Artikel 1. In artikel 5 van het koninklijk besluit van 8 december 1967 genomen ter uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 28 februari 1967 houdende vaststelling van de administratieve stand van de leden van het administratief personeel en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel van de rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, voor lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs, worden de leden 1, 2 en 3 door de volgende bepalingen vervangen :
" Het in dienstactiviteit zijnde vrouwelijk personeelslid heeft recht op een bevallingsverlof van vijftien weken of van zeventien weken, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien.
Uiterlijk acht weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of tien weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien, overhandigt het personeelslid een geneeskundig attest houdende bekrachtiging van deze datum aan de inrichtende macht.
Het verlof kan ten vroegste ingaan zeven weken vóór de datum die in het geneeskundig getuigschrift wordt aangegeven of negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien.
Het wordt verminderd met het aantal dagen verlof wegens ziekte of gebrekkigheid die het betrokken personeelslid heeft genoten gedurende de weken bevallingsverlof die de werkelijke bevallingsdatum voorafgaan. ".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
31 AUGUSTUS 2000. - Besluit van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap tot aanpassing van verschillende bepalingen inzake het bevallingsverlof van de personeelsleden van het gemeenschapsonderwijs en het psycho-medisch-sociaal centrum van de Gemeenschap met betrekking tot de meerlingsgeboorten (VERTALING).
Titre
31 AOUT 2000. - Arrêté du Gouvernement de la Communauté germanophone portant adaptation de différentes dispositions relatives au congé de maternité des membres du personnel de l'enseignement communautaire et du centre psycho-médico-social de la Communauté pour ce qui concerne les naissances multiples (TRADUCTION).
Informations sur le document
Info du document
Tekst (6)
Texte (6)
Article 1. Dans l'article 5 de l'arrêté royal du 8 décembre 1967, pris en application de l'article 3 de l'arrêté royal du 28février 1967 déterminant les positions administratives du personnel administratif, du personnel de maîtrise, gens de métier et de service des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, les alinéas 1, 2 et 3 sont remplacés par les dispositions suivantes :
" Le membre du personnel féminin qui est en activité de service a droit à un congé de maternité de quinze semaines ou de dix-sept semaines lorsqu'une naissance multiple est prévue. Au plus tard huit semaines avant la date présumée de l'accouchement ou dix semaines avant cette date, lorsqu'une naissance multiple est prévue, le membre du personnel remet au pouvoir organisateur un certificat médical attestant cette date.
Le congé prend cours au plus tôt sept semaines avant la date attestée par le certificat médical, ou neuf semaines avant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue.
Le congé est réduit à concurrence des jours de congé pour maladie ou infirmité que le membre du personnel intéressé a obtenu au cours des semaines constituant le congé de maternité qui précèdent la date réelle de l'accouchement. ".
" Le membre du personnel féminin qui est en activité de service a droit à un congé de maternité de quinze semaines ou de dix-sept semaines lorsqu'une naissance multiple est prévue. Au plus tard huit semaines avant la date présumée de l'accouchement ou dix semaines avant cette date, lorsqu'une naissance multiple est prévue, le membre du personnel remet au pouvoir organisateur un certificat médical attestant cette date.
Le congé prend cours au plus tôt sept semaines avant la date attestée par le certificat médical, ou neuf semaines avant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue.
Le congé est réduit à concurrence des jours de congé pour maladie ou infirmité que le membre du personnel intéressé a obtenu au cours des semaines constituant le congé de maternité qui précèdent la date réelle de l'accouchement. ".
Art. 2. In artikel 5 van het koninklijk besluit van 29 mei 1972 betreffende de dagen bezoldigd ziekte- of bevallingsverlof toegekend aan het tijdelijk aangesteld bestuurs- en onderwijzend personeel, opvoedend hulppersoneel en paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs wordt lid 3 vervangen door de volgende bepaling :
" De dagen die tijdens de zeven weken vóór de werkelijke datum van de bevalling of de negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien, als ziekte- en invaliditeitsverlof zijn toegekend, worden echter in bevallingsverlof omgezet. ".
" De dagen die tijdens de zeven weken vóór de werkelijke datum van de bevalling of de negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien, als ziekte- en invaliditeitsverlof zijn toegekend, worden echter in bevallingsverlof omgezet. ".
Art. 2. Dans l'article 5 de l'arrêté royal du 29 mai 1972 relatif aux jours de congé rémunéré de maladie et de maternité des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation et du personnel paramédical, désignés à titre temporaire, des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, l'alinéa 3 est remplacé par la disposition suivante :
" Les congés pour maladie et invalidité obtenus pendant les sept semaines précédant cette date lorsqu'une une naissance multiple est prévue, sont convertis en congé de maternité. ".
" Les congés pour maladie et invalidité obtenus pendant les sept semaines précédant cette date lorsqu'une une naissance multiple est prévue, sont convertis en congé de maternité. ".
Art. 3. In artikel 6 van het koninlijk besluit van 15 januari 1974 genomen ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen, en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen worden de leden 2 en 3 vervangen door de volgende bepalingen :
" De dagen die tijdens de zeven weken vóór de werkelijke datum van de bevalling of de negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling is aangekondigd, als ziekte- en invaliditeitsverlof zijn toegekend, worden echter in bevallingsverlof omgezet.
Het betrokken personeelslid in bevallingsverlof heeft recht op een bezoldiging tijdens ten hoogste vijftien weken of zeventien weken, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien. ".
" De dagen die tijdens de zeven weken vóór de werkelijke datum van de bevalling of de negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling is aangekondigd, als ziekte- en invaliditeitsverlof zijn toegekend, worden echter in bevallingsverlof omgezet.
Het betrokken personeelslid in bevallingsverlof heeft recht op een bezoldiging tijdens ten hoogste vijftien weken of zeventien weken, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien. ".
Art. 3. Dans l'article 6 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, les alinéas 3 et 3 sont remplacés par les dispositions suivantes :
" Les congés pour maladie et invalidité obtenu pendant les sept semaines précédant la date réelle de l'accouchement, ou les neuf semaine précédant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue, sont convertis en congé de maternité.
Le membre du personnel concerné, en congé de maternité, a droit à une rémunération pendant quinze semaines maximum ou dix-sept semaines lorsqu'une naissance multiple est prévue. ".
" Les congés pour maladie et invalidité obtenu pendant les sept semaines précédant la date réelle de l'accouchement, ou les neuf semaine précédant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue, sont convertis en congé de maternité.
Le membre du personnel concerné, en congé de maternité, a droit à une rémunération pendant quinze semaines maximum ou dix-sept semaines lorsqu'une naissance multiple est prévue. ".
Art. 4. In artikel 6 van het koninlijk besluit van 19 mei 1981 betreffende de vakantie- en verlofregeling van het stagedoend en vastbenoemd technisch personeel van de rijks-psycho-medisch-sociale centra, de rijksvormingscentra en de inspectiediensten worden de leden 1, 2 en 3 door de volgende bepalingen vervangen :
" Het in dienstactiviteit zijnde vastbenoemd of stagedoend vrouwelijk personeelslid heeft recht op een bevallingsverlof van vijftien weken of van zeventien weken, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien. Uiterlijk acht weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of tien weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien, overhandigt het personeelslid een geneeskundig attest houdende bekrachtiging van deze datum aan de inrichtende macht.
Het verlof kan ten vroegste ingaan zeven weken vóór de datum die in het geneeskundig getuigschrift wordt aangegeven of negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien. Het personeelslid is verplicht ten laatste zeven dagen voor de waarschijnlijke bevallingsdatum met werken op te houden.
De dagen die tijdens de zeven weken vóór de werkelijke datum van de bevalling of de negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien, als ziekte- en invaliditeitsverlof zijn toegekend, worden echter in bevallingsverlof omgezet. ".
" Het in dienstactiviteit zijnde vastbenoemd of stagedoend vrouwelijk personeelslid heeft recht op een bevallingsverlof van vijftien weken of van zeventien weken, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien. Uiterlijk acht weken vóór de vermoedelijke datum van de bevalling of tien weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien, overhandigt het personeelslid een geneeskundig attest houdende bekrachtiging van deze datum aan de inrichtende macht.
Het verlof kan ten vroegste ingaan zeven weken vóór de datum die in het geneeskundig getuigschrift wordt aangegeven of negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien. Het personeelslid is verplicht ten laatste zeven dagen voor de waarschijnlijke bevallingsdatum met werken op te houden.
De dagen die tijdens de zeven weken vóór de werkelijke datum van de bevalling of de negen weken voor deze datum, indien de geboorte van een meerling wordt voorzien, als ziekte- en invaliditeitsverlof zijn toegekend, worden echter in bevallingsverlof omgezet. ".
Art. 4. Dans l'article 6 de l'arrêté royal du 19 mai 1981 relatif aux vacances et aux congés des membres stagiaires ou nommés à titre définitif du personnel technique des centres psycho-médico-sociaux de l'Etat, des centres de formation de l'Etat et des services d'inspection, les alinéas 1, 2 et 3 sont remplacés par les dispositions suivantes :
" Le membre du personnel féminin, définitif ou stagiaire qui et en activité de service, a droit à un congé de maternité de quinze semaines ou de dix-sept semaines lorsqu'une naissance multiple est prévue. Au plus tard huit semaines avant la date présumée de l'accouchement, ou dix semaines avant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue, le membre du personnel remet au pouvoir organisateur un certificat médical attestant cette date.
Ce congé prend cours au plus tôt sept semaines avant la date attestée par le certificat médical ou neuf semaines avant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue. Le membre du personnel est obligé de cesser le travail au plus tard sept jours avant la date présumée de l'accouchement.
Les congés pour maladie et invalidité obtenus pendant les sept semaines précédant la date réelle de l'accouchement, ou les neuf semaines précédant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue, sont convertis en congé de maternité. ".
" Le membre du personnel féminin, définitif ou stagiaire qui et en activité de service, a droit à un congé de maternité de quinze semaines ou de dix-sept semaines lorsqu'une naissance multiple est prévue. Au plus tard huit semaines avant la date présumée de l'accouchement, ou dix semaines avant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue, le membre du personnel remet au pouvoir organisateur un certificat médical attestant cette date.
Ce congé prend cours au plus tôt sept semaines avant la date attestée par le certificat médical ou neuf semaines avant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue. Le membre du personnel est obligé de cesser le travail au plus tard sept jours avant la date présumée de l'accouchement.
Les congés pour maladie et invalidité obtenus pendant les sept semaines précédant la date réelle de l'accouchement, ou les neuf semaines précédant cette date lorsqu'une naissance multiple est prévue, sont convertis en congé de maternité. ".
Art. 5. Dit besluit treedt in werking op 1 september 2000.
Art. 5. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er septembre 2000.
Art. 6. De Minister bevoegd inzake Onderwijs is belast met de uitvoering van dit besluit.
Eupen, 31 augustus 2000.
Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President,
Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport,
K.-H. LAMBERTZ
De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme,
B. GENTGES.
Eupen, 31 augustus 2000.
Voor de Regering van de Duitstalige Gemeenschap :
De Minister-President,
Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport,
K.-H. LAMBERTZ
De Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme,
B. GENTGES.
Art. 6. Le Ministre compétent en matière d'Enseignement est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Eupen, le 31 août 2000.
Pour le Gouvernement de la Communauté germanophone,
Le Ministre de l'Emploi, de la Politique des Handicapés, des Médias et des Sports,
K.-H. LAMBERTZ
Le Ministre de l'Enseignement et de la Formation, de la Culture et du Tourisme,
B. GENTGES.
Eupen, le 31 août 2000.
Pour le Gouvernement de la Communauté germanophone,
Le Ministre de l'Emploi, de la Politique des Handicapés, des Médias et des Sports,
K.-H. LAMBERTZ
Le Ministre de l'Enseignement et de la Formation, de la Culture et du Tourisme,
B. GENTGES.