Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
25 MEI 2000. - Wet betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de krijgsmacht. (NOTA : raadpleging van vroegere versies vanaf 29-06-2000 en tekstbijwerking tot 07-04-2001)
Titre
25 MAI 2000. - Loi relative à la mise en disponibilité de certains militaires du cadre actif des forces armées. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-06-2000 et mise à jour au 07-04-2001)
Informations sur le document
Numac: 2000007153
Datum: 2000-05-25
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2000007153
Date: 2000-05-25
Moniteur: Voir
Tekst (22)
Texte (22)
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK I. - De vrijwillige indisponibiliteitstelling.
CHAPITRE I. - De la mise en disponibilité volontaire.
Art. 2. De beroeps- of aanvullingsmilitair kan een vrijwillige indisponibiliteitstelling bekomen die loopt tot zijn oppensioenstelling, op voorwaarde dat hij :
  1° een aanvraag daartoe indient;
  2° in werkelijke dienst is op het ogenblik dat hij zijn aanvraag indient, zonder in mobiliteit of gebezigd te zijn en zonder ter beschikking gesteld te zijn hetzij van de rijkswacht, hetzij van een openbare dienst, en zonder een functie te bekleden waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van het ministerie van Landsverdediging;
  3° op de datum waarop de indisponibiliteitstelling aanvangt,
  a) nog ten hoogste vijf jaar van de normale datum van oppensioenstelling verwijderd is, voor de opper- en hoofdofficieren en voor de onderofficieren;
  b) nog ten hoogste een jaar van de normale datum van oppensioenstelling verwijderd is, voor de lagere officieren;
  c) minstens 56 jaar oud is, voor de vrijwilligers.
  In afwijking van het eerste lid, 2°, kan de militair die een functie bekleedt waarvan de bezoldiging niet gedragen wordt door de begroting van het ministerie van Landsverdediging, een indisponibiliteitstelling bekomen voor zover dit geen negatieve weerslag heeft op de begroting van het ministerie van Landsverdediging.
Art. 2. Le militaire de carrière ou de complément peut obtenir une mise en disponibilité volontaire jusqu'à sa mise à la pension, à condition :
  1° d'introduire une demande à cet effet;
  2° d'être en service actif au moment où il introduit sa demande, sans être en mobilité ou utilisé et sans être à la disposition soit de la gendarmerie, soit d'un service public, et sans occuper une fonction dont la rémunération n'est pas supportée par le budget du Ministère de la Défense nationale;
  3° d'être, à la date à laquelle la mise en disponibilité prend cours,
  a) à cinq ans au plus de la date normale de la mise à la retraite, pour les officiers généraux et supérieurs et pour les sous-officiers;
  b) à un an au plus de la date normale de la mise à la retraite, pour les officiers subalternes;
  c) âgé d'au moins 56 ans, pour les volontaires.
  En dérogation à l'alinéa 1er, 2°, le militaire qui occupe une fonction dont la rémunération n'est pas supportée par le budget du Ministère de la Défense nationale, peut obtenir une mise en disponibilité pour autant que cela n'ait pas de répercussion négative sur le budget du Ministère de la Défense nationale.
Art. 3. § 1. De indisponibiliteitstelling wordt door de minister van Landsverdediging toegestaan aan de militair bedoeld in artikel 2 die voldoet aan de voorwaarden die erin bepaald zijn, in de volgorde van het indienen van de aanvragen en binnen de perken bepaald in artikel 16. Iedere ingediende aanvraag is onherroepelijk.
  Aan de militair die een indisponibiliteitstelling heeft aangevraagd, wordt kennis gegeven van de ministeriële beslissing ten laatste twee maanden na de datum van indienen van de aanvraag tot indisponibiliteitstelling.
  § 2. De indisponibiliteitstelling vangt ten vroegste aan op de dag waarop de aanvrager aan al de voorwaarden zoals bepaald in artikel 2 voldoet.
  Bij het indienen van zijn aanvraag kan de militair vragen de aanvangsdatum zoals bepaald in het eerste lid met maximum zes maanden uit te stellen in de gevallen door de Koning bepaald.
  De Koning bepaalt de aanvraag- en toekenningsprocedure.
Art. 3. § 1er. La mise en disponibilité est accordée par le Ministre de la Défense au militaire visé à l'article 2, qui satisfait aux conditions qui y sont fixées, dans l'ordre de l'introduction des demandes et dans les limites déterminées à l'article 16. Toute demande introduite est irrévocable.
  La décision ministérielle est notifiée au militaire qui a demandé une mise en disponibilité au plus tard deux mois après la date de l'introduction de la demande de mise en disponibilité.
  § 2. La mise en disponibilité prend cours au plus tôt le jour où le demandeur répond à toutes les conditions fixées à l'article 2.
  Au moment de l'introduction de la demande, le militaire peut demander de reporter la date de début fixée à l'alinéa 1er de six mois au maximum dans les cas fixés par le Roi.
  Le Roi détermine la procédure de demande et d'octroi de la mise en disponibilité.
Art. 4. Tijdens de indisponibiliteitstelling is de militair in werkelijke dienst en de periode van afwezigheid wordt gelijkgesteld met verlof.
Art. 4. Pendant la mise en disponibilité, le militaire est en service actif et la période d'absence est assimilée à du congé.
Art. 5. Tijdens de indisponibiliteitstelling neemt de militair niet meer deel aan de bevordering.
Art. 5. Pendant la mise en disponibilité, le militaire ne participe plus à l'avancement.
Art. 6. De militair die in disponibiliteit gesteld is, is niet begrepen :
  1° in de personeelsenveloppe van de officieren in werkelijke dienst van de krijgsmacht op vredesvoet;
  2° in de personeelsenveloppe van de onderofficieren in werkelijke dienst van de krijgsmacht op vredesvoet;
  3° in de personeelsenveloppe van de vrijwilligers in werkelijke dienst van de krijgsmacht op vredesvoet.
  Hij mag zijn ambt niet meer uitoefenen binnen de krijgsmacht, behalve in geval :
  1° van de door de omstandigheden vereiste spoedwederoproeping in vredestijd, welke de regering onmiddellijk ter kennis van de Kamers moet brengen;
  2° van afkondiging van de periode van oorlog;
  3° van mobilisatie.
Art. 6. Le militaire mis en disponibilité n'est pas compris :
  1° dans l'enveloppe du personnel d'officiers en service actif des forces armées sur pied de paix;
  2° dans l'enveloppe du personnel de sous-officiers en service actif des forces armées sur pied de paix;
  3° dans l'enveloppe du personnel de volontaires en service actif des forces armées sur pied de paix.
  Il ne peut plus exercer son emploi au sein des forces armées, sauf :
  1° en cas de rappel d'urgence en temps de paix, prescrit si les circonstances l'exigent et dont le gouvernement informe aussitôt les Chambres;
  2° lorsque la période de guerre est décrétée;
  3° en cas de mobilisation.
Art. 7. § 1. Aan de militair in disponibiliteit wordt een wedde toegekend die overeenstemt met tachtig procent van de bezoldiging die hij zou ontvangen indien hij niet in disponibiliteit zou gesteld zijn. Onder bezoldiging in de zin van deze wet wordt verstaan :
  1° de wedde, met inbegrip van de tussentijdse verhogingen, de verhogingen ten gevolge van de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen en de herzieningen van de weddeschalen;
  2° de toelage voor geselecteerde.
  § 2. In afwijking van § 1 wordt, gedurende de indisponibiliteitstelling aan de betrokken militair een wedde toegekend zoals bepaald in § 1 verhoogd met een toelage waarvan het netto bedrag gelijk is aan het verschil tussen het netto bedrag van het militair rustpensioen, berekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 9 op basis van het aantal dienstjaren, de anciënniteit in de laatste graad en de wedde berekend op het ogenblik van het bereiken van de leeftijdsgrens, en het netto- bedrag van de wedde zoals bepaald in § 1, wanneer het netto bedrag van dit pensioen meer bedraagt dan het netto bedrag van de wedde zoals bepaald in § 1.
  § 3. De wedde bepaald in de §§ 1 en 2 wordt verhoogd met tachtig procent van de volgende toelagen :
  1° het vakantiegeld;
  2° de eindejaarstoelage.
  § 4. In afwijking van §§ 1 en 2 wordt aan de militair die gedurende de indisponibiliteitstelling een beroepsactiviteit uitoefent, zoals bedoeld in artikel 2, 1°, van de wet van 5 april 1994 houdende regeling van de cumulatie van pensioenen van de openbare sector met inkomsten voortvloeiend uit de uitoefening van een beroepsactiviteit of met een vervangingsinkomen, een wedde toegekend die overeenstemt met vijfenzeventig procent van de bezoldiging bedoeld in § 1, 1° en 2° en in § 3, 1° en 2°.
  § 5. De militair in disponibiliteit behoudt het recht op de vergoeding wegens begrafeniskosten zoals bepaald in het koninklijk besluit van 16 december 1969 tot regeling van de toekenning van een vergoeding wegens begrafeniskosten in geval van overlijden van sommige militairen.
  Voor toepassing van het artikel 2 van het voormeld besluit, wordt de wedde in aanmerking genomen die de betrokken militair zou gekregen hebben indien hij niet in disponibiliteit was gesteld.
Art. 7. § 1er. Il est octroyé au militaire en disponibilité un traitement correspondant à quatre-vingts pour cent de la rétribution qu'il percevrait s'il n'était pas mis en disponibilité. Par rétribution au sens de la présente loi, il faut entendre :
  1° le traitement, en ce inclus les augmentations intercalaires, les augmentations dues aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation et les révisions des échelles de traitement;
  2° l'allocation de sélectionné.
  § 2. En dérogation au § 1er, pendant la mise en disponibilité, il est accordé au militaire concerné un traitement fixé conformément au § 1er augmenté d'une allocation dont le montant net est égal à la différence entre le montant net de la pension de retraite militaire, calculée conformément aux dispositions de l'article 9 sur la base du nombre d'années de service, de l'ancienneté dans le dernier grade et du traitement calculés au moment de la limite d'âge, et du montant net du traitement fixé au § 1er, si le montant net de cette pension est supérieur au montant net du traitement fixé au § 1er.
  § 3. Le traitement visé aux §§ 1er et 2 est complété de quatre-vingts pour cent des allocations suivantes :
  1° le pécule de vacances;
  2° l'allocation de fin d'année.
  § 4. En dérogation aux §§ 1er et 2, pendant la mise en disponibilité, il est octroyé au militaire qui exerce une activité professionnelle visée à l'article 2, 1°, de la loi du 5 avril 1994 régissant le cumul des pensions du secteur public avec des revenus provenant de l'exercice d'une activité professionnelle ou avec un revenu de remplacement, un traitement correspondant à septante-cinq pour cent de la rémunération fixée au § 1er, 1° et 2° et au § 3, 1° et 2°.
  § 5. Le militaire en disponibilité conserve le droit à l'indemnité pour frais funéraires fixée par l'arrêté royal du 16 décembre 1969 réglant l'octroi d'une indemnité pour frais funéraires en cas de décès de certains militaires.
  Pour l'application de l'article 2 de l'arrêté précité, est pris en compte le traitement que le militaire concerné aurait perçu s'il n'avait pas été mis en disponibilité.
Art. 8. De tijd van de indisponibiliteitstelling is voor de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid en de inkomstenbelasting een periode van werkelijke dienst.
Art. 8. Pour l'application de la législation sur la sécurité sociale et l'impôt sur les revenus, le temps passé en disponibilité est une période de service actif.
Art. 9. De periode van de disponibiliteit is, voor de berekening van het rust- of overlevingspensioen, een periode van werkelijke dienst en telt als activiteitsperiode in de graad voor de toepassing van artikel 58 van de samengeordende wetten op de militaire pensioenen, evenals als doorgebrachte tijd in het kader van het varend personeel van de luchtvaart voor de toepassing van de artikelen 4 en 51 van dezelfde wetten.
  Het rust- of overlevingspensioen wordt berekend op basis van de wedde die de betrokken militair zou gekregen hebben indien hij niet in disponibiliteit was gesteld.
Art. 9. Pour le calcul de la pension de retraite ou de la pension de survie, la période passée en disponibilité est une période de service actif et compte comme temps d'activité dans le grade pour l'application de l'article 58 des lois coordonnées sur les pensions militaires, ainsi que comme temps passé dans le cadre du personnel navigant de l'aviation pour l'application des articles 4 et 51 des mêmes lois.
  La pension de retraite ou de survie est calculée sur la base du traitement que le militaire concerné aurait perçu s'il n'avait pas été mis en disponibilité.
Art. 10. § 1. De militair mag gedurende de periode van disponibiliteit een beroepsactiviteit zoals bedoeld in artikel 7, § 4, uitoefenen, mits voorafgaande toelating van de Minister van Landsverdediging volgens de aanvraagprocedure die de Koning bepaalt.
  § 2. Indien de militair tijdens de indisponibiliteitstelling een beroepsactiviteit uitoefent zonder voorafgaande toelating van de Minister van Landsverdediging,
  1° wordt de periode te rekenen vanaf het begin van de indisponibiliteitstelling niet in aanmerking genomen voor de pensioenberekening;
  2° wordt de terugbetaling gevorderd van het verschil tussen de wedde, die gedurende de in 1° bepaalde periode, ontvangen werd overeenkomstig artikel 7, §§ 1 of 2, en deze die overeenkomstig artikel 7, § 4, had moeten toegekend worden.
  De periode bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, zal naar boven toe afgerond worden in gehele maanden.
  § 3. De militair die gedurende de periode van indisponibiliteitstelling een beroepsactiviteit uitoefent, moet binnen de dertig dagen na de aanvang van deze activiteit zijn werkgever per aangetekend schrijven in kennis stellen van zijn toestand van indisponibiliteitstelling.
  De werkgever die hem tewerkstelt is ertoe gehouden, uiterlijk de dertigste dag volgend op de datum van verzending van het in het eerste lid bedoelde schrijven, een verklaring inzake de uitoefening van deze beroepsactiviteit te zenden naar de Minister van Landsverdediging.
  De Minister van Landsverdediging bepaalt de formulieren die dienen te worden gebruikt voor de verklaringen bedoeld in het eerste en tweede lid.
  Bij gebrek aan de in het tweede lid bedoelde verklaring door de werkgever binnen de vastgestelde termijn, is deze ertoe gehouden aan het departement van Landsverdediging een forfaitaire vergoeding te betalen waarvan het bedrag gelijk is aan dat bepaald in § 2, 2°.
Art. 10. § 1er. Pendant la période de disponibilité, le militaire peut exercer une activité professionnelle visée à l'article 7, § 4, moyennant l'autorisation préalable du Ministre de la Défense suivant la procédure de demande définie par le Roi.
  § 2. Si pendant la mise en disponibilité le militaire exerce une activité professionnelle sans autorisation préalable du Ministre de la Défense,
  1° la période à compter à partir du début de la mise en disponibilité n'est pas prise en compte pour le calcul de la pension;
  2° le remboursement de la différence entre le traitement perçu en vertu de l'article 7, §§ 1er ou 2, pendant la période visée au 1° et celui qui aurait dû être octroyé en vertu de l'article 7, § 4, est exigé.
  La période visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°, sera arrondie vers le haut en mois entiers.
  § 3. Le militaire qui exerce une activité professionnelle pendant la période de mise en disponibilité est tenu d'informer son employeur par lettre recommandée de sa situation de mise en disponibilité, dans les trente jours qui suivent le début de cette activité.
  L'employeur qui l'occupe est tenu d'envoyer une déclaration de l'exercice de l'activité professionnelle au Ministre de la Défense au plus tard le trentième jour qui suit la date de l'expédition de la lettre visée à l'alinéa 1.
  Le Ministre de la Défense définit les formulaires qui doivent être employés pour les déclarations visées aux alinéas 1er et 2.
  A défaut de la déclaration visée à l'alinéa 2 introduite par l'employeur dans le délai fixé, celui-ci est tenu de payer au département de la Défense nationale une indemnité forfaitaire dont le montant est égal à celui fixé au § 2, 2°.
Art. 11. § 1. De militair die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 2, eerste lid, 2° en 3°, maar die geen verzoek indient tot het bekomen van een indisponibiliteitstelling, kan niet genieten van de afzonderlijke afwijkingen bepaald in artikel 19 van de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht.
  Iedere toelating tot het uitoefenen van een beroepsactiviteit, die de militair bedoeld in het eerste lid vroeger genoot, wordt automatisch ingetrokken op 1 januari 1998.
  § 2. Het uitoefenen van een beroepsactiviteit door de militair bedoeld in § 1, eerste lid, is een ernstig feit dat onverenigbaar is met zijn staat van militair zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, in artikel 25 van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst, en in artikel 18bis van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst.
Art. 11. § 1er. Le militaire qui satisfait aux conditions fixées à l'article 2, alinéa 1er, 2° et 3°, mais qui n'introduit pas de demande d'obtention d'une mise en disponibilité, ne peut bénéficier des dérogations particulières fixées à l'article 19 de la loi du 14 janvier 1975 portant le règlement de discipline des forces armées.
  Toute autorisation antérieurement accordée d'exercer une activité professionnelle, dont bénéficiait le militaire visé à l'alinéa 1er, est automatiquement retirée au 1er janvier 1998.
  § 2. L'exercice d'une activité professionnelle par le militaire visé au § 1er, alinéa 1er, constitue un fait grave incompatible avec son état de militaire visé à l'article 23 de la loi du 1er mars 1958 relative au statut des officiers de carrière des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical, ainsi que des officiers de réserve de toutes les forces armées et du service médical, à l'article 25 de la loi du 27 décembre 1961 portant statut des sous-officiers du cadre actif des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical, et à l'article 18bis de la loi du 12 juillet 1973 portant statut des volontaires du cadre actif des forces terrestre, aérienne et navale et du service médical.
HOOFDSTUK II. - De verplichte indisponibiliteitstelling.
CHAPITRE II. - De la mise en disponibilité obligatoire.
Art. 12. § 1. Voor de officieren kan de Koning het verplicht stelsel van indisponibiliteitstelling invoeren wanneer Hij op 1 december 1997 vaststelt dat op 1 januari 1999 het aantal officieren niet zal dalen onder het aantal van 5100 officieren, rekening houdend met de geraamde vertrekken. Het besluit dat de maatregel verplichtend stelt vermeldt de criteria waarop Hij zich steunt om te verklaren dat aan die voorwaarde niet voldaan is.
  Deze verplichte maatregel kan vanaf 1 januari 1998 toepasselijk worden op een doelgroep die Hij bepaalt en die kan samengesteld worden uit de officieren in werkelijke dienst zoals bepaald in artikel 2, eerste lid, 2°, van deze wet en behorend tot de volgende categorieën :
  1° de luitenant-generaals die minder dan drie jaar van de leeftijdsgrens verwijderd zijn;
  2° de generaal-majoors en de hoofdofficieren die minder dan vijf jaar van de leeftijdsgrens verwijderd zijn en niet meer willen of kunnen deelnemen aan de bevordering;
  3° de lagere officieren die minder dan één jaar van de leeftijdsgrens verwijderd zijn en niet meer willen of kunnen deelnemen aan de bevordering.
  § 2. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, 2°, wordt de kolonel die op het ogenblik van de inwerkingtreding van het besluit bedoeld in § 1 niet voldoet aan de voorwaarde bepaald in artikel 6bis van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, en wiens kandidatuur minstens eenmaal had kunnen onderzocht worden door een hoog bevorderingscomité mocht hij in het bezit geweest zijn van het brevet van de grondige kennis van de tweede landstaal, beschouwd als niet meer deelnemend aan de bevordering.
Art. 12. § 1er. Le Roi peut introduire le régime de mise en disponibilité obligatoire pour les officiers s'Il constate au 1er décembre 1997 que le nombre d'officiers au 1er janvier 1999 ne descendra pas en dessous de 5 100 officiers, tenant compte des départs estimés. L'arrêté qui rend la mesure obligatoire précise les critères sur lesquels Il se base pour déclarer que cette condition n'est pas remplie.
  Cette mesure obligatoire peut être rendue applicable à partir du 1er janvier 1998 à un groupe-cible qu'Il détermine et qui peut être composé des officiers en service actif tel que défini à l'article 2, alinéa 1er, 2°, de la présente loi et appartenant aux catégories suivantes :
  1° les lieutenants-généraux se trouvant à moins de trois ans de la limite d'âge;
  2° les généraux-majors et les officiers supérieurs se trouvant à moins de cinq ans de la limite d'âge et ne voulant ou ne pouvant plus participer à l'avancement;
  3° les officiers subalternes se trouvant à moins d'un an de la limite d'âge et ne voulant ou ne pouvant plus participer à l'avancement.
  § 2. Pour l'application du § 1er, alinéa 2, 2°, le colonel qui au moment de la mise en vigueur de l'arrêté visé au § 1er, ne satisfait pas à la condition fixée à l'article 6bis de la loi du 30 juillet 1938 concernant l'usage des langues à l'armée, et dont la candidature aurait pu être examinée au moins une fois par un comité supérieur d'avancement, s'il avait possédé le brevet de connaissance approfondie de la deuxième langue nationale, est considéré comme ne participant plus à l'avancement.
Art. 13. § 1. De verplichte indisponibiliteitstelling vangt ten laatste aan drie maanden na de publicatie van het besluit bedoeld in artikel 12, § 1, voor de militair die, op die datum, voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 12, § 1, 2e lid. Er wordt steeds een verwittigingstermijn van drie maanden geëerbiedigd.
  Voor de militair die op de datum bedoeld in het eerste lid nog niet voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel 12, § 1, 2e lid, vangt de verplichte indisponibiliteitstelling aan op de datum waarop hij voldoet aan deze voorwaarden.
  De militair bedoeld in het eerste en 2e lid kan geen uitstel op aanvraag bekomen van de datum van indisponibiliteitstelling.
  § 2. In afwijking van § 1, kan de aanvangsdatum van de indisponibiliteitstelling die eerder al aanvaard werd op basis van een vrijwillige aanvraag, niet meer in vraag gesteld worden door de inwerkingtreding van de verplichte maatregel.
Art. 13. § 1er. La mise en disponibilité obligatoire prend cours au plus tard trois mois après la publication de l'arrêté visé à l'article 12, § 1er, pour le militaire qui, à cette date, se trouve dans les conditions visées à l'article 12, § 1er, pour le militaire qui, à cette date se trouve dans les conditions visées à l'article 12, § 1er, alinéa 2. Un délai d'avertissement de trois mois est toujours respecté.
  Pour le militaire qui ne se trouve pas encore dans les conditions visées à l'article 12, § 1er, alinéa 2, à la date visée à l'alinéa 1er, la mise en disponibilité obligatoire prend cours à la date à laquelle il satisfait à ces conditions.
  Le militaire visé à l'alinéa 1er et 2 ne peut obtenir, à sa demande, le report de la date de mise en disponibilité.
  § 2. En dérogation au § 1er, la date de début de la mise en disponibilité, précédemment acceptée sur base volontaire, ne peut être remise en cause par la mise en vigueur de la mesure obligatoire.
Art. 14. De artikelen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 van deze wet zijn van toepassing op de militair die in disponibiliteit gesteld wordt overeenkomstig artikel 12.
Art. 14. Les articles 4, 5, 6, 7, 8, 9 et 10 de la présente loi sont d'application au militaire mis en disponibilité conformément à l'article 12.
HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions finales.
Art. 15. De indisponibiliteitstelling mag toegestaan worden van 1 oktober 1997 :
  1° tot en met 1 januari 2000 voor de officieren;
  2° tot en met 1 oktober 2000 voor de militairen die behoren tot het kader der militaire specialisten;
  3° tot en met 1 januari 2001 voor de onderofficieren.
  (De indisponibiliteitstelling kan toegestaan worden van 1 juli 2001 tot en met 31 december 2002 aan de opperofficieren die op 1 januari 2001 voldoen aan de voorwaarde bepaald in artikel 2, eerste lid, 3°, a).) <W 2001-03-22/36, art. 15, 002; Inwerkingtreding : 17-04-2001>
Art. 15. La mise en disponibilité peut être accordée à partir du 1er octobre 1997 :
  1° jusqu'au 1er janvier 2000 inclus pour les officiers;
  2° jusqu'au 1er octobre 2000 inclus pour les militaires appartenant au cadre des spécialistes militaires;
  3° jusqu'au 1er janvier 2001 inclus pour les sous-officiers.
  (La mise en disponibilité peut être accordée, du 1er juillet 2001 au 31 décembre 2002 inclus, aux officiers généraux qui, à la date du 1er janvier 2001, satisfont à la condition fixée à l'article 2, alinéa 1er, 3°, a).) <L 2001-03-22/36, art. 163, 002; En vigueur : 17-04-2001>
Art. 16. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de perioden bedoeld in artikel 15 per categorie van begunstigden verlengen, afhankelijk van de evolutie van de vertrekken.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, deze al dan niet verlengde perioden inkorten voor de officieren, wanneer de personeelsenveloppe zich stabiliseert op 5 000 officieren in werkelijke dienst en voor de onderofficieren, wanneer de personeelsenveloppe zich stabiliseert op 15 000 onderofficieren in werkelijke dienst, afhankelijk van de evolutie van de vertrekken en van de aanwervingen.
Art. 16. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, prolonger les périodes visées à l'article 15 par catégorie de bénéficiaires en fonction de l'évolution des départs.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, raccourcir ces périodes, prolongées ou non, pour les officiers, lorsque l'enveloppe du personnel se stabilise à 5 000 officiers en service actif et pour les sous-officiers, lorsque l'enveloppe du personnel se stabilise à 15 000 sous-officiers en service actif, en fonction de l'évolution des départs et des recrutements.
Art. 17. In de Franse tekst van de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 55, 70, 71, 72, 73 en 77 van de samengeordende wetten op de militaire pensioenen, worden de woorden " service effectif " vervangen door de woorden " service actif ".
Art. 17. Dans le texte français des articles 2, 3, 4, 5, 6, 55, 70, 71, 72, 73 et 77 des lois coordonnées sur les pensions militaires, les mots " service effectif " sont remplacés par les mots " service actif ".
Art. 18. Het koninklijk besluit van 24 juli 1997 betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader van de krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire unie, wordt opgeheven.
Art. 18. L'arrêté royal du 24 juillet 1997 relatif à la mise en disponibilité de certains militaires du cadre actif des forces armées, en application de l'article 3, § 1er, 1°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, est abrogé.
Art. 19. (Deze wet treedt in werking met ingang van 20 augustus 1997.)
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 25 mei 2000.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Landsverdediging,
  FLAHAUT A.
  De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen,
  F. VANDENBROUCKE
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  M. VERWILGHEN.
Art. 19. La présente loi produit ses effets le 20 août 1997. (ERR. M.B. 01-07-2000, p. 23155)
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soit revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 25 mai 2000.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Défense,
  A. FLAHAUT
  Le Ministre des Affaires sociales et des Pensions,
  F. VANDENBROUCKE
  Scellé du sceau de l'Etat :
  Le Ministre de la Justice,
  M. VERWILGHEN.