Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
13 JULI 2001. - Bijzondere wet tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten.
Titre
13 JUILLET 2001. - Loi spéciale portant refinancement des communautés et extension des compétences fiscales des régions.
Informations sur le document
Numac: 2001021379
Datum: 2001-07-13
Info du document
Numac: 2001021379
Date: 2001-07-13
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de bijzondere w...
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de bijzondere ...
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de bijzondere wet...
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van de bijzondere we...
HOOFDSTUK VI. - Diverse en overgangsbepalingen.
Inwerkingtreding.
Table des matières
CHAPITRE I. - Disposition générale.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi spéciale...
CHAPITRE III. - Modifications de la loi spécial...
CHAPITRE IV. - Modification de la loi spéciale ...
CHAPITRE V. - Modifications de la loi spéciale ...
CHAPITRE VI. - Dispositions diverses et transit...
Entrée en vigueur.
Tekst (65)
Texte (65)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE I. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions.
Art.2. In artikel 1, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punt 1°bis wordt opgeheven;
2° er wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
" 2°bis. een dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld; ".
1° punt 1°bis wordt opgeheven;
2° er wordt een 2°bis ingevoegd, luidende :
" 2°bis. een dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld; ".
Art.2. A l'article 1er, § 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993 visant à achever la structure fédérale de l'Etat, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 1°bis est abrogé;
2° il est inséré un 2°bis, rédigé comme suit :
" 2°bis. Une dotation compensatoire de la redevance radio et télévision; ".
1° le 1°bis est abrogé;
2° il est inséré un 2°bis, rédigé comme suit :
" 2°bis. Une dotation compensatoire de la redevance radio et télévision; ".
Art.3. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 1bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 1bis. De uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet en van de federale overheid wordt geregeld bij een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. ".
" Artikel 1bis. De uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet en van de federale overheid wordt geregeld bij een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. ".
Art.3. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 1erbis, rédigé comme suit :
" Article 1erbis. L'échange d'informations dans le cadre de l'exercice des compétences fiscales des régions visées dans la présente loi et de l'autorité fédérale est réglé par un accord de coopération visé à l'article 92bis, § 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles. ".
" Article 1erbis. L'échange d'informations dans le cadre de l'exercice des compétences fiscales des régions visées dans la présente loi et de l'autorité fédérale est réglé par un accord de coopération visé à l'article 92bis, § 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles. ".
Art.4. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 1ter ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 1ter. De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet gebeurt met inachtname van het principe van vermijding van dubbele belasting.
Bij een door het gewest gegrond geacht verzoek houdende vermijding van dubbele belasting treedt dit gewest in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid vermelde principe ongedaan te maken. ".
" Artikel 1ter. De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet gebeurt met inachtname van het principe van vermijding van dubbele belasting.
Bij een door het gewest gegrond geacht verzoek houdende vermijding van dubbele belasting treedt dit gewest in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid vermelde principe ongedaan te maken. ".
Art.4. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 1erter, rédigé comme suit :
" Article 1erter. L'exercice des compétences fiscales des régions visées dans la présente loi s'opère dans le respect du principe visant à éviter la double imposition.
En cas de demande visant à prévenir la double imposition, jugée fondée par la région, cette région se concerte avec les autres autorités concernées en vue de remédier à l'imposition contraire au principe évoqué à l'alinéa 1. ".
" Article 1erter. L'exercice des compétences fiscales des régions visées dans la présente loi s'opère dans le respect du principe visant à éviter la double imposition.
En cas de demande visant à prévenir la double imposition, jugée fondée par la région, cette région se concerte avec les autres autorités concernées en vue de remédier à l'imposition contraire au principe évoqué à l'alinéa 1. ".
Art.5. Artikel 3 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" Art. 3. Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen :
1° de belasting op de spelen en weddenschappen;
2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
4° het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
5° de onroerende voorheffing;
6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
7° het registratierecht op :
a) de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;
b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
9° het kijk- en luistergeld;
10° de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
11° de belasting op de inverkeerstelling;
12° het eurovignet.
Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11. ".
" Art. 3. Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen :
1° de belasting op de spelen en weddenschappen;
2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
4° het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
5° de onroerende voorheffing;
6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
7° het registratierecht op :
a) de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;
b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
9° het kijk- en luistergeld;
10° de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
11° de belasting op de inverkeerstelling;
12° het eurovignet.
Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11. ".
Art.5. L'article 3 de la même loi spéciale, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 3. Les impôts suivants sont des impôts régionaux :
1° la taxe sur les jeux et paris;
2° la taxe sur les appareils automatiques de divertissement;
3° la taxe d'ouverture de débits de boissons fermentées;
4° les droits de succession d'habitants du Royaume et les droits de mutation par décès de non-habitants du Royaume;
5° le précompte immobilier;
6° les droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique, à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport dans une société, sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, fait par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation;
7° les droits d'enregistrement sur :
a) la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique;
b) les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux articles 745quater et 745quinquies du Code civil, même s'il n'y a pas indivision;
8° les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles;
9° la redevance radio et télévision;
10° la taxe de circulation sur les véhicules automobiles;
11° la taxe de mise en circulation;
12° l'eurovignette.
Ces impôts sont soumis aux dispositions des articles 4, 5, 8 et 11. ".
" Art. 3. Les impôts suivants sont des impôts régionaux :
1° la taxe sur les jeux et paris;
2° la taxe sur les appareils automatiques de divertissement;
3° la taxe d'ouverture de débits de boissons fermentées;
4° les droits de succession d'habitants du Royaume et les droits de mutation par décès de non-habitants du Royaume;
5° le précompte immobilier;
6° les droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique, à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport dans une société, sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, fait par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation;
7° les droits d'enregistrement sur :
a) la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique;
b) les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux articles 745quater et 745quinquies du Code civil, même s'il n'y a pas indivision;
8° les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles;
9° la redevance radio et télévision;
10° la taxe de circulation sur les véhicules automobiles;
11° la taxe de mise en circulation;
12° l'eurovignette.
Ces impôts sont soumis aux dispositions des articles 4, 5, 8 et 11. ".
Art.6. Artikel 4 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" Art. 4. § 1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.
§ 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 4. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 12°, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert. ".
" Art. 4. § 1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.
§ 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 4. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 12°, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
§ 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert. ".
Art.6. L'article 4 de la même loi spéciale, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 4. § 1er. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 4° et 6° à 9°.
§ 2. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 5°. Elles ne peuvent toutefois modifier le revenu cadastral fédéral. La gestion conjointe des données de la documentation patrimoniale s'effectue par la voie d'un accord de coopération au sens de l'article 92bis, § 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 3. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10° et 11°. Dans le cas où le redevable de ces impôts est une société, au sens de la loi du 7 mai 1999 portant le Code des sociétés, une entreprise publique autonome ou une association sans but lucratif à activités de leasing, l'exercice de ces compétences est subordonné à la conclusion préalable d'un accord de coopération entre les trois régions au sens de l'article 92bis, § 2, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 4. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 12°. Pour les véhicules qui sont immatriculés à l'étranger, l'exercice de ces compétences est subordonné à la conclusion préalable d'un accord de coopération entre les trois régions, au sens de l'article 92bis, § 2, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 5. Le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris après concertation avec les gouvernements des régions concernées, l'attribution des intérêts de retard, la charge des intérêts moratoires ainsi que l'attribution des amendes fiscales fixes et proportionnelles sur les impôts visés à l'article 3, tant que l'autorité fédérale assure le service de ces impôts. ".
" Art. 4. § 1er. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 4° et 6° à 9°.
§ 2. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 5°. Elles ne peuvent toutefois modifier le revenu cadastral fédéral. La gestion conjointe des données de la documentation patrimoniale s'effectue par la voie d'un accord de coopération au sens de l'article 92bis, § 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 3. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10° et 11°. Dans le cas où le redevable de ces impôts est une société, au sens de la loi du 7 mai 1999 portant le Code des sociétés, une entreprise publique autonome ou une association sans but lucratif à activités de leasing, l'exercice de ces compétences est subordonné à la conclusion préalable d'un accord de coopération entre les trois régions au sens de l'article 92bis, § 2, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 4. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 12°. Pour les véhicules qui sont immatriculés à l'étranger, l'exercice de ces compétences est subordonné à la conclusion préalable d'un accord de coopération entre les trois régions, au sens de l'article 92bis, § 2, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
§ 5. Le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris après concertation avec les gouvernements des régions concernées, l'attribution des intérêts de retard, la charge des intérêts moratoires ainsi que l'attribution des amendes fiscales fixes et proportionnelles sur les impôts visés à l'article 3, tant que l'autorité fédérale assure le service de ces impôts. ".
Art.7. In artikel 5 van dezelfde bijzondere wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" § 1. De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie. ";
2° § 2, 4°, wordt vervangen als volgt :
" 4° - het successierecht van rijksinwoners : op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was : op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
- het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners : in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is; ";
3° § 2, 6°, wordt vervangen als volgt :
" 6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.
Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is; ";
4° § 2, 7°, wordt vervangen als volgt :
" 7° - het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
- het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is; ";
5° § 2 wordt aangevuld als volgt :
" 8° - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner : op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in België gelegen was : op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
- het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
9° het kijk- en luistergeld : op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;
10° de verkeersbelasting : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in België geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in België;
11° de belasting op de inverkeerstelling : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
12° het eurovignet : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan België die deelnemen aan het eurovignetsysteem : worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is. ";
6° § 2bis, ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt opgeheven;
7° § 3, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" § 3. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12° bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden :
- de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;
- de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12° bedoelde belastingen.
De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.
Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord. ";
8° er wordt een § 3bis ingevoegd, luidende als volgt :
" § 3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen. ";
9° § 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren ".
1° § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" § 1. De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie. ";
2° § 2, 4°, wordt vervangen als volgt :
" 4° - het successierecht van rijksinwoners : op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was : op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
- het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners : in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is; ";
3° § 2, 6°, wordt vervangen als volgt :
" 6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.
Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is; ";
4° § 2, 7°, wordt vervangen als volgt :
" 7° - het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
- het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is; ";
5° § 2 wordt aangevuld als volgt :
" 8° - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner : op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in België gelegen was : op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
- het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
9° het kijk- en luistergeld : op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;
10° de verkeersbelasting : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in België geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in België;
11° de belasting op de inverkeerstelling : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
12° het eurovignet : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan België die deelnemen aan het eurovignetsysteem : worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is. ";
6° § 2bis, ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt opgeheven;
7° § 3, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" § 3. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12° bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden :
- de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;
- de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;
- de in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12° bedoelde belastingen.
De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.
Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord. ";
8° er wordt een § 3bis ingevoegd, luidende als volgt :
" § 3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen. ";
9° § 4 wordt vervangen als volgt :
" § 4. De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren ".
Art.7. A l'article 5 de la même loi spéciale, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les impôts visés à l'article 3 sont attribués aux régions en fonction de leur localisation. ".
2° le § 2, 4°, est remplacé par la disposition suivante :
" 4° - les droits de succession des habitants du Royaume : à l'endroit où le défunt avait son domicile fiscal au moment de son décès. Si le défunt a eu son domicile fiscal dans plus d'un endroit en Belgique au cours de la période de cinq ans précédant son décès : à l'endroit de la Belgique où son domicile fiscal a été établi le plus longtemps pendant ladite période;
- les droits de mutation par décès des non-habitants du Royaume : dans la région où les biens sont situés; s'ils sont situés dans plusieurs régions, dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé; ";
3° le § 2, 6°, est remplacé par la disposition suivante :
" 6° les droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport en société sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation : à l'endroit où le bien immeuble est situé.
Si en cas d'échange des biens immeubles sont situés dans plusieurs régions : dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé; ";
4° le § 2, 7°, est remplacé par la disposition suivante :
" 7° - les droits d'enregistrement sur la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique : à l'endroit où le bien immeuble est situé. Si, par un même acte, les biens immeubles sont situés dans plus d'une région : dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé;
- les droits d'enregistrement sur les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux articles 745quater et 745quinquies du Code civil, même s'il n'y a pas indivision : à l'endroit ou le bien immeuble est situé; ";
5° le § 2 est complété comme suit :
" 8° - les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles faites par un habitant du Royaume : à l'endroit où le donateur a son domicile fiscal au moment de la donation. Si le domicile fiscal du donateur était établi à plusieurs endroits en Belgique au cours de la période de cinq ans précédant la donation : à l'endroit en Belgique où son domicile fiscal a été établi le plus longtemps au cours de ladite période;
- les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens immeubles situés en Belgique faites par un non-habitant du Royaume : à l'endroit où est situé le bien immeuble;
9° la redevance radio et télévision : à l'endroit où l'appareil de télévision est détenu et, en ce qui concerne les appareils à bord de véhicules automobiles, à l'endroit où le détenteur de l'appareil est établi;
10° la taxe de circulation : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé.
Lorsque le redevable, personne physique ou personne morale, n'a pas en Belgique de domicile ou de siège social, la taxe est réputée localisée au lieu de sa résidence ou de son principal établissement en Belgique;
11° la taxe de mise en circulation : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé;
12° l'eurovignette : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé.
La part de l'eurovignette afférente aux véhicules munis d'un signe d'immatriculation attribué par les autorités de pays autres que les Etats membres participant au système eurovignette, qui est attribuée à la Belgique et la part de l'eurovignette afférente aux véhicules munis d'un signe d'immatriculation attribué par les autorités d'autres Etats membres que la Belgique participant au système eurovignette : sont réputées être localisées dans chacune des régions en fonction de la part de chacune des régions dans le réseau routier imposable comme il est prévu dans l'arrêté royal du 8 septembre 1997 désignant le réseau routier sur lequel l'eurovignette est applicable. ";
6° le § 2bis, inséré par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est abrogé;
7° le § 3, remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. A moins que la région n'en décide autrement, l'Etat assure gratuitement dans le respect des règles de procédure qu'il fixe, le service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, pour le compte de la région et en concertation avec celle-ci. A partir de la deuxième année budgétaire suivant la date de notification du gouvernement de région au gouvernement fédéral de la décision d'assurer elle-même le service des impôts concernés, la région concernée assure le service de ces impôts. Le transfert du service des impôts à une région peut se faire uniquement par groupe d'impôts :
- les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 3°;
- l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 5°;
- les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 4° et 6° à 8°;
- les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10° à 12°.
Les régions assurent au moins jusqu'au 31 décembre 2003 inclus le service des impôts qu'elles assuraient déjà avant l'entrée en vigueur de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant refinancement des communautés et extension des compétences fiscales des régions.
Tant que l'autorité fédérale assure le service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, la procédure de concertation relative à l'applicabilité technique des modifications projetées concernant les impôts régionaux susvisés est fixée dans l'accord de coopération visé à l'article 1erbis. ";
8° un § 3bis, rédigé comme suit, est inséré :
" § 3bis. A moins que la région n'en décide autrement, les communautés assurent, jusqu'au 31 décembre 2004 inclus, dans le respect des règles de procédure fixées par l'Etat le service de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 9°, pour le compte des régions et en concertation avec celles-ci. Les gouvernements de communauté et de région concluent une convention pour déterminer les frais de perception. ";
9° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Les régions sont compétentes pour fixer les règles de procédure administratives concernant les impôts visés à l'article 3 à compter de l'année budgétaire à partir de laquelle elles assurent le service des impôts ".
1° le § 1er, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les impôts visés à l'article 3 sont attribués aux régions en fonction de leur localisation. ".
2° le § 2, 4°, est remplacé par la disposition suivante :
" 4° - les droits de succession des habitants du Royaume : à l'endroit où le défunt avait son domicile fiscal au moment de son décès. Si le défunt a eu son domicile fiscal dans plus d'un endroit en Belgique au cours de la période de cinq ans précédant son décès : à l'endroit de la Belgique où son domicile fiscal a été établi le plus longtemps pendant ladite période;
- les droits de mutation par décès des non-habitants du Royaume : dans la région où les biens sont situés; s'ils sont situés dans plusieurs régions, dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé; ";
3° le § 2, 6°, est remplacé par la disposition suivante :
" 6° les droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport en société sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation : à l'endroit où le bien immeuble est situé.
Si en cas d'échange des biens immeubles sont situés dans plusieurs régions : dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé; ";
4° le § 2, 7°, est remplacé par la disposition suivante :
" 7° - les droits d'enregistrement sur la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique : à l'endroit où le bien immeuble est situé. Si, par un même acte, les biens immeubles sont situés dans plus d'une région : dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé;
- les droits d'enregistrement sur les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux articles 745quater et 745quinquies du Code civil, même s'il n'y a pas indivision : à l'endroit ou le bien immeuble est situé; ";
5° le § 2 est complété comme suit :
" 8° - les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles faites par un habitant du Royaume : à l'endroit où le donateur a son domicile fiscal au moment de la donation. Si le domicile fiscal du donateur était établi à plusieurs endroits en Belgique au cours de la période de cinq ans précédant la donation : à l'endroit en Belgique où son domicile fiscal a été établi le plus longtemps au cours de ladite période;
- les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens immeubles situés en Belgique faites par un non-habitant du Royaume : à l'endroit où est situé le bien immeuble;
9° la redevance radio et télévision : à l'endroit où l'appareil de télévision est détenu et, en ce qui concerne les appareils à bord de véhicules automobiles, à l'endroit où le détenteur de l'appareil est établi;
10° la taxe de circulation : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé.
Lorsque le redevable, personne physique ou personne morale, n'a pas en Belgique de domicile ou de siège social, la taxe est réputée localisée au lieu de sa résidence ou de son principal établissement en Belgique;
11° la taxe de mise en circulation : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé;
12° l'eurovignette : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé.
La part de l'eurovignette afférente aux véhicules munis d'un signe d'immatriculation attribué par les autorités de pays autres que les Etats membres participant au système eurovignette, qui est attribuée à la Belgique et la part de l'eurovignette afférente aux véhicules munis d'un signe d'immatriculation attribué par les autorités d'autres Etats membres que la Belgique participant au système eurovignette : sont réputées être localisées dans chacune des régions en fonction de la part de chacune des régions dans le réseau routier imposable comme il est prévu dans l'arrêté royal du 8 septembre 1997 désignant le réseau routier sur lequel l'eurovignette est applicable. ";
6° le § 2bis, inséré par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est abrogé;
7° le § 3, remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. A moins que la région n'en décide autrement, l'Etat assure gratuitement dans le respect des règles de procédure qu'il fixe, le service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, pour le compte de la région et en concertation avec celle-ci. A partir de la deuxième année budgétaire suivant la date de notification du gouvernement de région au gouvernement fédéral de la décision d'assurer elle-même le service des impôts concernés, la région concernée assure le service de ces impôts. Le transfert du service des impôts à une région peut se faire uniquement par groupe d'impôts :
- les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 3°;
- l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 5°;
- les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 4° et 6° à 8°;
- les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10° à 12°.
Les régions assurent au moins jusqu'au 31 décembre 2003 inclus le service des impôts qu'elles assuraient déjà avant l'entrée en vigueur de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant refinancement des communautés et extension des compétences fiscales des régions.
Tant que l'autorité fédérale assure le service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, la procédure de concertation relative à l'applicabilité technique des modifications projetées concernant les impôts régionaux susvisés est fixée dans l'accord de coopération visé à l'article 1erbis. ";
8° un § 3bis, rédigé comme suit, est inséré :
" § 3bis. A moins que la région n'en décide autrement, les communautés assurent, jusqu'au 31 décembre 2004 inclus, dans le respect des règles de procédure fixées par l'Etat le service de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 9°, pour le compte des régions et en concertation avec celles-ci. Les gouvernements de communauté et de région concluent une convention pour déterminer les frais de perception. ";
9° le § 4 est remplacé par la disposition suivante :
" § 4. Les régions sont compétentes pour fixer les règles de procédure administratives concernant les impôts visés à l'article 3 à compter de l'année budgétaire à partir de laquelle elles assurent le service des impôts ".
Art.8. Titel IIIbis van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt opgeheven.
Art.8. Le titre IIIbis de la même loi spéciale, inséré par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est abrogé.
Art.9. In artikel 6, § 2, eerste lid, van dezelfde bijzondere wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, opcentiemen kunnen heffen respectievelijk kortingen kunnen toestaan die beide worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn en voorzover deze verminderingen het bedrag van de toegewezen opbrengst niet overschrijden. Die opcentiemen of kortingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting. ";
2° er wordt een 4° toegevoegd, luidend als volgt :
" 4° en waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen kunnen invoeren die verbonden zijn aan de bevoegdheden van de gewesten. Die algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting. De belastingverminderingen nemen de vorm aan van een aftrek ten aanzien van de verschuldigde personenbelasting en niet de vorm van een vermindering van de belastinggrondslag. De belastingvermeerderingen nemen de vorm aan van een verhoging ten opzichte van de verschuldigde personenbelasting en niet die van een verhoging van de belastbare grondslag. ".
1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
" 3° waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, opcentiemen kunnen heffen respectievelijk kortingen kunnen toestaan die beide worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn en voorzover deze verminderingen het bedrag van de toegewezen opbrengst niet overschrijden. Die opcentiemen of kortingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting. ";
2° er wordt een 4° toegevoegd, luidend als volgt :
" 4° en waarop de gewesten, op basis van de lokalisatie van die belastingen, algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen kunnen invoeren die verbonden zijn aan de bevoegdheden van de gewesten. Die algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen worden niet in aanmerking genomen bij het vaststellen van de grondslag voor de berekening van de aanvullende gemeentebelasting. De belastingverminderingen nemen de vorm aan van een aftrek ten aanzien van de verschuldigde personenbelasting en niet de vorm van een vermindering van de belastinggrondslag. De belastingvermeerderingen nemen de vorm aan van een verhoging ten opzichte van de verschuldigde personenbelasting en niet die van een verhoging van de belastbare grondslag. ".
Art.9. A l'article 6, § 2, alinéa 1er, de la même loi spéciale, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° et sur lequel les régions sont autorisées, sur la base de la localisation de ces impôts, à percevoir des centimes additionnels et à accorder des réductions d'impôt applicables à toutes personnes soumises à l'impôt des personnes physiques et pour autant que ces réductions ne dépassent pas le montant du produit attribué. Ces centimes additionnels ou ces réductions d'impôt n'entrent pas en ligne de compte pour déterminer la base de calcul de la taxe communale additionnelle. ";
2° il est ajouté un 4° rédigé comme suit :
" 4° et sur lequel les régions sont autorisées, sur la base de la localisation de ces impôts, à mettre en oeuvre des réductions et des augmentations fiscales générales, liées aux compétences des régions. Ces réductions ou augmentations générales d'impôt n'entrent pas en ligne de compte pour déterminer la base de calcul de la taxe communale additionnelle. Les réductions d'impôt prennent la forme d'une déduction par rapport à l'impôt des personnes physiques dû et non la forme d'une réduction de la base imposable. Les majorations d'impôt prennent la forme d'une majoration par rapport à l'impôt des personnes physiques dû et non celle d'une augmentation de la base imposable. ".
1° le 3° est remplacé par la disposition suivante :
" 3° et sur lequel les régions sont autorisées, sur la base de la localisation de ces impôts, à percevoir des centimes additionnels et à accorder des réductions d'impôt applicables à toutes personnes soumises à l'impôt des personnes physiques et pour autant que ces réductions ne dépassent pas le montant du produit attribué. Ces centimes additionnels ou ces réductions d'impôt n'entrent pas en ligne de compte pour déterminer la base de calcul de la taxe communale additionnelle. ";
2° il est ajouté un 4° rédigé comme suit :
" 4° et sur lequel les régions sont autorisées, sur la base de la localisation de ces impôts, à mettre en oeuvre des réductions et des augmentations fiscales générales, liées aux compétences des régions. Ces réductions ou augmentations générales d'impôt n'entrent pas en ligne de compte pour déterminer la base de calcul de la taxe communale additionnelle. Les réductions d'impôt prennent la forme d'une déduction par rapport à l'impôt des personnes physiques dû et non la forme d'une réduction de la base imposable. Les majorations d'impôt prennent la forme d'une majoration par rapport à l'impôt des personnes physiques dû et non celle d'une augmentation de la base imposable. ".
Art.10. Artikel 7, § 2, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet, wordt vervangen als volgt :
" Onder ontvangsten inzake personenbelasting wordt verstaan het bedrag van de globale belasting Staat voor het laatste aanslagjaar vastgesteld bij het verstrijken van de heffingstermijn, bepaald in artikel 359 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992. De globale belasting Staat is de belasting vr toepassing van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, bedoelde opcentiemen en kortingen, van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen en van de in artikel 9, § 2, bedoelde aanvullende belastingen en opcentiemen. ".
" Onder ontvangsten inzake personenbelasting wordt verstaan het bedrag van de globale belasting Staat voor het laatste aanslagjaar vastgesteld bij het verstrijken van de heffingstermijn, bepaald in artikel 359 van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992. De globale belasting Staat is de belasting vr toepassing van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, bedoelde opcentiemen en kortingen, van de in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen en van de in artikel 9, § 2, bedoelde aanvullende belastingen en opcentiemen. ".
Art.10. L'article 7, § 2, alinéa 2, de la même loi spéciale est remplacé par l'alinéa suivant :
" Par recettes de l'impôt des personnes physiques, on entend le montant de l'impôt global de l'Etat pour le dernier exercice d'imposition constaté à l'expiration du délai de taxation, fixé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992. L'impôt global de l'Etat est l'impôt avant application des centimes additionnels et des réductions d'impôt visés à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 3°, des réductions et des augmentations générales d'impôt visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 4°, et des taxes ou centimes additionnels visés à l'article 9, § 2. ".
" Par recettes de l'impôt des personnes physiques, on entend le montant de l'impôt global de l'Etat pour le dernier exercice d'imposition constaté à l'expiration du délai de taxation, fixé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992. L'impôt global de l'Etat est l'impôt avant application des centimes additionnels et des réductions d'impôt visés à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 3°, des réductions et des augmentations générales d'impôt visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 4°, et des taxes ou centimes additionnels visés à l'article 9, § 2. ".
Art.11. Artikel 9, § 1, van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt :
" § 1. De invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, opcentiemen of kortingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3° en 4°, wordt door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen.
De overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.
Voor het totaal van de in het eerste lid bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen geldt een globaal maximumpercentage. Dit maximumpercentage bedraagt 3,25 % vanaf 1 januari 2001 en 6,75 % vanaf 1 januari 2004 van de in elk gewest gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting zoals bedoeld in artikel 7, § 2. Zonder dit maximumpercentage te overschrijden kunnen de gewesten :
1° algemene procentuele opcentiemen en algemene forfaitaire dan wel procentuele kortingen, al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf, invoeren;
2° algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen toestaan zoals bepaald in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°.
De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, de opcentiemen of kortingen gebeurt zonder vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting en met uitsluiting van deloyale fiscale concurrentie. Het principe van de progressiviteit wordt begrepen als volgt : naarmate het belastbaar inkomen stijgt, mag, naargelang het geval, de verhouding tussen het bedrag van de aftrek tot de verschuldigde personenbelasting voor aftrek niet toenemen of de verhouding tussen het bedrag van de verhoging tot de verschuldigde personenbelasting voor verhoging niet afnemen.
De afrekeningsmodaliteiten van de toepassing van algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen worden, na voorafgaandelijk overleg met de gewestregeringen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. ".
" § 1. De invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, opcentiemen of kortingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3° en 4°, wordt door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen.
De overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de invoering van algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.
Voor het totaal van de in het eerste lid bedoelde algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen geldt een globaal maximumpercentage. Dit maximumpercentage bedraagt 3,25 % vanaf 1 januari 2001 en 6,75 % vanaf 1 januari 2004 van de in elk gewest gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting zoals bedoeld in artikel 7, § 2. Zonder dit maximumpercentage te overschrijden kunnen de gewesten :
1° algemene procentuele opcentiemen en algemene forfaitaire dan wel procentuele kortingen, al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf, invoeren;
2° algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen toestaan zoals bepaald in artikel 6, § 2, eerste lid, 4°.
De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de algemene belastingverminderingen of -vermeerderingen, de opcentiemen of kortingen gebeurt zonder vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting en met uitsluiting van deloyale fiscale concurrentie. Het principe van de progressiviteit wordt begrepen als volgt : naarmate het belastbaar inkomen stijgt, mag, naargelang het geval, de verhouding tussen het bedrag van de aftrek tot de verschuldigde personenbelasting voor aftrek niet toenemen of de verhouding tussen het bedrag van de verhoging tot de verschuldigde personenbelasting voor verhoging niet afnemen.
De afrekeningsmodaliteiten van de toepassing van algemene belastingverminderingen en -vermeerderingen, opcentiemen en kortingen worden, na voorafgaandelijk overleg met de gewestregeringen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. ".
Art.11. L'article 9, § 1er, de la même loi spéciale est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. L'instauration de réductions ou d'augmentations générales d'impôt, de centimes additionnels ou de réductions d'impôt, visés à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 3° et 4°, est préalablement communiquée par le gouvernement de région concerné au gouvernement fédéral ainsi qu'aux autres gouvernements de région.
La procédure de concertation concernant l'applicabilité technique de l'instauration de réductions ou d' augmentations générales d'impôt, visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 4°, est fixée dans l'accord de coopération visé à l'article 1erbis.
Un pourcentage global maximal est appliqué au total des réductions et des augmentations générales d'impôt, des centimes additionnels et des réductions d'impôt visés à l'alinéa 1. A partir du 1er janvier 2001, ce pourcentage maximal s'élève à 3,25 % et à 6,75 % à partir du 1er janvier 2004, du produit de l'impôt des personnes physiques visé à l'article 7, § 2, qui est localisé dans chaque région. Sans dépasser ce pourcentage maximal, les régions peuvent :
1° instaurer des centimes additionnels proportionnels généraux et des réductions d'impôt générales, forfaitaires ou proportionnelles, différenciés ou non par tranches de l'impôt;
2° accorder des réductions et des augmentations générales d'impôts comme il est prévu à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 4°.
Les régions exercent leurs compétences en matière de réductions ou augmentations fiscales générales, de centimes additionnels ou de réductions d'impôt sans réduire la progressivité de l'impôt des personnes physiques et à l'exclusion de toute concurrence fiscale déloyale. Le principe de progressivité doit être compris comme suit : à mesure que le revenu imposable augmente, le rapport entre le montant de la réduction et celui de l'impôt des personnes physiques dû, avant réduction, ne peut augmenter ou, selon le cas, le rapport entre le montant de l'augmentation et celui de l'impôt des personnes physiques dû, avant augmentation, ne peut diminuer.
Les modalités de décompte de l'application des réductions et des augmentations générales d'impôt, des centimes additionnels et des réductions d'impôt sont réglées par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres après concertation préalable avec les gouvernements de région. ".
" § 1er. L'instauration de réductions ou d'augmentations générales d'impôt, de centimes additionnels ou de réductions d'impôt, visés à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 3° et 4°, est préalablement communiquée par le gouvernement de région concerné au gouvernement fédéral ainsi qu'aux autres gouvernements de région.
La procédure de concertation concernant l'applicabilité technique de l'instauration de réductions ou d' augmentations générales d'impôt, visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 4°, est fixée dans l'accord de coopération visé à l'article 1erbis.
Un pourcentage global maximal est appliqué au total des réductions et des augmentations générales d'impôt, des centimes additionnels et des réductions d'impôt visés à l'alinéa 1. A partir du 1er janvier 2001, ce pourcentage maximal s'élève à 3,25 % et à 6,75 % à partir du 1er janvier 2004, du produit de l'impôt des personnes physiques visé à l'article 7, § 2, qui est localisé dans chaque région. Sans dépasser ce pourcentage maximal, les régions peuvent :
1° instaurer des centimes additionnels proportionnels généraux et des réductions d'impôt générales, forfaitaires ou proportionnelles, différenciés ou non par tranches de l'impôt;
2° accorder des réductions et des augmentations générales d'impôts comme il est prévu à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 4°.
Les régions exercent leurs compétences en matière de réductions ou augmentations fiscales générales, de centimes additionnels ou de réductions d'impôt sans réduire la progressivité de l'impôt des personnes physiques et à l'exclusion de toute concurrence fiscale déloyale. Le principe de progressivité doit être compris comme suit : à mesure que le revenu imposable augmente, le rapport entre le montant de la réduction et celui de l'impôt des personnes physiques dû, avant réduction, ne peut augmenter ou, selon le cas, le rapport entre le montant de l'augmentation et celui de l'impôt des personnes physiques dû, avant augmentation, ne peut diminuer.
Les modalités de décompte de l'application des réductions et des augmentations générales d'impôt, des centimes additionnels et des réductions d'impôt sont réglées par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres après concertation préalable avec les gouvernements de région. ".
Art.12. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 9bis. De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen zoals bedoeld in artikel 9 worden, naargelang het geval vóór neerlegging in de betrokken raad of na goedkeuring in de bevoegde commissie van de betrokken raad medegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen en, voor advies, aan het Rekenhof. Hetzelfde geldt voor de amendementen die in commissie zijn goedgekeurd. De aan het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen dienen in voldoende mate cijfermatig onderbouwd te zijn.
Onverminderd zijn algemene bevoegdheden, geeft de algemene vergadering van het Rekenhof, binnen een maand na ontvangst van het ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van de fiscale loyauteit, een gedocumenteerd en gemotiveerd advies over de naleving van de maximumpercentages en het principe inzake progressiviteit, zoals bedoeld in artikel 9. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.
In het kader van zijn adviesverstrekking bedoeld in het tweede lid ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.
Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan het in het tweede lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen. ".
" Art. 9bis. De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen zoals bedoeld in artikel 9 worden, naargelang het geval vóór neerlegging in de betrokken raad of na goedkeuring in de bevoegde commissie van de betrokken raad medegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen en, voor advies, aan het Rekenhof. Hetzelfde geldt voor de amendementen die in commissie zijn goedgekeurd. De aan het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen dienen in voldoende mate cijfermatig onderbouwd te zijn.
Onverminderd zijn algemene bevoegdheden, geeft de algemene vergadering van het Rekenhof, binnen een maand na ontvangst van het ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van de fiscale loyauteit, een gedocumenteerd en gemotiveerd advies over de naleving van de maximumpercentages en het principe inzake progressiviteit, zoals bedoeld in artikel 9. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.
In het kader van zijn adviesverstrekking bedoeld in het tweede lid ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.
Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan het in het tweede lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen. ".
Art.12. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 9bis rédigé comme suit :
" Art. 9bis. Les projets et les propositions d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution qui règlent des matières visées à l'article 9 sont, selon le cas avant dépôt devant le conseil concerné ou après approbation par la commission compétente du conseil en question, communiqués au gouvernement fédéral et aux autres gouvernements de région et, pour avis, à la Cour des comptes. Il en est de même pour les amendements adoptés en commission. Les projets et propositions transmis à la Cour des comptes doivent être appuyés des données chiffrées suffisantes.
Sans préjudice de ses compétences générales, l'assemblée générale de la Cour des comptes émet dans le mois qui suit la réception du projet ou de la proposition, dans le cadre du respect de la loyauté fiscale, un avis documenté et motivé sur le respect des pourcentages maximum et du principe en matière de progressivité, visé à l'article 9. Cet avis est communiqué au gouvernement fédéral et aux gouvernements de région.
Dans le cadre de sa mission d'avis visée au deuxième alinéa, la Cour des comptes développe en accord avec le gouvernement fédéral et les gouvernements de région un modèle d'évaluation transparent et uniforme.
La Cour des comptes rédige chaque année un rapport, analogue à l'avis visé à l'alinéa 2, sur l'incidence, au cours de l'exercice d'imposition précédent, des mesures fiscales régionales en vigueur. Ce rapport est communiqué au gouvernement fédéral et aux gouvernements de région. ".
" Art. 9bis. Les projets et les propositions d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution qui règlent des matières visées à l'article 9 sont, selon le cas avant dépôt devant le conseil concerné ou après approbation par la commission compétente du conseil en question, communiqués au gouvernement fédéral et aux autres gouvernements de région et, pour avis, à la Cour des comptes. Il en est de même pour les amendements adoptés en commission. Les projets et propositions transmis à la Cour des comptes doivent être appuyés des données chiffrées suffisantes.
Sans préjudice de ses compétences générales, l'assemblée générale de la Cour des comptes émet dans le mois qui suit la réception du projet ou de la proposition, dans le cadre du respect de la loyauté fiscale, un avis documenté et motivé sur le respect des pourcentages maximum et du principe en matière de progressivité, visé à l'article 9. Cet avis est communiqué au gouvernement fédéral et aux gouvernements de région.
Dans le cadre de sa mission d'avis visée au deuxième alinéa, la Cour des comptes développe en accord avec le gouvernement fédéral et les gouvernements de région un modèle d'évaluation transparent et uniforme.
La Cour des comptes rédige chaque année un rapport, analogue à l'avis visé à l'alinéa 2, sur l'incidence, au cours de l'exercice d'imposition précédent, des mesures fiscales régionales en vigueur. Ce rapport est communiqué au gouvernement fédéral et aux gouvernements de région. ".
Art.13. Artikel 10 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt opgeheven.
Art.13. L'article 10 de la même loi spéciale, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est abrogé.
Art.14. In artikel 11 van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" De gewesten kunnen geen opcentiemen of vermeerderingen heffen of kortingen of verminderingen toestaan op de in deze wet bedoelde belastingen, behalve op die welke bedoeld zijn in artikel 6, § 2. ";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
" De gewesten kunnen geen opcentiemen of vermeerderingen heffen of kortingen of verminderingen toestaan op de in deze wet bedoelde belastingen, behalve op die welke bedoeld zijn in artikel 6, § 2. ";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art.14. A l'article 11 de la même loi spéciale, remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
" Les régions ne peuvent instaurer ni centimes additionnels ni majorations ni réductions d'impôt ni réductions sur les impôts visés par la présente loi, à l'exception de ceux visés à l'article 6, § 2 ";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° l'alinéa 1er est remplacé par l'alinéa suivant :
" Les régions ne peuvent instaurer ni centimes additionnels ni majorations ni réductions d'impôt ni réductions sur les impôts visés par la présente loi, à l'exception de ceux visés à l'article 6, § 2 ";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art.15. In artikel 33, § 1, van dezelfde bijzondere wet worden na het woord " solidariteitstussenkomst " de woorden " en de vermindering per gewest bedoeld in artikel 34, eerste lid, 2°. " toegevoegd.
Art.15. Dans l'article 33, § 1er, de la même loi spéciale, les mots " et de la diminution par région visée à l'article 34, alinéa 1er, 2° " sont ajoutés après les mots " à la région concernée ".
Art.16. Artikel 33, § 2, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" § 2. Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen ".
" § 2. Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen ".
Art.16. L'article 33, § 2, de la même loi spéciale, remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Ces montants sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée.
En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du revenu national brut, les montants sont adaptés au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses ".
" § 2. Ces montants sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée.
En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du revenu national brut, les montants sont adaptés au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses ".
Art.17. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 33bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 33bis. § 1. De met toepassing van artikel 33, § 4, verkregen bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2002 jaarlijks verminderd met een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en na voorafgaand overleg met de gewestregeringen.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag stemt overeen met de som van :
1° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°;
2° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten zoals bedoeld in artikel 4, § 5, in de mate dat deze laatste tot en met het begrotingsjaar 2001 nog niet aan de gewesten werden toegewezen;
3° 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting;
4° de gemiddelde netto-ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belasting zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 9°.
De met toepassing van de 1° tot 3° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen op de wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
De met toepassing van de 4° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
§ 2. Voor het begrotingsjaar 2002 wordt voor elk gewest vertrokken van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°, en van 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting.
De met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden voor elk gewest de met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen voor elke belasting aangepast aan de evolutie van de ontvangsten bij ongewijzigd beleid. Deze aangepaste bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2012 wordt jaarlijks voor elk gewest het verschil berekend tussen het bedrag verkregen met toepassing van het tweede lid en het bedrag verkregen met toepassing van het derde lid.
Het met toepassing van het vierde lid verkregen verschil, zo dit positief is, vormt jaarlijks het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2007 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan 100 % van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie voor het betrokken gewest.
Voor de begrotingsjaren 2008 tot en met 2012 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 16,67 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ontvangsten bij ongewijzigd beleid verstaan de werkelijke ontvangsten tenzij deze beïnvloed zijn door het betrokken gewest in het kader van de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheden met betrekking tot de betrokken belasting. In dat geval gebeurt de jaarlijkse aanpassing bedoeld in het derde lid aan de hand van bij wet per belasting vastgestelde objectieve criteria. Het betrokken wetsontwerp wordt vóór 1 januari 2002 ingediend bij de Kamer.
Het met toepassing van deze paragraaf per gewest verkregen bedrag komt in mindering van de in § 1 bedoelde vermindering. ".
" Art. 33bis. § 1. De met toepassing van artikel 33, § 4, verkregen bedragen worden vanaf het begrotingsjaar 2002 jaarlijks verminderd met een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en na voorafgaand overleg met de gewestregeringen.
Het in het eerste lid bedoelde bedrag stemt overeen met de som van :
1° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°;
2° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten zoals bedoeld in artikel 4, § 5, in de mate dat deze laatste tot en met het begrotingsjaar 2001 nog niet aan de gewesten werden toegewezen;
3° 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting;
4° de gemiddelde netto-ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belasting zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 9°.
De met toepassing van de 1° tot 3° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen op de wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
De met toepassing van de 4° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
§ 2. Voor het begrotingsjaar 2002 wordt voor elk gewest vertrokken van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°, en van 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting.
De met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden voor elk gewest de met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen voor elke belasting aangepast aan de evolutie van de ontvangsten bij ongewijzigd beleid. Deze aangepaste bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2012 wordt jaarlijks voor elk gewest het verschil berekend tussen het bedrag verkregen met toepassing van het tweede lid en het bedrag verkregen met toepassing van het derde lid.
Het met toepassing van het vierde lid verkregen verschil, zo dit positief is, vormt jaarlijks het basisbedrag van de overgangscorrectie.
Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2007 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan 100 % van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie voor het betrokken gewest.
Voor de begrotingsjaren 2008 tot en met 2012 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 16,67 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie.
Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ontvangsten bij ongewijzigd beleid verstaan de werkelijke ontvangsten tenzij deze beïnvloed zijn door het betrokken gewest in het kader van de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheden met betrekking tot de betrokken belasting. In dat geval gebeurt de jaarlijkse aanpassing bedoeld in het derde lid aan de hand van bij wet per belasting vastgestelde objectieve criteria. Het betrokken wetsontwerp wordt vóór 1 januari 2002 ingediend bij de Kamer.
Het met toepassing van deze paragraaf per gewest verkregen bedrag komt in mindering van de in § 1 bedoelde vermindering. ".
Art.17. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 33bis rédigé comme suit :
" Art. 33bis § 1er. A partir de l'année budgétaire 2002, les montants obtenus en application de l'article 33, § 4, sont diminués chaque année d'un montant fixé par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après concertation préalable avec les gouvernements de région.
Le montant visé à l'alinéa 1er correspond à la somme :
1° des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts localisés dans chaque région comme visés à l'article 3, alinéa 1er, 7° à 8° et 10° à 12°;
2° des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 à 2001 inclus, préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région comme visées à l'article 4, § 5, dans la mesure où ces dernières n'auraient pas encore été affectées aux régions jusqu'à l'année budgétaire 2001 y comprise;
3° de 58,592 % des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région en ce qui concerne l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 6°;
4° des recettes nettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, qui étaient préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts localisés dans chaque région comme visés à l'article 3, alinéa 1er, 9°.
A partir de l'année budgétaire 2003 le montant de la diminution obtenu en application des 1° à 3° de l'alinéa 2 est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du revenu national brut suivant les modalités définies à l'article 33, § 2.
A partir de l'année budgétaire 2003 le montant de la diminution obtenu en application du 4° de l'alinéa 2 est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités définies à l'article 38, § 3.
§ 2. Pour l'année budgétaire 2002, un montant de départ est déterminé pour chaque région, par la moyenne des recettes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts, localisés dans chaque région, visés à l'article 3, alinéa 1er, 7° à 8° et 10° à 12°, et de 58,592 % des recettes moyennes, pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région en ce qui concerne l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 6°.
Les montants obtenus par impôt en application de l'alinéa 1er sont additionnés pour chaque région.
A partir de l'année budgétaire 2003, les montants obtenus pour chaque région en application de l'alinéa 1er pour chaque impôt sont adaptés à l'évolution des recettes à politique inchangée. Ces montants adaptés par impôt sont additionnés pour chaque région.
Pour les années budgétaires 2003 à 2012 incluse, la différence entre le montant obtenu en application de l'alinéa 2 et celui obtenu en application de l'alinéa 3 est calculée annuellement pour chaque région.
La différence obtenue en application de l'alinéa 4, pour autant qu'elle soit positive, forme annuellement le montant de base de la correction de transition.
Pour les années budgétaires 2003 à 2007 incluse, la correction de transition est égale pour chaque région à 100 % du montant de base de la correction de transition obtenu pour la même année pour la région concernée.
Pour les années budgétaires 2008 à 2012 incluse, la correction de transition est égale pour chaque région à un pourcentage diminuant chaque année de 16,67 points du montant de base de la correction de transition obtenu pour la même année.
A partir de l'année budgétaire 2013, il n'est plus appliqué de correction de transition.
Pour l'application de cet article, on entend par recettes à politique inchangée les recettes réelles, à moins que celles-ci ne soient influencées par la région concernée dans le cadre de l'exercice de ses compétences fiscales liées à l'impôt concerné. Dans ce cas, l'adaptation annuelle visée à l'alinéa 3 s'effectue sur la base de critères objectifs déterminés par impôt par la loi. Le projet de loi concerné est déposé à la Chambre avant le 1er janvier 2002.
Le montant obtenu par région en application du présent paragraphe est porté en déduction de la diminution visée au § 1er. ".
" Art. 33bis § 1er. A partir de l'année budgétaire 2002, les montants obtenus en application de l'article 33, § 4, sont diminués chaque année d'un montant fixé par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après concertation préalable avec les gouvernements de région.
Le montant visé à l'alinéa 1er correspond à la somme :
1° des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts localisés dans chaque région comme visés à l'article 3, alinéa 1er, 7° à 8° et 10° à 12°;
2° des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 à 2001 inclus, préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région comme visées à l'article 4, § 5, dans la mesure où ces dernières n'auraient pas encore été affectées aux régions jusqu'à l'année budgétaire 2001 y comprise;
3° de 58,592 % des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région en ce qui concerne l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 6°;
4° des recettes nettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, qui étaient préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts localisés dans chaque région comme visés à l'article 3, alinéa 1er, 9°.
A partir de l'année budgétaire 2003 le montant de la diminution obtenu en application des 1° à 3° de l'alinéa 2 est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du revenu national brut suivant les modalités définies à l'article 33, § 2.
A partir de l'année budgétaire 2003 le montant de la diminution obtenu en application du 4° de l'alinéa 2 est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités définies à l'article 38, § 3.
§ 2. Pour l'année budgétaire 2002, un montant de départ est déterminé pour chaque région, par la moyenne des recettes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts, localisés dans chaque région, visés à l'article 3, alinéa 1er, 7° à 8° et 10° à 12°, et de 58,592 % des recettes moyennes, pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région en ce qui concerne l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 6°.
Les montants obtenus par impôt en application de l'alinéa 1er sont additionnés pour chaque région.
A partir de l'année budgétaire 2003, les montants obtenus pour chaque région en application de l'alinéa 1er pour chaque impôt sont adaptés à l'évolution des recettes à politique inchangée. Ces montants adaptés par impôt sont additionnés pour chaque région.
Pour les années budgétaires 2003 à 2012 incluse, la différence entre le montant obtenu en application de l'alinéa 2 et celui obtenu en application de l'alinéa 3 est calculée annuellement pour chaque région.
La différence obtenue en application de l'alinéa 4, pour autant qu'elle soit positive, forme annuellement le montant de base de la correction de transition.
Pour les années budgétaires 2003 à 2007 incluse, la correction de transition est égale pour chaque région à 100 % du montant de base de la correction de transition obtenu pour la même année pour la région concernée.
Pour les années budgétaires 2008 à 2012 incluse, la correction de transition est égale pour chaque région à un pourcentage diminuant chaque année de 16,67 points du montant de base de la correction de transition obtenu pour la même année.
A partir de l'année budgétaire 2013, il n'est plus appliqué de correction de transition.
Pour l'application de cet article, on entend par recettes à politique inchangée les recettes réelles, à moins que celles-ci ne soient influencées par la région concernée dans le cadre de l'exercice de ses compétences fiscales liées à l'impôt concerné. Dans ce cas, l'adaptation annuelle visée à l'alinéa 3 s'effectue sur la base de critères objectifs déterminés par impôt par la loi. Le projet de loi concerné est déposé à la Chambre avant le 1er janvier 2002.
Le montant obtenu par région en application du présent paragraphe est porté en déduction de la diminution visée au § 1er. ".
Art.18. Artikel 34 van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 34. De middelen per gewest worden jaarlijks samengesteld als volgt :
1° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33, § 4;
2° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33bis;
3° de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48.
De middelen bedoeld in het eerste lid, worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting. ".
" Art. 34. De middelen per gewest worden jaarlijks samengesteld als volgt :
1° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33, § 4;
2° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33bis;
3° de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48.
De middelen bedoeld in het eerste lid, worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting. ".
Art.18. L'article 34 de la même loi spéciale est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 34. Les moyens par région sont constitués annuellement comme suit :
1° les montants obtenus en application de l'article 33, § 4;
2° les montants obtenus en application de l'article 33bis;
3° l'intervention de solidarité nationale visée à l'article 48.
Les moyens visés à l'alinéa 1er sont constitués par une partie du produit de l'impôt des personnes physiques. ".
" Art. 34. Les moyens par région sont constitués annuellement comme suit :
1° les montants obtenus en application de l'article 33, § 4;
2° les montants obtenus en application de l'article 33bis;
3° l'intervention de solidarité nationale visée à l'article 48.
Les moyens visés à l'alinéa 1er sont constitués par une partie du produit de l'impôt des personnes physiques. ".
Art.19. In artikel 35, § 1, van dezelfde bijzondere wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt :
" b) van de hoedanigheid van niet-werkende werkzoekende van de tewerkgestelde werknemers; ";
2° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Wat de financiële tegemoetkoming betreft die is bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag dat overeenstemt met een werkloosheidsvergoeding toegekend aan het betrokken gewest voor elke voltijds uitgedrukte arbeidsplaats die door dat gewest ten laste wordt genomen, op voorwaarde dat het bewijs wordt geleverd :
a) van de tewerkstelling uitgedrukt in een voltijdse eenheid;
b) dat elke arbeidsplaats wordt ingenomen door een werknemer die is tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of op basis van een statuut. ".
1° de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt :
" b) van de hoedanigheid van niet-werkende werkzoekende van de tewerkgestelde werknemers; ";
2° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Wat de financiële tegemoetkoming betreft die is bedoeld in artikel 6, § 1, IX, 2°, vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag dat overeenstemt met een werkloosheidsvergoeding toegekend aan het betrokken gewest voor elke voltijds uitgedrukte arbeidsplaats die door dat gewest ten laste wordt genomen, op voorwaarde dat het bewijs wordt geleverd :
a) van de tewerkstelling uitgedrukt in een voltijdse eenheid;
b) dat elke arbeidsplaats wordt ingenomen door een werknemer die is tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of op basis van een statuut. ".
Art.19. A l'article 35, § 1er, de la même loi spéciale, les modifications suivantes sont apportées :
1° le b) est remplacé par la disposition suivante :
" b) de la qualité de demandeur d'emploi inoccupé des travailleurs mis au travail; ";
2° le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" En ce qui concerne l'intervention financière visée à l'article 6, § 1er, IX, 2°, alinéa 4, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, le montant correspondant à une indemnité de chômage est octroyé à la région concernée pour chaque emploi équivalent temps plein pris en charge par cette région, à condition qu'elle fournisse la preuve :
a) de l'occupation équivalente à un emploi temps plein;
b) que chaque emploi est occupé par un travailleur engagé dans les liens d'un contrat de travail ou d'un engagement statutaire. ".
1° le b) est remplacé par la disposition suivante :
" b) de la qualité de demandeur d'emploi inoccupé des travailleurs mis au travail; ";
2° le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" En ce qui concerne l'intervention financière visée à l'article 6, § 1er, IX, 2°, alinéa 4, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, le montant correspondant à une indemnité de chômage est octroyé à la région concernée pour chaque emploi équivalent temps plein pris en charge par cette région, à condition qu'elle fournisse la preuve :
a) de l'occupation équivalente à un emploi temps plein;
b) que chaque emploi est occupé par un travailleur engagé dans les liens d'un contrat de travail ou d'un engagement statutaire. ".
Art.20. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35quater ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 35quater. § 1. Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de aanvullende bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 653 499,39 EUR, voor het Waals Gewest 13 292 050,80 EUR en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 917 206,04 EUR.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2.
De saldi die op 31 december 2001 beschikbaar zijn op de begrotingsfondsen worden aan de gewesten overgemaakt voorzover zij betrekking hebben op aangelegenheden die worden overgedragen met toepassing van artikel 2 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. De bedragen van deze saldi worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de gewestregeringen. ".
" Art. 35quater. § 1. Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de aanvullende bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 653 499,39 EUR, voor het Waals Gewest 13 292 050,80 EUR en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 917 206,04 EUR.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2.
De saldi die op 31 december 2001 beschikbaar zijn op de begrotingsfondsen worden aan de gewesten overgemaakt voorzover zij betrekking hebben op aangelegenheden die worden overgedragen met toepassing van artikel 2 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen. De bedragen van deze saldi worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de gewestregeringen. ".
Art.20. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 35quater, rédigé comme suit :
" Art. 35quater. § 1er. Pour l'année budgétaire 2002, les moyens supplémentaires additionnels s'élèvent à 21 653 499,39 EUR pour la Région flamande, à 13 292 050,80 EUR pour la Région wallonne et à 917 206,04 EUR pour la Région de Bruxelles-Capitale.
§ 2. A partir de l'année budgétaire 2003 les montants visés au § 1er sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation, ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2.
Les soldes disponibles au 31 décembre 2001 sur les fonds budgétaires sont transférés aux régions dans la mesure où ils concernent des matières transférées en application de l'article 2 de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés. Les montants de ces soldes sont déterminés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, après concertation avec les gouvernements de région. ".
" Art. 35quater. § 1er. Pour l'année budgétaire 2002, les moyens supplémentaires additionnels s'élèvent à 21 653 499,39 EUR pour la Région flamande, à 13 292 050,80 EUR pour la Région wallonne et à 917 206,04 EUR pour la Région de Bruxelles-Capitale.
§ 2. A partir de l'année budgétaire 2003 les montants visés au § 1er sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation, ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2.
Les soldes disponibles au 31 décembre 2001 sur les fonds budgétaires sont transférés aux régions dans la mesure où ils concernent des matières transférées en application de l'article 2 de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés. Les montants de ces soldes sont déterminés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, après concertation avec les gouvernements de région. ".
Art.21. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35quinquies ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 35quinquies. Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 425 437,35 EUR en voor het Waals Gewest 19 268 763,68 EUR.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in het eerste lid bedoelde bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. ".
" Art. 35quinquies. Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 425 437,35 EUR en voor het Waals Gewest 19 268 763,68 EUR.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 worden de in het eerste lid bedoelde bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. ".
Art.21. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 35quinquies, rédigé comme suit :
" Art. 35quinquies. Pour l'année budgétaire 2002, les moyens supplémentaires pour la Région wallonne s'élèvent à 19 268 763,68 EUR et pour la Région flamande à 21 425 437,35 EUR.
A partir de l'année budgétaire 2003, les montants visés à l'alinéa 1er sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2. ".
" Art. 35quinquies. Pour l'année budgétaire 2002, les moyens supplémentaires pour la Région wallonne s'élèvent à 19 268 763,68 EUR et pour la Région flamande à 21 425 437,35 EUR.
A partir de l'année budgétaire 2003, les montants visés à l'alinéa 1er sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2. ".
Art.22. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35sexies ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 35sexies. Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 14 873 611,49 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2, en verdeeld volgens de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. ".
" Art. 35sexies. Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 14 873 611,49 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2, en verdeeld volgens de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. ".
Art.22. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 35sexies, rédigé comme suit :
" Art. 35sexies. Pour l'année budgétaire 2002, des moyens supplémentaires sont transférés à la Région wallonne, à la Région flamande et à la Région de Bruxelles-Capitale. Pour les trois régions réunies, ces montants sont égaux à 14 873 611,49 EUR exprimés en prix de 2002.
Pour l'établissement des montants pour l'année budgétaire 2003 et pour chacune des années budgétaires subséquentes, on se fonde sur les moyens supplémentaires obtenus pour l'année budgétaire précédente.
Chaque année, le montant total obtenu en application de l'alinéa 2 est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2, et réparti selon les recettes de l'impôt des personnes physiques localisées dans chaque région. ".
" Art. 35sexies. Pour l'année budgétaire 2002, des moyens supplémentaires sont transférés à la Région wallonne, à la Région flamande et à la Région de Bruxelles-Capitale. Pour les trois régions réunies, ces montants sont égaux à 14 873 611,49 EUR exprimés en prix de 2002.
Pour l'établissement des montants pour l'année budgétaire 2003 et pour chacune des années budgétaires subséquentes, on se fonde sur les moyens supplémentaires obtenus pour l'année budgétaire précédente.
Chaque année, le montant total obtenu en application de l'alinéa 2 est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2, et réparti selon les recettes de l'impôt des personnes physiques localisées dans chaque région. ".
Art.23. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35septies ingevoegd, luidend als volgt :
" Artikel 35septies. Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 6 114 434,94 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2, en over de gewesten verdeeld volgens het aandeel van elk gewest in het totaal van het met toepassing van de artikelen 33, § 4, 35, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies en 48 voor de drie gewesten samen verkregen bedrag. ".
" Artikel 35septies. Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 6 114 434,94 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2003 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2, en over de gewesten verdeeld volgens het aandeel van elk gewest in het totaal van het met toepassing van de artikelen 33, § 4, 35, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies en 48 voor de drie gewesten samen verkregen bedrag. ".
Art.23. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 35septies, rédigé comme suit :
" Article 35septies. Pour l'année budgétaire 2002, des moyens supplémentaires sont transférés à la Région flamande, à la Région wallonne et à la Région de Bruxelles-Capitale. Pour les trois régions réunies, ce montant est égal à 6 114 434,94 EUR exprimé en prix de 2002.
Pour l'établissement des montants pour l'année budgétaire 2003 et pour chacune des années budgétaires subséquentes, on se fonde sur les moyens supplémentaires obtenus pour l'année budgétaire précédente.
Chaque année, le montant total obtenu en application de l'alinéa 2 est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2, et réparti entre les régions selon la part de chaque région dans le total du montant obtenu en application des articles 33, § 4, 35, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies et 48, pour les trois régions réunies. ".
" Article 35septies. Pour l'année budgétaire 2002, des moyens supplémentaires sont transférés à la Région flamande, à la Région wallonne et à la Région de Bruxelles-Capitale. Pour les trois régions réunies, ce montant est égal à 6 114 434,94 EUR exprimé en prix de 2002.
Pour l'établissement des montants pour l'année budgétaire 2003 et pour chacune des années budgétaires subséquentes, on se fonde sur les moyens supplémentaires obtenus pour l'année budgétaire précédente.
Chaque année, le montant total obtenu en application de l'alinéa 2 est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2, et réparti entre les régions selon la part de chaque région dans le total du montant obtenu en application des articles 33, § 4, 35, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies et 48, pour les trois régions réunies. ".
Art.24. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 35octies ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 35octies. De middelen bedoeld in deze afdeling worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting. ".
" Art. 35octies. De middelen bedoeld in deze afdeling worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting. ".
Art.24. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 35octies, rédigé comme suit :
" Art. 35octies. Les moyens visés dans la présente section sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques. ".
" Art. 35octies. Les moyens visés dans la présente section sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques. ".
Art.25. Artikel 36 van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt :
" Art. 36. De middelen per gemeenschap worden jaarlijks als volgt samengesteld :
1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
2° het, naargelang het geval, in artikel 46 of 47 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting;
3° de in artikel 47bis bedoelde dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. ".
" Art. 36. De middelen per gemeenschap worden jaarlijks als volgt samengesteld :
1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
2° het, naargelang het geval, in artikel 46 of 47 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting;
3° de in artikel 47bis bedoelde dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld. ".
Art.25. L'article 36 de la même loi spéciale est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 36. Par communauté, les moyens sont constitués annuellement comme suit :
1° la partie attribuée du produit de la taxe sur la valeur ajoutée, visée à l'article 41;
2° la partie attribuée du produit de l'impôt des personnes physiques, visée à l'article 46 ou 47, selon le cas;
3° la dotation visée à l'article 47bis, compensatoire de la redevance radio télévision. ".
" Art. 36. Par communauté, les moyens sont constitués annuellement comme suit :
1° la partie attribuée du produit de la taxe sur la valeur ajoutée, visée à l'article 41;
2° la partie attribuée du produit de l'impôt des personnes physiques, visée à l'article 46 ou 47, selon le cas;
3° la dotation visée à l'article 47bis, compensatoire de la redevance radio télévision. ".
Art.26. In artikel 38 van dezelfde bijzondere wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar worden de verkregen bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. ";
2° er wordt een § 3bis, ingevoegd, luidende :
" § 3bis. Voor beide gemeenschappen samen worden de volgende bedragen bepaald :
1° voor het begrotingsjaar 2002 : een bedrag van 198 314 819,82 EUR;
2° voor het begrotingsjaar 2003 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
3° voor het begrotingsjaar 2004 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
4° voor het begrotingsjaar 2005 : een bedrag van 371 840 287,16 EUR;
5° voor het begrotingsjaar 2006 : een bedrag van 123 946 762,39 EUR;
6° voor de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 : een bedrag van 24 789 352,48 EUR. ";
3° er wordt een § 3ter ingevoegd, luidende :
" § 3ter. Voor het begrotingsjaar 2002 is het totaal bedrag gelijk aan het met toepassing van § 3 voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag verhoogd met het voor het begrotingsjaar 2002 in § 3bis bepaalde bedrag.
Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2006 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bedoeld in § 3.
Voor elk van de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 is het totaal bedrag, voor beide gemeenschappen samen, gelijk aan het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar gebeurt de in het derde en vierde lid bedoelde aanpassing aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. ";
4° er wordt een § 5 toegevoegd, luidende :
" § 5. Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag, na aftrek van het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag, jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt verhoogd met het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor. ".
1° § 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar worden de verkregen bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. ";
2° er wordt een § 3bis, ingevoegd, luidende :
" § 3bis. Voor beide gemeenschappen samen worden de volgende bedragen bepaald :
1° voor het begrotingsjaar 2002 : een bedrag van 198 314 819,82 EUR;
2° voor het begrotingsjaar 2003 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
3° voor het begrotingsjaar 2004 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
4° voor het begrotingsjaar 2005 : een bedrag van 371 840 287,16 EUR;
5° voor het begrotingsjaar 2006 : een bedrag van 123 946 762,39 EUR;
6° voor de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 : een bedrag van 24 789 352,48 EUR. ";
3° er wordt een § 3ter ingevoegd, luidende :
" § 3ter. Voor het begrotingsjaar 2002 is het totaal bedrag gelijk aan het met toepassing van § 3 voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag verhoogd met het voor het begrotingsjaar 2002 in § 3bis bepaalde bedrag.
Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2006 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bedoeld in § 3.
Voor elk van de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 is het totaal bedrag, voor beide gemeenschappen samen, gelijk aan het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar.
In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar gebeurt de in het derde en vierde lid bedoelde aanpassing aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. ";
4° er wordt een § 5 toegevoegd, luidende :
" § 5. Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag, na aftrek van het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag, jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt verhoogd met het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag.
Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor. ".
Art.26. A l'article 38 de la même loi spéciale sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. A partir de l'année budgétaire 1990, les montants visés au § 1er sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation.
En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, les montants obtenus sont adaptés au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses. ";
2° il est inséré un § 3bis, rédigé comme suit :
" § 3bis. Pour les deux communautés réunies les montants suivants sont fixés :
1° pour l'année budgétaire 2002 : un montant de 198 314 819,82 EUR;
2° pour l'année budgétaire 2003 : un montant de 148 736 114,86 EUR;
3° pour l'année budgétaire 2004 : un montant de 148 736 114,86 EUR;
4° pour l'année budgétaire 2005 : un montant de 371 840 287,16 EUR;
5° pour l'année budgétaire 2006 : un montant de 123 946 762,39 EUR;
6° pour les années budgétaires de 2007 à 2011 incluse : un montant de 24 789 352,48 EUR. ";
3° il est inséré un § 3ter, rédigé comme suit :
" § 3ter. Pour l'année budgétaire 2002 le montant total est égal au montant obtenu en application du § 3 pour les deux communautés réunies, augmenté du montant fixé pour l'année budgétaire 2002 au § 3bis.
Pour chacune des années budgétaires 2003 à 2006 incluse, le montant total est égal au montant fixé pour l'année budgétaire concernée au § 3bis, augmenté du montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée suivant les modalités visées au § 3.
Pour chacune des années budgétaires 2007 à 2011 incluse, le montant total est égal au montant fixé, pour l'année budgétaire concernée, au § 3bis, augmenté du montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée.
A partir de l'année budgétaire 2012, le montant total, pour les deux communautés réunies, est égal au montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée.
En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et de la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, l'adaptation visée aux troisième et quatrième alinéas se fait au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses. ";
4° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Pour chacune des années budgétaires 2002 à 2011 incluse, le montant total obtenu en application du § 3ter, après déduction du montant déterminé au § 3bis pour l'année budgétaire concernée, est multiplié annuellement par le facteur d'adaptation visé au § 4.
Le montant obtenu en application de l'alinéa 1er est augmenté du montant déterminé au § 3bis pour l'année budgétaire concernée.
A partir de l'année budgétaire 2012, le montant total obtenu en application du § 3ter est multiplié annuellement par le facteur d'adaptation visé au § 4. ".
1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. A partir de l'année budgétaire 1990, les montants visés au § 1er sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation.
En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, les montants obtenus sont adaptés au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses. ";
2° il est inséré un § 3bis, rédigé comme suit :
" § 3bis. Pour les deux communautés réunies les montants suivants sont fixés :
1° pour l'année budgétaire 2002 : un montant de 198 314 819,82 EUR;
2° pour l'année budgétaire 2003 : un montant de 148 736 114,86 EUR;
3° pour l'année budgétaire 2004 : un montant de 148 736 114,86 EUR;
4° pour l'année budgétaire 2005 : un montant de 371 840 287,16 EUR;
5° pour l'année budgétaire 2006 : un montant de 123 946 762,39 EUR;
6° pour les années budgétaires de 2007 à 2011 incluse : un montant de 24 789 352,48 EUR. ";
3° il est inséré un § 3ter, rédigé comme suit :
" § 3ter. Pour l'année budgétaire 2002 le montant total est égal au montant obtenu en application du § 3 pour les deux communautés réunies, augmenté du montant fixé pour l'année budgétaire 2002 au § 3bis.
Pour chacune des années budgétaires 2003 à 2006 incluse, le montant total est égal au montant fixé pour l'année budgétaire concernée au § 3bis, augmenté du montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée suivant les modalités visées au § 3.
Pour chacune des années budgétaires 2007 à 2011 incluse, le montant total est égal au montant fixé, pour l'année budgétaire concernée, au § 3bis, augmenté du montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée.
A partir de l'année budgétaire 2012, le montant total, pour les deux communautés réunies, est égal au montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée.
En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et de la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, l'adaptation visée aux troisième et quatrième alinéas se fait au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses. ";
4° il est ajouté un § 5, rédigé comme suit :
" § 5. Pour chacune des années budgétaires 2002 à 2011 incluse, le montant total obtenu en application du § 3ter, après déduction du montant déterminé au § 3bis pour l'année budgétaire concernée, est multiplié annuellement par le facteur d'adaptation visé au § 4.
Le montant obtenu en application de l'alinéa 1er est augmenté du montant déterminé au § 3bis pour l'année budgétaire concernée.
A partir de l'année budgétaire 2012, le montant total obtenu en application du § 3ter est multiplié annuellement par le facteur d'adaptation visé au § 4. ".
Art.27. Artikel 39, § 1, van dezelfde bijzondere wet wordt vervangen als volgt :
" § 1. De met toepassing van artikel 38, § 4 verkregen bedragen worden jaarlijks opgeteld. ".
" § 1. De met toepassing van artikel 38, § 4 verkregen bedragen worden jaarlijks opgeteld. ".
Art.27. L'article 39, § 1er, de la même loi spéciale, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Les montants obtenus en application de l'article 38, § 4 sont additionnés chaque année. ".
" § 1er. Les montants obtenus en application de l'article 38, § 4 sont additionnés chaque année. ".
Art.28. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 40bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 40bis. Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks het verschil bepaald tussen het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag enerzijds en het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag anderzijds. ".
" Art. 40bis. Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks het verschil bepaald tussen het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag enerzijds en het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag anderzijds. ".
Art.28. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 40bis rédigé comme suit :
" Art. 40bis. A partir de l'année budgétaire 2002, la différence est établie chaque année entre, d'une part, le montant total obtenu en application de l'article 38, § 5, et, d'autre part, le montant total obtenu en application de l'article 39, § 1er. ".
" Art. 40bis. A partir de l'année budgétaire 2002, la différence est établie chaque année entre, d'une part, le montant total obtenu en application de l'article 38, § 5, et, d'autre part, le montant total obtenu en application de l'article 39, § 1er. ".
Art.29. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 40ter ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 40ter. § 1. Voor de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag in twee gedeelten opgesplitst.
Het eerste gedeelte bedraagt :
1° voor het begrotingsjaar 2002 : 35 %;
2° voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2009 : een jaarlijks met 5 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 1° vastgestelde percentage;
3° voor de begrotingsjaren 2010 tot en met 2011 : een jaarlijks met 10 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 2° voor het begrotingsjaar 2009 verkregen percentage.
Voor elk van de betrokken begrotingsjaren is het tweede gedeelte gelijk aan het verschil tussen het in het eerste lid bedoelde bedrag en het in het tweede lid bepaalde gedeelte.
§ 2. Het met toepassing van § 1, tweede lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid.
§ 3. Het met toepassing van § 1, derde lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld volgens het aantal leerlingen in elke gemeenschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de criteria bedoeld in artikel 39, § 2.
§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid. ".
" Art. 40ter. § 1. Voor de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag in twee gedeelten opgesplitst.
Het eerste gedeelte bedraagt :
1° voor het begrotingsjaar 2002 : 35 %;
2° voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2009 : een jaarlijks met 5 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 1° vastgestelde percentage;
3° voor de begrotingsjaren 2010 tot en met 2011 : een jaarlijks met 10 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 2° voor het begrotingsjaar 2009 verkregen percentage.
Voor elk van de betrokken begrotingsjaren is het tweede gedeelte gelijk aan het verschil tussen het in het eerste lid bedoelde bedrag en het in het tweede lid bepaalde gedeelte.
§ 2. Het met toepassing van § 1, tweede lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid.
§ 3. Het met toepassing van § 1, derde lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld volgens het aantal leerlingen in elke gemeenschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de criteria bedoeld in artikel 39, § 2.
§ 4. Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid. ".
Art.29. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 40ter rédigé comme suit :
" Art. 40ter. § 1er. Pour les années budgétaires 2002 à 2011 incluse, le montant obtenu en application de l'article 40bis est scindé en deux parties.
La première partie s'élève :
1° pour l'année budgétaire 2002 : à 35 %;
2° pour les années budgétaires 2003 à 2009 incluse : à un pourcentage augmentant chaque année de 5 points à partir du pourcentage fixé au 1°;
3° pour les années budgétaires 2010 à 2011 incluse : à un pourcentage augmentant chaque année de 10 points à partir du pourcentage obtenu au 2° pour l'année budgétaire 2009.
Pour chacune des années budgétaires concernées, la seconde partie est égale à la différence entre le montant visé à l'alinéa 1er et la partie fixée à l'alinéa 2.
§ 2. La partie fixée en application du § 1er, alinéa 2, est répartie pour chacune des années budgétaires concernées entre les deux communautés proportionnellement aux recettes de l'impôt des personnes physiques localisées dans chaque communauté, conformément à l'article 44, § 2, alinéas 2 à 4.
§ 3. La partie fixée en application du § 1er, alinéa 3, est répartie pour chacune des années budgétaires concernées entre les deux communautés selon le nombre d'élèves dans chaque communauté établi conformément aux critères visés à l'article 39, § 2.
§ 4. A partir de l'année budgétaire 2012, le montant obtenu en application de l'article 40bis est réparti entre les deux communautés proportionnellement aux recettes de l'impôt des personnes physiques localisées dans chaque communauté, conformément à l'article 44, § 2, alinéas 2 à 4. ".
" Art. 40ter. § 1er. Pour les années budgétaires 2002 à 2011 incluse, le montant obtenu en application de l'article 40bis est scindé en deux parties.
La première partie s'élève :
1° pour l'année budgétaire 2002 : à 35 %;
2° pour les années budgétaires 2003 à 2009 incluse : à un pourcentage augmentant chaque année de 5 points à partir du pourcentage fixé au 1°;
3° pour les années budgétaires 2010 à 2011 incluse : à un pourcentage augmentant chaque année de 10 points à partir du pourcentage obtenu au 2° pour l'année budgétaire 2009.
Pour chacune des années budgétaires concernées, la seconde partie est égale à la différence entre le montant visé à l'alinéa 1er et la partie fixée à l'alinéa 2.
§ 2. La partie fixée en application du § 1er, alinéa 2, est répartie pour chacune des années budgétaires concernées entre les deux communautés proportionnellement aux recettes de l'impôt des personnes physiques localisées dans chaque communauté, conformément à l'article 44, § 2, alinéas 2 à 4.
§ 3. La partie fixée en application du § 1er, alinéa 3, est répartie pour chacune des années budgétaires concernées entre les deux communautés selon le nombre d'élèves dans chaque communauté établi conformément aux critères visés à l'article 39, § 2.
§ 4. A partir de l'année budgétaire 2012, le montant obtenu en application de l'article 40bis est réparti entre les deux communautés proportionnellement aux recettes de l'impôt des personnes physiques localisées dans chaque communauté, conformément à l'article 44, § 2, alinéas 2 à 4. ".
Art.30. Artikel 41 van dezelfde bijzondere wet wordt aangevuld als volgt :
" 3° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 40ter. ".
" 3° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 40ter. ".
Art.30. L'article 41 de la même loi spéciale est complété par la disposition suivante :
" 3° le montant obtenu en application de l'article 40ter. ".
" 3° le montant obtenu en application de l'article 40ter. ".
Art.31. Artikel 47, § 2, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" § 2. Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. ".
" § 2. Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal inkomen worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen. ".
Art.31. L'article 47, § 2, de la même loi spéciale, remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" § 2. Chaque année, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée. En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du revenu national brut, les montants sont adaptés au taux de fluctuation estimé de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu dans le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses. ".
" § 2. Chaque année, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée. En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du revenu national brut, les montants sont adaptés au taux de fluctuation estimé de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu dans le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses. ".
Art.32. Artikel 47, § 3, van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" § 3. Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of, in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in aanmerking genomen bedrag, voor de twee gemeenschappen samen uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van het totaal van de in beide gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. ".
" § 3. Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of, in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in aanmerking genomen bedrag, voor de twee gemeenschappen samen uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van het totaal van de in beide gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. ".
Art.32. L'article 47, § 3, de la même loi spéciale, remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. Chaque année, le montant obtenu au § 2 ou, le cas échéant, le montant retenu pour l'année budgétaire 2005 au § 2bis, pour les deux communautés réunies, est exprimé en pour-cent à cinq décimales des recettes totales de l'impôt des personnes physiques localisées dans les deux communautés. ".
" § 3. Chaque année, le montant obtenu au § 2 ou, le cas échéant, le montant retenu pour l'année budgétaire 2005 au § 2bis, pour les deux communautés réunies, est exprimé en pour-cent à cinq décimales des recettes totales de l'impôt des personnes physiques localisées dans les deux communautés. ".
Art.33. In hoofdstuk III van dezelfde bijzondere wet wordt een nieuwe " Afdeling 4. - De dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld " toegevoegd.
Art.33. Dans le chapitre III de la même loi spéciale, il est ajouté une nouvelle " Section 4. - La dotation compensatoire de la redevance radio et télévision ".
Art.34. In de nieuwe afdeling 4 van hoofdstuk III wordt een artikel 47bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 47bis. § 1. Aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap wordt jaarlijks een dotatie toegekend ter compensatie van het kijk- en luistergeld. Het basisbedrag van deze dotatie wordt per gemeenschap bepaald als het gemiddelde voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 van de in de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de Franse Gemeenschap gelokaliseerde netto-opbrengst van het kijk- en luistergeld, met inachtneming van de lokalisatiecriteria zoals bepaald in § 3. De netto-opbrengst wordt uitgedrukt in prijzen van 2002.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt het met toepassing van § 1 verkregen bedrag per gemeenschap jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
§ 3. Voor de toepassing van § 1 wordt het kijk- en luistergeld geacht gelokaliseerd te zijn als volgt :op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is.
Aan de Franse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Franse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 80 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
Aan de Vlaamse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Nederlandse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 20 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. ".
" Art. 47bis. § 1. Aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap wordt jaarlijks een dotatie toegekend ter compensatie van het kijk- en luistergeld. Het basisbedrag van deze dotatie wordt per gemeenschap bepaald als het gemiddelde voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 van de in de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de Franse Gemeenschap gelokaliseerde netto-opbrengst van het kijk- en luistergeld, met inachtneming van de lokalisatiecriteria zoals bepaald in § 3. De netto-opbrengst wordt uitgedrukt in prijzen van 2002.
§ 2. Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt het met toepassing van § 1 verkregen bedrag per gemeenschap jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
§ 3. Voor de toepassing van § 1 wordt het kijk- en luistergeld geacht gelokaliseerd te zijn als volgt :op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is.
Aan de Franse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Franse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 80 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
Aan de Vlaamse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Nederlandse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 20 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. ".
Art.34. Dans la nouvelle section 4 du chapitre III, il est inséré un article 47bis redigé comme suit :
" Art. 47bis. § 1er. Une dotation est octroyée annuellement à la Communauté française et à la Communauté flamande en compensation de la redevance radio et télévision. Le montant de base de cette dotation est fixé par communauté comme la moyenne, pour les années budgétaires 1999 à 2001 incluse, du produit net de la redevance radio et télévision, localisé respectivement dans la Communauté française et dans la Communauté flamande, dans le respect des critères de localisation fixés au § 3. Le produit net est exprimé en prix de 2002.
§ 2. A partir de l'année budgétaire 2003, le montant par communauté obtenu en application du § 1er est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3.
§ 3. Pour l'application du § 1er, la redevance radio et télévision est réputée être localisée comme suit : à l'endroit où l'appareil de télévision est détenu et, en ce qui concerne les appareils à bord de véhicules automobiles, à l'endroit où le détenteur de l'appareil est établi.
Il est attribué à la Communauté française la part du produit net de la redevance radio et télévision localisée dans la Région de langue française, majorée de 80 % de la partie du produit net de cette redevance dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
Il est attribué à la Communauté flamande la part du produit net de la redevance radio et télévision localisée en Région de langue néerlandaise, majorée de 20 % de la partie du produit net de cette redevance dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale. ".
" Art. 47bis. § 1er. Une dotation est octroyée annuellement à la Communauté française et à la Communauté flamande en compensation de la redevance radio et télévision. Le montant de base de cette dotation est fixé par communauté comme la moyenne, pour les années budgétaires 1999 à 2001 incluse, du produit net de la redevance radio et télévision, localisé respectivement dans la Communauté française et dans la Communauté flamande, dans le respect des critères de localisation fixés au § 3. Le produit net est exprimé en prix de 2002.
§ 2. A partir de l'année budgétaire 2003, le montant par communauté obtenu en application du § 1er est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3.
§ 3. Pour l'application du § 1er, la redevance radio et télévision est réputée être localisée comme suit : à l'endroit où l'appareil de télévision est détenu et, en ce qui concerne les appareils à bord de véhicules automobiles, à l'endroit où le détenteur de l'appareil est établi.
Il est attribué à la Communauté française la part du produit net de la redevance radio et télévision localisée dans la Région de langue française, majorée de 80 % de la partie du produit net de cette redevance dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
Il est attribué à la Communauté flamande la part du produit net de la redevance radio et télévision localisée en Région de langue néerlandaise, majorée de 20 % de la partie du produit net de cette redevance dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale. ".
Art.35. Artikel 48, § 2, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet, wordt aangevuld als volgt :
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
Art.35. L'article 48, § 2, alinéa 2, de la même loi spéciale, est complété comme suit :
" A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
" A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
Art.36. § 1. In artikel 49, van dezelfde bijzondere wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de §§ 1 tot 3 worden vervangen door de volgende bepalingen :
" § 1. De gemeenschappen en de gewesten kunnen leningen aangaan in euro of in deviezen.
§ 2. De programmatie van de openbare leningen wordt vastgesteld door de Ministerraad na overleg met de regeringen.
De voorwaarden en de uitgiftekalender van elke openbare lening worden ter goedkeuring aan de minister van Financiën voorgelegd.
Indien deze goedkeuring door de Minister van Financiën wordt geweigerd, kan de betrokken regering vragen dat de kwestie ter beslissing aan de Ministerraad wordt voorgelegd.
§ 3. De gemeenschappen en de gewesten kunnen privé-leningen en kortlopende effecten uitgeven na de Minister van Financiën terzake te hebben geïnformeerd. De modaliteiten van de mededeling en de inhoud van deze informatie maken het voorwerp uit van een overeenkomst tussen de Minister van Financiën en de regeringen. ";
2° § 4 wordt opgeheven;
3° In § 5 worden de woorden " van §§ 2 en 4 " vervangen door de woorden " van § 2 ".
1° de §§ 1 tot 3 worden vervangen door de volgende bepalingen :
" § 1. De gemeenschappen en de gewesten kunnen leningen aangaan in euro of in deviezen.
§ 2. De programmatie van de openbare leningen wordt vastgesteld door de Ministerraad na overleg met de regeringen.
De voorwaarden en de uitgiftekalender van elke openbare lening worden ter goedkeuring aan de minister van Financiën voorgelegd.
Indien deze goedkeuring door de Minister van Financiën wordt geweigerd, kan de betrokken regering vragen dat de kwestie ter beslissing aan de Ministerraad wordt voorgelegd.
§ 3. De gemeenschappen en de gewesten kunnen privé-leningen en kortlopende effecten uitgeven na de Minister van Financiën terzake te hebben geïnformeerd. De modaliteiten van de mededeling en de inhoud van deze informatie maken het voorwerp uit van een overeenkomst tussen de Minister van Financiën en de regeringen. ";
2° § 4 wordt opgeheven;
3° In § 5 worden de woorden " van §§ 2 en 4 " vervangen door de woorden " van § 2 ".
Art.36. § 1er. A l'article 49 de la même loi spéciale, sont apportées les modifications suivantes :
1° les §§ 1er à 3 sont remplacés par les dispositions suivantes :
" § 1er. Les communautes et les régions peuvent contracter des emprunts en euros ou en devises.
§ 2. La programmation des emprunts publics est fixée par le Conseil des Ministres après concertation avec les gouvernements.
Les conditions et le calendrier d'émission de tout emprunt public sont soumis pour approbation au ministre des Finances.
En cas de refus d'approbation du Ministre des Finances, le gouvernement concerné peut demander que l'affaire soit portée devant le Conseil des Ministres pour décision.
§ 3. Les communautés et les régions peuvent émettre des emprunts privés ainsi que des titres à court terme après en avoir informé le Ministre des Finances. Les modalités de la communication et le contenu de cette information font l'objet d'une convention entre le Ministre des Finances et les gouvernements. ";
2° le § 4 est abrogé;
3° Au § 5, les mots " des §§ 2 et 4 " sont remplacés par les mots " du § 2 ".
1° les §§ 1er à 3 sont remplacés par les dispositions suivantes :
" § 1er. Les communautes et les régions peuvent contracter des emprunts en euros ou en devises.
§ 2. La programmation des emprunts publics est fixée par le Conseil des Ministres après concertation avec les gouvernements.
Les conditions et le calendrier d'émission de tout emprunt public sont soumis pour approbation au ministre des Finances.
En cas de refus d'approbation du Ministre des Finances, le gouvernement concerné peut demander que l'affaire soit portée devant le Conseil des Ministres pour décision.
§ 3. Les communautés et les régions peuvent émettre des emprunts privés ainsi que des titres à court terme après en avoir informé le Ministre des Finances. Les modalités de la communication et le contenu de cette information font l'objet d'une convention entre le Ministre des Finances et les gouvernements. ";
2° le § 4 est abrogé;
3° Au § 5, les mots " des §§ 2 et 4 " sont remplacés par les mots " du § 2 ".
Art.37. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 49bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 49bis. De bepalingen van artikel 49 met uitzondering van § 6, eerste lid, zijn van toepassing op de krachtens artikel 138 van de Grondwet toegekende bevoegdheden aan de Franse Gemeenschapscommissie. ".
" Art. 49bis. De bepalingen van artikel 49 met uitzondering van § 6, eerste lid, zijn van toepassing op de krachtens artikel 138 van de Grondwet toegekende bevoegdheden aan de Franse Gemeenschapscommissie. ".
Art.37. Dans la même loi spéciale un article 49bis est inséré, rédigé comme suit :
" Art. 49bis. Les dispositions de l'article 49, à l'exception du § 6, alinéa 1er, sont applicables aux compétences accordées en vertu de l'article 138 de la Constitution à la Commission communautaire française ".
" Art. 49bis. Les dispositions de l'article 49, à l'exception du § 6, alinéa 1er, sont applicables aux compétences accordées en vertu de l'article 138 de la Constitution à la Commission communautaire française ".
Art.38. Artikel 53, eerste lid, 1°bis, van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt opgeheven.
Art.38. L'article 53, alinéa 1er, 1°bis, de la même loi spéciale, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est abrogé.
Art.39. In artikel 61 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt een § 7 ingevoegd luidend als volgt :
" § 7. Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, nemen de gewesten de rechten en verplichtingen over van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend door de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
Met betrekking tot de verbintenissen aangegaan voor 1 januari 2002 inzake deze overgedragen bevoegdheden, blijft de Staat gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 2001 :
- hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
- hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.
Met betrekking tot de prefinanciering door de Staat, voor rekening van de lokale besturen die een beroep doen op de diensten van een gewestelijke ontvanger, van de kosten die verband houden met de bezoldigingen en andere vaste uitgaven voor de gewestelijke ontvangers en met de werkingsuitgaven van de gewestelijke gemeenteontvangerijen, behoudt de Staat zijn rechten tot terugvordering, op die lokale besturen, van de tot en met 31 december 2001 door hem geprefinancierde bedragen. ".
" § 7. Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, nemen de gewesten de rechten en verplichtingen over van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend door de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
Met betrekking tot de verbintenissen aangegaan voor 1 januari 2002 inzake deze overgedragen bevoegdheden, blijft de Staat gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 2001 :
- hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
- hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.
Met betrekking tot de prefinanciering door de Staat, voor rekening van de lokale besturen die een beroep doen op de diensten van een gewestelijke ontvanger, van de kosten die verband houden met de bezoldigingen en andere vaste uitgaven voor de gewestelijke ontvangers en met de werkingsuitgaven van de gewestelijke gemeenteontvangerijen, behoudt de Staat zijn rechten tot terugvordering, op die lokale besturen, van de tot en met 31 december 2001 door hem geprefinancierde bedragen. ".
Art.39. A l'article 61 de la même loi spéciale, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, il est inséré un § 7 rédigé comme suit :
" § 7. A moins que le présent paragraphe n'en dispose autrement, les régions succèdent aux droits et obligations de l'Etat relatifs aux compétences qui leur sont attribuées par la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés, en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours et à venir.
En ce qui concerne ces compétences transférées, l'Etat demeure, pour les engagements contractés avant le 1er janvier 2002, lié par les obligations existant au 31 décembre 2001 :
- soit lorsque leur paiement est dû à cette date s'il s'agit de dépenses fixes ou de dépenses pour lesquelles une déclaration de créance ne doit pas être produite;
- soit pour les autres dettes lorsqu'elles sont certaines et que leur paiement a été régulièrement réclamé a cette date, conformément aux lois et règlements en vigueur.
En ce qui concerne le préfinancement par l'Etat, pour le compte des pouvoirs locaux qui font appel aux services d'un receveur régional, des frais relatifs aux rémunérations et autres dépenses fixes pour les receveurs régionaux et aux dépenses de fonctionnement des recettes communales régionales, l'Etat conserve ses droits de récupérer sur ces pouvoirs locaux les montants qu'il a préfinancés jusqu'au 31 décembre 2001 y compris. ".
" § 7. A moins que le présent paragraphe n'en dispose autrement, les régions succèdent aux droits et obligations de l'Etat relatifs aux compétences qui leur sont attribuées par la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés, en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours et à venir.
En ce qui concerne ces compétences transférées, l'Etat demeure, pour les engagements contractés avant le 1er janvier 2002, lié par les obligations existant au 31 décembre 2001 :
- soit lorsque leur paiement est dû à cette date s'il s'agit de dépenses fixes ou de dépenses pour lesquelles une déclaration de créance ne doit pas être produite;
- soit pour les autres dettes lorsqu'elles sont certaines et que leur paiement a été régulièrement réclamé a cette date, conformément aux lois et règlements en vigueur.
En ce qui concerne le préfinancement par l'Etat, pour le compte des pouvoirs locaux qui font appel aux services d'un receveur régional, des frais relatifs aux rémunérations et autres dépenses fixes pour les receveurs régionaux et aux dépenses de fonctionnement des recettes communales régionales, l'Etat conserve ses droits de récupérer sur ces pouvoirs locaux les montants qu'il a préfinancés jusqu'au 31 décembre 2001 y compris. ".
Art.40. In artikel 62 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor het begrotingsjaar 2000 zijn deze bedragen respectievelijk 56 162 756,97 EUR voor de Franse Gemeenschap en 27 662 438,42 EUR voor de Vlaamse Gemeenschap. ";
2° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
1° § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor het begrotingsjaar 2000 zijn deze bedragen respectievelijk 56 162 756,97 EUR voor de Franse Gemeenschap en 27 662 438,42 EUR voor de Vlaamse Gemeenschap. ";
2° § 2 wordt aangevuld met het volgende lid :
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
Art.40. A l'article 62 de la même loi spéciale, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, sont apportées les modifications suivantes :
1° Le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" Pour l'année budgétaire 2000, ces montants sont respectivement de 56 162 756,97 EUR pour la Communauté française et de 27 662 438,42 EUR pour la Communauté flamande. ";
2° Le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
1° Le § 1er est complété par l'alinéa suivant :
" Pour l'année budgétaire 2000, ces montants sont respectivement de 56 162 756,97 EUR pour la Communauté française et de 27 662 438,42 EUR pour la Communauté flamande. ";
2° Le § 2 est complété par l'alinéa suivant :
" A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
Art.41. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 62bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 62bis. Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks een bedrag bepaald dat overeenstemt met 27,44 % van de te verdelen winst van de Nationale Loterij, zoals bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt jaarlijks verminderd met een bedrag dat overeenstemt met 0,8428 % van het in het eerste lid verkregen bedrag.
Het met toepassing van het tweede lid verkregen bedrag wordt jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld volgens het aandeel van elke gemeenschap in het totaal van de met toepassing van artikel 36, 1° en 2° voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag.
De voormelde bedragen worden gestort bij middel van voorschotten die op 30 juni en 31 december van het betrokken boekjaar niet hoger mogen zijn dan respectievelijk 50 % en 80 % van de voorlopige winstverdeling van de Nationale Loterij zoals in Ministerraad bepaald. ".
" Art. 62bis. Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks een bedrag bepaald dat overeenstemt met 27,44 % van de te verdelen winst van de Nationale Loterij, zoals bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt jaarlijks verminderd met een bedrag dat overeenstemt met 0,8428 % van het in het eerste lid verkregen bedrag.
Het met toepassing van het tweede lid verkregen bedrag wordt jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld volgens het aandeel van elke gemeenschap in het totaal van de met toepassing van artikel 36, 1° en 2° voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag.
De voormelde bedragen worden gestort bij middel van voorschotten die op 30 juni en 31 december van het betrokken boekjaar niet hoger mogen zijn dan respectievelijk 50 % en 80 % van de voorlopige winstverdeling van de Nationale Loterij zoals in Ministerraad bepaald. ".
Art.41. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 62bis, rédigé comme suit :
" Art. 62bis. A partir de l'année budgétaire 2002, il est établi chaque année un montant correspondant à 27,44 % du benéfice à répartir de la Loterie Nationale, comme prévu par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Le montant obtenu en application de l'alinéa 1er est réduit chaque année d'un montant correspondant à 0,8428 % du montant obtenu en application de l'alinéa 1.
Le montant obtenu en application de l'alinéa 2 est réparti chaque année entre la Communauté française et la Communauté flamande selon la part de chaque communauté dans le total du montant obtenu en application de l'article 36, 1° et 2°, pour les deux communautés réunies.
Les montants susvisés sont versés au moyen d'avances qui, le 30 juin et le 31 décembre de l'exercice concerné, ne peuvent excéder respectivement 50 % et 80 % de la répartition provisoire des bénéfices de la Loterie Nationale comme prévu en Conseil des Ministres. ".
" Art. 62bis. A partir de l'année budgétaire 2002, il est établi chaque année un montant correspondant à 27,44 % du benéfice à répartir de la Loterie Nationale, comme prévu par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
Le montant obtenu en application de l'alinéa 1er est réduit chaque année d'un montant correspondant à 0,8428 % du montant obtenu en application de l'alinéa 1.
Le montant obtenu en application de l'alinéa 2 est réparti chaque année entre la Communauté française et la Communauté flamande selon la part de chaque communauté dans le total du montant obtenu en application de l'article 36, 1° et 2°, pour les deux communautés réunies.
Les montants susvisés sont versés au moyen d'avances qui, le 30 juin et le 31 décembre de l'exercice concerné, ne peuvent excéder respectivement 50 % et 80 % de la répartition provisoire des bénéfices de la Loterie Nationale comme prévu en Conseil des Ministres. ".
Art.42. In dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 62ter ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 62ter. Vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen, worden aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap bijkomende middelen toegekend gelijk aan een bedrag van 5 659 409,17 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002. De verdeling van dit bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht, zoals bedoeld in artikel 18, 4°, van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.
Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2. ".
" Art. 62ter. Vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen, worden aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap bijkomende middelen toegekend gelijk aan een bedrag van 5 659 409,17 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002. De verdeling van dit bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht, zoals bedoeld in artikel 18, 4°, van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.
Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2. ".
Art.42. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 62ter rédigé comme suit :
" Art. 62ter. A partir de l'année budgétaire au cours de laquelle le Jardin botanique national de Belgique est transféré, des moyens supplémentaires équivalant à un montant de 5 659 409,17 EUR exprimés en prix de 2002, sont attribués à la Communauté flamande et à la Communauté française. La répartition de ce montant entre les deux communautés s'opère selon une clef qui est en conformité avec le rôle linguistique des effectifs en personnel du Jardin botanique national au jour du transfert, au sens visé à l'article 18, 4°, de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés.
Chaque année, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgetaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2. ".
" Art. 62ter. A partir de l'année budgétaire au cours de laquelle le Jardin botanique national de Belgique est transféré, des moyens supplémentaires équivalant à un montant de 5 659 409,17 EUR exprimés en prix de 2002, sont attribués à la Communauté flamande et à la Communauté française. La répartition de ce montant entre les deux communautés s'opère selon une clef qui est en conformité avec le rôle linguistique des effectifs en personnel du Jardin botanique national au jour du transfert, au sens visé à l'article 18, 4°, de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés.
Chaque année, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgetaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2. ".
Art.43. Artikel 64, § 2, van dezelfde bijzondere wet wordt aangevuld met het volgende lid :
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
Art.43. L'article 64, § 2, de la même loi spéciale est complété par l'alinéa suivant :
" A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix a la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
" A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix a la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
Art.44. Artikel 65, § 4, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet wordt aangevuld als volgt :
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
Art.44. L'article 65, § 4, alinéa 2, de la même loi spéciale est complété comme suit :
" A partir de l'année budgetaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
" A partir de l'année budgetaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
Art.45. In dezelfde bijzondere wet, wordt een artikel 65bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 65bis. Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid toegekend aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie en aan de Franse Gemeenschapscommissie ingesteld bij artikel 60, tweede en derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Het basisbedrag van die middelen is gelijk aan 24 789 352,48 EUR.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt dat basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2.
Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
80 % van dat bedrag gaat naar de Franse Gemeenschapscommissie en 20 % naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie. ".
" Art. 65bis. Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid toegekend aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie en aan de Franse Gemeenschapscommissie ingesteld bij artikel 60, tweede en derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Het basisbedrag van die middelen is gelijk aan 24 789 352,48 EUR.
Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt dat basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2.
Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
80 % van dat bedrag gaat naar de Franse Gemeenschapscommissie en 20 % naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie. ".
Art.45. Dans la même loi spéciale, il est inséré un article 65bis, rédigé comme suit :
" Art. 65bis. A partir de l'année budgétaire 2002, des moyens spéciaux à charge de l'autorité fédérale sont accordés à la Commission communautaire française et à la Commission communautaire flamande prévues à l'article 60, alinéas 2 et 3, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises. Le montant de base de ces moyens est égal à 24 789.352,48 EUR.
A partir de l'année budgétaire 2003, ce montant de base est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2.
Ces moyens sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques.
Ce montant est réparti à concurrence de 80 % pour la Commission communautaire française et de 20 % pour la Commission communautaire flamande. ".
" Art. 65bis. A partir de l'année budgétaire 2002, des moyens spéciaux à charge de l'autorité fédérale sont accordés à la Commission communautaire française et à la Commission communautaire flamande prévues à l'article 60, alinéas 2 et 3, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises. Le montant de base de ces moyens est égal à 24 789.352,48 EUR.
A partir de l'année budgétaire 2003, ce montant de base est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2.
Ces moyens sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques.
Ce montant est réparti à concurrence de 80 % pour la Commission communautaire française et de 20 % pour la Commission communautaire flamande. ".
Art.46. In Titel VIII van dezelfde bijzondere wet wordt een artikel 68ter ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 68ter. - Vanaf het begrotingsjaar waarin het gewest de dienst van de in het tweede lid bedoelde belastingen verzekert, en ten vroegste vanaf het begrotingsjaar 2004, wordt jaarlijks een dotatie op de begroting van het Ministerie van Financiën voor het betrokken gewest ingeschreven. Deze dotatie stemt overeen met de met toepassing van het tweede en derde lid bepaalde kostprijs voor de betrokken belasting en zal slechts worden doorgestort in de mate dat het gewest het personeel van de betrokken administraties heeft overgenomen.
De totale kostprijs van de dienst van de belastingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, wordt vóór 31 december 2003 bij wet, na voorafgaand overleg met de betrokken gewestregeringen bepaald. Deze totale kostprijs wordt per belasting berekend als het gemiddelde van de voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 bepaalde kostprijs die vooraf werd uitgedrukt in prijzen van 2002.
De verhouding wordt bepaald van de met toepassing van het tweede lid verkregen totale kostprijs tot het totaal van de in de drie gewesten gelokaliseerde ontvangsten van de betrokken belasting. Dit percentage wordt toegepast op de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de betrokken belasting. De in dit lid bedoelde ontvangsten worden berekend als het gemiddelde van de ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, nadat eventuele interregionale tariefverschillen werden geneutraliseerd.
Het met toepassing van het derde lid verkregen bedrag, per belasting en per gewest, wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
" Art. 68ter. - Vanaf het begrotingsjaar waarin het gewest de dienst van de in het tweede lid bedoelde belastingen verzekert, en ten vroegste vanaf het begrotingsjaar 2004, wordt jaarlijks een dotatie op de begroting van het Ministerie van Financiën voor het betrokken gewest ingeschreven. Deze dotatie stemt overeen met de met toepassing van het tweede en derde lid bepaalde kostprijs voor de betrokken belasting en zal slechts worden doorgestort in de mate dat het gewest het personeel van de betrokken administraties heeft overgenomen.
De totale kostprijs van de dienst van de belastingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, wordt vóór 31 december 2003 bij wet, na voorafgaand overleg met de betrokken gewestregeringen bepaald. Deze totale kostprijs wordt per belasting berekend als het gemiddelde van de voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 bepaalde kostprijs die vooraf werd uitgedrukt in prijzen van 2002.
De verhouding wordt bepaald van de met toepassing van het tweede lid verkregen totale kostprijs tot het totaal van de in de drie gewesten gelokaliseerde ontvangsten van de betrokken belasting. Dit percentage wordt toegepast op de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de betrokken belasting. De in dit lid bedoelde ontvangsten worden berekend als het gemiddelde van de ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, nadat eventuele interregionale tariefverschillen werden geneutraliseerd.
Het met toepassing van het derde lid verkregen bedrag, per belasting en per gewest, wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3. ".
Art.46. Il est inséré dans le Titre VIII de la même loi spéciale, un article 68ter, rédigé comme suit :
" Art. 68ter. A partir de l'année budgétaire durant laquelle la région assure le service des impôts vises à l'alinéa 2, et au plus tôt à partir de l'année budgétaire 2004, une dotation sur le budget du Ministère des Finances est inscrite chaque année pour la région concernée. Cette dotation correspond au prix de revient fixé en application des alinéas 2 et 3 pour l'impôt concerné et ne sera reversée que dans la mesure où la région a repris le personnel des administrations concernées.
Le prix de revient total du service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, est fixé avant le 31 décembre 2003 par une loi après concertation préalable avec les gouvernements des régions concernées. Ce prix de revient total est calculé par impôt comme la moyenne du prix de revient déterminé pour les années budgétaires 1999 à 2001 incluse qui a été préalablement exprimé en chiffres de 2002.
Il est procédé à l'etablissement du rapport du prix de revient total obtenu en application de l'alinéa 2 et du total des recettes de l'impôt concerné, localisées dans les trois régions. Ce pourcentage est appliqué aux recettes de l'impôt concerné, localisées dans chaque région. Les recettes visées dans cet alinéa sont calculées comme la moyenne des recettes des années budgétaires 1999 a 2001 incluse, qui sont prealablement exprimées en prix de 2002, après neutralisation d'éventuels écarts de tarifs entre les régions.
Le montant obtenu en application de l'alinéa 3, par impôt et par région, est adapté chaque année à partir de l'année budgétaire 2003 au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
" Art. 68ter. A partir de l'année budgétaire durant laquelle la région assure le service des impôts vises à l'alinéa 2, et au plus tôt à partir de l'année budgétaire 2004, une dotation sur le budget du Ministère des Finances est inscrite chaque année pour la région concernée. Cette dotation correspond au prix de revient fixé en application des alinéas 2 et 3 pour l'impôt concerné et ne sera reversée que dans la mesure où la région a repris le personnel des administrations concernées.
Le prix de revient total du service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, est fixé avant le 31 décembre 2003 par une loi après concertation préalable avec les gouvernements des régions concernées. Ce prix de revient total est calculé par impôt comme la moyenne du prix de revient déterminé pour les années budgétaires 1999 à 2001 incluse qui a été préalablement exprimé en chiffres de 2002.
Il est procédé à l'etablissement du rapport du prix de revient total obtenu en application de l'alinéa 2 et du total des recettes de l'impôt concerné, localisées dans les trois régions. Ce pourcentage est appliqué aux recettes de l'impôt concerné, localisées dans chaque région. Les recettes visées dans cet alinéa sont calculées comme la moyenne des recettes des années budgétaires 1999 a 2001 incluse, qui sont prealablement exprimées en prix de 2002, après neutralisation d'éventuels écarts de tarifs entre les régions.
Le montant obtenu en application de l'alinéa 3, par impôt et par région, est adapté chaque année à partir de l'année budgétaire 2003 au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3. ".
Art.47. In artikel 75 van dezelfde bijzondere wet, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt een § 1ter ingevoegd, luidend als volgt :
" § 1ter. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de gewesten en de gemeenschappen, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet gedurende een periode van 12 maanden. De federale overheid houdt daartoe op de aan de gewesten en de gemeenschappen over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de betrokken regeringen. ".
" § 1ter. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de gewesten en de gemeenschappen, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet gedurende een periode van 12 maanden. De federale overheid houdt daartoe op de aan de gewesten en de gemeenschappen over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de betrokken regeringen. ".
Art.47. A l'article 75 de la même loi spéciale, modifié par la loi spéciale du 16 juillet 1993, il est inséré un § 1erter, rédige comme suit :
" § 1erter. A charge des crédits ouverts par la loi, sont autorisés pendant une durée de 12 mois l'engagement, l'ordonnancement et la liquidation des dépenses relatives aux services administratifs à transférer et qui ne sont ni effectivement ni intégralement pris en charge par les régions et les communautés. L'autorité fédérale prélève à cet effet sur les moyens à transférer aux régions et aux communautes les montants nécessaires pour couvrir ces dépenses.
Ces prélèvements sont fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres après concertation avec les gouvernements concernes. ".
" § 1erter. A charge des crédits ouverts par la loi, sont autorisés pendant une durée de 12 mois l'engagement, l'ordonnancement et la liquidation des dépenses relatives aux services administratifs à transférer et qui ne sont ni effectivement ni intégralement pris en charge par les régions et les communautés. L'autorité fédérale prélève à cet effet sur les moyens à transférer aux régions et aux communautes les montants nécessaires pour couvrir ces dépenses.
Ces prélèvements sont fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres après concertation avec les gouvernements concernes. ".
Art.48. Artikel 77 van dezelfde bijzondere wet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
" § 2. Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar 2002 aan de federale overheid machtiging verleend om, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de regeringen hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 januari 2002 door of krachtens de Grondwet aan de gemeenschappen en de gewesten werden toegewezen. ".
" § 2. Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar 2002 aan de federale overheid machtiging verleend om, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de regeringen hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 januari 2002 door of krachtens de Grondwet aan de gemeenschappen en de gewesten werden toegewezen. ".
Art.48. A l'article 77 de la même loi spéciale, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2 rédigé comme suit :
" § 2. Sans préjudice de l'article 75 et durant l'année 2002, l'autorité fédérale est autorisée à procéder, pour le compte des gouvernements de communauté et de région, à charge des crédits ouverts par la loi aux engagements, ordonnancements et liquidations des dépenses décidées par les gouvernements relativement aux nouvelles compétences qui ont été attribuées aux communautés et aux régions par la Constitution ou en vertu de celle-ci à partir du 1er janvier 2002. ".
" § 2. Sans préjudice de l'article 75 et durant l'année 2002, l'autorité fédérale est autorisée à procéder, pour le compte des gouvernements de communauté et de région, à charge des crédits ouverts par la loi aux engagements, ordonnancements et liquidations des dépenses décidées par les gouvernements relativement aux nouvelles compétences qui ont été attribuées aux communautés et aux régions par la Constitution ou en vertu de celle-ci à partir du 1er janvier 2002. ".
HOOFDSTUK III. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
CHAPITRE III. - Modifications de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
Art.49. In artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de bijzondere wetten van 8 augustus 1988, van 16 januari 1989 en van 16 juli 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 2° de programma's voor wedertewerkstelling van de niet-werkende werkzoekenden, met uitsluiting van de programma's voor wedertewerkstelling in de besturen en de diensten van de federale overheid of die onder het toezicht van deze overheid ressorteren en met uitsluiting van de overeenkomsten bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector. ";
2° in het tweede lid worden de woorden " uitkeringsgerechtigde volledig werkloze of iedere bij of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde persoon " vervangen door de woorden " niet-werkende werkzoekende ";
3° in het derde lid worden de woorden " de werkloosheidsduur van de werkloze die wedertewerkgesteld wordt " vervangen door de woorden " de periode gedurende dewelke de wedertewerkgestelde werkzoekende ingeschreven is als werkzoekende en geen werk heeft ";
4° het vierde lid wordt vervangen door het volgende lid :
" De federale overheid kent eveneens de financiële tegemoetkoming toe, bedoeld in het tweede lid, voor een aantal werknemers, tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of op basis van een statuut, gelijk aan het aantal betrekkingen dat gehandhaafd is onder de betrekkingen die de dag vóór de opheffing van de wedertewerkstellingsprogramma's door een gewest in het kader van die programma's ingevuld waren. ".
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 2° de programma's voor wedertewerkstelling van de niet-werkende werkzoekenden, met uitsluiting van de programma's voor wedertewerkstelling in de besturen en de diensten van de federale overheid of die onder het toezicht van deze overheid ressorteren en met uitsluiting van de overeenkomsten bedoeld in afdeling 5 van hoofdstuk II van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector. ";
2° in het tweede lid worden de woorden " uitkeringsgerechtigde volledig werkloze of iedere bij of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde persoon " vervangen door de woorden " niet-werkende werkzoekende ";
3° in het derde lid worden de woorden " de werkloosheidsduur van de werkloze die wedertewerkgesteld wordt " vervangen door de woorden " de periode gedurende dewelke de wedertewerkgestelde werkzoekende ingeschreven is als werkzoekende en geen werk heeft ";
4° het vierde lid wordt vervangen door het volgende lid :
" De federale overheid kent eveneens de financiële tegemoetkoming toe, bedoeld in het tweede lid, voor een aantal werknemers, tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of op basis van een statuut, gelijk aan het aantal betrekkingen dat gehandhaafd is onder de betrekkingen die de dag vóór de opheffing van de wedertewerkstellingsprogramma's door een gewest in het kader van die programma's ingevuld waren. ".
Art.49. A l'article 6, § 1er, IX, 2°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, modifié par les lois spéciales des 8 août 1988, 16 janvier 1989 et 16 juillet 1993, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" 2° les programmes de remise au travail des demandeurs d'emploi inoccupés, à l'exclusion des programmes de remise au travail dans les administrations et services de l'autorité fédérale ou placés sous sa tutelle et à l'exclusion des conventions visées dans la section 5 du chapitre II de l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non marchand. ";
2° à l'alinéa 2, les mots " chaque chômeur complet indemnisé ou chaque personne assimilée par ou en vertu de la loi " sont remplacés par les mots " chaque demandeur d'emploi inoccupé ";
3° à l'alinéa 3, les mots " la durée du chômage du chômeur remis au travail " sont remplacés par les mots " la durée d'inscription comme demandeur d'emploi pendant laquelle le demandeur d'emploi remis au travail est inoccupé ";
4° le quatrième alinéa est remplacé par l'alinéa suivant :
" L'autorité fédérale octroie également l'intervention financiere visée à l'alinéa 2 pour un nombre de travailleurs occupés dans les liens d'un contrat de travail ou d'un engagement statutaire égal au nombre d'emplois maintenus parmi ceux qui étaient occupés dans les programmes de remise au travail la veille de leur abrogation par une région. ".
1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
" 2° les programmes de remise au travail des demandeurs d'emploi inoccupés, à l'exclusion des programmes de remise au travail dans les administrations et services de l'autorité fédérale ou placés sous sa tutelle et à l'exclusion des conventions visées dans la section 5 du chapitre II de l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non marchand. ";
2° à l'alinéa 2, les mots " chaque chômeur complet indemnisé ou chaque personne assimilée par ou en vertu de la loi " sont remplacés par les mots " chaque demandeur d'emploi inoccupé ";
3° à l'alinéa 3, les mots " la durée du chômage du chômeur remis au travail " sont remplacés par les mots " la durée d'inscription comme demandeur d'emploi pendant laquelle le demandeur d'emploi remis au travail est inoccupé ";
4° le quatrième alinéa est remplacé par l'alinéa suivant :
" L'autorité fédérale octroie également l'intervention financiere visée à l'alinéa 2 pour un nombre de travailleurs occupés dans les liens d'un contrat de travail ou d'un engagement statutaire égal au nombre d'emplois maintenus parmi ceux qui étaient occupés dans les programmes de remise au travail la veille de leur abrogation par une région. ".
Art.50. In artikel 6, § 3bis, 1°, van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988, worden de woorden " wedertewerkstellingsprogramma's van werklozen " door de woorden " programma's voor wedertewerkstelling van de niet-werkende werkzoekenden " vervangen.
Art.50. A l'article 6, § 3bis, 1°, de la même loi spéciale, inséré par la loi spéciale du 8 août 1988, les mots " programmes de remise au travail des chômeurs " sont remplacés par les mots " programmes de remise au travail des demandeurs d'emploi non occupés ".
Art.51. Artikel 88 van dezelfde bijzondere wet, vervangen bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt aangevuld met een § 3bis, luidende :
" § 3bis. In het kader van de overdracht aan het Waals Gewest van de bevoegdheden bedoeld in artikel 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, voor wat de in het Franse taalgebied gelokaliseerde opbrengst van het kijk- en luistergeld betreft, regelt de Franse gemeenschapsregering de modaliteiten van de overdracht van de betrokken personeelsleden van de Franse gemeenschapsregering naar de Waalse gewestregering.
In het kader van de overdracht aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van de bevoegdheden bedoeld in artikel 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, voor wat de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde opbrengst van het kijk- en luistergeld betreft, bepalen de Vlaamse regering en de Franse gemeenschapsregering in onderling akkoord, elk wat haar betreft, de nadere regelen van de overdracht van de betrokken personeelsleden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap naar de Brusselse Hoofdstedelijke regering. ".
" § 3bis. In het kader van de overdracht aan het Waals Gewest van de bevoegdheden bedoeld in artikel 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, voor wat de in het Franse taalgebied gelokaliseerde opbrengst van het kijk- en luistergeld betreft, regelt de Franse gemeenschapsregering de modaliteiten van de overdracht van de betrokken personeelsleden van de Franse gemeenschapsregering naar de Waalse gewestregering.
In het kader van de overdracht aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van de bevoegdheden bedoeld in artikel 4, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, voor wat de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde opbrengst van het kijk- en luistergeld betreft, bepalen de Vlaamse regering en de Franse gemeenschapsregering in onderling akkoord, elk wat haar betreft, de nadere regelen van de overdracht van de betrokken personeelsleden van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap naar de Brusselse Hoofdstedelijke regering. ".
Art.51. L'article 88 de la même loi spéciale, remplacé par la loi spéciale du 16 juillet 1993, est complété par un § 3bis rédige comme suit :
" § 3bis. Dans le cadre du transfert à la Région wallonne des compétences visées à l'article 4, § 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, en ce qui concerne le produit de la redevance radio et télevision localisé dans la Région de langue française, le gouvernement de la Communauté française règle les modalités du transfert des membres du personnel concernés du gouvernement de la Communauté française au gouvernement de la Région wallonne.
Dans le cadre du transfert à la Région de Bruxelles-Capitale des compétences visées à l'article 4, § 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, en ce qui concerne le produit de la redevance radio et télévision localisé dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, le gouvernement de la Communauté française et le gouvernement flamand règlent d'un commun accord, chacun pour ce qui le concerne, les modalités du transfert des membres du personnel concernés des communautés française et flamande au gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
" § 3bis. Dans le cadre du transfert à la Région wallonne des compétences visées à l'article 4, § 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, en ce qui concerne le produit de la redevance radio et télevision localisé dans la Région de langue française, le gouvernement de la Communauté française règle les modalités du transfert des membres du personnel concernés du gouvernement de la Communauté française au gouvernement de la Région wallonne.
Dans le cadre du transfert à la Région de Bruxelles-Capitale des compétences visées à l'article 4, § 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, en ce qui concerne le produit de la redevance radio et télévision localisé dans la Région bilingue de Bruxelles-Capitale, le gouvernement de la Communauté française et le gouvernement flamand règlent d'un commun accord, chacun pour ce qui le concerne, les modalités du transfert des membres du personnel concernés des communautés française et flamande au gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale. ".
Art.52. In artikel 92bis van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988 en gewijzigd bij de bijzondere wetten van 16 januari 1989, 5 mei 1993, 16 juli 1993 en 28 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 2 wordt aangevuld als volgt :
" f) op de uitoefening van de in artikel 4, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten bedoelde bevoegdheden ingeval de belastingplichtige een vennootschap, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is;
g) op de uitoefening van de in artikel 4, § 4, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten bedoelde bevoegdheden voor de voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven. ";
2° § 3 wordt aangevuld als volgt :
" e) voor de uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten, bedoeld in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, en van de federale overheid. ".
1° § 2 wordt aangevuld als volgt :
" f) op de uitoefening van de in artikel 4, § 3, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten bedoelde bevoegdheden ingeval de belastingplichtige een vennootschap, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is;
g) op de uitoefening van de in artikel 4, § 4, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten bedoelde bevoegdheden voor de voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven. ";
2° § 3 wordt aangevuld als volgt :
" e) voor de uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten, bedoeld in de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, en van de federale overheid. ".
Art.52. A l'article 92bis de la même loi spéciale, inseré par la loi spéciale du 8 août 1988 et modifié par les lois spéciales des 16 janvier 1989, 5 mai 1993, 16 juillet 1993 et 28 décembre 1994, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 2 est complété comme suit :
" f) à l'exercice des compétences visées à l'article 4, § 3, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions dans les cas où le contribuable est une société, une entreprise publique autonome ou une association sans but lucratif à activités de leasing;
g) a l'exercice des compétences visées à l'article 4, § 4, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions pour les véhicules qui sont immatriculés à l'étranger. ";
2° le § 3 est complété comme suit :
" e) pour l'échange d'informations dans le cadre de l'exercice des compétences fiscales des régions, visées dans la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, et de l'autorité fédérale. ".
1° le § 2 est complété comme suit :
" f) à l'exercice des compétences visées à l'article 4, § 3, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions dans les cas où le contribuable est une société, une entreprise publique autonome ou une association sans but lucratif à activités de leasing;
g) a l'exercice des compétences visées à l'article 4, § 4, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions pour les véhicules qui sont immatriculés à l'étranger. ";
2° le § 3 est complété comme suit :
" e) pour l'échange d'informations dans le cadre de l'exercice des compétences fiscales des régions, visées dans la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, et de l'autorité fédérale. ".
HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.
CHAPITRE IV. - Modification de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d'arbitrage.
Art.53. In de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof wordt een artikel 3bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 3bis. Voor de beroepen tot nietigverklaring van een decreet of een regel bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, die gegrond zijn op de schending van de artikelen 6, § 2, en 9, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, begint de termijn van zes maanden waarin artikel 3 voorziet pas te lopen zodra de inkohieringstermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verstreken is. ".
" Art. 3bis. Voor de beroepen tot nietigverklaring van een decreet of een regel bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, die gegrond zijn op de schending van de artikelen 6, § 2, en 9, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, begint de termijn van zes maanden waarin artikel 3 voorziet pas te lopen zodra de inkohieringstermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verstreken is. ".
Art.53. Dans la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d'arbitrage, il est inséré un article 3bis, rédigé comme suit :
" Art. 3bis. Pour les recours tendant à l'annulation d'un décret ou d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution qui sont fondés sur la violation des articles 6, § 2, et 9, § 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, le délai de six mois prevu à l'article 3 ne commence à courir qu'à l'expiration du délai d'enrôlement prévu, par l'article 359 du Code de l'impôt sur les revenus 1992. ".
" Art. 3bis. Pour les recours tendant à l'annulation d'un décret ou d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution qui sont fondés sur la violation des articles 6, § 2, et 9, § 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, le délai de six mois prevu à l'article 3 ne commence à courir qu'à l'expiration du délai d'enrôlement prévu, par l'article 359 du Code de l'impôt sur les revenus 1992. ".
HOOFDSTUK V. - Wijzigingen van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.
CHAPITRE V. - Modifications de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises.
Art.54. In de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen wordt een artikel 46bis ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 46bis. Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid verdeeld onder de gemeenten waarvan het college van burgemeester en schepenen is samengesteld in overeenstemming met artikel 279 van de nieuwe gemeentewet of waarvan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt voorgezeten in overeenstemming met het voornoemde artikel.
Het basisbedrag van deze middelen is gelijk aan 24 789 352,48 EUR. Vanaf 2003 wordt dat bedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 47, § 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
Deze middelen worden verdeeld onder de in het eerste lid bedoelde gemeenten volgens de criteria en de wegingen bepaald in de artikelen 5 tot 15 van de ordonnantie van 21 december 1998 tot vaststelling van de regels voor de verdeling van de algemene dotatie aan de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. De middelen worden aan elke betrokken gemeente toegekend a rato van de periode van het jaar waarin deze voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarde.
De regering verdeelt de bijzondere dotatie en keert het aandeel van de betrokken gemeenten uit, overeenkomstig de mechanismen van de voornoemde ordonnantie. Voor de eerste keer wordt de bijzondere dotatie echter verdeeld vóór 31 januari 2002. ".
" Art. 46bis. Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid verdeeld onder de gemeenten waarvan het college van burgemeester en schepenen is samengesteld in overeenstemming met artikel 279 van de nieuwe gemeentewet of waarvan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt voorgezeten in overeenstemming met het voornoemde artikel.
Het basisbedrag van deze middelen is gelijk aan 24 789 352,48 EUR. Vanaf 2003 wordt dat bedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto nationaal inkomen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 47, § 2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
Deze middelen worden verdeeld onder de in het eerste lid bedoelde gemeenten volgens de criteria en de wegingen bepaald in de artikelen 5 tot 15 van de ordonnantie van 21 december 1998 tot vaststelling van de regels voor de verdeling van de algemene dotatie aan de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. De middelen worden aan elke betrokken gemeente toegekend a rato van de periode van het jaar waarin deze voldoet aan de in het eerste lid bepaalde voorwaarde.
De regering verdeelt de bijzondere dotatie en keert het aandeel van de betrokken gemeenten uit, overeenkomstig de mechanismen van de voornoemde ordonnantie. Voor de eerste keer wordt de bijzondere dotatie echter verdeeld vóór 31 januari 2002. ".
Art.54. Dans la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises, il est inséré un article 46bis, rédigé comme suit :
" Art. 46bis. A partir de l'année budgétaire 2002, des moyens spéciaux à charge de l'autorité fédérale sont répartis entre les communes dont le collège des bourgmestre et échevins est composé conformément à l'article 279 de la nouvelle loi communale ou dont le centre public d'aide sociale est présidé conformément au même article.
Le montant de base de ces moyens est égal à 24 789 352,48 EUR. Dès l'année 2003, ce montant est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions.
Ces moyens sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques.
Ces moyens sont répartis entre les communes visées à l'alinéa 1er en fonction des critères et pondérations prévus aux articles 5 à 15 de l'ordonnance du 21 décembre 1998 fixant les règles de répartition de la dotation générale aux communes de la Région de Bruxelles-Capitale. Ils sont attribués à chaque commune concernée au prorata de la période de l'année pendant laquelle elle remplit la condition prévue à l'alinéa 1.
Le gouvernement répartit la dotation spéciale et liquide la quote-part des communes concernées conformément aux mécanismes de l'ordonnance precitée. Toutefois, pour la première attribution, la dotation spéciale est répartie avant le 31 janvier 2002. ".
" Art. 46bis. A partir de l'année budgétaire 2002, des moyens spéciaux à charge de l'autorité fédérale sont répartis entre les communes dont le collège des bourgmestre et échevins est composé conformément à l'article 279 de la nouvelle loi communale ou dont le centre public d'aide sociale est présidé conformément au même article.
Le montant de base de ces moyens est égal à 24 789 352,48 EUR. Dès l'année 2003, ce montant est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du revenu national brut de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions.
Ces moyens sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques.
Ces moyens sont répartis entre les communes visées à l'alinéa 1er en fonction des critères et pondérations prévus aux articles 5 à 15 de l'ordonnance du 21 décembre 1998 fixant les règles de répartition de la dotation générale aux communes de la Région de Bruxelles-Capitale. Ils sont attribués à chaque commune concernée au prorata de la période de l'année pendant laquelle elle remplit la condition prévue à l'alinéa 1.
Le gouvernement répartit la dotation spéciale et liquide la quote-part des communes concernées conformément aux mécanismes de l'ordonnance precitée. Toutefois, pour la première attribution, la dotation spéciale est répartie avant le 31 janvier 2002. ".
Art.55. In artikel 83quater, § 1, van dezelfde bijzondere wet, ingevoegd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt het in het eerste lid vermelde bedrag verhoogd met een bedrag van 24 789 352,48 EUR, dat jaarlijks aangepast wordt aan de gemiddelde ontwikkeling van de lonen in de diensten van de regering sinds 1992. Artikel 83ter, § 4, eerste lid, tweede zin, is van toepassing. ".
" Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt het in het eerste lid vermelde bedrag verhoogd met een bedrag van 24 789 352,48 EUR, dat jaarlijks aangepast wordt aan de gemiddelde ontwikkeling van de lonen in de diensten van de regering sinds 1992. Artikel 83ter, § 4, eerste lid, tweede zin, is van toepassing. ".
Art.55. A l'article 83quater, § 1er, de la même loi spéciale, inséré par la loi spéciale du 16 juillet 1993, il est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2, un nouvel alinéa rédigé comme suit :
" A partir de l'année budgétaire 2002, le montant prévu à l'alinéa 1er est augmenté d'un montant de 24 789 352,48 EUR adapté annuellement à l'évolution moyenne des salaires depuis 1992 dans les services du gouvernement. L'article 83ter, § 4, alinéa 1er, 2e phrase, est applicable. ".
" A partir de l'année budgétaire 2002, le montant prévu à l'alinéa 1er est augmenté d'un montant de 24 789 352,48 EUR adapté annuellement à l'évolution moyenne des salaires depuis 1992 dans les services du gouvernement. L'article 83ter, § 4, alinéa 1er, 2e phrase, est applicable. ".
HOOFDSTUK VI. - Diverse en overgangsbepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions diverses et transitoires.
Inwerkingtreding.
Entrée en vigueur.
Art.56. Artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 25 van 24 maart 1982 tot opzetting van een programma ter voorbereiding van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector, vervangen bij de bijzondere wet van 6 juli 1989, wordt vervangen als volgt :
" Art. 5. Een interdepartementaal Begrotingsfonds ter bevordering van de werkgelegenheid wordt opgericht binnen het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid. ".
" Art. 5. Een interdepartementaal Begrotingsfonds ter bevordering van de werkgelegenheid wordt opgericht binnen het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid. ".
Art.56. L'article 5 de l'arrêté royal n° 25 du 24 mars 1982 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non marchand, remplacé par la loi spéciale du 6 juillet 1989, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 5. Un Fonds budgétaire interdépartemental de promotion de l'emploi est institué au sein du Ministère de l'Emploi et du Travail. ".
" Art. 5. Un Fonds budgétaire interdépartemental de promotion de l'emploi est institué au sein du Ministère de l'Emploi et du Travail. ".
Art.57. In Titel VIII van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur, wordt een artikel 68quater ingevoegd, luidend als volgt :
" Art. 68quater. Op basis van de overeenstemmende middelen, zoals voorzien in de begroting 2001 en volgens de verschillende verdeelsleutels, respectievelijk voor de gemeenschappen en de gewesten, zoals die uit deze bijzondere wet kunnen worden afgeleid, worden de voor de overdracht van de bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking noodzakelijke financiële middelen overgeheveld. De in artikel 6ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, bedoelde werkgroep bereidt deze overheveling voor. ".
" Art. 68quater. Op basis van de overeenstemmende middelen, zoals voorzien in de begroting 2001 en volgens de verschillende verdeelsleutels, respectievelijk voor de gemeenschappen en de gewesten, zoals die uit deze bijzondere wet kunnen worden afgeleid, worden de voor de overdracht van de bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking noodzakelijke financiële middelen overgeheveld. De in artikel 6ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, bedoelde werkgroep bereidt deze overheveling voor. ".
Art.57. Il est inséré dans le Titre VIII de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, modifiée par la loi spéciale du 16 juillet 1993 visant à achever la structure fédérale de l'Etat, un article 68quater, rédigé comme suit :
" Art. 68quater. Le transfert des compétences en matière de coopération au développement, les moyens financiers nécessaires sont transférés sur la base des moyens correspondants, tels que prévus dans le budget 2001 et selon les différentes clefs de répartition, respectivement pour les communautés et les régions, telles qu'elles peuvent être inférées de la présente loi spéciale. Le groupe de travail visé à l'article 6ter de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, inséré par la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés, prépare ce transfert. ".
" Art. 68quater. Le transfert des compétences en matière de coopération au développement, les moyens financiers nécessaires sont transférés sur la base des moyens correspondants, tels que prévus dans le budget 2001 et selon les différentes clefs de répartition, respectivement pour les communautés et les régions, telles qu'elles peuvent être inférées de la présente loi spéciale. Le groupe de travail visé à l'article 6ter de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, inséré par la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés, prépare ce transfert. ".
Art. 58. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2002 met uitzondering van de artikelen 19, 49, 50 en 56 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2001.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 13 juli 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT
De Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken,
L. MICHEL
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 13 juli 2001.
ALBERT
Van Koningswege :
De Eerste Minister,
G. VERHOFSTADT
De Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken,
L. MICHEL
De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie,
J. VANDE LANOTTE
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN.
Art. 58. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2002, à l'exception des articles 19, 49, 50 et 56 qui produisent leurs effets le 1er janvier 2001.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 13 juillet 2001.
ALBERT
Par le Roi :
Le Premier Ministre,
G. VERHOFSTADT
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Affaires étrangères,
L. MICHEL
Le Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget, de l'Intégration sociale et de l'Economie sociale,
J. VANDE LANOTTE
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Scellé du sceau de l'Etat, Le Ministre de la Justice, M. VERWILGHEN.
Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
Donné à Bruxelles, le 13 juillet 2001.
ALBERT
Par le Roi :
Le Premier Ministre,
G. VERHOFSTADT
Le Vice-Premier Ministre et Ministre des Affaires étrangères,
L. MICHEL
Le Vice-Premier Ministre et Ministre du Budget, de l'Intégration sociale et de l'Economie sociale,
J. VANDE LANOTTE
Le Ministre des Finances,
D. REYNDERS
Scellé du sceau de l'Etat, Le Ministre de la Justice, M. VERWILGHEN.