Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
3 NOVEMBER 2001. - [Wet van 3 november 2001 tot oprichting van de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden.]<W2017-11-23/16, art. 48, 005; Inwerkingtreding : 01-01-2018> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-11-2001 en tekstbijwerking tot 01-07-2022)
Titre
3 NOVEMBRE 2001. - [Loi du 3 novembre 2001 relative à la création de la Société belge d'Investissement pour les Pays en Développement.]<L2017-11-23/16, art. 48, 005; En vigueur : 01-01-2018> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 17-11-2001 et mise à jour au 01-07-2022)
Informations sur le document
Numac: 2001015130
Datum: 2001-11-03
Info du document
Numac: 2001015130
Date: 2001-11-03
Table des matières
Tekst (38)
Texte (38)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE I. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution
HOOFDSTUK Ibis. [1 - Definities]1
CHAPITRE Ibis. [1 - Définitions]1
Art. 1bis. [1 In deze wet wordt verstaan onder:
1° "MKMO" (Micro-, Kleine en Middelgrote Ondernemingen): de ondernemingen die de maxima met betrekking tot jaaromzet en balanstotaal zoals vastgelegd door de Europese Commissie, niet bereiken (aanbeveling 2003/361/EC van 6 mei 2003);
2° "interventieland": het ontwikkelingsland dat behoort tot de volgende door het Comité voor ontwikkelingshulp van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) bepaalde categorieën:
- de minst ontwikkelde landen;
- de landen met een laag inkomen;
- de landen met een gemiddeld inkomen, lagere schijf;
- de landen met een gemiddeld inkomen, hogere schijf;
3° "technische assistentie": het geheel van maatregelen bedoeld om de competenties van de ondernemingen te versterken en hun activiteiten te ondersteunen op technisch, financieel, administratief, sociaal en milieugebied, evenals op het gebied van beheer [2 , goed bestuur en digitalisering]2. Technische assistentie heeft als doelstelling [2 ...]2 de verbetering van hun prestaties op economisch en sociaal vlak, en op het vlak van milieu en ontwikkeling;
4° "haalbaarheidsstudie": de studie die onderzoekt of een project technisch haalbaar en economisch rendabel is. De studie concretiseert een project in termen van becijferde, realistische, meetbare en haalbare doelstellingen in een bepaalde context en geeft de middelen aan die nodig zijn om deze te realiseren;
[2 4/1° "de belanghebbende partijen": de economische actoren in de productie- en marktketen van de onderneming in het interventieland;]2
5° "tussenstructuur": de investeringsfondsen, holdings of investeringsmaatschappijen uitsluitend gericht op ondernemingen gevestigd in de interventielanden, alsook de bancaire en niet-bancaire financiële instellingen, zoals commerciële of coöperatieve banken, microkrediet-instellingen en -banken, leasingmaatschappijen, factoringmaatschappijen en verzekeringsmaatschappijen die diensten aanbieden aan de ondernemingen en de bevolking van de interventielanden;
6° "finale begunstigde": de onderneming gevestigd in het interventieland die de interventie ontvangt.]1
1° "MKMO" (Micro-, Kleine en Middelgrote Ondernemingen): de ondernemingen die de maxima met betrekking tot jaaromzet en balanstotaal zoals vastgelegd door de Europese Commissie, niet bereiken (aanbeveling 2003/361/EC van 6 mei 2003);
2° "interventieland": het ontwikkelingsland dat behoort tot de volgende door het Comité voor ontwikkelingshulp van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO) bepaalde categorieën:
- de minst ontwikkelde landen;
- de landen met een laag inkomen;
- de landen met een gemiddeld inkomen, lagere schijf;
- de landen met een gemiddeld inkomen, hogere schijf;
3° "technische assistentie": het geheel van maatregelen bedoeld om de competenties van de ondernemingen te versterken en hun activiteiten te ondersteunen op technisch, financieel, administratief, sociaal en milieugebied, evenals op het gebied van beheer [2 , goed bestuur en digitalisering]2. Technische assistentie heeft als doelstelling [2 ...]2 de verbetering van hun prestaties op economisch en sociaal vlak, en op het vlak van milieu en ontwikkeling;
4° "haalbaarheidsstudie": de studie die onderzoekt of een project technisch haalbaar en economisch rendabel is. De studie concretiseert een project in termen van becijferde, realistische, meetbare en haalbare doelstellingen in een bepaalde context en geeft de middelen aan die nodig zijn om deze te realiseren;
[2 4/1° "de belanghebbende partijen": de economische actoren in de productie- en marktketen van de onderneming in het interventieland;]2
5° "tussenstructuur": de investeringsfondsen, holdings of investeringsmaatschappijen uitsluitend gericht op ondernemingen gevestigd in de interventielanden, alsook de bancaire en niet-bancaire financiële instellingen, zoals commerciële of coöperatieve banken, microkrediet-instellingen en -banken, leasingmaatschappijen, factoringmaatschappijen en verzekeringsmaatschappijen die diensten aanbieden aan de ondernemingen en de bevolking van de interventielanden;
6° "finale begunstigde": de onderneming gevestigd in het interventieland die de interventie ontvangt.]1
Art. 1bis. [1 Dans la présente loi, on entend par:
1° "MPME" (Micro-, Petites et Moyennes Entreprises): les entreprises n'atteignant pas les limites fixées par la Commission européenne relatives au chiffre d'affaires annuel et au total du bilan (recommandation 2003/361/CE du 6 mai 2003);
2° "pays d'intervention": le pays en développement, appartenant aux catégories suivantes telles que définies par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de coopération et de développement économiques (OCDE):
- les pays les moins avancés;
- les pays à bas revenu;
- les pays à revenu intermédiaire, tranche inférieure;
- les pays à revenu intermédiaire, tranche supérieure;
3° "assistance technique": l'ensemble des mesures destinées à renforcer les compétences des entreprises et à soutenir leurs activités en matière technique, financière, administrative, sociale, environnementale, ainsi qu'en matière de gestion [2 , de bonne gouvernance et de digitalisation]2. L'assistance technique a pour objectif [2 ...]2 d'améliorer leurs performances en matière économique, sociale, environnementale et de développement;
4° "étude de faisabilité": l'étude qui examine si un projet est techniquement faisable et économiquement rentable. L'étude concrétise un projet en termes d'objectifs chiffrés, réalistes, mesurables et atteignables dans un contexte donné et indique les moyens nécessaires pour les réaliser;
[2 4/1° "les parties prenantes": les acteurs économiques dans la chaîne de production et de commercialisation de l'entreprise dans le pays d'intervention;]2
5° "structure intermédiaire": les fonds d'investissement, holdings ou sociétés d'investissement orientées exclusivement vers des entreprises établies dans les pays d'intervention, ainsi que les institutions financières bancaires et non bancaires, telles que les banques commerciales ou coopératives, les institutions et banques de microfinance, les sociétés de leasing, les sociétés de factoring et les sociétés d'assurance qui offrent des services aux entreprises et aux populations des pays d'intervention;
6° "bénéficiaire final": l'entreprise établie dans le pays d'intervention qui reçoit l'intervention.]1
1° "MPME" (Micro-, Petites et Moyennes Entreprises): les entreprises n'atteignant pas les limites fixées par la Commission européenne relatives au chiffre d'affaires annuel et au total du bilan (recommandation 2003/361/CE du 6 mai 2003);
2° "pays d'intervention": le pays en développement, appartenant aux catégories suivantes telles que définies par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de coopération et de développement économiques (OCDE):
- les pays les moins avancés;
- les pays à bas revenu;
- les pays à revenu intermédiaire, tranche inférieure;
- les pays à revenu intermédiaire, tranche supérieure;
3° "assistance technique": l'ensemble des mesures destinées à renforcer les compétences des entreprises et à soutenir leurs activités en matière technique, financière, administrative, sociale, environnementale, ainsi qu'en matière de gestion [2 , de bonne gouvernance et de digitalisation]2. L'assistance technique a pour objectif [2 ...]2 d'améliorer leurs performances en matière économique, sociale, environnementale et de développement;
4° "étude de faisabilité": l'étude qui examine si un projet est techniquement faisable et économiquement rentable. L'étude concrétise un projet en termes d'objectifs chiffrés, réalistes, mesurables et atteignables dans un contexte donné et indique les moyens nécessaires pour les réaliser;
[2 4/1° "les parties prenantes": les acteurs économiques dans la chaîne de production et de commercialisation de l'entreprise dans le pays d'intervention;]2
5° "structure intermédiaire": les fonds d'investissement, holdings ou sociétés d'investissement orientées exclusivement vers des entreprises établies dans les pays d'intervention, ainsi que les institutions financières bancaires et non bancaires, telles que les banques commerciales ou coopératives, les institutions et banques de microfinance, les sociétés de leasing, les sociétés de factoring et les sociétés d'assurance qui offrent des services aux entreprises et aux populations des pays d'intervention;
6° "bénéficiaire final": l'entreprise établie dans le pays d'intervention qui reçoit l'intervention.]1
HOOFDSTUK II. - Oprichting van de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden.
CHAPITRE II. - Création de la Société belge d'Investissement pour les Pays en Développement.
Art.2. De Belgische Staat en de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering N.V. kunnen samen de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden, afgekort BIO, oprichten. BIO wordt opgericht als een naamloze vennootschap.
De Belgische Staat en de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering N.V. kunnen participeren in het kapitaal van BIO en elke andere vorm van bedrijfsfinanciering verstrekken. Vennootschappen die een bijzondere ervaring bezitten wat betreft investeren in het buitenland of vennootschappen die een specifieke ervaring hebben op het gebied van financiering van lokaal ondernemerschap [1 of op het gebied van de sociale economie]1 in ontwikkelingslanden [1 evenals de organisaties en ondernemingen waarvan de financiering van het lokaal ondernemerschap van de ontwikkelingslanden inbegrepen is in het maatschappelijk doel]1 , kunnen eveneens participeren in het kapitaal van BIO of andere vormen van bedrijfsfinanciering verstrekken.
De Belgische Staat wordt bij de oprichting vertegenwoordigd door het regeringslid dat Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft. Dit regeringslid vertegenwoordigt eveneens de Belgische Staat op de algemene vergadering.
De Belgische Staat en de Belgische Maatschappij voor Internationale Investering N.V. kunnen participeren in het kapitaal van BIO en elke andere vorm van bedrijfsfinanciering verstrekken. Vennootschappen die een bijzondere ervaring bezitten wat betreft investeren in het buitenland of vennootschappen die een specifieke ervaring hebben op het gebied van financiering van lokaal ondernemerschap [1 of op het gebied van de sociale economie]1 in ontwikkelingslanden [1 evenals de organisaties en ondernemingen waarvan de financiering van het lokaal ondernemerschap van de ontwikkelingslanden inbegrepen is in het maatschappelijk doel]1 , kunnen eveneens participeren in het kapitaal van BIO of andere vormen van bedrijfsfinanciering verstrekken.
De Belgische Staat wordt bij de oprichting vertegenwoordigd door het regeringslid dat Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft. Dit regeringslid vertegenwoordigt eveneens de Belgische Staat op de algemene vergadering.
Modifications
Art.2. L'Etat belge et la Société belge d'Investissement international S.A. peuvent créer conjointement la Société belge d'Investissement pour les Pays en Développement, en abrégé BIO. BIO est créée sous la forme d'une société anonyme.
L'Etat belge et la Société belge d'Investissement international S.A. peuvent participer au capital de BIO et lui procurer toute autre forme de financement. Les sociétés possédant une expérience particulière dans le domaine des investissements à l'étranger ou les sociétés disposant d'une expérience spécifique en matière de financement d'entreprises locales [1 ou dans le domaine de l'économie sociale]1 dans les pays en développement [1 dans les pays en développement" et les mots "ainsi que les organisations et sociétés dont l'objet social inclut le financement de l'entrepreneuriat local des pays en développement]1 , peuvent également participer au capital de BIO ou lui procurer d'autres formes de financement.
Pour la création de BIO, I'Etat belge est représenté par le membre du gouvernement ayant la Coopération au Développement dans ses attributions. Ce membre représente également I'Etat belge à l'assemblée générale.
L'Etat belge et la Société belge d'Investissement international S.A. peuvent participer au capital de BIO et lui procurer toute autre forme de financement. Les sociétés possédant une expérience particulière dans le domaine des investissements à l'étranger ou les sociétés disposant d'une expérience spécifique en matière de financement d'entreprises locales [1 ou dans le domaine de l'économie sociale]1 dans les pays en développement [1 dans les pays en développement" et les mots "ainsi que les organisations et sociétés dont l'objet social inclut le financement de l'entrepreneuriat local des pays en développement]1 , peuvent également participer au capital de BIO ou lui procurer d'autres formes de financement.
Pour la création de BIO, I'Etat belge est représenté par le membre du gouvernement ayant la Coopération au Développement dans ses attributions. Ce membre représente également I'Etat belge à l'assemblée générale.
Modifications
Art. 2bis. [1 § 1. De raad van bestuur bestaat uit twaalf leden en telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
§ 2. De raad van bestuur is samengesteld zodat hij collectief een nuttige en aantoonbare ervaring heeft op het vlak van:
1° internationale ontwikkeling en ontwikkelings--samenwerking;
2° internationale investeringen;
3° financiële analyse;
4° bedrijfsbeheer.
De raad van bestuur wordt met name samengesteld uit personen afkomstig uit:
1° federale overheidsinstellingen;
2° de bedrijfswereld;
3° het academisch milieu;
4° organisaties van de civiele maatschappij, institutionele en gouvernementele actoren en internationale organisaties.
Het kan daarbij zowel om personen in actieve loopbaan als om gepensioneerde personen gaan.
Minstens een lid van de raad van bestuur toont een bijkomende kennis en expertise aan op het vlak van audit en organisatiebeheer.
Minstens een lid van de raad van bestuur toont een bijkomende kennis en expertise aan op het vlak van personeel en personeelsevaluatie.
Minstens een lid van de raad van bestuur toont een specifieke kennis en expertise aan op het vlak van investeringen.
§ 3. In zijn samenstelling respecteert de raad van bestuur de wetgeving inzake gender.
§ 4. De leden van de raad van bestuur worden benoemd en afgezet bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 5. De leden van de raad van bestuur worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
§ 6. De algemene vergadering stelt de bezoldiging vast van de leden van de raad van bestuur. Die bezoldiging is ten laste van BIO.
§ 7. Wanneer een mandaat van lid van de raad van bestuur vacant wordt, voorzien de overblijvende leden van de raad van bestuur voorlopig in deze vacature tot de definitieve benoeming van een nieuw lid in overeenstemming met paragraaf 4.
§ 8. Onverminderd andere beperkingen bepaald bij of krachtens een wet of door de statuten van BIO, is het mandaat van lid van de raad van bestuur onverenigbaar met de volgende mandaten of functies:
1° lid van het Europees Parlement of de Europese Commissie;
2° lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat;
3° lid van de federale regering of lid van de beleidscel van de federale minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking;
4° lid van een gemeenschaps- of gewestparlement;
5° lid van een gemeenschaps- of gewestregering;
6° gouverneur van een provincie, met inbegrip van de adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant en de commissaris van de federale regering die de titel van vicegouverneur voert, aangesteld in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, arrondissements-commissaris of lid van de bestendige deputatie van een provincieraad;
7° lid van het personeel van BIO;
8° burgemeester, schepen of voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met meer dan 50 000 inwoners;
9° houder van een voltijds mandaat of een voltijdse functie in een intercommunale of haar afgeleide structuren.
Wanneer een lid van de raad van bestuur de bepalingen van het eerste lid miskent, moet hij binnen een termijn van één maand de betrokken mandaten of functies neerleggen. Indien hij nalaat dit te doen, wordt hij na verloop van deze termijn van rechtswege geacht zijn mandaat bij BIO te hebben neergelegd, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij ondertussen heeft gesteld of van de beraadslagingen waaraan hij in de betrokken periode heeft deelgenomen.
§ 9. De Directeur-generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp vertegenwoordigt de Directie generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in de schoot van de raad van bestuur. Hij is niet stemgerechtigd. Zijn vergoeding is gelijk aan die van de leden van de raad van bestuur en is ten laste van BIO.
§ 10. Alle leden van de raad van bestuur ondertekenen het charter van het lid van de raad van bestuur van overheidsbedrijven, zoals aangepast aan BIO en opgenomen in bijlage bij het beheerscontract.]1
§ 2. De raad van bestuur is samengesteld zodat hij collectief een nuttige en aantoonbare ervaring heeft op het vlak van:
1° internationale ontwikkeling en ontwikkelings--samenwerking;
2° internationale investeringen;
3° financiële analyse;
4° bedrijfsbeheer.
De raad van bestuur wordt met name samengesteld uit personen afkomstig uit:
1° federale overheidsinstellingen;
2° de bedrijfswereld;
3° het academisch milieu;
4° organisaties van de civiele maatschappij, institutionele en gouvernementele actoren en internationale organisaties.
Het kan daarbij zowel om personen in actieve loopbaan als om gepensioneerde personen gaan.
Minstens een lid van de raad van bestuur toont een bijkomende kennis en expertise aan op het vlak van audit en organisatiebeheer.
Minstens een lid van de raad van bestuur toont een bijkomende kennis en expertise aan op het vlak van personeel en personeelsevaluatie.
Minstens een lid van de raad van bestuur toont een specifieke kennis en expertise aan op het vlak van investeringen.
§ 3. In zijn samenstelling respecteert de raad van bestuur de wetgeving inzake gender.
§ 4. De leden van de raad van bestuur worden benoemd en afgezet bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 5. De leden van de raad van bestuur worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.
§ 6. De algemene vergadering stelt de bezoldiging vast van de leden van de raad van bestuur. Die bezoldiging is ten laste van BIO.
§ 7. Wanneer een mandaat van lid van de raad van bestuur vacant wordt, voorzien de overblijvende leden van de raad van bestuur voorlopig in deze vacature tot de definitieve benoeming van een nieuw lid in overeenstemming met paragraaf 4.
§ 8. Onverminderd andere beperkingen bepaald bij of krachtens een wet of door de statuten van BIO, is het mandaat van lid van de raad van bestuur onverenigbaar met de volgende mandaten of functies:
1° lid van het Europees Parlement of de Europese Commissie;
2° lid van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat;
3° lid van de federale regering of lid van de beleidscel van de federale minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking;
4° lid van een gemeenschaps- of gewestparlement;
5° lid van een gemeenschaps- of gewestregering;
6° gouverneur van een provincie, met inbegrip van de adjunct-gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant en de commissaris van de federale regering die de titel van vicegouverneur voert, aangesteld in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, arrondissements-commissaris of lid van de bestendige deputatie van een provincieraad;
7° lid van het personeel van BIO;
8° burgemeester, schepen of voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van een gemeente met meer dan 50 000 inwoners;
9° houder van een voltijds mandaat of een voltijdse functie in een intercommunale of haar afgeleide structuren.
Wanneer een lid van de raad van bestuur de bepalingen van het eerste lid miskent, moet hij binnen een termijn van één maand de betrokken mandaten of functies neerleggen. Indien hij nalaat dit te doen, wordt hij na verloop van deze termijn van rechtswege geacht zijn mandaat bij BIO te hebben neergelegd, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de handelingen die hij ondertussen heeft gesteld of van de beraadslagingen waaraan hij in de betrokken periode heeft deelgenomen.
§ 9. De Directeur-generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp vertegenwoordigt de Directie generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking in de schoot van de raad van bestuur. Hij is niet stemgerechtigd. Zijn vergoeding is gelijk aan die van de leden van de raad van bestuur en is ten laste van BIO.
§ 10. Alle leden van de raad van bestuur ondertekenen het charter van het lid van de raad van bestuur van overheidsbedrijven, zoals aangepast aan BIO en opgenomen in bijlage bij het beheerscontract.]1
Modifications
Art. 2bis. [1 § 1er. Le conseil d'administration est composé de douze membres et comprend autant de membres néerlandophones que francophones.
§ 2. Le conseil d'administration est composé de manière à disposer collectivement d'une expérience utile et démontrable en matière:
1° de coopération internationale et coopération au développement;
2° d'investissements internationaux;
3° d'analyse financière;
4° de gestion d'entreprises.
Le conseil d'administration se compose notamment de personnes issues:
1° d'organismes publics fédéraux;
2° du monde des entreprises;
3° du milieu académique;
4° des organisations de la société civile, des acteurs institutionnels et gouvernementaux et d'organisations internationales.
Il peut s'agir aussi bien de personnes en carrière active que de personnes pensionnées.
Au moins un membre du conseil d'administration démontre une connaissance et une expertise complémentaires en matière d'audit et de gestion d'organisations.
Au moins un membre du conseil d'administration démontre une connaissance et une expertise complémentaires en matière de ressources humaines et d'évaluation de personnel.
Au moins un membre du conseil d'administration démontre une connaissance et une expertise spécifiques en matière d'investissements.
§ 3. Dans sa composition, le conseil d'administration respecte la législation en matière de genre.
§ 4. Les membres du conseil d'administration sont nommés et révoqués par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
§ 5. Les membres du conseil d'administration sont nommés pour un terme renouvelable de cinq ans.
§ 6. L'assemblée générale détermine la rémunération des membres du conseil d'administration. Cette rémunération est à charge de BIO.
§ 7. En cas de vacance d'un mandat de membre du conseil d'administration, les membres du conseil d'administration restants y pourvoient provisoirement jusqu'à la nomination définitive d'un nouveau membre conformément au paragraphe 4.
§ 8. Sans préjudice d'autres limitations prévues par ou en vertu d'une loi ou dans les statuts de BIO, le mandat de membre du conseil d'administration est incompatible avec les mandats ou fonctions suivantes:
1° membre du Parlement européen ou de la Commission européenne;
2° membre de la Chambre des représentants ou du Sénat;
3° membre du gouvernement fédéral ou membre de la cellule stratégique du ministre fédéral ayant la Coopération au Développement dans ses attributions;
4° membre d'un parlement de communauté ou de région;
5° membre d`un gouvernement d'une communauté ou d'une région;
6° gouverneur d'une province, y compris le gouverneur adjoint de la province du Brabant flamand et le commissaire du gouvernement fédéral portant le titre de vice-gouverneur, institué dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, commissaire d'arrondissement ou membre de la députation permanente d'un conseil provincial;
7° membre du personnel de BIO;
8° bourgmestre, échevin ou président d'un centre public d'action sociale d'une commune de plus de 50 000 habitants;
9° titulaire d'un mandat à temps plein ou d'une fonction à temps plein dans une intercommunale ou ses structures dérivées.
Lorsqu'un membre du conseil d'administration contrevient aux dispositions de l'alinéa 1er, il est tenu de se démettre des mandats ou fonctions en question dans un délai d'un mois. S'il ne le fait pas, il est réputé s'être démis de plein droit de son mandat auprès de BIO à l'expiration de ce délai, sans que cela ne porte préjudice à la validité juridique des actes qu'il a accomplis entretemps ou des délibérations auxquelles il a pris part pendant la période concernée.
§ 9. Le Directeur général de la Coopération au Développement et de l'Aide humanitaire représente la Direction générale de la Coopération au Développement et de l'Aide humanitaire du SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement au sein du conseil d'administration. Il ne dispose pas du droit de vote. Son indemnité est identique à celle des membres du conseil d'administration et est à charge de BIO.
§ 10. Tous les membres du conseil d'administration signent la charte du membre du conseil d'administration d'entreprises publiques, telle qu'adaptée à BIO et annexée au contrat de gestion.]1
§ 2. Le conseil d'administration est composé de manière à disposer collectivement d'une expérience utile et démontrable en matière:
1° de coopération internationale et coopération au développement;
2° d'investissements internationaux;
3° d'analyse financière;
4° de gestion d'entreprises.
Le conseil d'administration se compose notamment de personnes issues:
1° d'organismes publics fédéraux;
2° du monde des entreprises;
3° du milieu académique;
4° des organisations de la société civile, des acteurs institutionnels et gouvernementaux et d'organisations internationales.
Il peut s'agir aussi bien de personnes en carrière active que de personnes pensionnées.
Au moins un membre du conseil d'administration démontre une connaissance et une expertise complémentaires en matière d'audit et de gestion d'organisations.
Au moins un membre du conseil d'administration démontre une connaissance et une expertise complémentaires en matière de ressources humaines et d'évaluation de personnel.
Au moins un membre du conseil d'administration démontre une connaissance et une expertise spécifiques en matière d'investissements.
§ 3. Dans sa composition, le conseil d'administration respecte la législation en matière de genre.
§ 4. Les membres du conseil d'administration sont nommés et révoqués par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
§ 5. Les membres du conseil d'administration sont nommés pour un terme renouvelable de cinq ans.
§ 6. L'assemblée générale détermine la rémunération des membres du conseil d'administration. Cette rémunération est à charge de BIO.
§ 7. En cas de vacance d'un mandat de membre du conseil d'administration, les membres du conseil d'administration restants y pourvoient provisoirement jusqu'à la nomination définitive d'un nouveau membre conformément au paragraphe 4.
§ 8. Sans préjudice d'autres limitations prévues par ou en vertu d'une loi ou dans les statuts de BIO, le mandat de membre du conseil d'administration est incompatible avec les mandats ou fonctions suivantes:
1° membre du Parlement européen ou de la Commission européenne;
2° membre de la Chambre des représentants ou du Sénat;
3° membre du gouvernement fédéral ou membre de la cellule stratégique du ministre fédéral ayant la Coopération au Développement dans ses attributions;
4° membre d'un parlement de communauté ou de région;
5° membre d`un gouvernement d'une communauté ou d'une région;
6° gouverneur d'une province, y compris le gouverneur adjoint de la province du Brabant flamand et le commissaire du gouvernement fédéral portant le titre de vice-gouverneur, institué dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, commissaire d'arrondissement ou membre de la députation permanente d'un conseil provincial;
7° membre du personnel de BIO;
8° bourgmestre, échevin ou président d'un centre public d'action sociale d'une commune de plus de 50 000 habitants;
9° titulaire d'un mandat à temps plein ou d'une fonction à temps plein dans une intercommunale ou ses structures dérivées.
Lorsqu'un membre du conseil d'administration contrevient aux dispositions de l'alinéa 1er, il est tenu de se démettre des mandats ou fonctions en question dans un délai d'un mois. S'il ne le fait pas, il est réputé s'être démis de plein droit de son mandat auprès de BIO à l'expiration de ce délai, sans que cela ne porte préjudice à la validité juridique des actes qu'il a accomplis entretemps ou des délibérations auxquelles il a pris part pendant la période concernée.
§ 9. Le Directeur général de la Coopération au Développement et de l'Aide humanitaire représente la Direction générale de la Coopération au Développement et de l'Aide humanitaire du SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement au sein du conseil d'administration. Il ne dispose pas du droit de vote. Son indemnité est identique à celle des membres du conseil d'administration et est à charge de BIO.
§ 10. Tous les membres du conseil d'administration signent la charte du membre du conseil d'administration d'entreprises publiques, telle qu'adaptée à BIO et annexée au contrat de gestion.]1
Modifications
Art.2ter. [1 Onder de leden van de raad van bestuur benoemt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorzitter van de raad van bestuur evenals de vicevoorzitter, die van de andere taalrol en van het andere geslacht is dan de voorzitter.
De voorzitter en de vicevoorzitter worden afgezet bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op eensluidend met redenen omkleed advies van de raad van bestuur, goedgekeurd bij volstrekte meerderheid.
De afzetting van de voorzitter of van de vicevoorzitter in hun hoedanigheid van lid van de raad van bestuur brengt van rechtswege zijn afzetting als voorzitter of als vicevoorzitter teweeg.
In geval van staking van stemmen in de raad van bestuur, is de stem van de voorzitter of, bij diens afwezigheid, van de vicevoorzitter, beslissend.]1
De voorzitter en de vicevoorzitter worden afgezet bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad op eensluidend met redenen omkleed advies van de raad van bestuur, goedgekeurd bij volstrekte meerderheid.
De afzetting van de voorzitter of van de vicevoorzitter in hun hoedanigheid van lid van de raad van bestuur brengt van rechtswege zijn afzetting als voorzitter of als vicevoorzitter teweeg.
In geval van staking van stemmen in de raad van bestuur, is de stem van de voorzitter of, bij diens afwezigheid, van de vicevoorzitter, beslissend.]1
Art.2ter. [1 Parmi les membres du conseil d'administration, le Roi nomme, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le président du conseil d'administration ainsi que le vice-président, qui est de l'autre rôle linguistique et de l'autre genre que le président.
Le président et le vice-président sont révoqués par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, sur avis conforme motivé du conseil d'administration, approuvé à la majorité absolue.
La révocation du président ou du vice-président de leur qualité de membre du conseil d'administration entraîne de plein droit sa révocation en qualité de président ou de vice-président.
En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président ou, en l'absence de celui-ci, du vice-président, est prépondérante.]1
Le président et le vice-président sont révoqués par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, sur avis conforme motivé du conseil d'administration, approuvé à la majorité absolue.
La révocation du président ou du vice-président de leur qualité de membre du conseil d'administration entraîne de plein droit sa révocation en qualité de président ou de vice-président.
En cas de partage des voix au sein du conseil d'administration, la voix du président ou, en l'absence de celui-ci, du vice-président, est prépondérante.]1
Modifications
Art.2quater. [1 De raad van bestuur richt een auditcomité, een investeringscomité en een human resources-comité op.
Deze comités hebben een raadgevende stem.
De raad van bestuur kan elk ander comité oprichten dat hij nodig acht om de raad van bestuur bij te staan.
De raad van bestuur bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van de comités en stelt voor elk comité een huishoudelijk reglement op.]1
Deze comités hebben een raadgevende stem.
De raad van bestuur kan elk ander comité oprichten dat hij nodig acht om de raad van bestuur bij te staan.
De raad van bestuur bepaalt de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van de comités en stelt voor elk comité een huishoudelijk reglement op.]1
Art.2quater. [1 Le conseil d'administration instaure un comité d'audit, un comité d'investissement et un comité de ressources humaines.
Ces comités ont une voix consultative.
Le conseil d'administration peut instaurer tout autre comité qu'il estime nécessaire afin d'assister le conseil d'administration.
Le conseil d'administration détermine la composition, les compétences et le fonctionnement des comités et établit pour chaque comité un règlement d'ordre intérieur.]1
Ces comités ont une voix consultative.
Le conseil d'administration peut instaurer tout autre comité qu'il estime nécessaire afin d'assister le conseil d'administration.
Le conseil d'administration détermine la composition, les compétences et le fonctionnement des comités et établit pour chaque comité un règlement d'ordre intérieur.]1
Modifications
Art.2quinquies. [1 § 1. BIO is verantwoordelijk voor de kwaliteitsvolle uitvoering van haar maatschappelijk doel en de opdrachten die haar worden toegewezen, overeenkomstig de bepalingen van deze wet en andere toepasselijke wetgeving, het beheerscontract en de statuten.
§ 2. Het beheerscontract tussen de Belgische Staat en BIO bepaalt de criteria van de beheerscapaciteit waaraan BIO moet voldoen om zich te kwijten van deze verantwoordelijkheden, de van toepassing zijnde procedures van de toetsing ervan en de gevolgen wanneer BIO niet voldoet aan de bovenvermelde criteria.
§ 3. In het kader van de voorbereiding van een nieuw beheerscontract wordt, tijdens het laatste jaar van het lopende beheerscontract, nagegaan of BIO aan deze criteria voldoet. Bij het sluiten van een nieuw beheerscontract wordt BIO, voor de duur van dat beheerscontract, geacht over de gevraagde beheerscapaciteit te beschikken.
§ 4. BIO heeft de verantwoordelijkheid om tijdens de duur van het beheerscontract te voldoen aan deze criteria.
§ 5. BIO kan accreditaties verkrijgen van erkende organismes of internationale organisaties. Het verkrijgen van een accreditatie geldt als bewijs van de beheerscapaciteit voor het voorwerp van de accreditatie voor de duur van de accreditatie.
De Koning bepaalt bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de lijst van erkende en internationale accreditaties die hiervoor in aanmerking komen.
§ 6. Tijdens de duur van het beheerscontract kan elke regeringscommissaris, na bespreking in de raad van bestuur en na het mislukken van remediërende maatregelen, voorstellen dat wordt nagegaan of BIO nog aan deze criteria voldoet.
De minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking neemt een formeel met redenen omklede beslissing binnen veertien dagen na de kennisgeving van het advies van één of beide regeringscommissarissen.]1
§ 2. Het beheerscontract tussen de Belgische Staat en BIO bepaalt de criteria van de beheerscapaciteit waaraan BIO moet voldoen om zich te kwijten van deze verantwoordelijkheden, de van toepassing zijnde procedures van de toetsing ervan en de gevolgen wanneer BIO niet voldoet aan de bovenvermelde criteria.
§ 3. In het kader van de voorbereiding van een nieuw beheerscontract wordt, tijdens het laatste jaar van het lopende beheerscontract, nagegaan of BIO aan deze criteria voldoet. Bij het sluiten van een nieuw beheerscontract wordt BIO, voor de duur van dat beheerscontract, geacht over de gevraagde beheerscapaciteit te beschikken.
§ 4. BIO heeft de verantwoordelijkheid om tijdens de duur van het beheerscontract te voldoen aan deze criteria.
§ 5. BIO kan accreditaties verkrijgen van erkende organismes of internationale organisaties. Het verkrijgen van een accreditatie geldt als bewijs van de beheerscapaciteit voor het voorwerp van de accreditatie voor de duur van de accreditatie.
De Koning bepaalt bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de lijst van erkende en internationale accreditaties die hiervoor in aanmerking komen.
§ 6. Tijdens de duur van het beheerscontract kan elke regeringscommissaris, na bespreking in de raad van bestuur en na het mislukken van remediërende maatregelen, voorstellen dat wordt nagegaan of BIO nog aan deze criteria voldoet.
De minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking neemt een formeel met redenen omklede beslissing binnen veertien dagen na de kennisgeving van het advies van één of beide regeringscommissarissen.]1
Art.2quinquies. [1 § 1er. BIO est responsable de l'exécution de qualité de son objet social et des missions qui lui seront confiées, conformément aux dispositions de la présente loi et de toute législation applicable, du contrat de gestion et des statuts.
§ 2. Le contrat de gestion entre l'Etat belge et BIO détermine les critères de capacité de gestion auxquels doit satisfaire BIO pour honorer ses responsabilités, les procédures applicables pour l'examen de celles-ci et les conséquences si BIO ne satisfait pas aux critères susvisés.
§ 3. Dans le cadre de la préparation d'un nouveau contrat de gestion, il est vérifié, au cours de la dernière année du contrat de gestion en cours, si BIO satisfait à ces critères. A la conclusion d'un nouveau contrat de gestion, BIO est présumée disposer, pour la durée de ce contrat de gestion, de la capacité de gestion requise.
§ 4. BIO a la responsabilité de satisfaire à ces critères pendant la durée du contrat de gestion.
§ 5. BIO peut obtenir des accréditations d'organismes reconnus ou d'organisations internationales. L'obtention d'une accréditation vaut preuve de la capacité de gestion pour l'objet de l'accréditation pour la durée de l'accréditation.
Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres la liste d'accréditations reconnues et internationales qui entrent en ligne de compte.
§ 6. Au cours de la durée du contrat de gestion, chaque commissaire du gouvernement peut, après discussion au conseil d'administration et après l'échec de mesures pour y remédier, proposer que soit vérifié si BIO satisfait toujours à ces critères.
Le ministre ayant la Coopération au Développement dans ses attributions prend une décision formellement motivée dans les quatorze jours après la notification de l'avis de l'un ou des deux commissaires du gouvernement.]1
§ 2. Le contrat de gestion entre l'Etat belge et BIO détermine les critères de capacité de gestion auxquels doit satisfaire BIO pour honorer ses responsabilités, les procédures applicables pour l'examen de celles-ci et les conséquences si BIO ne satisfait pas aux critères susvisés.
§ 3. Dans le cadre de la préparation d'un nouveau contrat de gestion, il est vérifié, au cours de la dernière année du contrat de gestion en cours, si BIO satisfait à ces critères. A la conclusion d'un nouveau contrat de gestion, BIO est présumée disposer, pour la durée de ce contrat de gestion, de la capacité de gestion requise.
§ 4. BIO a la responsabilité de satisfaire à ces critères pendant la durée du contrat de gestion.
§ 5. BIO peut obtenir des accréditations d'organismes reconnus ou d'organisations internationales. L'obtention d'une accréditation vaut preuve de la capacité de gestion pour l'objet de l'accréditation pour la durée de l'accréditation.
Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres la liste d'accréditations reconnues et internationales qui entrent en ligne de compte.
§ 6. Au cours de la durée du contrat de gestion, chaque commissaire du gouvernement peut, après discussion au conseil d'administration et après l'échec de mesures pour y remédier, proposer que soit vérifié si BIO satisfait toujours à ces critères.
Le ministre ayant la Coopération au Développement dans ses attributions prend une décision formellement motivée dans les quatorze jours après la notification de l'avis de l'un ou des deux commissaires du gouvernement.]1
Modifications
Art.3. [1 BIO heeft als maatschappelijk doel rechtstreeks of onrechtstreeks te investeren in de ontwikkeling van:
1° MKMO's en ondernemingen van de sociale economie, gevestigd in de interventielanden;
2° MKMO's en ondernemingen gevestigd in de interventielanden, die ofwel (i) bijdragen tot de verbetering van de toegang tot energie voor de bedrijven en de bevolking in de interventielanden, ofwel (ii) bijdragen tot de verbetering van de toegang tot digitale technologieën voor de bedrijven en de bevolking in de interventielanden dan wel (iii) bijdragen tot de strijd tegen de klimaatverandering in de interventielanden;
3° MKMO's en ondernemingen gevestigd in de interventielanden, die actief zijn in de productie, de verwerking, de handel of de vermarkting van landbouwgrondstoffen, landbouw- en voedingsproducten en zo rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de versterking van de voedselzekerheid in de interventielanden;
4° MKMO's en ondernemingen gevestigd in de interventielanden die tot doel hebben basisdiensten te verstrekken aan de bevolking van die landen.
BIO kan investeren indien de interventies bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4° aan de volgende voorwaarden beantwoorden:
1° beogen bij te dragen tot de economische en sociale vooruitgang van de interventielanden en aldus een voldoende perspectief op ontwikkelingsrendement bieden;
2° direct of indirect leiden tot duurzame productieve werkgelegenheid, met eerbiediging van de fundamentele sociale rechten zoals gedefinieerd in de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie;
3° [2 een perspectief op rendement bieden dat beantwoordt aan de rendementsdoelstelling bepaald overeenkomstig artikel 9, § 2, wat betreft de interventies gefinancierd met de inbrengen in kapitaal en buiten kapitaal en overeenkomstig artikel 9, § 4, eerste lid, wat betreft kapitaalsubsidies]2;
4° additioneel zijn.
BIO oefent haar taken ongebonden uit. Rechtstreekse of onrechtstreekse financieringen hebben niet als voorwaarde de aankoop van goederen of diensten bij Belgische ondernemingen.
BIO voert een ambitieus beleid inzake gelijkheid tussen mannen en vrouwen, om op het vlak van de rechtstreeks of onrechtstreeks toegekende financieringen een billijke verdeling te bereiken.]1
1° MKMO's en ondernemingen van de sociale economie, gevestigd in de interventielanden;
2° MKMO's en ondernemingen gevestigd in de interventielanden, die ofwel (i) bijdragen tot de verbetering van de toegang tot energie voor de bedrijven en de bevolking in de interventielanden, ofwel (ii) bijdragen tot de verbetering van de toegang tot digitale technologieën voor de bedrijven en de bevolking in de interventielanden dan wel (iii) bijdragen tot de strijd tegen de klimaatverandering in de interventielanden;
3° MKMO's en ondernemingen gevestigd in de interventielanden, die actief zijn in de productie, de verwerking, de handel of de vermarkting van landbouwgrondstoffen, landbouw- en voedingsproducten en zo rechtstreeks of onrechtstreeks bijdragen tot de versterking van de voedselzekerheid in de interventielanden;
4° MKMO's en ondernemingen gevestigd in de interventielanden die tot doel hebben basisdiensten te verstrekken aan de bevolking van die landen.
BIO kan investeren indien de interventies bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4° aan de volgende voorwaarden beantwoorden:
1° beogen bij te dragen tot de economische en sociale vooruitgang van de interventielanden en aldus een voldoende perspectief op ontwikkelingsrendement bieden;
2° direct of indirect leiden tot duurzame productieve werkgelegenheid, met eerbiediging van de fundamentele sociale rechten zoals gedefinieerd in de conventies van de Internationale Arbeidsorganisatie;
3° [2 een perspectief op rendement bieden dat beantwoordt aan de rendementsdoelstelling bepaald overeenkomstig artikel 9, § 2, wat betreft de interventies gefinancierd met de inbrengen in kapitaal en buiten kapitaal en overeenkomstig artikel 9, § 4, eerste lid, wat betreft kapitaalsubsidies]2;
4° additioneel zijn.
BIO oefent haar taken ongebonden uit. Rechtstreekse of onrechtstreekse financieringen hebben niet als voorwaarde de aankoop van goederen of diensten bij Belgische ondernemingen.
BIO voert een ambitieus beleid inzake gelijkheid tussen mannen en vrouwen, om op het vlak van de rechtstreeks of onrechtstreeks toegekende financieringen een billijke verdeling te bereiken.]1
Art.3. [1 BIO a pour objet social d'investir directement ou indirectement dans le développement des:
1° MPME et entreprises de l'économie sociale situées dans les pays d'intervention;
2° MPME et entreprises situées dans les pays d'intervention, qui contribuent soit (i) à l'amélioration de l'accès énergétique des entreprises et de la population des pays d'intervention, soit (ii) à l'amélioration de l'accès aux technologies digitales des entreprises et de la population des pays d'intervention ou (iii) qui contribuent à la lutte contre le changement climatique dans les pays d'intervention;
3° MPME et entreprises établies dans les pays d'intervention actives dans la production, le traitement, le commerce ou la commercialisation de matières premières agricoles, de produits agricoles et de produits alimentaires, contribuant ainsi directement ou indirectement au renforcement de la sécurité alimentaire dans les pays d'intervention;
4° MPME et entreprises établies dans les pays d'intervention dont l'objet est de fournir des services de base à la population de ces pays.
BIO peut investir si les interventions visées à l'alinéa 1er, 1° à 4°, remplissent les conditions suivantes:
1° viser à contribuer au progrès économique et social des pays d'intervention et offrir ainsi une perspective suffisante de rendement en matière de développement;
2° conduire directement ou indirectement à un emploi productif durable, respectant les droits sociaux fondamentaux tels que définis par les conventions de l'Organisation Internationale du Travail;
3° [2 offrir une perspective de rendement qui répond à l'objectif de rendement déterminé conformément à l'article 9, § 2, en ce qui concerne les interventions financées par les apports en capital et hors capital et conformément à l'article 9, § 4, alinéa 1er, en ce qui concerne les subsides en capital;]2
4° être additionnelles.
BIO exerce ses tâches de manière non liée. Les financements directs ou indirects ne sont pas conditionnés par l'achat de biens ou services auprès d'entreprises belges.
BIO mène une politique ambitieuse en matière d'égalité entre les hommes et les femmes, dans le but d'atteindre une répartition équitable des financements directs ou indirects octroyés.]1
1° MPME et entreprises de l'économie sociale situées dans les pays d'intervention;
2° MPME et entreprises situées dans les pays d'intervention, qui contribuent soit (i) à l'amélioration de l'accès énergétique des entreprises et de la population des pays d'intervention, soit (ii) à l'amélioration de l'accès aux technologies digitales des entreprises et de la population des pays d'intervention ou (iii) qui contribuent à la lutte contre le changement climatique dans les pays d'intervention;
3° MPME et entreprises établies dans les pays d'intervention actives dans la production, le traitement, le commerce ou la commercialisation de matières premières agricoles, de produits agricoles et de produits alimentaires, contribuant ainsi directement ou indirectement au renforcement de la sécurité alimentaire dans les pays d'intervention;
4° MPME et entreprises établies dans les pays d'intervention dont l'objet est de fournir des services de base à la population de ces pays.
BIO peut investir si les interventions visées à l'alinéa 1er, 1° à 4°, remplissent les conditions suivantes:
1° viser à contribuer au progrès économique et social des pays d'intervention et offrir ainsi une perspective suffisante de rendement en matière de développement;
2° conduire directement ou indirectement à un emploi productif durable, respectant les droits sociaux fondamentaux tels que définis par les conventions de l'Organisation Internationale du Travail;
3° [2 offrir une perspective de rendement qui répond à l'objectif de rendement déterminé conformément à l'article 9, § 2, en ce qui concerne les interventions financées par les apports en capital et hors capital et conformément à l'article 9, § 4, alinéa 1er, en ce qui concerne les subsides en capital;]2
4° être additionnelles.
BIO exerce ses tâches de manière non liée. Les financements directs ou indirects ne sont pas conditionnés par l'achat de biens ou services auprès d'entreprises belges.
BIO mène une politique ambitieuse en matière d'égalité entre les hommes et les femmes, dans le but d'atteindre une répartition équitable des financements directs ou indirects octroyés.]1
Art. 3bis. [1 Met het oog op de realisatie van haar maatschappelijke doel kan BIO met name, aan marktconforme voorwaarden, de volgende handelingen stellen:
1° buitenlandse ondernemingen oprichten, alleen of samen met andere investeerders;
2° een beheersmaatschappij naar Belgisch recht oprichten met het oog op de oprichting van investeringsfondsen;
3° rechtstreeks deelnemen in het kapitaal van Belgische of buitenlandse ondernemingen, met inbegrip van de verwerving van inschrijvingsrechten of andere financiële instrumenten die converteerbaar zijn in kapitaal;
4° financiering toekennen op middellange of lange termijn, onder de vorm van leningen of onder andere vormen, zoals de inschrijving op obligaties of andere schuldinstrumenten. De schuld kan achtergesteld zijn of niet, vergezeld zijn van een conversierecht in kapitaal of niet, vergezeld zijn van zekerheden of niet;
5° ontwikkelingsfondsen, investeringsfondsen, investeringsmaatschappijen of -holdings uitsluitend gericht op de interventielanden oprichten naar Belgisch of buitenlands recht of daar een minderheidsparticipatie in nemen, voor zover het maatschappelijke doel van die fondsen of maatschappijen verenigbaar is met haar maatschappelijke doel. Indien BIO de exclusieve beheerder is van dergelijke ontwikkelingsfondsen of investeringsfondsen, dan worden deze naar Belgisch recht opgericht;
6° de fondsen of maatschappijen bedoeld in 5° beheren of adviseren en andere diensten leveren ter ondersteuning van de activiteit van dergelijke fondsen of maatschappijen, alleen of in samenwerking met anderen, ofwel rechtstreeks, ofwel onrechtstreeks via ondernemingen die zij met dit doel opricht of waarin zij een participatie neemt;
[2 6° /1 middelen van derden beheren met het oog op de realisatie van investeringen in de interventielanden overeenkomstig de nadere regels overeen te komen met de betrokken derden of advies verlenen aan derden inzake investeringen in interventielanden;]2
7° waarborgen toekennen;
8° haar belangen en participaties beheren, valoriseren en te gelde maken, alsook rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemen aan het beheer, de directie, de controle en de vereffening van vennootschappen, ondernemingen en associaties;
9° projecten bestuderen, ontwikkelen en beheren op vraag van derden;
10° alle industriële, commerciële, financiële, promo-tionele, roerende of onroerende handelingen stellen die nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van haar maatschappelijke doel.]1
1° buitenlandse ondernemingen oprichten, alleen of samen met andere investeerders;
2° een beheersmaatschappij naar Belgisch recht oprichten met het oog op de oprichting van investeringsfondsen;
3° rechtstreeks deelnemen in het kapitaal van Belgische of buitenlandse ondernemingen, met inbegrip van de verwerving van inschrijvingsrechten of andere financiële instrumenten die converteerbaar zijn in kapitaal;
4° financiering toekennen op middellange of lange termijn, onder de vorm van leningen of onder andere vormen, zoals de inschrijving op obligaties of andere schuldinstrumenten. De schuld kan achtergesteld zijn of niet, vergezeld zijn van een conversierecht in kapitaal of niet, vergezeld zijn van zekerheden of niet;
5° ontwikkelingsfondsen, investeringsfondsen, investeringsmaatschappijen of -holdings uitsluitend gericht op de interventielanden oprichten naar Belgisch of buitenlands recht of daar een minderheidsparticipatie in nemen, voor zover het maatschappelijke doel van die fondsen of maatschappijen verenigbaar is met haar maatschappelijke doel. Indien BIO de exclusieve beheerder is van dergelijke ontwikkelingsfondsen of investeringsfondsen, dan worden deze naar Belgisch recht opgericht;
6° de fondsen of maatschappijen bedoeld in 5° beheren of adviseren en andere diensten leveren ter ondersteuning van de activiteit van dergelijke fondsen of maatschappijen, alleen of in samenwerking met anderen, ofwel rechtstreeks, ofwel onrechtstreeks via ondernemingen die zij met dit doel opricht of waarin zij een participatie neemt;
[2 6° /1 middelen van derden beheren met het oog op de realisatie van investeringen in de interventielanden overeenkomstig de nadere regels overeen te komen met de betrokken derden of advies verlenen aan derden inzake investeringen in interventielanden;]2
7° waarborgen toekennen;
8° haar belangen en participaties beheren, valoriseren en te gelde maken, alsook rechtstreeks of onrechtstreeks deelnemen aan het beheer, de directie, de controle en de vereffening van vennootschappen, ondernemingen en associaties;
9° projecten bestuderen, ontwikkelen en beheren op vraag van derden;
10° alle industriële, commerciële, financiële, promo-tionele, roerende of onroerende handelingen stellen die nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van haar maatschappelijke doel.]1
Art. 3bis. [1 En vue de la réalisation de son objet social, BIO peut notamment entreprendre, aux conditions du marché, les actions suivantes:
1° créer des entreprises étrangères, seule ou conjointement avec d'autres investisseurs;
2° créer une société de gestion de droit belge, en vue de la création de fonds d'investissement;
3° participer directement au capital d'entreprises belges ou étrangères, en ce compris par l'acquisition de droits de souscription ou d'autres instruments financiers convertibles en capital;
4° octroyer du financement à moyen ou à long terme, sous forme de prêts ou sous d'autres formes, telles que la souscription d'obligations ou d'autres instruments de dette. La dette peut être subordonnée ou non, assortie d'un droit de conversion en capital ou non, assortie de sûretés ou non;
5° créer ou prendre des participations minoritaires dans des fonds de développement, des fonds d'investissement, des sociétés ou des holdings d'investissement de droit belge ou étranger, orientés exclusivement vers les pays d'intervention, pour autant que l'objet social de ces fonds ou sociétés soit compatible avec son objet social. Si BIO est le gestionnaire exclusif de tels fonds de développement ou d'investissement, ces fonds sont créés en droit belge;
6° gérer ou conseiller les fonds ou sociétés visés au 5° et fournir d'autres services en soutien de l'activité de tels fonds ou sociétés, seule ou en partenariat, soit directement, soit indirectement via des entreprises qu'elle constitue à cette fin ou dans lesquelles elle prend une participation;
[2 6° /1 gérer des moyens de tiers en vue de la réalisation d'investissements dans les pays d'intervention conformément aux modalités à convenir avec lesdits tiers ou fournir des conseils à des tiers en matière d'investissements dans les pays d'intervention;]2
7° octroyer des garanties;
8° gérer, valoriser et liquider ses intérêts et participations ainsi que participer directement ou indirectement à la gestion, à la direction, au contrôle et à la liquidation de sociétés, entreprises et associations;
9° étudier, développer et gérer des projets à la demande de tiers;
10° réaliser toutes les opérations industrielles, commerciales, financières, promotionnelles, mobilières ou immobilières nécessaires ou utiles à la réalisation de son objet social.]1
1° créer des entreprises étrangères, seule ou conjointement avec d'autres investisseurs;
2° créer une société de gestion de droit belge, en vue de la création de fonds d'investissement;
3° participer directement au capital d'entreprises belges ou étrangères, en ce compris par l'acquisition de droits de souscription ou d'autres instruments financiers convertibles en capital;
4° octroyer du financement à moyen ou à long terme, sous forme de prêts ou sous d'autres formes, telles que la souscription d'obligations ou d'autres instruments de dette. La dette peut être subordonnée ou non, assortie d'un droit de conversion en capital ou non, assortie de sûretés ou non;
5° créer ou prendre des participations minoritaires dans des fonds de développement, des fonds d'investissement, des sociétés ou des holdings d'investissement de droit belge ou étranger, orientés exclusivement vers les pays d'intervention, pour autant que l'objet social de ces fonds ou sociétés soit compatible avec son objet social. Si BIO est le gestionnaire exclusif de tels fonds de développement ou d'investissement, ces fonds sont créés en droit belge;
6° gérer ou conseiller les fonds ou sociétés visés au 5° et fournir d'autres services en soutien de l'activité de tels fonds ou sociétés, seule ou en partenariat, soit directement, soit indirectement via des entreprises qu'elle constitue à cette fin ou dans lesquelles elle prend une participation;
[2 6° /1 gérer des moyens de tiers en vue de la réalisation d'investissements dans les pays d'intervention conformément aux modalités à convenir avec lesdits tiers ou fournir des conseils à des tiers en matière d'investissements dans les pays d'intervention;]2
7° octroyer des garanties;
8° gérer, valoriser et liquider ses intérêts et participations ainsi que participer directement ou indirectement à la gestion, à la direction, au contrôle et à la liquidation de sociétés, entreprises et associations;
9° étudier, développer et gérer des projets à la demande de tiers;
10° réaliser toutes les opérations industrielles, commerciales, financières, promotionnelles, mobilières ou immobilières nécessaires ou utiles à la réalisation de son objet social.]1
Art. 3ter. [1 § 1. BIO kent subsidies toe voor de financiering van de volgende interventies:
1° de opleidingsprogramma's;
2° de programma's voor technische assistentie;
3° de haalbaarheidsstudies;
4° de investeringssteun voor innoverende MKMO's, onder de vorm van een financiële tussenkomst voor bepaalde kosten en activa met het oog op het opstarten of het verbeteren van een onderneming of een nieuwe activiteit;
5° de analyse- en opmaakkosten van investeringsdossiers in het kader van een waarschijnlijke financiering door BIO.
De in het eerste lid bedoelde interventies zijn bestemd voor de ontwikkeling van:
1° de ondernemingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, op voorwaarde dat de betrokken onderneming, op het ogenblik van de toekenning van de subsidie, rechtstreeks of onrechtstreeks gefinancierd wordt door BIO door een financiering bedoeld in artikel 3bis, 1°, 3°, 4°, 5° of 7° of in aanmerking komt voor een dergelijke financiering, maar nog geen dergelijke financiering heeft ontvangen;
2° de belanghebbende partijen van ondernemingen bedoeld in 1°, mits het aantoonbaar is dat een positieve economische impact kan verwacht worden voor de ondernemingen bedoeld in de bepaling onder 1°, alsook een belangrijke ontwikkelingsimpact op de betrokken belanghebbende partijen;
3° de tussenstructuren gefinancierd door BIO;
4° de ondernemingen verbonden met de ondernemingen bedoeld in de bepaling onder 1° in de zin van artikel 11, 1°, van het Wetboek van Vennootschappen, mits het aantoonbaar is dat een positieve economische impact kan verwacht worden voor de ondernemingen bedoeld in 1° ;
5° de op te richten ondernemingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, die rechtstreeks of onrechtstreeks in aanmerking komen voor een financiering door BIO zoals bedoeld in artikel 3bis, 1°, 3°, 4°, 5° of 7°.
De interventies bedoeld in het eerste lid, 2°, kunnen eveneens betrekking hebben op de beroepsverenigingen of -organisaties waarvan de ondernemingen bedoeld in het tweede lid, 1°, lid zijn, op voorwaarde dat de betrokken interventie rechtstreeks betrekking heeft op de activiteiten van de ondernemingen bedoeld in het tweede lid, 1°.
§ 2. De begunstigden van de subsidies zijn:
1° de ondernemingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, 3° en 4° en derde lid;
2° de promotor van de ondernemingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 5° ;
3° de fondsenbeheerder in het kader van een investeringsfonds gefinancierd door BIO waarbij de subsidie bestemd is om interventies te financieren ten voordele van de ondernemingen gefinancierd door dat investeringsfonds.
Indien de subsidies worden toegekend om interventies te financieren bestemd voor de ontwikkeling van belanghebbende partijen, is de begunstigde steeds een onderneming bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°.
§ 3. De subsidie bedraagt maximum 350 000 euro per onderneming bedoeld in paragraaf 1, tweede en derde lid.
Wanneer de subsidie de financiering van een haalbaarheidsstudie betreft, is het bedrag bedoeld in het eerste lid beperkt tot 100 000 euro.
§ 4. De subsidie van BIO dekt slechts een deel van de kosten van de betrokken interventie, in een verhouding te bepalen door BIO.
Wanneer de subsidie de financiering van een haalbaarheidsstudie betreft, beperkt de financiering van BIO zich tot maximum 50 percent van de kosten van de haalbaarheidsstudie.
De subsidie moet additioneel zijn.
§ 5. De toekenning van de subsidie gebeurt door de ondertekening van een overeenkomst tussen BIO en de begunstigde.
De subsidieovereenkomst bevat:
1° de beschrijving van de interventies;
2° de nadere regels van de financiering;
3° de rapportageverplichtingen, met inbegrip van de verantwoording van het gebruik van de middelen, de controlemogelijkheden van BIO en de terugbetalingsvoorwaarden van de subsidie.
§ 6. De interventies bedoeld in paragraaf 1 worden gefinancierd met de subsidies bedoeld in artikel 9, § 1, 4°, en zijn niet onderworpen aan een rendementsdoelstelling.]1
1° de opleidingsprogramma's;
2° de programma's voor technische assistentie;
3° de haalbaarheidsstudies;
4° de investeringssteun voor innoverende MKMO's, onder de vorm van een financiële tussenkomst voor bepaalde kosten en activa met het oog op het opstarten of het verbeteren van een onderneming of een nieuwe activiteit;
5° de analyse- en opmaakkosten van investeringsdossiers in het kader van een waarschijnlijke financiering door BIO.
De in het eerste lid bedoelde interventies zijn bestemd voor de ontwikkeling van:
1° de ondernemingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, op voorwaarde dat de betrokken onderneming, op het ogenblik van de toekenning van de subsidie, rechtstreeks of onrechtstreeks gefinancierd wordt door BIO door een financiering bedoeld in artikel 3bis, 1°, 3°, 4°, 5° of 7° of in aanmerking komt voor een dergelijke financiering, maar nog geen dergelijke financiering heeft ontvangen;
2° de belanghebbende partijen van ondernemingen bedoeld in 1°, mits het aantoonbaar is dat een positieve economische impact kan verwacht worden voor de ondernemingen bedoeld in de bepaling onder 1°, alsook een belangrijke ontwikkelingsimpact op de betrokken belanghebbende partijen;
3° de tussenstructuren gefinancierd door BIO;
4° de ondernemingen verbonden met de ondernemingen bedoeld in de bepaling onder 1° in de zin van artikel 11, 1°, van het Wetboek van Vennootschappen, mits het aantoonbaar is dat een positieve economische impact kan verwacht worden voor de ondernemingen bedoeld in 1° ;
5° de op te richten ondernemingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, die rechtstreeks of onrechtstreeks in aanmerking komen voor een financiering door BIO zoals bedoeld in artikel 3bis, 1°, 3°, 4°, 5° of 7°.
De interventies bedoeld in het eerste lid, 2°, kunnen eveneens betrekking hebben op de beroepsverenigingen of -organisaties waarvan de ondernemingen bedoeld in het tweede lid, 1°, lid zijn, op voorwaarde dat de betrokken interventie rechtstreeks betrekking heeft op de activiteiten van de ondernemingen bedoeld in het tweede lid, 1°.
§ 2. De begunstigden van de subsidies zijn:
1° de ondernemingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°, 3° en 4° en derde lid;
2° de promotor van de ondernemingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 5° ;
3° de fondsenbeheerder in het kader van een investeringsfonds gefinancierd door BIO waarbij de subsidie bestemd is om interventies te financieren ten voordele van de ondernemingen gefinancierd door dat investeringsfonds.
Indien de subsidies worden toegekend om interventies te financieren bestemd voor de ontwikkeling van belanghebbende partijen, is de begunstigde steeds een onderneming bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 1°.
§ 3. De subsidie bedraagt maximum 350 000 euro per onderneming bedoeld in paragraaf 1, tweede en derde lid.
Wanneer de subsidie de financiering van een haalbaarheidsstudie betreft, is het bedrag bedoeld in het eerste lid beperkt tot 100 000 euro.
§ 4. De subsidie van BIO dekt slechts een deel van de kosten van de betrokken interventie, in een verhouding te bepalen door BIO.
Wanneer de subsidie de financiering van een haalbaarheidsstudie betreft, beperkt de financiering van BIO zich tot maximum 50 percent van de kosten van de haalbaarheidsstudie.
De subsidie moet additioneel zijn.
§ 5. De toekenning van de subsidie gebeurt door de ondertekening van een overeenkomst tussen BIO en de begunstigde.
De subsidieovereenkomst bevat:
1° de beschrijving van de interventies;
2° de nadere regels van de financiering;
3° de rapportageverplichtingen, met inbegrip van de verantwoording van het gebruik van de middelen, de controlemogelijkheden van BIO en de terugbetalingsvoorwaarden van de subsidie.
§ 6. De interventies bedoeld in paragraaf 1 worden gefinancierd met de subsidies bedoeld in artikel 9, § 1, 4°, en zijn niet onderworpen aan een rendementsdoelstelling.]1
Modifications
Art. 3ter. [1 § 1er. BIO octroie des subsides pour le financement des interventions suivantes:
1° les programmes de formation;
2° les programmes d'assistance technique;
3° les études de faisabilité;
4° le soutien à l'investissement pour des MPME innovatrices, sous la forme d'une intervention financière pour certains coûts et actifs en vue du démarrage ou de l'amélioration d'une entreprise ou d'une nouvelle activité;
5° les coûts d'analyse et d'établissement de dossiers d'investissements dans le cadre d'un financement probable par BIO.
Les interventions visées à l'alinéa 1er sont destinées au développement:
1° des entreprises visées à l'article 3, alinéa 1er, à condition que l'entreprise concernée, au moment de l'octroi du subside, soit financée directement ou indirectement par BIO par un financement visé à l'article 3bis, 1°, 3°, 4°, 5° ou 7° ou entre en ligne de compte pour un tel financement, mais n'a pas encore reçu un tel financement;
2° des parties prenantes des entreprises visées au 1°, pour autant qu'il soit démontrable qu'un impact économique positif peut être attendu pour les entreprises visées au 1°, ainsi qu'un impact sur le développement important pour les parties prenantes concernées;
3° des structures intermédiaires financées par BIO;
4° des entreprises liées aux entreprises visées au 1° dans le sens de l'article 11, 1°, du Code des Sociétés, pour autant qu'il soit démontrable qu'un impact économique positif peut être attendu pour les entreprises visées au 1° ;
5° des entreprises à constituer visées à l'article 3, alinéa 1er, qui entrent en ligne de compte directement ou indirectement pour un financement par BIO comme visé à l'article 3bis, 1°, 3°, 4°, 5° ou 7°.
Les interventions visées à l'alinéa 1er, 2°, peuvent également se rapporter aux associations ou organisations professionnelles dont les entreprises visées à l'alinéa 2, 1°, sont membres, à condition que l'intervention concernée se rapporte directement aux activités des entreprises visées à l'alinéa 2, 1°.
§ 2. Les bénéficiaires des subsides sont:
1° les entreprises visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, 3° et 4° et alinéa 3;
2° le promoteur des entreprises visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 5° ;
3° le gestionnaire du fonds dans le cadre d'un fonds d'investissement financé par BIO dont le subside est destiné à financer des interventions en faveur d'entreprises financées par ce fonds d'investissement.
Lorsque les subsides sont octroyés en vue de financer des interventions destinées au développement des parties prenantes, le bénéficiaire est toujours une entreprise visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°.
§ 3. Le subside est de maximum 350 000 euros par entreprise visée au paragraphe 1er, alinéas 2 et 3.
Lorsque le subside concerne le financement d' une étude de faisabilité, le montant visé à l'alinéa 1er est limité à 100 000 euros.
§ 4. Le subside de BIO ne couvre qu'une partie des coûts de l'intervention concernée, dans une proportion à déterminer par BIO.
Lorsque le subside concerne le financement d'une étude de faisabilité, le financement de BIO se limite à maximum 50 pour cent des coûts de l'étude de faisabilité.
Le subside doit être additionnel.
§ 5. L'octroi du subside se fait par la signature d'une convention entre BIO et le bénéficiaire.
La convention de subside comprend:
1° la description des interventions;
2° les modalités du financement;
3° les obligations de rapportage, en ce compris la justification de l'utilisation des moyens, les possibilités de contrôle de BIO et les conditions de remboursement du subside.
§ 6. Les interventions visées au paragraphe 1er sont financées par les subsides visés à l'article 9, § 1er, 4°, et ne sont pas soumis à un objectif de rendement.]1
1° les programmes de formation;
2° les programmes d'assistance technique;
3° les études de faisabilité;
4° le soutien à l'investissement pour des MPME innovatrices, sous la forme d'une intervention financière pour certains coûts et actifs en vue du démarrage ou de l'amélioration d'une entreprise ou d'une nouvelle activité;
5° les coûts d'analyse et d'établissement de dossiers d'investissements dans le cadre d'un financement probable par BIO.
Les interventions visées à l'alinéa 1er sont destinées au développement:
1° des entreprises visées à l'article 3, alinéa 1er, à condition que l'entreprise concernée, au moment de l'octroi du subside, soit financée directement ou indirectement par BIO par un financement visé à l'article 3bis, 1°, 3°, 4°, 5° ou 7° ou entre en ligne de compte pour un tel financement, mais n'a pas encore reçu un tel financement;
2° des parties prenantes des entreprises visées au 1°, pour autant qu'il soit démontrable qu'un impact économique positif peut être attendu pour les entreprises visées au 1°, ainsi qu'un impact sur le développement important pour les parties prenantes concernées;
3° des structures intermédiaires financées par BIO;
4° des entreprises liées aux entreprises visées au 1° dans le sens de l'article 11, 1°, du Code des Sociétés, pour autant qu'il soit démontrable qu'un impact économique positif peut être attendu pour les entreprises visées au 1° ;
5° des entreprises à constituer visées à l'article 3, alinéa 1er, qui entrent en ligne de compte directement ou indirectement pour un financement par BIO comme visé à l'article 3bis, 1°, 3°, 4°, 5° ou 7°.
Les interventions visées à l'alinéa 1er, 2°, peuvent également se rapporter aux associations ou organisations professionnelles dont les entreprises visées à l'alinéa 2, 1°, sont membres, à condition que l'intervention concernée se rapporte directement aux activités des entreprises visées à l'alinéa 2, 1°.
§ 2. Les bénéficiaires des subsides sont:
1° les entreprises visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, 3° et 4° et alinéa 3;
2° le promoteur des entreprises visées au paragraphe 1er, alinéa 2, 5° ;
3° le gestionnaire du fonds dans le cadre d'un fonds d'investissement financé par BIO dont le subside est destiné à financer des interventions en faveur d'entreprises financées par ce fonds d'investissement.
Lorsque les subsides sont octroyés en vue de financer des interventions destinées au développement des parties prenantes, le bénéficiaire est toujours une entreprise visée au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°.
§ 3. Le subside est de maximum 350 000 euros par entreprise visée au paragraphe 1er, alinéas 2 et 3.
Lorsque le subside concerne le financement d' une étude de faisabilité, le montant visé à l'alinéa 1er est limité à 100 000 euros.
§ 4. Le subside de BIO ne couvre qu'une partie des coûts de l'intervention concernée, dans une proportion à déterminer par BIO.
Lorsque le subside concerne le financement d'une étude de faisabilité, le financement de BIO se limite à maximum 50 pour cent des coûts de l'étude de faisabilité.
Le subside doit être additionnel.
§ 5. L'octroi du subside se fait par la signature d'une convention entre BIO et le bénéficiaire.
La convention de subside comprend:
1° la description des interventions;
2° les modalités du financement;
3° les obligations de rapportage, en ce compris la justification de l'utilisation des moyens, les possibilités de contrôle de BIO et les conditions de remboursement du subside.
§ 6. Les interventions visées au paragraphe 1er sont financées par les subsides visés à l'article 9, § 1er, 4°, et ne sont pas soumis à un objectif de rendement.]1
Modifications
Art. 3quater. [1 § 1. BIO voert zelf interventies bedoeld in artikel 3ter, § 1, eerste lid, uit, bestemd voor de ontwikkeling van één of meerdere ondernemingen bedoeld in artikel 3ter, § 1, tweede en derde lid, door de tussenkomst van experten die zij aanstelt.
§ 2. De onderneming of de ondernemingen voor dewelke de interventies bedoeld in paragraaf 1 bestemd zijn, worden duidelijk geïdentificeerd.
§ 3. De kosten van de interventie ondersteund door BIO bedragen maximum 350 000 euro per interventie.
Wanneer de interventie een haalbaarheidsstudie betreft, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid beperkt tot 100 000 euro.
§ 4. BIO draagt slechts een deel van de kosten van de betrokken interventie, in een verhouding te bepalen door BIO.
Wanneer de interventie een haalbaarheidsstudie betreft, beperken de kosten gedragen door BIO zich tot maximum 50 percent van de kosten van de interventie.
§ 5. De interventies bedoeld in paragraaf 1 worden gefinancierd door de subsidies bedoeld in artikel 9, § 1, 4°, en zijn niet onderworpen aan een rendementsdoelstelling.]1
§ 2. De onderneming of de ondernemingen voor dewelke de interventies bedoeld in paragraaf 1 bestemd zijn, worden duidelijk geïdentificeerd.
§ 3. De kosten van de interventie ondersteund door BIO bedragen maximum 350 000 euro per interventie.
Wanneer de interventie een haalbaarheidsstudie betreft, wordt het bedrag bedoeld in het eerste lid beperkt tot 100 000 euro.
§ 4. BIO draagt slechts een deel van de kosten van de betrokken interventie, in een verhouding te bepalen door BIO.
Wanneer de interventie een haalbaarheidsstudie betreft, beperken de kosten gedragen door BIO zich tot maximum 50 percent van de kosten van de interventie.
§ 5. De interventies bedoeld in paragraaf 1 worden gefinancierd door de subsidies bedoeld in artikel 9, § 1, 4°, en zijn niet onderworpen aan een rendementsdoelstelling.]1
Modifications
Art. 3quater. [1 § 1er. BIO met elle-même en oeuvre des interventions visées à l'article 3ter, § 1er, alinéa 1er, destinées au développement d'une ou plusieurs entreprises visées à l'article 3ter, § 1er, alinéas 2 et 3, par l'intervention d'experts qu'elle engage.
§ 2. L'entreprise ou les entreprises auxquelles sont destinées les interventions visées au paragraphe 1er, sont précisément identifiées.
§ 3. Les coûts de l'intervention supportés par BIO sont fixés à maximum 350 000 euros par intervention.
Lorsque l'intervention concerne une étude de faisabilité, le montant visé à l'alinéa 1er est limité à 100 000 euros.
§ 4. BIO ne supporte qu'une partie des coûts de l'intervention concernée, dans une proportion à déterminer par BIO.
Lorsque l'intervention concerne une étude de faisabilité, les coûts supportés par BIO se limitent à maximum 50 pourcent des coûts de l'intervention.
§ 5. Les interventions visées au paragraphe 1er sont financées par les subsides visés à l'article 9, § 1er, 4°, et ne sont pas soumis à un objectif de rendement.]1
§ 2. L'entreprise ou les entreprises auxquelles sont destinées les interventions visées au paragraphe 1er, sont précisément identifiées.
§ 3. Les coûts de l'intervention supportés par BIO sont fixés à maximum 350 000 euros par intervention.
Lorsque l'intervention concerne une étude de faisabilité, le montant visé à l'alinéa 1er est limité à 100 000 euros.
§ 4. BIO ne supporte qu'une partie des coûts de l'intervention concernée, dans une proportion à déterminer par BIO.
Lorsque l'intervention concerne une étude de faisabilité, les coûts supportés par BIO se limitent à maximum 50 pourcent des coûts de l'intervention.
§ 5. Les interventions visées au paragraphe 1er sont financées par les subsides visés à l'article 9, § 1er, 4°, et ne sont pas soumis à un objectif de rendement.]1
Modifications
Art. 3quinquies. [1 § 1. BIO mag niet rechtstreeks of via een tussenstructuur investeren, indien de finale begunstigde van de interventie of de tussenstructuur gevestigd zijn in een land bedoeld in artikel 307, § 1, vijfde lid, a), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met uitzondering van interventielanden die door het Global Forum on Transparency and Exchange of Information for Tax Purposes van de OESO beschouwd worden als landen die gedurende een periode van minder dan vijf jaar de standaard van de OESO niet substantieel en effectief hebben toegepast.
§ 2. BIO mag niet rechtstreeks of via een tussenstructuur investeren, als de finale begunstigde van de interventie of de tussenstructuur gevestigd zijn in een land bedoeld in artikel 307, § 1, vijfde lid, b), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Deze lijst wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 3. BIO mag niet rechtstreeks of via een tussenstructuur investeren, indien de finale begunstigde van de interventie of de tussenstructuur gevestigd zijn in een land dat op de lijst staat van de Staten die weigeren om een akkoord te onderhandelen en te ondertekenen, overeenkomstig de normen van de OESO, inzake de automatische uitwisseling van fiscale en bankinlichtingen met België vanaf 2015. Deze lijst wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 4. [2 De beperkingen bedoeld in paragrafen 1 tot 3 gelden ook voor de interventies die worden gefinancierd door de subsidies die BIO toekent of die rechtstreeks door BIO worden uitgevoerd.]2]1
§ 2. BIO mag niet rechtstreeks of via een tussenstructuur investeren, als de finale begunstigde van de interventie of de tussenstructuur gevestigd zijn in een land bedoeld in artikel 307, § 1, vijfde lid, b), van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Deze lijst wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 3. BIO mag niet rechtstreeks of via een tussenstructuur investeren, indien de finale begunstigde van de interventie of de tussenstructuur gevestigd zijn in een land dat op de lijst staat van de Staten die weigeren om een akkoord te onderhandelen en te ondertekenen, overeenkomstig de normen van de OESO, inzake de automatische uitwisseling van fiscale en bankinlichtingen met België vanaf 2015. Deze lijst wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
§ 4. [2 De beperkingen bedoeld in paragrafen 1 tot 3 gelden ook voor de interventies die worden gefinancierd door de subsidies die BIO toekent of die rechtstreeks door BIO worden uitgevoerd.]2]1
Art. 3quinquies. [1 § 1er. BIO ne peut investir directement ou via une structure intermédiaire, lorsque le bénéficiaire final de l'intervention ou la structure intermédiaire sont établis dans un pays visé à l'article 307, § 1er, alinéa 5, a), du Code des impôts sur les revenus 1992, à l'exception des pays d'intervention considérés par le Forum mondial de l'OCDE sur la transparence et l'échange de renseignements à des fins fiscales comme n'ayant pas mis substantiellement et effectivement en oeuvre le standard de l'OCDE pendant une période de moins de cinq ans.
§ 2. BIO ne peut investir directement ou via une structure intermédiaire, lorsque le bénéficiaire final de l'intervention ou la structure intermédiaire sont établis dans un pays visé à l'article 307, § 1er, alinéa 5, b), du Code des impôts sur les revenus 1992. Cette liste est définie par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
§ 3. BIO ne peut investir directement ou via une structure intermédiaire, lorsque le bénéficiaire final de l'intervention ou la structure intermédiaire sont établis dans un pays qui figure sur la liste des Etats qui refusent de négocier et de signer un accord qui prévoit, conformément aux normes de l'OCDE, l'échange automatique de renseignements en matière fiscale et bancaire avec la Belgique à partir de 2015. Cette liste est définie par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
§ 4. [2 Les limitations visées aux paragraphes 1er à 3 s'appliquent également aux interventions qui sont financées par les subsides que BIO octroie ou qui sont mises en oeuvre directement par BIO.]2]1
§ 2. BIO ne peut investir directement ou via une structure intermédiaire, lorsque le bénéficiaire final de l'intervention ou la structure intermédiaire sont établis dans un pays visé à l'article 307, § 1er, alinéa 5, b), du Code des impôts sur les revenus 1992. Cette liste est définie par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
§ 3. BIO ne peut investir directement ou via une structure intermédiaire, lorsque le bénéficiaire final de l'intervention ou la structure intermédiaire sont établis dans un pays qui figure sur la liste des Etats qui refusent de négocier et de signer un accord qui prévoit, conformément aux normes de l'OCDE, l'échange automatique de renseignements en matière fiscale et bancaire avec la Belgique à partir de 2015. Cette liste est définie par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.
§ 4. [2 Les limitations visées aux paragraphes 1er à 3 s'appliquent également aux interventions qui sont financées par les subsides que BIO octroie ou qui sont mises en oeuvre directement par BIO.]2]1
Art.3sexies. [1 De Belgische Staat kan, indien het Directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking en Humanitaire Hulp van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zelf niet over de vereiste expertise beschikt, BIO opdrachten toevertrouwen betreffende:
1° diensten van beheer of advies in het kader van de participaties die de Belgische Staat aanhoudt in de ontwikkelingsbanken;
2° diensten inzake adviesverlening en opleiding betreffende de ontwikkeling van de private sector in de interventielanden.]1
1° diensten van beheer of advies in het kader van de participaties die de Belgische Staat aanhoudt in de ontwikkelingsbanken;
2° diensten inzake adviesverlening en opleiding betreffende de ontwikkeling van de private sector in de interventielanden.]1
Art.3sexies. [1 L'Etat belge peut, si la Direction générale de la Coopération au Développement et de l'Aide humanitaire du SPF Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement ne dispose pas elle-même de l'expertise requise, confier à BIO des missions relatives à:
1° des services de gestion ou de conseil dans le cadre des participations détenues par l'Etat belge dans les banques de développement;
2° des services de conseil et de formation concernant le développement du secteur privé dans les pays d'intervention.]1
1° des services de gestion ou de conseil dans le cadre des participations détenues par l'Etat belge dans les banques de développement;
2° des services de conseil et de formation concernant le développement du secteur privé dans les pays d'intervention.]1
Modifications
Art.4. BIO is een naamloze vennootschap waarop het Wetboek van vennootschappen van toepassing is, voor zover hiervan niet wordt afgeweken door deze wet.
De statuten van BIO en de wijzigingen ervan worden vastgesteld door de algemene vergadering. Ten minste vijftien dagen vóór de vergadering wordt samengeroepen, wordt het ontwerp van beraadslaging van deze vergadering meegedeeld aan de regeringscommissarissen.
De statuten van BIO en de wijzigingen ervan worden vastgesteld door de algemene vergadering. Ten minste vijftien dagen vóór de vergadering wordt samengeroepen, wordt het ontwerp van beraadslaging van deze vergadering meegedeeld aan de regeringscommissarissen.
Art.4. BIO est une société anonyme soumise aux lois coordonnées sur les sociétés commerciales, pour autant qu'il n'y soit pas dérogé par la présente loi.
Les statuts de BIO et les modifications y relatives sont arrêtés par l'assemblée générale. Le projet de délibération de cette assemblée est communiqué aux commissaires du gouvernement au moins quinze jours avant sa convocation.
Les statuts de BIO et les modifications y relatives sont arrêtés par l'assemblée générale. Le projet de délibération de cette assemblée est communiqué aux commissaires du gouvernement au moins quinze jours avant sa convocation.
Art. 4bis. [1 § 1. De bijzondere regels en voorwaarden volgens dewelke BIO haar maatschappelijk doel uitvoert worden vastgelegd in een beheerscontract gesloten tussen de Belgische Staat en BIO.
§ 2. Het beheerscontract regelt tenminste de volgende onderwerpen :
1° het beleidskader;
2° de opdracht en waarden van BIO;
3° de strategische prioriteiten van het investeringsbeleid van BIO in termen van geografische, sectorale en thematische concentratie, evenals van nadere regels voor investering en van toekenningscriteria voor financieringen;
4° de financieringsmodaliteiten van BIO, zowel in de vorm van inbreng in het eigen vermogen als in de vorm van subsidies ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Federale Staat;
5° de specifieke en meetbare doelstellingen die BIO moet bereiken;
6° de nadere regels voor de samenwerking en de ontwikkeling van synergieën tussen BIO en de andere actoren van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking;
7° de procedures en objectieve parameters voor de jaarlijkse toetsing van het beheerscontract;
8° de financiële sancties in geval van niet-naleving door een partij van haar verbintenissen voortvloeiend uit het beheerscontract;
9° de verplichtingen inzake interne controle [2 ;]2
[2 10° de manier waarop BIO de wetten en conventies inzake gender uitvoert;
11° de verplichtingen inzake wederzijdse communicatie;
12° de criteria en de procedures van toetsing van de beheerscapaciteit waaraan BIO voldoet alsook de gevolgen wanneer BIO niet voldoet aan de criteria van beheerscapaciteit bedoeld in artikel 2quinquies;
13° de financiële nadere regels betreffende:
a) de ter beschikkingstelling van middelen aan BIO;
b) de financiële rapportering en verantwoording;
14° het charter van het lid van de raad van bestuur van overheidsbedrijven, zoals aangepast aan BIO;
15° de nadere regels betreffende de kapitaalsubsidies bedoeld in artikel 9, § 4, met name:
a) de minimale rendementsdoelstellingen verbonden aan de kapitaalsubsidies;
b) de strategische oriëntatie inzake geografische en sectorale concentratie van de interventies gefinancierd met de kapitaalsubsidies;
c) de aard en de omvang van de investeringen gefinancierd met de kapitaalsubsidies;
16° de nadere regels betreffende de opdrachten bedoeld in artikel 3bis, 6° /1;
17° de nadere regels voor de toekenning van de subsidies bedoeld in artikel 3ter en de in dat kader van toepassing zijnde selectiecriteria, waaronder de additionaliteit, de complementariteit en de synergie;
18° de bijkomende voorwaarden en de nadere regels betreffende de interventies bedoeld in artikel 3quater;
19° de nadere regels van de samenwerking tussen de Belgische Staat en BIO in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 3sexies.]2
§ 3. Elke uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde in het beheerscontract wordt voor niet geschreven gehouden.
[3 De artikelen 5.90 tot 5.96 van het Burgerlijk Wetboek zijn]3 niet van toepassing op het beheerscontract. De partij jegens wie een verbintenis in het beheerscontract niet is uitgevoerd kan slechts de andere partij noodzaken de verbintenis uit te voeren en, in voorkomend geval, schadevergoeding eisen, onverminderd de toepassing van iedere sanctie bepaald in het beheerscontract.]1
[2 § 4. Het beheerscontract is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Alle clausules ervan worden geacht contractueel te zijn.]2
§ 2. Het beheerscontract regelt tenminste de volgende onderwerpen :
1° het beleidskader;
2° de opdracht en waarden van BIO;
3° de strategische prioriteiten van het investeringsbeleid van BIO in termen van geografische, sectorale en thematische concentratie, evenals van nadere regels voor investering en van toekenningscriteria voor financieringen;
4° de financieringsmodaliteiten van BIO, zowel in de vorm van inbreng in het eigen vermogen als in de vorm van subsidies ten laste van de algemene uitgavenbegroting van de Federale Staat;
5° de specifieke en meetbare doelstellingen die BIO moet bereiken;
6° de nadere regels voor de samenwerking en de ontwikkeling van synergieën tussen BIO en de andere actoren van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking;
7° de procedures en objectieve parameters voor de jaarlijkse toetsing van het beheerscontract;
8° de financiële sancties in geval van niet-naleving door een partij van haar verbintenissen voortvloeiend uit het beheerscontract;
9° de verplichtingen inzake interne controle [2 ;]2
[2 10° de manier waarop BIO de wetten en conventies inzake gender uitvoert;
11° de verplichtingen inzake wederzijdse communicatie;
12° de criteria en de procedures van toetsing van de beheerscapaciteit waaraan BIO voldoet alsook de gevolgen wanneer BIO niet voldoet aan de criteria van beheerscapaciteit bedoeld in artikel 2quinquies;
13° de financiële nadere regels betreffende:
a) de ter beschikkingstelling van middelen aan BIO;
b) de financiële rapportering en verantwoording;
14° het charter van het lid van de raad van bestuur van overheidsbedrijven, zoals aangepast aan BIO;
15° de nadere regels betreffende de kapitaalsubsidies bedoeld in artikel 9, § 4, met name:
a) de minimale rendementsdoelstellingen verbonden aan de kapitaalsubsidies;
b) de strategische oriëntatie inzake geografische en sectorale concentratie van de interventies gefinancierd met de kapitaalsubsidies;
c) de aard en de omvang van de investeringen gefinancierd met de kapitaalsubsidies;
16° de nadere regels betreffende de opdrachten bedoeld in artikel 3bis, 6° /1;
17° de nadere regels voor de toekenning van de subsidies bedoeld in artikel 3ter en de in dat kader van toepassing zijnde selectiecriteria, waaronder de additionaliteit, de complementariteit en de synergie;
18° de bijkomende voorwaarden en de nadere regels betreffende de interventies bedoeld in artikel 3quater;
19° de nadere regels van de samenwerking tussen de Belgische Staat en BIO in het kader van de opdrachten bedoeld in artikel 3sexies.]2
§ 3. Elke uitdrukkelijk ontbindende voorwaarde in het beheerscontract wordt voor niet geschreven gehouden.
[3 De artikelen 5.90 tot 5.96 van het Burgerlijk Wetboek zijn]3 niet van toepassing op het beheerscontract. De partij jegens wie een verbintenis in het beheerscontract niet is uitgevoerd kan slechts de andere partij noodzaken de verbintenis uit te voeren en, in voorkomend geval, schadevergoeding eisen, onverminderd de toepassing van iedere sanctie bepaald in het beheerscontract.]1
[2 § 4. Het beheerscontract is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
Alle clausules ervan worden geacht contractueel te zijn.]2
Art. 4bis. [1 § 1er. Les règles et conditions spéciales selon lesquelles BIO met en oeuvre son objet social sont arrêtées dans un contrat de gestion conclu entre l'Etat belge et BIO.
§ 2. Le contrat de gestion règle au moins les matières suivantes :
1° le cadre politique;
2° les missions et valeurs de BIO;
3° les axes stratégiques prioritaires de la politique d'investissement de BIO en termes de concentration géographique, sectorielle et thématique, ainsi que de modalités d'investissement et de critères d'octroi de financements;
4° les modalités de financement de BIO, tant sous forme d'apport aux fonds propres que sous forme de subventions à charge du budget général des dépenses de l'Etat fédéral;
5° les objectifs spécifiques et mesurables à atteindre par BIO;
6° les modalités de coopération et de développement des synergies entre BIO et les autres acteurs de la Coopération belge au Développement;
7° les procédures et paramètres objectifs de l'évaluation annuelle du contrat de gestion;
8° les sanctions financières en cas de non-respect par une partie de ses engagements résultant du contrat de gestion;
9° les obligations en matière de contrôle interne [2 ;]2
[2 10° la façon dont BIO met en oeuvre les lois et conventions en matière de genre;
11° les obligations relatives à la communication réciproque;
12° les critères et les procédures d'examen de la capacité de gestion auxquels satisfait BIO ainsi que les conséquences si BIO ne satisfait pas aux critères de capacité de gestion visés à l'article 2quinquies;
13° les modalités financières concernant:
a) la mise à disposition de moyens à BIO;
b) le rapportage et la justification financiers;
14° la charte du membre du conseil d'administration d'entreprises publiques, telle qu'adaptée à BIO;
15° les modalités relatives aux subsides en capital visés à l'article 9, § 4, à savoir:
a) les objectifs de rendement minimaux liés aux subsides en capital;
b) l'orientation stratégique en matière de concentration géographique et sectorielle des interventions financées par les subsides en capital;
c) la nature et la taille des investissements financés par les subsides en capital;
16° les modalités relatives aux missions visées à l'article 3bis, 6° /1;
17° les modalités d'octroi des subsides visés à l'article 3ter et les critères de sélection applicables dans ce cadre, dont l'additionalité, la complémentarité et la synergie;
18° les conditions complémentaires et les modalités concernant les interventions visées à l'article 3quater;
19° les modalités de la coopération entre l'Etat belge et BIO dans le cadre des missions visées à l'article 3sexies.]2
§ 3. Toute clause résolutoire expresse dans le contrat de gestion est réputée non écrite.
[3 Les articles 5.90 à 5.96 du Code Civil ne sont]3 pas applicable au contrat de gestion. La partie envers laquelle une obligation prévue dans le contrat de gestion n'est pas exécutée peut uniquement forcer l'autre partie à l'exécution de l'obligation et, le cas échéant, demander des dommages et intérêts, sans préjudice de l'application de toute sanction prévue dans le contrat de gestion.]1
[2 § 4. Le contrat de gestion ne constitue pas un acte ou un règlement visé à l'article 14 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Toutes ces clauses sont réputées contractuelles.]2
§ 2. Le contrat de gestion règle au moins les matières suivantes :
1° le cadre politique;
2° les missions et valeurs de BIO;
3° les axes stratégiques prioritaires de la politique d'investissement de BIO en termes de concentration géographique, sectorielle et thématique, ainsi que de modalités d'investissement et de critères d'octroi de financements;
4° les modalités de financement de BIO, tant sous forme d'apport aux fonds propres que sous forme de subventions à charge du budget général des dépenses de l'Etat fédéral;
5° les objectifs spécifiques et mesurables à atteindre par BIO;
6° les modalités de coopération et de développement des synergies entre BIO et les autres acteurs de la Coopération belge au Développement;
7° les procédures et paramètres objectifs de l'évaluation annuelle du contrat de gestion;
8° les sanctions financières en cas de non-respect par une partie de ses engagements résultant du contrat de gestion;
9° les obligations en matière de contrôle interne [2 ;]2
[2 10° la façon dont BIO met en oeuvre les lois et conventions en matière de genre;
11° les obligations relatives à la communication réciproque;
12° les critères et les procédures d'examen de la capacité de gestion auxquels satisfait BIO ainsi que les conséquences si BIO ne satisfait pas aux critères de capacité de gestion visés à l'article 2quinquies;
13° les modalités financières concernant:
a) la mise à disposition de moyens à BIO;
b) le rapportage et la justification financiers;
14° la charte du membre du conseil d'administration d'entreprises publiques, telle qu'adaptée à BIO;
15° les modalités relatives aux subsides en capital visés à l'article 9, § 4, à savoir:
a) les objectifs de rendement minimaux liés aux subsides en capital;
b) l'orientation stratégique en matière de concentration géographique et sectorielle des interventions financées par les subsides en capital;
c) la nature et la taille des investissements financés par les subsides en capital;
16° les modalités relatives aux missions visées à l'article 3bis, 6° /1;
17° les modalités d'octroi des subsides visés à l'article 3ter et les critères de sélection applicables dans ce cadre, dont l'additionalité, la complémentarité et la synergie;
18° les conditions complémentaires et les modalités concernant les interventions visées à l'article 3quater;
19° les modalités de la coopération entre l'Etat belge et BIO dans le cadre des missions visées à l'article 3sexies.]2
§ 3. Toute clause résolutoire expresse dans le contrat de gestion est réputée non écrite.
[3 Les articles 5.90 à 5.96 du Code Civil ne sont]3 pas applicable au contrat de gestion. La partie envers laquelle une obligation prévue dans le contrat de gestion n'est pas exécutée peut uniquement forcer l'autre partie à l'exécution de l'obligation et, le cas échéant, demander des dommages et intérêts, sans préjudice de l'application de toute sanction prévue dans le contrat de gestion.]1
[2 § 4. Le contrat de gestion ne constitue pas un acte ou un règlement visé à l'article 14 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
Toutes ces clauses sont réputées contractuelles.]2
Art. 4ter. [1 § 1. Bij de onderhandelingen over en het sluiten van het beheerscontract, wordt de Federale Staat vertegenwoordigd door de minister die Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft.
§ 2. Bij de onderhandelingen over het beheerscontract wordt BIO vertegenwoordigd in overeenstemming met de wet en de statuten. Het beheerscontract wordt voorgelegd aan de bevoegde instantie van BIO, die beslist in overeenstemming met de wet en de statuten.
§ 3. Het beheerscontract treedt slechts in werking na goedkeuring door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op de datum vastgesteld in dit besluit.]1
§ 2. Bij de onderhandelingen over het beheerscontract wordt BIO vertegenwoordigd in overeenstemming met de wet en de statuten. Het beheerscontract wordt voorgelegd aan de bevoegde instantie van BIO, die beslist in overeenstemming met de wet en de statuten.
§ 3. Het beheerscontract treedt slechts in werking na goedkeuring door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op de datum vastgesteld in dit besluit.]1
Art. 4ter. [1 § 1er. Lors de la négociation et de la conclusion du contrat de gestion, l'Etat fédéral est représenté par le ministre ayant la Coopération au développement dans ses attributions.
§ 2. Lors de la négociation du contrat de gestion, BIO est représentée conformément à la loi et aux statuts. Le contrat de gestion est soumis à l'organe compétent de BIO, qui statue conformément à la loi et aux statuts.
§ 3. Le contrat de gestion n'entre en vigueur qu'après son approbation par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, à la date fixée par cet arrêté.]1
§ 2. Lors de la négociation du contrat de gestion, BIO est représentée conformément à la loi et aux statuts. Le contrat de gestion est soumis à l'organe compétent de BIO, qui statue conformément à la loi et aux statuts.
§ 3. Le contrat de gestion n'entre en vigueur qu'après son approbation par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, à la date fixée par cet arrêté.]1
Modifications
Art. 4quater. [1 § 1. Het beheerscontract wordt jaarlijks getoetst en desgevallend aangepast aan de wijzigingen in de wetgeving die van toepassing is op BIO en op de ontwikkelingen in de sector waarin BIO evolueert, volgens een objectieve procedure en objectieve parameters bepaald in het beheerscontract.
§ 2. Iedere andere wijziging van het beheerscontract dan de wijzigingen bedoeld in § 1, die wordt voorgesteld door één of beide partijen, gebeurt in overeenstemming met artikel 4ter.]1
§ 2. Iedere andere wijziging van het beheerscontract dan de wijzigingen bedoeld in § 1, die wordt voorgesteld door één of beide partijen, gebeurt in overeenstemming met artikel 4ter.]1
Art. 4quater. [1 § 1er. Le contrat de gestion est évalué chaque année et, en cas de nécessité, adapté aux modifications de la législation applicable à BIO et aux développements du secteur dans lequel BIO évolue selon une procédure et des paramètres objectifs prévus dans le contrat de gestion.
§ 2. Toute modification du contrat de gestion non visée au § 1er proposée par une des parties ou par les deux parties est faite conformément à l'article 4ter.]1
§ 2. Toute modification du contrat de gestion non visée au § 1er proposée par une des parties ou par les deux parties est faite conformément à l'article 4ter.]1
Modifications
Art. 4quinquies. [1 § 1. Het beheerscontract wordt gesloten voor een duur van vijf jaar.
§ 2. Uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van een beheerscontract, legt BIO aan de minister die Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft een ontwerp van nieuw beheerscontract voor.
Indien bij het verstrijken van het beheerscontract geen nieuw beheerscontract in werking is getreden, wordt het contract van rechtswege verlengd tot op het ogenblik dat een nieuw beheerscontract in werking is getreden. Deze verlenging wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad door de minister die Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft.
Indien een jaar na de in het tweede lid bedoelde verlenging, geen nieuw beheerscontract in werking is getreden, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorlopige regels vaststellen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 4ter, § 2. Deze voorlopige regels gelden als nieuw beheerscontract en zijn van toepassing tot op het ogenblik dat een nieuw beheerscontract, gesloten in overeenstemming met artikel 4ter, in werking treedt.]1
§ 2. Uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van een beheerscontract, legt BIO aan de minister die Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft een ontwerp van nieuw beheerscontract voor.
Indien bij het verstrijken van het beheerscontract geen nieuw beheerscontract in werking is getreden, wordt het contract van rechtswege verlengd tot op het ogenblik dat een nieuw beheerscontract in werking is getreden. Deze verlenging wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad door de minister die Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft.
Indien een jaar na de in het tweede lid bedoelde verlenging, geen nieuw beheerscontract in werking is getreden, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorlopige regels vaststellen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 4ter, § 2. Deze voorlopige regels gelden als nieuw beheerscontract en zijn van toepassing tot op het ogenblik dat een nieuw beheerscontract, gesloten in overeenstemming met artikel 4ter, in werking treedt.]1
Art. 4quinquies. [1 § 1er. Le contrat de gestion est conclu pour une durée de cinq ans.
§ 2. Au plus tard six mois avant l'expiration d'un contrat de gestion, BIO soumet au ministre ayant la Coopération au développement dans ses attributions un projet de nouveau contrat de gestion.
Si, à l'expiration d'un contrat de gestion, un nouveau contrat de gestion n'est pas entré en vigueur, le contrat est prorogé de plein droit jusqu'à l'entrée en vigueur d'un nouveau contrat de gestion. Cette prorogation est publiée au Moniteur belge par le ministre ayant la Coopération au développement dans ses attributions.
Si un nouveau contrat de gestion n'est pas entré en vigueur un an après la prorogation visée à l'alinéa 2, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer des règles provisoires concernant les matières visées à l'article 4ter, § 2. Ces règles provisoires valent comme nouveau contrat de gestion et sont d'application jusqu'à l'entrée en vigueur d'un nouveau contrat de gestion, conclu conformément à l'article 4ter.]1
§ 2. Au plus tard six mois avant l'expiration d'un contrat de gestion, BIO soumet au ministre ayant la Coopération au développement dans ses attributions un projet de nouveau contrat de gestion.
Si, à l'expiration d'un contrat de gestion, un nouveau contrat de gestion n'est pas entré en vigueur, le contrat est prorogé de plein droit jusqu'à l'entrée en vigueur d'un nouveau contrat de gestion. Cette prorogation est publiée au Moniteur belge par le ministre ayant la Coopération au développement dans ses attributions.
Si un nouveau contrat de gestion n'est pas entré en vigueur un an après la prorogation visée à l'alinéa 2, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer des règles provisoires concernant les matières visées à l'article 4ter, § 2. Ces règles provisoires valent comme nouveau contrat de gestion et sont d'application jusqu'à l'entrée en vigueur d'un nouveau contrat de gestion, conclu conformément à l'article 4ter.]1
Modifications
Art. 4sexies. [1 De besluiten tot goedkeuring van een beheerscontract of tot aanpassing ervan, evenals de besluiten tot vaststelling van de voorlopige regels, worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
De bepalingen van het beheerscontract worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het koninklijk besluit, met uitzondering van de bepalingen waarvoor door of krachtens de wet een plicht tot geheimhouding werd ingesteld of waarvan de bekendmaking strijdig zou zijn met de openbare orde.]1
De bepalingen van het beheerscontract worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het koninklijk besluit, met uitzondering van de bepalingen waarvoor door of krachtens de wet een plicht tot geheimhouding werd ingesteld of waarvan de bekendmaking strijdig zou zijn met de openbare orde.]1
Art. 4sexies. [1 Les arrêtés portant approbation d'un contrat de gestion ou de son adaptation, ainsi que les arrêtés fixant les règles provisoires, sont publiés au Moniteur belge.
Les dispositions du contrat de gestion sont publiées en annexes de l'arrêté royal, à l'exception de celles visées par une obligation de secret instaurée par ou en vertu de la loi ou dont la publication serait contraire à l'ordre public.]1
Les dispositions du contrat de gestion sont publiées en annexes de l'arrêté royal, à l'exception de celles visées par une obligation de secret instaurée par ou en vertu de la loi ou dont la publication serait contraire à l'ordre public.]1
Modifications
Art.4septies. [1 BIO maakt jaarlijks een ondernemingsplan op dat wordt goedgekeurd door de raad van bestuur. Het ondernemingsplan omvat de strategische en operationele doelstellingen, met in begrip van de daaraan verbonden indicatoren en een financieel meerjarenplan.]1
Art.4septies. [1 BIO établit annuellement un plan d'entreprise qui est approuvé par le conseil d'administration. Le plan d'entreprise comprend les objectifs stratégiques et opérationnels, en ce compris les indicateurs y relatifs et un plan financier pluriannuel.]1
Modifications
Art.5. [1 § 1. BIO staat onder het toezicht van de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking en de minister bevoegd voor Begroting.
Dit toezicht wordt uitgeoefend door twee regeringscommissarissen.
Elk van beide ministers benoemt één regeringscommissaris en één plaatsvervanger. De plaatsvervangers beschikken, in voorkomend geval, over dezelfde bevoegdheden als de regeringscommissarissen.
Elke regeringscommissaris heeft het recht om:
1° kennis te nemen van alle beslissingen van de algemene vergadering, de raad van bestuur, de door de raad van bestuur opgerichte comités en het orgaan belast met het dagelijks bestuur;
2° alle nodige controles uit te voeren;
3° zich alle voor de in de bepaling onder 2° bedoelde controles nodige inlichtingen te doen verstrekken.
Wanneer zij het nuttig achten, wonen zij de vergaderingen van de algemene vergadering, de raad van bestuur, de door de raad van bestuur opgerichte comités en het orgaan belast met het dagelijks bestuur, bij. Zij zetelen er met raadgevende stem. De agenda's van deze vergadering worden hen steeds tijdig bezorgd. De regeringscommissarissen ontvangen de verslagen van deze vergaderingen.
§ 2. Elke regeringscommissaris kan ten allen tijde ter plaatse inzage nemen van de boeken, de briefwisseling, verslagen en van alle documenten en alle geschriften van BIO.
Elke regeringscommissaris kan van de leden van de raad van bestuur, van het orgaan belast met het dagelijks bestuur en van de medewerkers van BIO alle verduidelijkingen of inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die hem nodig lijken voor de uitvoering van zijn mandaat.
BIO bezorgt onmiddellijk aan elke regeringscommissaris de opmerkingen van de in artikel 5bis bedoelde commissarissen evenals de op deze opmerkingen gegeven antwoorden. Elke regeringscommissaris communiceert schriftelijk met de commissarissen betreffende de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren.
BIO stelt de regeringscommissarissen de menselijke en materiële middelen ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van hun mandaat.
De minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking en de minister bevoegd voor Begroting kunnen, elk voor hun bevoegdheid en indien ze dat nuttig achten, de regeringscommissarissen laten bijstaan door deskundigen. De bezoldiging van de deskundigen is ten laste van BIO.
§ 3. Elke regeringscommissaris kan, bij de minister dat hem heeft benoemd, een schorsend beroep aantekenen tegen elke beslissing die hij strijdig acht met de wetten, de besluiten, de statuten, het beheerscontract, het ondernemingsplan of met het algemeen belang.
De regeringscommissaris aangewezen door de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking, ziet bovendien toe op de inbedding van ontwikkelingssamenwerking als één van de instrumenten van het Belgische buitenlandse beleid, alsook op de coherentie van het buitenlandse optreden van België.
De regeringscommissaris aangeduid door de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking vergewist zich eveneens van de overeenstemming van elke investeringsbeslissing met de criteria bepaald door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling bedoeld in artikel 32 van de wet van 19 maart 2013 betreffende Belgische Ontwikkelingssamenwerking.
Voor het indienen van het beroep bedoeld in het eerste lid, beschikken de regeringscommissarissen over een termijn van zeven dagen vanaf de kennisname van de beslissing.
De minister beschikt over een termijn van veertien dagen vanaf de indiening van het schorsend beroep om de geschorste beslissing te vernietigen.
Hij brengt zijn beslissing ter kennis aan de voorzitter van de raad van bestuur.
Indien de minister de schorsing niet vernietigt of zich binnen deze termijn niet uitspreekt, mag de beslissing ten uitvoer worden gelegd.
De raad van bestuur kan op met redenen omklede wijze de dringende noodzakelijkheid inroepen. De regeringscommissarissen beschikken in dat geval over een termijn van vier dagen vanaf de kennisname van de beslissing om een schorsend beroep in te dienen bij de minister. De in het vijfde lid voorgeschreven termijn wordt in dat geval teruggebracht tot vier dagen.
§ 4. De vergoeding van de regeringscommissarissen wordt vastgesteld door de Koning. Zij wordt gedragen door BIO.
§ 5. Wanneer de naleving van de wetten, besluiten, statuten, het beheerscontract, het ondernemingsplan of het algemeen belang dit vereist, kan de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking of elke regeringscommissaris het bevoegde bestuursorgaan verplichten om, binnen de door hem gestelde termijn, hierover te beraadslagen.
Wanneer de inbedding van ontwikkelingssamenwerking als een van de instrumenten van het Belgisch buitenlandse beleid of de coherentie van het buitenlandse optreden van België dit vereist, kan de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking of de regeringscommissaris die door hem is aangeduid, het bevoegde bestuursorgaan verplichten om, binnen de door hem gestelde termijn, hierover te beraadslagen.]1
Dit toezicht wordt uitgeoefend door twee regeringscommissarissen.
Elk van beide ministers benoemt één regeringscommissaris en één plaatsvervanger. De plaatsvervangers beschikken, in voorkomend geval, over dezelfde bevoegdheden als de regeringscommissarissen.
Elke regeringscommissaris heeft het recht om:
1° kennis te nemen van alle beslissingen van de algemene vergadering, de raad van bestuur, de door de raad van bestuur opgerichte comités en het orgaan belast met het dagelijks bestuur;
2° alle nodige controles uit te voeren;
3° zich alle voor de in de bepaling onder 2° bedoelde controles nodige inlichtingen te doen verstrekken.
Wanneer zij het nuttig achten, wonen zij de vergaderingen van de algemene vergadering, de raad van bestuur, de door de raad van bestuur opgerichte comités en het orgaan belast met het dagelijks bestuur, bij. Zij zetelen er met raadgevende stem. De agenda's van deze vergadering worden hen steeds tijdig bezorgd. De regeringscommissarissen ontvangen de verslagen van deze vergaderingen.
§ 2. Elke regeringscommissaris kan ten allen tijde ter plaatse inzage nemen van de boeken, de briefwisseling, verslagen en van alle documenten en alle geschriften van BIO.
Elke regeringscommissaris kan van de leden van de raad van bestuur, van het orgaan belast met het dagelijks bestuur en van de medewerkers van BIO alle verduidelijkingen of inlichtingen vorderen en alle verificaties verrichten die hem nodig lijken voor de uitvoering van zijn mandaat.
BIO bezorgt onmiddellijk aan elke regeringscommissaris de opmerkingen van de in artikel 5bis bedoelde commissarissen evenals de op deze opmerkingen gegeven antwoorden. Elke regeringscommissaris communiceert schriftelijk met de commissarissen betreffende de aangelegenheden die tot zijn bevoegdheid behoren.
BIO stelt de regeringscommissarissen de menselijke en materiële middelen ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van hun mandaat.
De minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking en de minister bevoegd voor Begroting kunnen, elk voor hun bevoegdheid en indien ze dat nuttig achten, de regeringscommissarissen laten bijstaan door deskundigen. De bezoldiging van de deskundigen is ten laste van BIO.
§ 3. Elke regeringscommissaris kan, bij de minister dat hem heeft benoemd, een schorsend beroep aantekenen tegen elke beslissing die hij strijdig acht met de wetten, de besluiten, de statuten, het beheerscontract, het ondernemingsplan of met het algemeen belang.
De regeringscommissaris aangewezen door de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking, ziet bovendien toe op de inbedding van ontwikkelingssamenwerking als één van de instrumenten van het Belgische buitenlandse beleid, alsook op de coherentie van het buitenlandse optreden van België.
De regeringscommissaris aangeduid door de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking vergewist zich eveneens van de overeenstemming van elke investeringsbeslissing met de criteria bepaald door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling bedoeld in artikel 32 van de wet van 19 maart 2013 betreffende Belgische Ontwikkelingssamenwerking.
Voor het indienen van het beroep bedoeld in het eerste lid, beschikken de regeringscommissarissen over een termijn van zeven dagen vanaf de kennisname van de beslissing.
De minister beschikt over een termijn van veertien dagen vanaf de indiening van het schorsend beroep om de geschorste beslissing te vernietigen.
Hij brengt zijn beslissing ter kennis aan de voorzitter van de raad van bestuur.
Indien de minister de schorsing niet vernietigt of zich binnen deze termijn niet uitspreekt, mag de beslissing ten uitvoer worden gelegd.
De raad van bestuur kan op met redenen omklede wijze de dringende noodzakelijkheid inroepen. De regeringscommissarissen beschikken in dat geval over een termijn van vier dagen vanaf de kennisname van de beslissing om een schorsend beroep in te dienen bij de minister. De in het vijfde lid voorgeschreven termijn wordt in dat geval teruggebracht tot vier dagen.
§ 4. De vergoeding van de regeringscommissarissen wordt vastgesteld door de Koning. Zij wordt gedragen door BIO.
§ 5. Wanneer de naleving van de wetten, besluiten, statuten, het beheerscontract, het ondernemingsplan of het algemeen belang dit vereist, kan de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking of elke regeringscommissaris het bevoegde bestuursorgaan verplichten om, binnen de door hem gestelde termijn, hierover te beraadslagen.
Wanneer de inbedding van ontwikkelingssamenwerking als een van de instrumenten van het Belgisch buitenlandse beleid of de coherentie van het buitenlandse optreden van België dit vereist, kan de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking of de regeringscommissaris die door hem is aangeduid, het bevoegde bestuursorgaan verplichten om, binnen de door hem gestelde termijn, hierover te beraadslagen.]1
Modifications
Art.5. [1 § 1er. BIO est soumise au contrôle du ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions et du ministre qui a le Budget dans ses attributions.
Ce contrôle est exercé par deux commissaires du gouvernement.
Chacun des deux ministres nomme un commissaire du gouvernement et un suppléant. Les suppléants disposent, le cas échéant, des mêmes compétences que les commissaires du gouvernement.
Chaque commissaire du gouvernement a le droit:
1° de prendre connaissance de toutes les décisions de l'assemblée générale, du conseil d'administration, des comités créés par le conseil d'administration et l'organe chargé de la gestion journalière;
2° d'effectuer tous les contrôles nécessaires;
3° de se procurer tous les renseignements nécessaires aux contrôles visés au 2°.
S'ils le jugent utile, ils assistent aux réunions de l'assemblée générale, du conseil d'administration, des comités créés par le conseil d'administration et de l'organe chargé de la gestion journalière. Ils y siègent avec voix consultative. Les ordres du jour de ces réunions sont toujours transmis en temps utile. Les commissaires du gouvernement reçoivent les procès-verbaux de ces réunions.
§ 2. Chaque commissaire du gouvernement peut à tout moment prendre connaissance sur place des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et de tous les documents et de tous les écrits de BIO.
Chaque commissaire du gouvernement peut requérir des membres du conseil d'administration, de l'organe chargé de la gestion journalière et des collaborateurs de BIO toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires à l'exécution de son mandat.
BIO transmet immédiatement à chaque commissaire du gouvernement les remarques des commissaires visés à l'article 5bis ainsi que les réponses fournies à ces remarques. Chaque commissaire du gouvernement communique par écrit avec les commissaires au sujet des matières relevant de sa compétence.
BIO met à la disposition des commissaires du gouvernement les ressources humaines et moyens matériels nécessaires à l'exécution de leur mandat.
Le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions et le ministre qui a le Budget dans ses attributions peuvent, chacun pour ce qui le concerne et s'ils l'estiment utile, faire assister les commissaires du gouvernement par des experts. La rémunération des experts est à charge de BIO.
§ 3. Chaque commissaire du gouvernement peut introduire, auprès du ministre qui l'a nommé, un recours suspensif contre toute décision qu'il estime contraire aux lois, aux arrêtés, aux statuts, au contrat de gestion, au plan d'entreprise ou à l'intérêt général.
En outre, le commissaire du gouvernement désigné par le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions, veille à l'ancrage de la coopération au développement en tant qu'un des instruments de la politique étrangère belge, ainsi qu'à la cohérence de l'action extérieure belge.
Le commissaire du gouvernement désigné par le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions s'assure également de la conformité de toute décision d'investissement aux critères définis par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de coopération et de développement économiques visés à l'article 32 de la loi du 19 mars 2013 relative à la Coopération belge au Développement.
Pour l'introduction du recours visé à l'alinéa 1er, les commissaires du gouvernement disposent d'un délai de sept jours à partir de la prise de connaissance de la décision.
Le ministre dispose d'un délai de quatorze jours à partir de l'introduction du recours suspensif pour annuler la décision suspendue.
Il notifie sa décision au président du conseil d'administration.
Dans le cas où le ministre n'annule pas la suspension ou ne s'exprime pas dans ce délai, la décision peut être mise en oeuvre.
Le conseil d'administration peut invoquer de façon motivée l'urgence. Les commissaires du gouvernement disposent dans ce cas d'un délai de quatre jours à partir de la prise de connaissance de la décision pour introduire un recours suspensif auprès du ministre. Le délai prescrit à l'alinéa 5 est dans ce cas ramené à quatre jours.
§ 4. L'indemnité des commissaires du gouvernement est déterminée par le Roi. Elle est supportée par BIO.
§ 5. Lorsque le respect des lois, des arrêtés, des statuts, du contrat de gestion, du plan d'entreprise ou de l'intérêt général le requiert, le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions ou chaque commissaire du gouvernement peut requérir l'organe d'administration compétent d'en délibérer, dans le délai qu'il fixe.
Lorsque l'ancrage de la coopération au développement en tant qu'un des instruments de la politique étrangère belge ou la cohérence de l'action extérieure de la Belgique le requiert, le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions ou le commissaire du gouvernement désigné par lui peut requérir l'organe d'administration compétent d'en délibérer, dans le délai qu'il fixe.]1
Ce contrôle est exercé par deux commissaires du gouvernement.
Chacun des deux ministres nomme un commissaire du gouvernement et un suppléant. Les suppléants disposent, le cas échéant, des mêmes compétences que les commissaires du gouvernement.
Chaque commissaire du gouvernement a le droit:
1° de prendre connaissance de toutes les décisions de l'assemblée générale, du conseil d'administration, des comités créés par le conseil d'administration et l'organe chargé de la gestion journalière;
2° d'effectuer tous les contrôles nécessaires;
3° de se procurer tous les renseignements nécessaires aux contrôles visés au 2°.
S'ils le jugent utile, ils assistent aux réunions de l'assemblée générale, du conseil d'administration, des comités créés par le conseil d'administration et de l'organe chargé de la gestion journalière. Ils y siègent avec voix consultative. Les ordres du jour de ces réunions sont toujours transmis en temps utile. Les commissaires du gouvernement reçoivent les procès-verbaux de ces réunions.
§ 2. Chaque commissaire du gouvernement peut à tout moment prendre connaissance sur place des livres, de la correspondance, des procès-verbaux et de tous les documents et de tous les écrits de BIO.
Chaque commissaire du gouvernement peut requérir des membres du conseil d'administration, de l'organe chargé de la gestion journalière et des collaborateurs de BIO toutes les explications ou informations et procéder à toutes les vérifications qui lui paraissent nécessaires à l'exécution de son mandat.
BIO transmet immédiatement à chaque commissaire du gouvernement les remarques des commissaires visés à l'article 5bis ainsi que les réponses fournies à ces remarques. Chaque commissaire du gouvernement communique par écrit avec les commissaires au sujet des matières relevant de sa compétence.
BIO met à la disposition des commissaires du gouvernement les ressources humaines et moyens matériels nécessaires à l'exécution de leur mandat.
Le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions et le ministre qui a le Budget dans ses attributions peuvent, chacun pour ce qui le concerne et s'ils l'estiment utile, faire assister les commissaires du gouvernement par des experts. La rémunération des experts est à charge de BIO.
§ 3. Chaque commissaire du gouvernement peut introduire, auprès du ministre qui l'a nommé, un recours suspensif contre toute décision qu'il estime contraire aux lois, aux arrêtés, aux statuts, au contrat de gestion, au plan d'entreprise ou à l'intérêt général.
En outre, le commissaire du gouvernement désigné par le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions, veille à l'ancrage de la coopération au développement en tant qu'un des instruments de la politique étrangère belge, ainsi qu'à la cohérence de l'action extérieure belge.
Le commissaire du gouvernement désigné par le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions s'assure également de la conformité de toute décision d'investissement aux critères définis par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de coopération et de développement économiques visés à l'article 32 de la loi du 19 mars 2013 relative à la Coopération belge au Développement.
Pour l'introduction du recours visé à l'alinéa 1er, les commissaires du gouvernement disposent d'un délai de sept jours à partir de la prise de connaissance de la décision.
Le ministre dispose d'un délai de quatorze jours à partir de l'introduction du recours suspensif pour annuler la décision suspendue.
Il notifie sa décision au président du conseil d'administration.
Dans le cas où le ministre n'annule pas la suspension ou ne s'exprime pas dans ce délai, la décision peut être mise en oeuvre.
Le conseil d'administration peut invoquer de façon motivée l'urgence. Les commissaires du gouvernement disposent dans ce cas d'un délai de quatre jours à partir de la prise de connaissance de la décision pour introduire un recours suspensif auprès du ministre. Le délai prescrit à l'alinéa 5 est dans ce cas ramené à quatre jours.
§ 4. L'indemnité des commissaires du gouvernement est déterminée par le Roi. Elle est supportée par BIO.
§ 5. Lorsque le respect des lois, des arrêtés, des statuts, du contrat de gestion, du plan d'entreprise ou de l'intérêt général le requiert, le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions ou chaque commissaire du gouvernement peut requérir l'organe d'administration compétent d'en délibérer, dans le délai qu'il fixe.
Lorsque l'ancrage de la coopération au développement en tant qu'un des instruments de la politique étrangère belge ou la cohérence de l'action extérieure de la Belgique le requiert, le ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions ou le commissaire du gouvernement désigné par lui peut requérir l'organe d'administration compétent d'en délibérer, dans le délai qu'il fixe.]1
Modifications
Art. 5bis. <W 2002-12-24/31, art. 459; Inwerkingtreding : 10-01-2003> § 1. De controle op de financiële toestand, op de jaarrekeningen en op de regelmatigheid, vanuit het oogpunt van de wet en van de statuten van BIO, van de verrichtingen weer te geven in de jaarrekeningen, wordt opgedragen aan twee commissarissen.
§ 2. Het Rekenhof benoemt een commissaris onder de leden van het Hof. De andere commissaris wordt benoemd door [1 de algemene vergadering]1, onder de leden, natuurlijke personen of rechtspersonen, van het Instituut voor bedrijfsrevisoren.
§ 3. De commissarissen worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
§ 2. Het Rekenhof benoemt een commissaris onder de leden van het Hof. De andere commissaris wordt benoemd door [1 de algemene vergadering]1, onder de leden, natuurlijke personen of rechtspersonen, van het Instituut voor bedrijfsrevisoren.
§ 3. De commissarissen worden benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
Modifications
Art. 5bis. § 1er. Le contrôle de la situation financière, des comptes annuels et de la régularité, au regard de la loi et des statuts de BIO, des opérations à constater dans les comptes annuels, est confié à deux commissaires.
§ 2. La Cour des comptes nomme un commissaire parmi les membres de la Cour. L'autre commissaire est nommé par [1 l'assemblée générale]1, parmi les membres, personnes physiques ou morales, de l'Institut des réviseurs d'entreprise.
§ 3. Les commissaires sont nommés pour un terme renouvelable de trois ans.
§ 2. La Cour des comptes nomme un commissaire parmi les membres de la Cour. L'autre commissaire est nommé par [1 l'assemblée générale]1, parmi les membres, personnes physiques ou morales, de l'Institut des réviseurs d'entreprise.
§ 3. Les commissaires sont nommés pour un terme renouvelable de trois ans.
Modifications
Art.6. BIO kan onderhandse leningen aangaan op de binnenlandse of buitenlandse kapitaalmarkt. De Koning kan aan deze leningen de Staatswaarborg hechten.
Art.6. BIO peut souscrire des emprunts de gré à gré sur le marché des capitaux national ou international. Le Roi peut accorder la garantie de l'Etat à ces emprunts.
Art.7. BIO stelt elk jaar een verslag op dat door het regeringslid dat de Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft aan de Kamer van volksvertegenwoordigers wordt meegedeeld. Het regeringslid dat de Ontwikkelingssamenwerking onder zijn bevoegdheid heeft, kan aan dit verslag de opmerkingen aanbrengen die hij nodig acht.
[1 [2 BIO maakt jaarlijks een verantwoordingsrapport betreffende de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 9, § 1, 3° en 4°, over aan de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking.]2
Het rapport bevat de volgende gegevens:
1° het overzicht van de uitgevoerde activiteiten;
2° het financieel overzicht;
3° de evaluatie van de behaalde ontwikkelings- en financiële resultaten;
4° de eventueel te overwegen wijzigingen van de gevolgde strategie met naleving van het beheerscontract.]1
[1 [2 BIO maakt jaarlijks een verantwoordingsrapport betreffende de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 9, § 1, 3° en 4°, over aan de minister bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking.]2
Het rapport bevat de volgende gegevens:
1° het overzicht van de uitgevoerde activiteiten;
2° het financieel overzicht;
3° de evaluatie van de behaalde ontwikkelings- en financiële resultaten;
4° de eventueel te overwegen wijzigingen van de gevolgde strategie met naleving van het beheerscontract.]1
Art.7. BIO rédige un rapport annuel qui est communiqué par le membre du gouvernement qui a la Coopération au Développement dans ses attributions à la Chambre des représentants. Le membre du gouvernement ayant la Coopération au Développement dans ses attributions, peut accompagner ce rapport des remarques qu'il juge nécessaires.
[1 [2 BIO transmet annuellement un rapport de justification concernant l'emploi des moyens visés à l'article 9, § 1er, 3° et 4°, au ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions.]2
Le rapport reprend les données suivantes:
1° le bilan des activités menées;
2° le bilan financier;
3° l'évaluation des résultats de développement et financiers obtenus;
4° les modifications éventuelles à envisager de la stratégie suivie dans le respect du contrat de gestion.]1
[1 [2 BIO transmet annuellement un rapport de justification concernant l'emploi des moyens visés à l'article 9, § 1er, 3° et 4°, au ministre qui a la Coopération au Développement dans ses attributions.]2
Le rapport reprend les données suivantes:
1° le bilan des activités menées;
2° le bilan financier;
3° l'évaluation des résultats de développement et financiers obtenus;
4° les modifications éventuelles à envisager de la stratégie suivie dans le respect du contrat de gestion.]1
Art.8. [1 § 1. De interventies van BIO sluiten aan bij de algemene doelstelling van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, met name de duurzame menselijke ontwikkeling bedoeld in artikel 3 van de wet van 19 maart 2013 betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking.
§ 2. De interventies van BIO moeten bovendien voldoen aan de criteria bepaald door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling bedoeld in artikel 32 van de wet van 19 maart 2013 betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, te weten de relevantie, de effectiviteit, de efficiëntie, de levensvatbaarheid, de impact en de duurzaamheid.]1
§ 2. De interventies van BIO moeten bovendien voldoen aan de criteria bepaald door het Comité voor Ontwikkelingshulp van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling bedoeld in artikel 32 van de wet van 19 maart 2013 betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, te weten de relevantie, de effectiviteit, de efficiëntie, de levensvatbaarheid, de impact en de duurzaamheid.]1
Modifications
Art.8. [1 § 1er. Les interventions de BIO s'inscrivent dans l'objectif général de la Coopération belge au Développement qui est le développement humain durable visé à l'article 3 de la loi du 19 mars 2013 relative à la Coopération belge au Développement.
§ 2. Les interventions de BIO doivent en outre répondre aux critères définis par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de coopération et de développement économiques visés à l'article 32 de la loi du 19 mars 2013 relative à la Coopération belge au Développement, à savoir la pertinence, l'efficacité, l'efficience, la viabilité, l'impact et la durabilité.]1
§ 2. Les interventions de BIO doivent en outre répondre aux critères définis par le Comité d'aide au développement de l'Organisation de coopération et de développement économiques visés à l'article 32 de la loi du 19 mars 2013 relative à la Coopération belge au Développement, à savoir la pertinence, l'efficacité, l'efficience, la viabilité, l'impact et la durabilité.]1
Modifications
Art.9. [1 § 1. De Belgische Staat kan middelen toekennen aan BIO door:
1° inbrengen in kapitaal;
2° inbrengen buiten kapitaal, door de inschrijving op winstbewijzen die ontwikkelingscertificaten genoemd worden;
3° kapitaalsubsidies;
4° subsidies andere dan kapitaalsubsidies;
5° vergoedingen voor de opdrachten bedoeld in artikel 3sexies.
§ 2. De aanwending door BIO van de middelen bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is gebonden aan een rendementsdoelstelling die maakt dat de inbreng steeds kan worden geclassificeerd als een deelneming binnen de overheidssector overeenkomstig het Europees stelsel van nationale en regionale rekeningen.
§ 3. De winstbewijzen bedoeld in paragraaf 1, 2°, zijn op dezelfde wijze als het kapitaal onbeschikbaar. Zij genieten dezelfde fiscale behandeling als de inbreng in kapitaal.
§ 4. De kapitaalsubsidies bedoeld in paragraaf 1, 3°, kunnen worden aangewend om investeringen te realiseren die een lagere rendementsdoelstelling hebben dan de rendementsdoelstelling bedoeld in paragraaf 2.
Het cumulatief bedrag van de kapitaalsubsidies toegekend door de Belgische Staat aan BIO vertegenwoordigt maximum 15 percent van de som van de middelen bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°.
De investeringen gefinancierd met de kapitaalsubsidies moeten apart kunnen worden opgevolgd in de boekhouding van BIO.
De provisies voor waardeverminderingen en de minderwaarden op deze investeringen worden rechtstreeks ten laste gelegd van de kapitaalsubsidie, net als de kosten verbonden aan het beheer van de investeringen die gebeuren met de kapitaalsubsidies.
Het geïnvesteerde bedrag dat BIO terugkrijgt ingevolge de terugbetaling van leningen of de verkoop van kapitaalparticipaties gefinancierd met kapitaalsubsidies kan enkel worden aangewend voor nieuwe investeringen bedoeld in het eerste lid. De opbrengsten van deze investeringen worden aangewend voor nieuwe investeringen bedoeld in het eerste lid en voor het beheer van investeringen gefinancierd met kapitaalsubsidies.
§ 5. De subsidies bedoeld in paragraaf 1, 4°, worden aangewend om de interventies bedoeld in de artikelen 3ter en 3quater te financieren en zijn niet onderworpen aan een rendementsdoelstelling.]1
1° inbrengen in kapitaal;
2° inbrengen buiten kapitaal, door de inschrijving op winstbewijzen die ontwikkelingscertificaten genoemd worden;
3° kapitaalsubsidies;
4° subsidies andere dan kapitaalsubsidies;
5° vergoedingen voor de opdrachten bedoeld in artikel 3sexies.
§ 2. De aanwending door BIO van de middelen bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°, is gebonden aan een rendementsdoelstelling die maakt dat de inbreng steeds kan worden geclassificeerd als een deelneming binnen de overheidssector overeenkomstig het Europees stelsel van nationale en regionale rekeningen.
§ 3. De winstbewijzen bedoeld in paragraaf 1, 2°, zijn op dezelfde wijze als het kapitaal onbeschikbaar. Zij genieten dezelfde fiscale behandeling als de inbreng in kapitaal.
§ 4. De kapitaalsubsidies bedoeld in paragraaf 1, 3°, kunnen worden aangewend om investeringen te realiseren die een lagere rendementsdoelstelling hebben dan de rendementsdoelstelling bedoeld in paragraaf 2.
Het cumulatief bedrag van de kapitaalsubsidies toegekend door de Belgische Staat aan BIO vertegenwoordigt maximum 15 percent van de som van de middelen bedoeld in paragraaf 1, 1° en 2°.
De investeringen gefinancierd met de kapitaalsubsidies moeten apart kunnen worden opgevolgd in de boekhouding van BIO.
De provisies voor waardeverminderingen en de minderwaarden op deze investeringen worden rechtstreeks ten laste gelegd van de kapitaalsubsidie, net als de kosten verbonden aan het beheer van de investeringen die gebeuren met de kapitaalsubsidies.
Het geïnvesteerde bedrag dat BIO terugkrijgt ingevolge de terugbetaling van leningen of de verkoop van kapitaalparticipaties gefinancierd met kapitaalsubsidies kan enkel worden aangewend voor nieuwe investeringen bedoeld in het eerste lid. De opbrengsten van deze investeringen worden aangewend voor nieuwe investeringen bedoeld in het eerste lid en voor het beheer van investeringen gefinancierd met kapitaalsubsidies.
§ 5. De subsidies bedoeld in paragraaf 1, 4°, worden aangewend om de interventies bedoeld in de artikelen 3ter en 3quater te financieren en zijn niet onderworpen aan een rendementsdoelstelling.]1
Modifications
Art.9. [1 § 1er. L'Etat belge peut octroyer des moyens à BIO par:
1° des apports en capital;
2° des apports hors capital, par la souscription de parts bénéficiaires qui sont dénommées certificats de développement;
3° des subsides en capital;
4° des subsides autres que des subsides en capital;
5° des indemnités pour les missions visées à l'article 3sexies.
§ 2. L'utilisation par BIO des moyens visés au paragraphe 1er, 1° et 2°, est liée à un objectif de rendement qui fait que l'apport peut toujours être classifié comme une participation dans le secteur public conformément au système européen des comptes nationaux et régionaux.
§ 3. Les parts bénéficiaires visées au paragraphe 1er, 2°, sont indisponibles au même titre que le capital. Elles bénéficient du même traitement fiscal que l'apport en capital.
§ 4. Les subsides en capital visés au paragraphe 1er, 3°, peuvent être utilisés pour réaliser des investissements qui ont un objectif de rendement plus bas que l'objectif de rendement visé au paragraphe 2.
Le montant cumulé des subsides en capital octroyés par l'Etat belge à BIO représente maximum 15 pourcent de la somme des moyens visés au paragraphe 1er, 1° et 2°.
Les investissements financés par les subsides en capital doivent pouvoir être suivis de manière distincte dans la comptabilité de BIO.
Les provisions pour réductions de valeur et les moins-values sur ces investissements sont imputées directement sur le subside en capital, de même que les coûts liés à la gestion des investissements qui sont effectués avec les subsides en capital.
Le montant investi que BIO récupère suite au remboursement de prêts ou la vente de participations en capital financés par les subsides en capital ne peut être utilisé que pour de nouveaux investissements visés à l' alinéa 1er. Les revenus de ces investissements sont utilisés pour de nouveaux investissements visés à l' alinéa 1er et pour la gestion des investissements financés avec des subsides en capital.
§ 5. Les subsides visés au paragraphe 1er, 4°, sont affectés pour financer les interventions visées aux articles 3ter et 3quater et ne sont pas soumis à un objectif de rendement.]1
1° des apports en capital;
2° des apports hors capital, par la souscription de parts bénéficiaires qui sont dénommées certificats de développement;
3° des subsides en capital;
4° des subsides autres que des subsides en capital;
5° des indemnités pour les missions visées à l'article 3sexies.
§ 2. L'utilisation par BIO des moyens visés au paragraphe 1er, 1° et 2°, est liée à un objectif de rendement qui fait que l'apport peut toujours être classifié comme une participation dans le secteur public conformément au système européen des comptes nationaux et régionaux.
§ 3. Les parts bénéficiaires visées au paragraphe 1er, 2°, sont indisponibles au même titre que le capital. Elles bénéficient du même traitement fiscal que l'apport en capital.
§ 4. Les subsides en capital visés au paragraphe 1er, 3°, peuvent être utilisés pour réaliser des investissements qui ont un objectif de rendement plus bas que l'objectif de rendement visé au paragraphe 2.
Le montant cumulé des subsides en capital octroyés par l'Etat belge à BIO représente maximum 15 pourcent de la somme des moyens visés au paragraphe 1er, 1° et 2°.
Les investissements financés par les subsides en capital doivent pouvoir être suivis de manière distincte dans la comptabilité de BIO.
Les provisions pour réductions de valeur et les moins-values sur ces investissements sont imputées directement sur le subside en capital, de même que les coûts liés à la gestion des investissements qui sont effectués avec les subsides en capital.
Le montant investi que BIO récupère suite au remboursement de prêts ou la vente de participations en capital financés par les subsides en capital ne peut être utilisé que pour de nouveaux investissements visés à l' alinéa 1er. Les revenus de ces investissements sont utilisés pour de nouveaux investissements visés à l' alinéa 1er et pour la gestion des investissements financés avec des subsides en capital.
§ 5. Les subsides visés au paragraphe 1er, 4°, sont affectés pour financer les interventions visées aux articles 3ter et 3quater et ne sont pas soumis à un objectif de rendement.]1
Modifications
Art. 9bis. [1 De personeelsleden van BIO worden aangeworven bij arbeidsovereenkomst overeenkomstig de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Voor zover BIO niet zelf beschikt over de nodige expertise, kan zij beroep doen op een derde, die over een erkende competentie beschikt, met het oog op de voorbereiding van investeringsbeslissingen en de controle van hun uitvoering.]1
Voor zover BIO niet zelf beschikt over de nodige expertise, kan zij beroep doen op een derde, die over een erkende competentie beschikt, met het oog op de voorbereiding van investeringsbeslissingen en de controle van hun uitvoering.]1
Art. 9bis. [1 Les membres du personnel de BIO sont engagés sous contrat de travail conformément à la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Pour autant que BIO ne dispose pas elle-même de l'expertise nécessaire, elle peut faire appel à un tiers, disposant d'une compétence reconnue, en vue de la préparation des décisions d'investissement et du contrôle de leur mise en oeuvre.]1
Pour autant que BIO ne dispose pas elle-même de l'expertise nécessaire, elle peut faire appel à un tiers, disposant d'une compétence reconnue, en vue de la préparation des décisions d'investissement et du contrôle de leur mise en oeuvre.]1
Modifications
Art.10. § 3. In artikel 161, 1°, van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten worden de woorden "de akten verleden ten name of ten bate van de naamloze vennootschap BIO" toegevoegd na de woorden "de akten in der minne verleden ter name of ten bate van de naamloze vennootschap A.S.T.R.I.D.".
Art.10. § 3. A l'article 161, 1°, du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, les mots "les actes passés au nom ou en faveur de la société anonyme BIO" sont ajoutés après les mots "les actes amiables passés au nom ou en faveur de la société anonyme A.S.T.R.I.D.".
HOOFDSTUK III.
CHAPITRE III.
HOOFDSTUK IV. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE IV. - Entrée en vigueur.
Art. 15. Deze wet treedt in werking op de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 15. La présente loi entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.