Artikel 1. Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder :
1° Wet : de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven;
2° Instituut : het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie, afgekort BIPT, bedoeld in artikel 71 van de wet;
3° Universele dienstverlener : Belgacom of elke andere operator die de toestemming heeft de universele dienst te verlenen op het gehele grondgebied volgens artikel 83 van de wet;
4° Basisdienst inzake spraaktelefonie : de spraaktelefoondienst, bedoeld in artikel 84, § 1, 1°, die voldoet aan de voorwaarden vastgelegd in deze bijlage, dit is de verstrekking aan eindgebruikers op vaste locaties van een dienst voor uitgaande en binnenkomende nationale en internationale gesprekken;
5° Openbaar vast basistelefoonnet : het openbare geschakelde telecommunicatienet dat voor de levering van de basisdienst inzake spraaktelefonie wordt gebruikt;
6° Openbare betaaltelefoon : een voor het publiek toegankelijk telefoontoestel, bedoeld in artikel 84, § 1, 6°, van de wet voor het gebruik waarvan met bijvoorbeeld munten, debietkaarten en/of vooruitbetaalde telefoonkaarten wordt betaald;
7° Wachttijd bij een aansluiting op het openbare geschakelde telefoonnet : de duur vanaf het moment waarop een geldig contract wordt gesloten tussen de universele dienstverlener en de abonnee tot het moment dat de aansluiting op het openbare geschakelde telefoonnet klaar is voor gebruik. Deze wachttijd wordt uitgedrukt in werkdagen;
8° Een geldige foutmelding : de melding van een onderbroken of in kwaliteit verminderde dienst. Deze melding wordt door een eindgebruiker gemaakt. Het gaat om een fout die toe te schrijven is aan het netwerk en die herstelling vergt. Fouten toe te schrijven aan de eindapparatuur die zich aan de kant van het netwerk aansluitpunt bevindt zijn hierin niet begrepen;
9° Een toegangslijn : een circuit dat in staat is om één spraakverbinding te dragen en dat de apparatuur van de klant verbindt met de lokale schakelaar;
10° De duur voor de herstelling van een storing : de duur vanaf het moment dat een fout werd gemeld aan de universele dienstverlener tot op het moment waarop de dienst hersteld is tot zijn normale werking. Voor openbare betaaltelefoons loopt de duur vanaf het moment dat de fout werd vastgesteld door de universele dienstverlener. De duur voor de herstelling ervan wordt uitgedrukt in uren;
11° Een niet-geslaagde oproep of poging tot verbinding : een oproep naar of poging tot verbinding met een nummer dat correct werd gevormd, waarbij geen bezettoon noch een beltoon noch een antwoordsignaal herkend wordt op de toegangslijn van de oproeper, en dat, binnen de 30 seconden voor nationale oproepen of oproepen naar een lidstaat van de Europese Unie, en binnen 1 minuut voor oproepen naar een land dat geen lid is van de Europese Unie. De duur loopt vanaf het moment dat de adresinformatie voor het opzetten van de verbinding is ontvangen door het netwerk;
12° De duur om een verbinding tot stand te brengen : de duur vanaf het moment dat de informatie die nodig is om de verbinding op te zetten, ontvangen is door het netwerk tot op het ogenblik dat een bezettoon, een beltoon of een antwoordsignaal wordt herkend op de toegangslijn van de oproeper. Deze duur wordt uitgedrukt in seconden;
13° Een dienst met tussenkomst van een telefonist : de dienst bestaande uit een manuele internationale oproep met tussenkomst van een menselijke operator voor verbindingen waar geen automatische oproep mogelijk is;
14° De antwoordtijd voor diensten met tussenkomst van een telefonist : de duur vanaf het moment dat de laatste adres-digit voor deze diensten met tussenkomst van een telefonist correct is verzonden tot op het moment waarop de telefonist de bellende klant te woord staat om de gevraagde dienst te verlenen. Deze antwoordtijd wordt uitgedrukt in seconden.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
19 DECEMBER 1997. - Bijlage 1. - Tot vaststelling van de technische en financiële prestatievoorwaarden betreffende de diensten die worden aangeboden bij wijze van universele dienstverlening bedoeld in [artikel 84, § 3], van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. (W 2002-12-24/31, art. 482, 006; Inwerkingtreding : 10-01-2003) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 30-12-1997 en tekstbijwerking tot 31-12-2002)
Titre
19 DECEMBRE 1997. - Annexe 1. - Arrêtant les conditions techniques et financières de prestation des services offerts au titre du service universel visé à l'[article 84, § 3], de la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques. (L 2002-12-24/31, art. 482, 006; En vigueur : 10-01-2003) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 30-12-1997 et mise à jour au 31-12-2002)
Informations sur le document
Numac: 1997121951
Datum: 1997-12-19
Info du document
Numac: 1997121951
Date: 1997-12-19
Table des matières
Tekst (26)
Texte (26)
HOOFDSTUK 1. - Definities.
CHAPITRE 1. - Définitions.
Article 1. Pour l'application de la présente annexe, on entend par :
1° loi : la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
2° institut : l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications, en abrégé IBPT, visé à l'article 71 de la loi;
3° prestataire du service universel : Belgacom ou tout autre opérateur autorisé à fournir le service universel sur tout le territoire, selon l'article 83 de la loi;
4° service de téléphonie vocale de base : service de téléphonie vocale, visé à l'article 84, § 1er, 1°, répondant aux conditions fixées par la présente annexe, soit le service fourni à l'utilisateur final permettant l'émission et la réception en position fixe d'appels vocaux nationaux et internationaux;
5° réseau téléphonique public fixe de base : réseau public commuté de télécommunications servant à la prestation du service de téléphonie vocale de base;
6° poste téléphonique payant public : le poste téléphonique, visé à l'article 84, § 1er, 6°, de la loi, qui est mis à la disposition du public et pour l'utilisation duquel les moyens de paiement sont les pièces de monnaie, les cartes de débit et/ou les cartes à prépaiement;
7° délai de fourniture du raccordement au réseau téléphonique public fixe de base : le délai qui court entre le moment où un contrat valable est conclu entre le prestataire de service universel et l'abonné et le moment où le raccordement au réseau téléphonique public fixe de base est prêt à être mis en service. Ce délai est exprimé en jours ouvrables;
8° appel de dérangement valable : l'avertissement qu'un service est interrompu ou que la qualité de ce service est diminuée. Cet appel provient d'un utilisateur final. Il s'agit d'un défaut imputable au réseau et qui nécessite une réparation. Les défauts imputables à l'appareillage terminal, situé au delà du point de raccordement au réseau, ne sont pas compris dans la définition;
9° une ligne d'accès : un circuit capable de porter une seule liaison vocale reliant l'appareillage de l'abonné au commutateur local;
10° délai de réparation d'un dérangement : le délai qui court entre le moment où un défaut est signalé au prestataire du service universel et le moment où le service est réparé et fonctionne à nouveau normalement. Pour les postes téléphoniques payants publics, le délai court à partir du moment où un défaut est constaté par le prestataire du service universel; la durée de réparation est exprimée en heures;
11° appel défaillant ou tentative de connexion défaillante : un appel vers, ou une tentative de connexion avec, un numéro formé correctement, pour lequel ni la tonalité d'occupation, ni la tonalité d'appel, ni un signal de réponse ne sont reconnus sur la ligne d'accès de l'appelant, dans les 30 secondes pour les appels nationaux ou à destination d'un pays membre de l'Union européenne et dans la minute pour les appels vers un pays non membre de l'Union européenne; ce délai court à partir du moment où les coordonnées pour l'établissement de la liaison sont reçues par le réseau;
12° délai d'établissement d'une liaison : le délai qui court entre le moment où les coordonnées nécessaires à l'établissement de la liaison sont reçues par le réseau et le moment où une tonalité d'occupation ou d'appel ou un signal de réponse est reconnu sur la ligne d'accès de l'appelant. Ce délai est exprimé en secondes;
13° service avec intervention d'un standardiste : le service constitué d'un appel manuel international avec intervention d'un opérateur humain pour les liaisons où un appel automatique est impossible;
14° délai de réponse pour les services avec intervention d'un standardiste : le délai qui court entre le moment où le dernier chiffre d'adressage (digit d'adressage), pour les services avec intervention d'un standardiste, est envoyé correctement et le moment où le standardiste répond à l'abonné appelant pour fournir le service demandé. Ce délai de réponse est exprimé en secondes.
1° loi : la loi du 21 mars 1991 portant réforme de certaines entreprises publiques économiques;
2° institut : l'Institut belge des Services postaux et des Télécommunications, en abrégé IBPT, visé à l'article 71 de la loi;
3° prestataire du service universel : Belgacom ou tout autre opérateur autorisé à fournir le service universel sur tout le territoire, selon l'article 83 de la loi;
4° service de téléphonie vocale de base : service de téléphonie vocale, visé à l'article 84, § 1er, 1°, répondant aux conditions fixées par la présente annexe, soit le service fourni à l'utilisateur final permettant l'émission et la réception en position fixe d'appels vocaux nationaux et internationaux;
5° réseau téléphonique public fixe de base : réseau public commuté de télécommunications servant à la prestation du service de téléphonie vocale de base;
6° poste téléphonique payant public : le poste téléphonique, visé à l'article 84, § 1er, 6°, de la loi, qui est mis à la disposition du public et pour l'utilisation duquel les moyens de paiement sont les pièces de monnaie, les cartes de débit et/ou les cartes à prépaiement;
7° délai de fourniture du raccordement au réseau téléphonique public fixe de base : le délai qui court entre le moment où un contrat valable est conclu entre le prestataire de service universel et l'abonné et le moment où le raccordement au réseau téléphonique public fixe de base est prêt à être mis en service. Ce délai est exprimé en jours ouvrables;
8° appel de dérangement valable : l'avertissement qu'un service est interrompu ou que la qualité de ce service est diminuée. Cet appel provient d'un utilisateur final. Il s'agit d'un défaut imputable au réseau et qui nécessite une réparation. Les défauts imputables à l'appareillage terminal, situé au delà du point de raccordement au réseau, ne sont pas compris dans la définition;
9° une ligne d'accès : un circuit capable de porter une seule liaison vocale reliant l'appareillage de l'abonné au commutateur local;
10° délai de réparation d'un dérangement : le délai qui court entre le moment où un défaut est signalé au prestataire du service universel et le moment où le service est réparé et fonctionne à nouveau normalement. Pour les postes téléphoniques payants publics, le délai court à partir du moment où un défaut est constaté par le prestataire du service universel; la durée de réparation est exprimée en heures;
11° appel défaillant ou tentative de connexion défaillante : un appel vers, ou une tentative de connexion avec, un numéro formé correctement, pour lequel ni la tonalité d'occupation, ni la tonalité d'appel, ni un signal de réponse ne sont reconnus sur la ligne d'accès de l'appelant, dans les 30 secondes pour les appels nationaux ou à destination d'un pays membre de l'Union européenne et dans la minute pour les appels vers un pays non membre de l'Union européenne; ce délai court à partir du moment où les coordonnées pour l'établissement de la liaison sont reçues par le réseau;
12° délai d'établissement d'une liaison : le délai qui court entre le moment où les coordonnées nécessaires à l'établissement de la liaison sont reçues par le réseau et le moment où une tonalité d'occupation ou d'appel ou un signal de réponse est reconnu sur la ligne d'accès de l'appelant. Ce délai est exprimé en secondes;
13° service avec intervention d'un standardiste : le service constitué d'un appel manuel international avec intervention d'un opérateur humain pour les liaisons où un appel automatique est impossible;
14° délai de réponse pour les services avec intervention d'un standardiste : le délai qui court entre le moment où le dernier chiffre d'adressage (digit d'adressage), pour les services avec intervention d'un standardiste, est envoyé correctement et le moment où le standardiste répond à l'abonné appelant pour fournir le service demandé. Ce délai de réponse est exprimé en secondes.
HOOFDSTUK 2. - De technische voorwaarden inzake universele dienstverlening.
CHAPITRE 2. - Les conditions techniques de prestation du service universel.
Art.2. § 1. De basisdienst inzake spraaktelefonie moet voldoen aan de in volgende §§ van dit artikel vastgelegde basiskwaliteitseisen voor de observatieperiode bepaald in § 10. De basiskwaliteitseisen hebben geen betrekking op communicaties waarbij diensten andere dan de basisdienst inzake spraaktelefonie te pas komen.
§ 2. Wat betreft de wachttijd bij een aansluiting op het openbare geschakelde telefoonnet moet op het einde van de observatieperiode aan minstens 95 % van de geldige contracten tot aansluiting, afgesloten in de loop van de observatieperiode en waarbij de abonnee geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip dat hem past aangesloten te worden, binnen de vijf werkdagen worden voldaan.
Wanneer de wachttijd langer is dan 8 werkdagen, voorziet de universele dienstverlener vanaf de negende dag na de totstandkoming van een geldig contract waarbij de klant geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip dat hem past aangesloten te worden, in een alternatieve oplossing tot het moment waarop de aansluiting op de basisdienst effectief wordt gerealiseerd. Deze alternatieve oplossing wordt geboden zonder bijkomende kosten bovenop de prijs voor de levering van de basisspraaktelefoondienst waarop de abonnee is geabonneerd. De universele dienstverlener kan wanneer de door de abonnee gevraagde aansluiting op het openbare geschakelde telefoonnet effectief wordt gerealiseerd echter geen tweede maal aansluitingskosten vorderen.
In minstens 95 % van de gevallen van geldig contract tot aansluiting moet de abonnee uiterlijk de dag volgend op de registratie van de aanvraag van de universele dienstverlener een datum voor de levering van de aansluiting kunnen bekomen.
Voor het opstellen van zijn statistieken, gebruikt de universele dienstverlener het voor elke categorie totale aantal van de in de betreffende observatieperiode gemaakte geldige contracten en aansluitingen.
§ 3. Het storingspercentage per toegangslijn en het percentage van storingen op het totale aantal toegangslijnen mag hoogstens 7,5 % per observatieperiode bedragen.
De telling van de foutmeldingen is gebaseerd op de geldige foutmeldingen gemaakt door abonnees. Voor een melding die meer dan één toegangslijn betreft tussen een abonnee en een lokale schakelaar zal elk van die toegangslijnen in rekening worden gebracht. Het percentage van de storingen wordt gemeten door van het aantal geldige foutmeldingen gemaakt in de loop van de observatieperiode te delen door het gemiddelde aantal toegangslijnen op het openbare geschakelde netwerk gedurende diezelfde observatieperiode.
§ 4. Wat betreft de duur voor de herstelling van een storing moet minstens 90 % van de storingen gemeld in de loop van de observatieperiode opgeheven zijn vóór het einde van de werkdag die volgt op de dag waarop de storingen aan de universele dienstverlener zijn gemeld.
De overige 10 % moeten opgeheven zijn vóór het einde van de vierde werkdag die volgt op de dag waarop de storingen aan de universele dienstverlener zijn gemeld.
Deze percentages worden bepaald op basis van alle geldige foutmeldingen en herstellingen die in de betreffende observatieperiode werden gedaan. De gevallen waarbij de herstelling afhangt van een afspraak tussen de universele dienstverlener en de abonnee worden niet in rekening gebracht.
§ 5. Wat betreft het percentage niet-geslaagde oproepen op nationaal niveau, binnen de Europese Unie en daarbuiten rekent de universele dienstverlener per observatieperiode het percentage niet-geslaagde oproepen voor elk van de drie categorieën afzonderlijk volgens de in deze paragraaf voorgeschreven meetmethode.
Wat betreft de meetmethode worden de statistieken op basis van één van volgende methodes bepaald :
1° op basis van de gegevens aangaande het reële uitgaande verkeer in een representatief staal van lokale centrales;
2° op basis van testoproepen die gegenereerd worden in een representatief staal van lokale centrales naar een representatief staal van eindcentrales;
3° op basis van een combinatie van 1° en 2°.
De metingen moeten zo gepland worden dat zij accuraat de verkeersvariaties weerspiegelen tijdens de verschillende uren van een dag, de dagen van de week en de maanden van een jaar.
Voor nationale oproepen en oproepen naar de Europese Unie moet het aantal observaties gemaakt gedurende een observatieperiode van een jaar zodanig zijn dat een absolute accuraatheid van 0,1 % of ten minste een relatieve accuraatheid van 10 % met 95 % betrouwbaarheid wordt bereikt. Voor oproepen buiten de Europese Unie moet het aantal observaties gemaakt gedurende een observatieperiode van 1 jaar zodanig zijn dat een absolute accuraatheid van 0,1 % of tenminste een relatieve accuraatheid van 20 % met 90 % betrouwbaarheid wordt bereikt. Voor nationale oproepen en oproepen binnen de Europese Unie moet het aantal observaties gemaakt gedurende een observatieperiode van drie maanden zodanig zijn dat een absolute accuraatheid van 0,2 % of ten minste een relatieve accuraatheid van 20 % met 95 % betrouwbaarheid wordt bereikt.
Voor oproepen buiten de Europese Unie moet het aantal observaties gemaakt gedurende een observatieperiode van drie maanden zodanig zijn dat een absolute accuraatheid van 0,2 % of ten minste een relatieve accuraatheid van 40 % met 90 % betrouwbaarheid wordt bereikt. De universele dienstverlener kan opteren voor de accuraatheid waarvoor het laagste aantal observaties nodig zijn. Het monitoren van oproepen kan gedaan worden voor elke Nde oproep waarbij N moet worden gedefinieerd als de verhouding tussen het totale aantal verwachte oproepen in de relevante tijdsintervallen en het totale aantal nodige observaties. Bij de generatie van testoproepen moet de keuze van de eindcentrales gewogen worden met het verkeer. De percentages moeten gebaseerd worden op het totale aantal observaties gemaakt gedurende de observatieperiode.
§ 6. Wat betreft de duur om een verbinding tot stand te brengen op nationaal niveau, naar de Europese Unie en buiten de Europese Unie berekent de universele dienstverlener per observatieperiode de 95 percentielwaarden voor elk van de drie categorieën afzonderlijk volgens de in deze paragraaf voorgeschreven meetmethode.
Wat de meetmethode betreft worden de statistieken op basis van één van de volgende methodes bepaald :
1° op basis van de gegevens aangaande het reële uitgaande verkeer in een representatief staal van lokale centrales bepaald door het Instituut;
2° op basis van testoproepen die gegenereerd worden in een representatief staal van lokale centrales naar een representatief staal van eindcentrales bepaald door het Instituut;
3° op grond van een combinatie van 1° en 2°.
De metingen moeten zo gepland worden dat zij accuraat de verkeersvariaties weerspiegelen over de uren van een dag, de dagen van de week en de maanden van een jaar. Het aantal observaties moet ten minste gelijk zijn aan 10 000 voor een observatieperiode van 1 jaar en 2 500 voor een observatieperiode van drie maand en dit voor iedere bestemmingscategorie. Dit geldt voor zowel monitoring als voor het gebruik van testoproepen. Het monitoren van oproepen kan gedaan worden voor elke Nde oproep waarbij N moet worden gedefinieerd als de verhouding tussen het totale aantal verwachte oproepen in de relevante tijdsintervallen en het totale aantal nodige observaties. Die observaties moeten per categorie worden verricht. Niet-geslaagde oproepen worden niet opgenomen in de statistieken.
§ 7. De antwoordtijd voor diensten met tussenkomst van een telefonist mag gemiddeld maximaal 20 seconden bedragen.
Wat de meetmethode betreft moet het aantal observaties zodanig zijn dat voor het jaarlijkse percentage een absolute accuraatheid bereikt wordt van 0,1 % en dit met een betrouwbaarheid van 95 % en voor het driemaandelijkse percentage een absolute accuraatheid van 0,2 % met een betrouwbaarheid van 95 %. Het percentage is gebaseerd op alle observaties gemaakt gedurende de observatieperiode.
§ 8. De universele dienstverlener ziet erop toe dat vanaf 1 januari 2000 elke gemeente, die op 31 december 1970 als afzonderlijke bestuurlijke entiteit bestond, uitgerust is met ten minste één openbare betaaltelefoon. (Per deelgemeente wordt voorzien in minstens één openbare betaaltelefoon waarbij voor het gebruik zowel met munten als met telefoonkaarten of debetkaarten betaald kan worden.). Bovendien moet de universele dienstverlener het behoud garanderen van : <KB 1999-03-04/46, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
- gemiddeld ten minste 10 openbare betaaltelefoons per 10 000 inwoners in elke provincie;
- gemiddeld ten minste 14 openbare betaaltelefoons per 10 000 inwoners in het Koninkrijk.
Wat betreft de duur voor de herstelling van een defect aan openbare betaaltelefoons moet minimaal 96 % van de storingen opgeheven zijn binnen de 48 uren die volgen op het ogenblik waarop de storingen door de universele dienstverlener zijn vastgesteld. De overige 4 % moet opgeheven zijn binnen de 72 uren volgend op het moment waarop de storingen door de universele dienstverlener zijn vastgesteld.
Die percentages moeten berekend worden op basis van alle vaststellingen en herstellingen van storingen die in de betreffende observatieperiode werden gedaan.
Het aandeel van de in staat van werking zijnde openbare betaaltelefoons moet minimaal 90 % bedragen.
Dit percentage wordt maandelijks berekend. Vervolgens wordt voor het driemaandelijkse percentage het gemiddelde bepaald van de percentages van de 3 betreffende maanden en voor het jaarlijkse percentage van de 12 betreffende maanden.
§ 9. Het percentage betwistingen van en complexe vragen over facturatie mag niet meer dan 1 % van het totale aantal verzonden facturen bedragen.
Onder betwistingen van en complexe vragen over facturatie moet worden verstaan die vragen en betwistingen die niet met één telefoongesprek kunnen worden afgehandeld.
§ 10. De in vorige §§ van dit artikel vermelde basiskwaliteitseisen gelden voor een observatieperiode van één kalenderjaar en dit voor de eerste maal in 1998.
§ 11. De universele dienstverlener berekent eveneens de effectief gerealiseerde waarden in elk kwartaal volgens de meetmethodes voorgeschreven in de §§ 1 tot 9 van dit artikel. Deze waarden worden uiterlijk 1 maand na afloop van het betreffende kwartaal aan het Instituut bezorgd in de vorm bepaald in bijlage C bij deze bijlage.
§ 12. Voor de §§ 2 en 4 van dit artikel moet de universele dienstverlener in geval van overmacht aan de betrokken gebruiker de termijn meedelen waarbinnen vermoedelijk aan zijn vraag zal worden voldaan.
§ 13. De universele dienstverlener sluit met de abonnees een gebruikerscontract af waarin de dienst die hij levert gespecificeerd wordt. De universele dienstverlener legt de door hem opgestelde leveringsvoorwaarden, uitgezonderd de tariefvoorwaarden, ter advies voor aan de ombudsdienst en aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie. De nieuwe leveringsvoorwaarden worden pas van kracht na een door het Instituut vastgestelde gepaste periode van voorafgaande kennisgeving aan de gebruikers in de maand die volgt op de bekendmaking van de wijziging.
Behalve in geval van overmacht of van uitdrukkelijk akkoord tussen de persoon en de universele dienstverlener is deze laatste verplicht de leveringsvoorwaarden toe te passen die hij gepubliceerd heeft.
Indien de universele dienstverlener in antwoord op een specifieke vraag eenzijdig van oordeel is dat het niet redelijk is zijn leveringsvoorwaarden aan te houden zoals die zijn gepubliceerd, dan heeft hij eerst de toestemming van het Instituut nodig om die voorwaarden te wijzigen.
§ 2. Wat betreft de wachttijd bij een aansluiting op het openbare geschakelde telefoonnet moet op het einde van de observatieperiode aan minstens 95 % van de geldige contracten tot aansluiting, afgesloten in de loop van de observatieperiode en waarbij de abonnee geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip dat hem past aangesloten te worden, binnen de vijf werkdagen worden voldaan.
Wanneer de wachttijd langer is dan 8 werkdagen, voorziet de universele dienstverlener vanaf de negende dag na de totstandkoming van een geldig contract waarbij de klant geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip dat hem past aangesloten te worden, in een alternatieve oplossing tot het moment waarop de aansluiting op de basisdienst effectief wordt gerealiseerd. Deze alternatieve oplossing wordt geboden zonder bijkomende kosten bovenop de prijs voor de levering van de basisspraaktelefoondienst waarop de abonnee is geabonneerd. De universele dienstverlener kan wanneer de door de abonnee gevraagde aansluiting op het openbare geschakelde telefoonnet effectief wordt gerealiseerd echter geen tweede maal aansluitingskosten vorderen.
In minstens 95 % van de gevallen van geldig contract tot aansluiting moet de abonnee uiterlijk de dag volgend op de registratie van de aanvraag van de universele dienstverlener een datum voor de levering van de aansluiting kunnen bekomen.
Voor het opstellen van zijn statistieken, gebruikt de universele dienstverlener het voor elke categorie totale aantal van de in de betreffende observatieperiode gemaakte geldige contracten en aansluitingen.
§ 3. Het storingspercentage per toegangslijn en het percentage van storingen op het totale aantal toegangslijnen mag hoogstens 7,5 % per observatieperiode bedragen.
De telling van de foutmeldingen is gebaseerd op de geldige foutmeldingen gemaakt door abonnees. Voor een melding die meer dan één toegangslijn betreft tussen een abonnee en een lokale schakelaar zal elk van die toegangslijnen in rekening worden gebracht. Het percentage van de storingen wordt gemeten door van het aantal geldige foutmeldingen gemaakt in de loop van de observatieperiode te delen door het gemiddelde aantal toegangslijnen op het openbare geschakelde netwerk gedurende diezelfde observatieperiode.
§ 4. Wat betreft de duur voor de herstelling van een storing moet minstens 90 % van de storingen gemeld in de loop van de observatieperiode opgeheven zijn vóór het einde van de werkdag die volgt op de dag waarop de storingen aan de universele dienstverlener zijn gemeld.
De overige 10 % moeten opgeheven zijn vóór het einde van de vierde werkdag die volgt op de dag waarop de storingen aan de universele dienstverlener zijn gemeld.
Deze percentages worden bepaald op basis van alle geldige foutmeldingen en herstellingen die in de betreffende observatieperiode werden gedaan. De gevallen waarbij de herstelling afhangt van een afspraak tussen de universele dienstverlener en de abonnee worden niet in rekening gebracht.
§ 5. Wat betreft het percentage niet-geslaagde oproepen op nationaal niveau, binnen de Europese Unie en daarbuiten rekent de universele dienstverlener per observatieperiode het percentage niet-geslaagde oproepen voor elk van de drie categorieën afzonderlijk volgens de in deze paragraaf voorgeschreven meetmethode.
Wat betreft de meetmethode worden de statistieken op basis van één van volgende methodes bepaald :
1° op basis van de gegevens aangaande het reële uitgaande verkeer in een representatief staal van lokale centrales;
2° op basis van testoproepen die gegenereerd worden in een representatief staal van lokale centrales naar een representatief staal van eindcentrales;
3° op basis van een combinatie van 1° en 2°.
De metingen moeten zo gepland worden dat zij accuraat de verkeersvariaties weerspiegelen tijdens de verschillende uren van een dag, de dagen van de week en de maanden van een jaar.
Voor nationale oproepen en oproepen naar de Europese Unie moet het aantal observaties gemaakt gedurende een observatieperiode van een jaar zodanig zijn dat een absolute accuraatheid van 0,1 % of ten minste een relatieve accuraatheid van 10 % met 95 % betrouwbaarheid wordt bereikt. Voor oproepen buiten de Europese Unie moet het aantal observaties gemaakt gedurende een observatieperiode van 1 jaar zodanig zijn dat een absolute accuraatheid van 0,1 % of tenminste een relatieve accuraatheid van 20 % met 90 % betrouwbaarheid wordt bereikt. Voor nationale oproepen en oproepen binnen de Europese Unie moet het aantal observaties gemaakt gedurende een observatieperiode van drie maanden zodanig zijn dat een absolute accuraatheid van 0,2 % of ten minste een relatieve accuraatheid van 20 % met 95 % betrouwbaarheid wordt bereikt.
Voor oproepen buiten de Europese Unie moet het aantal observaties gemaakt gedurende een observatieperiode van drie maanden zodanig zijn dat een absolute accuraatheid van 0,2 % of ten minste een relatieve accuraatheid van 40 % met 90 % betrouwbaarheid wordt bereikt. De universele dienstverlener kan opteren voor de accuraatheid waarvoor het laagste aantal observaties nodig zijn. Het monitoren van oproepen kan gedaan worden voor elke Nde oproep waarbij N moet worden gedefinieerd als de verhouding tussen het totale aantal verwachte oproepen in de relevante tijdsintervallen en het totale aantal nodige observaties. Bij de generatie van testoproepen moet de keuze van de eindcentrales gewogen worden met het verkeer. De percentages moeten gebaseerd worden op het totale aantal observaties gemaakt gedurende de observatieperiode.
§ 6. Wat betreft de duur om een verbinding tot stand te brengen op nationaal niveau, naar de Europese Unie en buiten de Europese Unie berekent de universele dienstverlener per observatieperiode de 95 percentielwaarden voor elk van de drie categorieën afzonderlijk volgens de in deze paragraaf voorgeschreven meetmethode.
Wat de meetmethode betreft worden de statistieken op basis van één van de volgende methodes bepaald :
1° op basis van de gegevens aangaande het reële uitgaande verkeer in een representatief staal van lokale centrales bepaald door het Instituut;
2° op basis van testoproepen die gegenereerd worden in een representatief staal van lokale centrales naar een representatief staal van eindcentrales bepaald door het Instituut;
3° op grond van een combinatie van 1° en 2°.
De metingen moeten zo gepland worden dat zij accuraat de verkeersvariaties weerspiegelen over de uren van een dag, de dagen van de week en de maanden van een jaar. Het aantal observaties moet ten minste gelijk zijn aan 10 000 voor een observatieperiode van 1 jaar en 2 500 voor een observatieperiode van drie maand en dit voor iedere bestemmingscategorie. Dit geldt voor zowel monitoring als voor het gebruik van testoproepen. Het monitoren van oproepen kan gedaan worden voor elke Nde oproep waarbij N moet worden gedefinieerd als de verhouding tussen het totale aantal verwachte oproepen in de relevante tijdsintervallen en het totale aantal nodige observaties. Die observaties moeten per categorie worden verricht. Niet-geslaagde oproepen worden niet opgenomen in de statistieken.
§ 7. De antwoordtijd voor diensten met tussenkomst van een telefonist mag gemiddeld maximaal 20 seconden bedragen.
Wat de meetmethode betreft moet het aantal observaties zodanig zijn dat voor het jaarlijkse percentage een absolute accuraatheid bereikt wordt van 0,1 % en dit met een betrouwbaarheid van 95 % en voor het driemaandelijkse percentage een absolute accuraatheid van 0,2 % met een betrouwbaarheid van 95 %. Het percentage is gebaseerd op alle observaties gemaakt gedurende de observatieperiode.
§ 8. De universele dienstverlener ziet erop toe dat vanaf 1 januari 2000 elke gemeente, die op 31 december 1970 als afzonderlijke bestuurlijke entiteit bestond, uitgerust is met ten minste één openbare betaaltelefoon. (Per deelgemeente wordt voorzien in minstens één openbare betaaltelefoon waarbij voor het gebruik zowel met munten als met telefoonkaarten of debetkaarten betaald kan worden.). Bovendien moet de universele dienstverlener het behoud garanderen van : <KB 1999-03-04/46, art. 11, 002; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
- gemiddeld ten minste 10 openbare betaaltelefoons per 10 000 inwoners in elke provincie;
- gemiddeld ten minste 14 openbare betaaltelefoons per 10 000 inwoners in het Koninkrijk.
Wat betreft de duur voor de herstelling van een defect aan openbare betaaltelefoons moet minimaal 96 % van de storingen opgeheven zijn binnen de 48 uren die volgen op het ogenblik waarop de storingen door de universele dienstverlener zijn vastgesteld. De overige 4 % moet opgeheven zijn binnen de 72 uren volgend op het moment waarop de storingen door de universele dienstverlener zijn vastgesteld.
Die percentages moeten berekend worden op basis van alle vaststellingen en herstellingen van storingen die in de betreffende observatieperiode werden gedaan.
Het aandeel van de in staat van werking zijnde openbare betaaltelefoons moet minimaal 90 % bedragen.
Dit percentage wordt maandelijks berekend. Vervolgens wordt voor het driemaandelijkse percentage het gemiddelde bepaald van de percentages van de 3 betreffende maanden en voor het jaarlijkse percentage van de 12 betreffende maanden.
§ 9. Het percentage betwistingen van en complexe vragen over facturatie mag niet meer dan 1 % van het totale aantal verzonden facturen bedragen.
Onder betwistingen van en complexe vragen over facturatie moet worden verstaan die vragen en betwistingen die niet met één telefoongesprek kunnen worden afgehandeld.
§ 10. De in vorige §§ van dit artikel vermelde basiskwaliteitseisen gelden voor een observatieperiode van één kalenderjaar en dit voor de eerste maal in 1998.
§ 11. De universele dienstverlener berekent eveneens de effectief gerealiseerde waarden in elk kwartaal volgens de meetmethodes voorgeschreven in de §§ 1 tot 9 van dit artikel. Deze waarden worden uiterlijk 1 maand na afloop van het betreffende kwartaal aan het Instituut bezorgd in de vorm bepaald in bijlage C bij deze bijlage.
§ 12. Voor de §§ 2 en 4 van dit artikel moet de universele dienstverlener in geval van overmacht aan de betrokken gebruiker de termijn meedelen waarbinnen vermoedelijk aan zijn vraag zal worden voldaan.
§ 13. De universele dienstverlener sluit met de abonnees een gebruikerscontract af waarin de dienst die hij levert gespecificeerd wordt. De universele dienstverlener legt de door hem opgestelde leveringsvoorwaarden, uitgezonderd de tariefvoorwaarden, ter advies voor aan de ombudsdienst en aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie. De nieuwe leveringsvoorwaarden worden pas van kracht na een door het Instituut vastgestelde gepaste periode van voorafgaande kennisgeving aan de gebruikers in de maand die volgt op de bekendmaking van de wijziging.
Behalve in geval van overmacht of van uitdrukkelijk akkoord tussen de persoon en de universele dienstverlener is deze laatste verplicht de leveringsvoorwaarden toe te passen die hij gepubliceerd heeft.
Indien de universele dienstverlener in antwoord op een specifieke vraag eenzijdig van oordeel is dat het niet redelijk is zijn leveringsvoorwaarden aan te houden zoals die zijn gepubliceerd, dan heeft hij eerst de toestemming van het Instituut nodig om die voorwaarden te wijzigen.
Art.2. § 1er. Le service de téléphonie vocale de base doit satisfaire aux exigences de qualité de base fixées aux §§ suivants du présent article pendant la période d'observation fixée au § 10. Les exigences de qualité de base ne se rapportent pas aux communications utilisant d'autres services que le service de téléphonie de base.
§ 2. En ce qui concerne le délai de fourniture pour le raccordement au réseau public commuté, au moins 95 % des contrats de raccordement valables, conclus au cours de la période d'observation et pour lesquels l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment qui lui convient, doivent être exécutés dans les cinq jours ouvrables.
Si le délai de fourniture excède les huit jours ouvrables, dès le neuvième jour après l'établissement d'un contrat valable pour lequel l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment qui lui convient, le prestataire du service universel fournit une solution alternative jusqu'au moment où le raccordement au service de base est effectivement mis en place. Cette solution alternative est fournie sans supplément par rapport au prix de la prestation de téléphonie vocale de base à laquelle l'abonné a souscrit. Le prestataire de service universel ne peut pas exiger une deuxième fois des frais de raccordement lorsque le raccordement au réseau public commuté demandé par l'abonné est effectivement réalisé.
Dans au moins 95 % des cas de contrats valables de raccordement, l'abonné doit pouvoir obtenir une date pour la fourniture du raccordement, au plus tard le premier jour qui suit l'enregistrement de la demande par le prestataire de service universel.
Pour établir ses statistiques, le prestataire du service universel utilise, pour chaque catégorie, le nombre total de contrats et raccordements valables effectués pendant la période d'observation concernée.
§ 3. Le taux de dérangement par ligne d'accès et le pourcentage de dérangements sur le nombre total de lignes d'accès ne peut excéder 7,5 % par période d'observation.
Le comptage des appels de dérangement est basé sur les appels de dérangement valables provenant des abonnés. Pour un appel concernant plus d'une ligne d'accès entre un abonné et un commutateur local, chacune de ces lignes d'accès sera prise en compte. Le taux de dérangement est mesuré en divisant le nombre d'appels de dérangement valables effectués au cours de la période d'observation par le nombre moyen de lignes d'accès sur le réseau public commuté pendant cette même période d'observation.
§ 4. 90 % des dérangements signalés pendant la période d'observation doivent être levés avant la fin du jour ouvrable qui suit celui où ils ont été communiqués au prestataire du service universel.
Les 10 % restants doivent être levés avant la fin du quatrième jour ouvrable qui suit celui où ils ont été communiqués au prestataire du service universel.
Ces pourcentages sont calculés sur la base de tous les appels de dérangement valables et toutes les réparations effectuées pendant la période d'observation concernée. Les cas où la réparation dépend d'un accord entre le prestataire de service universel et l'abonné ne sont pas pris en compte.
§ 5. Pour déterminer le taux de dérangement des appels aux niveaux national, interne à l'Union européenne et externe à celle-ci, le prestataire du service universel calcule, par période d'observation, le pourcentage d'appels défaillants pour chacune des trois catégories, et ce selon la méthode prescrite au présent paragraphe.
En ce qui concerne la méthode de mesure, les statistiques sont définies sur la base d'une des méthodes suivantes :
1° sur la base des données concernant le trafic sortant réel dans un échantillon représentatif de centraux locaux;
2° sur la base d'appels d'(essai) générés dans un échantillon représentatif de centraux locaux vers un échantillon représentatif de centraux terminaux;
3° sur la base d'une combinaison du 1° et 2°.
Les mesures doivent être planifiées de manière à refléter fidèlement les variations de trafic pendant les différentes heures d'une journée, les jours d'une semaine et les mois d'une année.
Pour les appels nationaux et à destination de l'Union européenne, le nombre d'observations, effectuées pendant une période d'observation d'un an, doit être tel qu'un taux de précision absolue de 0,1 % ou au moins un taux de précision relative de 10 % avec 95 % de fiabilité est atteint. Pour les appels hors de l'Union européenne, le nombre d'observations, effectuées pendant une période d'observation d'un an, doit être tel qu'un taux de précision absolue de 0,1 % ou au moins un taux de précision relative de 20 % avec 90 % de fiabilité est atteint. Pour les appels nationaux et internes à l'Union européenne, le nombre d'observations, effectuées pendant une période d'observation de trois mois, doit être tel qu'un taux de précision absolue de 0,2 % ou au moins un taux de précision relative de 20 % avec 95 % de fiabilité est atteint.
Pour les appels hors de l'Union européenne, le nombre d'observations, effectuées pendant une période d'observation de trois mois, doit être tel qu'un taux de précision absolue de 0,2 % ou au moins un taux de précision relative de 40 % avec 90 % de fiabilité est atteint. Le prestataire du service universel peut choisir le taux de précision pour lequel le moins d'observations sont requises. Le monitoring des appels peut être effectué pour chaque Ne appel, où N doit être défini comme le rapport entre le nombre total d'appels attendus dans les intervalles de temps pertinents et le nombre total d'observations nécessaires. En générant les appels d'essai, le choix des centraux terminaux doit être opéré en fonction du trafic. Les pourcentages sont basés sur le nombre total d'observations effectuées pendant la période d'observation.
§ 6. Pour déterminer le délai d'établissement d'une liaison aux niveaux national, vers l'Union européenne et hors de l'Union européenne, le prestataire du service universel calcule, par période d'observation, les valeurs percentiles 95 pour chacune des trois catégories, selon la méthode de mesure prescrite au présent paragraphe.
Les statistiques sont définies sur la base d'une des méthodes de mesure suivantes :
1° sur la base des données concernant le trafic sortant réel dans un échantillon représentatif de centraux locaux définis par l'institut;
2° sur la base d'appels d'essai générés dans un échantillon représentatif de centraux locaux vers un échantillon représentatif de centraux terminaux définis par l'institut;
3° sur la base d'une combinaison du 1° et 2°.
Les mesures doivent être planifiées de manière à refléter fidèlement les variations de trafic aux différentes heures d'une journée, jours d'une semaine et mois d'une année. Le nombre d'observations doit être au moins égal à 10 000 pour une période d'observation d'un an et à 2 500 pour une période d'observation de trois mois, et ce pour chaque catégorie de destination. Cela vaut aussi bien pour le monitoring que pour l'utilisation d'appels d'essai. (Le monitoring des appels peut être effectué pour chaque Nième appel, où N doit être défini comme le rapport entre le nombre total d'appels attendus dans les intervalles de temps pertinents et le nombre total d'observations nécessaires.) Ces observations doivent être effectuées par catégorie. Les appels manqués ne sont pas repris dans les statistiques.
§ 7. Le délai de réponse, pour les services avec intervention d'un standardiste, ne peut dépasser 20 secondes en moyenne.
Le nombre d'observations, permettant la mesure, doit être tel que pour le pourcentage annuel, un taux de précision absolue de 0,1 % est atteint avec un taux de fiabilité de 95 %, et tel que pour le pourcentage trimestriel, un taux de précision absolue de 0,2 % est atteint avec un taux de fiabilité de 95 %. Le pourcentage est basé sur toutes les observations effectuées pendant la période d'observation.
§ 8. Le prestataire du service universel veille à ce qu'à partir du 1er janvier 2000, chaque commune fusionnée qui constituait une entité administrative distincte au 31 décembre 1970 soit équipée d'au moins un poste téléphonique payant public. (Par commune fusionnée, il sera installé au moins un poste téléphonique payant public dont le paiement s'effectue tant avec des pièces qu'avec une carte de téléphone ou une carte de débit). En outre, le prestataire du service universel doit garantir le maintien : <AR 1999-03-04/46, art. 11, 002; En vigueur : 14-04-1999>
- d'au moins 10 postes téléphoniques payants publics en moyenne par 10 000 habitants dans chaque province;
- d'au moins 14 postes téléphoniques payants publics en moyenne par 10 000 habitants dans le Royaume.
Au moins 96 % des dérangements des postes téléphoniques payants publics doivent être levés dans les 48 heures qui suivent la constatation des dérangements par le prestataire de service universel. Les 4 % restants doivent être levés dans les 72 heures qui suivent la constatation des dérangements par le prestataire de service universel.
Ces pourcentages doivent être calculés sur la base de toutes les constatations et réparations de dérangements faites pendant la période d'observation concernée.
La proportion de postes téléphoniques payants publics, en état de fonctionnement, doit atteindre au moins 90 %.
Ce pourcentage est calculé chaque mois. Ensuite, pour le pourcentage trimestriel, la moyenne des trois mois concernés est prise et pour le pourcentage annuel, la moyenne des douze mois concernés est prise.
§ 9. Le pourcentage des contestations et questions complexes concernant la facturation ne peut excéder 1 % du nombre total des factures envoyées.
Par contestations et questions complexes concernant la facturation, on entend les questions et contestations qui ne peuvent être résolues en une seule conversation téléphonique.
§ 10. Les exigences de qualité de base mentionnées aux §§ précédents du présent article sont valables pour une année calendrier, et ce pour la première fois en 1998.
§ 11. Le prestataire du service universel calcule également les valeurs réalisées effectivement à chaque trimestre, selon les méthodes prescrites aux §§ 1er à 9 du présent article. Ces valeurs sont communiquées à l'institut au plus tard un mois après l'expiration du trimestre en question, selon la forme fixée à l'annexe C de la présente annexe.
§ 12. Pour les §§ 2 et 4 du présent article, le prestataire du service universel doit, en cas de force majeure, indiquer à l'utilisateur intéressé le délai dans lequel sa demande sera probablement satisfaite.
§ 13. Le prestataire du service universel conclut, avec les abonnés, une convention d'utilisateur qui spécifie le service qu'il fournit. Le prestataire du service universel soumet les conditions de fourniture, qu'il établit, à l'exception des conditions tarifaires, à l'avis du Service de Médiation et du Comité consultatif pour les Télécommunications. Les nouvelles conditions de fourniture n'entrent en vigueur, qu'après une période adéquate de préavis aux utilisateurs fixée par l'institut, dans le mois qui suit la notification de la modification.
Sauf cas de force majeure ou d'accord exprès entre la personne et le fournisseur du service universel, celui-ci est tenu d'appliquer ses conditions de fourniture publiées.
Si le prestataire de service universel, en réponse à une demande donnée, estime unilatéralement qu'il n'est pas raisonnable de maintenir ses conditions de fourniture, telles que publiées, il doit dans ce cas, obtenir l'accord de l'institut préalablement à leur modification.
§ 2. En ce qui concerne le délai de fourniture pour le raccordement au réseau public commuté, au moins 95 % des contrats de raccordement valables, conclus au cours de la période d'observation et pour lesquels l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment qui lui convient, doivent être exécutés dans les cinq jours ouvrables.
Si le délai de fourniture excède les huit jours ouvrables, dès le neuvième jour après l'établissement d'un contrat valable pour lequel l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment qui lui convient, le prestataire du service universel fournit une solution alternative jusqu'au moment où le raccordement au service de base est effectivement mis en place. Cette solution alternative est fournie sans supplément par rapport au prix de la prestation de téléphonie vocale de base à laquelle l'abonné a souscrit. Le prestataire de service universel ne peut pas exiger une deuxième fois des frais de raccordement lorsque le raccordement au réseau public commuté demandé par l'abonné est effectivement réalisé.
Dans au moins 95 % des cas de contrats valables de raccordement, l'abonné doit pouvoir obtenir une date pour la fourniture du raccordement, au plus tard le premier jour qui suit l'enregistrement de la demande par le prestataire de service universel.
Pour établir ses statistiques, le prestataire du service universel utilise, pour chaque catégorie, le nombre total de contrats et raccordements valables effectués pendant la période d'observation concernée.
§ 3. Le taux de dérangement par ligne d'accès et le pourcentage de dérangements sur le nombre total de lignes d'accès ne peut excéder 7,5 % par période d'observation.
Le comptage des appels de dérangement est basé sur les appels de dérangement valables provenant des abonnés. Pour un appel concernant plus d'une ligne d'accès entre un abonné et un commutateur local, chacune de ces lignes d'accès sera prise en compte. Le taux de dérangement est mesuré en divisant le nombre d'appels de dérangement valables effectués au cours de la période d'observation par le nombre moyen de lignes d'accès sur le réseau public commuté pendant cette même période d'observation.
§ 4. 90 % des dérangements signalés pendant la période d'observation doivent être levés avant la fin du jour ouvrable qui suit celui où ils ont été communiqués au prestataire du service universel.
Les 10 % restants doivent être levés avant la fin du quatrième jour ouvrable qui suit celui où ils ont été communiqués au prestataire du service universel.
Ces pourcentages sont calculés sur la base de tous les appels de dérangement valables et toutes les réparations effectuées pendant la période d'observation concernée. Les cas où la réparation dépend d'un accord entre le prestataire de service universel et l'abonné ne sont pas pris en compte.
§ 5. Pour déterminer le taux de dérangement des appels aux niveaux national, interne à l'Union européenne et externe à celle-ci, le prestataire du service universel calcule, par période d'observation, le pourcentage d'appels défaillants pour chacune des trois catégories, et ce selon la méthode prescrite au présent paragraphe.
En ce qui concerne la méthode de mesure, les statistiques sont définies sur la base d'une des méthodes suivantes :
1° sur la base des données concernant le trafic sortant réel dans un échantillon représentatif de centraux locaux;
2° sur la base d'appels d'(essai) générés dans un échantillon représentatif de centraux locaux vers un échantillon représentatif de centraux terminaux;
3° sur la base d'une combinaison du 1° et 2°.
Les mesures doivent être planifiées de manière à refléter fidèlement les variations de trafic pendant les différentes heures d'une journée, les jours d'une semaine et les mois d'une année.
Pour les appels nationaux et à destination de l'Union européenne, le nombre d'observations, effectuées pendant une période d'observation d'un an, doit être tel qu'un taux de précision absolue de 0,1 % ou au moins un taux de précision relative de 10 % avec 95 % de fiabilité est atteint. Pour les appels hors de l'Union européenne, le nombre d'observations, effectuées pendant une période d'observation d'un an, doit être tel qu'un taux de précision absolue de 0,1 % ou au moins un taux de précision relative de 20 % avec 90 % de fiabilité est atteint. Pour les appels nationaux et internes à l'Union européenne, le nombre d'observations, effectuées pendant une période d'observation de trois mois, doit être tel qu'un taux de précision absolue de 0,2 % ou au moins un taux de précision relative de 20 % avec 95 % de fiabilité est atteint.
Pour les appels hors de l'Union européenne, le nombre d'observations, effectuées pendant une période d'observation de trois mois, doit être tel qu'un taux de précision absolue de 0,2 % ou au moins un taux de précision relative de 40 % avec 90 % de fiabilité est atteint. Le prestataire du service universel peut choisir le taux de précision pour lequel le moins d'observations sont requises. Le monitoring des appels peut être effectué pour chaque Ne appel, où N doit être défini comme le rapport entre le nombre total d'appels attendus dans les intervalles de temps pertinents et le nombre total d'observations nécessaires. En générant les appels d'essai, le choix des centraux terminaux doit être opéré en fonction du trafic. Les pourcentages sont basés sur le nombre total d'observations effectuées pendant la période d'observation.
§ 6. Pour déterminer le délai d'établissement d'une liaison aux niveaux national, vers l'Union européenne et hors de l'Union européenne, le prestataire du service universel calcule, par période d'observation, les valeurs percentiles 95 pour chacune des trois catégories, selon la méthode de mesure prescrite au présent paragraphe.
Les statistiques sont définies sur la base d'une des méthodes de mesure suivantes :
1° sur la base des données concernant le trafic sortant réel dans un échantillon représentatif de centraux locaux définis par l'institut;
2° sur la base d'appels d'essai générés dans un échantillon représentatif de centraux locaux vers un échantillon représentatif de centraux terminaux définis par l'institut;
3° sur la base d'une combinaison du 1° et 2°.
Les mesures doivent être planifiées de manière à refléter fidèlement les variations de trafic aux différentes heures d'une journée, jours d'une semaine et mois d'une année. Le nombre d'observations doit être au moins égal à 10 000 pour une période d'observation d'un an et à 2 500 pour une période d'observation de trois mois, et ce pour chaque catégorie de destination. Cela vaut aussi bien pour le monitoring que pour l'utilisation d'appels d'essai. (Le monitoring des appels peut être effectué pour chaque Nième appel, où N doit être défini comme le rapport entre le nombre total d'appels attendus dans les intervalles de temps pertinents et le nombre total d'observations nécessaires.) Ces observations doivent être effectuées par catégorie. Les appels manqués ne sont pas repris dans les statistiques.
§ 7. Le délai de réponse, pour les services avec intervention d'un standardiste, ne peut dépasser 20 secondes en moyenne.
Le nombre d'observations, permettant la mesure, doit être tel que pour le pourcentage annuel, un taux de précision absolue de 0,1 % est atteint avec un taux de fiabilité de 95 %, et tel que pour le pourcentage trimestriel, un taux de précision absolue de 0,2 % est atteint avec un taux de fiabilité de 95 %. Le pourcentage est basé sur toutes les observations effectuées pendant la période d'observation.
§ 8. Le prestataire du service universel veille à ce qu'à partir du 1er janvier 2000, chaque commune fusionnée qui constituait une entité administrative distincte au 31 décembre 1970 soit équipée d'au moins un poste téléphonique payant public. (Par commune fusionnée, il sera installé au moins un poste téléphonique payant public dont le paiement s'effectue tant avec des pièces qu'avec une carte de téléphone ou une carte de débit). En outre, le prestataire du service universel doit garantir le maintien : <AR 1999-03-04/46, art. 11, 002; En vigueur : 14-04-1999>
- d'au moins 10 postes téléphoniques payants publics en moyenne par 10 000 habitants dans chaque province;
- d'au moins 14 postes téléphoniques payants publics en moyenne par 10 000 habitants dans le Royaume.
Au moins 96 % des dérangements des postes téléphoniques payants publics doivent être levés dans les 48 heures qui suivent la constatation des dérangements par le prestataire de service universel. Les 4 % restants doivent être levés dans les 72 heures qui suivent la constatation des dérangements par le prestataire de service universel.
Ces pourcentages doivent être calculés sur la base de toutes les constatations et réparations de dérangements faites pendant la période d'observation concernée.
La proportion de postes téléphoniques payants publics, en état de fonctionnement, doit atteindre au moins 90 %.
Ce pourcentage est calculé chaque mois. Ensuite, pour le pourcentage trimestriel, la moyenne des trois mois concernés est prise et pour le pourcentage annuel, la moyenne des douze mois concernés est prise.
§ 9. Le pourcentage des contestations et questions complexes concernant la facturation ne peut excéder 1 % du nombre total des factures envoyées.
Par contestations et questions complexes concernant la facturation, on entend les questions et contestations qui ne peuvent être résolues en une seule conversation téléphonique.
§ 10. Les exigences de qualité de base mentionnées aux §§ précédents du présent article sont valables pour une année calendrier, et ce pour la première fois en 1998.
§ 11. Le prestataire du service universel calcule également les valeurs réalisées effectivement à chaque trimestre, selon les méthodes prescrites aux §§ 1er à 9 du présent article. Ces valeurs sont communiquées à l'institut au plus tard un mois après l'expiration du trimestre en question, selon la forme fixée à l'annexe C de la présente annexe.
§ 12. Pour les §§ 2 et 4 du présent article, le prestataire du service universel doit, en cas de force majeure, indiquer à l'utilisateur intéressé le délai dans lequel sa demande sera probablement satisfaite.
§ 13. Le prestataire du service universel conclut, avec les abonnés, une convention d'utilisateur qui spécifie le service qu'il fournit. Le prestataire du service universel soumet les conditions de fourniture, qu'il établit, à l'exception des conditions tarifaires, à l'avis du Service de Médiation et du Comité consultatif pour les Télécommunications. Les nouvelles conditions de fourniture n'entrent en vigueur, qu'après une période adéquate de préavis aux utilisateurs fixée par l'institut, dans le mois qui suit la notification de la modification.
Sauf cas de force majeure ou d'accord exprès entre la personne et le fournisseur du service universel, celui-ci est tenu d'appliquer ses conditions de fourniture publiées.
Si le prestataire de service universel, en réponse à une demande donnée, estime unilatéralement qu'il n'est pas raisonnable de maintenir ses conditions de fourniture, telles que publiées, il doit dans ce cas, obtenir l'accord de l'institut préalablement à leur modification.
Art.3. De universele dienstverlener verleent inzake herstelling van een defect voorrang aan de volgende personen :
1° nood- en veiligheidsdiensten (rijkswacht, gemeentepolitie, gerechtelijke politie, brandweer, civiele bescherming, Staatsveiligheid, de algemene inlichtingendienst, het crisis- en coördinatiecentum van de Belgische regering, veiligheidseenheden van de provinciebesturen);
2° ziekenhuizen, artsen, apothekers en dierenartsen die een wachtdienst onderhouden;
3° invaliden, zieken die speciale verzorging nodig hebben en aan de in bijlage B, 1.5. vermelde gehandicapten.
Onder herstelling wordt verstaan het herstellen van de lijn of het opzetten van een vervangende dienst. Bovendien mag in afwijking van artikel 2 van deze bijlage, voor de personen, vermeld in de 1° en 2° van deze paragraaf, de duur voor de herstelling van een defect niet meer bedragen dan 24 uur, ook op zaterdag, zondag en feestdagen.
De specifieke eisen van lid 1 van deze paragraaf worden nageleefd zonder prijstoeslag voor de begunstigden.
De nadere regels inzake specifieke levering die van toepassing zijn op de in lid 1 van dit artikel bedoelde personen en instellingen maken eveneens het voorwerp uit van de evaluatie door en het advies van het Instituut, bedoeld in artikel 16 van deze bijlage.
1° nood- en veiligheidsdiensten (rijkswacht, gemeentepolitie, gerechtelijke politie, brandweer, civiele bescherming, Staatsveiligheid, de algemene inlichtingendienst, het crisis- en coördinatiecentum van de Belgische regering, veiligheidseenheden van de provinciebesturen);
2° ziekenhuizen, artsen, apothekers en dierenartsen die een wachtdienst onderhouden;
3° invaliden, zieken die speciale verzorging nodig hebben en aan de in bijlage B, 1.5. vermelde gehandicapten.
Onder herstelling wordt verstaan het herstellen van de lijn of het opzetten van een vervangende dienst. Bovendien mag in afwijking van artikel 2 van deze bijlage, voor de personen, vermeld in de 1° en 2° van deze paragraaf, de duur voor de herstelling van een defect niet meer bedragen dan 24 uur, ook op zaterdag, zondag en feestdagen.
De specifieke eisen van lid 1 van deze paragraaf worden nageleefd zonder prijstoeslag voor de begunstigden.
De nadere regels inzake specifieke levering die van toepassing zijn op de in lid 1 van dit artikel bedoelde personen en instellingen maken eveneens het voorwerp uit van de evaluatie door en het advies van het Instituut, bedoeld in artikel 16 van deze bijlage.
Art.3. Le prestataire du service universel accorde, en matière de levées de dérangements, la priorité aux personnes suivantes :
1° services de Secours et de Sécurité (Gendarmerie, police communale, police judiciaire, pompiers, Protection civile, Sûreté de l'Etat, Service général de Renseignements, Centre de Crise et de Coordination du Gouvernement fédéral, cellules de Sécurité des administrations provinciales);
2° hôpitaux, médecins, pharmaciens et vétérinaires assurant un service de garde;
3° invalides, malades qui nécessitent des soins spéciaux et handicapés mentionnés à l'annexe B, 1.5.
Par réparation, on entend la réparation de la ligne ou la fourniture d'un service de remplacement. En outre, par dérogation à l'article 2 de la présente annexe, le temps de levée d'un dérangement ne peut dépasser 24 heures pour les personnes mentionnées au 1° et 2° du présent paragraphe, y compris le samedi, le dimanche et les jours fériés.
Les exigences spécifiques reprises au 1er alinéa de ce paragraphe sont respectées sans supplément de prix pour les bénéficiaires.
Les modalités de fourniture spécifique appliquées aux personnes et institutions visées à l'alinéa 1er du présent article font également l'objet de l'évaluation et de l'avis de l'institut visé à l'article 16 de la présente annexe.
1° services de Secours et de Sécurité (Gendarmerie, police communale, police judiciaire, pompiers, Protection civile, Sûreté de l'Etat, Service général de Renseignements, Centre de Crise et de Coordination du Gouvernement fédéral, cellules de Sécurité des administrations provinciales);
2° hôpitaux, médecins, pharmaciens et vétérinaires assurant un service de garde;
3° invalides, malades qui nécessitent des soins spéciaux et handicapés mentionnés à l'annexe B, 1.5.
Par réparation, on entend la réparation de la ligne ou la fourniture d'un service de remplacement. En outre, par dérogation à l'article 2 de la présente annexe, le temps de levée d'un dérangement ne peut dépasser 24 heures pour les personnes mentionnées au 1° et 2° du présent paragraphe, y compris le samedi, le dimanche et les jours fériés.
Les exigences spécifiques reprises au 1er alinéa de ce paragraphe sont respectées sans supplément de prix pour les bénéficiaires.
Les modalités de fourniture spécifique appliquées aux personnes et institutions visées à l'alinéa 1er du présent article font également l'objet de l'évaluation et de l'avis de l'institut visé à l'article 16 de la présente annexe.
Art.4. Het openbaar maken van informatie met betrekking tot het openbare vaste basistelefoonnet dat beschikbaar is op het moment dat de telefoongids wordt vervaardigd, wordt door de universele dienstverlener gegarandeerd door het indienen van deze informatie bij het Instituut. De informatie bestaat uit de beschrijving van de nadere regels met betrekking tot de toegang tot en het gebruik van het openbare vaste basistelefoonnet. De precieze inhoud van de te publiceren informatie wordt in detail weergegeven in bijlage C bij deze bijlage.
Eventuele wijzigingen in deze informatie worden uiterlijk 2 maanden voor hun effectieve tenuitvoerlegging van deze wijzigingen aan het Instituut meegedeeld.
Het Instituut publiceert de referenties van deze informatie en eventuele wijzigingen in het Belgisch Staatsblad. Het Instituut deelt de referenties eveneens mee aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie. De informatie en eventuele wijzigingen worden naderhand verspreid door het Belgisch Instituut voor Normalisatie volgens de nadere regels, bepaald door deze laatste.
Eventuele wijzigingen in deze informatie worden uiterlijk 2 maanden voor hun effectieve tenuitvoerlegging van deze wijzigingen aan het Instituut meegedeeld.
Het Instituut publiceert de referenties van deze informatie en eventuele wijzigingen in het Belgisch Staatsblad. Het Instituut deelt de referenties eveneens mee aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie. De informatie en eventuele wijzigingen worden naderhand verspreid door het Belgisch Instituut voor Normalisatie volgens de nadere regels, bepaald door deze laatste.
Art.4. La publicité des informations, relatives au réseau téléphonique public fixe de base et disponible au moment de la confection de l'annuaire, est assurée par le prestataire du service universel, qui fournit ces informations à l'institut. Ces informations consistent en la description des modalités concernant l'accès au réseau téléphonique public fixe de base et son utilisation. Les détails concernant le contenu précis des informations à publier sont repris à l'annexe C de la présente annexe.
Les modifications éventuelles à ces informations sont communiquées à l'institut au plus tard deux mois avant leur mise en oeuvre effective.
L'institut publie les références de ces informations et des modifications éventuelles au Moniteur belge. L'institut communique également ces références au Comité consultatif pour les Télécommunications. Les informations et les modifications éventuelles sont ensuite distribuées par l'Institut belge pour la Normalisation selon les modalités fixées par celui-ci.
Les modifications éventuelles à ces informations sont communiquées à l'institut au plus tard deux mois avant leur mise en oeuvre effective.
L'institut publie les références de ces informations et des modifications éventuelles au Moniteur belge. L'institut communique également ces références au Comité consultatif pour les Télécommunications. Les informations et les modifications éventuelles sont ensuite distribuées par l'Institut belge pour la Normalisation selon les modalités fixées par celui-ci.
Art.5. De universele dienstverlener maakt de informatie over de basisdienst inzake spraaktelefonie bekend door deze jaarlijks te publiceren in de lijsten van de abonnees van de telefoondienst. Bovendien wordt die informatie om de drie maanden aan het Instituut meegedeeld. In het Belgisch Staatsblad wordt naar die publicatie verwezen. De informatie wordt vóór de publicatie voorgelegd aan de ombudsdienst inzake telecommunicatie en aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie. De informatie bestemd voor het Instituut wordt uiterlijk één maand na afloop van het betreffende kwartaal aan het Instituut bezorgd.
De informatie over de basisdienst inzake spraaktelefonie behelst :
- de beschrijving van de dienst;
- de toegepaste tarieven;
- de technische voorwaarden met betrekking tot de verstrekking van de basisdienst inzake spraaktelefonie.
De precieze inhoud van de te publiceren informatie staat beschreven in bijlage C bij deze bijlage.
De informatie over de basisdienst inzake spraaktelefonie behelst :
- de beschrijving van de dienst;
- de toegepaste tarieven;
- de technische voorwaarden met betrekking tot de verstrekking van de basisdienst inzake spraaktelefonie.
De precieze inhoud van de te publiceren informatie staat beschreven in bijlage C bij deze bijlage.
Art.5. La publicité des informations sur le service de téléphonie vocale de base est assurée annuellement par le prestataire du service universel dans les annuaires des abonnés au service de téléphonie. Elles sont en outre communiquées tous les trois mois à l'institut. Référence à cette publication est faite au Moniteur belge. Avant leur publication, les informations sont communiquées au Service de Médiation des télécommunications et au Comité consultatif pour les Télécommunications. Les informations destinées à l'institut lui sont remises au plus tard un mois après la fin du trimestre en question.
Les informations sur le service de téléphonie vocale de base comportent :
- la description du service;
- les tarifs pratiqués;
- les conditions techniques de prestation du service de téléphonie vocale de base.
Les détails concernant le contenu des informations à publier sont repris à l'annexe C de la présente annexe.
Les informations sur le service de téléphonie vocale de base comportent :
- la description du service;
- les tarifs pratiqués;
- les conditions techniques de prestation du service de téléphonie vocale de base.
Les détails concernant le contenu des informations à publier sont repris à l'annexe C de la présente annexe.
Art.6. Het openbaar maken van de informatie over de openbare betaaltelefoons wordt door de universele dienstverlener gewaarborgd door deze jaarlijks te publiceren in de lijsten van de abonnees van de telefoondienst en door het uithangen van affiches op of naast de openbare betaaltelefoons in het gezichtsveld ervan. In het Belgisch Staatsblad wordt naar die publicatie verwezen.
De informatie over de openbare betaaltelefoons behelst :
- de beschrijving van de dienst;
- de toegepaste tarieven;
- de gebruiksvoorwaarden.
Die informatie wordt vóór de publicatie ter informatie voorgelegd aan de ombudsdienst voor telecommunicatie en aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.
De precieze inhoud van de te publiceren informatie staat beschreven in bijlage C bij deze bijlage.
De informatie over de openbare betaaltelefoons behelst :
- de beschrijving van de dienst;
- de toegepaste tarieven;
- de gebruiksvoorwaarden.
Die informatie wordt vóór de publicatie ter informatie voorgelegd aan de ombudsdienst voor telecommunicatie en aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.
De precieze inhoud van de te publiceren informatie staat beschreven in bijlage C bij deze bijlage.
Art.6. La publicité des informations sur les postes téléphoniques payants publics est assurée annuellement par le prestataire du service universel dans les annuaires des abonnés au service de téléphonie et par voie d'affichage sur ou à côté des postes téléphoniques payants publics, dans le champ visuel de ceux-ci. Référence à cette publication est faite au Moniteur belge.
Les informations sur les postes téléphoniques payants publics comprennent :
- la description du service;
- les tarifs pratiqués;
- les conditions d'utilisation.
Ces informations sont, avant leur publication, communiquées pour information au Service de Médiation pour les télécommunications et au Comité consultatif pour les Télécommunications.
Les détails concernant le contenu des informations à publier sont repris à l'annexe C de la présente annexe.
Les informations sur les postes téléphoniques payants publics comprennent :
- la description du service;
- les tarifs pratiqués;
- les conditions d'utilisation.
Ces informations sont, avant leur publication, communiquées pour information au Service de Médiation pour les télécommunications et au Comité consultatif pour les Télécommunications.
Les détails concernant le contenu des informations à publier sont repris à l'annexe C de la présente annexe.
HOOFDSTUK 3. - Financiële voorwaarden inzake de universele dienstverlening.
CHAPITRE 3. - Conditions financières de prestation du service universel.
Art.7. § 1. De universele dienstverlener stelt de abonnees een hulpdienst ter beschikking. De hulpdienst is 24 uur op 24 en 7 dagen op 7 bereikbaar. De hulpdienst registreert de aanvragen van de abonnees in verband met de opheffing van storingen en de moeilijkheden om een verbinding te krijgen. Hij stuurt die aanvragen zo spoedig mogelijk door naar de bevoegde dienst. De hulpdienst bedoeld in artikel 84, § 1, 3° is gratis toegankelijk.
§ 2. De dienst inlichtingen verstrekt mondeling aan alle personen die erom vragen hetzij het telefoonnummer van een andere abonnee waarvan de aanvrager het adres van de aansluiting kent, hetzij de naam en het adres van de aansluiting op basis van het telefoonnummer. De dienst inlichtingen geeft geen inlichtingen over abonnees die een geheim nummer hebben.
§ 2. De dienst inlichtingen verstrekt mondeling aan alle personen die erom vragen hetzij het telefoonnummer van een andere abonnee waarvan de aanvrager het adres van de aansluiting kent, hetzij de naam en het adres van de aansluiting op basis van het telefoonnummer. De dienst inlichtingen geeft geen inlichtingen over abonnees die een geheim nummer hebben.
Art.7. § 1er. Le prestataire du service universel met à la disposition des abonnés un Service d'Assistance. Le Service d'Assistance est disponible 24 heures sur 24 et 7 jours sur 7. Le Service d'Assistance enregistre les demandes des abonnés relatives à la levée des dérangements et aux difficultés d'obtenir une communication. Il transmet ces demandes aux services compétents dans les délais les plus brefs. Le Service d'Assistance visé à l'article 84, § 1er, 3°, est accessible gratuitement.
§ 2. Le Service de Renseignements fournit oralement à toute personne qui le demande soit le numéro de téléphone d'un autre abonné dont le demandeur connaît l'adresse de raccordement, soit le nom et l'adresse de raccordement sur base du numéro de téléphone. Le Service de Renseignements ne fournit aucune information relative à un abonné bénéficiant d'un numéro secret.
§ 2. Le Service de Renseignements fournit oralement à toute personne qui le demande soit le numéro de téléphone d'un autre abonné dont le demandeur connaît l'adresse de raccordement, soit le nom et l'adresse de raccordement sur base du numéro de téléphone. Le Service de Renseignements ne fournit aucune information relative à un abonné bénéficiant d'un numéro secret.
Art.8. De volgende nooddiensten zijn gratis toegankelijk :
1° medische spoeddienst;
2° brandweer;
3° politiediensten;
4° antigifcentrum;
5° zelfmoordpreventie;
6° teleonthaal;
7° kindertelefoondiensten.
(8° Europees Centrum voor vermiste en seksueel misbruikte kinderen.) <KB 1999-03-04/46, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
Die diensten zijn tevens rechtstreeks en kosteloos bereikbaar vanuit openbare betaaltelefoons.
1° medische spoeddienst;
2° brandweer;
3° politiediensten;
4° antigifcentrum;
5° zelfmoordpreventie;
6° teleonthaal;
7° kindertelefoondiensten.
(8° Europees Centrum voor vermiste en seksueel misbruikte kinderen.) <KB 1999-03-04/46, art. 12, 002; Inwerkingtreding : 14-04-1999>
Die diensten zijn tevens rechtstreeks en kosteloos bereikbaar vanuit openbare betaaltelefoons.
Art.8. Les services d'Urgence suivants sont accessibles gratuitement :
1° Service médical d'Urgence;
2° pompiers;
3° services de police;
4° Centre Anti-poison;
5° Prévention du suicide;
6° centres de Télé-accueil;
7° services Ecoute-enfants.
(8° Centre européen pour enfants disparus et sexuellement exploités.) <AR 1999-03-04/46, art. 12, 002; En vigueur : 14-04-1999>
Ces services sont également accessibles directement et gratuitement depuis les postes téléphoniques payants publics.
1° Service médical d'Urgence;
2° pompiers;
3° services de police;
4° Centre Anti-poison;
5° Prévention du suicide;
6° centres de Télé-accueil;
7° services Ecoute-enfants.
(8° Centre européen pour enfants disparus et sexuellement exploités.) <AR 1999-03-04/46, art. 12, 002; En vigueur : 14-04-1999>
Ces services sont également accessibles directement et gratuitement depuis les postes téléphoniques payants publics.
Art.9. De universele dienstverlener moet op de factuur van de abonnee de volgende rubrieken vermelden, samen met de verschuldigde bedragen voor die verschillende rubrieken :
- abonnement;
- eventuele huur van het toestel;
- zonale gesprekken;
- interzonale gesprekken;
- gesprekken met mobiele diensten;
- internationale gesprekken, oproep per oproep, tenzij de abonnee schriftelijk om het tegenovergestelde verzoekt;
- 077-infokioskdiensten;
- 0900-infokioskdiensten;
- (geschrapt) <KB 1999-12-21/35, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 09-02-2000>
(Kosteloze oproepen en oproepen naar hulpdiensten worden niet vermeld op de rekening van de oproeper, volgens de nadere regels die door de Minister worden bepaald.) <KB 1999-12-21/35, art. 9, 029; Inwerkingtreding : 09-02-2000>
- abonnement;
- eventuele huur van het toestel;
- zonale gesprekken;
- interzonale gesprekken;
- gesprekken met mobiele diensten;
- internationale gesprekken, oproep per oproep, tenzij de abonnee schriftelijk om het tegenovergestelde verzoekt;
- 077-infokioskdiensten;
- 0900-infokioskdiensten;
- (geschrapt) <KB 1999-12-21/35, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 09-02-2000>
(Kosteloze oproepen en oproepen naar hulpdiensten worden niet vermeld op de rekening van de oproeper, volgens de nadere regels die door de Minister worden bepaald.) <KB 1999-12-21/35, art. 9, 029; Inwerkingtreding : 09-02-2000>
Art.9. Le prestataire du service universel doit mentionner, sur la facture des abonnés, les postes suivants avec les sommes dues afférentes à ces différents postes :
- redevance;
- location éventuelle de l'appareil;
- communications zonales;
- communications interzonales;
- communications avec les services mobiles;
- communications internationales, appel par appel, à moins que l'abonné demande par écrit qu'il en soit autrement;
- services info-kiosques 077;
- services info-kiosques de la série 0900;
- (abrogé) <AR 1999-12-21/35, art. 9, 003; En vigueur : 09-02-2000>
(Les appels gratuits et les appels aux services d'aide ne sont pas indiqués sur la facture de l'appelant selon les modalités déterminées par le Ministre.) <AR 1999-12-21/35, art. 9, 003; En vigueur : 09-02-2000>
- redevance;
- location éventuelle de l'appareil;
- communications zonales;
- communications interzonales;
- communications avec les services mobiles;
- communications internationales, appel par appel, à moins que l'abonné demande par écrit qu'il en soit autrement;
- services info-kiosques 077;
- services info-kiosques de la série 0900;
- (abrogé) <AR 1999-12-21/35, art. 9, 003; En vigueur : 09-02-2000>
(Les appels gratuits et les appels aux services d'aide ne sont pas indiqués sur la facture de l'appelant selon les modalités déterminées par le Ministre.) <AR 1999-12-21/35, art. 9, 003; En vigueur : 09-02-2000>
Art.10. § 1. De universele dienstverlener past een prijs toe die overal in België de betaalbare prijs, bepaald volgens de nadere regels van artikel 11, voor eenzelfde dienstverlening van de basisdienst inzake spraaktelefonie, niet overschrijdt.
Wanneer de universele dienstverlener een bepaald verzoek tot aansluiting op het openbare vaste telefoonnet tegen de door haar bekendgemaakte tarieven en leveringsvoorwaarden onredelijk acht, moet hij het Instituut om instemming verzoeken teneinde de voorwaarden in dat geval te wijzigen.
§ 2. Onverminderd § 1, mag de universele dienstverlener verschillende tarieven toepassen voor eenzelfde verrichting. De tariefverschillen voor eenzelfde verrichting mogen enkel gebaseerd zijn op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.
Die gedifferentieerde tarieven worden gepubliceerd vóór toepassing op de abonnees.
§ 3. De schema's van de gedifferentieerde tarieven die op grond van § 2 van dit artikel door de universele dienstverlener zijn opgesteld met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie worden voor advies aan het Instituut voorgelegd.
§ 4. De minimumdienst, bedoeld in artikel 84, § 1, 5° van de wet, wordt verleend aan abonnees met achterstal zonder onderbreking van de lijn, na het opsturen van een herinnering via gewone post en waarop niet is gereageerd tijdens een periode van tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van verzending. De dienst wordt gratis in stand gehouden gedurende een minimumperiode van 90 werkdagen en mag enkel worden verleend aan natuurlijke personen die er enkel voor privé-doeleinden gebruik van kunnen maken.
Tijdens die periode van 90 dagen stelt de universele dienstverlener aan de abonnee een redelijk aanzuiveringsplan voor.
De algemene voorwaarden van de universele dienstverlener preciseren de voorwaarden waaronder hij de aansluiting mag schorsen in geval van weigering van het aanzuiveringsplan door de abonnee, indien het plan niet wordt nageleefd of indien een aanzuiveringsplan niet wordt nageleefd dat in het kader van een specifieke wetgeving is toegepast. Die voorwaarden worden voor met redenen omkleed advies voorgelegd aan de ombudsdienst voor telecommunicatie en voor advies aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.
De universele dienstverlener is verplicht het vertrouwelijke karakter te eerbiedigen van de inlichtingen die worden verstrekt bij de aanvraag van een afbetalingsplan.
In geval van beroep op de collectieve schuldaflossing ingesteld door een specifieke wetgeving, wordt de minimumdienst behouden gedurende de gehele procedure.
§ 5. De tariefvoorwaarden die door de universele dienstverlener zijn opgesteld worden ter informatie voorgelegd aan de ombudsdienst voor telecommunicatie en aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.
Wanneer de universele dienstverlener een bepaald verzoek tot aansluiting op het openbare vaste telefoonnet tegen de door haar bekendgemaakte tarieven en leveringsvoorwaarden onredelijk acht, moet hij het Instituut om instemming verzoeken teneinde de voorwaarden in dat geval te wijzigen.
§ 2. Onverminderd § 1, mag de universele dienstverlener verschillende tarieven toepassen voor eenzelfde verrichting. De tariefverschillen voor eenzelfde verrichting mogen enkel gebaseerd zijn op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.
Die gedifferentieerde tarieven worden gepubliceerd vóór toepassing op de abonnees.
§ 3. De schema's van de gedifferentieerde tarieven die op grond van § 2 van dit artikel door de universele dienstverlener zijn opgesteld met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie worden voor advies aan het Instituut voorgelegd.
§ 4. De minimumdienst, bedoeld in artikel 84, § 1, 5° van de wet, wordt verleend aan abonnees met achterstal zonder onderbreking van de lijn, na het opsturen van een herinnering via gewone post en waarop niet is gereageerd tijdens een periode van tien werkdagen, te rekenen vanaf de datum van verzending. De dienst wordt gratis in stand gehouden gedurende een minimumperiode van 90 werkdagen en mag enkel worden verleend aan natuurlijke personen die er enkel voor privé-doeleinden gebruik van kunnen maken.
Tijdens die periode van 90 dagen stelt de universele dienstverlener aan de abonnee een redelijk aanzuiveringsplan voor.
De algemene voorwaarden van de universele dienstverlener preciseren de voorwaarden waaronder hij de aansluiting mag schorsen in geval van weigering van het aanzuiveringsplan door de abonnee, indien het plan niet wordt nageleefd of indien een aanzuiveringsplan niet wordt nageleefd dat in het kader van een specifieke wetgeving is toegepast. Die voorwaarden worden voor met redenen omkleed advies voorgelegd aan de ombudsdienst voor telecommunicatie en voor advies aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.
De universele dienstverlener is verplicht het vertrouwelijke karakter te eerbiedigen van de inlichtingen die worden verstrekt bij de aanvraag van een afbetalingsplan.
In geval van beroep op de collectieve schuldaflossing ingesteld door een specifieke wetgeving, wordt de minimumdienst behouden gedurende de gehele procedure.
§ 5. De tariefvoorwaarden die door de universele dienstverlener zijn opgesteld worden ter informatie voorgelegd aan de ombudsdienst voor telecommunicatie en aan het Raadgevend Comité voor de telecommunicatie.
Art.10. § 1er. Le prestataire du service universel applique un prix, qui partout en Belgique, ne dépasse pas le prix abordable, défini selon les modalités de l'article 11, pour une même prestation du service de téléphonie vocale de base.
Lorsque le prestataire du service universel, en réponse à une demande donnée, estime qu'il est déraisonnable de fournir le raccordement au réseau téléphonique public fixe selon ses conditions de tarifs et de fourniture publiées, il est tenu de demander l'accord de l'institut pour modifier lesdites conditions dans ce cas.
§ 2. Sans préjudice du § 1er, le prestataire du service universel peut appliquer différents tarifs pour une même prestation. Les différences de tarifs, pour une même prestation, ne peuvent être basées que sur des critères objectifs, transparents et non discriminatoires.
Ces tarifs différenciés sont publiés avant toute application aux abonnés.
§ 3. Les schémas de tarifs différenciés, relatifs au service de téléphonie de base et établis sur base du § 2 du présent article par le prestataire du service universel, sont soumis pour avis à l'institut.
§ 4. Le service minimum, visé à l'article 84, § 1er, 5°, de la loi, est accordé à l'abonné en retard de paiement, sans interruption de la ligne, après l'envoi d'un avis de rappel, par la voie postale ordinaire, resté sans effet pendant un délai de dix jours ouvrables à compter de sa date d'envoi. Il est maintenu gratuitement pendant une période minimale de nonante jours ouvrables et ne peut être accordé qu'à des personnes physiques qui ne peuvent l'utiliser qu'à des fins domestiques privées.
Pendant cette période de nonante jours, le prestataire du service universel propose, à l'abonné, un plan d'apurement raisonnable.
Les conditions générales du prestataire du service universel précisent les modalités selon lesquelles il peut suspendre le raccordement en cas de refus du plan d'apurement par l'abonné, de non-respect de ce plan ou de non-respect d'un plan d'apurement mis en oeuvre dans le cadre d'une législation spécifique. Ces modalités sont soumises à l'avis motivé du Service de Médiation pour les télécommunications et à l'avis du Comité consultatif pour les Télécommunications.
Le prestataire du service universel est tenu au respect du caractère confidentiel des renseignements fournis à l'occasion de la demande de plan d'apurement.
En cas de recours au règlement collectif de dettes, mis en oeuvre par une législation spécifique, le service minimum est maintenu gratuitement pendant toute la durée de la procédure.
§ 5. Les conditions tarifaires, établies par le prestataire du service universel, sont communiquées pour information au Service de Médiation pour les télécommunications et au Comité consultatif pour les Télécommunications.
Lorsque le prestataire du service universel, en réponse à une demande donnée, estime qu'il est déraisonnable de fournir le raccordement au réseau téléphonique public fixe selon ses conditions de tarifs et de fourniture publiées, il est tenu de demander l'accord de l'institut pour modifier lesdites conditions dans ce cas.
§ 2. Sans préjudice du § 1er, le prestataire du service universel peut appliquer différents tarifs pour une même prestation. Les différences de tarifs, pour une même prestation, ne peuvent être basées que sur des critères objectifs, transparents et non discriminatoires.
Ces tarifs différenciés sont publiés avant toute application aux abonnés.
§ 3. Les schémas de tarifs différenciés, relatifs au service de téléphonie de base et établis sur base du § 2 du présent article par le prestataire du service universel, sont soumis pour avis à l'institut.
§ 4. Le service minimum, visé à l'article 84, § 1er, 5°, de la loi, est accordé à l'abonné en retard de paiement, sans interruption de la ligne, après l'envoi d'un avis de rappel, par la voie postale ordinaire, resté sans effet pendant un délai de dix jours ouvrables à compter de sa date d'envoi. Il est maintenu gratuitement pendant une période minimale de nonante jours ouvrables et ne peut être accordé qu'à des personnes physiques qui ne peuvent l'utiliser qu'à des fins domestiques privées.
Pendant cette période de nonante jours, le prestataire du service universel propose, à l'abonné, un plan d'apurement raisonnable.
Les conditions générales du prestataire du service universel précisent les modalités selon lesquelles il peut suspendre le raccordement en cas de refus du plan d'apurement par l'abonné, de non-respect de ce plan ou de non-respect d'un plan d'apurement mis en oeuvre dans le cadre d'une législation spécifique. Ces modalités sont soumises à l'avis motivé du Service de Médiation pour les télécommunications et à l'avis du Comité consultatif pour les Télécommunications.
Le prestataire du service universel est tenu au respect du caractère confidentiel des renseignements fournis à l'occasion de la demande de plan d'apurement.
En cas de recours au règlement collectif de dettes, mis en oeuvre par une législation spécifique, le service minimum est maintenu gratuitement pendant toute la durée de la procédure.
§ 5. Les conditions tarifaires, établies par le prestataire du service universel, sont communiquées pour information au Service de Médiation pour les télécommunications et au Comité consultatif pour les Télécommunications.
Art.11. De universele dienstverlener past op alle residentiële eindgebruikers een betaalbaar tarief toe dat overeenkomt met het tarief voor de prestaties met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie dat op 31 december 1997 van toepassing is, geïndexeerd op de dag waarop deze bijlage in werking treedt, in overeenstemming met de volgende regel :
Tn<((In-1/Io)-a).To
waarin
Tn = tarieven van alle prestaties met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie op het einde van het nde kalenderjaar volgend op 31 december 1997;
To = tarieven van alle prestaties met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie op het einde van het kalenderjaar 1997;
a = correctiefactor met de waarde :
- voor 1998 : 0,01;
- voor 1999 : 0,02;
- voor 2000 en de volgende jaren : 0,03.
De Koning kan bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op advies van het Instituut, de waarde van de correctiefactor wijzigen voor de jaren die na 2000 komen.
In-1 = indexcijfer van de consumptieprijzen op 31 december voorafgaand aan het begin van het nde kalenderjaar volgend op 31 december 1997;
Io = indexcijfer van de consumptieprijzen op 31 december van het kalenderjaar 1997.
De modelprestaties en de weging ervan zijn als volgt bij de inwerkingtreding van de wet :
- aansluitings- en verhuizingskosten : 2,31 %;
- basisabonnementsgeld : 42,85 %;
- verkeer uitgaand van toestellen van abonnees : 52,05 %;
- verkeer uitgaand van openbare betaaltelefoons : 2,79 %.
De praktische regels inzake berekening van die tarieven zijn in bijlage A vastgelegd.
Tn<((In-1/Io)-a).To
waarin
Tn = tarieven van alle prestaties met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie op het einde van het nde kalenderjaar volgend op 31 december 1997;
To = tarieven van alle prestaties met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie op het einde van het kalenderjaar 1997;
a = correctiefactor met de waarde :
- voor 1998 : 0,01;
- voor 1999 : 0,02;
- voor 2000 en de volgende jaren : 0,03.
De Koning kan bij een in de Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op advies van het Instituut, de waarde van de correctiefactor wijzigen voor de jaren die na 2000 komen.
In-1 = indexcijfer van de consumptieprijzen op 31 december voorafgaand aan het begin van het nde kalenderjaar volgend op 31 december 1997;
Io = indexcijfer van de consumptieprijzen op 31 december van het kalenderjaar 1997.
De modelprestaties en de weging ervan zijn als volgt bij de inwerkingtreding van de wet :
- aansluitings- en verhuizingskosten : 2,31 %;
- basisabonnementsgeld : 42,85 %;
- verkeer uitgaand van toestellen van abonnees : 52,05 %;
- verkeer uitgaand van openbare betaaltelefoons : 2,79 %.
De praktische regels inzake berekening van die tarieven zijn in bijlage A vastgelegd.
Art.11. Le prestataire du service universel applique, à tous les utilisateurs résidentiels finals, un tarif abordable qui correspond au tarif des prestations du service de téléphonie vocale de base en application le 31 décembre 1997, indexé au jour de l'entrée en vigueur de la présente annexe, conformément à la règle suivante :
Tn < ((ln - 1/lo) - a) x To.
Où :
Tn = tarifs de l'ensemble des prestations du service de téléphonie vocale de base au terme de la énième année civile suivant le 31 décembre 1997;
To = tarifs de l'ensemble des prestations du service de téléphonie vocale de base au terme de l'année civile 1997;
a = facteur de correction valant :
- en 1998 : 0,01;
- en 1999 : 0,02;
- en 2000 et les années suivantes : 0,03.
Le Roi peut modifier, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'institut, la valeur du facteur de correction pour les années ultérieures à l'an 2000;
ln - 1 = indice des prix à la consommation au 31 décembre précédant le début de la énième année civile suivant le 31 décembre 1997;
lo = indice des prix à la consommation au 31 décembre de l'année civile 1997.
Les prestations-témoins et leur pondération sont les suivantes à l'entrée en vigueur de la loi :
- frais de raccordement et de transfert : 2,31 %;
- redevances d'abonnement de base : 42,85 %;
- trafic au départ des postes d'abonnés : 52,05 %;
- trafic au départ des postes téléphoniques payants publics : 2,79 %.
Les modalités concrètes de calcul de ces tarifs sont fixées à l'annexe A.
Tn < ((ln - 1/lo) - a) x To.
Où :
Tn = tarifs de l'ensemble des prestations du service de téléphonie vocale de base au terme de la énième année civile suivant le 31 décembre 1997;
To = tarifs de l'ensemble des prestations du service de téléphonie vocale de base au terme de l'année civile 1997;
a = facteur de correction valant :
- en 1998 : 0,01;
- en 1999 : 0,02;
- en 2000 et les années suivantes : 0,03.
Le Roi peut modifier, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, sur avis de l'institut, la valeur du facteur de correction pour les années ultérieures à l'an 2000;
ln - 1 = indice des prix à la consommation au 31 décembre précédant le début de la énième année civile suivant le 31 décembre 1997;
lo = indice des prix à la consommation au 31 décembre de l'année civile 1997.
Les prestations-témoins et leur pondération sont les suivantes à l'entrée en vigueur de la loi :
- frais de raccordement et de transfert : 2,31 %;
- redevances d'abonnement de base : 42,85 %;
- trafic au départ des postes d'abonnés : 52,05 %;
- trafic au départ des postes téléphoniques payants publics : 2,79 %.
Les modalités concrètes de calcul de ces tarifs sont fixées à l'annexe A.
Art.12. De begunstigden van de tarieven bepaald in artikel 84, § 1, 8° van de wet, alsook deze tarieven worden in bijlage B, punten 1, 2, 3 en 4 gedetailleerd.
De begunstigden van de tarieven bepaald in artikel 86ter, § 2 van de wet, alsook deze tarieven, worden in bijlage 3, artikel 2 gedetailleerd.
De begunstigden van de tarieven bepaald in artikel 86ter, § 2 van de wet, alsook deze tarieven, worden in bijlage 3, artikel 2 gedetailleerd.
Art.12. Les bénéficiaires des tarifs, prévus à l'article 84, § 1er, 8°, de la loi, et ces tarifs, sont détaillés à l'annexe B, points 1, 2, 3 et 4.
Les bénéficiaires des tarifs, prévus à l'article 86ter, § 2, de la loi, et ces tarifs, sont détaillés à l'annexe 3, article 2.
Les bénéficiaires des tarifs, prévus à l'article 86ter, § 2, de la loi, et ces tarifs, sont détaillés à l'annexe 3, article 2.
Art.13. De universele dienstverlener garandeert een verminderd tarief voor de gesprekskosten op het grondgebied van de Europese Unie tijdens de daluren, met inbegrip van de gesprekskosten 's nachts, in het weekend en op feestdagen. De daluren vertegenwoordigen ten minste 12 uren per dag.
Wat betreft het nationale telefoonverkeer, begint een weekend op vrijdag op het begin van de periode waarop het nachttarief aanvangt en eindigt het op maandag op het moment dat het dagtarief opnieuw geldt.
Wat betreft het internationale telefoonverkeer met bestemming Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, begint een weekend op zaterdag op het begin van de periode waarop het nachttarief aanvangt en eindigt het op maandag op het moment dat het dagtarief opnieuw geldt.
Wat betreft het nationale telefoonverkeer, begint een weekend op vrijdag op het begin van de periode waarop het nachttarief aanvangt en eindigt het op maandag op het moment dat het dagtarief opnieuw geldt.
Wat betreft het internationale telefoonverkeer met bestemming Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, begint een weekend op zaterdag op het begin van de periode waarop het nachttarief aanvangt en eindigt het op maandag op het moment dat het dagtarief opnieuw geldt.
Art.13. Le prestataire du service universel assure un tarif réduit pour les communications sur le territoire de l'Union européenne aux heures creuses, y compris, les communications de nuit, de week-end et de jours fériés. Les heures creuses représentent au moins douze heures par jour.
En ce qui concerne les communications nationales, un week-end débute le vendredi au début de la période où commence le tarif de nuit et se termine le lundi au moment où le tarif de jour redevient applicable.
Pour les communications internationales, à destination des Etats membres de l'Union européenne, un week-end débute le samedi au début de la période où commence le tarif de nuit et se termine le lundi au moment où le tarif de jour redevient applicable.
En ce qui concerne les communications nationales, un week-end débute le vendredi au début de la période où commence le tarif de nuit et se termine le lundi au moment où le tarif de jour redevient applicable.
Pour les communications internationales, à destination des Etats membres de l'Union européenne, un week-end débute le samedi au début de la période où commence le tarif de nuit et se termine le lundi au moment où le tarif de jour redevient applicable.
Art.14. De tarieven die gelden voor prestaties uitgaand van openbare betaaltelefoons beantwoorden aan de voorwaarden van de artikelen 10, 11 en 13 van deze bijlage.
Art.14. Les tarifs, pratiqués pour les prestations au départ de postes téléphoniques payants publics, répondent aux conditions prévues aux articles 10, 11 et 13 de la présente annexe.
Art.15. De universele dienstverlener staat in voor de kosteloze en rechtstreekse toegang tot de in artikel 8 van deze bijlage bedoelde diensten vanuit openbare betaaltelefoons.
Art.15. Le prestataire du service universel assure l'accès gratuit et direct aux services visés à l'article 8 de la présente annexe, au départ des postes téléphoniques payants publics.
HOOFDSTUK 4. - Diverse bepalingen en sancties.
CHAPITRE 4. - Dispositions diverses et sanctions.
Art.16. Het Instituut zorgt voor de controle op de naleving van de verplichtingen van de universele dienstverlener op grond van de eisen die hem opgelegd worden in deze bijlage.
Teneinde rekening te houden met het evolutieve karakter van de inhoud van de universele dienstverlening in het kader van de informatiemaatschappij, brengt het Instituut jaarlijks uiterlijk op 31 december verslag uit aan de minister over de andere diensten die bij wijze van universele dienstverlening zouden moeten worden verstrekt alsook over de nadere regels inzake de verstrekking ervan.
Teneinde rekening te houden met het evolutieve karakter van de inhoud van de universele dienstverlening in het kader van de informatiemaatschappij, brengt het Instituut jaarlijks uiterlijk op 31 december verslag uit aan de minister over de andere diensten die bij wijze van universele dienstverlening zouden moeten worden verstrekt alsook over de nadere regels inzake de verstrekking ervan.
Art.16. L'institut est chargé du contrôle des obligations de service universel, en fonction des exigences qui sont imposées par la présente annexe.
Afin de tenir compte du caractère évolutif du contenu du service universel, dans le contexte de la société de l'information, l'institut fait rapport au Ministre, chaque année pour le 31 décembre au plus tard, sur les autres services qui devraient être prestés au titre du service universel ainsi que leurs modalités de prestation.
Afin de tenir compte du caractère évolutif du contenu du service universel, dans le contexte de la société de l'information, l'institut fait rapport au Ministre, chaque année pour le 31 décembre au plus tard, sur les autres services qui devraient être prestés au titre du service universel ainsi que leurs modalités de prestation.
Art.17. In geval van een gebrekkige uitvoering door de universele dienstverlener van de in deze bijlage vastgelegde verplichtingen, vastgesteld op grond van de controles verricht krachtens artikel 16, zal de minister op het einde van elk kalenderjaar de universele dienstverlener voor elke soort van tekortkoming de betaling opleggen van een schadevergoeding die niet meer mag bedragen dan in totaal 1 % van de omzet die inzake universele dienstverlening is behaald.
Art.17. En cas d'exécution défaillante, par le prestataire du service universel, des obligations prévues à la présente annexe, constatée sur base des contrôles effectués en vertu de l'article 16, le Ministre pourra, à la fin de chaque année civile, imposer au prestataire du service universel, pour chaque type de manquement, le paiement d'une indemnité ne pouvant excéder au total 1 % du chiffre d'affaires réalisé en matière de service universel.
Art.18. Het koninklijk besluit van 28 oktober 1996 houdende de lijst van de diensten die worden gepresteerd bij wijze van universele dienstverlening inzake telecommunicatie wordt opgeheven de dag waarop deze bijlage in werking treedt.
Art.18. L'arrêté royal du 28 octobre 1996 portant la liste des services prestés au titre du service universel des télécommunications est abrogé au jour de l'entrée en vigueur de cette annexe.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage A. Berekening van het indexcijfer van de tarieven van de basisdienst inzake spraaktelefonie krachtens artikel 11.
Het indexcijfer van de tarieven van de basisdienst inzake spraaktelefonie is bestemd om de evolutie in de loop van de tijd te meten van de tarieven van de modelverrichtingen die het geheel van de prestaties van de basisdienst inzake spraaktelefonie van de universele dienstverlener vertegenwoordigen.
De in aanmerking genomen modelverrichtingen zijn de volgende :
1. Aansluitings- en verhuizingskosten : maximumkosten die worden betaald voor de aansluiting of verhuizing van een abonneelijn, in voorkomend geval gewogen op grond van de keuze van eventuele tariefplannen die geobserveerd zijn over een periode van twee maanden op een representatief staal van abonnees die niet onderworpen zijn aan de BTW en dat toevallig gekozen is onder de abonnees van een digitale centrale naar rato van 2 op 1 000. Indien de aansluitingskosten van de verhuizingskosten verschillen, wordt rekening gehouden met een gemiddelde prijs die als volgt is afgewogen :
- aansluiting : 71,85 %;
- verhuizing : 28,15 %.
2. Basisabonnementsgeld : abonnementsgeld dat van toepassing is in de duurste geografische zone, eventueel gewogen op grond van de keuze van eventuele tariefplannen die over het gehele grondgebied aangeboden worden en geobserveerd zijn over een periode van twee maanden op een representatief staal van abonnees die niet onderworpen zijn aan de BTW en dat toevallig gekozen is onder de abonnees van een digitale centrale naar rato van 2 op 1 000.
3. Verkeer uitgaand van toestellen van abonnees : geldende tarieven afgewogen op basis van de verschillende soorten van telefoonverbinding, bepaald door het Instituut en waargenomen gedurende een periode van twee maanden, door een representatief monster van niet aan BTW onderworpen abonnees die toevallig gekozen zijn onder de abonnees die op een digitale centrale aangesloten zijn naar rato van 2 op 1 000. Bij de bepaling van de geldende tarieven wordt rekening gehouden met eventuele tariefplannen die over het gehele grondgebied aangeboden worden en geobserveerd zijn over een periode van twee maanden op een representatief staal van abonnees die niet onderworpen zijn aan de BTW en dat toevallig gekozen is onder de abonnees van een digitale centrale naar rato van 2 op 1 000.
4. In voorkomend geval, wordt ervan uitgegaan dat elke categorie van abonnees het tariefplan neemt dat voor haar qua prijs het gunstigst is, namelijk het plan dat het bedrag van haar factuur minimaliseert rekening houdend met zijn verbruiksprofiel.
5. De weging van aansluitings- en verhuizingskosten, basisabonnementsgeld, verkeer uitgaand van toestellen van abonnees en verkeer uitgaand van openbare betaaltelefoons wordt aangepast wanneer het Instituut dat nuttig acht.
Het indexcijfer van de tarieven van de basisdienst inzake spraaktelefonie is bestemd om de evolutie in de loop van de tijd te meten van de tarieven van de modelverrichtingen die het geheel van de prestaties van de basisdienst inzake spraaktelefonie van de universele dienstverlener vertegenwoordigen.
De in aanmerking genomen modelverrichtingen zijn de volgende :
1. Aansluitings- en verhuizingskosten : maximumkosten die worden betaald voor de aansluiting of verhuizing van een abonneelijn, in voorkomend geval gewogen op grond van de keuze van eventuele tariefplannen die geobserveerd zijn over een periode van twee maanden op een representatief staal van abonnees die niet onderworpen zijn aan de BTW en dat toevallig gekozen is onder de abonnees van een digitale centrale naar rato van 2 op 1 000. Indien de aansluitingskosten van de verhuizingskosten verschillen, wordt rekening gehouden met een gemiddelde prijs die als volgt is afgewogen :
- aansluiting : 71,85 %;
- verhuizing : 28,15 %.
2. Basisabonnementsgeld : abonnementsgeld dat van toepassing is in de duurste geografische zone, eventueel gewogen op grond van de keuze van eventuele tariefplannen die over het gehele grondgebied aangeboden worden en geobserveerd zijn over een periode van twee maanden op een representatief staal van abonnees die niet onderworpen zijn aan de BTW en dat toevallig gekozen is onder de abonnees van een digitale centrale naar rato van 2 op 1 000.
3. Verkeer uitgaand van toestellen van abonnees : geldende tarieven afgewogen op basis van de verschillende soorten van telefoonverbinding, bepaald door het Instituut en waargenomen gedurende een periode van twee maanden, door een representatief monster van niet aan BTW onderworpen abonnees die toevallig gekozen zijn onder de abonnees die op een digitale centrale aangesloten zijn naar rato van 2 op 1 000. Bij de bepaling van de geldende tarieven wordt rekening gehouden met eventuele tariefplannen die over het gehele grondgebied aangeboden worden en geobserveerd zijn over een periode van twee maanden op een representatief staal van abonnees die niet onderworpen zijn aan de BTW en dat toevallig gekozen is onder de abonnees van een digitale centrale naar rato van 2 op 1 000.
4. In voorkomend geval, wordt ervan uitgegaan dat elke categorie van abonnees het tariefplan neemt dat voor haar qua prijs het gunstigst is, namelijk het plan dat het bedrag van haar factuur minimaliseert rekening houdend met zijn verbruiksprofiel.
5. De weging van aansluitings- en verhuizingskosten, basisabonnementsgeld, verkeer uitgaand van toestellen van abonnees en verkeer uitgaand van openbare betaaltelefoons wordt aangepast wanneer het Instituut dat nuttig acht.
Art. N1. Annexe A. Calcul de l'indice des tarifs du service de téléphonie vocale de base en application de l'article 11.
L'indice des tarifs du service de téléphonie vocale de base est destiné à mesurer l'évolution dans le temps des tarifs des prestations-témoins représentant l'ensemble des prestations du service de téléphonie vocale de base du prestataire de service universel.
Les prestations-témoins considérées sont les suivantes :
1. frais de raccordement et de transfert : frais maxima payés pour le raccordement ou le transfert d'une ligne d'abonné, le cas échéant, pondérés en fonction du choix d'éventuels plans tarifaires observés sur une période de deux mois sur un échantillon représentatif d'abonnés non assujettis à la T.V.A. choisi de manière aléatoire parmi les abonnés à un central numérique à raison de 2 pour 1 000. Si les frais de raccordement sont différents des frais de transfert, il est tenu compte d'un prix moyen pondéré comme suit :
- raccordement : 71,85 %;
- transfert : 28,15 %;
2. redevance d'abonnement de base : redevance d'abonnement en vigueur dans la zone géographique la plus coûteuse, éventuellement pondérée en fonction du choix d'éventuels plans tarifaires offerts sur l'ensemble du territoire observés sur une période de deux mois sur un échantillon représentatif d'abonnés non assujettis à la T.V.A. choisi de manière aléatoire parmi les abonnés à un central numérique à raison de 2 pour 1 000;
3. trafic au départ des postes d'abonnés : tarifs en vigueur dans la zone géographique la plus coûteuse, pondérés sur la base des différents types de communications déterminés par l'institut observées pendant une période de deux mois sur un échantillon représentatif d'abonnés non assujettis à la T.V.A. choisi de manière aléatoire parmi les abonnés reliés à un central numérique à raison de 2 pour 1 000. Lors de la détermination des tarifs en vigueur, il est tenu compte d'éventuels plans tarifaires offerts sur l'ensemble du territoire observés sur une période de deux mois sur un échantillon représentatif d'abonnés non assujettis à la T.V.A. choisi de manière aléatoire parmi les abonnés à un central numérique à raison de 2 pour 1 000;
4. le cas échéant, il est supposé que chaque catégorie d'abonnés adopte le plan tarifaire qui lui est le plus avantageux, c'est-à-dire celui qui minimise le montant de sa facture compte tenu de son profil de consommation;
5. la pondération entre frais de raccordement et de transfert, redevances d'abonnement de base, trafic au départ des postes d'abonnés et trafic au départ des postes téléphoniques payants publics est adaptée lorsque l'institut le juge nécessaire.
L'indice des tarifs du service de téléphonie vocale de base est destiné à mesurer l'évolution dans le temps des tarifs des prestations-témoins représentant l'ensemble des prestations du service de téléphonie vocale de base du prestataire de service universel.
Les prestations-témoins considérées sont les suivantes :
1. frais de raccordement et de transfert : frais maxima payés pour le raccordement ou le transfert d'une ligne d'abonné, le cas échéant, pondérés en fonction du choix d'éventuels plans tarifaires observés sur une période de deux mois sur un échantillon représentatif d'abonnés non assujettis à la T.V.A. choisi de manière aléatoire parmi les abonnés à un central numérique à raison de 2 pour 1 000. Si les frais de raccordement sont différents des frais de transfert, il est tenu compte d'un prix moyen pondéré comme suit :
- raccordement : 71,85 %;
- transfert : 28,15 %;
2. redevance d'abonnement de base : redevance d'abonnement en vigueur dans la zone géographique la plus coûteuse, éventuellement pondérée en fonction du choix d'éventuels plans tarifaires offerts sur l'ensemble du territoire observés sur une période de deux mois sur un échantillon représentatif d'abonnés non assujettis à la T.V.A. choisi de manière aléatoire parmi les abonnés à un central numérique à raison de 2 pour 1 000;
3. trafic au départ des postes d'abonnés : tarifs en vigueur dans la zone géographique la plus coûteuse, pondérés sur la base des différents types de communications déterminés par l'institut observées pendant une période de deux mois sur un échantillon représentatif d'abonnés non assujettis à la T.V.A. choisi de manière aléatoire parmi les abonnés reliés à un central numérique à raison de 2 pour 1 000. Lors de la détermination des tarifs en vigueur, il est tenu compte d'éventuels plans tarifaires offerts sur l'ensemble du territoire observés sur une période de deux mois sur un échantillon représentatif d'abonnés non assujettis à la T.V.A. choisi de manière aléatoire parmi les abonnés à un central numérique à raison de 2 pour 1 000;
4. le cas échéant, il est supposé que chaque catégorie d'abonnés adopte le plan tarifaire qui lui est le plus avantageux, c'est-à-dire celui qui minimise le montant de sa facture compte tenu de son profil de consommation;
5. la pondération entre frais de raccordement et de transfert, redevances d'abonnement de base, trafic au départ des postes d'abonnés et trafic au départ des postes téléphoniques payants publics est adaptée lorsque l'institut le juge nécessaire.
Art. N2. Bijlage B. Tarieven verleend door de universele dienstverlener om sociale of humanitaire redenen.
De universele dienstverlener past ten minste de tariefverminderingen toe die hierna worden gedetailleerd :
1. Sociaal telefoontarief
1.1. Het sociaal telefoontarief wordt vastgesteld als volgt :
1° vergoeding voor beschikbaarstelling van de lijn en het abonnementsgeld zijn gelijk aan 50 % van het normale tarief;
2° (gesprekkosten : normaal tarief, dit is het tarief dat van toepassing is van vast toestel naar vast toestel op het netwerk van de operator die instaat voor de universele dienst; de kosteloosheid wordt nochtans toegekend voor de binnenlandse gesprekken ten belope van (6,2 EUR) per tijdvak van twee maanden;) <KB 1999-03-04/46, art. 12, A), 002; Inwerkingtreding : 14-04-1999> <KB 2000-07-20/55, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
3° (voor de personen bepaald in punt 1.3, 3°, kan het sociaal telefoontarief bestaan uit de beschikbaarstelling van een vooraf betaalde kaart met een waarde van (6,2 EUR) per tijdvak van twee maanden, volgens de nadere regels bepaald door het Instituut. De verbindingen die door middel van die kaart tot stand worden gebracht, worden tegen het normale tarief aangerekend.) <KB 1999-03-04/46, art. 12, B), 002; Inwerkingtreding : 14-04-1999> <KB 2000-07-20/55, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
1.2. Het sociaal telefoontarief geldt uitsluitend onder het stelsel van het gewone abonnement voor een normale aansluiting. De houder ervan mag slechts over één telefoonaansluiting beschikken.
1.3. Het voordeel van het sociaal telefoontarief kan op zijn verzoek worden genoten door iedere persoon die :
1° hetzij de volle de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en
- alleen woont;
- samenwoont met één of meer personen die ten volle 60 jaar oud zijn, onverminderd 1.4.
Mogen eveneens met de begunstigde samenwonen, zijn kinderen en kleinkinderen die de leeftijd van het einde van de leerplicht niet hebben bereikt. De kleinkinderen moeten bovendien wees zijn die beide ouders hebben verloren of bij gerechtelijke beslissing aan de grootouders zijn toevertrouwd.
De ten aanzien van zijn kinderen en kleinkinderen gestelde leeftijdsgrens geldt niet voor descendenten die voor minstens 66 % getroffen zijn door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen.
Het bruto-inkomen van de begunstigde, gecumuleerd met het bruto-inkomen van de personen die bij toepassing van 1° hiervoor eventueel met hem samenwonen, mag de bedragen niet te boven gaan die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit van 1 april 1981 ter bepaling van het jaarbedrag van de inkomsten welke bedoeld zijn in artikel 37, §§ 1, 2 en 4 en houdende uitvoering van artikel 49, § 5, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering inzake ziekenzorg en schadeloosstelling, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° hetzij ten minste 66 % gehandicapt is en volle 18 jaar oud is en :
- alleen woont;
- samenwoont, hetzij met ten hoogste twee personen, hetzij met bloed- of aanverwanten van de eerste of de tweede graad.
Het bruto-inkomen van de begunstigde, gecumuleerd met het bruto-inkomen van de personen die bij toepassing van 2° hiervoor eventueel met hem samenwonen, mag de bedragen niet te boven gaan die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit van 1 april 1981 ter bepaling van het jaarbedrag van de inkomsten welke bedoeld zijn in artikel 37, §§ 1, 2 en 4 en houdende uitvoering van artikel 49, § 5, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering inzake ziekenzorg en schadeloosstelling, gecoördineerd op 14 juli 1994;
3° hetzij persoonlijk het voorwerp is van één van de volgende beslissingen :
a) beslissing om een bestaansminimum toe te kennen, krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) beslissing tot een educatieve begeleiding van financiële aard, genomen door een raad voor maatschappelijk welzijn krachtens de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
1.4. Wonen in een hotel, een rusthuis of een andere vorm van gemeenschapsleven opent geen recht op het voordeel van het sociaal telefoontarief, behalve indien de begunstigde over een abonnement beschikt op zijn eigen naam dat uitsluitend door hem kan worden gebruikt.
1.5. Als voor minstens 66 % gehandicapt, wordt beschouwd de persoon :
1° die bij administratieve of gerechtelijke beslissing minstens 66 % blijvend fysisch of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard;
2° in wiens hoofde na de periode van primaire ongeschiktheid bepaald in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering inzake ziekenzorg en schadeloosstelling, gecoördineerd op 14 juli 1994, een vermindering van het verdienvermogen tot een derde of minder wordt vastgesteld, zoals bepaald in artikel 100 van diezelfde wet;
3° in wiens hoofde in het kader van de inkomensvervangende tegemoetkoming een vermindering van het verdienvermogen tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, werd vastgesteld;
4° in wiens hoofde een vermindering van de graad van zelfredzaamheid van minstens 9 punten werd vastgesteld overeenkomstig de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
1.6. Het verzoek om het voordeel van het sociaal telefoontarief te genieten moet bij de universele dienstverlener worden ingediend. Het Instituut bepaalt de stukken die moeten bewijzen dat aan de voorwaarden voor het verlenen van het sociaal telefoontarief is voldaan.
1.7. De reeds op het telefoonnet aangesloten personen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, genieten het voordeel van het sociaal telefoontarief na het verstrijken van de eerste vervaldag van hun abonnement die volgt op het indienen van hun verzoek.
1.8. De begunstigde van het sociaal telefoontarief moet :
1° de universele dienstverlener dadelijk kennis geven van het feit dat hij niet verder voldoet aan een van de gestelde voorwaarden om het voordeel van dat tarief te genieten;
2° onmiddellijk de bedragen bijpassen die hij door het ten onrechte genieten van het sociaal telefoontarief heeft ontdoken ten gevolge van onder andere een onvolledige of valse verklaring omtrent die voorwaarden.
1.9. Het genot van het sociaal telefoontarief zal worden ingetrokken vanaf de eerste vervaldag van het abonnement die volgt op de datum waarop niet meer wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden.
2. Speciaal telefoontarief ten voordele van sommige gehoorgestoorden en personen bij wie een laryngectomie werd uitgevoerd.
2.1. Het speciaal telefoontarief ten gunste van sommige gehoorgestoorden en personen bij wie een laryngectomie werd uitgevoerd bestaat in een vermindering van 50 % op de zonale en interzonale gesprekkosten boven de (37,2 EUR) per tijdvak van twee maanden. <KB 2000-07-20/55, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2.2. Het speciaal telefoontarief waarvan sprake in punt 2.1 hiervoor geldt enkel onder het stelsel van het gewoon abonnement voor een normale aansluiting. De installatie van de aanvrager moet uitgerust zijn met een voor doven goedgekeurd telefoontoestel. Indien voornoemd toestel niet door de universele dienstverlener werd geleverd, moet een aankoopbewijs worden voorgelegd.
2.3. De korting wordt slechts toegekend voor één aansluiting per begunstigde.
2.4. Het voordeel van het speciaal telefoontarief waarvan sprake in punt 1 hiervoor, kan op zijn verzoek worden genoten door iedere persoon, houder van een aansluiting op het telefoonnet die :
1° hetzij minstens een gehoorverlies heeft van 70 dB voor het beste oor volgens de classificatie van het Internationaal Bureau voor Audiophonologie (IBAP);
2° hetzij een laryngectomie heeft ondergaan.
De ouders of grootouders, houder van een telefoonaansluiting, kunnen het bewuste tarief genieten indien hun kind of kleinkind dat bij hen inwoont, voldoet aan één van de bovengemelde voorwaarden inzake de handicap.
2.5. De handicap die recht geeft op voornoemd speciaal telefoontarief moet blijken uit een administratieve of gerechtelijke beslissing.
2.6. Het verzoek om het voordeel van het (speciaal telefoontarief) waarvan sprake in bovenvermeld punt 2.1 te genieten moet bij de universele dienstverlener worden ingediend. Het Instituut bepaalt de stukken die moeten bewijzen dat aan de voorwaarden voor het verlenen van het (speciaal telefoontarief) is voldaan.
2.7. De reeds op het telefoonnet aangesloten personen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, genieten het voordeel van voornoemd speciaal telefoontarief na het verstrijken van de eerste vervaldag van hun abonnement die volgt op het indienen van hun verzoek.
2.8. De begunstigde van bewust speciaal telefoontarief moet :
1° de universele dienstverlener dadelijk kennis geven van het feit dat hij niet verder voldoet aan een van de gestelde voorwaarden om het voordeel van dat tarief te genieten;
2° onmiddellijk de bedragen bijpassen die hij door het ten onrechte genieten van het gezegde speciaal telefoontarief heeft ontdoken ten gevolge van onder andere een onvolledige of valse verklaring omtrent die voorwaarden.
2.9. Het genot van het genoemd speciaal telefoontarief wordt ingetrokken vanaf de eerste vervaldag van het abonnement die volgt op de datum waarop niet meer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.
3. Speciaal telefoontarief ten voordele van de militaire oorlogsblinden.
Een vermindering van 50 % wordt toegestaan op het abonnementsgeld voor de basisdienst inzake spraaktelefonie.
4. (...) <W 2001-07-19/38, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 28-07-2001>
De universele dienstverlener past ten minste de tariefverminderingen toe die hierna worden gedetailleerd :
1. Sociaal telefoontarief
1.1. Het sociaal telefoontarief wordt vastgesteld als volgt :
1° vergoeding voor beschikbaarstelling van de lijn en het abonnementsgeld zijn gelijk aan 50 % van het normale tarief;
2° (gesprekkosten : normaal tarief, dit is het tarief dat van toepassing is van vast toestel naar vast toestel op het netwerk van de operator die instaat voor de universele dienst; de kosteloosheid wordt nochtans toegekend voor de binnenlandse gesprekken ten belope van (6,2 EUR) per tijdvak van twee maanden;) <KB 1999-03-04/46, art. 12, A), 002; Inwerkingtreding : 14-04-1999> <KB 2000-07-20/55, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
3° (voor de personen bepaald in punt 1.3, 3°, kan het sociaal telefoontarief bestaan uit de beschikbaarstelling van een vooraf betaalde kaart met een waarde van (6,2 EUR) per tijdvak van twee maanden, volgens de nadere regels bepaald door het Instituut. De verbindingen die door middel van die kaart tot stand worden gebracht, worden tegen het normale tarief aangerekend.) <KB 1999-03-04/46, art. 12, B), 002; Inwerkingtreding : 14-04-1999> <KB 2000-07-20/55, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
1.2. Het sociaal telefoontarief geldt uitsluitend onder het stelsel van het gewone abonnement voor een normale aansluiting. De houder ervan mag slechts over één telefoonaansluiting beschikken.
1.3. Het voordeel van het sociaal telefoontarief kan op zijn verzoek worden genoten door iedere persoon die :
1° hetzij de volle de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en
- alleen woont;
- samenwoont met één of meer personen die ten volle 60 jaar oud zijn, onverminderd 1.4.
Mogen eveneens met de begunstigde samenwonen, zijn kinderen en kleinkinderen die de leeftijd van het einde van de leerplicht niet hebben bereikt. De kleinkinderen moeten bovendien wees zijn die beide ouders hebben verloren of bij gerechtelijke beslissing aan de grootouders zijn toevertrouwd.
De ten aanzien van zijn kinderen en kleinkinderen gestelde leeftijdsgrens geldt niet voor descendenten die voor minstens 66 % getroffen zijn door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen.
Het bruto-inkomen van de begunstigde, gecumuleerd met het bruto-inkomen van de personen die bij toepassing van 1° hiervoor eventueel met hem samenwonen, mag de bedragen niet te boven gaan die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit van 1 april 1981 ter bepaling van het jaarbedrag van de inkomsten welke bedoeld zijn in artikel 37, §§ 1, 2 en 4 en houdende uitvoering van artikel 49, § 5, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering inzake ziekenzorg en schadeloosstelling, gecoördineerd op 14 juli 1994;
2° hetzij ten minste 66 % gehandicapt is en volle 18 jaar oud is en :
- alleen woont;
- samenwoont, hetzij met ten hoogste twee personen, hetzij met bloed- of aanverwanten van de eerste of de tweede graad.
Het bruto-inkomen van de begunstigde, gecumuleerd met het bruto-inkomen van de personen die bij toepassing van 2° hiervoor eventueel met hem samenwonen, mag de bedragen niet te boven gaan die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 1, § 1 van het koninklijk besluit van 1 april 1981 ter bepaling van het jaarbedrag van de inkomsten welke bedoeld zijn in artikel 37, §§ 1, 2 en 4 en houdende uitvoering van artikel 49, § 5, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering inzake ziekenzorg en schadeloosstelling, gecoördineerd op 14 juli 1994;
3° hetzij persoonlijk het voorwerp is van één van de volgende beslissingen :
a) beslissing om een bestaansminimum toe te kennen, krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum;
b) beslissing tot een educatieve begeleiding van financiële aard, genomen door een raad voor maatschappelijk welzijn krachtens de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn.
1.4. Wonen in een hotel, een rusthuis of een andere vorm van gemeenschapsleven opent geen recht op het voordeel van het sociaal telefoontarief, behalve indien de begunstigde over een abonnement beschikt op zijn eigen naam dat uitsluitend door hem kan worden gebruikt.
1.5. Als voor minstens 66 % gehandicapt, wordt beschouwd de persoon :
1° die bij administratieve of gerechtelijke beslissing minstens 66 % blijvend fysisch of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard;
2° in wiens hoofde na de periode van primaire ongeschiktheid bepaald in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering inzake ziekenzorg en schadeloosstelling, gecoördineerd op 14 juli 1994, een vermindering van het verdienvermogen tot een derde of minder wordt vastgesteld, zoals bepaald in artikel 100 van diezelfde wet;
3° in wiens hoofde in het kader van de inkomensvervangende tegemoetkoming een vermindering van het verdienvermogen tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, werd vastgesteld;
4° in wiens hoofde een vermindering van de graad van zelfredzaamheid van minstens 9 punten werd vastgesteld overeenkomstig de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten.
1.6. Het verzoek om het voordeel van het sociaal telefoontarief te genieten moet bij de universele dienstverlener worden ingediend. Het Instituut bepaalt de stukken die moeten bewijzen dat aan de voorwaarden voor het verlenen van het sociaal telefoontarief is voldaan.
1.7. De reeds op het telefoonnet aangesloten personen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, genieten het voordeel van het sociaal telefoontarief na het verstrijken van de eerste vervaldag van hun abonnement die volgt op het indienen van hun verzoek.
1.8. De begunstigde van het sociaal telefoontarief moet :
1° de universele dienstverlener dadelijk kennis geven van het feit dat hij niet verder voldoet aan een van de gestelde voorwaarden om het voordeel van dat tarief te genieten;
2° onmiddellijk de bedragen bijpassen die hij door het ten onrechte genieten van het sociaal telefoontarief heeft ontdoken ten gevolge van onder andere een onvolledige of valse verklaring omtrent die voorwaarden.
1.9. Het genot van het sociaal telefoontarief zal worden ingetrokken vanaf de eerste vervaldag van het abonnement die volgt op de datum waarop niet meer wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden.
2. Speciaal telefoontarief ten voordele van sommige gehoorgestoorden en personen bij wie een laryngectomie werd uitgevoerd.
2.1. Het speciaal telefoontarief ten gunste van sommige gehoorgestoorden en personen bij wie een laryngectomie werd uitgevoerd bestaat in een vermindering van 50 % op de zonale en interzonale gesprekkosten boven de (37,2 EUR) per tijdvak van twee maanden. <KB 2000-07-20/55, art. 2, 004; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2.2. Het speciaal telefoontarief waarvan sprake in punt 2.1 hiervoor geldt enkel onder het stelsel van het gewoon abonnement voor een normale aansluiting. De installatie van de aanvrager moet uitgerust zijn met een voor doven goedgekeurd telefoontoestel. Indien voornoemd toestel niet door de universele dienstverlener werd geleverd, moet een aankoopbewijs worden voorgelegd.
2.3. De korting wordt slechts toegekend voor één aansluiting per begunstigde.
2.4. Het voordeel van het speciaal telefoontarief waarvan sprake in punt 1 hiervoor, kan op zijn verzoek worden genoten door iedere persoon, houder van een aansluiting op het telefoonnet die :
1° hetzij minstens een gehoorverlies heeft van 70 dB voor het beste oor volgens de classificatie van het Internationaal Bureau voor Audiophonologie (IBAP);
2° hetzij een laryngectomie heeft ondergaan.
De ouders of grootouders, houder van een telefoonaansluiting, kunnen het bewuste tarief genieten indien hun kind of kleinkind dat bij hen inwoont, voldoet aan één van de bovengemelde voorwaarden inzake de handicap.
2.5. De handicap die recht geeft op voornoemd speciaal telefoontarief moet blijken uit een administratieve of gerechtelijke beslissing.
2.6. Het verzoek om het voordeel van het (speciaal telefoontarief) waarvan sprake in bovenvermeld punt 2.1 te genieten moet bij de universele dienstverlener worden ingediend. Het Instituut bepaalt de stukken die moeten bewijzen dat aan de voorwaarden voor het verlenen van het (speciaal telefoontarief) is voldaan.
2.7. De reeds op het telefoonnet aangesloten personen die aan de gestelde voorwaarden voldoen, genieten het voordeel van voornoemd speciaal telefoontarief na het verstrijken van de eerste vervaldag van hun abonnement die volgt op het indienen van hun verzoek.
2.8. De begunstigde van bewust speciaal telefoontarief moet :
1° de universele dienstverlener dadelijk kennis geven van het feit dat hij niet verder voldoet aan een van de gestelde voorwaarden om het voordeel van dat tarief te genieten;
2° onmiddellijk de bedragen bijpassen die hij door het ten onrechte genieten van het gezegde speciaal telefoontarief heeft ontdoken ten gevolge van onder andere een onvolledige of valse verklaring omtrent die voorwaarden.
2.9. Het genot van het genoemd speciaal telefoontarief wordt ingetrokken vanaf de eerste vervaldag van het abonnement die volgt op de datum waarop niet meer aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan.
3. Speciaal telefoontarief ten voordele van de militaire oorlogsblinden.
Een vermindering van 50 % wordt toegestaan op het abonnementsgeld voor de basisdienst inzake spraaktelefonie.
4. (...) <W 2001-07-19/38, art. 34, 005; Inwerkingtreding : 28-07-2001>
Art. N2. Annexe B. Tarifs accordés par le prestataire du service universel pour raison sociale ou humanitaire.
Le prestataire du service universel applique, au moins, les réductions de tarifs détaillées ci-après :
1. tarif téléphonique social :
1.1. le tarif téléphonique social est fixé comme suit :
1° l'indemnité pour mise à disposition de la ligne et la redevance d'abonnement sont égales à 50 % du tarif normal;
2° (coût des communications : tarif normal, c'est-à-dire le tarif applicable de poste fixe à poste fixe sur le réseau de l'opérateur assurant le service universel; la gratuité est cependant accordée pour les communications nationales jusqu'à concurrence de (6,2 EUR) par période de deux mois;) <AR 1999-03-04/46, art. 13, A), 002; En vigueur : 14-04-1999> <AR 2000-07-20/55, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2002>
3° (en ce qui concerne les personnes visées au point 1.3, 3°, le tarif téléphonique social peut consister en la mise à disposition, selon les modalités fixées par l'Institut, d'une carte à prépaiement d'une valeur de (6,2 EUR) par période de deux mois. Les communications effectuées en utilisant cette carte sont facturées au tarif normal.) <AR 1999-03-04/46, art. 13, B), 002; En vigueur : 14-04-1999> <AR 2000-07-20/55, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2002>
1.2. le tarif téléphonique social n'est valable qu'en régime d'abonnement ordinaire pour un raccordement normal. Le détenteur ne peut disposer que d'un seul raccordement téléphonique;
1.3. le bénéfice du tarif téléphonique social peut être accordé à sa demande, à toute personne :
1° soit âgée de 65 ans accomplis :
- habitant seule;
- cohabitant avec une ou plusieurs personnes âgées de 60 ans accomplis, sans préjudice du 1.4.
Peuvent également cohabiter avec le bénéficiaire, ses enfants et petits-enfants qui n'ont pas atteint l'âge de fin de scolarité obligatoire. Les petits-enfants doivent en outre être orphelins de père et de mère ou avoir été confiés aux grands-parents par décision judiciaire.
La limite d'âge fixée à l'égard des enfants et petits-enfants ne s'applique pas aux descendants qui sont atteints à 66 % au moins d'insuffisances ou de diminution de capacité physique ou mentale du chef d'une ou de plusieurs affections.
Le revenu brut du bénéficiaire, cumulé avec le revenu brut des personnes qui cohabitent éventuellement avec lui en application du 1° ci-avant, ne peut dépasser les montants fixes conformément à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 1er avril 1981 fixant le montant annuel des revenus visés à l'article 37, §§ 1er, 2 et 4, et portant exécution de l'article 49, § 5, alinéa 3, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
2° soit atteinte d'un handicap d'au moins 66 % et âgée de 18 ans accomplis :
- habitant seule;
- cohabitant soit avec deux personnes au maximum, soit avec des parents ou alliés du premier ou du deuxième degré.
Le revenu brut du benéficiaire, cumulé avec le revenu brut des personnes qui cohabitent éventuellement avec lui en application du 2° ci-avant, ne peut dépasser les montants fixés conformément à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 1er avril 1981 fixant le montant annuel des revenus visés à l'article 37, §§ 1er, 2 et 4, et portant exécution de l'article 49, § 5, alinéa 3, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
3° soit qui fait personnellement l'objet de l'une des décisions suivantes :
a) décision d'octroi du minimum de moyens d'existence, en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
b) décision de guidance éducative de nature financière prise par un Conseil d'Aide sociale, en vertu de la loi du 8 juillet 1976 organisant des centres publics d'Aide sociale;
1.4. habiter dans un hôtel, une maison de repos ou sous une autre forme de vie communautaire n'ouvre aucun droit au bénéfice du tarif téléphonique social sauf si le bénéficiaire dispose d'un abonnement en son nom propre et à son usage exclusif;
1.5. est considérée, comme atteinte d'un handicap d'au moins 66 %, la personne :
1° qui a été déclarée, par une décision administrative ou judiciaire, être handicapée physiquement ou psychiquement ou en incapacité de travail de façon permanente pour au moins 66 %;
2° pour laquelle, après la période d'incapacité primaire prévue à l'article 87 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, une réduction de la capacité de gain, à un taux égal ou inférieur à un tiers, est constatée, comme prévu à l'article 100 de la même loi;
3° pour laquelle, dans le cadre de l'allocation de remplacement de revenus, une réduction de la capacité de gain à un tiers ou moins, comme prévu à l'article 2 de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés, a été constatée;
4° pour laquelle une réduction du degré d'autonomie, d'au moins 9 points, a été constatée, conformément aux guide et échelle médico-sociale applicables dans le cadre de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
1.6. la demande du bénéfice du tarif téléphonique social doit être introduite auprès du prestataire du service universel. L'institut détermine les pièces qui doivent établir la preuve qu'il est satisfait aux conditions d'octroi du tarif téléphonique social;
1.7. les personnes déjà reliées au téléphone, qui remplissent les conditions fixées, bénéficient du tarif téléphonique social à l'expiration de la première échéance de leur abonnement qui suit l'introduction de la demande;
1.8. le bénéficiaire du tarif téléphonique social est tenu :
1° de donner immédiatement connaissance, au prestataire du service universel, du fait qu'il ne satisfait plus à une des conditions fixées pour bénéficier du tarif en question;
2° de compléter immédiatement les débours auxquels il aurait échappé en bénéficiant indûment du tarif téléphonique social à la suite notamment d'une déclaration incomplète ou fausse à propos des conditions fixées;
1.9. le bénéfice du tarif téléphonique social est retiré à la première échéance de l'abonnement qui suit la date à laquelle il n'est plus satisfait aux conditions fixées;
2. tarif téléphonique spécial en faveur de certains déficients auditifs et de personnes ayant subi une laryngectomie :
2.1. le tarif téléphonique spécial en faveur des déficients auditifs, visés au point 2.4 et de personnes ayant subi une laryngectomie, consiste en une réduction de 50 % sur les redevances des communications téléphoniques zonales et interzonales au-dessus de (37,2 EUR) par période de deux mois; <AR 2000-07-20/55, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2002>
2.2. le tarif téléphonique spécial dont question au point 2.1 ci-dessus n'est valable qu'en regime d'abonnement ordinaire pour un raccordement normal. L'installation du demandeur doit être équipée d'un poste téléphonique pour sourd agréé. Si ledit poste n'est pas fourni par le prestataire du service universel, une preuve d'achat doit être présentee;
2.3. la réduction n'est octroyée que pour un seul raccordement par bénéficiaire;
2.4. le bénéfice du tarif téléphonique spécial, dont question au point 1 ci-avant, peut être accordé, à sa demande, à toute personne titulaire d'un raccordement au réseau téléphonique ayant :
1° soit une perte auditive minimale de 70 dB pour la meilleure oreille, selon la classification du Bureau international d'Audiophonologie (BIAP);
2° soit subi une laryngectomie.
Les parents ou grands-parents, titulaires d'un raccordement téléphonique, peuvent bénéficier du tarif en question, si leur enfant ou petit-enfant, qui habite chez eux, répond à l'une des conditions d'handicap susmentionnées;
2.5. l'handicap qui ouvre le droit au tarif téléphonique spécial susdit doit être attesté par une décision administrative ou judiciaire;
2.6. la demande du bénéfice du tarif téléphonique spécial, dont question au point 2.1 ci-avant, doit être introduite auprès du prestataire du service universel. L'institut détermine les pièces qui doivent établir la preuve qu'il est satisfait aux conditions d'octroi du tarif teléphonique spécial;
2.7. les personnes déjà reliées au télephone, qui remplissent les conditions fixées, bénéficient du tarif teléphonique spécial précité à l'expiration de la première échéance de leur abonnement qui suit l'introduction de la demande;
2.8. le bénéficiaire du tarif téléphonique spécial en question est tenu :
1° de donner immédiatement connaissance, au prestataire du service universel, du fait qu'il ne satisfait plus à une des conditions fixées pour bénéficier du tarif en question;
2° de compléter immédiatement les débours auxquels il aurait échappé en bénéficiant indûment dudit tarif à la suite notamment d'une déclaration incomplète ou fausse à propos des conditions fixées;
2.9. le bénéfice du tarif téléphonique spécial susdit est retiré à la première échéance de l'abonnement qui suit la date à laquelle il n'est plus satisfait aux conditions fixées;
3. tarif téléphonique spécial en faveur des aveugles militaires de la guerre.
Une réduction de 50 % est accordée sur la redevance d'abonnement au service de téléphonie vocale de base;
4. (...) <L 2001-07-19/38, art. 34, 005; En vigueur : 28-07-2001>
Le prestataire du service universel applique, au moins, les réductions de tarifs détaillées ci-après :
1. tarif téléphonique social :
1.1. le tarif téléphonique social est fixé comme suit :
1° l'indemnité pour mise à disposition de la ligne et la redevance d'abonnement sont égales à 50 % du tarif normal;
2° (coût des communications : tarif normal, c'est-à-dire le tarif applicable de poste fixe à poste fixe sur le réseau de l'opérateur assurant le service universel; la gratuité est cependant accordée pour les communications nationales jusqu'à concurrence de (6,2 EUR) par période de deux mois;) <AR 1999-03-04/46, art. 13, A), 002; En vigueur : 14-04-1999> <AR 2000-07-20/55, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2002>
3° (en ce qui concerne les personnes visées au point 1.3, 3°, le tarif téléphonique social peut consister en la mise à disposition, selon les modalités fixées par l'Institut, d'une carte à prépaiement d'une valeur de (6,2 EUR) par période de deux mois. Les communications effectuées en utilisant cette carte sont facturées au tarif normal.) <AR 1999-03-04/46, art. 13, B), 002; En vigueur : 14-04-1999> <AR 2000-07-20/55, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2002>
1.2. le tarif téléphonique social n'est valable qu'en régime d'abonnement ordinaire pour un raccordement normal. Le détenteur ne peut disposer que d'un seul raccordement téléphonique;
1.3. le bénéfice du tarif téléphonique social peut être accordé à sa demande, à toute personne :
1° soit âgée de 65 ans accomplis :
- habitant seule;
- cohabitant avec une ou plusieurs personnes âgées de 60 ans accomplis, sans préjudice du 1.4.
Peuvent également cohabiter avec le bénéficiaire, ses enfants et petits-enfants qui n'ont pas atteint l'âge de fin de scolarité obligatoire. Les petits-enfants doivent en outre être orphelins de père et de mère ou avoir été confiés aux grands-parents par décision judiciaire.
La limite d'âge fixée à l'égard des enfants et petits-enfants ne s'applique pas aux descendants qui sont atteints à 66 % au moins d'insuffisances ou de diminution de capacité physique ou mentale du chef d'une ou de plusieurs affections.
Le revenu brut du bénéficiaire, cumulé avec le revenu brut des personnes qui cohabitent éventuellement avec lui en application du 1° ci-avant, ne peut dépasser les montants fixes conformément à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 1er avril 1981 fixant le montant annuel des revenus visés à l'article 37, §§ 1er, 2 et 4, et portant exécution de l'article 49, § 5, alinéa 3, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
2° soit atteinte d'un handicap d'au moins 66 % et âgée de 18 ans accomplis :
- habitant seule;
- cohabitant soit avec deux personnes au maximum, soit avec des parents ou alliés du premier ou du deuxième degré.
Le revenu brut du benéficiaire, cumulé avec le revenu brut des personnes qui cohabitent éventuellement avec lui en application du 2° ci-avant, ne peut dépasser les montants fixés conformément à l'article 1er, § 1er, de l'arrêté royal du 1er avril 1981 fixant le montant annuel des revenus visés à l'article 37, §§ 1er, 2 et 4, et portant exécution de l'article 49, § 5, alinéa 3, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
3° soit qui fait personnellement l'objet de l'une des décisions suivantes :
a) décision d'octroi du minimum de moyens d'existence, en vertu de la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence;
b) décision de guidance éducative de nature financière prise par un Conseil d'Aide sociale, en vertu de la loi du 8 juillet 1976 organisant des centres publics d'Aide sociale;
1.4. habiter dans un hôtel, une maison de repos ou sous une autre forme de vie communautaire n'ouvre aucun droit au bénéfice du tarif téléphonique social sauf si le bénéficiaire dispose d'un abonnement en son nom propre et à son usage exclusif;
1.5. est considérée, comme atteinte d'un handicap d'au moins 66 %, la personne :
1° qui a été déclarée, par une décision administrative ou judiciaire, être handicapée physiquement ou psychiquement ou en incapacité de travail de façon permanente pour au moins 66 %;
2° pour laquelle, après la période d'incapacité primaire prévue à l'article 87 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, une réduction de la capacité de gain, à un taux égal ou inférieur à un tiers, est constatée, comme prévu à l'article 100 de la même loi;
3° pour laquelle, dans le cadre de l'allocation de remplacement de revenus, une réduction de la capacité de gain à un tiers ou moins, comme prévu à l'article 2 de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés, a été constatée;
4° pour laquelle une réduction du degré d'autonomie, d'au moins 9 points, a été constatée, conformément aux guide et échelle médico-sociale applicables dans le cadre de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés;
1.6. la demande du bénéfice du tarif téléphonique social doit être introduite auprès du prestataire du service universel. L'institut détermine les pièces qui doivent établir la preuve qu'il est satisfait aux conditions d'octroi du tarif téléphonique social;
1.7. les personnes déjà reliées au téléphone, qui remplissent les conditions fixées, bénéficient du tarif téléphonique social à l'expiration de la première échéance de leur abonnement qui suit l'introduction de la demande;
1.8. le bénéficiaire du tarif téléphonique social est tenu :
1° de donner immédiatement connaissance, au prestataire du service universel, du fait qu'il ne satisfait plus à une des conditions fixées pour bénéficier du tarif en question;
2° de compléter immédiatement les débours auxquels il aurait échappé en bénéficiant indûment du tarif téléphonique social à la suite notamment d'une déclaration incomplète ou fausse à propos des conditions fixées;
1.9. le bénéfice du tarif téléphonique social est retiré à la première échéance de l'abonnement qui suit la date à laquelle il n'est plus satisfait aux conditions fixées;
2. tarif téléphonique spécial en faveur de certains déficients auditifs et de personnes ayant subi une laryngectomie :
2.1. le tarif téléphonique spécial en faveur des déficients auditifs, visés au point 2.4 et de personnes ayant subi une laryngectomie, consiste en une réduction de 50 % sur les redevances des communications téléphoniques zonales et interzonales au-dessus de (37,2 EUR) par période de deux mois; <AR 2000-07-20/55, art. 2, 004; En vigueur : 01-01-2002>
2.2. le tarif téléphonique spécial dont question au point 2.1 ci-dessus n'est valable qu'en regime d'abonnement ordinaire pour un raccordement normal. L'installation du demandeur doit être équipée d'un poste téléphonique pour sourd agréé. Si ledit poste n'est pas fourni par le prestataire du service universel, une preuve d'achat doit être présentee;
2.3. la réduction n'est octroyée que pour un seul raccordement par bénéficiaire;
2.4. le bénéfice du tarif téléphonique spécial, dont question au point 1 ci-avant, peut être accordé, à sa demande, à toute personne titulaire d'un raccordement au réseau téléphonique ayant :
1° soit une perte auditive minimale de 70 dB pour la meilleure oreille, selon la classification du Bureau international d'Audiophonologie (BIAP);
2° soit subi une laryngectomie.
Les parents ou grands-parents, titulaires d'un raccordement téléphonique, peuvent bénéficier du tarif en question, si leur enfant ou petit-enfant, qui habite chez eux, répond à l'une des conditions d'handicap susmentionnées;
2.5. l'handicap qui ouvre le droit au tarif téléphonique spécial susdit doit être attesté par une décision administrative ou judiciaire;
2.6. la demande du bénéfice du tarif téléphonique spécial, dont question au point 2.1 ci-avant, doit être introduite auprès du prestataire du service universel. L'institut détermine les pièces qui doivent établir la preuve qu'il est satisfait aux conditions d'octroi du tarif teléphonique spécial;
2.7. les personnes déjà reliées au télephone, qui remplissent les conditions fixées, bénéficient du tarif teléphonique spécial précité à l'expiration de la première échéance de leur abonnement qui suit l'introduction de la demande;
2.8. le bénéficiaire du tarif téléphonique spécial en question est tenu :
1° de donner immédiatement connaissance, au prestataire du service universel, du fait qu'il ne satisfait plus à une des conditions fixées pour bénéficier du tarif en question;
2° de compléter immédiatement les débours auxquels il aurait échappé en bénéficiant indûment dudit tarif à la suite notamment d'une déclaration incomplète ou fausse à propos des conditions fixées;
2.9. le bénéfice du tarif téléphonique spécial susdit est retiré à la première échéance de l'abonnement qui suit la date à laquelle il n'est plus satisfait aux conditions fixées;
3. tarif téléphonique spécial en faveur des aveugles militaires de la guerre.
Une réduction de 50 % est accordée sur la redevance d'abonnement au service de téléphonie vocale de base;
4. (...) <L 2001-07-19/38, art. 34, 005; En vigueur : 28-07-2001>
Art. N3. Bijlage C. Te publiceren inlichtingen door de universele dienstverlener.
De universele dienstverlener publiceert de volgende informatie :
1. Naam en adres van zijn hoofdzetel.
2. Met betrekking tot het vaste openbare basistelefoonnet :
2.1. de beschrijving van de interfaces van de gebruikte aansluitpunten, met inbegrip van, indien van toepassing, de verwijzingen naar de nationale en/of internationale normen of aanbevelingen voor analoge en/of digitale netwerken :
- interface voor enkelvoudige aansluiting;
- interface voor meervoudige aansluiting;
- interface voor direct inkiezen (DDI);
- overige gebruikte interfaces;
2.2. de wijzigingen op de specifieke karakteristieken van het netwerk die invloed hebben op de goede werking van de goedgekeurde eindapparatuur.
3. Met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie :
3.1. de beschrijving van de verstrekte basisdienst inzake spraaktelefonie, met inbegrip van de hulpdienst, de dienst inlichtingen en de overige diensten met gratis toegang, namelijk :
- de leveringsvoorwaarden inzake aansluitingen, met inbegrip van de procedure inzake bestelling en de voorwaarden voor de aansluiting van eindtoestellen (eisen met betrekking tot eindapparatuur, eventueel met inbegrip van voorwaarden met betrekking tot de bekabeling van lokalen van de klant en de plaatsing van het aansluitpunt);
- normale en specifieke voorwaarden van de dienst voor het opheffen van storingen en soorten geboden onderhoudsdiensten;
- leveringsvoorwaarden inzake hulpdiensten;
- leveringsvoorwaarden inzake de dienst inlichtingen;
- leveringsvoorwaarden inzake diensten met tussenkomst van een telefonist;
- modaliteiten inzake facturatie, met inbegrip van tussentijdse facturatie en gedetailleerde facturatie;
- procedure in geval van niet-betaling van de factuur;
3.2. de tarieven, namelijk :
- tarieven, met inbegrip van de gedifferentieerde tarieven;
- gratis toegang;
- speciale tarieven;
- de technische tarieven voor prestatievoorwaarden;
3.3. wachttijd voor initiële aansluiting, namelijk :
- het percentage dat het aandeel uitdrukt van de geldige contracten tot aansluiting, afgesloten in de loop van de observatieperiode en waarbij de klant geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip dat hem past te worden aangesloten, waaraan binnen de 5 dagen werd voldaan;
- het percentage dat het aandeel uitdrukt van de geldige contracten tot aansluiting afgesloten in de loop van de observatieperiode en waarbij de klant geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip te worden aangesloten, waaraan binnen de 8 dagen werd voldaan;
- het percentage dat het aandeel uitdrukt van de geldige contracten tot aansluiting afgesloten in de loop van de observatieperiode waaraan werd voldaan op de dag die door de operator en de aanvrager werd overeengekomen;
- de 95 percentielwaarden voor de wachttijd bij een aansluiting op het openbare geschakelde telefoonnet in die gevallen waar de klant geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip dat hem past te worden aangesloten;
- storingspercentage per toegangslijn per jaar;
3.4. storingspercentage per toegangslijn, namelijk :
- het percentage dat het gemiddeld aantal fouten per toegangslijn per observatieperiode weergeeft;
3.5. duur voor de herstelling van een storing, namelijk :
- het percentage van storingen die vóór het einde van de werkdag volgend op de dag van de melding werden opgeheven;
- het percentage van storingen die vóór het einde van de vierde werkdag werden opgeheven;
3.6. het percentage niet geslaagde oproepen, namelijk de percentages voor nationaal verkeer, verkeer naar de Europese Unie en buiten de Europese Unie, alsook de gebruikte meetmethode en accuraatheid;
3.7. de duur om een verbinding tot stand te brengen, namelijk de 95 percentielwaarden voor de duur om een verbinding tot stand te brengen voor nationaal verkeer, verkeer naar de Europese Unie en buiten de Europese Unie, alsook de gebruikte meetmethode en accuraatheid;
3.8. de maximale antwoordtijd voor diensten met tussenkomst van een telefonist, namelijk de gemiddelde antwoordtijd voor diensten met tussenkomst van een telefonist met de vermelding van de accuraatheid;
3.9. de duur van de herstelling van een defect aan openbare betaaltelefoons, namelijk het percentage dat het aandeel van de storingen die binnen de 48 uur na vaststelling door de universele dienstverlener werden opgeheven, uitdrukt;
3.10. het aandeel van de in staat van werking zijn de openbare betaaltelefoons, namelijk het percentage dat het gemiddeld aandeel van de in staat van werking zijnde openbare betaaltelefoons uitdrukt;
3.11. de betwistingen van en complexe vragen over facturatie, namelijk het percentage dat het aandeel van betwistingen van en complexe vragen over de facturatie op het totaal aantal verzonden facturen uitdrukt.
4. Met betrekking tot openbare betaaltelefoons :
- de beschrijving van de dienst;
- de tarieven, met inbegrip van de gedifferentieerde tarieven en gratis toegang;
- de technische gebruiksvoorwaarden :
- mogelijke betalingswijzen;
- leveringsvoorwaarden van de dienst voor de opheffing van storingen.
5. Met betrekking tot de schadevergoedingen, het eventuele beleid inzake schadeloosstelling en/of terugbetaling.
De te publiceren inlichtingen vermelden, naast onderstaande punten, eveneens expliciet welke de opgelegde basiskwaliteitsvereisten uit het artikel 2 van deze bijlage zijn, welke de gebruikte meetmethode was en welke de accuraatheid van de statistieken is.
De inlichtingen worden gepubliceerd op de wijze die door de Koning wordt vastgesteld op advies van het Instituut, overeenkomstig artikel 105septies van de wet.
De universele dienstverlener publiceert de volgende informatie :
1. Naam en adres van zijn hoofdzetel.
2. Met betrekking tot het vaste openbare basistelefoonnet :
2.1. de beschrijving van de interfaces van de gebruikte aansluitpunten, met inbegrip van, indien van toepassing, de verwijzingen naar de nationale en/of internationale normen of aanbevelingen voor analoge en/of digitale netwerken :
- interface voor enkelvoudige aansluiting;
- interface voor meervoudige aansluiting;
- interface voor direct inkiezen (DDI);
- overige gebruikte interfaces;
2.2. de wijzigingen op de specifieke karakteristieken van het netwerk die invloed hebben op de goede werking van de goedgekeurde eindapparatuur.
3. Met betrekking tot de basisdienst inzake spraaktelefonie :
3.1. de beschrijving van de verstrekte basisdienst inzake spraaktelefonie, met inbegrip van de hulpdienst, de dienst inlichtingen en de overige diensten met gratis toegang, namelijk :
- de leveringsvoorwaarden inzake aansluitingen, met inbegrip van de procedure inzake bestelling en de voorwaarden voor de aansluiting van eindtoestellen (eisen met betrekking tot eindapparatuur, eventueel met inbegrip van voorwaarden met betrekking tot de bekabeling van lokalen van de klant en de plaatsing van het aansluitpunt);
- normale en specifieke voorwaarden van de dienst voor het opheffen van storingen en soorten geboden onderhoudsdiensten;
- leveringsvoorwaarden inzake hulpdiensten;
- leveringsvoorwaarden inzake de dienst inlichtingen;
- leveringsvoorwaarden inzake diensten met tussenkomst van een telefonist;
- modaliteiten inzake facturatie, met inbegrip van tussentijdse facturatie en gedetailleerde facturatie;
- procedure in geval van niet-betaling van de factuur;
3.2. de tarieven, namelijk :
- tarieven, met inbegrip van de gedifferentieerde tarieven;
- gratis toegang;
- speciale tarieven;
- de technische tarieven voor prestatievoorwaarden;
3.3. wachttijd voor initiële aansluiting, namelijk :
- het percentage dat het aandeel uitdrukt van de geldige contracten tot aansluiting, afgesloten in de loop van de observatieperiode en waarbij de klant geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip dat hem past te worden aangesloten, waaraan binnen de 5 dagen werd voldaan;
- het percentage dat het aandeel uitdrukt van de geldige contracten tot aansluiting afgesloten in de loop van de observatieperiode en waarbij de klant geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip te worden aangesloten, waaraan binnen de 8 dagen werd voldaan;
- het percentage dat het aandeel uitdrukt van de geldige contracten tot aansluiting afgesloten in de loop van de observatieperiode waaraan werd voldaan op de dag die door de operator en de aanvrager werd overeengekomen;
- de 95 percentielwaarden voor de wachttijd bij een aansluiting op het openbare geschakelde telefoonnet in die gevallen waar de klant geen wens heeft geuit om op een bepaald tijdstip dat hem past te worden aangesloten;
- storingspercentage per toegangslijn per jaar;
3.4. storingspercentage per toegangslijn, namelijk :
- het percentage dat het gemiddeld aantal fouten per toegangslijn per observatieperiode weergeeft;
3.5. duur voor de herstelling van een storing, namelijk :
- het percentage van storingen die vóór het einde van de werkdag volgend op de dag van de melding werden opgeheven;
- het percentage van storingen die vóór het einde van de vierde werkdag werden opgeheven;
3.6. het percentage niet geslaagde oproepen, namelijk de percentages voor nationaal verkeer, verkeer naar de Europese Unie en buiten de Europese Unie, alsook de gebruikte meetmethode en accuraatheid;
3.7. de duur om een verbinding tot stand te brengen, namelijk de 95 percentielwaarden voor de duur om een verbinding tot stand te brengen voor nationaal verkeer, verkeer naar de Europese Unie en buiten de Europese Unie, alsook de gebruikte meetmethode en accuraatheid;
3.8. de maximale antwoordtijd voor diensten met tussenkomst van een telefonist, namelijk de gemiddelde antwoordtijd voor diensten met tussenkomst van een telefonist met de vermelding van de accuraatheid;
3.9. de duur van de herstelling van een defect aan openbare betaaltelefoons, namelijk het percentage dat het aandeel van de storingen die binnen de 48 uur na vaststelling door de universele dienstverlener werden opgeheven, uitdrukt;
3.10. het aandeel van de in staat van werking zijn de openbare betaaltelefoons, namelijk het percentage dat het gemiddeld aandeel van de in staat van werking zijnde openbare betaaltelefoons uitdrukt;
3.11. de betwistingen van en complexe vragen over facturatie, namelijk het percentage dat het aandeel van betwistingen van en complexe vragen over de facturatie op het totaal aantal verzonden facturen uitdrukt.
4. Met betrekking tot openbare betaaltelefoons :
- de beschrijving van de dienst;
- de tarieven, met inbegrip van de gedifferentieerde tarieven en gratis toegang;
- de technische gebruiksvoorwaarden :
- mogelijke betalingswijzen;
- leveringsvoorwaarden van de dienst voor de opheffing van storingen.
5. Met betrekking tot de schadevergoedingen, het eventuele beleid inzake schadeloosstelling en/of terugbetaling.
De te publiceren inlichtingen vermelden, naast onderstaande punten, eveneens expliciet welke de opgelegde basiskwaliteitsvereisten uit het artikel 2 van deze bijlage zijn, welke de gebruikte meetmethode was en welke de accuraatheid van de statistieken is.
De inlichtingen worden gepubliceerd op de wijze die door de Koning wordt vastgesteld op advies van het Instituut, overeenkomstig artikel 105septies van de wet.
Art. N3. Annexe C. Informations à publier par le prestataire du service universel.
Le prestataire du service universel publie les informations suivantes :
1. nom et adresse de son siège principal;
2. concernant le réseau téléphonique public fixe de base :
2.1. la description des interfaces des points de raccordement utilisés, y compris, le cas échéant, la référence aux normes ou aux recommandations nationales et/ou internationales pour les réseaux analogues et/ou numériques :
- l'interface pour un raccordement simple;
- l'interface pour un raccordement multiple;
- l'interface pour la sélection directe (DDI);
- autres interfaces utilisés;
2.2. les modifications aux caractéristiques spécifiques de réseau qui affectent le bon fonctionnement des équipements terminaux agréés;
3. concernant le service de téléphonie vocale de base :
3.1. la description du service de télephonie vocale de base offert, y compris les services de Secours, le Service de Renseignements et les autres services à accès gratuits, à savoir :
- les modalités de fourniture des raccordements, y compris la procédure de commande et les conditions de raccordement des équipements terminaux (exigences relatives aux équipements terminaux, y compris, le cas échéant, les conditions relatives au câblage des locaux de l'abonné et à l'installation du point de raccordement);
- les modalités de fourniture normales et spécifiques, du service de levée des dérangements et types de services de maintenance offerts;
- les modalités de fourniture des services de Secours;
- les modalités de fourniture du Service de Renseignements;
- les modalités de fourniture des services avec intervention d'un standardiste;
- les modalités de facturation, y compris la facturation intermédiaire et la facturation détaillée;
- la procédure en cas de non-paiement de facture;
3.2. les tarifs, à savoir :
- les tarifs, y compris les tarifs différenciés;
- les accès gratuit;
- les tarifs spéciaux;
- les tarifs des conditions de prestations techniques;
3.3. le délai de fourniture du raccordement initial, à savoir :
- le pourcentage exprimant la part des contrats de raccordement valables au cours de la période d'observation pendant laquelle l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment qui lui convient, auxquels il a été satisfait dans les cinq jours;
- le pourcentage exprimant la part des contrats de raccordement valables au cours de la période d'observation pendant laquelle l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment précis, auxquels il a été satisfait dans les huit jours;
- le pourcentage exprimant la part des contrats de raccordement valables au cours de la période d'observation, auxquels il a été satisfait au jour convenu par l'opérateur et le demandeur;
- les valeurs percentiles 95 pour le délai de fourniture d'un raccordement au réseau public commuté dans les cas où l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment qui lui convient;
- pourcentage des dérangements par ligne par an;
3.4. pourcentage de dérangement par ligne d'accès, à savoir :
- le pourcentage indiquant le nombre moyen de dérangements par ligne d'accès et par période d'observation;
3.5. le délai de réparation d'un dérangement, à savoir :
- le pourcentage des dérangements levés avant la fin du jour ouvrable qui suit le jour où ils ont été signalés;
- le pourcentage des dérangements levés avant la fin du quatrième jour de travail;
3.6. le pourcentage d'appels manqués, à savoir, les pourcentages pour le trafic national, vers l'Union européenne et hors de l'Union européenne, ainsi que la méthode de mesure utilisée et la précision;
3.7. le délai d'établissement d'une liaison, à savoir, les valeurs percentiles 95 pour le délai d'établissement d'une liaison pour le trafic national, vers l'Union européenne et hors de l'Union européenne, ainsi que la méthode de mesure utilisée et la précision;
3.8. le délai de réponse maximum pour les services avec intervention d'un standardiste, à savoir, le délai de réponse moyen pour les services avec intervention d'un standardiste, avec la mention de la précision;
3.9. le délai de réparation d'un dérangement des téléphones payants publics, à savoir, le pourcentage indiquant la part des perturbations levées dans les 48 heures après leur constatation par le prestataire du service universel;
3.10. la part des postes teléphoniques payants publics en etat de fonctionnement, à savoir, le pourcentage indiquant la part moyenne des postes téléphoniques payants publics en état de fonctionnement;
3.11. les contestations et questions complexes concernant la facturation, à savoir, le pourcentage indiquant la part des contestations et questions complexes concernant la facturation par rapport à la totalité des factures envoyées;
4. concernant les postes téléphoniques payants publics :
- la description du service;
- les tarifs, y compris les tarifs différenciés et les accès gratuits;
- les conditions techniques d'utilisation :
- les modes de paiement possibles;
- les modalités de fourniture du service de levée des dérangements;
5. concernant les indemnités, la politique eventuelle d'indemnisation et/ou de remboursement;
Les informations à publier mentionnent explicitement, outre les points ci-dessous, quelles sont les exigences de qualité de base imposées à l'article 2 de la presente annexe, quelle méthode a été utilisée et quelle est la précision des statistiques.
Les informations sont publiées de la manière déterminée par le Roi, sur avis de l'institut, conformément à l'article 105septies de la loi.
Le prestataire du service universel publie les informations suivantes :
1. nom et adresse de son siège principal;
2. concernant le réseau téléphonique public fixe de base :
2.1. la description des interfaces des points de raccordement utilisés, y compris, le cas échéant, la référence aux normes ou aux recommandations nationales et/ou internationales pour les réseaux analogues et/ou numériques :
- l'interface pour un raccordement simple;
- l'interface pour un raccordement multiple;
- l'interface pour la sélection directe (DDI);
- autres interfaces utilisés;
2.2. les modifications aux caractéristiques spécifiques de réseau qui affectent le bon fonctionnement des équipements terminaux agréés;
3. concernant le service de téléphonie vocale de base :
3.1. la description du service de télephonie vocale de base offert, y compris les services de Secours, le Service de Renseignements et les autres services à accès gratuits, à savoir :
- les modalités de fourniture des raccordements, y compris la procédure de commande et les conditions de raccordement des équipements terminaux (exigences relatives aux équipements terminaux, y compris, le cas échéant, les conditions relatives au câblage des locaux de l'abonné et à l'installation du point de raccordement);
- les modalités de fourniture normales et spécifiques, du service de levée des dérangements et types de services de maintenance offerts;
- les modalités de fourniture des services de Secours;
- les modalités de fourniture du Service de Renseignements;
- les modalités de fourniture des services avec intervention d'un standardiste;
- les modalités de facturation, y compris la facturation intermédiaire et la facturation détaillée;
- la procédure en cas de non-paiement de facture;
3.2. les tarifs, à savoir :
- les tarifs, y compris les tarifs différenciés;
- les accès gratuit;
- les tarifs spéciaux;
- les tarifs des conditions de prestations techniques;
3.3. le délai de fourniture du raccordement initial, à savoir :
- le pourcentage exprimant la part des contrats de raccordement valables au cours de la période d'observation pendant laquelle l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment qui lui convient, auxquels il a été satisfait dans les cinq jours;
- le pourcentage exprimant la part des contrats de raccordement valables au cours de la période d'observation pendant laquelle l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment précis, auxquels il a été satisfait dans les huit jours;
- le pourcentage exprimant la part des contrats de raccordement valables au cours de la période d'observation, auxquels il a été satisfait au jour convenu par l'opérateur et le demandeur;
- les valeurs percentiles 95 pour le délai de fourniture d'un raccordement au réseau public commuté dans les cas où l'abonné n'a pas demandé d'être raccordé à un moment qui lui convient;
- pourcentage des dérangements par ligne par an;
3.4. pourcentage de dérangement par ligne d'accès, à savoir :
- le pourcentage indiquant le nombre moyen de dérangements par ligne d'accès et par période d'observation;
3.5. le délai de réparation d'un dérangement, à savoir :
- le pourcentage des dérangements levés avant la fin du jour ouvrable qui suit le jour où ils ont été signalés;
- le pourcentage des dérangements levés avant la fin du quatrième jour de travail;
3.6. le pourcentage d'appels manqués, à savoir, les pourcentages pour le trafic national, vers l'Union européenne et hors de l'Union européenne, ainsi que la méthode de mesure utilisée et la précision;
3.7. le délai d'établissement d'une liaison, à savoir, les valeurs percentiles 95 pour le délai d'établissement d'une liaison pour le trafic national, vers l'Union européenne et hors de l'Union européenne, ainsi que la méthode de mesure utilisée et la précision;
3.8. le délai de réponse maximum pour les services avec intervention d'un standardiste, à savoir, le délai de réponse moyen pour les services avec intervention d'un standardiste, avec la mention de la précision;
3.9. le délai de réparation d'un dérangement des téléphones payants publics, à savoir, le pourcentage indiquant la part des perturbations levées dans les 48 heures après leur constatation par le prestataire du service universel;
3.10. la part des postes teléphoniques payants publics en etat de fonctionnement, à savoir, le pourcentage indiquant la part moyenne des postes téléphoniques payants publics en état de fonctionnement;
3.11. les contestations et questions complexes concernant la facturation, à savoir, le pourcentage indiquant la part des contestations et questions complexes concernant la facturation par rapport à la totalité des factures envoyées;
4. concernant les postes téléphoniques payants publics :
- la description du service;
- les tarifs, y compris les tarifs différenciés et les accès gratuits;
- les conditions techniques d'utilisation :
- les modes de paiement possibles;
- les modalités de fourniture du service de levée des dérangements;
5. concernant les indemnités, la politique eventuelle d'indemnisation et/ou de remboursement;
Les informations à publier mentionnent explicitement, outre les points ci-dessous, quelles sont les exigences de qualité de base imposées à l'article 2 de la presente annexe, quelle méthode a été utilisée et quelle est la précision des statistiques.
Les informations sont publiées de la manière déterminée par le Roi, sur avis de l'institut, conformément à l'article 105septies de la loi.