Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 16 juli 1970, 10 mei 1971, 20 september 1984, 4 mei 1988, 3 oktober 1990 en 11 april 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de 2° wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 2° onder "koninklijk besluit nr. 72" : het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, onder "wet van 15 mei 1984" : de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en onder "koninklijk besluit van 30 januari 1997" : het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie; ";
2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
" 9° onder "de pensioenleeftijd" : de pensioenleeftijd zoals voorzien in de artikelen 3, § 1, en 16, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997. " .
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
18 JULI 1997. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevings- pensioen der zelfstandigen.
Titre
18 JUILLET 1997. - Arrêté royal portant modification de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants.
Informations sur le document
Numac: 1997022569
Datum: 1997-07-18
Info du document
Numac: 1997022569
Date: 1997-07-18
Tekst (33)
Texte (33)
Article 1. A l'article 1er de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, modifié par les arrêtés royaux du 16 juillet 1970, 10 mai 1971, 20 septembre 1984, 4 mai 1988, 3 octobre 1990 et 11 avril 1994, sont apportées les modifications suivantes :
1° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° par " arrêté royal n° 72 " : l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, par " loi du 15 mai 1984 " : la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions et par " arrêté royal du 30 janvier 1997 " : l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne; ";
2° l'article est complété comme suit :
" 9° par " l'âge de la pension " : l'âge de la pension tel que prévu aux articles 3, § 1er, et 16, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
1° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
" 2° par " arrêté royal n° 72 " : l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, par " loi du 15 mai 1984 " : la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions et par " arrêté royal du 30 janvier 1997 " : l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne; ";
2° l'article est complété comme suit :
" 9° par " l'âge de la pension " : l'âge de la pension tel que prévu aux articles 3, § 1er, et 16, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
Art.2. Artikel 2, eerste lid, 1°, van hetzelfde koninklijk besluit, opnieuw opgenomen door het koninklijk besluit van 20 september 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° het recht op het rustpensioen of op het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot moet krachtens de pensioenregeling der zelfstandigen, het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings- pensioen der werknemers, de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn of de pensioenregelingen beoogd in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 50, gerechtvaardigd zijn voor het kalenderjaar dat voorafgaat aan het ingaan van het rustpensioen als zelfstandige; ".
" 1° het recht op het rustpensioen of op het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot moet krachtens de pensioenregeling der zelfstandigen, het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevings- pensioen der werknemers, de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn of de pensioenregelingen beoogd in artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 50, gerechtvaardigd zijn voor het kalenderjaar dat voorafgaat aan het ingaan van het rustpensioen als zelfstandige; ".
Art.2. L'article 2, premier alinéa, 1°, du même arrêté, rétabli par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° le droit à la pension de retraite ou à la pension de conjoint divorcé doit être justifié en vertu du régime de pension des travailleurs indépendants, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, de la loi du 20 juillet 1990 instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-être général ou des régimes de pension visés à l'article 2 de l'arrêté royal n° 50 précité, pour l'année civile précédant la prise de cours de la pension de retraite de travailleur indépendant; ".
" 1° le droit à la pension de retraite ou à la pension de conjoint divorcé doit être justifié en vertu du régime de pension des travailleurs indépendants, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, de la loi du 20 juillet 1990 instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-être général ou des régimes de pension visés à l'article 2 de l'arrêté royal n° 50 précité, pour l'année civile précédant la prise de cours de la pension de retraite de travailleur indépendant; ".
Art.3. Artikel 12, 1°, van hetzelfde besluit, opnieuw opgenomen door het koninklijk besluit van 20 september 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" 1° wanneer zij in aanmerking werden genomen voor de toekenning van één van de rust- of overlevingspensioenen voorzien bij het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der werknemers, bij de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn of bij het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; ".
" 1° wanneer zij in aanmerking werden genomen voor de toekenning van één van de rust- of overlevingspensioenen voorzien bij het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der werknemers, bij de wet van 20 juli 1990 tot instelling van een flexibele pensioenleeftijd voor werknemers en tot aanpassing van de werknemerspensioenen aan de evolutie van het algemeen welzijn of bij het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels; ".
Art.3. L'article 12, 1°, du même arrêté, rétabli par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, est remplacé par la disposition suivante :
" 1° lorsqu'elles ont été prises en considération pour l'octroi de l'une des pensions de retraite ou de survie prévues par l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, par la loi du 20 juillet 1990 instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-être général ou par l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions; ".
" 1° lorsqu'elles ont été prises en considération pour l'octroi de l'une des pensions de retraite ou de survie prévues par l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, par la loi du 20 juillet 1990 instaurant un âge flexible de la retraite pour les travailleurs salariés et adaptant les pensions des travailleurs salariés à l'évolution du bien-être général ou par l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions; ".
Art.4. Artikel 17 van hetzelfde besluit, opnieuw opgenomen door het koninklijk besluit van 20 september 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 17. Met het oog op de toepassing van de artikelen 16bis, § 2, en 17bis, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72 en op de opening van het recht op pensioen overeenkomstig Boek III, Titel II, van de wet van 15 mei 1984 of het koninklijk besluit van 30 januari 1997, worden de kwartalen die voorafgaan aan het jaar waarin de zelfstandige de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt, in aanmerking genomen indien zij gedekt zijn door de bijdragen bedoeld in artikel 13, of indien zij gelijkgesteld werden krachtens artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 72. ".
" Art. 17. Met het oog op de toepassing van de artikelen 16bis, § 2, en 17bis, § 2, 1°, van het koninklijk besluit nr. 72 en op de opening van het recht op pensioen overeenkomstig Boek III, Titel II, van de wet van 15 mei 1984 of het koninklijk besluit van 30 januari 1997, worden de kwartalen die voorafgaan aan het jaar waarin de zelfstandige de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt, in aanmerking genomen indien zij gedekt zijn door de bijdragen bedoeld in artikel 13, of indien zij gelijkgesteld werden krachtens artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 72. ".
Art.4. L'article 17 du même arrêté, rétabli par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 17. En vue de l'application des articles 16bis, § 2 et 17bis, § 2, 1°, de l'arrêté royal n° 72 et de l'ouverture du droit à la pension, conformément au Livre III, Titre II, de la loi du 15 mai 1984 ou à l'arrêté royal du 30 janvier 1997, les trimestres antérieurs à l'année au cours de laquelle le travailleur indépendant a atteint l'âge de 20 ans sont retenus s'ils sont couverts par les cotisations visées à l'article 13 ou s'ils ont été assimilés en vertu de l'article 14, § 1er, de l'arrêté royal n° 72. ".
" Art. 17. En vue de l'application des articles 16bis, § 2 et 17bis, § 2, 1°, de l'arrêté royal n° 72 et de l'ouverture du droit à la pension, conformément au Livre III, Titre II, de la loi du 15 mai 1984 ou à l'arrêté royal du 30 janvier 1997, les trimestres antérieurs à l'année au cours de laquelle le travailleur indépendant a atteint l'âge de 20 ans sont retenus s'ils sont couverts par les cotisations visées à l'article 13 ou s'ils ont été assimilés en vertu de l'article 14, § 1er, de l'arrêté royal n° 72. ".
Art.5. Artikel 24, tweede lid, van hetzelfde besluit, opnieuw opgenomen door het koninklijk besluit van 20 september 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Het rustpensioen wordt evenwel verminderd, per kalenderkwartaal van aanwending dat in aanmerking genomen wordt krachtens het vorige lid, met een bedrag gelijk aan 1/180 van het basisbedrag, behoorlijk aangepast aan het indexcijfer, beoogd in artikel 9, § 1, 1° of 2°, naargelang van het geval, van het koninklijk besluit nr. 72. ".
" Het rustpensioen wordt evenwel verminderd, per kalenderkwartaal van aanwending dat in aanmerking genomen wordt krachtens het vorige lid, met een bedrag gelijk aan 1/180 van het basisbedrag, behoorlijk aangepast aan het indexcijfer, beoogd in artikel 9, § 1, 1° of 2°, naargelang van het geval, van het koninklijk besluit nr. 72. ".
Art.5. L'article 24, 2ème alinéa, du même arrêté, rétabli par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, est remplacé par la disposition suivante :
" La pension de retraite est toutefois réduite, par trimestre civil d'affectation retenu en vertu de l'alinéa précédent, d'un montant égal à 1/180e du montant de base, dûment indexé, visé à l'article 9, § 1er, 1° ou 2°, suivant le cas, de l'arrêté royal n° 72. ".
" La pension de retraite est toutefois réduite, par trimestre civil d'affectation retenu en vertu de l'alinéa précédent, d'un montant égal à 1/180e du montant de base, dûment indexé, visé à l'article 9, § 1er, 1° ou 2°, suivant le cas, de l'arrêté royal n° 72. ".
Art.6. In artikel 25 van hetzelfde besluit, opnieuw opgenomen door het koninklijk besluit van 20 september 1984, worden de §§ 2 en 3 respectievelijk vervangen door de volgende bepalingen :
" § 2. Wanneer de langstlevende echtgenoot tenminste 65 jaar oud is, wordt het overlevingspensioen verminderd, per kalenderkwartaal van aanwending dat in aanmerking genomen wordt krachtens § 1, met een bedrag gelijk aan 1/180 van het basisbedrag, behoorlijk aangepast aan het indexcijfer, beoogd in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 72. "
" § 3. Het overlevingspensioen dat werd toegekend met ingang op een vroegere datum wordt, met het oog op de toepassing van § 2, van ambtswege herzien vanaf de 1e van de maand die volgt op deze waarin de overlevende echtgenoot de leeftijd van 65 jaar bereikt. ".
" § 2. Wanneer de langstlevende echtgenoot tenminste 65 jaar oud is, wordt het overlevingspensioen verminderd, per kalenderkwartaal van aanwending dat in aanmerking genomen wordt krachtens § 1, met een bedrag gelijk aan 1/180 van het basisbedrag, behoorlijk aangepast aan het indexcijfer, beoogd in artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 72. "
" § 3. Het overlevingspensioen dat werd toegekend met ingang op een vroegere datum wordt, met het oog op de toepassing van § 2, van ambtswege herzien vanaf de 1e van de maand die volgt op deze waarin de overlevende echtgenoot de leeftijd van 65 jaar bereikt. ".
Art.6. Dans l'article 25 du même arrêté, rétabli par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, les §§ 2 et 3 sont remplacés respectivement par les dispositions suivantes :
" § 2. Lorsque le conjoint survivant est âgé de 65 ans au moins, la pension de survie est, par trimestre civil d'affectation retenu en vertu du § 1er, réduite d'un montant égal à 1/180e du montant de base, dûment indexé, visé à l'article 11 de l'arrêté royal n° 72.
§ 3. La pension de survie accordée avec une prise d'effet à une date antérieure est, en vue de l'application du § 2, revue d'office à partir du 1er du mois qui suit le mois au cours duquel le conjoint survivant atteint l'âge de 65 ans. ".
" § 2. Lorsque le conjoint survivant est âgé de 65 ans au moins, la pension de survie est, par trimestre civil d'affectation retenu en vertu du § 1er, réduite d'un montant égal à 1/180e du montant de base, dûment indexé, visé à l'article 11 de l'arrêté royal n° 72.
§ 3. La pension de survie accordée avec une prise d'effet à une date antérieure est, en vue de l'application du § 2, revue d'office à partir du 1er du mois qui suit le mois au cours duquel le conjoint survivant atteint l'âge de 65 ans. ".
Art.7. In artikel 28, § 8, van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 16 juli 1970, worden de woorden "de leeftijd van 65 of van 60 jaar bereikt, naar gelang het een man of een vrouw betreft" vervangen door de woorden "de pensioenleeftijd bereikt".
Art.7. A l'article 28, § 8, du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 16 juillet 1970, les mots " atteint l'âge de 65 ans ou de 60 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont remplacés par les mots " atteint l'âge de la pension ".
Art.8. In artikel 31 van hetzelfde besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 16 juli 1970, 10 mei 1971, 27 december 1974, 20 februari 1976, 2 juli 1981, 20 september 1984 en 23 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid van § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De gelijkstelling van de periodes bedoeld in § 1, 1°, 3°, 5° en 6°, hierna "militaire dienst" genoemd, wordt slechts toegekend indien de belanghebbende de hoedanigheid van zelfstandige had op het ogenblik waarop de voormelde tijdvakken een aanvang namen of indien hij diezelfde hoedanigheid verwerft binnen 180 dagen volgend op het einde ervan. ";
2° tussen het eerste en het tweede lid van § 2 wordt het volgende lid ingevoegd :
" In afwijking van het eerste lid wordt de gelijkstelling van de periodes die gelegen zijn vóór 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag, slechts toegekend indien de betrokkene op het ogenblik waarop deze periodes een aanvang namen, een activiteit als zelfstandige uitoefende die aanleiding gegeven heeft tot de betaling van de bijdragen bedoeld in artikel 13. ";
3° in het tweede lid van § 2 dat het derde lid wordt, worden de woorden "bedoeld in vorig lid" vervangen door de woorden "bedoeld in het eerste lid";
4° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De gelijkstelling van de periodes bedoeld in § 1, 2° en 4°, wordt slechts toegestaan indien de belanghebbende de hoedanigheid van zelfstandige bezat op het ogenblik waarop die periodes een aanvang namen. ".
1° het eerste lid van § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De gelijkstelling van de periodes bedoeld in § 1, 1°, 3°, 5° en 6°, hierna "militaire dienst" genoemd, wordt slechts toegekend indien de belanghebbende de hoedanigheid van zelfstandige had op het ogenblik waarop de voormelde tijdvakken een aanvang namen of indien hij diezelfde hoedanigheid verwerft binnen 180 dagen volgend op het einde ervan. ";
2° tussen het eerste en het tweede lid van § 2 wordt het volgende lid ingevoegd :
" In afwijking van het eerste lid wordt de gelijkstelling van de periodes die gelegen zijn vóór 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag, slechts toegekend indien de betrokkene op het ogenblik waarop deze periodes een aanvang namen, een activiteit als zelfstandige uitoefende die aanleiding gegeven heeft tot de betaling van de bijdragen bedoeld in artikel 13. ";
3° in het tweede lid van § 2 dat het derde lid wordt, worden de woorden "bedoeld in vorig lid" vervangen door de woorden "bedoeld in het eerste lid";
4° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 3. De gelijkstelling van de periodes bedoeld in § 1, 2° en 4°, wordt slechts toegestaan indien de belanghebbende de hoedanigheid van zelfstandige bezat op het ogenblik waarop die periodes een aanvang namen. ".
Art.8. A l'article 31 du même arrêté, modifié par les arrêté royaux des 16 juillet 1970, 10 mai 1971, 27 décembre 1974, 20 février 1976, 2 juillet 1981, 20 septembre 1984 et 23 décembre 1996, sont apportées les modifications suivantes :
1° le premier alinéa du § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" L'assimilation des périodes visées au § 1er, 1°, 3°, 5° et 6°, ci-après désignées par " service militaire ", n'est accordée que si l'intéressé avait la qualité de travailleur indépendant au moment où ont débuté lesdites périodes ou s'il acquiert cette même qualité dans les 180 jours qui en suivent la fin. ";
2° entre le premier et le deuxième alinéa du § 2 est inséré l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, l'assimilation des périodes qui sont situées avant le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire, n'est accordée que si au moment où ont débuté lesdites périodes l'intéressé exercait une activité de travailleur indépendant donnant lieu au paiement des cotisations visées à l'article 13. ";
3° au deuxième alinéa du § 2 qui devient le troisième alinéa, les mots " dont question à l'alinéa précédent " sont remplacés par les mots " dont question à l'alinéa 1er ";
4° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'assimilation des périodes visées au § 1er, 2° et 4°, n'est accordée que si l'intéressé avait la qualité de travailleur indépendant au moment où ont débuté lesdites périodes. ".
1° le premier alinéa du § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" L'assimilation des périodes visées au § 1er, 1°, 3°, 5° et 6°, ci-après désignées par " service militaire ", n'est accordée que si l'intéressé avait la qualité de travailleur indépendant au moment où ont débuté lesdites périodes ou s'il acquiert cette même qualité dans les 180 jours qui en suivent la fin. ";
2° entre le premier et le deuxième alinéa du § 2 est inséré l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, l'assimilation des périodes qui sont situées avant le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire, n'est accordée que si au moment où ont débuté lesdites périodes l'intéressé exercait une activité de travailleur indépendant donnant lieu au paiement des cotisations visées à l'article 13. ";
3° au deuxième alinéa du § 2 qui devient le troisième alinéa, les mots " dont question à l'alinéa précédent " sont remplacés par les mots " dont question à l'alinéa 1er ";
4° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
" § 3. L'assimilation des périodes visées au § 1er, 2° et 4°, n'est accordée que si l'intéressé avait la qualité de travailleur indépendant au moment où ont débuté lesdites périodes. ".
Art.9. Artikel 39 van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 16 juli 1970 en gewijzigd door het koninklijk besluit van 17 juli 1972, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De zelfstandige die deze hoedanigheid sedert ten minste één jaar bezit en zijn bezigheid stopzet ten vroegste op 1 januari van het vijfde kalenderjaar dat voorafgaat aan dit waarin hij voor de eerste maal de leeftijd bereikt die vereist is om het recht op een niet vervroegd rustpensioen als zelfstandige te openen, kan om zijn rechten op de uitkeringen te vrijwaren verder bijdragen blijven betalen tot het einde van het kwartaal dat voorafgaat, naar gelang van het geval, aan dit waarin hij voor de eerste maal de leeftijd bereikt die vereist is om het recht op een niet vervroegd rustpensioen als zelfstandige te openen of aan dit waarin het vervroegd pensioen als zelfstandige ingaat.
De zelfstandige die op 31 maart 1997 het voordeel geniet van de bepalingen van artikel 39 van dit besluit, zoals van kracht op die datum, kan verder bijdragen blijven betalen tot de in het vorige lid bepaalde einddatum. ".
" De zelfstandige die deze hoedanigheid sedert ten minste één jaar bezit en zijn bezigheid stopzet ten vroegste op 1 januari van het vijfde kalenderjaar dat voorafgaat aan dit waarin hij voor de eerste maal de leeftijd bereikt die vereist is om het recht op een niet vervroegd rustpensioen als zelfstandige te openen, kan om zijn rechten op de uitkeringen te vrijwaren verder bijdragen blijven betalen tot het einde van het kwartaal dat voorafgaat, naar gelang van het geval, aan dit waarin hij voor de eerste maal de leeftijd bereikt die vereist is om het recht op een niet vervroegd rustpensioen als zelfstandige te openen of aan dit waarin het vervroegd pensioen als zelfstandige ingaat.
De zelfstandige die op 31 maart 1997 het voordeel geniet van de bepalingen van artikel 39 van dit besluit, zoals van kracht op die datum, kan verder bijdragen blijven betalen tot de in het vorige lid bepaalde einddatum. ".
Art.9. L'article 39 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 16 juillet 1970 et modifié par l'arrêté royal du 17 juillet 1972, est remplacé par la disposition suivante :
" Le travailleur indépendant qui, possédant cette qualité depuis un an au moins, cesse son activité au plus tôt le 1er janvier de la cinquième année civile qui précède celle au cours de laquelle il atteint pour la première fois l'âge requis pour ouvrir le droit à la pension de retraite non anticipée en qualité de travailleur indépendant peut, en vue de sauvegarder ses droits aux prestations, continuer à payer des cotisations jusqu'à la fin du trimestre qui précède, suivant le cas, celui au cours duquel il atteint pour la première fois l'âge requis pour ouvrir le droit à la pension de retraite non anticipée en qualité de travailleur indépendant ou celui au cours duquel se situe la prise de cours de la pension anticipée en qualité de travailleur indépendant.
Le travailleur indépendant qui au 31 mars 1997 bénéficie des dispositions de l'article 39 du présent arrêté, tel qu'en vigueur à cette date, peut continuer à cotiser jusqu'à la date limite fixée à l'alinéa précédent. ".
" Le travailleur indépendant qui, possédant cette qualité depuis un an au moins, cesse son activité au plus tôt le 1er janvier de la cinquième année civile qui précède celle au cours de laquelle il atteint pour la première fois l'âge requis pour ouvrir le droit à la pension de retraite non anticipée en qualité de travailleur indépendant peut, en vue de sauvegarder ses droits aux prestations, continuer à payer des cotisations jusqu'à la fin du trimestre qui précède, suivant le cas, celui au cours duquel il atteint pour la première fois l'âge requis pour ouvrir le droit à la pension de retraite non anticipée en qualité de travailleur indépendant ou celui au cours duquel se situe la prise de cours de la pension anticipée en qualité de travailleur indépendant.
Le travailleur indépendant qui au 31 mars 1997 bénéficie des dispositions de l'article 39 du présent arrêté, tel qu'en vigueur à cette date, peut continuer à cotiser jusqu'à la date limite fixée à l'alinéa précédent. ".
Art.10. Artikel 46, § 1, A., van hetzelfde, besluit, opnieuw opgenomen door het koninklijk besluit van 20 september 1984, wordt aangevuld met het volgende lid :
" Voor de kwartalen gedekt door de voortgezette verzekering in de zin van artikel 41, § 3, wordt het fictief inkomen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in B. 1. "
" Voor de kwartalen gedekt door de voortgezette verzekering in de zin van artikel 41, § 3, wordt het fictief inkomen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in B. 1. "
Art.10. L'article 46, § 1er, A., du même arrêté, rétabli par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, est complété de l'alinéa suivant :
" Pour les trimestres couverts par l'assurance continuée au sens de l'article 41, § 3, le revenu fictif est fixé conformément aux dispositions du B. 1. ".
" Pour les trimestres couverts par l'assurance continuée au sens de l'article 41, § 3, le revenu fictif est fixé conformément aux dispositions du B. 1. ".
Art.11. In afdeling 3 van hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt tussen de artikelen 46 en 47 een punt c ingevoegd, luidend als volgt :
" c) Voor de gelijkgestelde tijdvakken aan te houden fictieve inkomsten wanneer het recht op pensioen vastgesteld wordt overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
Artikel 46bis. Voor de berekening van het pensioen dat betrekking heeft op gelijkgestelde kwartalen die gelegen zijn vóór 1 januari 1984, wordt een fictief inkomen in aanmerking genomen waarvan het jaarlijks bedrag gelijk is aan de in artikel 5, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 bedoelde bedrijfsinkomsten.
Artikel 46ter. § 1. Voor de berekening van het pensioen dat betrekking heeft op gelijkgestelde kwartalen die gelegen zijn na 31 december 1983 wordt een fictief inkomen in aanmerking genomen waarvan het jaarlijks bedrag als volgt wordt bepaald :
A. Voor de kwartalen gedekt door de voortgezette verzekering in de zin van de artikelen 38 tot 40, is het fictief inkomen gelijk aan de bedrijfsinkomsten, eventueel beperkt overeenkomstig artikel 5, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, op basis waarvan de in artikel 41 bedoelde bijdragen werden betaald;
" Voor de kwartalen gedekt door de voortgezette verzekering in de zin van artikel 41, § 3, wordt het fictief inkomen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in B. 1. "
B. 1) Voor de kwartalen bedoeld in artikel 31, § 2, is het fictief inkomen gelijk aan de door artikel 5, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 vastgestelde bedrijfsinkomsten.
Voor de kwartalen gelegen na 1983 en vóór 1997, worden deze inkomsten eerst vermenigvuldigd met het omgekeerde van de in artikel 6, § 3, 3°, van hetzelfde besluit bedoelde breuk en vervolgens met de coëfficiënt die bekomen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de gelijkgestelde periode gelegen is te delen door de spilindex waaraan de in het vorig lid bedoelde bedrijfsinkomsten verbonden zijn. Het aldus verkregen resultaat wordt gedeeld door 1,02 of 1,0404 of 1,0612, naargelang de aanpassing van de op 30 april 1984 lopende pensioenen aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, op 31 december van het jaar waarin het gelijkgestelde kwartaal gelegen is, een-, twee- of driemaal niet werd toegepast ter uitvoering van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984 houdende bepaalde tijdelijke wijzigingen in de regeling inzake de koppeling van sommige sociale uitkeringen van de maatschappelijke zekerheid en uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk en tot toekenning van een inhaalpremie aan sommige gerechtigden op sociale uitkeringen.
Voor de kwartalen gelegen na 1996, worden de in het eerste lid bedoelde bedrijfsinkomsten vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer de in artikel 6, § 2, 3°, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 bedoelde coëfficiënt. Het aldus verkregen resultaat wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de gelijkgestelde periode gelegen is te delen door de spilindex waaraan genoemde inkomsten verbonden zijn.
2) Voor de kwartalen bedoeld in artikel 31, § 3, is het fictief inkomen gelijk aan de bedrijfsinkomsten, eventueel beperkt overeenkomstig artikel 5, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, die als basis dienen voor de definitieve berekening van de laatste bijdrage die de betrokkene krachtens het koninklijk besluit nr. 38 is verschuldigd op het ogenblik waarop de bedoelde periode aanvangt.
Indien de gelijkstelling kwartalen dekt die gelegen zijn na het jaar waarop de bovenbedoelde bijdrage betrekking heeft, worden de bedrijfsinkomsten, waarvan sprake in het vorige lid, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de betrokken kwartalen gelegen zijn te delen door hetzelfde gemiddelde van het jaar waarop de bovengenoemde bijdrage betrekking heeft. Het aldus verkregen resultaat wordt gedeeld door 1,02 of 1,0404 naargelang de aanpassing van de pensioenen aan het indexcijfer tussen 31 december van het jaar waarin het laatste kwartaal is gelegen waarvoor een bijdrage was verschuldigd en 31 december van het jaar waarin het gelijkgestelde kwartaal zich bevindt, een- of tweemaal niet werd toegepast ter uitvoering van artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde bijdrage betrekking heeft op een kwartaal vóór 1984, is het bepaalde in 1) van toepassing;
C. Voor de in artikel 32 bedoelde kwartalen van voorlopige hechtenis wordt het fictief inkomen vastgesteld overeenkomstig B. 2);
D. 1) Voor de in artikel 33, § 1 en § 2, 1° en 2°, bedoelde studie- of leertijdkwartalen is het fictief inkomen gelijk aan het inkomen dat als basis heeft gediend voor het berekenen van de bijdragen betaald bij toepassing van artikel 35, in voorkomend geval begrensd overeenkomstig artikel 5, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
2) Wat de in artikel 33, § 2, 3°, bedoelde periode van arbeidsongeschiktheid betreft, is het fictief inkomen gelijk aan het laatste fictief inkomen dat in aanmerking werd genomen overeenkomstig het bepaalde in 1).
Indien deze periode verder gaat dan het jaar waarvoor dit laatste fictief inkomen in aanmerking werd genomen, wordt, voor elk kwartaal van de volgende jaren, het fictief inkomen aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen aangepast door, naar analogie, het bepaalde in B. 2), tweede lid, toe te passen.
In de in artikel 35, § 1, voorlaatste lid, bedoelde hypothese is het fictief inkomen voor de onder 1) en 2) beoogde kwartalen gelijk aan het in B. 1) bepaald fictief inkomen;
E. 1) Voor de in de artikelen 29 en 30bis bedoelde gelijkgestelde ziekte- of invaliditeitsperiodes die zijn ingegaan vóór 1 april 1984, wordt het fictief inkomen, voor alle kwartalen die zij dekken, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in B. 1).
2) a) Voor de in artikel 30bis bedoelde gelijkgestelde ziekte- of invaliditeitskwartalen die ten vroegste op 1 april 1984 ingaan, is het fictief inkomen gelijk aan het jaarlijks gemiddelde van de inkomsten die, hetzij krachtens artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, hetzij krachtens A van deze paragraaf, in aanmerking dienen te worden genomen voor het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat en voor de drie kalenderjaren die onmiddellijk voorafgaan aan het bedoelde jaar. Indien de gelijkgestelde periode ingaat op 1 januari, wordt dit gemiddelde gemaakt voor de vier kalenderjaren die aan deze ingangsdatum voorafgaan. Nochtans, indien in de loop van de periode die voor de berekening van het gemiddelde in aanmerking zou moeten worden genomen, één of meerdere jaren geen enkel kwartaal omvatten waarvoor een inkomen op grond van deze littera in aanmerking kan worden genomen, wordt dit gemiddelde berekend op grond van alleen die jaren die tenminste een dergelijk kwartaal omvatten.
Mocht voor een bepaald jaar rekening moeten worden gehouden met meer dan één inkomen in de zin van het voorgaande lid, dan wordt alleen het hoogste inkomen in aanmerking genomen.
In het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat, wordt met het inkomen in de zin van het eerste lid geen rekening gehouden voor de kwartalen die volgen op het einde van de gelijkgestelde periode.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de bijdragen, waarvan de zelfstandige werd vrijgesteld door de Commissie voor vrijstelling van bijdragen, geacht betaald te zijn.
Wat betreft de jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat, worden de inkomsten in de zin van het eerste lid, met het oog op de toepassing van het bedoelde lid, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat te delen door hetzelfde gemiddelde van elk der betrokken jaren. Het aldus verkregen resultaat wordt gedeeld door 1,02 of 1,0404 of 1,0612 naargelang de aanpassing van de pensioenen aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen tussen 31 december van het jaar waarop de betrokken inkomsten betrekking hebben en 31 december van het jaar waarin het gelijkgestelde kwartaal is gelegen, een-, twee-, of driemaal niet werd toegepast ter uitvoering van artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984.
De bedrijfsinkomsten beoogd in artikel 5, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, worden, voor de toepassing van het eerste lid, vermenigvuldigd met het omgekeerde van de breuk die, krachtens artikel 6, § 3, 3°, van hetzelfde besluit, bepaald werd voor het jaar waarin het gelijkgesteld tijdvak begint voor de kwartalen gelegen na 1983 en vóór 1997, en met een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer de in artikel 6, § 2, 3°, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 bedoelde coëfficiënt voor de kwartalen gelegen na 1996. Voor de herwaardering ervan overeenkomstig het vijfde lid, wordt het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar waarop die inkomsten betrekking hebben, vervangen door de spilindex waaraan genoemde inkomsten gebonden zijn.
b) Indien de gelijkgestelde periode verder gaat dan het jaar waarin zij ingaat, is het fictief inkomen dat in aanmerking dient te worden genomen voor de kwartalen na dat jaar, gelijk aan het fictief inkomen dat in aanmerking wordt genomen voor de kwartalen van het jaar waarin de gelijkgestelde periode is ingegaan, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarvoor het fictief inkomen moet worden toegekend, te delen door hetzelfde gemiddelde van het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat. Het aldus verkregen resultaat wordt evenwel gedeeld door 1,02 of 1,0404 naargelang de aanpassing van de pensioenen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen tussen 31 december van het jaar in de loop waarvan de gelijkstelling een aanvang heeft genomen en 31 december van het jaar waarin het gelijkgestelde kwartaal is gelegen, een- of tweemaal niet werd toegepast, ter uitvoering van artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984.
3) Een onderbreking in de periode van arbeidsongeschiktheid, binnen de perken gesteld bij de artikelen 8, 9, tweede lid, en 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, brengt als dusdanig geen herziening van de berekening van het fictief inkomen met zich.
§ 2. Wanneer, voor de toepassing van dit artikel, rekening gehouden moet worden met het gemiddeld indexcijfer der consumptieprijzen van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het pensioen ingaat, wordt dit gemiddelde vastgesteld door, voor elk der laatste drie maanden van het betrokken jaar, een indexcijfer aan te houden dat gelijk is aan het indexcijfer van de overeenstemmende maand van het vorig jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor dit gemiddelde dient vastgesteld te delen door de index van dezelfde maand van het vorig jaar. " .
" c) Voor de gelijkgestelde tijdvakken aan te houden fictieve inkomsten wanneer het recht op pensioen vastgesteld wordt overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
Artikel 46bis. Voor de berekening van het pensioen dat betrekking heeft op gelijkgestelde kwartalen die gelegen zijn vóór 1 januari 1984, wordt een fictief inkomen in aanmerking genomen waarvan het jaarlijks bedrag gelijk is aan de in artikel 5, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 bedoelde bedrijfsinkomsten.
Artikel 46ter. § 1. Voor de berekening van het pensioen dat betrekking heeft op gelijkgestelde kwartalen die gelegen zijn na 31 december 1983 wordt een fictief inkomen in aanmerking genomen waarvan het jaarlijks bedrag als volgt wordt bepaald :
A. Voor de kwartalen gedekt door de voortgezette verzekering in de zin van de artikelen 38 tot 40, is het fictief inkomen gelijk aan de bedrijfsinkomsten, eventueel beperkt overeenkomstig artikel 5, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, op basis waarvan de in artikel 41 bedoelde bijdragen werden betaald;
" Voor de kwartalen gedekt door de voortgezette verzekering in de zin van artikel 41, § 3, wordt het fictief inkomen vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in B. 1. "
B. 1) Voor de kwartalen bedoeld in artikel 31, § 2, is het fictief inkomen gelijk aan de door artikel 5, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 vastgestelde bedrijfsinkomsten.
Voor de kwartalen gelegen na 1983 en vóór 1997, worden deze inkomsten eerst vermenigvuldigd met het omgekeerde van de in artikel 6, § 3, 3°, van hetzelfde besluit bedoelde breuk en vervolgens met de coëfficiënt die bekomen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de gelijkgestelde periode gelegen is te delen door de spilindex waaraan de in het vorig lid bedoelde bedrijfsinkomsten verbonden zijn. Het aldus verkregen resultaat wordt gedeeld door 1,02 of 1,0404 of 1,0612, naargelang de aanpassing van de op 30 april 1984 lopende pensioenen aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, op 31 december van het jaar waarin het gelijkgestelde kwartaal gelegen is, een-, twee- of driemaal niet werd toegepast ter uitvoering van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984 houdende bepaalde tijdelijke wijzigingen in de regeling inzake de koppeling van sommige sociale uitkeringen van de maatschappelijke zekerheid en uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk en tot toekenning van een inhaalpremie aan sommige gerechtigden op sociale uitkeringen.
Voor de kwartalen gelegen na 1996, worden de in het eerste lid bedoelde bedrijfsinkomsten vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer de in artikel 6, § 2, 3°, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 bedoelde coëfficiënt. Het aldus verkregen resultaat wordt vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de gelijkgestelde periode gelegen is te delen door de spilindex waaraan genoemde inkomsten verbonden zijn.
2) Voor de kwartalen bedoeld in artikel 31, § 3, is het fictief inkomen gelijk aan de bedrijfsinkomsten, eventueel beperkt overeenkomstig artikel 5, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, die als basis dienen voor de definitieve berekening van de laatste bijdrage die de betrokkene krachtens het koninklijk besluit nr. 38 is verschuldigd op het ogenblik waarop de bedoelde periode aanvangt.
Indien de gelijkstelling kwartalen dekt die gelegen zijn na het jaar waarop de bovenbedoelde bijdrage betrekking heeft, worden de bedrijfsinkomsten, waarvan sprake in het vorige lid, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de betrokken kwartalen gelegen zijn te delen door hetzelfde gemiddelde van het jaar waarop de bovengenoemde bijdrage betrekking heeft. Het aldus verkregen resultaat wordt gedeeld door 1,02 of 1,0404 naargelang de aanpassing van de pensioenen aan het indexcijfer tussen 31 december van het jaar waarin het laatste kwartaal is gelegen waarvoor een bijdrage was verschuldigd en 31 december van het jaar waarin het gelijkgestelde kwartaal zich bevindt, een- of tweemaal niet werd toegepast ter uitvoering van artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984.
Wanneer de in het eerste lid bedoelde bijdrage betrekking heeft op een kwartaal vóór 1984, is het bepaalde in 1) van toepassing;
C. Voor de in artikel 32 bedoelde kwartalen van voorlopige hechtenis wordt het fictief inkomen vastgesteld overeenkomstig B. 2);
D. 1) Voor de in artikel 33, § 1 en § 2, 1° en 2°, bedoelde studie- of leertijdkwartalen is het fictief inkomen gelijk aan het inkomen dat als basis heeft gediend voor het berekenen van de bijdragen betaald bij toepassing van artikel 35, in voorkomend geval begrensd overeenkomstig artikel 5, § 2, laatste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
2) Wat de in artikel 33, § 2, 3°, bedoelde periode van arbeidsongeschiktheid betreft, is het fictief inkomen gelijk aan het laatste fictief inkomen dat in aanmerking werd genomen overeenkomstig het bepaalde in 1).
Indien deze periode verder gaat dan het jaar waarvoor dit laatste fictief inkomen in aanmerking werd genomen, wordt, voor elk kwartaal van de volgende jaren, het fictief inkomen aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen aangepast door, naar analogie, het bepaalde in B. 2), tweede lid, toe te passen.
In de in artikel 35, § 1, voorlaatste lid, bedoelde hypothese is het fictief inkomen voor de onder 1) en 2) beoogde kwartalen gelijk aan het in B. 1) bepaald fictief inkomen;
E. 1) Voor de in de artikelen 29 en 30bis bedoelde gelijkgestelde ziekte- of invaliditeitsperiodes die zijn ingegaan vóór 1 april 1984, wordt het fictief inkomen, voor alle kwartalen die zij dekken, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in B. 1).
2) a) Voor de in artikel 30bis bedoelde gelijkgestelde ziekte- of invaliditeitskwartalen die ten vroegste op 1 april 1984 ingaan, is het fictief inkomen gelijk aan het jaarlijks gemiddelde van de inkomsten die, hetzij krachtens artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, hetzij krachtens A van deze paragraaf, in aanmerking dienen te worden genomen voor het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat en voor de drie kalenderjaren die onmiddellijk voorafgaan aan het bedoelde jaar. Indien de gelijkgestelde periode ingaat op 1 januari, wordt dit gemiddelde gemaakt voor de vier kalenderjaren die aan deze ingangsdatum voorafgaan. Nochtans, indien in de loop van de periode die voor de berekening van het gemiddelde in aanmerking zou moeten worden genomen, één of meerdere jaren geen enkel kwartaal omvatten waarvoor een inkomen op grond van deze littera in aanmerking kan worden genomen, wordt dit gemiddelde berekend op grond van alleen die jaren die tenminste een dergelijk kwartaal omvatten.
Mocht voor een bepaald jaar rekening moeten worden gehouden met meer dan één inkomen in de zin van het voorgaande lid, dan wordt alleen het hoogste inkomen in aanmerking genomen.
In het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat, wordt met het inkomen in de zin van het eerste lid geen rekening gehouden voor de kwartalen die volgen op het einde van de gelijkgestelde periode.
Voor de toepassing van het eerste lid worden de bijdragen, waarvan de zelfstandige werd vrijgesteld door de Commissie voor vrijstelling van bijdragen, geacht betaald te zijn.
Wat betreft de jaren die voorafgaan aan het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat, worden de inkomsten in de zin van het eerste lid, met het oog op de toepassing van het bedoelde lid, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat te delen door hetzelfde gemiddelde van elk der betrokken jaren. Het aldus verkregen resultaat wordt gedeeld door 1,02 of 1,0404 of 1,0612 naargelang de aanpassing van de pensioenen aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen tussen 31 december van het jaar waarop de betrokken inkomsten betrekking hebben en 31 december van het jaar waarin het gelijkgestelde kwartaal is gelegen, een-, twee-, of driemaal niet werd toegepast ter uitvoering van artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984.
De bedrijfsinkomsten beoogd in artikel 5, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, worden, voor de toepassing van het eerste lid, vermenigvuldigd met het omgekeerde van de breuk die, krachtens artikel 6, § 3, 3°, van hetzelfde besluit, bepaald werd voor het jaar waarin het gelijkgesteld tijdvak begint voor de kwartalen gelegen na 1983 en vóór 1997, en met een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer de in artikel 6, § 2, 3°, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 bedoelde coëfficiënt voor de kwartalen gelegen na 1996. Voor de herwaardering ervan overeenkomstig het vijfde lid, wordt het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers van het jaar waarop die inkomsten betrekking hebben, vervangen door de spilindex waaraan genoemde inkomsten gebonden zijn.
b) Indien de gelijkgestelde periode verder gaat dan het jaar waarin zij ingaat, is het fictief inkomen dat in aanmerking dient te worden genomen voor de kwartalen na dat jaar, gelijk aan het fictief inkomen dat in aanmerking wordt genomen voor de kwartalen van het jaar waarin de gelijkgestelde periode is ingegaan, vermenigvuldigd met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarvoor het fictief inkomen moet worden toegekend, te delen door hetzelfde gemiddelde van het jaar waarin de gelijkgestelde periode ingaat. Het aldus verkregen resultaat wordt evenwel gedeeld door 1,02 of 1,0404 naargelang de aanpassing van de pensioenen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen tussen 31 december van het jaar in de loop waarvan de gelijkstelling een aanvang heeft genomen en 31 december van het jaar waarin het gelijkgestelde kwartaal is gelegen, een- of tweemaal niet werd toegepast, ter uitvoering van artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984.
3) Een onderbreking in de periode van arbeidsongeschiktheid, binnen de perken gesteld bij de artikelen 8, 9, tweede lid, en 10, tweede lid, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, brengt als dusdanig geen herziening van de berekening van het fictief inkomen met zich.
§ 2. Wanneer, voor de toepassing van dit artikel, rekening gehouden moet worden met het gemiddeld indexcijfer der consumptieprijzen van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het pensioen ingaat, wordt dit gemiddelde vastgesteld door, voor elk der laatste drie maanden van het betrokken jaar, een indexcijfer aan te houden dat gelijk is aan het indexcijfer van de overeenstemmende maand van het vorig jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor dit gemiddelde dient vastgesteld te delen door de index van dezelfde maand van het vorig jaar. " .
Art.11. A la Section 3 du Chapitre 1er du même arrêté, il est inséré entre les articles 46 et 47 un point c libellé comme suit :
" c) Revenus fictifs à retenir pour les périodes assimilées lorsque le droit à la pension est établi conformément à l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
" Art. 46bis. Pour le calcul de la pension afférente aux trimestres assimilés qui se situent avant le 1er janvier 1984, est retenu un revenu fictif dont le montant annuel est égal au revenu professionnel visé à l'article 5, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
" Art. 46ter. § 1er. Pour le calcul de la pension afférente aux trimestres assimilés qui se situent après le 31 décembre 1983 est retenu un revenu fictif dont le montant annuel est établi comme suit :
A. Pour les trimestres couverts par l'assurance continuée au sens des articles 38 à 40, le revenu fictif est égal au revenu professionnel, limité le cas échéant conformément à l'article 5, § 2, dernier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, sur la base duquel ont été payées les cotisations visées à l'article 41.
Pour les trimestres couverts par l'assurance continuée au sens de l'article 41, § 3, le revenu fictif est fixé conformément aux dispositions du B. 1.
B. 1) Pour les trimestres visés à l'article 31, § 2, le revenu fictif est égal au revenu professionnel fixé par l'article 5, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997.
Pour les trimestres postérieurs à 1983 et antérieurs à 1997, ce revenu est multiplié d'abord par l'inverse de la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°, du même arrêté, ensuite par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation de l'année dans laquelle se situe la période assimilée par l'indice-pivot auquel est lié le revenu professionnel visé à l'alinéa précédent. Le résultat ainsi obtenu est divisé par 1,02 ou 1,0404 ou 1,0612 selon qu'au 31 décembre de l'année où se situe le trimestre assimilé, l'adaptation des pensions en cours au 30 avril 1984, à l'évolution de l'indice des prix à la consommation n'a pas été effectuée une, deux ou trois fois en exécution de l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 portant certaines modifications temporaires au régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines prestations de sécurité sociale et dépenses du secteur public et accordant une prime de rattrapage à certains bénéficiaires de prestations sociales.
Pour les trimestres postérieurs à 1996, le revenu professionnel visé à l'alinéa 1er est multiplié par une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur le coefficient visé à l'article 6, § 2, 3°, premier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997. Le résultat ainsi obtenu est multiplié par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation de l'année dans laquelle se situe la période assimilée par l'indice-pivot auquel est lié ledit revenu.
2) Pour les trimestres visés à l'article 31, § 3, le revenu fictif est égal au revenu professionnel, limité le cas échéant conformément à l'article 5, § 2, dernier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, qui sert de base au calcul définitif de la dernière cotisation dont l'intéressé est redevable en vertu de l'arrêté royal n° 38 au moment où débute la période concernée.
Si l'assimilation couvre des trimestres postérieurs à l'année à laquelle se rapporte la cotisation susvisée, le revenu professionnel dont question à l'alinéa précédent est multiplié par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année dans laquelle se situent les trimestres concernés par la même moyenne pour l'année à laquelle se rapporte la cotisation susmentionnée. Le résultat ainsi obtenu est divisé par 1,02 ou 1,0404 selon que l'adaptation des pensions à l'indice des prix à la consommation n'a pas été appliquée une ou deux fois, en exécution de l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 précité, entre le 31 décembre de l'année où se situe le dernier trimestre pour lequel une cotisation était due et le 31 décembre de l'année où se situe le trimestre assimilé.
Lorsque la cotisation visée à l'alinéa 1er est afférente à un trimestre antérieur à 1984, les dispositions du 1) sont applicables.
C. Pour les trimestres de détention préventive visés à l'article 32, le revenu fictif est fixé conformément au B. 2).
D. 1) Pour les trimestres d'études ou d'apprentissage visés à l'article 33, § 1er et § 2, 1° et 2°, le revenu fictif est égal au revenu qui a servi de base au calcul des cotisations payées par application de l'article 35, limité le cas échéant conformément à l'article 5, § 2, dernier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997.
2) En ce qui concerne la période d'incapacité de travail visée à l'article 33, § 2, 3°, le revenu fictif est égal au dernier revenu fictif retenu conformément aux dispositions du 1).
Si ladite période s'étend au-delà de l'année pour laquelle a été retenu ce dernier revenu fictif, le revenu fictif est, pour chacun des trimestres des années suivantes, adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation en appliquant par analogie les dispositions du B. 2), alinéa 2.
Dans l'hypothèse prévue à l'article 35, § 1er, avant-dernier alinéa, le revenu fictif pour les trimestres visés aux 1) et 2) est égal au revenu fictif prévu au B. 1).
E. 1) Pour les périodes de maladie ou d'invalidité assimilées visées aux articles 29 et 30bis ayant débuté avant le 1er avril 1984, le revenu fictif est, pour tous les trimestres qu'elles couvrent, établi conformément aux dispositions du B. 1).
2) a) Pour les trimestres de maladie ou d'invalidité assimilés visés à l'article 30bis qui débutent au plus tôt à partir du 1er avril 1984, le revenu fictif est égal à la moyenne annuelle des revenus à retenir, soit en vertu de l'article 5, § 2, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, soit en vertu du A du présent paragraphe pour l'année de prise de cours de la période assimilée et pour les trois années civiles qui précèdent immédiatement ladite année. Si la période assimilée prend cours le 1er janvier, cette moyenne est faite pour les quatre années civiles précédant cette prise de cours. Toutefois, si au cours de la période qui devrait être retenue pour le calcul de la moyenne, une ou plusieurs années ne comportent aucun trimestre pour lequel un revenu peut être pris en considération sur base du présent littéra, ladite moyenne est calculée en fonction des seules années qui comptent au moins un tel trimestre.
Lorsque pour une année déterminée, il y aurait lieu de tenir compte de plus d'un revenu au sens de l'alinéa précédent, seul est retenu le revenu le plus élevé.
Il n'est pas tenu compte dans l'année de prise de cours de la période assimilée du revenu au sens de l'alinéa 1er pour les trimestres qui suivent la fin de la période assimilée.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les cotisations dont le travailleur indépendant a été dispensé par la Commission des dispenses de cotisations sont censées avoir été payées.
En ce qui concerne les années qui précèdent l'année de prise de cours de la période assimilée, les revenus au sens de l'alinéa 1er sont, en vue de l'application dudit alinéa, multipliés par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année de prise de cours de la période assimilée par la même moyenne pour chacune des années en cause. Le résultat ainsi obtenu est divisé par 1,02 ou 1,0404 ou 1,0612 selon qu'entre le 31 décembre de l'année à laquelle se rapportent les revenus concernés et le 31 décembre de l'année où se situe le trimestre assimilé, l'adaptation des pensions à l'évolution de l'indice des prix à la consommation n'a pas été effectuée une, deux ou trois fois en exécution de l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 précité.
Les revenus professionnels visés à l'article 5, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, sont, pour l'application de l'alinéa 1er, multipliés par l'inverse de la fraction qui a été fixée, pour l'année au cours de laquelle débute la période assimilée, en vertu de l'article 6, § 3, 3°, du même arrêté pour les trimestres postérieurs à 1983 et antérieurs à 1997, et par une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur le coefficient visé à l'article 6, § 2, 3°, premier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 pour les trimestres postérieurs à 1996. En vue de la réévaluation, conformément à l'alinéa 5, la moyenne des indices mensuels de l'année à laquelle se rapportent ces revenus est remplacée par l'indice-pivot auquel sont liés lesdits revenus.
b) Lorsque la période assimilée s'étend au-delà de l'année de sa prise de cours, le revenu fictif, à retenir pour les trimestres postérieurs à ladite année, est égal au revenu fictif retenu pour les trimestres de l'année au cours de laquelle a débuté la période assimilée, multiplié par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation de l'année pour laquelle le revenu fictif doit être accordé par la même moyenne de l'année dans laquelle se situe la prise de cours de la période assimilée. Toutefois, le résultat ainsi obtenu est divisé par 1,02 ou 1,0404 selon que l'adaptation des pensions à l'indice des prix à la consommation n'a pas été appliquée une ou deux fois, en exécution de l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 précité, entre le 31 décembre de l'année au cours de laquelle a débuté l'assimilation et le 31 décembre de l'année où se situe le trimestre assimilé.
3) Une interruption dans la période d'incapacité de travail dans les limites fixées par les articles 8, 9, alinéa 2, et 10, alinéa 2, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurances contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants, n'entraîne pas comme telle une révision du calcul du revenu fictif.
§ 2. Lorsque, pour l'application du présent article, il y a lieu de tenir compte de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année qui précède celle de la prise de cours de la pension, cette moyenne est établie en retenant, pour chacun des trois derniers mois de l'année en cause, un indice égal à l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par le coefficient obtenu en divisant l'indice du mois de septembre de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente. ".
" c) Revenus fictifs à retenir pour les périodes assimilées lorsque le droit à la pension est établi conformément à l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
" Art. 46bis. Pour le calcul de la pension afférente aux trimestres assimilés qui se situent avant le 1er janvier 1984, est retenu un revenu fictif dont le montant annuel est égal au revenu professionnel visé à l'article 5, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
" Art. 46ter. § 1er. Pour le calcul de la pension afférente aux trimestres assimilés qui se situent après le 31 décembre 1983 est retenu un revenu fictif dont le montant annuel est établi comme suit :
A. Pour les trimestres couverts par l'assurance continuée au sens des articles 38 à 40, le revenu fictif est égal au revenu professionnel, limité le cas échéant conformément à l'article 5, § 2, dernier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, sur la base duquel ont été payées les cotisations visées à l'article 41.
Pour les trimestres couverts par l'assurance continuée au sens de l'article 41, § 3, le revenu fictif est fixé conformément aux dispositions du B. 1.
B. 1) Pour les trimestres visés à l'article 31, § 2, le revenu fictif est égal au revenu professionnel fixé par l'article 5, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997.
Pour les trimestres postérieurs à 1983 et antérieurs à 1997, ce revenu est multiplié d'abord par l'inverse de la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°, du même arrêté, ensuite par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation de l'année dans laquelle se situe la période assimilée par l'indice-pivot auquel est lié le revenu professionnel visé à l'alinéa précédent. Le résultat ainsi obtenu est divisé par 1,02 ou 1,0404 ou 1,0612 selon qu'au 31 décembre de l'année où se situe le trimestre assimilé, l'adaptation des pensions en cours au 30 avril 1984, à l'évolution de l'indice des prix à la consommation n'a pas été effectuée une, deux ou trois fois en exécution de l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 portant certaines modifications temporaires au régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines prestations de sécurité sociale et dépenses du secteur public et accordant une prime de rattrapage à certains bénéficiaires de prestations sociales.
Pour les trimestres postérieurs à 1996, le revenu professionnel visé à l'alinéa 1er est multiplié par une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur le coefficient visé à l'article 6, § 2, 3°, premier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997. Le résultat ainsi obtenu est multiplié par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation de l'année dans laquelle se situe la période assimilée par l'indice-pivot auquel est lié ledit revenu.
2) Pour les trimestres visés à l'article 31, § 3, le revenu fictif est égal au revenu professionnel, limité le cas échéant conformément à l'article 5, § 2, dernier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, qui sert de base au calcul définitif de la dernière cotisation dont l'intéressé est redevable en vertu de l'arrêté royal n° 38 au moment où débute la période concernée.
Si l'assimilation couvre des trimestres postérieurs à l'année à laquelle se rapporte la cotisation susvisée, le revenu professionnel dont question à l'alinéa précédent est multiplié par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année dans laquelle se situent les trimestres concernés par la même moyenne pour l'année à laquelle se rapporte la cotisation susmentionnée. Le résultat ainsi obtenu est divisé par 1,02 ou 1,0404 selon que l'adaptation des pensions à l'indice des prix à la consommation n'a pas été appliquée une ou deux fois, en exécution de l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 précité, entre le 31 décembre de l'année où se situe le dernier trimestre pour lequel une cotisation était due et le 31 décembre de l'année où se situe le trimestre assimilé.
Lorsque la cotisation visée à l'alinéa 1er est afférente à un trimestre antérieur à 1984, les dispositions du 1) sont applicables.
C. Pour les trimestres de détention préventive visés à l'article 32, le revenu fictif est fixé conformément au B. 2).
D. 1) Pour les trimestres d'études ou d'apprentissage visés à l'article 33, § 1er et § 2, 1° et 2°, le revenu fictif est égal au revenu qui a servi de base au calcul des cotisations payées par application de l'article 35, limité le cas échéant conformément à l'article 5, § 2, dernier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997.
2) En ce qui concerne la période d'incapacité de travail visée à l'article 33, § 2, 3°, le revenu fictif est égal au dernier revenu fictif retenu conformément aux dispositions du 1).
Si ladite période s'étend au-delà de l'année pour laquelle a été retenu ce dernier revenu fictif, le revenu fictif est, pour chacun des trimestres des années suivantes, adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation en appliquant par analogie les dispositions du B. 2), alinéa 2.
Dans l'hypothèse prévue à l'article 35, § 1er, avant-dernier alinéa, le revenu fictif pour les trimestres visés aux 1) et 2) est égal au revenu fictif prévu au B. 1).
E. 1) Pour les périodes de maladie ou d'invalidité assimilées visées aux articles 29 et 30bis ayant débuté avant le 1er avril 1984, le revenu fictif est, pour tous les trimestres qu'elles couvrent, établi conformément aux dispositions du B. 1).
2) a) Pour les trimestres de maladie ou d'invalidité assimilés visés à l'article 30bis qui débutent au plus tôt à partir du 1er avril 1984, le revenu fictif est égal à la moyenne annuelle des revenus à retenir, soit en vertu de l'article 5, § 2, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, soit en vertu du A du présent paragraphe pour l'année de prise de cours de la période assimilée et pour les trois années civiles qui précèdent immédiatement ladite année. Si la période assimilée prend cours le 1er janvier, cette moyenne est faite pour les quatre années civiles précédant cette prise de cours. Toutefois, si au cours de la période qui devrait être retenue pour le calcul de la moyenne, une ou plusieurs années ne comportent aucun trimestre pour lequel un revenu peut être pris en considération sur base du présent littéra, ladite moyenne est calculée en fonction des seules années qui comptent au moins un tel trimestre.
Lorsque pour une année déterminée, il y aurait lieu de tenir compte de plus d'un revenu au sens de l'alinéa précédent, seul est retenu le revenu le plus élevé.
Il n'est pas tenu compte dans l'année de prise de cours de la période assimilée du revenu au sens de l'alinéa 1er pour les trimestres qui suivent la fin de la période assimilée.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les cotisations dont le travailleur indépendant a été dispensé par la Commission des dispenses de cotisations sont censées avoir été payées.
En ce qui concerne les années qui précèdent l'année de prise de cours de la période assimilée, les revenus au sens de l'alinéa 1er sont, en vue de l'application dudit alinéa, multipliés par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année de prise de cours de la période assimilée par la même moyenne pour chacune des années en cause. Le résultat ainsi obtenu est divisé par 1,02 ou 1,0404 ou 1,0612 selon qu'entre le 31 décembre de l'année à laquelle se rapportent les revenus concernés et le 31 décembre de l'année où se situe le trimestre assimilé, l'adaptation des pensions à l'évolution de l'indice des prix à la consommation n'a pas été effectuée une, deux ou trois fois en exécution de l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 précité.
Les revenus professionnels visés à l'article 5, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, sont, pour l'application de l'alinéa 1er, multipliés par l'inverse de la fraction qui a été fixée, pour l'année au cours de laquelle débute la période assimilée, en vertu de l'article 6, § 3, 3°, du même arrêté pour les trimestres postérieurs à 1983 et antérieurs à 1997, et par une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur le coefficient visé à l'article 6, § 2, 3°, premier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 pour les trimestres postérieurs à 1996. En vue de la réévaluation, conformément à l'alinéa 5, la moyenne des indices mensuels de l'année à laquelle se rapportent ces revenus est remplacée par l'indice-pivot auquel sont liés lesdits revenus.
b) Lorsque la période assimilée s'étend au-delà de l'année de sa prise de cours, le revenu fictif, à retenir pour les trimestres postérieurs à ladite année, est égal au revenu fictif retenu pour les trimestres de l'année au cours de laquelle a débuté la période assimilée, multiplié par le coefficient obtenu en divisant la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation de l'année pour laquelle le revenu fictif doit être accordé par la même moyenne de l'année dans laquelle se situe la prise de cours de la période assimilée. Toutefois, le résultat ainsi obtenu est divisé par 1,02 ou 1,0404 selon que l'adaptation des pensions à l'indice des prix à la consommation n'a pas été appliquée une ou deux fois, en exécution de l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 précité, entre le 31 décembre de l'année au cours de laquelle a débuté l'assimilation et le 31 décembre de l'année où se situe le trimestre assimilé.
3) Une interruption dans la période d'incapacité de travail dans les limites fixées par les articles 8, 9, alinéa 2, et 10, alinéa 2, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurances contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants, n'entraîne pas comme telle une révision du calcul du revenu fictif.
§ 2. Lorsque, pour l'application du présent article, il y a lieu de tenir compte de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année qui précède celle de la prise de cours de la pension, cette moyenne est établie en retenant, pour chacun des trois derniers mois de l'année en cause, un indice égal à l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par le coefficient obtenu en divisant l'indice du mois de septembre de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente. ".
Art.12. In afdeling 4 van hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt in de plaats van punt b, dat punt c wordt, een nieuw punt ingevoegd, luidend als volgt :
" b) Het pensioen wordt vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
Artikel 53bis. Wanneer zijn echtgenoot overleden is vóór 1 januari van het jaar van zijn 21ste verjaardag, kan de langstlevende echtgenoot aanspraak maken op het overlevingspensioen :
1° indien de overleden echtgenoot, bij zijn overlijden, de hoedanigheid van zelfstandige had of aanspraak kon maken op een gelijkstelling of op een vermoeden van beroepsbezigheid overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 72, of
2° indien de loopbaan van de overleden echtgenoot tenminste één kalenderjaar omvat waarvan de vier kwartalen het recht kunnen openen op het rustpensioen als zelfstandige.
De breuk die de opening van het recht op het overlevingspensioen uitdrukt in verhouding tot de loopbaan, is, onverminderd de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, gelijk aan de eenheid.
Artikel 53ter. Wanneer, in de veronderstelling beoogd in artikel 53bis, de daarin bedoelde breuk gelijk is aan de eenheid, is het overlevingspensioen gelijk aan 60 pct. van het hoogste bedrag dat bekomen wordt door, voor elk der jaren van de loopbaan van de overleden echtgenoot die het recht op rustpensioen als zelfstandige kunnen openen, die het overlijden voorafgaan en gelegen zijn na 1983 en vóór 1997, de bedrijfsinkomsten en de fictieve inkomsten, in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, te vermenigvuldigen met de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, van voormeld koninklijk besluit die erop betrekking heeft.
Wanneer, in de veronderstelling beoogd in artikel 53bis, de daarin bedoelde breuk gelijk is aan de eenheid, is het overlevingspensioen gelijk aan 60 pct. van het hoogste bedrag dat bekomen wordt door, voor elk der jaren van de loopbaan van de overleden echtgenoot die het recht op rustpensioen als zelfstandige kunnen openen, die het overlijden voorafgaan en gelegen zijn na 1996, de bedrijfsinkomsten en de fictieve inkomsten, in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten bedoeld in artikel 6, § 2, 3°, van hetzelfde besluit die erop betrekking hebben.
In voorkomend geval wordt dit overlevingspensioen evenwel begrensd overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 en artikel 53quinquies van dit besluit.
Indien het eerste en tweede lid niet kunnen toegepast worden of indien ze leiden tot een lager pensioen, kan de langstlevende echtgenoot aanspraak maken op het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan vastgesteld overeenkomstig artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984, onverminderd de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 72 indien de echtgenoot overleden is vóór 1 januari 1957.
Wanneer, ingevolge de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, de in artikel 53bis, tweede lid, bedoelde breuk niet gelijk is aan de eenheid, wordt het overlevingspensioen naar verhouding verminderd.
Artikel 53quater. De bedrijfsinkomsten en de fictieve inkomsten bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 en de artikelen 46bis en 46ter van dit besluit worden geherwaardeerd op het ogenblik dat het recht op rust- of overlevingspensioen wordt vastgesteld.
De inkomsten die in aanmerking worden genomen voor ieder jaar dat voorafgaat aan 1984 worden vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer 1,4859 is en waarvan de teller gelijk is aan de coëfficiënt die, voor de maand waarin het recht op het pensioen wordt vastgesteld, de uitbetaling van de in de artikelen 9 en 11 van het koninklijk besluit nr. 72 bedoelde pensioenen bepaalt in verhouding tot hun peil tegen het indexcijfer 114,20 (basis 1966=100).
De inkomsten die in aanmerking worden genomen voor ieder jaar dat volgt op 1983 worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door de spilindex waartegen de lopende pensioenen worden uitbetaald, te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen voor het betrokken jaar. Met het oog op de vaststelling van die coëfficiënt wordt de bedoelde spilindex door 1,02 of 1,0404 gedeeld naargelang de aanpassing van de pensioenen aan het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984, één- of tweemaal niet is toegepast geworden na 31 december van het jaar waarop de inkomsten betrekking hebben.
Wanneer, voor de toepassing van het voorgaande lid, rekening moet gehouden worden met het gemiddeld indexcijfer der consumptieprijzen van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het pensioen ingaat, wordt dit gemiddelde vastgesteld door, voor elk der laatste drie maanden van het betrokken jaar, een indexcijfer aan te houden dat gelijk is aan het indexcijfer van de overeenstemmende maand van het vorig jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor dit gemiddelde dient vastgesteld, te delen door de index van dezelfde maand van het vorig jaar.
Artikel 53quinquies. Het inkomen waarmee rekening dient gehouden voor de toepassing van artikel 11, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 is gelijk aan de bedrijfsinkomsten beoogd in artikel 5, § 2, 1°, van hetzelfde besluit. Voor de kwartalen gelegen na 1983 en vóór 1997 worden deze inkomsten vermenigvuldigd met het omgekeerde van de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997. Voor de kwartalen gelegen na 1996 worden deze inkomsten vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer de in artikel 6, § 2, 3°, eerste lid, van hetzelfde besluit bedoelde coëfficiënt.
Artikel 53sexies. Wanneer, voor de berekening van een fictief inkomen of van een overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1997 vastgesteld pensioen, een gemiddelde van indexcijfers van de consumptieprijzen dient te worden gebruikt, wordt dit gemiddelde tot op de tweede decimaal berekend. Deze wordt te dien einde naar de hogere eenheid afgerond zo de derde decimaal tenminste vijf bedraagt; in het andere geval wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal.
Wanneer, voor de toepassing van dezelfde bepalingen, een coëfficiënt moet worden gebruikt, wordt deze tot op de zesde decimaal berekend. Deze wordt te dien einde naar de hogere eenheid afgerond zo de zevende decimaal tenminste vijf bedraagt; in het andere geval wordt geen rekening gehouden met de zevende decimaal.
Artikel 53septies. De kwartalen beoogd bij artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1 van 26 maart 1981 houdende wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, worden niet in aanmerking genomen voor de optelling van de kwartalen overeenkomstig de artikelen 4, § 3, eerste lid, en 7, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
Elk van deze kwartalen doet niettemin het recht ontstaan op een pensioensupplement dat gelijk is aan het basisbedrag beoogd hetzij door artikel 9, § 1, 1° of 2°, hetzij door artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 72, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller 0,25 is en de noemer die van de breuk beoogd hetzij door artikel 4, hetzij door artikel 7 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
Het pensioensupplement wordt niet in acht genomen voor de toepassing van de cumulatieregelen. " .
" b) Het pensioen wordt vastgesteld overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
Artikel 53bis. Wanneer zijn echtgenoot overleden is vóór 1 januari van het jaar van zijn 21ste verjaardag, kan de langstlevende echtgenoot aanspraak maken op het overlevingspensioen :
1° indien de overleden echtgenoot, bij zijn overlijden, de hoedanigheid van zelfstandige had of aanspraak kon maken op een gelijkstelling of op een vermoeden van beroepsbezigheid overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 72, of
2° indien de loopbaan van de overleden echtgenoot tenminste één kalenderjaar omvat waarvan de vier kwartalen het recht kunnen openen op het rustpensioen als zelfstandige.
De breuk die de opening van het recht op het overlevingspensioen uitdrukt in verhouding tot de loopbaan, is, onverminderd de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, gelijk aan de eenheid.
Artikel 53ter. Wanneer, in de veronderstelling beoogd in artikel 53bis, de daarin bedoelde breuk gelijk is aan de eenheid, is het overlevingspensioen gelijk aan 60 pct. van het hoogste bedrag dat bekomen wordt door, voor elk der jaren van de loopbaan van de overleden echtgenoot die het recht op rustpensioen als zelfstandige kunnen openen, die het overlijden voorafgaan en gelegen zijn na 1983 en vóór 1997, de bedrijfsinkomsten en de fictieve inkomsten, in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, te vermenigvuldigen met de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, van voormeld koninklijk besluit die erop betrekking heeft.
Wanneer, in de veronderstelling beoogd in artikel 53bis, de daarin bedoelde breuk gelijk is aan de eenheid, is het overlevingspensioen gelijk aan 60 pct. van het hoogste bedrag dat bekomen wordt door, voor elk der jaren van de loopbaan van de overleden echtgenoot die het recht op rustpensioen als zelfstandige kunnen openen, die het overlijden voorafgaan en gelegen zijn na 1996, de bedrijfsinkomsten en de fictieve inkomsten, in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, te vermenigvuldigen met de coëfficiënten bedoeld in artikel 6, § 2, 3°, van hetzelfde besluit die erop betrekking hebben.
In voorkomend geval wordt dit overlevingspensioen evenwel begrensd overeenkomstig artikel 11 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 en artikel 53quinquies van dit besluit.
Indien het eerste en tweede lid niet kunnen toegepast worden of indien ze leiden tot een lager pensioen, kan de langstlevende echtgenoot aanspraak maken op het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan vastgesteld overeenkomstig artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984, onverminderd de toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 72 indien de echtgenoot overleden is vóór 1 januari 1957.
Wanneer, ingevolge de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, de in artikel 53bis, tweede lid, bedoelde breuk niet gelijk is aan de eenheid, wordt het overlevingspensioen naar verhouding verminderd.
Artikel 53quater. De bedrijfsinkomsten en de fictieve inkomsten bedoeld in artikel 5 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 en de artikelen 46bis en 46ter van dit besluit worden geherwaardeerd op het ogenblik dat het recht op rust- of overlevingspensioen wordt vastgesteld.
De inkomsten die in aanmerking worden genomen voor ieder jaar dat voorafgaat aan 1984 worden vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer 1,4859 is en waarvan de teller gelijk is aan de coëfficiënt die, voor de maand waarin het recht op het pensioen wordt vastgesteld, de uitbetaling van de in de artikelen 9 en 11 van het koninklijk besluit nr. 72 bedoelde pensioenen bepaalt in verhouding tot hun peil tegen het indexcijfer 114,20 (basis 1966=100).
De inkomsten die in aanmerking worden genomen voor ieder jaar dat volgt op 1983 worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door de spilindex waartegen de lopende pensioenen worden uitbetaald, te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen voor het betrokken jaar. Met het oog op de vaststelling van die coëfficiënt wordt de bedoelde spilindex door 1,02 of 1,0404 gedeeld naargelang de aanpassing van de pensioenen aan het indexcijfer der consumptieprijzen, overeenkomstig artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit nr. 281 van 31 maart 1984, één- of tweemaal niet is toegepast geworden na 31 december van het jaar waarop de inkomsten betrekking hebben.
Wanneer, voor de toepassing van het voorgaande lid, rekening moet gehouden worden met het gemiddeld indexcijfer der consumptieprijzen van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het pensioen ingaat, wordt dit gemiddelde vastgesteld door, voor elk der laatste drie maanden van het betrokken jaar, een indexcijfer aan te houden dat gelijk is aan het indexcijfer van de overeenstemmende maand van het vorig jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor dit gemiddelde dient vastgesteld, te delen door de index van dezelfde maand van het vorig jaar.
Artikel 53quinquies. Het inkomen waarmee rekening dient gehouden voor de toepassing van artikel 11, § 1, laatste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 is gelijk aan de bedrijfsinkomsten beoogd in artikel 5, § 2, 1°, van hetzelfde besluit. Voor de kwartalen gelegen na 1983 en vóór 1997 worden deze inkomsten vermenigvuldigd met het omgekeerde van de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997. Voor de kwartalen gelegen na 1996 worden deze inkomsten vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer de in artikel 6, § 2, 3°, eerste lid, van hetzelfde besluit bedoelde coëfficiënt.
Artikel 53sexies. Wanneer, voor de berekening van een fictief inkomen of van een overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1997 vastgesteld pensioen, een gemiddelde van indexcijfers van de consumptieprijzen dient te worden gebruikt, wordt dit gemiddelde tot op de tweede decimaal berekend. Deze wordt te dien einde naar de hogere eenheid afgerond zo de derde decimaal tenminste vijf bedraagt; in het andere geval wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal.
Wanneer, voor de toepassing van dezelfde bepalingen, een coëfficiënt moet worden gebruikt, wordt deze tot op de zesde decimaal berekend. Deze wordt te dien einde naar de hogere eenheid afgerond zo de zevende decimaal tenminste vijf bedraagt; in het andere geval wordt geen rekening gehouden met de zevende decimaal.
Artikel 53septies. De kwartalen beoogd bij artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 1 van 26 maart 1981 houdende wijziging van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen en van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, worden niet in aanmerking genomen voor de optelling van de kwartalen overeenkomstig de artikelen 4, § 3, eerste lid, en 7, § 3, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
Elk van deze kwartalen doet niettemin het recht ontstaan op een pensioensupplement dat gelijk is aan het basisbedrag beoogd hetzij door artikel 9, § 1, 1° of 2°, hetzij door artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 72, vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller 0,25 is en de noemer die van de breuk beoogd hetzij door artikel 4, hetzij door artikel 7 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997.
Het pensioensupplement wordt niet in acht genomen voor de toepassing van de cumulatieregelen. " .
Art.12. A la Section 4 du Chapitre 1er du même arrêté il est inséré à la place du point b, qui devient le point c, un nouveau point libellé comme suit :
" b) La pension est établie conformément à l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
" Art. 53bis. Lorsque son conjoint est décédé avant le 1er janvier de l'année de son 21ème anniversaire, le conjoint survivant peut prétendre à la pension de survie :
1° si le conjoint défunt avait, à son décès, la qualité de travailleur indépendant ou pouvait invoquer le bénéfice d'une assimilation ou d'une présomption d'activité professionnelle conformément à l'article 14 de l'arrêté royal n° 72; ou
2° si la carrière du conjoint décédé comprend au moins une année civile dont les quatre trimestres sont susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite en qualité de travailleur indépendant.
La fraction qui exprime l'ouverture du droit à la pension de survie en fonction de la carrière est, sans préjudice de l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, égale à l'unité. ".
" Art. 53ter. Lorsque, dans l'hypothèse visée à l'article 53bis, la fraction qui y est prévue est égale à l'unité, la pension de survie est égale à 60 p.c. du montant le plus élevé obtenu en multipliant, pour chacune des années de la carrière du conjoint décédé qui sont susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite de travailleur indépendant, précédant le décès et qui sont postérieures à 1983 et antérieures à 1997, les revenus professionnels et les revenus fictifs, au sens de l'article 5 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, par la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°, du même arrêté qui s'y rapporte.
Lorsque, dans l'hypothèse visée à l'article 53bis, la fraction qui y est prévue est égale à l'unité, la pension de survie est égale à 60 p.c. du montant le plus élevé obtenu en multipliant, pour chacune des années de la carrière du conjoint décédé qui son susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite de travailleur indépendant, précédant le décès et qui sont postérieures à 1996, les revenus professionnels et les revenus fictifs, au sens de l'article 5 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, par les coefficients visés à l'article 6, § 2, 3°, du même arrêté qui s'y rapportent.
Cette pension de survie est toutefois limitée, le cas échéant, conformément à l'article 11 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 et à l'article 53quinquies du présent arrêté.
Si les alinéas 1er et 2 ne peuvent être appliqués ou s'ils aboutissent à une pension inférieure, le conjoint survivant peut prétendre à la pension de survie fixée pour une carrière complète conformément à l'article 131bis de la loi du 15 mai 1984, sans préjudice de l'application de l'article 20 de l'arrêté royal n° 72 si le conjoint est décédé avant le 1er janvier 1957.
Lorsque, par suite de l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, la fraction visée à l'article 53bis, alinéa 2, n'est pas égale à l'unité, la pension de survie est réduite en conséquence. ".
" Art. 53quater. Les revenus professionnels et les revenus fictifs visés à l'article 5 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 et aux articles 46bis et 46ter du présent arrêté sont réévalués au moment où est établi le droit à la pension de retraite ou à la pension de survie.
Les revenus retenus pour chacune des années antérieures à 1984 sont multipliés par une fraction dont le dénominateur est 1,4859 et dont le numérateur est égal au coefficient qui, pour le mois au cours duquel est établi le droit à la pension, détermine la liquidation des pensions visées aux articles 9 et 11 de l'arrêté royal n° 72 par rapport à leur niveau à l'indice 114,20 (base 1966 = 100).
Les revenus retenus pour chacune des années postérieures à 1983 sont multipliés par le coefficient obtenu en divisant l'indice-pivot auquel sont payées les pensions courantes par la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année considérée. En vue de la fixation de ce coefficient, l'indice-pivot susvisé est divisé par 1,02 ou 1,0404 selon que l'adaptation des pensions à l'indice des prix à la consommation n'a pas, après le 31 décembre de l'année à laquelle les revenus sont afférents, été appliquée une ou deux fois conformément à l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 précité.
Lorsque, pour l'application de l'alinéa précédent, il y a lieu de tenir compte de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année qui précède celle de la prise de cours de la pension, cette moyenne est établie en retenant, pour chacun des trois derniers mois de l'année en cause, l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par le coefficient obtenu en divisant l'indice du mois de septembre de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente. ".
" Art. 53quinquies. Le revenu dont il y a lieu de tenir compte pour l'application de l'article 11, § 1er, dernier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 est égal au revenu professionnel visé à l'article 5, § 2, 1°, du même arrêté. Pour les trimestres postérieurs à 1983 et antérieurs à 1997, ce revenu est multiplié par l'inverse de la fraction visée à l'article 6, § 3, 3° de l'arrêté royal du 30 janvier 1997. Pour les trimestres postérieurs à 1996, ce revenu est multiplié par une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur le coefficient visé à l'article 6, § 2, 3°, alinéa 1er, du même arrêté. ".
" Art. 53sexies. Lorsque, pour calculer un revenu fictif ou une pension établie conformément à l'arrêté royal du 30 janvier 1997, il y a lieu d'utiliser une moyenne d'indices des prix à la consommation, cette moyenne est arrondie à la deuxième décimale. A cet effet, celle-ci est portée à l'unité supérieure si la troisième décimale atteint au moins cinq; dans le cas contraire, la troisième décimale est négligée.
Lorsque, pour l'application des mêmes dispositions, il y a lieu d'utiliser un coefficient, celui-ci est arrondi à la sixième décimale. A cet effet, celle-ci est portée à l'unité supérieure si la septième décimale atteint au moins cinq; dans le cas contraire, la septième décimale est négligée. ".
" Art. 53septies. Les trimestres visés à l'article 14 de l'arrêté royal n° 1 du 26 mars 1981 modifiant l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants et l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants ne sont pas pris en considération pour la totalisation des trimestres conformément aux articles 4, § 3, alinéa 1er, et 7, § 3, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997.
Chacun de ces trimestres ouvre néanmoins le droit à un supplément de pension, égal au montant de base visé soit à l'article 9, § 1er, 1° ou 2°, soit à l'article 11 de l'arrêté n° 72, multiplié par une fraction dont le numérateur est 0,25 et le dénominateur celui de la fraction visée soit à l'article 4, soit à l'article 7 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997.
Le supplément de pension n'intervient pas pour l'application des règles de cumul. ".
" b) La pension est établie conformément à l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
" Art. 53bis. Lorsque son conjoint est décédé avant le 1er janvier de l'année de son 21ème anniversaire, le conjoint survivant peut prétendre à la pension de survie :
1° si le conjoint défunt avait, à son décès, la qualité de travailleur indépendant ou pouvait invoquer le bénéfice d'une assimilation ou d'une présomption d'activité professionnelle conformément à l'article 14 de l'arrêté royal n° 72; ou
2° si la carrière du conjoint décédé comprend au moins une année civile dont les quatre trimestres sont susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite en qualité de travailleur indépendant.
La fraction qui exprime l'ouverture du droit à la pension de survie en fonction de la carrière est, sans préjudice de l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, égale à l'unité. ".
" Art. 53ter. Lorsque, dans l'hypothèse visée à l'article 53bis, la fraction qui y est prévue est égale à l'unité, la pension de survie est égale à 60 p.c. du montant le plus élevé obtenu en multipliant, pour chacune des années de la carrière du conjoint décédé qui sont susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite de travailleur indépendant, précédant le décès et qui sont postérieures à 1983 et antérieures à 1997, les revenus professionnels et les revenus fictifs, au sens de l'article 5 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, par la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°, du même arrêté qui s'y rapporte.
Lorsque, dans l'hypothèse visée à l'article 53bis, la fraction qui y est prévue est égale à l'unité, la pension de survie est égale à 60 p.c. du montant le plus élevé obtenu en multipliant, pour chacune des années de la carrière du conjoint décédé qui son susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite de travailleur indépendant, précédant le décès et qui sont postérieures à 1996, les revenus professionnels et les revenus fictifs, au sens de l'article 5 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, par les coefficients visés à l'article 6, § 2, 3°, du même arrêté qui s'y rapportent.
Cette pension de survie est toutefois limitée, le cas échéant, conformément à l'article 11 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 et à l'article 53quinquies du présent arrêté.
Si les alinéas 1er et 2 ne peuvent être appliqués ou s'ils aboutissent à une pension inférieure, le conjoint survivant peut prétendre à la pension de survie fixée pour une carrière complète conformément à l'article 131bis de la loi du 15 mai 1984, sans préjudice de l'application de l'article 20 de l'arrêté royal n° 72 si le conjoint est décédé avant le 1er janvier 1957.
Lorsque, par suite de l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, la fraction visée à l'article 53bis, alinéa 2, n'est pas égale à l'unité, la pension de survie est réduite en conséquence. ".
" Art. 53quater. Les revenus professionnels et les revenus fictifs visés à l'article 5 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 et aux articles 46bis et 46ter du présent arrêté sont réévalués au moment où est établi le droit à la pension de retraite ou à la pension de survie.
Les revenus retenus pour chacune des années antérieures à 1984 sont multipliés par une fraction dont le dénominateur est 1,4859 et dont le numérateur est égal au coefficient qui, pour le mois au cours duquel est établi le droit à la pension, détermine la liquidation des pensions visées aux articles 9 et 11 de l'arrêté royal n° 72 par rapport à leur niveau à l'indice 114,20 (base 1966 = 100).
Les revenus retenus pour chacune des années postérieures à 1983 sont multipliés par le coefficient obtenu en divisant l'indice-pivot auquel sont payées les pensions courantes par la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année considérée. En vue de la fixation de ce coefficient, l'indice-pivot susvisé est divisé par 1,02 ou 1,0404 selon que l'adaptation des pensions à l'indice des prix à la consommation n'a pas, après le 31 décembre de l'année à laquelle les revenus sont afférents, été appliquée une ou deux fois conformément à l'article 2 de l'arrêté royal n° 281 du 31 mars 1984 précité.
Lorsque, pour l'application de l'alinéa précédent, il y a lieu de tenir compte de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année qui précède celle de la prise de cours de la pension, cette moyenne est établie en retenant, pour chacun des trois derniers mois de l'année en cause, l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par le coefficient obtenu en divisant l'indice du mois de septembre de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente. ".
" Art. 53quinquies. Le revenu dont il y a lieu de tenir compte pour l'application de l'article 11, § 1er, dernier alinéa, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 est égal au revenu professionnel visé à l'article 5, § 2, 1°, du même arrêté. Pour les trimestres postérieurs à 1983 et antérieurs à 1997, ce revenu est multiplié par l'inverse de la fraction visée à l'article 6, § 3, 3° de l'arrêté royal du 30 janvier 1997. Pour les trimestres postérieurs à 1996, ce revenu est multiplié par une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur le coefficient visé à l'article 6, § 2, 3°, alinéa 1er, du même arrêté. ".
" Art. 53sexies. Lorsque, pour calculer un revenu fictif ou une pension établie conformément à l'arrêté royal du 30 janvier 1997, il y a lieu d'utiliser une moyenne d'indices des prix à la consommation, cette moyenne est arrondie à la deuxième décimale. A cet effet, celle-ci est portée à l'unité supérieure si la troisième décimale atteint au moins cinq; dans le cas contraire, la troisième décimale est négligée.
Lorsque, pour l'application des mêmes dispositions, il y a lieu d'utiliser un coefficient, celui-ci est arrondi à la sixième décimale. A cet effet, celle-ci est portée à l'unité supérieure si la septième décimale atteint au moins cinq; dans le cas contraire, la septième décimale est négligée. ".
" Art. 53septies. Les trimestres visés à l'article 14 de l'arrêté royal n° 1 du 26 mars 1981 modifiant l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants et l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants ne sont pas pris en considération pour la totalisation des trimestres conformément aux articles 4, § 3, alinéa 1er, et 7, § 3, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997.
Chacun de ces trimestres ouvre néanmoins le droit à un supplément de pension, égal au montant de base visé soit à l'article 9, § 1er, 1° ou 2°, soit à l'article 11 de l'arrêté n° 72, multiplié par une fraction dont le numérateur est 0,25 et le dénominateur celui de la fraction visée soit à l'article 4, soit à l'article 7 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997.
Le supplément de pension n'intervient pas pour l'application des règles de cumul. ".
Art.13. De ondertitel b van afdeling 4 van hoofdstuk I van hetzelfde besluit, die ondertitel c wordt, wordt vervangen door de volgende ondertitel :
" c) Het pensioen wordt niet vastgesteld overeenkomstig boek III, Titel II, van de wet van 15 mei 1984 noch overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1997. " .
" c) Het pensioen wordt niet vastgesteld overeenkomstig boek III, Titel II, van de wet van 15 mei 1984 noch overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 januari 1997. " .
Art.13. Le sous-titre b de la Section 4 du Chapitre 1er du même arrêté, qui devient le sous-titre c, est remplacé par le sous-titre suivant :
" c) La pension n'est établie ni conformément au Livre III, Titre II, de la loi du 15 mai 1984, ni conformément à l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
" c) La pension n'est établie ni conformément au Livre III, Titre II, de la loi du 15 mai 1984, ni conformément à l'arrêté royal du 30 janvier 1997. ".
Art.14. De ondertitels c en d van afdeling 4 van Hoofdstuk I van hetzelfde besluit worden respectievelijk de ondertitels d en e.
Art.14. Les sous-titres c et d de la Section 4 du Chapitre Ier du même arrêté deviennent respectivement les sous-titres d et e.
Art.15. In artikel 87 van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 20 september 1984, worden de woorden "de leeftijd van 70 of 65 jaar bereikt, naargelang het de man of de vrouw betreft" vervangen door de woorden "de leeftijd van 70 jaar bereikt".
Art.15. A l'article 87 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, les mots " atteint l'âge de 70 ou de 65 ans, selon qu'il s'agit du mari ou de la femme " sont remplacés par les mots " atteint l'âge de 70 ans ".
Art.16. In artikel 91bis, F, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 16 juli 1970 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 februari 1976 en 20 september 1984, worden de woorden "de leeftijd van 65 of van 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft" vervangen door de woorden "de pensioenleeftijd bereikt".
Art.16. A l'article 91bis, F, du même arrêté, introduit par l'arrêté royal du 16 juillet 1970 et modifié par les arrêtés royaux des 20 février 1976 et 20 septembre 1984, les mots " atteint l'âge de 65 ou de 60 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont remplacés par les mots " atteint l'âge de la pension ".
Art.17. In artikel 91quater van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 17 juli 1972 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 16 juli 1973, 27 december 1974, 20 februari 1976, 2 maart 1977 en 20 september 1984, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid van § 1 worden de woorden "of 40sten, naargelang het een man of een vrouw betreft" geschrapt;
2° in het tweede lid van § 1 worden de woorden "of 2,20, naargelang het een man of een vrouw betreft" geschrapt;
3° in het eerste lid van § 2 worden de woorden "of 40sten, naargelang de langstlevende echtgenoot de vrouw of de man is" geschrapt;
4° het tweede lid van § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Het tweede lid van § 1 is terzake van toepassing. ".
1° in het eerste lid van § 1 worden de woorden "of 40sten, naargelang het een man of een vrouw betreft" geschrapt;
2° in het tweede lid van § 1 worden de woorden "of 2,20, naargelang het een man of een vrouw betreft" geschrapt;
3° in het eerste lid van § 2 worden de woorden "of 40sten, naargelang de langstlevende echtgenoot de vrouw of de man is" geschrapt;
4° het tweede lid van § 2 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Het tweede lid van § 1 is terzake van toepassing. ".
Art.17. A l'article 91quater du même arrêté, introduit par l'arrêté royal du 17 juillet 1972 et modifié par les arrêtés royaux des 16 juillet 1973, 27 décembre 1974, 20 février 1976, 2 mars 1977 et 20 septembre 1984, sont apportées les modifications suivantes :
1° au premier alinéa du § 1er, les mots " ou de 40èmes, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont supprimés;
2° au deuxième alinéa du § 1er, les mots " ou 2,20, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont supprimés;
3° au premier alinéa du § 2, les mots " ou de 40èmes, selon que le conjoint survivant est la femme ou le mari " sont supprimés;
4° le deuxième alinéa du § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" Le § 1er, alinéa 2, est applicable en la matière. ".
1° au premier alinéa du § 1er, les mots " ou de 40èmes, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont supprimés;
2° au deuxième alinéa du § 1er, les mots " ou 2,20, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont supprimés;
3° au premier alinéa du § 2, les mots " ou de 40èmes, selon que le conjoint survivant est la femme ou le mari " sont supprimés;
4° le deuxième alinéa du § 2 est remplacé par la disposition suivante :
" Le § 1er, alinéa 2, est applicable en la matière. ".
Art.18. Artikel 92 van hetzelfde besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 16 juli 1970, 20 februari 1976, 8 april 1981 en 20 september 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 92. § 1. De uit de echt gescheiden echtgenoot kan, als dusdanig, een pensioen bekomen vanaf de eerste van de maand die volgt op deze waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
In afwijking op het vorige lid en voor wat de vrouwen betreft, wordt de leeftijd van 65 jaar gebracht :
1° op 61 jaar wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
2° op 62 jaar wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
3° op 63 jaar wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
4° op 64 jaar wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
§ 2. Het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan vóór de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand volgend op de 60ste verjaardag, op voorwaarde dat de betrokkene op deze datum een rustpensioen krachtens de Belgische regeling voor zelfstandigen of krachtens een andere Belgische regeling geniet.
In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot verminderd met 5 t.h. per jaar vervroeging.
Voor de toepassing van de verminderingscoëfficiënt bedoeld in het vorige lid wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de ingangsdatum van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.
§ 3. Het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot gaat in ten vroegste de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de aanvraag werd ingediend.
§ 4. De rechten op het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot worden ambtshalve onderzocht wanneer de belanghebbende, op het ogenblik van de overschrijving van de echtscheiding, als van tafel en bed of feitelijk gescheiden echtgenoot een gedeelte genoot van het rustpensioen van zijn echtgenoot en indien hij de leeftijd bedoeld in § 1 heeft bereikt op de eerste dag van de maand volgend op de overschrijving van de echtscheiding. " .
" Art. 92. § 1. De uit de echt gescheiden echtgenoot kan, als dusdanig, een pensioen bekomen vanaf de eerste van de maand die volgt op deze waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt.
In afwijking op het vorige lid en voor wat de vrouwen betreft, wordt de leeftijd van 65 jaar gebracht :
1° op 61 jaar wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
2° op 62 jaar wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
3° op 63 jaar wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
4° op 64 jaar wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
§ 2. Het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan vóór de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand volgend op de 60ste verjaardag, op voorwaarde dat de betrokkene op deze datum een rustpensioen krachtens de Belgische regeling voor zelfstandigen of krachtens een andere Belgische regeling geniet.
In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot verminderd met 5 t.h. per jaar vervroeging.
Voor de toepassing van de verminderingscoëfficiënt bedoeld in het vorige lid wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de ingangsdatum van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.
§ 3. Het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot gaat in ten vroegste de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de aanvraag werd ingediend.
§ 4. De rechten op het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot worden ambtshalve onderzocht wanneer de belanghebbende, op het ogenblik van de overschrijving van de echtscheiding, als van tafel en bed of feitelijk gescheiden echtgenoot een gedeelte genoot van het rustpensioen van zijn echtgenoot en indien hij de leeftijd bedoeld in § 1 heeft bereikt op de eerste dag van de maand volgend op de overschrijving van de echtscheiding. " .
Art.18. L'article 92 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 16 juillet 1970, 20 février 1976, 8 avril 1981 et 20 septembre 1984, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 92. § 1er. Le conjoint divorcé peut, à ce titre, obtenir une pension à partir du 1er du mois qui suit celui au cours duquel il a atteint l'âge de 65 ans.
Par dérogation à l'alinéa précédent et en ce qui concerne les femmes, l'âge de 65 ans est ramené :
1° à 61 ans lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
2° à 62 ans lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
3° à 63 ans lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
4° à 64 ans lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
§ 2. La pension de conjoint divorcé peut néanmoins prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, avant l'âge prévu au § 1er, et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60ème anniversaire, à condition que l'intéressé bénéficie à cette date d'une pension de retraite en vertu du régime belge des travailleurs indépendants ou en vertu d'un autre régime belge.
Dans le cas prévu à l'alinéa précédent, la pension de conjoint divorcé est réduite de 5 p.c. par année d'anticipation.
Pour l'application du coefficient de réduction visé à l'alinéa précédent, il est tenu compte de l'âge atteint par le demandeur à son anniversaire précédant immédiatement la date de prise de cours de la pension.
§ 3. La pension de conjoint divorcé prend cours au plus tôt le 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel la demande est introduite.
§ 4. Les droits à la pension de conjoint divorcé sont examinés d'office si l'intéressé bénéficiait au moment de la transcription du divorce, en tant que conjoint séparé de corps ou séparé de fait, d'une partie de la pension de retraite de son conjoint et s'il a atteint l'âge prévu au § 1er au premier jour du mois suivant celui de la transcription du divorce. ".
" Art. 92. § 1er. Le conjoint divorcé peut, à ce titre, obtenir une pension à partir du 1er du mois qui suit celui au cours duquel il a atteint l'âge de 65 ans.
Par dérogation à l'alinéa précédent et en ce qui concerne les femmes, l'âge de 65 ans est ramené :
1° à 61 ans lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
2° à 62 ans lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
3° à 63 ans lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
4° à 64 ans lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
§ 2. La pension de conjoint divorcé peut néanmoins prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, avant l'âge prévu au § 1er, et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60ème anniversaire, à condition que l'intéressé bénéficie à cette date d'une pension de retraite en vertu du régime belge des travailleurs indépendants ou en vertu d'un autre régime belge.
Dans le cas prévu à l'alinéa précédent, la pension de conjoint divorcé est réduite de 5 p.c. par année d'anticipation.
Pour l'application du coefficient de réduction visé à l'alinéa précédent, il est tenu compte de l'âge atteint par le demandeur à son anniversaire précédant immédiatement la date de prise de cours de la pension.
§ 3. La pension de conjoint divorcé prend cours au plus tôt le 1er jour du mois qui suit celui au cours duquel la demande est introduite.
§ 4. Les droits à la pension de conjoint divorcé sont examinés d'office si l'intéressé bénéficiait au moment de la transcription du divorce, en tant que conjoint séparé de corps ou séparé de fait, d'une partie de la pension de retraite de son conjoint et s'il a atteint l'âge prévu au § 1er au premier jour du mois suivant celui de la transcription du divorce. ".
Art.19. In artikel 94, 1°, van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 20 september 1984, worden de woorden "de ouderlijke macht" vervangen door de woorden "het ouderlijk gezag".
Art.19. A l'article 94, 1°, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, les mots " la puissance paternelle " sont remplacé par les mots " l'autorité parentale ".
Art.20. Artikel 95 van hetzelfde besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 16 juli 1970, 20 februari 1976 en 20 september 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 95. Het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot wordt vastgesteld in verhouding tot de kalenderjaren waarin één of meer kwartalen gelegen zijn die het recht op rustpensioen als zelfstandige kunnen openen in hoofde van de gewezen echtgenoot en in de loop waarvan de aanvrager met deze laatste gehuwd was.
Voor die jaren wordt toegekend :
1° 1/45 van 62,5 t.h. van het basis- bedrag beoogd in artikel 9, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72, zo het gaat om een jaar dat 1984 voorafgaat;
2° 1/45 van 37,5 t.h. van het bedrijfsinkomen van de gewezen echtgenoot, in de zin van artikel 5, § 2, 2°, en § 3, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, vermenigvuldigd met de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, van hetzelfde besluit, zo het gaat om een jaar na 1983 en vóór 1997;
3° 1/45 van 37,5 t.h. van het bedrijfsinkomen van de gewezen echtgenoot, in de zin van artikel 5, § 2, 2°, en § 3, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, vermenigvuldigd met de coëfficiënten bedoeld in artikel 6, § 2, 3°, van hetzelfde besluit, zo het gaat om een jaar na 1996.
In afwijking op het vorige lid en voor wat de vrouwen betreft, wordt de noemer van de breuk gebracht :
1° op 41 wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
2° op 42 wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
3° op 43 wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
4° op 44 wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
De teller van de in het tweede lid beoogde breuk wordt teruggebracht naar 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen van het betrokken jaar het recht op het rustpensioen kunnen openen.
Dezelfde vermindering wordt toegepast voor de kalenderkwartalen die, in het betrokken jaar, het kwartaal voorafgaan waarin het huwelijk werd gesloten en voor de kwartalen die, in het betrokken jaar, volgen op het kwartaal waarin de echtscheiding werd overgeschreven.
De som van de door dit artikel beoogde breuken wordt, in voorkomend geval, beperkt tot de eenheid. De vermindering die daaruit voortspruit slaat op de minst voordelige jaren. ".
" Art. 95. Het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot wordt vastgesteld in verhouding tot de kalenderjaren waarin één of meer kwartalen gelegen zijn die het recht op rustpensioen als zelfstandige kunnen openen in hoofde van de gewezen echtgenoot en in de loop waarvan de aanvrager met deze laatste gehuwd was.
Voor die jaren wordt toegekend :
1° 1/45 van 62,5 t.h. van het basis- bedrag beoogd in artikel 9, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 72, zo het gaat om een jaar dat 1984 voorafgaat;
2° 1/45 van 37,5 t.h. van het bedrijfsinkomen van de gewezen echtgenoot, in de zin van artikel 5, § 2, 2°, en § 3, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, vermenigvuldigd met de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, van hetzelfde besluit, zo het gaat om een jaar na 1983 en vóór 1997;
3° 1/45 van 37,5 t.h. van het bedrijfsinkomen van de gewezen echtgenoot, in de zin van artikel 5, § 2, 2°, en § 3, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, vermenigvuldigd met de coëfficiënten bedoeld in artikel 6, § 2, 3°, van hetzelfde besluit, zo het gaat om een jaar na 1996.
In afwijking op het vorige lid en voor wat de vrouwen betreft, wordt de noemer van de breuk gebracht :
1° op 41 wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
2° op 42 wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
3° op 43 wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
4° op 44 wanneer het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
De teller van de in het tweede lid beoogde breuk wordt teruggebracht naar 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen van het betrokken jaar het recht op het rustpensioen kunnen openen.
Dezelfde vermindering wordt toegepast voor de kalenderkwartalen die, in het betrokken jaar, het kwartaal voorafgaan waarin het huwelijk werd gesloten en voor de kwartalen die, in het betrokken jaar, volgen op het kwartaal waarin de echtscheiding werd overgeschreven.
De som van de door dit artikel beoogde breuken wordt, in voorkomend geval, beperkt tot de eenheid. De vermindering die daaruit voortspruit slaat op de minst voordelige jaren. ".
Art.20. L'article 95 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 16 juillet 1970, 20 février 1976 et 20 septembre 1984, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 95. La pension de conjoint divorcé est établie en fonction des années civiles dans lesquelles se situent un ou plusieurs trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite dans le chef de l'ex-conjoint et au cours desquels le demandeur fut marié avec ce dernier.
Il est accordé pour ces années :
1° 1/45e de 62,5 p.c. du montant de base visé à l'article 9, § 1er, 2°, de l'arrêté royal n° 72, s'il s'agit d'une année antérieure à 1984;
2° 1/45e de 37,5 p.c. du revenu professionnel de l'ex-conjoint, au sens de l'article 5, § 2, 2°, et § 3, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, multiplié par la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°, du même arrêté, s'il s'agit d'une année postérieure à 1983 et antérieure à 1997;
3° 1/45e de 37,5 p.c. du revenu professionnel de l'ex-conjoint, au sens de l'article 5, § 2, 2°, et § 3, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, multiplié par les coefficients visés à l'article 6, § 2, 3°, du même arrêté, s'il s'agit d'une année postérieure à 1996.
Par dérogation à l'alinéa précédent et en ce qui concerne les femmes, le dénominateur de la fraction est ramené :
1° à 41 lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
2° à 42 lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
3° à 43 lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
4° à 44 lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
Le numérateur de la fraction visée à l'alinéa 2 est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 lorsque 1, 2 ou 3 trimestres seulement de l'année en cause sont susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite.
La même réduction est appliquée pour les trimestres civils qui, dans l'année concernée, précèdent le trimestre au cours duquel le mariage été contracté et pour les trimestres civils qui, dans l'année concernée, suivent le trimestre au cours duquel le divorce a été transcrit.
Le total des fractions visées par le présent article est, le cas échéant, ramené à l'unité. La réduction qui en découle porte sur les années les moins avantageuses. ".
" Art. 95. La pension de conjoint divorcé est établie en fonction des années civiles dans lesquelles se situent un ou plusieurs trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite dans le chef de l'ex-conjoint et au cours desquels le demandeur fut marié avec ce dernier.
Il est accordé pour ces années :
1° 1/45e de 62,5 p.c. du montant de base visé à l'article 9, § 1er, 2°, de l'arrêté royal n° 72, s'il s'agit d'une année antérieure à 1984;
2° 1/45e de 37,5 p.c. du revenu professionnel de l'ex-conjoint, au sens de l'article 5, § 2, 2°, et § 3, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, multiplié par la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°, du même arrêté, s'il s'agit d'une année postérieure à 1983 et antérieure à 1997;
3° 1/45e de 37,5 p.c. du revenu professionnel de l'ex-conjoint, au sens de l'article 5, § 2, 2°, et § 3, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, multiplié par les coefficients visés à l'article 6, § 2, 3°, du même arrêté, s'il s'agit d'une année postérieure à 1996.
Par dérogation à l'alinéa précédent et en ce qui concerne les femmes, le dénominateur de la fraction est ramené :
1° à 41 lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
2° à 42 lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
3° à 43 lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
4° à 44 lorsque la pension de conjoint divorcé prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
Le numérateur de la fraction visée à l'alinéa 2 est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 lorsque 1, 2 ou 3 trimestres seulement de l'année en cause sont susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite.
La même réduction est appliquée pour les trimestres civils qui, dans l'année concernée, précèdent le trimestre au cours duquel le mariage été contracté et pour les trimestres civils qui, dans l'année concernée, suivent le trimestre au cours duquel le divorce a été transcrit.
Le total des fractions visées par le présent article est, le cas échéant, ramené à l'unité. La réduction qui en découle porte sur les années les moins avantageuses. ".
Art.21. In artikel 96, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, worden de woorden "overeenkomstig artikel 51, derde lid" vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel 53quater, derde lid".
Art.21. A l'article 96, § 1er, 2e alinéa, les mots " conformément à l'article 51, alinéa 3 " sont remplacés par les mots " conformément à l'article 53quater, alinéa 3 ".
Art.22. Artikel 97, § 1, van hetzelfde besluit, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. Wanneer de betrokkene aanspraak kan maken op een pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot krachtens dit besluit, op een rustpensioen krachtens de regeling voor zelfstandigen, of op een rustpensioen, een overlevingspensioen of een pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot krachtens een andere pensioenregeling, in de zin van artikel 19, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 72, en wanneer het totaal van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, wordt de breuk die de beroepsloopbaan weergeeft die voor de berekening van het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot in aanmerking wordt genomen zodanig verminderd als nodig is om genoemd totaal tot de eenheid te herleiden.
Met het oog op de toepassing van deze paragraaf :
1° wordt de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het rustpensioen als zelfstandige vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 60, § 1, eerste lid van dit besluit;
2° worden de breuken die de belangrijkheid uitdrukken van de pensioenen in een andere regeling dan die voor zelfstandigen, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 19, tweede en derde lid van het koninklijk besluit nr. 72 en van de artikelen 57, a), 58, 59 en 60, § 1, eerste lid, van dit besluit. " .
" § 1. Wanneer de betrokkene aanspraak kan maken op een pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot krachtens dit besluit, op een rustpensioen krachtens de regeling voor zelfstandigen, of op een rustpensioen, een overlevingspensioen of een pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot krachtens een andere pensioenregeling, in de zin van artikel 19, vierde lid, van het koninklijk besluit nr. 72, en wanneer het totaal van de breuken die voor elk van die pensioenen de belangrijkheid ervan uitdrukken de eenheid overschrijdt, wordt de breuk die de beroepsloopbaan weergeeft die voor de berekening van het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot in aanmerking wordt genomen zodanig verminderd als nodig is om genoemd totaal tot de eenheid te herleiden.
Met het oog op de toepassing van deze paragraaf :
1° wordt de breuk die de belangrijkheid uitdrukt van het rustpensioen als zelfstandige vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 60, § 1, eerste lid van dit besluit;
2° worden de breuken die de belangrijkheid uitdrukken van de pensioenen in een andere regeling dan die voor zelfstandigen, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 19, tweede en derde lid van het koninklijk besluit nr. 72 en van de artikelen 57, a), 58, 59 en 60, § 1, eerste lid, van dit besluit. " .
Art.22. L'article 97, § 1er, du même arrêté, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Lorsque l'intéressé peut prétendre à une pension de conjoint divorcé en vertu du présent arrêté, à une pension de retraite en vertu du régime des travailleurs indépendants ou à une pension de retraite, une pension de survie ou une pension de conjoint divorcé en vertu d'un autre régime de pension, au sens de l'article 19, alinéa 4, de l'arrêté royal n° 72, et lorsque le total des fractions qui pour chacune de ces pensions en expriment l'importance dépasse l'unité, la fraction représentative de la carrière professionnelle qui est prise en considération pour le calcul de la pension de conjoint divorcé est diminuée d'autant qu'il faut pour réduire ledit total à l'unité.
En vue de l'application du présent paragraphe :
1° la fraction représentant l'importance de la pension de retraite de travailleur indépendant est établie conformément aux dispositions de l'article 60, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté;
2° les fractions représentant l'importance des pensions dans un régime autre que celui des travailleurs indépendants sont établies conformément aux dispositions de l'article 19, alinéas 2 et 3, de l'arrêté royal n° 72 et des articles 57, a), 58, 59 et 60 § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté. ".
" § 1er. Lorsque l'intéressé peut prétendre à une pension de conjoint divorcé en vertu du présent arrêté, à une pension de retraite en vertu du régime des travailleurs indépendants ou à une pension de retraite, une pension de survie ou une pension de conjoint divorcé en vertu d'un autre régime de pension, au sens de l'article 19, alinéa 4, de l'arrêté royal n° 72, et lorsque le total des fractions qui pour chacune de ces pensions en expriment l'importance dépasse l'unité, la fraction représentative de la carrière professionnelle qui est prise en considération pour le calcul de la pension de conjoint divorcé est diminuée d'autant qu'il faut pour réduire ledit total à l'unité.
En vue de l'application du présent paragraphe :
1° la fraction représentant l'importance de la pension de retraite de travailleur indépendant est établie conformément aux dispositions de l'article 60, § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté;
2° les fractions représentant l'importance des pensions dans un régime autre que celui des travailleurs indépendants sont établies conformément aux dispositions de l'article 19, alinéas 2 et 3, de l'arrêté royal n° 72 et des articles 57, a), 58, 59 et 60 § 1er, alinéa 1er, du présent arrêté. ".
Art.23. Artikel 99, 4°, b), van hetzelfde besluit, vervangen door het koninklijk besluit van 20 september 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" b) wanneer een van de echtgenoten in de gevangenis is opgesloten of geplaatst is in een instelling van sociaal verweer of in een instelling voor geesteszieken; ".
" b) wanneer een van de echtgenoten in de gevangenis is opgesloten of geplaatst is in een instelling van sociaal verweer of in een instelling voor geesteszieken; ".
Art.23. L'article 99, 4°, b), du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, est remplacé par la disposition suivante :
" b) lorsqu'un des conjoints est détenu en prison ou placé dans un établissement de défense sociale ou dans un établissement d'aliénés; ".
" b) lorsqu'un des conjoints est détenu en prison ou placé dans un établissement de défense sociale ou dans un établissement d'aliénés; ".
Art.24. In artikel 101 van hetzelfde besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 16 juli 1970, 10 mei 1971, 17 juli 1972, 20 februari 1976 en 20 september 1984, worden de woorden "de ouderlijke macht" vervangen door de woorden "het ouderlijk gezag".
Art.24. A l'article 101 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 16 juillet 1970, 10 mai 1971, 17 juillet 1972, 20 février 1976 et 20 septembre 1984, les mots " la puissance paternelle " sont remplacés par les mots " l'autorité parentale ".
Art.25. In artikel 105, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 16 juli 1970, 17 juli 1972 en 20 september 1984, worden de woorden "de normale pensioenleeftijd" vervangen door de woorden "de pensioenleeftijd".
Art.25. A l'article 105, § 1er, du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 16 juillet 1970, 17 juillet 1972 et 20 septembre 1984, les mots " l'âge normal de la pension " sont remplacés par les mots " l'âge de la pension ".
Art.26. In artikel 121, eerste lid, van hetzelfde besluit worden de woorden "de normale pensioenleeftijd" vervangen door de woorden "de pensioenleeftijd".
Art.26. A l'article 121, premier alinéa, du même arrêté, les mots " l'âge normal de la pension " sont remplacés par les mots " l'âge de la pension ".
Art.27. Artikel 133bis, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 20 februari 1976 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 september 1984, 30 januari 1986 en 3 oktober 1990, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. Wanneer de rechten op overlevingspensioen ambtshalve onderzocht worden in de regeling van de zelfstandigen of in de regeling van de werknemers en de langstlevende echtgenoot de pensioenleeftijd bereikt binnen 12 maanden volgend op het overlijden van zijn echtgenoot, dan wordt er terzelfdertijd overgegaan tot het onderzoek van de eventuele rechten op het rustpensioen. ".
" § 1. Wanneer de rechten op overlevingspensioen ambtshalve onderzocht worden in de regeling van de zelfstandigen of in de regeling van de werknemers en de langstlevende echtgenoot de pensioenleeftijd bereikt binnen 12 maanden volgend op het overlijden van zijn echtgenoot, dan wordt er terzelfdertijd overgegaan tot het onderzoek van de eventuele rechten op het rustpensioen. ".
Art.27. L'article 133bis, § 1er, du même arrêté, introduit par l'arrêté royal du 20 février 1976 et modifié par les arrêtés royaux des 20 septembre 1984, 30 janvier 1986 et 3 octobre 1990, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. Lorsque les droits à la pension de survie sont examinés d'office dans le régime des travailleurs indépendants ou dans le régime des travailleurs salariés, et que le conjoint survivant atteint l'âge de la pension dans les douze mois qui suivent le décès de son conjoint, il est procédé simultanément à un examen des droits éventuels à la pension de retraite. ".
" § 1er. Lorsque les droits à la pension de survie sont examinés d'office dans le régime des travailleurs indépendants ou dans le régime des travailleurs salariés, et que le conjoint survivant atteint l'âge de la pension dans les douze mois qui suivent le décès de son conjoint, il est procédé simultanément à un examen des droits éventuels à la pension de retraite. ".
Art.28. In artikel 147, van hetzelfde besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 17 juli 1972 en 20 september 1984, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. Het rustpensioen, het overlevingspensioen en het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot worden geschorst tijdens de duur van hun hechtenis of hun plaatsing ten opzichte van de gerechtigden die zijn opgesloten in de gevangenissen of geplaatst zijn in de instellingen van sociaal verweer. ";
2° in § 2 worden de woorden "of internering" gewijzigd door de woorden "of plaatsing".
1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. Het rustpensioen, het overlevingspensioen en het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot worden geschorst tijdens de duur van hun hechtenis of hun plaatsing ten opzichte van de gerechtigden die zijn opgesloten in de gevangenissen of geplaatst zijn in de instellingen van sociaal verweer. ";
2° in § 2 worden de woorden "of internering" gewijzigd door de woorden "of plaatsing".
Art.28. A l'article 147 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 17 juillet 1972 et 20 septembre 1984, sont apportées les modifications suivantes :
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La pension de retraite, la pension de survie et la pension de conjoint divorce sont suspendues pour la durée de leur détention ou de leur placement, à l'égard des bénéficiaires détenus dans les prisons ou places dans les établissements de défense sociale. ";
2° au § 2 les mots " ou d'internement " sont remplacés par les mots " ou de placement ".
1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La pension de retraite, la pension de survie et la pension de conjoint divorce sont suspendues pour la durée de leur détention ou de leur placement, à l'égard des bénéficiaires détenus dans les prisons ou places dans les établissements de défense sociale. ";
2° au § 2 les mots " ou d'internement " sont remplacés par les mots " ou de placement ".
Art.29. Artikel 163 van hetzelfde besluit, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 20 februari 1976 en 20 september 1984, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 163. § 1. Het onvoorwaardelijk rustpensioen gaat in vanaf de eerste van de maand volgend op deze waarin de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt.
§ 2. Het onvoorwaardelijk overlevingspensioen gaat in vanaf de eerste van de maand die volgt op die waarin de man overleden is en ten vroegste vanaf de eerste van de maand volgend op deze waarin de weduwe de leeftijd van 65 jaar bereikt.
§ 3. In afwijking op de §§ 1 en 2, en voor wat de vrouwen betreft die de leeftijd bereiken van :
1° 61 jaar na 31 mei 1997 en vóór 1 december 1999, gaat het onvoorwaardelijk pensioen in de eerste van de maand die volgt op die waarin deze leeftijd bereikt wordt;
2° 62 jaar na 30 november 1999 en vóór 1 december 2002, gaat het onvoorwaardelijk pensioen in de eerste van de maand die volgt op die waarin deze leeftijd bereikt wordt;
3° 63 jaar na 30 november 2002 en vóór 1 december 2005, gaat het onvoorwaardelijk pensioen in de eerste van de maand die volgt op die waarin deze leeftijd bereikt wordt;
4° 64 jaar na 30 november 2005 en vóór 1 december 2008, gaat het onvoorwaardelijk pensioen in de eerste van de maand die volgt op die waarin deze leeftijd bereikt wordt. ".
" Art. 163. § 1. Het onvoorwaardelijk rustpensioen gaat in vanaf de eerste van de maand volgend op deze waarin de gerechtigde de leeftijd van 65 jaar bereikt.
§ 2. Het onvoorwaardelijk overlevingspensioen gaat in vanaf de eerste van de maand die volgt op die waarin de man overleden is en ten vroegste vanaf de eerste van de maand volgend op deze waarin de weduwe de leeftijd van 65 jaar bereikt.
§ 3. In afwijking op de §§ 1 en 2, en voor wat de vrouwen betreft die de leeftijd bereiken van :
1° 61 jaar na 31 mei 1997 en vóór 1 december 1999, gaat het onvoorwaardelijk pensioen in de eerste van de maand die volgt op die waarin deze leeftijd bereikt wordt;
2° 62 jaar na 30 november 1999 en vóór 1 december 2002, gaat het onvoorwaardelijk pensioen in de eerste van de maand die volgt op die waarin deze leeftijd bereikt wordt;
3° 63 jaar na 30 november 2002 en vóór 1 december 2005, gaat het onvoorwaardelijk pensioen in de eerste van de maand die volgt op die waarin deze leeftijd bereikt wordt;
4° 64 jaar na 30 november 2005 en vóór 1 december 2008, gaat het onvoorwaardelijk pensioen in de eerste van de maand die volgt op die waarin deze leeftijd bereikt wordt. ".
Art.29. L'article 163 du même arrêté, modifié par les arrêtés royaux des 20 février 1976 et 20 septembre 1984, est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 163. § 1er. La pension inconditionnelle de retraite prend cours à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le bénéficiaire atteint l'âge de 65 ans.
§ 2. La pension inconditionnelle de survie prend cours à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le mari est décédé et au plus tôt à partir du 1er du mois qui suit celui au cours duquel la veuve atteint l'âge de 65 ans.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, et en ce qui concerne les femmes qui atteignent l'âge de :
1° 61 ans apres le 31 mai 1997 et avant le 1er décembre 1999, la pension inconditionnelle prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet âge est atteint;
2° 62 ans après le 30 novembre 1999 et avant le 1er décembre 2002, la pension inconditionnelle prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet âge est atteint;
3° 63 ans après le 30 novembre 2002 et avant le 1er décembre 2005, la pension inconditionnelle prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet âge est atteint;
4° 64 ans après le 30 novembre 2005 et avant le 1er décembre 2008, la pension inconditionnelle prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet âge est atteint. ".
" Art. 163. § 1er. La pension inconditionnelle de retraite prend cours à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le bénéficiaire atteint l'âge de 65 ans.
§ 2. La pension inconditionnelle de survie prend cours à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le mari est décédé et au plus tôt à partir du 1er du mois qui suit celui au cours duquel la veuve atteint l'âge de 65 ans.
§ 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, et en ce qui concerne les femmes qui atteignent l'âge de :
1° 61 ans apres le 31 mai 1997 et avant le 1er décembre 1999, la pension inconditionnelle prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet âge est atteint;
2° 62 ans après le 30 novembre 1999 et avant le 1er décembre 2002, la pension inconditionnelle prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet âge est atteint;
3° 63 ans après le 30 novembre 2002 et avant le 1er décembre 2005, la pension inconditionnelle prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet âge est atteint;
4° 64 ans après le 30 novembre 2005 et avant le 1er décembre 2008, la pension inconditionnelle prend cours le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cet âge est atteint. ".
Art.30. Artikel 170bis van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 2 maart 1977, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" § 1. De weduwe verliest haar recht op onvoorwaardelijk overlevingspensioen wanneer zij herhuwt.
Onverminderd de bepalingen van § 2, heropent de weduwe haar recht op onvoorwaardelijk overlevingspensioen in geval van ontbinding van het huwelijk.
§ 2. De weduwe die door opeenvolgende huwelijken met zelfstandigen verbonden is geweest, kan slechts het hoogste van de onvoorwaardelijke overlevingspensioenen bekomen waarop zij recht zou hebben.
De weduwe die door opeenvolgende huwelijken verbonden is geweest met een zelfstandige en met een werknemer die onderworpen was aan een andere rust- en overlevingspensioenregeling, kan het bij dit besluit bepaalde onvoorwaardelijk overlevingspensioen slechts bekomen indien zij afziet van de uitkering van het overlevingspensioen dat haar krachtens een andere pensioenregeling toegekend zou zijn. ".
" § 1. De weduwe verliest haar recht op onvoorwaardelijk overlevingspensioen wanneer zij herhuwt.
Onverminderd de bepalingen van § 2, heropent de weduwe haar recht op onvoorwaardelijk overlevingspensioen in geval van ontbinding van het huwelijk.
§ 2. De weduwe die door opeenvolgende huwelijken met zelfstandigen verbonden is geweest, kan slechts het hoogste van de onvoorwaardelijke overlevingspensioenen bekomen waarop zij recht zou hebben.
De weduwe die door opeenvolgende huwelijken verbonden is geweest met een zelfstandige en met een werknemer die onderworpen was aan een andere rust- en overlevingspensioenregeling, kan het bij dit besluit bepaalde onvoorwaardelijk overlevingspensioen slechts bekomen indien zij afziet van de uitkering van het overlevingspensioen dat haar krachtens een andere pensioenregeling toegekend zou zijn. ".
Art.30. L'article 170bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 2 mars 1977, est remplacé par la disposition suivante :
" § 1er. La veuve perd son droit à la pension inconditionnelle de survie lorsqu'elle se remarie.
Sans préjudice des dispositions du § 2, elle recouvre son droit à la pension inconditionnelle de survie en cas de dissolution du mariage.
§ 2. La veuve qui a été unie par des mariages successifs à des travailleurs indépendants, ne peut obtenir que la plus élevée des pensions inconditionnelles de survie auxquelles elle pourrait prétendre.
La veuve qui a été unie par des mariages successifs à un travailleur indépendant et à un travailleur soumis à un autre régime de retraite et de survie, ne peut obtenir la pension inconditionnelle de survie prévue par le présent arrêté que si elle renonce au paiement de la pension de survie qui lui serait accordée en vertu d'un autre régime de pension. ".
" § 1er. La veuve perd son droit à la pension inconditionnelle de survie lorsqu'elle se remarie.
Sans préjudice des dispositions du § 2, elle recouvre son droit à la pension inconditionnelle de survie en cas de dissolution du mariage.
§ 2. La veuve qui a été unie par des mariages successifs à des travailleurs indépendants, ne peut obtenir que la plus élevée des pensions inconditionnelles de survie auxquelles elle pourrait prétendre.
La veuve qui a été unie par des mariages successifs à un travailleur indépendant et à un travailleur soumis à un autre régime de retraite et de survie, ne peut obtenir la pension inconditionnelle de survie prévue par le présent arrêté que si elle renonce au paiement de la pension de survie qui lui serait accordée en vertu d'un autre régime de pension. ".
Art.31. Dit besluit is van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 ingaan, met uitzondering van artikel 10 dat van toepassing is op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1995 zijn ingegaan en ten laatste op 1 juni 1997.
Art.31. Le présent arrêté est d'application aux pensions des travailleurs indépendants qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997, à l'exception de l'article 10 qui est d'application aux pensions des travailleurs indépendants qui ont pris cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1995 et au plus tard le 1er juin 1997.
Art.32. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1997, met uitzondering van artikel 10 dat uitwerking heeft met ingang van 1 juli 1995.
Art.32. Le présent arrêté produit ses effets le 1er juillet 1997, à l'exception de l'article 10 qui produit ses effets le 1er juillet 1995.
Art. 33. Onze Minister van Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 18 juli 1997.
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen,
M. COLLA
Gegeven te Brussel, 18 juli 1997.
Van Koningswege :
De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen,
M. COLLA
Art. 33. Notre Ministre des Pensions est chargé de l'exécution du présent arrête.
Donné à Bruxelles, le 18 juillet 1997.
Par le Roi :
ALBERT
Le Ministre de la Santé publique et des Pensions,
M. COLLA
Donné à Bruxelles, le 18 juillet 1997.
Par le Roi :
ALBERT
Le Ministre de la Santé publique et des Pensions,
M. COLLA