Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan :
1° onder " koninklijk besluit nr. 38 " : het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2° onder " koninklijk besluit nr. 72 " : het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
3° onder " wet van 15 mei 1984 " : de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen;
4° onder " zelfstandige " : de zelfstandige en de helper zoals zij door het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen zijn omschreven om het toepassingsgebied van dit laatste besluit af te bakenen.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
30 JANUARI 1997. - Koninklijk besluit betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-03-1997 en tekstbijwerking tot 16-05-2024)
Titre
30 JANVIER 1997. - Arrêté royal relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-03-1997 et mise à jour au 16-05-2024)
Informations sur le document
Numac: 1997022063
Datum: 1997-01-30
Info du document
Numac: 1997022063
Date: 1997-01-30
Table des matières
HOOFDSTUK I- Definities.
HOOFDSTUK II- Toepassingsgebied.
HOOFDSTUK III- Toekenningsvoorwaarden.
HOOFDSTUK IV- De pensioenberekening.
HOOFDSTUK V. - Het halftijds pensioen.
HOOFDSTUK VI- Diverse bepalingen.
HOOFDSTUK VII- Overgangsbepalingen.
HOOFDSTUK VIII- Wijzigingsbepalingen.
HOOFDSTUK IX- Slotbepalingen.
Table des matières
CHAPITRE I. - Définitions.
CHAPITRE II. - Champ d'application.
CHAPITRE III. - Conditions d'octroi.
CHAPITRE IV. - Le calcul de la pension.
CHAPITRE V. - La pension à mi-temps.
CHAPITRE VI. - Dispositions diverses.
CHAPITRE VII. - Dispositions transitoires.
CHAPITRE VIII. - Dispositions modificatives.
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
Tekst (42)
Texte (42)
HOOFDSTUK I- Definities.
CHAPITRE I. - Définitions.
Article 1. Pour l'application du présent, arrêté, il y a lieu d'entendre :
1° par " arrêté royal n° 38 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° par " arrêté royal n° 72 " : l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
3° par " loi du 15 mai 1984 " : la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions;
4° par " travailleur indépendant " : le travailleur indépendant et l'aidant tels qu'ils sont définis par l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, pour délimiter le champ d'application de ce dernier arrêté.
1° par " arrêté royal n° 38 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° par " arrêté royal n° 72 " : l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
3° par " loi du 15 mai 1984 " : la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions;
4° par " travailleur indépendant " : le travailleur indépendant et l'aidant tels qu'ils sont définis par l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, pour délimiter le champ d'application de ce dernier arrêté.
HOOFDSTUK II- Toepassingsgebied.
CHAPITRE II. - Champ d'application.
Art.2. § 1. Dit besluit is van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 ingaan.
§ 2. Voor zover de bepalingen van dit besluit niet afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 en van de wet van 15 mei 1984, blijven deze laatste bepalingen van toepassing op de pensioenen bedoeld in § 1.
§ 2. Voor zover de bepalingen van dit besluit niet afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 en van de wet van 15 mei 1984, blijven deze laatste bepalingen van toepassing op de pensioenen bedoeld in § 1.
Art.2. § 1er. Le présent arrêté est d'application aux pensions des travailleurs indépendants qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997.
§ 2. Pour autant que les dispositions du présent arrêté ne dérogent pas aux dispositions de l'arrêté royal n° 72 et de la loi du 15 mai 1984, ces dernières dispositions restent d'application aux pensions visées au § 1er.
§ 2. Pour autant que les dispositions du présent arrêté ne dérogent pas aux dispositions de l'arrêté royal n° 72 et de la loi du 15 mai 1984, ces dernières dispositions restent d'application aux pensions visées au § 1er.
HOOFDSTUK III- Toekenningsvoorwaarden.
CHAPITRE III. - Conditions d'octroi.
Art.3. § 1. Onverminderd de bepalingen van § 5, gaat het rustpensioen in vanaf de eerste van de maand die volgt op deze waarin de aanvrager de pensioenleeftijd bereikt. De pensioenleeftijd is 65 jaar.
[5 § 1bis. Vanaf 1 februari 2025 en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2025 en uiterlijk op 1 januari 2030 ingaan, is de pensioenleeftijd 66 jaar.
§ 1ter. Vanaf 1 februari 2030 en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2030 ingaan is de pensioenleeftijd 67 jaar.]5
§ 2. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand die volgt op de 60ste verjaardag.
In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt het rustpensioen verminderd met 5 t.h. per jaar vervroeging.
Voor de toepassing van de verminderingscoëfficiënt bedoeld in het vorige lid, wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de ingangsdatum van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.
(Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal [1 ten vroegste ingaat op 1 januari 2007 en uiterlijk op 1 december 2012]1 wordt het verminderd met :
- 7 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 6 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 5 pct. voor het derde jaar vervroeging, 4 pct. voor het vierde jaar vervroeging en 3 pct. voor het vijfde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
- 6 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 5 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 4 pct. voor het derde jaar vervroeging en 3 pct. voor het vierde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
- 5 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 4 pct. voor het tweede jaar vervroeging en 3 pct. voor het derde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag;
- 4 pct. voor het eerste jaar vervroeging en 3 pct. voor het tweede jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 64e verjaardag;
- 3 pct. voor het jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 64e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 65e verjaardag.) <W 2005-12-23/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
[1 § 2bis. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand die volgt op de 62e verjaardag.
In afwijking van het vorige lid, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
1° op de eerste van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren;
2° op de eerste van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 41 kalenderjaren.
Nochtans kan de belanghebbende die, op een bepaald ogenblik, voldoet aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voorzien in deze paragraaf, in paragraaf 3, tweede lid, of [2 in artikel 16bis, §§ 1, 2 en 2bis]2, om een rustpensioen te verkrijgen voor de leeftijd bedoeld in § 1, naar keuze en op zijn verzoek een vervroegd pensioen bekomen ongeacht de datum waarop het pensioen later daadwerkelijk ingaat.
[2 [3 [6 In afwijking van het eerste lid wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2016 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig artikel 16bis, § 1, eerste lid, 3°]6 ]2
[6 ...]6 ]1
[7 § 2ter. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag.
In afwijking van het eerste lid en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2018 en uiterlijk op 1 januari 2019 ingaan, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren;
3° op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren.
In afwijking van het eerste lid en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2019 ingaan, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 44 kalenderjaren;
2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
3° op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren.
Nochtans kan de belanghebbende die, op een bepaald ogenblik, voldoet aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden bepaald bij paragraaf 2bis, in deze paragraaf, in § 3, tweede of derde lid, of in artikel 16ter, om een rustpensioen te verkrijgen voor de leeftijd bedoeld in paragraaf 1, naar keuze en op zijn verzoek een vervroegd pensioen verkrijgen, ongeacht de datum waarop het pensioen later daadwerkelijk ingaat.]7
§ 3. De mogelijkheid om overeenkomstig § 2 een vervroegd rustpensioen te bekomen is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van tenminste 35 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen.
[9 De mogelijkheid om overeenkomstig § 2bis een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 40 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van toepassing is.]9
[7 De mogelijkheid om overeenkomstig § 2ter, eerste lid, een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste :
1° 41 kalenderjaren wanneer het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2018 en uiterlijk op 1 januari 2019 ingaat;
2° 42 kalenderjaren wanneer het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste vanaf 1 februari 2019 ingaat;
[9 Met kalenderjaren in de zin van het derde lid wordt bedoeld de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers of zelfstandi-gen en waar België door gebonden is, van toepassing is.]9]7
[1 [7 De in het eerste tot het vierde lid bedoelde kalenderjaren]7 ]1 worden, naargelang van het geval, in aanmerking genomen op voorwaarde dat :
1° in de regeling voor zelfstandigen :
- de jaren gelegen vóór 1957 recht kunnen openen op pensioen;
- de jaren gelegen na 1956 tenminste twee kwartalen omvatten die recht kunnen openen op pensioen;
2° in de werknemersregeling en in de andere regelingen, de pensioenrechten betrekking hebben op een tewerkstelling die overeenstemt met ten minste (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling. Wanneer de tewerkstelling niet het volledige kalenderjaar omvat, is aan deze voorwaarde voldaan indien voor het kalenderjaar tenminste het equivalent van de vermelde minimum duur van tewerkstelling wordt bewezen. <KB 1997-03-21/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Voor de toepassing van deze paragraaf worden de periodes tijdens welke de belanghebbende zijn beroepsloopbaan onderbroken heeft om een kind op te voeden dat minder dan 6 jaar oud is, in aanmerking genomen. Deze periodes komen echter niet in aanmerking als recht op pensioen ervoor kan geopend worden [1 krachtens de in het eerste en het tweede lid bedoelde pensioenregelingen]1. De in dit lid bedoelde periodes en de overeenkomstige periodes die recht openen op pensioen [1 krachtens een pensioenregeling bedoeld in het eerste en het tweede lid]1, kunnen slechts tot beloop van 36 volle maanden in aanmerking worden genomen. De Koning kan de voorwaarden bepalen waaraan de in dit lid bedoelde periodes moeten voldoen om in aanmerking te worden genomen.
(Voor de toepassing van deze paragraaf worden niet in aanmerking genomen :
1° de periodes gelijkgesteld krachtens artikel 33 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
2° de periodes gelijkgesteld krachtens artikel 36 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
3° de periodes geregulariseerd of toegekend krachtens de artikelen 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 en 79 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
4° de gelijkaardige periodes aan de periodes bedoeld in punt 1° en 3°, in andere Belgische pensioenregelingen.) <W 2006-01-16/44, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
Voor de toepassing van deze paragraaf kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit :
1° bijzondere regels vaststellen in geval van gemengde loopbaan;
2° vaststellen wat onder een tewerkstelling die overeenstemt met (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling moet worden verstaan. <KB 1997-03-21/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(§ 3bis. [8 ...]8
(§ 3ter. De vermindering bepaald in § 2 is niet van toepassing indien de belanghebbende een loopbaan van 45 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005.
(De in het vorige lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 44 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2007.) <W 2008-06-08/30, art. 24, 1°, 013; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
(De in het eerste lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 43 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2008 en uiterlijk op 1 december 2008) <W 2008-12-22/32, art. 202, 1°, 015; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
[1 De in het eerste lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 42 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2009 en uiterlijk op 1 december 2012.]1
[1 [4 ...]4 ]1
Onder kalenderjaren in de zin van vorige leden wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van § 3 of krachtens een of meerdere wettelijke buitenlandse pensioenregelingen.
De kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een wettelijke buitenlandse regeling worden vermoed vervuld te zijn in het kader van de werknemersregeling zoals [1 bedoeld in § 3, derde lid, 2°]1.) <W 2005-12-23/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
§ 4. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, bijzondere modaliteiten voorzien volgens welke de binnenschippers recht hebben op het vervroegd rustpensioen.
§ 5. Het rustpensioen kan niet ingaan vóór de eerste van de maand die volgt op deze waarin de aanvraag werd ingediend.
Nochtans, indien de langstlevende echtgenoot, die een aanvraag tot overlevingspensioen indient in de voorwaarden bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72, recht heeft op een rustpensioen, kan dit laatste, [1 onverminderd de bepalingen van de §§ 1, 2, 2bis en 4, of van artikel 16, §§ 1 en 2 [2 en van artikel 16bis, §§ 1 en 2bis]2]1, ingaan op dezelfde datum als het overlevingspensioen.
(§ 5bis. Wanneer een persoon die in het buitenland verblijft een aanvraag om een rustpensioen indient na de laatste dag van de maand in de loop waarvan hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt de aanvraag geacht te zijn ingediend op de eerste dag van de maand in de loop waarvan deze leeftijd bereikt wordt.
Voor wat de vrouwen betreft, wordt de leeftijd van 65 jaar teruggebracht tot :
1° 61 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 31 mei 1997 en vóór 1 december 1999;
2° 62 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 1999 en vóór 1 december 2002;
3° 63 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 2002 en vóór 1 december 2005;
4° 64 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 2005 en vóór 1 december 2008.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt rekening gehouden met de leeftijd die eerst bereikt wordt.) <W 2006-12-27/30, art. 248, 1°, 012; Inwerkingtreding : 20-05-2005>
§ 6. De Koning bepaalt de gevallen waarin de rechten op het rustpensioen ambtshalve worden onderzocht.
(§ 7. Voor de werknemers die tevens een beroepsactiviteit als zelfstandige uitgeoefend hebben en die onder de toepassing vallen van een collectieve arbeidsovereenkomst, goedgekeurd door de Minister die Arbeid en Tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, en die in een vervroegde uittreding voorziet, worden de perioden van inactiviteit die door deze collectieve arbeidsovereenkomst gedekt worden, in aanmerking genomen voor de toepassing van § 3 op voorwaarde dat de werknemer vervroegd uitgetreden is ten laatste op 31 december 1996.) <KB 1997-04-25/37, art. 3, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
§ 8. (...) <W 2006-12-27/30, art. 248, 2°, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[5 § 1bis. Vanaf 1 februari 2025 en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2025 en uiterlijk op 1 januari 2030 ingaan, is de pensioenleeftijd 66 jaar.
§ 1ter. Vanaf 1 februari 2030 en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2030 ingaan is de pensioenleeftijd 67 jaar.]5
§ 2. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand die volgt op de 60ste verjaardag.
In het geval bedoeld in het vorige lid, wordt het rustpensioen verminderd met 5 t.h. per jaar vervroeging.
Voor de toepassing van de verminderingscoëfficiënt bedoeld in het vorige lid, wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de ingangsdatum van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.
(Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal [1 ten vroegste ingaat op 1 januari 2007 en uiterlijk op 1 december 2012]1 wordt het verminderd met :
- 7 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 6 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 5 pct. voor het derde jaar vervroeging, 4 pct. voor het vierde jaar vervroeging en 3 pct. voor het vijfde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
- 6 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 5 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 4 pct. voor het derde jaar vervroeging en 3 pct. voor het vierde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
- 5 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 4 pct. voor het tweede jaar vervroeging en 3 pct. voor het derde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag;
- 4 pct. voor het eerste jaar vervroeging en 3 pct. voor het tweede jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 64e verjaardag;
- 3 pct. voor het jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 64e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 65e verjaardag.) <W 2005-12-23/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
[1 § 2bis. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste van de maand die volgt op de 62e verjaardag.
In afwijking van het vorige lid, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
1° op de eerste van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren;
2° op de eerste van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 41 kalenderjaren.
Nochtans kan de belanghebbende die, op een bepaald ogenblik, voldoet aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden voorzien in deze paragraaf, in paragraaf 3, tweede lid, of [2 in artikel 16bis, §§ 1, 2 en 2bis]2, om een rustpensioen te verkrijgen voor de leeftijd bedoeld in § 1, naar keuze en op zijn verzoek een vervroegd pensioen bekomen ongeacht de datum waarop het pensioen later daadwerkelijk ingaat.
[2 [3 [6 In afwijking van het eerste lid wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2016 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig artikel 16bis, § 1, eerste lid, 3°]6 ]2
[6 ...]6 ]1
[7 § 2ter. Het rustpensioen kan nochtans, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan voor de leeftijd bedoeld in § 1, en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag.
In afwijking van het eerste lid en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2018 en uiterlijk op 1 januari 2019 ingaan, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren;
3° op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren.
In afwijking van het eerste lid en voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2019 ingaan, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan :
1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 44 kalenderjaren;
2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
3° op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren.
Nochtans kan de belanghebbende die, op een bepaald ogenblik, voldoet aan de leeftijds- en loopbaanvoorwaarden bepaald bij paragraaf 2bis, in deze paragraaf, in § 3, tweede of derde lid, of in artikel 16ter, om een rustpensioen te verkrijgen voor de leeftijd bedoeld in paragraaf 1, naar keuze en op zijn verzoek een vervroegd pensioen verkrijgen, ongeacht de datum waarop het pensioen later daadwerkelijk ingaat.]7
§ 3. De mogelijkheid om overeenkomstig § 2 een vervroegd rustpensioen te bekomen is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van tenminste 35 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen.
[9 De mogelijkheid om overeenkomstig § 2bis een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 40 kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers of zelfstandigen en waar België door gebonden is, van toepassing is.]9
[7 De mogelijkheid om overeenkomstig § 2ter, eerste lid, een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, is ondergeschikt aan de voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste :
1° 41 kalenderjaren wanneer het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2018 en uiterlijk op 1 januari 2019 ingaat;
2° 42 kalenderjaren wanneer het pensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste vanaf 1 februari 2019 ingaat;
[9 Met kalenderjaren in de zin van het derde lid wordt bedoeld de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen van toepassing zijn of waarop een internationale overeenkomst die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op de pensioenen van werknemers of zelfstandi-gen en waar België door gebonden is, van toepassing is.]9]7
[1 [7 De in het eerste tot het vierde lid bedoelde kalenderjaren]7 ]1 worden, naargelang van het geval, in aanmerking genomen op voorwaarde dat :
1° in de regeling voor zelfstandigen :
- de jaren gelegen vóór 1957 recht kunnen openen op pensioen;
- de jaren gelegen na 1956 tenminste twee kwartalen omvatten die recht kunnen openen op pensioen;
2° in de werknemersregeling en in de andere regelingen, de pensioenrechten betrekking hebben op een tewerkstelling die overeenstemt met ten minste (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling. Wanneer de tewerkstelling niet het volledige kalenderjaar omvat, is aan deze voorwaarde voldaan indien voor het kalenderjaar tenminste het equivalent van de vermelde minimum duur van tewerkstelling wordt bewezen. <KB 1997-03-21/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Voor de toepassing van deze paragraaf worden de periodes tijdens welke de belanghebbende zijn beroepsloopbaan onderbroken heeft om een kind op te voeden dat minder dan 6 jaar oud is, in aanmerking genomen. Deze periodes komen echter niet in aanmerking als recht op pensioen ervoor kan geopend worden [1 krachtens de in het eerste en het tweede lid bedoelde pensioenregelingen]1. De in dit lid bedoelde periodes en de overeenkomstige periodes die recht openen op pensioen [1 krachtens een pensioenregeling bedoeld in het eerste en het tweede lid]1, kunnen slechts tot beloop van 36 volle maanden in aanmerking worden genomen. De Koning kan de voorwaarden bepalen waaraan de in dit lid bedoelde periodes moeten voldoen om in aanmerking te worden genomen.
(Voor de toepassing van deze paragraaf worden niet in aanmerking genomen :
1° de periodes gelijkgesteld krachtens artikel 33 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
2° de periodes gelijkgesteld krachtens artikel 36 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen;
3° de periodes geregulariseerd of toegekend krachtens de artikelen 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 en 79 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
4° de gelijkaardige periodes aan de periodes bedoeld in punt 1° en 3°, in andere Belgische pensioenregelingen.) <W 2006-01-16/44, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 22-02-2006>
Voor de toepassing van deze paragraaf kan de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit :
1° bijzondere regels vaststellen in geval van gemengde loopbaan;
2° vaststellen wat onder een tewerkstelling die overeenstemt met (één derde) van een voltijdse arbeidsregeling moet worden verstaan. <KB 1997-03-21/30, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
(§ 3bis. [8 ...]8
(§ 3ter. De vermindering bepaald in § 2 is niet van toepassing indien de belanghebbende een loopbaan van 45 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005.
(De in het vorige lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 44 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2007.) <W 2008-06-08/30, art. 24, 1°, 013; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
(De in het eerste lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 43 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2008 en uiterlijk op 1 december 2008) <W 2008-12-22/32, art. 202, 1°, 015; Inwerkingtreding : 08-01-2009>
[1 De in het eerste lid bedoelde loopbaanvoorwaarde wordt vastgesteld op 42 kalenderjaren voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2009 en uiterlijk op 1 december 2012.]1
[1 [4 ...]4 ]1
Onder kalenderjaren in de zin van vorige leden wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van § 3 of krachtens een of meerdere wettelijke buitenlandse pensioenregelingen.
De kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een wettelijke buitenlandse regeling worden vermoed vervuld te zijn in het kader van de werknemersregeling zoals [1 bedoeld in § 3, derde lid, 2°]1.) <W 2005-12-23/30, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2006>
§ 4. De Koning kan, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, bijzondere modaliteiten voorzien volgens welke de binnenschippers recht hebben op het vervroegd rustpensioen.
§ 5. Het rustpensioen kan niet ingaan vóór de eerste van de maand die volgt op deze waarin de aanvraag werd ingediend.
Nochtans, indien de langstlevende echtgenoot, die een aanvraag tot overlevingspensioen indient in de voorwaarden bedoeld in artikel 5, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72, recht heeft op een rustpensioen, kan dit laatste, [1 onverminderd de bepalingen van de §§ 1, 2, 2bis en 4, of van artikel 16, §§ 1 en 2 [2 en van artikel 16bis, §§ 1 en 2bis]2]1, ingaan op dezelfde datum als het overlevingspensioen.
(§ 5bis. Wanneer een persoon die in het buitenland verblijft een aanvraag om een rustpensioen indient na de laatste dag van de maand in de loop waarvan hij de leeftijd van 65 jaar bereikt, wordt de aanvraag geacht te zijn ingediend op de eerste dag van de maand in de loop waarvan deze leeftijd bereikt wordt.
Voor wat de vrouwen betreft, wordt de leeftijd van 65 jaar teruggebracht tot :
1° 61 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 31 mei 1997 en vóór 1 december 1999;
2° 62 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 1999 en vóór 1 december 2002;
3° 63 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 2002 en vóór 1 december 2005;
4° 64 jaar wanneer deze leeftijd bereikt wordt na 30 november 2005 en vóór 1 december 2008.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt rekening gehouden met de leeftijd die eerst bereikt wordt.) <W 2006-12-27/30, art. 248, 1°, 012; Inwerkingtreding : 20-05-2005>
§ 6. De Koning bepaalt de gevallen waarin de rechten op het rustpensioen ambtshalve worden onderzocht.
(§ 7. Voor de werknemers die tevens een beroepsactiviteit als zelfstandige uitgeoefend hebben en die onder de toepassing vallen van een collectieve arbeidsovereenkomst, goedgekeurd door de Minister die Arbeid en Tewerkstelling onder zijn bevoegdheid heeft, en die in een vervroegde uittreding voorziet, worden de perioden van inactiviteit die door deze collectieve arbeidsovereenkomst gedekt worden, in aanmerking genomen voor de toepassing van § 3 op voorwaarde dat de werknemer vervroegd uitgetreden is ten laatste op 31 december 1996.) <KB 1997-04-25/37, art. 3, 1°, 003; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
§ 8. (...) <W 2006-12-27/30, art. 248, 2°, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Modifications
Art.3. § 1. Sans préjudice des dispositions du § 5 la pension de retraite prend cours à partir du premier du mois qui suit celui au cours duquel le demandeur atteint l'âge de la pension. L'âge de la pension est de 65 ans.
[5 § 1erbis. A partir du 1er février 2025 et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2025 et au plus tard le 1er janvier 2030, l'âge de la pension est de 66 ans.
§ 1erter. A partir du 1er février 2030 et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2030, l'âge de la pension est de 67 ans.]5
§ 2. La pension de retraite peut néanmoins prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, avant l'âge prévu au § 1er, et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60ème anniversaire.
Dans le cas prévu à l'alinéa précédent, la pension de retraite est réduite de 5 pc par année d'anticipation.
Pour l'application du coefficient de réduction visé à l'alinéa précédent, il est tenu compte de l'âge atteint par le demandeur à son anniversaire précédant immédiatement la date de prise de cours de la pension.
(Lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois [1 au plus tôt le 1er janvier 2007 et au plus tard le 1er décembre 2012]1, elle est réduite de :
- 7 p.c. pour la première année d'anticipation, 6 p.c. pour la deuxième année d'anticipation, 5 p.c. pour la troisième année d'anticipation, 4 p.c. pour la quatrième année d'anticipation et 3 p.c. pour la cinquième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 61e anniversaire;
- 6 p.c. pour la première année d'anticipation, 5 p.c. pour la deuxième année d'anticipation, 4 p.c. pour la troisième année d'anticipation et 3 p.c. pour la quatrième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 62e anniversaire;
- 5 p.c. pour la première année d'anticipation, 4 p.c. pour la deuxième année d'anticipation et 3 p.c. pour la troisième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 63e anniversaire;
- 4 p.c. pour la première année d'anticipation et 3 p.c. pour la deuxième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 63e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 64e anniversaire;
- 3 p.c. pour l'année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 64e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 65e anniversaire.) <L 2005-12-23/30, art. 2, 010; En vigueur : 09-01-2006>
[1 § 2bis. La pension de retraite peut néanmoins prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, avant l'âge prévu au § 1er, et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé :
1° le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 41 années civiles.
Néanmoins, l'intéressé qui, à un moment donné, remplit les conditions d'âge et de carrière, prévues au présent paragraphe, au § 3, alinéa 2, ou [2 à l'article 16bis, §§ 1er, 2 et 2bis]2, pour obtenir une pension de retraite avant l'âge visé au § 1er, peut obtenir au choix et à sa demande une pension de retraite anticipée quelle que soit ultérieurement la date de prise de cours effective de la pension.
[2 [3 [6 Par dérogation à l'alinéa 1er, la condition d'âge requise pour les pensions de retraite prenant cours le 1er janvier 2016 est fixée conformément à l'article 16bis, § 1er, alinéa 1er, 3°.]6 ]3 ]2
[6 ...]6 ]1
[7 § 2ter. La pension de retraite peut néanmoins prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, avant l'âge prévu au § 1er, et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 63e anniversaire.
Par dérogation à l'alinéa 1er et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2018 et au plus tard le 1er janvier 2019, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé :
1° le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles;
3° le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles.
Par dérogation à l'alinéa 1er et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt à partir du 1er février 2019, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé :
1° le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 44 années civiles;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles;
3° le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles.
Néanmoins, l'intéressé qui, à un moment donné, remplit les conditions d'âge et de carrière prévues au paragraphe 2bis, au présent paragraphe, au § 3, alinéa 2 ou 3, ou à l'article 16ter, pour obtenir une pension de retraite avant l'âge visé au paragraphe 1er, peut obtenir au choix et à sa demande une pension de retraite anticipée, quelle que soit ultérieurement la date de prise de cours effective de la pension.]7
§ 3. La possibilité d'obtenir une pension de retraite anticipée conformément au § 2 est soumise dans le chef de l'intéressé à la condition de prouver une carrière d'au moins 35 années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension.
[9 La possibilité d'obtenir une pension de retraite anticipée conformément au § 2bis est soumise dans le chef de l'intéressé à la condition de prouver une carrière d'au moins 40 années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension ou dans des régimes auxquels s'appliquent des règlements européens ou une convention internationale qui concerne totalement ou partiellement les pensions des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est liée.]9
[7 La possibilité d'obtenir une pension de retraite anticipée conformément au § 2ter, alinéa 1er, est soumise dans le chef de l'intéressé à la condition de prouver une carrière d'au moins :
1° 41 années civiles si la pension prend cours effectivement et pour la 1re fois au plus tôt le 1er février 2018 et au plus tard le 1er janvier 2019;
2° 42 années civiles si la pension prend cours effectivement et pour la 1re fois au plus tôt à partir du 1er février 2019.
[9 Par années civiles au sens de l'alinéa 3, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension ou de régimes auxquels s'appliquent les règlements européens ou une convention internationale portant entièrement ou partiellement sur les pensions des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est liée.]9]7
[1 Les années civiles visées à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2]1 sont, selon le cas, prises en considération à condition que :
1° dans le régime des travailleurs indépendants :
- les années situées avant 1957 puissent ouvrir un droit à la pension;
- les années situées après 1956 elles comportent au moins deux trimestres pouvant ouvrir un droit à la pension;
2° dans le régime des travailleurs salariés et dans les autres régimes, les droits à la pension se rapportent à une occupation qui correspond (au tiers) au moins d'un régime de travail à temps plein. Lorsque l'occupation ne s'étend pas sur une année civile complète, il est satisfait à cette condition si au moins l'équivalent de la durée minimale d'occupation précitée est prouvée pour l'année civile. <AR 1997-03-21/30, art. 1, 002; En vigueur : 01-07-1997>
Pour l'application du présent paragraphe, sont prises en considération les périodes au cours desquelles l'intéressé a interrompu sa carrière professionnelle en vue d'éduquer un enfant n'ayant pas atteint l'âge de six ans accompli. Toutefois, ces périodes ne sont pas prises en considération si elles peuvent ouvrir un droit à la pension [1 en vertu des régimes de pension visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2]1. Les périodes visées par le présent alinéa et les périodes correspondantes qui ouvrent un droit à la pension [1 en vertu des régimes de pension visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2]1, ne peuvent être prises en considération qu'à concurrence d'une durée maximale de 36 mois complets. Le Roi peut fixer les conditions auxquelles les périodes visées au présent alinéa doivent satisfaire pour être prises en considération.
(Pour l'application du présent paragraphe, ne sont pas prises en considération :
1° les périodes assimilées en vertu de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
2° les périodes assimilées en vertu de l'article 36 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
3° les périodes régularisées ou attribuées en vertu des articles 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 et 79 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
4° les périodes similaires aux périodes visées aux points 1° et 3°, dans d'autres régimes de pension belges.) <L 2006-01-16/44, art. 2, 011; En vigueur : 22-02-2006>
Pour l'application du présent paragraphe, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° déterminer des règles particulières en cas de carrière mixte;
2° déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par une occupation qui correspond (au tiers) d'un régime de travail à temps plein. <AR 1997-03-21/30, art. 1, 002; En vigueur : 01-07-1997>
(§ 3bis. [8 ...]8
(§ 3ter. La réduction prévue au § 2 n'est pas applicable lorsque l'intéressé prouve une carrière de 45 années civiles pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005.
(La condition de carrière visée à l'alinéa précédent est fixée à 44 années civiles pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2007.) <L 2008-06-08/30, art. 24,1°, 013; En vigueur : 26-06-2008>
(La condition de carrière visée à l'alinéa 1er est fixée à 43 années civiles pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2008 et au plus tard le 1er décembre 2008) <L 2008-12-22/32, art. 202, 1°, 015; En vigueur : 08-01-2009>
[1 La condition de carrière visée à l'alinéa 1er est fixée à 42 années civiles pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2009 et au plus tard le 1er décembre 2012.]1
[1 [4 ...]4 ]1
Par années civiles au sens des alinéas précédents, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension, au sens du § 3, ou en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux étrangers de pension.
Les années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un régime légal étranger sont présumées être accomplies dans le cadre du régime des travailleurs salariés [1 visé au § 3, alinéa 3, 2°]1.) <L 2005-12-23/30, art. 2, 010; En vigueur : 09-01-2006>
§ 4. Le Roi peut, dans les conditions qu'il détermine, prévoir des modalités particulières selon lesquelles les bateliers ont droit à la pension de retraite anticipée.
§ 5. La pension de retraite ne peut prendre cours avant le premier du mois qui suit celui au cours duquel la demande a été introduite.
Toutefois, si le conjoint survivant qui introduit une demande de pension de survie dans les conditions visées à l'article 5, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 72, a droit à une pension de retraite, celle-ci peut, [1 sans préjudice des dispositions des §§ 1er, 2, 2bis et 4 ou de l'article 16, §§ 1er et 2 [2 et de l'article 16bis, §§ 1er et 2bis]2]1, prendre cours à la même date que la pension de survie.
(§ 5bis. Lorsqu'une personne qui réside à l'étranger introduit une demande de pension de retraite après le dernier jour du mois au cours duquel elle atteint l'âge de 65 ans, la demande est censée avoir été introduite le premier jour du mois au cours duquel cet âge est atteint.
En ce qui concerne les femmes, l'âge de 65 ans est ramené à :
1° 61 ans lorsque cet âge est atteint après le 31 mai 1997 et avant le 1er décembre 1999;
2° 62 ans lorsque cet âge est atteint après le 30 novembre 1999 et avant le 1er décembre 2002;
3° 63 ans lorsque cet âge est atteint après le 30 novembre 2002 et avant le 1er décembre 2005;
4° 64 ans lorsque cet âge est atteint après le 30 novembre 2005 et avant le 1er décembre 2008.
Pour l'application du présent paragraphe, il est tenu compte de l'âge atteint en premier lieu.) <L 2006-12-27/30, art. 248, 1°, 012; En vigueur : 20-05-2005>
§ 6. Le Roi détermine les cas dans lesquels les droits à la pension de retraite sont examines d'office.
(§ 7. Pour les travailleurs salariés qui ont également exercé une activité professionnelle de travailleur indépendant et qui tombent sous l'application d'une convention collective de travail en matière de départ anticipé, approuvé par le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions, les périodes d'inactivité couvertes par cette convention sont prises en considération pour l'application du § 3, à condition que le travailleur salarié ait cessé son activité au plus tard le 31 décembre 1996.) <AR 1997-04-25/37, art. 3, 1°, 003; En vigueur : 01-07-1997>
§ 8. (...) <L 2006-12-27/30, art. 248, 2°, 012; En vigueur : 01-01-2007>
[5 § 1erbis. A partir du 1er février 2025 et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2025 et au plus tard le 1er janvier 2030, l'âge de la pension est de 66 ans.
§ 1erter. A partir du 1er février 2030 et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2030, l'âge de la pension est de 67 ans.]5
§ 2. La pension de retraite peut néanmoins prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, avant l'âge prévu au § 1er, et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60ème anniversaire.
Dans le cas prévu à l'alinéa précédent, la pension de retraite est réduite de 5 pc par année d'anticipation.
Pour l'application du coefficient de réduction visé à l'alinéa précédent, il est tenu compte de l'âge atteint par le demandeur à son anniversaire précédant immédiatement la date de prise de cours de la pension.
(Lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois [1 au plus tôt le 1er janvier 2007 et au plus tard le 1er décembre 2012]1, elle est réduite de :
- 7 p.c. pour la première année d'anticipation, 6 p.c. pour la deuxième année d'anticipation, 5 p.c. pour la troisième année d'anticipation, 4 p.c. pour la quatrième année d'anticipation et 3 p.c. pour la cinquième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 61e anniversaire;
- 6 p.c. pour la première année d'anticipation, 5 p.c. pour la deuxième année d'anticipation, 4 p.c. pour la troisième année d'anticipation et 3 p.c. pour la quatrième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 62e anniversaire;
- 5 p.c. pour la première année d'anticipation, 4 p.c. pour la deuxième année d'anticipation et 3 p.c. pour la troisième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 63e anniversaire;
- 4 p.c. pour la première année d'anticipation et 3 p.c. pour la deuxième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 63e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 64e anniversaire;
- 3 p.c. pour l'année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 64e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 65e anniversaire.) <L 2005-12-23/30, art. 2, 010; En vigueur : 09-01-2006>
[1 § 2bis. La pension de retraite peut néanmoins prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, avant l'âge prévu au § 1er, et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire.
Par dérogation à l'alinéa précédent, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé :
1° le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 41 années civiles.
Néanmoins, l'intéressé qui, à un moment donné, remplit les conditions d'âge et de carrière, prévues au présent paragraphe, au § 3, alinéa 2, ou [2 à l'article 16bis, §§ 1er, 2 et 2bis]2, pour obtenir une pension de retraite avant l'âge visé au § 1er, peut obtenir au choix et à sa demande une pension de retraite anticipée quelle que soit ultérieurement la date de prise de cours effective de la pension.
[2 [3 [6 Par dérogation à l'alinéa 1er, la condition d'âge requise pour les pensions de retraite prenant cours le 1er janvier 2016 est fixée conformément à l'article 16bis, § 1er, alinéa 1er, 3°.]6 ]3 ]2
[6 ...]6 ]1
[7 § 2ter. La pension de retraite peut néanmoins prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, avant l'âge prévu au § 1er, et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 63e anniversaire.
Par dérogation à l'alinéa 1er et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2018 et au plus tard le 1er janvier 2019, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé :
1° le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles;
3° le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles.
Par dérogation à l'alinéa 1er et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt à partir du 1er février 2019, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé :
1° le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 44 années civiles;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles;
3° le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles.
Néanmoins, l'intéressé qui, à un moment donné, remplit les conditions d'âge et de carrière prévues au paragraphe 2bis, au présent paragraphe, au § 3, alinéa 2 ou 3, ou à l'article 16ter, pour obtenir une pension de retraite avant l'âge visé au paragraphe 1er, peut obtenir au choix et à sa demande une pension de retraite anticipée, quelle que soit ultérieurement la date de prise de cours effective de la pension.]7
§ 3. La possibilité d'obtenir une pension de retraite anticipée conformément au § 2 est soumise dans le chef de l'intéressé à la condition de prouver une carrière d'au moins 35 années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension.
[9 La possibilité d'obtenir une pension de retraite anticipée conformément au § 2bis est soumise dans le chef de l'intéressé à la condition de prouver une carrière d'au moins 40 années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension ou dans des régimes auxquels s'appliquent des règlements européens ou une convention internationale qui concerne totalement ou partiellement les pensions des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est liée.]9
[7 La possibilité d'obtenir une pension de retraite anticipée conformément au § 2ter, alinéa 1er, est soumise dans le chef de l'intéressé à la condition de prouver une carrière d'au moins :
1° 41 années civiles si la pension prend cours effectivement et pour la 1re fois au plus tôt le 1er février 2018 et au plus tard le 1er janvier 2019;
2° 42 années civiles si la pension prend cours effectivement et pour la 1re fois au plus tôt à partir du 1er février 2019.
[9 Par années civiles au sens de l'alinéa 3, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension ou de régimes auxquels s'appliquent les règlements européens ou une convention internationale portant entièrement ou partiellement sur les pensions des travailleurs salariés ou indépendants et par laquelle la Belgique est liée.]9]7
[1 Les années civiles visées à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2]1 sont, selon le cas, prises en considération à condition que :
1° dans le régime des travailleurs indépendants :
- les années situées avant 1957 puissent ouvrir un droit à la pension;
- les années situées après 1956 elles comportent au moins deux trimestres pouvant ouvrir un droit à la pension;
2° dans le régime des travailleurs salariés et dans les autres régimes, les droits à la pension se rapportent à une occupation qui correspond (au tiers) au moins d'un régime de travail à temps plein. Lorsque l'occupation ne s'étend pas sur une année civile complète, il est satisfait à cette condition si au moins l'équivalent de la durée minimale d'occupation précitée est prouvée pour l'année civile. <AR 1997-03-21/30, art. 1, 002; En vigueur : 01-07-1997>
Pour l'application du présent paragraphe, sont prises en considération les périodes au cours desquelles l'intéressé a interrompu sa carrière professionnelle en vue d'éduquer un enfant n'ayant pas atteint l'âge de six ans accompli. Toutefois, ces périodes ne sont pas prises en considération si elles peuvent ouvrir un droit à la pension [1 en vertu des régimes de pension visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2]1. Les périodes visées par le présent alinéa et les périodes correspondantes qui ouvrent un droit à la pension [1 en vertu des régimes de pension visés à l'alinéa 1er et à l'alinéa 2]1, ne peuvent être prises en considération qu'à concurrence d'une durée maximale de 36 mois complets. Le Roi peut fixer les conditions auxquelles les périodes visées au présent alinéa doivent satisfaire pour être prises en considération.
(Pour l'application du présent paragraphe, ne sont pas prises en considération :
1° les périodes assimilées en vertu de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
2° les périodes assimilées en vertu de l'article 36 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants;
3° les périodes régularisées ou attribuées en vertu des articles 3ter, 7, 75, 76, 77, 78 et 79 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
4° les périodes similaires aux périodes visées aux points 1° et 3°, dans d'autres régimes de pension belges.) <L 2006-01-16/44, art. 2, 011; En vigueur : 22-02-2006>
Pour l'application du présent paragraphe, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres :
1° déterminer des règles particulières en cas de carrière mixte;
2° déterminer ce qu'il y a lieu d'entendre par une occupation qui correspond (au tiers) d'un régime de travail à temps plein. <AR 1997-03-21/30, art. 1, 002; En vigueur : 01-07-1997>
(§ 3bis. [8 ...]8
(§ 3ter. La réduction prévue au § 2 n'est pas applicable lorsque l'intéressé prouve une carrière de 45 années civiles pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005.
(La condition de carrière visée à l'alinéa précédent est fixée à 44 années civiles pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2007.) <L 2008-06-08/30, art. 24,1°, 013; En vigueur : 26-06-2008>
(La condition de carrière visée à l'alinéa 1er est fixée à 43 années civiles pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2008 et au plus tard le 1er décembre 2008) <L 2008-12-22/32, art. 202, 1°, 015; En vigueur : 08-01-2009>
[1 La condition de carrière visée à l'alinéa 1er est fixée à 42 années civiles pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2009 et au plus tard le 1er décembre 2012.]1
[1 [4 ...]4 ]1
Par années civiles au sens des alinéas précédents, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension, au sens du § 3, ou en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux étrangers de pension.
Les années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un régime légal étranger sont présumées être accomplies dans le cadre du régime des travailleurs salariés [1 visé au § 3, alinéa 3, 2°]1.) <L 2005-12-23/30, art. 2, 010; En vigueur : 09-01-2006>
§ 4. Le Roi peut, dans les conditions qu'il détermine, prévoir des modalités particulières selon lesquelles les bateliers ont droit à la pension de retraite anticipée.
§ 5. La pension de retraite ne peut prendre cours avant le premier du mois qui suit celui au cours duquel la demande a été introduite.
Toutefois, si le conjoint survivant qui introduit une demande de pension de survie dans les conditions visées à l'article 5, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 72, a droit à une pension de retraite, celle-ci peut, [1 sans préjudice des dispositions des §§ 1er, 2, 2bis et 4 ou de l'article 16, §§ 1er et 2 [2 et de l'article 16bis, §§ 1er et 2bis]2]1, prendre cours à la même date que la pension de survie.
(§ 5bis. Lorsqu'une personne qui réside à l'étranger introduit une demande de pension de retraite après le dernier jour du mois au cours duquel elle atteint l'âge de 65 ans, la demande est censée avoir été introduite le premier jour du mois au cours duquel cet âge est atteint.
En ce qui concerne les femmes, l'âge de 65 ans est ramené à :
1° 61 ans lorsque cet âge est atteint après le 31 mai 1997 et avant le 1er décembre 1999;
2° 62 ans lorsque cet âge est atteint après le 30 novembre 1999 et avant le 1er décembre 2002;
3° 63 ans lorsque cet âge est atteint après le 30 novembre 2002 et avant le 1er décembre 2005;
4° 64 ans lorsque cet âge est atteint après le 30 novembre 2005 et avant le 1er décembre 2008.
Pour l'application du présent paragraphe, il est tenu compte de l'âge atteint en premier lieu.) <L 2006-12-27/30, art. 248, 1°, 012; En vigueur : 20-05-2005>
§ 6. Le Roi détermine les cas dans lesquels les droits à la pension de retraite sont examines d'office.
(§ 7. Pour les travailleurs salariés qui ont également exercé une activité professionnelle de travailleur indépendant et qui tombent sous l'application d'une convention collective de travail en matière de départ anticipé, approuvé par le Ministre qui a l'Emploi et le Travail dans ses attributions, les périodes d'inactivité couvertes par cette convention sont prises en considération pour l'application du § 3, à condition que le travailleur salarié ait cessé son activité au plus tard le 31 décembre 1996.) <AR 1997-04-25/37, art. 3, 1°, 003; En vigueur : 01-07-1997>
§ 8. (...) <L 2006-12-27/30, art. 248, 2°, 012; En vigueur : 01-01-2007>
Modifications
HOOFDSTUK IV- De pensioenberekening.
CHAPITRE IV. - Le calcul de la pension.
Art.4. § 1. Het rustpensioen toekenbaar in functie van de loopbaan wordt uitgedrukt door een breuk.
§ 2. De noemer van deze breuk is 45.
§ 3. De teller van de breuk bedoeld in § 1 wordt verkregen door het getal dat het totaal van de kwartalen uitdrukt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen [1 en die gelegen zijn voor het kwartaal waarin het pensioen ingaat]1, te delen door vier. <W 2006-12-27/30, art. 249, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[1 Voor de twee kwartalen die voorafgaan aan dit waarin het rustpensioen ingaat, worden, behoudens tegenbewijs, de bijdragen vermoed betaald te zijn op de ingangsdatum van het pensioen op voorwaarde dat alle door het sociaal verzekeringsfonds gevorderde bijdragen voor de periode voorafgaand aan deze twee kwartalen, betaald werden.]1
Wanneer een kalenderjaar slechts in aanmerking kan komen voor de opening van het recht op het rustpensioen indien de betrokkene, voor het betrokken jaar, een bezigheid van een door de Koning bepaalde duur bewijst en wanneer aan deze voorwaarde voldaan is, wordt genoemd jaar in rekening gebracht voor vier kwartalen.
De Koning bepaalt hoe de loopbaan berekend wordt die betrekking heeft op de jaren bedoeld in artikel 15, § 5, van het koninklijk besluit nr. 72. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden waarin de kwartalen gelegen voor het jaar gedurende hetwelk de aanvrager de leeftijd van 20 jaar bereikt heeft in aanmerking komen met het oog op de vaststelling van de in deze paragraaf bedoelde teller.
§ 4. [2 Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat bekomen wordt door de in § 3 bedoelde teller te vermenigvuldigen met 312, hoger is dan 14 040, wordt dat aantal beperkt tot 14 040 voltijdse dagequivalenten."
De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]2
§ 2. De noemer van deze breuk is 45.
§ 3. De teller van de breuk bedoeld in § 1 wordt verkregen door het getal dat het totaal van de kwartalen uitdrukt die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het rustpensioen [1 en die gelegen zijn voor het kwartaal waarin het pensioen ingaat]1, te delen door vier. <W 2006-12-27/30, art. 249, 012; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[1 Voor de twee kwartalen die voorafgaan aan dit waarin het rustpensioen ingaat, worden, behoudens tegenbewijs, de bijdragen vermoed betaald te zijn op de ingangsdatum van het pensioen op voorwaarde dat alle door het sociaal verzekeringsfonds gevorderde bijdragen voor de periode voorafgaand aan deze twee kwartalen, betaald werden.]1
Wanneer een kalenderjaar slechts in aanmerking kan komen voor de opening van het recht op het rustpensioen indien de betrokkene, voor het betrokken jaar, een bezigheid van een door de Koning bepaalde duur bewijst en wanneer aan deze voorwaarde voldaan is, wordt genoemd jaar in rekening gebracht voor vier kwartalen.
De Koning bepaalt hoe de loopbaan berekend wordt die betrekking heeft op de jaren bedoeld in artikel 15, § 5, van het koninklijk besluit nr. 72. Hij bepaalt eveneens de voorwaarden waarin de kwartalen gelegen voor het jaar gedurende hetwelk de aanvrager de leeftijd van 20 jaar bereikt heeft in aanmerking komen met het oog op de vaststelling van de in deze paragraaf bedoelde teller.
§ 4. [2 Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat bekomen wordt door de in § 3 bedoelde teller te vermenigvuldigen met 312, hoger is dan 14 040, wordt dat aantal beperkt tot 14 040 voltijdse dagequivalenten."
De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]2
Art.4. § 1. La pension de retraite allouable en fonction de la carrière est exprimée par une fraction.
§ 2. Le dénominateur de cette fraction est 45.
§ 3. Le numérateur de la fraction visée au § 1er est obtenu en divisant par quatre le nombre qui exprime le total des trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite [1 et qui se situent avant le trimestre au cours duquel la pension prend cours]1(...). <L 2006-12-27/30, art. 249, 012; En vigueur : 01-01-2007>
[1 Pour les deux trimestres qui précèdent celui au cours duquel la pension de retraite prend cours, les cotisations sont présumées, sauf preuve contraire, avoir été payées à la date de prise de cours de la pension à condition que toutes les cotisations réclamées par la caisse d'assurances sociales pour la période antérieure à ces deux trimestres aient été payées.]1
Lorsqu'une année civile n'est susceptible d'ouvrir le droit à la pension de retraite que si l'intéressé justifie, pour l'année en cause, d'une occupation d'une durée déterminée par le Roi et s'il est satisfait à cette condition, ladite année intervient pour quatre trimestres.
Le Roi détermine comment est calculée la carrière qui se rapporte aux années visées à l'article 15, § 5, de l'arrêté royal n° 72. Il détermine également les conditions dans lesquelles les trimestres antérieurs à l'année au cours de laquelle le demandeur a atteint l'âge de 20 ans entrent en ligne de compte en vue de la fixation du numérateur visé par le présent paragraphe.
§ 4. [2 Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant obtenu en multipliant le numérateur visé au § 3 par 312 est supérieur à 14 040, ce nombre est limité à 14 040 jours équivalents temps plein.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant pour l'application du présent paragraphe.]2
§ 2. Le dénominateur de cette fraction est 45.
§ 3. Le numérateur de la fraction visée au § 1er est obtenu en divisant par quatre le nombre qui exprime le total des trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de retraite [1 et qui se situent avant le trimestre au cours duquel la pension prend cours]1(...). <L 2006-12-27/30, art. 249, 012; En vigueur : 01-01-2007>
[1 Pour les deux trimestres qui précèdent celui au cours duquel la pension de retraite prend cours, les cotisations sont présumées, sauf preuve contraire, avoir été payées à la date de prise de cours de la pension à condition que toutes les cotisations réclamées par la caisse d'assurances sociales pour la période antérieure à ces deux trimestres aient été payées.]1
Lorsqu'une année civile n'est susceptible d'ouvrir le droit à la pension de retraite que si l'intéressé justifie, pour l'année en cause, d'une occupation d'une durée déterminée par le Roi et s'il est satisfait à cette condition, ladite année intervient pour quatre trimestres.
Le Roi détermine comment est calculée la carrière qui se rapporte aux années visées à l'article 15, § 5, de l'arrêté royal n° 72. Il détermine également les conditions dans lesquelles les trimestres antérieurs à l'année au cours de laquelle le demandeur a atteint l'âge de 20 ans entrent en ligne de compte en vue de la fixation du numérateur visé par le présent paragraphe.
§ 4. [2 Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant obtenu en multipliant le numérateur visé au § 3 par 312 est supérieur à 14 040, ce nombre est limité à 14 040 jours équivalents temps plein.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant pour l'application du présent paragraphe.]2
Art.5. § 1. Het rustpensioen wordt berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
§ 2. Onder bedrijfsinkomsten moet worden verstaan :
1° (voor de jaren vóór 1984 : [4 forfaitaire bedrijfsinkomsten van 8 329,75 EUR]4. Dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100).) <KB 2001-07-13/48, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2° voor de jaren vanaf 1984 : de [2 ...]2 bedrijfsinkomsten die in aanmerking werden genomen met het oog op de inning, voor het betrokken jaar, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38.
[6 Deze inkomsten worden niet in aanmerking genomen voor het gedeelte dat het bedrag van 42 310,43 EUR overschrijdt. Dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en wordt, in voorkomend geval, verhoogd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat tijdens welk de overschrijding van het op die datum van kracht zijnde spilindexcijfer zich heeft voorgedaan.]6
[6 Het bedrag bedoeld in het vorige lid wordt:
1° voor het jaar 2021 vermenigvuldigd met 1,0238;
2° voor het jaar 2022 vermenigvuldigd met 1,0482;
3° [7 voor de jaren na 2022]7 vermenigvuldigd met 1,0731;
4° [7 ...]7.
Tot 31 december 2023 kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het vorige lid bedoelde herwaarderingscoëfficiënten verhogen overeenkomstig de voorziene verhogingen van de herwaarderingscoëfficiënten in uitvoering van artikel 7, zeventiende lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.]6
(§ 2bis. In afwijking van § 2 zijn, voor de burgerlijke kwartalen in de loop waarvan de meewerkende echtgenoot onderworpen is aan het koninklijk besluit nr. 38 als helper in de zin van artikel 6 van hetzelfde besluit, met uitzondering van deze die uitsluitend onderworpen zijn aan het stelsel van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector uitkeringen en moederschapsverzekering, de beroepsinkomsten waarmee rekening moet gehouden worden voor de berekening van het rustpensioen van de geholpen zelfstandige die beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in [5 in artikel 9, § 1, 1°, of § 2"]5, van het koninklijk besluit nr. 72, gelijk aan de som van de beroepsinkomsten van [2 het bijdragejaar in de zin van artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38]2 die in aanmerking genomen werden met het oog op de vaststelling, voor de betrokken burgerlijke kwartalen, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38 in hoofde van de geholpen zelfstandige en van de aan de meewerkende echtgenoot toegekende bezoldigingen voor hetzelfde refertejaar.
Onder bezoldigingen toegekend aan de meewerkende echtgenoot dient te worden verstaan de brutobezoldigingen, verminderd met de beroepskosten, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting.
[2 ...]2
Wanneer de som van de beroepsinkomsten van het [2 bijdragejaar]2 en de bezoldigingen kleiner is dan het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38, wordt deze gebracht op dit bedrag.
Wanneer deze som groter is dan het bedrag bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde artikel, wordt deze herleid tot dit bedrag.
De bedragen bedoeld in [2 het derde en vierde lid]2 worden geherwaardeerd overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 38.) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2ter. [2 ...]2
(§ 2quater. [2 Voor de toepassing van § 2bis]2, worden enkel de burgerlijke kwartalen in aanmerking genomen waarvoor de door de meewerkende echtgenoot verschuldigde bijdragen in hoofdsom en toebehoren betaald werden.) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[1 § 2quinquies. In afwijking van § 2, moet voor de kwartalen die gelegen zijn in het jaar waarin het pensioen ingaat, onder beroepsinkomsten begrepen worden de beroepsinkomsten die in aanmerking genomen werden met het oog op de inning, voor de kwartalen van het voorafgaande jaar, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38.
Deze inkomsten worden niet in aanmerking genomen voor het gedeelte dat het bedrag overschrijdt bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 38, zoals het wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen voor het betrokken jaar.
Bij gebrek aan kwartalen van beroepsbezigheid als zelfstandige tijdens het jaar dat de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, worden de beroepsinkomsten in aanmerking genomen die bedoeld zijn in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38.]1
§ 3. De Koning bepaalt :
1° op welke wijze de bedrijfsinkomsten, op het ogenblik waarop over de pensioenaanvraag wordt beslist, aangepast worden aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen;
2° [3 de fictieve inkomsten waarmee rekening dient te worden gehouden voor de tijdvakken die door de Koning worden gelijkgesteld ter uitvoering van artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 72.]3
(3° (ingetrokken) ) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. Onder bedrijfsinkomsten moet worden verstaan :
1° (voor de jaren vóór 1984 : [4 forfaitaire bedrijfsinkomsten van 8 329,75 EUR]4. Dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100).) <KB 2001-07-13/48, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
2° voor de jaren vanaf 1984 : de [2 ...]2 bedrijfsinkomsten die in aanmerking werden genomen met het oog op de inning, voor het betrokken jaar, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38.
[6 Deze inkomsten worden niet in aanmerking genomen voor het gedeelte dat het bedrag van 42 310,43 EUR overschrijdt. Dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en wordt, in voorkomend geval, verhoogd op 1 januari van het jaar dat volgt op dat tijdens welk de overschrijding van het op die datum van kracht zijnde spilindexcijfer zich heeft voorgedaan.]6
[6 Het bedrag bedoeld in het vorige lid wordt:
1° voor het jaar 2021 vermenigvuldigd met 1,0238;
2° voor het jaar 2022 vermenigvuldigd met 1,0482;
3° [7 voor de jaren na 2022]7 vermenigvuldigd met 1,0731;
4° [7 ...]7.
Tot 31 december 2023 kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het vorige lid bedoelde herwaarderingscoëfficiënten verhogen overeenkomstig de voorziene verhogingen van de herwaarderingscoëfficiënten in uitvoering van artikel 7, zeventiende lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.]6
(§ 2bis. In afwijking van § 2 zijn, voor de burgerlijke kwartalen in de loop waarvan de meewerkende echtgenoot onderworpen is aan het koninklijk besluit nr. 38 als helper in de zin van artikel 6 van hetzelfde besluit, met uitzondering van deze die uitsluitend onderworpen zijn aan het stelsel van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, sector uitkeringen en moederschapsverzekering, de beroepsinkomsten waarmee rekening moet gehouden worden voor de berekening van het rustpensioen van de geholpen zelfstandige die beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in [5 in artikel 9, § 1, 1°, of § 2"]5, van het koninklijk besluit nr. 72, gelijk aan de som van de beroepsinkomsten van [2 het bijdragejaar in de zin van artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit nr. 38]2 die in aanmerking genomen werden met het oog op de vaststelling, voor de betrokken burgerlijke kwartalen, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38 in hoofde van de geholpen zelfstandige en van de aan de meewerkende echtgenoot toegekende bezoldigingen voor hetzelfde refertejaar.
Onder bezoldigingen toegekend aan de meewerkende echtgenoot dient te worden verstaan de brutobezoldigingen, verminderd met de beroepskosten, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving betreffende de inkomstenbelasting.
[2 ...]2
Wanneer de som van de beroepsinkomsten van het [2 bijdragejaar]2 en de bezoldigingen kleiner is dan het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38, wordt deze gebracht op dit bedrag.
Wanneer deze som groter is dan het bedrag bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde artikel, wordt deze herleid tot dit bedrag.
De bedragen bedoeld in [2 het derde en vierde lid]2 worden geherwaardeerd overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 38.) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2ter. [2 ...]2
(§ 2quater. [2 Voor de toepassing van § 2bis]2, worden enkel de burgerlijke kwartalen in aanmerking genomen waarvoor de door de meewerkende echtgenoot verschuldigde bijdragen in hoofdsom en toebehoren betaald werden.) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[1 § 2quinquies. In afwijking van § 2, moet voor de kwartalen die gelegen zijn in het jaar waarin het pensioen ingaat, onder beroepsinkomsten begrepen worden de beroepsinkomsten die in aanmerking genomen werden met het oog op de inning, voor de kwartalen van het voorafgaande jaar, van de bijdragen verschuldigd krachtens het koninklijk besluit nr. 38.
Deze inkomsten worden niet in aanmerking genomen voor het gedeelte dat het bedrag overschrijdt bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 38, zoals het wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen voor het betrokken jaar.
Bij gebrek aan kwartalen van beroepsbezigheid als zelfstandige tijdens het jaar dat de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, worden de beroepsinkomsten in aanmerking genomen die bedoeld zijn in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38.]1
§ 3. De Koning bepaalt :
1° op welke wijze de bedrijfsinkomsten, op het ogenblik waarop over de pensioenaanvraag wordt beslist, aangepast worden aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen;
2° [3 de fictieve inkomsten waarmee rekening dient te worden gehouden voor de tijdvakken die door de Koning worden gelijkgesteld ter uitvoering van artikel 14, § 1, van het koninklijk besluit nr. 72.]3
(3° (ingetrokken) ) <W 2006-01-16/44, art. 3, 011; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Modifications
Art.5. § 1. La pension de retraite est calculée en fonction des revenus professionnels.
§ 2. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre :
1° (pour les années antérieures à 1984 : [4 un revenu professionnel forfaitaire de 8 329,75 EUR]4. Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100).) <AR 2001-07-13/48, art. 7, 006; En vigueur : 01-01-2002>
2° pour les années à partir de 1984 : les revenus professionnels [2 ...]2 qui ont été retenus en vue de la perception, pour l'année en cause, des cotisations dues en vertu de l'arrêté royal n° 38.
[6 Ces revenus ne sont pas retenus pour la partie qui dépasse le montant de 42 310,43 EUR. Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) et est augmenté, le cas échéant, au 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle le dépassement de l'indice-pivot en vigueur à cette date s'est produit.]6
[6 Le montant visé à l'alinéa précédent est:
1° pour l'année 2021 multiplié par 1,0238;
2° pour l'année 2022 multiplié par 1,0482;
3° [7 pour les années après 2022]7 multiplié par 1,0731;
4° [7 ...]7.
Jusqu'au 31 décembre 2023, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter les coefficients de revalorisation visés à l'alinéa précédent, conformément aux augmentations des coefficients de revalorisation prévues en exécution de l'article 7, alinéa 17, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.]6
(§ 2bis. Par dérogation au § 2, et pour les trimestres civils au cours desquels le conjoint aidant est assujetti à l'arrêté royal n° 38 en tant qu'aidant au sens de l'article 6 du même arrêté, à l'exception de celui qui est uniquement assujetti au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteurs des indemnités et assurance maternité, les revenus professionnels a prendre en considération pour le calcul de la pension de retraite du travailleur indépendant aidé qui répond aux conditions fixées [5 dans l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2]5, de l'arrêté royal n° 72, sont égaux à la somme des revenus professionnels de l'[2 année de cotisation au sens de l'article 11, § 2, de l'arrêté royal n° 38]2 qui ont été retenus en vue de la fixation, pour les trimestres civils en cause, des cotisations dues en vertu de l'arrêté royal n° 38, dans le chef du travailleur independant aidé et des remunérations attribuées au conjoint aidant pour la même année de référence.
Par rémunérations attribuées au conjoint aidant, il y a lieu d'entendre les rémunérations brutes, diminuées des frais professionnels, fixés conformément à la législation relative à l'impôt sur les revenus.
[2 ...]2
Lorsque la somme des revenus professionnels de l'[2 année de cotisation]2 et des rémunérations est inférieure au montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38, elle est portée à ce montant.
Lorsque cette somme est supérieure au montant visé au § 1er, alinéa 1er, 1°, du même article, elle est ramenée à ce montant.
Les montants visés [2 aux alinéas 3 et 4]2 sont réévalués conformément à l'article 14 de l'arrêté royal n° 38.) <L 2006-01-16/44, art. 3, 011; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2ter. [2 ...]2
(§ 2quater. [2 Pour l'application du § 2bis]2, seuls sont pris en considération les trimestres civils pour lesquels les cotisations dues par le conjoint aidant ont été payées en principal et accessoires.) <L 2006-01-16/44, art. 3, 011; En vigueur : 01-01-2003>
[1 § 2quinquies. Par dérogation au § 2, pour les trimestres situés dans l'année au cours de laquelle la pension prend cours, il y a lieu d'entendre par revenus professionnels les revenus professionnels qui ont été retenus en vue de la perception des cotisations dues en vertu de l'arrêté royal n° 38 pour les trimestres de l'année précédente.
Ces revenus ne sont pas retenus pour la partie qui dépasse le montant visé à l'article 12, § 1er, premier alinéa, 1°, de l'arrêté royal n° 38 tel qu'il est adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation pour l'année en cause.
En l'absence de trimestres d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant durant l'année qui précède celle au cours de laquelle la pension prend cours, les revenus professionnels pris en compte sont ceux visés à l'article 12, § 1er, alinéa 2 de l'arrêté royal n° 38.]1
§ 3. Le Roi détermine :
1° comment les revenus professionnels sont, au moment où il est statué sur la demande de pension, adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation;
2° [3 les revenus fictifs dont il y a lieu de tenir compte pour les périodes qui sont assimilées par le Roi en exécution de l'article 14, § 1er, de l'arrêté royal n° 72.]3
(3° (rapporté) ) <L 2006-01-16/44, art. 3, 011; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre :
1° (pour les années antérieures à 1984 : [4 un revenu professionnel forfaitaire de 8 329,75 EUR]4. Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100).) <AR 2001-07-13/48, art. 7, 006; En vigueur : 01-01-2002>
2° pour les années à partir de 1984 : les revenus professionnels [2 ...]2 qui ont été retenus en vue de la perception, pour l'année en cause, des cotisations dues en vertu de l'arrêté royal n° 38.
[6 Ces revenus ne sont pas retenus pour la partie qui dépasse le montant de 42 310,43 EUR. Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) et est augmenté, le cas échéant, au 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle le dépassement de l'indice-pivot en vigueur à cette date s'est produit.]6
[6 Le montant visé à l'alinéa précédent est:
1° pour l'année 2021 multiplié par 1,0238;
2° pour l'année 2022 multiplié par 1,0482;
3° [7 pour les années après 2022]7 multiplié par 1,0731;
4° [7 ...]7.
Jusqu'au 31 décembre 2023, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter les coefficients de revalorisation visés à l'alinéa précédent, conformément aux augmentations des coefficients de revalorisation prévues en exécution de l'article 7, alinéa 17, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.]6
(§ 2bis. Par dérogation au § 2, et pour les trimestres civils au cours desquels le conjoint aidant est assujetti à l'arrêté royal n° 38 en tant qu'aidant au sens de l'article 6 du même arrêté, à l'exception de celui qui est uniquement assujetti au régime de l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité, secteurs des indemnités et assurance maternité, les revenus professionnels a prendre en considération pour le calcul de la pension de retraite du travailleur indépendant aidé qui répond aux conditions fixées [5 dans l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2]5, de l'arrêté royal n° 72, sont égaux à la somme des revenus professionnels de l'[2 année de cotisation au sens de l'article 11, § 2, de l'arrêté royal n° 38]2 qui ont été retenus en vue de la fixation, pour les trimestres civils en cause, des cotisations dues en vertu de l'arrêté royal n° 38, dans le chef du travailleur independant aidé et des remunérations attribuées au conjoint aidant pour la même année de référence.
Par rémunérations attribuées au conjoint aidant, il y a lieu d'entendre les rémunérations brutes, diminuées des frais professionnels, fixés conformément à la législation relative à l'impôt sur les revenus.
[2 ...]2
Lorsque la somme des revenus professionnels de l'[2 année de cotisation]2 et des rémunérations est inférieure au montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38, elle est portée à ce montant.
Lorsque cette somme est supérieure au montant visé au § 1er, alinéa 1er, 1°, du même article, elle est ramenée à ce montant.
Les montants visés [2 aux alinéas 3 et 4]2 sont réévalués conformément à l'article 14 de l'arrêté royal n° 38.) <L 2006-01-16/44, art. 3, 011; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2ter. [2 ...]2
(§ 2quater. [2 Pour l'application du § 2bis]2, seuls sont pris en considération les trimestres civils pour lesquels les cotisations dues par le conjoint aidant ont été payées en principal et accessoires.) <L 2006-01-16/44, art. 3, 011; En vigueur : 01-01-2003>
[1 § 2quinquies. Par dérogation au § 2, pour les trimestres situés dans l'année au cours de laquelle la pension prend cours, il y a lieu d'entendre par revenus professionnels les revenus professionnels qui ont été retenus en vue de la perception des cotisations dues en vertu de l'arrêté royal n° 38 pour les trimestres de l'année précédente.
Ces revenus ne sont pas retenus pour la partie qui dépasse le montant visé à l'article 12, § 1er, premier alinéa, 1°, de l'arrêté royal n° 38 tel qu'il est adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation pour l'année en cause.
En l'absence de trimestres d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant durant l'année qui précède celle au cours de laquelle la pension prend cours, les revenus professionnels pris en compte sont ceux visés à l'article 12, § 1er, alinéa 2 de l'arrêté royal n° 38.]1
§ 3. Le Roi détermine :
1° comment les revenus professionnels sont, au moment où il est statué sur la demande de pension, adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation;
2° [3 les revenus fictifs dont il y a lieu de tenir compte pour les périodes qui sont assimilées par le Roi en exécution de l'article 14, § 1er, de l'arrêté royal n° 72.]3
(3° (rapporté) ) <L 2006-01-16/44, art. 3, 011; En vigueur : 01-01-2003>
Modifications
Art.6. [1 § 1. Met het oog op de berekening van het rustpensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan uitdrukt, bedoeld in artikel 4, § 1, in zeven delen opgesplitst:
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
§ 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
§ 3. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
§ 4. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar door het te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer 103,14 is en de teller gelijk is aan het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het beschouwde jaar.
Wanneer het beschouwde jaar dit van de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, wordt het gemiddelde bedoeld in het vorige lid vastgesteld door, voor elk van de drie laatste maanden van het betrokken jaar, het indexcijfer te weerhouden van de overeenstemmende maand van het vorige jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor het gemiddelde moet vastgesteld worden te delen door het indexcijfer van dezelfde maand van het vorige jaar.
§ 5. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar door het te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer 103,14 is en de teller gelijk is aan het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het beschouwde jaar.
Wanneer het beschouwde jaar dit van de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, wordt het gemiddelde bedoeld in het vorige lid vastgesteld door, voor elk van de acht laatste maanden van het betrokken jaar, het indexcijfer te weerhouden van de overeenstemmende maand van het vorige jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand april van het jaar waarvoor het gemiddelde moet vastgesteld worden te delen door het indexcijfer van dezelfde maand van het vorige jaar.
Wanneer het beschouwde jaar dit is waarin het pensioen ingaat, is het gemiddelde bedoeld in het tweede lid, gelijk aan het gemiddelde bedoeld in het vorige lid.
§ 6. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50, 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, of van het koninklijk besluit nr. 72.
3° 0,691542.
§ 7. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50, 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, of van het koninklijk besluit nr. 72.
3° 1.
[2 § 8. [3 Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van:
1° 1,017 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 juli 2021 en uiterlijk op 1 juni 2023;
2° 1,034 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 juli 2023.]3]2
[2 § 9.]2 De vermindering van de beroepsloopbaan krachtens artikel 4, § 4, eerste lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 betreft de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige die recht openen op het minst voordelige pensioen.
Het aantal in mindering te brengen dagen kan echter niet 1 560 voltijdse dagequivalenten overschrijden. Die dagen worden als volgt bepaald:
1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten die in aanmerking genomen worden voor het desbetreffende jaar om hun aandeel in het pensioen te bepalen;
2° het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen berekend per dag het minst voordelig is;
3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2° lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen vervolgens het minst voordelig is;
4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.
De vermindering van de beroepsloopbaan bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer dan 14 040 voltijdse dagequivalenten bevat en de voltijdse dagequivalenten volgend op de 14 040e dag van de globale beroepsloopbaan dagen zijn van beroepsbezigheid als zelfstandige. In dat geval worden deze voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen in de berekening van het rustpensioen.
De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.
[2 § 10.]2 De tweede paragraaf van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 72, is van overeenkomstige toepassing bij de berekening van het pensioen ingevolge dit artikel.]1
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
§ 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
§ 3. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
§ 4. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar door het te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer 103,14 is en de teller gelijk is aan het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het beschouwde jaar.
Wanneer het beschouwde jaar dit van de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, wordt het gemiddelde bedoeld in het vorige lid vastgesteld door, voor elk van de drie laatste maanden van het betrokken jaar, het indexcijfer te weerhouden van de overeenstemmende maand van het vorige jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand september van het jaar waarvoor het gemiddelde moet vastgesteld worden te delen door het indexcijfer van dezelfde maand van het vorige jaar.
§ 5. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, van het koninklijk besluit nr. 72;
3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar door het te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer 103,14 is en de teller gelijk is aan het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het beschouwde jaar.
Wanneer het beschouwde jaar dit van de ingangsdatum van het pensioen voorafgaat, wordt het gemiddelde bedoeld in het vorige lid vastgesteld door, voor elk van de acht laatste maanden van het betrokken jaar, het indexcijfer te weerhouden van de overeenstemmende maand van het vorige jaar vermenigvuldigd met de coëfficiënt die bekomen wordt door het indexcijfer van de maand april van het jaar waarvoor het gemiddelde moet vastgesteld worden te delen door het indexcijfer van dezelfde maand van het vorige jaar.
Wanneer het beschouwde jaar dit is waarin het pensioen ingaat, is het gemiddelde bedoeld in het tweede lid, gelijk aan het gemiddelde bedoeld in het vorige lid.
§ 6. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50, 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, of van het koninklijk besluit nr. 72.
3° 0,691542.
§ 7. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50, 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2, of van het koninklijk besluit nr. 72.
3° 1.
[2 § 8. [3 Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van:
1° 1,017 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 juli 2021 en uiterlijk op 1 juni 2023;
2° 1,034 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 juli 2023.]3]2
[2 § 9.]2 De vermindering van de beroepsloopbaan krachtens artikel 4, § 4, eerste lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 betreft de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige die recht openen op het minst voordelige pensioen.
Het aantal in mindering te brengen dagen kan echter niet 1 560 voltijdse dagequivalenten overschrijden. Die dagen worden als volgt bepaald:
1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten die in aanmerking genomen worden voor het desbetreffende jaar om hun aandeel in het pensioen te bepalen;
2° het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen berekend per dag het minst voordelig is;
3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2° lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen vervolgens het minst voordelig is;
4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.
De vermindering van de beroepsloopbaan bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer dan 14 040 voltijdse dagequivalenten bevat en de voltijdse dagequivalenten volgend op de 14 040e dag van de globale beroepsloopbaan dagen zijn van beroepsbezigheid als zelfstandige. In dat geval worden deze voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen in de berekening van het rustpensioen.
De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.
[2 § 10.]2 De tweede paragraaf van artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 72, is van overeenkomstige toepassing bij de berekening van het pensioen ingevolge dit artikel.]1
Art.6. [1 § 1er. En vue du calcul de la pension de retraite, le numérateur de la fraction représentative de la carrière visée à l'article 4, § 1er, est scindé en sept parties:
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018 et avant le 1er janvier 2021, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2020, tout trimestre valant 0,25;
7° une septième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.
§ 2. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1° et 7°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
§ 3. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 2°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° une fraction qui a été visée chaque année par le Roi et qui reflétait, au 1er janvier de l'année en cause, le rapport entre le taux de la cotisation destinée au régime de pension des travailleurs indépendants et la somme des taux de la cotisation personnelle et de la cotisation patronale dues sur la rémunération des travailleurs salariés et destinées à leur régime de pension.
§ 4. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 3°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° 0,567851 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 35 341,68 EUR;
0,463605 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 35 341,68 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté afin de le porter au niveau des prix de l'année considérée en le multipliant par une fraction dont le dénominateur est 103,14 et le numérateur est égal à la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année considérée.
Lorsque l'année considérée précède celle de la prise de cours de la pension, la moyenne visée à l'alinéa précédent est établie en retenant, pour chacun des trois derniers mois de l'année en cause, l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par le coefficient obtenu en divisant l'indice du mois de septembre de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente.
§ 5. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 4°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° 0,663250 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 31 820,77 EUR;
0,541491 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 31 820,77 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté afin de le porter au niveau des prix de l'année considérée en le multipliant par une fraction dont le dénominateur est 103,14 et le numérateur est égal à la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année considérée.
Lorsque l'année considérée précède celle de la prise de cours de la pension, la moyenne visée à l'alinéa précédent est établie en retenant, pour chacun des huit derniers mois de l'année en cause, l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par un coefficient obtenu en divisant l'indice du mois d'avril de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente.
Lorsque l'année considérée est celle au cours de laquelle la pension prend cours, la moyenne visée à l'alinéa 2 est égale à la moyenne visée à l'alinéa précédent.
§ 6. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 5°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° 0,691542.
§ 7. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 6°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° 1.
[2 § 8. [3 La pension par année civile, calculée conformément aux paragraphes 2 à 6, est multipliée par un coefficient de:
1° 1,017 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 2021 et au plus tard le 1er juin 2023;
2° 1,034 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt à partir du 1er juillet 2023.]3]2
[2 § 9.]2 La réduction de la carrière professionnelle en vertu de l'article 4, § 4, alinéa 1er, ou en vertu de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72 porte sur les jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant qui ouvrent le droit à la pension la moins avantageuse.
La réduction visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois pas excéder 1 560 jours équivalents temps plein. Ces jours sont déterminés comme suit:
1° la pension accordée pour chaque année civile est divisée par le nombre de jours équivalents temps plein pris en considération pour l'année concernée afin de déterminer leur apport en pension;
2° le nombre de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension correspondant sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension calculé par jour est le moins avantageux;
3° lorsque le nombre de jours équivalents temps plein de l'année civile visée au 2° est inférieur au nombre de jours équivalents temps plein à déduire, le nombre excédentaire de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension est désormais le moins avantageux;
4° il est fait appel au fur et à mesure aux années civiles dont l'apport en pension devient le moins avantageux tant que le nombre de jours équivalents temps plein à déduire de la carrière professionnelle n'est pas atteint.
La réduction de la carrière professionnelle visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur indépendant, telle que définie à l'article 19, § 2bis, 3°, de l'arrêté royal n° 72, comporte plus de 14 040 jours équivalents temps plein et que les jours équivalents temps plein postérieurs au 14 040e jour de la carrière professionnelle globale sont des jours d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant. Dans ce cas, ces jours équivalents temps plein sont pris en considération dans le calcul de la pension de retraite.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant pour l'application du présent paragraphe.
[2 § 10.]2 Le paragraphe 2 de l'article 9 de l'arrêté royal n° 72 est applicable par analogie en vue du calcul de la pension conformément au présent article.]1
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018 et avant le 1er janvier 2021, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2020, tout trimestre valant 0,25;
7° une septième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.
§ 2. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1° et 7°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
§ 3. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 2°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° une fraction qui a été visée chaque année par le Roi et qui reflétait, au 1er janvier de l'année en cause, le rapport entre le taux de la cotisation destinée au régime de pension des travailleurs indépendants et la somme des taux de la cotisation personnelle et de la cotisation patronale dues sur la rémunération des travailleurs salariés et destinées à leur régime de pension.
§ 4. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 3°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° 0,567851 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 35 341,68 EUR;
0,463605 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 35 341,68 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté afin de le porter au niveau des prix de l'année considérée en le multipliant par une fraction dont le dénominateur est 103,14 et le numérateur est égal à la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année considérée.
Lorsque l'année considérée précède celle de la prise de cours de la pension, la moyenne visée à l'alinéa précédent est établie en retenant, pour chacun des trois derniers mois de l'année en cause, l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par le coefficient obtenu en divisant l'indice du mois de septembre de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente.
§ 5. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 4°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° 0,663250 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 31 820,77 EUR;
0,541491 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 31 820,77 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté afin de le porter au niveau des prix de l'année considérée en le multipliant par une fraction dont le dénominateur est 103,14 et le numérateur est égal à la moyenne des indices mensuels des prix à la consommation pour l'année considérée.
Lorsque l'année considérée précède celle de la prise de cours de la pension, la moyenne visée à l'alinéa précédent est établie en retenant, pour chacun des huit derniers mois de l'année en cause, l'indice du mois correspondant de l'année précédente multiplié par un coefficient obtenu en divisant l'indice du mois d'avril de l'année pour laquelle la moyenne doit être établie par l'indice du même mois de l'année précédente.
Lorsque l'année considérée est celle au cours de laquelle la pension prend cours, la moyenne visée à l'alinéa 2 est égale à la moyenne visée à l'alinéa précédent.
§ 6. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 5°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° 0,691542.
§ 7. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 6°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2, de l'arrêté royal n° 72;
3° 1.
[2 § 8. [3 La pension par année civile, calculée conformément aux paragraphes 2 à 6, est multipliée par un coefficient de:
1° 1,017 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 2021 et au plus tard le 1er juin 2023;
2° 1,034 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt à partir du 1er juillet 2023.]3]2
[2 § 9.]2 La réduction de la carrière professionnelle en vertu de l'article 4, § 4, alinéa 1er, ou en vertu de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72 porte sur les jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant qui ouvrent le droit à la pension la moins avantageuse.
La réduction visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois pas excéder 1 560 jours équivalents temps plein. Ces jours sont déterminés comme suit:
1° la pension accordée pour chaque année civile est divisée par le nombre de jours équivalents temps plein pris en considération pour l'année concernée afin de déterminer leur apport en pension;
2° le nombre de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension correspondant sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension calculé par jour est le moins avantageux;
3° lorsque le nombre de jours équivalents temps plein de l'année civile visée au 2° est inférieur au nombre de jours équivalents temps plein à déduire, le nombre excédentaire de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension est désormais le moins avantageux;
4° il est fait appel au fur et à mesure aux années civiles dont l'apport en pension devient le moins avantageux tant que le nombre de jours équivalents temps plein à déduire de la carrière professionnelle n'est pas atteint.
La réduction de la carrière professionnelle visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur indépendant, telle que définie à l'article 19, § 2bis, 3°, de l'arrêté royal n° 72, comporte plus de 14 040 jours équivalents temps plein et que les jours équivalents temps plein postérieurs au 14 040e jour de la carrière professionnelle globale sont des jours d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant. Dans ce cas, ces jours équivalents temps plein sont pris en considération dans le calcul de la pension de retraite.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant pour l'application du présent paragraphe.
[2 § 10.]2 Le paragraphe 2 de l'article 9 de l'arrêté royal n° 72 est applicable par analogie en vue du calcul de la pension conformément au présent article.]1
Art.7. § 1. Het overlevingspensioen toekenbaar in functie van de loopbaan van de overleden echtgenoot wordt uitgedrukt door een breuk.
§ 2. Wanneer de echtgenoot overleden is na 31 december van het jaar voorafgaand aan datgene waarin hij [3 de in artikel 3, § 1, § 1bis of § 1ter, naar gelang het geval, bedoelde leeftijd]3 heeft bereikt of wanneer hij bij zijn overlijden een rustpensioen in de hoedanigheid van zelfstandige genoot of genoten had, is de breuk bedoeld in § 1, gelijk aan de breuk die in aanmerking werd genomen voor de berekening van het rustpensioen van de overleden echtgenoot of die, ingeval de overleden echtgenoot geen rustpensioen genoot of genoten had, met toepassing van artikel 4 of van artikel 18, in aanmerking zou kunnen worden genomen voor de berekening van een rustpensioen ingaande op de eerste dag van de maand van het overlijden.
§ 3. In de andere gevallen wordt de breuk bedoeld in § 1, als volgt vastgesteld :
1° de teller drukt het getal uit dat verkregen wordt door het totaal van de kwartalen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het overlevingspensioen [1 en die gelegen zijn voor het kwartaal waarin de echtgenoot is overleden]1, te delen door vier.
De bepalingen van artikel 4, § 3, tweede en derde lid, worden bij analogie toegepast met het oog op de vaststelling van deze teller;
2° de noemer drukt het aantal jaren uit dat begrepen is in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin hij overleden is.
[2 Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat bekomen wordt door de teller van de in § 2 of deze paragraaf, eerste lid, naar gelang het geval, bedoelde breuk te vermenigvuldigen met 312, hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de noemer van dezelfde breuk te vermenigvuldigen met 312, worden de voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen tot beloop van het door deze laatste vermenigvuldiging bekomen resultaat.
De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]2
§ 4. De Koning bepaalt de nadere regels voor de opening van het recht op het overlevingspensioen wanneer de echtgenoot is overleden voor het einde van het jaar waarin hij de leeftijd van 20 jaar heeft of zou hebben bereikt.
§ 2. Wanneer de echtgenoot overleden is na 31 december van het jaar voorafgaand aan datgene waarin hij [3 de in artikel 3, § 1, § 1bis of § 1ter, naar gelang het geval, bedoelde leeftijd]3 heeft bereikt of wanneer hij bij zijn overlijden een rustpensioen in de hoedanigheid van zelfstandige genoot of genoten had, is de breuk bedoeld in § 1, gelijk aan de breuk die in aanmerking werd genomen voor de berekening van het rustpensioen van de overleden echtgenoot of die, ingeval de overleden echtgenoot geen rustpensioen genoot of genoten had, met toepassing van artikel 4 of van artikel 18, in aanmerking zou kunnen worden genomen voor de berekening van een rustpensioen ingaande op de eerste dag van de maand van het overlijden.
§ 3. In de andere gevallen wordt de breuk bedoeld in § 1, als volgt vastgesteld :
1° de teller drukt het getal uit dat verkregen wordt door het totaal van de kwartalen die in aanmerking komen voor de opening van het recht op het overlevingspensioen [1 en die gelegen zijn voor het kwartaal waarin de echtgenoot is overleden]1, te delen door vier.
De bepalingen van artikel 4, § 3, tweede en derde lid, worden bij analogie toegepast met het oog op de vaststelling van deze teller;
2° de noemer drukt het aantal jaren uit dat begrepen is in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar voorafgaand aan dat waarin hij overleden is.
[2 Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat bekomen wordt door de teller van de in § 2 of deze paragraaf, eerste lid, naar gelang het geval, bedoelde breuk te vermenigvuldigen met 312, hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de noemer van dezelfde breuk te vermenigvuldigen met 312, worden de voltijdse dagequivalenten in aanmerking genomen tot beloop van het door deze laatste vermenigvuldiging bekomen resultaat.
De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]2
§ 4. De Koning bepaalt de nadere regels voor de opening van het recht op het overlevingspensioen wanneer de echtgenoot is overleden voor het einde van het jaar waarin hij de leeftijd van 20 jaar heeft of zou hebben bereikt.
Art.7. § 1. La pension de survie allouable en fonction de la carrière du conjoint décédé est exprimée par une fraction.
§ 2. Lorsque le conjoint est décédé apres le 31 décembre de l'année précédant celle au cours de laquelle il a atteint [3 l'âge visé à l'article 3, § 1er, § 1erbis, ou § 1erter, selon le cas]3 ou lorsqu'il bénéficiait à son décès ou avait bénéficié d'une pension de retraite en qualité de travailleur indépendant, la fraction qui est visée au § 1er est égale à la fraction qui a été retenue pour le calcul de la pension de retraite du conjoint décédé ou qui, si le conjoint décédé ne bénéficiait pas ou n'avait pas bénéficié d'une pension de retraite, pourrait être retenue, par application de l'article 4 ou de l'article 18, pour le calcul d'une pension de retraite prenant cours le premier jour du mois du décès.
§ 3. Dans les autres cas, la fraction visée au § 1er est établie comme suit :
1° le numérateur représente le nombre obtenu en divisant par quatre le total des trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de survie [1 et qui se situent avant le trimestre au cours duquel le conjoint est décédé]1.
Les dispositions de l'article 4, § 3, alinéas 2 et 3, sont applicables par analogie en vue de la fixation de ce numérateur;
2° le dénominateur exprime le nombre d'années que comprend la période qui débute le 1er janvier de l'année du 20ème anniversaire du conjoint décédé et qui se termine le 31 décembre de l'année qui précède celle au cours de laquelle il est décédé.
[2 Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant obtenu en multipliant le numérateur de la fraction visée au § 2 ou au présent paragraphe, alinéa 1er, selon le cas, par 312 est supérieur au nombre obtenu en multipliant le dénominateur de la même fraction par 312, les jours équivalents temps plein sont pris en considération à concurrence du résultat de cette dernière multiplication.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant pour l'application du présent paragraphe.]2
§ 4. Le Roi fixe les modalités d'ouverture du droit à la pension de survie lorsque le conjoint est décédé avant l'expiration de l'année au cours de laquelle il a ou aurait atteint l'âge de 20 ans.
§ 2. Lorsque le conjoint est décédé apres le 31 décembre de l'année précédant celle au cours de laquelle il a atteint [3 l'âge visé à l'article 3, § 1er, § 1erbis, ou § 1erter, selon le cas]3 ou lorsqu'il bénéficiait à son décès ou avait bénéficié d'une pension de retraite en qualité de travailleur indépendant, la fraction qui est visée au § 1er est égale à la fraction qui a été retenue pour le calcul de la pension de retraite du conjoint décédé ou qui, si le conjoint décédé ne bénéficiait pas ou n'avait pas bénéficié d'une pension de retraite, pourrait être retenue, par application de l'article 4 ou de l'article 18, pour le calcul d'une pension de retraite prenant cours le premier jour du mois du décès.
§ 3. Dans les autres cas, la fraction visée au § 1er est établie comme suit :
1° le numérateur représente le nombre obtenu en divisant par quatre le total des trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de survie [1 et qui se situent avant le trimestre au cours duquel le conjoint est décédé]1.
Les dispositions de l'article 4, § 3, alinéas 2 et 3, sont applicables par analogie en vue de la fixation de ce numérateur;
2° le dénominateur exprime le nombre d'années que comprend la période qui débute le 1er janvier de l'année du 20ème anniversaire du conjoint décédé et qui se termine le 31 décembre de l'année qui précède celle au cours de laquelle il est décédé.
[2 Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant obtenu en multipliant le numérateur de la fraction visée au § 2 ou au présent paragraphe, alinéa 1er, selon le cas, par 312 est supérieur au nombre obtenu en multipliant le dénominateur de la même fraction par 312, les jours équivalents temps plein sont pris en considération à concurrence du résultat de cette dernière multiplication.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant pour l'application du présent paragraphe.]2
§ 4. Le Roi fixe les modalités d'ouverture du droit à la pension de survie lorsque le conjoint est décédé avant l'expiration de l'année au cours de laquelle il a ou aurait atteint l'âge de 20 ans.
Art. 7bis. [1 § 1. De overgangsuitkering die toegekend wordt in functie van de loopbaan van de overleden echtgenoot wordt uitgedrukt door een breuk.
De breuk wordt als volgt vastgesteld :
1° de teller wordt bekomen door het totaal aantal kwartalen die het recht openen op een overgangsuitkering en die gelegen zijn voor het kwartaal van overlijden, als de overleden echtgenoot bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot of voor het kwartaal in de loop waarvan zijn rustpensioen is ingegaan, indien hij bij zijn overlijden een rustpensioen genoot, te delen door vier.
2° de noemer drukt het aantal burgerlijke jaren uit die begrepen zijn in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat ofwel aan dat van het overlijden, zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot, ofwel aan dat waarin zijn rustpensioen ingaat, zo hij reeds een rustpensioen genoot bij zijn overlijden.
Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 1° bedoelde teller met 312 te vermenigvuldigen hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 2° bedoelde noemer met 312 te vermenigvuldigen, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op de voordeligste uitkering per kalenderjaar in aanmerking genomen tot beloop van het door deze laatste vermenigvuldiging bekomen resultaat.
[2 De Koning bepaalt voor de toepassing van deze paragraaf wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige.]2
§ 2. [2 De Koning bepaalt de nadere regels voor de opening van het recht op de overgangsuitkering wanneer de echtgenoot vóór 1 januari van het jaar van zijn 21ste verjaardag is overleden.]2 ]1
De breuk wordt als volgt vastgesteld :
1° de teller wordt bekomen door het totaal aantal kwartalen die het recht openen op een overgangsuitkering en die gelegen zijn voor het kwartaal van overlijden, als de overleden echtgenoot bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot of voor het kwartaal in de loop waarvan zijn rustpensioen is ingegaan, indien hij bij zijn overlijden een rustpensioen genoot, te delen door vier.
2° de noemer drukt het aantal burgerlijke jaren uit die begrepen zijn in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat ofwel aan dat van het overlijden, zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot, ofwel aan dat waarin zijn rustpensioen ingaat, zo hij reeds een rustpensioen genoot bij zijn overlijden.
Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 1° bedoelde teller met 312 te vermenigvuldigen hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 2° bedoelde noemer met 312 te vermenigvuldigen, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op de voordeligste uitkering per kalenderjaar in aanmerking genomen tot beloop van het door deze laatste vermenigvuldiging bekomen resultaat.
[2 De Koning bepaalt voor de toepassing van deze paragraaf wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige.]2
§ 2. [2 De Koning bepaalt de nadere regels voor de opening van het recht op de overgangsuitkering wanneer de echtgenoot vóór 1 januari van het jaar van zijn 21ste verjaardag is overleden.]2 ]1
Art. 7bis. [1 § 1er. L'allocation de transition allouable en fonction de la carrière du conjoint décédé est exprimée par une fraction.
La fraction est établie comme suit :
1° le numérateur représente le nombre obtenu en divisant par quatre le total des trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à l'allocation de transition situés avant le trimestre du décès, si le conjoint décédé ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite ou situés avant le trimestre au cours duquel sa pension de retraite a pris cours, si le conjoint décédé bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite;
2° le dénominateur exprime le nombre d'années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire du conjoint décédé et qui se termine le 31 décembre de l'année qui précède soit celle au cours de laquelle il est décédé, s'il ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite soit celle de la prise de cours de sa pension de retraite, s'il bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite.
Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein obtenu en multipliant le numérateur visé à l'alinéa précédent, 1° par 312 est supérieur au nombre obtenu en multipliant le dénominateur visé à l'alinéa précédent, 2° par 312, les jours équivalents temps plein donnant droit à la prestation la plus avantageuse par année civile sont pris en considération à concurrence du résultat de cette dernière multiplication.
[2 Le Roi détermine pour l'application du présent paragraphe ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant.]2
§ 2. [2 Le Roi fixe les modalités d'ouverture du droit à l'allocation de transition et le montant de celle-ci lorsque le conjoint est décédé avant le 1er janvier de l'année de son 21ème anniversaire.]2 ]1
La fraction est établie comme suit :
1° le numérateur représente le nombre obtenu en divisant par quatre le total des trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à l'allocation de transition situés avant le trimestre du décès, si le conjoint décédé ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite ou situés avant le trimestre au cours duquel sa pension de retraite a pris cours, si le conjoint décédé bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite;
2° le dénominateur exprime le nombre d'années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire du conjoint décédé et qui se termine le 31 décembre de l'année qui précède soit celle au cours de laquelle il est décédé, s'il ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite soit celle de la prise de cours de sa pension de retraite, s'il bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite.
Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein obtenu en multipliant le numérateur visé à l'alinéa précédent, 1° par 312 est supérieur au nombre obtenu en multipliant le dénominateur visé à l'alinéa précédent, 2° par 312, les jours équivalents temps plein donnant droit à la prestation la plus avantageuse par année civile sont pris en considération à concurrence du résultat de cette dernière multiplication.
[2 Le Roi détermine pour l'application du présent paragraphe ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant.]2
§ 2. [2 Le Roi fixe les modalités d'ouverture du droit à l'allocation de transition et le montant de celle-ci lorsque le conjoint est décédé avant le 1er janvier de l'année de son 21ème anniversaire.]2 ]1
Art.8. § 1. Het overlevingspensioen wordt berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
§ 2. Onder bedrijfsinkomsten worden deze verstaan zoals gedefinieerd in artikel 5, § 2.
Artikel 5, § 3, wordt naar analogie toegepast voor de berekening van het overlevingspensioen.
§ 2. Onder bedrijfsinkomsten worden deze verstaan zoals gedefinieerd in artikel 5, § 2.
Artikel 5, § 3, wordt naar analogie toegepast voor de berekening van het overlevingspensioen.
Art.8. § 1. La pension de survie est calculée en fonction des revenus professionnels.
§ 2. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre les revenus professionnels définis à l'article 5, § 2.
L'article 5, § 3, est applicable par analogie au calcul de la pension de survie.
§ 2. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre les revenus professionnels définis à l'article 5, § 2.
L'article 5, § 3, est applicable par analogie au calcul de la pension de survie.
Art. 8bis. [1 § 1. De overgangsuitkering wordt berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
§ 2. Onder bedrijfsinkomsten worden deze verstaan zoals gedefinieerd in artikel 5, § 2.
Artikel 5, § 3, wordt naar analogie toegepast voor de berekening van de overgangsuitkering.]1
§ 2. Onder bedrijfsinkomsten worden deze verstaan zoals gedefinieerd in artikel 5, § 2.
Artikel 5, § 3, wordt naar analogie toegepast voor de berekening van de overgangsuitkering.]1
Art. 8bis. [1 § 1er. L'allocation de transition est calculée en fonction des revenus professionnels.
§ 2. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre les revenus professionnels définis à l'article 5, § 2.
L'article 5, § 3, est applicable par analogie au calcul de l'allocation de transition.]1
§ 2. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre les revenus professionnels définis à l'article 5, § 2.
L'article 5, § 3, est applicable par analogie au calcul de l'allocation de transition.]1
Modifications
Art.9. [1 § 1. Met het oog op de berekening van het overlevingspensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7, § 1, in zeven delen opgesplitst:
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
§ 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.
§ 3. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
§ 4. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2 of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 4, tweede en derde lid.
§ 5. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 5, tweede tot vierde lid.
§ 6. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,691542.
§ 7. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 1.
[2 § 8. [3 Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van:
1° 1,017 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 juli 2021 en uiterlijk op 1 juni 2023;
2° 1,034 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 juli 2023.]3]2
[2 § 9.]2 De vermindering van de beroepsloopbaan krachtens artikel 7, § 3, tweede lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 slaat op de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige die recht openen op het minst voordelige pensioen.
Het aantal in mindering te brengen dagen kan echter het aantal niet overschrijden dat bekomen wordt door het derde van de noemer van de in artikel 7, § 2 of § 3, eerste lid, bedoelde breuk te vermenigvuldigen met 104. Die dagen worden als volgt bepaald:
1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten die in aanmerking genomen worden voor het desbetreffende jaar om hun aandeel in het pensioen te bepalen;
2° het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen berekend per dag het minst voordelig is;
3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2°, lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen vervolgens het minst voordelig is;
4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.
De vermindering van de beroepsloopbaan bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de overleden zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer voltijdse dagequivalenten bevat dan het maximumaantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 7, § 3, tweede lid, en de voltijdse dagequivalenten volgend op dit maximumaantal door de overleden echtgenoot gepresteerde dagen van beroepsbezigheid als zelfstandige zijn. In dat geval worden deze dagen in aanmerking genomen in de berekening van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot.
De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]1
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
§ 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.
§ 3. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
§ 4. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2 of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 4, tweede en derde lid.
§ 5. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 5, tweede tot vierde lid.
§ 6. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,691542.
§ 7. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 1.
[2 § 8. [3 Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van:
1° 1,017 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 juli 2021 en uiterlijk op 1 juni 2023;
2° 1,034 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 juli 2023.]3]2
[2 § 9.]2 De vermindering van de beroepsloopbaan krachtens artikel 7, § 3, tweede lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 slaat op de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige die recht openen op het minst voordelige pensioen.
Het aantal in mindering te brengen dagen kan echter het aantal niet overschrijden dat bekomen wordt door het derde van de noemer van de in artikel 7, § 2 of § 3, eerste lid, bedoelde breuk te vermenigvuldigen met 104. Die dagen worden als volgt bepaald:
1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten die in aanmerking genomen worden voor het desbetreffende jaar om hun aandeel in het pensioen te bepalen;
2° het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen berekend per dag het minst voordelig is;
3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2°, lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen vervolgens het minst voordelig is;
4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.
De vermindering van de beroepsloopbaan bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de overleden zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer voltijdse dagequivalenten bevat dan het maximumaantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 7, § 3, tweede lid, en de voltijdse dagequivalenten volgend op dit maximumaantal door de overleden echtgenoot gepresteerde dagen van beroepsbezigheid als zelfstandige zijn. In dat geval worden deze dagen in aanmerking genomen in de berekening van het overlevingspensioen van de langstlevende echtgenoot.
De Koning bepaalt wat moet begrepen worden onder voltijdse dagequivalenten als zelfstandige voor de toepassing van deze paragraaf.]1
Art.9. [1 § 1er. En vue du calcul de la pension de survie, le numérateur de la fraction représentative de la carrière du conjoint décédé, visée à l'article 7, § 1er, est scindé en sept parties:
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018 et avant le 1er janvier 2021, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2020, tout trimestre valant 0,25;
7° une septième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.
§ 2. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 1° et 7°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2 ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.
§ 3. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 2°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° une fraction qui a été visée chaque année par le Roi et qui reflétait, au 1er janvier de l'année en cause, le rapport entre le taux de la cotisation destinée au régime de pension des travailleurs indépendants et la somme des taux de la cotisation personnelle et de la cotisation patronale dues sur la rémunération des travailleurs salariés et destinées à leur régime de pension.
§ 4. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 3°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,567851 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 35 341,68 EUR;
0,463605 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 35 341,68 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 4, alinéas 2 et 3.
§ 5. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 4°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,663250 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 31 820,77 EUR;
0,541491 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 31 820,77 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 5, alinéas 2 à 4.
§ 6. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 5°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,691542.
§ 7. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 6°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 1.
[2 § 8. [3 La pension par année civile, calculée conformément aux paragraphes 2 à 6, est multipliée par un coefficient de:
1° 1,017 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 2021 et au plus tard le 1er juin 2023;
2° 1,034 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt à partir du 1er juillet 2023.]3]2
[2 § 9.]2 La réduction de la carrière professionnelle en vertu de l'article 7, § 3, alinéa 2, ou en vertu de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72 porte sur les jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant qui ouvrent le droit à la pension la moins avantageuse.
Le nombre de jours à déduire ne peut toutefois pas excéder le nombre obtenu en multipliant par 104 le tiers du dénominateur de la fraction visée à l'article 7, § 2 ou § 3, alinéa 1er. Ces jours sont déterminés comme suit:
1° la pension accordée pour chaque année civile est divisée par le nombre de jours équivalents temps plein pris en considération pour l'année concernée afin de déterminer leur apport en pension;
2° le nombre de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension correspondant sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension calculé par jour est le moins avantageux;
3° lorsque le nombre de jours équivalents temps plein de l'année civile visée au 2° est inférieur au nombre de jours équivalents temps plein à déduire, le nombre excédentaire de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension est désormais le moins avantageux;
4° il est fait appel au fur et à mesure aux années civiles dont l'apport en pension devient le moins avantageux tant que le nombre de jours équivalents temps plein à déduire de la carrière professionnelle n'est pas atteint.
La réduction de la carrière professionnelle visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur indépendant décédé, telle que définie à l'article 19, § 2bis, 3°, de l'arrêté royal n° 72, comporte plus de jours équivalents temps plein que le nombre de jours équivalents temps plein maximum visé à l'article 7, § 3, alinéa 2, et que les jours équivalents temps plein postérieurs à ce nombre maximum sont des jours d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant prestés par le conjoint décédé. Dans ce cas, ces jours sont pris en considération dans le calcul de la pension de survie du conjoint survivant.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant pour l'application du présent paragraphe.]1
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018 et avant le 1er janvier 2021, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2020, tout trimestre valant 0,25;
7° une septième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.
§ 2. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 1° et 7°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2 ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.
§ 3. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 2°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° une fraction qui a été visée chaque année par le Roi et qui reflétait, au 1er janvier de l'année en cause, le rapport entre le taux de la cotisation destinée au régime de pension des travailleurs indépendants et la somme des taux de la cotisation personnelle et de la cotisation patronale dues sur la rémunération des travailleurs salariés et destinées à leur régime de pension.
§ 4. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 3°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,567851 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 35 341,68 EUR;
0,463605 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 35 341,68 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 4, alinéas 2 et 3.
§ 5. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 4°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,663250 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 31 820,77 EUR;
0,541491 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 31 820,77 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 5, alinéas 2 à 4.
§ 6. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 5°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,691542.
§ 7. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 6°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7, § 2, ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 1.
[2 § 8. [3 La pension par année civile, calculée conformément aux paragraphes 2 à 6, est multipliée par un coefficient de:
1° 1,017 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 2021 et au plus tard le 1er juin 2023;
2° 1,034 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt à partir du 1er juillet 2023.]3]2
[2 § 9.]2 La réduction de la carrière professionnelle en vertu de l'article 7, § 3, alinéa 2, ou en vertu de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72 porte sur les jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant qui ouvrent le droit à la pension la moins avantageuse.
Le nombre de jours à déduire ne peut toutefois pas excéder le nombre obtenu en multipliant par 104 le tiers du dénominateur de la fraction visée à l'article 7, § 2 ou § 3, alinéa 1er. Ces jours sont déterminés comme suit:
1° la pension accordée pour chaque année civile est divisée par le nombre de jours équivalents temps plein pris en considération pour l'année concernée afin de déterminer leur apport en pension;
2° le nombre de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension correspondant sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension calculé par jour est le moins avantageux;
3° lorsque le nombre de jours équivalents temps plein de l'année civile visée au 2° est inférieur au nombre de jours équivalents temps plein à déduire, le nombre excédentaire de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension est désormais le moins avantageux;
4° il est fait appel au fur et à mesure aux années civiles dont l'apport en pension devient le moins avantageux tant que le nombre de jours équivalents temps plein à déduire de la carrière professionnelle n'est pas atteint.
La réduction de la carrière professionnelle visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur indépendant décédé, telle que définie à l'article 19, § 2bis, 3°, de l'arrêté royal n° 72, comporte plus de jours équivalents temps plein que le nombre de jours équivalents temps plein maximum visé à l'article 7, § 3, alinéa 2, et que les jours équivalents temps plein postérieurs à ce nombre maximum sont des jours d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant prestés par le conjoint décédé. Dans ce cas, ces jours sont pris en considération dans le calcul de la pension de survie du conjoint survivant.
Le Roi détermine ce qu'il y a lieu d'entendre par jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant pour l'application du présent paragraphe.]1
Art. 9bis. [1 § 1. Met het oog op de berekening van de overgangsuitkering wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7bis, § 1, in zeven delen opgesplitst:
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
§ 2. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
§ 3. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
§ 4. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 4, tweede en derde lid.
§ 5. Per kalenderjaar wordt overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 5, tweede tot vierde lid.
§ 6. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,691542.
§ 7. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 1.
[2 § 8. [3 Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van:
1° 1,017 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 juli 2021 en uiterlijk op 1 juni 2023;
2° 1,034 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 juli 2023.]3]2
[2 § 9.]2 Wanneer de teller van de breuk die voltijdse dagequivalenten uitdrukt die het recht op de overgangsuitkering kunnen openen, verlaagd wordt krachtens artikel 7bis, § 1, derde lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, zal deze vermindering, voor de berekening van de overgangsuitkering, slaan op de voltijdse dagequivalenten die aanleiding geven tot de toekenning van de laagste overgangsuitkering.
De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, § 8.
De vermindering bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de overleden zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer voltijdse dagequivalenten bevat dan het maximumaantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 7bis, § 1, derde lid, en de voltijdse dagequivalenten volgend op dat maximumaantal door de overleden echtgenoot gepresteerde dagen van beroepsbezigheid als zelfstandige zijn. In dat geval worden die dagen in aanmerking genomen in de berekening van de overgangsuitkering van de langstlevende echtgenoot.
[2 § 10.]2 Indien het bedrag van de overgangsuitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7bis en 8bis en van dit artikel kleiner is dan het bedrag dat verkregen wordt door het in artikel 131ter, § 1, van de wet van 15 mei 1984 bedoelde bedrag van 9 648,57 euro te vermenigvuldigen met de in artikel 7bis, § 1, bedoelde breuk, wordt dit laatste bedrag toegekend.
Vanaf 1 april 2015 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9 648,57 euro gelijk aan het in artikel 131ter, § 1, van de wet van 15 mei 1984 bedoelde bedrag voor een overlevingspensioen.
Vanaf 1 september 2017 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9 648,57 euro gelijk aan het in artikel 34 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector bedoelde bedrag.
[4 Vanaf 1 januari 2025 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9.648,57 euro gelijk aan het bedrag in artikel 4, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van pensioenen.]4
[2 § 11.]2 Boek III, Titel IIbis, van de wet van 15 mei 1984 wordt niet toegepast op de overgangsuitkering.]1
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 en vóór 1 januari 2021 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2020 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
7° een zevende deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.
§ 2. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 1° en 7°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
§ 3. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° een breuk die elk jaar door de Koning bepaald werd en die, per 1 januari van het betrokken jaar, de verhouding weergaf tussen het percentage van de bijdrage bestemd voor het pensioenstelsel der zelfstandigen en het totaal van de percentages van de persoonlijke bijdrage en van de patronale bijdrage verschuldigd op de bezoldiging van de werknemers en bestemd voor hun pensioenstelsel.
§ 4. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 3°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR niet overschrijdt;
0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35 341,68 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 4, tweede en derde lid.
§ 5. Per kalenderjaar wordt overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR niet overschrijdt;
0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31 820,77 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 5, tweede tot vierde lid.
§ 6. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 5°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,691542.
§ 7. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 6°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 1.
[2 § 8. [3 Het pensioen per kalenderjaar, berekend overeenkomstig de paragrafen 2 tot 6, wordt vermenigvuldigd met een coëfficiënt van:
1° 1,017 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 juli 2021 en uiterlijk op 1 juni 2023;
2° 1,034 voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 juli 2023.]3]2
[2 § 9.]2 Wanneer de teller van de breuk die voltijdse dagequivalenten uitdrukt die het recht op de overgangsuitkering kunnen openen, verlaagd wordt krachtens artikel 7bis, § 1, derde lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, zal deze vermindering, voor de berekening van de overgangsuitkering, slaan op de voltijdse dagequivalenten die aanleiding geven tot de toekenning van de laagste overgangsuitkering.
De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, § 8.
De vermindering bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing wanneer de globale beroepsloopbaan van de overleden zelfstandige, zoals gedefinieerd in artikel 19, § 2bis, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72, meer voltijdse dagequivalenten bevat dan het maximumaantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 7bis, § 1, derde lid, en de voltijdse dagequivalenten volgend op dat maximumaantal door de overleden echtgenoot gepresteerde dagen van beroepsbezigheid als zelfstandige zijn. In dat geval worden die dagen in aanmerking genomen in de berekening van de overgangsuitkering van de langstlevende echtgenoot.
[2 § 10.]2 Indien het bedrag van de overgangsuitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7bis en 8bis en van dit artikel kleiner is dan het bedrag dat verkregen wordt door het in artikel 131ter, § 1, van de wet van 15 mei 1984 bedoelde bedrag van 9 648,57 euro te vermenigvuldigen met de in artikel 7bis, § 1, bedoelde breuk, wordt dit laatste bedrag toegekend.
Vanaf 1 april 2015 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9 648,57 euro gelijk aan het in artikel 131ter, § 1, van de wet van 15 mei 1984 bedoelde bedrag voor een overlevingspensioen.
Vanaf 1 september 2017 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9 648,57 euro gelijk aan het in artikel 34 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector bedoelde bedrag.
[4 Vanaf 1 januari 2025 is het in het eerste lid bedoelde bedrag van 9.648,57 euro gelijk aan het bedrag in artikel 4, eerste lid, 3°, van de wet van 25 april 2024 houdende de hervorming van pensioenen.]4
[2 § 11.]2 Boek III, Titel IIbis, van de wet van 15 mei 1984 wordt niet toegepast op de overgangsuitkering.]1
Art. 9bis. [1 § 1er. En vue du calcul de l'allocation de transition, le numérateur de la fraction représentative de la carrière du conjoint décédé visée à l'article 7bis, § 1er, est scindé en sept parties:
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018 et avant le 1er janvier 2021, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2020, tout trimestre valant 0,25;
7° une septième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.
§ 2. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 1° et 7°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.
§ 3. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 2°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° une fraction qui a été visée chaque année par le Roi et qui reflétait, au 1er janvier de l'année en cause, le rapport entre le taux de la cotisation destinée au régime de pension des travailleurs indépendants et la somme des taux de la cotisation personnelle et de la cotisation patronale dues sur la rémunération des travailleurs salariés et destinées à leur régime de pension.
§ 4. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 3°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,567851 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 35 341,68 EUR;
0,463605 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 35 341,68 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 4, alinéas 2 et 3.
§ 5. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 4°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,663250 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 31 820,77 EUR;
0,541491 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 31 820,77 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 5, alinéas 2 à 4.
§ 6. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 5°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,691542.
§ 7. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 6°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er, Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 1.
[2 § 8. [3 La pension par année civile, calculée conformément aux paragraphes 2 à 6, est multipliée par un coefficient de:
1° 1,017 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 2021 et au plus tard le 1er juin 2023;
2° 1,034 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt à partir du 1er juillet 2023.]3]2
[2 § 9.]2 Lorsque le numérateur de la fraction exprimant les jours équivalents temps plein susceptibles d'ouvrir le droit à l'allocation de transition est réduit en vertu de l'article 7bis, § 1er, alinéa 3, ou en vertu de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, cette réduction portera, pour le calcul de l'allocation de transition, sur les jours équivalents temps plein qui donnent lieu à l'octroi de l'allocation de transition la moins élevée.
L'élimination des jours excédentaires s'effectue conformément à l'article 9, § 8.
La réduction visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur indépendant décédé, telle que définie à l'article 19, § 2bis, 3°, de l'arrêté royal n° 72, comporte plus de jours équivalents temps plein que le nombre de jours équivalents temps plein maximum visé à l'article 7bis, § 1er, alinéa 3, et que les jours équivalents temps plein postérieurs à ce nombre maximum sont des jours d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant prestés par le conjoint décédé. Dans ce cas, ces jours sont pris en considération dans le calcul de l'allocation de transition du conjoint survivant.
[2 § 10.]2 Si le montant de l'allocation de transition calculée conformément aux dispositions des articles 7bis et 8bis et du présent article est inférieur au montant obtenu en multipliant le montant de 9 648,57 euros visé à l'article 131ter, § 1er, de la loi du 15 mai 1984 par la fraction visée à l'article 7bis, § 1er, ce dernier montant est alloué.
A partir du 1er avril 2015, le montant de 9 648,57 euros visé à l'alinéa 1er est égal au montant visé à l'article 131ter, § 1er, de la loi du 15 mai 1984 pour une pension de survie.
A partir du 1er septembre 2017, le montant de 9 648,57 euros visé à l'alinéa 1er est égal au montant visé à l'article 34 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social.
[4 A partir du 1er janvier 2025, le montant de 9.648,57 euros visé à l'alinéa 1er est égal au montant visé à l'article 4, alinéa 1er, 3°, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions.]4
[2 § 11.]2 Le Livre III, Titre IIbis, de la loi du 15 mai 1984 n'est pas applicable à l'allocation de transition.]1
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018 et avant le 1er janvier 2021, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2020, tout trimestre valant 0,25;
7° une septième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.
§ 2. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 1° et 7°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.
§ 3. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 2°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° une fraction qui a été visée chaque année par le Roi et qui reflétait, au 1er janvier de l'année en cause, le rapport entre le taux de la cotisation destinée au régime de pension des travailleurs indépendants et la somme des taux de la cotisation personnelle et de la cotisation patronale dues sur la rémunération des travailleurs salariés et destinées à leur régime de pension.
§ 4. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 3°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,567851 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 35 341,68 EUR;
0,463605 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 35 341,68 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 4, alinéas 2 et 3.
§ 5. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 4°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,663250 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 31 820,77 EUR;
0,541491 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 31 820,77 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 5, alinéas 2 à 4.
§ 6. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 5°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,691542.
§ 7. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 6°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 7bis, § 1er, Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 1.
[2 § 8. [3 La pension par année civile, calculée conformément aux paragraphes 2 à 6, est multipliée par un coefficient de:
1° 1,017 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 2021 et au plus tard le 1er juin 2023;
2° 1,034 pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt à partir du 1er juillet 2023.]3]2
[2 § 9.]2 Lorsque le numérateur de la fraction exprimant les jours équivalents temps plein susceptibles d'ouvrir le droit à l'allocation de transition est réduit en vertu de l'article 7bis, § 1er, alinéa 3, ou en vertu de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, cette réduction portera, pour le calcul de l'allocation de transition, sur les jours équivalents temps plein qui donnent lieu à l'octroi de l'allocation de transition la moins élevée.
L'élimination des jours excédentaires s'effectue conformément à l'article 9, § 8.
La réduction visée à l'alinéa 1er n'est pas applicable lorsque la carrière professionnelle globale du travailleur indépendant décédé, telle que définie à l'article 19, § 2bis, 3°, de l'arrêté royal n° 72, comporte plus de jours équivalents temps plein que le nombre de jours équivalents temps plein maximum visé à l'article 7bis, § 1er, alinéa 3, et que les jours équivalents temps plein postérieurs à ce nombre maximum sont des jours d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant prestés par le conjoint décédé. Dans ce cas, ces jours sont pris en considération dans le calcul de l'allocation de transition du conjoint survivant.
[2 § 10.]2 Si le montant de l'allocation de transition calculée conformément aux dispositions des articles 7bis et 8bis et du présent article est inférieur au montant obtenu en multipliant le montant de 9 648,57 euros visé à l'article 131ter, § 1er, de la loi du 15 mai 1984 par la fraction visée à l'article 7bis, § 1er, ce dernier montant est alloué.
A partir du 1er avril 2015, le montant de 9 648,57 euros visé à l'alinéa 1er est égal au montant visé à l'article 131ter, § 1er, de la loi du 15 mai 1984 pour une pension de survie.
A partir du 1er septembre 2017, le montant de 9 648,57 euros visé à l'alinéa 1er est égal au montant visé à l'article 34 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social.
[4 A partir du 1er janvier 2025, le montant de 9.648,57 euros visé à l'alinéa 1er est égal au montant visé à l'article 4, alinéa 1er, 3°, de la loi du 25 avril 2024 portant la réforme des pensions.]4
[2 § 11.]2 Le Livre III, Titre IIbis, de la loi du 15 mai 1984 n'est pas applicable à l'allocation de transition.]1
Art.10. [1 § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de eerste coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, aanpassen in functie van de evolutie van de uitgaven voor de pensioenuitkeringen, met uitzondering van de uitgaven voor de pensioenbijslag bedoeld in artikel 14, in de totaliteit van de uitgaven in het sociaal statuut der zelfstandigen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de tweede coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, aanpassen in functie van de aanpassingen van de bedragen bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 5, § 2, tweede lid.
De in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen mogen evenwel geen weerslag hebben op de pensioenberekening voor loopbaanjaren die gelegen zijn vóór het jaar waarin deze aanpassingen gebeuren.
§ 2. De Koning kan, om de twee jaar, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, verhogen door toepassing van een verhogingscoëfficiënt die gelijk dient te zijn aan de verhogingscoëfficiënt vastgesteld in uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.]1
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de tweede coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, aanpassen in functie van de aanpassingen van de bedragen bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 5, § 2, tweede lid.
De in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen mogen evenwel geen weerslag hebben op de pensioenberekening voor loopbaanjaren die gelegen zijn vóór het jaar waarin deze aanpassingen gebeuren.
§ 2. De Koning kan, om de twee jaar, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in artikel 6, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, en in artikel 9bis, § 4, eerste lid, 3°, en § 5, eerste lid, 3°, verhogen door toepassing van een verhogingscoëfficiënt die gelijk dient te zijn aan de verhogingscoëfficiënt vastgesteld in uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.]1
Modifications
Art.10. [1 § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le premier coefficient visé à l'article 6, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, et à l'article 9bis, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, en fonction de l'évolution des dépenses pour les prestations de pension, à l'exception des dépenses pour le supplément de pension visé à l'article 14, dans la totalité des dépenses dans le statut social des indépendants.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le deuxième coefficient visé à l'article 6, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, et à l'article 9bis, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, en fonction des adaptations des montants visés à l'article 6, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 4, alinéa 1er, 3° et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9bis, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, et à l'article 5, § 2, alinéa 2.
Les adaptations visées aux alinéas précédents ne peuvent toutefois pas avoir un effet sur le calcul de la pension pour des années de carrière qui sont situées avant l'année au cours de laquelle ces adaptations ont lieu.
§ 2. Le Roi peut revaloriser tous les deux ans, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant visé à l'article 6, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, et à l'article 9bis, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, en appliquant un coefficient de revalorisation qui doit être égal au coefficient de revalorisation déterminé en exécution de l'article 7 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.]1
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le deuxième coefficient visé à l'article 6, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, et à l'article 9bis, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, en fonction des adaptations des montants visés à l'article 6, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 4, alinéa 1er, 3° et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9bis, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, et à l'article 5, § 2, alinéa 2.
Les adaptations visées aux alinéas précédents ne peuvent toutefois pas avoir un effet sur le calcul de la pension pour des années de carrière qui sont situées avant l'année au cours de laquelle ces adaptations ont lieu.
§ 2. Le Roi peut revaloriser tous les deux ans, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant visé à l'article 6, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, et à l'article 9bis, § 4, alinéa 1er, 3°, et § 5, alinéa 1er, 3°, en appliquant un coefficient de revalorisation qui doit être égal au coefficient de revalorisation déterminé en exécution de l'article 7 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.]1
Modifications
Art.11. § 1. Wanneer de echtgenoot overleden is vóór het jaar waarin hij de leeftijd zou hebben bereikt bedoeld in artikel 7, § 2, of in artikel 19, naargelang van het geval, en bij zijn overlijden geen rustpensioen in de hoedanigheid van zelfstandige genoot of genoten had, mag het overlevingspensioen, in afwijking van artikel 9, niet hoger zijn dan het bedrag verkregen door de toepassing, op het bedrag van een fictief rustpensioen, van de breuk die werd verkregen na toepassing van artikel 7, § 3, van dit besluit en van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72.
Dit fictief rustpensioen is datgene dat zou bekomen worden door een gerechtigde wiens echtgenoot voldoet aan de voorwaarden bedoeld in [1 artikel 9, § 1, 1°, of § 2]1, van het koninklijk besluit nr. 72, die verondersteld wordt de leeftijd bedoeld in artikel 7, § 2, of in artikel 19, naargelang van het geval, te hebben bereikt op de dag van het overlijden, een volledige loopbaan als zelfstandige te bewijzen en, voor de jaren na 1983, het bedrijfsinkomen te hebben gehad dat voor dezelfde jaren werd in aanmerking genomen voor de overleden echtgenoot.
De Koning bepaalt wat het inkomen is waarmee, met het oog op de berekening van het fictief rustpensioen bedoeld in het vorige lid, rekening moet worden gehouden voor de jaren of gedeelten van de jaren na 1983 die niet in aanmerking konden worden genomen in de loopbaan van de overleden echtgenoot.
§ 2. Artikel 131 bis van de wet van 15 mei 1984 is niet van toepassing op de berekening van dit fictief rustpensioen.
Dit fictief rustpensioen is datgene dat zou bekomen worden door een gerechtigde wiens echtgenoot voldoet aan de voorwaarden bedoeld in [1 artikel 9, § 1, 1°, of § 2]1, van het koninklijk besluit nr. 72, die verondersteld wordt de leeftijd bedoeld in artikel 7, § 2, of in artikel 19, naargelang van het geval, te hebben bereikt op de dag van het overlijden, een volledige loopbaan als zelfstandige te bewijzen en, voor de jaren na 1983, het bedrijfsinkomen te hebben gehad dat voor dezelfde jaren werd in aanmerking genomen voor de overleden echtgenoot.
De Koning bepaalt wat het inkomen is waarmee, met het oog op de berekening van het fictief rustpensioen bedoeld in het vorige lid, rekening moet worden gehouden voor de jaren of gedeelten van de jaren na 1983 die niet in aanmerking konden worden genomen in de loopbaan van de overleden echtgenoot.
§ 2. Artikel 131 bis van de wet van 15 mei 1984 is niet van toepassing op de berekening van dit fictief rustpensioen.
Modifications
Art.11. § 1. Lorsque le conjoint est décédé avant l'année au cours de laquelle il aurait atteint l'âge visé à l'article 7, § 2, ou à l'article 19, selon le cas, et qu'il ne bénéficiait pas à son décès et n'avait pas bénéficié d'une pension de retraite en qualité de travailleur indépendant, la pension de survie ne peut, par dérogation à l'article 9, être supérieure au montant obtenu en appliquant au montant d'une pension de retraite fictive la fraction obtenue par application de l'article 7, § 3, du présent arrêté et de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72.
Cette pension de retraite fictive est celle qui serait obtenue par un bénéficiaire dont le conjoint satisfait aux conditions énoncées à [1 l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2]1, de l'arrêté royal n° 72, qui est supposé avoir atteint l'âge visé à l'article 7, § 2, ou à l'article 19, selon le cas, le jour du décès, justifie d'une carrière complète en qualité de travailleur indépendant et avoir eu pour les années postérieures à 1983 le revenu professionnel retenu pour les mêmes années dans le chef du conjoint défunt.
Le Roi détermine quel est le revenu dont il y a lieu de tenir compte en vue du calcul de la pension de retraite fictive visée à l'alinéa précedent pour les années ou les fractions d'années posterieures à 1983 qui n'ont pu être retenues dans la carrière du conjoint décédé.
§ 2. L'article 131bis de la loi du 15 mai 1984 n'est pas applicable au calcul de cette pension de retraite fictive.
Cette pension de retraite fictive est celle qui serait obtenue par un bénéficiaire dont le conjoint satisfait aux conditions énoncées à [1 l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2]1, de l'arrêté royal n° 72, qui est supposé avoir atteint l'âge visé à l'article 7, § 2, ou à l'article 19, selon le cas, le jour du décès, justifie d'une carrière complète en qualité de travailleur indépendant et avoir eu pour les années postérieures à 1983 le revenu professionnel retenu pour les mêmes années dans le chef du conjoint défunt.
Le Roi détermine quel est le revenu dont il y a lieu de tenir compte en vue du calcul de la pension de retraite fictive visée à l'alinéa précedent pour les années ou les fractions d'années posterieures à 1983 qui n'ont pu être retenues dans la carrière du conjoint décédé.
§ 2. L'article 131bis de la loi du 15 mai 1984 n'est pas applicable au calcul de cette pension de retraite fictive.
Modifications
Art.12. De Koning bepaalt hoe het overlevingspensioen wordt berekend in de gevallen bedoeld in artikel 7, § 4.
Art.12. Le Roi détermine comment est calculée la pension de survie dans les cas visés à l'article 7, § 4.
HOOFDSTUK V. - Het halftijds pensioen.
CHAPITRE V. - La pension à mi-temps.
Art.13. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, volgens de voorwaarden en modaliteiten en tijdens de periode die Hij bepaalt, voor de personen die in toepassing van artikel 3, §§ 2 of 4, of van artikel 16, recht hebben op een vervroegd rustpensioen, een stelsel van halftijds pensioen instellen.
De bijdragen die in toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 door deze personen worden betaald gedurende de periode waarin zij het halftijds pensioen genieten, gelden niet als bewijs van de beroepsbezigheid als zelfstandige in de zin van artikel 15, § 1, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72.
De bijdragen die in toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 door deze personen worden betaald gedurende de periode waarin zij het halftijds pensioen genieten, gelden niet als bewijs van de beroepsbezigheid als zelfstandige in de zin van artikel 15, § 1, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 72.
Art.13. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, selon les conditions, les modalités et pendant la période qu'Il fixe, instaurer un système de pension à mi-temps en faveur des personnes qui ont droit à une pension de retraite anticipée en application de l'article 3, §§ 2 ou 4 ou de l'article 16.
Les cotisations payées, en application de l'arrêté royal n° 38, par ces personnes durant la période au cours de laquelle elles bénéficient de la pension à mi-temps ne font pas preuve de l'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant au sens de l'article 15, § 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 72.
Les cotisations payées, en application de l'arrêté royal n° 38, par ces personnes durant la période au cours de laquelle elles bénéficient de la pension à mi-temps ne font pas preuve de l'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant au sens de l'article 15, § 1er, alinéa 1er, 3°, de l'arrêté royal n° 72.
HOOFDSTUK VI- Diverse bepalingen.
CHAPITRE VI. - Dispositions diverses.
Art.14. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, voor de categorieën die Hij aanduidt, volgens de voorwaarden en modaliteiten en tijdens de periode die Hij bepaalt, voorzien dat een pensioenbijslag wordt betaald aan de gerechtigden op een rustpensioen waarvan het bedrag werd vastgesteld rekening houdend met een loopbaan als zelfstandige die tenminste gelijk is aan twee derde van een volledige loopbaan.
Art.14. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pour les categories qu'Il désigne, selon les conditions et les modalités et pendant la période qu'Il fixe, prévoir qu'un supplément de pension est payé aux bénéficiaires d'une pension de retraite dont le montant a été fixé compte tenu d'une carrière de travailleur indépendant au moins égale aux deux tiers d'une carrière complète.
Art.15. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, volgens de voorwaarden en modaliteiten die Hij bepaalt, de teller van de breuk bedoeld in artikel 4, § 3, verhogen met maximaal 3,25 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 2009.
De toepassing van de bepalingen van het eerste lid mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de aldus verhoogde teller gebracht wordt op een getal dat de twee derden van de noemer bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18 met 0,25 of meer overschrijdt.
De toepassing van de bepalingen van het eerste lid mag evenwel niet tot gevolg hebben dat de aldus verhoogde teller gebracht wordt op een getal dat de twee derden van de noemer bedoeld in artikel 4, § 2, of in artikel 18 met 0,25 of meer overschrijdt.
Art.15. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, selon les conditions et les modalités qu'Il fixe, majorer le numérateur de la fraction visé à l'article 4, § 3, de 3,25 au maximum, lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 2009.
L'application des dispositions de l'alinéa 1er ne peut toutefois pas avoir pour effet que le numérateur ainsi majoré soit porté à un nombre qui dépasse les deux tiers du dénominateur visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18, de 0,25 ou plus.
L'application des dispositions de l'alinéa 1er ne peut toutefois pas avoir pour effet que le numérateur ainsi majoré soit porté à un nombre qui dépasse les deux tiers du dénominateur visé à l'article 4, § 2, ou à l'article 18, de 0,25 ou plus.
HOOFDSTUK VII- Overgangsbepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions transitoires.
Art.16. <W 2005-12-23/30, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 09-01-2006> § 1. In afwijking van artikel 3, § 1, en voor wat de vrouwen betreft, wordt de pensioenleeftijd gebracht op :
1° 61 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
2° 62 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
3° 63 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
4° 64 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
§ 2. Nochtans, voorzover voldaan is aan de voorwaarden van artikel 3, § 3, of van artikel 17, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan vóór de leeftijd bedoeld in de vorige paragraaf en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag.
In het geval bedoeld in het vorige lid wordt het rustpensioen verminderd met 5 pct. per jaar vervroeging.
Voor de toepassing van het verminderingspercentage bedoeld in het vorige lid, wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de inwerkingtreding van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.
Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2007 en uiterlijk op 1 december 2008, wordt het verminderd met :
- 6 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 5 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 4 pct. voor het derde jaar vervroeging, 3 pct. voor het vierde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
- 5 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 4 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 3 pct. voor het derde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
- 4 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 3 pct. voor het tweede jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag;
- 3 pct. voor het jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 64e verjaardag.
§ 3. (De vermindering voorzien in § 2, tweede en vierde lid, is niet van toepassing indien de belanghebbende :
1° een loopbaan van 43 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005;
2° een loopbaan van 44 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2007;
3° een loopbaan van 43 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2008 en uiterlijk op 1 december 2008.) <W 2008-06-08/30, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
Onder kalenderjaren in de zin van het vorige lid wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens één of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van artikel 3, § 3, of krachtens een of meerdere wettelijke buitenlandse pensioenregelingen.
Voor de toepassing van het eerste lid, worden de kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een wettelijke buitenlandse regeling vermoed vervuld te zijn in het kader van de werknemersregeling zoals bedoeld in artikel 3, § 3, tweede lid, 2°.
1° 61 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
2° 62 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
3° 63 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
4° 64 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
§ 2. Nochtans, voorzover voldaan is aan de voorwaarden van artikel 3, § 3, of van artikel 17, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ingaan vóór de leeftijd bedoeld in de vorige paragraaf en ten vroegste op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag.
In het geval bedoeld in het vorige lid wordt het rustpensioen verminderd met 5 pct. per jaar vervroeging.
Voor de toepassing van het verminderingspercentage bedoeld in het vorige lid, wordt rekening gehouden met de leeftijd die de aanvrager bereikte op zijn verjaardag die de inwerkingtreding van het pensioen onmiddellijk voorafgaat.
Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2007 en uiterlijk op 1 december 2008, wordt het verminderd met :
- 6 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 5 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 4 pct. voor het derde jaar vervroeging, 3 pct. voor het vierde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
- 5 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 4 pct. voor het tweede jaar vervroeging, 3 pct. voor het derde jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
- 4 pct. voor het eerste jaar vervroeging, 3 pct. voor het tweede jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag;
- 3 pct. voor het jaar vervroeging indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 63e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 64e verjaardag.
§ 3. (De vermindering voorzien in § 2, tweede en vierde lid, is niet van toepassing indien de belanghebbende :
1° een loopbaan van 43 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005;
2° een loopbaan van 44 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2007;
3° een loopbaan van 43 kalenderjaren bewijst voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2008 en uiterlijk op 1 december 2008.) <W 2008-06-08/30, art. 25, 013; Inwerkingtreding : 26-06-2008>
Onder kalenderjaren in de zin van het vorige lid wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens één of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van artikel 3, § 3, of krachtens een of meerdere wettelijke buitenlandse pensioenregelingen.
Voor de toepassing van het eerste lid, worden de kalenderjaren waarvoor pensioenrechten kunnen worden geopend krachtens een wettelijke buitenlandse regeling vermoed vervuld te zijn in het kader van de werknemersregeling zoals bedoeld in artikel 3, § 3, tweede lid, 2°.
Art.16. <L 2005-12-23/30, art. 4, 010; En vigueur : 09-01-2006> § 1er. Par dérogation à l'article 3, § 1er, et en ce qui concerne les femmes, l'âge de la pension est ramené à :
1° 61 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
2° 62 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tot le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
3° 63 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
4° 64 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
§ 2. Toutefois, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions de l'article 3, § 3, ou de l'article 17, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressée, avant l'âge prévu au paragraphe précédent et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire.
Dans le cas prévu à l'alinéa précédent, la pension de retraite est réduite de 5 p.c. par année d'anticipation.
Pour l'application du coefficient de réduction visé à l'alinéa précédent, il est tenu compte de l'âge atteint par le demandeur à son anniversaire précédant immédiatement la date de prise de cours de la pension.
Lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2007 et au plus tard le 1er décembre 2008, elle est réduite de :
- 6 p.c. pour la première année d'anticipation, 5 p.c. pour la deuxième année d'anticipation, 4 p.c. pour la troisième année d'anticipation, 3 p.c. pour la quatrième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 61e anniversaire;
- 5 p.c. pour la première année d'anticipation, 4 p.c. pour la deuxième année d'anticipation, 3 p.c. pour la troisième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 62e anniversaire;
- 4 p.c. pour la première année d'anticipation, 3 p.c. pour la deuxième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 62ème anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 63e anniversaire;
- 3 p.c. pour l'année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 63e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 64e anniversaire.
§ 3. (La réduction prévue au § 2, alinéas 2 et 4, n'est pas applicable lorsque l'intéressé prouve :
1° une carrière de 43 années civiles, pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
2° une carrière de 44 années civiles, pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2007;
3° une carrière de 43 années civiles, pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2008 et au plus tard le 1er décembre 2008.) <L 2008-06-08/30, art. 25, 013; En vigueur : 26-06-2008>
Par années civiles au sens de l'alinéa précédent, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension, au sens de l'article 3, § 3, ou en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux étrangers de pension.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un régime légal étranger sont présumées être accomplies dans le cadre du régime des travailleurs salariés visé à l'article 3, § 3, alinéa 2, 2°.
1° 61 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
2° 62 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tot le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
3° 63 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
4° 64 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
§ 2. Toutefois, pour autant qu'il soit satisfait aux conditions de l'article 3, § 3, ou de l'article 17, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressée, avant l'âge prévu au paragraphe précédent et au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire.
Dans le cas prévu à l'alinéa précédent, la pension de retraite est réduite de 5 p.c. par année d'anticipation.
Pour l'application du coefficient de réduction visé à l'alinéa précédent, il est tenu compte de l'âge atteint par le demandeur à son anniversaire précédant immédiatement la date de prise de cours de la pension.
Lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2007 et au plus tard le 1er décembre 2008, elle est réduite de :
- 6 p.c. pour la première année d'anticipation, 5 p.c. pour la deuxième année d'anticipation, 4 p.c. pour la troisième année d'anticipation, 3 p.c. pour la quatrième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 61e anniversaire;
- 5 p.c. pour la première année d'anticipation, 4 p.c. pour la deuxième année d'anticipation, 3 p.c. pour la troisième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 62e anniversaire;
- 4 p.c. pour la première année d'anticipation, 3 p.c. pour la deuxième année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 62ème anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 63e anniversaire;
- 3 p.c. pour l'année d'anticipation si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 63e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 64e anniversaire.
§ 3. (La réduction prévue au § 2, alinéas 2 et 4, n'est pas applicable lorsque l'intéressé prouve :
1° une carrière de 43 années civiles, pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
2° une carrière de 44 années civiles, pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2007;
3° une carrière de 43 années civiles, pour les pensions prenant cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2008 et au plus tard le 1er décembre 2008.) <L 2008-06-08/30, art. 25, 013; En vigueur : 26-06-2008>
Par années civiles au sens de l'alinéa précédent, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension, au sens de l'article 3, § 3, ou en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux étrangers de pension.
Pour l'application de l'alinéa 1er, les années civiles susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un régime légal étranger sont présumées être accomplies dans le cadre du régime des travailleurs salariés visé à l'article 3, § 3, alinéa 2, 2°.
Art. 16bis. [1 § 1. In afwijking van artikel 3, § 2bis, eerste lid, kan het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ten vroegste ingaan :
1° op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de 60e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013;
2° op de eerste dag van de maand volgend op de 61e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2014 en uiterlijk op 1 december 2014;
3° op de eerste dag van de zevende maand volgend op de 61e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2015 en uiterlijk op 1 december 2015.
In afwijking van het vorige lid, 1° en 2°, kan het rustpensioen ten vroegste ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 40 kalenderjaren.
In afwijking van het eerste lid, 3°, kan het rustpensioen ten vroegste ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 41 kalenderjaren.
Onder kalenderjaren in de zin van vorige leden wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van artikel 3, § 3, derde lid, of regelingen waarop de Europese verordeningen inzake sociale zekerheid van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is.
§ 2. In afwijking van artikel 3, § 3, tweede lid, wordt de voorwaarde inzake duur van de loopbaan gebracht :
1° op 38 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013;
2° op 39 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2014 en uiterlijk op 1 december 2014.
[2 § 2bis. In afwijking van § 1, eerste lid, 2°, en van § 2, 2°, wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2014 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, en de vereiste loopbaanvoorwaarde overeenkomstig § 2, 1°.
In afwijking van § 1, eerste lid, 3°, en van artikel 3, § 3, tweede lid, wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2015 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 2°, en de vereiste loopbaanvoorwaarde overeenkomstig § 2, 2°.]2
§ 3. Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013 wordt het verminderd met :
- 25 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal uiterlijk ingaat op de eerste dag van de zesde maand die volgt op de 60e verjaardag;
- 21,5 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
- 18 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
- 12 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag.
§ 4. [3 ...]3
§ 5. [3 ...]3
1° op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de 60e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013;
2° op de eerste dag van de maand volgend op de 61e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2014 en uiterlijk op 1 december 2014;
3° op de eerste dag van de zevende maand volgend op de 61e verjaardag wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2015 en uiterlijk op 1 december 2015.
In afwijking van het vorige lid, 1° en 2°, kan het rustpensioen ten vroegste ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 40 kalenderjaren.
In afwijking van het eerste lid, 3°, kan het rustpensioen ten vroegste ingaan op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 41 kalenderjaren.
Onder kalenderjaren in de zin van vorige leden wordt verstaan de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen in de zin van artikel 3, § 3, derde lid, of regelingen waarop de Europese verordeningen inzake sociale zekerheid van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is.
§ 2. In afwijking van artikel 3, § 3, tweede lid, wordt de voorwaarde inzake duur van de loopbaan gebracht :
1° op 38 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013;
2° op 39 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2014 en uiterlijk op 1 december 2014.
[2 § 2bis. In afwijking van § 1, eerste lid, 2°, en van § 2, 2°, wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2014 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 1°, en de vereiste loopbaanvoorwaarde overeenkomstig § 2, 1°.
In afwijking van § 1, eerste lid, 3°, en van artikel 3, § 3, tweede lid, wordt voor de rustpensioenen die ingaan op 1 januari 2015 de vereiste leeftijdsvoorwaarde vastgesteld overeenkomstig § 1, eerste lid, 2°, en de vereiste loopbaanvoorwaarde overeenkomstig § 2, 2°.]2
§ 3. Wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op 1 januari 2013 en uiterlijk op 1 december 2013 wordt het verminderd met :
- 25 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal uiterlijk ingaat op de eerste dag van de zesde maand die volgt op de 60e verjaardag;
- 21,5 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de 60e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 61e verjaardag;
- 18 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 62e verjaardag;
- 12 pct. indien het daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaat op de eerste dag van de maand die volgt op de 62e verjaardag en uiterlijk op de eerste dag van de maand van de 63e verjaardag.
§ 4. [3 ...]3
§ 5. [3 ...]3
Modifications
Art. 16bis. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 3, § 2bis, alinéa 1er, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, au plus tôt :
1° le premier jour du septième mois suivant le 60e anniversaire lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2013;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2014 et au plus tard le 1er décembre 2014;
3° le premier jour du septième mois suivant le 61e anniversaire lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2015 et au plus tard le 1er décembre 2015.
Par dérogation à l'alinéa précédent, 1° et 2°, la pension de retraite peut prendre cours au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 40 années civiles.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, la pension de retraite peut prendre cours au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 41 années civiles.
Par années civiles au sens des alinéas précédents, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension au sens de l'article 3, § 3, alinéa 3, ou de régimes qui relèvent du champ d'application des Règlements européens de sécurité sociale ou d'une convention de sécurité sociale conclue par la Belgique concernant les pensions des travailleurs salariés ou des travailleurs indépendants.
§ 2. Par dérogation à l'article 3, § 3, alinéa 2, la condition de durée de carrière est ramenée :
1° à 38 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2013;
2° à 39 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2014 et au plus tard le 1er décembre 2014.
[2 § 2bis. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 2°, et au § 2, 2°, la condition d'âge requise pour les pensions de retraite prenant cours le 1er janvier 2014 est fixée conformément au § 1er, alinéa 1er, 1°, et la condition de carrière requise conformément au § 2, 1°.
Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 3°, et à l'article 3, § 3, alinéa 2, la condition d'âge requise pour les pensions de retraite prenant cours le 1er janvier 2015 est fixée conformément au § 1er, alinéa 1er, 2°, et la condition de carrière requise conformément au § 2, 2°.]2
§ 3. Lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2013, elle est réduite de :
- 25 p.c. si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tard le premier jour du sixième mois suivant le 60e anniversaire;
- 21,5 p.c. si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du septième mois suivant le 60e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 61e anniversaire;
- 18 p.c. si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 62e anniversaire;
- 12 p.c. si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 63e anniversaire.
§ 4. [3 ...]3
§ 5. [3 ...]3
1° le premier jour du septième mois suivant le 60e anniversaire lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2013;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2014 et au plus tard le 1er décembre 2014;
3° le premier jour du septième mois suivant le 61e anniversaire lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2015 et au plus tard le 1er décembre 2015.
Par dérogation à l'alinéa précédent, 1° et 2°, la pension de retraite peut prendre cours au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 40 années civiles.
Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, la pension de retraite peut prendre cours au plus tôt le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 41 années civiles.
Par années civiles au sens des alinéas précédents, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension au sens de l'article 3, § 3, alinéa 3, ou de régimes qui relèvent du champ d'application des Règlements européens de sécurité sociale ou d'une convention de sécurité sociale conclue par la Belgique concernant les pensions des travailleurs salariés ou des travailleurs indépendants.
§ 2. Par dérogation à l'article 3, § 3, alinéa 2, la condition de durée de carrière est ramenée :
1° à 38 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2013;
2° à 39 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2014 et au plus tard le 1er décembre 2014.
[2 § 2bis. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 2°, et au § 2, 2°, la condition d'âge requise pour les pensions de retraite prenant cours le 1er janvier 2014 est fixée conformément au § 1er, alinéa 1er, 1°, et la condition de carrière requise conformément au § 2, 1°.
Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, 3°, et à l'article 3, § 3, alinéa 2, la condition d'âge requise pour les pensions de retraite prenant cours le 1er janvier 2015 est fixée conformément au § 1er, alinéa 1er, 2°, et la condition de carrière requise conformément au § 2, 2°.]2
§ 3. Lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2013 et au plus tard le 1er décembre 2013, elle est réduite de :
- 25 p.c. si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tard le premier jour du sixième mois suivant le 60e anniversaire;
- 21,5 p.c. si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du septième mois suivant le 60e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 61e anniversaire;
- 18 p.c. si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 62e anniversaire;
- 12 p.c. si elle prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le premier jour du mois suivant le 62e anniversaire et au plus tard le premier jour du mois du 63e anniversaire.
§ 4. [3 ...]3
§ 5. [3 ...]3
Modifications
Art. 16ter. [1 In afwijking van artikel 3, § 2ter, eerste lid, kan voor de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 februari 2017 en uiterlijk op 1 januari 2018 ingaan, het rustpensioen, naar keuze en op verzoek van de belanghebbende, ten vroegste ingaan op de eerste dag van de zevende maand die volgt op de 62e verjaardag op voorwaarde dat de belanghebbende een loopbaan van ten minste 41 kalenderjaren bewijst.
In afwijking van het eerste lid kan het rustpensioen ten vroegste ingaan :
1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren.
Met kalenderjaren in de zin van het eerste en tweede lid wordt bedoeld de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen inzake sociale zekerheid van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is.]1
In afwijking van het eerste lid kan het rustpensioen ten vroegste ingaan :
1° op de eerste dag van de maand die volgt op de 60e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 43 kalenderjaren;
2° op de eerste dag van de maand die volgt op de 61e verjaardag indien de belanghebbende een loopbaan bewijst van ten minste 42 kalenderjaren.
Met kalenderjaren in de zin van het eerste en tweede lid wordt bedoeld de jaren waarvoor pensioenrechten kunnen geopend worden krachtens een of meerdere wettelijke Belgische pensioenregelingen of regelingen waarop de Europese verordeningen inzake sociale zekerheid van toepassing zijn of waarop een door België gesloten overeenkomst inzake sociale zekerheid betreffende de pensioenen van werknemers of zelfstandigen van toepassing is.]1
Art. 16ter. [1 Par dérogation à l'article 3, § 2ter, alinéa 1er, et pour les pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er février 2017 et au plus tard le 1er janvier 2018, la pension de retraite peut prendre cours, au choix et à la demande de l'intéressé, au plus tôt le premier jour du septième mois suivant le 62e anniversaire à condition que l'intéressé prouve une carrière d'au moins 41 années civiles.
Par dérogation à l'alinéa 1er, la pension de retraite peut prendre cours au plus tôt :
1° le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles.
Par années civiles au sens des alinéas 1er et 2, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension, ou de régimes qui relèvent du champ d'application des Règlements européens de sécurité sociale ou d'une convention de sécurité sociale conclue par la Belgique concernant les pensions des travailleurs salariés ou des travailleurs indépendants.]1
Par dérogation à l'alinéa 1er, la pension de retraite peut prendre cours au plus tôt :
1° le premier jour du mois suivant le 60e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 43 années civiles;
2° le premier jour du mois suivant le 61e anniversaire lorsque l'intéressé prouve une carrière d'au moins 42 années civiles.
Par années civiles au sens des alinéas 1er et 2, il y a lieu d'entendre les années susceptibles d'ouvrir des droits à la pension en vertu d'un ou plusieurs régimes légaux belges de pension, ou de régimes qui relèvent du champ d'application des Règlements européens de sécurité sociale ou d'une convention de sécurité sociale conclue par la Belgique concernant les pensions des travailleurs salariés ou des travailleurs indépendants.]1
Modifications
Art.17. In afwijking van artikel 3, § 3, wordt de voorwaarde inzake duur van de loopbaan gebracht :
1° op 20 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1997 ingaat;
2° op 22 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1998 en uiterlijk op 1 december 1998 ingaat;
3° op 24 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1999 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
4° op 26 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2000 ingaat;
5° op 28 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2001 en uiterlijk op 1 december 2001 ingaat;
6° op 30 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2002 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
7° op 32 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2003 ingaat;
8° op 34 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2004 en uiterlijk op 1 december 2004 ingaat.
De bepalingen van artikel 3, § 3, leden 2 tot 5 zijn van toepassing.
1° op 20 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1997 ingaat;
2° op 22 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1998 en uiterlijk op 1 december 1998 ingaat;
3° op 24 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 1999 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
4° op 26 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2000 ingaat;
5° op 28 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2001 en uiterlijk op 1 december 2001 ingaat;
6° op 30 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2002 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
7° op 32 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2003 ingaat;
8° op 34 jaar wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2004 en uiterlijk op 1 december 2004 ingaat.
De bepalingen van artikel 3, § 3, leden 2 tot 5 zijn van toepassing.
Art.17. Par dérogation à l'article 3, § 3, la condition de durée de carrière est ramenée :
1° à 20 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1997;
2° à 22 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 1998 et au plus tard le 1er décembre 1998;
3° à 24 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 1999 et au plus tard le 1er décembre 1999;
4° à 26 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2000;
5° à 28 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2001 et au plus tard le 1er décembre 2001;
6° à 30 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2002 et au plus tard le 1er décembre 2002;
7° à 32 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2003;
8° à 34 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2004 et au plus tard le 1er décembre 2004.
Les dispositions de l'article 3, § 3, alinéas 2 à 5 sont d'application.
1° à 20 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1997;
2° à 22 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 1998 et au plus tard le 1er décembre 1998;
3° à 24 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 1999 et au plus tard le 1er décembre 1999;
4° à 26 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2000;
5° à 28 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2001 et au plus tard le 1er décembre 2001;
6° à 30 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2002 et au plus tard le 1er décembre 2002;
7° à 32 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2003;
8° à 34 ans lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2004 et au plus tard le 1er décembre 2004.
Les dispositions de l'article 3, § 3, alinéas 2 à 5 sont d'application.
Art.18. In afwijking van artikel 4, § 2, en voor wat de vrouwen betreft, wordt de noemer gebracht :
1° op 41 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
2° op 42 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
3° op 43 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
4° op 44 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
1° op 41 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 1 december 1999 ingaat;
2° op 42 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 1 december 2002 ingaat;
3° op 43 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 1 december 2005 ingaat;
4° op 44 wanneer het rustpensioen daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 1 december 2008 ingaat.
Art.18. Par dérogation à l'article 4, § 2, et en ce qui concerne les femmes, le dénominateur est ramené :
1° à 41 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
2° à 42 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
3° à 43 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
4° à 44 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
1° à 41 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 1er décembre 1999;
2° à 42 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 1er décembre 2002;
3° à 43 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 1er décembre 2005;
4° à 44 lorsque la pension de retraite prend cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 1er décembre 2008.
Art.19. In afwijking van artikel 7, § 2, en voor wat de vrouwen betreft, wordt de leeftijd van 65 jaar gebracht :
1° op 61 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 31 december 1999 heeft voorgedaan;
2° op 62 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 31 december 2002 heeft voorgedaan;
3° op 63 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 31 december 2005 heeft voorgedaan;
4° op 64 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 31 december 2008 heeft voorgedaan.
1° op 61 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 juli 1997 en uiterlijk op 31 december 1999 heeft voorgedaan;
2° op 62 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2000 en uiterlijk op 31 december 2002 heeft voorgedaan;
3° op 63 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2003 en uiterlijk op 31 december 2005 heeft voorgedaan;
4° op 64 jaar wanneer het overlijden zich ten vroegste op 1 januari 2006 en uiterlijk op 31 december 2008 heeft voorgedaan.
Art.19. Par dérogation à l'article 7, § 2, et en ce qui concerne les femmes, l'âge de 65 ans est ramené à :
1° 61 ans lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 31 décembre 1999;
2° 62 ans lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 31 décembre 2002;
3° 63 ans lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 31 décembre 2005;
4° 64 ans lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 31 décembre 2008.
1° 61 ans lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er juillet 1997 et au plus tard le 31 décembre 1999;
2° 62 ans lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2000 et au plus tard le 31 décembre 2002;
3° 63 ans lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2003 et au plus tard le 31 décembre 2005;
4° 64 ans lorsque le décès est survenu au plus tôt le 1er janvier 2006 et au plus tard le 31 décembre 2008.
HOOFDSTUK VIII- Wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE VIII. - Dispositions modificatives.
Art.20. In artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 38, gewijzigd bij de wetten van 12 juli 1972, 23 december 1974, 6 februari 1976, 13 juni 1985, 30 december 1988, 26 juni 1992 en 30 maart 1994 en bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, wordt § 1 aangevuld met de volgende bepaling :
" De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1 °, verhogen tot het niveau van het jaarbedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aangepast overeenkomstig het laatste lid van hetzelfde artikel. ".
" De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bedoeld in het eerste lid, 1 °, verhogen tot het niveau van het jaarbedrag bedoeld in artikel 7, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en aangepast overeenkomstig het laatste lid van hetzelfde artikel. ".
Art.20. A l'article 12 de l'arreté royal n° 38, modifié par les lois du 12 juillet 1972, du 23 décembre 1974, du 6 février 1976, du 13 juin 1985, du 30 décembre 1988, du 26 juin 1992 et du 30 mars 1994 et par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, le § 1er est complété par la disposition suivante :
" Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter le montant visé à l'alinéa 1er, 1°, jusqu'au niveau du montant annuel visé à l'article 7, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et adapté conformément au dernier alinéa du même article. ".
" Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter le montant visé à l'alinéa 1er, 1°, jusqu'au niveau du montant annuel visé à l'article 7, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et adapté conformément au dernier alinéa du même article. ".
Art.21. In artikel 13, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38, gewijzigd bij de wet van 6 februari 1976 en bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden " de leeftijd van 65 of 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft " vervangen door de woorden " de pensioenleeftijd bereikt, zoals bepaald in de artikelen 3, § 1, en 16 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie ";
2° het vierde lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden " de leeftijd van 65 of 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft " vervangen door de woorden " de pensioenleeftijd bereikt, zoals bepaald in de artikelen 3, § 1, en 16 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie ";
2° het vierde lid wordt opgeheven.
Art.21. A l'article 13, § 1er, de l'arrêté royal n° 38, modifié par la loi du 6 février 1976 et par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, sont apportees les modifications suivantes :
1° au premier alinéa les mots " l'âge de 65 ans ou de 60 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont remplacés par les mots " l'âge de la pension, tel que défini aux articles 3, § 1er, et 16 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne ";
2° le quatrième alinéa est abrogé.
1° au premier alinéa les mots " l'âge de 65 ans ou de 60 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont remplacés par les mots " l'âge de la pension, tel que défini aux articles 3, § 1er, et 16 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne ";
2° le quatrième alinéa est abrogé.
Art.22. In artikel 26 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, worden de woorden " de leeftijd van 65 of 60 jaar bereikt, naargelang het een man of een vrouw betreft " vervangen door de woorden " de pensioenleeftijd bereikt, zoals bepaald in de artikelen 3, § 1, en 16 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. ".
Art.22. A l'article 26 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants les mots " l'âge de 65 ans ou de 60 ans, selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme " sont remplacés par les mots " l'âge de la pension, tel que défini aux articles 3, § 1 et 16 de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne. ".
Art.23. Artikel 30bis, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72, ingevoegd door de wet van 12 juli 1972 en gewijzigd door de koninklijke besluiten nr. 1 van 26 maart 1981, nr. 34 van 30 maart 1982 en nr. 416 van 16 juli 1986, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De in dit hoofdstuk bedoelde uitkeringen zijn slechts betaalbaar indien de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent en zo hij geen vergoeding geniet wegens ziekte, invaliditeit, onvrijwillige werkloosheid of loopbaanonderbreking bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid of van een statuut dat van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, noch een aanvullende vergoeding, toegekend in het kader van een conventioneel brugpensioen, geniet. ".
" De in dit hoofdstuk bedoelde uitkeringen zijn slechts betaalbaar indien de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent en zo hij geen vergoeding geniet wegens ziekte, invaliditeit, onvrijwillige werkloosheid of loopbaanonderbreking bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid of van een statuut dat van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, noch een aanvullende vergoeding, toegekend in het kader van een conventioneel brugpensioen, geniet. ".
Art.23. L'article 30bis, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72, inséré par la loi du 12 juillet 1972 et modifié par les arrêtés royaux n° 1 du 26 mars 1981, n° 34 du 30 mars 1982 et n° 416 du 16 juillet 1986, est remplacé par la disposition suivante :
" Les prestations visées par le présent chapitre ne sont payables que si le bénéficiaire n'exerce pas d'activité professionnelle et s'il ne jouit pas d'une indemnité pour cause de maladie, d'invalidité, de chômage involontaire ou d'interruption de carrière, par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère ou d'un statut applicable au personnel d'une institution de droit public international, ni d'une indemnite complémentaire accordée dans le cadre d'une prépension conventionnelle. ".
" Les prestations visées par le présent chapitre ne sont payables que si le bénéficiaire n'exerce pas d'activité professionnelle et s'il ne jouit pas d'une indemnité pour cause de maladie, d'invalidité, de chômage involontaire ou d'interruption de carrière, par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère ou d'un statut applicable au personnel d'une institution de droit public international, ni d'une indemnite complémentaire accordée dans le cadre d'une prépension conventionnelle. ".
Art.24. Artikel 4, eerste lid, van de wet van 23 december 1994 tot instelling van een communautaire steunregeling voor vervroegde uittreding in de landbouwsector wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Om recht te hebben op deze communautaire steunregeling moet de cedent het vervroegd pensioen als zelfstandige genieten krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. ".
" Om recht te hebben op deze communautaire steunregeling moet de cedent het vervroegd pensioen als zelfstandige genieten krachtens de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. ".
Art.24. L'article 4, alinéa 1er, de la loi du 23 décembre 1994 instituant un régime communautaire d'aides a la préretraite en agriculture est remplacé par la disposition suivante :
" Pour avoir droit à ce régime communautaire d'aides, le cédant doit bénéficier d'une pension anticipée de travailleur indépendant en vertu des dispositions de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension et de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union economique et monétaire européenne. ".
" Pour avoir droit à ce régime communautaire d'aides, le cédant doit bénéficier d'une pension anticipée de travailleur indépendant en vertu des dispositions de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension et de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union economique et monétaire européenne. ".
Art.25. Artikel 5 , eerste lid, van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De cedent, voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangt vanaf de leeftijd van 60 jaar tot 65 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. ".
" De cedent, voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangt vanaf de leeftijd van 60 jaar tot 65 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie. ".
Art.25. L'article 5, alinéa 1er, de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Le cédant, pour lequel le Ministère de l'Agriculture a transmis l'attestation visée a l'article 4 à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, reçoit entre 60 et 65 ans un supplément annuel à sa pension octroyée conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension et de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au regime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne. ".
" Le cédant, pour lequel le Ministère de l'Agriculture a transmis l'attestation visée a l'article 4 à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, reçoit entre 60 et 65 ans un supplément annuel à sa pension octroyée conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension et de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au regime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne. ".
Art.26. Artikel 6 van dezelfde wet wordt vervangen door de volgende bepaling :
" De cedent, voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangt vanaf de leeftijd van 65 jaar tot 75 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
Dit jaarlijks supplement wordt berekend als volgt :
1° Indien het een rustpensioen betreft :
(M.P. x L.B. x 5 pct. x J.V.) + (M.P. x J.V./45).
2° Indien het een overlevingspensioen betreft :
(M.P. x J.V./45).
In deze formules wordt verstaan onder :
M.P. : het bedrag van het minimumpensioen bedoeld in artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
L.B. : de loopbaanbreuk zoals vastgesteld met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
J.V. : het aantal jaren vervroeging (van 1 tot maximum 5 jaar) in de zin van artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en van artikel 3, § 2, of van artikel 16, leden 2,3 en 4, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
Het aldus toegekend jaarlijks supplement wordt niet aangepast aan de evolutie van de kosten van levensonderhoud noch aan enige niet aan de loopbaan gebonden wijziging van de toegekende pensioenbedragen. "
" De cedent, voor wie het Ministerie van Landbouw het in artikel 4 bedoelde attest heeft overgezonden aan het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, ontvangt vanaf de leeftijd van 65 jaar tot 75 jaar een jaarlijks supplement op het pensioenbedrag dat toegekend werd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
Dit jaarlijks supplement wordt berekend als volgt :
1° Indien het een rustpensioen betreft :
(M.P. x L.B. x 5 pct. x J.V.) + (M.P. x J.V./45).
2° Indien het een overlevingspensioen betreft :
(M.P. x J.V./45).
In deze formules wordt verstaan onder :
M.P. : het bedrag van het minimumpensioen bedoeld in artikel 131bis van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
L.B. : de loopbaanbreuk zoals vastgesteld met toepassing van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen en het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
J.V. : het aantal jaren vervroeging (van 1 tot maximum 5 jaar) in de zin van artikel 3, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen en van artikel 3, § 2, of van artikel 16, leden 2,3 en 4, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie.
Het aldus toegekend jaarlijks supplement wordt niet aangepast aan de evolutie van de kosten van levensonderhoud noch aan enige niet aan de loopbaan gebonden wijziging van de toegekende pensioenbedragen. "
Art.26. L'article 6 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
" Le cédant, pour lequel le Ministère de l'Agriculture a transmis l'attestation visée à l'article 4 à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, reçoit entre 65 et 75 ans un supplément annuel à sa pension octroyée conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension et de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
Ce supplément annuel est calculé comme suit :
1° S'il s'agit d'une pension de retraite :
(P.M. x F.C. x 5 p.c. x A.A.) + (P.M. x A.A./45).
2° S'il s'agit d'une pension de survie :
(P.M. x A.A./45).
Les abréviations utilisées dans ces formules signifient :
P.M. : le montant de la pension minimum visée à l'article 131bis de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
F.C. : fraction de carrière telle que fixée en application des dispositions de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension et de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgetaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
A.A. : nombre d'années de cessation anticipée (de 1 à 5 ans au maximum) au sens de l'article 3, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants et de l'article 3, § 2, ou de l'article 16, alinéas 2, 3 et 4, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monetaire européenne.
Le supplément annuel ainsi accordé n'est pas adapté à l'évolution du coût de la vie ni à une quelconque modification des montants de pension octroyés non liée à la carrière. "
" Le cédant, pour lequel le Ministère de l'Agriculture a transmis l'attestation visée à l'article 4 à l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants, reçoit entre 65 et 75 ans un supplément annuel à sa pension octroyée conformément aux dispositions de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension et de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
Ce supplément annuel est calculé comme suit :
1° S'il s'agit d'une pension de retraite :
(P.M. x F.C. x 5 p.c. x A.A.) + (P.M. x A.A./45).
2° S'il s'agit d'une pension de survie :
(P.M. x A.A./45).
Les abréviations utilisées dans ces formules signifient :
P.M. : le montant de la pension minimum visée à l'article 131bis de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
F.C. : fraction de carrière telle que fixée en application des dispositions de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pension et de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgetaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne.
A.A. : nombre d'années de cessation anticipée (de 1 à 5 ans au maximum) au sens de l'article 3, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants et de l'article 3, § 2, ou de l'article 16, alinéas 2, 3 et 4, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monetaire européenne.
Le supplément annuel ainsi accordé n'est pas adapté à l'évolution du coût de la vie ni à une quelconque modification des montants de pension octroyés non liée à la carrière. "
HOOFDSTUK IX- Slotbepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions finales.
Art.27. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 1997.
Art.27. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 1997.
Art. 28. Onze Minister van Pensioenen en Onze Minister van de Kleine en Middelgrote ondernemingen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 28. Notre Ministre des Pensions et Notre Ministre des Petites et Moyennes Entreprises sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.