Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
2 AUGUSTUS 2002. - Programmawet. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-08-2002 en tekstbijwerking tot 21-03-2024)
Titre
2 AOUT 2002. - Loi-programme. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-08-2002 et mise à jour au 21-03-2024)
Informations sur le document
Numac: 2002003381
Datum: 2002-08-02
Info du document
Numac: 2002003381
Date: 2002-08-02
Table des matières
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITEL II. - Sociale zaken.
HOOFDSTUK I. - Sociale Maribel.
HOOFDSTUK II. - Verjaringstermijn premiebetalin...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 15 de...
HOOFDSTUK IV. - Alternatieve financiering.
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 6 mei 2...
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van de wet van 6 au...
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen van de wet betreff...
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de wet van de w...
HOOFDSTUK IX. - Bijhouden van de individuele re...
HOOFDSTUK X. - Wijziging van de wet van 14 janu...
HOOFDSTUK XI. - Kruispuntbank van de sociale ze...
HOOFDSTUK XII. - Onderwerping aan de sociale ze...
HOOFDSTUK XIII. - Overlevingspensioenen van de ...
Afdeling I. - Overlevingspensioenen van de Over...
Afdeling II. - Begrafeniskosten.
Afdeling III. - Aan (afdeling) I en II gemeensc...
HOOFDSTUK XIV. - Sociaal statuut der zelfstandi...
Afdeling I. - Wijziging van de wet van 24 janua...
Afdeling II. - Wijzigingen aan het koninklijk b...
Afdeling III. - Nieuwe opdracht voor het Partic...
TITEL III. - Volksgezondheid.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk bes...
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 28 aug...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 25 ma...
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de wet van 10 a...
HOOFDSTUK V. - Wijziging aan het koninklijk bes...
HOOFDSTUK VI. - Wijziging aan de wet van 5 sept...
HOOFDSTUK VII. - Wijziging aan de wet van 15 ap...
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen aan het koninklij...
TITEL IV. - Werkgelegenheid.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de Arbeidswet va...
HOOFDSTUK II. - Toekenning van de Staatswaarbor...
HOOFDSTUK III. - Vaderschaps- en adoptieverlof.
HOOFDSTUK IV. - Havenarbeiders.
HOOFDSTUK V. - Plaatselijke Werkgelegenheidsage...
HOOFDSTUK VI. - Plus 2-3-plan.
HOOFDSTUK VII. - Sociale Maribel.
HOOFDSTUK VIII. - Startbaanovereenkomst.
HOOFDSTUK IX. - Integratie van het Nationaal on...
HOOFDSTUK X. - Beroepsinlevingsovereenkomsten.
HOOFDSTUK XI. - Tewerkstelling en opleiding.
HOOFDSTUK XII. - Werkloosheidsuitkeringen voor ...
TITEL V. - Financiën.
HOOFDSTUK I. - Zeescheepvaart.
Afdeling I. - Winst uit zeescheepvaart aan de h...
Afdeling II. - Bijzonder keuzestelsel van afsch...
Afdeling III. - Vrijstelling van meerwaarden op...
Afdeling IV. - Investeringsaftrek.
Afdeling V. - Winst op basis van de tonnage uit...
Afdeling VI. - Vermindering van het registratie...
HOOFDSTUK II. - Tax-Shelter.
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het Wetboek va...
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van artikel 168, tien...
HOOFDSTUK V. - Uitbreiding van de bepalingen va...
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de wet van 29 jun...
TITEL VI. - Landsverdediging.
HOOFDSTUK I. - Wet van 30 juli 1938 - Gebruik v...
HOOFDSTUK II. - Wet van 16 maart 1954 - Central...
HOOFDSTUK III. - Wet van 1 maart 1958 - Statuut...
HOOFDSTUK IV. - Wet van 10 april 1973 - Central...
HOOFDSTUK V. - Wet van 11 juli 1978 - Syndicale...
HOOFDSTUK VI. - Wet van 21 december 1990 - Vorm...
HOOFDSTUK VII. - Wet van 20 mei 1994 - Gewaarbo...
HOOFDSTUK VIII. - Wet van 25 mei 2000 - Interma...
HOOFDSTUK IX. - Wet van 25 mei 2000 - Preadvies.
HOOFDSTUK X. - Statuten van het militair person...
HOOFDSTUK XI. - Prestaties ten voordele van der...
TITEL VII. - Binnenlandse zaken.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 8 juli ...
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de organieke wet ...
HOOFDSTUK III. - Politiehervorming.
TITEL VIII. - Economische zaken.
HOOFDSTUK I. - Diversen.
HOOFDSTUK II. - Bepalingen houdende maatregelen...
TITEL IX. - Telecommunicatie en overheidsbedrij...
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wet van 21 ma...
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 10 a...
HOOFDSTUK III. - Wijziging van artikel 161, § 1...
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet 1 april 19...
TITEL X. - Kanselarij en algemene diensten.
TITEL XI. - Verkeer.
TITEL XII. - Maatschappelijke integratie.
HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de organieke OC...
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 2 a...
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de wet van 15 d...
TITEL XIII. - Wijzigingen van het Wetboek van v...
TITEL XIV. - Inwerkingtreding.
TITEL XV. [1 - Overgangsbepalingen.]1
Table des matières
TITRE I. - Disposition générale.
TITRE II. - Affaires sociales.
CHAPITRE I. - Maribel Social.
CHAPITRE II. - Délai de prescription pour le pa...
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 15 dé...
CHAPITRE IV. - Financement alternatif.
CHAPITRE V. - Modification de la loi 6 mai 2002...
CHAPITRE VI. - Modifications de la loi du 6 aoû...
CHAPITRE VII. - Modifications de la loi relativ...
CHAPITRE VIII. - Modification de la loi du 2 ja...
CHAPITRE IX. - Tenue des comptes individuels.
CHAPITRE X. - Modification de la loi du 14 janv...
CHAPITRE XI. - Banque-carrefour de la sécurité ...
CHAPITRE XII. - Assujettissement à la sécurité ...
CHAPITRE XIII. - Pension de survie des ayants d...
Section I. - Pensions de survie du secteur public.
Section II. - Frais de funérailles.
Section III. - Dispositions communes aux chapit...
CHAPITRE XIV. - Statut social des travailleurs ...
Section I. - Modification de la loi du 24 janvi...
Section II. - Modifications à l'arrêté royal n°...
Section III. - Nouvelle mission du Fonds de Par...
TITRE III. - La santé publique.
CHAPITRE I. - Modifications de l'arrêté royal n...
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 28 aoû...
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 25 ma...
CHAPITRE IV. - Modifications de la loi du 10 ao...
CHAPITRE V. - Modification à l'arrêté royal du ...
CHAPITRE VI. - Modification à la loi du 5 septe...
CHAPITRE VII. - Modification à la loi du 15 avr...
CHAPITRE VIII. - Modifications à l'arrêté royal...
TITRE IV. - Emploi.
CHAPITRE I. - Modifications de la loi du 16 mar...
CHAPITRE II. - Octroi de la garantie de l'Etat ...
CHAPITRE III. - Congé de paternité et d'adoption.
CHAPITRE IV. - Travailleurs portuaires.
CHAPITRE V. - Agences locales pour l'emploi.
CHAPITRE VI. - Plan-plus 2-3.
CHAPITRE VII. - Maribel Social.
CHAPITRE VIII. - Convention de premier emploi.
CHAPITRE IX. - Intégration de l'Institut nation...
CHAPITRE X. - Conventions d'immersion professio...
CHAPITRE XI. - Travail et formation.
CHAPITRE XII. - Allocations de chômage des trav...
TITRE V. - Finances.
CHAPITRE I. - Navigation maritime.
Section I. - Bénéfices provenant de la navigati...
Section II. - Régime spécial d'option applicabl...
Section III. - Exonération des plus-values sur ...
Section IV. - Déduction pour investissement.
Section V. - Bénéfices sur base du tonnage prov...
Section VI. - Réduction du droit d'enregistreme...
CHAPITRE II. - Tax-Shelter.
CHAPITRE III. - Modifications du code de la tax...
CHAPITRE IV. - Modification de l'article 168, d...
CHAPITRE V. - Extension des dispositions de la ...
CHAPITRE VI. - Modification de la loi du 29 jui...
TITRE VI. - Défense.
CHAPITRE I. - Loi du 30 juillet 1938 - Emploi d...
CHAPITRE II. - Loi du 16 mars 1954 - Office cen...
CHAPITRE III. - Loi du 1er mars 1958 - Statut o...
CHAPITRE IV. - Loi du 10 avril 1973 - Office ce...
CHAPITRE V. - Loi du 11 juillet 1978 - Délégués...
CHAPITRE VI. - Loi du 21 décembre 1990 - Format...
CHAPITRE VII. - Loi du 20 mai 1994 - Rétributio...
CHAPITRE VIII. - Loi du 25 mai 2000 - Personnel...
CHAPITRE IX. - Loi du 25 mai 2000 - Preavis.
CHAPITRE X. - Statuts du personnel militaire.
CHAPITRE XI. - Prestations au profit de tiers.
TITRE VII. - Intérieur.
CHAPITRE I. - Modification de la loi du 8 juill...
CHAPITRE II. - Modification de la loi organique...
CHAPITRE III. - Reforme des polices.
TITRE VIII. - Affaires économiques.
CHAPITRE I. - Divers.
CHAPITRE II. - Dispositions portant des mesures...
TITRE IX. - Télécommunication et entreprises et...
CHAPITRE I. - Modifications de la loi du 21 mar...
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 10 ao...
CHAPITRE III. - Modification de l'article 161, ...
CHAPITRE IV. - La modification de la loi du 1er...
TITRE X. - Chancellerie et services.
TITRE XI. - Transport.
TITRE XII. - Intégration sociale.
CHAPITRE I. - Dispositions diverses.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi organiqu...
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 2 av...
CHAPITRE IV. - Modifications de la loi du 15 dé...
TITRE XIII. - Modifications du Code des sociétés.
TITRE XIV. - Entrée en vigueur.
TITRE XV. [1 - Dispositions transitoires.]1
Tekst (317)
Texte (317)
TITEL I. - Algemene bepaling.
TITRE I. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL II. - Sociale zaken.
TITRE II. - Affaires sociales.
HOOFDSTUK I. - Sociale Maribel.
CHAPITRE I. - Maribel Social.
Art.2. In artikel 1, § 7, 1° van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen, ingevoegd bij de wet van 26 maart 1999, wordt tussen het tweede en derde lid volgend lid ingevoegd :
" Het fonds neemt in een aparte rubriek de bedragen op die de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid, de Minister bevoegd voor Sociale Zaken en de Minister bevoegd voor Volksgezondheid onder de beschikbare niet-recurrente middelen van het fonds toewijzen voor de financiering van opleidingsprojecten. "
" Het fonds neemt in een aparte rubriek de bedragen op die de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid, de Minister bevoegd voor Sociale Zaken en de Minister bevoegd voor Volksgezondheid onder de beschikbare niet-recurrente middelen van het fonds toewijzen voor de financiering van opleidingsprojecten. "
Art.2. Dans l'article 1er, § 7, 1°, de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales, inséré par la loi du 26 mars 1999, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
" Le fonds inscrit dans une rubrique distincte les montants que le Ministre compétent pour l'Emploi, le Ministre compétent pour les Affaires sociales et le Ministre compétent pour la Santé publique affectent parmi les moyens disponibles non récurrents au financement de projets de formation. "
" Le fonds inscrit dans une rubrique distincte les montants que le Ministre compétent pour l'Emploi, le Ministre compétent pour les Affaires sociales et le Ministre compétent pour la Santé publique affectent parmi les moyens disponibles non récurrents au financement de projets de formation. "
Art.3. Artikel 1, § 7, 2°, laatste lid van dezelfde wet wordt vervangen door volgende bepalingen :
" Wanneer het fonds bedoeld in 1° de opbrengst van de bijdrageverminderingen, toegewezen aan dit fonds, niet geheel gebruikt, wordt het saldo, met inbegrip van de renten, overgedragen naar het volgende kwartaal.
Het voormelde fonds is ertoe gehouden om uiterlijk op 31 december 2001 aan het terugvorderingsfonds bedoeld in 2° de middelen te storten waarover het beschikt en die het gecumuleerd bedrag van de door de Rijksdienst aan het fonds gestorte laatste driemaandelijkse opbrengst van de bijdrageverminderingen en van de niet-recurrente middelen toegewezen voor de financiering van opleidingsprojecten overtreft. "
" Wanneer het fonds bedoeld in 1° de opbrengst van de bijdrageverminderingen, toegewezen aan dit fonds, niet geheel gebruikt, wordt het saldo, met inbegrip van de renten, overgedragen naar het volgende kwartaal.
Het voormelde fonds is ertoe gehouden om uiterlijk op 31 december 2001 aan het terugvorderingsfonds bedoeld in 2° de middelen te storten waarover het beschikt en die het gecumuleerd bedrag van de door de Rijksdienst aan het fonds gestorte laatste driemaandelijkse opbrengst van de bijdrageverminderingen en van de niet-recurrente middelen toegewezen voor de financiering van opleidingsprojecten overtreft. "
Art.3. L'article 1er, § 7, 2°, alinéa dernier, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Lorsque le fonds visé au 1° n'utilise pas la totalité du produit de la réduction de cotisations affecté à ce Fonds, le solde, en ce compris les intérêts, est reporté au trimestre suivant.
Le fonds précité est tenu de verser au plus tard au 31 décembre 2001 au fonds de récupération visé au 2° les moyens dont il dispose et qui dépassent le montant cumulé du dernier produit trimestriel des réductions de cotisations versé au fonds par l'Office et des moyens non récurrents affectés au financement de projets de formation. "
" Lorsque le fonds visé au 1° n'utilise pas la totalité du produit de la réduction de cotisations affecté à ce Fonds, le solde, en ce compris les intérêts, est reporté au trimestre suivant.
Le fonds précité est tenu de verser au plus tard au 31 décembre 2001 au fonds de récupération visé au 2° les moyens dont il dispose et qui dépassent le montant cumulé du dernier produit trimestriel des réductions de cotisations versé au fonds par l'Office et des moyens non récurrents affectés au financement de projets de formation. "
Art.4. Artikel 35, § 5, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, laatst gewijzigd bij de programmawet van 30 december 2001,wordt aangevuld met volgend lid :
" Voor de toepassing van de vorige leden worden de niet-recurrente middelen, die door de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid, de Minister bevoegd voor Sociale Zaken en de Minister bevoegd voor Volksgezondheid worden toegewezen voor de financiering van opleidingsprojecten, niet in aanmerking genomen. "
" Voor de toepassing van de vorige leden worden de niet-recurrente middelen, die door de Minister bevoegd voor Werkgelegenheid, de Minister bevoegd voor Sociale Zaken en de Minister bevoegd voor Volksgezondheid worden toegewezen voor de financiering van opleidingsprojecten, niet in aanmerking genomen. "
Art.4. L'article 35, § 5, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 30 décembre 2001, est complété par l'alinéa suivant :
" En vue de l'application des alinéas précédents, il n'est pas tenu compte des moyens non récurrents que le Ministre compétent pour l'Emploi, le Ministre compétent pour les Affaires sociales, et le Ministre compétent pour la Santé publique affectent au financement de projets de formation. "
" En vue de l'application des alinéas précédents, il n'est pas tenu compte des moyens non récurrents que le Ministre compétent pour l'Emploi, le Ministre compétent pour les Affaires sociales, et le Ministre compétent pour la Santé publique affectent au financement de projets de formation. "
HOOFDSTUK II. - Verjaringstermijn premiebetalingen RSZPPO.
CHAPITRE II. - Délai de prescription pour le paiement des cotisations ONSSAPL.
Art.5. In artikel 6 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het tweede en derde lid wordt volgend lid ingevoegd :
" De schuldvorderingen van de Rijksdienst met betrekking tot onrechtmatig uitgekeerde premies, tegemoetkomingen en toelagen, bedoeld in artikel 1, § 2bis, § 2ter en § 2quater verjaren door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag van de betaling. De tegen de Rijksdienst ingestelde vorderingen tot betaling van voormelde, verschuldigde premies, tussenkomsten en toelagen verjaren door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag van dat zij opeisbaar zijn. ";
2° in het laatste lid worden de woorden " het eerste en tweede lid " vervangen door de woorden " het eerste, tweede lid en derde lid ".
1° tussen het tweede en derde lid wordt volgend lid ingevoegd :
" De schuldvorderingen van de Rijksdienst met betrekking tot onrechtmatig uitgekeerde premies, tegemoetkomingen en toelagen, bedoeld in artikel 1, § 2bis, § 2ter en § 2quater verjaren door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag van de betaling. De tegen de Rijksdienst ingestelde vorderingen tot betaling van voormelde, verschuldigde premies, tussenkomsten en toelagen verjaren door verloop van vijf jaar te rekenen van de dag van dat zij opeisbaar zijn. ";
2° in het laatste lid worden de woorden " het eerste en tweede lid " vervangen door de woorden " het eerste, tweede lid en derde lid ".
Art.5. A l'article 6 de la loi du 1er août 1985 portant des dispositions sociales sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
" Les créances de l'Office concernant les primes, interventions et allocations visées à l'article 1er, § 2bis , § 2ter et § 2quater , versées indûment, se prescrivent par cinq ans prenant cours le jour du paiement. Les actions contre l'Office en vue du paiement des primes, interventions et allocations dues précitées se prescrivent par cinq ans prenant cours le jour de leur exigibilité. ";
2° dans l'alinéa dernier, les mots "aux premier et deuxième alinéas" sont remplacés par les mots "aux alinéas 1er, 2 et 3".
1° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
" Les créances de l'Office concernant les primes, interventions et allocations visées à l'article 1er, § 2bis , § 2ter et § 2quater , versées indûment, se prescrivent par cinq ans prenant cours le jour du paiement. Les actions contre l'Office en vue du paiement des primes, interventions et allocations dues précitées se prescrivent par cinq ans prenant cours le jour de leur exigibilité. ";
2° dans l'alinéa dernier, les mots "aux premier et deuxième alinéas" sont remplacés par les mots "aux alinéas 1er, 2 et 3".
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art.6. Artikel 81, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt aangevuld als volgt :
" en de inspecteurs van het Bestuur van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. "
" en de inspecteurs van het Bestuur van de Sociale Inspectie van het Ministerie van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. "
Art.6. L'article 81, alinéa 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers est complété comme suit :
" et les inspecteurs de l'Administration de l'Inspection sociale du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement. "
" et les inspecteurs de l'Administration de l'Inspection sociale du Ministère des Affaires sociales, de la Santé publique et de l'Environnement. "
HOOFDSTUK IV. - Alternatieve financiering.
CHAPITRE IV. - Financement alternatif.
Art.7. In artikel 66 van de programmawet van 2 januari 2001, gewijzigd bij de wetten van 20 juli 2001 en 30 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° In § 1, derde lid, worden de woorden " 25.384 duizend EUR " vervangen door de woorden " 41.333 duizend EUR ";
2° § 2 wordt aangevuld als volgt :
" 5° een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ter financiering van de wachtuitkeringen toegekend aan de werknemers van de steenkool- en staalnijverheid, die hun tewerkstelling verloren hebben ";
6° een bedrag van 10.460 duizend EUR bestemd voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ter compensatie van de bijdragen op de vergoedingen, premies en toelagen die door de politiezones niet verschuldigd zijn. "
1° In § 1, derde lid, worden de woorden " 25.384 duizend EUR " vervangen door de woorden " 41.333 duizend EUR ";
2° § 2 wordt aangevuld als volgt :
" 5° een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad ter financiering van de wachtuitkeringen toegekend aan de werknemers van de steenkool- en staalnijverheid, die hun tewerkstelling verloren hebben ";
6° een bedrag van 10.460 duizend EUR bestemd voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid ter compensatie van de bijdragen op de vergoedingen, premies en toelagen die door de politiezones niet verschuldigd zijn. "
Art.7. A l'article 66 de la loi-programme du 2 janvier 2001, modifié par les lois des 20 juillet 2001 et 30 décembre 2001, sont apportées les modifications suivantes :
1° Au § 1er, alinéa 3, les mots "25.384 milliers EUR" sont remplacés par les mots "41.333 milliers EUR";
2° § 2 est complété comme suit :
" 5° un montant fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres destiné au financement des indemnités d'attente accordées aux travailleurs de l'industrie du charbon et de l'acier qui ont perdu leur emploi ";
6° un montant de 10.460 milliers EUR destiné à l'Office national de Sécurité sociale en compensation des cotisations sur les allocations, primes et indemnités du personnel non-dues par les zones de police. "
1° Au § 1er, alinéa 3, les mots "25.384 milliers EUR" sont remplacés par les mots "41.333 milliers EUR";
2° § 2 est complété comme suit :
" 5° un montant fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres destiné au financement des indemnités d'attente accordées aux travailleurs de l'industrie du charbon et de l'acier qui ont perdu leur emploi ";
6° un montant de 10.460 milliers EUR destiné à l'Office national de Sécurité sociale en compensation des cotisations sur les allocations, primes et indemnités du personnel non-dues par les zones de police. "
HOOFDSTUK V. - Wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid.
CHAPITRE V. - Modification de la loi 6 mai 2002 portant création du Fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale.
Art.8. Artikel 15 van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting van het Fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid wordt door de volgende bepaling vervangen :
" Inzake de sociale zekerheidsbijdragen op de vergoedingen, premies en toelagen van de personeelsleden, is de last die door de gemeenten en de meergemeentepolitiezones gedragen wordt, beperkt tot de sociale zekerheidsbijdragen op de vergoedingen, premies en toelagen die door de gemeenten voor het politiepersoneel gedragen werden voor het jaar 2000. "
" Inzake de sociale zekerheidsbijdragen op de vergoedingen, premies en toelagen van de personeelsleden, is de last die door de gemeenten en de meergemeentepolitiezones gedragen wordt, beperkt tot de sociale zekerheidsbijdragen op de vergoedingen, premies en toelagen die door de gemeenten voor het politiepersoneel gedragen werden voor het jaar 2000. "
Art.8. L'article 15 de la loi du 6 mai 2002 portant création du Fonds des pensions de la police intégrée et portant des dispositions particulières en matière de sécurité sociale est remplacé par la disposition suivante :
" En matière de cotisations de sécurité sociale afférentes aux allocations, primes et indemnités des membres du personnel, la charge supportée par les communes et les zones de police pluricommunales est limitée aux cotisations de sécurité sociale sur les allocations, primes et indemnités qui étaient supportées pour l'année 2000 par les communes pour le personnel de la police. "
" En matière de cotisations de sécurité sociale afférentes aux allocations, primes et indemnités des membres du personnel, la charge supportée par les communes et les zones de police pluricommunales est limitée aux cotisations de sécurité sociale sur les allocations, primes et indemnités qui étaient supportées pour l'année 2000 par les communes pour le personnel de la police. "
Art.9. Artikel 16 van dezelfde wet wordt door de volgende bepaling vervangen :
" De Koning bepaalt het bedrag van de in de artikelen 10 tot 14 voorziene toelagen, alsook de nadere regels inzake de verdeling van die toelagen tussen de verschillende gemeenten en de meergemeentepolitiezones en de nadere regels inzake de toepassing van artikel 15. "
" De Koning bepaalt het bedrag van de in de artikelen 10 tot 14 voorziene toelagen, alsook de nadere regels inzake de verdeling van die toelagen tussen de verschillende gemeenten en de meergemeentepolitiezones en de nadere regels inzake de toepassing van artikel 15. "
Art.9. L'article 16 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Le Roi fixe le montant des subventions prévues aux articles 10 à 14, ainsi que les modalités de répartition de ces subventions entre les différentes communes et les zones de police pluricommunales et les modalités d'application de l'article 15. "
" Le Roi fixe le montant des subventions prévues aux articles 10 à 14, ainsi que les modalités de répartition de ces subventions entre les différentes communes et les zones de police pluricommunales et les modalités d'application de l'article 15. "
HOOFDSTUK VI. - Wijzigingen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.
CHAPITRE VI. - Modifications de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités.
Art.10. In artikel 16, derde lid, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, wordt het woord "dertig" vervangen door het woord "twintig".
Art.10. A l'article 16, alinéa 3, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, modifié par la loi du 12 août 2000, le mot "trente" est remplacé par le mot "vingt".
Art.11. In artikel 17 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de Franse tekst van § 1, tweede lid, 3°, worden de woorden "l'explication" vervangen door de woorden "l'annexe";
2° § 2 wordt opgeheven;
3° § 3 wordt § 2.
1° in de Franse tekst van § 1, tweede lid, 3°, worden de woorden "l'explication" vervangen door de woorden "l'annexe";
2° § 2 wordt opgeheven;
3° § 3 wordt § 2.
Art.11. A l'article 17 de la même loi, modifié par la loi du 12 août 2000, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans le texte français du § 1er, alinéa 2, 3°, les mots "l'explication" sont remplacés par les mots "l'annexe";
2° le § 2 est abrogé;
3° le § 3 devient le § 2.
1° dans le texte français du § 1er, alinéa 2, 3°, les mots "l'explication" sont remplacés par les mots "l'annexe";
2° le § 2 est abrogé;
3° le § 3 devient le § 2.
Art.12. In het artikel 27bis, tweede lid, van dezelfde wet, worden de woorden "2 023 000 000 frank" vervangen door de woorden "50.148.860,06 euro".
Art.12. A l'article 27bis , alinéa 2, de la même loi, les mots "2 0230000 000 de francs" sont remplacés par les mots "50.148.860,06 euros".
Art.13. Artikel 28, § 1, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 12 augustus 2000, wordt vervangen als volgt :
" De Controledienst bepaalt de berekeningswijze van deze reservefondsen, de in acht te nemen parameters, alsmede wat dient te worden verstaan onder gelijkwaardige activa. "
" De Controledienst bepaalt de berekeningswijze van deze reservefondsen, de in acht te nemen parameters, alsmede wat dient te worden verstaan onder gelijkwaardige activa. "
Art.13. L'article 28, § 1er, alinéa 4, de la même loi, inséré par la loi du 12 août 1990, est remplacé par la disposition suivante :
" L'Office de contrôle détermine le mode de calcul de ces fonds de réserves, les paramètres à prendre en compte, ainsi que ce qu'il faut entendre par actifs équivalents. "
" L'Office de contrôle détermine le mode de calcul de ces fonds de réserves, les paramètres à prendre en compte, ainsi que ce qu'il faut entendre par actifs équivalents. "
Art.14. In artikel 29 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 20 juli 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
A. § 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Onverminderd § 2 van dit artikel houden de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen hun boekhouding bij overeenkomstig de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, desgevallend aangevuld en aangepast aan de eigen kenmerken van de ziekenfondsen en de landsbonden en van de diensten bedoeld bij de artikelen 3, eerste lid en 7, §§ 2 en 4, van deze wet.
Op voorstel van de Controledienst bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit :
1° de bijzondere aanvullende en aangepaste regels, bedoeld in het eerste lid;
2° de artikelen van de voornoemde wet van 17 juli 1975 die niet van toepassing zijn op de boekhouding van de ziekenfondsen en de landsbonden;
3° de regels volgens dewelke de jaarrekeningen van de ziekenfondsen en de landsbonden worden opgesteld. ";
B. § 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. De landsbonden en de ziekenfondsen moeten afzonderlijke rekeningenstelsels invoeren :
1° voor de verrichtingen die betrekking hebben op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, c) , die voornoemde verplichte verzekering betreffen, alsook voor de hiermee verbonden tegoeden, schulden, verbintenissen, opbrengsten en kosten;
2° voor de verrichtingen die betrekking hebben op de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en 7, § 4, en de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, c) die voornoemde diensten betreffen, alsook voor de hiermee verbonden tegoeden, schulden, verbintenissen, opbrengsten en kosten. "
A. § 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Onverminderd § 2 van dit artikel houden de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen hun boekhouding bij overeenkomstig de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, desgevallend aangevuld en aangepast aan de eigen kenmerken van de ziekenfondsen en de landsbonden en van de diensten bedoeld bij de artikelen 3, eerste lid en 7, §§ 2 en 4, van deze wet.
Op voorstel van de Controledienst bepaalt de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit :
1° de bijzondere aanvullende en aangepaste regels, bedoeld in het eerste lid;
2° de artikelen van de voornoemde wet van 17 juli 1975 die niet van toepassing zijn op de boekhouding van de ziekenfondsen en de landsbonden;
3° de regels volgens dewelke de jaarrekeningen van de ziekenfondsen en de landsbonden worden opgesteld. ";
B. § 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. De landsbonden en de ziekenfondsen moeten afzonderlijke rekeningenstelsels invoeren :
1° voor de verrichtingen die betrekking hebben op de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en de diensten bedoeld in artikel 3, eerste lid, c) , die voornoemde verplichte verzekering betreffen, alsook voor de hiermee verbonden tegoeden, schulden, verbintenissen, opbrengsten en kosten;
2° voor de verrichtingen die betrekking hebben op de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en 7, § 4, en de diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, c) die voornoemde diensten betreffen, alsook voor de hiermee verbonden tegoeden, schulden, verbintenissen, opbrengsten en kosten. "
Art.14. A l'article 29, de la même loi, modifié par la loi du 20 juillet 1991, sont apportées les modifications suivantes :
A. le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Sans préjudice du § 2 du présent article, les mutualités et les unions nationales de mutualités tiennent leur comptabilité conformément aux dispositions de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises, le cas échéant complétées et adaptées aux caractéristiques propres des mutualités, des unions nationales et des services visés aux articles 3, alinéa 1er et 7, §§ 2 et 4, de la présente loi.
Sur proposition de l'Office de contrôle, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° les règles complémentaires et adaptées, visées à l'alinéa 1er;
2° les articles de la loi du 17 juillet 1975 précitée qui ne sont pas d'application à la comptabilité des mutualités et des unions nationales;
3° les règles selon lesquelles les comptes annuels des mutualités et des unions nationales sont établis. ";
B. le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Les unions nationales et les mutualités doivent introduire des plans comptables distincts :
1° pour les opérations relevant de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités et des services visés à l'article 3, alinéa 1er, c) , afférents à l'assurance obligatoire précitée, ainsi que pour les avoirs, dettes, engagements, produits et charges qui s'y rapportent;
2° pour les opérations relevant des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) , et 7, § 4, et des services visés aux articles 3, alinéa 1er, c) y afférents, ainsi que pour les avoirs, dettes, engagements, produits et charges qui s'y rapportent. "
A. le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Sans préjudice du § 2 du présent article, les mutualités et les unions nationales de mutualités tiennent leur comptabilité conformément aux dispositions de la loi du 17 juillet 1975 relative à la comptabilité des entreprises, le cas échéant complétées et adaptées aux caractéristiques propres des mutualités, des unions nationales et des services visés aux articles 3, alinéa 1er et 7, §§ 2 et 4, de la présente loi.
Sur proposition de l'Office de contrôle, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° les règles complémentaires et adaptées, visées à l'alinéa 1er;
2° les articles de la loi du 17 juillet 1975 précitée qui ne sont pas d'application à la comptabilité des mutualités et des unions nationales;
3° les règles selon lesquelles les comptes annuels des mutualités et des unions nationales sont établis. ";
B. le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Les unions nationales et les mutualités doivent introduire des plans comptables distincts :
1° pour les opérations relevant de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités et des services visés à l'article 3, alinéa 1er, c) , afférents à l'assurance obligatoire précitée, ainsi que pour les avoirs, dettes, engagements, produits et charges qui s'y rapportent;
2° pour les opérations relevant des services visés aux articles 3, alinéa 1er, b) , et 7, § 4, et des services visés aux articles 3, alinéa 1er, c) y afférents, ainsi que pour les avoirs, dettes, engagements, produits et charges qui s'y rapportent. "
Art.15. In artikel 33 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° De volgende leden worden tussen het eerste en het tweede lid ingevoegd :
" Het advies van het Instituut der bedrijfsrevisoren, bedoeld in het vorige lid, wordt aan de Controledienst overgemaakt binnen de drie maanden volgend op de datum van de toezending van de brief houdende aanvraag van advies.
Het advies wordt verondersteld gegeven en gunstig te zijn indien het niet aan de Controledienst is overgemaakt binnen de voormelde termijn. ";
2° het vroegere tweede lid dat het vierde lid is geworden, wordt vervangen als volgt :
" Het reglement bedoeld in het eerste lid bepaalt eveneens :
a) de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de erkende revisoren op de lijst zoals bedoeld in artikel 32 worden ingeschreven;
b) de voorwaarden waaronder aan deze inschrijving al dan niet tijdelijk een einde kan worden gemaakt, alsook de daartoe te volgen procedure;
c) het maximaal aantal ziekenfondsen en landsbonden waarbij eenzelfde revisor kan worden aangesteld. "
1° De volgende leden worden tussen het eerste en het tweede lid ingevoegd :
" Het advies van het Instituut der bedrijfsrevisoren, bedoeld in het vorige lid, wordt aan de Controledienst overgemaakt binnen de drie maanden volgend op de datum van de toezending van de brief houdende aanvraag van advies.
Het advies wordt verondersteld gegeven en gunstig te zijn indien het niet aan de Controledienst is overgemaakt binnen de voormelde termijn. ";
2° het vroegere tweede lid dat het vierde lid is geworden, wordt vervangen als volgt :
" Het reglement bedoeld in het eerste lid bepaalt eveneens :
a) de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de erkende revisoren op de lijst zoals bedoeld in artikel 32 worden ingeschreven;
b) de voorwaarden waaronder aan deze inschrijving al dan niet tijdelijk een einde kan worden gemaakt, alsook de daartoe te volgen procedure;
c) het maximaal aantal ziekenfondsen en landsbonden waarbij eenzelfde revisor kan worden aangesteld. "
Art.15. A l'article 33, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° Les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
" L'avis de l'Institut des réviseurs d'entreprises, visé à l'alinéa précédent, est transmis à l'Office de contrôle dans les trois mois qui suivent la date de l'envoi de la lettre de demande d'avis.
L'avis est censé avoir été donné et être favorable s'il n'a pas été transmis à l'Office de contrôle dans le délai précité. ";
2° l'alinéa 2 ancien, devenu l'alinéa 4, est remplacé par la disposition suivante :
" Le règlement visé à l'alinéa 1er précise également :
a) les conditions et le mode selon lesquels les réviseurs agréés sont inscrits sur la liste visée à l'article 32;
b) les conditions dans lesquelles il peut être mis fin de manière provisoire ou non à cette inscription, ainsi que la procédure à suivre à cet effet;
c) le nombre maximal de mutualités et d'unions nationales auprès desquelles un même réviseur peut être désigné. "
1° Les alinéas suivants sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
" L'avis de l'Institut des réviseurs d'entreprises, visé à l'alinéa précédent, est transmis à l'Office de contrôle dans les trois mois qui suivent la date de l'envoi de la lettre de demande d'avis.
L'avis est censé avoir été donné et être favorable s'il n'a pas été transmis à l'Office de contrôle dans le délai précité. ";
2° l'alinéa 2 ancien, devenu l'alinéa 4, est remplacé par la disposition suivante :
" Le règlement visé à l'alinéa 1er précise également :
a) les conditions et le mode selon lesquels les réviseurs agréés sont inscrits sur la liste visée à l'article 32;
b) les conditions dans lesquelles il peut être mis fin de manière provisoire ou non à cette inscription, ainsi que la procédure à suivre à cet effet;
c) le nombre maximal de mutualités et d'unions nationales auprès desquelles un même réviseur peut être désigné. "
Art.16. Artikel 35, van dezelfde wet, wordt aangevuld met het volgende lid :
" De Controledienst bepaalt de termijn binnen dewelke de raad van bestuur van het ziekenfonds of van de landsbond alle stukken die nodig zijn voor het opstellen van dit verslag overmaakt aan de revisoren ".
" De Controledienst bepaalt de termijn binnen dewelke de raad van bestuur van het ziekenfonds of van de landsbond alle stukken die nodig zijn voor het opstellen van dit verslag overmaakt aan de revisoren ".
Art.16. L'article 35, de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
" L'Office de contrôle détermine le délai dans lequel le conseil d'administration de la mutualité ou de l'union nationale transmet aux réviseurs toutes les pièces nécessaires à la rédaction de ce rapport. "
" L'Office de contrôle détermine le délai dans lequel le conseil d'administration de la mutualité ou de l'union nationale transmet aux réviseurs toutes les pièces nécessaires à la rédaction de ce rapport. "
Art.17. Artikel 36, eerste lid, van dezelfde wet, wordt aangevuld met de woorden "en wordt, samen met de notulen van deze algemene vergadering, aan de Controledienst toegestuurd binnen de door deze laatste bepaalde termijn".
Art.17. L'article 36, alinéa 1er, de la même loi, est complété par les mots "et est transmis à l'Office de contrôle, accompagné du procès-verbal de cette assemblée générale, dans le délai fixé par ledit office".
Art.18. Artikel 41, derde lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
" Deze toestemming is niet vereist voor het aanvaarden van giften, schenkingen en legaten van roerende goederen waarvan de waarde niet hoger is dan 12.500 euro.
Het bedrag bedoeld in het derde lid wordt op één januari van ieder jaar aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober van het voorbije jaar. Het indexcijfer van oktober 2001 geldt als basis.
De aanpassing van het bedrag geschiedt volgens de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer, gedeeld door het indexcijfer dat als basis wordt genomen. Het resultaat wordt naar het volgende tiende afgerond ".
" Deze toestemming is niet vereist voor het aanvaarden van giften, schenkingen en legaten van roerende goederen waarvan de waarde niet hoger is dan 12.500 euro.
Het bedrag bedoeld in het derde lid wordt op één januari van ieder jaar aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand oktober van het voorbije jaar. Het indexcijfer van oktober 2001 geldt als basis.
De aanpassing van het bedrag geschiedt volgens de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer, gedeeld door het indexcijfer dat als basis wordt genomen. Het resultaat wordt naar het volgende tiende afgerond ".
Art.18. L'article 41, alinéa 3, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
" Cette autorisation n'est pas exigée pour l'acceptation de libéralités, de dons et de legs de biens mobiliers dont la valeur n'excède pas 12.500 euros.
Le montant visé à l'alinéa 3, est adapté au 1er janvier de chaque année à l'indice des prix à la consommation du mois d'octobre de l'année précédente. L'indice de départ est celui du mois d'octobre 2001.
L'adaptation du montant est effectuée conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à la dizaine supérieure. "
" Cette autorisation n'est pas exigée pour l'acceptation de libéralités, de dons et de legs de biens mobiliers dont la valeur n'excède pas 12.500 euros.
Le montant visé à l'alinéa 3, est adapté au 1er janvier de chaque année à l'indice des prix à la consommation du mois d'octobre de l'année précédente. L'indice de départ est celui du mois d'octobre 2001.
L'adaptation du montant est effectuée conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ. Le résultat est arrondi à la dizaine supérieure. "
Art.19. In artikel 43 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3 wordt vervangen als volgt :
" Het samenwerkingsakkoord en de wijzigingen ervan worden goedgekeurd of opgezegd door de algemene vergadering van het ziekenfonds of van de landsbond. Deze documenten worden samen met de notulen van deze algemene vergadering aan de Controledienst toegestuurd binnen de door deze laatste bepaalde termijn. ";
2° § 4, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Het verslag en de notulen van deze algemene vergadering worden aan de Controledienst toegestuurd binnen de door deze laatste bepaalde termijn. "
1° § 3 wordt vervangen als volgt :
" Het samenwerkingsakkoord en de wijzigingen ervan worden goedgekeurd of opgezegd door de algemene vergadering van het ziekenfonds of van de landsbond. Deze documenten worden samen met de notulen van deze algemene vergadering aan de Controledienst toegestuurd binnen de door deze laatste bepaalde termijn. ";
2° § 4, derde lid, wordt vervangen als volgt :
" Het verslag en de notulen van deze algemene vergadering worden aan de Controledienst toegestuurd binnen de door deze laatste bepaalde termijn. "
Art.19. A l'article 43 de la même loi, modifié par la loi du 12 août 2000, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" L'accord de collaboration et ses modifications sont approuvés ou résiliés par l'assemblée générale de la mutualité ou de l'union nationale. Ces documents sont transmis à l'Office de contrôle, avec le procès-verbal de l'assemblée générale concernée, dans le délai que ce dernier détermine. ";
2° le § 4, alinéa 3, est remplacé par la disposition suivante :
" Le rapport et le procès-verbal de l'assemblée générale concernée sont transmis à l'Office de contrôle dans le délai que ce dernier détermine. "
1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" L'accord de collaboration et ses modifications sont approuvés ou résiliés par l'assemblée générale de la mutualité ou de l'union nationale. Ces documents sont transmis à l'Office de contrôle, avec le procès-verbal de l'assemblée générale concernée, dans le délai que ce dernier détermine. ";
2° le § 4, alinéa 3, est remplacé par la disposition suivante :
" Le rapport et le procès-verbal de l'assemblée générale concernée sont transmis à l'Office de contrôle dans le délai que ce dernier détermine. "
Art.20. Artikel 43quinquies, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 augustus 2000, wordt vervangen als volgt :
" Worden voor de toepassing van deze wet eveneens beschouwd als voordelen, bedoeld in het eerste lid, de voordelen van dezelfde aard die worden toegekend door een rechtspersoon waarmee het ziekenfonds of de landsbond een samenwerkingsakkoord heeft gesloten, een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld door artikel 43bis of elke andere derde. "
" Worden voor de toepassing van deze wet eveneens beschouwd als voordelen, bedoeld in het eerste lid, de voordelen van dezelfde aard die worden toegekend door een rechtspersoon waarmee het ziekenfonds of de landsbond een samenwerkingsakkoord heeft gesloten, een maatschappij van onderlinge bijstand bedoeld door artikel 43bis of elke andere derde. "
Art.20. L'article 43quinquies, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 12 août 2000, est remplacé par la disposition suivante :
" Pour l'application de la présente loi, sont également considérés comme des avantages visés à l'alinéa 1er, les avantages de même nature qui sont accordés par une personne juridique avec laquelle la mutualité ou l'union nationale a conclu un accord de collaboration, par une société mutualiste visée à l'article 43bis ou par tout autre tiers. "
" Pour l'application de la présente loi, sont également considérés comme des avantages visés à l'alinéa 1er, les avantages de même nature qui sont accordés par une personne juridique avec laquelle la mutualité ou l'union nationale a conclu un accord de collaboration, par une société mutualiste visée à l'article 43bis ou par tout autre tiers. "
Art.21. In artikel 46, § 3, tweede lid, eerste zin, ingevoegd bij de wet van 14 januari 2002, worden de woorden "van § 1, vierde lid" vervangen door de woorden "van § 1, vijfde lid".
Art.21. A l'article 46, § 3, alinéa 2, première phrase, inséré par la loi du 14 janvier 2002, les mots "du § 1er, alinéa 4" sont remplacés par les mots "du § 1er, alinéa 5".
Art.22. Artikel 48bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 augustus 2000 en gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, wordt aangevuld als volgt :
" § 7. Van de in § 1 bedoelde verjaringen mag geen afstand worden gedaan.
De verjaringstermijnen bedoeld in §§ 2, 3 en 4 mogen, noch door een overeenkomst, noch door de statuten van een ziekenfonds of een landsbond verkort worden. "
" § 7. Van de in § 1 bedoelde verjaringen mag geen afstand worden gedaan.
De verjaringstermijnen bedoeld in §§ 2, 3 en 4 mogen, noch door een overeenkomst, noch door de statuten van een ziekenfonds of een landsbond verkort worden. "
Art.22. L'article 48bis de la même loi, inséré par la loi du 12 août 2000 et modifié par la loi du 14 janvier 2002, est complété par la disposition suivante :
" § 7. Il ne peut être renoncé au bénéfice des prescriptions prévues au § 1er.
Les délais de prescription prévus aux §§ 2, 3 et 4 ne peuvent être abrégés, que ce soit par convention ou dans les statuts d'une mutualité ou d'une union nationale. "
" § 7. Il ne peut être renoncé au bénéfice des prescriptions prévues au § 1er.
Les délais de prescription prévus aux §§ 2, 3 et 4 ne peuvent être abrégés, que ce soit par convention ou dans les statuts d'une mutualité ou d'une union nationale. "
Art.23. In artikel 52, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "en krachtens of in uitvoering van andere wetten" ingevoegd tussen de woorden "krachtens deze wet" en de woorden "worden verleend".
Art.23. Dans l'article 52, alinéa 1er, de la même loi, les mots "et par ou en exécution d'autres lois" sont insérés entre les mots "la présente loi" et les mots "l'Office de contrôle".
Art.24. Artikel 54 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
" Het advies bedoeld in de voorgaande leden wordt medegedeeld binnen de vier maanden vanaf de schriftelijke vraag om advies uitgaande van de Minister of van de Raad van de Controledienst. Behoudens afzonderlijk schrijven geldt de eerste inschrijving van de betrokken kwestie op de dagorde van een zitting van het Technisch comité als schriftelijke vraag om advies uitgaande van de Raad van de Controledienst.
In afwijking van het vorige lid kunnen de Minister en de Raad van de Controledienst, bij behoorlijk gemotiveerde hoogdringendheid, een kortere termijn vastleggen zonder dat deze evenwel minder dan een maand kan bedragen te rekenen vanaf de schriftelijke vraag om advies.
Het advies wordt verondersteld gegeven en gunstig te zijn indien het niet is medegedeeld binnen de voorziene termijn. "
" Het advies bedoeld in de voorgaande leden wordt medegedeeld binnen de vier maanden vanaf de schriftelijke vraag om advies uitgaande van de Minister of van de Raad van de Controledienst. Behoudens afzonderlijk schrijven geldt de eerste inschrijving van de betrokken kwestie op de dagorde van een zitting van het Technisch comité als schriftelijke vraag om advies uitgaande van de Raad van de Controledienst.
In afwijking van het vorige lid kunnen de Minister en de Raad van de Controledienst, bij behoorlijk gemotiveerde hoogdringendheid, een kortere termijn vastleggen zonder dat deze evenwel minder dan een maand kan bedragen te rekenen vanaf de schriftelijke vraag om advies.
Het advies wordt verondersteld gegeven en gunstig te zijn indien het niet is medegedeeld binnen de voorziene termijn. "
Art.24. L'article 54 de la même loi est complété par les dispositions suivantes :
" L'avis visé aux alinéas précédents est communiqué dans les quatre mois de la demande d'avis écrite émanant du Ministre ou du Conseil de l'Office de contrôle. Sauf courrier spécifique, la première inscription de la question concernée à l'ordre du jour d'une séance du Comité technique vaut demande d'avis écrite émanant du Conseil de l'Office de contrôle.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le Ministre et le Conseil de l'Office de contrôle peuvent, en cas d'urgence dûment motivée, fixer un délai plus court qui ne peut toutefois être inférieur à un mois à partir de la date de la demande d'avis écrite.
L'avis est censé avoir été donné et être favorable s'il n'a pas été communiqué dans le délai prévu. "
" L'avis visé aux alinéas précédents est communiqué dans les quatre mois de la demande d'avis écrite émanant du Ministre ou du Conseil de l'Office de contrôle. Sauf courrier spécifique, la première inscription de la question concernée à l'ordre du jour d'une séance du Comité technique vaut demande d'avis écrite émanant du Conseil de l'Office de contrôle.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le Ministre et le Conseil de l'Office de contrôle peuvent, en cas d'urgence dûment motivée, fixer un délai plus court qui ne peut toutefois être inférieur à un mois à partir de la date de la demande d'avis écrite.
L'avis est censé avoir été donné et être favorable s'il n'a pas été communiqué dans le délai prévu. "
Art.25. In artikel 60, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 12 augustus 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° bij een inbreuk op de artikelen 9, 27bis, zesde lid, 28, §§ 1 en 3, 29, 30, eerste lid, 31, 32, 48, § 1, tweede lid, 48, § 2, tweede lid, en 53, eerste lid, aan de landsbond of het ziekenfonds een termijn toekennen om de toestand te regulariseren, waarvan hij de duur vastlegt en die ingaat op de datum van de betekening van de beslissing en in voorkomend geval, indien de gevraagde regularisatie niet binnen de toegekende termijn gerealiseerd is, ten laste van de landsbond een administratieve geldboete bepaald door artikel 60ter, tweede lid, uitspreken ";
2° wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
" 2°bis bij een inbreuk op de artikelen van deze wet die niet bedoeld worden onder 1° en 2°, een administratieve geldboete van 100 tot 500 euro uitspreken;".
1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° bij een inbreuk op de artikelen 9, 27bis, zesde lid, 28, §§ 1 en 3, 29, 30, eerste lid, 31, 32, 48, § 1, tweede lid, 48, § 2, tweede lid, en 53, eerste lid, aan de landsbond of het ziekenfonds een termijn toekennen om de toestand te regulariseren, waarvan hij de duur vastlegt en die ingaat op de datum van de betekening van de beslissing en in voorkomend geval, indien de gevraagde regularisatie niet binnen de toegekende termijn gerealiseerd is, ten laste van de landsbond een administratieve geldboete bepaald door artikel 60ter, tweede lid, uitspreken ";
2° wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
" 2°bis bij een inbreuk op de artikelen van deze wet die niet bedoeld worden onder 1° en 2°, een administratieve geldboete van 100 tot 500 euro uitspreken;".
Art.25. A l'article 60, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 12 août 2000, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° en présence d'une infraction aux articles 9, 27bis , alinéa 6, 28, §§ 1er et 3, 29, 30, alinéa 1er, 31, 32, 48, § 1er, alinéa 2, 48, § 2, alinéa 2, et 53, alinéa 1er, octroyer à l'union nationale ou à la mutualité, afin de régulariser la situation, un délai dont il fixe la durée et qui prend cours à la date de notification de la décision et prononcer à charge de l'union nationale, lorsque la régularisation demandée n'est pas effectuée à l'issue du délai octroyé, une amende administrative prévue à l'article 60ter, alinéa 2;";
2° il est inséré un 2°bis , rédigé comme suit :
" 2°bis en présence d'une infraction aux articles de la présente loi qui ne sont pas visés aux 1° et 2°, prononcer une amende administrative de 100 à 500 euros;".
1° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° en présence d'une infraction aux articles 9, 27bis , alinéa 6, 28, §§ 1er et 3, 29, 30, alinéa 1er, 31, 32, 48, § 1er, alinéa 2, 48, § 2, alinéa 2, et 53, alinéa 1er, octroyer à l'union nationale ou à la mutualité, afin de régulariser la situation, un délai dont il fixe la durée et qui prend cours à la date de notification de la décision et prononcer à charge de l'union nationale, lorsque la régularisation demandée n'est pas effectuée à l'issue du délai octroyé, une amende administrative prévue à l'article 60ter, alinéa 2;";
2° il est inséré un 2°bis , rédigé comme suit :
" 2°bis en présence d'une infraction aux articles de la présente loi qui ne sont pas visés aux 1° et 2°, prononcer une amende administrative de 100 à 500 euros;".
Art.26. Artikel 60bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 12 augustus 2000, wordt vervangen als volgt :
" Een administratieve geldboete van 50 euro tot 250 euro kan worden uitgesproken per in strijd met de bepalingen van artikel 43quinquies, toegekend voordeel.
Een administratieve geldboete van 100 euro tot 500 euro kan worden uitgesproken in geval van niet-naleving van de termijnen bedoeld door of krachtens de artikelen 11, § 1, eerste lid, 28, § 4, tweede lid, 30, tweede lid, 35, derde lid, 36, eerste lid, en 43, §§ 3 en 4, derde lid.
Een administratieve geldboete van 500 euro tot 2.500 euro kan worden uitgesproken :
1° voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 2, gevoerde vergelijkende reclame;
2° voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 3, gevoerde reclame.
Een administratieve geldboete van 1.500 euro tot 7.500 euro kan worden uitgesproken voor elke inbreuk op de bepalingen van artikel 43ter.
Een administratieve geldboete van 1.500 euro tot 7.500 euro kan worden uitgesproken :
1° in geval van niet-naleving van de beslissingen van de Raad van de Controledienst waarbij, met toepassing van artikel 11, §§ 2 en 3, de goedkeuring wordt geweigerd van de statutaire bepalingen of hun wijzigingen;
2° in geval van toekenning van financiële tussenkomsten of vergoedingen in het kader van diensten of voordelen die, met toepassing van artikel 11, door de Raad van de Controledienst niet goedgekeurd zijn.
Een administratieve geldboete van 2.500 euro tot 12.500 euro kan worden uitgesproken voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 2, gevoerde bedrieglijke reclame. "
" Een administratieve geldboete van 50 euro tot 250 euro kan worden uitgesproken per in strijd met de bepalingen van artikel 43quinquies, toegekend voordeel.
Een administratieve geldboete van 100 euro tot 500 euro kan worden uitgesproken in geval van niet-naleving van de termijnen bedoeld door of krachtens de artikelen 11, § 1, eerste lid, 28, § 4, tweede lid, 30, tweede lid, 35, derde lid, 36, eerste lid, en 43, §§ 3 en 4, derde lid.
Een administratieve geldboete van 500 euro tot 2.500 euro kan worden uitgesproken :
1° voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 2, gevoerde vergelijkende reclame;
2° voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 3, gevoerde reclame.
Een administratieve geldboete van 1.500 euro tot 7.500 euro kan worden uitgesproken voor elke inbreuk op de bepalingen van artikel 43ter.
Een administratieve geldboete van 1.500 euro tot 7.500 euro kan worden uitgesproken :
1° in geval van niet-naleving van de beslissingen van de Raad van de Controledienst waarbij, met toepassing van artikel 11, §§ 2 en 3, de goedkeuring wordt geweigerd van de statutaire bepalingen of hun wijzigingen;
2° in geval van toekenning van financiële tussenkomsten of vergoedingen in het kader van diensten of voordelen die, met toepassing van artikel 11, door de Raad van de Controledienst niet goedgekeurd zijn.
Een administratieve geldboete van 2.500 euro tot 12.500 euro kan worden uitgesproken voor elke, in strijd met de bepalingen van artikel 43quater, § 2, gevoerde bedrieglijke reclame. "
Art.26. L'article 60bis de la même loi, inséré par la loi du 12 août 2000, est remplacé par la disposition suivante :
" Une amende administrative de 50 euros à 250 euros peut être prononcée par avantage octroyé en infraction aux dispositions de l'article 43quinquies.
Une amende administrative de 100 euros à 500 euros peut être prononcée en cas de non respect des délais visés par ou en vertu des articles 11, § 1er, alinéa 1er, 28, § 4, alinéa 2, 30, alinéa 2, 35, alinéa 3, 36, alinéa 1er, et 43, §§ 3 et 4, alinéa 3.
Une amende administrative de 500 euros à 2.500 euros peut être prononcée :
1° pour toute publicité comparative effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater , § 2;
2° pour toute publicité effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater , § 3.
Une amende administrative de 1.500 euros à 7.500 euros peut être prononcée pour chaque infraction commise aux dispositions de l'article 43ter.
Une amende administrative de 1.500 euros à 7.500 euros peut être prononcée :
1° en cas de non-respect des décisions du Conseil de l'Office de contrôle qui, en application de l'article 11, §§ 2 et 3, refusent l'approbation des dispositions statutaires ou de leurs modifications;
2° en cas d'octroi d'interventions financières ou d'indemnités dans le cadre de services ou d'avantages non approuvés, en application de l'article 11, par le Conseil de l'Office de contrôle.
Une amende administrative de 2.500 euros à 12.500 euros peut être prononcée pour toute publicité trompeuse effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater , § 2. "
" Une amende administrative de 50 euros à 250 euros peut être prononcée par avantage octroyé en infraction aux dispositions de l'article 43quinquies.
Une amende administrative de 100 euros à 500 euros peut être prononcée en cas de non respect des délais visés par ou en vertu des articles 11, § 1er, alinéa 1er, 28, § 4, alinéa 2, 30, alinéa 2, 35, alinéa 3, 36, alinéa 1er, et 43, §§ 3 et 4, alinéa 3.
Une amende administrative de 500 euros à 2.500 euros peut être prononcée :
1° pour toute publicité comparative effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater , § 2;
2° pour toute publicité effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater , § 3.
Une amende administrative de 1.500 euros à 7.500 euros peut être prononcée pour chaque infraction commise aux dispositions de l'article 43ter.
Une amende administrative de 1.500 euros à 7.500 euros peut être prononcée :
1° en cas de non-respect des décisions du Conseil de l'Office de contrôle qui, en application de l'article 11, §§ 2 et 3, refusent l'approbation des dispositions statutaires ou de leurs modifications;
2° en cas d'octroi d'interventions financières ou d'indemnités dans le cadre de services ou d'avantages non approuvés, en application de l'article 11, par le Conseil de l'Office de contrôle.
Une amende administrative de 2.500 euros à 12.500 euros peut être prononcée pour toute publicité trompeuse effectuée en infraction aux dispositions de l'article 43quater , § 2. "
Art.27. In artikel 60ter, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden "500 Belgische frank tot 5 000 Belgische frank" vervangen door de woorden "12,50 tot 125 euro".
Art.27. A l'article 60ter, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 12 août 2000, les mots "500 francs belges à 5 000 francs belges" sont remplacés par les mots "12,50 à 125 euros".
Art.28. In artikel 60quater, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, wordt het derde lid vervangen als volgt :
" Bij samenloop van meerdere inbreuken bedoeld door artikel 60bis en bij samenloop van één of meerdere van deze inbreuken met een inbreuk gesanctioneerd met een administratieve geldboete bedoeld door artikel 60ter, tweede lid, of artikel 60, eerste lid, 2°bis, worden de bedragen van de administratieve geldboetes samen opgelegd zonder echter 20.000 euro te mogen overschrijden. "
" Bij samenloop van meerdere inbreuken bedoeld door artikel 60bis en bij samenloop van één of meerdere van deze inbreuken met een inbreuk gesanctioneerd met een administratieve geldboete bedoeld door artikel 60ter, tweede lid, of artikel 60, eerste lid, 2°bis, worden de bedragen van de administratieve geldboetes samen opgelegd zonder echter 20.000 euro te mogen overschrijden. "
Art.28. A l'article 60quater , de la même loi, modifié par la loi du 14 janvier 2002, l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" En cas de concours de plusieurs infractions visées à l'article 60bis et en cas de concours d'une ou plusieurs de ces infractions avec une infraction sanctionnée par une amende administrative visée à l'article 60ter, alinéa 2, ou à l'article 60, alinéa 1er, 2°bis , les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder 20.000 euros. "
" En cas de concours de plusieurs infractions visées à l'article 60bis et en cas de concours d'une ou plusieurs de ces infractions avec une infraction sanctionnée par une amende administrative visée à l'article 60ter, alinéa 2, ou à l'article 60, alinéa 1er, 2°bis , les montants des amendes administratives sont cumulés sans qu'ils puissent cependant excéder 20.000 euros. "
Art.29. In artikel 64, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden "1 000 frank tot 10 000 frank" vervangen door de woorden "1.000 tot 10.000 euro".
Art.29. A l'article 64, alinéa 1er, de la même loi, les mots "1 000 à 10 000 francs" sont remplacés par les mots "1.000 à 10.000 euros".
Art.30. In artikel 65, § 2, van dezelfde wet, worden de woorden "26 tot 5 000 frank" vervangen door de woorden "26 tot 5.000 euro".
Art.30. A l'article 65, § 2, de la même loi, les mots "26 à 5 000 francs" sont remplacés par les mots "26 à 5.000 euros".
HOOFDSTUK VII. - Wijzigingen van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
CHAPITRE VII. - Modifications de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Art.31. In artikel 35 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt § 3, opgeheven bij de wet van 10 augustus 2001, hersteld in de volgende lezing :
" Zonodig kunnen voor de in artikel 34 bedoelde verstrekkingen die de Koning aanwijst en voor zover zij betrekking hebben op instellingen en diensten, verschillende tarieven van tegemoetkoming gelden naargelang de instellingen en diensten bedoeld in deze bepaling al dan niet voldoen aan bijkomende voorwaarden dewelke Hij vaststelt en dewelke betrekking hebben op de arbeidsvoorwaarden van hun personeel en een invloed hebben op de kwaliteit en de toegankelijkheid van de zorg. "
" Zonodig kunnen voor de in artikel 34 bedoelde verstrekkingen die de Koning aanwijst en voor zover zij betrekking hebben op instellingen en diensten, verschillende tarieven van tegemoetkoming gelden naargelang de instellingen en diensten bedoeld in deze bepaling al dan niet voldoen aan bijkomende voorwaarden dewelke Hij vaststelt en dewelke betrekking hebben op de arbeidsvoorwaarden van hun personeel en een invloed hebben op de kwaliteit en de toegankelijkheid van de zorg. "
Art.31. A l'article 35 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, le § 3, abrogé par la loi du 10 août 2001, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Le cas échéant, des tarifs différents pour les prestations visées à l'article 34, désignées par le Roi pour autant qu'elles concernent des institutions ou services, peuvent être appliqués selon que les institutions et services visés par cette disposition répondent ou non à des conditions supplémentaires qu'il fixe, lesquelles concernent les conditions de travail de leur personnel et ont une influence sur la qualité et l'accessibilité des soins. "
" Le cas échéant, des tarifs différents pour les prestations visées à l'article 34, désignées par le Roi pour autant qu'elles concernent des institutions ou services, peuvent être appliqués selon que les institutions et services visés par cette disposition répondent ou non à des conditions supplémentaires qu'il fixe, lesquelles concernent les conditions de travail de leur personnel et ont une influence sur la qualité et l'accessibilité des soins. "
Art.32. In dezelfde wet, wordt een afdeling Vbis ingevoegd, luidend als volgt :
" Afdeling V bis. - Vergoeding om zorgaanbod inzake kinesitherapie te wijzigen
Art. 55bis. De Koning, kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het Instituut ermee belasten om de kost voortvloeiend uit maatregelen genomen om het aantal kinesitherapeuten te verhogen of te verminderen, ten laste nemen van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regelen voor de toepassing van dit artikel. "
" Afdeling V bis. - Vergoeding om zorgaanbod inzake kinesitherapie te wijzigen
Art. 55bis. De Koning, kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het Instituut ermee belasten om de kost voortvloeiend uit maatregelen genomen om het aantal kinesitherapeuten te verhogen of te verminderen, ten laste nemen van de begroting inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regelen voor de toepassing van dit artikel. "
Art.32. Une section Vbis , rédigée comme suit, est insérée dans la même loi :
" Section V bis. - Indemnité de modification de l'offre de soins de kinésithérapie
Art. 55bis. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, charger l'Institut de prendre à charge du budget de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités les frais résultant de mesures prises en vue d'augmenter ou de réduire le nombre de kinésithérapeutes.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités d'application du présent article. "
" Section V bis. - Indemnité de modification de l'offre de soins de kinésithérapie
Art. 55bis. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, charger l'Institut de prendre à charge du budget de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités les frais résultant de mesures prises en vue d'augmenter ou de réduire le nombre de kinésithérapeutes.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités d'application du présent article. "
Art.33. Een artikel 116bis , luidend als volgt, wordt in dezelfde wet ingevoegd :
" Art. 116bis. De werkneemster, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) , met uitzondering van de werkneemster die een vergoeding ontvangt wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst bedoeld in hogervermeld artikel, kan voor de borstvoedingspauzes die haar toegekend worden overeenkomstig de bepalingen van de arbeidsreglementering van toepassing op de betrokken werkneemsters, aanspraak maken op een uitkering waarvan de hoegrootheid en de voorwaarden door de Koning, worden bepaald.
Het gederfd loon dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van deze uitkering, wordt vastgesteld door de Koning; dit loon wordt evenwel niet beperkt tot het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid.
De werkneemster bedoeld in het eerste lid moet de hoedanigheid van gerechtigde hebben voor de moederschapsverzekering op het ogenblik waarop zij de borstvoedingspauze geniet, zonder dat zij de andere voorwaarden moet vervullen, bedoeld in de artikelen 128 tot 132.
De uren, die overeenstemmen met de borstvoedingspauzes, worden gelijkgesteld met arbeidsuren en worden in aanmerking genomen voor het vervullen van de verzekeringsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 128 tot 132. "
" Art. 116bis. De werkneemster, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) , met uitzondering van de werkneemster die een vergoeding ontvangt wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst bedoeld in hogervermeld artikel, kan voor de borstvoedingspauzes die haar toegekend worden overeenkomstig de bepalingen van de arbeidsreglementering van toepassing op de betrokken werkneemsters, aanspraak maken op een uitkering waarvan de hoegrootheid en de voorwaarden door de Koning, worden bepaald.
Het gederfd loon dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van deze uitkering, wordt vastgesteld door de Koning; dit loon wordt evenwel niet beperkt tot het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid.
De werkneemster bedoeld in het eerste lid moet de hoedanigheid van gerechtigde hebben voor de moederschapsverzekering op het ogenblik waarop zij de borstvoedingspauze geniet, zonder dat zij de andere voorwaarden moet vervullen, bedoeld in de artikelen 128 tot 132.
De uren, die overeenstemmen met de borstvoedingspauzes, worden gelijkgesteld met arbeidsuren en worden in aanmerking genomen voor het vervullen van de verzekeringsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 128 tot 132. "
Art.33. Un article 116bis , rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
" Art. 116bis. La travailleuse visée à l'article 86, § 1er, 1°, a) , à l'exclusion de la travailleuse qui bénéficie d'une indemnité suite à la rupture du contrat de travail visée à l'article précité, peut prétendre à une indemnité au taux et dans les conditions déterminés par le Roi, pour les pauses d'allaitement qui lui sont accordées conformément aux dispositions de la réglementation du travail applicable aux travailleuses concernées.
La rémunération perdue prise en considération pour le calcul de cette indemnité est fixée par le Roi; cette rémunération n'est toutefois pas limitée au montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa 1.
La travailleuse visées à l'alinéa 1er doit avoir la qualité de titulaire de l'assurance maternité au moment où elle bénéficie de la pause d'allaitement, sans devoir remplir les autres conditions visées aux articles 128 à 132.
Les heures qui correspond aux pauses d'allaitement sont assimilées à des heures de travail et sont prises en considération pour l'accomplissement des conditions d'assurance visées aux articles 128 à 132. "
" Art. 116bis. La travailleuse visée à l'article 86, § 1er, 1°, a) , à l'exclusion de la travailleuse qui bénéficie d'une indemnité suite à la rupture du contrat de travail visée à l'article précité, peut prétendre à une indemnité au taux et dans les conditions déterminés par le Roi, pour les pauses d'allaitement qui lui sont accordées conformément aux dispositions de la réglementation du travail applicable aux travailleuses concernées.
La rémunération perdue prise en considération pour le calcul de cette indemnité est fixée par le Roi; cette rémunération n'est toutefois pas limitée au montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa 1.
La travailleuse visées à l'alinéa 1er doit avoir la qualité de titulaire de l'assurance maternité au moment où elle bénéficie de la pause d'allaitement, sans devoir remplir les autres conditions visées aux articles 128 à 132.
Les heures qui correspond aux pauses d'allaitement sont assimilées à des heures de travail et sont prises en considération pour l'accomplissement des conditions d'assurance visées aux articles 128 à 132. "
Art.34. In artikel 191, eerste lid, 15°quater , § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de volgende leden toegevoegd :
" Voor het jaar 2002 bedraagt de aanvullende heffing ingesteld ten laste van de farmaceutische firma's op de omzet die is verwezenlijkt gedurende het jaar 2001 2,98 %. Dit percentage is het aandeel van de overschrijding van het globaal budget 2001, vastgesteld in uitvoering van artikel 69, § 5, beperkt tot 65 %, zijnde 66.857.451,70 EUR, van de omzet die de farmaceutische firma's hebben verwezenlijkt gedurende het jaar 2001, zijnde 2.243.567.638,14 EUR. Hogervermelde overschrijding is het verschil tussen de geboekte uitgaven van het jaar 2001, zijnde 2.453.929.385,65 EUR en hogervermeld globaal budget zijnde 2.351.071.767,65 EUR en bedraagt 102.857.618,00 EUR. Hogervermelde heffing dient te worden gestort vóór 1 november 2002 op rekening nr. 001-1950023-1 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " aanvullende heffing 2001 van 2,98 % ". De ontvangsten die voortvloeien uit de hogervermelde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2002. "
" Voor het jaar 2002 bedraagt de aanvullende heffing ingesteld ten laste van de farmaceutische firma's op de omzet die is verwezenlijkt gedurende het jaar 2001 2,98 %. Dit percentage is het aandeel van de overschrijding van het globaal budget 2001, vastgesteld in uitvoering van artikel 69, § 5, beperkt tot 65 %, zijnde 66.857.451,70 EUR, van de omzet die de farmaceutische firma's hebben verwezenlijkt gedurende het jaar 2001, zijnde 2.243.567.638,14 EUR. Hogervermelde overschrijding is het verschil tussen de geboekte uitgaven van het jaar 2001, zijnde 2.453.929.385,65 EUR en hogervermeld globaal budget zijnde 2.351.071.767,65 EUR en bedraagt 102.857.618,00 EUR. Hogervermelde heffing dient te worden gestort vóór 1 november 2002 op rekening nr. 001-1950023-1 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, met vermelding " aanvullende heffing 2001 van 2,98 % ". De ontvangsten die voortvloeien uit de hogervermelde heffing zullen in de rekeningen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging worden opgenomen in het boekjaar 2002. "
Art.34. Dans l'article 191, alinéa 1er, 15°quater , § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 10 août 2001, les alinéas suivants sont ajoutés :
" Pour l'année 2002, la cotisation complémentaire instaurée à charge des firmes pharmaceutiques sur le chiffre d'affaires qui a été réalisé durant l'année 2001 s'élève à 2,98 %. Ce pourcentage constitue la part du dépassement du budget global 2001, fixé en exécution de l'article 69, § 5, limité à 65 %, soit 66.857.451,70 EUR, du chiffre d'affaires des firmes pharmaceutiques réalisé durant l'année 2001, soit 2.243.567.638,14 EUR. Ledit dépassement est la différence entre les dépenses comptabilisées de l'année 2001, soit 2.453.929.385,65 EUR, et le budget global précité, soit 2.351.071.767,65 EUR, et s'élève à 102.857.618,00 EUR. La cotisation en question doit être versée avant le 1er novembre 2002 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " cotisation complémentaire 2001 de 2,98 %. Les recettes qui résultent de cette cotisation seront intégrées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'exercice 2002. "
" Pour l'année 2002, la cotisation complémentaire instaurée à charge des firmes pharmaceutiques sur le chiffre d'affaires qui a été réalisé durant l'année 2001 s'élève à 2,98 %. Ce pourcentage constitue la part du dépassement du budget global 2001, fixé en exécution de l'article 69, § 5, limité à 65 %, soit 66.857.451,70 EUR, du chiffre d'affaires des firmes pharmaceutiques réalisé durant l'année 2001, soit 2.243.567.638,14 EUR. Ledit dépassement est la différence entre les dépenses comptabilisées de l'année 2001, soit 2.453.929.385,65 EUR, et le budget global précité, soit 2.351.071.767,65 EUR, et s'élève à 102.857.618,00 EUR. La cotisation en question doit être versée avant le 1er novembre 2002 au compte n° 001-1950023-11 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, en indiquant la mention " cotisation complémentaire 2001 de 2,98 %. Les recettes qui résultent de cette cotisation seront intégrées dans les comptes de l'assurance obligatoire soins de santé pour l'exercice 2002. "
HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de wet van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen.
CHAPITRE VIII. - Modification de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses.
Art.35. Artikel 58 van de wet van 2 januari 2001 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen wordt opgeheven.
Art.35. L'article 58 de la loi du 2 janvier 2001 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses est abrogé.
HOOFDSTUK IX. - Bijhouden van de individuele rekeningen.
CHAPITRE IX. - Tenue des comptes individuels.
Art.36. § 1. De loon- en arbeidstijdgegevens voor de werknemers alsmede alle andere nodige inlichtingen betreffende de loopbanen en de identificatie van de sociaal verzekerden worden ingeschreven op de individuele rekening van de werknemers bedoeld in artikel 28 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.
De Koning bepaalt nader de gegevens en de inlichtingen die op deze individuele rekening van de werknemers worden ingeschreven alsmede op welke wijze en in welke voorwaarden de rekeningen worden bijgehouden.
§ 2. De instellingen die voor deze gegevens verantwoordelijk zijn of de sociaal verzekerde kunnen om verbetering van de gegevens of van de inlichtingen ingeschreven op de individuele rekeningen, verzoeken.
De Koning bepaalt nader op welke wijze en onder welke voorwaarden aan deze gegevens bewijskracht kan worden verleend alsmede de procedures ter verbetering van deze gegevens.
De Koning bepaalt nader de gegevens en de inlichtingen die op deze individuele rekening van de werknemers worden ingeschreven alsmede op welke wijze en in welke voorwaarden de rekeningen worden bijgehouden.
§ 2. De instellingen die voor deze gegevens verantwoordelijk zijn of de sociaal verzekerde kunnen om verbetering van de gegevens of van de inlichtingen ingeschreven op de individuele rekeningen, verzoeken.
De Koning bepaalt nader op welke wijze en onder welke voorwaarden aan deze gegevens bewijskracht kan worden verleend alsmede de procedures ter verbetering van deze gegevens.
Art.36. § 1er. Les données relatives au temps de travail et à la rémunération, et toutes les autres informations nécessaires concernant les carrières professionnelles et l'identification des assurés sociaux, sont enregistrées dans les comptes individuels des travailleurs visés à l'article 28 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs.
Le Roi fixe les données et les informations qui sont enregistrées dans ce compte individuel des travailleurs, tout comme les modalités et les conditions de gestion des comptes.
§ 2. Les institutions qui sont responsables de ces données ou l'assuré social peuvent demander une correction des données ou des informations enregistrées dans les comptes individuels.
Le Roi fixe les modalités et les conditions qui peuvent accorder la force probante à ces données, tout comme les procédures de correction de ces données.
Le Roi fixe les données et les informations qui sont enregistrées dans ce compte individuel des travailleurs, tout comme les modalités et les conditions de gestion des comptes.
§ 2. Les institutions qui sont responsables de ces données ou l'assuré social peuvent demander une correction des données ou des informations enregistrées dans les comptes individuels.
Le Roi fixe les modalités et les conditions qui peuvent accorder la force probante à ces données, tout comme les procédures de correction de ces données.
HOOFDSTUK X. - Wijziging van de wet van 14 januari 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg.
CHAPITRE X. - Modification de la loi du 14 janvier 2002 portant des mesures en matière de soins de santé.
Art.37. Artikel 115 van de wet van 14 januari 2002 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 115. De wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten is niet van toepassing op de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten van de openbare ziekenhuizen, behalve wanneer die opdrachten onderworpen zijn aan verplichtingen die voortvloeien uit de Europese richtlijnen of een internationale akte inzake overheidsopdrachten.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat voor de toepassing van dit artikel dient te worden beschouwd als openbaar ziekenhuis. "
" Art. 115. De wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten is niet van toepassing op de overheidsopdrachten voor aanneming van leveringen en van diensten van de openbare ziekenhuizen, behalve wanneer die opdrachten onderworpen zijn aan verplichtingen die voortvloeien uit de Europese richtlijnen of een internationale akte inzake overheidsopdrachten.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad wat voor de toepassing van dit artikel dient te worden beschouwd als openbaar ziekenhuis. "
Art.37. L'article 115 de la loi du 14 janvier 2002 portant des mesures en matière de soins de santé, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 115. La loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services ne s'applique pas aux marchés publics de fournitures et de services des hôpitaux publics sauf lorsque ces marchés sont soumis à des obligations résultant des directives européennes ou d'un acte international en matière de marchés publics.
Le Roi détermine par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres ce qu'il y a lieu d'entendre par hôpital public pour l'application du présent article.
" Art. 115. La loi du 24 décembre 1993 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services ne s'applique pas aux marchés publics de fournitures et de services des hôpitaux publics sauf lorsque ces marchés sont soumis à des obligations résultant des directives européennes ou d'un acte international en matière de marchés publics.
Le Roi détermine par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres ce qu'il y a lieu d'entendre par hôpital public pour l'application du présent article.
HOOFDSTUK XI. - Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
CHAPITRE XI. - Banque-carrefour de la sécurité sociale.
Art.38. Artikel 5 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid wordt vervangen als volgt :
" § 1. De Kruispuntbank verzamelt sociale gegevens bij de instellingen van sociale zekerheid, slaat ze op, voegt ze samen en deelt ze mee aan de personen die ze nodig hebben voor het verrichten van onderzoeken die nuttig zijn voor de kennis, de conceptie en het beheer van de sociale zekerheid.
Voor zover voormelde mededeling betrekking heeft op anonieme gegevens dient het Toezichtscomité bedoeld in artikel 37 vooraf een advies te verlenen, behalve indien de mededeling wordt verricht aan de Ministers die de sociale zekerheid onder hun bevoegdheid hebben, de Wetgevende Kamers, de openbare instellingen van sociale zekerheid, de Nationale Arbeidsraad, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen of het Planbureau.
§ 2. De Kruispuntbank gebruikt de met toepassing van § 1 verzamelde sociale gegevens eveneens voor het bepalen van de doelgroep van onderzoeken die worden verricht aan de hand van een bevraging van de proefpersonen. Deze bevraging geschiedt in principe door de Kruispuntbank in opdracht van de uitvoerder van het onderzoek, zonder dat sociale gegevens van persoonlijke aard met betrekking tot de proefpersonen aan de uitvoerder van het onderzoek worden meegedeeld en na advies van het Toezichtscomité, tenzij het onderzoek wordt verricht door of in opdracht van de Ministers die de sociale zekerheid onder hun bevoegdheid hebben, de Wetgevende Kamers, de openbare instellingen van sociale zekerheid, de Nationale Arbeidsraad, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen of het Planbureau.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de Kruispuntbank beschouwd als een intermediaire organisatie, zoals gedefinieerd krachtens de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. "
" § 1. De Kruispuntbank verzamelt sociale gegevens bij de instellingen van sociale zekerheid, slaat ze op, voegt ze samen en deelt ze mee aan de personen die ze nodig hebben voor het verrichten van onderzoeken die nuttig zijn voor de kennis, de conceptie en het beheer van de sociale zekerheid.
Voor zover voormelde mededeling betrekking heeft op anonieme gegevens dient het Toezichtscomité bedoeld in artikel 37 vooraf een advies te verlenen, behalve indien de mededeling wordt verricht aan de Ministers die de sociale zekerheid onder hun bevoegdheid hebben, de Wetgevende Kamers, de openbare instellingen van sociale zekerheid, de Nationale Arbeidsraad, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen of het Planbureau.
§ 2. De Kruispuntbank gebruikt de met toepassing van § 1 verzamelde sociale gegevens eveneens voor het bepalen van de doelgroep van onderzoeken die worden verricht aan de hand van een bevraging van de proefpersonen. Deze bevraging geschiedt in principe door de Kruispuntbank in opdracht van de uitvoerder van het onderzoek, zonder dat sociale gegevens van persoonlijke aard met betrekking tot de proefpersonen aan de uitvoerder van het onderzoek worden meegedeeld en na advies van het Toezichtscomité, tenzij het onderzoek wordt verricht door of in opdracht van de Ministers die de sociale zekerheid onder hun bevoegdheid hebben, de Wetgevende Kamers, de openbare instellingen van sociale zekerheid, de Nationale Arbeidsraad, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen of het Planbureau.
§ 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt de Kruispuntbank beschouwd als een intermediaire organisatie, zoals gedefinieerd krachtens de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. "
Art.38. L'article 5 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La Banque Carrefour recueille des données sociales auprès des institutions de sécurité sociale, les enregistre, procède à leur agrégation et les communique aux personnes qui en ont besoin pour la réalisation de recherches pouvant être utiles à la connaissance, à la conception et à la gestion de la sécurité sociale.
Lorsque la communication précitée porte sur des données anonymes, le Comité de Surveillance visé à l'article 37 doit au préalable fournir un avis, sauf si la communication est destinée aux Ministres qui ont la sécurité sociale dans leurs attributions, aux Chambres législatives, aux institutions publiques de sécurité sociale, au Conseil national du Travail, au Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises ou au Bureau du Plan.
§ 2. La Banque Carrefour utilise également les données sociales recueillies en application du § 1er en vue de la détermination des groupes cibles de recherches à réaliser sur base d'une interrogation des personnes de l'échantillon. Cette interrogation est en principe effectuée par la Banque Carrefour pour le compte de l'exécutant de la recherche, sans que des données sociales à caractère personnel relatives aux personnes de l'échantillon ne soient communiquées à l'exécutant de la recherche et après avis du Comité de Surveillance, sauf si la recherche est réalisée par ou pour le compte des Ministres qui ont la sécurité sociale dans leurs attributions, des Chambres législatives, des institutions publiques de sécurité sociale, du Conseil national du Travail, du Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises ou du Bureau du Plan.
§ 3. Pour l'application du présent article, la Banque Carrefour est considérée comme une organisation intermédiaire telle que définie en vertu de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. "
" § 1er. La Banque Carrefour recueille des données sociales auprès des institutions de sécurité sociale, les enregistre, procède à leur agrégation et les communique aux personnes qui en ont besoin pour la réalisation de recherches pouvant être utiles à la connaissance, à la conception et à la gestion de la sécurité sociale.
Lorsque la communication précitée porte sur des données anonymes, le Comité de Surveillance visé à l'article 37 doit au préalable fournir un avis, sauf si la communication est destinée aux Ministres qui ont la sécurité sociale dans leurs attributions, aux Chambres législatives, aux institutions publiques de sécurité sociale, au Conseil national du Travail, au Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises ou au Bureau du Plan.
§ 2. La Banque Carrefour utilise également les données sociales recueillies en application du § 1er en vue de la détermination des groupes cibles de recherches à réaliser sur base d'une interrogation des personnes de l'échantillon. Cette interrogation est en principe effectuée par la Banque Carrefour pour le compte de l'exécutant de la recherche, sans que des données sociales à caractère personnel relatives aux personnes de l'échantillon ne soient communiquées à l'exécutant de la recherche et après avis du Comité de Surveillance, sauf si la recherche est réalisée par ou pour le compte des Ministres qui ont la sécurité sociale dans leurs attributions, des Chambres législatives, des institutions publiques de sécurité sociale, du Conseil national du Travail, du Conseil supérieur des Indépendants et des Petites et Moyennes Entreprises ou du Bureau du Plan.
§ 3. Pour l'application du présent article, la Banque Carrefour est considérée comme une organisation intermédiaire telle que définie en vertu de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel. "
Art.39. In artikel 14 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in het eerste lid wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
" 2°bis de personen bedoeld in artikel 1, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, die de betrokken gegevens voor de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en haar uitvoeringsbesluiten nodig hebben, hun aangestelden of lasthebbers, of degenen die door hen uitdrukkelijk werden gemachtigd om de gegevens te verkrijgen; "
b) in het eerste lid wordt 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° de personen aan wie door de in 2° of 2°bis bedoelde personen werken in onderaanneming worden toevertrouwd voor de toepassing van de sociale zekerheid of voor de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en haar uitvoeringsbesluiten; "
c) in het tweede lid worden de woorden " bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 5° " vervangen door de woorden " bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 2°bis en 5°. "
a) in het eerste lid wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
" 2°bis de personen bedoeld in artikel 1, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 27 maart 1998 betreffende de externe diensten voor preventie en bescherming op het werk, die de betrokken gegevens voor de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en haar uitvoeringsbesluiten nodig hebben, hun aangestelden of lasthebbers, of degenen die door hen uitdrukkelijk werden gemachtigd om de gegevens te verkrijgen; "
b) in het eerste lid wordt 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° de personen aan wie door de in 2° of 2°bis bedoelde personen werken in onderaanneming worden toevertrouwd voor de toepassing van de sociale zekerheid of voor de toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk en haar uitvoeringsbesluiten; "
c) in het tweede lid worden de woorden " bedoeld in het eerste lid, 1°, 2° en 5° " vervangen door de woorden " bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 2°bis en 5°. "
Art.39. A l'article 14 de la même loi sont apportées les modifications suivantes :
a) dans l'alinéa 1er, il est inséré un 2°bis , rédigé comme suit :
" 2°bis. Les personnes visées à l'article 1er, 2° et 3°, de l'arrête royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail, qui ont besoin desdites données pour l'application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution, leurs préposés ou mandataires ou ceux qu'elles autorisent expressément à recevoir les données; "
b) dans l'alinéa 1er, le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les personnes à qui sont confiées par les personnes visées au 2° ou 2°bis des travaux de sous-traitance pour l'application de la sécurité sociale ou pour l'application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution; "
c) dans l'alinéa 2, les mots " visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 5° " sont remplacés par les mots " visées à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 2°bis et 5°. "
a) dans l'alinéa 1er, il est inséré un 2°bis , rédigé comme suit :
" 2°bis. Les personnes visées à l'article 1er, 2° et 3°, de l'arrête royal du 27 mars 1998 relatif aux services externes pour la prévention et la protection au travail, qui ont besoin desdites données pour l'application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution, leurs préposés ou mandataires ou ceux qu'elles autorisent expressément à recevoir les données; "
b) dans l'alinéa 1er, le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° les personnes à qui sont confiées par les personnes visées au 2° ou 2°bis des travaux de sous-traitance pour l'application de la sécurité sociale ou pour l'application de la loi du 4 août 1996 relative au bien-être des travailleurs lors de l'exécution de leur travail et de ses arrêtés d'exécution; "
c) dans l'alinéa 2, les mots " visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 5° " sont remplacés par les mots " visées à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 2°bis et 5°. "
Art.40. Artikel 15, vierde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 januari 2001, wordt vervangen als volgt :
" Een principiële machtiging van het Toezichtscomité is evenwel niet vereist voor de mededeling van gecodeerde persoonsgegevens, zoals gedefinieerd krachtens de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, die de Kruispuntbank overeenkomstig artikel 5, § 1, eerste lid, verricht aan de Ministers die de sociale zekerheid onder hun bevoegdheid hebben, de Wetgevende Kamers, de openbare instellingen van sociale zekerheid, de Nationale Arbeidsraad, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen of het Planbureau. "
" Een principiële machtiging van het Toezichtscomité is evenwel niet vereist voor de mededeling van gecodeerde persoonsgegevens, zoals gedefinieerd krachtens de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, die de Kruispuntbank overeenkomstig artikel 5, § 1, eerste lid, verricht aan de Ministers die de sociale zekerheid onder hun bevoegdheid hebben, de Wetgevende Kamers, de openbare instellingen van sociale zekerheid, de Nationale Arbeidsraad, de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen of het Planbureau. "
Art.40. L'article 15, alinéa 4, de la même loi, inséré par la loi du 2 janvier 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" Une autorisation de principe du Comité de Surveillance n'est cependant pas requise pour la communication par la Banque Carrefour, conformément à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, de données à caractère personnel codées telles que définies en vertu de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, destinées aux Ministres qui ont la sécurité sociale dans leurs attributions, aux Chambres législatives, aux institutions publiques de sécurité sociale, au Conseil national du Travail, au Conseil supérieur des Classes moyennes et des Petites et Moyennes Entreprises ou au Bureau du Plan. "
" Une autorisation de principe du Comité de Surveillance n'est cependant pas requise pour la communication par la Banque Carrefour, conformément à l'article 5, § 1er, alinéa 1er, de données à caractère personnel codées telles que définies en vertu de la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel, destinées aux Ministres qui ont la sécurité sociale dans leurs attributions, aux Chambres législatives, aux institutions publiques de sécurité sociale, au Conseil national du Travail, au Conseil supérieur des Classes moyennes et des Petites et Moyennes Entreprises ou au Bureau du Plan. "
Art.41. Artikel 16 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 16. Onverminderd de toepassing van artikel 35 is de onderlinge mededeling van sociale gegevens tussen de Kruispuntbank, de instellingen van sociale zekerheid en de personen die overeenkomstig artikel 18 in het netwerk zijn ingeschakeld, kosteloos.
Behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, kan de mededeling van sociale gegevens aanleiding geven tot het innen van een vergoeding. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de Kruispuntbank en de persoon aan wie de sociale gegevens worden meegedeeld en in een overeenkomst vastgelegd. "
" Art. 16. Onverminderd de toepassing van artikel 35 is de onderlinge mededeling van sociale gegevens tussen de Kruispuntbank, de instellingen van sociale zekerheid en de personen die overeenkomstig artikel 18 in het netwerk zijn ingeschakeld, kosteloos.
Behalve in het geval bedoeld in het eerste lid, kan de mededeling van sociale gegevens aanleiding geven tot het innen van een vergoeding. Het bedrag van die vergoeding wordt bepaald in onderling overleg tussen de Kruispuntbank en de persoon aan wie de sociale gegevens worden meegedeeld en in een overeenkomst vastgelegd. "
Art.41. L'article 16 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 16. Sans préjudice de l'application de l'article 35 la communication de données sociales entre la Banque Carrefour, les institutions de sécurité sociale et les personnes intégrées dans le réseau conformément à l'article 18 est gratuite.
La communication de données sociales hors le cas visé à l'alinéa 1er peut donner lieu à la perception d'une contribution. Le montant de cette contribution est déterminé de commun accord entre la Banque Carrefour et la personne à laquelle les données sont communiquées et il est fixé dans un contrat. "
" Art. 16. Sans préjudice de l'application de l'article 35 la communication de données sociales entre la Banque Carrefour, les institutions de sécurité sociale et les personnes intégrées dans le réseau conformément à l'article 18 est gratuite.
La communication de données sociales hors le cas visé à l'alinéa 1er peut donner lieu à la perception d'une contribution. Le montant de cette contribution est déterminé de commun accord entre la Banque Carrefour et la personne à laquelle les données sont communiquées et il est fixé dans un contrat. "
Art.42. In artikel 35 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 12 augustus 2000 en 19 juli 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 2° vervallen de woorden " en van de personen die overeenkomstig artikel 18 in het netwerk zijn ingeschakeld ";
2° er wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
" 2°bis een bijdrage van de personen die overeenkomstig artikel 18 in het netwerk zijn ingeschakeld. Het bedrag van die bijdrage wordt bepaald in onderling overleg tussen de Kruispuntbank en de betrokken persoon en in een overeenkomst vastgelegd. "
1° in 2° vervallen de woorden " en van de personen die overeenkomstig artikel 18 in het netwerk zijn ingeschakeld ";
2° er wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
" 2°bis een bijdrage van de personen die overeenkomstig artikel 18 in het netwerk zijn ingeschakeld. Het bedrag van die bijdrage wordt bepaald in onderling overleg tussen de Kruispuntbank en de betrokken persoon en in een overeenkomst vastgelegd. "
Art.42. A l'article 35 de la même loi, modifiée par les lois du 12 août 2000 et du 19 juillet 2001, sont apportées les modifications suivantes :
1° au 2° les mots " et des personnes intégrées dans le réseau conformément à l'article 18 " sont supprimés;
2° il est inséré un 2°bis , rédigé comme suit :
" 2°bis une participation des personnes intégrées dans le réseau conformément à l'article 18. Le montant de cette participation est détermine de commun accord entre la Banque Carrefour et la personne intéressée et il est fixé dans un contrat. "
1° au 2° les mots " et des personnes intégrées dans le réseau conformément à l'article 18 " sont supprimés;
2° il est inséré un 2°bis , rédigé comme suit :
" 2°bis une participation des personnes intégrées dans le réseau conformément à l'article 18. Le montant de cette participation est détermine de commun accord entre la Banque Carrefour et la personne intéressée et il est fixé dans un contrat. "
Art.43. In artikel 54, eerste lid, 4°, van dezelfde wet worden de woorden " van de gemeentepolitie en de rijkswacht " vervangen door de woorden " van de lokale en federale politie ".
Art.43. Dans l'article 54, alinéa 1er, 4°, de la même loi, les mots " de la police communale et de la gendarmerie " sont remplacés par les mots " de la police locale et fédérale ".
HOOFDSTUK XII. - Onderwerping aan de sociale zekerheid der werknemers van de personeelsleden die met een arbeidsovereenkomst zijn verbonden aan een autonoom overheidsbedrijf.
CHAPITRE XII. - Assujettissement à la sécurité sociale des travailleurs salariés des membres du personnel qui sont liés par un contrat de travail à une entreprise publique autonome.
Art.44. Aan de contractuele personeelsleden van de autonome overheidsbedrijven, bedoeld bij de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, die voor 1 juli 2002 in dienst waren en met ingang van deze datum vallen onder de vakantieregeling, bedoeld bij de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers, gecoördineerd op 28 juni 1971, wordt een aantal bijkomende vakantiedagen toegekend overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, zoals ze van toepassing waren voor hun wijziging door het koninklijk besluit van 26 mei 1999, naar verhouding van de periodes van dienstactiviteit die de periode van 1 juli 2002 tot 30 juni 2003 bevat.
In afwijking van het vorige lid, worden voor de contractuele personeelsleden die tijdens de periode van 1 januari 2002 tot 30 juni 2002 in dienst zijn getreden, in 2002 een aantal bijkomende vakantiedagen toegekend naar verhouding van de periodes van dienstactiviteit die de periode van 1 juli 2002 tot 31 december 2002 bevat.
In 2003 wordt hen bovendien een aantal bijkomende vakantiedagen toegekend naar verhouding van de periodes van dienstactiviteit die de periode vanaf de datum van indiensttreding tot 30 juni 2002 bevat.
De betalingen van het dubbel vakantiegeld voor de prestaties geleverd tijdens de eerste zes maanden van 2002, dienen in 2003 op het normale tijdstip te geschieden.
In afwijking van het vorige lid, worden voor de contractuele personeelsleden die tijdens de periode van 1 januari 2002 tot 30 juni 2002 in dienst zijn getreden, in 2002 een aantal bijkomende vakantiedagen toegekend naar verhouding van de periodes van dienstactiviteit die de periode van 1 juli 2002 tot 31 december 2002 bevat.
In 2003 wordt hen bovendien een aantal bijkomende vakantiedagen toegekend naar verhouding van de periodes van dienstactiviteit die de periode vanaf de datum van indiensttreding tot 30 juni 2002 bevat.
De betalingen van het dubbel vakantiegeld voor de prestaties geleverd tijdens de eerste zes maanden van 2002, dienen in 2003 op het normale tijdstip te geschieden.
Art.44. Il est accordé aux agents contractuels des entreprises publiques autonomes visées par la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques qui se trouvaient en service avant le 1er juillet 2002 et qui, à partir de cette date, relèvent du régime de vacances annuelles visé par les lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, un nombre de jours de vacances supplémentaires, conformément aux dispositions du chapitre II de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, telles qu'elles étaient d'application avant leur modification par l'arrêté royal du 26 mai 1999, au prorata des périodes d'activité de service que comporte la période du 1er juillet 2002 au 30 juin 2003.
Par dérogation à l'alinéa précédent, aux agents contractuels qui, au cours de la période du 1er janvier 2002 au 30 juin 2002, sont entrés en service, un certain nombre de jours de vacances supplémentaires seront octroyés en 2002 au prorata des périodes d'activité de service que contient la période du 1er juillet 2002 au 31 décembre 2002.
En 2003, un certain nombre de jours de vacances supplémentaires leur seront octroyés au prorata des périodes d'activité de service que contient la période depuis la date d'entrée en service jusqu'au 30 juin 2002.
Les payements du double pécule de vacances pour les prestations durant les six premiers mois de 2002, doivent s'opérer en 2003 à temps normal.
Par dérogation à l'alinéa précédent, aux agents contractuels qui, au cours de la période du 1er janvier 2002 au 30 juin 2002, sont entrés en service, un certain nombre de jours de vacances supplémentaires seront octroyés en 2002 au prorata des périodes d'activité de service que contient la période du 1er juillet 2002 au 31 décembre 2002.
En 2003, un certain nombre de jours de vacances supplémentaires leur seront octroyés au prorata des périodes d'activité de service que contient la période depuis la date d'entrée en service jusqu'au 30 juin 2002.
Les payements du double pécule de vacances pour les prestations durant les six premiers mois de 2002, doivent s'opérer en 2003 à temps normal.
Art.45. Artikel 18, tweede lid, van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de wetten van 1 augustus 1985, 22 december 1989 en 29 april 1996, worden vervangen als volgt :
" De openbare instellingen bedoeld in artikel 3, 2°, die krachtens een wet of een koninklijk besluit verplicht zijn zelf de gezinsbijslag te verlenen, moeten zich enkel bij een kinderbijslaginstelling aansluiten, indien deze verplichting niet geldt ten aanzien van al hun persoonsleden. Indien het gaat om een autonoom overheidsbedrijf, kan de verplichting om zelf de gezinsbijslag te verlenen, bij gebrek aan een wet of een koninklijk besluit, worden opgelegd door de statuten van de onderneming maar enkel worden toegepast op het personeel dat statutair in dienst is. "
" De openbare instellingen bedoeld in artikel 3, 2°, die krachtens een wet of een koninklijk besluit verplicht zijn zelf de gezinsbijslag te verlenen, moeten zich enkel bij een kinderbijslaginstelling aansluiten, indien deze verplichting niet geldt ten aanzien van al hun persoonsleden. Indien het gaat om een autonoom overheidsbedrijf, kan de verplichting om zelf de gezinsbijslag te verlenen, bij gebrek aan een wet of een koninklijk besluit, worden opgelegd door de statuten van de onderneming maar enkel worden toegepast op het personeel dat statutair in dienst is. "
Art.45. L'article 18, alinéa 2, des lois coordonnées du 19 décembre 1939 relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, modifié par les lois des 1er août 1985, 22 décembre 1989 et 29 avril 1996, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Les établissements publics visés à l'article 3, 2°, qui sont tenus d'accorder eux-mêmes les prestations familiales en vertu d'une loi ou d'un arrêté royal, ne doivent s'affilier à un organisme d'allocations familiales que si cette obligation ne concerne pas l'ensemble de leur personnel. S'il s'agit d'une entreprise publique autonome, l'obligation d'accorder elle-même les prestations familiales peut être imposée, à défaut d'une loi ou d'un arrêté royal, par les statuts de l'entreprise, mais ne peut s'appliquer qu'à l'égard du personnel qui est à son service dans une situation statutaire. "
" Les établissements publics visés à l'article 3, 2°, qui sont tenus d'accorder eux-mêmes les prestations familiales en vertu d'une loi ou d'un arrêté royal, ne doivent s'affilier à un organisme d'allocations familiales que si cette obligation ne concerne pas l'ensemble de leur personnel. S'il s'agit d'une entreprise publique autonome, l'obligation d'accorder elle-même les prestations familiales peut être imposée, à défaut d'une loi ou d'un arrêté royal, par les statuts de l'entreprise, mais ne peut s'appliquer qu'à l'égard du personnel qui est à son service dans une situation statutaire. "
Art.46. In artikel 1, 2°, van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector worden de woorden " , enkel wat het personeel betreft dat niet met een arbeidsovereenkomst in dienst is genomen, " ingevoegd tussen de woorden " alsook de autonome overheidsbedrijven die zijn ondergebracht in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven " en de woorden " en de openbare instellingen van sociale zekerheid. "
Art.46. A l'article 1er, 2°, de la loi du 3 juillet 1967 sur la réparation des dommages résultant des accidents du travail, des accidents survenus sur le chemin du travail et des maladies professionnelles dans le secteur public, les mots " uniquement en ce qui concerne le personnel non engage par contrat de travail " sont insérés entre les mots " ainsi qu'au entreprises publiques autonomes classées à l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant réformé de certaines entreprises publiques économiques " et les mots " et aux institutions publiques de sécurité sociale. "
Art.47. Artikel 108, § 3, 1°, van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, wordt aangevuld als volgt : " behalve de werknemers tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, bij de autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. "
Art.47. L'article 108, § 3, 1°, de la loi de redressement du 22 janvier 1985 contenant des dispositions sociales, est complété comme suit : " à l'exclusion des travailleurs occupés en vertu d'un contrat au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative au contrat de travail, par les entreprises publiques autonomes visées à l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. "
Art.48. In artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van ondernemingen, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd : " De autonome overheidsbedrijven bedoeld in artikel 1, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven worden ook gelijkgesteld met " ondernemingen ". "
Art.48. Dans l'article 2 de la loi du 28 juin 1966 relative à l'indemnisation des travailleurs licenciés en cas de fermeture d'entreprises, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 : " Les entreprises publiques autonomes visées à l'article 1er, § 4, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques sont aussi assimilées à des " entreprises ". "
Art.49. In artikel 3, eerste lid, van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers, worden de woorden " tewerkgesteld op grond van een overeenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten " ingevoegd tussen de woorden " op grond van het volledige loon van de werknemers " en de woorden " zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981. "
Art.49. A l'article 3, alinéa 1er, de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs, les mots " occupés par un contrat au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative au contrat de travail " sont insérés entre les mots " sur la base du salaire global des travailleurs " et les mots " comme prévu à l'article 23 de la loi du 29 juin 1981. "
Art.50. In artikel 7, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden " tewerkgesteld op grond van een overeenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten " ingevoegd tussen de woorden " op grond van het volledige loon van de werknemers " en de woorden " zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 29 juni 1981. "
Art.50. A l'article 7, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, les mots " occupés par un contrat au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative au contrat de travail " sont insérés entre les mots " sur la base du salaire global des travailleurs " et les mots " comme prévu à l'article 23 de la loi du 29 juin 1981. "
HOOFDSTUK XIII. - Overlevingspensioenen van de rechthebbenden van de statutaire personeelsleden van Belgacom en BIAC.
CHAPITRE XIII. - Pension de survie des ayants droit des membres du personnel statutaire de Belgacom et BIAC.
Afdeling I. - Overlevingspensioenen van de Overheidssector.
Section I. - Pensions de survie du secteur public.
Art.51. Artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Belgacom en BIAC dragen het gedeelte van de last van de overlevingspensioenen van de rechthebbenden van de vast benoemde personeelsleden dat betrekking heeft op de vanaf 1 oktober 2002 bij deze bedrijven verrichte diensten. "
" Belgacom en BIAC dragen het gedeelte van de last van de overlevingspensioenen van de rechthebbenden van de vast benoemde personeelsleden dat betrekking heeft op de vanaf 1 oktober 2002 bij deze bedrijven verrichte diensten. "
Art.51. L'article 2, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies institués par l'Etat, est remplacé par la disposition suivante :
" Belgacom et BIAC (supportent) la partie de la charge des pensions de survie des ayants droit des membres du personnel nommés à titre définitif, qui se rapporte aux services effectués auprès de ces entreprises à partir du 1er octobre 2002. "
" Belgacom et BIAC (supportent) la partie de la charge des pensions de survie des ayants droit des membres du personnel nommés à titre définitif, qui se rapporte aux services effectués auprès de ces entreprises à partir du 1er octobre 2002. "
Art.52. De artikelen 3 en 4 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art.52. Les articles 3 et 4 du même arrêté sont abrogés.
Art.53. Artikel 8 van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Indien het overleden personeelslid zijn loopbaan vóór 1 oktober 2002 beëindigd heeft bij Belgacom of BIAC, wordt, in afwijking van het eerste lid, het enig overlevingspensioen toegekend door de Administratie der Pensioenen en uitbetaald ten laste van het Fonds voor Overlevingspensioenen. "
" Indien het overleden personeelslid zijn loopbaan vóór 1 oktober 2002 beëindigd heeft bij Belgacom of BIAC, wordt, in afwijking van het eerste lid, het enig overlevingspensioen toegekend door de Administratie der Pensioenen en uitbetaald ten laste van het Fonds voor Overlevingspensioenen. "
Art.53. L'article 8 de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public est complété par l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, si le membre du personnel décédé à terminé sa carrière auprès de Belgacom ou de BIAC avant le 1er octobre 2002, la pension de survie unique est accordée par l'Administration des pensions et payée à charge du Fonds des pensions de survie. "
" Par dérogation à l'alinéa 1er, si le membre du personnel décédé à terminé sa carrière auprès de Belgacom ou de BIAC avant le 1er octobre 2002, la pension de survie unique est accordée par l'Administration des pensions et payée à charge du Fonds des pensions de survie. "
Art.54. Artikel 13 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidend als volgt :
" § 2. Indien het enig overlevingspensioen wordt toegekend door Belgacom of BIAC en diensten werden verricht bij deze bedrijven vóór 1 oktober 2002, wordt, in afwijking van § 1, het brutobedrag van het in artikel 7 bedoelde overlevingspensioen als volgt verdeeld :
1° het aandeel ten laste van het Fonds voor Overlevingspensioenen wordt verkregen door het brutobedrag van het in artikel 7 bedoelde overlevingspensioen te vermenigvuldigen met een breuk. De teller van deze breuk is gelijk aan het aantal maanden aanneembare diensttijd, met uitzondering van deze verricht bij Belgacom of BIAC na 30 september 2002 en wordt in voorkomend geval beperkt tot 480. De noemer van deze breuk is gelijk aan het totaal (aandeel) maanden aanneembare diensttijd en wordt in voorkomend geval beperkt tot 480. Het in 3° vastgestelde aandeel wordt in mindering gebracht van het aantal ten laste van het Fonds voor Overlevingspensioenen;
2° het aandeel ten laste van Belgacom of BIAC wordt verkregen door de in 1° en 3° vastgestelde aandelen in mindering te brengen van het brutobedrag van het in artikel 7 bedoelde overlevingspensioen;
3° het aandeel ten laste van een andere in artikel 1 bedoelde instelling dan de in 1° en 2° hiervoor vermelde instellingen, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van (§1).
Indien de noemer van de breuk die gebruikt werd voor de berekening van het overlevingspensioen kleiner is dan 480, wordt het in het eerste lid, 1°, vermelde getal van 480 vervangen door deze noemer. "
" § 2. Indien het enig overlevingspensioen wordt toegekend door Belgacom of BIAC en diensten werden verricht bij deze bedrijven vóór 1 oktober 2002, wordt, in afwijking van § 1, het brutobedrag van het in artikel 7 bedoelde overlevingspensioen als volgt verdeeld :
1° het aandeel ten laste van het Fonds voor Overlevingspensioenen wordt verkregen door het brutobedrag van het in artikel 7 bedoelde overlevingspensioen te vermenigvuldigen met een breuk. De teller van deze breuk is gelijk aan het aantal maanden aanneembare diensttijd, met uitzondering van deze verricht bij Belgacom of BIAC na 30 september 2002 en wordt in voorkomend geval beperkt tot 480. De noemer van deze breuk is gelijk aan het totaal (aandeel) maanden aanneembare diensttijd en wordt in voorkomend geval beperkt tot 480. Het in 3° vastgestelde aandeel wordt in mindering gebracht van het aantal ten laste van het Fonds voor Overlevingspensioenen;
2° het aandeel ten laste van Belgacom of BIAC wordt verkregen door de in 1° en 3° vastgestelde aandelen in mindering te brengen van het brutobedrag van het in artikel 7 bedoelde overlevingspensioen;
3° het aandeel ten laste van een andere in artikel 1 bedoelde instelling dan de in 1° en 2° hiervoor vermelde instellingen, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van (§1).
Indien de noemer van de breuk die gebruikt werd voor de berekening van het overlevingspensioen kleiner is dan 480, wordt het in het eerste lid, 1°, vermelde getal van 480 vervangen door deze noemer. "
Art.54. A l'article 13 de la même loi, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Si la pension de survie unique est accordée par Belgacom ou par BIAC et que des services ont été effectués auprès de ces entreprises avant le 1er octobre 2002, le montant brut de la pension de survie visée à l'article 7 est, par dérogation au § 1er, réparti comme suit :
1° la quote-part à charge du Fonds des pensions de survie est obtenue en multipliant le montant brut de la pension de survie visée à l'article 7 par une fraction. Le numérateur de cette fraction, limité le cas échéant à 480, est constitué par le nombre de mois de services admissibles, à l'exception de ceux prestés chez Belgacom ou chez BIAC après le 30 septembre 2002. Le dénominateur de cette fraction, limité le cas échéant à 480, est constitué par le nombre total de mois de services (admissibles). La quote-part fixée au 3° est déduite de la quote-part à charge du Fonds des pensions de survie;
2° la quote-part à charge de Belgacom ou de BIAC est obtenue en déduisant les quotes-parts fixées au 1° et 3° du montant brut de la pension de survie visée à l'article 7;
3° la quote-part à charge d'une institution visée à l'article 1er mais autre que celles mentionnées aux points 1° et 2° précités, est calculée conformément aux dispositions du § 1er.
Si le dénominateur de la fraction utilisé pour le calcul de la pension de survie est inférieur à 480, le nombre 480 visé à l'alinéa 1er, 1°, est remplacé par ce dénominateur. "
" § 2. Si la pension de survie unique est accordée par Belgacom ou par BIAC et que des services ont été effectués auprès de ces entreprises avant le 1er octobre 2002, le montant brut de la pension de survie visée à l'article 7 est, par dérogation au § 1er, réparti comme suit :
1° la quote-part à charge du Fonds des pensions de survie est obtenue en multipliant le montant brut de la pension de survie visée à l'article 7 par une fraction. Le numérateur de cette fraction, limité le cas échéant à 480, est constitué par le nombre de mois de services admissibles, à l'exception de ceux prestés chez Belgacom ou chez BIAC après le 30 septembre 2002. Le dénominateur de cette fraction, limité le cas échéant à 480, est constitué par le nombre total de mois de services (admissibles). La quote-part fixée au 3° est déduite de la quote-part à charge du Fonds des pensions de survie;
2° la quote-part à charge de Belgacom ou de BIAC est obtenue en déduisant les quotes-parts fixées au 1° et 3° du montant brut de la pension de survie visée à l'article 7;
3° la quote-part à charge d'une institution visée à l'article 1er mais autre que celles mentionnées aux points 1° et 2° précités, est calculée conformément aux dispositions du § 1er.
Si le dénominateur de la fraction utilisé pour le calcul de la pension de survie est inférieur à 480, le nombre 480 visé à l'alinéa 1er, 1°, est remplacé par ce dénominateur. "
Art.55. Artikel 1, eerste lid, tweede streepje, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen wordt als volgt aangevuld :
" Belgacom en BIAC dragen evenwel zelf de last van het gedeelte van de overlevingspensioenen van de rechthebbenden van de vast benoemde personeelsleden dat betrekking heeft op de vanaf 1 oktober 2002 bij deze bedrijven verrichte diensten. "
" Belgacom en BIAC dragen evenwel zelf de last van het gedeelte van de overlevingspensioenen van de rechthebbenden van de vast benoemde personeelsleden dat betrekking heeft op de vanaf 1 oktober 2002 bij deze bedrijven verrichte diensten. "
Art.55. L'article 1er, alinéa 1er, deuxième tiret, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, est complété comme suite :
" Toutefois, Belgacom et BIAC supportent eux-mêmes la charge de la partie de la pension de survie des ayants droit des membres du personnel nommés à titre définitif, qui se rapporte aux services effectués auprès de ces entreprises à partir du 1er octobre 2002. "
" Toutefois, Belgacom et BIAC supportent eux-mêmes la charge de la partie de la pension de survie des ayants droit des membres du personnel nommés à titre définitif, qui se rapporte aux services effectués auprès de ces entreprises à partir du 1er octobre 2002. "
Art.56. Artikel 59, eerste lid, b) , van dezelfde wet, wordt aangevuld met de volgende woorden :
" , met uitzondering van Belgacom en BIAC. "
" , met uitzondering van Belgacom en BIAC. "
Art.56. L'article 59, alinéas 1er, b) , de la même loi, est complété comme suit :
" , à l'exception de Belgacom et de BIAC. "
" , à l'exception de Belgacom et de BIAC. "
Art.57. (Opgeheven) <W 2003-12-11/33, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 15-12-2003>
Art.57. (Abrogé) <L 2003-12-11/33, art. 18, 003; En vigueur : 15-12-2003>
Afdeling II. - Begrafeniskosten.
Section II. - Frais de funérailles.
Art.58. (Opgeheven) <KB 2004-12-22/32, art. 16, 058; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art.58. (Abrogé) <AR 2004-12-22/32, art. 16, 005; En vigueur : 01-01-2005>
Afdeling III. - Aan (afdeling) I en II gemeenschappelijke bepalingen.
Section III. - Dispositions communes aux chapitres Ier et II.
Art.59. Artikel 59/6 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van economische overheidsbedrijven wordt gewijzigd als volgt :
" Overeenkomstig artikel 22 van de wet van 19 juli 1930 houdende oprichting van de Regie van Telegraaf en Telefoon en de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën ingesteld door de Staat, kan de Koning Belgacom ertoe machtigen een voorzorgsinstelling in te stellen met rechtspersoonlijkheid, onderworpen aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, met uitzondering van artikel 9.
Belgacom draagt evenwel de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de lasten voortvloeiende uit de betaling van de rustpensioenen van haar statutair en gewezen statutair personeel, alsook voor de lasten voortvloeiende uit de betaling van de overlevingspensioenen en de begrafenisvergoeding ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen. Deze voorzorgsinstelling is belast met het beheer van de provisies bestemd voor het nakomen van de verplichtingen van Belgacom inzake de rustpensioenen van haar statutair personeel, met het beheer van de persoonlijke bijdragen van de leden van het statutair personeel bestemd voor het nakomen van de verplichtingen van Belgacom inzake de overlevingspensioenen en met het beheer van de inhoudingen gedaan inzake de begrafenisvergoedingen ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair of gewezen statutair personeel, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen, alsook met de uitbetaling van de rustpensioenen, overlevingspensioenen, begrafenisvergoedingen, en de specifieke, bij de wet bepaalde, periodieke toelagen, premies of vergoedingen.
De statuten van de voorzorgsinstelling, het beleggingsreglement, de beheersovereenkomst gesloten tussen Belgacom en de voorzorgsinstelling en de wijze van controle door een Regeringscommissaris, alsmede hun latere wijzigingen, worden aan de minister onder wie Belgacom ressorteert en aan de Minister van Pensioenen ter goedkeuring voorgelegd.
De Koning stelt de bezoldiging van de regeringscommissaris vast. "
" Overeenkomstig artikel 22 van de wet van 19 juli 1930 houdende oprichting van de Regie van Telegraaf en Telefoon en de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en de regieën ingesteld door de Staat, kan de Koning Belgacom ertoe machtigen een voorzorgsinstelling in te stellen met rechtspersoonlijkheid, onderworpen aan de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, met uitzondering van artikel 9.
Belgacom draagt evenwel de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de lasten voortvloeiende uit de betaling van de rustpensioenen van haar statutair en gewezen statutair personeel, alsook voor de lasten voortvloeiende uit de betaling van de overlevingspensioenen en de begrafenisvergoeding ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen. Deze voorzorgsinstelling is belast met het beheer van de provisies bestemd voor het nakomen van de verplichtingen van Belgacom inzake de rustpensioenen van haar statutair personeel, met het beheer van de persoonlijke bijdragen van de leden van het statutair personeel bestemd voor het nakomen van de verplichtingen van Belgacom inzake de overlevingspensioenen en met het beheer van de inhoudingen gedaan inzake de begrafenisvergoedingen ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair of gewezen statutair personeel, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen, alsook met de uitbetaling van de rustpensioenen, overlevingspensioenen, begrafenisvergoedingen, en de specifieke, bij de wet bepaalde, periodieke toelagen, premies of vergoedingen.
De statuten van de voorzorgsinstelling, het beleggingsreglement, de beheersovereenkomst gesloten tussen Belgacom en de voorzorgsinstelling en de wijze van controle door een Regeringscommissaris, alsmede hun latere wijzigingen, worden aan de minister onder wie Belgacom ressorteert en aan de Minister van Pensioenen ter goedkeuring voorgelegd.
De Koning stelt de bezoldiging van de regeringscommissaris vast. "
Art.59. L'article 59/6 de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques est modifié comme suit :
" Conformément à l'article 22 de la loi du 19 juillet 1930 créant la Réie des Télégraphes et des Téléphones et aux dispositions de l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat, le Roi peut habiliter Belgacom à créer une institution de prévoyance possédant la personnalité juridique, soumise à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, à l'exception de son article 9.
Belgacom supporte cependant la responsabilité finale concernant les charges provenant du paiement des pensions de retraite de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, ainsi que concernant les charges découlant du paiement des pensions de survie et de l'indemnité de funérailles en faveur des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, conformément aux dispositions légales applicables. Cette institution de prévoyance est chargée de gérer ses provisions permettant d'honorer les obligations de Belgacom en matière de pensions de retraite de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, ainsi que de gérer les cotisations personnelles des membres du personnel statutaire permettant d'honorer les obligations de Belgacom en matière de pensions de survie et de gérer les retenues effectuées en matière de frais de funérailles au profit des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, conformément aux dispositions légales applicables, ainsi que du paiement des pensions de retraite et des pensions de survie, des indemnités de funérailles, et des allocations périodiques, primes et indemnités spécifiques prévues par la loi.
Les statuts des institutions de prévoyance, le règlement de placement, la convention de gestion établie entre Belgacom et l'institution de prévoyance et les modalités de contrôle par un Commissaire du gouvernement, ainsi que leurs modifications ultérieures, sont soumis à l'approbation du Ministre dont relève Belgacom et du Ministre des Pensions.
Le Roi fixe la rémunération du commissaire du gouvernement. "
" Conformément à l'article 22 de la loi du 19 juillet 1930 créant la Réie des Télégraphes et des Téléphones et aux dispositions de l'arrêté royal n° 117 du 27 février 1935 établissant le statut des pensions du personnel des établissements publics autonomes et des régies instituées par l'Etat, le Roi peut habiliter Belgacom à créer une institution de prévoyance possédant la personnalité juridique, soumise à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances, à l'exception de son article 9.
Belgacom supporte cependant la responsabilité finale concernant les charges provenant du paiement des pensions de retraite de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, ainsi que concernant les charges découlant du paiement des pensions de survie et de l'indemnité de funérailles en faveur des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, conformément aux dispositions légales applicables. Cette institution de prévoyance est chargée de gérer ses provisions permettant d'honorer les obligations de Belgacom en matière de pensions de retraite de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, ainsi que de gérer les cotisations personnelles des membres du personnel statutaire permettant d'honorer les obligations de Belgacom en matière de pensions de survie et de gérer les retenues effectuées en matière de frais de funérailles au profit des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, conformément aux dispositions légales applicables, ainsi que du paiement des pensions de retraite et des pensions de survie, des indemnités de funérailles, et des allocations périodiques, primes et indemnités spécifiques prévues par la loi.
Les statuts des institutions de prévoyance, le règlement de placement, la convention de gestion établie entre Belgacom et l'institution de prévoyance et les modalités de contrôle par un Commissaire du gouvernement, ainsi que leurs modifications ultérieures, sont soumis à l'approbation du Ministre dont relève Belgacom et du Ministre des Pensions.
Le Roi fixe la rémunération du commissaire du gouvernement. "
Art.60. Artikel 190, § 2, eerste lid, van dezelfde wet vervangen door de volgende leden :
" BIAC draagt de kosten van de pensioenen van welke aard ook van de leden en vroegere leden van haar statutair personeel, met inbegrip van het deel ten laste van de Regie der Luchtwegen krachtens artikel 13 van de wet van 14 april 1965 houdende vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, en met inbegrip van de overlevingspensioenen ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel conform de toepasselijke wettelijk bepalingen. Daarenboven draagt de BIAC, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen, de kost van de begrafenisvergoeding ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel. "
" BIAC draagt de kosten van de pensioenen van welke aard ook van de leden en vroegere leden van haar statutair personeel, met inbegrip van het deel ten laste van de Regie der Luchtwegen krachtens artikel 13 van de wet van 14 april 1965 houdende vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector, en met inbegrip van de overlevingspensioenen ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel conform de toepasselijke wettelijk bepalingen. Daarenboven draagt de BIAC, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen, de kost van de begrafenisvergoeding ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel. "
Art.60. L'article 190, § 2, alinéa 1er, de la même loi est remplacé par les alinéas suivants :
" La BIAC supporte la charge des pensions de toute nature des membres et anciens membres de son personnel statutaire, y compris la quote-part incombant à la Régie des voies aériennes en vertu de l'article 13 de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public et y compris les pensions de survie en faveur des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire conformément aux dispositions légales applicables. La BIAC supporte également, conformément aux dispositions légales, la charge de l'indemnité de funérailles en faveur des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire. "
" La BIAC supporte la charge des pensions de toute nature des membres et anciens membres de son personnel statutaire, y compris la quote-part incombant à la Régie des voies aériennes en vertu de l'article 13 de la loi du 14 avril 1965 établissant certaines relations entre les divers régimes de pensions du secteur public et y compris les pensions de survie en faveur des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire conformément aux dispositions légales applicables. La BIAC supporte également, conformément aux dispositions légales, la charge de l'indemnité de funérailles en faveur des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire. "
Art.61. Artikel 191, § 1, eerste lid, van dezelfde wet wordt gewijzigd als volgt :
" BIAC kan een pensioenfonds oprichten, met de rechtsvorm van vereniging zonder winstoogmerk, met als doel het beheer van de provisies bestemd voor het nakomen van de verplichtingen van BIAC inzake pensioenen, en het beheer van de persoonlijke bijdragen van de statutaire personeelsleden bestemd voor het nakomen van de verplichtingen van BIAC inzake de overlevingspensioenen en desgevallend het beheer van de inhoudingen inzake begrafenisvergoedingen ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen, en met als doel de uitbetaling van deze rustpensioenen, overlevingspensioenen en desgevallend de begrafenisvergoedingen. "
" BIAC kan een pensioenfonds oprichten, met de rechtsvorm van vereniging zonder winstoogmerk, met als doel het beheer van de provisies bestemd voor het nakomen van de verplichtingen van BIAC inzake pensioenen, en het beheer van de persoonlijke bijdragen van de statutaire personeelsleden bestemd voor het nakomen van de verplichtingen van BIAC inzake de overlevingspensioenen en desgevallend het beheer van de inhoudingen inzake begrafenisvergoedingen ten gunste van de rechtverkrijgenden van haar statutair en gewezen statutair personeel, conform de toepasselijke wettelijke bepalingen, en met als doel de uitbetaling van deze rustpensioenen, overlevingspensioenen en desgevallend de begrafenisvergoedingen. "
Art.61. L'article 191, § 1er, alinéa 1er, de la même loi est modifié comme suit :
" La BIAC peut créer un fonds de pension, sous la forme d'association sans but lucratif, dont l'objet est de gérer les provisions permettant d'honorer les obligations de la BIAC en matière de pensions, ainsi que de gérer les cotisations personnelles des membres du personnel statutaire permettant d'honorer les obligations de la BIAC en matière de pensions de survie et le cas échéant les retenues en matière d'indemnités de funérailles en faveur des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, conformément aux dispositions légales applicables, et en vue du paiement de ces pensions de retraites, pensions de survie et le cas échéant des indemnités de funérailles. "
" La BIAC peut créer un fonds de pension, sous la forme d'association sans but lucratif, dont l'objet est de gérer les provisions permettant d'honorer les obligations de la BIAC en matière de pensions, ainsi que de gérer les cotisations personnelles des membres du personnel statutaire permettant d'honorer les obligations de la BIAC en matière de pensions de survie et le cas échéant les retenues en matière d'indemnités de funérailles en faveur des ayants droit de son personnel statutaire et de son ancien personnel statutaire, conformément aux dispositions légales applicables, et en vue du paiement de ces pensions de retraites, pensions de survie et le cas échéant des indemnités de funérailles. "
HOOFDSTUK XIV. - Sociaal statuut der zelfstandigen.
CHAPITRE XIV. - Statut social des travailleurs indépendants.
Afdeling I. - Wijziging van de wet van 24 januari 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.
Section I. - Modification de la loi du 24 janvier 2002 modifiant l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant une assurance sociale en faveur des travailleurs indépendants en cas de faillite et des personnes assimilées, en application des articles 29 et 49 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions.
Art.62. In artikel 10, derde lid, van de wet van 24 januari 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit van 18 november 1996 houdende invoering van een sociale verzekering ten gunste van zelfstandigen, in geval van faillissement, en van gelijkgestelde personen, met toepassing van de artikelen 29 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels worden de woorden " vóór 1 juli 2001 " vervangen door de woorden " vóór 1 oktober 2001 ".
Art.62. Dans l'article 10, alinéa 3, de la loi du 24 janvier 2002 modifiant l'arrêté royal du 18 novembre 1996 instaurant une assurance sociale en faveur des travailleurs indépendants en cas de faillite et des personnes assimilées, en application des articles 29 et 49 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions, les mots " avant le 1er juillet 2001 " sont remplacés par les mots " avant le 1er octobre 2001 ".
Afdeling II. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting.
Section II. - Modifications à l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant.
Art.63. Artikel 11, § 5, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen vervangen bij de wet van 3 december 1984 en gewijzigd bij de wetten van 30 december 1988 en van 26 juni 1992 en bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, wordt aangevuld als volgt :
" Wat de bedragen betreft die verschuldigd zijn voor de periode na 31 december 2002, kan de begunstigde van een rust- of overlevingspensioen of van een gelijkaardig voordeel die de hoofdzakelijke last van ten minste één kind heeft, evenwel vragen enkel bij te dragen op 112,99 pct. van het jaarlijks inkomen dat hij, voor het betrokken jaar, zou hebben kunnen cumuleren met de uitkering die hij geniet indien hij geen kind ten laste had, op voorwaarde dat hij zich ertoe verbindt deze inkomstengrens niet te overschrijden.
De Koning omschrijft wat moet worden verstaan onder de hoofdzakelijke last van een kind en bepaalt de nadere regels van deze aanvraag alsmede de weerslag van het niet respecteren van de verbintenis. "
" Wat de bedragen betreft die verschuldigd zijn voor de periode na 31 december 2002, kan de begunstigde van een rust- of overlevingspensioen of van een gelijkaardig voordeel die de hoofdzakelijke last van ten minste één kind heeft, evenwel vragen enkel bij te dragen op 112,99 pct. van het jaarlijks inkomen dat hij, voor het betrokken jaar, zou hebben kunnen cumuleren met de uitkering die hij geniet indien hij geen kind ten laste had, op voorwaarde dat hij zich ertoe verbindt deze inkomstengrens niet te overschrijden.
De Koning omschrijft wat moet worden verstaan onder de hoofdzakelijke last van een kind en bepaalt de nadere regels van deze aanvraag alsmede de weerslag van het niet respecteren van de verbintenis. "
Art.63. L'article 11, § 5, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, remplace par la loi du 3 décembre 1984 et modifié par les lois des 30 décembre 1988 et 26 juin 1992 et par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, est complété comme suit :
" En ce qui concerne les montants dus pour la période postérieure au 31 décembre 2002, le bénéficiaire d'une pension de retraite ou de survie ou d'un avantage en tenant lieu qui a la charge principale d'au moins un enfant peut toutefois demander à ne cotiser que sur 112,99 p.c. du revenu annuel qu'il aurait pu, pour l'année en cause, cumuler avec la prestation dont il bénéfice s'il n'avait pas d'enfant à charge, à condition de s'engager à ne pas dépasser cette limite de revenus.
Le Roi définit ce qu'on entend par la charge principale d'un enfant, détermine les modalités de cette demande et l'incidence du non respect de l'engagement. "
" En ce qui concerne les montants dus pour la période postérieure au 31 décembre 2002, le bénéficiaire d'une pension de retraite ou de survie ou d'un avantage en tenant lieu qui a la charge principale d'au moins un enfant peut toutefois demander à ne cotiser que sur 112,99 p.c. du revenu annuel qu'il aurait pu, pour l'année en cause, cumuler avec la prestation dont il bénéfice s'il n'avait pas d'enfant à charge, à condition de s'engager à ne pas dépasser cette limite de revenus.
Le Roi définit ce qu'on entend par la charge principale d'un enfant, détermine les modalités de cette demande et l'incidence du non respect de l'engagement. "
Art.64. Artikel 15, § 5, van hetzelfde besluit, toegevoegd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt vervangen als volgt :
" § 5. Wanneer de invordering van de aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen verschuldigde bijdragen en aanhorigheden al te onzeker of te bezwarend blijkt in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen, kunnen de fondsen, binnen de perken bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, afzien van de invordering van de bijdragen en aanhorigheden.
Tevens bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad binnen welke perken de fondsen niet moeten overgaan tot de terugbetaling van bijdragen en aanhorigheden of tot de betaling van moratoriumintresten.
De kostprijs die voortvloeit uit de verzaking aan de invordering is ten laste van het stelsel van het sociaal statuut der zelfstandigen. De opbrengst die voortvloeit uit de verzaking aan de terugbetaling is verworven voor dit stelsel. "
" § 5. Wanneer de invordering van de aan de sociale verzekeringsfondsen voor zelfstandigen verschuldigde bijdragen en aanhorigheden al te onzeker of te bezwarend blijkt in verhouding tot het bedrag van de in te vorderen sommen, kunnen de fondsen, binnen de perken bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, afzien van de invordering van de bijdragen en aanhorigheden.
Tevens bepaalt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad binnen welke perken de fondsen niet moeten overgaan tot de terugbetaling van bijdragen en aanhorigheden of tot de betaling van moratoriumintresten.
De kostprijs die voortvloeit uit de verzaking aan de invordering is ten laste van het stelsel van het sociaal statuut der zelfstandigen. De opbrengst die voortvloeit uit de verzaking aan de terugbetaling is verworven voor dit stelsel. "
Art.64. L'article 15, § 5, du même l'arrêté, ajouté par l'arrêté royal du 18 novembre 1996 et modifié par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est remplacé comme suit :
" § 5. Lorsque le recouvrement des cotisations et accessoires dus aux caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants s'avère trop aléatoire ou trop onéreux par rapport au montant des sommes à recouvrer, les caisses peuvent, dans les limites déterminées par le Roi, par arrêté délibérer en Conseil des ministres, renoncer au recouvrement de ces cotisations et accessoires.
Par ailleurs, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans quelles limites les caisses ne doivent pas procéder au remboursement de cotisations et accessoires ou au paiement d'intérêts moratoires.
Le coût qui découle de la renonciation au recouvrement est à charge du régime du statut social des indépendants. Le produit qui découle de la renonciation au remboursement est acquis à ce régime. "
" § 5. Lorsque le recouvrement des cotisations et accessoires dus aux caisses d'assurances sociales pour travailleurs indépendants s'avère trop aléatoire ou trop onéreux par rapport au montant des sommes à recouvrer, les caisses peuvent, dans les limites déterminées par le Roi, par arrêté délibérer en Conseil des ministres, renoncer au recouvrement de ces cotisations et accessoires.
Par ailleurs, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans quelles limites les caisses ne doivent pas procéder au remboursement de cotisations et accessoires ou au paiement d'intérêts moratoires.
Le coût qui découle de la renonciation au recouvrement est à charge du régime du statut social des indépendants. Le produit qui découle de la renonciation au remboursement est acquis à ce régime. "
Art.65. Artikel 16, § 3, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 november 1996, wordt aangevuld met het volgend lid :
" De Koning kan uitzonderingen op de verjaringstermijn vaststellen voor vorderingen tot terugbetaling van na 30 juni 1983 onverschuldigd betaalde bijdragen wanneer het laattijdig karakter van de vordering tot terugbetaling niet te wijten is aan de zelfstandige. "
" De Koning kan uitzonderingen op de verjaringstermijn vaststellen voor vorderingen tot terugbetaling van na 30 juni 1983 onverschuldigd betaalde bijdragen wanneer het laattijdig karakter van de vordering tot terugbetaling niet te wijten is aan de zelfstandige. "
Art.65. L'article 16, § 3, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, est complété par l'alinéa suivant :
" Le Roi peut prévoir des exceptions au délai de prescription des actions en répétition des cotisations payées indûment après le 30 juin 1983 lorsque le caractère tardif de la demande de remboursement n'est pas imputable au travailleur indépendant. "
" Le Roi peut prévoir des exceptions au délai de prescription des actions en répétition des cotisations payées indûment après le 30 juin 1983 lorsque le caractère tardif de la demande de remboursement n'est pas imputable au travailleur indépendant. "
Afdeling III. - Nieuwe opdracht voor het Participatiefonds.
Section III. - Nouvelle mission du Fonds de Participation.
Art.66. Artikel 74, § 1, van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen wordt aangevuld met een 7° luidend als volgt :
" 7° voor rekening van derden de toelagen voorschieten toegekend ten behoeve van uitoefenaars van bepaalde zelfstandige activiteiten in het kader van de reconversiemaatregelen van bepaalde sectoren.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en op voorafgaandelijk advies van de Raad van Bestuur van het Participatiefonds, de sectoren die het voorwerp van reconversiemaatregelen met toelagen kunnen uitmaken;
De vervulling van deze opdracht zal geen negatieve weerslag kunnen hebben op de eigen middelen van het Fonds nodig tot de uitvoering van zijn andere opdrachten;
De modaliteiten van de storting van de toelagen en van de terugbetaling ervan aan het Participatiefonds zullen worden vastgelegd in een ministerieel besluit genomen door de voogdijministers en door de bevoegde Minister(s). "
" 7° voor rekening van derden de toelagen voorschieten toegekend ten behoeve van uitoefenaars van bepaalde zelfstandige activiteiten in het kader van de reconversiemaatregelen van bepaalde sectoren.
De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, en op voorafgaandelijk advies van de Raad van Bestuur van het Participatiefonds, de sectoren die het voorwerp van reconversiemaatregelen met toelagen kunnen uitmaken;
De vervulling van deze opdracht zal geen negatieve weerslag kunnen hebben op de eigen middelen van het Fonds nodig tot de uitvoering van zijn andere opdrachten;
De modaliteiten van de storting van de toelagen en van de terugbetaling ervan aan het Participatiefonds zullen worden vastgelegd in een ministerieel besluit genomen door de voogdijministers en door de bevoegde Minister(s). "
Art.66. L'article 74, § 1er de la loi du 28 juillet 1992 portant des dispositions fiscales et financières est complété d'un 7° rédigé comme suit :
" 7° avancer pour compte de tiers le paiement des indemnités en faveur de certains indépendants dans le cadre des mesures de reconversion de certains secteurs;
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et sur avis préalable du Conseil d'Administration du Fonds de Participation, les secteurs pouvant faire l'objet de mesures de reconversion avec indemnités;
L'accomplissement de cette mission ne pourra pas avoir d'impact négatif sur les moyens propres du Fonds nécessaires à l'exécution de ses autres missions;
Les modalités du versement des indemnités et de leur remboursement au Fonds de Participation seront fixées par arrêté ministériel pris par les Ministres de tutelle et par le(s) Ministre(s) compétent(s). "
" 7° avancer pour compte de tiers le paiement des indemnités en faveur de certains indépendants dans le cadre des mesures de reconversion de certains secteurs;
Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et sur avis préalable du Conseil d'Administration du Fonds de Participation, les secteurs pouvant faire l'objet de mesures de reconversion avec indemnités;
L'accomplissement de cette mission ne pourra pas avoir d'impact négatif sur les moyens propres du Fonds nécessaires à l'exécution de ses autres missions;
Les modalités du versement des indemnités et de leur remboursement au Fonds de Participation seront fixées par arrêté ministériel pris par les Ministres de tutelle et par le(s) Ministre(s) compétent(s). "
TITEL III. - Volksgezondheid.
TITRE III. - La santé publique.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.
CHAPITRE I. - Modifications de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé.
Art.67. In artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, 6°, ingevoegd bij de wet van 17 november 1998, worden na de woorden "met een profylactisch doel tegen besmettelijke ziekten" de woorden "of met het oog op de behandeling van chronische ziekten bepaald door de Koning" ingevoegd;
2° § 3, 4°, derde lid wordt vervangen als volgt :
" De vestigingscommissies zijn ieder samengesteld uit drie magistraten, hetzij behorende tot een rechtbank van eerste aanleg of tot een arbeidsrechtbank, hetzij eremagistraten, plaatsvervangende magistraten of gewezen magistraten van deze rechtbanken. De Commissie van Beroep is samengesteld uit drie magistraten, hetzij behorende tot een Hof van Beroep of een Arbeidshof, hetzij eremagistraten, plaatsvervangende rechters of gewezen magistraten van deze hoven. Zij kunnen geen kennis nemen van een zaak indien ze betrokken geweest zijn bij de aanvraag tot het verkrijgen van de vergunning bedoeld onder 1° ".
1° in § 2, 6°, ingevoegd bij de wet van 17 november 1998, worden na de woorden "met een profylactisch doel tegen besmettelijke ziekten" de woorden "of met het oog op de behandeling van chronische ziekten bepaald door de Koning" ingevoegd;
2° § 3, 4°, derde lid wordt vervangen als volgt :
" De vestigingscommissies zijn ieder samengesteld uit drie magistraten, hetzij behorende tot een rechtbank van eerste aanleg of tot een arbeidsrechtbank, hetzij eremagistraten, plaatsvervangende magistraten of gewezen magistraten van deze rechtbanken. De Commissie van Beroep is samengesteld uit drie magistraten, hetzij behorende tot een Hof van Beroep of een Arbeidshof, hetzij eremagistraten, plaatsvervangende rechters of gewezen magistraten van deze hoven. Zij kunnen geen kennis nemen van een zaak indien ze betrokken geweest zijn bij de aanvraag tot het verkrijgen van de vergunning bedoeld onder 1° ".
Art.67. Dans l'article 4 de l'arrêté royal n° 78 du 10 novembre 1967 relatif à l'exercice des professions des soins de santé sont apportées les modifications suivantes :
1° Au § 2, 6°, inséré par la loi du 17 novembre 1998, les mots "ou dans un but de traitement des maladies chroniques déterminées par le Roi" sont insérés après les mots "dans un but de prophylaxie contre des maladies contagieuses";
2° Le § 3, 4°, alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" Les commissions d'implantation sont composées chacune de trois magistrats, appartenant soit à un tribunal de première instance ou à un tribunal du travail, soit des magistrats honoraires, magistrats suppléants ou des anciens magistrats. La Commission d'Appel est composée de trois magistrats, soit appartenant à une Cour d'appel ou à une Cour du Travail, soit des magistrats honoraires, des juges suppléants ou des anciens magistrats de ces mêmes cours. Ils ne peuvent connaître d'une affaire s'ils ont participé à la demande d'autorisation visée au 1°. "
1° Au § 2, 6°, inséré par la loi du 17 novembre 1998, les mots "ou dans un but de traitement des maladies chroniques déterminées par le Roi" sont insérés après les mots "dans un but de prophylaxie contre des maladies contagieuses";
2° Le § 3, 4°, alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" Les commissions d'implantation sont composées chacune de trois magistrats, appartenant soit à un tribunal de première instance ou à un tribunal du travail, soit des magistrats honoraires, magistrats suppléants ou des anciens magistrats. La Commission d'Appel est composée de trois magistrats, soit appartenant à une Cour d'appel ou à une Cour du Travail, soit des magistrats honoraires, des juges suppléants ou des anciens magistrats de ces mêmes cours. Ils ne peuvent connaître d'une affaire s'ils ont participé à la demande d'autorisation visée au 1°. "
Art.68. Artikel 35decies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 10 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" Art. 35decies. § 1. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op gezamenlijk voorstel van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg in het bij deze wet opgerichte Overlegcomité, bij toepassing van artikel 77bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de regels betreffende de eindeloopbaan voor de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars.
§ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op gezamenlijk voorstel van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg met de desbetreffende overeenkomstencommissies bedoeld in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de regels betreffende de eindeloopbaan voor de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, met uitzondering van de in paragraaf 1 bedoelde beoefenaars. "
" Art. 35decies. § 1. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op gezamenlijk voorstel van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg in het bij deze wet opgerichte Overlegcomité, bij toepassing van artikel 77bis van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de regels betreffende de eindeloopbaan voor de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars.
§ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op gezamenlijk voorstel van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg met de desbetreffende overeenkomstencommissies bedoeld in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de regels betreffende de eindeloopbaan voor de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, met uitzondering van de in paragraaf 1 bedoelde beoefenaars. "
Art.68. L'article 35decies du même arrêté, inséré par la loi du 10 décembre 1997, est remplacé comme suit :
" Art. 35decies. § 1er. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur la proposition conjoint des Ministres de la Santé publique et des Affaires sociales et après concertation au sein du Comité de concertation instaurée par la présente loi, en application de l'article 77bis de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, des règles relatives à la fin de carrière pour les praticiens visés à l'article 2, § 1er.
§ 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur la proposition conjointe des Ministres de la Santé publique et des Affaires sociales et après concertation avec les commissions de conventions concernées visées à l'article 26 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, des règles relatives à la fin de carrière pour les professionnels des soins de santé, à l'exception des praticiens visés au paragraphe 1. "
" Art. 35decies. § 1er. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur la proposition conjoint des Ministres de la Santé publique et des Affaires sociales et après concertation au sein du Comité de concertation instaurée par la présente loi, en application de l'article 77bis de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, des règles relatives à la fin de carrière pour les praticiens visés à l'article 2, § 1er.
§ 2. Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, sur la proposition conjointe des Ministres de la Santé publique et des Affaires sociales et après concertation avec les commissions de conventions concernées visées à l'article 26 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, des règles relatives à la fin de carrière pour les professionnels des soins de santé, à l'exception des praticiens visés au paragraphe 1. "
Art.69. Artikel 35undecies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 10 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" Art. 35undecies. § 1. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op de gezamenlijke voordracht van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg in het Overlegcomité :
1° bepaalt de regels en de modaliteiten inzake de evaluatie, onder andere via een systeem van " peer review ", van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming van de individuele beroepsbeoefenaars bedoeld in artikel 2, § 1;
2° duidt de structuren aan die de evaluatie van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming organiseren of begeleiden en bepaalt de algemene regels van de werking ervan.
§ 2. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op de gezamenlijke voordracht van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg in de desbetreffende overeenkomstencommissies bedoeld in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 :
1° bepaalt de regels en de modaliteiten inzake de evaluatie, onder andere via een systeem van " peer-review ", van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming van de individuele beoefenaars van de gezondheidsberoepen, met uitzondering van de beoefenaars bedoeld in paragraaf 1;
2° duidt de structuren aan die de evaluatie van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming organiseren of begeleiden en bepaalt de algemene regels van de werking ervan voor de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, met uitzondering van de in paragraaf 1 bedoelde beoefenaars. "
" Art. 35undecies. § 1. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op de gezamenlijke voordracht van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg in het Overlegcomité :
1° bepaalt de regels en de modaliteiten inzake de evaluatie, onder andere via een systeem van " peer review ", van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming van de individuele beroepsbeoefenaars bedoeld in artikel 2, § 1;
2° duidt de structuren aan die de evaluatie van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming organiseren of begeleiden en bepaalt de algemene regels van de werking ervan.
§ 2. De Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op de gezamenlijke voordracht van de Ministers van Volksgezondheid en van Sociale Zaken en na overleg in de desbetreffende overeenkomstencommissies bedoeld in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 :
1° bepaalt de regels en de modaliteiten inzake de evaluatie, onder andere via een systeem van " peer-review ", van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming van de individuele beoefenaars van de gezondheidsberoepen, met uitzondering van de beoefenaars bedoeld in paragraaf 1;
2° duidt de structuren aan die de evaluatie van de praktijk en van het onderhouden van de professionele bekwaming organiseren of begeleiden en bepaalt de algemene regels van de werking ervan voor de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, met uitzondering van de in paragraaf 1 bedoelde beoefenaars. "
Art.69. L'article 35undecies du même arrêté, inséré par la loi du 10 décembre 1997, est remplacé comme suit :
" Art. 35undecies. § 1er. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et sur la proposition conjointe des Ministres de la Santé publique et des Affaires sociales et après concertation au sein du Comité de concertation, le Roi :
1° détermine les règles et les modalités d'évaluation, entre autres via un système de " peer-review ", de la pratique et de l'entretien de la compétence professionnelle des praticiens professionnels individuels visés à l'article 2, § 1er;
2° désigne les structures qui organisent ou conduisent l'évaluation de la pratique et de l'entretien de la compétence professionnelle et détermine les règles générales de leur fonctionnement.
§ 2. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et sur la proposition conjointe des Ministres de la Santé publique et des Affaires sociales et après concertation avec les commissions de conventions concernées visées à l'article 26 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 :
1° détermine les règles et les modalités d'évaluation, entre autres via un système de " peer-review ", de la pratique et de l'entretien de la compétence professionnelle des professionnels des soins de santé individuels, à l'exception des praticiens visés au paragraphe 1er;
2° désigne les structures qui organisent ou conduisent l'évaluation de la pratique et de l'entretien de la compétence professionnelle et détermine les règles générales de leur fonctionnement pour les professionnels des soins de santé, à l'exception des praticiens visés au paragraphe 1. "
" Art. 35undecies. § 1er. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et sur la proposition conjointe des Ministres de la Santé publique et des Affaires sociales et après concertation au sein du Comité de concertation, le Roi :
1° détermine les règles et les modalités d'évaluation, entre autres via un système de " peer-review ", de la pratique et de l'entretien de la compétence professionnelle des praticiens professionnels individuels visés à l'article 2, § 1er;
2° désigne les structures qui organisent ou conduisent l'évaluation de la pratique et de l'entretien de la compétence professionnelle et détermine les règles générales de leur fonctionnement.
§ 2. Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et sur la proposition conjointe des Ministres de la Santé publique et des Affaires sociales et après concertation avec les commissions de conventions concernées visées à l'article 26 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 :
1° détermine les règles et les modalités d'évaluation, entre autres via un système de " peer-review ", de la pratique et de l'entretien de la compétence professionnelle des professionnels des soins de santé individuels, à l'exception des praticiens visés au paragraphe 1er;
2° désigne les structures qui organisent ou conduisent l'évaluation de la pratique et de l'entretien de la compétence professionnelle et détermine les règles générales de leur fonctionnement pour les professionnels des soins de santé, à l'exception des praticiens visés au paragraphe 1. "
Art.70. Artikel 35duodecies , lid 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 10 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na overleg met het overlegcomité, de regels met betrekking tot de structuur en de organisatie van de praktijk van de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars.
De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na overleg met de in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 bedoelde desbetreffende overeenkomstencommissies, de regels met betrekking tot de structuur en de organisatie van de praktijk van de in de artikelen 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis , 21quater en 22 bedoelde beroepsbeoefenaars. "
" De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na overleg met het overlegcomité, de regels met betrekking tot de structuur en de organisatie van de praktijk van de in artikel 2, § 1, bedoelde beoefenaars.
De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en na overleg met de in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 bedoelde desbetreffende overeenkomstencommissies, de regels met betrekking tot de structuur en de organisatie van de praktijk van de in de artikelen 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis , 21quater en 22 bedoelde beroepsbeoefenaars. "
Art.70. L'article 35duodecies , alinéa 1er, du même arrêté, inséré par la loi du 10 décembre 1997, est remplacé comme suit :
" Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après concertation avec le comité de concertation, les règles concernant la structure et l'organisation de la pratique des praticiens visés à l'article 2, § 1er.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après concertation avec les commissions de conventions concernées, visées à l'article 26 de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, les règles concernant la structure et l'organisation de la pratique des praticiens professionnels visés aux articles 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis , 21quater et 22. "
" Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après concertation avec le comité de concertation, les règles concernant la structure et l'organisation de la pratique des praticiens visés à l'article 2, § 1er.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et après concertation avec les commissions de conventions concernées, visées à l'article 26 de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994, les règles concernant la structure et l'organisation de la pratique des praticiens professionnels visés aux articles 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis , 21quater et 22. "
Art.71. Artikel 35terdecies , 3°, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij de wet van 10 december 1997, wordt vervangen als volgt :
" a) bepaalt de opdrachten ervan, welke er inzonderheid in bestaan advies te verstrekken met betrekking tot de kwaliteit, de evaluatie en de organisatie van de medische praktijk van de in de artikelen 2, § 1, bedoelde beroepsbeoefenaars; en stelt meer bepaald aanbevelingen voor goede praktijkvoering op. Op eigen initiatief of op vraag van de bevoegde minister, of het desbetreffend Overlegcomité, zoals bepaald in artikel 8 van de wet van 10 december 1997 tot reorganisatie van de gezondheidszorg, formuleert de betreffende afdeling voorstellen of adviezen onder meer inzake kwaliteit van de zorgverlening, de organisatie van de zorgverlening, en de taakafspraken tussen de beoefenaars onderling;
b) bepaalt de opdrachten ervan, welke er inzonderheid in bestaan advies te verstrekken met betrekking tot de kwaliteit, de evaluatie en de organisatie van de medische praktijk van de in de artikelen 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis , 21quater en 22 bedoelde beroepsbeoefenaars; en stelt meer bepaald aanbevelingen voor goede praktijkvoering op. Op eigen initiatief of op vraag van de bevoegde minister, of van de in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bedoelde desbetreffende overeenkomstencommissie, formuleert de betreffende afdeling voorstellen of adviezen ondermeer inzake kwaliteit van de zorgverlening, de organisatie van de zorgverlening, en de taakafspraken tussen de beoefenaars onderling. "
" a) bepaalt de opdrachten ervan, welke er inzonderheid in bestaan advies te verstrekken met betrekking tot de kwaliteit, de evaluatie en de organisatie van de medische praktijk van de in de artikelen 2, § 1, bedoelde beroepsbeoefenaars; en stelt meer bepaald aanbevelingen voor goede praktijkvoering op. Op eigen initiatief of op vraag van de bevoegde minister, of het desbetreffend Overlegcomité, zoals bepaald in artikel 8 van de wet van 10 december 1997 tot reorganisatie van de gezondheidszorg, formuleert de betreffende afdeling voorstellen of adviezen onder meer inzake kwaliteit van de zorgverlening, de organisatie van de zorgverlening, en de taakafspraken tussen de beoefenaars onderling;
b) bepaalt de opdrachten ervan, welke er inzonderheid in bestaan advies te verstrekken met betrekking tot de kwaliteit, de evaluatie en de organisatie van de medische praktijk van de in de artikelen 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis , 21quater en 22 bedoelde beroepsbeoefenaars; en stelt meer bepaald aanbevelingen voor goede praktijkvoering op. Op eigen initiatief of op vraag van de bevoegde minister, of van de in artikel 26 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bedoelde desbetreffende overeenkomstencommissie, formuleert de betreffende afdeling voorstellen of adviezen ondermeer inzake kwaliteit van de zorgverlening, de organisatie van de zorgverlening, en de taakafspraken tussen de beoefenaars onderling. "
Art.71. L'article 35terdecies , 3°, du même arrêté, inséré par la loi du 10 décembre 1997, est remplacé comme suit :
" a) en fixe les missions qui consistent en particulier à émettre un avis en ce qui concerne la qualité, l'évaluation et l'organisation de la pratique médicale des praticiens des professions visées aux articles 2, § 1er, et plus précisément formule des recommandations de bonne pratique. De sa propre initiative ou sur la demande du ministre compétent, ou dudit Comité de concertation, comme prévu à l'article 8 de la loi du 10 décembre 1997 visant la réorganisation des soins de santé, la section concernée formule des propositions ou des avis relatifs entre autres à la qualité de la dispensation des soins, à l'organisation de dispensation des soins et à la répartition des tâches entre praticiens;
b) en fixe les missions qui consistent en particulier à émettre un avis en ce qui concerne la qualité, l'évaluation et l'organisation de la pratique médicale ou paramédicale des praticiens des professions visées aux articles 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis , 21quater et 22, et plus précisément formule des recommandations de bonne pratique. De sa propre initiative ou sur la demande du ministre compétent, ou des commissions de conventions concernées, visées à l'article 26 de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet, la section concernée formule des propositions ou des avis relatifs entre autres à la qualité de la dispensation des soins, à l'organisation de dispensation des soins et à la répartition des tâches entre praticiens. "
" a) en fixe les missions qui consistent en particulier à émettre un avis en ce qui concerne la qualité, l'évaluation et l'organisation de la pratique médicale des praticiens des professions visées aux articles 2, § 1er, et plus précisément formule des recommandations de bonne pratique. De sa propre initiative ou sur la demande du ministre compétent, ou dudit Comité de concertation, comme prévu à l'article 8 de la loi du 10 décembre 1997 visant la réorganisation des soins de santé, la section concernée formule des propositions ou des avis relatifs entre autres à la qualité de la dispensation des soins, à l'organisation de dispensation des soins et à la répartition des tâches entre praticiens;
b) en fixe les missions qui consistent en particulier à émettre un avis en ce qui concerne la qualité, l'évaluation et l'organisation de la pratique médicale ou paramédicale des praticiens des professions visées aux articles 2, § 2, 3, 4, 5, § 2, 21bis , 21quater et 22, et plus précisément formule des recommandations de bonne pratique. De sa propre initiative ou sur la demande du ministre compétent, ou des commissions de conventions concernées, visées à l'article 26 de la loi relative à l'assurance soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet, la section concernée formule des propositions ou des avis relatifs entre autres à la qualité de la dispensation des soins, à l'organisation de dispensation des soins et à la répartition des tâches entre praticiens. "
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde.
CHAPITRE II. - Modification de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice la médecine vétérinaire.
Art.72. Artikel 4, vierde lid van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998, wordt vervangen als volgt :
" Daarenboven moeten de dierenartsen die medewerken aan de uitvoering van wets- en verordeningsbepalingen, vooraf erkend worden door de Minister die bevoegd is voor die bepalingen. De Koning bepaalt de erkenningsvoorwaarden. "
" Daarenboven moeten de dierenartsen die medewerken aan de uitvoering van wets- en verordeningsbepalingen, vooraf erkend worden door de Minister die bevoegd is voor die bepalingen. De Koning bepaalt de erkenningsvoorwaarden. "
Art.72. L'article 4, alinéa 4 de la loi du 28 août 1991 sur l'exercice la médecine vétérinaire est remplacé par la disposition suivante :
" Au surplus, les médecins vétérinaires qui collaborent à l'exécution des dispositions légales et réglementaires doivent préalablement être agréés par le Ministre compétent pour ces dispositions. Le Roi détermine les conditions d'agrément. "
" Au surplus, les médecins vétérinaires qui collaborent à l'exécution des dispositions légales et réglementaires doivent préalablement être agréés par le Ministre compétent pour ces dispositions. Le Roi détermine les conditions d'agrément. "
HOOFDSTUK III. - Wijziging van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen.
CHAPITRE III. - Modification de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments.
Art.73. In artikel 10 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, vervangen bij de wet van 21 juni 1983, waarvan de huidige tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 toegevoegd, luidend als volgt :
" § 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, kunnen personen die geneesmiddelen mogen voorschrijven vergoed worden voor de door hun geleverde prestaties bij het uitvoeren van klinische proeven of andere wetenschappelijke studies. "
" § 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, kunnen personen die geneesmiddelen mogen voorschrijven vergoed worden voor de door hun geleverde prestaties bij het uitvoeren van klinische proeven of andere wetenschappelijke studies. "
Art.73. A l'article 10 de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, remplacé par la loi du 21 juin 1983, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
" § 2. Sans préjudice de la disposition du § 1er, les personnes habilitées à prescrire des médicaments peuvent être indemnisées pour les prestations qu'ils fournissent dans l'exécution d'essais cliniques ou d'autres études scientifiques. "
" § 2. Sans préjudice de la disposition du § 1er, les personnes habilitées à prescrire des médicaments peuvent être indemnisées pour les prestations qu'ils fournissent dans l'exécution d'essais cliniques ou d'autres études scientifiques. "
Art.74. In artikel 16, § 3, 2°, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 21 juni 1983, worden tussen de woorden "monsterneming", en de woorden "of inbeslagneming" de woorden ", verzameling van bewijsmateriaal" ingevoegd.
Art.74. A l'article 16, § 3, 2° de la même loi, remplacé par la loi du 21 juin 1983, les mots "rassemblement d'éléments de preuve" sont insérés entre les mots "prises d'échantillons" et les mots "ou à la saisie".
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg.
CHAPITRE IV. - Modifications de la loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de santé.
Art.75. Artikel 28 van de wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg wordt vervangen als volgt :
" Art. 28. In artikel 2, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " de houdsters van het diploma van vroedvrouw, dat overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen werd uitgereikt " vervangen door de woorden " de personen die door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort of een door hem gemachtigde ambtenaar, erkend zijn als drager van de beroepstitel van vroedvrouw ";
2° na het eerste lid worden de volgende leden ingevoegd :
" De erkenning wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die door de Koning zijn vastgesteld na advies van de Nationale Raad voor de vroedvrouwen.
Die erkenning als drager van de beroepstitel kan enkel worden toegekend aan de drager van minstens een diploma van het hoger onderwijs, diploma dat moet afgeleverd zijn door een door de bevoegde overheid erkende onderwijsinstelling.
De erkenning als drager van de beroepstitel blijkt uit een door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort of door een door hem gemachtigde ambtenaar getekend document.
De personen die op datum van inwerkingtreding van de Wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg in het bezit zijn van een geviseerd diploma of titel van vroedvrouw, worden van rechtswege erkend als drager van de beroepstitel van vroedvrouw. "
" Art. 28. In artikel 2, § 2, van hetzelfde koninklijk besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " de houdsters van het diploma van vroedvrouw, dat overeenkomstig de door de Koning vastgestelde bepalingen werd uitgereikt " vervangen door de woorden " de personen die door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort of een door hem gemachtigde ambtenaar, erkend zijn als drager van de beroepstitel van vroedvrouw ";
2° na het eerste lid worden de volgende leden ingevoegd :
" De erkenning wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die door de Koning zijn vastgesteld na advies van de Nationale Raad voor de vroedvrouwen.
Die erkenning als drager van de beroepstitel kan enkel worden toegekend aan de drager van minstens een diploma van het hoger onderwijs, diploma dat moet afgeleverd zijn door een door de bevoegde overheid erkende onderwijsinstelling.
De erkenning als drager van de beroepstitel blijkt uit een door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort of door een door hem gemachtigde ambtenaar getekend document.
De personen die op datum van inwerkingtreding van de Wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg in het bezit zijn van een geviseerd diploma of titel van vroedvrouw, worden van rechtswege erkend als drager van de beroepstitel van vroedvrouw. "
Art.75. L'article 28 de la loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de santé est remplacé comme suit :
" Art. 28. A l'article 2, § 2, du même arrêté royal, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " les titulaires du diplôme d'accoucheuse, délivré conformément aux dispositions arrêtées par le Roi " sont remplacés par les mots " les personnes qui sont agréées en tant que porteuses du titre professionnel d'accoucheuse, par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions ou par un fonctionnaire délégué par lui ";
2° après l'alinéa 1er, les alinéas suivants sont insérés :
" L'agrément est accordé conformément à la procédure fixée par le Roi et pour autant qu'il soit satisfait aux critères d'agrément fixés par le Roi, après avis du Conseil national des accoucheuses.
Cet agrément comme porteur du titre professionnel ne peut être accordé qu'au porteur de minimum un diplôme d'enseignement supérieur, diplôme qui doit être délivré par un établissement scolaire reconnu par l'autorité compétente.
L'agrément comme porteur du titre professionnel ressort d'un document signé par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions ou par un fonctionnaire délégué par lui.
Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur de la loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de santé, sont en possession d'un diplôme ou titre visé d'accoucheuse, sont agréées de plein droit en tant que porteuses du titre professionnel d'accoucheuse. "
" Art. 28. A l'article 2, § 2, du même arrêté royal, sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " les titulaires du diplôme d'accoucheuse, délivré conformément aux dispositions arrêtées par le Roi " sont remplacés par les mots " les personnes qui sont agréées en tant que porteuses du titre professionnel d'accoucheuse, par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions ou par un fonctionnaire délégué par lui ";
2° après l'alinéa 1er, les alinéas suivants sont insérés :
" L'agrément est accordé conformément à la procédure fixée par le Roi et pour autant qu'il soit satisfait aux critères d'agrément fixés par le Roi, après avis du Conseil national des accoucheuses.
Cet agrément comme porteur du titre professionnel ne peut être accordé qu'au porteur de minimum un diplôme d'enseignement supérieur, diplôme qui doit être délivré par un établissement scolaire reconnu par l'autorité compétente.
L'agrément comme porteur du titre professionnel ressort d'un document signé par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions ou par un fonctionnaire délégué par lui.
Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur de la loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de santé, sont en possession d'un diplôme ou titre visé d'accoucheuse, sont agréées de plein droit en tant que porteuses du titre professionnel d'accoucheuse. "
Art.76. Artikel 34 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 34. Artikel 21quater van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij de wet van 20 december 1974 en gewijzigd bij de wet van 6 april 1995, wordt vervangen als volgt :
" Art. 21quater. § 1. Niemand mag de verpleegkunde, zoals bedoeld in artikel 21quinquies, uitoefenen indien hij niet erkend is als drager van hetzij de beroepstitel van verpleegkundige, hetzij de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige en bovendien niet beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld in artikel 21sexies of beantwoordt aan § 3 van dit artikel.
§ 2. De erkenning bedoeld in § 1 wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de door de Koning bepaalde erkenningscriteria, na advies van de Nationale Raad voor Verpleegkunde.
De erkenning als drager van de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige kan enkel worden toegekend aan de drager van een diploma van hoger onderwijs in de verpleegkunde.
De erkenning als drager van de beroepstitel van verpleegkundige kan enkel worden toegekend aan dragers van een brevet of diploma van de 4de graad van het secundair onderwijs in de verpleegkunde of van een brevet van aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling verpleegkunde.
Bedoelde diploma's of brevetten moeten uitgereikt zijn na een opleiding in het kader van het onderwijs met volledig leerplan van minstens drie studiejaren of van het equivalent ervan in het onderwijs van sociale promotie, georganiseerd in een door de bevoegde overheid erkende onderwijsinstelling.
De erkenning bedoeld in § 1 blijkt uit een door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort of een door hem gemachtigde ambtenaar getekend document.
§ 3. De personen die op datum van inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg in het bezit zijn van een in toepassing van artikel 21sexies geviseerd brevet of titel van verpleegassistent of verpleegassistente, van ziekenhuisassistent of ziekenhuisassistente, het brevet of de titel van verpleger of verpleegster, het diploma of de titel in de verpleegkunde, het diploma of de titel van gegradueerd verpleger of gegradueerde verpleegster, worden van rechtswege erkend als drager van de respectieve beroepstitel van verpleegassistent of verpleegassistente, ziekenhuisassistent of ziekenhuisassistente, van verpleegkundige of gegradueerde verpleegkundige.
De personen die op datum van de inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake de gezondheidszorg in het bezit zijn van een niet-geviseerd brevet of titel van verpleegassistent of verpleegassistente, van ziekenhuisassistent of ziekenhuisassistente, mogen de verpleegkunde, zoals bedoeld in artikel 21quinquies uitoefenen indien zij erkend zijn als drager van de beroepstitel van verpleegassistent of verpleegassistente, ziekenhuisassistent of ziekenhuisassistente en indien zij beantwoorden aan de voorwaarden, gesteld in artikel 21sexies.
De erkenning wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de door de Koning bepaalde erkenningscriteria, na advies van de Nationale Raad voor Verpleegkunde.
Deze erkenning blijkt uit een door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort of een door hem gemachtigde ambtenaar getekend document.
§ 4. De drager van de beroepstitel van vroedvrouw die haar diploma heeft behaald vóór 1 oktober van het vierde jaar na inwerkingtreding van artikel 34 van dezelfde wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg, mag van rechtswege de verpleegkunde uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de dragers van de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige.
De drager van de beroepstitel van vroedvrouw mag van rechtswege de verpleegkunde uitoefenen binnen het terrein van de verloskunde, de fertiliteitsbehandeling en de neonatologie. "
" Art. 34. Artikel 21quater van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd bij de wet van 20 december 1974 en gewijzigd bij de wet van 6 april 1995, wordt vervangen als volgt :
" Art. 21quater. § 1. Niemand mag de verpleegkunde, zoals bedoeld in artikel 21quinquies, uitoefenen indien hij niet erkend is als drager van hetzij de beroepstitel van verpleegkundige, hetzij de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige en bovendien niet beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld in artikel 21sexies of beantwoordt aan § 3 van dit artikel.
§ 2. De erkenning bedoeld in § 1 wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de door de Koning bepaalde erkenningscriteria, na advies van de Nationale Raad voor Verpleegkunde.
De erkenning als drager van de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige kan enkel worden toegekend aan de drager van een diploma van hoger onderwijs in de verpleegkunde.
De erkenning als drager van de beroepstitel van verpleegkundige kan enkel worden toegekend aan dragers van een brevet of diploma van de 4de graad van het secundair onderwijs in de verpleegkunde of van een brevet van aanvullend secundair beroepsonderwijs, afdeling verpleegkunde.
Bedoelde diploma's of brevetten moeten uitgereikt zijn na een opleiding in het kader van het onderwijs met volledig leerplan van minstens drie studiejaren of van het equivalent ervan in het onderwijs van sociale promotie, georganiseerd in een door de bevoegde overheid erkende onderwijsinstelling.
De erkenning bedoeld in § 1 blijkt uit een door de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort of een door hem gemachtigde ambtenaar getekend document.
§ 3. De personen die op datum van inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg in het bezit zijn van een in toepassing van artikel 21sexies geviseerd brevet of titel van verpleegassistent of verpleegassistente, van ziekenhuisassistent of ziekenhuisassistente, het brevet of de titel van verpleger of verpleegster, het diploma of de titel in de verpleegkunde, het diploma of de titel van gegradueerd verpleger of gegradueerde verpleegster, worden van rechtswege erkend als drager van de respectieve beroepstitel van verpleegassistent of verpleegassistente, ziekenhuisassistent of ziekenhuisassistente, van verpleegkundige of gegradueerde verpleegkundige.
De personen die op datum van de inwerkingtreding van de wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake de gezondheidszorg in het bezit zijn van een niet-geviseerd brevet of titel van verpleegassistent of verpleegassistente, van ziekenhuisassistent of ziekenhuisassistente, mogen de verpleegkunde, zoals bedoeld in artikel 21quinquies uitoefenen indien zij erkend zijn als drager van de beroepstitel van verpleegassistent of verpleegassistente, ziekenhuisassistent of ziekenhuisassistente en indien zij beantwoorden aan de voorwaarden, gesteld in artikel 21sexies.
De erkenning wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de door de Koning bepaalde erkenningscriteria, na advies van de Nationale Raad voor Verpleegkunde.
Deze erkenning blijkt uit een door de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort of een door hem gemachtigde ambtenaar getekend document.
§ 4. De drager van de beroepstitel van vroedvrouw die haar diploma heeft behaald vóór 1 oktober van het vierde jaar na inwerkingtreding van artikel 34 van dezelfde wet van 10 augustus 2001 houdende maatregelen inzake gezondheidszorg, mag van rechtswege de verpleegkunde uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de dragers van de beroepstitel van gegradueerde verpleegkundige.
De drager van de beroepstitel van vroedvrouw mag van rechtswege de verpleegkunde uitoefenen binnen het terrein van de verloskunde, de fertiliteitsbehandeling en de neonatologie. "
Art.76. L'article 34 de la même loi est remplacé comme suit :
" Art. 34. L'article 21quater , du même arrêté royal, inséré par la loi du 20 décembre 1974 et modifié par la loi du 6 avril 1995, est remplacé comme suit :
" Art. 21quater. § 1er. Nul ne peut exercer l'art infirmier, tel que visé à l'article 21quinquies, s'il n'est agrée en tant que porteur, soit du titre professionnel de praticien infirmier, soit du titre professionnel de praticien infirmier gradué, et si en outre il ne répond pas aux conditions fixées à l'article 21sexies ou s'il répond à la disposition du § 3 du présent article.
§ 2. L'agrément visé au § 1er est accordé conformément à la procédure fixée par le Roi et pour autant qu'il soit répondu aux critères d'agrément fixés par le Roi, après avis du Conseil national de l'art infirmier.
L'agrément comme porteur du titre professionnel de praticien infirmier gradué ne peut être accordé qu'au porteur d'un diplôme d'enseignement supérieur en soins infirmiers.
L'agrément comme porteur du titre professionnel de praticien infirmier ne peut être accordé qu'au porteur d'un brevet ou diplôme du 4e degré de l'enseignement secondaire en soins infirmiers ou d'un brevet d'enseignement professionnel secondaire complémentaire, section nursing.
Les diplômes ou brevets visés doivent avoir été délivrés après une formation dans le cadre de l'enseignement de plein exercice comportant au moins 3 années d'études ou son équivalent dans l'enseignement de promotion sociale, organisé dans un établissement scolaire reconnu par l'autorité compétente.
L'agrément visé au § 1er ressort d'un document signé par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions ou par un fonctionnaire délégué par lui.
§ 3. Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur de la loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de santé, sont en possession du brevet ou du titre d'hospitalier ou d'hospitalière, du brevet ou du titre d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers, du brevet ou du titre d'infirmier ou d'infirmière, du diplôme ou du titre "in de verpleegkunde", du diplôme ou du titre d'infirmier gradué ou d'infirmière graduée, visés en application de l'article 21sexies sont agréées de plein droit en tant que porteurs du titre professionnel respectif d'hospitalier ou d'hospitalière, d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers, de praticien infirmier, ou de praticien infirmier gradué.
Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur de la loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de santé, sont en possession d'un brevet ou titre non visé d'hospitalier ou d'hospitalière, d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers, peuvent exercer l'art infirmier, comme visé à l'article 21quinquies, si elles sont agréées en tant que porteuses du titre professionnel d'hospitalier ou d'hospitalière, d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers et si elles répondent aux conditions fixées à l'article 21sexies.
L'agrément est accordé conformément à la procédure fixée par le Roi et pour autant qu'il soit répondu aux critères d'agrément fixés par le Roi, après avis du Conseil national de l'art infirmier.
Cet agrément ressort d'un document signé par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions ou par un fonctionnaire délégué par lui.
§ 4. Le porteur du titre professionnel d'accoucheuse, qui a obtenu son diplôme avant le 1er octobre de la quatrième année après l'entrée en vigueur de l'article 34 de la même loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de usante, peut exercer de plein droit l'art infirmier sous les mêmes conditions que les porteurs du titre professionnel de praticien infirmier gradue.
Le porteur du titre professionnel d'accoucheuse peut de plein droit exercer l'art infirmier dans le domaine de l'art obstétrical, du traitement de la fertilité et de la néonatalogie. "
" Art. 34. L'article 21quater , du même arrêté royal, inséré par la loi du 20 décembre 1974 et modifié par la loi du 6 avril 1995, est remplacé comme suit :
" Art. 21quater. § 1er. Nul ne peut exercer l'art infirmier, tel que visé à l'article 21quinquies, s'il n'est agrée en tant que porteur, soit du titre professionnel de praticien infirmier, soit du titre professionnel de praticien infirmier gradué, et si en outre il ne répond pas aux conditions fixées à l'article 21sexies ou s'il répond à la disposition du § 3 du présent article.
§ 2. L'agrément visé au § 1er est accordé conformément à la procédure fixée par le Roi et pour autant qu'il soit répondu aux critères d'agrément fixés par le Roi, après avis du Conseil national de l'art infirmier.
L'agrément comme porteur du titre professionnel de praticien infirmier gradué ne peut être accordé qu'au porteur d'un diplôme d'enseignement supérieur en soins infirmiers.
L'agrément comme porteur du titre professionnel de praticien infirmier ne peut être accordé qu'au porteur d'un brevet ou diplôme du 4e degré de l'enseignement secondaire en soins infirmiers ou d'un brevet d'enseignement professionnel secondaire complémentaire, section nursing.
Les diplômes ou brevets visés doivent avoir été délivrés après une formation dans le cadre de l'enseignement de plein exercice comportant au moins 3 années d'études ou son équivalent dans l'enseignement de promotion sociale, organisé dans un établissement scolaire reconnu par l'autorité compétente.
L'agrément visé au § 1er ressort d'un document signé par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions ou par un fonctionnaire délégué par lui.
§ 3. Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur de la loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de santé, sont en possession du brevet ou du titre d'hospitalier ou d'hospitalière, du brevet ou du titre d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers, du brevet ou du titre d'infirmier ou d'infirmière, du diplôme ou du titre "in de verpleegkunde", du diplôme ou du titre d'infirmier gradué ou d'infirmière graduée, visés en application de l'article 21sexies sont agréées de plein droit en tant que porteurs du titre professionnel respectif d'hospitalier ou d'hospitalière, d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers, de praticien infirmier, ou de praticien infirmier gradué.
Les personnes qui, à la date d'entrée en vigueur de la loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de santé, sont en possession d'un brevet ou titre non visé d'hospitalier ou d'hospitalière, d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers, peuvent exercer l'art infirmier, comme visé à l'article 21quinquies, si elles sont agréées en tant que porteuses du titre professionnel d'hospitalier ou d'hospitalière, d'assistant ou d'assistante en soins hospitaliers et si elles répondent aux conditions fixées à l'article 21sexies.
L'agrément est accordé conformément à la procédure fixée par le Roi et pour autant qu'il soit répondu aux critères d'agrément fixés par le Roi, après avis du Conseil national de l'art infirmier.
Cet agrément ressort d'un document signé par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions ou par un fonctionnaire délégué par lui.
§ 4. Le porteur du titre professionnel d'accoucheuse, qui a obtenu son diplôme avant le 1er octobre de la quatrième année après l'entrée en vigueur de l'article 34 de la même loi du 10 août 2001 portant des mesures en matière de soins de usante, peut exercer de plein droit l'art infirmier sous les mêmes conditions que les porteurs du titre professionnel de praticien infirmier gradue.
Le porteur du titre professionnel d'accoucheuse peut de plein droit exercer l'art infirmier dans le domaine de l'art obstétrical, du traitement de la fertilité et de la néonatalogie. "
Art.77. Artikel 59, § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt :
" - de artikelen 28, 34 en 36 die in werking treden op een door de Koning te bepalen datum. "
" - de artikelen 28, 34 en 36 die in werking treden op een door de Koning te bepalen datum. "
Art.77. L'article 59, § 1er, de la même loi est complété comme suit :
" - les articles 28, 34 et 36 qui entrent en vigueur à une date à fixer par le Roi. "
" - les articles 28, 34 et 36 qui entrent en vigueur à une date à fixer par le Roi. "
HOOFDSTUK V. - Wijziging aan het koninklijk besluit van 22 februari 2001 betreffende de Financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.
CHAPITRE V. - Modification à l'arrêté royal du 22 février 2001 relatif au financement de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire.
Art.78. Artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 betreffende de Financiering van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, bekrachtigd bij de wet van 19 juli 2001, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 3° door de financiële middelen bedoeld in artikel 9 van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998; "
" 3° door de financiële middelen bedoeld in artikel 9 van de wet van 13 juli 1981 tot oprichting van een Instituut voor veterinaire keuring, gewijzigd bij de wet van 22 februari 1998; "
Art.78. L'article 1er, 3°, de l'arrêté royal du 22 février 2001 relatif au financement de l'Agence fédérale pour la Sécurité de la Chaîne alimentaire, confirmé par la loi du 19 juillet 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" 3° par les moyens financiers visés à l'article 9 de la loi du 13 juillet 1981 portant création d'un Institut d'expertise vétérinaire, modifié par la loi du 22 février 1998; ".
" 3° par les moyens financiers visés à l'article 9 de la loi du 13 juillet 1981 portant création d'un Institut d'expertise vétérinaire, modifié par la loi du 22 février 1998; ".
Art.79. In hetzelfde besluit, worden de artikelen 2, § 1, 2°, en 4, § 1, 2°, opgeheven.
Art.79. Dans le même arrêté, les articles 2, § 1er, 2° et 4, § 1er, 2°, sont abrogés.
HOOFDSTUK VI. - Wijziging aan de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel.
CHAPITRE VI. - Modification à la loi du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et le commerce des viandes.
Art.80. Artikel 6 van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, gewijzigd bij de wetten van 13 juli 1981, 21 december 1994, 20 december 1995, 27 mei 1997 en 8 december 1998, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Ingeval de in dit artikel bedoelde rechten niet worden betaald door de exploitant van een inrichting, andere dan een slachthuis, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, kan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, de erkenning of de registratie van de inrichting opschorten, vanaf de vijftiende werkdag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij ter post aangetekende brief werd betekend. In dit geval zijn de bepalingen van het zevende en het achtste lid van dit artikel van toepassing. "
" Ingeval de in dit artikel bedoelde rechten niet worden betaald door de exploitant van een inrichting, andere dan een slachthuis, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, kan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, de erkenning of de registratie van de inrichting opschorten, vanaf de vijftiende werkdag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij ter post aangetekende brief werd betekend. In dit geval zijn de bepalingen van het zevende en het achtste lid van dit artikel van toepassing. "
Art.80. L'article 6 de la loi du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et au commerce des viandes, modifié par les lois des 13 juillet 1981, 21 décembre 1994, 20 décembre 1995, 27 mai 1997 et 8 décembre 1998, est complété par l'alinéa suivant :
" En cas de non-paiement par l'exploitant d'un établissement, autre qu'un abattoir, des droits visés au présent article, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut suspendre l'agrément ou l'enregistrement de l'établissement à partir du quinzième jour ouvrable qui suit celui de la notification de la mise en demeure par lettre recommandée à la poste. Dans ce cas, les dispositions des alinéas 7 et 8 du présent article sont applicables. "
" En cas de non-paiement par l'exploitant d'un établissement, autre qu'un abattoir, des droits visés au présent article, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut suspendre l'agrément ou l'enregistrement de l'établissement à partir du quinzième jour ouvrable qui suit celui de la notification de la mise en demeure par lettre recommandée à la poste. Dans ce cas, les dispositions des alinéas 7 et 8 du présent article sont applicables. "
HOOFDSTUK VII. - Wijziging aan de wet van 15 april 1965 betreffende de keuring van en de handel in vis, gevogelte, konijnen en wild en tot wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel.
CHAPITRE VII. - Modification à la loi du 15 avril 1965 concernant l'expertise et le commerce du poisson, des volailles, des lapins et du gibier et modifiant la loi du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et au commerce des viandes.
Art.81. Artikel 6 van de wet van 15 april 1965 betreffende de keuring van en de handel in vis, gevogelte, konijnen en wild en tot wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, gewijzigd bij de wetten van 13 juli 1981, 22 april 1982, 21 december 1994, 20 december 1995, 27 mei 1997 en 8 december 1998, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Ingeval de in dit artikel bedoelde rechten niet worden betaald door de exploitant van een inrichting, andere dan een slachthuis, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, kan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, de erkenning of registratie van de inrichting opschorten, vanaf de vijftiende werkdag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij ter post aangetekende brief werd betekend. In dit geval zijn de bepalingen van het zesde en het zevende lid van dit artikel van toepassing. "
" Ingeval de in dit artikel bedoelde rechten niet worden betaald door de exploitant van een inrichting, andere dan een slachthuis, zelfs indien de betaling het voorwerp uitmaakt van een betwisting voor de rechtbanken, kan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, de erkenning of registratie van de inrichting opschorten, vanaf de vijftiende werkdag volgend op die waarop de ingebrekestelling bij ter post aangetekende brief werd betekend. In dit geval zijn de bepalingen van het zesde en het zevende lid van dit artikel van toepassing. "
Art.81. L'article 6 de la loi du 15 avril 1965 concernant l'expertise et le commerce du poisson, des volailles, des lapins et du gibier et modifiant la loi du 5 septembre 1952 relative à l'expertise et au commerce des viandes, modifié par les lois des 13 juillet 1981, 22 avril 1982, 21 décembre 1994, 20 décembre 1995, 27 mai 1997 et 8 décembre 1998, est complété par l'alinéa suivant :
" En cas de non-paiement par l'exploitant d'un établissement, autre qu'un abattoir, des droits visés au présent article, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut suspendre l'agrément ou l'enregistrement de l'établissement à partir du quinzième jour ouvrable qui suit celui de la notification de la mise en demeure par lettre recommandée à la poste. Dans ce cas, les dispositions des alinéas 6 et 7 du présent article sont applicables. "
" En cas de non-paiement par l'exploitant d'un établissement, autre qu'un abattoir, des droits visés au présent article, même si le paiement fait l'objet d'une contestation devant les tribunaux, le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions peut suspendre l'agrément ou l'enregistrement de l'établissement à partir du quinzième jour ouvrable qui suit celui de la notification de la mise en demeure par lettre recommandée à la poste. Dans ce cas, les dispositions des alinéas 6 et 7 du présent article sont applicables. "
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 28 september 1999 betreffende de financiering van het Instituut voor veterinaire keuring.
CHAPITRE VIII. - Modifications à l'arrêté royal du 28 septembre 1999 relatif au financement de l'Institut d'expertise vétérinaire.
Art.82. Artikel 2, § 1, vierde lid, van het koninklijk besluit van 28 september 1999 betreffende de financiering Instituut voor veterinaire keuring, wordt aangevuld met de volgende bepaling :
" Hetzelfde geldt voor dieren waarvoor naar aanleiding van het gezondheidsonderzoek voor de slachting, de slachting niet wordt toegestaan om redenen inzake de gezondheid van mens of dier. "
" Hetzelfde geldt voor dieren waarvoor naar aanleiding van het gezondheidsonderzoek voor de slachting, de slachting niet wordt toegestaan om redenen inzake de gezondheid van mens of dier. "
Art.82. L'article 2, § 1er, alinéa 4 de l'arrêté royal du 28 septembre 1999 relatif au financement de l'Institut d'expertise vétérinaire, est complété par la disposition suivante :
" Il en va de même pour des animaux pour lesquels, lors de l'examen sanitaire avant l'abattage, l'abattage n'est pas admis pour des motifs de santé humaine ou animale. "
" Il en va de même pour des animaux pour lesquels, lors de l'examen sanitaire avant l'abattage, l'abattage n'est pas admis pour des motifs de santé humaine ou animale. "
Art.83. In artikel 6, vierde lid, van hetzelfde besluit, wordt tussen de woorden "uitgevoerd op" en "een zondag" de woorden "een zaterdag," ingevoegd.
Art.83. Dans l'article 6, alinéa 4 du même arrêté, les mots "le samedi," sont insérés entre les mots "sur demande" et "le dimanche".
Art.84. In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door het volgende lid :
" Lastens de exploitant van een inrichting, andere dan een slachthuis, wordt een jaarlijks controlerecht geïnd waarvan het bedrag, rekening houdend met het gewicht aan vlees of vis dat tijdens het jaar voordien in de inrichting is binnengebracht, als volgt is vastgesteld :
a) van 1 tot 160.000 kg : 200 EUR, vermeerderd met 0,0096 EUR per kg, met een maximum van 1.457,50 EUR;
b) van 160.001 tot 720.000 kg : 1.457,50 EUR, vermeerderd met 0,0064 EUR per kg boven het volume van 160.000 kg, met een maximum van 4.372,49 EUR;
c) van 720.001 tot 2.400.000 kg : 4.372,49 EUR, vermeerderd met 0,0048 EUR per kg boven het volume van 720.000 kg, met een maximum van 9.538,96 EUR;
d) van 2.400.001 tot 4.800.000 kg : 9.538,96 EUR, vermeerderd met 0,0032 EUR per kg boven het volume van 2.400.000 kg, met een maximum van 15.899,94 EUR;
e) van 4.800.001 kg tot 12.000.000 kg : 15.899,94 EUR, vermeerderd met 0,0026 EUR per kg boven het volume 4.800.000 kg, met een maximum van 33.124,85 EUR;
f) van 12.000.001 kg of meer : 33.124,85 EUR vermeerderd met 0,0022 EUR per kg boven het volume van 12.000.000 kg met een maximum van 50.000 ,00 EUR. "
2° het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, wordt vervangen door volgend lid :
" Het aldus verschuldigde controlerecht wordt, rekening houdend met het aantal aan de inrichting toegekende erkenningen, die als herverpakkingscentrum uitgezonderd, vermenigvuldigd met de factor :
1,25 voor 2 erkenningen;
1,35 voor 3 erkenningen;
1,50 voor 4 erkenningen of meer. "
3° in het vierde lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden "a) tot e) worden tot 1/3 verminderd" vervangen door de woorden "onder a) tot f) worden met de helft verminderd".
4° Tussen het vijfde lid en het zesde lid worden de volgende leden toegevoegd :
" Op het einde van het eerste jaar volgend op dat van de eerste erkenning, wordt een afrekening gemaakt van de verschuldigde rechten op basis van het volume vlees of vis dat sedert de toekenning van de erkenning in de inrichting werd binnengebracht.
Bij de overname door een andere exploitant van een inrichting die reeds erkend is en waarvan de aard van de activiteit waarvoor de erkenning werd verleend niet wordt gewijzigd worden de verschuldigde rechten berekend op basis van de aangifte van het lopende jaar en dit tot op het einde van het jaar dat volgt op dat van waarin de overname werd gerealiseerd. Op dat ogenblik wordt een afrekening gemaakt overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in vorig lid. "
5° het zesde lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Indien een inrichting een aaneensluitend geheel vormt met een slachthuis wordt het controlerecht verminderd tot 70 %. De vermindering tot 70 % is evenwel niet van toepassing wanneer de vermindering met de helft, bedoeld in het vierde lid, reeds wordt toegepast of wanneer in de inrichting, met het oog op versnijding, vlees wordt binnengebracht dat afkomstig is uit een andere erkende inrichting, het slachthuis dat een aaneensluitend geheel vormt met de inrichting uitgezonderd. "
1° het eerste lid wordt vervangen door het volgende lid :
" Lastens de exploitant van een inrichting, andere dan een slachthuis, wordt een jaarlijks controlerecht geïnd waarvan het bedrag, rekening houdend met het gewicht aan vlees of vis dat tijdens het jaar voordien in de inrichting is binnengebracht, als volgt is vastgesteld :
a) van 1 tot 160.000 kg : 200 EUR, vermeerderd met 0,0096 EUR per kg, met een maximum van 1.457,50 EUR;
b) van 160.001 tot 720.000 kg : 1.457,50 EUR, vermeerderd met 0,0064 EUR per kg boven het volume van 160.000 kg, met een maximum van 4.372,49 EUR;
c) van 720.001 tot 2.400.000 kg : 4.372,49 EUR, vermeerderd met 0,0048 EUR per kg boven het volume van 720.000 kg, met een maximum van 9.538,96 EUR;
d) van 2.400.001 tot 4.800.000 kg : 9.538,96 EUR, vermeerderd met 0,0032 EUR per kg boven het volume van 2.400.000 kg, met een maximum van 15.899,94 EUR;
e) van 4.800.001 kg tot 12.000.000 kg : 15.899,94 EUR, vermeerderd met 0,0026 EUR per kg boven het volume 4.800.000 kg, met een maximum van 33.124,85 EUR;
f) van 12.000.001 kg of meer : 33.124,85 EUR vermeerderd met 0,0022 EUR per kg boven het volume van 12.000.000 kg met een maximum van 50.000 ,00 EUR. "
2° het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, wordt vervangen door volgend lid :
" Het aldus verschuldigde controlerecht wordt, rekening houdend met het aantal aan de inrichting toegekende erkenningen, die als herverpakkingscentrum uitgezonderd, vermenigvuldigd met de factor :
1,25 voor 2 erkenningen;
1,35 voor 3 erkenningen;
1,50 voor 4 erkenningen of meer. "
3° in het vierde lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden "a) tot e) worden tot 1/3 verminderd" vervangen door de woorden "onder a) tot f) worden met de helft verminderd".
4° Tussen het vijfde lid en het zesde lid worden de volgende leden toegevoegd :
" Op het einde van het eerste jaar volgend op dat van de eerste erkenning, wordt een afrekening gemaakt van de verschuldigde rechten op basis van het volume vlees of vis dat sedert de toekenning van de erkenning in de inrichting werd binnengebracht.
Bij de overname door een andere exploitant van een inrichting die reeds erkend is en waarvan de aard van de activiteit waarvoor de erkenning werd verleend niet wordt gewijzigd worden de verschuldigde rechten berekend op basis van de aangifte van het lopende jaar en dit tot op het einde van het jaar dat volgt op dat van waarin de overname werd gerealiseerd. Op dat ogenblik wordt een afrekening gemaakt overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in vorig lid. "
5° het zesde lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, wordt vervangen door de volgende bepalingen :
" Indien een inrichting een aaneensluitend geheel vormt met een slachthuis wordt het controlerecht verminderd tot 70 %. De vermindering tot 70 % is evenwel niet van toepassing wanneer de vermindering met de helft, bedoeld in het vierde lid, reeds wordt toegepast of wanneer in de inrichting, met het oog op versnijding, vlees wordt binnengebracht dat afkomstig is uit een andere erkende inrichting, het slachthuis dat een aaneensluitend geheel vormt met de inrichting uitgezonderd. "
Art.84. A l'article 7, § 1er, du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
" A charge de l'exploitant d'un établissement, autre qu'un abattoir, il est perçu un droit de contrôle annuel dont le montant, en tenant compte du poids de viandes ou de poisson entrés durant l'année précédente dans établissement, est fixé comme suit :
a) de 1 à 160.000 kg : 200 EUR, augmenté de 0,0096 EUR par kg, avec un maximum de 1.457,50 EUR;
b) de 160.001 à 720.000 kg : 1.457,50 EUR, augmenté de 0,0064 EUR par kg dépassant le volume de 160.000 kg, avec un maximum de 4.372,49 EUR;
c) de 720.001 à 2.400.000 kg : 4.372,49 EUR, augmenté de 0,0048 EUR par kg dépassant le volume de 720.000 kg, avec un maximum de 9.538,96 EUR;
d) de 2.400.001 à 4.800.000 kg : 9.538,96 EUR, augmenté de 0,0032 EUR par kg dépassant le volume de 2.400.000 kg, avec un maximum de 15.899,94 EUR;
e) de 4.800.001 kg à 12.000.000 kg : 15.899,94 EUR, augmenté de 0,0026 EUR par kg dépassant le volume de 4.800.000 kg, avec un maximum de 33.124,85 EUR;
f) de 12.000.001 kg ou plus : 33.124,85 EUR augmenté de 0,0022 EUR par kg dépassant le volume de 12.000.000 kg avec un maximum de 50.000,00 EUR. "
2° l'alinéa 2, modifié par la loi du 12 août 2000, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Le montant du droit de contrôle ainsi dû est multiplié en tenant compte du nombre d'agréments octroyés à l'établissement, à l'exception de celui en tant que centre de réemballage, par le facteur :
1,25 pour 2 agréments;
1,35 pour 3 agréments;
1,50 pour 4 agréments ou plus. "
3° dans l'alinéa 4, modifié par la loi du 12 août 2000, les mots "sous a) à e) sont réduits à 1/3" sont remplacés par les mots " sous a) à f) sont réduits de moitié".
4° Entre l'alinéa 5 et 6 sont insérés les alinéas suivants :
" A la fin de la première année suivant celle du premier agrément, un décompte des droits dus est fait sur base du volume de viandes ou du poisson entrés dans l'établissement depuis l'octroi de l'agrément.
En cas de reprise par un autre exploitant d'un établissement qui dispose déjà d'un agrément et dont la nature de l'activité pour laquelle l'agrément a été octroyé ne change pas, les droits dus sont calculés sur base de la déclaration de l'année en cours, et ceci jusqu'à la fin de l'année qui suit celle durant laquelle la reprise a été réalisée. A ce moment un décompte est fait, conformément aux conditions visées à l'alinéa précédent. "
5° l'alinéa 6, modifié par la loi du 12 août 2000, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Si un établissement forme un tout indissociable avec un abattoir, le droit de contrôle est réduit à 70 %. Toutefois, la réduction à 70 % n'est pas applicable lorsque la réduction de moitié, visée à l'alinéa 4, est déjà appliquée ou lorsque dans l'établissement sont entrées des viandes, en vue de la découpe, qui proviennent d'un autre établissement, à l'exception de l'abattoir qui forme un tout indissociable avec l'établissement. "
1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
" A charge de l'exploitant d'un établissement, autre qu'un abattoir, il est perçu un droit de contrôle annuel dont le montant, en tenant compte du poids de viandes ou de poisson entrés durant l'année précédente dans établissement, est fixé comme suit :
a) de 1 à 160.000 kg : 200 EUR, augmenté de 0,0096 EUR par kg, avec un maximum de 1.457,50 EUR;
b) de 160.001 à 720.000 kg : 1.457,50 EUR, augmenté de 0,0064 EUR par kg dépassant le volume de 160.000 kg, avec un maximum de 4.372,49 EUR;
c) de 720.001 à 2.400.000 kg : 4.372,49 EUR, augmenté de 0,0048 EUR par kg dépassant le volume de 720.000 kg, avec un maximum de 9.538,96 EUR;
d) de 2.400.001 à 4.800.000 kg : 9.538,96 EUR, augmenté de 0,0032 EUR par kg dépassant le volume de 2.400.000 kg, avec un maximum de 15.899,94 EUR;
e) de 4.800.001 kg à 12.000.000 kg : 15.899,94 EUR, augmenté de 0,0026 EUR par kg dépassant le volume de 4.800.000 kg, avec un maximum de 33.124,85 EUR;
f) de 12.000.001 kg ou plus : 33.124,85 EUR augmenté de 0,0022 EUR par kg dépassant le volume de 12.000.000 kg avec un maximum de 50.000,00 EUR. "
2° l'alinéa 2, modifié par la loi du 12 août 2000, est remplacé par l'alinéa suivant :
" Le montant du droit de contrôle ainsi dû est multiplié en tenant compte du nombre d'agréments octroyés à l'établissement, à l'exception de celui en tant que centre de réemballage, par le facteur :
1,25 pour 2 agréments;
1,35 pour 3 agréments;
1,50 pour 4 agréments ou plus. "
3° dans l'alinéa 4, modifié par la loi du 12 août 2000, les mots "sous a) à e) sont réduits à 1/3" sont remplacés par les mots " sous a) à f) sont réduits de moitié".
4° Entre l'alinéa 5 et 6 sont insérés les alinéas suivants :
" A la fin de la première année suivant celle du premier agrément, un décompte des droits dus est fait sur base du volume de viandes ou du poisson entrés dans l'établissement depuis l'octroi de l'agrément.
En cas de reprise par un autre exploitant d'un établissement qui dispose déjà d'un agrément et dont la nature de l'activité pour laquelle l'agrément a été octroyé ne change pas, les droits dus sont calculés sur base de la déclaration de l'année en cours, et ceci jusqu'à la fin de l'année qui suit celle durant laquelle la reprise a été réalisée. A ce moment un décompte est fait, conformément aux conditions visées à l'alinéa précédent. "
5° l'alinéa 6, modifié par la loi du 12 août 2000, est remplacé par les dispositions suivantes :
" Si un établissement forme un tout indissociable avec un abattoir, le droit de contrôle est réduit à 70 %. Toutefois, la réduction à 70 % n'est pas applicable lorsque la réduction de moitié, visée à l'alinéa 4, est déjà appliquée ou lorsque dans l'établissement sont entrées des viandes, en vue de la découpe, qui proviennent d'un autre établissement, à l'exception de l'abattoir qui forme un tout indissociable avec l'établissement. "
Art.85. Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt :
" 4° een recht van 23,85 EUR per begonnen half uur per keurder voor een door de exploitant aangevraagd bezoek of voor de uitvoering van taken die niet behoren tot de opdrachten bedoeld in de wetten van 5 september 1952 en 15 april 1965;
5° een recht van 495,79 EUR, verminderd tot 247,89 EUR voor een inrichting met een geringe capaciteit, voor de behandeling van de aanvraag tot erkenning van een nieuwe inrichting;
6° een recht van 247,89 EUR, verminderd tot 123,95 EUR voor een inrichting met een geringe capaciteit voor de behandeling van de aanvraag betreffende de wijziging of de hernieuwing van de erkenning van een bestaande inrichting;
7° een recht van 123,95 EUR voor de behandeling van een aanvraag tot erkenning, desgevallend tot registratie, van een zuiveringscentrum, een heruitzettingsgebied, een verzendingscentrum, een vismijn, een vishalle, een vissersvaartuig, of een viskwekerij. "
" 4° een recht van 23,85 EUR per begonnen half uur per keurder voor een door de exploitant aangevraagd bezoek of voor de uitvoering van taken die niet behoren tot de opdrachten bedoeld in de wetten van 5 september 1952 en 15 april 1965;
5° een recht van 495,79 EUR, verminderd tot 247,89 EUR voor een inrichting met een geringe capaciteit, voor de behandeling van de aanvraag tot erkenning van een nieuwe inrichting;
6° een recht van 247,89 EUR, verminderd tot 123,95 EUR voor een inrichting met een geringe capaciteit voor de behandeling van de aanvraag betreffende de wijziging of de hernieuwing van de erkenning van een bestaande inrichting;
7° een recht van 123,95 EUR voor de behandeling van een aanvraag tot erkenning, desgevallend tot registratie, van een zuiveringscentrum, een heruitzettingsgebied, een verzendingscentrum, een vismijn, een vishalle, een vissersvaartuig, of een viskwekerij. "
Art.85. A l'article 8 du même arrêté est complété comme suit :
" 4° un droit de 23,85 EUR par demi-heure commencée par expert pour une visite demandée par un exploitant ou pour l'exécution de tâches qui ne font pas partie des missions visées par les lois des 5 septembre 1952 et 15 avril 1965;
5° un droit de 495,79 EUR, réduit à 247,89 EUR pour un établissement de faible capacité, pour le traitement de la demande d'agrément d'un nouvel établissement;
6° un droit de 247,89 EUR, réduit à 123,95 EUR pour un établissement de faible capacité, pour le traitement de la demande relative à la modification ou au renouvellement de l'agrément d'un établissement existant;
7° un droit de 123,95 EUR pour le traitement de la demande d'agrément ou, le cas échéant d'enregistrement, d'un centre de purification, d'une zone de repartage, d'un centre d'expédition, d'une minque, d'une halle au poisson, d'un bateau de pêche, ou d'un parc d'élevage de poisson. "
" 4° un droit de 23,85 EUR par demi-heure commencée par expert pour une visite demandée par un exploitant ou pour l'exécution de tâches qui ne font pas partie des missions visées par les lois des 5 septembre 1952 et 15 avril 1965;
5° un droit de 495,79 EUR, réduit à 247,89 EUR pour un établissement de faible capacité, pour le traitement de la demande d'agrément d'un nouvel établissement;
6° un droit de 247,89 EUR, réduit à 123,95 EUR pour un établissement de faible capacité, pour le traitement de la demande relative à la modification ou au renouvellement de l'agrément d'un établissement existant;
7° un droit de 123,95 EUR pour le traitement de la demande d'agrément ou, le cas échéant d'enregistrement, d'un centre de purification, d'une zone de repartage, d'un centre d'expédition, d'une minque, d'une halle au poisson, d'un bateau de pêche, ou d'un parc d'élevage de poisson. "
Art.86. In artikel 9, 3°, eerste lid van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, het koninklijk besluit van 11 december 2001 en de wet van 14 januari 2002, worden de woorden "130 % van het controlerecht" vervangen door de woorden "105 % van het controlerecht, met een maximumbedrag van 34.781,09 EUR."
Art.86. Dans l'article 9, 3°, alinéa 1er, du même arrêté, modifié par la loi du 12 août 2000, l'arrêté royal du 11 décembre 2001 et la loi du 14 janvier 2002, les mots "130 % du droit de contrôle" sont remplacés par les mots "105 % du droit de contrôle, avec un montant maximum de 34.781,09 EUR".
Art.87. In artikel 11, § 5, c) van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden woorden "artikel 8, 1° en 3°" vervangen door de woorden "artikel 8, 1°, 3° en 4°".
Art.87. Dans l'article 11, § 5, c), du même arrêté, modifié par la loi du 12 août 2000, les mots "l'article 8, 1° et 3°" sont remplacés par les mots "l'article 8, 1°, 3° et 4°".
Art.88. In artikel 12 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden "de artikelen 2 tot 5, 7, 8, 1° en 3°" vervangen door de woorden "de artikelen 2 tot 5, 7, 8, 1°, 3° en 4°";
2° het tweede lid, opgeheven bij de wet van 30 december 2001, wordt hersteld in de volgende lezing :
" De rechten bedoeld in artikel 8, 5° tot 7° moeten aan het Instituut betaald zijn op het ogenblik van de indiening van de aanvraag tot erkenning of registratie of tot wijziging of hernieuwing ervan. Om ontvankelijk te zijn moet bij de aanvraag het bewijs van betaling van de voormelde rechten zijn gevoegd. "
1° in het eerste lid, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden "de artikelen 2 tot 5, 7, 8, 1° en 3°" vervangen door de woorden "de artikelen 2 tot 5, 7, 8, 1°, 3° en 4°";
2° het tweede lid, opgeheven bij de wet van 30 december 2001, wordt hersteld in de volgende lezing :
" De rechten bedoeld in artikel 8, 5° tot 7° moeten aan het Instituut betaald zijn op het ogenblik van de indiening van de aanvraag tot erkenning of registratie of tot wijziging of hernieuwing ervan. Om ontvankelijk te zijn moet bij de aanvraag het bewijs van betaling van de voormelde rechten zijn gevoegd. "
Art.88. A l'article 12 du même arrêté sont apportées les modifications suivantes :
1° dans l'alinéa 1er, modifié par la loi du 12 août 2000, les mots "aux articles 2 à 5, 7, 8, 1° et 3°" sont remplacés par les mots "aux articles 2 à 5, 7, 8, 1°, 3° et 4°";
2° l'alinéa 2, abrogé par la loi du 30 décembre 2001, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Les droits visés à l'article 8, 5° à 7°, doivent avoir été payés au moment de l'introduction de la demande d'agrément ou d'enregistrement ou de modification ou de renouvellement de ceux-ci. Pour être recevable, la demande doit être accompagnée de la preuve du paiement des droits précités. "
1° dans l'alinéa 1er, modifié par la loi du 12 août 2000, les mots "aux articles 2 à 5, 7, 8, 1° et 3°" sont remplacés par les mots "aux articles 2 à 5, 7, 8, 1°, 3° et 4°";
2° l'alinéa 2, abrogé par la loi du 30 décembre 2001, est rétabli dans la rédaction suivante :
" Les droits visés à l'article 8, 5° à 7°, doivent avoir été payés au moment de l'introduction de la demande d'agrément ou d'enregistrement ou de modification ou de renouvellement de ceux-ci. Pour être recevable, la demande doit être accompagnée de la preuve du paiement des droits précités. "
Art.89. In artikel 13, § 2, van hetzelfde besluit worden de vermeldingen "10 %" en 50 %" respectievelijk vervangen door de vermeldingen "50 %" en "100 %".
Art.89. Dans l'article 13, § 2, du même arrêté, les mentions "10 %" et "50 %" sont remplacées respectivement par les mentions "50 %" et "100 %".
Art.90. In hoofdstuk V van de bijlage van hetzelfde besluit, worden de eerste en de tweede regel, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, vervangen door de volgende regels :
0X1200
0,0372 EUR
0,0744 EUR
0,1487 EUR
1.200
3.000
0,0223 EUR
0,0446 EUR
0,0892 EUR
0X1200
0,0372 EUR
0,0744 EUR
0,1487 EUR
1.200
3.000
0,0223 EUR
0,0446 EUR
0,0892 EUR
Art.90. Dans le chapitre V de l'annexe du même arrêté, la première et la deuxième ligne, modifiées par la loi du 14 janvier 2002, sont remplacées par les lignes suivantes :
0 X 1200
0,0372 EUR
0,0744 EUR
0,1487 EUR
1.200
3.000
0,0223 EUR
0,0446 EUR
0,0892 EUR
0 X 1200
0,0372 EUR
0,0744 EUR
0,1487 EUR
1.200
3.000
0,0223 EUR
0,0446 EUR
0,0892 EUR
Art.91. Artikel 10, § 1, vierde lid, van het hetzelfde besluit, wordt aangevuld als volgt :
" , met uitzondering van het bedrag van de rechten bedoeld in de artikel 7, § 1, eerste lid, en in artikel 8, 4°, 5° en 6°, dat gekoppeld wordt aan het indexcijfer van de maand augustus 2001. "
" , met uitzondering van het bedrag van de rechten bedoeld in de artikel 7, § 1, eerste lid, en in artikel 8, 4°, 5° en 6°, dat gekoppeld wordt aan het indexcijfer van de maand augustus 2001. "
Art.91. L'article 10, § 1er, alinéa 4, du même arrêté, est complété comme suit :
" , à l'exception du montant des droits visés à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 8, 4°, 5°, 6° et 7°, qui est lié à l'indice des prix du mois d'août 2001. "
" , à l'exception du montant des droits visés à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, et à l'article 8, 4°, 5°, 6° et 7°, qui est lié à l'indice des prix du mois d'août 2001. "
TITEL IV. - Werkgelegenheid.
TITRE IV. - Emploi.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de Arbeidswet van 16 maart 1971.
CHAPITRE I. - Modifications de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
Art.92. In artikel 3, § 1, van de Arbeidswet van 16 maart 1971 wordt 6° (gewijzigd bij de wetten van 27 juli 1979 en 4 december 1998) opgeheven.
Art.92. A l'article 3, § 1er, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail le 6° modifié par les lois des 27 juillet 1979 et 4 décembre 1998 est abrogé.
Art.93. Artikel 3ter van dezelfde wet gewijzigd bij de wet van 4 december 1998 wordt vervangen als volgt :
" De bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen I en II en IV tot VII zijn niet van toepassing op de artsen, veeartsen, tandartsen, geneesheren-specialisten in opleiding en op de studenten stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van de beroepen van arts, veearts en tandarts.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en onder de door Hem bepaalde voorwaarden en modaliteiten, de in het eerste lid bedoelde bepalingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de artsen, veeartsen, tandartsen, geneesheren-specialisten in opleiding en op de studenten stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van de beroepen van arts, veearts en tandarts. "
" De bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen I en II en IV tot VII zijn niet van toepassing op de artsen, veeartsen, tandartsen, geneesheren-specialisten in opleiding en op de studenten stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van de beroepen van arts, veearts en tandarts.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en onder de door Hem bepaalde voorwaarden en modaliteiten, de in het eerste lid bedoelde bepalingen geheel of gedeeltelijk toepasselijk verklaren op de artsen, veeartsen, tandartsen, geneesheren-specialisten in opleiding en op de studenten stagiairs die zich voorbereiden op de uitoefening van de beroepen van arts, veearts en tandarts. "
Art.93. L'article 3ter de la même loi modifie par la loi du 4 décembre 1998 est remplacé par la disposition suivante :
" Les dispositions du chapitre III, sections Ire et II et IV à VII ne sont pas applicables aux médecins, médecins vétérinaires, dentistes, aux médecins spécialistes en formation et aux étudiants stagiaires qui se préparent à l'exercice des professions de médecin, de médecin vétérinaire et de dentiste.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et dans les conditions et modalités qu'Il détermine, rendre les dispositions visées à l'alinéa 1er applicables en tout ou en partie aux médecins, médecins vétérinaires, dentistes, aux médecins spécialistes en formation et aux étudiants stagiaires qui se préparent à l'exercice des professions de médecin, de médecin vétérinaire et de dentiste. "
" Les dispositions du chapitre III, sections Ire et II et IV à VII ne sont pas applicables aux médecins, médecins vétérinaires, dentistes, aux médecins spécialistes en formation et aux étudiants stagiaires qui se préparent à l'exercice des professions de médecin, de médecin vétérinaire et de dentiste.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, et dans les conditions et modalités qu'Il détermine, rendre les dispositions visées à l'alinéa 1er applicables en tout ou en partie aux médecins, médecins vétérinaires, dentistes, aux médecins spécialistes en formation et aux étudiants stagiaires qui se préparent à l'exercice des professions de médecin, de médecin vétérinaire et de dentiste. "
HOOFDSTUK II. - Toekenning van de Staatswaarborg voor een lening van Europese Investeringsbank.
CHAPITRE II. - Octroi de la garantie de l'Etat pour un emprunt auprès de la Banque Européenne d'Investissement.
Art.94. § 1. De Koning kan, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, de Staatswaarborg toekennen aan een lening van maximum 50 miljoen euro in één of meerdere schijven bij de Europese Investeringsbank, aan te gaan door een vennootschap van publiek recht, op te richten met als doel de uitvoering van het strijdplan tegen de digitale kloof.
§ 2. Onder " digitale kloof " verstaat men de toestand waarin de burgers zich bevinden die geen toegang hebben tot de inlichtingen die worden bezorgd door de geïnformatiseerde dragers, onder andere door de telematica-netwerken.
§ 2. Onder " digitale kloof " verstaat men de toestand waarin de burgers zich bevinden die geen toegang hebben tot de inlichtingen die worden bezorgd door de geïnformatiseerde dragers, onder andere door de telematica-netwerken.
Art.94. § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, accorder la garantie de l'Etat fédéral à un emprunt de maximum 50 millions d'Euros en une ou plusieurs tranches auprès de la Banque Européenne d'Investissement à contracter par une société de droit public à constituer dans le but de la mise en oeuvre du plan de lutte contre la fracture numérique.
§ 2. Par fracture numérique, on entend la situation que connaissent les citoyens qui n'ont pas accès aux informations transmises par les supports informatiques, notamment par les réseaux télématiques.
§ 2. Par fracture numérique, on entend la situation que connaissent les citoyens qui n'ont pas accès aux informations transmises par les supports informatiques, notamment par les réseaux télématiques.
HOOFDSTUK III. - Vaderschaps- en adoptieverlof.
CHAPITRE III. - Congé de paternité et d'adoption.
Art.95. In artikel 30 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1985 en 10 augustus 2001, wordt een § 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, (nadere regels vastleggen) inzake toepassing van het in §§ 2 en 3 bedoelde recht ten aanzien van bepaalde werknemers die niet worden tewerkgesteld in een arbeidsregeling gespreid over 5 dagen per week. In dit geval kan de Koning de bepaling van artikel 4, § 2 van de wet van 17 maart 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen niet toepasselijk verklaren. "
" § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, (nadere regels vastleggen) inzake toepassing van het in §§ 2 en 3 bedoelde recht ten aanzien van bepaalde werknemers die niet worden tewerkgesteld in een arbeidsregeling gespreid over 5 dagen per week. In dit geval kan de Koning de bepaling van artikel 4, § 2 van de wet van 17 maart 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen niet toepasselijk verklaren. "
Art.95. A l'article 30 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, modifié par les lois des 18 juillet 1985 et 10 août 2001, il est ajouté un § 4 rédigé comme suit :
" § 4. Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, fixer des modalités particulières d'application du droit visé au §§ 2 et 3 pour certains travailleurs qui ne sont pas occupés dans un régime de travail reparti sur 5 jours par semaine. Dans ce cas, il peut déclarer inapplicable la disposition de l'article 4, § 2, de la loi du 17 mars 1987 relative à l'introduction de nouveaux régimes de travail dans les entreprises. "
" § 4. Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, fixer des modalités particulières d'application du droit visé au §§ 2 et 3 pour certains travailleurs qui ne sont pas occupés dans un régime de travail reparti sur 5 jours par semaine. Dans ce cas, il peut déclarer inapplicable la disposition de l'article 4, § 2, de la loi du 17 mars 1987 relative à l'introduction de nouveaux régimes de travail dans les entreprises. "
Art.96. In artikel 25quinquies van de wet van 1 april 1936 op de arbeidsovereenkomst wegens dienst op binnenschepen, ingevoegd bij de wet van 19 december 1962, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 1971 en de wet van 10 augustus 2001, wordt een § 4 ingevoegd, luidende :
" § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijzondere modaliteiten vastleggen inzake toepassing van het in §§ 2 en 3 bedoelde recht ten aanzien van bepaalde werknemers die niet worden tewerkgesteld in een arbeidsregeling gespreid over 5 dagen per week. "
" § 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bijzondere modaliteiten vastleggen inzake toepassing van het in §§ 2 en 3 bedoelde recht ten aanzien van bepaalde werknemers die niet worden tewerkgesteld in een arbeidsregeling gespreid over 5 dagen per week. "
Art.96. A l'article 25quinquies de la loi du 1er avril 1936 sur les contrats d'engagement pour le service des bâtiments de navigation intérieure, inséré par la loi du 10 décembre 1962, modifié par l'arrêté royal du 1er mars 1971 et par la loi du 10 août 2001, il est ajouté un § 4 rédigé comme suit :
" § 4. Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, fixer des modalités particulières d'application du droit visé au §§ 2 et 3 pour certains travailleurs qui ne sont pas occupés dans un régime de travail reparti sur 5 jours par semaine. "
" § 4. Le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, fixer des modalités particulières d'application du droit visé au §§ 2 et 3 pour certains travailleurs qui ne sont pas occupés dans un régime de travail reparti sur 5 jours par semaine. "
HOOFDSTUK IV. - Havenarbeiders.
CHAPITRE IV. - Travailleurs portuaires.
Art.97. Artikel 3 van de wet van 8 juni 1972 betreffende de havenarbeid wordt aangevuld met het volgende lid :
" Het beroep tegen de individuele bestuurshandelingen, bedoeld in artikel 583, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, moet op straffe van verval ingesteld worden binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van de bestreden bestuurshandeling. "
" Het beroep tegen de individuele bestuurshandelingen, bedoeld in artikel 583, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, moet op straffe van verval ingesteld worden binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van de bestreden bestuurshandeling. "
Art.97. L'article 3 de la loi du 8 juin 1972 concernant le travail portuaire est complété par l'alinéa suivant :
" Le recours contre les actes administratifs individuels, visés à l'article 583, alinéa 4, du Code judiciaire, doit être introduit, à peine de forclusion, dans un délai de soixante jours calendrier à compter de la communication de l'acte administratif attaqué. "
" Le recours contre les actes administratifs individuels, visés à l'article 583, alinéa 4, du Code judiciaire, doit être introduit, à peine de forclusion, dans un délai de soixante jours calendrier à compter de la communication de l'acte administratif attaqué. "
HOOFDSTUK V. - Plaatselijke Werkgelegenheidsagentschappen.
CHAPITRE V. - Agences locales pour l'emploi.
Art.98. In de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
" Artikel 8bis. Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap is eveneens bevoegd om buurtwerken of -diensten te leveren overeenkomstig de bepalingen en onder de voorwaarden van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen. "
" Artikel 8bis. Het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap is eveneens bevoegd om buurtwerken of -diensten te leveren overeenkomstig de bepalingen en onder de voorwaarden van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en -banen. "
Art.98. Un article 8bis , rédigé comme suit, est inséré dans l'arreté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs :
" Article 8bis. L'agence locale pour l'emploi est également compétente pour fournir des travaux ou services de proximité conformément aux dispositions et sous les conditions de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. "
" Article 8bis. L'agence locale pour l'emploi est également compétente pour fournir des travaux ou services de proximité conformément aux dispositions et sous les conditions de la loi du 20 juillet 2001 visant à favoriser le développement de services et d'emplois de proximité. "
HOOFDSTUK VI. - Plus 2-3-plan.
CHAPITRE VI. - Plan-plus 2-3.
Art.99. Artikel 5 van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen, vervangen bij de wet van 25 januari 1999, waarvan de bestaande tekst § 2 zal vormen, wordt aangevuld met een § 1, luidende :
" § 1. Om te bepalen of de nieuw in dienst genomen werknemer een tweede of een derde werknemer is, wordt geen rekening gehouden met de tewerkstelling van dienstboden, leerlingen, stagiairs in het kader van de vorming tot ondernemingshoofd of gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. "
" § 1. Om te bepalen of de nieuw in dienst genomen werknemer een tweede of een derde werknemer is, wordt geen rekening gehouden met de tewerkstelling van dienstboden, leerlingen, stagiairs in het kader van de vorming tot ondernemingshoofd of gelegenheidsarbeiders bedoeld in artikel 8bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. "
Art.99. L'article 5 de l'arrêté royal du 14 mars 1997 portant des mesures spécifiques de promotion de l'emploi pour les petites et moyennes entreprises en application de l'article 7, § 2, de la loi du 26 juillet 1996 relative à la promotion de l'emploi et à la sauvegarde préventive de la compétitivité, remplacé par la loi du 25 janvier 1999, dont le texte actuel formera le § 2, il est ajouté un paragraphe 1er, rédigé comme suite :
" § 1er. Afin de déterminer si le travailleur nouvellement engagé est un deuxième ou troisième travailleur, l'occupation des travailleurs domestiques, des apprentis, des stagiaires dans le cadre de la formation de chef d'entreprise ou des travailleurs occasionnels, visés à l'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, n'est pas prise en compte. "
" § 1er. Afin de déterminer si le travailleur nouvellement engagé est un deuxième ou troisième travailleur, l'occupation des travailleurs domestiques, des apprentis, des stagiaires dans le cadre de la formation de chef d'entreprise ou des travailleurs occasionnels, visés à l'article 8bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, n'est pas prise en compte. "
HOOFDSTUK VII. - Sociale Maribel.
CHAPITRE VII. - Maribel Social.
Art.100. Artikel 35, § 5, alinea 3, 1°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, gewijzigd bij de wet van 24 december 1999, wordt aangevuld als volgt :
" De koning kan eveneens een regeringscommissaris aanstellen per sectoraal fonds en zijn bevoegdheden bepalen. "
" De koning kan eveneens een regeringscommissaris aanstellen per sectoraal fonds en zijn bevoegdheden bepalen. "
Art.100. L'article 35, § 5, alinéa 3, 1°, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, modifié par la loi du 24 décembre 1999, est complété comme suit :
" Le Roi peut également désigner un commissaire du Gouvernement par fonds sectoriel et définir ses compétences. "
" Le Roi peut également désigner un commissaire du Gouvernement par fonds sectoriel et définir ses compétences. "
HOOFDSTUK VIII. - Startbaanovereenkomst.
CHAPITRE VIII. - Convention de premier emploi.
Art.101. Artikel 27, eerste lid, 2°, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid wordt vervangen door de volgende tekst :
" 2° Elke overeenkomst betreffende alternerende opleiding en tewerkstelling gesloten tussen een jongere en een publieke of privé werkgever gedurende een periode van twaalf tot vierentwintig maanden vanaf de dag dat de jongere het alternatieproces begint voor zover de jongere gedurende deze periode hetzij gelijktijdig, hetzij achtereenvolgens enerzijds geniet van een opleiding erkend door het koninklijk besluit van 20 oktober 1992 houdende erkenning van de opleidingen bedoeld in artikel 1, a , van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever, verschuldigd in hoofde van deze jongeren, een opleiding die wordt georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door het bevoegde gewestelijke en/of gemeenschapsdiensten inzake opleiding of een opleiding georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest in het kader van de permanente vorming van de middenstand en anderzijds een ten minste halftijdse arbeidsovereenkomst; ".
" 2° Elke overeenkomst betreffende alternerende opleiding en tewerkstelling gesloten tussen een jongere en een publieke of privé werkgever gedurende een periode van twaalf tot vierentwintig maanden vanaf de dag dat de jongere het alternatieproces begint voor zover de jongere gedurende deze periode hetzij gelijktijdig, hetzij achtereenvolgens enerzijds geniet van een opleiding erkend door het koninklijk besluit van 20 oktober 1992 houdende erkenning van de opleidingen bedoeld in artikel 1, a , van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever, verschuldigd in hoofde van deze jongeren, een opleiding die wordt georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door het bevoegde gewestelijke en/of gemeenschapsdiensten inzake opleiding of een opleiding georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest in het kader van de permanente vorming van de middenstand en anderzijds een ten minste halftijdse arbeidsovereenkomst; ".
Art.101. L'article 27, alinéa 1er, 2°, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi est remplacé par le texte suivant :
" 2° Toute convention associant le travail et la formation entre formation et emploi conclue entre un jeune et un employeur public ou privé durant une période de douze à vingt-quatre mois à dater du jour où le jeune commence le processus d'alternance pour autant que, durant cette période, le jeune bénéficie, soit simultanément soit successivement, d'une part d'une formation reconnue par l'arrêté royal du 20 octobre 1992 portant reconnaissance des formations visées à l'article 1er,a, de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, d'une formation organisée, subventionnée ou agréée par l'organisme régional et/ou communautaire compétent en matière de formation ou d'une formation organisée, subventionnée ou agréée par la communauté ou la région compétente dans le cadre de la formation permanente des classes moyennes et, d'autre part d'un contrat de travail à mi-temps au moins; ".
" 2° Toute convention associant le travail et la formation entre formation et emploi conclue entre un jeune et un employeur public ou privé durant une période de douze à vingt-quatre mois à dater du jour où le jeune commence le processus d'alternance pour autant que, durant cette période, le jeune bénéficie, soit simultanément soit successivement, d'une part d'une formation reconnue par l'arrêté royal du 20 octobre 1992 portant reconnaissance des formations visées à l'article 1er,a, de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986 instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, d'une formation organisée, subventionnée ou agréée par l'organisme régional et/ou communautaire compétent en matière de formation ou d'une formation organisée, subventionnée ou agréée par la communauté ou la région compétente dans le cadre de la formation permanente des classes moyennes et, d'autre part d'un contrat de travail à mi-temps au moins; ".
Art.102. Artikel 35, § 3, van dezelfde wet wordt vervangen door volgende bepaling :
" § 3. De startbaanovereenkomst loopt automatisch ten einde wanneer de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 27, 1° en 2°, net als de opleidingen, de overeenkomsten en de conventies bedoeld in artikel 27, 2° en 3°, ten einde lopen. "
" § 3. De startbaanovereenkomst loopt automatisch ten einde wanneer de arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 27, 1° en 2°, net als de opleidingen, de overeenkomsten en de conventies bedoeld in artikel 27, 2° en 3°, ten einde lopen. "
Art.102. L'article 35, § 3, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. La convention de premier emploi prend fin automatiquement lorsque le contrat de travail visé à l'article 27, 1° et 2°, ainsi que les formations, les contrats et les conventions visés à l'article 27, 2° et 3°, prennent fin. "
" § 3. La convention de premier emploi prend fin automatiquement lorsque le contrat de travail visé à l'article 27, 1° et 2°, ainsi que les formations, les contrats et les conventions visés à l'article 27, 2° et 3°, prennent fin. "
HOOFDSTUK IX. - Integratie van het Nationaal onderzoeksinstituut voor arbeidsomstandigheden in het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid.
CHAPITRE IX. - Intégration de l'Institut national de recherche sur les conditions de travail dans le Ministère de l'Emploi et du Travail.
Art.103. Het hoofdstuk XI van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen wordt opgeheven op 31 december 2002. De Koning legt de modaliteiten van de integratie van de opdrachten, het patrimonium en het personeel van het Nationaal onderzoeksinstituut voor arbeidsomstandigheden in de federale Staat vast.
Art.103. Le Chapitre XI de la loi du 20 juillet 1991 portants des dispositions sociales et diverses est abrogé au 31 décembre 2002. Le Roi fixe les modalités d'intégration des missions, du patrimoine et du personnel de l'Institut national de recherche sur les conditions de travail dans l'Etat fédéral.
HOOFDSTUK X. - Beroepsinlevingsovereenkomsten.
CHAPITRE X. - Conventions d'immersion professionnelle.
Art.104. Deze bepalingen regelen de (beroepsinleverings-overeenkomsten) waarbij een persoon, hierna genoemd stagiair, in het kader van zijn opleiding bepaalde kennis of vaardigheden verwerft bij een werkgever door het uitvoeren van arbeidsprestaties.
Worden uitgesloten van deze bepalingen :
1° de opleidingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° de arbeidsprestaties uitgevoerd door een leerling of student bij een werkgever in het kader van een opleiding die hij volgt in een door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest ingerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of opleidingscentrum, voor zover de totale duur van deze arbeidsprestaties zestig dagen bij eenzelfde werkgever of stagemeester niet overschrijdt in de loop van een school- of academiejaar (wat de onderwijsinstellingen betreft of in de loop van een burgerlijk jaar) wat de opleidingscentra betreft;
3° de stages waarvan de duur expliciet wordt vastgesteld door de bevoegde overheid binnen het kader van een cursus die leidt tot het afleveren van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid;
4° onverminderd de artikelen 107, tweede lid, en 109, de bepalingen ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de schoot van een paritair orgaan overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en (de paritaire comités;)
5° (de stagiairs) die zich voorbereiden op de uitoefening van een vrij beroep of intellectueel dienstverlenend beroep en die tijdens hun stage onderworpen zijn aan de deontologie van een orde of een instituut dat opgericht is door wettelijke of reglementaire bepalingen.
Worden uitgesloten van deze bepalingen :
1° de opleidingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° de arbeidsprestaties uitgevoerd door een leerling of student bij een werkgever in het kader van een opleiding die hij volgt in een door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest ingerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of opleidingscentrum, voor zover de totale duur van deze arbeidsprestaties zestig dagen bij eenzelfde werkgever of stagemeester niet overschrijdt in de loop van een school- of academiejaar (wat de onderwijsinstellingen betreft of in de loop van een burgerlijk jaar) wat de opleidingscentra betreft;
3° de stages waarvan de duur expliciet wordt vastgesteld door de bevoegde overheid binnen het kader van een cursus die leidt tot het afleveren van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid;
4° onverminderd de artikelen 107, tweede lid, en 109, de bepalingen ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de schoot van een paritair orgaan overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en (de paritaire comités;)
5° (de stagiairs) die zich voorbereiden op de uitoefening van een vrij beroep of intellectueel dienstverlenend beroep en die tijdens hun stage onderworpen zijn aan de deontologie van een orde of een instituut dat opgericht is door wettelijke of reglementaire bepalingen.
Art.104. Les présentes dispositions règlent les conventions d'immersion professionnelle dans lesquelles toute personne, dénommée ci-après stagiaire, dans le cadre de sa formation, acquiert certaines connaissances ou aptitudes auprès d'un employeur en effectuant des prestations de travail.
Sont exclus des présentes dispositions :
1° les activités de formation qui se déroulent dans le cadre d'un contrat de travail au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° les prestations de travail effectuées par un élève ou un étudiant auprès d'un employeur dans le cadre de la formation qu'il suit dans un établissement d'enseignement ou un organisme de formation créé, subventionné ou agréé par la communauté ou la région compétente, pour autant que la durée totale de ces prestations de travail n'excède pas soixante jours auprès d'un même employeur ou maître de stage au cours d'une année scolaire ou académique pour les établissements d'enseignement ou au cours d'une année civile pour les organismes de formation;
3° les stages dont la durée est explicitement fixée par l'autorité compétente dans le cadre d'un cursus conduisant à la délivrance d'un diplôme, d'un certificat ou d'une attestation de compétence professionnelle;
4° sans préjudice (des articles 107, § 2, et 109,) les dispositifs mis en oeuvre par ou en vertu de décrets, d'ordonnances ou de conventions collectives de travail conclues au sein d'un organe paritaire conformément à la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires;
5° les stagiaires qui se préparent à l'exercice d'une profession libérale ou de prestataire de services intellectuels et qui sont, durant leur stage, soumis à la déontologie d'un ordre ou d'un institut créé par des dispositions légales ou réglementaire.
Sont exclus des présentes dispositions :
1° les activités de formation qui se déroulent dans le cadre d'un contrat de travail au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° les prestations de travail effectuées par un élève ou un étudiant auprès d'un employeur dans le cadre de la formation qu'il suit dans un établissement d'enseignement ou un organisme de formation créé, subventionné ou agréé par la communauté ou la région compétente, pour autant que la durée totale de ces prestations de travail n'excède pas soixante jours auprès d'un même employeur ou maître de stage au cours d'une année scolaire ou académique pour les établissements d'enseignement ou au cours d'une année civile pour les organismes de formation;
3° les stages dont la durée est explicitement fixée par l'autorité compétente dans le cadre d'un cursus conduisant à la délivrance d'un diplôme, d'un certificat ou d'une attestation de compétence professionnelle;
4° sans préjudice (des articles 107, § 2, et 109,) les dispositifs mis en oeuvre par ou en vertu de décrets, d'ordonnances ou de conventions collectives de travail conclues au sein d'un organe paritaire conformément à la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires;
5° les stagiaires qui se préparent à l'exercice d'une profession libérale ou de prestataire de services intellectuels et qui sont, durant leur stage, soumis à la déontologie d'un ordre ou d'un institut créé par des dispositions légales ou réglementaire.
Art.104_WAALS_GEWEST. Deze bepalingen regelen de (beroepsinleverings-overeenkomsten) waarbij een persoon, hierna genoemd stagiair, in het kader van zijn opleiding bepaalde kennis of vaardigheden verwerft bij een werkgever door het uitvoeren van arbeidsprestaties.
Worden uitgesloten van deze bepalingen :
1° de opleidingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° de arbeidsprestaties uitgevoerd door een leerling of student bij een werkgever in het kader van een opleiding die hij volgt in een door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest ingerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of opleidingscentrum, voor zover de totale duur van deze arbeidsprestaties zestig dagen bij eenzelfde werkgever of stagemeester niet overschrijdt in de loop van een school- of academiejaar (wat de onderwijsinstellingen betreft of in de loop van een burgerlijk jaar) wat de opleidingscentra betreft;
3° de stages waarvan de duur expliciet wordt vastgesteld door de bevoegde overheid binnen het kader van een cursus die leidt tot het afleveren van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid;
4° onverminderd de artikelen 107, tweede lid, en 109, de bepalingen ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de schoot van een paritair orgaan overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en (de paritaire comités;)
5° (de stagiairs) die zich voorbereiden op de uitoefening van een vrij beroep of intellectueel dienstverlenend beroep en die tijdens hun stage onderworpen zijn aan de deontologie van een orde of een instituut dat opgericht is door wettelijke of reglementaire bepalingen;
[1 6° de opleidingen op de werkvloer bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, c), ii) van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de " Office wallon de la formation professionnelle et de l'emploi.]1
[1 De Regering kan de voorwaarden van de beroepsinlevingsovereenkomst nader bepalen.]1
Worden uitgesloten van deze bepalingen :
1° de opleidingsactiviteiten die plaatsvinden in het kader van een arbeidsovereenkomst in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
2° de arbeidsprestaties uitgevoerd door een leerling of student bij een werkgever in het kader van een opleiding die hij volgt in een door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest ingerichte, gesubsidieerde of erkende onderwijsinstelling of opleidingscentrum, voor zover de totale duur van deze arbeidsprestaties zestig dagen bij eenzelfde werkgever of stagemeester niet overschrijdt in de loop van een school- of academiejaar (wat de onderwijsinstellingen betreft of in de loop van een burgerlijk jaar) wat de opleidingscentra betreft;
3° de stages waarvan de duur expliciet wordt vastgesteld door de bevoegde overheid binnen het kader van een cursus die leidt tot het afleveren van een diploma, een getuigschrift of een bewijs van beroepsbekwaamheid;
4° onverminderd de artikelen 107, tweede lid, en 109, de bepalingen ingesteld door of krachtens decreten, ordonnanties of collectieve arbeidsovereenkomsten afgesloten in de schoot van een paritair orgaan overeenkomstig de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en (de paritaire comités;)
5° (de stagiairs) die zich voorbereiden op de uitoefening van een vrij beroep of intellectueel dienstverlenend beroep en die tijdens hun stage onderworpen zijn aan de deontologie van een orde of een instituut dat opgericht is door wettelijke of reglementaire bepalingen;
[1 6° de opleidingen op de werkvloer bedoeld in artikel 3, § 1, 2°, c), ii) van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de " Office wallon de la formation professionnelle et de l'emploi.]1
[1 De Regering kan de voorwaarden van de beroepsinlevingsovereenkomst nader bepalen.]1
Modifications
Art.104 _REGION_WALLONNE.
Les présentes dispositions règlent les conventions d'immersion professionnelle dans lesquelles toute personne, dénommée ci-après stagiaire, dans le cadre de sa formation, acquiert certaines connaissances ou aptitudes auprès d'un employeur en effectuant des prestations de travail.
Sont exclus des présentes dispositions :
1° les activités de formation qui se déroulent dans le cadre d'un contrat de travail au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° les prestations de travail effectuées par un élève ou un étudiant auprès d'un employeur dans le cadre de la formation qu'il suit dans un établissement d'enseignement ou un organisme de formation créé, subventionné ou agréé par la communauté ou la région compétente, pour autant que la durée totale de ces prestations de travail n'excède pas soixante jours auprès d'un même employeur ou maître de stage au cours d'une année scolaire ou académique pour les établissements d'enseignement ou au cours d'une année civile pour les organismes de formation;
3° les stages dont la durée est explicitement fixée par l'autorité compétente dans le cadre d'un cursus conduisant à la délivrance d'un diplôme, d'un certificat ou d'une attestation de compétence professionnelle;
4° sans préjudice (des articles 107, § 2, et 109,) les dispositifs mis en oeuvre par ou en vertu de décrets, d'ordonnances ou de conventions collectives de travail conclues au sein d'un organe paritaire conformément à la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires;
5° les stagiaires qui se préparent à l'exercice d'une profession libérale ou de prestataire de services intellectuels et qui sont, durant leur stage, soumis à la déontologie d'un ordre ou d'un institut créé par des dispositions légales ou réglementaire;
[1 6° les formations en milieu de travail visées à l'article 3, § 1er, 2°, c), ii) et iii), du décret du 6 mai 1999 relatif à l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi.]1
[1 Le Gouvernement peut préciser les conditions et modalités de la convention d'immersion professionnelle.]1
Les présentes dispositions règlent les conventions d'immersion professionnelle dans lesquelles toute personne, dénommée ci-après stagiaire, dans le cadre de sa formation, acquiert certaines connaissances ou aptitudes auprès d'un employeur en effectuant des prestations de travail.
Sont exclus des présentes dispositions :
1° les activités de formation qui se déroulent dans le cadre d'un contrat de travail au sens de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
2° les prestations de travail effectuées par un élève ou un étudiant auprès d'un employeur dans le cadre de la formation qu'il suit dans un établissement d'enseignement ou un organisme de formation créé, subventionné ou agréé par la communauté ou la région compétente, pour autant que la durée totale de ces prestations de travail n'excède pas soixante jours auprès d'un même employeur ou maître de stage au cours d'une année scolaire ou académique pour les établissements d'enseignement ou au cours d'une année civile pour les organismes de formation;
3° les stages dont la durée est explicitement fixée par l'autorité compétente dans le cadre d'un cursus conduisant à la délivrance d'un diplôme, d'un certificat ou d'une attestation de compétence professionnelle;
4° sans préjudice (des articles 107, § 2, et 109,) les dispositifs mis en oeuvre par ou en vertu de décrets, d'ordonnances ou de conventions collectives de travail conclues au sein d'un organe paritaire conformément à la loi du 5 décembre 1968 relative aux conventions collectives de travail et aux commissions paritaires;
5° les stagiaires qui se préparent à l'exercice d'une profession libérale ou de prestataire de services intellectuels et qui sont, durant leur stage, soumis à la déontologie d'un ordre ou d'un institut créé par des dispositions légales ou réglementaire;
[1 6° les formations en milieu de travail visées à l'article 3, § 1er, 2°, c), ii) et iii), du décret du 6 mai 1999 relatif à l'Office wallon de la Formation professionnelle et de l'Emploi.]1
[1 Le Gouvernement peut préciser les conditions et modalités de la convention d'immersion professionnelle.]1
Modifications
Art.105. (§ 1.) Een (beroepsinleverings-overeenkomst) moet voor iedere stagiair afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de stagiair de uitvoering van zijn beroepsinleveringsovereenkomst aanvangt. <L 2007-06-03/81, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 02-08-2007>
(§ 2. De beroepsinlevingsovereenkomst ondertekend met behulp van de elektronische handtekening die wordt gecreëerd door de elektronische identiteitskaart of door middel van een elektronische handtekening die voldoet aan dezelfde veiligheidswaarborgen als de elektronische handtekening die door de elektronische identiteitskaart wordt gecreëerd, wordt gelijkgesteld met de papieren beroepsinlevingsovereenkomst ondertekend door middel van een handgeschreven handtekening.
De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad bepalen aan welke veiligheidswaarborgen andere systemen van elektronische handtekening dan de elektronische handtekening die door de elektronische identiteitskaart wordt gecreëerd dienen te voldoen.
Alle aanbieders van een systeem voor het gebruik van de elektronische handtekening kunnen door het Beheerscomité van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid laten vaststellen dat hun systeem beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door het in het vorige lid genoemd koninklijk besluit. Een lijst van aanbieders van een systeem voor het gebruik van de elektronische handtekening die hun vrijwillige aangifte voor een opname op deze lijst hebben gedaan en wier aangifte aanvaard is wordt door het Beheerscomité van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid opgemaakt en ter bekrachtiging doorgestuurd naar de minister die Werk onder zijn bevoegdheid heeft. Indien de minister die Werk onder zijn bevoegdheid heeft, geen opmerkingen formuleert binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van het versturen van de lijst, wordt ze als bekrachtigd beschouwd. De lijst wordt bekendgemaakt op de website van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden verstaan onder :
1° " aanbieder van een systeem voor het gebruik van een elektronische handtekening " : elke natuurlijke of rechtspersoon die een systeem voor het gebruik van de elektronische handtekening aanbiedt, waarbij het gebruik van de elektronische handtekening een essentieel element vormt van de aangeboden dienst;
2° " systeem voor het gebruik van een elektronische handtekening " : het geheel van middelen, gegevens, processen en technieken aan de hand waarvan een elektronische handtekening kan worden aangemaakt en geverifieerd.
De werkgever kan niet worden verplicht om het elektronisch afsluiten van beroepsinlevingsovereenkomsten in te voeren.
De stagiair kan niet worden verplicht om een beroepsinlevingsovereenkomst door middel van een elektronische handtekening aan te gaan.
Een exemplaar van de door middel van een elektronische handtekening aangegane beroepsinlevingsovereenkomst wordt eveneens bij een verlener van een elektronische archiveringsdienst opgeslagen. Deze elektronische opslag is kosteloos in hoofde van de stagiair en dient ten minste gewaarborgd te worden totdat een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het eindigen van de beroepsinlevingsovereenkomst is verstreken. De toegang van de stagiair tot het bewaarde exemplaar is te allen tijde gewaarborgd. Drie maanden voor het verstrijken van deze periode vraagt de verlener van de elektronische archiveringsdienst aan de stagiair, via aangetekende zending, wat er dient te gebeuren met het bij hem bewaarde exemplaar van de door middel van een elektronische handtekening aangegane beroepsinlevingsovereenkomst. Wanneer de stagiair dit wenst, maakt de verlener van de elektronische archiveringsdienst dit document, in een leesbare en gebruiksklare vorm, over aan de vzw SIGeDIS, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, met het oog op een overname van de elektronische archiveringsdienst.
Indien de door de Koning aangewezen ambtenaren erom verzoeken en de werkgever niet beschikt over een eigen elektronisch opgeslagen exemplaar van dezelfde arbeidsovereenkomst dat onmiddellijk kan worden voorgelegd, dan moet de werkgever onmiddellijk het exemplaar van de door middel van een elektronische handtekening aangegane arbeidsovereenkomst aan de door de Koning aangewezen ambtenaren kunnen voorleggen dat opgeslagen wordt bij de verlener van een elektronische archiveringsdienst die aangewezen is conform artikel 6, § 1, 17°, van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder " verlener van een elektronische archiveringsdienst " verstaan : elke natuurlijke of rechtspersoon die, op verzoek van de werkgever, een dienst verleent in verband met het bewaren van elektronische gegevens, waarbij het bewaren van die elektronische gegevens een essentieel element uitmaakt van de aangeboden dienst.
De verlener van een elektronische archiveringsdienst dient te voldoen aan de voorwaarden inzake het verlenen van diensten [1 van gekwalificeerde elektronische archivering die gesteld worden door boek XII, titel 2, van het Wetboek van economisch recht]1.) <W 2007-06-03/81, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 02-08-2007>
(§ 2. De beroepsinlevingsovereenkomst ondertekend met behulp van de elektronische handtekening die wordt gecreëerd door de elektronische identiteitskaart of door middel van een elektronische handtekening die voldoet aan dezelfde veiligheidswaarborgen als de elektronische handtekening die door de elektronische identiteitskaart wordt gecreëerd, wordt gelijkgesteld met de papieren beroepsinlevingsovereenkomst ondertekend door middel van een handgeschreven handtekening.
De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Nationale Arbeidsraad bepalen aan welke veiligheidswaarborgen andere systemen van elektronische handtekening dan de elektronische handtekening die door de elektronische identiteitskaart wordt gecreëerd dienen te voldoen.
Alle aanbieders van een systeem voor het gebruik van de elektronische handtekening kunnen door het Beheerscomité van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid laten vaststellen dat hun systeem beantwoordt aan de voorwaarden gesteld door het in het vorige lid genoemd koninklijk besluit. Een lijst van aanbieders van een systeem voor het gebruik van de elektronische handtekening die hun vrijwillige aangifte voor een opname op deze lijst hebben gedaan en wier aangifte aanvaard is wordt door het Beheerscomité van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid opgemaakt en ter bekrachtiging doorgestuurd naar de minister die Werk onder zijn bevoegdheid heeft. Indien de minister die Werk onder zijn bevoegdheid heeft, geen opmerkingen formuleert binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum van het versturen van de lijst, wordt ze als bekrachtigd beschouwd. De lijst wordt bekendgemaakt op de website van de Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden verstaan onder :
1° " aanbieder van een systeem voor het gebruik van een elektronische handtekening " : elke natuurlijke of rechtspersoon die een systeem voor het gebruik van de elektronische handtekening aanbiedt, waarbij het gebruik van de elektronische handtekening een essentieel element vormt van de aangeboden dienst;
2° " systeem voor het gebruik van een elektronische handtekening " : het geheel van middelen, gegevens, processen en technieken aan de hand waarvan een elektronische handtekening kan worden aangemaakt en geverifieerd.
De werkgever kan niet worden verplicht om het elektronisch afsluiten van beroepsinlevingsovereenkomsten in te voeren.
De stagiair kan niet worden verplicht om een beroepsinlevingsovereenkomst door middel van een elektronische handtekening aan te gaan.
Een exemplaar van de door middel van een elektronische handtekening aangegane beroepsinlevingsovereenkomst wordt eveneens bij een verlener van een elektronische archiveringsdienst opgeslagen. Deze elektronische opslag is kosteloos in hoofde van de stagiair en dient ten minste gewaarborgd te worden totdat een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het eindigen van de beroepsinlevingsovereenkomst is verstreken. De toegang van de stagiair tot het bewaarde exemplaar is te allen tijde gewaarborgd. Drie maanden voor het verstrijken van deze periode vraagt de verlener van de elektronische archiveringsdienst aan de stagiair, via aangetekende zending, wat er dient te gebeuren met het bij hem bewaarde exemplaar van de door middel van een elektronische handtekening aangegane beroepsinlevingsovereenkomst. Wanneer de stagiair dit wenst, maakt de verlener van de elektronische archiveringsdienst dit document, in een leesbare en gebruiksklare vorm, over aan de vzw SIGeDIS, opgericht overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 12 juni 2006 tot uitvoering van Titel III, hoofdstuk II, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, met het oog op een overname van de elektronische archiveringsdienst.
Indien de door de Koning aangewezen ambtenaren erom verzoeken en de werkgever niet beschikt over een eigen elektronisch opgeslagen exemplaar van dezelfde arbeidsovereenkomst dat onmiddellijk kan worden voorgelegd, dan moet de werkgever onmiddellijk het exemplaar van de door middel van een elektronische handtekening aangegane arbeidsovereenkomst aan de door de Koning aangewezen ambtenaren kunnen voorleggen dat opgeslagen wordt bij de verlener van een elektronische archiveringsdienst die aangewezen is conform artikel 6, § 1, 17°, van de wet van 8 april 1965 tot instelling van de arbeidsreglementen.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder " verlener van een elektronische archiveringsdienst " verstaan : elke natuurlijke of rechtspersoon die, op verzoek van de werkgever, een dienst verleent in verband met het bewaren van elektronische gegevens, waarbij het bewaren van die elektronische gegevens een essentieel element uitmaakt van de aangeboden dienst.
De verlener van een elektronische archiveringsdienst dient te voldoen aan de voorwaarden inzake het verlenen van diensten [1 van gekwalificeerde elektronische archivering die gesteld worden door boek XII, titel 2, van het Wetboek van economisch recht]1.) <W 2007-06-03/81, art. 12, 008; Inwerkingtreding : 02-08-2007>
Art.105. (§ 1.) La convention d'immersion professionnelle doit faire l'objet d'une constatation par écrit, pour chaque stagiaire individuellement, au plus tard au moment où le stagiaire commence l'exécution de sa convention. <L 2007-06-03/81, art. 12, 008; En vigueur : 02-08-2007>
(§ 2. La convention d'immersion professionnelle signée au moyen de la signature électronique créée par la carte d'identité électronique ou d'une signature électronique qui satisfait aux mêmes conditions de sécurité que celles présentées par la signature électronique créée par la carte d'identité électronique est assimilée à une convention d'immersion professionnelle signée au moyen d'une signature manuscrite.
Par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du Conseil national du Travail, le Roi peut déterminer les conditions de sécurité que doivent remplir les systèmes de signature électronique autres que la signature électronique créée par la carte d'identité électronique.
Toutes les personnes qui offrent un système pour l'utilisation de la signature électronique peuvent faire attester par le Comité de gestion de la Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale que leur système satisfait aux conditions posées par l'arrêté royal visé à l'alinéa précédent. Une liste des personnes qui offrent un système pour l'utilisation de la signature électronique qui se sont déclarées volontairement afin d'être mentionné sur cette liste et dont la déclaration a été approuvée est dressée par le Comité de Gestion de la Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale et transmise pour validation au ministre qui a l'Emploi dans ses compétences. Si le ministre qui a l'Emploi dans ses compétences ne formule pas de remarques dans un délai de quinze jours à partir de la date d'envoi de la liste, elle sera considérée comme validée. La liste est publiée sur le site web de la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par :
1° " personne qui offre un système pour l'utilisation de la signature électronique " : toute personne physique ou morale qui offre un système pour l'utilisation de la signature électronique, l'utilisation du système électronique étant un élément essentiel du service offert;
2° " système pour l'utilisation de la signature électronique " : l'ensemble des moyens, données, procédés et techniques qui conduit à la création et la vérification de la signature électronique.
L'employeur ne peut être contraint d'introduire la possibilité de conclure des conventions d'immersion professionnelle par voie électronique.
Le stagiaire ne peut être contraint de conclure une convention d'immersion professionnelle au moyen d'une signature électronique.
Un exemplaire de la convention d'immersion professionnelle conclue au moyen d'une signature électronique est également archivé auprès d'un prestataire de service d'archivage électronique. Cet archivage électronique est gratuit dans le chef du stagiaire et doit au moins être garanti jusqu'à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la fin de la convention d'immersion professionnelle. L'accès du stagiaire à l'exemplaire archivé est garanti à tout moment. Trois mois avant l'expiration de ce délai, le prestataire de service d'archivage électronique demande par envoi recommandé au stagiaire quel est le sort à réserver à l'exemplaire archivé de la convention d'immersion professionnelle conclue au moyen d'une signature électronique. Sur la demande du stagiaire, le prestataire de service d'archivage électronique transmet ce document, sous une forme lisible et exploitable, à l'asbl SIGeDIS, créée conformément à l'article 12 de l'arrêté royal du 12 juin 2006 portant exécution du Titre III, chapitre II, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, en vue de la reprise du service d'archivage électronique.
Si les fonctionnaires désignés par le Roi le demandent et si l'employeur ne dispose pas d'un propre exemplaire archivé électroniquement du même contrat de travail susceptible d'être présenté immédiatement, l'employeur doit être en mesure de présenter immédiatement aux fonctionnaires désignés par le Roi l'exemplaire du contrat de travail conclu au moyen d'une signature électronique et archivé auprès d'un prestataire de service d'archivage électronique désigné conformément à l'article 6, § 1er, 17°, de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par " prestataire de service d'archivage électronique " : toute personne physique ou morale qui, à la demande de l'employeur, offre un service de conservation de données électroniques, la conservation de ces données électroniques étant un élément essentiel du service offert.
Le prestataire de service d'archivage électronique doit satisfaire aux conditions relatives à la prestation de services [1 d'archivage électronique qualifié qui sont établies par le livre XII, titre 2, du Code de droit économique]1.) <L 2007-06-03/81, art. 12, 008; En vigueur : 02-08-2007>
(§ 2. La convention d'immersion professionnelle signée au moyen de la signature électronique créée par la carte d'identité électronique ou d'une signature électronique qui satisfait aux mêmes conditions de sécurité que celles présentées par la signature électronique créée par la carte d'identité électronique est assimilée à une convention d'immersion professionnelle signée au moyen d'une signature manuscrite.
Par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après avis du Conseil national du Travail, le Roi peut déterminer les conditions de sécurité que doivent remplir les systèmes de signature électronique autres que la signature électronique créée par la carte d'identité électronique.
Toutes les personnes qui offrent un système pour l'utilisation de la signature électronique peuvent faire attester par le Comité de gestion de la Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale que leur système satisfait aux conditions posées par l'arrêté royal visé à l'alinéa précédent. Une liste des personnes qui offrent un système pour l'utilisation de la signature électronique qui se sont déclarées volontairement afin d'être mentionné sur cette liste et dont la déclaration a été approuvée est dressée par le Comité de Gestion de la Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale et transmise pour validation au ministre qui a l'Emploi dans ses compétences. Si le ministre qui a l'Emploi dans ses compétences ne formule pas de remarques dans un délai de quinze jours à partir de la date d'envoi de la liste, elle sera considérée comme validée. La liste est publiée sur le site web de la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par :
1° " personne qui offre un système pour l'utilisation de la signature électronique " : toute personne physique ou morale qui offre un système pour l'utilisation de la signature électronique, l'utilisation du système électronique étant un élément essentiel du service offert;
2° " système pour l'utilisation de la signature électronique " : l'ensemble des moyens, données, procédés et techniques qui conduit à la création et la vérification de la signature électronique.
L'employeur ne peut être contraint d'introduire la possibilité de conclure des conventions d'immersion professionnelle par voie électronique.
Le stagiaire ne peut être contraint de conclure une convention d'immersion professionnelle au moyen d'une signature électronique.
Un exemplaire de la convention d'immersion professionnelle conclue au moyen d'une signature électronique est également archivé auprès d'un prestataire de service d'archivage électronique. Cet archivage électronique est gratuit dans le chef du stagiaire et doit au moins être garanti jusqu'à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la fin de la convention d'immersion professionnelle. L'accès du stagiaire à l'exemplaire archivé est garanti à tout moment. Trois mois avant l'expiration de ce délai, le prestataire de service d'archivage électronique demande par envoi recommandé au stagiaire quel est le sort à réserver à l'exemplaire archivé de la convention d'immersion professionnelle conclue au moyen d'une signature électronique. Sur la demande du stagiaire, le prestataire de service d'archivage électronique transmet ce document, sous une forme lisible et exploitable, à l'asbl SIGeDIS, créée conformément à l'article 12 de l'arrêté royal du 12 juin 2006 portant exécution du Titre III, chapitre II, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, en vue de la reprise du service d'archivage électronique.
Si les fonctionnaires désignés par le Roi le demandent et si l'employeur ne dispose pas d'un propre exemplaire archivé électroniquement du même contrat de travail susceptible d'être présenté immédiatement, l'employeur doit être en mesure de présenter immédiatement aux fonctionnaires désignés par le Roi l'exemplaire du contrat de travail conclu au moyen d'une signature électronique et archivé auprès d'un prestataire de service d'archivage électronique désigné conformément à l'article 6, § 1er, 17°, de la loi du 8 avril 1965 instituant les règlements de travail.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par " prestataire de service d'archivage électronique " : toute personne physique ou morale qui, à la demande de l'employeur, offre un service de conservation de données électroniques, la conservation de ces données électroniques étant un élément essentiel du service offert.
Le prestataire de service d'archivage électronique doit satisfaire aux conditions relatives à la prestation de services [1 d'archivage électronique qualifié qui sont établies par le livre XII, titre 2, du Code de droit économique]1.) <L 2007-06-03/81, art. 12, 008; En vigueur : 02-08-2007>
Art.106. Ingeval de opleiding in het kader van de (beroepsinleverings-overeenkomst) niet wordt georganiseerd op initiatief of onder de verantwoordelijkheid van een onderwijsinstelling of opleidingscentrum, afhangend van of erkend door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest, moet het geschrift bedoeld in artikel 105 ten minste de volgende vermeldingen bevatten :
1° wat de stagiair betreft : de naam, voornamen en hoofdverblijfplaats;
2° wat de werkgever betreft : de naam, voornamen en hoofdverblijfplaats of de firmanaam en de maatschappelijke zetel;
3° de plaats van uitvoering van de overeenkomst;
4° het voorwerp en de duur van de beroepsinleveringsovereenkomst;
5° de dagelijkse en wekelijkse duur van aanwezigheid in de onderneming;
6° de overeengekomen vergoeding of de berekeningswijze en -basis van de vergoeding;
7° de manier waarop een einde kan worden gemaakt aan de beroepsinleveringsovereenkomst;
8° het tussen de partijen overeengekomen en door de bevoegde overheden erkend opleidingsplan.
De Koning kan de vermeldingen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 7°, wijzigen of aanvullen.
1° wat de stagiair betreft : de naam, voornamen en hoofdverblijfplaats;
2° wat de werkgever betreft : de naam, voornamen en hoofdverblijfplaats of de firmanaam en de maatschappelijke zetel;
3° de plaats van uitvoering van de overeenkomst;
4° het voorwerp en de duur van de beroepsinleveringsovereenkomst;
5° de dagelijkse en wekelijkse duur van aanwezigheid in de onderneming;
6° de overeengekomen vergoeding of de berekeningswijze en -basis van de vergoeding;
7° de manier waarop een einde kan worden gemaakt aan de beroepsinleveringsovereenkomst;
8° het tussen de partijen overeengekomen en door de bevoegde overheden erkend opleidingsplan.
De Koning kan de vermeldingen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 7°, wijzigen of aanvullen.
Art.106. Dans le cas où la formation dans le cadre de la convention d'immersion professionnelle n'est pas organisée à l'initiative ou sous la responsabilité d'un établissement d'enseignement ou d'un organisme de formation dépendant ou agréé par la communauté ou la région compétente, l'écrit vise à l'article 105 comporte au moins les mentions suivantes :
1° en ce qui concerne le stagiaire : les noms, prénoms et la résidence principale;
2° en ce qui concerne l'employeur : les noms, prénoms et la résidence principale ou la raison sociale et le siège social;
3° le lieu d'exécution de la convention;
4° l'objet et la durée de la convention d'immersion professionnelle;
5° la durée journalière et hebdomadaire de la présence dans l'entreprise;
6° l'indemnité convenue ou le mode et la base de calcul de l'indemnité;
7° la manière dont il peut être mis fin à la convention d'immersion professionnelle;
8° le plan de formation convenu entre les parties et agréé par les autorités compétentes.
Le Roi peut modifier ou compléter (les mentions visées à l'alinéa 1er), 1° à 7°.
1° en ce qui concerne le stagiaire : les noms, prénoms et la résidence principale;
2° en ce qui concerne l'employeur : les noms, prénoms et la résidence principale ou la raison sociale et le siège social;
3° le lieu d'exécution de la convention;
4° l'objet et la durée de la convention d'immersion professionnelle;
5° la durée journalière et hebdomadaire de la présence dans l'entreprise;
6° l'indemnité convenue ou le mode et la base de calcul de l'indemnité;
7° la manière dont il peut être mis fin à la convention d'immersion professionnelle;
8° le plan de formation convenu entre les parties et agréé par les autorités compétentes.
Le Roi peut modifier ou compléter (les mentions visées à l'alinéa 1er), 1° à 7°.
Art.107. § 1. De op iedere (beroepsinleverings-overeenkomst) toepasselijke minimumvergoeding wordt bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onverminderd de bevoegdheid van de paritaire comités om hogere minimumbedragen vast te stellen. Zij kan niet lager zijn dan het bedrag van de vergoeding bedoeld door de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst.
§ 2. Artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is van toepassing op de beroepsinleveringsovereenkomsten, met inbegrip van de overeenkomsten die worden uitgesloten op grond van artikel 104, tweede lid, 4°.
§ 2. Artikel 18 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is van toepassing op de beroepsinleveringsovereenkomsten, met inbegrip van de overeenkomsten die worden uitgesloten op grond van artikel 104, tweede lid, 4°.
Art.107. § 1er. L'indemnité minimale applicable à toute convention d'immersion professionnelle est déterminée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sans préjudice de la compétence des commissions paritaires de fixer des montants minimums plus élevés. Elle ne peut être inférieure au montant de l'indemnité visée par la loi du 19 juillet 1983 sur l'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés.
§ 2. L'article 18 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail est applicable aux contrats d'immersion, y compris aux contrats exclus en vertu de l'article 104, alinéa 2, 4°.
§ 2. L'article 18 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail est applicable aux contrats d'immersion, y compris aux contrats exclus en vertu de l'article 104, alinéa 2, 4°.
Art.108. De wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers is van toepassing op deze vergoeding.
Art.108. Le loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération s'applique à cette indemnité.
Art.109. Met ingang van 1 september 2004 moeten de regelingen bedoeld in artikel 104, tweede lid, 4°, aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de overeenkomst moet schriftelijk worden vastgesteld en ten minste vermelden :
- het principe van de begeleiding;
- de duur van de begeleiding;
- de modaliteiten volgens dewelke de partijen een einde kunnen maken aan de overeenkomst;
- de modaliteiten inzake betaling van de vergoeding;
2° het bedrag van de vergoeding, verschuldigd aan de stagiair die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en die zijn derde jaar opleiding heeft beëindigd, mag niet lager zijn dan één derde van het gemiddeld maandelijks minimuminkomen zoals vastgesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad.
Het minimumbedrag bedoeld in het eerste lid, 2°, kan deels bestaan uit een sociale uitkering.
1° de overeenkomst moet schriftelijk worden vastgesteld en ten minste vermelden :
- het principe van de begeleiding;
- de duur van de begeleiding;
- de modaliteiten volgens dewelke de partijen een einde kunnen maken aan de overeenkomst;
- de modaliteiten inzake betaling van de vergoeding;
2° het bedrag van de vergoeding, verschuldigd aan de stagiair die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en die zijn derde jaar opleiding heeft beëindigd, mag niet lager zijn dan één derde van het gemiddeld maandelijks minimuminkomen zoals vastgesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de schoot van de Nationale Arbeidsraad.
Het minimumbedrag bedoeld in het eerste lid, 2°, kan deels bestaan uit een sociale uitkering.
Art.109. A partir du 1er septembre 2004, (les dispositifs visés à l'article 104), alinéa 2, 4°, doivent satisfaire aux conditions suivantes :
1° le contrat doit être constaté par écrit et mentionner au moins :
- le principe de l'accompagnement;
- la durée de l'accompagnement;
- les modalités selon lesquelles les parties peuvent mettre fin au contrat;
- les modalités de paiement de l'indemnité;
2° le montant de l'indemnité due au stagiaire qui a atteint l'âge de 18 ans et qui a terminé sa troisième année de formation ne peut être inférieur à un tiers du revenu minimum mensuel moyen déterminé par une convention collective de travail conclue au sein du Conseil national du Travail.
Le montant de l'indemnité visé à l'alinéa 1er, 2°, peut être partiellement constitué d'une allocation sociale.
1° le contrat doit être constaté par écrit et mentionner au moins :
- le principe de l'accompagnement;
- la durée de l'accompagnement;
- les modalités selon lesquelles les parties peuvent mettre fin au contrat;
- les modalités de paiement de l'indemnité;
2° le montant de l'indemnité due au stagiaire qui a atteint l'âge de 18 ans et qui a terminé sa troisième année de formation ne peut être inférieur à un tiers du revenu minimum mensuel moyen déterminé par une convention collective de travail conclue au sein du Conseil national du Travail.
Le montant de l'indemnité visé à l'alinéa 1er, 2°, peut être partiellement constitué d'une allocation sociale.
Art.109/1_WAALS_GEWEST. [1 De controle op de toepassing van de artikelen 104 tot en met 109 van deze wet en van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen wordt uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 28 februari 2019 betreffende de controle op de wetgevingen en reglementeringen m.b.t. de omscholing en de bijscholing alsook de invoering van administratieve geldboetes die van toepassing zijn in geval van inbreuk op bedoelde wetgevingen en reglementeringen.]1
Art.109/1 _REGION_WALLONNE. [1 Le contrôle de l'application des articles 104 à 109 de la présente loi et de ses mesures d'exécution s'exerce conformément aux dispositions du décret du 28 février 2019 relatif au contrôle des législations et réglementations relatives à la reconversion et au recyclage professionnels ainsi qu'à l'instauration d'amendes administratives applicables en cas d'infraction à ces législations et réglementations.]1
Art.110. Artikel 6bis van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten ingevoegd bij de wet van 6 december 1996, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 6bis. Worden eveneens beschouwd als sociale documenten waarvan het bijhouden voorgeschreven is door dit besluit :
a) het geschrift bedoeld in artikel 119.4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 119.4;
b) het geschrift dat de (beroepsinleverings-overeenkomst) vaststelt bedoeld in artikel 105 van de wet van... en opgesteld overeenkomstig artikel 106 van dezelfde wet. "
" Art. 6bis. Worden eveneens beschouwd als sociale documenten waarvan het bijhouden voorgeschreven is door dit besluit :
a) het geschrift bedoeld in artikel 119.4 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 119.4;
b) het geschrift dat de (beroepsinleverings-overeenkomst) vaststelt bedoeld in artikel 105 van de wet van... en opgesteld overeenkomstig artikel 106 van dezelfde wet. "
Art.110. L'article 6bis de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux, inséré par la loi du 6 décembre 1996, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 6bis. Sont également considérés comme documents sociaux dont la tenue est prescrite par le présent arrêté :
a) l'écrit visé à l'article 119.4 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et établi conformément aux dispositions de l'article 119.4;
b) l'écrit constatant la convention d'immersion professionnelle visé (à l'article 105 de la loi-programme du 2 août 2002) et établi conformément à l'article 105 de cette même loi. "
" Art. 6bis. Sont également considérés comme documents sociaux dont la tenue est prescrite par le présent arrêté :
a) l'écrit visé à l'article 119.4 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et établi conformément aux dispositions de l'article 119.4;
b) l'écrit constatant la convention d'immersion professionnelle visé (à l'article 105 de la loi-programme du 2 août 2002) et établi conformément à l'article 105 de cette même loi. "
Art.111. Artikel 11, § 1, 2°, a) , van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
" a) die de in artikel 6 en 6bis van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven geschriften niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaren. "
" a) die de in artikel 6 en 6bis van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven geschriften niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaren. "
Art.111. L'article 11, § 1er, 2°, a) , du même arrêté est remplace par le texte suivant :
" a) qui ne conservent pas les écrits prescrits aux articles 6 et 6bis du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution pendant la durée prescrite. "
" a) qui ne conservent pas les écrits prescrits aux articles 6 et 6bis du présent arrêté et de ses arrêtés d'exécution pendant la durée prescrite. "
Art.112. Artikel 1, 9°, B) , a) , van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, vervangen bij de wet van 23 maart 1994, wordt vervangen als volgt :
" a) die de in artikel 6 en 6bis van hogervermeld koninklijk besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven geschriften niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaart. "
" a) die de in artikel 6 en 6bis van hogervermeld koninklijk besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan voorgeschreven geschriften niet gedurende het voorgeschreven tijdperk bewaart. "
Art.112. L'article 1er, 9°, B) , a) , de la loi du 30 juin 1971 relative aux amendes administratives applicables en cas d'infraction à certaines lois sociales, remplacé par la loi du 23 mars 1994, est remplacé par le texte suivant :
" a) qui ne conserve pas les écrits prescrits aux articles 6 et 6bis de l'arrêté royal précité et de ses arrêtés d'exécution pendant la durée prescrite. "
" a) qui ne conserve pas les écrits prescrits aux articles 6 et 6bis de l'arrêté royal précité et de ses arrêtés d'exécution pendant la durée prescrite. "
HOOFDSTUK XI. - Tewerkstelling en opleiding.
CHAPITRE XI. - Travail et formation.
Art.113. Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986, tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, wordt aangevuld als volgt :
" alsmede voor de diploma's die voorbereiden op een beroep waarvoor een significant tekort aan arbeidskrachten bestaat. "
" alsmede voor de diploma's die voorbereiden op een beroep waarvoor een significant tekort aan arbeidskrachten bestaat. "
Art.113. L'article 3, § 2, de l'arrêté royal n° 495 du 31 décembre 1986, instaurant un système associant le travail et la formation pour les jeunes de 18 à 25 ans et portant réduction temporaire des cotisations patronales de sécurité sociale dues dans le chef de ces jeunes, est complété comme suit :
" ainsi que pour les diplômes préparant à une profession pour laquelle il existe un constat de pénurie significative sur le marche de l'emploi. "
" ainsi que pour les diplômes préparant à une profession pour laquelle il existe un constat de pénurie significative sur le marche de l'emploi. "
HOOFDSTUK XII. - Werkloosheidsuitkeringen voor buitenlandse werknemers en staatlozen.
CHAPITRE XII. - Allocations de chômage des travailleurs étrangers et apatrides.
Art.114. In artikel 7 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een paragraaf 14 en ene paragraaf 15 ingevoegd, luidend als volgt :
" § 14. Deze paragraaf betreft de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
De vreemde of staatloze werknemer wordt enkel toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij op het tijdstip van de uitkeringsaanvaag voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf en op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
De door de vreemde of staatloze werknemer in België verrichte arbeid komt enkel in aanmerking voor het voldoen aan de wachttijdvoorwaarden, indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
Het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies geldt in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer enkel binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst. Dit recht geldt eveneens voor de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
De vreemde of staatloze werknemer kan de in het buitenland verrichte arbeid en de aldaar met arbeid gelijkgestelde periodes, enkel inroepen binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst.
De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidskaart vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe arbeidskaart hervat heeft, en die vervolgens opnieuw een uitkeringsaanvraag doet, kan niet vrijgesteld worden van wachttijd op grond van een voorheen toegekend recht op uitkeringen.
Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
2° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.
§ 15. Deze paragraaf betreft de toekenningsvoorwaarden van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werknemer voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
De werkloze verliest het genot van de uitkeringen zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen.
Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
1° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit. "
" § 14. Deze paragraaf betreft de wachttijdvoorwaarden voor de toekenning van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
De vreemde of staatloze werknemer wordt enkel toegelaten tot het recht op uitkeringen indien hij op het tijdstip van de uitkeringsaanvaag voldoet aan de wetgeving die betrekking heeft op het verblijf en op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
De door de vreemde of staatloze werknemer in België verrichte arbeid komt enkel in aanmerking voor het voldoen aan de wachttijdvoorwaarden, indien hij verricht werd overeenkomstig de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
Het recht op uitkeringen ingevolge de beëindiging van studies geldt in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer enkel binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst. Dit recht geldt eveneens voor de onderdanen van de landen opgesomd in de wet van 13 december 1976 houdende goedkeuring van de bilaterale akkoorden betreffende de tewerkstelling in België van buitenlandse werknemers.
De vreemde of staatloze werknemer kan de in het buitenland verrichte arbeid en de aldaar met arbeid gelijkgestelde periodes, enkel inroepen binnen de grenzen van een bilaterale of een internationale overeenkomst.
De vreemde of staatloze werknemer wiens arbeidskaart vervallen is en die na een termijn van zestig dagen de arbeid krachtens een nieuwe arbeidskaart hervat heeft, en die vervolgens opnieuw een uitkeringsaanvraag doet, kan niet vrijgesteld worden van wachttijd op grond van een voorheen toegekend recht op uitkeringen.
Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
1° de werknemer die de toelating heeft zich met zijn gezin in België te vestigen;
2° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
3° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit.
§ 15. Deze paragraaf betreft de toekenningsvoorwaarden van het recht op uitkeringen bedoeld in § 1, derde lid, i , m , o en p , in hoofde van de vreemde of staatloze werknemer.
Om uitkeringen te genieten moet de vreemde of staatloze werknemer voldoen aan de wetgeving die betrekking heeft op de vreemdelingen en deze die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers.
De werkloze verliest het genot van de uitkeringen zestig dagen nadat de arbeidskaart is vervallen.
Het voorgaande lid is niet toepasselijk op :
1° de werknemer aan wie, met toepassing van de wetgeving die betrekking heeft op de tewerkstelling van vreemde werknemers, de arbeidsvergunning niet mag worden geweigerd;
2° de persoon die krachtens de toepasselijke wetgeving de hoedanigheid van vluchteling bezit. "
Art.114. Dans l'article 7 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs un paragraphe 14 et un paragraphe 15 sont insérés, libellés comme suit :
" § 14. Ce paragraphe concerne les conditions de stage en vue de l'octroi du droit aux allocations visé au § 1er, alinéa 3, i , m , o et p , dans le chef du travailleur étranger ou apatride.
Le travailleur étranger ou apatride n'est admis au bénéfice des allocations que si, au moment de la demande d'allocations, il satisfait à la législation relative au séjour et à celle relative à l'occupation de la main-d'oeuvre étrangère.
Le travail effectué en Belgique par le travailleur étranger ou apatride n'est pris en considération pour l'accomplissement des conditions de stage que s'il a été effectué conformément à la législation relative à l'occupation de la main-d'oeuvre étrangère.
Dans le chef des travailleurs étrangers ou apatrides, le droit aux allocations sur la base des études suivies ne s'applique que dans les limites d'une convention bilatérale ou internationale. Ce droit s'applique également aux ressortissants des pays énumérés dans la loi du 13 décembre 1976 portant approbation des accords bilatéraux relatifs à l'emploi en Belgique des travailleurs étrangers.
Le travailleur étranger ou apatride ne peut invoquer le travail effectue à l'étranger et les périodes y assimilées que dans les limites d'une convention bilatérale ou internationale.
Le travailleur étranger ou apatride dont le permis de travail est expiré et qui, après un délai de soixante jours, a repris le travail en vertu d'un nouveau permis de travail, et qui par la suite introduit à nouveau une demande d'allocations, ne peut être dispense du stage sur la base d'un droit aux allocations octroyé auparavant.
L'alinéa précédent n'est pas applicable :
1° au travailleur qui a reçu l'autorisation de se fixer en Belgique avec sa famille;
2° au travailleur auquel le permis de travail ne peut être refusé, en application de la législation relative à l'occupation de la main d'oeuvre étrangère;
3° à la personne qui a la qualité de réfugié en vertu de la législation en la matière.
§ 15. Ce paragraphe concerne les conditions d'octroi du droit aux allocations visé au § 1er, alinéa 3, i , m , o et p , dans le chef du travailleur étranger ou apatride.
Pour bénéfice des allocations, le chômeur étranger ou apatride doit satisfaire à la législation relative aux étrangers et à celle relative à l'occupation de la main-d'oeuvre étrangère.
Le chômeur perd le bénéfice des allocations soixante jours après l'expiration du permis de travail.
L'alinéa précédent n'est pas applicable :
1° au travailleur auquel le permis de travail ne peut être refusé en application de la réglementation relative à l'occupation de la main-d'oeuvre étrangère;
2° à la personne qui a la qualité de réfugié en vertu de la législation en la matière. "
" § 14. Ce paragraphe concerne les conditions de stage en vue de l'octroi du droit aux allocations visé au § 1er, alinéa 3, i , m , o et p , dans le chef du travailleur étranger ou apatride.
Le travailleur étranger ou apatride n'est admis au bénéfice des allocations que si, au moment de la demande d'allocations, il satisfait à la législation relative au séjour et à celle relative à l'occupation de la main-d'oeuvre étrangère.
Le travail effectué en Belgique par le travailleur étranger ou apatride n'est pris en considération pour l'accomplissement des conditions de stage que s'il a été effectué conformément à la législation relative à l'occupation de la main-d'oeuvre étrangère.
Dans le chef des travailleurs étrangers ou apatrides, le droit aux allocations sur la base des études suivies ne s'applique que dans les limites d'une convention bilatérale ou internationale. Ce droit s'applique également aux ressortissants des pays énumérés dans la loi du 13 décembre 1976 portant approbation des accords bilatéraux relatifs à l'emploi en Belgique des travailleurs étrangers.
Le travailleur étranger ou apatride ne peut invoquer le travail effectue à l'étranger et les périodes y assimilées que dans les limites d'une convention bilatérale ou internationale.
Le travailleur étranger ou apatride dont le permis de travail est expiré et qui, après un délai de soixante jours, a repris le travail en vertu d'un nouveau permis de travail, et qui par la suite introduit à nouveau une demande d'allocations, ne peut être dispense du stage sur la base d'un droit aux allocations octroyé auparavant.
L'alinéa précédent n'est pas applicable :
1° au travailleur qui a reçu l'autorisation de se fixer en Belgique avec sa famille;
2° au travailleur auquel le permis de travail ne peut être refusé, en application de la législation relative à l'occupation de la main d'oeuvre étrangère;
3° à la personne qui a la qualité de réfugié en vertu de la législation en la matière.
§ 15. Ce paragraphe concerne les conditions d'octroi du droit aux allocations visé au § 1er, alinéa 3, i , m , o et p , dans le chef du travailleur étranger ou apatride.
Pour bénéfice des allocations, le chômeur étranger ou apatride doit satisfaire à la législation relative aux étrangers et à celle relative à l'occupation de la main-d'oeuvre étrangère.
Le chômeur perd le bénéfice des allocations soixante jours après l'expiration du permis de travail.
L'alinéa précédent n'est pas applicable :
1° au travailleur auquel le permis de travail ne peut être refusé en application de la réglementation relative à l'occupation de la main-d'oeuvre étrangère;
2° à la personne qui a la qualité de réfugié en vertu de la législation en la matière. "
TITEL V. - Financiën.
TITRE V. - Finances.
HOOFDSTUK I. - Zeescheepvaart.
CHAPITRE I. - Navigation maritime.
Afdeling I. - Winst uit zeescheepvaart aan de hand van de tonnage.
Section I. - Bénéfices provenant de la navigation maritime en fonction du tonnage.
Art.115. § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de hierna in dit artikel opgenomen definities.
§ 2. 1° (Winst uit zeescheepvaart :
a) de winst uit de exploitatie van een zeeschip varend onder de vlag van een Lidstaat van [1 de Europese Economische Ruimte]1 voor het vervoer van goederen of personen alsmede alle activiteiten die direct samenhangen [1 met de exploitatie van een zeeschip voor het vervoer van goederen of personen]1 :
- op internationale zeeroutes;
- op routes van en naar installaties op zee bestemd voor de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen.
[1 Onder "activiteiten die direct samenhangen met de exploitatie van een zeeschip voor het vervoer van goederen of personen" in de zin van het eerste lid, worden aldus verstaan:
- essentiële activiteiten voor de exploitatie van een zeeschip voor het vervoer van goederen of personen;
- hulpactiviteiten die verband houden met de exploitatie van een zeeschip voor het vervoer van goederen of personen, voor zover de winst uit die activiteiten niet meer bedraagt dan 50 pct. van de totale inkomsten uit de exploitatie van het zeeschip waaraan ze zijn gekoppeld en, indien de hulpactiviteiten diensten aan wal betreffen die integrerend deel uitmaken van de reis, voor zover deze diensten door de belastingplichtige tegen marktvoorwaarden zijn aangekocht.]1
Van de voorwaarde te varen onder de vlag van een Lidstaat van [1 de Europese Economische Ruimte]1 wordt afgezien mits aan de voorwaarden vermeld onder punt 3.1, achtste en negende lid, van de Mededeling C(2004) 43 van de Commissie - Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun van het zeevervoer - is voldaan;
b) de winst uit de exploitatie van een zeeschip varend [2 onder een vlag van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]2 voor het vervoer van opgebaggerd materiaal over volle zee uit de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee wanneer de werkzaamheden van dat zeeschip voor meer dan 50 pct. van de bedrijfstijd tijdens het belastbaar tijdperk bestaat uit het vervoer van zulk opgebaggerd materiaal over volle zee;
c) de winst uit de exploitatie van een zeeschip varend [2 onder een vlag van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]2 wanneer meer dan 50 pct. van de door dat zeeschip werkelijk verrichte activiteit tijdens het belastbaar tijdperk bestaat uit het verrichten van sleepvaart op volle zee die als zeevervoer kan worden aangemerkt;) <W 2004-12-27/30, art. 321, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
2° (Voor de toepassing van de artikelen 116 tot 120 is er exploitatie) van een zeeschip wanneer : <W 2004-12-27/30, art. 321, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
a) de belastingplichtige eigenaar is, mede-eigenaar of rompbevrachter van een zeeschip dat in belangrijke mate [3 in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]3 wordt beheerd, en dat hij zelf niet in rompbevrachting heeft gegeven; of
b) de belastingplichtige [3 in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]3 hoofdzakelijk [3 het beheer van een zeeschip voor rekening van derden, in de zin van de bepaling onder 4°]3, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de zeeschepen waarvoor hij dit commerciële beheer verricht niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de zeeschepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in lid a, waarbij zeeschepen in mede-eigendom voor hun volledige tonnenmaat meetellen indien die mede-eigendom [3 minstens 5 pct. beloopt, dat tewerkstelling aan land of aan boord voor ten minste 51 pct. door onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte wordt vervuld; of]3
c) de belastingplichtige [3 in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]3 een zeeschip in tijd- of reischarter houdt, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de zeeschepen die hij in tijd- of reischarter houdt niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de zeeschepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in lid a, waarbij zeeschepen in mede-eigendom voor hun volledige tonnenmaat meetellen indien die mede-eigendom minstens 5 pct. beloopt.
3° Divisie : een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken. Teneinde voor deze wet als een divisie te kunnen aanzien worden, is het vereist dat elke divisie als [5 een bedrijfstak in de zin van artikel 2, § 1, 6° /2, c, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992]5 alsmede dat :
- die divisie een afzonderlijk stel rekeningen houdt;
- die divisie, wat haar eigen activiteiten betreft, onder haar divisiebenaming naar buiten treedt;
- die divisie beschikt over een afzonderlijke personeelslijst voor het personeel dat in die divisie wordt tewerk gesteld;
- elke kost wordt toegeschreven aan een bepaalde divisie met dien verstande dat de kosten die niet op duidelijke wijze kunnen worden toegeschreven aan een bepaalde divisie als gemeenschappelijk kunnen worden beschouwd;
- tussen de verschillende divisies enkel een doorrekening van kosten kan gebeuren indien het gemeenschappelijke kosten betreft.
4° [4 Onder "beheer van een zeeschip voor rekening van derden", moet worden begrepen, de belastingplichtige die instaat voor het beheer van de bemanning en het technisch beheer van een zeeschip voor rekening van derden, op voorwaarde dat deze laatstgenoemde het volgende van de eigenaar overneemt:
- het geheel van plichten en verantwoordelijkheden opgelegd door de EU-wetgeving inzake aansprakelijkheid van ondernemingen;
- de volle verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het zeeschip en het geheel van de plichten en verantwoordelijkheden opgelegd door de Internationale Managementcode voor de veilige exploitatie van schepen en voorkoming van verontreiniging, zoals goedgekeurd door de Internationale Maritieme Organisatie bij resolutie A.741(18) van 4 november 1993 en bindend verklaard krachtens het hoofdstuk IX van het Internationaal Verdrag van 1 november 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee en de latere wijzigingen van het vermelde Verdrag van 1974, die voor België internationaal bindend zijn;
- het geheel van plichten en verantwoordelijkheden opgelegd door het Verdrag van 1 november 1974 en de latere wijzigingen die voor België internationaal bindend zijn;
- het geheel van plichten en verantwoordelijkheden opgelegd door het Internationaal Verdrag van 7 juli 1978 betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, brevettering en wachtdienst en de latere wijzigingen die voor België internationaal bindend zijn, die er met name voor zorgen dat alle zeevaarders aan boord opgeleid zijn en over een bekwaamheidscertificaat beschikken overeenkomstig de bepalingen van het vermelde Verdrag van 7 juli 1978, en dat deze zeevaarders een opleiding inzake de veiligheid van personen aan boord van schepen succesvol hebben voltooid;
- het geheel van rechten en plichten opgelegd door de Internationale Arbeidsorganisatie op het vlak van maritieme arbeidsnormen, meer bepaald het Maritiem Arbeidsverdrag van 23 februari 2006.]4
(§ 3. Wanneer de belastingplichtige die om toepassing verzoekt van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen, naast de winst uit zeescheepvaart bedoeld in artikel 115, § 2, 1°, eveneens inkomsten verkrijgt uit activiteiten waarop deze bepalingen niet van toepassing zijn, moet hij voor elk van de uitgeoefende activiteiten een afzonderlijk stel rekeningen houden.) <W 2004-12-27/30, art. 321, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. 1° (Winst uit zeescheepvaart :
a) de winst uit de exploitatie van een zeeschip varend onder de vlag van een Lidstaat van [1 de Europese Economische Ruimte]1 voor het vervoer van goederen of personen alsmede alle activiteiten die direct samenhangen [1 met de exploitatie van een zeeschip voor het vervoer van goederen of personen]1 :
- op internationale zeeroutes;
- op routes van en naar installaties op zee bestemd voor de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen.
[1 Onder "activiteiten die direct samenhangen met de exploitatie van een zeeschip voor het vervoer van goederen of personen" in de zin van het eerste lid, worden aldus verstaan:
- essentiële activiteiten voor de exploitatie van een zeeschip voor het vervoer van goederen of personen;
- hulpactiviteiten die verband houden met de exploitatie van een zeeschip voor het vervoer van goederen of personen, voor zover de winst uit die activiteiten niet meer bedraagt dan 50 pct. van de totale inkomsten uit de exploitatie van het zeeschip waaraan ze zijn gekoppeld en, indien de hulpactiviteiten diensten aan wal betreffen die integrerend deel uitmaken van de reis, voor zover deze diensten door de belastingplichtige tegen marktvoorwaarden zijn aangekocht.]1
Van de voorwaarde te varen onder de vlag van een Lidstaat van [1 de Europese Economische Ruimte]1 wordt afgezien mits aan de voorwaarden vermeld onder punt 3.1, achtste en negende lid, van de Mededeling C(2004) 43 van de Commissie - Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun van het zeevervoer - is voldaan;
b) de winst uit de exploitatie van een zeeschip varend [2 onder een vlag van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]2 voor het vervoer van opgebaggerd materiaal over volle zee uit de exploratie of exploitatie van natuurlijke rijkdommen op zee wanneer de werkzaamheden van dat zeeschip voor meer dan 50 pct. van de bedrijfstijd tijdens het belastbaar tijdperk bestaat uit het vervoer van zulk opgebaggerd materiaal over volle zee;
c) de winst uit de exploitatie van een zeeschip varend [2 onder een vlag van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]2 wanneer meer dan 50 pct. van de door dat zeeschip werkelijk verrichte activiteit tijdens het belastbaar tijdperk bestaat uit het verrichten van sleepvaart op volle zee die als zeevervoer kan worden aangemerkt;) <W 2004-12-27/30, art. 321, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
2° (Voor de toepassing van de artikelen 116 tot 120 is er exploitatie) van een zeeschip wanneer : <W 2004-12-27/30, art. 321, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
a) de belastingplichtige eigenaar is, mede-eigenaar of rompbevrachter van een zeeschip dat in belangrijke mate [3 in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]3 wordt beheerd, en dat hij zelf niet in rompbevrachting heeft gegeven; of
b) de belastingplichtige [3 in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]3 hoofdzakelijk [3 het beheer van een zeeschip voor rekening van derden, in de zin van de bepaling onder 4°]3, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de zeeschepen waarvoor hij dit commerciële beheer verricht niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de zeeschepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in lid a, waarbij zeeschepen in mede-eigendom voor hun volledige tonnenmaat meetellen indien die mede-eigendom [3 minstens 5 pct. beloopt, dat tewerkstelling aan land of aan boord voor ten minste 51 pct. door onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte wordt vervuld; of]3
c) de belastingplichtige [3 in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]3 een zeeschip in tijd- of reischarter houdt, mits het jaartotaal van de netto dagtonnages van de zeeschepen die hij in tijd- of reischarter houdt niet meer bedraagt dan driemaal het jaartotaal van de netto dagtonnages van de zeeschepen die hij beheert op een wijze als bedoeld in lid a, waarbij zeeschepen in mede-eigendom voor hun volledige tonnenmaat meetellen indien die mede-eigendom minstens 5 pct. beloopt.
3° Divisie : een geheel dat op technisch en organisatorisch gebied een autonome activiteit uitoefent en op eigen kracht kan werken. Teneinde voor deze wet als een divisie te kunnen aanzien worden, is het vereist dat elke divisie als [5 een bedrijfstak in de zin van artikel 2, § 1, 6° /2, c, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992]5 alsmede dat :
- die divisie een afzonderlijk stel rekeningen houdt;
- die divisie, wat haar eigen activiteiten betreft, onder haar divisiebenaming naar buiten treedt;
- die divisie beschikt over een afzonderlijke personeelslijst voor het personeel dat in die divisie wordt tewerk gesteld;
- elke kost wordt toegeschreven aan een bepaalde divisie met dien verstande dat de kosten die niet op duidelijke wijze kunnen worden toegeschreven aan een bepaalde divisie als gemeenschappelijk kunnen worden beschouwd;
- tussen de verschillende divisies enkel een doorrekening van kosten kan gebeuren indien het gemeenschappelijke kosten betreft.
4° [4 Onder "beheer van een zeeschip voor rekening van derden", moet worden begrepen, de belastingplichtige die instaat voor het beheer van de bemanning en het technisch beheer van een zeeschip voor rekening van derden, op voorwaarde dat deze laatstgenoemde het volgende van de eigenaar overneemt:
- het geheel van plichten en verantwoordelijkheden opgelegd door de EU-wetgeving inzake aansprakelijkheid van ondernemingen;
- de volle verantwoordelijkheid voor de exploitatie van het zeeschip en het geheel van de plichten en verantwoordelijkheden opgelegd door de Internationale Managementcode voor de veilige exploitatie van schepen en voorkoming van verontreiniging, zoals goedgekeurd door de Internationale Maritieme Organisatie bij resolutie A.741(18) van 4 november 1993 en bindend verklaard krachtens het hoofdstuk IX van het Internationaal Verdrag van 1 november 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee en de latere wijzigingen van het vermelde Verdrag van 1974, die voor België internationaal bindend zijn;
- het geheel van plichten en verantwoordelijkheden opgelegd door het Verdrag van 1 november 1974 en de latere wijzigingen die voor België internationaal bindend zijn;
- het geheel van plichten en verantwoordelijkheden opgelegd door het Internationaal Verdrag van 7 juli 1978 betreffende de normen voor zeevarenden inzake opleiding, brevettering en wachtdienst en de latere wijzigingen die voor België internationaal bindend zijn, die er met name voor zorgen dat alle zeevaarders aan boord opgeleid zijn en over een bekwaamheidscertificaat beschikken overeenkomstig de bepalingen van het vermelde Verdrag van 7 juli 1978, en dat deze zeevaarders een opleiding inzake de veiligheid van personen aan boord van schepen succesvol hebben voltooid;
- het geheel van rechten en plichten opgelegd door de Internationale Arbeidsorganisatie op het vlak van maritieme arbeidsnormen, meer bepaald het Maritiem Arbeidsverdrag van 23 februari 2006.]4
(§ 3. Wanneer de belastingplichtige die om toepassing verzoekt van de in dit hoofdstuk bedoelde bepalingen, naast de winst uit zeescheepvaart bedoeld in artikel 115, § 2, 1°, eveneens inkomsten verkrijgt uit activiteiten waarop deze bepalingen niet van toepassing zijn, moet hij voor elk van de uitgeoefende activiteiten een afzonderlijk stel rekeningen houden.) <W 2004-12-27/30, art. 321, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Modifications
Art.115. § 1er. Pour l'application du présent chapitre les définitions reprises ci-après sont applicables :
§ 2. 1° (Bénéfices provenant de la navigation maritime :
a) les bénéfices provenant de l'exploitation d'un navire battant pavillon d'un Etat membre [1 de l'Espace économique européen]1 pour le transport de biens ou de personnes ainsi que toutes les activités directement afférentes [1 à l'exploitation d'un navire pour le transport de biens ou de personnes]1 :
- soit sur des dessertes maritimes internationales;
- soit pour la desserte d'installations en mer destinées à l'exploration ou l'exploitation de richesses naturelles.
[1 Par "activités directement afférentes à l'exploitation d'un navire pour le transport de biens ou de personnes" au sens de l'alinéa 1er, il y a lieu d'entendre:
- les activités essentielles à l'exploitation d'un navire pour le transport de biens ou de personnes;
- activités auxiliaires liées à l'exploitation d'un navire pour le transport de biens ou de personnes, pour autant que les bénéfices de ces activités ne dépassent pas 50 p.c. du revenu total de l'exploitation du navire auquel elles sont liées et, si les activités auxiliaires concernent des services à terre qui font partie intégrante du voyage, pour autant que ces services aient été achetés par le contribuable aux conditions du marché.]1
Il est renoncé à la condition de battre pavillon d'un Etat membre [1 de l'Espace économique européen]1 pour autant que les conditions mentionnées au point 3.1, alinéas 8 et 9, de la Communication C(2004) 43 de la Commission - Orientations communautaires sur les aides d'Etat au transport maritime - soient remplies;
b) les bénéfices provenant de l'exploitation d'un navire battant [2 pavillon d'un Etat membre de l'Espace économique européen]2 pour le transport en haute mer des matériaux d'extraction provenant de l'exploration ou de l'exploitation de richesses naturelles en mer lorsque les activités de ce navire consistent, à concurrence de plus de 50 p.c. de la durée de l'activité exercée au cours de la période imposable, à effectuer le transport en haute mer de ces matériaux d'extraction;
c) les bénéfices provenant de l'exploitation d'un navire battant [2 pavillon d'un Etat membre de l'Espace économique européen]2 lorsque plus de 50 p.c. de l'activité réellement exercée par ce navire au cours de la période imposable est constituée par le remorquage en haute mer qui peut être considéré comme du transport maritime;) <L 2004-12-27/30, art. 321, 006; En vigueur : 01-01-2003>
2° (Pour l'application des articles 116 à 120, il) y a exploitation d'un navire lorsque : <L 2004-12-27/30, art. 321, 006; En vigueur : 01-01-2003>
a) le contribuable est propriétaire, copropriétaire ou affréteur d'un navire qui est géré de manière principale [3 dans un Etat membre de l'Espace économique européen]3, et qu'il n'a pas lui-même donné en affrètement; ou
b) le contribuable exerce principalement [3 dans un Etat membre de l'Espace économique européen]3 la [3 gestion d'un navire pour compte de tiers, au sens du 4°]3, à condition que le total annuel des tonnages nets journaliers des navires pour lesquels il exerce la direction commerciale, [3 ne s'élève pas à]3 plus de trois fois le total annuel des tonnages nets journaliers des navires qu'il dirige d'une manière visée à l'alinéa a, en vertu duquel les navires en copropriété comptent pour leur tonnage complet si cette copropriété atteint [3 au moins 5 p.c., que les emplois à terre ou à bord soient occupés par au moins 51 p.c. des ressortissants de l'Espace économique européen; ou]3
c) le contribuable possède [3 dans un Etat membre de l'Espace économique européen]3 un navire en affrètement au voyage ou à temps, à condition que le total annuel des tonnages nets journaliers des navires qu'il possède en affrètement au voyage ou à temps, ne s'élève pas à plus de trois fois le total annuel des tonnages nets journaliers des navires qu'il gère d'une manière visée à l'alinéa a, en vertu duquel les navires en copropriété comptent pour leur tonnage complet si cette copropriété atteint au moins 5 p.c.
3° Division : une entité, qui du point de vue technique et sous l'angle de l'organisation, exerce une activité autonome et est susceptible de fonctionner par ses propres moyens. Pour pouvoir être traitée comme une division au sens de la présente loi, il est requis que chaque division puisse pouvoir être considérée comme [5 une branche d'activité au sens de l'article 2, § 1er, 6° /2, c, du Code des impôts sur les revenus 1992,]5 ainsi que :
- cette division tienne des comptes séparés;
- cette division se présente extérieurement sous sa dénomination de division, en ce qui concerne ses propres activités;
- cette division dispose d'une liste du personnel séparée pour le personnel qui est employé dans cette division;
- chaque charge soit imputée à une division déterminée, seules les charges qui ne peuvent être attribuées de manière claire à une division déterminée pouvant être considérées comme communes;
- il n'y ait qu'un compte de transfert entre les diverses divisions en ce qui concerne les charges communes.
4° [4 Par "gestion d'un navire pour le compte de tiers", il y a lieu d'entendre le contribuable qui assure la gestion de l'équipage et la gestion technique d'un navire pour le compte de tiers, à condition que celui-ci reprend du propriétaire:
- l'ensemble des devoirs et responsabilités imposés par le droit de l'Union en matière de responsabilité des sociétés;
- l'entière responsabilité de l'exploitation du navire et l'ensemble des devoirs et responsabilités imposés par le Code international de gestion pour la sécurité de l'exploitation des navires et la prévention de la pollution, adopté par l'Organisation maritime internationale par la résolution A.741(18) du 4 novembre 1993 et rendu obligatoire par le chapitre IX de la Convention internationale du 1er novembre 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer et les modifications ultérieures de ladite Convention de 1974 qui ont pour la Belgique une force internationale obligatoire;
- l'ensemble des devoirs et responsabilités imposés par la Convention du 1er novembre 1974 et les modifications ultérieures qui ont pour la Belgique une force internationale obligatoire;
- l'ensemble des devoirs et responsabilités imposés par la Convention internationale sur les normes de formation des gens de mer, de délivrance des brevets et de veille du 7 juillet 1978 et les modifications ultérieures qui ont pour la Belgique une force internationale obligatoire, s'assurant notamment que les marins travaillant à bord sont formés et titulaires d'un brevet d'aptitude conforme aux dispositions de ladite Convention du 7 juillet 1978, et que ces marins ont réussi avec succès une formation en matière de sécurité des personnes à bord de navires;
- l'ensemble des droits et devoirs imposés par l'Organisation Internationale du Travail en matière de normes du travail maritime, notamment la Convention du travail maritime du 23 février 2006.]4
(§ 3. Lorsque le contribuable qui demande l'application des dispositions prévues par le présent chapitre reçoit non seulement des bénéfices provenant de la navigation maritime visés à l'article 115, § 2, 1°, mais également des revenus provenant d'activités pour lesquelles ces dispositions ne sont pas applicables, il doit tenir des comptes séparés pour chacune des activités exercées.) <L 2004-12-27/30, art. 321, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. 1° (Bénéfices provenant de la navigation maritime :
a) les bénéfices provenant de l'exploitation d'un navire battant pavillon d'un Etat membre [1 de l'Espace économique européen]1 pour le transport de biens ou de personnes ainsi que toutes les activités directement afférentes [1 à l'exploitation d'un navire pour le transport de biens ou de personnes]1 :
- soit sur des dessertes maritimes internationales;
- soit pour la desserte d'installations en mer destinées à l'exploration ou l'exploitation de richesses naturelles.
[1 Par "activités directement afférentes à l'exploitation d'un navire pour le transport de biens ou de personnes" au sens de l'alinéa 1er, il y a lieu d'entendre:
- les activités essentielles à l'exploitation d'un navire pour le transport de biens ou de personnes;
- activités auxiliaires liées à l'exploitation d'un navire pour le transport de biens ou de personnes, pour autant que les bénéfices de ces activités ne dépassent pas 50 p.c. du revenu total de l'exploitation du navire auquel elles sont liées et, si les activités auxiliaires concernent des services à terre qui font partie intégrante du voyage, pour autant que ces services aient été achetés par le contribuable aux conditions du marché.]1
Il est renoncé à la condition de battre pavillon d'un Etat membre [1 de l'Espace économique européen]1 pour autant que les conditions mentionnées au point 3.1, alinéas 8 et 9, de la Communication C(2004) 43 de la Commission - Orientations communautaires sur les aides d'Etat au transport maritime - soient remplies;
b) les bénéfices provenant de l'exploitation d'un navire battant [2 pavillon d'un Etat membre de l'Espace économique européen]2 pour le transport en haute mer des matériaux d'extraction provenant de l'exploration ou de l'exploitation de richesses naturelles en mer lorsque les activités de ce navire consistent, à concurrence de plus de 50 p.c. de la durée de l'activité exercée au cours de la période imposable, à effectuer le transport en haute mer de ces matériaux d'extraction;
c) les bénéfices provenant de l'exploitation d'un navire battant [2 pavillon d'un Etat membre de l'Espace économique européen]2 lorsque plus de 50 p.c. de l'activité réellement exercée par ce navire au cours de la période imposable est constituée par le remorquage en haute mer qui peut être considéré comme du transport maritime;) <L 2004-12-27/30, art. 321, 006; En vigueur : 01-01-2003>
2° (Pour l'application des articles 116 à 120, il) y a exploitation d'un navire lorsque : <L 2004-12-27/30, art. 321, 006; En vigueur : 01-01-2003>
a) le contribuable est propriétaire, copropriétaire ou affréteur d'un navire qui est géré de manière principale [3 dans un Etat membre de l'Espace économique européen]3, et qu'il n'a pas lui-même donné en affrètement; ou
b) le contribuable exerce principalement [3 dans un Etat membre de l'Espace économique européen]3 la [3 gestion d'un navire pour compte de tiers, au sens du 4°]3, à condition que le total annuel des tonnages nets journaliers des navires pour lesquels il exerce la direction commerciale, [3 ne s'élève pas à]3 plus de trois fois le total annuel des tonnages nets journaliers des navires qu'il dirige d'une manière visée à l'alinéa a, en vertu duquel les navires en copropriété comptent pour leur tonnage complet si cette copropriété atteint [3 au moins 5 p.c., que les emplois à terre ou à bord soient occupés par au moins 51 p.c. des ressortissants de l'Espace économique européen; ou]3
c) le contribuable possède [3 dans un Etat membre de l'Espace économique européen]3 un navire en affrètement au voyage ou à temps, à condition que le total annuel des tonnages nets journaliers des navires qu'il possède en affrètement au voyage ou à temps, ne s'élève pas à plus de trois fois le total annuel des tonnages nets journaliers des navires qu'il gère d'une manière visée à l'alinéa a, en vertu duquel les navires en copropriété comptent pour leur tonnage complet si cette copropriété atteint au moins 5 p.c.
3° Division : une entité, qui du point de vue technique et sous l'angle de l'organisation, exerce une activité autonome et est susceptible de fonctionner par ses propres moyens. Pour pouvoir être traitée comme une division au sens de la présente loi, il est requis que chaque division puisse pouvoir être considérée comme [5 une branche d'activité au sens de l'article 2, § 1er, 6° /2, c, du Code des impôts sur les revenus 1992,]5 ainsi que :
- cette division tienne des comptes séparés;
- cette division se présente extérieurement sous sa dénomination de division, en ce qui concerne ses propres activités;
- cette division dispose d'une liste du personnel séparée pour le personnel qui est employé dans cette division;
- chaque charge soit imputée à une division déterminée, seules les charges qui ne peuvent être attribuées de manière claire à une division déterminée pouvant être considérées comme communes;
- il n'y ait qu'un compte de transfert entre les diverses divisions en ce qui concerne les charges communes.
4° [4 Par "gestion d'un navire pour le compte de tiers", il y a lieu d'entendre le contribuable qui assure la gestion de l'équipage et la gestion technique d'un navire pour le compte de tiers, à condition que celui-ci reprend du propriétaire:
- l'ensemble des devoirs et responsabilités imposés par le droit de l'Union en matière de responsabilité des sociétés;
- l'entière responsabilité de l'exploitation du navire et l'ensemble des devoirs et responsabilités imposés par le Code international de gestion pour la sécurité de l'exploitation des navires et la prévention de la pollution, adopté par l'Organisation maritime internationale par la résolution A.741(18) du 4 novembre 1993 et rendu obligatoire par le chapitre IX de la Convention internationale du 1er novembre 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer et les modifications ultérieures de ladite Convention de 1974 qui ont pour la Belgique une force internationale obligatoire;
- l'ensemble des devoirs et responsabilités imposés par la Convention du 1er novembre 1974 et les modifications ultérieures qui ont pour la Belgique une force internationale obligatoire;
- l'ensemble des devoirs et responsabilités imposés par la Convention internationale sur les normes de formation des gens de mer, de délivrance des brevets et de veille du 7 juillet 1978 et les modifications ultérieures qui ont pour la Belgique une force internationale obligatoire, s'assurant notamment que les marins travaillant à bord sont formés et titulaires d'un brevet d'aptitude conforme aux dispositions de ladite Convention du 7 juillet 1978, et que ces marins ont réussi avec succès une formation en matière de sécurité des personnes à bord de navires;
- l'ensemble des droits et devoirs imposés par l'Organisation Internationale du Travail en matière de normes du travail maritime, notamment la Convention du travail maritime du 23 février 2006.]4
(§ 3. Lorsque le contribuable qui demande l'application des dispositions prévues par le présent chapitre reçoit non seulement des bénéfices provenant de la navigation maritime visés à l'article 115, § 2, 1°, mais également des revenus provenant d'activités pour lesquelles ces dispositions ne sont pas applicables, il doit tenir des comptes séparés pour chacune des activités exercées.) <L 2004-12-27/30, art. 321, 006; En vigueur : 01-01-2003>
Modifications
Art.116. Met betrekking tot binnenlandse vennootschappen en Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen wordt, op verzoek van de belastingplichtige, in afwijking van de artikelen 183, 185, 189 tot 207, 233, eerste lid, en 235 tot 240 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de in België belastbare winst uit zeescheepvaart op forfaitaire wijze vastgesteld op basis van de tonnage van de zeeschepen waarmee die winst wordt behaald.
[1 Geen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 292bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit de zeescheepvaart wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit de zeescheepvaart voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage, kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald.
De overdracht van het niet verrekende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 292bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat betrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op het tijdperk bedoeld in het eerste lid en wordt hervat na het verstrijken van de periode waarin de winst op basis van tonnage wordt bepaald.]1
[2 Wanneer in de in het eerste lid bedoelde "in België belastbare winst uit zeescheepvaart", betalingen zijn begrepen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn verricht aan personen, vaste inrichtingen of bankrekeningen die in artikel 307, § 1/2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden bedoeld, dan wordt dit resultaat, verhoogd met het bedrag van deze betalingen indien deze niet zijn aangegeven overeenkomstig het voornoemde artikel 307, § 1/2, eerste lid, of als ze toch aangegeven zijn, indien de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen heeft aangetoond dat zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht.
In geval van toepassing van het vierde lid, worden de in het vierde lid bedoelde betalingen van het in het vierde lid bedoelde bedrag uitgesloten, wanneer wordt aangetoond dat indien de winst uit zeescheepvaart niet op forfaitaire wijze werd vastgesteld, deze betalingen om een andere reden dan de toepassing van artikel 198, § 1, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zouden worden aangemerkt als een niet aftrekbare beroepskost.]2
[1 Geen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 292bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit de zeescheepvaart wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit de zeescheepvaart voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage, kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald.
De overdracht van het niet verrekende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 292bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat betrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op het tijdperk bedoeld in het eerste lid en wordt hervat na het verstrijken van de periode waarin de winst op basis van tonnage wordt bepaald.]1
[2 Wanneer in de in het eerste lid bedoelde "in België belastbare winst uit zeescheepvaart", betalingen zijn begrepen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn verricht aan personen, vaste inrichtingen of bankrekeningen die in artikel 307, § 1/2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden bedoeld, dan wordt dit resultaat, verhoogd met het bedrag van deze betalingen indien deze niet zijn aangegeven overeenkomstig het voornoemde artikel 307, § 1/2, eerste lid, of als ze toch aangegeven zijn, indien de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen heeft aangetoond dat zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht.
In geval van toepassing van het vierde lid, worden de in het vierde lid bedoelde betalingen van het in het vierde lid bedoelde bedrag uitgesloten, wanneer wordt aangetoond dat indien de winst uit zeescheepvaart niet op forfaitaire wijze werd vastgesteld, deze betalingen om een andere reden dan de toepassing van artikel 198, § 1, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zouden worden aangemerkt als een niet aftrekbare beroepskost.]2
Art.116. En ce qui concerne les sociétés résidentes et les établissements belges de sociétés non résidentes, les bénéfices imposables en Belgique provenant de la navigation maritime sont, par dérogation aux articles 183, 185, 189 à 207, 233, alinéa 1er, et 235 à 240 du Code des impôts sur les revenus 1992, à la demande du contribuable, déterminés de manière forfaitaire sur base du tonnage des navires qui ont généré ces bénéfices.
[1 Aucun crédit d'impôt pour recherche et développement conformément aux articles 289quater à 289novies, 292bis et 530 du même Code n'est applicable pendant la période au cours de laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage. La partie éventuellement non imputée du crédit d'impôt pour recherche et développement qui subsiste à la fin de la période imposable qui se clôture au plus tard le 31 décembre 2020 ou qui précède la période imposable au cours de laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage, peut à nouveau être imputée après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi déterminés.
Le report du crédit d'impôt pour recherche et développement non imputé visé à l'article 292bis, § 1er, alinéa 2, du même Code, est suspendu à partir de l'exercice d'imposition se rattachant à la période imposable qui suit la période visée à l'alinéa 1er et reprend son cours après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont déterminés en fonction du tonnage.]1
[2 Lorsque sont compris dans "les bénéfices imposables en Belgique provenant de la navigation maritime" visés à l'alinéa 1er des paiements effectués directement ou indirectement vers des personnes, établissements stables, ou comptes bancaires visés à l'article 307, § 1er/2, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, ce résultat est alors majoré du montant de ces paiements si ceux-ci n'ont pas été déclarés conformément audit article 307, § 1er/2, alinéa 1er, ou si les paiements ont été déclarés, pour lesquels le contribuable n'a pas justifié par toutes voies de droit qu'ils sont effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères et avec des personnes autres que des constructions artificielles.
En cas d'application de l'alinéa 4, les paiements visés à l'alinéa 4 sont exclus du montant visé à l'alinéa 4, lorsqu'il est démontré que si les bénéfices provenant de la navigation maritime n'étaient pas repris de façon forfaitaire, ces paiements pour une raison autre que l'application de l'article 198, § 1er, 10°, du Code des impôts sur les revenus 1992, seraient considérés comme des frais professionnels non déductibles.]2
[1 Aucun crédit d'impôt pour recherche et développement conformément aux articles 289quater à 289novies, 292bis et 530 du même Code n'est applicable pendant la période au cours de laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage. La partie éventuellement non imputée du crédit d'impôt pour recherche et développement qui subsiste à la fin de la période imposable qui se clôture au plus tard le 31 décembre 2020 ou qui précède la période imposable au cours de laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage, peut à nouveau être imputée après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi déterminés.
Le report du crédit d'impôt pour recherche et développement non imputé visé à l'article 292bis, § 1er, alinéa 2, du même Code, est suspendu à partir de l'exercice d'imposition se rattachant à la période imposable qui suit la période visée à l'alinéa 1er et reprend son cours après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont déterminés en fonction du tonnage.]1
[2 Lorsque sont compris dans "les bénéfices imposables en Belgique provenant de la navigation maritime" visés à l'alinéa 1er des paiements effectués directement ou indirectement vers des personnes, établissements stables, ou comptes bancaires visés à l'article 307, § 1er/2, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, ce résultat est alors majoré du montant de ces paiements si ceux-ci n'ont pas été déclarés conformément audit article 307, § 1er/2, alinéa 1er, ou si les paiements ont été déclarés, pour lesquels le contribuable n'a pas justifié par toutes voies de droit qu'ils sont effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères et avec des personnes autres que des constructions artificielles.
En cas d'application de l'alinéa 4, les paiements visés à l'alinéa 4 sont exclus du montant visé à l'alinéa 4, lorsqu'il est démontré que si les bénéfices provenant de la navigation maritime n'étaient pas repris de façon forfaitaire, ces paiements pour une raison autre que l'application de l'article 198, § 1er, 10°, du Code des impôts sur les revenus 1992, seraient considérés comme des frais professionnels non déductibles.]2
Art.117. Het verzoek als vermeld in artikel 81 wordt ingediend door de belastingplichtige bij de belastingadministratie, die hierover een beslissing neemt binnen een termijn van drie maanden na datum van ontvangst van het verzoek. Deze termijn kan in onderling overleg tussen de belastingplichtige en de belastingadministratie verlengd worden. Tegen de beslissing van de administratie over het verzoek kan overeenkomstig de artikelen 569, 32°, 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek een vordering worden ingesteld.
Art.117. La demande visée à l'article (116) est introduite par le contribuable auprès de l'administration fiscale qui prend à ce propos une décision dans un délai de trois mois à compter de la date de réception de la demande. Ce délai peut être prolongé de commun accord entre le contribuable et l'administration fiscale. Un recours peut être introduit contre la décision de l'administration sur la demande conformément aux dispositions des articles 569, 32°, 1385decies et 1385undecies du Code judiciaire.
Art.118. Bij inwilliging van het in artikel 81 vermelde verzoek treedt het stelsel inzake de vaststelling van de winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage, overeenkomstig deze afdeling, in werking met ingang van het belastbaar tijdperk dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend, tot het verstrijken van het belastbaar tijdperk dat afgesloten wordt tijdens het tiende kalenderjaar na dat waarin het verzoek werd ingediend. Op het einde van voormelde periode wordt het stelsel stilzwijgend verlengd voor eenzelfde periode. Voormeld stelsel kan door de belastingplichtige worden opgezegd ten laatste drie maanden voor het verstrijken van het laatste belastbaar tijdperk van de voormelde periode.
Art.118. En cas d'acceptation de la demande visée à l'article (116), le régime de détermination des bénéfices provenant de la navigation maritime en fonction du tonnage conformément à la présente section, produit ses effets à partir de la période imposable qui suit celle pendant laquelle la demande a été introduite, jusqu'à l'expiration de la période imposable qui est clôturée durant la dixième année civile après celle durant laquelle la demande a été introduite. A l'expiration de la période précitée, le régime est tacitement reconduit pour une même période. Le contribuable peut renoncer au régime précité au plus tard trois mois avant l'expiration de la dernière période imposable de la période précitée.
Art.119. § 1. Per schip, per dag en per 100 nettoton wordt de winst van het belastbaar tijdperk uit de zeescheepvaart vastgesteld aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde bedragen :
1,00 EUR voor de schijf tot 1.000 nettoton;
0,60 EUR voor de schijf van 1.000 nettoton tot 10.000 nettoton;
0,40 EUR voor de schijf van 10.000 nettoton tot 20.000 nettoton;
0,20 EUR voor de schijf van 20.000 nettoton tot 40.000 nettoton;
0,05 EUR voor de schijf boven 40.000 nettoton.
(Het tarief van 0,05 EUR voor de schijf boven 40 000 nettoton is slechts van toepassing :
- ofwel op zeeschepen die in nieuwe staat zijn verkregen;
- ofwel op zeeschepen met een ouderdom van minder dan vijf jaar die vanaf de oplevering gedurende de gehele periode die onmiddellijk voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarin voor het eerst de in België belastbare winst overeenkomstig het eerste lid op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de vlag van een land dat geen Lidstaat is van [1 de Europese Economische Ruimte]1 zijn geregistreerd;
- ofwel op zeeschepen met een ouderdom van tenminste vijf jaar die gedurende de vijf jaar die onmiddellijk voorafgaan aan het belastbaar tijdperk waarin voor het eerst de in België belastbare winst overeenkomstig het eerste lid op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de vlag van een land dat geen Lidstaat is van [1 de Europese Economische Ruimte]1 zijn geregistreerd.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt de ouderdom van een schip bepaald op basis van de opleveringsdatum zoals vastgesteld door de scheepshypotheekbewaarder of de bevoegde registratieautoriteiten.) <W 2004-12-27/30, art. 322, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. [2 Meerwaarden en minderwaarden op zeeschepen die onderworpen zijn aan de regeling zoals omschreven in deze afdeling, worden geacht begrepen te zijn in de forfaitair vastgestelde winst.
De begunstigde onderneming moet voor elk zeeschip dat vanaf 1 januari 2018 onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage is geregistreerd, de meerwaarde bij toetreding van het schip, zoals omschreven in het derde lid, alsook haar netto tonnage bepalen en deze in haar aangifte van de inkomstenbelastingen voor het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk in de loop waarvan het zeeschip onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage is geregistreerd, en aan de negen daaropvolgende belastbare tijdperken, opnemen.
De meerwaarde bij toetreding van een zeeschip dat overeenkomstig de modaliteiten van het tweede lid onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage is geregistreerd, is gelijk aan het positieve verschil tussen, enerzijds, de marktwaarde van het zeeschip beoordeeld op het ogenblik van zijn toetreding tot het stelsel en, anderzijds, zijn aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de voorheen overeenkomstig de artikelen 61 tot 64 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen vanaf zijn verwerving tot het eerste tijdperk waarvoor de winst van de activiteiten met betrekking tot het zeeschip aan de hand van de tonnage is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid, leidt de vervreemding van een zeeschip dat is verworven tijdens een belastbaar tijdperk vóór de toetreding tot het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage en is vervreemd binnen de 24 maanden volgend op de datum van zijn toetreding tot het stelsel tot de onderwerping van de in het derde lid bedoelde meerwaarde bij toetreding aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners volgens het gewone fiscale stelsel, tenzij wanneer bij een groep van vennootschappen het door de begunstigde onderneming vervreemde zeeschip aan een verbonden vennootschap is overgedragen en voor de resterende duur van de periode van 24 maanden ononderbroken onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage wordt geëxploiteerd of tenzij het zeeschip door de begunstigde onderneming in het kader van een financieringsverrichting is vervreemd en het zeeschip voor de resterende duur van de periode van 24 maanden ononderbroken onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage wordt geëxploiteerd door de begunstigde onderneming die het zeeschip heeft vervreemd of, indien de begunstigde onderneming deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, door een verbonden vennootschap.
Een duurzame afname met minstens 30 pct. van de netto-tonnage van de vloot van een begunstigde onderneming die na 1 januari 2018 onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van tonnage is geregistreerd, binnen de negen belastbare tijdperken volgend op het belastbaar tijdperk waarvoor de onderneming tot het stelsel toetreedt, ten opzichte van de overeenkomstig de modaliteiten van het tweede lid bij de toetreding tot het stelsel geregistreerde netto tonnage van de vloot, leidt eveneens tot de onderwerping aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners volgens het gewone fiscale stelsel van de in het derde lid bedoelde meerwaarde bij toetreding, tenzij wanneer bij een groep van vennootschappen de netto-tonnage van de gehele vloot van de ondernemingen binnen de groep die onderworpen zijn aan het stelsel van de forfaitaire belasting niet duurzaam is afgenomen ten opzichte van de netto tonnage van de gehele vloot van die ondernemingen op het moment van de toetreding van de begunstigde onderneming tot het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage. Onder "duurzame afname" wordt verstaan iedere afname die twee opeenvolgende belastbare tijdperken aanhoudt.
Iedere gehele of gedeeltelijke stopzetting van de activiteiten van een begunstigde onderneming die zich voordoet na 1 januari 2018, binnen de negen belastbare tijdperken volgend op het belastbaar tijdperk waarvoor de onderneming tot het stelsel toetreedt, leidt eveneens tot de onderwerping aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners volgens het gewone fiscale stelsel van de in het derde lid bedoelde meerwaarde bij toetreding van ieder zeeschip van de vloot van de begunstigde onderneming. Indien de begunstigde onderneming deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, leidt de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de activiteiten niet tot de onderwerping aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners volgens het gewone stelsel op voorwaarde dat de netto-tonnage van de gehele vloot van de ondernemingen binnen de groep die onderworpen zijn aan het stelsel van de forfaitaire belasting niet is verminderd ten opzichte van de netto tonnage van de gehele vloot van die ondernemingen op het moment van de toetreding van de begunstigde onderneming tot het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage.]2
§ 3. (opgeheven) <W 2004-12-27/30, art. 322, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. [3 ...]3
1,00 EUR voor de schijf tot 1.000 nettoton;
0,60 EUR voor de schijf van 1.000 nettoton tot 10.000 nettoton;
0,40 EUR voor de schijf van 10.000 nettoton tot 20.000 nettoton;
0,20 EUR voor de schijf van 20.000 nettoton tot 40.000 nettoton;
0,05 EUR voor de schijf boven 40.000 nettoton.
(Het tarief van 0,05 EUR voor de schijf boven 40 000 nettoton is slechts van toepassing :
- ofwel op zeeschepen die in nieuwe staat zijn verkregen;
- ofwel op zeeschepen met een ouderdom van minder dan vijf jaar die vanaf de oplevering gedurende de gehele periode die onmiddellijk voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarin voor het eerst de in België belastbare winst overeenkomstig het eerste lid op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de vlag van een land dat geen Lidstaat is van [1 de Europese Economische Ruimte]1 zijn geregistreerd;
- ofwel op zeeschepen met een ouderdom van tenminste vijf jaar die gedurende de vijf jaar die onmiddellijk voorafgaan aan het belastbaar tijdperk waarin voor het eerst de in België belastbare winst overeenkomstig het eerste lid op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de vlag van een land dat geen Lidstaat is van [1 de Europese Economische Ruimte]1 zijn geregistreerd.
Voor de toepassing van het vorige lid wordt de ouderdom van een schip bepaald op basis van de opleveringsdatum zoals vastgesteld door de scheepshypotheekbewaarder of de bevoegde registratieautoriteiten.) <W 2004-12-27/30, art. 322, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. [2 Meerwaarden en minderwaarden op zeeschepen die onderworpen zijn aan de regeling zoals omschreven in deze afdeling, worden geacht begrepen te zijn in de forfaitair vastgestelde winst.
De begunstigde onderneming moet voor elk zeeschip dat vanaf 1 januari 2018 onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage is geregistreerd, de meerwaarde bij toetreding van het schip, zoals omschreven in het derde lid, alsook haar netto tonnage bepalen en deze in haar aangifte van de inkomstenbelastingen voor het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk in de loop waarvan het zeeschip onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage is geregistreerd, en aan de negen daaropvolgende belastbare tijdperken, opnemen.
De meerwaarde bij toetreding van een zeeschip dat overeenkomstig de modaliteiten van het tweede lid onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage is geregistreerd, is gelijk aan het positieve verschil tussen, enerzijds, de marktwaarde van het zeeschip beoordeeld op het ogenblik van zijn toetreding tot het stelsel en, anderzijds, zijn aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de voorheen overeenkomstig de artikelen 61 tot 64 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aangenomen waardeverminderingen en afschrijvingen vanaf zijn verwerving tot het eerste tijdperk waarvoor de winst van de activiteiten met betrekking tot het zeeschip aan de hand van de tonnage is vastgesteld.
In afwijking van het eerste lid, leidt de vervreemding van een zeeschip dat is verworven tijdens een belastbaar tijdperk vóór de toetreding tot het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage en is vervreemd binnen de 24 maanden volgend op de datum van zijn toetreding tot het stelsel tot de onderwerping van de in het derde lid bedoelde meerwaarde bij toetreding aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners volgens het gewone fiscale stelsel, tenzij wanneer bij een groep van vennootschappen het door de begunstigde onderneming vervreemde zeeschip aan een verbonden vennootschap is overgedragen en voor de resterende duur van de periode van 24 maanden ononderbroken onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage wordt geëxploiteerd of tenzij het zeeschip door de begunstigde onderneming in het kader van een financieringsverrichting is vervreemd en het zeeschip voor de resterende duur van de periode van 24 maanden ononderbroken onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage wordt geëxploiteerd door de begunstigde onderneming die het zeeschip heeft vervreemd of, indien de begunstigde onderneming deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, door een verbonden vennootschap.
Een duurzame afname met minstens 30 pct. van de netto-tonnage van de vloot van een begunstigde onderneming die na 1 januari 2018 onder het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van tonnage is geregistreerd, binnen de negen belastbare tijdperken volgend op het belastbaar tijdperk waarvoor de onderneming tot het stelsel toetreedt, ten opzichte van de overeenkomstig de modaliteiten van het tweede lid bij de toetreding tot het stelsel geregistreerde netto tonnage van de vloot, leidt eveneens tot de onderwerping aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners volgens het gewone fiscale stelsel van de in het derde lid bedoelde meerwaarde bij toetreding, tenzij wanneer bij een groep van vennootschappen de netto-tonnage van de gehele vloot van de ondernemingen binnen de groep die onderworpen zijn aan het stelsel van de forfaitaire belasting niet duurzaam is afgenomen ten opzichte van de netto tonnage van de gehele vloot van die ondernemingen op het moment van de toetreding van de begunstigde onderneming tot het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage. Onder "duurzame afname" wordt verstaan iedere afname die twee opeenvolgende belastbare tijdperken aanhoudt.
Iedere gehele of gedeeltelijke stopzetting van de activiteiten van een begunstigde onderneming die zich voordoet na 1 januari 2018, binnen de negen belastbare tijdperken volgend op het belastbaar tijdperk waarvoor de onderneming tot het stelsel toetreedt, leidt eveneens tot de onderwerping aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners volgens het gewone fiscale stelsel van de in het derde lid bedoelde meerwaarde bij toetreding van ieder zeeschip van de vloot van de begunstigde onderneming. Indien de begunstigde onderneming deel uitmaakt van een groep van vennootschappen, leidt de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de activiteiten niet tot de onderwerping aan de vennootschapsbelasting of aan de belasting van niet-inwoners volgens het gewone stelsel op voorwaarde dat de netto-tonnage van de gehele vloot van de ondernemingen binnen de groep die onderworpen zijn aan het stelsel van de forfaitaire belasting niet is verminderd ten opzichte van de netto tonnage van de gehele vloot van die ondernemingen op het moment van de toetreding van de begunstigde onderneming tot het stelsel van de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage.]2
§ 3. (opgeheven) <W 2004-12-27/30, art. 322, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. [3 ...]3
Art.119. § 1er. Par navire, par jour et par 100 tonnes nettes, les bénéfices de la période imposable qui proviennent de la navigation maritime sont déterminés selon les montants précisés dans le tableau ci-dessous :
1,00 EUR pour la tranche jusqu'à 1.000 tonnes nettes;
0,60 EUR pour la tranche entre 1.000 tonnes nettes et 10.000 tonnes nettes;
0,40 EUR pour la tranche entre 10.000 tonnes nettes et 20.000 tonnes nettes;
0,20 EUR pour la tranche entre 20.000 tonnes nettes et 40.000 tonnes nettes;
0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40.000 tonnes nettes.
(Le taux de 0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40 000 tonnes nettes n'est applicable que :
- soit aux navires qui sont acquis à l'état neuf;
- soit aux navires d'un âge de moins de cinq ans qui ont été enregistrés sous le pavillon d'un pays qui n'est pas un Etat membre [1 de l'Espace économique européen]1 à partir de la livraison pendant toute la période qui précède immédiatement la période imposable au cours de laquelle les bénéfices imposables en Belgique sont déterminés pour la première fois de manierez forfaitaire conformément à l'alinéa 1er;
- soit aux navires d'un âge d'au moins cinq ans qui ont été enregistrés sous le pavillon d'un pays qui n'est pas un Etat membre [1 de l'Espace économique européen]1 durant les cinq années qui précèdent immédiatement la période imposable au cours de laquelle les bénéfices imposables en Belgique sont déterminés pour la première fois de manière forfaitaire conformément à l'alinéa 1er.
Pour l'application de l'alinéa précédent, l'âge d'un navire est déterminé sur la base de la date de livraison telle que fixée par le conservateur des hypothèques maritimes et fluviales ou les autorités compétentes en matière d'enregistrement.) <L 2004-12-27/30, art. 322, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. [2 Les plus-values et les moins-values sur des navires qui sont soumis aux règles décrites dans la présente section, sont censées être comprises dans les bénéfices déterminés forfaitairement.
L'entreprise bénéficiaire est tenue de déterminer, pour chaque navire enregistré à partir du 1er janvier 2018 dans le régime de taxation forfaitaire en fonction du tonnage, la plus-value à l'entrée du navire, telle que définie à l'alinéa 3, ainsi que son tonnage net, et de communiquer ces éléments dans sa déclaration aux impôts sur les revenus de l'exercice d'imposition afférent à la période imposable au cours de laquelle le navire est enregistré dans le régime de taxation forfaitaire en fonction du tonnage, et aux neuf périodes imposables suivantes.
La plus-value à l'entrée d'un navire qui est enregistré dans le régime de taxation forfaitaire au tonnage selon les modalités de l'alinéa 2, est égale à la différence positive entre, d'une part, la valeur de marché du navire évaluée au moment de son adhésion au régime et, d'autre part, sa valeur d'acquisition ou d'investissement diminuée des réductions de valeur et amortissements admis antérieurement, depuis son acquisition jusqu'à la première période pour laquelle les bénéfices des activités qui se rapportent au navire sont déterminés en fonction du tonnage, conformément aux articles 61 à 64 du Code des impôts sur les revenus 1992.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'aliénation d'un navire acquis au cours d'une période imposable avant l'adhésion au régime de taxation forfaitaire au tonnage et aliéné endéans les 24 mois qui suivent la date de son enregistrement au régime entraîne l'assujettissement de la plus-value à l'entrée visée à l'alinéa 3 à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents suivant le régime fiscal ordinaire, sauf si, en cas de groupes de sociétés, le navire aliéné par l'entreprise bénéficiaire est transféré à une société qui lui est liée, et est exploité, pour la période subsistante des 24 mois, sous le régime de taxation forfaitaire en fonction du tonnage, de façon ininterrompue, ou sauf si le navire est aliéné par l'entreprise bénéficiaire dans le cadre d'une opération de financement et que le navire est exploité, pour la période subsistante des 24 mois, sous le régime de taxation forfaitaire en fonction du tonnage de façon ininterrompue par l'entreprise bénéficiaire qui a aliéné le navire ou, si l'entreprise bénéficiaire fait partie d'un groupe de sociétés, par une société liée.
Une diminution durable d'au moins 30 p.c. du tonnage net de la flotte d'une entreprise bénéficiaire enregistrée dans le régime de taxation forfaitaire au tonnage après le 1er janvier 2018, endéans les neuf périodes imposables qui suivent la période imposable au cours de laquelle l'entreprise entre dans ledit régime, par rapport au tonnage net de la flotte enregistré à l'entrée du régime selon les modalités de l'alinéa 2, entraîne également l'assujettissement de la plus-value à l'entrée visée à l'alinéa 3 à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents suivant le régime fiscal ordinaire, sauf si, en cas de groupe de sociétés, le tonnage net de l'ensemble de la flotte des entreprises du groupe qui sont soumises au régime de taxation forfaitaire n'est pas diminué de manière durable par rapport au tonnage net de l'ensemble de la flotte de ces entreprises au moment de l'adhésion de l'entreprise bénéficiaire au régime de taxation forfaitaire sur base du tonnage. Par "diminution durable", il convient d'entendre toute diminution qui perdure pendant deux périodes imposables successives.
Toute cessation d'activité totale ou partielle d'une entreprise bénéficiaire se produisant après le 1er janvier 2018, endéans les neuf périodes imposables qui suivent la période imposable au cours de laquelle l'entreprise entre dans ledit régime, entraîne également l'assujettissement à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents suivant le régime fiscal ordinaire de la plus-value à l'entrée visée à l'alinéa 3 de chaque navire de la flotte de l'entreprise bénéficiaire. Si l'entreprise bénéficiaire fait partie d'un groupe de sociétés, la cessation totale ou partielle des activités n'entraîne pas l'assujettissement à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents suivant le régime fiscal ordinaire, à la condition que le tonnage net de l'ensemble de la flotte des entreprises du groupe qui sont soumises au régime de taxation forfaitaire n'est pas diminué par rapport au tonnage net de l'ensemble de la flotte de ces entreprises au moment de l'adhésion de l'entreprise bénéficiaire au régime de taxation forfaitaire sur base du tonnage.]2
§ 3. (abrogé) <L 2004-12-27/30, art. 322, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. [3 ...]3
1,00 EUR pour la tranche jusqu'à 1.000 tonnes nettes;
0,60 EUR pour la tranche entre 1.000 tonnes nettes et 10.000 tonnes nettes;
0,40 EUR pour la tranche entre 10.000 tonnes nettes et 20.000 tonnes nettes;
0,20 EUR pour la tranche entre 20.000 tonnes nettes et 40.000 tonnes nettes;
0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40.000 tonnes nettes.
(Le taux de 0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40 000 tonnes nettes n'est applicable que :
- soit aux navires qui sont acquis à l'état neuf;
- soit aux navires d'un âge de moins de cinq ans qui ont été enregistrés sous le pavillon d'un pays qui n'est pas un Etat membre [1 de l'Espace économique européen]1 à partir de la livraison pendant toute la période qui précède immédiatement la période imposable au cours de laquelle les bénéfices imposables en Belgique sont déterminés pour la première fois de manierez forfaitaire conformément à l'alinéa 1er;
- soit aux navires d'un âge d'au moins cinq ans qui ont été enregistrés sous le pavillon d'un pays qui n'est pas un Etat membre [1 de l'Espace économique européen]1 durant les cinq années qui précèdent immédiatement la période imposable au cours de laquelle les bénéfices imposables en Belgique sont déterminés pour la première fois de manière forfaitaire conformément à l'alinéa 1er.
Pour l'application de l'alinéa précédent, l'âge d'un navire est déterminé sur la base de la date de livraison telle que fixée par le conservateur des hypothèques maritimes et fluviales ou les autorités compétentes en matière d'enregistrement.) <L 2004-12-27/30, art. 322, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. [2 Les plus-values et les moins-values sur des navires qui sont soumis aux règles décrites dans la présente section, sont censées être comprises dans les bénéfices déterminés forfaitairement.
L'entreprise bénéficiaire est tenue de déterminer, pour chaque navire enregistré à partir du 1er janvier 2018 dans le régime de taxation forfaitaire en fonction du tonnage, la plus-value à l'entrée du navire, telle que définie à l'alinéa 3, ainsi que son tonnage net, et de communiquer ces éléments dans sa déclaration aux impôts sur les revenus de l'exercice d'imposition afférent à la période imposable au cours de laquelle le navire est enregistré dans le régime de taxation forfaitaire en fonction du tonnage, et aux neuf périodes imposables suivantes.
La plus-value à l'entrée d'un navire qui est enregistré dans le régime de taxation forfaitaire au tonnage selon les modalités de l'alinéa 2, est égale à la différence positive entre, d'une part, la valeur de marché du navire évaluée au moment de son adhésion au régime et, d'autre part, sa valeur d'acquisition ou d'investissement diminuée des réductions de valeur et amortissements admis antérieurement, depuis son acquisition jusqu'à la première période pour laquelle les bénéfices des activités qui se rapportent au navire sont déterminés en fonction du tonnage, conformément aux articles 61 à 64 du Code des impôts sur les revenus 1992.
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'aliénation d'un navire acquis au cours d'une période imposable avant l'adhésion au régime de taxation forfaitaire au tonnage et aliéné endéans les 24 mois qui suivent la date de son enregistrement au régime entraîne l'assujettissement de la plus-value à l'entrée visée à l'alinéa 3 à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents suivant le régime fiscal ordinaire, sauf si, en cas de groupes de sociétés, le navire aliéné par l'entreprise bénéficiaire est transféré à une société qui lui est liée, et est exploité, pour la période subsistante des 24 mois, sous le régime de taxation forfaitaire en fonction du tonnage, de façon ininterrompue, ou sauf si le navire est aliéné par l'entreprise bénéficiaire dans le cadre d'une opération de financement et que le navire est exploité, pour la période subsistante des 24 mois, sous le régime de taxation forfaitaire en fonction du tonnage de façon ininterrompue par l'entreprise bénéficiaire qui a aliéné le navire ou, si l'entreprise bénéficiaire fait partie d'un groupe de sociétés, par une société liée.
Une diminution durable d'au moins 30 p.c. du tonnage net de la flotte d'une entreprise bénéficiaire enregistrée dans le régime de taxation forfaitaire au tonnage après le 1er janvier 2018, endéans les neuf périodes imposables qui suivent la période imposable au cours de laquelle l'entreprise entre dans ledit régime, par rapport au tonnage net de la flotte enregistré à l'entrée du régime selon les modalités de l'alinéa 2, entraîne également l'assujettissement de la plus-value à l'entrée visée à l'alinéa 3 à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents suivant le régime fiscal ordinaire, sauf si, en cas de groupe de sociétés, le tonnage net de l'ensemble de la flotte des entreprises du groupe qui sont soumises au régime de taxation forfaitaire n'est pas diminué de manière durable par rapport au tonnage net de l'ensemble de la flotte de ces entreprises au moment de l'adhésion de l'entreprise bénéficiaire au régime de taxation forfaitaire sur base du tonnage. Par "diminution durable", il convient d'entendre toute diminution qui perdure pendant deux périodes imposables successives.
Toute cessation d'activité totale ou partielle d'une entreprise bénéficiaire se produisant après le 1er janvier 2018, endéans les neuf périodes imposables qui suivent la période imposable au cours de laquelle l'entreprise entre dans ledit régime, entraîne également l'assujettissement à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents suivant le régime fiscal ordinaire de la plus-value à l'entrée visée à l'alinéa 3 de chaque navire de la flotte de l'entreprise bénéficiaire. Si l'entreprise bénéficiaire fait partie d'un groupe de sociétés, la cessation totale ou partielle des activités n'entraîne pas l'assujettissement à l'impôt des sociétés ou à l'impôt des non-résidents suivant le régime fiscal ordinaire, à la condition que le tonnage net de l'ensemble de la flotte des entreprises du groupe qui sont soumises au régime de taxation forfaitaire n'est pas diminué par rapport au tonnage net de l'ensemble de la flotte de ces entreprises au moment de l'adhésion de l'entreprise bénéficiaire au régime de taxation forfaitaire sur base du tonnage.]2
§ 3. (abrogé) <L 2004-12-27/30, art. 322, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. [3 ...]3
Art.120. § 1. (opgeheven) <W 2004-12-27/30, art. 323, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. Van de winst vastgesteld op grond van artikel 119 kunnen geen (...) beroepsverliezen worden afgetrokken. <W 2004-12-27/30, art. 323, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Het eventuele niet verrekende gedeelte van de verliezen uit zeescheepvaart zoals het bestaat op het ogenblik dat de winst uit zeescheepvaart voor de eerste keer wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage, kan na het verstrijken van de periode waarvoor de winst aldus wordt vastgesteld, opnieuw in mindering worden gebracht.
§ 2. Van de winst vastgesteld op grond van artikel 119 kunnen geen (...) beroepsverliezen worden afgetrokken. <W 2004-12-27/30, art. 323, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Het eventuele niet verrekende gedeelte van de verliezen uit zeescheepvaart zoals het bestaat op het ogenblik dat de winst uit zeescheepvaart voor de eerste keer wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage, kan na het verstrijken van de periode waarvoor de winst aldus wordt vastgesteld, opnieuw in mindering worden gebracht.
Art.120. § 1er. (abrogé) <L 2004-12-27/30, art. 323, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. Aucune déduction au titre de pertes professionnelles (...) ne peut être opéré des bénéfices déterminés sur base de l'article 119. <L 2004-12-27/30, art. 323, 006; En vigueur : 01-01-2003>
La partie éventuelle non imputée des pertes provenant de la navigation maritime, qui subsiste au moment où les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage, peut être portée à nouveau en déduction des bénéfices après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi détermines.
§ 2. Aucune déduction au titre de pertes professionnelles (...) ne peut être opéré des bénéfices déterminés sur base de l'article 119. <L 2004-12-27/30, art. 323, 006; En vigueur : 01-01-2003>
La partie éventuelle non imputée des pertes provenant de la navigation maritime, qui subsiste au moment où les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage, peut être portée à nouveau en déduction des bénéfices après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi détermines.
Afdeling II. - Bijzonder keuzestelsel van afschrijvingen.
Section II. - Régime spécial d'option applicable aux amortissements.
Art.121. § 1. Onder voorbehoud van de in deze afdeling vermelde afwijkingen worden de afschrijvingen op nieuwe en tweedehandse zeeschepen bepaald overeenkomstig de artikelen 61 tot 64 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 2. (Voor zeeschepen die in nieuwe staat zijn verkregen die uitsluitend voor het uitoefenen van de activiteiten zoals omschreven in artikel 115, § 2, 1°, worden gebruikt, delen in mede-eigendom van dergelijke nieuwe zeeschepen en scheepsaandelen in dergelijke nieuwe zeeschepen mogen de volgende afschrijvingspercentages worden aangenomen :
- voor het boekjaar van de ingebruikneming : 20 pct.;
- voor ieder van de volgende twee boekjaren : 15 pct.;
- vervolgens per boekjaar tot volledige afschrijving : 10 pct.) <W 2004-12-27/30, art. 324, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 3. De afschrijvingstekorten betreffende de eerste drie boekjaren te rekenen vanaf het boekjaar waarin het zeeschip in de vaart werd gebracht, worden ingehaald tijdens de belastbare tijdperken die volgen op dat waarin het tekort is ontstaan, zelfs buiten de normale afschrijvingsduur overeenkomstig § 2, met dien verstande dat de totale jaarlijkse afschrijvingsannuïteit per zeeschip in geen geval meer dan 20 % van de aanschaffings- of beleggingswaarde mag bedragen.
§ 4. Zeeschepen die overeenkomstig het in dit artikel vermelde stelsel worden afgeschreven, komen niet in aanmerking voor het keuzestelsel van degressieve afschrijvingen voorzien in artikel 64 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 5. (Zeeschepen die niet in nieuwe staat zijn verkregen en die uitsluitend voor het uitoefenen van de activiteiten zoals omschreven in artikel 115, § 2, 1°, worden gebruikt, delen in mede-eigendom van dergelijke zeeschepen en scheepsaandelen in dergelijke zeeschepen komen in aanmerking voor afschrijving als vermeld in de §§ 1 tot 4, wanneer deze schepen voor het eerst in het bezit van een Belgische belastingplichtige komen.) <W 2004-12-27/30, art. 324, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Zeeschepen die niet in nieuwe staat zijn verkregen en die ingevolge het eerste lid niet in aanmerking komen voor afschrijving als vermeld in de §§ 1 tot 4, mogen lineair worden afgeschreven over de normale gebruiksduur.
(Voor zeeschepen die niet in nieuwe staat zijn verkregen en die uitsluitend voor het uitoefenen van de activiteiten zoals omschreven in artikel 115, § 2, 1°, worden gebruikt, zijn de afschrijvingen als vermeld in de §§ 1 tot 4 mede van toepassing op de bij aankoop van deze zeeschepen gedane kosten wegens grote herstellingen en inrichting.) <W 2004-12-27/30, art. 324, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 6. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing gedurende de periode tijdens dewelke de winst uit zeescheepvaart wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage.
§ 7. Bij vervreemding na afloop van de periode gedurende dewelke de winst (uit zeescheepvaart) wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage wordt voor de bean de meerwaarde als vermeld in artikel (122), de fiscale nettowaarde vastgesteld op basis van de normale fiscale afschrijvingsregels, met inbegrip van de periode waarin de winst uit zeescheepvaart werd bepaald aan de hand van de tonnage.
§ 2. (Voor zeeschepen die in nieuwe staat zijn verkregen die uitsluitend voor het uitoefenen van de activiteiten zoals omschreven in artikel 115, § 2, 1°, worden gebruikt, delen in mede-eigendom van dergelijke nieuwe zeeschepen en scheepsaandelen in dergelijke nieuwe zeeschepen mogen de volgende afschrijvingspercentages worden aangenomen :
- voor het boekjaar van de ingebruikneming : 20 pct.;
- voor ieder van de volgende twee boekjaren : 15 pct.;
- vervolgens per boekjaar tot volledige afschrijving : 10 pct.) <W 2004-12-27/30, art. 324, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 3. De afschrijvingstekorten betreffende de eerste drie boekjaren te rekenen vanaf het boekjaar waarin het zeeschip in de vaart werd gebracht, worden ingehaald tijdens de belastbare tijdperken die volgen op dat waarin het tekort is ontstaan, zelfs buiten de normale afschrijvingsduur overeenkomstig § 2, met dien verstande dat de totale jaarlijkse afschrijvingsannuïteit per zeeschip in geen geval meer dan 20 % van de aanschaffings- of beleggingswaarde mag bedragen.
§ 4. Zeeschepen die overeenkomstig het in dit artikel vermelde stelsel worden afgeschreven, komen niet in aanmerking voor het keuzestelsel van degressieve afschrijvingen voorzien in artikel 64 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
§ 5. (Zeeschepen die niet in nieuwe staat zijn verkregen en die uitsluitend voor het uitoefenen van de activiteiten zoals omschreven in artikel 115, § 2, 1°, worden gebruikt, delen in mede-eigendom van dergelijke zeeschepen en scheepsaandelen in dergelijke zeeschepen komen in aanmerking voor afschrijving als vermeld in de §§ 1 tot 4, wanneer deze schepen voor het eerst in het bezit van een Belgische belastingplichtige komen.) <W 2004-12-27/30, art. 324, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Zeeschepen die niet in nieuwe staat zijn verkregen en die ingevolge het eerste lid niet in aanmerking komen voor afschrijving als vermeld in de §§ 1 tot 4, mogen lineair worden afgeschreven over de normale gebruiksduur.
(Voor zeeschepen die niet in nieuwe staat zijn verkregen en die uitsluitend voor het uitoefenen van de activiteiten zoals omschreven in artikel 115, § 2, 1°, worden gebruikt, zijn de afschrijvingen als vermeld in de §§ 1 tot 4 mede van toepassing op de bij aankoop van deze zeeschepen gedane kosten wegens grote herstellingen en inrichting.) <W 2004-12-27/30, art. 324, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 6. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing gedurende de periode tijdens dewelke de winst uit zeescheepvaart wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage.
§ 7. Bij vervreemding na afloop van de periode gedurende dewelke de winst (uit zeescheepvaart) wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage wordt voor de bean de meerwaarde als vermeld in artikel (122), de fiscale nettowaarde vastgesteld op basis van de normale fiscale afschrijvingsregels, met inbegrip van de periode waarin de winst uit zeescheepvaart werd bepaald aan de hand van de tonnage.
Art.121. § 1er. Sous réserve des dérogations mentionnées dans la présente section, les amortissements sur les navires neufs ou de seconde main sont déterminés conformément aux articles 61 à 64 du Code des impôts sur les revenus 1992.
§ 2. (Les pourcentages d'amortissement suivants sont admis pour les navires acquis à l'état neuf qui sont affectés exclusivement à l'exercice des activités décrites à l'article 115, § 2, 1°, pour les parts de co-propriété de tels navires neufs et les parts de navire dans tels navires neufs :
- pour l'exercice comptable de la mise en service : 20 p.c.;
- pour chacun des deux exercices comptables suivants : 15 p.c.;
- ensuite, par exercice comptable, jusqu'à l'amortissement complet : 10 p.c.) <L 2004-12-27/30, art. 324, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Les insuffisances d'amortissement des trois premiers exercices comptables, à compter de l'exercice comptable durant lequel le navire est mis en service, sont récupérées durant les périodes imposables qui suivent celle pendant laquelle l'insuffisance est survenue, même en dehors de la durée normale d'amortissement conformément au § 2, étant entendu que l'annuité totale d'amortissement annuel par navire ne peut, en aucun cas, dépasser 20 % de la valeur d'investissement ou de revient.
§ 4. Les navires qui sont amortis conformément au régime visé au présent article, ne peuvent bénéficier du régime d'option d'amortissements dégressifs prévu à l'article 64 du Code des impôts sur les revenus 1992.
§ 5. (Les navires qui ne sont pas acquis à l'état neuf et qui sont affectés exclusivement à l'exercice des activités décrites à l'article 115, § 2, 1°, les parts de co-propriété de tels navires et les parts de navire dans tels navires, peuvent bénéficier de l'amortissement visé aux §§ 1er à 4, lorsque ces navires entrent pour la première fois en la possession d'un contribuable belge.) <L 2004-12-27/30, art. 324, 006; En vigueur : 01-01-2003>
Les navires qui ne sont pas acquis à l'état neuf et qui, conformément à l'alinéa premier, ne peuvent bénéficier de l'amortissement visé aux §§ 1er à 4, peuvent être amortis de manière linéaire sur la durée d'utilisation normale.
(En ce qui concerne les navires qui ne sont pas acquis à l'état neuf et qui sont affectés exclusivement à l'exercice des activités décrites à l'article 115, § 2, 1°, les amortissements visés aux §§ 1er à 4 s'appliquent également aux frais des grandes réparations et d'aménagements exposés à l'occasion de l'acquisition de ces navires.) <L 2004-12-27/30, art. 324, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 6. Les dispositions du présent article ne sont pas applicables pendant la période durant laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage.
§ 7. En cas d'aliénation après la fin de la période durant laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage, pour le calcul de la plus-value visée à l'article 121, la valeur fiscale nette est établie sur base des règles d'amortissement normales sur le plan fiscal, y compris pour la période durant laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage.
§ 2. (Les pourcentages d'amortissement suivants sont admis pour les navires acquis à l'état neuf qui sont affectés exclusivement à l'exercice des activités décrites à l'article 115, § 2, 1°, pour les parts de co-propriété de tels navires neufs et les parts de navire dans tels navires neufs :
- pour l'exercice comptable de la mise en service : 20 p.c.;
- pour chacun des deux exercices comptables suivants : 15 p.c.;
- ensuite, par exercice comptable, jusqu'à l'amortissement complet : 10 p.c.) <L 2004-12-27/30, art. 324, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Les insuffisances d'amortissement des trois premiers exercices comptables, à compter de l'exercice comptable durant lequel le navire est mis en service, sont récupérées durant les périodes imposables qui suivent celle pendant laquelle l'insuffisance est survenue, même en dehors de la durée normale d'amortissement conformément au § 2, étant entendu que l'annuité totale d'amortissement annuel par navire ne peut, en aucun cas, dépasser 20 % de la valeur d'investissement ou de revient.
§ 4. Les navires qui sont amortis conformément au régime visé au présent article, ne peuvent bénéficier du régime d'option d'amortissements dégressifs prévu à l'article 64 du Code des impôts sur les revenus 1992.
§ 5. (Les navires qui ne sont pas acquis à l'état neuf et qui sont affectés exclusivement à l'exercice des activités décrites à l'article 115, § 2, 1°, les parts de co-propriété de tels navires et les parts de navire dans tels navires, peuvent bénéficier de l'amortissement visé aux §§ 1er à 4, lorsque ces navires entrent pour la première fois en la possession d'un contribuable belge.) <L 2004-12-27/30, art. 324, 006; En vigueur : 01-01-2003>
Les navires qui ne sont pas acquis à l'état neuf et qui, conformément à l'alinéa premier, ne peuvent bénéficier de l'amortissement visé aux §§ 1er à 4, peuvent être amortis de manière linéaire sur la durée d'utilisation normale.
(En ce qui concerne les navires qui ne sont pas acquis à l'état neuf et qui sont affectés exclusivement à l'exercice des activités décrites à l'article 115, § 2, 1°, les amortissements visés aux §§ 1er à 4 s'appliquent également aux frais des grandes réparations et d'aménagements exposés à l'occasion de l'acquisition de ces navires.) <L 2004-12-27/30, art. 324, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 6. Les dispositions du présent article ne sont pas applicables pendant la période durant laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage.
§ 7. En cas d'aliénation après la fin de la période durant laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage, pour le calcul de la plus-value visée à l'article 121, la valeur fiscale nette est établie sur base des règles d'amortissement normales sur le plan fiscal, y compris pour la période durant laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage.
Afdeling III. - Vrijstelling van meerwaarden op zeeschepen.
Section III. - Exonération des plus-values sur navires.
Art.122. § 1. Onder voorbehoud van de in deze afdeling vermelde afwijkingen, zijn de bepalingen als vermeld in artikel 190 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, van toepassing op de meerwaarden verwezenlijkt op zeeschepen door (binnenlandse vennootschappen of belgische inrichtigen van buitenlandse) vennootschappen die uitsluitend activiteiten uitoefenen zoals omschreven in artikel 115, § 2.
§ 2. Wanneer een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen als hierna gesteld, worden de meerwaarden gerealiseerd bij vervreemding van zeeschepen, vrijgesteld, voor zover de vervreemde zeeschepen sedert meer dan 5 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden.
§ 3. De herbelegging moet gebeuren in zeeschepen, delen in mede-eigendom in zeeschepen, in scheepsaandelen of in aandelen van een vennootschap - scheepsexploitant die haar [2 voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer]2 in [1 de Europese Economische Ruimte]1 heeft.
§ 4. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn van 5 jaar vanaf de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde is var tijdperk dat de verwezenlijking van de meerwaarde voorafgaat.
§ 5. Om het in het § 1 vermelde belastingstelsel te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen, voor het aanslagjaar van de verwezenlijking van de meerwaarde en de erop volgende aanslagjaren tot wanneer de herbelegging overeenkomstig de §§ 2 tot 4 is verricht, een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
§ 6. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in §§ 1 tot § 4, wordt de verwezenlijkte meerwaarde, aangemerkt als winst van het belastbaar tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is.
§ 7. De als herbelegging aangemerkte investering moet gedurende tenminste vijf jaar als actiefbestanddeel behouden blijven, maar kan eventueel vervangen worden binnen de drie maanden na vervreemding ervan. Indien op deze wijze de als herbelegging aangemerkte investering werd vervangen, gelden bij vervreemding van het vervangende actief de regels van dit artikel.
§ 8. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing gedurende de periode tijdens dewelke de winst uit zeescheepvaart wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage.
§ 2. Wanneer een bedrag gelijk aan de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen als hierna gesteld, worden de meerwaarden gerealiseerd bij vervreemding van zeeschepen, vrijgesteld, voor zover de vervreemde zeeschepen sedert meer dan 5 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden.
§ 3. De herbelegging moet gebeuren in zeeschepen, delen in mede-eigendom in zeeschepen, in scheepsaandelen of in aandelen van een vennootschap - scheepsexploitant die haar [2 voornaamste inrichting of de zetel van bestuur of beheer]2 in [1 de Europese Economische Ruimte]1 heeft.
§ 4. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn van 5 jaar vanaf de eerste dag van het belastbaar tijdperk waarin de meerwaarde is var tijdperk dat de verwezenlijking van de meerwaarde voorafgaat.
§ 5. Om het in het § 1 vermelde belastingstelsel te rechtvaardigen moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen, voor het aanslagjaar van de verwezenlijking van de meerwaarde en de erop volgende aanslagjaren tot wanneer de herbelegging overeenkomstig de §§ 2 tot 4 is verricht, een opgave voegen waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.
§ 6. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in §§ 1 tot § 4, wordt de verwezenlijkte meerwaarde, aangemerkt als winst van het belastbaar tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is.
§ 7. De als herbelegging aangemerkte investering moet gedurende tenminste vijf jaar als actiefbestanddeel behouden blijven, maar kan eventueel vervangen worden binnen de drie maanden na vervreemding ervan. Indien op deze wijze de als herbelegging aangemerkte investering werd vervangen, gelden bij vervreemding van het vervangende actief de regels van dit artikel.
§ 8. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing gedurende de periode tijdens dewelke de winst uit zeescheepvaart wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage.
Art.122. § 1er. Sous réserve des dérogations mentionnées à la présente section, les dispositions visées à l'article 190 du Code des impôts sur les revenus 1992, s'appliquent aux plus-values réalisées sur les navires par des sociétés (résidentes ou des établissements belges de sociétés non-résidentes) qui exercent exclusivement des activités décrites à l'article 115, § 2.
§ 2. Lorsqu'un montant égal à la valeur de réalisation est remployé de la manière et dans les délais indiqués ci-après, les plus-values réalisées à l'occasion de l'aliénation de navires sont exonérées, pour autant que les navires aliénés aient la nature d'immobilisations depuis plus de 5 ans au moment de leur aliénation.
§ 3. Le remploi doit revêtir la forme de navires, de parts de copropriété de navires, de parts de navires ou d'actions ou parts d'une société - exploitant maritime qui a son [2 principal établissement ou siège de direction ou d'administration]2 [1 dans l'Espace économique européen]1.
§ 4. Le remploi doit être effectué au plus tard à la cessation de l'activité professionnelle et dans un délai de 5 ans prenant cours le premier jour de la période imposable de réalisation de la plus-value, ou le premier jour de la pénultième période imposable précédant celle de la réalisation de la plus-value.
§ 5. Pour justifier du système de taxation visé au § 1er, le contribuable est tenu de joindre un relevé conforme au modèle arrêté par le Ministre des Finances ou son délégué, à sa déclaration aux impôts sur les revenus de l'exercice d'imposition afférent à la période imposable de réalisation de la plus-value et de chaque exercice d'imposition ultérieur jusqu'à ce que le remploi soit effectué conformément aux §§ 2 à 4.
§ 6. A défaut de remploi dans les formes et délais prévus aux §§ 1er à 4, la plus-value réalisée, est considérée comme un bénéfice de la période imposable pendant laquelle le délai de remploi est venu à expiration.
§ 7. L'investissement pris en considération pour le remploi doit être conservé comme élément d'actif pendant au moins cinq ans. Toutefois, il peut éventuellement être remplacé dans les trois mois en cas d'aliénation. Si l'investissement, pris en considération comme remploi, a été remplacé de cette façon, les règles du présent article s'appliquent pour l'aliénation de l'actif acquis en remplacement.
§ 8. Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas pour la période au cours de laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage.
§ 2. Lorsqu'un montant égal à la valeur de réalisation est remployé de la manière et dans les délais indiqués ci-après, les plus-values réalisées à l'occasion de l'aliénation de navires sont exonérées, pour autant que les navires aliénés aient la nature d'immobilisations depuis plus de 5 ans au moment de leur aliénation.
§ 3. Le remploi doit revêtir la forme de navires, de parts de copropriété de navires, de parts de navires ou d'actions ou parts d'une société - exploitant maritime qui a son [2 principal établissement ou siège de direction ou d'administration]2 [1 dans l'Espace économique européen]1.
§ 4. Le remploi doit être effectué au plus tard à la cessation de l'activité professionnelle et dans un délai de 5 ans prenant cours le premier jour de la période imposable de réalisation de la plus-value, ou le premier jour de la pénultième période imposable précédant celle de la réalisation de la plus-value.
§ 5. Pour justifier du système de taxation visé au § 1er, le contribuable est tenu de joindre un relevé conforme au modèle arrêté par le Ministre des Finances ou son délégué, à sa déclaration aux impôts sur les revenus de l'exercice d'imposition afférent à la période imposable de réalisation de la plus-value et de chaque exercice d'imposition ultérieur jusqu'à ce que le remploi soit effectué conformément aux §§ 2 à 4.
§ 6. A défaut de remploi dans les formes et délais prévus aux §§ 1er à 4, la plus-value réalisée, est considérée comme un bénéfice de la période imposable pendant laquelle le délai de remploi est venu à expiration.
§ 7. L'investissement pris en considération pour le remploi doit être conservé comme élément d'actif pendant au moins cinq ans. Toutefois, il peut éventuellement être remplacé dans les trois mois en cas d'aliénation. Si l'investissement, pris en considération comme remploi, a été remplacé de cette façon, les règles du présent article s'appliquent pour l'aliénation de l'actif acquis en remplacement.
§ 8. Les dispositions du présent article ne s'appliquent pas pour la période au cours de laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage.
Afdeling IV. - Investeringsaftrek.
Section IV. - Déduction pour investissement.
Art.123. § 1. In afwijking van de artikelen 68 en 201 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kunnen binnenlandse vennootschappen (of Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen) die uitsluitend activiteiten uitoefenen zoals omschreven in artikel 115 met betrekking tot zeeschepen die in nieuwe staat zijn verkregen of tweedehandse zeeschepen die voor het eerst in het bezit van een Belgische belastingplichtige komen, een investeringsaftrek genieten gelijk aan 30 pct. van de aanschaffingsprijs van die zeeschepen.
§ 2. [1 De in § 1 bedoelde investeringsaftrek kan niet worden verricht]1 gedurende de periode tijdens dewelke de winst uit zeescheepvaart wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage.
§ 3. Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de investeringsaftrek te kunnen verrichten, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken [1 waarvoor de winst uit zeescheepvaart niet aan de hand van de tonnage wordt vastgesteld]1.
§ 4. [1 Het eventuele niet verrekende gedeelte van de investeringsaftrek zoals het bestaat op het ogenblik dat de winst uit zeescheepvaart voor de eerste keer wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage, kan gedurende de periode waarvoor de winst aldus wordt vastgesteld, achtereenvolgens van de op basis van artikel 119, § 2, vierde, vijfde of zesde lid belastbare winst in mindering worden gebracht.]1
§ 2. [1 De in § 1 bedoelde investeringsaftrek kan niet worden verricht]1 gedurende de periode tijdens dewelke de winst uit zeescheepvaart wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage.
§ 3. Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de investeringsaftrek te kunnen verrichten, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken [1 waarvoor de winst uit zeescheepvaart niet aan de hand van de tonnage wordt vastgesteld]1.
§ 4. [1 Het eventuele niet verrekende gedeelte van de investeringsaftrek zoals het bestaat op het ogenblik dat de winst uit zeescheepvaart voor de eerste keer wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage, kan gedurende de periode waarvoor de winst aldus wordt vastgesteld, achtereenvolgens van de op basis van artikel 119, § 2, vierde, vijfde of zesde lid belastbare winst in mindering worden gebracht.]1
Modifications
Art.123. § 1er. Par dérogation aux articles 68 et 201 du Code des impôts sur les revenus 1992, les sociétés résidentes (ou les établissements belges de sociétés non-résidentes) qui exercent exclusivement des activités décrites à l'article 115, afférentes à des navires acquis à l'état neuf ou à des navires de seconde main qui entrent pour la première fois en la possession d'un contribuable belge, peuvent bénéficier d'une déduction pour investissement égale 30 p.c. du prix d'acquisition de ces navires.
§2. [1 La déduction pour investissement visée au § 1er ne peut pas être opérée pendant]1 la période au cours de laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage.
§ 3. En cas d'absence ou d'insuffisance de bénéfices d'une période imposable pour laquelle la déduction pour investissement peut être opérée, l'exonération non accordée pour cette période imposable est reportée successivement sur les bénéfices des périodes imposables suivantes [1 pour lesquelles les bénéfices provenant de la navigation maritime ne sont pas déterminés en fonction du tonnage]1.
§ 4. [1 La partie éventuelle non imputée de la déduction pour investissement qui subsiste au moment où les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage, peut être portée en déduction successivement des bénéfices imposables sur base de l'article 119, § 2, alinéa 4, 5 ou 6, pendant la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi déterminés.]1
§2. [1 La déduction pour investissement visée au § 1er ne peut pas être opérée pendant]1 la période au cours de laquelle les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés en fonction du tonnage.
§ 3. En cas d'absence ou d'insuffisance de bénéfices d'une période imposable pour laquelle la déduction pour investissement peut être opérée, l'exonération non accordée pour cette période imposable est reportée successivement sur les bénéfices des périodes imposables suivantes [1 pour lesquelles les bénéfices provenant de la navigation maritime ne sont pas déterminés en fonction du tonnage]1.
§ 4. [1 La partie éventuelle non imputée de la déduction pour investissement qui subsiste au moment où les bénéfices provenant de la navigation maritime sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage, peut être portée en déduction successivement des bénéfices imposables sur base de l'article 119, § 2, alinéa 4, 5 ou 6, pendant la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi déterminés.]1
Modifications
Afdeling V. - Winst op basis van de tonnage uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden.
Section V. - Bénéfices sur base du tonnage provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers.
Art.124. § 1. Op verzoek van de belastingplichtige wordt, in afwijking van de artikelen 183, 185, 189 tot 207, 233, eerste lid, en 235 tot 240 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de belastbare winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden op forfaitaire wijze vastgesteld op basis van de tonnage van de zeeschepen waarover het beheer wordt gevoerd.
[2 Geen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 292bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit dit beheer voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald.
De overdracht van het niet verrekende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 292bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat betrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op het tijdperk bedoeld in het eerste lid en wordt hervat na het verstrijken van de periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden op basis van tonnage wordt bepaald.]2
[3 Wanneer in de in het eerste lid bedoelde "belastbare winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden", betalingen zijn begrepen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn verricht aan personen, vaste inrichtingen of bankrekeningen die in artikel 307, § 1/2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden bedoeld, dan wordt dit resultaat, verhoogd met het bedrag van deze betalingen indien deze niet zijn aangegeven overeenkomstig het voornoemde artikel 307, § 1/2, eerste lid, of als ze toch aangegeven zijn, indien de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen heeft aangetoond dat zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht.
In geval van toepassing van het vierde lid, worden de in het vierde lid bedoelde betalingen van het in het vierde lid bedoelde bedrag uitgesloten, wanneer wordt aangetoond dat indien de winst uit het beheer van zeeschepen niet op forfaitaire wijze werd vastgesteld, deze betalingen om een andere reden dan de toepassing van artikel 198, § 1, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zouden worden aangemerkt als een niet aftrekbare beroepskost.]3
§ 2. Het verzoek als vermeld in § 1, wordt ingediend door de belastingplichtige bij de belastingadministratie die hierover een beslissing neemt binnen een termijn van drie maanden na datum van ontvangst van het verzoek. Deze termijn kan in onderling overleg tussen de belastingplichtige en de belastingadministratie verlengd worden. De administratie zal beslissen over het verzoek bij een voor beroep vatbare beschikking.
§ 3. Bij inwilliging van het in § 1 vermelde verzoek treedt het stelsel inzake de vaststelling van de winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage, overeenkomstig dit artikel in werking met ingang van het belastbaar tijdperk dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend. (Hogervermeld) stelsel kan door de belastingplichtige worden opgezegd ten laatste drie maanden voor het verstrijken van het belastbaar tijdperk dat afgesloten wordt tijdens het tiende kalenderjaar, of een veelvoud daarvan, na dat waarin het verzoek werd ingediend.
§ 4. (Per schip, per dag en per 100 nettoton wordt de winst van het belastbaar tijdperk uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden vastgesteld aan de hand van de in de onderstaande tabel vermelde bedragen :
- 1,00 EUR voor de schijf tot 1 000 nettoton;
- 0,60 EUR voor de schijf van 1 000 nettoton tot 10 000 nettoton;
- 0,40 EUR voor de schijf van 10 000 nettoton tot 20 000 nettoton;
- 0,20 EUR voor de schijf van 20 000 nettoton tot 40 000 nettoton;
- 0,05 EUR voor de schijf boven 40 000 nettoton.
Het tarief van 0,05 EUR voor de schijf boven 40 000 nettoton is slechts van toepassing op het beheer van zeeschepen voor rekening van derden wanneer :
- ofwel die zeeschepen door de eigenaar in nieuwe staat zijn verkregen;
- ofwel die zeeschepen met een ouderdom van minder dan vijf jaar die vanaf de oplevering gedurende de gehele periode die onmiddellijk voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarin voor het eerst de in België belastbare winst overeenkomstig het eerste lid op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de vlag van een land dat geen Lidstaat is van de Europese Unie zijn geregistreerd;
- ofwel die zeeschepen met een ouderdom van tenminste vijf jaar gedurende de vijf jaar die onmiddellijk voorafgaan aan het belastbaar tijdperk waarin voor het eerst de in België belastbare winst overeenkomstig het eerste lid op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de vlag van een land dat geen Lidstaat is van de Europese Unie zijn geregistreerd.) <W 2004-12-27/30, art. 325, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 5. Het eventuele niet verrekende gedeelte van de verliezen uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden zoals het bestaat op het ogenblik dat de winst voor de eerste keer wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage, kan na het verstrijken van de periode waarvoor de winst aldus wordt vastgesteld, opnieuw in mindering worden gebracht.
§ 6. De regeling zoals bepaald in dit artikel is voorbehouden voor belastingplichtigen die het beheer van zeeschepen voor rekening van derden verzorgen waarbij ten minste 75 pct. van het aantal voor derden beheerde zeeschepen dient ingeschreven te zijn in het [1 scheepsregister van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]1. De ondernemingen die wensen gebruik te maken van de regeling vermeld in dit artikel mogen uitsluitend het beheer van zeeschepen als activiteit hebben.
[2 Geen belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling overeenkomstig de artikelen 289quater tot 289novies, 292bis en 530 van hetzelfde Wetboek is van toepassing gedurende de periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden wordt vastgesteld op basis van de tonnage. Het eventueel niet verrekend deel van het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling dat overblijft op het einde van het belastbaar tijdperk dat uiterlijk op 31 december 2020 eindigt of dat voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarop de winst uit dit beheer voor het eerst wordt vastgesteld op basis van de tonnage kan opnieuw worden verrekend na het verstrijken van de periode waarin de winst zo wordt bepaald.
De overdracht van het niet verrekende belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling als bedoeld in artikel 292bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt geschorst met ingang van het aanslagjaar dat betrekking heeft op het belastbaar tijdperk dat volgt op het tijdperk bedoeld in het eerste lid en wordt hervat na het verstrijken van de periode waarin de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden op basis van tonnage wordt bepaald.]2
[3 Wanneer in de in het eerste lid bedoelde "belastbare winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden", betalingen zijn begrepen die rechtstreeks of onrechtstreeks zijn verricht aan personen, vaste inrichtingen of bankrekeningen die in artikel 307, § 1/2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden bedoeld, dan wordt dit resultaat, verhoogd met het bedrag van deze betalingen indien deze niet zijn aangegeven overeenkomstig het voornoemde artikel 307, § 1/2, eerste lid, of als ze toch aangegeven zijn, indien de belastingplichtige niet door alle rechtsmiddelen heeft aangetoond dat zij in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen en die met personen andere dan artificiële constructies zijn verricht.
In geval van toepassing van het vierde lid, worden de in het vierde lid bedoelde betalingen van het in het vierde lid bedoelde bedrag uitgesloten, wanneer wordt aangetoond dat indien de winst uit het beheer van zeeschepen niet op forfaitaire wijze werd vastgesteld, deze betalingen om een andere reden dan de toepassing van artikel 198, § 1, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zouden worden aangemerkt als een niet aftrekbare beroepskost.]3
§ 2. Het verzoek als vermeld in § 1, wordt ingediend door de belastingplichtige bij de belastingadministratie die hierover een beslissing neemt binnen een termijn van drie maanden na datum van ontvangst van het verzoek. Deze termijn kan in onderling overleg tussen de belastingplichtige en de belastingadministratie verlengd worden. De administratie zal beslissen over het verzoek bij een voor beroep vatbare beschikking.
§ 3. Bij inwilliging van het in § 1 vermelde verzoek treedt het stelsel inzake de vaststelling van de winst uit zeescheepvaart aan de hand van tonnage, overeenkomstig dit artikel in werking met ingang van het belastbaar tijdperk dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend. (Hogervermeld) stelsel kan door de belastingplichtige worden opgezegd ten laatste drie maanden voor het verstrijken van het belastbaar tijdperk dat afgesloten wordt tijdens het tiende kalenderjaar, of een veelvoud daarvan, na dat waarin het verzoek werd ingediend.
§ 4. (Per schip, per dag en per 100 nettoton wordt de winst van het belastbaar tijdperk uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden vastgesteld aan de hand van de in de onderstaande tabel vermelde bedragen :
- 1,00 EUR voor de schijf tot 1 000 nettoton;
- 0,60 EUR voor de schijf van 1 000 nettoton tot 10 000 nettoton;
- 0,40 EUR voor de schijf van 10 000 nettoton tot 20 000 nettoton;
- 0,20 EUR voor de schijf van 20 000 nettoton tot 40 000 nettoton;
- 0,05 EUR voor de schijf boven 40 000 nettoton.
Het tarief van 0,05 EUR voor de schijf boven 40 000 nettoton is slechts van toepassing op het beheer van zeeschepen voor rekening van derden wanneer :
- ofwel die zeeschepen door de eigenaar in nieuwe staat zijn verkregen;
- ofwel die zeeschepen met een ouderdom van minder dan vijf jaar die vanaf de oplevering gedurende de gehele periode die onmiddellijk voorafgaat aan het belastbaar tijdperk waarin voor het eerst de in België belastbare winst overeenkomstig het eerste lid op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de vlag van een land dat geen Lidstaat is van de Europese Unie zijn geregistreerd;
- ofwel die zeeschepen met een ouderdom van tenminste vijf jaar gedurende de vijf jaar die onmiddellijk voorafgaan aan het belastbaar tijdperk waarin voor het eerst de in België belastbare winst overeenkomstig het eerste lid op forfaitaire wijze wordt vastgesteld, onder de vlag van een land dat geen Lidstaat is van de Europese Unie zijn geregistreerd.) <W 2004-12-27/30, art. 325, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 5. Het eventuele niet verrekende gedeelte van de verliezen uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden zoals het bestaat op het ogenblik dat de winst voor de eerste keer wordt vastgesteld aan de hand van de tonnage, kan na het verstrijken van de periode waarvoor de winst aldus wordt vastgesteld, opnieuw in mindering worden gebracht.
§ 6. De regeling zoals bepaald in dit artikel is voorbehouden voor belastingplichtigen die het beheer van zeeschepen voor rekening van derden verzorgen waarbij ten minste 75 pct. van het aantal voor derden beheerde zeeschepen dient ingeschreven te zijn in het [1 scheepsregister van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte]1. De ondernemingen die wensen gebruik te maken van de regeling vermeld in dit artikel mogen uitsluitend het beheer van zeeschepen als activiteit hebben.
Art.124. § 1er. A la demande du contribuable, les bénéfices imposables provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers sont, par dérogation aux articles 183, 185, 189 à 207, 233, alinéa 1er, et 235 à 240 du Code des impôts sur les revenus 1992, déterminés de manière forfaitaire sur base du tonnage des navires pour lesquels la gestion est exercée.
[2 Aucun crédit d'impôt pour recherche et développement conformément aux articles 289quater à 289novies, 292bis et 530 du même Code, n'est applicable pendant la période au cours de laquelle les bénéfices provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers sont déterminés en fonction du tonnage. La partie éventuellement non imputée du crédit d'impôt pour recherche et développement qui subsiste à la fin de la période imposable qui se clôture au plus tard le 31 décembre 2020 ou qui précède la période imposable au cours de laquelle les bénéfices provenant de ladite gestion sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage peut à nouveau être imputée après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi déterminés.
Le report du crédit d'impôt pour recherche et développement non imputé visé à l'article 292bis, § 1er, alinéa 2, du même Code, est suspendu à partir de l'exercice d'imposition se rattachant à la période imposable qui suit la période visée à l'alinéa 1er et reprend son cours après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers sont déterminés en fonction du tonnage.]2
[3 Lorsque sont compris dans les "bénéfices imposables provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers" visés à l'alinéa 1er des paiements qui sont effectués directement ou indirectement à des personnes, établissements stables ou comptes bancaires qui sont visés à l'article 307, § 1er/2, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, ce résultat est alors majoré du montant de ces paiements si ceux-ci ne sont pas déclarés conformément audit l'article 307, § 1er/2, alinéa 1er, ou si les paiements ont été déclarés, pour lesquels le contribuable n'a pas justifié par toutes voies de droit que ceux-ci sont effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères et avec des personnes autres que des constructions artificielles.
En cas d'application de l'alinéa 4, les paiements visés à l'alinéa 4 sont exclus du montant visé à l'alinéa 4, lorsqu'il est démontré que si les bénéfices provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers n'était pas repris de façon forfaitaire, ces paiements pour une raison autre que l'application de l'article 198, § 1er, 10°, du Code des impôts sur les revenus 1992, seraient considérés comme des frais professionnels non déductibles.]3
§ 2. La demande visée au § 1er est introduite par le contribuable auprès de l'administration fiscale qui prend à ce propos une décision dans un délai de trois mois à compter de la date de réception de la demande. Ce délai peut être prolonge de commun accord entre le contribuable et l'administration fiscale. L'administration se prononcera sur la demande par une décision susceptible de recours.
§ 3. En cas d'acceptation de la demande visée au § 1er, le régime de détermination des bénéfices provenant de la navigation maritime en fonction du tonnage, conformément au présent article, produit ses effets à partir de la période imposable qui suit celle pendant laquelle la demande a été introduite. Le contribuable peut renoncer au régime précité au plus tard trois mois avant l'expiration de la période imposable qui est clôturée durant la dixième année civile, ou un multiple de cette dernière, après celle durant laquelle la demande a été introduite.
§ 4. (Par navire, par jour et par 100 tonnes nettes, les bénéfices de la période imposable qui proviennent de la gestion des navires pour compte de tiers sont déterminés selon les montants précisés dans le tableau ci-dessous :
- 1,00 EUR pour la tranche jusqu'à 1 000 tonnes nettes;
- 0,60 EUR pour la tranche entre 1 000 tonnes nettes et 10 000 tonnes nettes;
- 0,40 EUR pour la tranche entre 10 000 tonnes nettes et 20 000 tonnes nettes;
- 0,20 EUR pour la tranche entre 20 000 tonnes nettes et 40 000 tonnes nettes;
- 0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40 000 tonnes nettes.
Le taux de 0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40 000 tonnes nettes n'est applicable qu'à la gestion de navires pour compte de tiers lorsque :
- soit ces navires sont acquis à l'état neuf par le propriétaire;
- soit ces navires ayant un âge de moins de cinq ans ont été enregistrés sous le pavillon d'un pays qui n'est pas un Etat membre de l'Union européenne à partir de la livraison pendant toute la période qui précède immédiatement la période imposable au cours de laquelle les bénéfices imposables en Belgique sont déterminés pour la première fois de manière forfaitaire conformément à l'alinéa 1er;
- soit ces navires ayant un âge d'au moins cinq ans ont été enregistrés sous le pavillon d'un pays qui n'est pas un Etat membre de l'Union européenne durant les cinq années qui précèdent immédiatement la période imposable au cours de laquelle les bénéfices imposables en Belgique sont détermines pour la première fois de manière forfaitaire conformément l'alinéa 1er.) <L 2004-12-27/30, art. 325, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 5. La partie éventuelle non imputée des pertes provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers, qui subsiste au moment ou les bénéfices sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage, peut être portée à nouveau en déduction des bénéfices après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi déterminés.
§ 6. Le régime déterminé au présent article est réservé aux contribuables qui assurent la gestion de navires pour le compte de tiers et dont au moins 75 p.c. du nombre de navires gérés pour des tiers doivent être inscrits au [1 registre d'un Etat membre de l'Espace économique européen]1 des navires. Les entreprises qui souhaitent faire usage du régime visé au présent article ne peuvent exercer d'activité autre que la gestion de navires.
[2 Aucun crédit d'impôt pour recherche et développement conformément aux articles 289quater à 289novies, 292bis et 530 du même Code, n'est applicable pendant la période au cours de laquelle les bénéfices provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers sont déterminés en fonction du tonnage. La partie éventuellement non imputée du crédit d'impôt pour recherche et développement qui subsiste à la fin de la période imposable qui se clôture au plus tard le 31 décembre 2020 ou qui précède la période imposable au cours de laquelle les bénéfices provenant de ladite gestion sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage peut à nouveau être imputée après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi déterminés.
Le report du crédit d'impôt pour recherche et développement non imputé visé à l'article 292bis, § 1er, alinéa 2, du même Code, est suspendu à partir de l'exercice d'imposition se rattachant à la période imposable qui suit la période visée à l'alinéa 1er et reprend son cours après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers sont déterminés en fonction du tonnage.]2
[3 Lorsque sont compris dans les "bénéfices imposables provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers" visés à l'alinéa 1er des paiements qui sont effectués directement ou indirectement à des personnes, établissements stables ou comptes bancaires qui sont visés à l'article 307, § 1er/2, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, ce résultat est alors majoré du montant de ces paiements si ceux-ci ne sont pas déclarés conformément audit l'article 307, § 1er/2, alinéa 1er, ou si les paiements ont été déclarés, pour lesquels le contribuable n'a pas justifié par toutes voies de droit que ceux-ci sont effectués dans le cadre d'opérations réelles et sincères et avec des personnes autres que des constructions artificielles.
En cas d'application de l'alinéa 4, les paiements visés à l'alinéa 4 sont exclus du montant visé à l'alinéa 4, lorsqu'il est démontré que si les bénéfices provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers n'était pas repris de façon forfaitaire, ces paiements pour une raison autre que l'application de l'article 198, § 1er, 10°, du Code des impôts sur les revenus 1992, seraient considérés comme des frais professionnels non déductibles.]3
§ 2. La demande visée au § 1er est introduite par le contribuable auprès de l'administration fiscale qui prend à ce propos une décision dans un délai de trois mois à compter de la date de réception de la demande. Ce délai peut être prolonge de commun accord entre le contribuable et l'administration fiscale. L'administration se prononcera sur la demande par une décision susceptible de recours.
§ 3. En cas d'acceptation de la demande visée au § 1er, le régime de détermination des bénéfices provenant de la navigation maritime en fonction du tonnage, conformément au présent article, produit ses effets à partir de la période imposable qui suit celle pendant laquelle la demande a été introduite. Le contribuable peut renoncer au régime précité au plus tard trois mois avant l'expiration de la période imposable qui est clôturée durant la dixième année civile, ou un multiple de cette dernière, après celle durant laquelle la demande a été introduite.
§ 4. (Par navire, par jour et par 100 tonnes nettes, les bénéfices de la période imposable qui proviennent de la gestion des navires pour compte de tiers sont déterminés selon les montants précisés dans le tableau ci-dessous :
- 1,00 EUR pour la tranche jusqu'à 1 000 tonnes nettes;
- 0,60 EUR pour la tranche entre 1 000 tonnes nettes et 10 000 tonnes nettes;
- 0,40 EUR pour la tranche entre 10 000 tonnes nettes et 20 000 tonnes nettes;
- 0,20 EUR pour la tranche entre 20 000 tonnes nettes et 40 000 tonnes nettes;
- 0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40 000 tonnes nettes.
Le taux de 0,05 EUR pour la tranche au-dessus de 40 000 tonnes nettes n'est applicable qu'à la gestion de navires pour compte de tiers lorsque :
- soit ces navires sont acquis à l'état neuf par le propriétaire;
- soit ces navires ayant un âge de moins de cinq ans ont été enregistrés sous le pavillon d'un pays qui n'est pas un Etat membre de l'Union européenne à partir de la livraison pendant toute la période qui précède immédiatement la période imposable au cours de laquelle les bénéfices imposables en Belgique sont déterminés pour la première fois de manière forfaitaire conformément à l'alinéa 1er;
- soit ces navires ayant un âge d'au moins cinq ans ont été enregistrés sous le pavillon d'un pays qui n'est pas un Etat membre de l'Union européenne durant les cinq années qui précèdent immédiatement la période imposable au cours de laquelle les bénéfices imposables en Belgique sont détermines pour la première fois de manière forfaitaire conformément l'alinéa 1er.) <L 2004-12-27/30, art. 325, 006; En vigueur : 01-01-2003>
§ 5. La partie éventuelle non imputée des pertes provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers, qui subsiste au moment ou les bénéfices sont déterminés pour la première fois en fonction du tonnage, peut être portée à nouveau en déduction des bénéfices après l'expiration de la période durant laquelle les bénéfices sont ainsi déterminés.
§ 6. Le régime déterminé au présent article est réservé aux contribuables qui assurent la gestion de navires pour le compte de tiers et dont au moins 75 p.c. du nombre de navires gérés pour des tiers doivent être inscrits au [1 registre d'un Etat membre de l'Espace économique européen]1 des navires. Les entreprises qui souhaitent faire usage du régime visé au présent article ne peuvent exercer d'activité autre que la gestion de navires.
Afdeling VI. - Vermindering van het registratierecht op vestiging van hypotheek op zee- en binnenschepen.
Section VI. - Réduction du droit d'enregistrement sur la constitution d'hypothèque sur navires et bateaux.
Art.125. 1° In artikel 88 van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten worden de woorden ", de vestigingen van een hypotheek op een zee- of binnenschip," geschrapt.
Art.125. 1° A l'article 88 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, les mots ", les constitutions d'hypothèque sur un navire ou bateau," sont supprimés.
Art.126. 2° In artikel 91 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "door een hypotheek op een zee- of een binnenschip," geschrapt.
Art.126. 2° A l'article 91 du même Code, les mots "par une hypothèque sur un navire ou bateau," sont supprimés.
Art.127. In artikel 922 van hetzelfde Wetboek worden de woorden " op een in België gelegen onroerend goed " ingevoegd tussen de woorden " hypotheek " en de woorden " , met inbegrip van ".
Art.127. Dans l'article 922 du même Code, les mots " sur un bien immeuble situé en Belgique " sont insérés entre les mots " hypothèque " et les mots " , en ce compris ".
HOOFDSTUK II. - Tax-Shelter.
CHAPITRE II. - Tax-Shelter.
Art.128. " In titel III, hoofdstuk II, afdeling III, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt met een onderafdeling IV ingevoegd, die een artikel 194ter omvat, luidende : " Onderafdeling 4. - Ondernemingen die investeren in een raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk
Art. 194ter. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :
- de vennootschap die als voornaamste doel de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken heeft;
- niet zijnde een televisieomroep of een onderneming die verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen;
2° raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk : de basisovereenkomst gesloten tussen een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en één of meerdere binnenlandse vennootschappen (of vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen) voor de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk met vrijstelling van de belastbare winst; Erratum, zie B.St. 13-11-2002, p. 51114>
3° erkend Belgisch audiovisueel werk :
- een langspeelfilm, een documentaire of een animatiefilm bestemd om in de bioscoop te worden vertoond, een animatieserie of een documentaire voor televisie en die door de bevoegde diensten van de betrokken Gemeenschap zijn erkend als Europees werk zoals bedoeld in de richtlijn " Televisie zonder grenzen " van 3 oktober 1989 (89/552/EEG), gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van 30.6.1997 en bekrachtigd door de Franse Gemeenschap op 4 januari 1999, door de Vlaamse Gemeenschap op (25.1.1995) en door het Brussels (hoofdstedelijk) Gewest op 30.3.1995;
- waarvoor de produktie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan binnen een periode van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk, ten minste 150 pct. belopen van de totale sommen niet zijnde onder de vorm van leningen die in beginsel zijn aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2.
Voor de toepassing van het vorige lid worden beschouwd als in België gemaakte kosten, de exploitatiekosten en financiële kosten waaruit beroepsinkomsten voortvloeien ten name van aan de personenbelasting onderworpen natuurlijke personen of ten name van binnenlandse vennootschappen, met uitzondering van de kosten vermeld in artikel 57, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, van de kosten vermeld in artikel 53, 9° en 10°, alsmede elke kost die niet voor de productie of de exploitatie van het erkend werk werd gedaan.
§ 2. Ten name van vennootschappen (of van de vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen), niet zijnde binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken, die in België een raamovereenkomst afsluiten voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk, wordt de belastbare winst binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden vrijgesteld ten belope van 150 % van de door die vennootschap effectief betaalde sommen in uitvoering van de raamovereenkomst.
De in het eerste lid bedoelde sommen kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij door de toekenning van leningen voor zover de vennootschap (of de vaste inrichting) geen kredietinstelling is, hetzij door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk.
§ 3. Per boekjaar wordt ten name van de vennootschap (of de vaste inrichting)
die de toepassing van de vrijstelling verzoekt, de vrijstelling verleend ten belope van een bedrag dat 50 % van de winst van het belastbaar tijdperk niet overschrijdt of niet meer bedraagt dan 750.000 EUR.
Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken.
§ 4. De vrijstelling wordt slechts toegestaan en behouden wanneer :
1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft;
2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van enige beloning of toekenning;
3° de schuldvorderingen en de eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten (of de uitvoering) van de raamovereenkomst aangewend blijven in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid in België;
4° het totaal van de door het geheel van de binnenlandse vennootschappen (of de vaste inrichting) die de overeenkomst hebben afgesloten daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2, niet meer bedraagt dan 50 % van het totale budget van de kosten voor het erkend Belgisch audiovisueel werk en het daadwerkelijk voor de uitvoering van dat budget werd aangewend;
5° het totaal van de door het geheel van de binnenlandse vennootschappen (of de vaste inrichting) die de overeenkomst hebben afgesloten in uitvoering van deze raamovereenkomst aangewende sommen uit leningen niet meer bedraagt dan 40 % van de sommen (allen woorden) zijn aangewend in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2;
6° de vennootschap (of de vaste inrichting) die de vrijstelling verzoekt een afschrift van de raamovereenkomst overlegd binnen de termijn zoals bepaald voor het indienen van de aangifte in de inkomstenbelasting voor het belastbaar tijdperk, en het bij de aangifte voegt;
7° de vennootschap (of de vaste inrichting) die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling uiterlijk binnen de twee jaar na de afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk een document overlegd waarin de controle waarvan de producent van een erkend Belgisch audiovisueel werk afhangt verklaart dat de voorwaarden inzake de kosten in België overeenkomstig § 1, 3°, evenals de voorwaarden en grenzen voorzien in 4° en 5° van deze paragraaf zijn nageleefd;
7°bis de vennootschap voor de productie van audiovisuele werken geen achterstallen heeft bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid op het moment van het afsluiten van de raamovereenkomst;
8° (de in dit artikel bepaalde voorwaarden) blijvend nageleefd worden.
Ingeval één of andere van deze voorwaarden gedurende enig boekjaar niet wordt nageleefd, wordt de voorheen, vrijgestelde winst als winst van dat boekjaar aangemerkt.
§ 5. De raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk bevat de volgende verplichte vermeldingen :
1° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken;
2° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschappen (of de vaste inrichting) die de raamovereenkomst hebben gesloten met de in 1° bedoelde vennootschap;
3° het totaal van de aangewende sommen bij toepassing van § 2 evenals de juridische vorm, met een gedetailleerde opgave per bedrag, van die aangewende sommen ten name van elke deelnemende vennootschap vermeld onder 2°;
4° de identificatie en de beschrijving van het erkend audiovisueel werk dat het voorwerp uitmaakt van de raamovereenkomst;
5° het budget van de uitgaven die nodig zijn voor het audiovisueel werk in kwestie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het gedeelte dat ten laste wordt genomen door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en het gedeelte dat gefinancierd wordt door elke binnenlandse vennootschap (of de vaste inrichting) die aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld in § 2;
6° de overeengekomen wijze waarop de bedragen worden vergoed die zijn aangewend bij de uitvoering van de raamovereenkomst, al naargelang van hun aard;
7° de waarborg dat de in 2° vermelde binnenlandse vennootschap (of de vaste inrichting) geen Belgische of buitenlandse televisieomroep is en niet verbonden is met een dergelijke onderneming evenals dat de geldschieters geen kredietinstellingen zijn;
8° de verbintenis van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :
- overeenkomstig § 1 in België uitgaven te doen ten belope van 150 procent van het geïnvesteerde bedrag niet zijnde onder de vorm van leningen;
- het definitieve bedrag dat in beginsel is aangewend tot uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst te beperken tot ten hoogste 50 pct. van het budget van de totale uitgaven van het erkend Belgisch audiovisueel werk voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en om alle gestorte bedragen overeenkomstig § 2 daadwerkelijk aan te wenden voor de uitvoering van dit budget;
- het totaal van de sommen die in de vorm van leningen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, te beperken tot ten hoogste 40 pct. van de sommen die in beginsel zijn bestemd voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van de winst voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen (of de vaste inrichting)
§ 6. De voorgaande bepalingen laten onverlet het recht van de vennootschap (of de vaste inrichting) aanspraak te maken op de eventuele aftrek als beroepskosten van andere bedragen dan die vermeld in § 2 die eveneens ook besteed werden aan de productie van audiovisuele werken en dat binnen de voorwaarden vermeld in de artikelen 49 en volgende.
In afwijking van de artikelen 23, 48, 49 en 61, zijn kosten en verliezen, en ook waardeverminderingen, voorzieningen en afschrijvingen met betrekking tot, naar het geval, de schuldvorderingen en de eigendoms- en exploitatierechten op het audiovisueel werk, die voortvloeien uit leningen of verrichtingen vermeld in § 2, niet aftrekbaar als beroepskosten of -verliezen, noch vrijgesteld.
Art. 194ter. § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :
- de vennootschap die als voornaamste doel de ontwikkeling en de productie van audiovisuele werken heeft;
- niet zijnde een televisieomroep of een onderneming die verbonden is met Belgische of buitenlandse televisieomroepen;
2° raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk : de basisovereenkomst gesloten tussen een binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en één of meerdere binnenlandse vennootschappen (of vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen) voor de financiering van de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk met vrijstelling van de belastbare winst; Erratum, zie B.St. 13-11-2002, p. 51114>
3° erkend Belgisch audiovisueel werk :
- een langspeelfilm, een documentaire of een animatiefilm bestemd om in de bioscoop te worden vertoond, een animatieserie of een documentaire voor televisie en die door de bevoegde diensten van de betrokken Gemeenschap zijn erkend als Europees werk zoals bedoeld in de richtlijn " Televisie zonder grenzen " van 3 oktober 1989 (89/552/EEG), gewijzigd bij richtlijn 97/36/EG van 30.6.1997 en bekrachtigd door de Franse Gemeenschap op 4 januari 1999, door de Vlaamse Gemeenschap op (25.1.1995) en door het Brussels (hoofdstedelijk) Gewest op 30.3.1995;
- waarvoor de produktie- en exploitatiekosten die in België werden gedaan binnen een periode van ten hoogste 18 maanden vanaf de datum van afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk, ten minste 150 pct. belopen van de totale sommen niet zijnde onder de vorm van leningen die in beginsel zijn aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2.
Voor de toepassing van het vorige lid worden beschouwd als in België gemaakte kosten, de exploitatiekosten en financiële kosten waaruit beroepsinkomsten voortvloeien ten name van aan de personenbelasting onderworpen natuurlijke personen of ten name van binnenlandse vennootschappen, met uitzondering van de kosten vermeld in artikel 57, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave, van de kosten vermeld in artikel 53, 9° en 10°, alsmede elke kost die niet voor de productie of de exploitatie van het erkend werk werd gedaan.
§ 2. Ten name van vennootschappen (of van de vaste inrichtingen van buitenlandse vennootschappen), niet zijnde binnenlandse vennootschappen voor de productie van audiovisuele werken, die in België een raamovereenkomst afsluiten voor de productie van een erkend Belgisch audiovisueel werk, wordt de belastbare winst binnen de grenzen en onder de hierna gestelde voorwaarden vrijgesteld ten belope van 150 % van de door die vennootschap effectief betaalde sommen in uitvoering van de raamovereenkomst.
De in het eerste lid bedoelde sommen kunnen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, hetzij door de toekenning van leningen voor zover de vennootschap (of de vaste inrichting) geen kredietinstelling is, hetzij door het verwerven van rechten verbonden aan de productie en de exploitatie van het audiovisueel werk.
§ 3. Per boekjaar wordt ten name van de vennootschap (of de vaste inrichting)
die de toepassing van de vrijstelling verzoekt, de vrijstelling verleend ten belope van een bedrag dat 50 % van de winst van het belastbaar tijdperk niet overschrijdt of niet meer bedraagt dan 750.000 EUR.
Indien een belastbaar tijdperk geen of onvoldoende winst oplevert om de sommen ter uitvoering van de raamovereenkomst te kunnen aanwenden, wordt de voor dat belastbaar tijdperk niet verleende vrijstelling achtereenvolgens overgedragen op de winst van de volgende belastbare tijdperken.
§ 4. De vrijstelling wordt slechts toegestaan en behouden wanneer :
1° de vrijgestelde winst op een afzonderlijke rekening van het passief van de balans geboekt is en blijft;
2° de vrijgestelde winst niet tot grondslag dient voor de berekening van enige beloning of toekenning;
3° de schuldvorderingen en de eigendomsrechten die werden verkregen bij het afsluiten (of de uitvoering) van de raamovereenkomst aangewend blijven in de uitoefening van de beroepswerkzaamheid in België;
4° het totaal van de door het geheel van de binnenlandse vennootschappen (of de vaste inrichting) die de overeenkomst hebben afgesloten daadwerkelijk gestorte sommen in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2, niet meer bedraagt dan 50 % van het totale budget van de kosten voor het erkend Belgisch audiovisueel werk en het daadwerkelijk voor de uitvoering van dat budget werd aangewend;
5° het totaal van de door het geheel van de binnenlandse vennootschappen (of de vaste inrichting) die de overeenkomst hebben afgesloten in uitvoering van deze raamovereenkomst aangewende sommen uit leningen niet meer bedraagt dan 40 % van de sommen (allen woorden) zijn aangewend in uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst overeenkomstig § 2;
6° de vennootschap (of de vaste inrichting) die de vrijstelling verzoekt een afschrift van de raamovereenkomst overlegd binnen de termijn zoals bepaald voor het indienen van de aangifte in de inkomstenbelasting voor het belastbaar tijdperk, en het bij de aangifte voegt;
7° de vennootschap (of de vaste inrichting) die aanspraak maakt op het behoud van de vrijstelling uiterlijk binnen de twee jaar na de afsluiting van de raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk een document overlegd waarin de controle waarvan de producent van een erkend Belgisch audiovisueel werk afhangt verklaart dat de voorwaarden inzake de kosten in België overeenkomstig § 1, 3°, evenals de voorwaarden en grenzen voorzien in 4° en 5° van deze paragraaf zijn nageleefd;
7°bis de vennootschap voor de productie van audiovisuele werken geen achterstallen heeft bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid op het moment van het afsluiten van de raamovereenkomst;
8° (de in dit artikel bepaalde voorwaarden) blijvend nageleefd worden.
Ingeval één of andere van deze voorwaarden gedurende enig boekjaar niet wordt nageleefd, wordt de voorheen, vrijgestelde winst als winst van dat boekjaar aangemerkt.
§ 5. De raamovereenkomst voor de productie van een audiovisueel werk bevat de volgende verplichte vermeldingen :
1° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken;
2° de benaming en het maatschappelijk doel van de binnenlandse vennootschappen (of de vaste inrichting) die de raamovereenkomst hebben gesloten met de in 1° bedoelde vennootschap;
3° het totaal van de aangewende sommen bij toepassing van § 2 evenals de juridische vorm, met een gedetailleerde opgave per bedrag, van die aangewende sommen ten name van elke deelnemende vennootschap vermeld onder 2°;
4° de identificatie en de beschrijving van het erkend audiovisueel werk dat het voorwerp uitmaakt van de raamovereenkomst;
5° het budget van de uitgaven die nodig zijn voor het audiovisueel werk in kwestie, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen het gedeelte dat ten laste wordt genomen door de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken en het gedeelte dat gefinancierd wordt door elke binnenlandse vennootschap (of de vaste inrichting) die aanspraak maakt op de vrijstelling bedoeld in § 2;
6° de overeengekomen wijze waarop de bedragen worden vergoed die zijn aangewend bij de uitvoering van de raamovereenkomst, al naargelang van hun aard;
7° de waarborg dat de in 2° vermelde binnenlandse vennootschap (of de vaste inrichting) geen Belgische of buitenlandse televisieomroep is en niet verbonden is met een dergelijke onderneming evenals dat de geldschieters geen kredietinstellingen zijn;
8° de verbintenis van de binnenlandse vennootschap voor de productie van audiovisuele werken :
- overeenkomstig § 1 in België uitgaven te doen ten belope van 150 procent van het geïnvesteerde bedrag niet zijnde onder de vorm van leningen;
- het definitieve bedrag dat in beginsel is aangewend tot uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van winst te beperken tot ten hoogste 50 pct. van het budget van de totale uitgaven van het erkend Belgisch audiovisueel werk voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen en om alle gestorte bedragen overeenkomstig § 2 daadwerkelijk aan te wenden voor de uitvoering van dit budget;
- het totaal van de sommen die in de vorm van leningen worden aangewend voor de uitvoering van de raamovereenkomst, te beperken tot ten hoogste 40 pct. van de sommen die in beginsel zijn bestemd voor de uitvoering van de raamovereenkomst met vrijstelling van de winst voor alle betrokken binnenlandse vennootschappen (of de vaste inrichting)
§ 6. De voorgaande bepalingen laten onverlet het recht van de vennootschap (of de vaste inrichting) aanspraak te maken op de eventuele aftrek als beroepskosten van andere bedragen dan die vermeld in § 2 die eveneens ook besteed werden aan de productie van audiovisuele werken en dat binnen de voorwaarden vermeld in de artikelen 49 en volgende.
In afwijking van de artikelen 23, 48, 49 en 61, zijn kosten en verliezen, en ook waardeverminderingen, voorzieningen en afschrijvingen met betrekking tot, naar het geval, de schuldvorderingen en de eigendoms- en exploitatierechten op het audiovisueel werk, die voortvloeien uit leningen of verrichtingen vermeld in § 2, niet aftrekbaar als beroepskosten of -verliezen, noch vrijgesteld.
Art.128. " (il est inséré dans le) titre III, chapitre II, section 3 du Code des impôts sur les revenus 1992, (...) une " Sous-section 4. - Entreprises investissant dans une convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle " et un article 194ter, rédigé comme suit :
Art. 194ter. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° société résidente de production audiovisuelle :
- la société dont l'objet principal est le développement et la production d'oeuvres audiovisuelles;
- autre qu'une entreprise de télédiffusion ou qu'une entreprise liée à des entreprises belges ou étrangères de télédiffusion;
2° Convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle : l'accord de base conclu entre une société résidente de production audiovisuelle et une ou plusieurs sociétés résidentes en vue du financement de la production d'une oeuvre audiovisuelle belge agrée en exonération des bénéfices imposables;
3° oeuvre audiovisuelle belge agrée :
- un long métrage de fiction, documentaire ou d'animation, destiné à une exploitation cinématographique, une collection télévisuelle d'animation, un
programme télévisuel documentaire et agréé par les services compétents de la Communauté concernée comme oeuvre européenne telle que définie par la directive "Télévision sans frontières" du 3 octobre 1999 (89/552/EEC), amendée par la directive 97/36/EC du 30.06.1997 et ratifiée par la Communauté française le 4 janvier 1999, la communauté flamande le (25.1.1995) et la Région (de Brxuelles-Capitale) le 30.3.1995;
- Pour laquelle les dépenses de la production et de l'exploitation, effectuées en Belgique dans un délai maximum de 18 mois à partir de la date de conclusion de la convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle, s'élèvent au minimum à 150 p.c. des sommes globales affectées en principe, autrement que sous la forme de prêts, à l'exécution d'une convention cadre en exonération conformément au § 2.
Sont considérées comme des dépenses effectuées en Belgique pour l'application de l'alinéa précédent, les charges d'exploitation et les charges financières productives de revenus professionnels dans le chef de personnes physiques assujetties à l'impôt des personnes physiques ou dans le chef des sociétés résidentes, à l'exclusion des frais visés à l'article 57, qui ne sont pas justifiées par la production de fiches individuelles et un relevé récapitulatif, des frais visés à l'article 53, 9° et 10°, ainsi que de tout autre frais qui n'est pas engagé aux fins de production ou d'exploitation de l'oeuvre agréée.
§ 2. Dans le chef de la société (ou d'un établissement stable d'une société étrangère), autre qu'une société résidente de production audiovisuelle, qui conclut en Belgique une convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle belge agréée, les bénéfices imposables sont exonérés à concurrence de 150 p.c. des sommes effectivement versées par cette société en exécution de la convention-cadre, aux conditions et dans les limites déterminées ci-après.
Les sommes visées à l'alinéa 1er peuvent être affectées à l'exécution de la convention-cadre soit par l'octroi de prêts pour autant que la société (ou l'établissement stable) ne soit pas un établissement de crédit, soit par l'acquisition de droits liés à la production et à l'exploitation de l'oeuvre audiovisuelle.
§3. Par exercice comptable, l'exonération est accordée à raison d'un montant n'excédant pas 50 p.c. des bénéfices de la période imposable ou un maximum de 750.000 EUR dans le chef de la société (ou de l'établissement stable) qui revendique l'exonération.
En cas d'absence ou d'insuffisance de bénéfices d'une période imposable pour laquelle les sommes sont affectées à l'exécution de la convention-cadre, l'exonération non accordée pour cette période imposable est reportée successivement sur les bénéfices des périodes imposables suivantes.
§ 4. L'immunité n'est accordée et maintenue que si :
1° les bénéfices immunisés sont et restent comptabilisés à un compte distinct au passif du bilan;
2° les bénéfices immunisés ne servent pas de base au calcul des rémunérations ou attributions quelconques;
3° les droits de créance et de propriété obtenus à l'occasion de la conclusion ou de l'exécution de la convention-cadre restent affectés à l'exercice de l'activité professionnelle en Belgique;
4° le total des sommes effectivement versées en exécution de la convention-cadre en exonération des bénéfices conformément au § 2, par l'ensemble des sociétés résidentes (ou les établissements stables) qui ont conclu cette convention, n'excède pas 50 p.c. du budget global des dépenses de l'oeuvre audiovisuelle belge agréée et a été effectivement affecte à l'exécution de ce budget;
5° le total des sommes affectées sous la forme de prêts à l'exécution de la convention-cadre n'excède pas 40 p.c. des (sommes à affecter) à l'exécution de la convention-cadre en exonération des bénéfices conformément au § 2 par l'ensemble des sociétés résidentes (ou des établissements stables) qui ont conclu cette convention;
6° la société (ou l'établissement stable) qui revendique l'exonération remet une copie de la convention-cadre dans le délai prescrit pour le dépôt de déclaration aux impôts sur les revenus de la période imposable et l'annexe à la déclaration;
7° la société (ou l'établissement stable) qui revendique le maintien de l'exonération remet un document par lequel le contrôle dont dépend le producteur de l'oeuvre audiovisuelle belge agréée atteste le respect des conditions de dépenses en Belgique conformément au § 1er, 3° et des conditions et plafonds prévus au 4° et au 5° du présent paragraphe, au plus tard dans les deux ans de la conclusion de la convention-cadre de production d'une oeuvre audiovisuelle;
7°bis. la société de production audiovisuelle n'a pas d'arrières auprès de l'Office national de sécurité sociale au moment de la conclusion de la convention-cadre;
8° les conditions visées au présent article sont respectées de manière permanente.
Dans l'éventualité où l'une ou l'autre de ces conditions cesse d'être observée pendant un exercice comptable quelconque, les bénéfices antérieurement immunisés sont considérés comme des bénéfices obtenus au cours de cet exercice comptable.
§ 5. La convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle mentionne obligatoirement :
1° la dénomination et l'objet social de la société résidente de production audiovisuelle;
2° la dénomination et l'objet social des sociétés résidentes (ou des établissements stables) qui ont conclu la convention-cadre avec la société visée au 1°;
3° le montant global des sommes affectées en application du § 2 et la forme juridique, détaillée par montant, que revêtent ces affectations dans le chef de chaque participant visé au 2°.
4° une identification et une description de l'oeuvre audiovisuelle agréée faisant l'objet de la convention-cadre;
5° le budget des dépenses nécessitées par ladite oeuvre audiovisuelle, en distinguant la part prise en charge par la société résidente de production audiovisuelle et la part de financement prise en charge par chaque société résidente (ou établissement stable) revendiquant l'exonération visée au § 2;
6° la mode de rémunération convenu des sommes affectées, selon leur nature, à l'exécution de la convention-cadre;
7° la garantie que chaque société résidente (ou établissement stable) visée au 2° n'est pas une entreprise belge ou étrangère de télédiffusion et n'est pas liée à une telle entreprise et que les prêteurs ne sont pas des établissements de crédit;
8° l'engagement de la société résidente de production audiovisuelle :
- de dépenser en Belgique 150 p.c. du montant investi autrement que sous le forme de prêts conformément au § 1er;
- de limiter le montant définitif des sommes affectées en principe à l'exécution de la convention-cadre en exonération des bénéfices à un maximum de 50 p.c. du budget des dépenses globales de l'oeuvre audiovisuelle belge agréée pour l'ensemble des sociétés résidentes concernées et d'affecter effectivement la totalité des sommes versées conformément au § 2 à l'exécution de ce budget;
- de limiter le total des sommes affectées sous la forme de prêts à l'exécution de la convention-cadre à un maximum de 40 p.c. des sommes affectées en principe à l'exécution de la convention-cadre en exonération des bénéfices par l'ensemble des sociétés résidentes (ou des établissements stables) concernées.
§ 6. Les dispositions qui précèdent ne portent pas préjudice au droit de la société (ou de l'établissement stable) contribuable de revendiquer la déduction éventuelle, au titre de frais professionnels et dans le respect des conditions visées aux articles 49 et suivants, d'autres montants que ceux visés au § 2 et destinés eux aussi à promouvoir la production d'oeuvres audiovisuelles.
Par dérogation aux articles 23, 48, 49 et 61, les frais et les pertes, ainsi que les réductions de valeur, provisions et amortissements portant, selon le cas, sur les droits de créance et sur les droits de production et d'exploitation de l'oeuvre audiovisuelle, résultant de prêts ou d'opérations visés au § 2, ne sont pas déductibles à titre de frais ou de pertes professionnelles, ni exonérés.
Art. 194ter. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° société résidente de production audiovisuelle :
- la société dont l'objet principal est le développement et la production d'oeuvres audiovisuelles;
- autre qu'une entreprise de télédiffusion ou qu'une entreprise liée à des entreprises belges ou étrangères de télédiffusion;
2° Convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle : l'accord de base conclu entre une société résidente de production audiovisuelle et une ou plusieurs sociétés résidentes en vue du financement de la production d'une oeuvre audiovisuelle belge agrée en exonération des bénéfices imposables;
3° oeuvre audiovisuelle belge agrée :
- un long métrage de fiction, documentaire ou d'animation, destiné à une exploitation cinématographique, une collection télévisuelle d'animation, un
programme télévisuel documentaire et agréé par les services compétents de la Communauté concernée comme oeuvre européenne telle que définie par la directive "Télévision sans frontières" du 3 octobre 1999 (89/552/EEC), amendée par la directive 97/36/EC du 30.06.1997 et ratifiée par la Communauté française le 4 janvier 1999, la communauté flamande le (25.1.1995) et la Région (de Brxuelles-Capitale) le 30.3.1995;
- Pour laquelle les dépenses de la production et de l'exploitation, effectuées en Belgique dans un délai maximum de 18 mois à partir de la date de conclusion de la convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle, s'élèvent au minimum à 150 p.c. des sommes globales affectées en principe, autrement que sous la forme de prêts, à l'exécution d'une convention cadre en exonération conformément au § 2.
Sont considérées comme des dépenses effectuées en Belgique pour l'application de l'alinéa précédent, les charges d'exploitation et les charges financières productives de revenus professionnels dans le chef de personnes physiques assujetties à l'impôt des personnes physiques ou dans le chef des sociétés résidentes, à l'exclusion des frais visés à l'article 57, qui ne sont pas justifiées par la production de fiches individuelles et un relevé récapitulatif, des frais visés à l'article 53, 9° et 10°, ainsi que de tout autre frais qui n'est pas engagé aux fins de production ou d'exploitation de l'oeuvre agréée.
§ 2. Dans le chef de la société (ou d'un établissement stable d'une société étrangère), autre qu'une société résidente de production audiovisuelle, qui conclut en Belgique une convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle belge agréée, les bénéfices imposables sont exonérés à concurrence de 150 p.c. des sommes effectivement versées par cette société en exécution de la convention-cadre, aux conditions et dans les limites déterminées ci-après.
Les sommes visées à l'alinéa 1er peuvent être affectées à l'exécution de la convention-cadre soit par l'octroi de prêts pour autant que la société (ou l'établissement stable) ne soit pas un établissement de crédit, soit par l'acquisition de droits liés à la production et à l'exploitation de l'oeuvre audiovisuelle.
§3. Par exercice comptable, l'exonération est accordée à raison d'un montant n'excédant pas 50 p.c. des bénéfices de la période imposable ou un maximum de 750.000 EUR dans le chef de la société (ou de l'établissement stable) qui revendique l'exonération.
En cas d'absence ou d'insuffisance de bénéfices d'une période imposable pour laquelle les sommes sont affectées à l'exécution de la convention-cadre, l'exonération non accordée pour cette période imposable est reportée successivement sur les bénéfices des périodes imposables suivantes.
§ 4. L'immunité n'est accordée et maintenue que si :
1° les bénéfices immunisés sont et restent comptabilisés à un compte distinct au passif du bilan;
2° les bénéfices immunisés ne servent pas de base au calcul des rémunérations ou attributions quelconques;
3° les droits de créance et de propriété obtenus à l'occasion de la conclusion ou de l'exécution de la convention-cadre restent affectés à l'exercice de l'activité professionnelle en Belgique;
4° le total des sommes effectivement versées en exécution de la convention-cadre en exonération des bénéfices conformément au § 2, par l'ensemble des sociétés résidentes (ou les établissements stables) qui ont conclu cette convention, n'excède pas 50 p.c. du budget global des dépenses de l'oeuvre audiovisuelle belge agréée et a été effectivement affecte à l'exécution de ce budget;
5° le total des sommes affectées sous la forme de prêts à l'exécution de la convention-cadre n'excède pas 40 p.c. des (sommes à affecter) à l'exécution de la convention-cadre en exonération des bénéfices conformément au § 2 par l'ensemble des sociétés résidentes (ou des établissements stables) qui ont conclu cette convention;
6° la société (ou l'établissement stable) qui revendique l'exonération remet une copie de la convention-cadre dans le délai prescrit pour le dépôt de déclaration aux impôts sur les revenus de la période imposable et l'annexe à la déclaration;
7° la société (ou l'établissement stable) qui revendique le maintien de l'exonération remet un document par lequel le contrôle dont dépend le producteur de l'oeuvre audiovisuelle belge agréée atteste le respect des conditions de dépenses en Belgique conformément au § 1er, 3° et des conditions et plafonds prévus au 4° et au 5° du présent paragraphe, au plus tard dans les deux ans de la conclusion de la convention-cadre de production d'une oeuvre audiovisuelle;
7°bis. la société de production audiovisuelle n'a pas d'arrières auprès de l'Office national de sécurité sociale au moment de la conclusion de la convention-cadre;
8° les conditions visées au présent article sont respectées de manière permanente.
Dans l'éventualité où l'une ou l'autre de ces conditions cesse d'être observée pendant un exercice comptable quelconque, les bénéfices antérieurement immunisés sont considérés comme des bénéfices obtenus au cours de cet exercice comptable.
§ 5. La convention-cadre destinée à la production d'une oeuvre audiovisuelle mentionne obligatoirement :
1° la dénomination et l'objet social de la société résidente de production audiovisuelle;
2° la dénomination et l'objet social des sociétés résidentes (ou des établissements stables) qui ont conclu la convention-cadre avec la société visée au 1°;
3° le montant global des sommes affectées en application du § 2 et la forme juridique, détaillée par montant, que revêtent ces affectations dans le chef de chaque participant visé au 2°.
4° une identification et une description de l'oeuvre audiovisuelle agréée faisant l'objet de la convention-cadre;
5° le budget des dépenses nécessitées par ladite oeuvre audiovisuelle, en distinguant la part prise en charge par la société résidente de production audiovisuelle et la part de financement prise en charge par chaque société résidente (ou établissement stable) revendiquant l'exonération visée au § 2;
6° la mode de rémunération convenu des sommes affectées, selon leur nature, à l'exécution de la convention-cadre;
7° la garantie que chaque société résidente (ou établissement stable) visée au 2° n'est pas une entreprise belge ou étrangère de télédiffusion et n'est pas liée à une telle entreprise et que les prêteurs ne sont pas des établissements de crédit;
8° l'engagement de la société résidente de production audiovisuelle :
- de dépenser en Belgique 150 p.c. du montant investi autrement que sous le forme de prêts conformément au § 1er;
- de limiter le montant définitif des sommes affectées en principe à l'exécution de la convention-cadre en exonération des bénéfices à un maximum de 50 p.c. du budget des dépenses globales de l'oeuvre audiovisuelle belge agréée pour l'ensemble des sociétés résidentes concernées et d'affecter effectivement la totalité des sommes versées conformément au § 2 à l'exécution de ce budget;
- de limiter le total des sommes affectées sous la forme de prêts à l'exécution de la convention-cadre à un maximum de 40 p.c. des sommes affectées en principe à l'exécution de la convention-cadre en exonération des bénéfices par l'ensemble des sociétés résidentes (ou des établissements stables) concernées.
§ 6. Les dispositions qui précèdent ne portent pas préjudice au droit de la société (ou de l'établissement stable) contribuable de revendiquer la déduction éventuelle, au titre de frais professionnels et dans le respect des conditions visées aux articles 49 et suivants, d'autres montants que ceux visés au § 2 et destinés eux aussi à promouvoir la production d'oeuvres audiovisuelles.
Par dérogation aux articles 23, 48, 49 et 61, les frais et les pertes, ainsi que les réductions de valeur, provisions et amortissements portant, selon le cas, sur les droits de créance et sur les droits de production et d'exploitation de l'oeuvre audiovisuelle, résultant de prêts ou d'opérations visés au § 2, ne sont pas déductibles à titre de frais ou de pertes professionnelles, ni exonérés.
Art.129. Artikel 416, van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met het volgende lid :
" In afwijking van artikel 414 en onverminderd de toepassing van de artikelen 444 en 445, is op het gedeelte van de belasting dat proportioneel verband houdt met de krachtens artikel 194ter , § 2, (vrijgestelde sommen), een overeenkomstig artikel 414 berekende nalatigheidsintrest verschuldigd vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan. "
" In afwijking van artikel 414 en onverminderd de toepassing van de artikelen 444 en 445, is op het gedeelte van de belasting dat proportioneel verband houdt met de krachtens artikel 194ter , § 2, (vrijgestelde sommen), een overeenkomstig artikel 414 berekende nalatigheidsintrest verschuldigd vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de vrijstelling werd toegestaan. "
Art.129. "L'article 416, du même Code, est complété par l'alinéa suivant :
Par dérogation à l'article 414 et sans préjudice de l'application des articles 444 et 445, il est du sur la partie de l'impôt qui se rapporte proportionnellement aux sommes qui ont été exonérées en vertu de l'article 194ter, § 2, un intérêt de retard, calculé conformément à l'article 414, à partir du 1er janvier de l'année portant le millésime de l'exercice d'imposition pour lequel l'immunité a été accordée. "
Par dérogation à l'article 414 et sans préjudice de l'application des articles 444 et 445, il est du sur la partie de l'impôt qui se rapporte proportionnellement aux sommes qui ont été exonérées en vertu de l'article 194ter, § 2, un intérêt de retard, calculé conformément à l'article 414, à partir du 1er janvier de l'année portant le millésime de l'exercice d'imposition pour lequel l'immunité a été accordée. "
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
CHAPITRE III. - Modifications du code de la taxe sur la valeur ajoutée.
Art.130. Artikel 1 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en bij de koninklijke besluiten van 7 augustus 1995, 22 december 1995, 28 december 1999 en 30 december 1999, wordt aangevuld met een § 9, luidende :
" § 9. Voor de toepassing van dit Wetboek dient onder een gebouw te worden verstaan, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden. "
" § 9. Voor de toepassing van dit Wetboek dient onder een gebouw te worden verstaan, ieder bouwwerk dat vast met de grond is verbonden. "
Art.130. L'article premier du Code de la taxe sur la valeur ajoutée modifié par la loi du 28 décembre 1992 et par les arrêtés royaux du 7 août 1995, du 22 décembre 1995, du 28 décembre 1999 et du 30 décembre 1999, est complété par un § 9, rédigé comme suit :
" § 9. Pour l'application du présent Code, il y a lieu d'entendre par bâtiment, toute construction incorporée au sol. "
" § 9. Pour l'application du présent Code, il y a lieu d'entendre par bâtiment, toute construction incorporée au sol. "
Art.131. In artikel 8, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden " van het jaar na dat waarin het voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing " vervangen door de woorden " van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat gebouw ".
Art.131. A l'article 8, § 1er, du même Code, remplacé par la loi du 28 décembre 1992, les mots "de l'année qui suit celle au cours de laquelle a lieu le premier enrôlement au précompte immobilier de ce bâtiment" sont remplacés par les mots "de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de ce bâtiment".
Art.132. In artikel 12, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden " van het jaar na dat waarin ze voor het eerst zijn opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing " vervangen door de woorden " van het tweede jaar volgend op het jaar van hun eerste ingebruikneming of hun eerste inbezitneming ".
Art.132. A l'article 12, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 28 décembre 1992, les mots "de l'année qui suit celle au cours de laquelle a lieu le premier enrôlement au précompte immobilier" sont remplacés par les mots "de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu leur première occupation ou leur première utilisation".
Art.133. In artikel 44, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in 1°, a) , worden de woorden " van het jaar na dat waarin dat gebouw voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing " vervangen door de woorden " van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat gebouw ";
b) in 1°, b) , worden de woorden " van het jaar na dat waarin dat gebouw voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing " vervangen door de woorden " van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat gebouw ".
a) in 1°, a) , worden de woorden " van het jaar na dat waarin dat gebouw voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing " vervangen door de woorden " van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat gebouw ";
b) in 1°, b) , worden de woorden " van het jaar na dat waarin dat gebouw voor het eerst is opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing " vervangen door de woorden " van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van dat gebouw ".
Art.133. A l'article 44, § 3, du même Code, remplacé par la loi du 28 décembre 1992, sont apportées les modifications suivantes :
a) au point 1°, a) , les mots " de l'année qui suit celle au cours de laquelle a lieu le premier enrôlement au précompte immobilier de ces bâtiments " sont remplacés par les mots " de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de ces bâtiments ";
b) au point 1°, b) , les mots " de l'année qui suit celle au cours de laquelle a lieu le premier enrôlement au précompte immobilier de ces bâtiments " sont remplacés par les mots " de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de ces bâtiments ".
a) au point 1°, a) , les mots " de l'année qui suit celle au cours de laquelle a lieu le premier enrôlement au précompte immobilier de ces bâtiments " sont remplacés par les mots " de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de ces bâtiments ";
b) au point 1°, b) , les mots " de l'année qui suit celle au cours de laquelle a lieu le premier enrôlement au précompte immobilier de ces bâtiments " sont remplacés par les mots " de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation de ces bâtiments ".
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van artikel 168, tiende gedachtenstreep, van de programmawet van 30 december 2001, betreffende de datum van inwerkingtreding van de opheffing van artikel 25 van de wet van 19 juli 1930 tot oprichting van de Regie van Telegraaf en Telefoon.
CHAPITRE IV. - Modification de l'article 168, dixième tiret, de la loi programme du 30 décembre 2001, s'agissant de la date d'entrée en vigueur de l'article 25 de la loi du 19 juillet 1930 créant la Régie des télégraphes et des téléphones.
Art.134. Artikel 168, tiende gedachtenstreep, van de programmawet van 30 december 2001, wordt vervangen als volgt :
" - artikel 79 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002 behalve wat betreft de vrijstelling van alle belastingen of taksen ten gunste van de provinciën en gemeenten die worden geheven onder de vorm van opcentiemen, waarvoor het uitwerking heeft vanaf het aanslagjaar 2002. "
" - artikel 79 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002 behalve wat betreft de vrijstelling van alle belastingen of taksen ten gunste van de provinciën en gemeenten die worden geheven onder de vorm van opcentiemen, waarvoor het uitwerking heeft vanaf het aanslagjaar 2002. "
Art.134. L'article 168, dixième tiret, de la loi-programme du 30 décembre 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" - l'article 79 produit ses effets à partir du 1er janvier 2002, sauf en ce qui concerne l'exemption de tout impôt ou taxe au profit des provinces et des communes, prélevés sous forme de décimes additionnels, pour laquelle il est d'application à partir de l'exercice d'imposition 2002. "
" - l'article 79 produit ses effets à partir du 1er janvier 2002, sauf en ce qui concerne l'exemption de tout impôt ou taxe au profit des provinces et des communes, prélevés sous forme de décimes additionnels, pour laquelle il est d'application à partir de l'exercice d'imposition 2002. "
HOOFDSTUK V. - Uitbreiding van de bepalingen van de wet houdende oprichting van de begrotingsfondsen.
CHAPITRE V. - Extension des dispositions de la loi créant les fonds budgétaires.
Art.135. § 1. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
[1 § 3. De Koning bepaalt de modaliteiten op grond waarvan de huurgelden, die niet vereffend zijn door een gemeente of politiezone, ingehouden kunnen worden [2 op het correctiemechanisme dat]2 moet uitbetaald worden aan diezelfde gemeente of politiezone.]1
§ 2. [2 ...]2
[1 § 3. De Koning bepaalt de modaliteiten op grond waarvan de huurgelden, die niet vereffend zijn door een gemeente of politiezone, ingehouden kunnen worden [2 op het correctiemechanisme dat]2 moet uitbetaald worden aan diezelfde gemeente of politiezone.]1
Art.135. § 1er. [2 ...]2
§ 2. [2 ...]2
[1 § 3. Le Roi règle les modalités par lesquelles les loyers dont ne s'est pas acquittée une commune ou une zone de police peuvent être retenus d'une somme à payer par le fonds à cette même commune ou zone de police.]1
§ 2. [2 ...]2
[1 § 3. Le Roi règle les modalités par lesquelles les loyers dont ne s'est pas acquittée une commune ou une zone de police peuvent être retenus d'une somme à payer par le fonds à cette même commune ou zone de police.]1
HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers.
CHAPITRE VI. - Modification de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généreux de la sécurité sociale des travailleurs salariés.
Art.136. In artikel 37bis , § 4, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers worden het zesde en zevende lid, ingevoegd bij de wet van 30 december 2001, vervangen door de volgende bepalingen :
" In de mate dat tot 31 december 2001, in uitvoering van de §§ 1 tot 4, de terugbetaalde bedragen in mindering zijn gebracht van positieve belastbare basissen in de vennootschapsbelasting, moet 40,17 % van het aldus in mindering gebrachte bedrag uiterlijk op 31 december 2002 worden gestort op de thesaurierekening. In de mate dat zulks niet het geval was en in de mate dat het daardoor ontstane verlies nog niet in mindering is gebracht van latere belastbare winsten, dient het fiscaal resultaat van het belastbare tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2003 te worden verhoogd met het bedrag van de terugbetaalde en in kosten gebrachte sommen. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inningswijze alsmede het bedrag van de administratieve sancties vaststellen in geval van niet-betaling, binnen de vastgestelde termijn, van de hierboven vermelde som.
De verwijlinterest wordt berekend tegen een jaarrentevoet van 6,37 %. De termijn waarover de verwijlinterest verschuldigd is, wordt als volgt bepaald :
- voor de in 2000 uitgevoerde en fiscaal in mindering gebrachte terugbetalingen : vanaf 1 juli 2001 tot op het ogenblik van de terugbetaling;
- voor de in 2001 uitgevoerde en fiscaal in mindering gebrachte terugbetalingen : vanaf 1 juli 2002 tot op het ogenblik van de terugbetaling. "
" In de mate dat tot 31 december 2001, in uitvoering van de §§ 1 tot 4, de terugbetaalde bedragen in mindering zijn gebracht van positieve belastbare basissen in de vennootschapsbelasting, moet 40,17 % van het aldus in mindering gebrachte bedrag uiterlijk op 31 december 2002 worden gestort op de thesaurierekening. In de mate dat zulks niet het geval was en in de mate dat het daardoor ontstane verlies nog niet in mindering is gebracht van latere belastbare winsten, dient het fiscaal resultaat van het belastbare tijdperk verbonden aan het aanslagjaar 2003 te worden verhoogd met het bedrag van de terugbetaalde en in kosten gebrachte sommen. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de inningswijze alsmede het bedrag van de administratieve sancties vaststellen in geval van niet-betaling, binnen de vastgestelde termijn, van de hierboven vermelde som.
De verwijlinterest wordt berekend tegen een jaarrentevoet van 6,37 %. De termijn waarover de verwijlinterest verschuldigd is, wordt als volgt bepaald :
- voor de in 2000 uitgevoerde en fiscaal in mindering gebrachte terugbetalingen : vanaf 1 juli 2001 tot op het ogenblik van de terugbetaling;
- voor de in 2001 uitgevoerde en fiscaal in mindering gebrachte terugbetalingen : vanaf 1 juli 2002 tot op het ogenblik van de terugbetaling. "
Art.136. A l'article 37bis , § 4, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, les alinéas 6 et 7, insérés par la loi du 30 décembre 2001, sont remplacés par les alinéas suivants :
" Dans la mesure où, en exécution des §§ 1er à 4, les montants remboursés ont été déduits, dans le cadre de l'impôt des sociétés, des bases imposables positives jusqu'au 31 décembre 2001, une somme correspondant à 40,17 % du montant ainsi déduit doit être payé au compte de trésorerie au plus tard le 31 décembre 2002. Si tel n'est pas le cas et si la perte ainsi générale n'a pas encore été déduite de bénéfices imposables ultérieurs, le résultat fiscal de la période imposable liée à l'exercice d'imposition 2003 doit être majoré du montant des sommes remboursées et portées en frais. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer les modalités de perception ainsi que le montant des sanctions administratives applicables en cas de non-paiement de la somme susvisée dans le délai fixé.
L'intérêt de retard est calculé au taux annuel de 6,37 %. La période pour laquelle l'intérêt de retard est dû est déterminée de la manière suivante :
- pour les remboursements effectués et déduits fiscalement en 2000 : à partir du 1er juillet 2001 jusqu'au moment du remboursement;
- pour les remboursements effectués et déduits fiscalement en 2001 : à partir du 1er juillet 2002 jusqu'au moment du remboursement. "
" Dans la mesure où, en exécution des §§ 1er à 4, les montants remboursés ont été déduits, dans le cadre de l'impôt des sociétés, des bases imposables positives jusqu'au 31 décembre 2001, une somme correspondant à 40,17 % du montant ainsi déduit doit être payé au compte de trésorerie au plus tard le 31 décembre 2002. Si tel n'est pas le cas et si la perte ainsi générale n'a pas encore été déduite de bénéfices imposables ultérieurs, le résultat fiscal de la période imposable liée à l'exercice d'imposition 2003 doit être majoré du montant des sommes remboursées et portées en frais. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, fixer les modalités de perception ainsi que le montant des sanctions administratives applicables en cas de non-paiement de la somme susvisée dans le délai fixé.
L'intérêt de retard est calculé au taux annuel de 6,37 %. La période pour laquelle l'intérêt de retard est dû est déterminée de la manière suivante :
- pour les remboursements effectués et déduits fiscalement en 2000 : à partir du 1er juillet 2001 jusqu'au moment du remboursement;
- pour les remboursements effectués et déduits fiscalement en 2001 : à partir du 1er juillet 2002 jusqu'au moment du remboursement. "
TITEL VI. - Landsverdediging.
TITRE VI. - Défense.
HOOFDSTUK I. - Wet van 30 juli 1938 - Gebruik van de Engelse taal.
CHAPITRE I. - Loi du 30 juillet 1938 - Emploi de la langue anglaise.
Art.137. Artikel 12 van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger wordt aangevuld met de volgende leden :
" De materies die wegens hun aard of wegens het professionele gebruik, de kennis of het gebruik van het Engels noodzakelijk maken, kunnen aan de militairen in deze taal onderwezen worden. De overhoringen en examens over deze materies kunnen eveneens in deze taal gebeuren.
De Minister van Landsverdediging stelt de materies bedoeld in het tweede lid, vast. "
" De materies die wegens hun aard of wegens het professionele gebruik, de kennis of het gebruik van het Engels noodzakelijk maken, kunnen aan de militairen in deze taal onderwezen worden. De overhoringen en examens over deze materies kunnen eveneens in deze taal gebeuren.
De Minister van Landsverdediging stelt de materies bedoeld in het tweede lid, vast. "
Art.137. L'article 12 de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée est complété par les alinéas suivants :
" Les matières qui nécessitent la connaissance ou l'usage de l'anglais par leur nature ou par leur usage professionnel peuvent être enseignées aux militaires dans cette langue. Les interrogations et examens relatifs à ces matières peuvent également se passer dans cette langue.
Le Ministre de la Défense fixe les matières visées à l'alinéa 2. "
" Les matières qui nécessitent la connaissance ou l'usage de l'anglais par leur nature ou par leur usage professionnel peuvent être enseignées aux militaires dans cette langue. Les interrogations et examens relatifs à ces matières peuvent également se passer dans cette langue.
Le Ministre de la Défense fixe les matières visées à l'alinéa 2. "
HOOFDSTUK II. - Wet van 16 maart 1954 - Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het ministerie van Landsverdediging.
CHAPITRE II. - Loi du 16 mars 1954 - Office central d'Action sociale et culturelle du Ministère de la Défense.
Art.138. In artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut worden onder categorie B de woorden "Centrale Dienst voor sociale en culturele actie ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap", ingevoegd door de wet van 10 april 1973, vervangen door de woorden " Centrale Dienst voor sociale en culturele actie van het Ministerie van Landsverdediging ".
Art.138. A l'article 1er de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, les mots "Office central d'Action sociale et culturelle au profit des membres de la communauté militaire", insérés par la loi du 10 avril 1973, sont remplacés par les mots " Office central d'Action sociale et culturelle du Ministère de la Défense ".
HOOFDSTUK III. - Wet van 1 maart 1958 - Statuut van de officieren.
CHAPITRE III. - Loi du 1er mars 1958 - Statut officiers.
Art.139. In artikel 44 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren en de reserveofficieren van de krijgsmacht, vervangen bij de wet van 28 december 1990 en gewijzigd bij de wet van 22 maart 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. De opperofficieren worden benoemd binnen het in § 1 bedoelde korps volgens bijkomende regels, die de Koning bepaalt en die de belangen van de krijgsmacht moeten in overeenstemming brengen met een billijke intermachten- en interkorpsenverhouding in deze graden.
De officieren bedoeld in artikel 27, § 3, worden evenwel benoemd binnen het krijgsmachtdeel. ";
2° in § 3 vervallen de woorden "van de landmacht en de zeemacht";
3° in § 3 wordt het woord "interkorpsverhouding" vervangen door de woorden "intermachten- en interkorpsenverhouding".
1° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
" § 2. De opperofficieren worden benoemd binnen het in § 1 bedoelde korps volgens bijkomende regels, die de Koning bepaalt en die de belangen van de krijgsmacht moeten in overeenstemming brengen met een billijke intermachten- en interkorpsenverhouding in deze graden.
De officieren bedoeld in artikel 27, § 3, worden evenwel benoemd binnen het krijgsmachtdeel. ";
2° in § 3 vervallen de woorden "van de landmacht en de zeemacht";
3° in § 3 wordt het woord "interkorpsverhouding" vervangen door de woorden "intermachten- en interkorpsenverhouding".
Art.139. A l'article 44 de la loi du 1er mars 1958 relative au statut des officiers de carrière et des officiers de réserve des forces armées, remplacé par la loi du 28 décembre 1990 et modifié par la loi du 22 mars 2001, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Les officiers généraux sont nommés dans le corps visé au § 1er selon des règles complémentaires que le Roi détermine et qui doivent concilier les intérêts des forces armées avec une proportion équitable entre les forces et les corps dans ces grades.
Toutefois, les officiers visés à l'article 27, § 3, sont nommés au sein de la force. ";
2° dans le § 3, les mots "de la force terrestre et de la force navale" sont supprimés;
3° dans le § 3, les mots "les forces et" sont insérés entre les mots "équitable entre" et "les corps".
1° le § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Les officiers généraux sont nommés dans le corps visé au § 1er selon des règles complémentaires que le Roi détermine et qui doivent concilier les intérêts des forces armées avec une proportion équitable entre les forces et les corps dans ces grades.
Toutefois, les officiers visés à l'article 27, § 3, sont nommés au sein de la force. ";
2° dans le § 3, les mots "de la force terrestre et de la force navale" sont supprimés;
3° dans le § 3, les mots "les forces et" sont insérés entre les mots "équitable entre" et "les corps".
HOOFDSTUK IV. - Wet van 10 april 1973 - Centrale Dienst voor Sociale en Culturele Actie van het Ministerie van Landsverdediging.
CHAPITRE IV. - Loi du 10 avril 1973 - Office central d'Action sociale et culturelle du Ministère de la Défense.
Art.140. In het opschrift van de wet van 10 april 1973 houdende oprichting van een Centrale Dienst voor sociale en culturele actie ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap, gewijzigd door de wetten van 28 december 1973, 11 juli 1978, 20 augustus 1982 en 22 december 1986, worden de woorden "ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap" vervangen door de woorden "van het Ministerie van Landsverdediging".
Art.140. Dans l'intitulé de la loi du 10 avril 1973 portant création de l'Office central d'Action sociale et culturelle au profit des membres de la communauté militaire, modifié par les lois du 28 décembre 1973, 11 juillet 1978, 20 août 1982 et 22 décembre 1986, les mots "au profit des membres de la communauté militaire" sont remplacés par les mots "du Ministère de la Défense".
Art.141. In artikel 1, § 1, van dezelfde wet worden de woorden "ten behoeve van de leden van de militaire gemeenschap" vervangen door de woorden "van het Ministerie van Landsverdediging".
Art.141. Dans l'article 1er, § 1er, de la même loi, les mots "au profit des membres de la communauté militaire" sont remplacés par les mots "du Ministère de la Défense".
Art.142. Artikel 3, § 1, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" § 1. De Centrale Dienst heeft tot opdracht te voorzien in de sociale en culturele behoeften van het personeel van het Ministerie van Landsverdediging en van de instellingen van openbaar nut die onder dat ministerie ressorteren alsook van hun gezin. "
" § 1. De Centrale Dienst heeft tot opdracht te voorzien in de sociale en culturele behoeften van het personeel van het Ministerie van Landsverdediging en van de instellingen van openbaar nut die onder dat ministerie ressorteren alsook van hun gezin. "
Art.142. L'article 3, § 1er, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. L'Office Central a pour mission de répondre aux besoins sociaux et culturels du personnel du Ministère de la Défense et des organismes d'intérêt public relevant de ce ministère, ainsi que de leur famille. "
" § 1er. L'Office Central a pour mission de répondre aux besoins sociaux et culturels du personnel du Ministère de la Défense et des organismes d'intérêt public relevant de ce ministère, ainsi que de leur famille. "
Art.143. In artikel 5, § 1, van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° twee vertegenwoordigers per syndicale organisatie voor zover ze zitting heeft als representatieve syndicale organisatie in een van de onderhandelingscomités bevoegd voor het personeel van het Ministerie van Landsverdediging of voor het personeel van een van de instellingen van openbaar nut die onder dat ministerie ressorteren; ".
2° in 3° worden de woorden " van het militair personeel van de krijgsmacht " vervangen door de woorden " van het personeel van het Ministerie van Landsverdediging en van de instellingen van openbaar nut die onder dat Ministerie ressorteren ".
1° de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
" 2° twee vertegenwoordigers per syndicale organisatie voor zover ze zitting heeft als representatieve syndicale organisatie in een van de onderhandelingscomités bevoegd voor het personeel van het Ministerie van Landsverdediging of voor het personeel van een van de instellingen van openbaar nut die onder dat ministerie ressorteren; ".
2° in 3° worden de woorden " van het militair personeel van de krijgsmacht " vervangen door de woorden " van het personeel van het Ministerie van Landsverdediging en van de instellingen van openbaar nut die onder dat Ministerie ressorteren ".
Art.143. A l'article 5, § 1er, de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 2° est remplacé par le texte suivant :
" 2° de deux représentants par organisation syndicale pour autant qu'elle siège comme organisation syndicale représentative dans l'un des comités de négociation compétents pour le personnel du Ministère de la Défense ou pour le personnel de l'un des organismes d'intérêt public relevant de ce ministère; ".
2° dans le 3°, les mots " du personnel militaire des Forces armées " sont remplaces par les mots " du personnel du Ministère de la Défense et des organismes d'intérêt public relevant de ce ministère ".
1° le 2° est remplacé par le texte suivant :
" 2° de deux représentants par organisation syndicale pour autant qu'elle siège comme organisation syndicale représentative dans l'un des comités de négociation compétents pour le personnel du Ministère de la Défense ou pour le personnel de l'un des organismes d'intérêt public relevant de ce ministère; ".
2° dans le 3°, les mots " du personnel militaire des Forces armées " sont remplaces par les mots " du personnel du Ministère de la Défense et des organismes d'intérêt public relevant de ce ministère ".
HOOFDSTUK V. - Wet van 11 juli 1978 - Syndicale afgevaardigden.
CHAPITRE V. - Loi du 11 juillet 1978 - Délégués syndicaux.
Art.144. Artikel 5 van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het militair personeel van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst wordt vervangen als volgt :
" Art. 5. Wordt geacht representatief te zijn :
1° elke vakorganisatie erkend in de zin van artikel 12 die aangesloten is bij een vakorganisatie die in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd is;
2° de in de zin van artikel 12 erkende vakorganisatie, andere dan die bedoeld in 1°, waarvan het aantal bijdrageplichtige leden in actieve dienst ten minste 5 % bedraagt van het aantal militairen in actieve dienst in de krijgsmacht. "
" Art. 5. Wordt geacht representatief te zijn :
1° elke vakorganisatie erkend in de zin van artikel 12 die aangesloten is bij een vakorganisatie die in de Nationale Arbeidsraad vertegenwoordigd is;
2° de in de zin van artikel 12 erkende vakorganisatie, andere dan die bedoeld in 1°, waarvan het aantal bijdrageplichtige leden in actieve dienst ten minste 5 % bedraagt van het aantal militairen in actieve dienst in de krijgsmacht. "
Art.144. L'article 5 de la loi du 11 juillet 1978 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats du personnel militaire des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 5. Est considéré comme représentatif :
1° tout syndicat, agréé au sens de l'article 12, qui est affilié à un syndicat représenté au Conseil national du Travail;
2° le syndicat agréé, au sens de l'article 12, autre que ceux visés au 1°, dont le nombre d'affiliés cotisants en service actif s'élève au moins à 5 % du nombre de militaires en service actif au sein des forces armées. "
" Art. 5. Est considéré comme représentatif :
1° tout syndicat, agréé au sens de l'article 12, qui est affilié à un syndicat représenté au Conseil national du Travail;
2° le syndicat agréé, au sens de l'article 12, autre que ceux visés au 1°, dont le nombre d'affiliés cotisants en service actif s'élève au moins à 5 % du nombre de militaires en service actif au sein des forces armées. "
Art.145. Artikel 15 van de wet van 11 juli 1978 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van het militair personeel van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst wordt vervangen als volgt :
" Art. 15. § 1. De syndicale afgevaardigde wordt door de minister van Landsverdediging erkend op voordracht van zijn vakorganisatie.
De erkenning kan bij een met redenen omklede beslissing van de Minister van Landsverdediging worden geweigerd wanneer dit in het belang is van Landsverdediging.
De erkenning kan worden ingetrokken bij een met redenen omklede en op gewichtige redenen gesteunde beslissing van de minister van Landsverdediging. In hoogst dringende gevallen kan de minister van Landsverdediging, mits motivering van zijn beslissing, de erkenning van een syndicale afgevaardigde schorsen voor de duur van de procedure van intrekking van de erkenning.
De minister van landsverdediging beslist tot de weigering of de intrekking van de erkenning nadat hij het advies van het geschillencomité, dat betrokkene moet horen, heeft ingewonnen.
§ 2. De syndicale afgevaardigde wordt, voor de uitoefening van de prerogatieven opgesomd in de artikelen 13 en 14, van rechtswege in syndicaal verlof geplaatst of hij geniet van een dienstontheffing, volgens de regels en binnen de kredieten bepaald door de Koning.
De syndicale afgevaardigden die voor de uitoefening van één van de voornoemde prerogatieven syndicaal verlof of dienstontheffing om syndicale redenen verkrijgen, worden beschouwd als zijnde in werkelijke dienst wat hun statutaire rechten betreft.
§ 3. In het kader van de uitoefening van de syndicale prerogatieven zijn de syndicale afgevaardigden niet onderworpen aan het militair hiërarchisch gezag.
De syndicale afgevaardigden kunnen niet het voorwerp zijn van een statutaire maatregel of van een tuchtstraf omwille van de handelingen die zij in deze hoedanigheden stellen en die een rechtstreeks verband houden met de prerogatieven die zij uitoefenen.
De adviezen en beoordelingen die uitgebracht zijn in het kader van een tucht- of bevorderingsprocedure of van een procedure betreffende een statutaire maatregel en de beoordelingen uitgebracht bij het opstellen van een evaluatienota kunnen niet gesteund zijn op de activiteiten die verricht worden in de hoedanigheid van syndicaal afgevaardigde noch er melding van maken.
De syndicale afgevaardigden hebben de garantie dat zij hun militair ambt kunnen blijven uitoefenen in het kwartier waarvoor zij organiek aangewezen zijn. Zij kunnen slechts uitzonderlijk om dienstredenen voor een ander kwartier of een andere eenheid in dit kwartier aangewezen worden. Slechts wanneer een dergelijke uitzonderlijke mutatie naar een ander kwartier aanleiding geeft tot een betwisting vanwege de syndicale afgevaardigde kan zijn vakorganisatie tussenkomen bij de algemene directie human resources. De directeur-generaal human resources neemt terzake een gemotiveerde beslissing. In geval van betwisting van deze beslissing kan het geschillencomité worden gevat.
De kandidaat-militairen van het actief kader, de kandidaat-hulpofficieren, de kandidaat-militairen korte termijn en de leerlingen van de voorbereidende afdeling van de koninklijke militaire school kunnen niet aanvaard worden als syndicaal afgevaardigde.
§ 4. De Koning bepaalt de modaliteiten die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit artikel. "
" Art. 15. § 1. De syndicale afgevaardigde wordt door de minister van Landsverdediging erkend op voordracht van zijn vakorganisatie.
De erkenning kan bij een met redenen omklede beslissing van de Minister van Landsverdediging worden geweigerd wanneer dit in het belang is van Landsverdediging.
De erkenning kan worden ingetrokken bij een met redenen omklede en op gewichtige redenen gesteunde beslissing van de minister van Landsverdediging. In hoogst dringende gevallen kan de minister van Landsverdediging, mits motivering van zijn beslissing, de erkenning van een syndicale afgevaardigde schorsen voor de duur van de procedure van intrekking van de erkenning.
De minister van landsverdediging beslist tot de weigering of de intrekking van de erkenning nadat hij het advies van het geschillencomité, dat betrokkene moet horen, heeft ingewonnen.
§ 2. De syndicale afgevaardigde wordt, voor de uitoefening van de prerogatieven opgesomd in de artikelen 13 en 14, van rechtswege in syndicaal verlof geplaatst of hij geniet van een dienstontheffing, volgens de regels en binnen de kredieten bepaald door de Koning.
De syndicale afgevaardigden die voor de uitoefening van één van de voornoemde prerogatieven syndicaal verlof of dienstontheffing om syndicale redenen verkrijgen, worden beschouwd als zijnde in werkelijke dienst wat hun statutaire rechten betreft.
§ 3. In het kader van de uitoefening van de syndicale prerogatieven zijn de syndicale afgevaardigden niet onderworpen aan het militair hiërarchisch gezag.
De syndicale afgevaardigden kunnen niet het voorwerp zijn van een statutaire maatregel of van een tuchtstraf omwille van de handelingen die zij in deze hoedanigheden stellen en die een rechtstreeks verband houden met de prerogatieven die zij uitoefenen.
De adviezen en beoordelingen die uitgebracht zijn in het kader van een tucht- of bevorderingsprocedure of van een procedure betreffende een statutaire maatregel en de beoordelingen uitgebracht bij het opstellen van een evaluatienota kunnen niet gesteund zijn op de activiteiten die verricht worden in de hoedanigheid van syndicaal afgevaardigde noch er melding van maken.
De syndicale afgevaardigden hebben de garantie dat zij hun militair ambt kunnen blijven uitoefenen in het kwartier waarvoor zij organiek aangewezen zijn. Zij kunnen slechts uitzonderlijk om dienstredenen voor een ander kwartier of een andere eenheid in dit kwartier aangewezen worden. Slechts wanneer een dergelijke uitzonderlijke mutatie naar een ander kwartier aanleiding geeft tot een betwisting vanwege de syndicale afgevaardigde kan zijn vakorganisatie tussenkomen bij de algemene directie human resources. De directeur-generaal human resources neemt terzake een gemotiveerde beslissing. In geval van betwisting van deze beslissing kan het geschillencomité worden gevat.
De kandidaat-militairen van het actief kader, de kandidaat-hulpofficieren, de kandidaat-militairen korte termijn en de leerlingen van de voorbereidende afdeling van de koninklijke militaire school kunnen niet aanvaard worden als syndicaal afgevaardigde.
§ 4. De Koning bepaalt de modaliteiten die nodig zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit artikel. "
Art.145. L'article 15 de la loi du 11 juillet 1978 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats du personnel militaire des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 15. § 1er. Le délégué syndical est agréé par le Ministre de la Défense sur la proposition de son syndicat. (...).
L'agrément peut être refusé par une décision motivée du ministre de la Défense lorsqu'il en est de l'intérêt de la Défense.
L'agrément peut être retiré par une décision motivée du ministre de la Défense, fondée sur des raisons graves. Dans des cas d'extrême urgence, le ministre de la Défense peut moyennant motivation de sa décision, suspendre l'agrément d'un délégué syndical pour la durée de la procédure de retrait de l'agrément.
Le ministre de la Défense décide du refus ou du retrait de l'agrément après avoir pris l'avis du comité du contentieux, qui doit entendre l'intéressé.
§ 2. Le délégué syndical, pour l'exécution des prérogatives énumérées aux articles 13 et 14, est de plein droit en congé syndical ou bénéficie d'une dispense de service, selon les règles et endéans les crédits fixés par le Roi.
Les délégués syndicaux qui, pour l'exécution d'une des prérogatives précitées, obtiennent un congé syndical ou une dispense de service pour raisons syndicales, sont, en ce qui concerne leurs droits statutaires, considérés comme étant en service actif.
§ 3. Dans le cadre de l'exercice des prérogatives syndicales, les délégués syndicaux ne sont pas soumis à l'autorité hiérarchique militaire.
Les délégués syndicaux ne peuvent pas faire l'objet d'une mesure statutaire ou d'une punition disciplinaire pour les actes qu'ils accomplissent en cette qualité et qui sont directement liés aux prérogatives qu'ils exercent.
Les avis et les appréciations émis dans le cadre d'une procédure disciplinaire, d'avancement ou d'une procédure relative à une mesure statutaire et les appréciations émises lors de l'établissement d'une note d'évaluation, ne peuvent pas être fondés sur les activités accomplies en tant que délégué syndical, ni en faire état.
Les délégués syndicaux ont la garantie de pouvoir continuer d'exercer leur emploi militaire au sein du quartier dans lequel ils sont affectés organiquement. Ils ne peuvent qu'exceptionnellement être affectés dans un autre quartier ou dans une autre unité dans ce quartier pour des raisons de service. Ce n'est que lorsqu'une telle mutation exceptionnelle vers un autre quartier donne lieu à une contestation de la part du délégué syndical concerné que son syndicat peut intervenir auprès de la direction générale human ressources. Le directeur général human ressources prend une décision motivée en la matière. En cas de contestation de cette décision, le comite du contentieux peut être saisi.
Les candidats militaires du cadre actif, les candidats officiers auxiliaires, les candidats militaires court terme et les élèves de la division préparatoire à l'école royale militaire ne peuvent pas être agréés comme délégué syndical.
§ 4. Le Roi fixe les modalités nécessaires pour l'exécution des dispositions du présent article. "
" Art. 15. § 1er. Le délégué syndical est agréé par le Ministre de la Défense sur la proposition de son syndicat. (...).
L'agrément peut être refusé par une décision motivée du ministre de la Défense lorsqu'il en est de l'intérêt de la Défense.
L'agrément peut être retiré par une décision motivée du ministre de la Défense, fondée sur des raisons graves. Dans des cas d'extrême urgence, le ministre de la Défense peut moyennant motivation de sa décision, suspendre l'agrément d'un délégué syndical pour la durée de la procédure de retrait de l'agrément.
Le ministre de la Défense décide du refus ou du retrait de l'agrément après avoir pris l'avis du comité du contentieux, qui doit entendre l'intéressé.
§ 2. Le délégué syndical, pour l'exécution des prérogatives énumérées aux articles 13 et 14, est de plein droit en congé syndical ou bénéficie d'une dispense de service, selon les règles et endéans les crédits fixés par le Roi.
Les délégués syndicaux qui, pour l'exécution d'une des prérogatives précitées, obtiennent un congé syndical ou une dispense de service pour raisons syndicales, sont, en ce qui concerne leurs droits statutaires, considérés comme étant en service actif.
§ 3. Dans le cadre de l'exercice des prérogatives syndicales, les délégués syndicaux ne sont pas soumis à l'autorité hiérarchique militaire.
Les délégués syndicaux ne peuvent pas faire l'objet d'une mesure statutaire ou d'une punition disciplinaire pour les actes qu'ils accomplissent en cette qualité et qui sont directement liés aux prérogatives qu'ils exercent.
Les avis et les appréciations émis dans le cadre d'une procédure disciplinaire, d'avancement ou d'une procédure relative à une mesure statutaire et les appréciations émises lors de l'établissement d'une note d'évaluation, ne peuvent pas être fondés sur les activités accomplies en tant que délégué syndical, ni en faire état.
Les délégués syndicaux ont la garantie de pouvoir continuer d'exercer leur emploi militaire au sein du quartier dans lequel ils sont affectés organiquement. Ils ne peuvent qu'exceptionnellement être affectés dans un autre quartier ou dans une autre unité dans ce quartier pour des raisons de service. Ce n'est que lorsqu'une telle mutation exceptionnelle vers un autre quartier donne lieu à une contestation de la part du délégué syndical concerné que son syndicat peut intervenir auprès de la direction générale human ressources. Le directeur général human ressources prend une décision motivée en la matière. En cas de contestation de cette décision, le comite du contentieux peut être saisi.
Les candidats militaires du cadre actif, les candidats officiers auxiliaires, les candidats militaires court terme et les élèves de la division préparatoire à l'école royale militaire ne peuvent pas être agréés comme délégué syndical.
§ 4. Le Roi fixe les modalités nécessaires pour l'exécution des dispositions du présent article. "
HOOFDSTUK VI. - Wet van 21 december 1990 - Vorming.
CHAPITRE VI. - Loi du 21 décembre 1990 - Formation.
Art.146. Artikel 24 van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, vervangen bij de wet van 20 mei 1994 en gewijzigd bij de wetten van 25 mei 2000 en 22 maart 2001, wordt vervangen als volgt :
" Art. 24. § 1. Kan, op zijn verzoek, in functie van de kaderbehoeften van de krijgsmacht, gereclasseerd worden, de kandidaat bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, en tweede lid, die tijdens de door de Koning bepaalde gedeelten van de vormingscyclus :
1° hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de professionele hoedanigheden;
2° hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de karakteriële hoedanigheden;
3° hetzij wegens de weigering of intrekking van de vereiste veiligheidsmachtiging uit zijn specifieke vormingscyclus moet worden verwijderd.
De beslissing tot reclassering kan bestaan uit :
1° hetzij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de toestemming krijgen om een nieuwe vorming aan te vatten, in dezelfde hoedanigheid, in dezelfde personeelscategorie, in een andere specifieke vormingscyclus;
2° hetzij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de toestemming krijgen om een nieuwe vorming aan te vatten in de hoedanigheid van kandidaat-aanvullingsmilitair, in dezelfde personeelscategorie;
3° hetzij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de toestemming krijgen om een nieuwe vorming aan te vatten in de hoedanigheid van kandidaat-beroeps- of -aanvullingsmilitair in een lagere personeelscategorie.
Wordt de kandidaat evenwel definitief mislukt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de karakteriële hoedanigheden dan kan enkel de reclassering bedoeld in het tweede lid, 3°, worden toegestaan.
De reclassering wordt toegestaan of geweigerd door de door de Koning aangewezen overheid en volgens de procedure die Hij bepaalt.
De reclassering kan slechts éénmaal worden toegestaan.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier of de kandidaat-beroepsonderofficier bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, die om redenen van medische ongeschiktheid voor de luchtdienst of van beroepsonbekwaamheid voor de luchtdienst geen toestemming krijgt om zijn vorming als kandidaat-lid of als lid van het luchtvarend personeel voort te zetten kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn vorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor de medische geschiktheid voor de luchtdienst of de beroepsbekwaamheid voor de luchtdienst niet vereist is.
De kandidaat-beroeps- of -aanvullingsmilitair van de marine bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, die om redenen van medische ongeschiktheid voor dienst op zee geen toestemming krijgt om zijn vorming voort te zetten kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn vorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor de medische geschiktheid voor dienst op zee niet vereist is.
§ 3. De kandidaat-beroeps- of -aanvullingsmilitair die om redenen van medische ongeschiktheid zijn specifieke vormingscyclus niet kan voortzetten, kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn vorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor deze medische geschiktheid niet vereist is.
§ 4. De kandidaat-beroeps- of aanvullingsmilitair die om redenen van fysieke conditie zijn specifieke vormingscyclus niet kan voltooien, kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn vorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor deze fysieke conditie niet vereist is.
§ 5. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat door de door Hem aangewezen overheid vrijgesteld worden van vormingsgedeelten of cursussen, indien hij voordien met goed gevolg deze vormingsgedeelten, cursussen of gelijkwaardige vormingsgedeelten en cursussen heeft gevolgd.
§ 6. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat van de door de Koning aangewezen overheid een uitstel verkrijgen voor het afleggen van bepaalde proeven en examens of voor het volgen of volbrengen van bepaalde vormingsgedeelten. De aanvragen tot uitstel worden beschouwd als aanvragen tot tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden, indien zij gegrond zijn op de door de Koning vastgestelde redenen.
§ 7. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat door de door Hem aangewezen overheid georiënteerd of geheroriënteerd worden naar een andere specifieke vormingscyclus in dezelfde personeelscategorie, in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie.
Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat, op zijn verzoek, door de door Hem aangewezen overheid geheroriënteerd worden naar een specifieke vormingscyclus in dezelfde of in een andere personeelscategorie, in dezelfde of in een andere hoedanigheid.
§ 8. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, die zijn oorspronkelijke vorming heeft stopgezet om een nieuwe vorming te volgen, maar die daarin om de redenen die de Koning bepaalt mislukt, van de door Hem aangewezen overheid de toestemming krijgen om in zijn oorspronkelijke vorming heropgenomen te worden.
§ 9. De kandidaat bedoeld in § 1, tweede lid, 2° en 3°, desgevallend in § 7, en in § 8, gaat een dienstneming aan in zijn nieuwe hoedanigheid. "
" Art. 24. § 1. Kan, op zijn verzoek, in functie van de kaderbehoeften van de krijgsmacht, gereclasseerd worden, de kandidaat bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, en tweede lid, die tijdens de door de Koning bepaalde gedeelten van de vormingscyclus :
1° hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de professionele hoedanigheden;
2° hetzij definitief mislukt wordt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de karakteriële hoedanigheden;
3° hetzij wegens de weigering of intrekking van de vereiste veiligheidsmachtiging uit zijn specifieke vormingscyclus moet worden verwijderd.
De beslissing tot reclassering kan bestaan uit :
1° hetzij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de toestemming krijgen om een nieuwe vorming aan te vatten, in dezelfde hoedanigheid, in dezelfde personeelscategorie, in een andere specifieke vormingscyclus;
2° hetzij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de toestemming krijgen om een nieuwe vorming aan te vatten in de hoedanigheid van kandidaat-aanvullingsmilitair, in dezelfde personeelscategorie;
3° hetzij, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, de toestemming krijgen om een nieuwe vorming aan te vatten in de hoedanigheid van kandidaat-beroeps- of -aanvullingsmilitair in een lagere personeelscategorie.
Wordt de kandidaat evenwel definitief mislukt bevonden wegens een onvoldoende beoordeling van de karakteriële hoedanigheden dan kan enkel de reclassering bedoeld in het tweede lid, 3°, worden toegestaan.
De reclassering wordt toegestaan of geweigerd door de door de Koning aangewezen overheid en volgens de procedure die Hij bepaalt.
De reclassering kan slechts éénmaal worden toegestaan.
§ 2. De kandidaat-beroepsofficier of de kandidaat-beroepsonderofficier bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, die om redenen van medische ongeschiktheid voor de luchtdienst of van beroepsonbekwaamheid voor de luchtdienst geen toestemming krijgt om zijn vorming als kandidaat-lid of als lid van het luchtvarend personeel voort te zetten kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn vorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor de medische geschiktheid voor de luchtdienst of de beroepsbekwaamheid voor de luchtdienst niet vereist is.
De kandidaat-beroeps- of -aanvullingsmilitair van de marine bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, die om redenen van medische ongeschiktheid voor dienst op zee geen toestemming krijgt om zijn vorming voort te zetten kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn vorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor de medische geschiktheid voor dienst op zee niet vereist is.
§ 3. De kandidaat-beroeps- of -aanvullingsmilitair die om redenen van medische ongeschiktheid zijn specifieke vormingscyclus niet kan voortzetten, kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn vorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor deze medische geschiktheid niet vereist is.
§ 4. De kandidaat-beroeps- of aanvullingsmilitair die om redenen van fysieke conditie zijn specifieke vormingscyclus niet kan voltooien, kan, op zijn verzoek en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, van de door Hem aangewezen overheid, de toestemming bekomen om zijn vorming voort te zetten in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie, in een andere specifieke vormingscyclus waarvoor deze fysieke conditie niet vereist is.
§ 5. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat door de door Hem aangewezen overheid vrijgesteld worden van vormingsgedeelten of cursussen, indien hij voordien met goed gevolg deze vormingsgedeelten, cursussen of gelijkwaardige vormingsgedeelten en cursussen heeft gevolgd.
§ 6. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat van de door de Koning aangewezen overheid een uitstel verkrijgen voor het afleggen van bepaalde proeven en examens of voor het volgen of volbrengen van bepaalde vormingsgedeelten. De aanvragen tot uitstel worden beschouwd als aanvragen tot tijdelijke ambtsontheffing wegens persoonlijke aangelegenheden, indien zij gegrond zijn op de door de Koning vastgestelde redenen.
§ 7. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat door de door Hem aangewezen overheid georiënteerd of geheroriënteerd worden naar een andere specifieke vormingscyclus in dezelfde personeelscategorie, in dezelfde hoedanigheid en in een gelijktijdige promotie.
Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat, op zijn verzoek, door de door Hem aangewezen overheid geheroriënteerd worden naar een specifieke vormingscyclus in dezelfde of in een andere personeelscategorie, in dezelfde of in een andere hoedanigheid.
§ 8. Onder de voorwaarden en volgens de procedure die de Koning bepaalt, kan de kandidaat bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°, die zijn oorspronkelijke vorming heeft stopgezet om een nieuwe vorming te volgen, maar die daarin om de redenen die de Koning bepaalt mislukt, van de door Hem aangewezen overheid de toestemming krijgen om in zijn oorspronkelijke vorming heropgenomen te worden.
§ 9. De kandidaat bedoeld in § 1, tweede lid, 2° en 3°, desgevallend in § 7, en in § 8, gaat een dienstneming aan in zijn nieuwe hoedanigheid. "
Art.146. L'article 24 de la loi du 21 décembre 1990 portant statut des candidats militaires du cadre actif, remplacé par la loi du 20 mai 1994 et modifié par les lois du 25 mai 2000 et 22 mars 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 24. § 1er. En fonction des besoins d'encadrement des forces armées, peut être reclassé à sa demande le candidat visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, qui, pendant les parties du cycle de formation fixées par le Roi :
1° soit, a échoué définitivement à la suite d'une appréciation insuffisante des qualités professionnelles;
2° soit, a échoué définitivement à la suite d'une appréciation insuffisante des qualités caractérielles;
3° soit, doit être retiré de son cycle de formation spécifique du fait du refus ou du retrait de l'habilitation de sécurité exigée.
La décision de reclassement peut consister en :
1° soit, aux conditions fixées par le Roi, obtenir l'autorisation de suivre une nouvelle formation dans la même qualité, dans la même catégorie de personnel, dans un autre cycle de formation spécifique;
2° soit, aux conditions fixées par le Roi, obtenir l'autorisation de suivre une nouvelle formation, en qualité de candidat militaire de complément, dans la même catégorie de personnel;
3° soit, aux conditions fixées par le Roi, obtenir l'autorisation de suivre une nouvelle formation en qualité de candidat militaire de carrière ou de complément, dans une catégorie de personnel inférieure.
Toutefois, lorsque le candidat est considéré comme ayant échoué définitivement à la suite d'une appréciation insuffisante des qualités caractérielles, seul le reclassement visé à l'alinéa 2, 3°, peut être autorisé
Le reclassement est accepté ou refusé par l'autorité que le Roi désigne et selon la procédure qu'Il fixe.
Le reclassement ne peut être accordé qu'une fois.
§ 2. Le candidat officier de carrière ou le candidat sous-officier de carrière visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, qui n'est pas autorisé à poursuivre sa formation comme candidat membre ou comme membre du personnel navigant aérien pour des raisons d'inaptitude médicale au service aérien ou d'incapacité professionnelle au service aérien peut, à sa demande et aux conditions que le Roi fixe, obtenir de l'autorité qu'Il désigne, l'autorisation de poursuivre sa formation dans la même qualité et dans une promotion contemporaine, dans un autre cycle de formation spécifique pour lequel l'aptitude médicale au service aérien ou la capacité professionnelle au service aérien n'est pas exigée.
Le candidat militaire de carrière ou de complément de la marine visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, qui n'est pas autorisé à poursuivre sa formation pour des raisons d'inaptitude médicale au service en mer peut, à sa demande et aux conditions que le Roi fixe, obtenir de l'autorité qu'Il désigne, l'autorisation de poursuivre sa formation dans la même qualité et dans une promotion contemporaine, dans un autre cycle de formation pour lequel l'aptitude médicale au service en mer n'est pas exigée.
§ 3. Le candidat militaire de carrière ou de complément qui, pour des raisons d'inaptitude médicale, n'est pas en état de poursuivre son cycle de formation spécifique peut, à sa demande et aux conditions que le Roi fixe, obtenir de l'autorité qu'Il désigne l'autorisation de poursuivre sa formation dans la même qualité et dans une promotion contemporaine, dans un autre cycle de formation spécifique pour lequel cette aptitude médicale n'est pas exigée.
§ 4. Le candidat militaire de carrière ou de complément qui, pour des raisons de condition physique, n'est pas en état de poursuivre son cycle de formation spécifique peut, à sa demande et aux conditions que le Roi fixe, obtenir de l'autorité qu'Il désigne, l'autorisation de poursuivre sa formation dans la même qualité et dans une promotion contemporaine, dans un autre cycle de formation spécifique pour lequel cette condition physique n'est pas exigée.
§ 5. Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat peut être dispensé par l'autorité qu'Il désigne, de parties de formation ou de cours s'il a suivi auparavant, avec succès, ces parties de formation, ces cours ou des parties de formation et des cours équivalents.
§ 6. Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat peut obtenir, de la part de l'autorité que le Roi désigne, un ajournement pour présenter certaines épreuves et examens ou pour suivre ou parfaire certaines parties de formation. Les demandes d'ajournement sont considérées comme des demandes de retrait temporaire d'emploi pour convenances personnelles, lorsqu'elles se fondent sur les raisons déterminées par le Roi.
§ 7. Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat peut être orienté ou réorienté par l'autorité qu'Il désigne vers un autre cycle de formation spécifique dans la même catégorie de personnel, dans la même qualité et dans une promotion contemporaine.
Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat peut, à sa demande, être réoriente par l'autorité qu'il désigne vers un cycle de formation spécifique dans la même ou dans une autre catégorie de personnel, dans la même ou dans une autre qualité.
§ 8. Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, qui a arrêté sa formation originelle afin de suivre une nouvelle formation, mais qui y échoue pour les motifs que le Roi détermine, peut obtenir de l'autorité qu'Il désigne l'autorisation d'être réintégré dans sa formation originelle.
§ 9. Le candidat visé au § 1er, alinéa 2, 2° et 3°, le cas échéant au § 7, et au § 8, contracte un engagement dans sa nouvelle qualité. "
" Art. 24. § 1er. En fonction des besoins d'encadrement des forces armées, peut être reclassé à sa demande le candidat visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, et alinéa 2, qui, pendant les parties du cycle de formation fixées par le Roi :
1° soit, a échoué définitivement à la suite d'une appréciation insuffisante des qualités professionnelles;
2° soit, a échoué définitivement à la suite d'une appréciation insuffisante des qualités caractérielles;
3° soit, doit être retiré de son cycle de formation spécifique du fait du refus ou du retrait de l'habilitation de sécurité exigée.
La décision de reclassement peut consister en :
1° soit, aux conditions fixées par le Roi, obtenir l'autorisation de suivre une nouvelle formation dans la même qualité, dans la même catégorie de personnel, dans un autre cycle de formation spécifique;
2° soit, aux conditions fixées par le Roi, obtenir l'autorisation de suivre une nouvelle formation, en qualité de candidat militaire de complément, dans la même catégorie de personnel;
3° soit, aux conditions fixées par le Roi, obtenir l'autorisation de suivre une nouvelle formation en qualité de candidat militaire de carrière ou de complément, dans une catégorie de personnel inférieure.
Toutefois, lorsque le candidat est considéré comme ayant échoué définitivement à la suite d'une appréciation insuffisante des qualités caractérielles, seul le reclassement visé à l'alinéa 2, 3°, peut être autorisé
Le reclassement est accepté ou refusé par l'autorité que le Roi désigne et selon la procédure qu'Il fixe.
Le reclassement ne peut être accordé qu'une fois.
§ 2. Le candidat officier de carrière ou le candidat sous-officier de carrière visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, qui n'est pas autorisé à poursuivre sa formation comme candidat membre ou comme membre du personnel navigant aérien pour des raisons d'inaptitude médicale au service aérien ou d'incapacité professionnelle au service aérien peut, à sa demande et aux conditions que le Roi fixe, obtenir de l'autorité qu'Il désigne, l'autorisation de poursuivre sa formation dans la même qualité et dans une promotion contemporaine, dans un autre cycle de formation spécifique pour lequel l'aptitude médicale au service aérien ou la capacité professionnelle au service aérien n'est pas exigée.
Le candidat militaire de carrière ou de complément de la marine visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, qui n'est pas autorisé à poursuivre sa formation pour des raisons d'inaptitude médicale au service en mer peut, à sa demande et aux conditions que le Roi fixe, obtenir de l'autorité qu'Il désigne, l'autorisation de poursuivre sa formation dans la même qualité et dans une promotion contemporaine, dans un autre cycle de formation pour lequel l'aptitude médicale au service en mer n'est pas exigée.
§ 3. Le candidat militaire de carrière ou de complément qui, pour des raisons d'inaptitude médicale, n'est pas en état de poursuivre son cycle de formation spécifique peut, à sa demande et aux conditions que le Roi fixe, obtenir de l'autorité qu'Il désigne l'autorisation de poursuivre sa formation dans la même qualité et dans une promotion contemporaine, dans un autre cycle de formation spécifique pour lequel cette aptitude médicale n'est pas exigée.
§ 4. Le candidat militaire de carrière ou de complément qui, pour des raisons de condition physique, n'est pas en état de poursuivre son cycle de formation spécifique peut, à sa demande et aux conditions que le Roi fixe, obtenir de l'autorité qu'Il désigne, l'autorisation de poursuivre sa formation dans la même qualité et dans une promotion contemporaine, dans un autre cycle de formation spécifique pour lequel cette condition physique n'est pas exigée.
§ 5. Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat peut être dispensé par l'autorité qu'Il désigne, de parties de formation ou de cours s'il a suivi auparavant, avec succès, ces parties de formation, ces cours ou des parties de formation et des cours équivalents.
§ 6. Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat peut obtenir, de la part de l'autorité que le Roi désigne, un ajournement pour présenter certaines épreuves et examens ou pour suivre ou parfaire certaines parties de formation. Les demandes d'ajournement sont considérées comme des demandes de retrait temporaire d'emploi pour convenances personnelles, lorsqu'elles se fondent sur les raisons déterminées par le Roi.
§ 7. Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat peut être orienté ou réorienté par l'autorité qu'Il désigne vers un autre cycle de formation spécifique dans la même catégorie de personnel, dans la même qualité et dans une promotion contemporaine.
Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat peut, à sa demande, être réoriente par l'autorité qu'il désigne vers un cycle de formation spécifique dans la même ou dans une autre catégorie de personnel, dans la même ou dans une autre qualité.
§ 8. Aux conditions et selon la procédure que le Roi fixe, le candidat visé à l'article 2, alinéa 1er, 1°, qui a arrêté sa formation originelle afin de suivre une nouvelle formation, mais qui y échoue pour les motifs que le Roi détermine, peut obtenir de l'autorité qu'Il désigne l'autorisation d'être réintégré dans sa formation originelle.
§ 9. Le candidat visé au § 1er, alinéa 2, 2° et 3°, le cas échéant au § 7, et au § 8, contracte un engagement dans sa nouvelle qualité. "
HOOFDSTUK VII. - Wet van 20 mei 1994 - Gewaarborgde jaarbezoldiging.
CHAPITRE VII. - Loi du 20 mai 1994 - Rétribution annuelle garantie.
Art.147. In artikel 7 van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "489.139 frank" worden vervangen door de woorden "13.234,20 EUR";
2° de woorden "480.736 frank" worden vervangen door de woorden "12.478,10 EUR".
1° de woorden "489.139 frank" worden vervangen door de woorden "13.234,20 EUR";
2° de woorden "480.736 frank" worden vervangen door de woorden "12.478,10 EUR".
Art.147. A l'article 7 de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots "489 139 francs" sont remplacés par les mots "13.234,20 EUR";
2° les mots "480 736 francs" sont remplacés par les mots "12.478,10 EUR".
1° les mots "489 139 francs" sont remplacés par les mots "13.234,20 EUR";
2° les mots "480 736 francs" sont remplacés par les mots "12.478,10 EUR".
HOOFDSTUK VIII. - Wet van 25 mei 2000 - Intermachtengroep.
CHAPITRE VIII. - Loi du 25 mai 2000 - Personnel - Groupe interforces.
Art.148. In artikel 5, eerste lid, van de wet van 25 mei 2000 betreffende de personeelsenveloppe van militairen wordt het woord "opperofficieren" vervangen door de woorden "opper- en hoofdofficieren".
Art.148. Dans l'article 5, alinéa 1er, de la loi du 25 mai 2000 relative à l'enveloppe en personnel militaire, les mots "et supérieurs" sont insérés entre les mots "officiers généraux" et "entre les".
HOOFDSTUK IX. - Wet van 25 mei 2000 - Preadvies.
CHAPITRE IX. - Loi du 25 mai 2000 - Preavis.
Art.149. Artikel 14, § 1, 3°, van de wet van 25 mei 2000 tot instelling van de vrijwillige arbeidsregeling van de vierdagenweek en de regeling van de halftijdse vervroegde uitstap voor sommige militairen en tot wijziging van het statuut van de militairen met het oog op de instelling van de tijdelijke ambtsontheffing wegens loopbaanonderbreking, wordt vervangen als volgt :
" 3° bij het op preadvies stellen voor een situatie bedoeld in 1° en 2°; ".
" 3° bij het op preadvies stellen voor een situatie bedoeld in 1° en 2°; ".
Art.149. L'article 14, § 1er, 3°, de la loi du 25 mai 2000 instaurant le régime volontaire de travail de la semaine de quatre jours et le régime du départ anticipé à mi-temps pour certains militaires et modifiant le statut des militaires en vue d'instaurer le retrait temporaire d'emploi par interruption de carrière, est remplacé par le texte suivant :
" 3° lors de la mise sur préavis pour une situation visée aux 1° et 2°; ".
" 3° lors de la mise sur préavis pour une situation visée aux 1° et 2°; ".
HOOFDSTUK X. - Statuten van het militair personeel.
CHAPITRE X. - Statuts du personnel militaire.
Art.150. De artikelen 42 tot 47, 49, 51 tot 53, 56, 65 tot 67 en 108 van de wet van 22 maart 2001 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de statuten van het militair personeel worden in werking gesteld.
Art.150. Les articles 42 à 47, 49, 51 à 53, 56, 65 à 67 et 108 de la loi du 22 mars 2001 modifiant certaines dispositions relatives aux statuts du personnel militaire sont mis en vigueur.
HOOFDSTUK XI. - Prestaties ten voordele van derden.
CHAPITRE XI. - Prestations au profit de tiers.
Art.151. Behoudens de gevallen waarin het beroep op de Krijgsmacht krachtens de wet is geregeld, mogen eenheden worden ingezet in het kader van tegen betaling uitgevoerde prestaties van openbaar nut, met humanitair, vaderlands of cultureel oogmerk, of inzake hulp aan de Natie.
In afwijking van de voorgaande paragraaf, mogen sommige prestaties volledig of gedeeltelijk gratis uitgevoerd worden.
De minister van Landsverdediging wordt belast met de vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de bepalingen van voorgaande leden. Deze bepalingen zullen noodzakelijkerwijs het advies van de Inspectie van Financiën voorzien als het bedrag van de gratis uit te voeren prestaties hoger dan 3.750 euro is.
Het eerste lid van de beschikking 2.16.15., hernomen in de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2002 is vanaf de inwerkingtreding van deze wet afgeschaft, uitgezonderd in die mate dat de toepassing van het tweede lid van het artikel 2.16.15 noodzakelijk is.
In afwijking van de voorgaande paragraaf, mogen sommige prestaties volledig of gedeeltelijk gratis uitgevoerd worden.
De minister van Landsverdediging wordt belast met de vaststelling van de uitvoeringsmodaliteiten van de bepalingen van voorgaande leden. Deze bepalingen zullen noodzakelijkerwijs het advies van de Inspectie van Financiën voorzien als het bedrag van de gratis uit te voeren prestaties hoger dan 3.750 euro is.
Het eerste lid van de beschikking 2.16.15., hernomen in de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2002 is vanaf de inwerkingtreding van deze wet afgeschaft, uitgezonderd in die mate dat de toepassing van het tweede lid van het artikel 2.16.15 noodzakelijk is.
Art.151. Hormis les cas ou il est fait appel aux Forces armées en vertu de la loi, des unités des Forces armées peuvent être affectés à des prestations d'utilité publique, ayant un but culturel, patriotique ou humanitaire, ou d'aide à la Nation, effectuées contre paiement.
Par dérogation au paragraphe précédent, certaines prestations peuvent être effectuées, totalement ou partiellement, à titre gratuit.
Le ministre de la Défense est chargé de fixer les modalités d'application des dispositions des alinéas précédents. Celles-ci prévoiront obligatoirement l'avis de l'Inspection des finances lorsque le montant de la valorisation des prestations effectuées à titre gratuit dépassera 3.750 euro.
Le premier alinéa de la disposition 2.16.15. reprise dans le Budget général des dépenses pour l'année 2002 est abrogé à partir de l'entrée en vigueur de la présente loi, sauf dans la mesure où il est nécessaire à l'application du deuxième alinéa de l'article 2.16.15.
Par dérogation au paragraphe précédent, certaines prestations peuvent être effectuées, totalement ou partiellement, à titre gratuit.
Le ministre de la Défense est chargé de fixer les modalités d'application des dispositions des alinéas précédents. Celles-ci prévoiront obligatoirement l'avis de l'Inspection des finances lorsque le montant de la valorisation des prestations effectuées à titre gratuit dépassera 3.750 euro.
Le premier alinéa de la disposition 2.16.15. reprise dans le Budget général des dépenses pour l'année 2002 est abrogé à partir de l'entrée en vigueur de la présente loi, sauf dans la mesure où il est nécessaire à l'application du deuxième alinéa de l'article 2.16.15.
TITEL VII. - Binnenlandse zaken.
TITRE VII. - Intérieur.
HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening.
CHAPITRE I. - Modification de la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente.
Art.152. Artikel 3 van de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening wordt aangevuld met het volgende lid :
" Een deel van de kosten gemaakt door de gemeenten, aangeduid door de Koning als centra van het eenvormig oproepstelsel, worden door de provinciegouverneur verdeeld over alle gemeenten die behoren tot de provincie waar dit centrum van het eenvormig oproepstelsel gevestigd is, overeenkomstig de normen bepaald door de Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort. "
" Een deel van de kosten gemaakt door de gemeenten, aangeduid door de Koning als centra van het eenvormig oproepstelsel, worden door de provinciegouverneur verdeeld over alle gemeenten die behoren tot de provincie waar dit centrum van het eenvormig oproepstelsel gevestigd is, overeenkomstig de normen bepaald door de Minister tot wiens bevoegdheid Binnenlandse Zaken behoort. "
Art.152. L'article 3 de la loi du 8 juillet 1964 relative à l'aide médicale urgente est complété par l'alinéa suivant :
" Une partie des coûts supportés par les communes désignées par le Roi comme centres d'appel unifié sont répartis par le gouverneur de la province entre toutes les communes de la province où est situé le centre d'appel unifié, conformément aux normes déterminées par le Ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions. "
" Une partie des coûts supportés par les communes désignées par le Roi comme centres d'appel unifié sont répartis par le gouverneur de la province entre toutes les communes de la province où est situé le centre d'appel unifié, conformément aux normes déterminées par le Ministre ayant l'Intérieur dans ses attributions. "
HOOFDSTUK II. - Wijziging van de organieke wet houdende de oprichting van begrotingsfondsen van 27 december 1990.
CHAPITRE II. - Modification de la loi organique créant des fonds budgétaires du 27 décembre 1990.
HOOFDSTUK III. - Politiehervorming.
CHAPITRE III. - Reforme des polices.
Art.154. De personeelsleden bedoeld in artikel 235, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, kunnen nogmaals opteren voor het behoud van hun rechtspositie zoals vastgesteld in artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, binnen een termijn van drie maanden die aanvangt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad , indien de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit tot inplaatsstelling van de lokale politie in de zone waarnaar de betrokken personeelsleden overgaan, geschiedt vóór de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
De personeelsleden bedoeld in artikel 235, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, kunnen, in afwijking van artikel 236, vierde lid, van diezelfde wet, opteren voor het behoud van hun rechtspositie zoals vastgesteld in artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, binnen een termijn van drie maanden die aanvangt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit tot inplaatsstelling van de lokale politie in de zone waarnaar de betrokken personeelsleden overgaan, indien die bekendmaking geschiedt na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Voor de personeelsleden bedoeld in het eerste en tweede lid, en in afwijking van artikel XII.XII.1 RPPol, bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001, heeft de beslissing betreffende de statuutkeuze uitwerking vanaf de datum van de inplaatsstelling van de lokale politie in de betrokken zone met, in voorkomend geval, een regularisering voor de verlopen termijn.
Voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden wordt de oude rechtspositieregeling bedoeld in artikel XII.XI.85 RPPol en in artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, begrepen als de rechtspositieregeling die het personeel van de betrokken gemeente geniet op de laatste dag van de maand waarin het besluit tot inplaatsstelling van de lokale politie in de zone waarnaar de betrokken personeelsleden overgaan, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De wijzigingen die aan de in het eerste lid bedoelde oude rechtspositieregeling worden aangebracht na de in datzelfde lid bedoelde datum, zijn slechts op de personeelsleden die voor het behoud daarvan hebben gekozen, toepasselijk voor zover de Koning daarin uitdrukkelijk voorziet.
De personeelsleden bedoeld in artikel 235, derde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, kunnen, in afwijking van artikel 236, vierde lid, van diezelfde wet, opteren voor het behoud van hun rechtspositie zoals vastgesteld in artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, binnen een termijn van drie maanden die aanvangt vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit tot inplaatsstelling van de lokale politie in de zone waarnaar de betrokken personeelsleden overgaan, indien die bekendmaking geschiedt na de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.
Voor de personeelsleden bedoeld in het eerste en tweede lid, en in afwijking van artikel XII.XII.1 RPPol, bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001, heeft de beslissing betreffende de statuutkeuze uitwerking vanaf de datum van de inplaatsstelling van de lokale politie in de betrokken zone met, in voorkomend geval, een regularisering voor de verlopen termijn.
Voor de in dit artikel bedoelde personeelsleden wordt de oude rechtspositieregeling bedoeld in artikel XII.XI.85 RPPol en in artikel 4 van de wet van 27 december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, begrepen als de rechtspositieregeling die het personeel van de betrokken gemeente geniet op de laatste dag van de maand waarin het besluit tot inplaatsstelling van de lokale politie in de zone waarnaar de betrokken personeelsleden overgaan, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De wijzigingen die aan de in het eerste lid bedoelde oude rechtspositieregeling worden aangebracht na de in datzelfde lid bedoelde datum, zijn slechts op de personeelsleden die voor het behoud daarvan hebben gekozen, toepasselijk voor zover de Koning daarin uitdrukkelijk voorziet.
Art.154. Les membres du personnel visés à l'article 235, alinéa 3, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, peuvent encore opter pour le maintien de leur position juridique, telle que fixée à l'article 4 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police, dans un délai de trois mois qui court à partir du premier jour du mois qui suit celui de la publication de la présente loi au Moniteur belge , si la publication au Moniteur belge de l'arrêté constituant la police locale dans la zone vers laquelle les membres du personnel concernés sont transférés, intervient avant la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Les membres du personnel visés à l'article 235, alinéa 3, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, peuvent, par dérogation à l'article 236, alinéa 4, de cette même loi, opter pour le maintien de leur position juridique, telle que fixée à l'article 4 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police, dans un délai de trois mois, qui court à partir du premier jour du mois qui suit celui de la publication au Moniteur belge de l'arrêté constituant la police locale dans la zone vers laquelle les membres du personnel concernés sont transférés, si cette publication intervient après la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Pour les membres du personnel visés aux alinéas 1er et 2, et par dérogation à l'article XII.XII.1er PJPol, confirmé par la loi programme du 30 décembre 2001, la décision relative aux choix statutaire produit ses effets à partir de la date de la constitution de la police locale dans la zone concernée avec, le cas échéant, une régularisation pour le délai écoulé.
Pour les membres du personnel visés à cet article, la position juridique d'origine visée à l'article XII.XI.85 PJPol et à l'article 4 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police, est celle qui est applicable au membre du personnel de la commune concernée le dernier jour du mois dans lequel intervient la publication au Moniteur belge de l'arrêté constituant la police locale vers laquelle les membres du personnel concernés sont transférés.
Les modifications apportées à la position juridique d'origine visée à l'alinéa 1er après la date visée à ce même alinéa, sont d'application aux membres du personnel qui ont opté pour le maintien de cette position juridique pour autant que le Roi le prévoit explicitement.
Les membres du personnel visés à l'article 235, alinéa 3, de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux, peuvent, par dérogation à l'article 236, alinéa 4, de cette même loi, opter pour le maintien de leur position juridique, telle que fixée à l'article 4 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police, dans un délai de trois mois, qui court à partir du premier jour du mois qui suit celui de la publication au Moniteur belge de l'arrêté constituant la police locale dans la zone vers laquelle les membres du personnel concernés sont transférés, si cette publication intervient après la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Pour les membres du personnel visés aux alinéas 1er et 2, et par dérogation à l'article XII.XII.1er PJPol, confirmé par la loi programme du 30 décembre 2001, la décision relative aux choix statutaire produit ses effets à partir de la date de la constitution de la police locale dans la zone concernée avec, le cas échéant, une régularisation pour le délai écoulé.
Pour les membres du personnel visés à cet article, la position juridique d'origine visée à l'article XII.XI.85 PJPol et à l'article 4 de la loi du 27 décembre 2000 portant diverses dispositions relatives à la position juridique du personnel des services de police, est celle qui est applicable au membre du personnel de la commune concernée le dernier jour du mois dans lequel intervient la publication au Moniteur belge de l'arrêté constituant la police locale vers laquelle les membres du personnel concernés sont transférés.
Les modifications apportées à la position juridique d'origine visée à l'alinéa 1er après la date visée à ce même alinéa, sont d'application aux membres du personnel qui ont opté pour le maintien de cette position juridique pour autant que le Roi le prévoit explicitement.
Art.155. In deel XII van het RPPol, bekrachtigd bij de programmawet van 30 december 2001, wordt een artikel XII.IX.4 ingevoegd, luidende :
" Art. 12.IX.4. Titel III van deel IX is van toepassing op de kandidaat voor heropneming wanneer de wetten en reglementen die op hem van toepassing waren op de datum van zijn ontslag en voor zover dit werd aangenomen vóór 1 april 2001, niet in het stelsel van heropneming voorzagen.
In afwijking van artikel IX.III.2, wordt de kandidaat bedoeld in het eerste lid, heropgenomen in het korps van de lokale politie waarnaar de personeelsleden van de lokale politie, waartoe hij behoorde op de datum van zijn aangenomen ontslag, zijn overgegaan, bij toepassing van artikel 235 van de wet, of in het korps van de gemeentepolitie waartoe hij behoorde op de datum van zijn aangenomen ontslag, indien de lokale politie nog niet in plaats is gesteld bij toepassing van artikel 248 van de wet. Hij wordt heropgenomen met de anciënniteiten die hij bezat op het ogenblik van zijn ontslag en in het kader, in de nieuwe graad en in de overeenstemmende loonschaal vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit die de kader-, graad- en loonschaaltoewijzing aan de actuele personeelsleden regelen en die overeenstemmen met het kader, de graad of de hoedanigheid waarmee hij bij het verlenen van zijn ontslag was bekleed.
De artikelen IX.III.4, 2°, en IX.III.5 zijn niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in het eerste lid.
Voor de toepassing van artikel IX.III.4, 5°, mag de kandidaat voor heropneming niet het voorwerp zijn van één van de gronden van medische ongeschiktheid bedoeld in artikel IV.I.4, 6°.
Indien de kandidaat voor heropneming een medisch controleonderzoek, georganiseerd in het raam van de arbeidsgeneeskunde, heeft ondergaan tijdens het jaar voorafgaand aan de datum van zijn aangenomen ontslag, wordt dit onderzoek gelijkgesteld aan dat bedoeld in artikel IX.III.4, 2°. In dat geval, en in afwijking van het vierde lid, is artikel IX.III.4, 5°, van toepassing. "
" Art. 12.IX.4. Titel III van deel IX is van toepassing op de kandidaat voor heropneming wanneer de wetten en reglementen die op hem van toepassing waren op de datum van zijn ontslag en voor zover dit werd aangenomen vóór 1 april 2001, niet in het stelsel van heropneming voorzagen.
In afwijking van artikel IX.III.2, wordt de kandidaat bedoeld in het eerste lid, heropgenomen in het korps van de lokale politie waarnaar de personeelsleden van de lokale politie, waartoe hij behoorde op de datum van zijn aangenomen ontslag, zijn overgegaan, bij toepassing van artikel 235 van de wet, of in het korps van de gemeentepolitie waartoe hij behoorde op de datum van zijn aangenomen ontslag, indien de lokale politie nog niet in plaats is gesteld bij toepassing van artikel 248 van de wet. Hij wordt heropgenomen met de anciënniteiten die hij bezat op het ogenblik van zijn ontslag en in het kader, in de nieuwe graad en in de overeenstemmende loonschaal vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit die de kader-, graad- en loonschaaltoewijzing aan de actuele personeelsleden regelen en die overeenstemmen met het kader, de graad of de hoedanigheid waarmee hij bij het verlenen van zijn ontslag was bekleed.
De artikelen IX.III.4, 2°, en IX.III.5 zijn niet van toepassing op de kandidaat bedoeld in het eerste lid.
Voor de toepassing van artikel IX.III.4, 5°, mag de kandidaat voor heropneming niet het voorwerp zijn van één van de gronden van medische ongeschiktheid bedoeld in artikel IV.I.4, 6°.
Indien de kandidaat voor heropneming een medisch controleonderzoek, georganiseerd in het raam van de arbeidsgeneeskunde, heeft ondergaan tijdens het jaar voorafgaand aan de datum van zijn aangenomen ontslag, wordt dit onderzoek gelijkgesteld aan dat bedoeld in artikel IX.III.4, 2°. In dat geval, en in afwijking van het vierde lid, is artikel IX.III.4, 5°, van toepassing. "
Art.155. Un article XII.IX.4, rédigé comme suit, est inséré dans la partie XII du PJPol, confirmée par la loi-programme du 30 décembre 2001 :
" Art. 12.IX.4. Le titre III de la partie IX est applicable au candidat à la réintégration lorsque les lois et règlements qui lui étaient applicables à la date de sa démission, et pour autant que celle-ci fût acceptée avant le 1er avril 2001, ne prévoyaient pas les modalités de la réintégration.
Par dérogation à l'article IX.III.2, le candidat visé à l'alinéa 1er est réintégré dans le corps de police locale dans lequel les membres du personnel de la police communale à laquelle il appartenait à la date de sa démission acceptée, sont passés, en application de l'article 235 de la loi, ou dans le corps de police communale auquel il appartenait à la date de sa démission acceptée, si la police locale n'est pas encore constituée en application de l'article 248 de la loi. Il est réintégré, avec les anciennetés qu'il possédait au moment de sa démission, dans le cadre, dans le nouveau grade et dans l'échelle de traitement correspondante conformément aux dispositions du présent arrêté qui règlent l'attribution du cadre, du grade et de l'échelle de traitement aux membres actuels du personnel et qui correspondent au cadre, au grade ou à la qualité qu'il avait lors de l'octroi de sa démission.
Les articles IX.III.4, 2°, et IX.III.5 ne sont pas d'application au candidat visé à l'alinéa 1.
Pour l'application de l'article IX.III.4, 5°, le candidat à la réintégration ne peut être atteint par une des causes d'inaptitude médicale visées à l'article IV.I.4, 6°.
Si le candidat à la réintégration a subi un examen médical de contrôle organisé dans le cadre de la médecine du travail dans l'année précédant la date de sa démission acceptée, cet examen équivaut à celui visé à l'article IX.III.4, 2°. Dans ce cas, et par dérogation à l'alinéa 4, l'article IX.III.4, 5°, trouve à s'appliquer intégralement. "
" Art. 12.IX.4. Le titre III de la partie IX est applicable au candidat à la réintégration lorsque les lois et règlements qui lui étaient applicables à la date de sa démission, et pour autant que celle-ci fût acceptée avant le 1er avril 2001, ne prévoyaient pas les modalités de la réintégration.
Par dérogation à l'article IX.III.2, le candidat visé à l'alinéa 1er est réintégré dans le corps de police locale dans lequel les membres du personnel de la police communale à laquelle il appartenait à la date de sa démission acceptée, sont passés, en application de l'article 235 de la loi, ou dans le corps de police communale auquel il appartenait à la date de sa démission acceptée, si la police locale n'est pas encore constituée en application de l'article 248 de la loi. Il est réintégré, avec les anciennetés qu'il possédait au moment de sa démission, dans le cadre, dans le nouveau grade et dans l'échelle de traitement correspondante conformément aux dispositions du présent arrêté qui règlent l'attribution du cadre, du grade et de l'échelle de traitement aux membres actuels du personnel et qui correspondent au cadre, au grade ou à la qualité qu'il avait lors de l'octroi de sa démission.
Les articles IX.III.4, 2°, et IX.III.5 ne sont pas d'application au candidat visé à l'alinéa 1.
Pour l'application de l'article IX.III.4, 5°, le candidat à la réintégration ne peut être atteint par une des causes d'inaptitude médicale visées à l'article IV.I.4, 6°.
Si le candidat à la réintégration a subi un examen médical de contrôle organisé dans le cadre de la médecine du travail dans l'année précédant la date de sa démission acceptée, cet examen équivaut à celui visé à l'article IX.III.4, 2°. Dans ce cas, et par dérogation à l'alinéa 4, l'article IX.III.4, 5°, trouve à s'appliquer intégralement. "
Art.156. Een hoofdstuk Vbis , dat artikel 53quater omvat, wordt ingevoegd in de wet op het politieambt, luidende :
" HOOFDSTUK Vbis. - Overgangsbepaling.
Art. 53quater. Onverminderd artikel 4 van de wet op het politieambt, wordt de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie toegekend aan de personeelsleden die aangesteld zijn in de graad van commissaris van politie krachtens de artikelen XII.VII.23, XII.VII.24 of XII.VII.26 RPPol, bevestigd door dezelfde wet. "
" HOOFDSTUK Vbis. - Overgangsbepaling.
Art. 53quater. Onverminderd artikel 4 van de wet op het politieambt, wordt de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie toegekend aan de personeelsleden die aangesteld zijn in de graad van commissaris van politie krachtens de artikelen XII.VII.23, XII.VII.24 of XII.VII.26 RPPol, bevestigd door dezelfde wet. "
Art.156. Un chapitre Vbis , comprenant l'article 53quater , rédigé comme suit, est inséré dans la loi sur la fonction de police :
" CHAPITRE Vbis. - Disposition transitoire
Art. 53quater. Sans préjudice de l'article 4 de la loi sur la fonction de police, la qualité d'officier de police administrative est conférée aux membres du personnel qui sont commissionnés dans le grade de commissaire de police en vertu des articles XII.VII.23, XII.VII.24 ou XII.VII.26 PJPol, confirmés par la même loi. "
" CHAPITRE Vbis. - Disposition transitoire
Art. 53quater. Sans préjudice de l'article 4 de la loi sur la fonction de police, la qualité d'officier de police administrative est conférée aux membres du personnel qui sont commissionnés dans le grade de commissaire de police en vertu des articles XII.VII.23, XII.VII.24 ou XII.VII.26 PJPol, confirmés par la même loi. "
Art.157. Tot en met 31 december 2003, hebben de reglementaire bepalingen waardoor de bedragen van de weddenbijslagen, toelagen en vergoedingen bedoeld in het tweede lid, worden gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, slechts uitwerking binnen de volgende perken :
1° zij hebben geen uitwerking bij de twee eerste indexaanpassingen die zich tussen de datum van inwerkingtreding van dit artikel en 31 december 2003 zouden voordoen;
2° vanaf 1 januari 2004 of vanaf de derde indexering, indien deze zich voordoet gedurende de periode bedoeld in 1°, hebben zij opnieuw uitwerking alsof deze nooit onderbroken werden tijdens de in 1° bedoelde periode.
De weddenbijslagen, toelagen en vergoedingen waarop het eerste lid toepassing vindt, zijn :
1° de weddebijslag bedoeld in artikel XI.II.17 RPPol;
2° de toelagen bedoeld in deel XI, titel III, hoofdstukken III tot X RPPol;
3° de vergoedingen bedoeld in deel XI, titel IV, hoofdstukken II tot VI RPPol;
4° de vergoedingen bedoeld in deel XI, titel IV, hoofdstuk VII RPPol, met uitzondering van deze bedoeld in afdeling 4, en in artikel XI.IV.106;
5° de toelagen bedoeld in de artikelen XII.XI.20, XII.XI.21, XII.XI.23 en XII.XI.51 RPPol;
6° de weddebijslag bedoeld in artikel XII.XI.86 RPPol.
1° zij hebben geen uitwerking bij de twee eerste indexaanpassingen die zich tussen de datum van inwerkingtreding van dit artikel en 31 december 2003 zouden voordoen;
2° vanaf 1 januari 2004 of vanaf de derde indexering, indien deze zich voordoet gedurende de periode bedoeld in 1°, hebben zij opnieuw uitwerking alsof deze nooit onderbroken werden tijdens de in 1° bedoelde periode.
De weddenbijslagen, toelagen en vergoedingen waarop het eerste lid toepassing vindt, zijn :
1° de weddebijslag bedoeld in artikel XI.II.17 RPPol;
2° de toelagen bedoeld in deel XI, titel III, hoofdstukken III tot X RPPol;
3° de vergoedingen bedoeld in deel XI, titel IV, hoofdstukken II tot VI RPPol;
4° de vergoedingen bedoeld in deel XI, titel IV, hoofdstuk VII RPPol, met uitzondering van deze bedoeld in afdeling 4, en in artikel XI.IV.106;
5° de toelagen bedoeld in de artikelen XII.XI.20, XII.XI.21, XII.XI.23 en XII.XI.51 RPPol;
6° de weddebijslag bedoeld in artikel XII.XI.86 RPPol.
Art.157. Jusqu'au 31 décembre 2003, les dispositions réglementaires liant à l'indice des prix à la consommation les montants des suppléments de traitement, allocations et indemnités visés à l'alinéa 2, ne produisent leurs effets que dans les limites suivantes :
1° elles ne portent pas d'effet lors des deux premières indexations qui surviendraient entre la date d'entrée en vigueur du présent article et le 31 décembre 2003;
2° à partir du 1er janvier 2004 ou à partir de la troisième indexation, si celle-ci survient dans la période visée au 1°, elles recouvrent leurs effets comme si leur application n'avait connu aucune interruption au cours de la période visée au 1°.
Les suppléments de traitement, allocations et indemnités auxquels l'alinéa 1er est applicable, sont :
1° le supplément de traitement visé à l'article XI.II.17 PJPol;
2° les allocations visées à la partie XI, titre III, chapitres III à X PJPol;
3° les indemnités visées à la partie XI, titre IV, chapitres II à VI PJPol;
4° les indemnités visées à la partie XI, titre IV, chapitre VII PJPol, à l'exception de celles visées à la section 4, et à l'article XI.IV.106;
5° les allocations visées aux articles XII.XI.20, XII.XI.21, XII.XI.23 et XII.XI.51 PJPol;
6° le supplément de traitement visé à l'article XII.XI.86 PJPol.
1° elles ne portent pas d'effet lors des deux premières indexations qui surviendraient entre la date d'entrée en vigueur du présent article et le 31 décembre 2003;
2° à partir du 1er janvier 2004 ou à partir de la troisième indexation, si celle-ci survient dans la période visée au 1°, elles recouvrent leurs effets comme si leur application n'avait connu aucune interruption au cours de la période visée au 1°.
Les suppléments de traitement, allocations et indemnités auxquels l'alinéa 1er est applicable, sont :
1° le supplément de traitement visé à l'article XI.II.17 PJPol;
2° les allocations visées à la partie XI, titre III, chapitres III à X PJPol;
3° les indemnités visées à la partie XI, titre IV, chapitres II à VI PJPol;
4° les indemnités visées à la partie XI, titre IV, chapitre VII PJPol, à l'exception de celles visées à la section 4, et à l'article XI.IV.106;
5° les allocations visées aux articles XII.XI.20, XII.XI.21, XII.XI.23 et XII.XI.51 PJPol;
6° le supplément de traitement visé à l'article XII.XI.86 PJPol.
Art.158. In artikel 38sexies , vierde lid, van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2001, worden de woorden " of verlengd met de noodzakelijke termijn om artikel 38quinquies toe te passen, " ingevoegd tussen de woorden " derde lid, " en het woord " wordt ".
Art.158. A l'article 38sexies, alinéa 4, de la loi du 13 mai 1999 portant le statut disciplinaire des membres du personnel des services de police, introduit par la loi du 31 mai 2001, les mots " ou prolongé du délai nécessaire à l'application de l'article 38quinquies, " sont insérés entre les mots " alinéa 3, " et le mot " l'autorité ".
Art.159. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder personeelsleden die zijn bekleed met de graad van [1 agent]1 van politie en die in dienst zijn genomen bij arbeidsovereenkomst, kunnen worden benoemd in die graad.
Art.159. Le Roi fixe les conditions auxquelles les membres du personnel revêtus du grade d'[1 agent]1 de police employés sous contrat de travail, peuvent être nommés dans ce grade.
Art.160. Wanneer uitzonderlijke en tijdelijke omstandigheden dat vereisen en mits voorafgaande goedkeuring van de Minister van Binnenlandse Zaken, kunnen leden van een gemeentelijke administratie worden ter beschikking gesteld van de betrokken lokale politie door de bevoegde gemeenteraad.
Die beslissing wordt met redenen omkleed en, voor wat de meergemeentezones betreft, geschiedt op voorstel van de betrokken politieraad.
Tijdens de terbeschikkingstelling blijft het betrokken personeelslid onderworpen aan de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeentelijke administratie waaronder het ressorteert. De uitbetaling van de bezoldiging, de toelagen en de vergoedingen gebeurt door de gemeente aan de hand van de gegevens die worden verstrekt door de korpschef. De tenlasteneming ervan, wat de meergemeentezones betreft, wordt geregeld in een protocol dat, voorafgaandelijk aan de terbeschikkingstelling, wordt goedgekeurd door de betrokken gemeenteraad en de politieraad.
Die beslissing wordt met redenen omkleed en, voor wat de meergemeentezones betreft, geschiedt op voorstel van de betrokken politieraad.
Tijdens de terbeschikkingstelling blijft het betrokken personeelslid onderworpen aan de rechtspositieregeling van het personeel van de gemeentelijke administratie waaronder het ressorteert. De uitbetaling van de bezoldiging, de toelagen en de vergoedingen gebeurt door de gemeente aan de hand van de gegevens die worden verstrekt door de korpschef. De tenlasteneming ervan, wat de meergemeentezones betreft, wordt geregeld in een protocol dat, voorafgaandelijk aan de terbeschikkingstelling, wordt goedgekeurd door de betrokken gemeenteraad en de politieraad.
Art.160. Lorsque des circonstances exceptionnelles et temporaires l'exigent, et moyennant l'accord préalable du Ministre de l'Intérieur, des membres d'une administration communale peuvent être mis à la disposition de la police locale concernée par le conseil communal compétent.
Cette décision est motivée et a lieu, pour les zones de police pluricommunales, sur proposition du conseil de police concerné.
Pendant sa mise à disposition, le membre du personnel reste soumis à la position juridique du personnel de l'administration communale dont il relève. Le paiement du traitement, des allocations et indemnités est effectué par la commune, sur base des données qui sont communiquées par le chef de corps. En ce qui concerne les zones de police pluricommunales, la prise en charge de ces traitements, allocations et indemnités, est réglée dans un protocole qui est approuvé, préalablement à la mise à la disposition, par le conseil communal concerné et le conseil de police.
Cette décision est motivée et a lieu, pour les zones de police pluricommunales, sur proposition du conseil de police concerné.
Pendant sa mise à disposition, le membre du personnel reste soumis à la position juridique du personnel de l'administration communale dont il relève. Le paiement du traitement, des allocations et indemnités est effectué par la commune, sur base des données qui sont communiquées par le chef de corps. En ce qui concerne les zones de police pluricommunales, la prise en charge de ces traitements, allocations et indemnités, est réglée dans un protocole qui est approuvé, préalablement à la mise à la disposition, par le conseil communal concerné et le conseil de police.
Art.161. Artikel 86 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wordt aangevuld als volgt :
" 4° de besluiten van de gemeenteraad of de politieraad, alsook die van de burgemeester of het politiecollege houdende de voordracht voor de aanstelling tot korpschef van de lokale politie. "
" 4° de besluiten van de gemeenteraad of de politieraad, alsook die van de burgemeester of het politiecollege houdende de voordracht voor de aanstelling tot korpschef van de lokale politie. "
Art.161. L'article 86 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police, structuré à deux niveaux est complété comme suit :
" 4° les délibérations du conseil communal ou du conseil de police ainsi que celles du bourgmestre ou du collège de police portant la proposition pour la désignation du chef de corps de la police locale. "
" 4° les délibérations du conseil communal ou du conseil de police ainsi que celles du bourgmestre ou du collège de police portant la proposition pour la désignation du chef de corps de la police locale. "
Art.162. In artikel 88 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden :
de woorden "en in artikel 86" ingevoegd tussen de woorden "in artikel 85" en de woorden "bepaalde besluiten";
de woorden "het versturen van de in artikel 85 bedoelde lijst waarop zij zijn vermeld" vervangen door de woorden "het inkomen van de in artikel 85 bedoelde lijst en van het in artikel 86 bedoelde besluit bij de in artikel 87 bedoelde toezichthoudende overheden";
2° § 2, wordt opgeheven.
1° in § 1, eerste lid, worden :
de woorden "en in artikel 86" ingevoegd tussen de woorden "in artikel 85" en de woorden "bepaalde besluiten";
de woorden "het versturen van de in artikel 85 bedoelde lijst waarop zij zijn vermeld" vervangen door de woorden "het inkomen van de in artikel 85 bedoelde lijst en van het in artikel 86 bedoelde besluit bij de in artikel 87 bedoelde toezichthoudende overheden";
2° § 2, wordt opgeheven.
Art.162. A l'article 88 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
1° au § 1er, premier alinéa :
les mots "et à l'article 86" sont introduits entre les mots "à l'article 85" et les mots "ne sont plus susceptibles";
les mots "l'envoi de la liste prévue à l'article 85 sur laquelle elles figurent" sont remplacés par les mots "la réception de la liste visée à l'article 85 et de la délibération visée par l'article 86 par les autorités de tutelle prévues par l'article 87";
2° le § 2 est abrogé.
1° au § 1er, premier alinéa :
les mots "et à l'article 86" sont introduits entre les mots "à l'article 85" et les mots "ne sont plus susceptibles";
les mots "l'envoi de la liste prévue à l'article 85 sur laquelle elles figurent" sont remplacés par les mots "la réception de la liste visée à l'article 85 et de la délibération visée par l'article 86 par les autorités de tutelle prévues par l'article 87";
2° le § 2 est abrogé.
Art.163. Artikel 138, 1°, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
" 1° de politieambtenaren benoemd in een graad van officier; ".
" 1° de politieambtenaren benoemd in een graad van officier; ".
Art.163. L'article 138, 1°, de la même loi, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° les fonctionnaires de police nommés dans un grade d'officier; ".
" 1° les fonctionnaires de police nommés dans un grade d'officier; ".
Art.164. Artikel 248quater , § 1, van dezelfde wet wordt aangevuld met volgende alinea :
Aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones wordt gedurende 10 jaar ingaande op de publicatiedatum van het Koninklijk Besluit dat de lijst vaststelt van de over te dragen goederen, een recht van voorkoop gegeven op de staatslogementen en op administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen die niet aan de gemeenten en meergemeentepolitiezones werden overgedragen, maar die een geheel uitmaken met de administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke krachtens deze wet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen.
Aan de Belgische Staat wordt gedurende 10 jaar ingaande op de publicatiedatum van het Koninklijk Besluit dat de lijst vaststelt van de over te dragen goederen, een recht van voorkoop gegeven op administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke krachtens deze wet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen en die door de gemeenten of meergemeentepolitiezones opnieuw te koop zouden gesteld worden of met zakelijke rechten zouden worden bezwaard, indien deze gebouwen, gebouwengedeelten en terreinen een geheel uitmaken met de administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke niet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen.
Aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones wordt gedurende 10 jaar ingaande op de publicatiedatum van het Koninklijk Besluit dat de lijst vaststelt van de over te dragen goederen, een recht van voorkoop gegeven op de staatslogementen en op administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen die niet aan de gemeenten en meergemeentepolitiezones werden overgedragen, maar die een geheel uitmaken met de administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke krachtens deze wet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen.
Aan de Belgische Staat wordt gedurende 10 jaar ingaande op de publicatiedatum van het Koninklijk Besluit dat de lijst vaststelt van de over te dragen goederen, een recht van voorkoop gegeven op administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke krachtens deze wet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen en die door de gemeenten of meergemeentepolitiezones opnieuw te koop zouden gesteld worden of met zakelijke rechten zouden worden bezwaard, indien deze gebouwen, gebouwengedeelten en terreinen een geheel uitmaken met de administratieve en logistieke gebouwen en gebouwengedeelten en hun terreinen dewelke niet aan de gemeenten of meergemeentepolitiezones worden overgedragen.
Art.164. L'article 248quater , § 1er, de la même loi est complété par l'alinéa suivant :
Un droit de préemption est accordé aux communes et aux zones de police pluricommunales pendant 10 ans sur les logements de fonction et sur les bâtiments et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains, qui ne sont pas transférés aux communes et aux zones de police pluricommunales, mais qui forment un ensemble avec les bâtiment s et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains qui sont, en vertu de la présente loi, transférés aux communes et zones de police pluricommunales.
Un droit de préemption est accordé à l'Etat belge pendant 10 ans sur les bâtiments et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains qui, en vertu de la présente loi, sont transférés aux communes ou aux zones de police pluricommunales et qui seraient à nouveau mis en vente par les communes ou zones de police pluricommunales, ou sur lesquels serait constitué un droit réel si ces bâtiments et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains formaient un ensemble avec les bâtiments et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains qui, en vertu de la présent loi, ne sont pas transférés aux communes ou zones de police pluricommunales.
Un droit de préemption est accordé aux communes et aux zones de police pluricommunales pendant 10 ans sur les logements de fonction et sur les bâtiments et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains, qui ne sont pas transférés aux communes et aux zones de police pluricommunales, mais qui forment un ensemble avec les bâtiment s et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains qui sont, en vertu de la présente loi, transférés aux communes et zones de police pluricommunales.
Un droit de préemption est accordé à l'Etat belge pendant 10 ans sur les bâtiments et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains qui, en vertu de la présente loi, sont transférés aux communes ou aux zones de police pluricommunales et qui seraient à nouveau mis en vente par les communes ou zones de police pluricommunales, ou sur lesquels serait constitué un droit réel si ces bâtiments et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains formaient un ensemble avec les bâtiments et parties de bâtiments administratifs et logistiques et leurs terrains qui, en vertu de la présent loi, ne sont pas transférés aux communes ou zones de police pluricommunales.
Art.165. In de Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, wordt een Titel VIIIbis ingevoegd, luidende :
" TITEL VIIIbis. - Commissie ter begeleiding van de Politiehervorming op lokaal niveau
Art. 257sexies. § 1. Bij de Federale overheidsdienst Kanselarij en Algemene Diensten wordt een Commissie ter begeleiding van de Politiehervorming op lokaal niveau opgericht.
§ 2. De Commissie is belast met :
1° de berekening van de meerkosten van de hervorming voor de politiezones;
2°het verlenen van een advies, met betrekking tot de nieuwe opdrachten die worden toevertrouwd aan de politiediensten, over het politieniveau dit ermee belast moet worden en over hun budgettaire weerslag voor het ene of het andere politieniveau;
3° de voorbereiding van een globale evaluatie van alle aspecten van de uitvoering van de politiehervorming op lokaal niveau. Deze evaluatie omvat met name een monitoring van alle problemen die met de politiehervorming op lokaal niveau gepaard gaan.
§ 3. De Koning bepaalt de samenstelling en de werkingsregelen van de Commissie.
" TITEL VIIIbis. - Commissie ter begeleiding van de Politiehervorming op lokaal niveau
Art. 257sexies. § 1. Bij de Federale overheidsdienst Kanselarij en Algemene Diensten wordt een Commissie ter begeleiding van de Politiehervorming op lokaal niveau opgericht.
§ 2. De Commissie is belast met :
1° de berekening van de meerkosten van de hervorming voor de politiezones;
2°het verlenen van een advies, met betrekking tot de nieuwe opdrachten die worden toevertrouwd aan de politiediensten, over het politieniveau dit ermee belast moet worden en over hun budgettaire weerslag voor het ene of het andere politieniveau;
3° de voorbereiding van een globale evaluatie van alle aspecten van de uitvoering van de politiehervorming op lokaal niveau. Deze evaluatie omvat met name een monitoring van alle problemen die met de politiehervorming op lokaal niveau gepaard gaan.
§ 3. De Koning bepaalt de samenstelling en de werkingsregelen van de Commissie.
Art.165. Un Titre VIIIbis , rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux.
" TITRE VIIIbis. - De la Commission d'accompagnement de la Réforme des polices au niveau local
Art. 257sexies. § 1er. Il est institué auprès du Service public fédéral Chancellerie et Services généraux une Commission d'accompagnement de la Réforme des polices au niveau local.
§ 2. La Commission d'accompagnement est chargée de :
1° chiffrer les coûts supplémentaires résultant de la mise en place de la réforme pour les zones de police;
2° de fournir un avis, pour les nouvelles missions confiées aux services de police, sur le niveau de police auquel elles doivent être attribuées et sur leur incidence budgétaire pour l'un ou l'autre niveau de police;
3° de préparer une évaluation globale de tous les aspects de la mise en place de la réforme des polices au niveau local. Cette évaluation comprend notamment un monitoring de tous les problèmes liés à la réforme des polices au niveau local.
§ 3. Le Roi détermine la composition et les règles de fonctionnement de la Commission d'accompagnement.
" TITRE VIIIbis. - De la Commission d'accompagnement de la Réforme des polices au niveau local
Art. 257sexies. § 1er. Il est institué auprès du Service public fédéral Chancellerie et Services généraux une Commission d'accompagnement de la Réforme des polices au niveau local.
§ 2. La Commission d'accompagnement est chargée de :
1° chiffrer les coûts supplémentaires résultant de la mise en place de la réforme pour les zones de police;
2° de fournir un avis, pour les nouvelles missions confiées aux services de police, sur le niveau de police auquel elles doivent être attribuées et sur leur incidence budgétaire pour l'un ou l'autre niveau de police;
3° de préparer une évaluation globale de tous les aspects de la mise en place de la réforme des polices au niveau local. Cette évaluation comprend notamment un monitoring de tous les problèmes liés à la réforme des polices au niveau local.
§ 3. Le Roi détermine la composition et les règles de fonctionnement de la Commission d'accompagnement.
TITEL VIII. - Economische zaken.
TITRE VIII. - Affaires économiques.
HOOFDSTUK I. - Diversen.
CHAPITRE I. - Divers.
Art.166. In afwijking van de artikelen 55 tot 58 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, wordt de vereniging zonder winstoogmerk Sociale Dienst gemachtigd een bedrijfskapitaal samen te stellen ten belope van 160.000 euro.
Art.166. Par dérogation aux articles 55 à 58 de lois sur la comptabilité de l'Etat, coordonnées le 17 juillet 1991, l'association sans but lucratif Service social est autorisée à constituer un fonds de roulement à concurrence de 160.000 euros.
Art.167. Artikel 123 van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen wordt opgeheven.
Art.167. L'article 123 de la loi portant des dispositions sociales et diverses du 21 décembre 1994 est abrogé.
HOOFDSTUK II. - Bepalingen houdende maatregelen voor de controle op de handelingen gesteld in de diamantsector.
CHAPITRE II. - Dispositions portant des mesures pour le contrôle des actes accomplis dans le secteur du diamant.
Art.168. De Koning oefent toezicht uit op de diamantsector op het grondgebied van het Koninkrijk België.
Art.168. Le Roi exerce la surveillance du secteur du diamant sur le territoire du Royaume de Belgique.
Art.169. § 1 Het toezicht heeft tot voorwerp de controle op de transacties van diamanten en het aanleggen van diamantvoorraden door handelaren in ongezette en geslepen diamant, ruwe diamant, industriediamant, boart, synthetische diamant, diamantpoeder, voor zover deze goederen niet voor uitsluitend eigen gebruik bestemd zijn.
De handelaren vermeld in (het eerste lid) moeten bij het Ministerie van Economische Zaken aangifte doen van het gewicht, waarde, kwalificatie en gedocumenteerde oorsprong of herkomst van elke diamanttransactie.
De handelaren vermeld in (het eerste lid) die over een voorraad diamant beschikken moeten jaarlijks bij het Ministerie van Economische Zaken aangifte doen van het gewicht, waarde, kwalificatie en gedocumenteerde oorsprong of herkomst van hun voorraden van diamant.
§ 2. De Koning bepaalt (bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad) de modaliteiten, regels, procedures en bevoegdheden, die nodig zijn voor de toepassing van § 1.
§ 3. Ten einde het onder § 1 omschreven toezicht mogelijk te maken is elke handelaar in diamanten gevestigd op het grondgebied van het Koninkrijk België, alvorens de beroepsactiviteit van handelaar in diamanten uit te oefenen, verplicht zich te registreren bij het Ministerie van Economische Zaken hetgeen inhoudt dat hij het bewijs levert dat hij alle formaliteiten heeft vervuld om het beroep van handelaar uit te oefenen.
§ 4. De Koning bepaalt de voorwaarden, procedures, regels en bevoegdheden voor de in § 3 bedoelde registratie.
De handelaren vermeld in (het eerste lid) moeten bij het Ministerie van Economische Zaken aangifte doen van het gewicht, waarde, kwalificatie en gedocumenteerde oorsprong of herkomst van elke diamanttransactie.
De handelaren vermeld in (het eerste lid) die over een voorraad diamant beschikken moeten jaarlijks bij het Ministerie van Economische Zaken aangifte doen van het gewicht, waarde, kwalificatie en gedocumenteerde oorsprong of herkomst van hun voorraden van diamant.
§ 2. De Koning bepaalt (bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad) de modaliteiten, regels, procedures en bevoegdheden, die nodig zijn voor de toepassing van § 1.
§ 3. Ten einde het onder § 1 omschreven toezicht mogelijk te maken is elke handelaar in diamanten gevestigd op het grondgebied van het Koninkrijk België, alvorens de beroepsactiviteit van handelaar in diamanten uit te oefenen, verplicht zich te registreren bij het Ministerie van Economische Zaken hetgeen inhoudt dat hij het bewijs levert dat hij alle formaliteiten heeft vervuld om het beroep van handelaar uit te oefenen.
§ 4. De Koning bepaalt de voorwaarden, procedures, regels en bevoegdheden voor de in § 3 bedoelde registratie.
Art.169. § 1er. La surveillance a pour objet le contrôle des transactions (portant sur des diamants et de la constitution) de stocks de diamants par les commerçants en diamants non montés et taillés, en diamants bruts, en diamant industriel, en boart, en diamant synthétique et en poudre de diamants, pour autant que ces marchandises ne soient pas destinés exclusivement à un propre usage.
Les commerçants mentionnés dans le premier alinéa doivent déclarer auprès du Ministère des Affaires économiques le poids, la valeur, la qualification et l'origine documentée ou la provenance de chaque transaction de diamants.
Les commerçants mentionnés dans le premier alinéa qui détiennent un stock, doivent déclarer annuellement auprès du Ministère des Affaires économiques le poids, la valeur, la qualification et l'origine documentée ou la provenance de leurs stocks de diamants.
§ 2. Le Roi détermine par arrêté, délibéré en Conseil des Ministres, les modalités, règles, procédures et compétences, nécessaires à l'application du § 1er.
§ 3. Afin de permettre la surveillance visée au § 1er, chaque commerçant en diamants implanté sur le territoire du Royaume de Belgique doit être enregistré au Ministère des Affaires Economiques avant d'exercer les activités professionnelles; cet enregistrement implique qu'il prouve qu'il a accompli toutes les formalités afin d'exercer la profession de commerçant.
§ 4. Le Roi détermine les conditions, procédures, règles et compétences de l'enregistrement visé au § 3.
Les commerçants mentionnés dans le premier alinéa doivent déclarer auprès du Ministère des Affaires économiques le poids, la valeur, la qualification et l'origine documentée ou la provenance de chaque transaction de diamants.
Les commerçants mentionnés dans le premier alinéa qui détiennent un stock, doivent déclarer annuellement auprès du Ministère des Affaires économiques le poids, la valeur, la qualification et l'origine documentée ou la provenance de leurs stocks de diamants.
§ 2. Le Roi détermine par arrêté, délibéré en Conseil des Ministres, les modalités, règles, procédures et compétences, nécessaires à l'application du § 1er.
§ 3. Afin de permettre la surveillance visée au § 1er, chaque commerçant en diamants implanté sur le territoire du Royaume de Belgique doit être enregistré au Ministère des Affaires Economiques avant d'exercer les activités professionnelles; cet enregistrement implique qu'il prouve qu'il a accompli toutes les formalités afin d'exercer la profession de commerçant.
§ 4. Le Roi détermine les conditions, procédures, règles et compétences de l'enregistrement visé au § 3.
Art.169/1. [1 § 1. Wanneer zij inbreuken op het in artikel 169 of de uitvoeringsbesluiten ervan omschreven toezicht vaststellen, kunnen de ambtenaren bedoeld in artikel 170, § 2, een waarschuwing richten tot de overtreder waarbij die tot stopzetting van de handeling wordt aangemaand, overeenkomstig artikel XV.31 van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. Wanneer de in artikel 170, § 2, bedoelde ambtenaren inbreuken op het in artikel 169 of de uitvoeringsbesluiten ervan omschreven toezicht vaststellen, kunnen de door de minister bevoegd voor Economie aangestelde ambtenaren een geldsom voorstellen waarvan de vrijwillige betaling door de overtreder de strafvordering doet vervallen, overeenkomstig artikel XV.61 van het Wetboek van economisch recht.
Het bedrag van de transactie mag niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete die wegens de vastgestelde inbreuk kan worden opgelegd, verhoogd met de opdeciemen.
De betalings- en inningswijzen van deze transactie worden door de Koning vastgesteld.]1
§ 2. Wanneer de in artikel 170, § 2, bedoelde ambtenaren inbreuken op het in artikel 169 of de uitvoeringsbesluiten ervan omschreven toezicht vaststellen, kunnen de door de minister bevoegd voor Economie aangestelde ambtenaren een geldsom voorstellen waarvan de vrijwillige betaling door de overtreder de strafvordering doet vervallen, overeenkomstig artikel XV.61 van het Wetboek van economisch recht.
Het bedrag van de transactie mag niet hoger zijn dan het maximumbedrag van de strafrechtelijke geldboete die wegens de vastgestelde inbreuk kan worden opgelegd, verhoogd met de opdeciemen.
De betalings- en inningswijzen van deze transactie worden door de Koning vastgesteld.]1
Art.169/1. [1 § 1er. Lorsqu'ils constatent des infractions à la surveillance visée à l'article 169 ou à ses arrêtés d'exécution, les agents visés à l'article 170, § 2, peuvent adresser au contrevenant un avertissement le mettant en demeure de mettre fin à cet acte, conformément à l'article XV.31 du Code de droit économique.
§ 2. Lorsque les agents visés à l'article 170, § 2, constatent des infractions à la surveillance visée à l'article 169 ou à ses arrêtés d'exécution, les agents désignés par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions peuvent proposer une somme, dont le paiement volontaire par l'auteur de l'infraction éteint l'action publique, conformément à l'article XV.61 du Code de droit économique.
Le montant de la transaction ne peut être supérieur au montant maximum de l'amende pénale pouvant être infligée pour l'infraction constatée, majorée des décimes additionnels.
Les modalités de paiement et de perception de cette transaction sont arrêtées par le Roi.]1
§ 2. Lorsque les agents visés à l'article 170, § 2, constatent des infractions à la surveillance visée à l'article 169 ou à ses arrêtés d'exécution, les agents désignés par le ministre qui a l'Economie dans ses attributions peuvent proposer une somme, dont le paiement volontaire par l'auteur de l'infraction éteint l'action publique, conformément à l'article XV.61 du Code de droit économique.
Le montant de la transaction ne peut être supérieur au montant maximum de l'amende pénale pouvant être infligée pour l'infraction constatée, majorée des décimes additionnels.
Les modalités de paiement et de perception de cette transaction sont arrêtées par le Roi.]1
Modifications
Art.170. § 1. [1 Inbreuken op het in artikel 169 omschreven toezicht worden gestraft met hetzij een strafrechtelijke geldboete hetzij met een administratieve geldboete van 100 tot 100.000 euro.]1
§ 2. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie en van de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen, zijn de ambtenaren van het Bestuur Economische Algemene Inspectie alsook de daartoe door de Minister van Economie aangestelde ambtenaren bevoegd om, zelfs alleen optredend, [1 inbreuken op het in artikel 169 omschreven toezicht]1 op te sporen en vast te stellen [1 , overeenkomstig de bepalingen bedoeld in boek XV, titel 1, hoofdstuk 1, van het Wetboek van economisch recht]1.
§ 3. [1 De door de ambtenaren bedoeld in artikel 170, § 2, opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen dertig dagen na vaststelling van de inbreuk aan de overtreder bij een aangetekende zending met ontvangstmelding betekend of hem overhandigd, op de wijze bedoeld in artikel XV.2, § 2, van het Wetboek van economisch recht.]1
§ 2. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie en van de ambtenaren van de administratie der douane en accijnzen, zijn de ambtenaren van het Bestuur Economische Algemene Inspectie alsook de daartoe door de Minister van Economie aangestelde ambtenaren bevoegd om, zelfs alleen optredend, [1 inbreuken op het in artikel 169 omschreven toezicht]1 op te sporen en vast te stellen [1 , overeenkomstig de bepalingen bedoeld in boek XV, titel 1, hoofdstuk 1, van het Wetboek van economisch recht]1.
§ 3. [1 De door de ambtenaren bedoeld in artikel 170, § 2, opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel. Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen dertig dagen na vaststelling van de inbreuk aan de overtreder bij een aangetekende zending met ontvangstmelding betekend of hem overhandigd, op de wijze bedoeld in artikel XV.2, § 2, van het Wetboek van economisch recht.]1
Modifications
Art.170. § 1er. [1 Les infractions à la surveillance visée à l'article 169, peuvent être sanctionnées soit par une amende pénale, soit par une amende administrative de 100 à 100.000 euros.]1
§ 2. Sans porter préjudice aux pouvoirs des officiers de police judiciaires et des agents de l'Administration des douanes et accises, les agents de l'Inspection générale économique ainsi que les agents commissionnés à cette fin par le Ministre de l'Economie, (sont compétents) pour rechercher et constater, même seuls, [1 es infractions à la surveillance visée à l'article 169, conformément aux dispositions prévues dans le livre XV, titre 1er, chapitre 1er du Code de droit économique]1.
§ 3. [1 Les procès-verbaux établis par les agents visés à l'article 170, § 2, font foi jusqu'à preuve du contraire. Dans les trente jours qui suivent la date de la constatation de l'infraction, une copie du procès-verbal est notifiée au contrevenant par lettre recommandée avec accusé de réception ou lui est remise en mains propres, dans les formes prévues à l'article XV.2, § 2, du Code de droit économique.]1
§ 2. Sans porter préjudice aux pouvoirs des officiers de police judiciaires et des agents de l'Administration des douanes et accises, les agents de l'Inspection générale économique ainsi que les agents commissionnés à cette fin par le Ministre de l'Economie, (sont compétents) pour rechercher et constater, même seuls, [1 es infractions à la surveillance visée à l'article 169, conformément aux dispositions prévues dans le livre XV, titre 1er, chapitre 1er du Code de droit économique]1.
§ 3. [1 Les procès-verbaux établis par les agents visés à l'article 170, § 2, font foi jusqu'à preuve du contraire. Dans les trente jours qui suivent la date de la constatation de l'infraction, une copie du procès-verbal est notifiée au contrevenant par lettre recommandée avec accusé de réception ou lui est remise en mains propres, dans les formes prévues à l'article XV.2, § 2, du Code de droit économique.]1
Modifications
Art.170/1. [1 § 1. De inbreuken op het in artikel 169 of de uitvoeringsbesluiten ervan omschreven toezicht opgespoord en vastgesteld door de ambtenaren bedoeld in artikel 170, § 2, kunnen het voorwerp uitmaken van:
1° de toepassing van de transactieprocedure bedoeld in artikel 169/1, § 2;
2° een administratieve vervolging met toepassing van de procedure bedoeld in titel 1/2 van boek XV van het Wetboek van economisch recht;
3° een strafrechtelijke vervolging.
§ 2. De vervolging gebeurt overeenkomstig titel 1/1 van boek XV van het Wetboek van economisch recht.]1
1° de toepassing van de transactieprocedure bedoeld in artikel 169/1, § 2;
2° een administratieve vervolging met toepassing van de procedure bedoeld in titel 1/2 van boek XV van het Wetboek van economisch recht;
3° een strafrechtelijke vervolging.
§ 2. De vervolging gebeurt overeenkomstig titel 1/1 van boek XV van het Wetboek van economisch recht.]1
Art.170/1. [1 § 1er. Les infractions à la surveillance visée à l'article 169 ou à ses arrêtés d'exécution recherchées et constatées par les agents visés à l'article 170, § 2, peuvent faire l'objet de:
1° l'application de la procédure de transaction telle que visée à l'article 169/1, § 2;
2° une poursuite administrative en application de la procédure visée au titre 1/2 du livre XV du Code de droit économique;
3° une poursuite pénale.
§ 2. La poursuite se fait conformément au titre 1/1 du livre XV du Code de droit économique.]1
1° l'application de la procédure de transaction telle que visée à l'article 169/1, § 2;
2° une poursuite administrative en application de la procédure visée au titre 1/2 du livre XV du Code de droit économique;
3° une poursuite pénale.
§ 2. La poursuite se fait conformément au titre 1/1 du livre XV du Code de droit économique.]1
Modifications
Art.170/2. [1 Het openbaar ministerie bezorgt aan de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht een kennisgeving van zijn beslissing om al dan niet strafvervolging in te stellen, of al dan niet een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen.
Wanneer het openbaar ministerie ervan afziet een strafvervolging in te stellen, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen, of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgelegd, beslissen de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht of de procedure voor de administratieve geldboete moet worden opgestart.]1
Wanneer het openbaar ministerie ervan afziet een strafvervolging in te stellen, of een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van hetzelfde Wetboek voor te stellen, of wanneer het openbaar ministerie geen beslissing heeft genomen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de dag van ontvangst van het proces-verbaal waarin de inbreuk werd vastgelegd, beslissen de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht of de procedure voor de administratieve geldboete moet worden opgestart.]1
Art.170/2. [1 Le ministère public notifie aux agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique sa décision d'intenter ou non les poursuites pénales ou de proposer ou non une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code.
Lorsque le ministère public renonce à intenter les poursuites pénales et à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code, ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal consignant l'infraction, les agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique décident s'il y a lieu d'entamer la procédure d'amende administrative.]1
Lorsque le ministère public renonce à intenter les poursuites pénales et à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du même Code, ou si le ministère public n'a pas pris de décision dans un délai de trois mois à compter du jour de la réception du procès-verbal consignant l'infraction, les agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique décident s'il y a lieu d'entamer la procédure d'amende administrative.]1
Modifications
Art.170/3. [1 Indien het openbaar ministerie afziet van een strafvervolging in te stellen, een minnelijke schikking bedoeld in artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering of een bemiddeling in strafzaken bedoeld in artikel 216ter van het Wetboek van strafvordering voor te stellen, bezorgt het een afschrift van de procedurestukken van het aanvullend opsporingsonderzoek aan de bevoegde ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht.]1
Art.170/3. [1 Si le ministère public renonce à intenter les poursuites pénales et à proposer une transaction visée à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou une médiation pénale visée à l'article 216ter du Code d'instruction criminelle, il envoie une copie des pièces de procédure de l'enquête complémentaire aux agents compétents visés à l'article XV.60/4 du Code de droit économique.]1
Modifications
Art.170/4. [1 De bepalingen van titel 2, hoofdstuk 1/1, van boek XV van het Wetboek van economisch recht zijn van toepassing op de administratieve geldboetes bedoeld in deze wet.
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboetes bedoeld in deze wet.]1
De opdeciemen bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdeciemen op strafrechtelijke geldboeten zijn eveneens van toepassing op de administratieve geldboetes bedoeld in deze wet.]1
Art.170/4. [1 Les dispositions du titre 2, chapitre 1/1, du livre XV du Code de droit économique sont applicables aux amendes administratives visées par la présente loi.
Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées dans la présente loi.]1
Les décimes additionnels visés à l'article 1er, alinéa 1er, de la loi du 5 mars 1952 relative aux décimes additionnels sur les amendes pénales sont également applicables aux amendes administratives visées dans la présente loi.]1
Modifications
Art.170/5. [1 De bepalingen van boek I van het Strafwetboek , met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de inbreuken op het in artikel 169 of de uitvoeringsbesluiten ervan omschreven toezicht.]1
Art.170/5. [1 Les dispositions du livre Ier du Code pénal, y compris le chapitre VII et l'article 85, sont d'application aux infractions à la surveillance définie par l'article 169 ou ses arrêtés d'exécution.]1
Modifications
Art.170/6. [1 De artikelen XV.72, XV.73 en XV.74 van het Wetboek van economisch recht zijn van toepassing op de strafrechtelijke inbreuken op het in artikel 169 of de uitvoeringsbesluiten ervan omschreven toezicht die worden onderzocht en vastgesteld door de ambtenaren bedoeld in artikel 170, § 2.]1
Art.170/6. [1 Les articles XV.72, XV.73 et XV.74 du Code de droit économique sont applicables aux infractions pénales à la surveillance visée à l'article 169 ou à ses arrêtés d'exécution recherchées et constatées par les agents visés à l'article 170, § 2.]1
Modifications
TITEL IX. - Telecommunicatie en overheidsbedrijven en participaties.
TITRE IX. - Télécommunication et entreprises et participations publiques.
HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven.
CHAPITRE I. - Modifications de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques.
Art.171. In artikel 105decies A, § 2, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd bij de wet van 19 december 1997, worden de woorden " De personen die informatiediensten aanbieden via de spraaktelefoondienst of de mobiele telefoondienst moeten deze Ethische Code in acht nemen " vervangen door de woorden " De personen die de informatiediensten of andere diensten aanbieden via de spraaktelefoondienst, de mobiele telefoondienst of via internettoegang moeten deze Ethische Code in acht nemen. "
Art.171. A l'article 105decies A, § 2, de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques, inséré par la loi du 19 décembre 1997, les mots " Les personnes qui offrent des services d'information grâce au service de téléphonie vocale ou de radiotéléphonie mobile sont tenues respect de ce Code d'éthique " sont remplacés par les mots " Les personnes qui offrent des services d'information ou d'autres services grâce au service de téléphonie vocale ou de radiotéléphonie mobile ou grâce à l'accès à l'Internet sont tenues au respect de ce Code d'éthique. "
Art.172. In artikel 144octies, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999 worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste gedachtenstreep : het woord " postzendingen " wordt vervangen door het woord " brievenpost ".
2° § 2 : het woord " fysieke " wordt ingevoegd tussen de woorden " dienst van " en " aangetekende zendingen ".
3° § 2 : de woorden " en dat ongeacht de drager ervan " vervallen.
1° § 1, eerste gedachtenstreep : het woord " postzendingen " wordt vervangen door het woord " brievenpost ".
2° § 2 : het woord " fysieke " wordt ingevoegd tussen de woorden " dienst van " en " aangetekende zendingen ".
3° § 2 : de woorden " en dat ongeacht de drager ervan " vervallen.
Art.172. A l'article 144octies, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° §1er, premier tiret : le mot " postzendingen " est remplacé par le mot " brievenpost " dans le texte en néerlandais;
2° § 2 : Le mot " physique " est inséré entre les mots " recommandés " et "utilisés";
3° § 2 : les mots " et ce, quel qu'en soit le support " sont supprimés.
1° §1er, premier tiret : le mot " postzendingen " est remplacé par le mot " brievenpost " dans le texte en néerlandais;
2° § 2 : Le mot " physique " est inséré entre les mots " recommandés " et "utilisés";
3° § 2 : les mots " et ce, quel qu'en soit le support " sont supprimés.
Art.173. In artikel 144decies, § 3 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 3 juli 2000 worden de woorden " voor 30 juni " vervangen door de woorden " voor 30 september ".
Art.173. A l'article 144decies, § 3, de la même loi, remplacé par la loi du 3 juillet 2000, les mots " avant le 30 juin " sont remplacés par les mots " avant le 30 septembre ".
Art.174. In artikel 144duodecies, § 1, alinea 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 juni 1999, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° De woorden" 14 kalenderdagen " worden vervangen door de woorden " 15 kalenderdagen ";
2° Het woord " civils " vervalt in de Franstalige tekst;
3° § 1 wordt aangevuld met volgende alinea :
" De termijn vangt aan na de betekening van de ingebrekestelling ".
1° De woorden" 14 kalenderdagen " worden vervangen door de woorden " 15 kalenderdagen ";
2° Het woord " civils " vervalt in de Franstalige tekst;
3° § 1 wordt aangevuld met volgende alinea :
" De termijn vangt aan na de betekening van de ingebrekestelling ".
Art.174. A l'article 144duodecies, § 1er, alinéa 2, de la même loi, inséré par l'arrêté royal du 9 juin 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° Les mots " 14 kalenderdagen " sont remplacés par les mots " 15 kalenderdagen " dans le texte en neerlandais;
2° Le mot " civils " est supprimé;
3° Le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" Le délai commence après la signification de la mise en demeure. "
1° Les mots " 14 kalenderdagen " sont remplacés par les mots " 15 kalenderdagen " dans le texte en neerlandais;
2° Le mot " civils " est supprimé;
3° Le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" Le délai commence après la signification de la mise en demeure. "
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 10 août 2001 relative à Belgacom.
Art.175. In artikel 4, tweede lid, van de wet van 10 augustus 2001 betreffende Belgacom wordt het woord "2002" vervangen door het woord "2003".
Art.175. Dans l'article 4, alinéa 2, de la loi du 10 août 2001 relative à Belgacom, le mot "2002" est remplacé par le mot "2003".
Art.176. Artikel 6 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.176. L'article 6 de la même loi est abrogé.
HOOFDSTUK III. - Wijziging van artikel 161, § 1, 1°, van de programmawet van 30 december 2001.
CHAPITRE III. - Modification de l'article 161, § 1er, 1°, de la loi-programme du 30 décembre 2001.
Art.177. In artikel 161, § 1, 1°, van de programmawet van 30 december 2001, worden de woorden "alle en niet minder dan alle" vervangen door de woorden "alle of een deel van de".
Art.177. Dans l'article 161, § 1er, 1°, de la loi-programme du 30 décembre 2001, les mots " l'ensemble et pas moins que l'ensemble " sont remplacés par les mots " tout ou partie ".
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de wet 1 april 1971 houdende oprichting van een Regie der Gebouwen.
CHAPITRE IV. - La modification de la loi du 1er avril 1971 portant création d'une Régie des Bâtiments.
Art.178. In artikel 4, § 3, van de wet van 1 april 1971 houdende oprichting van een Regie der Gebouwen, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996 wordt een derde lid ingevoegd :
De minister kan binnen de perken die hij bepaalt, de directeur-generaal en de leden van de Raad van Ambtenaren-generaal machtigen om sommige van hun bevoegdheden over te dragen aan bepaalde ambtenaren van de Regie. De Directeur-generaal treft daartoe een subdelegatiebesluit. De ambtenaren-generaal treffen daartoe een collectief en éénvormig subdelegatiebesluit, dat wordt goedgekeurd door de Directeur-generaal.
De minister kan binnen de perken die hij bepaalt, de directeur-generaal en de leden van de Raad van Ambtenaren-generaal machtigen om sommige van hun bevoegdheden over te dragen aan bepaalde ambtenaren van de Regie. De Directeur-generaal treft daartoe een subdelegatiebesluit. De ambtenaren-generaal treffen daartoe een collectief en éénvormig subdelegatiebesluit, dat wordt goedgekeurd door de Directeur-generaal.
Art.178. Dans l'article 4, § 3, de la loi du 1er avril 1971 portant création d'une Régie des Bâtiments, modifiée par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, un troisième alinéa est inséré :
Le Ministre peut, dans les limites qu'il détermine, autoriser le directeur général et les membres du Conseil des Fonctionnaires généraux à déléguer certaines de leurs compétences à certains fonctionnaires de la Régie. Le directeur général prend à cet effet un arrêté de subdélégation. Les fonctionnaires généraux prennent à cet effet un arrêté de subdélégation collectif et uniforme, qui est approuvé par le directeur général.
Le Ministre peut, dans les limites qu'il détermine, autoriser le directeur général et les membres du Conseil des Fonctionnaires généraux à déléguer certaines de leurs compétences à certains fonctionnaires de la Régie. Le directeur général prend à cet effet un arrêté de subdélégation. Les fonctionnaires généraux prennent à cet effet un arrêté de subdélégation collectif et uniforme, qui est approuvé par le directeur général.
TITEL X. - Kanselarij en algemene diensten.
TITRE X. - Chancellerie et services.
TITEL XI. - Verkeer.
TITRE XI. - Transport.
Art.180. In artikel 10, eerste lid van de wet van 25 juli 1891 houdende herziening van de wet van 15 april 1843 op de politie der spoorwegen, vervangen bij de wet van 3 mei 1999, worden de woorden "op de naleving van deze wet en van de wet van 12 april 1835 rakende de tolrechten en de reglementen van politie nopens de ijzeren weg, alsook van hun uitvoeringsbesluiten" vervangen door de woorden "op de naleving van deze wet, van de wet van 12 april 1835 rakende de tolrechten en de reglementen van politie nopens de ijzeren weg en van hun uitvoeringsbesluiten, alsook van de artikelen 269 tot 274, 276, 280, 281, 327 tot 331bis , 347bis , 372 tot 378bis , 392 tot 422ter , 428 tot 430, 448, 461 tot 488, 496 tot 594, 505, 506, 510 tot 520n 528 tot 534, 552, 5°, 556, 3°, 559, 1° en 3°, 561, 7°, 563, 3°, van het Strafwetboek wanneer de in deze artikelen bedoelde overtredingen in de treinen en de stations alsook op de perrons en op de sporen begaan worden".
Art.180. A l'article 10, alinéa 1er, de la loi du 25 juillet 1891 révisant la loi du 15 avril 1843 sur la police des chemins de fer, remplacé par la loi du 3 mai 1999, les mots " au respect de la présente loi et de la loi du 12 avril 1835 concernant les péages et règlements de police sur les chemins de fer, ainsi que de leurs arrêtés d'exécution " sont remplacés par les mots " au respect de la présente loi, de la loi du 12 avril 1835 concernant les péages et règlements de police sur les chemins de fer et de leurs arrêtés d'exécution ainsi que des articles 269 à 274, 276, 280, 281, 327 à 331bis , 347bis , 372 à 378bis , 392 à 422ter , 428 à 430, 448, 461 à 488, 496 à 504, 505, 506, 510 à 520, 528 à 534, 552, 5°, 556, 3°, 559, 1° et 3°, 561, 7°, 563, 3°, du Code pénal lorsque les infractions qui sont visées dans ces articles sont commises dans les trains et les gares ainsi que sur les quais et les voies ".
Art.181. (Opgeheven) <W 2006-12-04/37, art. 71, 007; Inwerkingtreding : 02-02-2007>
Art.181. (Abrogé) <L 2006-12-04/37, art. 71, 007; En vigueur : 02-02-2007>
TITEL XII. - Maatschappelijke integratie.
TITRE XII. - Intégration sociale.
HOOFDSTUK I. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE I. - Dispositions diverses.
Art.182. De Minister die de Maatschappelijke Integratie en de Sociale Economie tot zijn bevoegdheid heeft wordt gemachtigd om toelagen toe te kennen, zoals bepaald in de algemene uitgavenbegroting, binnen de perken van de beschikbare kredieten op de specifieke begrotingsartikels, onder de volgende voorwaarden :
het betrokken besluit vermeldt het bedrag en de basisallocatie waarop de uitgave wordt aangerekend,
het vermeldt eveneens de doeleinden van de aanwending van de toelage, de periode van betoelaging en de aard en de te volgen regels betreffende de te verstrekken verantwoording,
het vermeldt de samenstellende bestanddelen van de uitgaven waarvoor de toelage wordt verleend,
het vermeldt desgevallend de opsplitsing in schijven, waarin het toegekende bedrag zal worden uitbetaald.
het betrokken besluit vermeldt het bedrag en de basisallocatie waarop de uitgave wordt aangerekend,
het vermeldt eveneens de doeleinden van de aanwending van de toelage, de periode van betoelaging en de aard en de te volgen regels betreffende de te verstrekken verantwoording,
het vermeldt de samenstellende bestanddelen van de uitgaven waarvoor de toelage wordt verleend,
het vermeldt desgevallend de opsplitsing in schijven, waarin het toegekende bedrag zal worden uitbetaald.
Art.182. Le Ministre qui a l'Intégration sociale et l'Economie sociale dans ses attributions est autorisé à octroyer des subventions, comme prévu au budget des dépenses générales, dans les limites des crédits disponibles aux articles budgétaires spécifiques, dans les conditions suivantes :
l'arrêté en question mentionne le montant et l'allocation de base à laquelle la dépense est imputée,
il mentionne également les objectifs de l'utilisation de la subvention, la période d'octroi de la subvention et la nature ainsi que les règles à suivre en ce qui concerne la justification à donner,
il mentionne les composantes des dépenses pour lesquelles la subvention est octroyée,
il mentionne éventuellement la répartition et tranches selon lesquelles le montant octroyé sera payé.
l'arrêté en question mentionne le montant et l'allocation de base à laquelle la dépense est imputée,
il mentionne également les objectifs de l'utilisation de la subvention, la période d'octroi de la subvention et la nature ainsi que les règles à suivre en ce qui concerne la justification à donner,
il mentionne les composantes des dépenses pour lesquelles la subvention est octroyée,
il mentionne éventuellement la répartition et tranches selon lesquelles le montant octroyé sera payé.
Art.183. Met het oog op een eventuele betoelaging, moeten de projecten schriftelijk worden ingediend bij de Minister die de Maatschappelijke Integratie en de Sociale Economie tot zijn bevoegdheid heeft.
De aanvraag moet gemotiveerd zijn en vergezeld zijn van een gedetailleerde begroting. In deze begroting moeten de personeelskosten en de werkingskosten apart worden ingenomen.
De aanvraag moet gemotiveerd zijn en vergezeld zijn van een gedetailleerde begroting. In deze begroting moeten de personeelskosten en de werkingskosten apart worden ingenomen.
Art.183. En vue d'une éventuelle subvention, les projets doivent être introduits par écrit auprès du Ministre qui a l'Intégration sociale et l'Economie sociale dans ses attributions.
La demande doit être motivée et accompagnée d'un budget détaillé. Les frais de personnel et les frais de fonctionnement doivent être indiqués à part dans ce budget.
La demande doit être motivée et accompagnée d'un budget détaillé. Les frais de personnel et les frais de fonctionnement doivent être indiqués à part dans ce budget.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de organieke OCMW-wet van 8 juli 1976.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi organique des CPAS du 8 juillet 1976.
Art.184. Artikel 57, § 2, van de organieke OCMW-wet van 8 juli 1976 wordt aangevuld met een zevende lid, luidend als volgt :
" Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van artikel 77bis , § 4bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter. "
" Indien het gaat om een vreemdeling die dakloos is geworden ingevolge de toepassing van artikel 77bis , § 4bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, kan de in het vierde en vijfde lid bedoelde maatschappelijke dienstverlening verstrekt worden in een onthaalcentrum, zoals bedoeld in artikel 57ter. "
Art.184. L'article 57, § 2, de la loi organique des CPAS du 8 juillet 1976 est complété par un alinéa 7, rédigé comme suit :
" S'il s'agit d'un étranger qui est devenu sans abri suite à l'application de l'article 77bis , § 4bis , de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, l'aide sociale visé à l'alinéa quatre et cinq peut être fournie dans un centre d'accueil tel que visé à l'article 57ter. "
" S'il s'agit d'un étranger qui est devenu sans abri suite à l'application de l'article 77bis , § 4bis , de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, l'aide sociale visé à l'alinéa quatre et cinq peut être fournie dans un centre d'accueil tel que visé à l'article 57ter. "
Art.185. Een nieuw artikel 57ter 2 wordt ingevoegd in dezelfde wet, luidend als volgt :
" Art. 57ter 2. Indien een vreemdeling, die krachtens artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, beschikt over een verplichte plaats van inschrijving, wordt aangetroffen in een woning bedoeld in artikel 77bis , § 4bis van dezelfde wet, dan is het bevoegde OCMW van de verplichte plaats van inschrijving ertoe gehouden binnen dertig dagen na de uitdrijving uit de bedoelde woning, een huisvesting ter beschikking te stellen van de vreemdeling op het grondgebied van zijn gemeente.
Voor de periode die begint op de dag van de uitdrijving en die een einde neemt op de dag dat het bevoegde centrum een huisvesting ter beschikking stelt, wordt de vreemdeling op kosten van het centrum geherhuisvest en verstrekt het centrum aan de vreemdeling de maatschappelijke dienstverlening. "
" Art. 57ter 2. Indien een vreemdeling, die krachtens artikel 54 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, beschikt over een verplichte plaats van inschrijving, wordt aangetroffen in een woning bedoeld in artikel 77bis , § 4bis van dezelfde wet, dan is het bevoegde OCMW van de verplichte plaats van inschrijving ertoe gehouden binnen dertig dagen na de uitdrijving uit de bedoelde woning, een huisvesting ter beschikking te stellen van de vreemdeling op het grondgebied van zijn gemeente.
Voor de periode die begint op de dag van de uitdrijving en die een einde neemt op de dag dat het bevoegde centrum een huisvesting ter beschikking stelt, wordt de vreemdeling op kosten van het centrum geherhuisvest en verstrekt het centrum aan de vreemdeling de maatschappelijke dienstverlening. "
Art.185. Un article 57ter/2 est inséré dans la même loi, rédigé comme suit :
" Art. 57ter/2. Si un étranger, qui dispose d'un lieu obligatoire d'inscription en vertu de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, est découvert dans un logement visé à l'article 77bis , § 4bis , de la même loi, le CPAS compétent du lieu d'inscription obligatoire est tenu, dans les trente jours à dater de l'expulsion du logement en cause, de mettre à disposition de l'étranger un logement situé sur le territoire de sa commune.
Pour la période prenant cours le jour de l'expulsion du logement et prenant fin le jour où le centre compétent met à disposition de l'étranger un logement, celui-ci est relogé aux frais du centre et le centre est tenu de fournir l'aide sociale à l'étranger. "
" Art. 57ter/2. Si un étranger, qui dispose d'un lieu obligatoire d'inscription en vertu de l'article 54 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, est découvert dans un logement visé à l'article 77bis , § 4bis , de la même loi, le CPAS compétent du lieu d'inscription obligatoire est tenu, dans les trente jours à dater de l'expulsion du logement en cause, de mettre à disposition de l'étranger un logement situé sur le territoire de sa commune.
Pour la période prenant cours le jour de l'expulsion du logement et prenant fin le jour où le centre compétent met à disposition de l'étranger un logement, celui-ci est relogé aux frais du centre et le centre est tenu de fournir l'aide sociale à l'étranger. "
Art.186. Artikel 57quater van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 2 januari 2001, wordt vervangen als volgt :
" Art. 57quater. § 1. De persoon die is ingeschreven in het vreemdelingenregister met een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd en die omwille van zijn nationaliteit niet kan beschouwd worden als een gerechtigde op maatschappelijke integratie, kan aanspraak maken op een financiële steun vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de kosten van zijn inschakeling in het beroepsleven.
§ 2. De Koning bepaalt voor welke vormen van inschakeling het centrum financieel tussenkomt alsmede het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de modaliteiten van deze financiële tegemoetkoming. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor de toegang tot de verschillende inschakelings- en tewerkstellingsprogramma's.
§ 3. In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, kan de financiële steun vanwege het centrum in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhouding toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde, bepaald in artikel 23, tweede lid. Een financiële steun die aldus in mindering wordt gebracht op het loon van de werknemer, wordt niettemin voor de toepassing van de sociale en fiscale wetgeving als loon beschouwd.
§ 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers die genieten van een financiële steun in hun loon vanwege het centrum :
1° in afwijkingen voorzien op de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij in dienst genomen wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
2° in een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke vrijstelling voorzien van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3 en 3bis , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§ 3 en 3bis , van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van mijnwerkers en ermee gelijkgestelden. "
" Art. 57quater. § 1. De persoon die is ingeschreven in het vreemdelingenregister met een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd en die omwille van zijn nationaliteit niet kan beschouwd worden als een gerechtigde op maatschappelijke integratie, kan aanspraak maken op een financiële steun vanwege het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de kosten van zijn inschakeling in het beroepsleven.
§ 2. De Koning bepaalt voor welke vormen van inschakeling het centrum financieel tussenkomt alsmede het bedrag, de toekenningsvoorwaarden en de modaliteiten van deze financiële tegemoetkoming. De Koning kan de voorwaarden bepalen voor de toegang tot de verschillende inschakelings- en tewerkstellingsprogramma's.
§ 3. In afwijking van artikel 23 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers, kan de financiële steun vanwege het centrum in mindering gebracht worden op het loon van de werknemer. Deze aftrek geschiedt dadelijk na de inhouding toegelaten krachtens artikel 23, eerste lid, 1°, van dezelfde wet en telt niet mee voor de grens van een vijfde, bepaald in artikel 23, tweede lid. Een financiële steun die aldus in mindering wordt gebracht op het loon van de werknemer, wordt niettemin voor de toepassing van de sociale en fiscale wetgeving als loon beschouwd.
§ 4. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, voor de werknemers die genieten van een financiële steun in hun loon vanwege het centrum :
1° in afwijkingen voorzien op de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, inzake het naleven van de regels betreffende de verbreking van de arbeidsovereenkomst door de werknemer wanneer hij in dienst genomen wordt in het kader van een andere arbeidsovereenkomst of benoemd wordt in een administratie;
2° in een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke vrijstelling voorzien van werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 38, §§ 3 en 3bis , van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid bedoeld in artikel 2, §§ 3 en 3bis , van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van mijnwerkers en ermee gelijkgestelden. "
Art.186. L'article 57quater de la même loi, modifié dernièrement par la loi du 2 janvier 2001, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 57quater. § 1er. La personne inscrite au registre des étrangers avec une autorisation de séjour d'une durée illimitée et qui en raison de sa nationalité ne peut être considérée comme ayant droit à l'intégration sociale, peut prétendre à une intervention financière du centre public d'aide sociale dans les frais liés à son insertion professionnelle.
§ 2. Le Roi détermine les types d'insertion pour lesquels le centre intervient financièrement ainsi que le montant, les conditions d'octroi et les modalités de cette intervention financière. Le Roi peut déterminer les conditions d'accès aux différents programmes d'insertion et d'emploi.
§ 3. Par dérogation à l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, l'intervention financière du centre peut être imputée sur la rémunération du travailleur. Cette imputation s'effectue directement après les retenues autorisées en vertu de l'article 23, alinéa 1er, 1°, de la même loi et n'intervient pas dans la limite d'un cinquième prévue à l'article 23, alinéa 2. Une intervention financière qui est imputée sur la rémunération du travailleur est néanmoins considérée comme une rémunération en ce qui concerne la législation fiscale et sociale.
§ 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine, pour les travailleurs occupés avec le bénéfice d'une intervention financière du centre dans leur rémunération :
1° prévoir des dérogations aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, en ce qui concerne le respect des règles relatives à la rupture du contrat de travail par le travailleur lorsque celui-ci est engagé dans les liens d'un autre contrat de travail ou nommé dans une administration;
2° prévoir une exonération temporaire, totale ou partielle, des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 38, §§ 3 et 3bis , de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés et des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 2, §§ 3 et 3bis , de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés. "
" Art. 57quater. § 1er. La personne inscrite au registre des étrangers avec une autorisation de séjour d'une durée illimitée et qui en raison de sa nationalité ne peut être considérée comme ayant droit à l'intégration sociale, peut prétendre à une intervention financière du centre public d'aide sociale dans les frais liés à son insertion professionnelle.
§ 2. Le Roi détermine les types d'insertion pour lesquels le centre intervient financièrement ainsi que le montant, les conditions d'octroi et les modalités de cette intervention financière. Le Roi peut déterminer les conditions d'accès aux différents programmes d'insertion et d'emploi.
§ 3. Par dérogation à l'article 23 de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs, l'intervention financière du centre peut être imputée sur la rémunération du travailleur. Cette imputation s'effectue directement après les retenues autorisées en vertu de l'article 23, alinéa 1er, 1°, de la même loi et n'intervient pas dans la limite d'un cinquième prévue à l'article 23, alinéa 2. Une intervention financière qui est imputée sur la rémunération du travailleur est néanmoins considérée comme une rémunération en ce qui concerne la législation fiscale et sociale.
§ 4. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dans les conditions qu'Il détermine, pour les travailleurs occupés avec le bénéfice d'une intervention financière du centre dans leur rémunération :
1° prévoir des dérogations aux dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, en ce qui concerne le respect des règles relatives à la rupture du contrat de travail par le travailleur lorsque celui-ci est engagé dans les liens d'un autre contrat de travail ou nommé dans une administration;
2° prévoir une exonération temporaire, totale ou partielle, des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 38, §§ 3 et 3bis , de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés et des cotisations patronales de sécurité sociale, visées à l'article 2, §§ 3 et 3bis , de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés. "
Art.187. In artikel 60, § 7, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij artikel 120 van de wet van 24 december 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " voltijdse of deeltijdse " vervallen;
2° een nieuw tweede lid wordt ingevoegd tussen het eerste lid en het vroegere tweede lid dat het derde lid wordt :
" De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen. ";
3° de tekst wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt :
" Indien de in het vorig lid bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en 37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. "
1° de woorden " voltijdse of deeltijdse " vervallen;
2° een nieuw tweede lid wordt ingevoegd tussen het eerste lid en het vroegere tweede lid dat het derde lid wordt :
" De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen. ";
3° de tekst wordt aangevuld met een vierde lid, luidend als volgt :
" Indien de in het vorig lid bedoelde partner een privé-onderneming is, bepaalt de Koning de voorwaarden en de modaliteiten volgens dewelke de terbeschikkingstelling moet worden geregeld met deze onderneming met het oog op het behoud van het recht van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn op de toelage verbonden aan de inschakeling van de persoon tewerkgesteld met toepassing van de artikelen 36 en 37 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. "
Art.187. A l'article 60, § 7, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par l'article 120 de la loi du 24 décembre 1999, sont apportées les modifications suivantes :
1° les mots " à temps plein ou à temps partiel " sont supprimés;
2° un alinéa 2 nouveau est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 ancien, devenu l'alinéa 3 :
" La durée de la mise à l'emploi visée à l'alinéa précédent, ne peut être supérieure à la durée nécessaire à la personne mise au travail en vue d'obtenir le bénéfice complet des allocations sociales. ";
3° le texte est complété par un alinéa 4, ainsi rédigé :
" Lorsque le partenaire visé à l'alinéa précédent est une entreprise privée, le Roi détermine les conditions et modalités suivant lesquelles la mise à disposition doit être conclue avec ladite entreprise en vue de maintenir le droit du centre public d'aide sociale à la subvention liée à l'insertion de la personne occupée en application des articles 36 et 37 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. "
1° les mots " à temps plein ou à temps partiel " sont supprimés;
2° un alinéa 2 nouveau est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 ancien, devenu l'alinéa 3 :
" La durée de la mise à l'emploi visée à l'alinéa précédent, ne peut être supérieure à la durée nécessaire à la personne mise au travail en vue d'obtenir le bénéfice complet des allocations sociales. ";
3° le texte est complété par un alinéa 4, ainsi rédigé :
" Lorsque le partenaire visé à l'alinéa précédent est une entreprise privée, le Roi détermine les conditions et modalités suivant lesquelles la mise à disposition doit être conclue avec ladite entreprise en vue de maintenir le droit du centre public d'aide sociale à la subvention liée à l'insertion de la personne occupée en application des articles 36 et 37 de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. "
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
CHAPITRE III. - Modifications de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aides sociale
Art.188. Artikel 2, § 5, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van steun door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, wordt aangevuld met een derde lid, luidend als volgt :
" Indien een medische hulpverlening om dringende redenen nodig is ten aanzien van de in de overige leden bedoelde vreemdeling, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente op het grondgebied waarvan de betrokkene zich bevindt, optreden in de plaats en op kosten van het bevoegd centrum. Het moet daarvan binnen de vijf dagen kennis geven aan het centrum in de plaats waarvan het is opgetreden. "
" Indien een medische hulpverlening om dringende redenen nodig is ten aanzien van de in de overige leden bedoelde vreemdeling, kan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente op het grondgebied waarvan de betrokkene zich bevindt, optreden in de plaats en op kosten van het bevoegd centrum. Het moet daarvan binnen de vijf dagen kennis geven aan het centrum in de plaats waarvan het is opgetreden. "
Art.188. L'article 2, § 5, de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale, est complété par un alinéa 3, rédige comme suit :
" Lorsqu'un aide médicale est nécessaire pour des raisons urgentes pour les étrangers visés aux alinéas précédents, le centre public d'aide social de la commune où l'intéressé se trouve peut se substituer au centre compétent et aux frais de celui-ci. Il est tenu d'en donner avis dans les cinq jours au centre auquel il s'est substitue. "
" Lorsqu'un aide médicale est nécessaire pour des raisons urgentes pour les étrangers visés aux alinéas précédents, le centre public d'aide social de la commune où l'intéressé se trouve peut se substituer au centre compétent et aux frais de celui-ci. Il est tenu d'en donner avis dans les cinq jours au centre auquel il s'est substitue. "
Art.189. Artikel 5, § 4, van dezelfde wet, zoals aangevuld bij artikel 205 van de wet van 12 augustus 2000 houdende sociale, budgettaire en andere bepalingen, wordt vervangen als volgt :
" § 4. Een toelage is verschuldigd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wanneer de financiële tegemoetkoming in de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling in het beroepsleven van een persoon ingeschreven in het vreemdelingenregister met een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd en die omwille van zijn nationaliteit niet kan beschouwd worden als een gerechtigde op maatschappelijke integratie, met toepassing van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De toelage is gelijk aan het bedrag van de financiële tegemoetkoming.
§ 4bis. Een toelage is verschuldigd aan het centrum en is gelijk aan het bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, 4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, wanneer dit centrum als werkgever optreedt met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor een in § 4 bedoelde persoon.
De toelage blijft verschuldigd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, ook indien de familiale of inkomenstoestand van de betrokken werknemer in de loop van de arbeidsovereenkomst verandert of indien hij zich in een andere gemeente vestigt.
De koning bepaalt de hoogte van de toelage bij een deeltijdse tewerkstelling, alsmede de toekenningsvoorwaarden voor deze toelage.
Hij kan eveneens het bedrag van de toelage verhogen en de voorwaarden ervan bepalen voor specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling.
§ 4ter. Een toelage is verschuldigd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wanneer het voor een persoon bedoeld in § 4 een overeenkomst inzake tewerkstelling sluit met een privé-onderneming met toepassing van artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Deze toelage moet volledig besteed worden aan de omkadering of opleiding in de onderneming of in het centrum van de persoon bedoeld in § 4.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hoogte van de in het eerste lid bedoelde toelage, evenals de voorwaarden, de duur en de modaliteiten waaronder deze toelage wordt toegekend.
§ 4quater. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde categorieën van personen van vreemde nationaliteit vaststellen, waarvoor de toelage, bedoeld in de §§ 4 tot 4ter , verschuldigd is aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wanneer de betrokkenen onder dezelfde voorwaarden tewerkgesteld worden als deze vastgesteld in de vermelde §§ 4 tot 4ter. "
" § 4. Een toelage is verschuldigd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wanneer de financiële tegemoetkoming in de kosten die verbonden zijn aan de inschakeling in het beroepsleven van een persoon ingeschreven in het vreemdelingenregister met een machtiging tot verblijf voor onbeperkte tijd en die omwille van zijn nationaliteit niet kan beschouwd worden als een gerechtigde op maatschappelijke integratie, met toepassing van artikel 57quater van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. De toelage is gelijk aan het bedrag van de financiële tegemoetkoming.
§ 4bis. Een toelage is verschuldigd aan het centrum en is gelijk aan het bedrag van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, 4°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, wanneer dit centrum als werkgever optreedt met toepassing van artikel 60, § 7, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn voor een in § 4 bedoelde persoon.
De toelage blijft verschuldigd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn tot aan het einde van de arbeidsovereenkomst, ook indien de familiale of inkomenstoestand van de betrokken werknemer in de loop van de arbeidsovereenkomst verandert of indien hij zich in een andere gemeente vestigt.
De koning bepaalt de hoogte van de toelage bij een deeltijdse tewerkstelling, alsmede de toekenningsvoorwaarden voor deze toelage.
Hij kan eveneens het bedrag van de toelage verhogen en de voorwaarden ervan bepalen voor specifieke initiatieven gericht op sociale inschakeling.
§ 4ter. Een toelage is verschuldigd aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wanneer het voor een persoon bedoeld in § 4 een overeenkomst inzake tewerkstelling sluit met een privé-onderneming met toepassing van artikel 61 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
Deze toelage moet volledig besteed worden aan de omkadering of opleiding in de onderneming of in het centrum van de persoon bedoeld in § 4.
De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hoogte van de in het eerste lid bedoelde toelage, evenals de voorwaarden, de duur en de modaliteiten waaronder deze toelage wordt toegekend.
§ 4quater. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepaalde categorieën van personen van vreemde nationaliteit vaststellen, waarvoor de toelage, bedoeld in de §§ 4 tot 4ter , verschuldigd is aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wanneer de betrokkenen onder dezelfde voorwaarden tewerkgesteld worden als deze vastgesteld in de vermelde §§ 4 tot 4ter. "
Art.189. L'article 5, § 4, de la même loi, tel que complété par l'article 205 de la loi du 12 août 2000 portant des dispositions sociales, budgétaires et diverses, est remplacé comme suit :
" § 4. Une subvention est due au centre public d'aide sociale lorsque celui-ci intervient financièrement dans les frais liés à l'insertion professionnelle d'une personne inscrite au registre des étrangers avec une autorisation de séjour d'une durée illimitée et qui, en raison de sa nationalité, ne peut être considérée comme ayant droit à l'intégration sociale, en application de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale. La subvention est égale au montant de l'intervention financière.
§ 4bis. Une subvention est due au centre et est égale au montant du revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, 4°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, lorsque ce dernier agit en qualité d'employeur en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale pour une personne visée au § 4.
La subvention reste due au centre public d'aide sociale jusqu'au terme du contrat de travail, même si la situation familiale ou financière du travailleur concerne se modifie pendant la durée du contrat de travail ou s'il s'établit dans un autre commune.
Le Roi fixe le montant de la subvention en cas d'occupation à temps partiel, ainsi que les conditions d'octroi de cette subvention.
Il peut également porter le montant de la subvention à un montant supérieur et en fixer les conditions pour des initiatives spécifiques d'insertion sociale.
§ 4ter. Une subvention est due au centre public d'aide sociale lorsque celui-ci conclut pour une personne visée au § 4, une convention en matière d'emploi avec une entreprise privée en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale.
Cette subvention doit entièrement être consacrée à l'encadrement ou à la formation dans l'entreprise ou au sein du centre de la personne visée au § 4.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant de la subvention visée à l'alinéa 1er, de même que les conditions, la durée et les modalités selon lesquelles cette subvention est accordée.
§ 4quater. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer certaines catégories de personnes de nationalité étrangère, pour lesquelles la subvention, visée aux §§ 4 à 4ter , est due au centre public d'aide sociale lorsqu'une mise au travail des intéressés s'effectue dans les mêmes conditions que celles fixées aux dites §§ 4 à 4ter. "
" § 4. Une subvention est due au centre public d'aide sociale lorsque celui-ci intervient financièrement dans les frais liés à l'insertion professionnelle d'une personne inscrite au registre des étrangers avec une autorisation de séjour d'une durée illimitée et qui, en raison de sa nationalité, ne peut être considérée comme ayant droit à l'intégration sociale, en application de l'article 57quater de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale. La subvention est égale au montant de l'intervention financière.
§ 4bis. Une subvention est due au centre et est égale au montant du revenu d'intégration visé à l'article 14, § 1er, 4°, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, lorsque ce dernier agit en qualité d'employeur en application de l'article 60, § 7, de la loi organique du 8 juillet 1976 des centres publics d'aide sociale pour une personne visée au § 4.
La subvention reste due au centre public d'aide sociale jusqu'au terme du contrat de travail, même si la situation familiale ou financière du travailleur concerne se modifie pendant la durée du contrat de travail ou s'il s'établit dans un autre commune.
Le Roi fixe le montant de la subvention en cas d'occupation à temps partiel, ainsi que les conditions d'octroi de cette subvention.
Il peut également porter le montant de la subvention à un montant supérieur et en fixer les conditions pour des initiatives spécifiques d'insertion sociale.
§ 4ter. Une subvention est due au centre public d'aide sociale lorsque celui-ci conclut pour une personne visée au § 4, une convention en matière d'emploi avec une entreprise privée en application de l'article 61 de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publics d'aide sociale.
Cette subvention doit entièrement être consacrée à l'encadrement ou à la formation dans l'entreprise ou au sein du centre de la personne visée au § 4.
Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le montant de la subvention visée à l'alinéa 1er, de même que les conditions, la durée et les modalités selon lesquelles cette subvention est accordée.
§ 4quater. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, déterminer certaines catégories de personnes de nationalité étrangère, pour lesquelles la subvention, visée aux §§ 4 à 4ter , est due au centre public d'aide sociale lorsqu'une mise au travail des intéressés s'effectue dans les mêmes conditions que celles fixées aux dites §§ 4 à 4ter. "
HOOFDSTUK IV. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
CHAPITRE IV. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art.190. In artikel 77bis , § 1bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen worden tussen de woorden " ter beschikking stelling van " en het woord " kamers " de woorden " enig onroerend goed of " ingevoegd.
Art.190. A l'article 77bis , § 1erbis , de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers les mots " tout bien immeuble ou " sont ajoutés entre les mots " en mettant à disposition " et les mots " des chambres ".
Art.191. In artikel 77bis wordt van dezelfde wet een § 4bis ingevoegd luidend als volgt :
" § 4bis. Naar gelang het geval kan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter beslag leggen op het in § 1bis bedoelde onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte. Indien hij beslist tot beslaglegging moet voormeld onroerend goed, kamer of enige andere ruimte worden verzegeld of mits schriftelijk akkoord van de eigenaar of verhuurder ter beschikking worden gesteld van het OCMW teneinde het op te knappen en tijdelijk te verhuren.
De beslissing tot beslaglegging van, naar gelang het geval de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, wordt ter kennis gebracht aan de eigenaar of verhuurder.
In geval van beslag op een onroerend goed moet de beslissing bovendien ter kennis gebracht worden uiterlijk binnen 24 uren, alsmede ter overschrijving aangeboden op het kantoor der hypotheken van de plaats waar de goederen gelegen zijn. Als dagtekening van de overschrijding geldt de dag van de kennisgeving van de beslissing tot beslaglegging.
Het beslag geldt tot op het ogenblik van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij hetzij de verbeurdverklaring werd bevolen, hetzij de opheffing van het beslag. Opheffing van het beslag kan voordien te allen tijde verleend worden al naar gelang het geval door de procureur des Konings of de onderzoeksrechter.
De beslagene kan het rechtsmiddel hem toegekend bij de artikelen 28sexies en artikel 61quater van het Wetboek van Strafvordering slechts instellen na verloop van een termijn van een jaar te rekenen van de datum van inbeslagname. "
" § 4bis. Naar gelang het geval kan de procureur des Konings of de onderzoeksrechter beslag leggen op het in § 1bis bedoelde onroerend goed, de kamer of enige andere ruimte. Indien hij beslist tot beslaglegging moet voormeld onroerend goed, kamer of enige andere ruimte worden verzegeld of mits schriftelijk akkoord van de eigenaar of verhuurder ter beschikking worden gesteld van het OCMW teneinde het op te knappen en tijdelijk te verhuren.
De beslissing tot beslaglegging van, naar gelang het geval de procureur des Konings of de onderzoeksrechter, wordt ter kennis gebracht aan de eigenaar of verhuurder.
In geval van beslag op een onroerend goed moet de beslissing bovendien ter kennis gebracht worden uiterlijk binnen 24 uren, alsmede ter overschrijving aangeboden op het kantoor der hypotheken van de plaats waar de goederen gelegen zijn. Als dagtekening van de overschrijding geldt de dag van de kennisgeving van de beslissing tot beslaglegging.
Het beslag geldt tot op het ogenblik van de definitieve rechterlijke beslissing waarbij hetzij de verbeurdverklaring werd bevolen, hetzij de opheffing van het beslag. Opheffing van het beslag kan voordien te allen tijde verleend worden al naar gelang het geval door de procureur des Konings of de onderzoeksrechter.
De beslagene kan het rechtsmiddel hem toegekend bij de artikelen 28sexies en artikel 61quater van het Wetboek van Strafvordering slechts instellen na verloop van een termijn van een jaar te rekenen van de datum van inbeslagname. "
Art.191. Un § 4bis est ajouté à l'article 77bis de la même loi rédigé comme suit :
" § 4bis. Selon le cas, le procureur du Roi ou le juge d'instruction peut saisir le bien immeuble, la chambre ou tout autre espace visé au § 1erbis. Si l'on décide de pratiquer la saisie, le bien immeuble, la chambre ou tout autre espace précités doivent être scellés ou, en l'accord écrit du propriétaire ou du bailleur, être mis à la disposition du CPAS afin de le restaurateur et de le louer temporairement.
La décision du procureur du Roi ou du juge d'instruction, selon le cas, de procéder à la saisie est signifiée au propriétaire ou au bailleur.
En cas de saisie d'un bien immeuble, la décision dont en outre être signifiée au plus tard dans les 24 heures et être présentée pour transcription au bureau des hypothèques du lieu où les biens sont établis. Le jour de la transcription pris en compte est celui de la signification de la décision de saisie.
La saisie reste valable jusqu'au moment de la décision judiciaire définitive par laquelle soit la confiscation a été prononcée, soit la suppression de la saisie est prononcée. Une suppression de la saisie peut auparavant être accordée à tout moment par le procureur du Roi ou le juge d'instruction, selon le cas.
La personne saisie ne peut intenter le recours qui lui est attribue par les articles 28sexies et l'article 61quater du Code d'instruction criminelle qu'après un délai d'un an à compter de la date de saisie. "
" § 4bis. Selon le cas, le procureur du Roi ou le juge d'instruction peut saisir le bien immeuble, la chambre ou tout autre espace visé au § 1erbis. Si l'on décide de pratiquer la saisie, le bien immeuble, la chambre ou tout autre espace précités doivent être scellés ou, en l'accord écrit du propriétaire ou du bailleur, être mis à la disposition du CPAS afin de le restaurateur et de le louer temporairement.
La décision du procureur du Roi ou du juge d'instruction, selon le cas, de procéder à la saisie est signifiée au propriétaire ou au bailleur.
En cas de saisie d'un bien immeuble, la décision dont en outre être signifiée au plus tard dans les 24 heures et être présentée pour transcription au bureau des hypothèques du lieu où les biens sont établis. Le jour de la transcription pris en compte est celui de la signification de la décision de saisie.
La saisie reste valable jusqu'au moment de la décision judiciaire définitive par laquelle soit la confiscation a été prononcée, soit la suppression de la saisie est prononcée. Une suppression de la saisie peut auparavant être accordée à tout moment par le procureur du Roi ou le juge d'instruction, selon le cas.
La personne saisie ne peut intenter le recours qui lui est attribue par les articles 28sexies et l'article 61quater du Code d'instruction criminelle qu'après un délai d'un an à compter de la date de saisie. "
Art.192. In artikel 77bis van dezelfde wet wordt een paragraaf 4ter toegevoegd worden luidend als volgt :
" § 4ter. In de gevallen bedoeld in § 1bis , kunnen de aangetroffen vreemdelingen op beslissing van de minister of de door hem aangewezen ambtenaar die het beleid inzake vreemdelingen in zijn bevoegdheid heeft en dit in overleg met de ter zake bevoegde diensten desgevallend worden opgevangen of gehuisvest. Deze kosten komen ten laste van de verdachte. Wanneer de beklaagde wordt vrijgesproken, worden de kosten ten laste gelegd al naar gelang van de Staat of van het bevoegde OCMW. "
" § 4ter. In de gevallen bedoeld in § 1bis , kunnen de aangetroffen vreemdelingen op beslissing van de minister of de door hem aangewezen ambtenaar die het beleid inzake vreemdelingen in zijn bevoegdheid heeft en dit in overleg met de ter zake bevoegde diensten desgevallend worden opgevangen of gehuisvest. Deze kosten komen ten laste van de verdachte. Wanneer de beklaagde wordt vrijgesproken, worden de kosten ten laste gelegd al naar gelang van de Staat of van het bevoegde OCMW. "
Art.192. Un paragraphe 4ter , rédigé comme suit, est ajouté à l'article 77bis de la même loi :
" § 4ter. Dans les cas visés au § 1erbis , les étrangers découverts peuvent être le cas échéant, accueillis ou relogés sur décision du ministre ou du fonctionnaire désigné par ce ministre qui est compétent pour la politique en matière d'étrangers et ce en concertation avec les services compétents en la matière. Les frais de logement sont à charge du prévenu. Lorsque le prévenu est acquitté, les frais sont mis à la charge, selon le cas, de l'Etat ou du CPAS compétent. "
" § 4ter. Dans les cas visés au § 1erbis , les étrangers découverts peuvent être le cas échéant, accueillis ou relogés sur décision du ministre ou du fonctionnaire désigné par ce ministre qui est compétent pour la politique en matière d'étrangers et ce en concertation avec les services compétents en la matière. Les frais de logement sont à charge du prévenu. Lorsque le prévenu est acquitté, les frais sont mis à la charge, selon le cas, de l'Etat ou du CPAS compétent. "
Art.193. In artikel 77bis , § 5, van dezelfde wet wordt volgende zin toegevoegd :
" Zij kan onder dezelfde voorwaarden ook worden toegepast op het in § 1bis bedoelde onroerend goed, kamers of enige andere ruimte. "
" Zij kan onder dezelfde voorwaarden ook worden toegepast op het in § 1bis bedoelde onroerend goed, kamers of enige andere ruimte. "
Art.193. La phrase suivante est ajoutée à l'article 7bis , § 5, de la même loi :
" Elle peut également être appliquée dans les mêmes circonstances au bien immeuble, aux chambres ou à tout autre espace visés au § 1erbis. "
" Elle peut également être appliquée dans les mêmes circonstances au bien immeuble, aux chambres ou à tout autre espace visés au § 1erbis. "
TITEL XIII. - Wijzigingen van het Wetboek van vennootschappen.
TITRE XIII. - Modifications du Code des sociétés.
Art.194. In artikel 163 van het Wetboek van vennootschappen worden de woorden " de artikelen 157 en 159 " vervangen door de woorden " de artikelen 157 en 160 ".
Art.194. Dans l'article 163, du Code des sociétés, les mots " aux articles 157 et 159 " sont remplacés par les mots " aux articles 157 et 160 ".
Art.195. In artikel 283, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " aan de vennoten " vervangen door de woorden " aan de vennoten, zaakvoerders en commissarissen ".
Art.195. Dans l'article 283, alinéa 2, du même Code, les mots " aux associes " sont remplacés par les mots " aux associés, aux gérants et aux commissaires ".
Art.196. In artikel 290, § 4, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " aan de voorwaarden bepaald in § 2 " vervangen door de woorden " aan de voorwaarden bepaald in § 1 ".
Art.196. Dans l'article 290, § 4, du même Code, les mots " les conditions prévues au § 2 " sont remplacés par les mots " les conditions prévues au § 1er ".
Art.197. In artikel 297, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " door de bestuurders " vervangen door de woorden " door de zaakvoerders ".
Art.197. Dans l'article 297, alinéa 5, du même Code, les mots " à la diligence des administrateurs " sont remplacés par les mots " à la diligence des gérants ".
Art.198. In artikel 299, van hetzelfde Wetboek, worden, in de Nederlandse tekst, de woorden " door de vennoten " vervangen door de woorden " door de obligatiehouders ".
Art.198. Dans le texte néerlandais de l'article 299, du même Code, les mots " door de vennoten " sont remplacés par les mots " door de obligatiehouders ".
Art.199. In artikel 314, 1°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " het kapitaal " vervangen door de woorden " de kapitaalverhoging " en vervallen de woorden " , alsmede voor het eventuele verschil tussen het bedrag bedoeld in artikel 214, en het bedrag van de inschrijvingen ".
Art.199. Dans l'article 314, 1°, du même Code, les mots " du capital " sont remplacés par les mots " de l'augmentation du capital " et les mots " , ainsi que la différence éventuelle entre le montant visé à l'article 214 et le montant des souscriptions " sont supprimés.
Art.200. In artikel 405, 1°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " voor het gedeelte van het kapitaal " vervangen door de woorden " voor geheel het vaste gedeelte van het kapitaal ".
Art.200. Dans l'article 405, 1°, du même Code, les mots " de toute la part du capital " sont remplacés par les mots " de toute la part fixe du capital ".
Art.201. In artikel 424, 1°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " de verhoging van geheel " ingevoegd tussen het woord " voor " en de woorden " het vaste gedeelte van het kapitaal " en vervallen de woorden " , alsmede voor het eventuele verschil tussen het bedrag bedoeld in artikel 390 en het bedrag van de inschrijvingen ".
Art.201. Dans l'article 424, 1°, du même Code, les mots " l'augmentation de " sont insérés entre le mots " de " et les mots " toute la part fixe du capital " et les mots " , ainsi que de la différence éventuelle entre le montant visé à l'article 390 et le montant des souscriptions " sont supprimés.
Art.202. In artikel 553, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervallen de woorden " van de aandeelhouders ".
Art.202. Dans l'article 553, alinéa 2, du même Code, les mots " sont mis à la disposition des actionnaires conformément à l'article 535 " sont remplacés par les mots " sont mis à disposition conformément à l'article 535 ".
Art.203. In artikel 609, § 3, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " in artikelen 106 en 108 " vervangen door de woorden " in artikelen 98 en 100 ".
Art.203. Dans l'article 609, § 3, alinéa 2, du même Code, les mots " aux articles 106 et 108 " sont remplacés par les mots " aux articles 98 et 100 ".
Art.204. In artikel 610, 1°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " het maatschappelijke kapitaal " vervangen door de woorden " de kapitaalverhoging " en vervallen de woorden " , alsmede voor het eventuele verschil tussen het bedrag bedoeld in artikel 439 en het bedrag van de inschrijvingen ".
Art.204. Dans l'article 610, 1°, du même Code, les mots " du capital " sont remplacés par les mots " de l'augmentation du capital " et les mots " , ainsi que la différence éventuelle entre le montant visé à l'article 439 et le montant des souscriptions " sont supprimés.
Art.205. In artikel 873, 2°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " artikel 840, 4° " vervangen door de woorden " artikel 840, 5° ".
Art.205. Dans l'article 873, 2°, du même Code, les mots " articles 840, 4° " sont remplacés par les mots " articles 840, 5° ".
Art.206. Hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een artikel 879, luidende :
" Art. 879. De Commissie voor het Bank- en Financiewezen schrijft de Nationale Bank van België in op de lijst bedoeld in artikel 438, vierde lid, met een vermelding die de aandacht van het publiek vestigt op het feit dat de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen slechts aanvulling van toepassing zijn op de Bank. De statuten van de Bank worden gewijzigd, volgens de procedure bepaald in artikel 36, eerste lid, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, om haar hoedanigheid te vermelden van naamloze vennootschappen die een openbaar beroep op het spaarwezen doet of gedaan heeft. "
" Art. 879. De Commissie voor het Bank- en Financiewezen schrijft de Nationale Bank van België in op de lijst bedoeld in artikel 438, vierde lid, met een vermelding die de aandacht van het publiek vestigt op het feit dat de bepalingen betreffende de naamloze vennootschappen slechts aanvulling van toepassing zijn op de Bank. De statuten van de Bank worden gewijzigd, volgens de procedure bepaald in artikel 36, eerste lid, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, om haar hoedanigheid te vermelden van naamloze vennootschappen die een openbaar beroep op het spaarwezen doet of gedaan heeft. "
Art.206. Le même Code est complété par un article 879, rédigé comme suit :
" Art. 879. La Commission bancaire et financière inscrit la Banque Nationale de Belgique sur la liste visée à l'article 438, alinéa 4, avec une mention attirant l'attention du public sur le fait que les dispositions sur les sociétés anonymes ne s'appliquent à la Banque qu'à titre supplétif. Les statuts de la Banque sont modifies, selon la procédure prévue à l'article 36, alinéa 1er, de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, pour indiquer sa qualité de société anonyme faisant ou ayant fat publiquement appel à l'épargne. "
" Art. 879. La Commission bancaire et financière inscrit la Banque Nationale de Belgique sur la liste visée à l'article 438, alinéa 4, avec une mention attirant l'attention du public sur le fait que les dispositions sur les sociétés anonymes ne s'appliquent à la Banque qu'à titre supplétif. Les statuts de la Banque sont modifies, selon la procédure prévue à l'article 36, alinéa 1er, de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, pour indiquer sa qualité de société anonyme faisant ou ayant fat publiquement appel à l'épargne. "
TITEL XIV. - Inwerkingtreding.
TITRE XIV. - Entrée en vigueur.
Art.207. Deze wet treedt in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van :
- artikel 2, dat uitwerking heeft op 1 juli 2000;
- artikel 3, dat uitwerking heeft op 1 januari 1999;
- de artikelen 4, 7, 8 en 9, die uitwerking hebben op 1 januari 2002;
- (artikelen 31 en 33, die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2002;) <W 2002-12-24/31, art. 254, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
- artikel (37), dat in werking treedt op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
- de artikelen 44 en 47 tot 50, die uitwerking hebben met ingang van3.
Het artikel 45 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2002, behalve ten aanzien van de " Radio-Télévision belge de la Communauté française " voor wie het artikel in werking treedt op van 1 januari 2003;
- de artikelen 51 tot 61, die uitwerking hebben op 1 oktober 2002;
- artikel 62, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2001;
- artikel 66, dat uitwerking heeft met ingang van 1 mei 2002;
- de artikelen 75, 76 en 77, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2001;
- de artikelen 82 tot 89, die in werking treden de eerste dag van het trimester volgend op die gedurende dewelke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt;
- artikel 90, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002;
- de artikelen 104 tot 112 die in werking treden op 1 september 2002;
- artikel 113, dat in werking treedt op 1 oktober 2002;
- de artikelen 115 tot 129, die in werking treden op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. (Nota : de artikelen 128 en 129 treden in werking met ingang van aanslagjaar 2004.)
Elke wijziging die vanaf 26 april 2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van deze wet.
In afwijking van de artikelen 118 en 124, § 3, zullen voor de eerste maal, voor de belastingplichtigen die hun verzoek indienen uiterlijk op een bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde datum, de winst uit zeescheepvaart en de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden, reeds voor het belastbaar tijdperk waarin die datum van indiening zich situeert, kunnen worden vastgesteld aan de hand van de tonnage; (Nota : uiterlijke datum van indiening vastgesteld op 30 juni 2003 door KB 2003-05-07/30, art. 3)
- de artikelen 130, 131, 132 en 133 die uitwerking hebben met ingang van 26 april 2002, wanneer geen enkel recht op aftrek van de BTW geheven van de oprichting of de verkrijging van een gebouw of geheven van de vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op een gebouw voor deze datum is ontstaan;
- artikel 157 dat de uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002;
- de artikelen 186, 187 en 189, die uitwerking hebben op de datum van de inwerkingtreding van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 115 tot 124 vastgesteld op 01-01-2003 door KB 2003-05-07/30, art. 1).
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 125 tot 127 vastgesteld op 09-05-2003 door KB 2003-05-07/30, art. 2).
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 37 vastgesteld op 01-07-2004 door KB 2004-05-11/36, art. 2).
- artikel 2, dat uitwerking heeft op 1 juli 2000;
- artikel 3, dat uitwerking heeft op 1 januari 1999;
- de artikelen 4, 7, 8 en 9, die uitwerking hebben op 1 januari 2002;
- (artikelen 31 en 33, die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2002;) <W 2002-12-24/31, art. 254, 002; Inwerkingtreding : 01-07-2002>
- artikel (37), dat in werking treedt op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
- de artikelen 44 en 47 tot 50, die uitwerking hebben met ingang van3.
Het artikel 45 heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2002, behalve ten aanzien van de " Radio-Télévision belge de la Communauté française " voor wie het artikel in werking treedt op van 1 januari 2003;
- de artikelen 51 tot 61, die uitwerking hebben op 1 oktober 2002;
- artikel 62, dat uitwerking heeft met ingang van 1 oktober 2001;
- artikel 66, dat uitwerking heeft met ingang van 1 mei 2002;
- de artikelen 75, 76 en 77, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 2001;
- de artikelen 82 tot 89, die in werking treden de eerste dag van het trimester volgend op die gedurende dewelke deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt;
- artikel 90, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002;
- de artikelen 104 tot 112 die in werking treden op 1 september 2002;
- artikel 113, dat in werking treedt op 1 oktober 2002;
- de artikelen 115 tot 129, die in werking treden op de datum bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. (Nota : de artikelen 128 en 129 treden in werking met ingang van aanslagjaar 2004.)
Elke wijziging die vanaf 26 april 2002 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van deze wet.
In afwijking van de artikelen 118 en 124, § 3, zullen voor de eerste maal, voor de belastingplichtigen die hun verzoek indienen uiterlijk op een bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde datum, de winst uit zeescheepvaart en de winst uit het beheer van zeeschepen voor rekening van derden, reeds voor het belastbaar tijdperk waarin die datum van indiening zich situeert, kunnen worden vastgesteld aan de hand van de tonnage; (Nota : uiterlijke datum van indiening vastgesteld op 30 juni 2003 door KB 2003-05-07/30, art. 3)
- de artikelen 130, 131, 132 en 133 die uitwerking hebben met ingang van 26 april 2002, wanneer geen enkel recht op aftrek van de BTW geheven van de oprichting of de verkrijging van een gebouw of geheven van de vestiging, overdracht of wederoverdracht van een zakelijk recht op een gebouw voor deze datum is ontstaan;
- artikel 157 dat de uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2002;
- de artikelen 186, 187 en 189, die uitwerking hebben op de datum van de inwerkingtreding van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 115 tot 124 vastgesteld op 01-01-2003 door KB 2003-05-07/30, art. 1).
(NOTA : Inwerkingtreding van artikelen 125 tot 127 vastgesteld op 09-05-2003 door KB 2003-05-07/30, art. 2).
(NOTA : Inwerkingtreding van artikel 37 vastgesteld op 01-07-2004 door KB 2004-05-11/36, art. 2).
Art.207. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge , à l'exception :
- de l'article 2, qui produit ses effets le 1er juillet 2000;
- de l'article 3, qui produit ses effets le 1er janvier 1999;
- des articles 4, 7, 8 et 9, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2002;
- (des articles 31 et 33, qui produisent leurs effets le 1er juillet 2002;) <L 2002-12-24/31, art. 254, 002; En vigueur : 01-07-2002>
- de l'article (37), qui entre en vigueur à la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres;
- les articles 44 et 47 à 50 qui produisent leurs effets le 1er juillet 2002, à l'exception de l'article 46 qui entre en vigueur le 1er janvier 2003.
L'article 45 produit ses effets le 1er juillet 2002, sauf en ce qui concerne la Radio-Telévision belge de la Communauté française, pour laquelle l'article entre en vigueur le 1er janvier 2003;
- des articles 51 à 61, qui entrent en vigueur le 1er octobre 2002;
- de l'article 62, qui produit ses effets le 1er octobre 2001;
- de l'article 66, qui produit ses effets le 1er mai 2002;
- des articles 75, 76 et 77, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2001;
- des articles 82 à 89, qui entrent en vigueur le premier jour du trimestre qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge ;
- de l'article 90, qui produit ses effets le 1er janvier 2002;
- des articles 104 et 112, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2002;
- (de l'article 113, qui produit ses effets le 1er octobre 2001;)
- des articles 115 à 129 qui entrent en vigueur à la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. (Note : les articles 128 et 129 entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2004. Voir AR 2003-05-03/30, art. 1.)
Toute modification apportée à partir du 26 avril 2002 à la date de clôture des comptes annuels reste sans incidence pour l'application de la présente loi.
Par dérogation aux articles 118 et 124, § 3, pour les contribuables qui introduisent leur demande au plus tard à une date déterminée par le Roi, par arrêté délibéré, en Conseil des Ministre, les bénéfices provenant de la navigation maritime et les bénéfices provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers pourront être déterminés en fonction du tonnage pour la première fois déjà pour la période imposable durant laquelle se situe cette date d'introduction; (Note : date limite d'introduction fixée le 30 juin 2003 par AR 2003-05-07/30, art. 3)
- les articles 130, 131, 132 et 133, qui produisent leurs effets le 26 avril 2002, lorsque aucun droit à la déduction de la T.V.A. ayant grevé la construction ou l'acquisition d'un bâtiment ou ayant grevé la constitution, la cession ou la rétrocession d'un droit réel sur un bâtiment, n'a pris naissance avant cette date;
- de l'article 157, qui produit ses effets le 1er janvier 2002;
- des articles 186, 187 et 189, qui entrent en vigueur à la date d'entrée en vigueur de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 115 à 124 fixée le 01-01-2003 par AR 2003-05-07/30, art. 1).
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 125 à 127 fixée le 09-05-2003 par AR 2003-05-07/30, art. 2).
(NOTE : Entrée en vigueur d'article 37 fixée le 01-07-2004 par AR 2004-05-11/36, art. 2).
- de l'article 2, qui produit ses effets le 1er juillet 2000;
- de l'article 3, qui produit ses effets le 1er janvier 1999;
- des articles 4, 7, 8 et 9, qui produisent leurs effets le 1er janvier 2002;
- (des articles 31 et 33, qui produisent leurs effets le 1er juillet 2002;) <L 2002-12-24/31, art. 254, 002; En vigueur : 01-07-2002>
- de l'article (37), qui entre en vigueur à la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres;
- les articles 44 et 47 à 50 qui produisent leurs effets le 1er juillet 2002, à l'exception de l'article 46 qui entre en vigueur le 1er janvier 2003.
L'article 45 produit ses effets le 1er juillet 2002, sauf en ce qui concerne la Radio-Telévision belge de la Communauté française, pour laquelle l'article entre en vigueur le 1er janvier 2003;
- des articles 51 à 61, qui entrent en vigueur le 1er octobre 2002;
- de l'article 62, qui produit ses effets le 1er octobre 2001;
- de l'article 66, qui produit ses effets le 1er mai 2002;
- des articles 75, 76 et 77, qui produisent leurs effets le 1er septembre 2001;
- des articles 82 à 89, qui entrent en vigueur le premier jour du trimestre qui suit celui au cours duquel la présente loi aura été publiée au Moniteur belge ;
- de l'article 90, qui produit ses effets le 1er janvier 2002;
- des articles 104 et 112, qui entrent en vigueur le 1er septembre 2002;
- (de l'article 113, qui produit ses effets le 1er octobre 2001;)
- des articles 115 à 129 qui entrent en vigueur à la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. (Note : les articles 128 et 129 entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 2004. Voir AR 2003-05-03/30, art. 1.)
Toute modification apportée à partir du 26 avril 2002 à la date de clôture des comptes annuels reste sans incidence pour l'application de la présente loi.
Par dérogation aux articles 118 et 124, § 3, pour les contribuables qui introduisent leur demande au plus tard à une date déterminée par le Roi, par arrêté délibéré, en Conseil des Ministre, les bénéfices provenant de la navigation maritime et les bénéfices provenant de la gestion de navires pour le compte de tiers pourront être déterminés en fonction du tonnage pour la première fois déjà pour la période imposable durant laquelle se situe cette date d'introduction; (Note : date limite d'introduction fixée le 30 juin 2003 par AR 2003-05-07/30, art. 3)
- les articles 130, 131, 132 et 133, qui produisent leurs effets le 26 avril 2002, lorsque aucun droit à la déduction de la T.V.A. ayant grevé la construction ou l'acquisition d'un bâtiment ou ayant grevé la constitution, la cession ou la rétrocession d'un droit réel sur un bâtiment, n'a pris naissance avant cette date;
- de l'article 157, qui produit ses effets le 1er janvier 2002;
- des articles 186, 187 et 189, qui entrent en vigueur à la date d'entrée en vigueur de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 115 à 124 fixée le 01-01-2003 par AR 2003-05-07/30, art. 1).
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 125 à 127 fixée le 09-05-2003 par AR 2003-05-07/30, art. 2).
(NOTE : Entrée en vigueur d'article 37 fixée le 01-07-2004 par AR 2004-05-11/36, art. 2).
TITEL XV. [1 - Overgangsbepalingen.]1
TITRE XV. [1 - Dispositions transitoires.]1
Art. 208. [1 Voor de toepassing van de artikelen 115 tot 120 of 124, wordt het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Economische Ruimte tot aan het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk dat ten laatste afsluit op 31 december 2020.
Wanneer het belastbaar tijdperk niet overeenstemt met het kalenderjaar, in het geval de belastingplichtige ten gevolge van het verlaten van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Economische Ruimte, niet langer voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 2.2, tweede lid of in punt 3.1, leden 8 en 9, van de Mededeling C(2004) 43 van de Commissie - Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer, is de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage overeenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 niet van toepassing voor het volledige belastbaar tijdperk.]1
Wanneer het belastbaar tijdperk niet overeenstemt met het kalenderjaar, in het geval de belastingplichtige ten gevolge van het verlaten van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Economische Ruimte, niet langer voldoet aan de voorwaarden vermeld in punt 2.2, tweede lid of in punt 3.1, leden 8 en 9, van de Mededeling C(2004) 43 van de Commissie - Communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer, is de forfaitaire belasting aan de hand van de tonnage overeenkomstig de artikelen 115 tot 120 of 124 niet van toepassing voor het volledige belastbaar tijdperk.]1
Art. 208. [1 Pour l'application des articles 115 à 120 ou 124, le Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord est assimilé à un Etat membre de l'Espace économique européen jusqu'à l'exercice d'imposition afférant à la période imposable se clôturant au plus tard le 31 décembre 2020.
Lorsque la période imposable ne correspond pas à l'année civile, dans le cas où le contribuable, suite au retrait du le Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord de l'Espace économique européen, ne répond plus en cours de période aux conditions mentionnées au point 2.2, alinéa 2, ou au point 3.1, alinéas 8 et 9, de la Communication C(2004) 43 de la Commission - Orientations communautaires sur les aides d'Etat au transport maritime, la taxation forfaitaire en fonction du tonnage conformément aux articles 115 à 120 ou 124, n'est pas applicable pour toute la période imposable concernée.]1
Lorsque la période imposable ne correspond pas à l'année civile, dans le cas où le contribuable, suite au retrait du le Royaume-Uni de Grande-Bretagne et d'Irlande du Nord de l'Espace économique européen, ne répond plus en cours de période aux conditions mentionnées au point 2.2, alinéa 2, ou au point 3.1, alinéas 8 et 9, de la Communication C(2004) 43 de la Commission - Orientations communautaires sur les aides d'Etat au transport maritime, la taxation forfaitaire en fonction du tonnage conformément aux articles 115 à 120 ou 124, n'est pas applicable pour toute la période imposable concernée.]1