, 1° ne sont pas transmises dans les 90 jours qui suivent la période de référence, et si l'institution ne répond pas dans les 30 jours au rappel que lui envoie le Service à l'expiration de ce délai, le montant de l'allocation complète est diminué de 25 %.
   L'institution peut obtenir l'intégralité du montant de l'allocation complète à partir du premier jour du trimestre qui suit celui au cours duquel elle aura communiqué les données visées à l'article 32, 1°, et ce au plus tôt à partir du 1er avril de la période de facturation.
   Des données complémentaires ou des corrections de données communiquées antérieurement comme visé à l'article 32, 1°, relatives à une période pour laquelle l'allocation a déjà été calculée, ne sont plus recevables lorsqu'elles sont transmises au Service par l'institution [2 plus de six mois]2 après que cette institution ait reçu la notification du montant de son allocation.]1
Art.36. § 1. Mogen met leden van verzorgingspersoneel worden gelijkgesteld, de personen die op 1 januari 2004 de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt en die zijn tewerkgesteld in een instelling die uitsluitend is erkend als rust- en verzorgingstehuis, en die tussen 1 april 1992 en 1 januari 2004 een beroepservaring van 5 jaar voltijdse verzorgende in die instelling kunnen bewijzen. Daartoe moeten zij als verzorgenden zijn ingeschreven en volgens de daarmee overeenstemmende loonschaal zijn betaald.
  Teneinde die gelijkstelling effectief te maken, moeten die personen, uiterlijk tegen 31 maart 2005, het registratienummer bedoeld in artikel 4, § 1, derde lid aanvragen.
  § 2. De beperkingen bedoeld in artikel 8, § 2, e) en f) worden voor de eerste keer toegepast bij de berekening van de volledige tegemoetkoming vanaf 1 januari 2007. Tot 30 juni 2005 kunnen de uren, daadwerkelijk gepresteerd door de gekwalificeerde beheerder van de instelling, zelfstandig, loontrekkend of statutair, voor maximum 38 uur per week, in aanmerking worden genomen voor de in artikel 17 bedoelde financiering van de personeelsnorm.
  (§ 3. De instellingen die een rust- en verzorgingstehuis omvatten en die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het voormelde protocol van 24 mei 2004, kunnen dagelijks een hoger aantal rechthebbenden uit de afhankelijkheidscategorie Cc factureren dan het aantal " gespecialiseerde comabedden " dat hen is toegekend, op voorwaarde dat dit aantal niet wordt overschreden door het gemiddelde aantal gevallen Cc die in de loop van de referentieperiode zijn gefactureerd. De " gespecialiseerde comabedden " die niet door rechthebbenden uit de afhankelijkheidscategorie Cc zijn ingenomen, kunnen worden gebruikt voor de patiënten uit de afhankelijkheidscategorie B of C.
  § 4. Voor de factureringsperiode van 1 juli 2004 tot 31 december 2005 wordt de volledige tegemoetkoming van de instellingen met een door de bevoegde overheid geselecteerd rust- en verzorgingstehuis, overeenkomstig het protocol van 24 mei 2004, verhoogd met (41,10 euro x aantal toegewezen " gespecialiseerde comabedden in RVT ")/totaal aantal rechthebbenden.)
  (Voor de referentieperiode van 1 juli 2004 tot 31 maart 2005, is de personeelsnorm die dient toegepast te worden op de rechthebbenden geklasseerd in de afhankelijkheidscategorie Cc degene die van toepassing is op de rechthebbenden geklasseerd in de afhankelijkheidscategorie C in RVT.
  Voor de factureringsperiode 2006 wordt de volledige tegemoetkoming van de instellingen met een door de bevoegde overheid geselecteerd rust- en verzorgingstehuis, overeenkomstig het protocol van 24 mei 2004, verhoogd met (274/365 x 32,50 euro x gemiddeld aantal rechthebbenden in de afhankelijkheidscategorie Cc tijdens de referentieperiode)/totaal aantal rechthebbenden tijdens de referentieperiode.)
Art. 36. § 1er. Peuvent être assimilées aux membres du personnel soignant les personnes qui, au 1er janvier 2004, ont atteint l'âge de 45 ans et sont occupées dans une institution uniquement agréée comme maison de repos et de soins, et qui, entre le 1er avril 1992 et le 1er janvier 2004, peuvent justifier une expérience professionnelle de 5 ans à temps plein comme membre du personnel soignant dans cette institution. Pour cela, elles doivent avoir été déclarées comme membres du personnel soignant et avoir été payées suivant le barème correspondant.
  Afin que leur assimilation soit effective, ces personnes doivent demander le numéro d'enregistrement visé à l'article 4, § 1er, alinéa 3, pour le 31 mars 2005 au plus tard.
  § 2. Les restrictions visées à l'article 8, § 2, e) et f), sont appliquées pour la première fois lors du calcul de l'allocation complète pour la période de facturation débutant le 1er janvier 2007. Jusqu'au 30 juin 2005, les heures effectivement prestées par le gestionnaire qualifié indépendant, salarié ou statutaire d'une institution peuvent être prises en considération, à concurrence de 38 heures par semaine au maximum, pour le financement, visé à l'article 17, de la norme de personnel.
  (§ 3. Les institutions comprenant une maison de repos et de soins figurant à l'annexe 3 du protocole du 24 mai 2004 précité, peuvent facturer journellement un nombre plus élevé de bénéficiaires classés dans la catégorie de dépendance Cc que le nombre de "lits spécialisés coma'' qui leur a été attribué, pourvu que ce nombre ne soit pas dépassé par le nombre moyen de cas Cc facturés au cours de la période de référence. Les "lits spécialisés coma'' qui ne sont pas occupés par des bénéficiaires classés dans la catégorie de dépendance Cc peuvent être utilisés pour des patients classés dans la catégorie de dépendance B ou C.
  § 4. Pour la période de facturation allant du 1er juillet 2004 au 31 décembre 2005, l'allocation complète des institutions comprenant une maison de repos et de soins figurant à l'annexe 3 du protocole du 24 mai 2004 précité est augmentée de (41,10 euros x nombre de "lits spécialisés coma'' attribués à la MRS)/nombre total des bénéficiaires.)
  (Pour la période de référence allant du 1er juillet 2004 au 31 mars 2005, la norme de personnel applicable aux bénéficiaires classés dans la catégorie de dépendance Cc est celle qui est d'application pour les bénéficiaires classés dans la catégorie de dépendance C en MRS.
  Pour la période de facturation 2006, l'allocation complète des institutions comprenant une maison de repos et de soins figurant à l'annexe 3 du protocole du 24 mai 2004 précité est augmentée de (274/365 x 32,50 euros x nombre moyen de bénéficiaires classés dans la catégorie de dépendance Cc pendant la période de référence)/nombre total de bénéficiaires pendant la période de référence.)
Art. 36. § 1. Mogen met leden van verzorgingspersoneel worden gelijkgesteld, de personen die op 1 januari 2004 de leeftijd van 45 jaar hebben bereikt en die zijn tewerkgesteld in een instelling die uitsluitend is erkend als rust- en verzorgingstehuis, en die tussen 1 april 1992 en 1 januari 2004 een beroepservaring van 5 jaar voltijdse verzorgende in die instelling kunnen bewijzen. Daartoe moeten zij als verzorgenden zijn ingeschreven en volgens de daarmee overeenstemmende loonschaal zijn betaald.
  Teneinde die gelijkstelling effectief te maken, moeten die personen, uiterlijk tegen 31 maart 2005, het registratienummer bedoeld in artikel 4, § 1, derde lid aanvragen.
  § 2. De beperkingen bedoeld in artikel 8, § 2, e) en f) worden voor de eerste keer toegepast bij de berekening van de volledige tegemoetkoming vanaf 1 januari 2007. Tot 30 juni 2005 kunnen de uren, daadwerkelijk gepresteerd door de gekwalificeerde beheerder van de instelling, zelfstandig, loontrekkend of statutair, voor maximum 38 uur per week, in aanmerking worden genomen voor de in artikel 17 bedoelde financiering van de personeelsnorm.
  (§ 3. De instellingen die een rust- en verzorgingstehuis omvatten en die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het voormelde protocol van 24 mei 2004, kunnen dagelijks een hoger aantal rechthebbenden uit de afhankelijkheidscategorie Cc factureren dan het aantal " gespecialiseerde comabedden " dat hen is toegekend, op voorwaarde dat dit aantal niet wordt overschreden door het gemiddelde aantal gevallen Cc die in de loop van de referentieperiode zijn gefactureerd. De " gespecialiseerde comabedden " die niet door rechthebbenden uit de afhankelijkheidscategorie Cc zijn ingenomen, kunnen worden gebruikt voor de patiënten uit de afhankelijkheidscategorie B of C.
  § 4. Voor de factureringsperiode van 1 juli 2004 tot 31 december 2005 wordt de volledige tegemoetkoming van de instellingen met een door de bevoegde overheid geselecteerd rust- en verzorgingstehuis, overeenkomstig het protocol van 24 mei 2004, verhoogd met (41,10 euro x aantal toegewezen " gespecialiseerde comabedden in RVT ")/totaal aantal rechthebbenden.)
  (Voor de referentieperiode van 1 juli 2004 tot 31 maart 2005, is de personeelsnorm die dient toegepast te worden op de rechthebbenden geklasseerd in de afhankelijkheidscategorie Cc degene die van toepassing is op de rechthebbenden geklasseerd in de afhankelijkheidscategorie C in RVT.
  Voor de factureringsperiode 2006 wordt de volledige tegemoetkoming van de instellingen met een door de bevoegde overheid geselecteerd rust- en verzorgingstehuis, overeenkomstig het protocol van 24 mei 2004, verhoogd met (274/365 x 32,50 euro x gemiddeld aantal rechthebbenden in de afhankelijkheidscategorie Cc tijdens de referentieperiode)/totaal aantal rechthebbenden tijdens de referentieperiode.)
Art. 36/1. [1 L'intervention complète du 1er juillet 2015 au 30 septembre 2015 inclus est multipliée par un coefficient 0,994108.
   L'intervention complète à partir du 1er octobre 2015 est multipliée par un coefficient 0,998527.
   Lors du calcul de l'intervention complète adaptée, il n'est pas tenu compte du chiffre qui suit la décimale à arrondir s'il est inférieur à cinq, et la décimale à arrondir est majorée d'une unité si ce chiffre est égal ou supérieur à cinq.]1

  
Art. 36/1_VLAAMS_GEWEST. [1 De volledige tegemoetkoming van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2015 wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt 0,994108.   De volledige tegemoetkoming vanaf 1 oktober 2015 wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt 0,998527.  [2 De volledige tegemoetkoming vanaf 1 juli 2016 wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt 1,020812 en de partiële tegemoetkoming vanaf 1 juli 2016 wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt 1,022318.]2   Bij de berekening van de aangepaste volledige [2 of partiële]2 tegemoetkoming wordt met het cijfer dat op de af te ronden decimaal volgt, geen rekening gehouden als het lager is dan vijf, en wordt de af te ronden decimaal met een eenheid verhoogd als dat cijfer gelijk is aan of hoger is dan vijf. ]1
  
Art. 36/1 _REGION_FLAMANDE.
   [1 L'intervention complète du 1er juillet 2015 au 30 septembre 2015 inclus est multipliée par un coefficient 0,994108.
   L'intervention complète à partir du 1er octobre 2015 est multipliée par un coefficient 0,998527.
  [2 L'intervention complète à partir du 1er juillet 2016 est multipliée par un coefficient 1,020812 et l'intervention partielle à partir du 1er juillet 2016 est multipliée par un coefficient 1,022318. ]2
   Lors du calcul de l'intervention complète [2 ou partielle]2 adaptée, il n'est pas tenu compte du chiffre qui suit la décimale à arrondir s'il est inférieur à cinq, et la décimale à arrondir est majorée d'une unité si ce chiffre est égal ou supérieur à cinq.]1
Art. 36/1_VLAAMS_GEWEST. [1 De volledige tegemoetkoming van 1 juli 2015 tot en met 30 september 2015 wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt 0,994108.
   De volledige tegemoetkoming vanaf 1 oktober 2015 wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt 0,998527.
  [2 De volledige tegemoetkoming vanaf 1 juli 2016 wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt 1,020812 en de partiële tegemoetkoming vanaf 1 juli 2016 wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt 1,022318.]2
   Bij de berekening van de aangepaste volledige [2 of partiële]2 tegemoetkoming wordt met het cijfer dat op de af te ronden decimaal volgt, geen rekening gehouden als het lager is dan vijf, en wordt de af te ronden decimaal met een eenheid verhoogd als dat cijfer gelijk is aan of hoger is dan vijf. ]1

  
Art. 37. § 1er. Toutes les dispenses et dérogations, dont les institutions ont pu bénéficier sur base de la législation en vigueur jusqu'au 31 décembre 2003, sont maintenues jusqu'à cette date.
  Pour les institutions qui, au cours des deux premières périodes de référence, ont engage du personnel afin de satisfaire, sur base de la législation en vigueur jusqu'au 31 décembre 2003, à la norme visée à l'article 5, la situation prise en compte pour la vérification du respect de cette norme est celle du 31 décembre 2003.
  § 2. Les institutions à qui les dispositions qui précèdent n'ont pas été appliquées, et qui estiment pouvoir s'en prévaloir, en font la demande motivée au Service le 30 juin 2005 au plus tard pour ce qui concerne la première période de référence, et au plus tard le 30 septembre 2005 pour ce qui concerne la deuxième période de référence.
Art. 37bis. <INGEVOEGD bij MB 2004-10-19/37, art. 16; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In afwijking van de bepalingen van artikel 19, zijn volgende bepalingen van toepassing op de nieuwe inrichtingen die erkend worden in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2003 :
  § 1. Het bedrag per rechthebbende en per dag voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 januari 2003 en 31 maart 2003 wordt als volgt berekend :
  a) voor de factureringsperiode 2004 (van 1 januari 2004 tot 31 december 2004) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het tweede trimester van het jaar 2003;
  b) voor de factureringsperiode 2005 (van 1 januari 2005 tot 31 december 2005) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16.
  § 2. Het bedrag per rechthebbende en per dag voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 april 2003 en 30 juni 2003 wordt als volgt berekend :
  a) voor de factureringsperiode 2004 (van 1 januari 2004 tot 31 december 2004) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het derde trimester van het jaar 2003;
  b) voor de factureringsperiode 2005 (van 1 januari 2005 tot 31 december 2005) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16.
  § 3. Het bedrag per rechthebbende en per dag voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 juli en 30 september 2003 wordt als volgt berekend :
  a) voor de periode van 1 januari 2004 tot 31 maart 2004 bedraagt dit bedrag 14,05 euro;
  b) voor de rest van de factureringsperiode 2004 (van 1 april 2004 tot 31 december 2004) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester 2003;
  c) het bedrag van de factureringsperiode 2005 (van 1 januari 2005 tot 31 december 2005) wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester 2003 en het eerste en tweede trimester 2004.
  § 4. Het bedrag per rechthebbende en per dag voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 oktober 2003 en 31 december 2003 wordt als volgt berekend :
  a) voor de periode van 1 januari 2004 tot 30 juni 2004 bedraagt dit bedrag 14,05 euro;
  b) voor de rest van de factureringsperiode 2004 (van 1 juli 2004 tot 31 december 2004) wordt dit bedrag berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste trimester 2004;
  c) het bedrag van de factureringsperiode 2005 (van 1 januari 2005 tot 31 december 2005) wordt berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste en tweede trimester 2004.
  § 5. Voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 juli 2002 en 30 september 2002, wordt het bedrag per rechthebbende en per dag voor de factureringsperiode 2004 (van 1 januari 2004 tot 31 december 2004) berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het vierde trimester 2002 en het eerste en tweede trimester 2003.
  § 6. Voor een nieuwe inrichting die erkend wordt tussen 1 oktober 2002 en 31 december 2002, wordt het bedrag per rechthebbende en per dag voor de factureringsperiode 2004 (van 1 januari 2004 tot 31 december 2004) berekend volgens de bepalingen van de artikelen 8 tot 16, waarbij de referentieperiode overeenstemt met het eerste en tweede trimester 2003.
Art. 37bis. Par dérogation aux dispositions de l'article 19, les dispositions suivantes sont d'application pour les nouvelles institutions qui sont agréées entre le 1er juillet 2002 et le 31 décembre 2003 :
  § 1er. Le montant par bénéficiaire et par jour pour une nouvelle institution agréée entre le 1er janvier 2003 et le 31 mars 2003 est calculé comme suit :
  pour la période de facturation 2004 (du 1er janvier 2004 au 31 décembre 2004), ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au deuxième trimestre de l'année 2003;
  b) pour la période de facturation 2005 (du 1er janvier 2005 au 31 décembre 2005), ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16.
  § 2. Le montant par bénéficiaire et par jour pour une nouvelle institution agréée entre le 1er avril 2003 et le 30 juin 2003 est calculé comme suit :
  a) pour la période de facturation 2004 (du 1er janvier 2004 au 31 décembre 2004), ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au troisième trimestre de l'année 2003;
  b) pour la période de facturation 2005 (du 1er janvier 2005 au 31 décembre 2005) ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16.
  § 3. Le montant par bénéficiaire et par jour pour une nouvelle institution agréée entre le 1er juillet 2003 et le 30 septembre 2003 est fixé comme suit :
  a) pour la période allant du 1er janvier 2004 au 31 mars 2004, ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) pour le reste de la période de facturation 2004 (du 1er avril 2004 au 31 décembre 2004), ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au quatrième trimestre 2003;
  c) le montant de la période de facturation 2005 (du 1er janvier 2005 au 31 décembre 2005) est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au quatrième trimestre 2003 et aux premier et deuxième trimestres 2004.
  § 4. Le montant par bénéficiaire et par jour pour une nouvelle institution agréée entre le 1er octobre 2003 et le 31 décembre 2003 est fixé comme suit :
  a) pour la période allant du 1er janvier 2004 au 30 juin 2004, ce montant s'élève à 14,05 euros;
  b) pour le reste de la période de facturation 2004 (du 1er juillet 2004 au 31 décembre 2004), ce montant est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au premier trimestre 2004;
  c) le montant de la période de facturation 2005 (du 1er janvier 2005 au 31 décembre 2005) est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond aux premier et deuxième trimestres 2004.
  § 5. Pour une nouvelle institution agréée entre le 1er juillet 2002 et le 30 septembre 2002, le montant par bénéficiaire et par jour pour la période de facturation 2004 (du 1er janvier au 31 décembre 2004) est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond au quatrième trimestre 2002 et aux premier et deuxième trimestre 2003.
  § 6. Pour une nouvelle institution agréée entre le 1er octobre 2002 et le 31 décembre 2002, le montant par bénéficiaire et par jour pour la période de facturation 2004 (du 1er janvier au 31 décembre 2004) est calculé selon les dispositions des articles 8 à 16, où la période de référence correspond aux premier et deuxième trimestre 2003.
Art. 37bis. In afwijking van de bepalingen van artikel 19, zijn volgende bepalingen van toepassing op de nieuwe inrichtingen die erkend worden in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 december 2003 :
CHAPITRE VI. - Des institutions non agréées.
Art.38. De inrichtingen die zonder erkend te zijn als rustoord voor bejaarden, de woonplaats of de gewone verblijfplaats van bejaarden zijn, worden geregistreerd door de Dienst overeenkomstig het koninklijk besluit van 19 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden welke moeten worden vervuld door de instellingen die zonder als rustoord te zijn erkend, een gemeenschappelijke woonplaats of verblijfplaats van bejaarden uitmaken als bedoeld in artikel 34, 12° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art. 38. Les institutions qui, sans être agréées comme maisons de repos pour personnes âgées, constituent le domicile ou la résidence commune de personnes âgées, sont enregistrées par le Service en application de l'arrêté royal du 19 décembre 1997 fixant les conditions auxquelles doivent répondre les institutions qui, sans être agréées comme maisons de repos pour personnes âgées, constituent le domicile ou la résidence commune de personnes âgées, au sens de l'article 34, 12°, de la loi relative a l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994.
Art. 38. De inrichtingen die zonder erkend te zijn als rustoord voor bejaarden, de woonplaats of de gewone verblijfplaats van bejaarden zijn, worden geregistreerd door de Dienst overeenkomstig het koninklijk besluit van 19 december 1997 tot vaststelling van de voorwaarden welke moeten worden vervuld door de instellingen die zonder als rustoord te zijn erkend, een gemeenschappelijke woonplaats of verblijfplaats van bejaarden uitmaken als bedoeld in artikel 34, 12° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art. 39. Dans les institutions enregistrées, le montant de l'allocation forfaitaire est limité à 1,27 euro par jour et par bénéficiaire.
Art.40. De geregistreerde inrichtingen moeten bewijzen dat ze beschikken over 0,25 FTE loontrekkende of statutaire verpleegkundigen per 30 opgenomen rechthebbenden. Als die norm niet wordt gehaald, kan geen enkele tegemoetkoming worden toegekend.
Art. 40. Les institutions enregistrées doivent justifier qu'elles disposent de 0,25 ETP praticien de l'art infirmier salarie ou statutaire par 30 bénéficiaires hébergés. Si cette norme n'est pas respectée, aucune allocation ne peut être accordée.
Art.41. De bepalingen van de artikelen 32 tot 34 zijn eveneens van toepassing voor de geregistreerde inrichtingen.
  Indien de gegevens zoals bedoeld in artikel 32, 1° niet worden overgemaakt binnen de gestelde termijn, en indien de inrichting niet antwoord binnen de 15 dagen na de herinnering die haar is gestuurd door de Dienst na het verstrijken van die termijn, wordt de tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 39 verminderd tot 0,10 euro.
Art. 41. Les dispositions des articles 32 à 34 sont également d'application pour les institutions enregistrées.
  Si les données visées à l'article 32, 1° ne sont pas transmises dans le délai imparti et si l'institution ne répond pas dans les quinze jours au rappel que lui envoie le Service à l'expiration de ce délai, le montant de l'allocation visée à l'article 39 est réduit à 0,10 euro.
Art. 41. De bepalingen van de artikelen 32 tot 34 zijn eveneens van toepassing voor de geregistreerde inrichtingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions finales.
Art.42.[1 De in dit besluit vermelde bedragen, met uitzondering van het bedrag bedoeld [2 in artikel 13, §§ 7 en 8, en in artikel 41, tweede lid,]2 worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 109,45 in de basis 1996 = 100 (met uitzondering van de bedragen bedoeld [2 in de artikelen 7 en 13, §§ 2 tot 5]2, die aan het spilindexcijfer 110,51 in de basis 2004 = 100 worden gekoppeld), en worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]1
Art. 42.[1 Les montants mentionnés dans le présent arrêté, à l'exception de ceux visés [2 à l'article 13, §§ 7 et 8, et à l'article 41, alinéa 2, ]2 sont liés à l'indice pivot 109,45 dans la base 1996 = 100 (à l'exception des montants visés [2 aux articles 7 et 13, §§ 2 à 5]2, qui sont liés à l'indice pivot 110,51 dans la base 2004 = 100), et sont adaptés conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume dans le secteur public.]1
Art. 42_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST.    [1 [3 ]De in dit besluit vermelde bedragen, met uitzondering van de bedragen bedoeld in artikel 13, §§ 7 en 8, en in artikel 41, tweede lid, worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 109,45 in de basis 1996 = 100, met uitzondering van:   1° de bedragen bedoeld in de artikelen 7 en 13, §§ 2 tot 5, die gekoppeld worden aan het spilindexcijfer 110,51 in de basis 2004 = 100;   2° de bedragen bedoeld in de artikelen 21bis en 29, die gekoppeld worden aan het spilindexcijfer 107,20 in de basis 2013 = 100.   De bedragen bedoeld in het eerste lid worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld-3.]1
  
Art. 42 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
   [1 Les montants mentionnés dans le présent arrêté, à l'exception de ceux visés à l'article 13, §§ 7 et 8, et à l'article 41, alinéa 2, sont liés à l'indice pivot 109,45 dans la base 1996 = 100, à l'exception :
   1° des montants visés aux articles 7 et 13, §§ 2 à 5, qui sont liés à l'indice pivot 110,51 dans la base 2004 = 100 ;
   2° des montants visés aux articles 21bis et 29, qui sont liés à l'indice-pivot 107,20 dans la base 2013 = 100.
   Les montants visés à l'alinéa 1er sont adaptés conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume dans le secteur public.]1

  
Art. 42_WAALS_GEWEST.   [1 De in dit besluit vermelde bedragen, met uitzondering van het bedrag bedoeld in artikel 13, §§ 7 en 8, en in artikel 41, tweede lid, worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 109,45 in de basis 1996 = 100, met uitzondering van:   1° de bedragen bedoeld in de artikelen 7 en 13, §§ 2 tot 5, die worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 110,51 in de basis 2004 = 100;   2° de bedragen bedoeld in artikel 29 die worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 107,20 in de basis 2013= 100.  [2 3° de bedragen bedoeld in artikel 20 ter, die worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 116,04 in de basis 2013 = 100.]2   De in het eerste lid bedoelde bedragen worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]1
  
Art. 42 _REGION_WALLONNE.
  [1 Les montants mentionnés dans le présent arrêté, à l'exception de ceux visés à l'article 13, §§ 7 et 8, et à l'article 41, alinéa 2, sont liés à l'indice pivot 109,45 dans la base 1996 = 100, à l'exception :
   1° des montants visés aux articles 7 et 13, §§ 2 à 5, qui sont liés à l'indice pivot 110,51 dans la base 2004 = 100 ;
   2° des montants visés à l'article 29, qui sont liés à l'indice-pivot 107,20 dans la base 2013 = 100.
  [2 3° des montants visés à l'article 20ter, qui sont liés à l'indice-pivot 116,04 dans la base 2013 = 100. ]2
   Les montants visés à l'alinéa 1er sont adaptés conformément aux dispositions de la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume dans le secteur public.]1

  
Art. 42_WAALS_GEWEST.   [1 De in dit besluit vermelde bedragen, met uitzondering van het bedrag bedoeld in artikel 13, §§ 7 en 8, en in artikel 41, tweede lid, worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 109,45 in de basis 1996 = 100, met uitzondering van:
   1° de bedragen bedoeld in de artikelen 7 en 13, §§ 2 tot 5, die worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 110,51 in de basis 2004 = 100;
   2° de bedragen bedoeld in artikel 29 die worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 107,20 in de basis 2013= 100.
  [2 3° de bedragen bedoeld in artikel 20 ter, die worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 116,04 in de basis 2013 = 100.]2
   De in het eerste lid bedoelde bedragen worden aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.]1

  
Art. 42/1 _REGION_WALLONNE.
  [1 Pour les calculs relatifs à la période de facturation 2021, à partir du 1er octobre 2021, et pour les calculs relatifs à la période de facturation 2022, le service applique les normes de financement définies à l'article 2, §§ 2 et 3, en vigueur au 30 septembre 2021, si ce calcul se révèle plus favorable en ce qui concerne les parties A1 et A2 de l'allocation journalière pour l'institution.]1
  
Art. 42/1_WAALS_GEWEST.   [1 Voor berekeningen met betrekking tot de factureringsperiode 2021, met ingang van 1 oktober 2021, en voor berekeningen met betrekking tot de factureringsperiode 2022 past de dienst de in artikel 2, §§ 2 en 3, vastgestelde en op 30 september 2021 geldende financieringsnormen toe, indien deze berekening gunstiger uitvalt met betrekking tot de onderdelen A1 en A2 van de dagvergoeding van de instelling.]1
  
Art. 42/2 _REGION_WALLONNE. [1 Pour les calculs relatifs à la période de facturation 2022, à partir du 1er juillet 2022, et pour les calculs relatifs à la période de facturation 2023, le service applique les normes de financement définies à l'article 2, § 2, en vigueur au 30 juin 2022, si ce calcul se révèle plus favorable en ce qui concerne les parties A1 et A2 de l'allocation journalière pour l'institution.]1
  
Art.42/3_WAALS_GEWEST. [1 Voor de factureringsperioden 2025 en 2026 waarvoor de berekeningen worden uitgevoerd op basis van gegevens die betrekking hebben op de referentieperioden van 1 juli 2023 tot 30 juni 2024, is de in artikel 8 bedoelde wekelijkse grens van achtendertig werkuren per week niet van toepassing indien de overschrijding van deze grens te wijten is aan de toepassing van artikel 2 van de wet van 31 juli 2023 tot uitvoering van het afsprakenkader in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2023-2024, voor wat betreft de relance-uren. ]1
  
Art. 42/3 _REGION_WALLONNE. [1 Pour les périodes de facturation 2025 et 2026 pour lesquelles les calculs sont effectués sur base des données relatives aux périodes de référence du 1er juillet 2023 au 30 juin 2024, la limite hebdomadaire de trente-huit heures de travail par semaine visée à l'article 8 ne s'applique pas si le dépassement de cette limite est due à l'application de l'article 2 de la loi du 31 juillet 2023 exécutant l'accord cadre dans le cadre des négociations interprofessionnelles pour la période 2023-2024, en ce qui concerne les heures de relance ]1
  
Art.42/3_WAALS_GEWEST. [1 Voor de factureringsperioden 2025 en 2026 waarvoor de berekeningen worden uitgevoerd op basis van gegevens die betrekking hebben op de referentieperioden van 1 juli 2023 tot 30 juni 2024, is de in artikel 8 bedoelde wekelijkse grens van achtendertig werkuren per week niet van toepassing indien de overschrijding van deze grens te wijten is aan de toepassing van artikel 2 van de wet van 31 juli 2023 tot uitvoering van het afsprakenkader in het kader van de interprofessionele onderhandelingen voor de periode 2023-2024, voor wat betreft de relance-uren. ]1
  
Art. 43. L'arrêté ministériel du 19 mai 1992 fixant l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins est abrogé.
Art.44. Het ministerieel besluit van 5 april 1995 tot vaststelling van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 voor de in artikel 34, 12° van dezelfde wet bedoelde verstrekkingen wordt opgeheven.
Art. 44. L'arrêté ministériel du 5 avril 1995 fixant l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, pour les prestations visées à l'article 34, 12°, de la même loi, est abrogé.
Art.45. Het ministerieel besluit van 22 november 2001 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bestemd voor de financiering van de opleiding en van de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden wordt opgeheven.
Art. 45. L'arrêté ministériel du 22 novembre 2001 fixant l'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités destinée à financer la formation et la sensibilisation du personnel aux soins palliatifs dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées est abrogé.
Art.46. § 1. De Dienst wordt belast met de uitvoering van dit besluit. Hij deelt te gepaste tijde aan de inrichtingen en aan de verzekeringsinstellingen het bedrag van de volledige of partiële tegemoetkoming mee, waarop de instelling aanspraak kan maken op basis van de bepalingen opgenomen in dit besluit, alsook het quotum van dagen bedoeld in artikel 31.
  § 2. De in artikelen 32 en 33 bedoelde gegevens kunnen in de inrichting of bij de verzekeringsinstellingen gecontroleerd worden door de daartoe bevoegde diensten van het RIZIV.
Art. 46. § 1er. Le Service est chargé de l'exécution du présent arrêté. Il communique en temps utile aux institutions et aux organismes assureurs le montant de l'allocation complète ou partielle à laquelle chaque institution peut prétendre en vertu des dispositions contenues dans le présent arrêté, ainsi que le quota de journées visé à l'article 31.
  § 2. Les données visées aux articles 32 et 33 peuvent être contrôlées dans l'institution ou auprès des organismes assureurs par les services de l'INAMI compétents à cet effet.
Art. 46. § 1. De Dienst wordt belast met de uitvoering van dit besluit. Hij deelt te gepaste tijde aan de inrichtingen en aan de verzekeringsinstellingen het bedrag van de volledige of partiële tegemoetkoming mee, waarop de instelling aanspraak kan maken op basis van de bepalingen opgenomen in dit besluit, alsook het quotum van dagen bedoeld in artikel 31.
  § 2. De in artikelen 32 en 33 bedoelde gegevens kunnen in de inrichting of bij de verzekeringsinstellingen gecontroleerd worden door de daartoe bevoegde diensten van het RIZIV.
Art. 47. Le Comité de l'assurance soins de santé de l'INAMI est chargé d'évaluer, sur base des travaux préparatoires de la commission de conventions compétente, l'impact des dispositions contenues dans le présent arrêté au cours de l'année qui suit la date de son entrée en vigueur.
Art. 47. Het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het RIZIV is tijdens het jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit besluit, belast met de evaluatie van de weerslag van de bepalingen die er in zijn opgenomen op basis van de voorbereidende werkzaamheden van de bevoegde overeenkomstencommissie.
Art. 48. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2004, à l'exception des articles 22 à 26, 32, 33, 35 et 45, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2003.
Art. 48. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2004, met uitzondering van artikelen 22 tot 26, 32, 33, 35 en 45, die in werking treden op 1 september 2003.
-