Artikel 1. Het Algemeen comité is samengesteld uit:
1° één voorzitter,
2° twee ondervoorzitters, die benoemd worden uit de in 3°, 4° en 5° hierna bedoelde leden,
3° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en door de representatieve organisaties van de zelfstandigen
4° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties,
5° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen.
Indien de voorzitter niet uit de leden bedoeld in het eerste lid, 3°, 4° en 5° wordt benoemd, is hij niet stemgerechtigd.
De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat kan worden hernieuwd.
Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat voor de normale verstrijkingsdatum van zijn mandaat ophoudt lid te zijn van het Algemeen comité. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
3 JULI 1996. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-07-1996 en tekstbijwerking tot 09-10-2025)
Titre
3 JUILLET 1996. - Arrêté royal portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-07-1996 et mise à jour au 09-10-2025)
Informations sur le document
Numac: 1996022344
Datum: 1996-07-03
Info du document
Numac: 1996022344
Date: 1996-07-03
Table des matières
TITEL I. - Het Algemeen comité.
TITEL I/1. [1 - Patiëntenforum.]1
TITEL II. - Verzekering voor geneeskundige verz...
HOOFDSTUK I. - Organen.
Afdeling I. - De Algemene raad van de verzekeri...
Afdeling II. - Het Verzekeringscomité.
Afdeling IIbis. - (Wetenschappelijk raad).
Afdeling III. - Overeenkomstencommissies.
A. Overeenkomsten met de apothekers.
B. (Overeenkomsten met de rust- en verzorgingst...
C. Overeenkomsten met psychiatrische verzorging...
D. Overeenkomsten met de verplegingsinrichtingen.
E. Overeenkomsten met de vertegenwoordigers van...
F. Overeenkomsten met de vroedvrouwen.
G. Overeenkomsten met de verpleegkundigen.
H. Overeenkomsten met de kinesitherapeuten.
Hbis. Overeenkomsten met de logopedisten.
I. Overeenkomsten met de opticiens.
J. Overeenkomsten met de orthopedisten.
K. Overeenkomsten met de [1 audiciens]1.
L. Overeenkomsten met de bandagisten
M. Overeenkomsten met de verstrekkers van impla...
N. Gemene bepalingen.
Afdeling IV. - Nationale commissies [1 artsen-z...
A. Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1.
B. Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenf...
C. Gemene bepalingen ter zake van de Nationale ...
Afdeling V. - [1 Commissie, belast met de toepa...
Afdeling VI. - Commissie voor begrotingscontrole.
Afdeling VI/1. [1 - Commissie voor gezondheidsz...
Afdeling VII. - Technische raden.
A. Technische farmaceutische raad.
B. Technische raad voor kinesitherapie.
C. Technische raad voor ziekenhuisverpleging.
D. Technische Raad voor diagnostische middelen ...
E.
(F. De Technische raad voor bandagen, orthesen ...
G. Technische raad voor rolstoelen.
H. Technische Raad voor radio-isotopen
(I. Gemene bepalingen ter zake van de Technisch...
Afdeling VIII. - Technische geneeskundige en ta...
A. Technische geneeskundige raad.
B. Technische tandheelkundige raad.
C. Gemene bepalingen ter zake van de Technische...
Afdeling IX. - Profielencommissies.
Afdeling X. - Erkenningsgraden.
A. Erkenningsraad voor kinesitherapeuten. (opge...
B. Erkenningsraad voor orthopedisten.
C. Erkenningsraad voor bandagisten.
Cbis. Erkenningsvoorwaarden met betrekking tot ...
D. Erkenningsraad voor verstrekkers van implant...
E.
F. Erkenningsraad voor opticiens.
Fbis.
G. Gemene bepalingen ter zake van de erkennings...
Afdeling XI. - College van [1 artsen-directeurs]1.
Afdeling XII. - Raad voor advies inzake revalid...
Afdeling XIII. - (Het Nationaal college van adv...
Afdeling XIV. [1 Accreditering.]1
Onderafdeling 1. [1 Accreditering van de artsen.]1
A. [1 Accrediteringsorganen voor artsen.]1
B. [1 Voorwaarden en procedures voor de individ...
Onderafdeling 2. [1 Accrediteringsorganen voor ...
Afdeling XV. - Commissie Tegemoetkoming Genees...
Afdeling XVbis. - [1 Commissie voor advies in g...
Art. 122quinquies-decies/1. [1 § 1. De aanwijzi...
Art. 122quinquies-decies/2. [1 § 1. De Commissi...
Art. 122quinquies-decies/3. [1 § 1. Het secreta...
Afdeling XVI. - Commissie Tegemoetkoming Implan...
Afdeling XVII. [1 - Commissie voor terugbetalin...
HOOFDSTUK II. - Toepassingsfeer.
Afdeling I. - Personen ten laste van rechthebbe...
Afdeling II. - Wezen.
Afdeling III. - (Gerechtigden, bedoeld in artik...
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden tot toekenning van...
Afdeling I. - Nadere regelen inzake de opening...
Afdeling II. - Wachttijd voor het recht op gen...
Afdeling III. Nadere regelen inzake het behoud...
Afdeling IV. [1 - Persoonlijke bijdrage van de ...
Afdeling IVbis. - Bijdragen die door de gerecht...
Afdeling V. - Tegemoetkoming in de revalidatiek...
Afdeling VI. - Tegemoetkoming in de reiskosten ...
Afdeling VII. - Tegemoetkoming in de herscholin...
Afdeling VIII. - De tegemoetkoming voor verzorg...
Afdeling IX. - Bijzondere regels met betrekking...
Afdeling X. - Bijzondere regels met betrekking ...
HOOFDSTUK IV. - Inschrijving van de paramedisch...
Afdeling I. - (Inschrijving van de verpleegkund...
Afdeling II. - (Mededeling van de lijsten van d...
HOOFDSTUK IVbis. - Betalingsverplichting bij g...
HOOFDSTUK V. - Openbaarmaking van de verzekerin...
HOOFDSTUK VI. - (Kennisgevingen en vermeldingen...
TITEL III. - Uitkerings- en moederschapsverzeke...
HOOFDSTUK I. - Organen.
Afdeling I. - Beheerscomité van de Dienst voor ...
Afdeling Ibis.
Afdeling II. - Geneeskundige raad voor invalidi...
A. [1 Samenstelling van de Geneeskundige raad v...
B. Hoge commissie.
C. [1 De afdelingen van de Hoge commissie]1
D. [1 De bevoegdheid van de [2 artsen]2 van de ...
E. [1 Tussenkomsten van de adviserend [2 artsen...
F. [1 Gemene bepalingen ter zake van de [2 arts...
G. [1 Kennisgevingen]1
Afdeling III. - Technische ziekenfondsraad.
Afdeling IV. [1 - Kenniscentrum arbeidsongeschi...
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
In het kader van de uitkeringsverzekering gelde...
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden tot toekenning van...
Afdeling I. - Wachttijd voor het recht op uitke...
Afdeling II. - Vrijstelling en vermindering van...
Afdeling III. - Regelen inzake wachttijd in gev...
Afdeling IV. [1 Afdeling IV. - Behoud van de re...
Afdeling IVbis. - Gemeenschappelijke bepaling ...
Afdeling V. - Rechten van de gerechtigden die a...
Afdeling VI. [1 - Hoegrootheid van de arbeidson...
Afdeling VIbis. (Ingevoegd bij KB 1998-07-10/36...
Afdeling VIter. - [1 Beroepsherscholing.]1
Afdeling VIquater. [1 - Fysieke contacten tijde...
Afdeling VIquinquies. [1 - Responsabilisering v...
Afdeling VII. - (Bedragen en toekenningsvoorwaa...
Afdeling VIIbis. - Bedragen en toekenningsvoor...
Afdeling VIII. - De verlenging van de nabevalli...
Afdeling IX. - [1 Omgezet moederschapsverlof in...
Art.224.§ 1. Om als regelmatig werknemer als be...
Art.225.§ 1. (Worden beschouwd als werknemer me...
Art.226. Wordt beschouwd als werknemer zonder p...
Art.227. In afwijking op artikel 225, § 2, eer...
Art.228. § 1. Onder loon, als bedoeld in artike...
Art.229. De gerechtigde die met uitwerking na d...
Art.237. Onverminderd de afwijkingen voorzien ...
Afdeling XVII.
Art.239.§ 1. Worden geacht de vereiste graad va...
Art.244. § 1. Indien, bij toepassing van artike...
HOOFDSTUK IV. - (Kennisgeving of mededeling van...
Afdeling I. [1 Kennisgeving en betaling van de ...
TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Afdeling I. - Gecontroleerde werkloosheid.
Art.246.Onder gecontroleerde werkloosheid, bedo...
Art.247.§ 1. Wordt beschouwd in een behartigens...
Afdeling I. - Regelen ter zake van inschrijving...
Art.252. Om een verzekeringsinstelling te kieze...
Art.255.De individuele mutatie bestaat in het o...
Art.276.§ 1. Worden voor de toepassing van de g...
Art.284. In afwijking van het tweede en derde l...
Art.286.(De minimumwaarde welke de bijdragebesc...
Art.294.§ 1. Bij toepassing van artikel 136, § ...
Art.295.§ 1. De in artikel 136, § 2, van de gec...
HOOFDSTUK I. - Geneeskundige controle.
Afdeling I. - Comité van de (Dienst voor genees...
Art.296. De bijeenroeping van de vergaderingen ...
Art.300.§ 1. De in artikel 152 van de gecoördin...
Afdeling III. - Commissies van beroep.
Afdeling IIIbis- Kamers van beroep.
Afdeling IV. - Openbaarmaking van de beslissing...
Afdeling I. - Comité van de Dienst voor adminis...
Art.312.
Afdeling II. - Straffen die toepasselijk zijn o...
Art.322. Met het oog op de toepassing van artik...
Art.328. De leidend ambtenaar van de Dienst voo...
Art.330. De in artikel 175 van de gecoördineerd...
TITEL VI. - Financiën en statistische bepalingen.
Art.331.De verzekeringsinstellingen zenden het ...
Art.335. Ten einde de diensten van het Instituu...
Art.341. Indien de uitgaven vermeld op de in ar...
Art.342. De verzekeringsinstellingen zijn verpl...
Art.345. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe...
Art.346. De verzekeringsinstellingen zijn verpl...
Art.354. De begrotingen en rekeningen met betre...
BIJLAGE. Bijlage I van het koninklijk besluit v...
N3. [1 Bijlage III
N3. [1 Bijlage III
Table des matières
TITRE I. - Du Comité général.
TITRE I/1. [1 - Du Forum patients.]1
TITRE II. - De l'assurance soins de santé.
CHAPITRE I. - Organes.
Section I. - Du Conseil général de l'assurance ...
Section II. - Du Comité de l'assurance.
Section IIbis. - (Du Conseil scientifique.)
Section III. - Des Commissions de conventions.
A. Des conventions avec les pharmaciens.
B. (Des conventions avec les maisons de repos e...
C. Des conventions avec les maisons de soins ps...
D. Des conventions avec les établissements hosp...
E. Des conventions avec les représentants des i...
F. [1 Des conventions avec les sages-femmes]1
G. Des conventions avec les praticiens de l'art...
H. Des conventions avec les kinésithérapeutes.
Hbis. Des conventions avec les logopèdes.
I. Des conventions avec les opticiens.
J. Des conventions avec les orthopédistes.
K. Des conventions avec les [1 audiciens]1.
L. Des conventions avec les bandagistes.
M. Des conventions avec les fournisseurs d'impl...
N. Dispositions communes.
Section IV. - Des Commissions nationales médico...
A. De la Commission nationale médico-mutualiste.
B. De la Commission nationale dento-mutualiste.
C. Dispositions communes aux Commissions nation...
Section V. - [1 De la Commission chargée de l'a...
Section VI. - commission de contrôle budgétaire.
Section VI/1. [1 - Commission pour les objectif...
Section VII. - Des Conseils techniques.
A. du Conseil technique pharmaceutique.
B. Du Conseil technique de la kinésithérapie.
C. Du Conseil technique de l'hospitalisation.
D. Conseil technique des moyens diagnostiques e...
E.
(F. Du conseil technique des bandages, des orth...
G. Du Conseil technique des voiturettes.
H. Conseil technique des radio-isotopes
(I. Dispositions communes au Conseil technique ...
Section VIII. - Des conseils techniques médical...
A. Du Conseil technique médical.
B. Du Conseil technique dentaire.
C. Dispositions communes aux conseils technique...
Section IX. - Des commissions de profils.
Section X. - Des conseils d'agrément.
A. Du conseil d'agrément des kinésithérapeutes....
B. Du conseil d'agrément des orthopédistes.
C. Du conseil d'agrément des bandagistes.
Cbis. Conditions d'agrément des ateliers dans l...
D. Du conseil d'agrément des fournisseurs d'imp...
E.
F. Du conseil d'agrément des opticiens.
Fbis.
G. Des dispositions communes aux conseils d'agr...
Section XI. - Du Collège des médecins-directeurs.
Section XII. - Du Conseil consultatif de la réé...
Section XIII. - (Du Collège national des médeci...
Section XIV. [1 Accréditation.]1
Sous- section 1. [1 Accréditation des médecins.]1
A. [1 Organes d'accréditation pour médecins.]1
B. [1 Conditions et procédures pour l'accrédita...
Sous-section 2. [1 Organes d'accréditation pour...
Section XV. - Commission de remboursement des ...
Section XVbis. - [1 Commission d'avis en cas d'...
Section XVI. - Commission de Remboursement des ...
Section XVII. [1 - Commission de remboursement ...
CHAPITRE II. - Du champ d'application.
Section I. - Des personnes à charge de bénéfici...
Section II. - Des orphelins.
Section III. - (Titulaires visés à l'article 32...
CHAPITRE III. - Des conditions d'octroi des pre...
Section I. - Dispositions particulières concer...
Section II. - Du stage pour le droit aux soins...
Section III. - Dispositions particulières rela...
Section IV. [1 - Cotisation personnelle des tit...
Section IVbis. Cotisations dues par les titula...
Section V. - De l'intervention dans les frais d...
Section VI. - De l'intervention dans les frais ...
Section VII. - De l'intervention dans les frais...
Section VIII. - De l'intervention pour soins et...
Section IX. - Règles particulières relatives à ...
Section X. - Règles particulières relatives à l...
CHAPITRE IV. - De l'inscription des auxiliaires...
Section I. - (De l'inscription des praticiens d...
Section II. - (De la communication des listes d...
CHAPITRE IVBIS. - Obligation de paiement lors ...
CHAPITRE V. - De la publicité de la réglementat...
CHAPITRE VI. - (Notifications et mentions en ex...
TITRE III. - De l'assurance indemnités et de l'...
CHAPITRE I. - Organes.
Section I. - Du Comité de gestion du Service de...
Section Ibis.
Section II. - Du Conseil médical de l'invalidité.
A. [1 De la composition du Conseil médical de l...
B. De la Commission supérieure.
C. [1 Des sections de la Commission supérieure]1
D. [1 De la compétence des médecins du Service ...
E. [1 Des interventions des médecins-conseils, ...
F. [1 Des dispositions communes aux médecins du...
G. [1 Des notifications]1
Section III. - Du Conseil technique intermutual...
Section IV. [1 - Centre de connaissances de l'i...
CHAPITRE II. - Du champ d'application.
Définition des travailleurs saisonniers, des tr...
CHAPITRE III. - Des conditions d'octroi des pre...
Section I. - Du [1 stage d'attente]1 pour le dr...
Section II. - De la dispense et de la réduction...
Section III. - Des modalités de [1 stage d'atte...
Section IV. [1 - Du maintien des droits en appl...
Section IVbis. - Disposition commune aux secti...
Section V. - Des droits des titulaires qui peuv...
Section VI. [1 - Du taux des indemnités d'incap...
Section VIbis. (inséré par AR 1998-07-10/36, ar...
Section VIter. - [1 Réadaptation professionnell...
Art.216. Le taux de l'indemnité de maternité es...
Art.220. Pour la prolongation du repos postnata...
Art.221.[1 § 1er. En cas de décès de la mère, l...
Section IXbis- Du congé de paternité [1 ou de n...
Section IXquater. - Pauses d'allaitement.
Section IXquinquies. [1 - Du congé parental d'a...
Section IXquinquies. [1 - Du congé parental d'a...
Section XI. - Du travailleur ayant personne à c...
Section XII. - Du travailleur sans personne à c...
Section XIII. - De l'incidence du placement fam...
Section XV. - De la réduction des indemnités.
Art.230.§ 1er. [6 Le titulaire bénéficiant d'un...
Section XVbis. - De la renonciation au droit d...
Section XVI. - De l'adaptation du montant des ...
Section XVIter. [1 - De l'octroi d'une prime de...
Section XVIII. - Des conditions particulières d...
Section XVIII. - Des conditions particulières d...
Art.245. Lorsque les arrérages reçus d'un orga...
Section II. [1 Services spécialisés adaptés et ...
Section IV. [1 Demande par le prestataire de se...
Section V. [1 Disposition transitoire]1
Section I. - Du chômage contrôlé.
Art.246.Par chômage contrôle visé à l'article 3...
Section II. - De l'assurance continuée.
Art.248.Pour être admis en assurance continuée,...
Art.252. Pour choisir un organisme assureur, le...
Section I. - Des modalités d'inscription et d'a...
Art.256.L'article 255, alinéa 1er n'est pas app...
Art.277.§ 1er. (1° L'Office national de sécurit...
Art.285. Sans préjudice des dispositions de l'a...
Art.287. Le titulaire pour lequel l'organisme a...
Section Vbis. - (insérée par AR 1998-11-18/34, ...
CHAPITRE III. - (Notification et communication ...
Section I. - Du Comité du (Service d'évaluation...
Art.296. La convocation aux réunions du Comité ...
Art.297. Les rapports visés à l'article 141, § ...
Art.301. § 1. L'appel des décisions du (médecin...
Section III. - Des commissions d'appel.
Section IIIbis- Chambres de recours.
Section IV. - De la publicité des décisions d'i...
Art.312.
Art.313.
Section II. - Des sanctions applicables aux org...
Art.323. (Abrogé)
Art.329. § 1er. La décision du fonctionnaire di...
TITRE VI. - Des dispositions financières et sta...
Art.331.Les organismes assureurs adressent à l'...
Art.332.Les organismes assureurs sont tenus d'é...
Art.336.Afin de permettre au Service du contrôl...
CHAPITRE III. - De la diminution des montants m...
Art.343.Les organismes assureurs sont tenus d'é...
CHAPITRE VI. - Des cadres statistiques.
Art.347. En ce qui concerne les prestations de ...
Art.355. Par dérogation aux dispositions des ar...
Art. N3.[1 Annexe III
N2. [1 Annexe II]1
Tekst (763)
Texte (763)
TITEL I. - Het Algemeen comité.
TITRE I. - Du Comité général.
Article 1. Le Comité général est composé:
1° d'un président;
2° de deux vice-présidents nommer parmi les membres visés aux 3°, 4°, 5° ci-dessous;
3° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
5° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Si le président n'est pas nommé parmi les membres visés à l'alinéa 1er, 3°, 4° et 5°, il n'a pas droit de vote.
Le président, les vice-présidents et les membres sont nommés pour un terme de 6 ans. Leur mandat peut être renouvelé.
Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité général avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
1° d'un président;
2° de deux vice-présidents nommer parmi les membres visés aux 3°, 4°, 5° ci-dessous;
3° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
5° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Si le président n'est pas nommé parmi les membres visés à l'alinéa 1er, 3°, 4° et 5°, il n'a pas droit de vote.
Le président, les vice-présidents et les membres sont nommés pour un terme de 6 ans. Leur mandat peut être renouvelé.
Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité général avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.2. Het Algemeen comité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister die de Sociale zaken onder zijn bevoegdheid heeft, hierna de Minister genoemd, hetzij op vraag van ten minste drie leden, welke schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Wanneer het Algemeen comité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
Wanneer het Algemeen comité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
Art.2. Le Comité général se réunit sur convocation de son président soit à son initiative, soit à la requête du Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, nommé ci-après le Ministre, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Lorsque le Comité général est invité à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
Lorsque le Comité général est invité à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
Art.3. Het Algemeen comité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel afgewezen.
De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel afgewezen.
Art.3. Le siège du Comité général est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art.4. De voorzitter en de ondervoorzitters van het Algemeen comité zijn gemachtigd om, de ene of de andere, samen met de Administrateurgeneraal van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, hierna het Instituut genoemd, of zijn plaatsvervanger, de akten te ondertekenen welke het Instituut verbinden buiten die welke betrekking hebben op het dagelijks beheer of uitgaan van bijzondere lasthebbers.
Art.4. Le président et les vice-présidents du Comité général sont habilités à signer l'un ou l'autre, conjointement avec l'Administrateur général de l'Institut national d'assurance maladie invalidité, nommé ci-après l'Institut, ou son remplaçant les actes qui engagent l'Institut, autres que ceux qui ont trait à la gestion journalière ou qui émanent de mandataires spéciaux.
TITEL I/1. [1 - Patiëntenforum.]1
TITRE I/1. [1 - Du Forum patients.]1
Art. 4/1. [1 Het Patiëntenforum is samengesteld uit:
1° een voorzitter aangewezen door de administrateur-generaal van het Instituut onder zijn personeelsleden;
2° drie leden aangewezen door respectievelijk de VZW Vlaams Patiëntenplatform, de VZW Ligue des Usagers des Services de Santé en de VZW Patienten Rat & Treff;
3° twee personeelsleden van het Instituut aangewezen door de Administrateur-generaal.
De leden duiden de personen aan die hen mogen vergezellen en die kunnen komen uit andere organisaties dan diegenen voorzien in het eerste lid, rekening houdend met de aard van de behandelde materie.]1
1° een voorzitter aangewezen door de administrateur-generaal van het Instituut onder zijn personeelsleden;
2° drie leden aangewezen door respectievelijk de VZW Vlaams Patiëntenplatform, de VZW Ligue des Usagers des Services de Santé en de VZW Patienten Rat & Treff;
3° twee personeelsleden van het Instituut aangewezen door de Administrateur-generaal.
De leden duiden de personen aan die hen mogen vergezellen en die kunnen komen uit andere organisaties dan diegenen voorzien in het eerste lid, rekening houdend met de aard van de behandelde materie.]1
Art.4/1. [1 Le Forum patients est composé :
1° d'un président désigné par l'administrateur général de l'Institut parmi les membres de son personnel ;
2° de trois membres désignés respectivement par l'ASBL Vlaams Patiëntenplatform, l'ASBL Ligue des Usagers des Services de Santé et l'ASBL Patienten Rat & Treff ;
3° de deux membres du personnel de l'Institut désignés par son Administrateur général.
Les membres désignent les personnes qui peuvent les accompagner, et qui peuvent provenir d'autres organisations que celles visées au premier alinéa, compte tenu de la nature de la matière traitée.]1
1° d'un président désigné par l'administrateur général de l'Institut parmi les membres de son personnel ;
2° de trois membres désignés respectivement par l'ASBL Vlaams Patiëntenplatform, l'ASBL Ligue des Usagers des Services de Santé et l'ASBL Patienten Rat & Treff ;
3° de deux membres du personnel de l'Institut désignés par son Administrateur général.
Les membres désignent les personnes qui peuvent les accompagner, et qui peuvent provenir d'autres organisations que celles visées au premier alinéa, compte tenu de la nature de la matière traitée.]1
Modifications
Art. 4/2. [1 Het Patiëntenforum wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van minstens één lid, welke schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt. De bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.]1
Art.4/2. [1 Le Forum patients se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la demande d'au moins un membre, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion. La convocation mentionne dans tous les cas l'objet de la réunion.]1
Modifications
Art. 4/3. [1 De beslissingen worden in principe genomen via consensus. Indien er geen consensus wordt bereikt, worden de beslissingen genomen bij gewone meerderheid der stemmen van de aanwezige leden en worden de meningen per groep genotuleerd. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.]1
Art.4/3. [1 Les décisions sont en principe prises par consensus. Si l'on n'aboutit pas à un consensus, les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote et les opinions sont consignées par groupe dans un procès-verbal. En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.]1
Modifications
Art. 4/4. [1 Het secretariaat van het Patiëntenforum wordt waargenomen door personeelsleden van het Instituut aangewezen door de Administrateur-generaal.]1
Art.4/4. [1 Le secrétariat du Forum patients est assuré par des membres du personnel de l'Institut désignés par son Administrateur général.]1
Modifications
TITEL II. - Verzekering voor geneeskundige verzorging.
TITRE II. - De l'assurance soins de santé.
HOOFDSTUK I. - Organen.
CHAPITRE I. - Organes.
Afdeling I. - De Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging.
Section I. - Du Conseil général de l'assurance soins de santé.
Art.5. § 1. De Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging is samengesteld uit:
1° een voorzitter;
2° twee ondervoorzitters te benoemen uit de leden bedoeld in 3°, 4°, 5° en 6°, overeenkomstig de regelen inzake voordracht bepaald in het huishoudelijk reglement van de Algemene raad;
3° vijf (werkende en vijf plaatsvervangende) leden, die de overheid vertegenwoordigen, benoemd overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, eerste lid, a), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, hierna gecoördineerde wet genoemd; <KB 2005-01-12/35, art. 1, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>
4° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en de representatieve organisaties van de zelfstandigen in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
5° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
6° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
7° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, (waarvan respectievelijk twee [1 artsen-specialisten]1 en twee algemeen geneeskundigen), drie vertegenwoordigers van de beheerders van de verplegingsinrichtingen en een verpleegkundige, benoemd uit de kandidaten, in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten voorgedragen door de beroepsorganisaties op lijsten is, opgemaakt door de organisaties die vertegenwoordigd zijn in de commissies bedoeld in de afdelingen III en IV van dit hoofdstuk. <KB 1997-09-23/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
§ 2. (De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden, bedoeld in § 1, 4°, 5°, 6° en 7° worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.) <KB 2002-12-10/32, art. 1, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
§ 3. (...) <KB 2002-12-10/32, art. 1, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
§ 4. Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat vóór zijn mandaat ophoudt lid te zijn van de Algemene raad. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
§ 5. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
1° een voorzitter;
2° twee ondervoorzitters te benoemen uit de leden bedoeld in 3°, 4°, 5° en 6°, overeenkomstig de regelen inzake voordracht bepaald in het huishoudelijk reglement van de Algemene raad;
3° vijf (werkende en vijf plaatsvervangende) leden, die de overheid vertegenwoordigen, benoemd overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, eerste lid, a), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, hierna gecoördineerde wet genoemd; <KB 2005-01-12/35, art. 1, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>
4° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en de representatieve organisaties van de zelfstandigen in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
5° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
6° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten;
7° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, (waarvan respectievelijk twee [1 artsen-specialisten]1 en twee algemeen geneeskundigen), drie vertegenwoordigers van de beheerders van de verplegingsinrichtingen en een verpleegkundige, benoemd uit de kandidaten, in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten voorgedragen door de beroepsorganisaties op lijsten is, opgemaakt door de organisaties die vertegenwoordigd zijn in de commissies bedoeld in de afdelingen III en IV van dit hoofdstuk. <KB 1997-09-23/35, art. 1, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
§ 2. (De voorzitter, de ondervoorzitters en de leden, bedoeld in § 1, 4°, 5°, 6° en 7° worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Hun mandaat is hernieuwbaar.) <KB 2002-12-10/32, art. 1, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
§ 3. (...) <KB 2002-12-10/32, art. 1, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
§ 4. Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat vóór zijn mandaat ophoudt lid te zijn van de Algemene raad. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
§ 5. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Modifications
Art.5. § 1. Le Conseil général de l'assurance soins de santé est composé:
1° d'un président:
2° de deux vice-présidents à nommer parmi les membres visés aux 3°, 4°, 5° et 6°, conformément aux règles en matière de présentation prévues par le règlement d'ordre intérieur du Conseil général;
3° de cinq membres (effectifs et de cinq membres suppléants) représentant l'autorité, nommés conformément aux dispositions de l'article 15, alinéa 1er, a), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, nommée ci-après la loi coordonnée; <AR 2005-01-12/35, art. 1, 115; En vigueur : 04-02-2005>
4° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer;
5° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer;
6° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer.
7° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants (dont respectivement deux médecins spécialistes et deux médecins généralistes), trois représentants des gestionnaires des établissements de soins et un praticien de l'art infirmier, nommés parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles en nombre double de celui des mandats à attribuer sur des listes établies par les organisations représentées dans les commissions visées aux sections III et IV du présent chapitre. <AR 1997-09-23/35, art. 1, 013; En vigueur : 01-01-1999>
§ 2. (Le président, les vice-présidents et les membres, visés au § 1er, 4°, 5°, 6° et 7° sont nommés pour un terme de quatre ans. Leur mandat est renouvelable.) <AR 2002-12-10/32, art. 1, 084; En vigueur : 24-12-2002>
§ 3. (...) <AR 2002-12-10/32, art. 1, 084; En vigueur : 24-12-2002>
§ 4. Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Conseil général avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
§ 5. Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
1° d'un président:
2° de deux vice-présidents à nommer parmi les membres visés aux 3°, 4°, 5° et 6°, conformément aux règles en matière de présentation prévues par le règlement d'ordre intérieur du Conseil général;
3° de cinq membres (effectifs et de cinq membres suppléants) représentant l'autorité, nommés conformément aux dispositions de l'article 15, alinéa 1er, a), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, nommée ci-après la loi coordonnée; <AR 2005-01-12/35, art. 1, 115; En vigueur : 04-02-2005>
4° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer;
5° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer;
6° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer.
7° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants (dont respectivement deux médecins spécialistes et deux médecins généralistes), trois représentants des gestionnaires des établissements de soins et un praticien de l'art infirmier, nommés parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles en nombre double de celui des mandats à attribuer sur des listes établies par les organisations représentées dans les commissions visées aux sections III et IV du présent chapitre. <AR 1997-09-23/35, art. 1, 013; En vigueur : 01-01-1999>
§ 2. (Le président, les vice-présidents et les membres, visés au § 1er, 4°, 5°, 6° et 7° sont nommés pour un terme de quatre ans. Leur mandat est renouvelable.) <AR 2002-12-10/32, art. 1, 084; En vigueur : 24-12-2002>
§ 3. (...) <AR 2002-12-10/32, art. 1, 084; En vigueur : 24-12-2002>
§ 4. Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Conseil général avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
§ 5. Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.6. De Algemene raad wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Wanneer de Algemene raad in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
Wanneer de Algemene raad in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
Art.6. Le Conseil général se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Lorsque le Conseil général est invité à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
Lorsque le Conseil général est invité à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
Art.7. De Algemene raad is rechtsgeldig samengesteld indien ten minste de helft van de leden van elke groep aanwezig is.
Behoudens voor de toepassing van de beschikkingen van artikel 16, § 3, van de gecoördineerde wet, worden de beslissingen genomen bij gewone meerderheid der leden welke aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
Behoudens voor de toepassing van de beschikkingen van artikel 16, § 3, van de gecoördineerde wet, worden de beslissingen genomen bij gewone meerderheid der leden welke aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
Art.7. Le siège du Conseil général est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Sauf pour l'application des dispositions de l'article 16, § 3, de la loi coordonnée, les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Sauf pour l'application des dispositions de l'article 16, § 3, de la loi coordonnée, les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art.8. De voorzitter en de ondervoorzitters van de Algemene raad zijn gemachtigd om, de ene of de andere, samen met de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging of zijn plaatsvervanger, de akten te doen ondertekenen welke worden genomen op grond van artikel 16, § 1, 1°, 3°, 4°, 7° en 9° van de gecoördineerde wet.
Art.8. Le président et les vice-présidents du Comité général sont habilités à signer l'un ou l'autre, conjointement avec le fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé ou son remplaçant, les actes pris sur la base de l'article 16, § 1er, 1°, 3°, 4°, 7° et 9° de la loi coordonnée.
Art.9. Binnen drie maanden na de mededeling van de verslagen, bedoeld in artikel 16, § 1, 6° van de gecoördineerde wet, brengt de Algemene raad aan de Minister, verslag uit over de maatregelen welke de Algemene raad besloten heeft te nemen of welke hij aan de Minister voorstelt.
Art.9. Dans les trois mois suivant la communication des rapports visés à l'article 16, § 1er, 6° de la loi coordonnée, le Conseil général fait rapport au Ministre sur les mesures que le Conseil général a décidé de prendre ou qu'il propose au Ministre.
Afdeling II. - Het Verzekeringscomité.
Section II. - Du Comité de l'assurance.
Art.10. § 1. Het Verzekeringscomité is samengesteld uit:
1° een voorzitter;
2° twee ondervoorzitters;
3° [3 tweeëntwintig]3 werkende en [3 tweeëntwintig]3 plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. [3 Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te leggen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid]3;
4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk zeven [2 artsen]2 en een tandheelkundige, benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties (onder de werkende leden die de [2 artsen]2 vertegenwoordigen zijn er vier algemeen geneeskundigen en drie [2 artsen-specialisten]2 en onder de plaatsvervangende leden die de [2 artsen]2 vertegenwoordigen zijn er drie algemeen geneeskundigen en vier [2 artsen-specialisten]2); <KB 1997-09-23/35, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, apothekers, benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties.
Tot de werkende of plaatsvervangende leden, dienen verplichtend een officina-apotheker, een ziekenhuisapotheker en een apotheker-bioloog te behoren;
6° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen, door de representatieve beroepsorganisaties van de beheerders van de verplegingsinrichtingen diensten en instellingen bedoeld in artikel 34, [3 ...]3 13° [3 ...]3, van de gecoördineerde wet, en van de inrichtingen voor revalidatie en herscholing [3 die behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid]3;
7° [3 zeven]3 werkende en [3 zeven]3 plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk een verpleegkundige, een kinesitherapeut, een logopedist, een opticien, een verstrekker van prothesen en toestellen, een verstrekker van implantaten [3 een gehoorprothesist, een ergotherapeut, een orthoptist, een podoloog, een vroedvrouw, een diëtist]3, benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties. [3 Tot de werkende leden dienen verplichtend een verpleegkundige, een kinesitherapeut, een vroedvrouw, een verstrekker van implantaten en paramedische medewerkers te behoren en tot de plaatsvervangende leden dienen verplichtend een verpleegkundige, een verstrekker van implantaten en paramedische medewerkers te behoren]3;
8° zes werkende en zes plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk drie leden worden benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zelfstandigen en drie leden die worden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de werknemersorganisaties; zij hebben raadgevende stem.
§ 2. De leden bedoeld in § 1, 4°, 5°, 6° en 7°, worden voorgedragen in dubbel aantal van dat der te begeven mandaten, op lijsten die worden opgemaakt door de beroepsorganisaties, vertegenwoordigd in de commissies die worden belast met het sluiten van de overeenkomsten en akkoorden, bedoeld in de afdelingen III en IV van dit hoofdstuk. Bij ontstentenis van zodanige organisaties worden de leden door Ons aangeduid uit de zorgverleners met de vereiste beroepskwalificatie.
§ 3. Een plaatsvervangend lid heeft slechts zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
§ 4. De voorzitter is stemgerechtigd indien hij is benoemd uit de leden bedoeld in § 1, 3° tot 7°.
§ 5. De twee ondervoorzitters worden benoemd uit de leden bedoeld in § 1, 3° tot 7°, overeenkomstig de regelen inzake voordracht bepaald in het huishoudelijk reglement van het Verzekeringscomité.
§ 6. Het Verzekeringscomité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op schriftelijke aanvraag van ten minste drie leden, waarin het onderwerp van de vergadering wordt vermeld, de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Wanneer het Verzekeringscomité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
§ 7. Het Verzekeringscomité houdt rechtsgeldig zitting indien ten minste de helft van de leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen en van de groep, samengesteld uit de zorgverleners, aanwezig is.
(De beslissingen worden genomen met twee derde van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
Indien dat quorum niet wordt bereikt maar de meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden wordt behaald, legt de voorzitter dezelfde voorstellen op de volgende vergadering ter stemming voor.
Indien opnieuw de meerderheid bedoeld in het vorige lid wordt behaald, zijn de beslissingen genomen.) <KB 2000-01-14/34, art. 1, 045; Inwerkingtreding : 15-02-2000>
[1 § 7bis. Wanneer het Verzekeringscomité de bevoegdheden uitoefent bepaald in de artikelen 39 of 22 van de wet en de betrokken maatregel de uitvoering betreft van een bepaling opgenomen in een overeenkomst of een akkoord, beoogd in hoofdstuk V van de wet, worden de beslissingen genomen met een meerderheid van tweederde van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen enerzijds en van de groep samengesteld uit de zorgverleners anderzijds. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen.
Indien die meerderheid niet wordt bereikt maar dat enerzijds de meerderheid wordt gehaald van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, en anderzijds de meerderheid wordt gehaald van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de zorgverleners, legt de voorzitter dezelfde voorstellen op de volgende vergadering ter stemming voor.
Indien opnieuw de meerderheden bedoeld in het vorige lid worden behaald, is de beslissing genomen.]1
§ 8. Indien aan het Verzekeringscomité een voorstel of een advies wordt voorgelegd door een overeenkomsten- of akkoordencommissie bedoeld in artikel 26 van de gecoördineerde wet en het Comité oordeelt hieraan een wijziging te moeten aanbrengen, wordt het voorstel of het advies aan de overeenkomsten- of akkoordencommissie voor een nieuw onderzoek teruggestuurd, en dit vóór er enige definitieve beslissing wordt genomen.
§ 9. De voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Verzekeringscomité worden benoemd voor een termijn van (vier jaar). Hun mandaat kan worden hernieuwd. <KB 2002-12-10/32, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
§ 10. Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat vóór de normale verstrijkingsdatum van zijn mandaat ophoudt lid te zijn van het Verzekeringscomité. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
1° een voorzitter;
2° twee ondervoorzitters;
3° [3 tweeëntwintig]3 werkende en [3 tweeëntwintig]3 plaatsvervangende leden, benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. [3 Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te leggen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid]3;
4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk zeven [2 artsen]2 en een tandheelkundige, benoemd uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties (onder de werkende leden die de [2 artsen]2 vertegenwoordigen zijn er vier algemeen geneeskundigen en drie [2 artsen-specialisten]2 en onder de plaatsvervangende leden die de [2 artsen]2 vertegenwoordigen zijn er drie algemeen geneeskundigen en vier [2 artsen-specialisten]2); <KB 1997-09-23/35, art. 2, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, apothekers, benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties.
Tot de werkende of plaatsvervangende leden, dienen verplichtend een officina-apotheker, een ziekenhuisapotheker en een apotheker-bioloog te behoren;
6° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen, door de representatieve beroepsorganisaties van de beheerders van de verplegingsinrichtingen diensten en instellingen bedoeld in artikel 34, [3 ...]3 13° [3 ...]3, van de gecoördineerde wet, en van de inrichtingen voor revalidatie en herscholing [3 die behoren tot de bevoegdheid van de federale overheid]3;
7° [3 zeven]3 werkende en [3 zeven]3 plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk een verpleegkundige, een kinesitherapeut, een logopedist, een opticien, een verstrekker van prothesen en toestellen, een verstrekker van implantaten [3 een gehoorprothesist, een ergotherapeut, een orthoptist, een podoloog, een vroedvrouw, een diëtist]3, benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties. [3 Tot de werkende leden dienen verplichtend een verpleegkundige, een kinesitherapeut, een vroedvrouw, een verstrekker van implantaten en paramedische medewerkers te behoren en tot de plaatsvervangende leden dienen verplichtend een verpleegkundige, een verstrekker van implantaten en paramedische medewerkers te behoren]3;
8° zes werkende en zes plaatsvervangende leden waarvan respectievelijk drie leden worden benoemd uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties en de vertegenwoordigers van de representatieve organisaties van de zelfstandigen en drie leden die worden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de werknemersorganisaties; zij hebben raadgevende stem.
§ 2. De leden bedoeld in § 1, 4°, 5°, 6° en 7°, worden voorgedragen in dubbel aantal van dat der te begeven mandaten, op lijsten die worden opgemaakt door de beroepsorganisaties, vertegenwoordigd in de commissies die worden belast met het sluiten van de overeenkomsten en akkoorden, bedoeld in de afdelingen III en IV van dit hoofdstuk. Bij ontstentenis van zodanige organisaties worden de leden door Ons aangeduid uit de zorgverleners met de vereiste beroepskwalificatie.
§ 3. Een plaatsvervangend lid heeft slechts zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
§ 4. De voorzitter is stemgerechtigd indien hij is benoemd uit de leden bedoeld in § 1, 3° tot 7°.
§ 5. De twee ondervoorzitters worden benoemd uit de leden bedoeld in § 1, 3° tot 7°, overeenkomstig de regelen inzake voordracht bepaald in het huishoudelijk reglement van het Verzekeringscomité.
§ 6. Het Verzekeringscomité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op schriftelijke aanvraag van ten minste drie leden, waarin het onderwerp van de vergadering wordt vermeld, de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Wanneer het Verzekeringscomité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
§ 7. Het Verzekeringscomité houdt rechtsgeldig zitting indien ten minste de helft van de leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen en van de groep, samengesteld uit de zorgverleners, aanwezig is.
(De beslissingen worden genomen met twee derde van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
Indien dat quorum niet wordt bereikt maar de meerderheid van de aanwezige stemgerechtigde leden wordt behaald, legt de voorzitter dezelfde voorstellen op de volgende vergadering ter stemming voor.
Indien opnieuw de meerderheid bedoeld in het vorige lid wordt behaald, zijn de beslissingen genomen.) <KB 2000-01-14/34, art. 1, 045; Inwerkingtreding : 15-02-2000>
[1 § 7bis. Wanneer het Verzekeringscomité de bevoegdheden uitoefent bepaald in de artikelen 39 of 22 van de wet en de betrokken maatregel de uitvoering betreft van een bepaling opgenomen in een overeenkomst of een akkoord, beoogd in hoofdstuk V van de wet, worden de beslissingen genomen met een meerderheid van tweederde van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen enerzijds en van de groep samengesteld uit de zorgverleners anderzijds. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen.
Indien die meerderheid niet wordt bereikt maar dat enerzijds de meerderheid wordt gehaald van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, en anderzijds de meerderheid wordt gehaald van de stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden van de groep, samengesteld uit de zorgverleners, legt de voorzitter dezelfde voorstellen op de volgende vergadering ter stemming voor.
Indien opnieuw de meerderheden bedoeld in het vorige lid worden behaald, is de beslissing genomen.]1
§ 8. Indien aan het Verzekeringscomité een voorstel of een advies wordt voorgelegd door een overeenkomsten- of akkoordencommissie bedoeld in artikel 26 van de gecoördineerde wet en het Comité oordeelt hieraan een wijziging te moeten aanbrengen, wordt het voorstel of het advies aan de overeenkomsten- of akkoordencommissie voor een nieuw onderzoek teruggestuurd, en dit vóór er enige definitieve beslissing wordt genomen.
§ 9. De voorzitter, de ondervoorzitter en de leden van de Verzekeringscomité worden benoemd voor een termijn van (vier jaar). Hun mandaat kan worden hernieuwd. <KB 2002-12-10/32, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
§ 10. Er wordt onverwijld in de vervanging voorzien van elk lid dat vóór de normale verstrijkingsdatum van zijn mandaat ophoudt lid te zijn van het Verzekeringscomité. Het nieuwe lid dat hiertoe wordt aangesteld, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.
Art.10. § 1er. Le Comité de l'assurance est composé:
1° d'un président;
2° de deux vice-présidents;
3° de [2 vingt-deux]2 membres effectifs et [2 vingt-deux]2 membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer. [2 Afin d'arrêter la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte du nombre de leurs adhérents respectifs; tout organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant]2;
4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants dont respectivement sept médecins et un praticien de l'art dentaire nommés parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à conférer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentatives; (parmi les membres effectifs qui représentent les médecins figurent quatre médecins généralistes et trois médecins spécialistes et parmi les membres suppléants qui représentent les médecins figurent trois médecins généralistes et quatre médecins spécialistes.) <AR 1997-09-23/35, art. 2, 013; En vigueur : 01-01-1999>
5° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, pharmaciens, nommés parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentatives.
Parmi les membres effectifs ou suppléants doivent figurer obligatoirement un pharmacien d'officine, un pharmacien hospitalier et un pharmacien biologiste;
6° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants nommés parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des gestionnaires d'établissements hospitaliers, des services et institutions visés à l'article 34, [2 ...]2 13° [2 ...]2, de la loi coordonnée, et des établissements de rééducation fonctionnelle et de réadaptation professionnelle [2 réadaptation professionnelle]2, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
7° de [2 sept]2 membres effectifs et de [2 sept]2 membres suppléants, dont respectivement un praticien de l'art infirmier, un kinésithérapeute, un logopède, un opticien, un fournisseur de prothèses et appareils, un fournisseur d'implants [2 un audicien, un ergothérapeute, un orthoptiste, un podologue, une sage-femme, un diététicien]2 nommés parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à conférer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentatives. [2 Parmi les membres effectifs doivent figurer obligatoirement un praticien de l'art infirmier, un kinésithérapeute, une sage-femme, un fournisseur d'implants et des auxiliaires paramédicaux et parmi les membres suppléants doivent figurer obligatoirement un praticien de l'art infirmier, un fournisseur d'implants et des auxiliaires paramédicaux]2;
8° de six membres effectifs et de six membres suppléants dont respectivement trois membres nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs et par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer et trois membres choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer; ils ont voix consultative.
§ 2. Les membres visés au 4°, 5°, 6° et 7° du § 1er, sont présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentées aux commissions chargées de conclure les accords et conventions visés aux sections III et IV de ce chapitre. A défaut de telles organisations, les membres seront désignés par Nous, parmi les dispensateurs de soins ayant la qualification professionnelle requise.
§ 3. Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
§ 4. Le président a voix délibérative lorsqu'il est nommé parmi les membres visés au § 1er, 3° à 7°.
§ 5. Les deux vice-présidents sont nommés parmi les membres visés au § 1er, 3° à 7° conformément aux règles en matière de présentation prévues par le règlement d'ordre intérieur du Comité de l'assurance.
§ 6. Le Comité de l'assurance se réunit sur convocation de son président soit à son initiative, soit à la requête du Ministre, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Lorsque le Comité de l'assurance est invité à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
§ 7. Le siège du Comité de l'assurance est valablement constitué si au moins la moitié des membres du groupe composé par les représentants des organismes assureurs et du groupe composé par les représentants des dispensateurs de soins, sont présents.
(Les décisions sont prises à la majorité des deux tiers des membres présents ayant voix délibérative, sans tenir compte des abstentions.
Lorsque ce quorum n'est pas atteint, mais que la majorité des membres présents ayant voix délibérative est obtenue, le président soumet au vote les mêmes propositions lors de la réunion suivante.
Si la majorité visée à l'alinéa précédent est à nouveau obtenue, les décisions sont acquises.) <AR 2000-01-14/34, art. 1, 045; En vigueur : 15-02-2000>
[1 § 7bis. Quand le Comité de l'assurance exerce ses compétences prévues aux articles 39 ou 22 de la loi et que la mesure en question concerne la mise en oeuvre d'une disposition reprise dans une convention ou dans un accord, visés au chapitre V de la loi, les décisions sont prises à la majorité des deux tiers des voix exprimées par les membres présents ayant voix délibérative, d'une part au sein du groupe composé par les représentants des organismes assureurs, et d'autre part, au sein du groupe composé par les représentants des dispensateurs de soins. Il n'est pas tenu compte des abstentions.
Lorsque cette majorité n'est pas atteinte, mais, d'une part que la majorité des membres présents ayant voix délibérative du groupe composé par les représentants des organismes assureurs, est obtenue et d'autre part, que la majorité des membres présents ayant voix délibérative du groupe composé par les représentants des dispensateurs de soins, est obtenue, le président soumet au vote les mêmes propositions lors de la réunion suivante.
Si la majorité visée à l'alinéa précédent est à nouveau obtenue, les décisions sont acquises.]1
§ 8. Lorsque le Comité de l'assurance est saisi d'une proposition ou d'un avis par une des commissions de conventions ou d'accords visées à l'article 26 de la loi coordonnée et estime devoir y apporter une modification, la proposition ou l'avis est renvoyé, avant toute décision définitive, pour nouvel examen à cette commission de conventions ou d'accords.
§ 9. Le président, les vice-présidents et les membres du Comité de l'assurance sont nommés pour un terme de (quatre ans). Leur mandat peut être renouvelé. <AR 2002-12-10/32, art. 2, 084; En vigueur : 24-12-2002>
§ 10. Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité de l'assurance avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
1° d'un président;
2° de deux vice-présidents;
3° de [2 vingt-deux]2 membres effectifs et [2 vingt-deux]2 membres suppléants, nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer. [2 Afin d'arrêter la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte du nombre de leurs adhérents respectifs; tout organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant]2;
4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants dont respectivement sept médecins et un praticien de l'art dentaire nommés parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à conférer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentatives; (parmi les membres effectifs qui représentent les médecins figurent quatre médecins généralistes et trois médecins spécialistes et parmi les membres suppléants qui représentent les médecins figurent trois médecins généralistes et quatre médecins spécialistes.) <AR 1997-09-23/35, art. 2, 013; En vigueur : 01-01-1999>
5° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, pharmaciens, nommés parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentatives.
Parmi les membres effectifs ou suppléants doivent figurer obligatoirement un pharmacien d'officine, un pharmacien hospitalier et un pharmacien biologiste;
6° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants nommés parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des gestionnaires d'établissements hospitaliers, des services et institutions visés à l'article 34, [2 ...]2 13° [2 ...]2, de la loi coordonnée, et des établissements de rééducation fonctionnelle et de réadaptation professionnelle [2 réadaptation professionnelle]2, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
7° de [2 sept]2 membres effectifs et de [2 sept]2 membres suppléants, dont respectivement un praticien de l'art infirmier, un kinésithérapeute, un logopède, un opticien, un fournisseur de prothèses et appareils, un fournisseur d'implants [2 un audicien, un ergothérapeute, un orthoptiste, un podologue, une sage-femme, un diététicien]2 nommés parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à conférer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentatives. [2 Parmi les membres effectifs doivent figurer obligatoirement un praticien de l'art infirmier, un kinésithérapeute, une sage-femme, un fournisseur d'implants et des auxiliaires paramédicaux et parmi les membres suppléants doivent figurer obligatoirement un praticien de l'art infirmier, un fournisseur d'implants et des auxiliaires paramédicaux]2;
8° de six membres effectifs et de six membres suppléants dont respectivement trois membres nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs et par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer et trois membres choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer; ils ont voix consultative.
§ 2. Les membres visés au 4°, 5°, 6° et 7° du § 1er, sont présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, sur des listes établies par les organisations professionnelles représentées aux commissions chargées de conclure les accords et conventions visés aux sections III et IV de ce chapitre. A défaut de telles organisations, les membres seront désignés par Nous, parmi les dispensateurs de soins ayant la qualification professionnelle requise.
§ 3. Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
§ 4. Le président a voix délibérative lorsqu'il est nommé parmi les membres visés au § 1er, 3° à 7°.
§ 5. Les deux vice-présidents sont nommés parmi les membres visés au § 1er, 3° à 7° conformément aux règles en matière de présentation prévues par le règlement d'ordre intérieur du Comité de l'assurance.
§ 6. Le Comité de l'assurance se réunit sur convocation de son président soit à son initiative, soit à la requête du Ministre, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Lorsque le Comité de l'assurance est invité à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
§ 7. Le siège du Comité de l'assurance est valablement constitué si au moins la moitié des membres du groupe composé par les représentants des organismes assureurs et du groupe composé par les représentants des dispensateurs de soins, sont présents.
(Les décisions sont prises à la majorité des deux tiers des membres présents ayant voix délibérative, sans tenir compte des abstentions.
Lorsque ce quorum n'est pas atteint, mais que la majorité des membres présents ayant voix délibérative est obtenue, le président soumet au vote les mêmes propositions lors de la réunion suivante.
Si la majorité visée à l'alinéa précédent est à nouveau obtenue, les décisions sont acquises.) <AR 2000-01-14/34, art. 1, 045; En vigueur : 15-02-2000>
[1 § 7bis. Quand le Comité de l'assurance exerce ses compétences prévues aux articles 39 ou 22 de la loi et que la mesure en question concerne la mise en oeuvre d'une disposition reprise dans une convention ou dans un accord, visés au chapitre V de la loi, les décisions sont prises à la majorité des deux tiers des voix exprimées par les membres présents ayant voix délibérative, d'une part au sein du groupe composé par les représentants des organismes assureurs, et d'autre part, au sein du groupe composé par les représentants des dispensateurs de soins. Il n'est pas tenu compte des abstentions.
Lorsque cette majorité n'est pas atteinte, mais, d'une part que la majorité des membres présents ayant voix délibérative du groupe composé par les représentants des organismes assureurs, est obtenue et d'autre part, que la majorité des membres présents ayant voix délibérative du groupe composé par les représentants des dispensateurs de soins, est obtenue, le président soumet au vote les mêmes propositions lors de la réunion suivante.
Si la majorité visée à l'alinéa précédent est à nouveau obtenue, les décisions sont acquises.]1
§ 8. Lorsque le Comité de l'assurance est saisi d'une proposition ou d'un avis par une des commissions de conventions ou d'accords visées à l'article 26 de la loi coordonnée et estime devoir y apporter une modification, la proposition ou l'avis est renvoyé, avant toute décision définitive, pour nouvel examen à cette commission de conventions ou d'accords.
§ 9. Le président, les vice-présidents et les membres du Comité de l'assurance sont nommés pour un terme de (quatre ans). Leur mandat peut être renouvelé. <AR 2002-12-10/32, art. 2, 084; En vigueur : 24-12-2002>
§ 10. Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité de l'assurance avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Afdeling IIbis. - (Wetenschappelijk raad).
Section IIbis. - (Du Conseil scientifique.)
Art. 10bis. <INGEVOEGD bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> De Wetenschappelijke raad bedoeld in artikel 19 van de gecoördineerde wet omvat volgende afdelingen :
1° een afdeling "Comité voor de Evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen";
2° [1 ...]1.
1° een afdeling "Comité voor de Evaluatie van de medische praktijk inzake geneesmiddelen";
2° [1 ...]1.
Modifications
Art. 10bis. Le Conseil scientifique visé à l'article 19 de la loi coordonnée comprend les sections suivantes :
1° une Section " Comité d'évaluation des pratiques médicales en matière de médicaments ";
2° [1 ...]1.
1° une Section " Comité d'évaluation des pratiques médicales en matière de médicaments ";
2° [1 ...]1.
Modifications
Art. 10ter. [1 De leden van de afdelingen van de Wetenschappelijke raad, de voorzitter van de wetenschappelijke afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten en de leden van de afdelingen van het Observatorium worden benoemd voor een termijn van vier jaar. De voorzitter van de raadgevende afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten wordt benoemd voor een termijn van twee jaar.]1
Modifications
Art. 10ter. [1 Les membres des sections du Conseil scientifique, le président de la section scientifique de l'Observatoire des maladies chroniques et les membres des sections de l'Observatoire sont nommés pour une période de quatre ans. Le président de la section consultative de l'Observatoire des maladies chroniques est nommé pour une période de deux ans.]1
Modifications
Art. 10quater. <INGEVOEGD bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> Het secretariaat van de afdelingen van de Wetenschappelijke Raad [1 en de afdelingen van het Observatorium voor de chronische ziekten]1 wordt waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
Modifications
Art. 10quater. Le secrétariat des sections du Conseil scientifique [1 et des sections de l'Observatoire des maladies chroniques]1 est assuré par des membres du personnel du Service des Soins de santé désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
Modifications
Art. 10quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> De afdelingen van de Wetenschappelijke raad [1 en de afdelingen van het Observatorium voor de chronische ziekten]1 maken hun huishoudelijk reglement op en leggen het ter goedkeuring voor aan het Verzekeringscomité.
Modifications
Art. 10quinquies. Les sections du Conseil scientifique [1 et les sections de l'Observatoire des maladies chroniques]1rédigent leur règlement d'ordre intérieur et le soumettent pour approbation au Comité de l'assurance.
Modifications
Art. 10sexies. <INGEVOEGD bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> Het Comité bedoeld in artikel 10bis, 1°, heeft volgende opdrachten :
a) het uitbrengen van een advies over de registratie, de inzameling en het gebruik van statistische gegevens betreffende het voorschrijven van terugbetaalbare farmaceutische specialiteiten; in het bijzonder zal het Comité een advies uitbrengen over de door Ons bepaalde voorwaarden waarin de verzekeringsinstellingen de gegevens die de patiënt kunnen identificeren ontvangen en anoniem maken. [1 ...]1
b) het vaststellen en toepassen van een methodologie voor de evaluatie van de aldus ingezamelde gegevens, meer bepaald om elke voorschrijvende arts de gegevens te bezorgen die hem toelaten zijn voorschrijfgedrag op nuttige wijze te situeren ten aanzien van het voorschrijfgedrag van zijn collega's;
c) het regelmatig organiseren, minstens twee maal per jaar, van consensusvergaderingen die bedoeld zijn om de medische praktijk inzake geneesmiddelen in een bepaalde sector te evalueren en om aanbevelingen te formuleren ten behoeve van alle voorschrijvende artsen;
d) formuleren van richtlijnen betreffende de organisatie van een peer review, zowel op lokaal vlak als tussen artsen die dezelfde soort geneesmiddelen voorschrijven;
e) mededelen, in de vorm die het Comité bepaalt, van een jaarlijks activiteitenrapport aan de Ministers die respectievelijk de Sociale Zaken, en de Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben, de Algemene raad, het Verzekeringscomité, alsmede aan de Geneesmiddelencommissie. Dit rapport kan voorstellen bevatten betreffende terugbetalingsmodaliteiten, alsmede betreffende de voorwaarden voor de tussenkomst van de adviserend [3 artsen]3 van de verzekeringsinstellingen.
(f) het definiëren van de indicatoren en de drempels zoals bedoeld in artikel 73, §§ 2 en 3, van dezelfde wet.) <KB 2005-12-21/43, art. 1, 2°, 123 ; Inwerkingtreding : 05-02-2006>
[2 g) belast zijn met de begeleiding van het farmacotherapeutisch overleg bedoeld in artikel 36decies van de Wet.]2
a) het uitbrengen van een advies over de registratie, de inzameling en het gebruik van statistische gegevens betreffende het voorschrijven van terugbetaalbare farmaceutische specialiteiten; in het bijzonder zal het Comité een advies uitbrengen over de door Ons bepaalde voorwaarden waarin de verzekeringsinstellingen de gegevens die de patiënt kunnen identificeren ontvangen en anoniem maken. [1 ...]1
b) het vaststellen en toepassen van een methodologie voor de evaluatie van de aldus ingezamelde gegevens, meer bepaald om elke voorschrijvende arts de gegevens te bezorgen die hem toelaten zijn voorschrijfgedrag op nuttige wijze te situeren ten aanzien van het voorschrijfgedrag van zijn collega's;
c) het regelmatig organiseren, minstens twee maal per jaar, van consensusvergaderingen die bedoeld zijn om de medische praktijk inzake geneesmiddelen in een bepaalde sector te evalueren en om aanbevelingen te formuleren ten behoeve van alle voorschrijvende artsen;
d) formuleren van richtlijnen betreffende de organisatie van een peer review, zowel op lokaal vlak als tussen artsen die dezelfde soort geneesmiddelen voorschrijven;
e) mededelen, in de vorm die het Comité bepaalt, van een jaarlijks activiteitenrapport aan de Ministers die respectievelijk de Sociale Zaken, en de Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben, de Algemene raad, het Verzekeringscomité, alsmede aan de Geneesmiddelencommissie. Dit rapport kan voorstellen bevatten betreffende terugbetalingsmodaliteiten, alsmede betreffende de voorwaarden voor de tussenkomst van de adviserend [3 artsen]3 van de verzekeringsinstellingen.
(f) het definiëren van de indicatoren en de drempels zoals bedoeld in artikel 73, §§ 2 en 3, van dezelfde wet.) <KB 2005-12-21/43, art. 1, 2°, 123 ; Inwerkingtreding : 05-02-2006>
[2 g) belast zijn met de begeleiding van het farmacotherapeutisch overleg bedoeld in artikel 36decies van de Wet.]2
Art. 10sexies. Le Comité d'évaluation visé à l'article 10bis, 1°, a pour missions :
a) de formuler un avis sur l'enregistrement, la collecte et l'utilisation des données statistiques se rapportant à la prescription des spécialités pharmaceutiques remboursables; en particulier, il formule un avis sur les conditions, définies par Nous, selon lesquelles les organismes assureurs reçoivent et rendent anonymes les données susceptibles d'identifier les patients. [1 ...]1
b) de définir et d'appliquer une méthodologie d'évaluation des données ainsi recueillies et ce, en vue de fournir à chaque médecin-prescripteur des informations lui permettant de situer utilement son comportement de prescription, en regard de celui de ses confrères;
c) d'organiser périodiquement et au moins deux fois par an, des réunions de consensus destinées à évaluer la pratique médicale en matière de médicament dans un secteur déterminé et à formuler des recommandations à l'usage de tous les médecins-prescripteurs;
d) de formuler des directives concernant l'organisation de peer review, tant au plan local qu'entre les médecins susceptibles de prescrire les même types de médicaments;
e) de communiquer, selon la forme qu'il détermine, un rapport annuel d'activités aux ministres qui ont respectivement les Affaires sociales et la Santé publique dans leurs attributions, au Conseil général, au Comité de l'assurance ainsi qu'à la Commission du médicament. Ce rapport peut comprendre des propositions relatives aux modalités de remboursement, en ce compris les conditions d'intervention des médecins-conseils des organismes assureurs.
(f) de définir les indicateurs et les seuils visés à l'article 73, §§ 2 et 3, de la même loi.) <AR 2005-12-21/43, art. 1, 2°, 123 ; En vigueur : 05-02-2006>
[2 g) d'assurer l'accompagnement de la concertation pharmaco-thérapeutique visée à l'article 36decies de la Loi.]2
a) de formuler un avis sur l'enregistrement, la collecte et l'utilisation des données statistiques se rapportant à la prescription des spécialités pharmaceutiques remboursables; en particulier, il formule un avis sur les conditions, définies par Nous, selon lesquelles les organismes assureurs reçoivent et rendent anonymes les données susceptibles d'identifier les patients. [1 ...]1
b) de définir et d'appliquer une méthodologie d'évaluation des données ainsi recueillies et ce, en vue de fournir à chaque médecin-prescripteur des informations lui permettant de situer utilement son comportement de prescription, en regard de celui de ses confrères;
c) d'organiser périodiquement et au moins deux fois par an, des réunions de consensus destinées à évaluer la pratique médicale en matière de médicament dans un secteur déterminé et à formuler des recommandations à l'usage de tous les médecins-prescripteurs;
d) de formuler des directives concernant l'organisation de peer review, tant au plan local qu'entre les médecins susceptibles de prescrire les même types de médicaments;
e) de communiquer, selon la forme qu'il détermine, un rapport annuel d'activités aux ministres qui ont respectivement les Affaires sociales et la Santé publique dans leurs attributions, au Conseil général, au Comité de l'assurance ainsi qu'à la Commission du médicament. Ce rapport peut comprendre des propositions relatives aux modalités de remboursement, en ce compris les conditions d'intervention des médecins-conseils des organismes assureurs.
(f) de définir les indicateurs et les seuils visés à l'article 73, §§ 2 et 3, de la même loi.) <AR 2005-12-21/43, art. 1, 2°, 123 ; En vigueur : 05-02-2006>
[2 g) d'assurer l'accompagnement de la concertation pharmaco-thérapeutique visée à l'article 36decies de la Loi.]2
Art. 10septies. <INGEVOEGD bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> Het Comité bedoeld in artikel 10bis, 1° is samengesteld uit :
1° één voorzitter, gekozen uit de leden;
2° zeven leden, artsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat;
3° negen leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen;
4° elf leden, artsen, (waarvan zes huisartsen ), die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2005-12-21/43, art. 2, 123 ; Inwerkingtreding : 05-02-2006>
5° vier leden artsen, voorgedragen door de wetenschappelijke verenigingen, waaronder twee huisartsen en twee specialisten;
6° vier leden, apothekers, voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van officina-apothekers en van ziekenhuisapothekers;
7° twee leden, tandartsen, voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen.
1° één voorzitter, gekozen uit de leden;
2° zeven leden, artsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat;
3° negen leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen;
4° elf leden, artsen, (waarvan zes huisartsen ), die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2005-12-21/43, art. 2, 123 ; Inwerkingtreding : 05-02-2006>
5° vier leden artsen, voorgedragen door de wetenschappelijke verenigingen, waaronder twee huisartsen en twee specialisten;
6° vier leden, apothekers, voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van officina-apothekers en van ziekenhuisapothekers;
7° twee leden, tandartsen, voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen.
Modifications
Art. 10septies. Le Comité visé à l'article 10bis, 1° est composé :
1° d'un président, choisi en son sein;
2° de sept membres, docteurs en médecine choisis parmi les candidats présentés par les universités belges, chaque université ayant droit à un membre;
3° de neuf membres, docteurs en médecine ou pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs;
4° de onze membres, docteurs en médecine, (dont six médecins généralistes), présentés par les organisations professionnelles représentatives du corps médical en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 2005-12-21/43, art. 2, 123 ; En vigueur : 05-02-2006>
5° de quatre membres, docteurs en médecine, présentés par les sociétés scientifiques, dont deux généralistes et deux spécialistes;
6° de quatre membres pharmaciens, présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens d'officine et les pharmaciens hospitaliers;
7° de deux membres dentistes, présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire.
1° d'un président, choisi en son sein;
2° de sept membres, docteurs en médecine choisis parmi les candidats présentés par les universités belges, chaque université ayant droit à un membre;
3° de neuf membres, docteurs en médecine ou pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs;
4° de onze membres, docteurs en médecine, (dont six médecins généralistes), présentés par les organisations professionnelles représentatives du corps médical en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 2005-12-21/43, art. 2, 123 ; En vigueur : 05-02-2006>
5° de quatre membres, docteurs en médecine, présentés par les sociétés scientifiques, dont deux généralistes et deux spécialistes;
6° de quatre membres pharmaciens, présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens d'officine et les pharmaciens hospitaliers;
7° de deux membres dentistes, présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire.
Art. 10octies. [1 De raadgevende afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten is samengesteld uit :
1° een voorzitter, alternerend te benoemen uit de leden bedoeld in 2° en 3°;
2° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van verenigingen voor hulp aan chronisch zieken, waaronder zes werkende en zes plaatsvervangende leden voorgedragen door de VZW Vlaams Patiëntenplatform, vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden voorgedragen door de VZW Ligue des Usagers des Services de Santé en een werkend en een plaatsvervangend lid voorgedragen door de VZW Patienten Rat & Treff;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
5° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
De leden duiden de personen aan welke hen bij de uitoefening van hun mandaat kunnen begeleiden, rekening houdend met de aard van de behandelde materie.
Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat voor de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de raadgevende afdeling. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.]1
1° een voorzitter, alternerend te benoemen uit de leden bedoeld in 2° en 3°;
2° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van verenigingen voor hulp aan chronisch zieken, waaronder zes werkende en zes plaatsvervangende leden voorgedragen door de VZW Vlaams Patiëntenplatform, vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden voorgedragen door de VZW Ligue des Usagers des Services de Santé en een werkend en een plaatsvervangend lid voorgedragen door de VZW Patienten Rat & Treff;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
5° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
De leden duiden de personen aan welke hen bij de uitoefening van hun mandaat kunnen begeleiden, rekening houdend met de aard van de behandelde materie.
Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat voor de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de raadgevende afdeling. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.]1
Modifications
Art. 10octies. [1 La section consultative de l'Observatoire des maladies chroniques se compose de :
1° un président, nommé de manière alternative parmi les membres visés sous 2° et 3°;
2° douze membres effectifs et douze membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; afin de déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs; chaque organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif et un mandat de membre suppléant;
3° douze membres effectifs et douze membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des associations pour l'aide aux malades chroniques, parmi lesquels six membres effectifs et six membres suppléants présentés par l'ASBL Vlaams Patiëntenplatform, cinq membres effectifs et cinq membres suppléants présentés par l'ASBL Ligue des Usagers des Services de Santé et un membre effectif et un membre suppléant présentés par l'ASBL Patienten Rat & Treff;
4° un membre effectif et un membre suppléant, désignés par le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions;
5° un membre effectif et un membre suppléant, désignés par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
Les membres désignent les personnes qui peuvent les accompagner lors de l'exercice de leur mandat, compte tenu de la nature de la matière traitée.
Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie de la section consultative avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif de son groupe.]1
1° un président, nommé de manière alternative parmi les membres visés sous 2° et 3°;
2° douze membres effectifs et douze membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; afin de déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs; chaque organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif et un mandat de membre suppléant;
3° douze membres effectifs et douze membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des associations pour l'aide aux malades chroniques, parmi lesquels six membres effectifs et six membres suppléants présentés par l'ASBL Vlaams Patiëntenplatform, cinq membres effectifs et cinq membres suppléants présentés par l'ASBL Ligue des Usagers des Services de Santé et un membre effectif et un membre suppléant présentés par l'ASBL Patienten Rat & Treff;
4° un membre effectif et un membre suppléant, désignés par le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions;
5° un membre effectif et un membre suppléant, désignés par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
Les membres désignent les personnes qui peuvent les accompagner lors de l'exercice de leur mandat, compte tenu de la nature de la matière traitée.
Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie de la section consultative avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif de son groupe.]1
Modifications
Art. 10octies /1. [1 De raadgevende afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op vraag van ten minste drie leden, welke schriftelijk wordt geformuleerd en het onderwerp van de vergadering vermeldt. De bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering. Wanneer de afdeling wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.]1
Art. 10octies /1. [1 La section consultative de l'Observatoire des maladies chroniques se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre, soit à la demande d'au moins trois membres, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion. La convocation mentionne dans tous les cas l'objet de la réunion. Lorsque la section est invitée à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.]1
Modifications
Art. 10octies /2. [1 De raadgevende afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten houdt rechtsgeldig zitting indien ten minste de helft van de leden van elke groep aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
Ingeval de leden bij een stemming niet in gelijk aantal in elk van beide groepen bedoeld in artikel 10octies, eerste lid, 2° en 3°, aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.]1
De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
Ingeval de leden bij een stemming niet in gelijk aantal in elk van beide groepen bedoeld in artikel 10octies, eerste lid, 2° en 3°, aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.]1
Art. 10octies /2. [1 La section consultative de l'Observatoire des maladies chroniques siège valablement si au moins la moitié des membres de chaque groupe est présent.
Les décisions sont prises à la simple majorité des membres participant au vote; il n'est pas tenu compte des abstentions. En cas de parité des voix, la proposition est rejetée.
Dans le cas où les membres ne sont, lors d'un vote, pas présents en nombre égal au sein des deux groupes visés à l'article 10octies, alinéa 1er, 2° et 3°, le ou les membre(s) le(s) plus jeune(s) du groupe en surnombre s'abstien(nen)t afin de rétablir la parité.]1
Les décisions sont prises à la simple majorité des membres participant au vote; il n'est pas tenu compte des abstentions. En cas de parité des voix, la proposition est rejetée.
Dans le cas où les membres ne sont, lors d'un vote, pas présents en nombre égal au sein des deux groupes visés à l'article 10octies, alinéa 1er, 2° et 3°, le ou les membre(s) le(s) plus jeune(s) du groupe en surnombre s'abstien(nen)t afin de rétablir la parité.]1
Modifications
Art. 10nonies. <INGEVOEGD bij KB 1998-10-14/32, art. 1; Inwerkingtreding : 04-11-1998> [1 De wetenschappelijke afdeling van het Observatorium voor de chronische ziekten ]1 is samengesteld uit :
1° een voorzitter;
2° zeven leden, artsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat;
3° negen leden die de zorgverleners vertegenwoordigen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de in het Verzekeringscomité vertegenwoordigde representatieve beroepsorganisaties, waarvan vier [2 artsen]2, twee huisartsen en twee specialisten, [1 twee apothekers]1 en drie vertegenwoordigers van de paramedisch medewerkers;
4° negen leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat;
5° twee leden, respectievelijk aangewezen door de Ministers die de Sociale zaken en de Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben.
De leden duiden de personen aan welke hun bij de uitoefening van hun mandaat kunnen vervangen, rekening houdend met de aard van de behandelde materie.
[1 6° zeven leden, huisartsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten, elke universiteit heeft recht op één mandaat;
7° twee leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden en de centra voor dagverzorging;
8° vier leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de verpleegkundigen.]1
Op voorstel of na advies van het Comité kan de Minister die de Sociale zaken in zijn bevoegdheid heeft werkgroepen oprichten belast met het formuleren van voorstellen met betrekking tot een specifieke aandoening of een groep van specifieke aandoeningen. Aan deze werkgroepen kunnen ook vertegenwoordigers van de gemeenschappen of gewesten deelnemen.
1° een voorzitter;
2° zeven leden, artsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat;
3° negen leden die de zorgverleners vertegenwoordigen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de in het Verzekeringscomité vertegenwoordigde representatieve beroepsorganisaties, waarvan vier [2 artsen]2, twee huisartsen en twee specialisten, [1 twee apothekers]1 en drie vertegenwoordigers van de paramedisch medewerkers;
4° negen leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat;
5° twee leden, respectievelijk aangewezen door de Ministers die de Sociale zaken en de Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben.
De leden duiden de personen aan welke hun bij de uitoefening van hun mandaat kunnen vervangen, rekening houdend met de aard van de behandelde materie.
[1 6° zeven leden, huisartsen, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten, elke universiteit heeft recht op één mandaat;
7° twee leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden en de centra voor dagverzorging;
8° vier leden, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de verpleegkundigen.]1
Op voorstel of na advies van het Comité kan de Minister die de Sociale zaken in zijn bevoegdheid heeft werkgroepen oprichten belast met het formuleren van voorstellen met betrekking tot een specifieke aandoening of een groep van specifieke aandoeningen. Aan deze werkgroepen kunnen ook vertegenwoordigers van de gemeenschappen of gewesten deelnemen.
Art. 10nonies. [1 La section scientifique de l'Observatoire des maladies chroniques se compose]1 :
1° d'un président;
2° de sept membres, médecins, choisis parmi les candidats proposés par les universités belges, chaque université ayant droit à un mandat;
3° de neuf membres, qui représentent les dispensateurs de soins, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives représentées au Comité de l'assurance, dont quatre médecins, deux généralistes et deux spécialistes, [1 deux pharmaciens]1 et trois représentants des auxiliaires paramédicaux;
4° de neuf membres, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat;
5° de deux membres, désignés, respectivement par les ministres qui ont les Affaires sociales et la Santé publique dans leurs attributions.
Les membres désignent les personnes qui peuvent les remplacer dans l'exercice de leur mandat, compte tenu de la nature des matières traitées.
[1 6° sept membres, médecins généralistes, choisis parmi les candidats proposés par les universités belges, chaque université ayant droit à un mandat;
7° deux membres, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des maisons de repos et de soins, des maisons de repos pour personnes âgées et des centres de soins de jour;
8° quatre membres, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier.]1
Sur proposition ou après avis du Comité, le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut créer des groupes de travail chargés de formuler des propositions relatives à une ou à un groupe de pathologies spécifiques. Des représentants des communautés ou des régions peuvent également participer à ces groupes de travail.
1° d'un président;
2° de sept membres, médecins, choisis parmi les candidats proposés par les universités belges, chaque université ayant droit à un mandat;
3° de neuf membres, qui représentent les dispensateurs de soins, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives représentées au Comité de l'assurance, dont quatre médecins, deux généralistes et deux spécialistes, [1 deux pharmaciens]1 et trois représentants des auxiliaires paramédicaux;
4° de neuf membres, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat;
5° de deux membres, désignés, respectivement par les ministres qui ont les Affaires sociales et la Santé publique dans leurs attributions.
Les membres désignent les personnes qui peuvent les remplacer dans l'exercice de leur mandat, compte tenu de la nature des matières traitées.
[1 6° sept membres, médecins généralistes, choisis parmi les candidats proposés par les universités belges, chaque université ayant droit à un mandat;
7° deux membres, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des maisons de repos et de soins, des maisons de repos pour personnes âgées et des centres de soins de jour;
8° quatre membres, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier.]1
Sur proposition ou après avis du Comité, le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut créer des groupes de travail chargés de formuler des propositions relatives à une ou à un groupe de pathologies spécifiques. Des représentants des communautés ou des régions peuvent également participer à ces groupes de travail.
Modifications
Art. 10nonies /1. [1 De afdelingen van het Observatorium voor de chronische ziekten beraadslagen gezamenlijk voor het opstellen van het verslag bedoeld in artikel 19 van de wet. Ze beraadslagen tevens gezamenlijk, hetzij op verzoek van de voorzitter van een van de afdelingen, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op schriftelijk verzoek van minstens drie leden van een van de afdelingen. De bijeenroeping gebeurt door de voorzitter en vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering. Wanneer de afdelingen in gezamenlijke vergadering worden bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
Het voorzitterschap van de gezamenlijke vergaderingen wordt telkens voor een periode van twee jaar afwisselend waargenomen door de voorzitter van elke afdeling. De gezamenlijke vergaderingen zijn rechtsgeldig indien is voldaan aan de aanwezigheidsquorums die gelden voor elk van de twee afdelingen. De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.]1
Het voorzitterschap van de gezamenlijke vergaderingen wordt telkens voor een periode van twee jaar afwisselend waargenomen door de voorzitter van elke afdeling. De gezamenlijke vergaderingen zijn rechtsgeldig indien is voldaan aan de aanwezigheidsquorums die gelden voor elk van de twee afdelingen. De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.]1
Art. 10nonies /1. [1 Les sections de l'Observatoire des maladies chroniques délibèrent conjointement pour l'établissement du rapport visé à l'article 19 de la loi. Elles délibèrent également conjointement, soit à la requête du président de l'une des sections, soit à la requête du Ministre, soit à la demande écrite d'au moins trois membres de l'une des sections. La convocation est faite par le président et elle indique dans tous les cas l'objet de la réunion. Lorsque les sections sont invitées à se réunir conjointement à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
La présidence des réunions conjointes est chaque fois assurée pour une période de deux ans à tour de rôle par le président de chaque section. Les réunions conjointes sont valables s'il est satisfait aux quorums de présence applicables pour chacune des deux sections. Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote; il n'est pas tenu compte des abstentions. En cas de parité des voix, la proposition est rejetée.]1
La présidence des réunions conjointes est chaque fois assurée pour une période de deux ans à tour de rôle par le président de chaque section. Les réunions conjointes sont valables s'il est satisfait aux quorums de présence applicables pour chacune des deux sections. Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote; il n'est pas tenu compte des abstentions. En cas de parité des voix, la proposition est rejetée.]1
Modifications
Afdeling III. - Overeenkomstencommissies.
Section III. - Des Commissions de conventions.
A. Overeenkomsten met de apothekers.
A. Des conventions avec les pharmaciens.
Art.11. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van apothekers (en door deze van de ziekenhuisapothekers); <KB 2003-11-30/42, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 28-12-2003>
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste slechts op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van apothekers (en door deze van de ziekenhuisapothekers); <KB 2003-11-30/42, art. 1, 102; Inwerkingtreding : 28-12-2003>
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste slechts op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.11. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de pharmaciens (et par celles des pharmaciens hospitaliers); <AR 2003-11-30/42, art. 1, 102; En vigueur : 28-12-2003>
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de pharmaciens (et par celles des pharmaciens hospitaliers); <AR 2003-11-30/42, art. 1, 102; En vigueur : 28-12-2003>
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
B. (Overeenkomsten met de rust- en verzorgingstehuizen, de rustoorden voor bejaarden en de centra voor dagverzorging).
B. (Des conventions avec les maisons de repos et de soins, les maisons de repos pour personnes âgées et les centres de soins de jour).
Art.12. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties (van de rust- en verzorgingstehuizen, van de rustoorden voor bejaarden en van de centra voor dagverzorging, bedoeld) in artikel 34, 11° en 12° van de gecoördineerde wet; <KB 1999-06-13/63, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties (van de rust- en verzorgingstehuizen, van de rustoorden voor bejaarden en van de centra voor dagverzorging, bedoeld) in artikel 34, 11° en 12° van de gecoördineerde wet; <KB 1999-06-13/63, art. 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.12. La Commissions est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives (des maisons de repos et de soins, des maisons de repos pour personnes âgées et des centres de soins de jour, visées) à l'article 34, 11° et 12° de la loi coordonnée; <AR 1999-06-13/63, art. 2, 037; En vigueur : 30-07-1999>
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentations des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives (des maisons de repos et de soins, des maisons de repos pour personnes âgées et des centres de soins de jour, visées) à l'article 34, 11° et 12° de la loi coordonnée; <AR 1999-06-13/63, art. 2, 037; En vigueur : 30-07-1999>
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentations des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
C. Overeenkomsten met psychiatrische verzorgingstehuizen.
C. Des conventions avec les maisons de soins psychiatriques.
Art.13. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de psychiatrische verzorgingstehuizen,
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de representativiteit van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de psychiatrische verzorgingstehuizen,
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de representativiteit van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.13. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives des maisons de soins psychiatriques;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentativité des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives des maisons de soins psychiatriques;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentativité des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
D. Overeenkomsten met de verplegingsinrichtingen.
D. Des conventions avec les établissements hospitaliers.
Art.14. De commissie is samengesteld uit:
1° [1 negen werkende en negen plaatsvervangende leden]1, aangewezen door de representatieve verenigingen van verplegingsinrichtingen;
2° [1 negen werkende en negen plaatsvervangende leden]1, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° [1 negen werkende en negen plaatsvervangende leden]1, aangewezen door de representatieve verenigingen van verplegingsinrichtingen;
2° [1 negen werkende en negen plaatsvervangende leden]1, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Modifications
Art.14. La Commission est composée:
1° de [1 neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants]1, désignés par les associations représentatives d'établissements hospitaliers;
2° de [1 neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants]1, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de [1 neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants]1, désignés par les associations représentatives d'établissements hospitaliers;
2° de [1 neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants]1, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Modifications
E. Overeenkomsten met de vertegenwoordigers van initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten.
E. Des conventions avec les représentants des initiatives d'habitation protégée pour des patients psychiatriques.
Art.15. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de representativiteit van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de initiatieven van beschut wonen ten behoeve van psychiatrische patiënten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de representativiteit van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elkeen heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.15. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives des initiatives d'habitation protégée pour des patients psychiatriques;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentativité des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations représentatives des initiatives d'habitation protégée pour des patients psychiatriques;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentativité des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
F. Overeenkomsten met de vroedvrouwen.
F. [1 Des conventions avec les sages-femmes]1
Art.16. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van vroedvrouwen;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van vroedvrouwen;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.16. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de[1 sages-femmes]1;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de[1 sages-femmes]1;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Modifications
G. Overeenkomsten met de verpleegkundigen.
G. Des conventions avec les praticiens de l'art infirmier.
Art.17. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van verpleegkundigen;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van verpleegkundigen;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.17. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
H. Overeenkomsten met de kinesitherapeuten.
H. Des conventions avec les kinésithérapeutes.
Art.18. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van kinesitherapeuten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van kinesitherapeuten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.18. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de kinésithérapeutes;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de kinésithérapeutes;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Hbis. Overeenkomsten met de logopedisten.
Hbis. Des conventions avec les logopèdes.
Art. 18bis. <INGEVOEGD bij KB 1996-10-18/38, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 28-11-1996> De Commissie is samengesteld uit :
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van logopedisten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van logopedisten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art. 18bis. La Commission est composée :
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de logopèdes;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de logopèdes;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
I. Overeenkomsten met de opticiens.
I. Des conventions avec les opticiens.
Art.19. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van opticiens;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van opticiens;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.19. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives d'opticiens;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives d'opticiens;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
J. Overeenkomsten met de orthopedisten.
J. Des conventions avec les orthopédistes.
Art.20. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van orthopedisten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van orthopedisten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.20. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives d'orthopédistes;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives d'orthopédistes;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
K. Overeenkomsten met de [1 audiciens]1.
K. Des conventions avec les [1 audiciens]1.
Art.21. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van [1 audiciens]1;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van [1 audiciens]1;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Modifications
Art.21. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de [1 d'audiciens]1;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de [1 d'audiciens]1;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Modifications
L. Overeenkomsten met de bandagisten
L. Des conventions avec les bandagistes.
Art.22. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van bandagisten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van bandagisten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.22. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de bandagistes;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives de bandagistes;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
M. Overeenkomsten met de verstrekkers van implantaten.
M. Des conventions avec les fournisseurs d'implants.
Art.23. De commissie is samengesteld uit:
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van verstrekkers van implantaten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
1° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsorganisaties van verstrekkers van implantaten;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Art.23. La Commission est composée:
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives des fournisseurs d'implants;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
1° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organisations professionnelles représentatives des fournisseurs d'implants;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
N. Gemene bepalingen.
N. Dispositions communes.
Art.24. Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat geen deel meer uitmaakt van een commissie.
Art.24. Il est pourvu immédiatement au remplacement du membre qui a cessé de faire partie d'une commission.
Art.25. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Art.25. Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.26. De commissies worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op deze initiatief, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.26. Les commissions se réunissent sur convocation de leur président soit à son initiative, soit à la requête du Comité de l'assurance, soit à la demande de trois membres au moins formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.27. Een commissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste vijf leden van elke groep aanwezig zijn.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. De uiteindelijke sluiting van de overeenkomst is slechts verworven indien ze door ten minste zes leden van elke van beide groepen is goedgekeurd; onthoudingen zijn niet toegelaten.
Ingeval de leden bij een stemming niet in gelijk aantal in elk van beide groepen aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. De uiteindelijke sluiting van de overeenkomst is slechts verworven indien ze door ten minste zes leden van elke van beide groepen is goedgekeurd; onthoudingen zijn niet toegelaten.
Ingeval de leden bij een stemming niet in gelijk aantal in elk van beide groepen aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.
Art.27. Le siège d'une commission est valablement constitué lorsqu'il réunit au moins cinq membres de chaque groupe.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. Toutefois, la conclusion finale de la convention n'est acquise que si le vote réunit six voix au moins dans chacun des deux groupes, les abstentions n'étant pas admises.
Dans le cas où, au moment d'un vote, les membres ne sont pas présents en nombre égal dans chacun des deux groupes, le ou les plus jeunes membres de la partie en surnombre sont tenus de s'abstenir pour rétablir la parité.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. Toutefois, la conclusion finale de la convention n'est acquise que si le vote réunit six voix au moins dans chacun des deux groupes, les abstentions n'étant pas admises.
Dans le cas où, au moment d'un vote, les membres ne sont pas présents en nombre égal dans chacun des deux groupes, le ou les plus jeunes membres de la partie en surnombre sont tenus de s'abstenir pour rétablir la parité.
Art.28. De tekst van elke gesloten overeenkomst wordt het Verzekeringscomité binnen de drie dagen medegedeeld door de voorzitter die daarvoor, op de eerstvolgende vergadering van het Verzekeringscomité, verslag uitbrengt.
Dit geldt ook voor de in artikel 26, tweede lid, van de gecoördineerde wet bedoelde voorstellen, voor zover er geen bevoegde technische raad voorhanden is; indien een bevoegde technische raad bestaat, moeten deze voorstellen binnen de drie dagen, aan bedoelde technische raad worden medegedeeld door de voorzitter, die daarover op de eerstvolgende vergadering van voornoemd technische raad verslag uitbrengt.
Dit geldt ook voor de in artikel 26, tweede lid, van de gecoördineerde wet bedoelde voorstellen, voor zover er geen bevoegde technische raad voorhanden is; indien een bevoegde technische raad bestaat, moeten deze voorstellen binnen de drie dagen, aan bedoelde technische raad worden medegedeeld door de voorzitter, die daarover op de eerstvolgende vergadering van voornoemd technische raad verslag uitbrengt.
Art.28. Le texte de toute convention conclue est communiqué, dans les trois jours, au Comité de l'assurance par le président, qui fait rapport à la plus prochaine séance dudit Comité.
Il en est de même pour les propositions visées à l'article 26, alinéa 2, de la loi coordonnée pour autant qu'il n'existe pas de conseil technique compétent; s'il existe un conseil technique compétent, ces propositions doivent être communiquées, dans les trois jours, audit conseil technique par le président qui fait rapport à la plus prochaine séance dudit conseil technique.
Il en est de même pour les propositions visées à l'article 26, alinéa 2, de la loi coordonnée pour autant qu'il n'existe pas de conseil technique compétent; s'il existe un conseil technique compétent, ces propositions doivent être communiquées, dans les trois jours, audit conseil technique par le président qui fait rapport à la plus prochaine séance dudit conseil technique.
Afdeling IV. - Nationale commissies [1 artsen-ziekenfondsen]1 en tandheelkundigen-ziekenfondsen.
Section IV. - Des Commissions nationales médico-mutualiste et dento-mutualiste.
A. Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1.
A. De la Commission nationale médico-mutualiste.
Art.29. <KB 1997-09-23/35, art. 3, 013; Inwerkingtreding : 06-07-1998> De Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1 is samengesteld uit :
1° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, algemeen geneeskundigen, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, [1 artsen-specialisten]1, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
3° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de verzekeringsinstellingen. <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
(Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft tenminste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.) <KB 2005-01-12/35, art. 2, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>
1° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, algemeen geneeskundigen, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, [1 artsen-specialisten]1, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van het [1 artsenkorps]1; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
3° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de verzekeringsinstellingen. <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
(Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft tenminste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.) <KB 2005-01-12/35, art. 2, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>
Modifications
Art.29. <AR 1997-09-23/35, art. 3, 013; En vigueur : 06-07-1998> La Commission nationale médico-mutualiste est composée :
1° de six membres effectifs et de six membres suppléants, médecins généralistes, (désignés) par les organisations représentatives du corps médical, (...); <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, médecins spécialistes, (désignés) par les organisations représentatives du corps médical, (...); <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
3° de douze membres effectifs et de douze membres suppléants, (désignés) par les organismes assureurs (...). <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
(Pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif, et à un mandat de membre suppléant.) <AR 2005-01-12/35, art. 2, 115; En vigueur : 04-02-2005>
1° de six membres effectifs et de six membres suppléants, médecins généralistes, (désignés) par les organisations représentatives du corps médical, (...); <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, médecins spécialistes, (désignés) par les organisations représentatives du corps médical, (...); <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
3° de douze membres effectifs et de douze membres suppléants, (désignés) par les organismes assureurs (...). <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
(Pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif, et à un mandat de membre suppléant.) <AR 2005-01-12/35, art. 2, 115; En vigueur : 04-02-2005>
B. Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen.
B. De la Commission nationale dento-mutualiste.
Art.30. De Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen is samengesteld uit:
1° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van de tandheelkundigen; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
2° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de verzekeringsinstellingen. <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
(Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.) <KB 2005-01-12/35, art. 3, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>
1° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de representatieve organisaties van de tandheelkundigen; <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
2° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, (...), (...), (aangewezen) door de verzekeringsinstellingen. <KB 2003-10-30/30, art. 1, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003> <KB 2003-10-30/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
(Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.) <KB 2005-01-12/35, art. 3, 115; Inwerkingtreding : 04-02-2005>
Art.30. La Commission nationale dento-mutualiste est composée:
1° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants, (désignés) par les organisations représentatives des praticiens de l'art dentaire, (...); <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
2° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants, (désignés) par les organismes assureurs (...). <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
(Pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif, et à un mandat de membre suppléant.) <AR 2005-01-12/35, art. 3, 115; En vigueur : 04-02-2005>
1° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants, (désignés) par les organisations représentatives des praticiens de l'art dentaire, (...); <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
2° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants, (désignés) par les organismes assureurs (...). <AR 2003-10-30/30, art. 1, 100; En vigueur : 07-11-2003> <AR 2003-10-30/30, art. 2, 100; En vigueur : 07-11-2003>
(Pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif, et à un mandat de membre suppléant.) <AR 2005-01-12/35, art. 3, 115; En vigueur : 04-02-2005>
C. Gemene bepalingen ter zake van de Nationale commissies [1 artsen-ziekenfondsen]1 en tandheelkundigen-ziekenfondsen.
C. Dispositions communes aux Commissions nationales médico-mutualiste et dento-mutualiste.
Art.31. (De leden van de Nationale commissies [1 artsen-ziekenfondsen]1 en tandheelkundigen-ziekenfondsen worden (aangewezen op grond van de resultaten van de verkiezingen die georganiseerd worden ter uitvoering van artikel 211 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994).) <KB 2002-12-10/32, art. 4, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002> <KB 2003-10-30/30, art. 3, 100; Inwerkingtreding : 07-11-2003>
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn commissie. Het nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn commissie. Het nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Modifications
Art.31. (Les membres des Commissions nationales médico-mutualiste et dento-mutualiste sont (désignés en fonction des résultats des élections organisées en exécution de l'article 211 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994).) <AR 2002-12-10/32, art. 4, 084; En vigueur : 24-12-2002> <AR 2003-10-30/30, art. 3, 100; En vigueur : 07-11-2003>
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de sa commission avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de sa commission avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Afdeling V. - [1 Commissie, belast met de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen en met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait.]1
Section V. - [1 De la Commission chargée de l'application de la réglementation concernant le paiement forfaitaire de certaines prestations et de la conclusion des accords concernant le forfait.]1
Art.32. [1 § 1. Wanneer de Commissie belast met de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen en met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait, het advies geeft zoals bedoeld in artikel 52, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet of wanneer ze belast is met de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen, bestaat ze uit :
1° negen leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; voor het vaststellen van de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, waarbij iedere verzekeringsinstelling recht heeft op ten minste één mandaat;
2° negen leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de medische huizen, evenredig met het aantal rechthebbenden, ingeschreven in de medische huizen die ze vertegenwoordigen; een organisatie is representatief wanneer de medische huizen die ze vertegenwoordigt, ten minste 10 % ingeschreven rechthebbenden telt ten opzichte van het totaal aantal rechthebbenden dat op 30 juni van het vorige jaar in het forfaitair systeem is ingeschreven. Elke organisatie die aantoont dat ze het vereiste percentage bereikt, kan haar vertegenwoordiging in de Commissie aanvragen door middel van een schriftelijk verzoek gericht aan de voorzitter vóór 15 januari. Elk jaar verdeelt de voorzitter de zetels met toepassing van dit punt, en dit voor de eerste vergadering van het jaar.
In deze afdeling wordt onder " medisch huis " verstaan een zorgverlener of een groep van zorgverleners die geneeskundige verstrekkingen verlenen die betaald worden volgens de regels vastgesteld in uitvoering van artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wet
§ 2. Wanneer de Commissie belast is met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait, bestaat ze uit :
1° één vertegenwoordiger per verzekeringsinstelling onder de leden, bedoeld in § 1, 1° ;
2° de zorgverleners die zijn bedoeld in het akkoord of hun vertegenwoordiger als het om een rechtspersoon gaat.]1
1° negen leden, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; voor het vaststellen van de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, waarbij iedere verzekeringsinstelling recht heeft op ten minste één mandaat;
2° negen leden, aangewezen door de representatieve organisaties van de medische huizen, evenredig met het aantal rechthebbenden, ingeschreven in de medische huizen die ze vertegenwoordigen; een organisatie is representatief wanneer de medische huizen die ze vertegenwoordigt, ten minste 10 % ingeschreven rechthebbenden telt ten opzichte van het totaal aantal rechthebbenden dat op 30 juni van het vorige jaar in het forfaitair systeem is ingeschreven. Elke organisatie die aantoont dat ze het vereiste percentage bereikt, kan haar vertegenwoordiging in de Commissie aanvragen door middel van een schriftelijk verzoek gericht aan de voorzitter vóór 15 januari. Elk jaar verdeelt de voorzitter de zetels met toepassing van dit punt, en dit voor de eerste vergadering van het jaar.
In deze afdeling wordt onder " medisch huis " verstaan een zorgverlener of een groep van zorgverleners die geneeskundige verstrekkingen verlenen die betaald worden volgens de regels vastgesteld in uitvoering van artikel 52, § 1, van de gecoördineerde wet
§ 2. Wanneer de Commissie belast is met het sluiten van de akkoorden betreffende het forfait, bestaat ze uit :
1° één vertegenwoordiger per verzekeringsinstelling onder de leden, bedoeld in § 1, 1° ;
2° de zorgverleners die zijn bedoeld in het akkoord of hun vertegenwoordiger als het om een rechtspersoon gaat.]1
Modifications
Art.32. [1 § 1er. La Commission chargée de l'application de la réglementation concernant le paiement forfaitaire de certaines prestations et de la conclusion des accords concernant le forfait, lorsqu'elle rend l'avis visé à l'article 52, § 1er, alinéa 3, de la loi coordonnée ou lorsqu'elle est chargée de l'application de la réglementation concernant le paiement forfaitaire de certaines prestations, est composée :
1° de neuf membres désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat;
2° de neuf membres désignés par les organisations représentatives des maisons médicales proportionnellement au nombre de bénéficiaires inscrits dans les maisons médicales qu'elles représentent; une fédération est représentative lorsque les maisons médicales qu'elle représente comptent au moins 10 % de bénéficiaires inscrits par rapport au total des bénéficiaires inscrits dans le système forfaitaire le 30 juin de l'année précédente. Toute fédération qui démontre qu'elle atteint le pourcentage requis peut faire la demande de sa représentation au sein de la Commission par l'intermédiaire d'une demande écrite adressée au président avant le 15 janvier. Chaque année, le président répartit les sièges en application du présent point, et ce pour la première réunion de l'année.
Dans cette section, on entend par " maison médicale " un dispensateur de soins ou un groupe de dispensateurs de soins qui dispensent des prestations de santé qui sont payées selon les règles établies en application de l'article 52, § 1er, de la loi coordonnée.
§ 2. Lorsque la Commission est chargée de la conclusion des accords concernant le forfait, elle est composée :
1° d'un représentant par organisme assureur parmi les membres visés au § 1er, 1° ;
2° des dispensateurs de soins visés par l'accord ou de leur représentant s'il s'agit d'une personne morale.]1
1° de neuf membres désignés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat;
2° de neuf membres désignés par les organisations représentatives des maisons médicales proportionnellement au nombre de bénéficiaires inscrits dans les maisons médicales qu'elles représentent; une fédération est représentative lorsque les maisons médicales qu'elle représente comptent au moins 10 % de bénéficiaires inscrits par rapport au total des bénéficiaires inscrits dans le système forfaitaire le 30 juin de l'année précédente. Toute fédération qui démontre qu'elle atteint le pourcentage requis peut faire la demande de sa représentation au sein de la Commission par l'intermédiaire d'une demande écrite adressée au président avant le 15 janvier. Chaque année, le président répartit les sièges en application du présent point, et ce pour la première réunion de l'année.
Dans cette section, on entend par " maison médicale " un dispensateur de soins ou un groupe de dispensateurs de soins qui dispensent des prestations de santé qui sont payées selon les règles établies en application de l'article 52, § 1er, de la loi coordonnée.
§ 2. Lorsque la Commission est chargée de la conclusion des accords concernant le forfait, elle est composée :
1° d'un représentant par organisme assureur parmi les membres visés au § 1er, 1° ;
2° des dispensateurs de soins visés par l'accord ou de leur représentant s'il s'agit d'une personne morale.]1
Modifications
Art.33. [1 Als het gaat om het advies bedoeld in artikel 52, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet of de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen, houdt de Commissie deugdelijk zitting als ten minste 6 leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 1° en 6 leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 2°, aanwezig zijn.
De Commissie vergadert na oproep door de voorzitter. In de oproeping staat het onderwerp van de vergadering.]1
De Commissie vergadert na oproep door de voorzitter. In de oproeping staat het onderwerp van de vergadering.]1
Modifications
Art.33. [1 Lorsqu'il s'agit de l'avis visé à l'article 52, § 1er, alinéa 3, de la loi coordonnée ou de l'application de la réglementation concernant le paiement forfaitaire de certaines prestations, la Commission se réunit valablement lorsqu'au moins 6 membres, visés à l'article 32, § 1er, 1° et 6 membres, visés à l'article 32, § 1er, 2°, sont présents.
La Commission se réunit sur convocation du président. La convocation mentionne le sujet de la réunion.]1
La Commission se réunit sur convocation du président. La convocation mentionne le sujet de la réunion.]1
Modifications
Art.34. [1 Elk lid woont de vergaderingen bij, behalve in geval van gewettigde afwezigheid. Als het verhinderd is, mag het lid de voorzitter verwittigen en hem de naam van zijn gelegenheidsvervanger meedelen.]1
Modifications
Art.34. [1 Chaque membre assiste à la réunion, sauf en cas d'absence justifiée. S'il est empêché, le membre peut en aviser le président et lui communiquer le nom de son remplaçant occasionnel.]1
Modifications
Art.35. [1 Om haar opdracht uit te voeren, kan de Commissie, samengesteld overeenkomstig artikel 32, § 1, een beroep doen op deskundigen van wie ze de taak vaststelt. Ze kan voor de voorbereiding van haar werkzaamheden eveneens een technische commissie instellen die moet bestaan uit ten minste drie personen, die zijn aangewezen onder de leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, en ten minste drie personen die zijn aangewezen onder de leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 2°.]1
Modifications
Art.35. [1 Pour exécuter sa mission, la Commission, composée conformément à l'article 32, § 1er, peut faire appel à des experts dont elle fixe la tâche. Pour la préparation de ses travaux, elle peut également instituer une commission technique qui doit être composée d'au moins trois personnes désignées parmi les membres visés à l'article 32, § 1er, 1°, et d'au moins trois personnes désignées parmi les membres visés à l'article 32, § 1er, 2°.]1
Modifications
Art.36. [1 De beslissingen aangaande het advies bedoeld in artikel 52, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wet of de toepassing van de reglementering betreffende de forfaitaire betaling van sommige verstrekkingen moeten worden goedgekeurd door een twee-derde meerderheid van de leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, en door een twee-derde meerderheid van de leden, bedoeld in artikel 32, § 1, 2°.]1
Modifications
Art.36. [1 Les décisions relatives à l'avis visé à l'article 52, § 1er, alinéa 3, de la loi coordonnée ou à l'application de la réglementation concernant le paiement forfaitaire de certaines prestations doivent être approuvées à la majorité des deux tiers des membres visés à l'article 32, § 1er, 1°, et à la majorité des deux tiers des membres visés à l'article 32, § 1er, 2°.]1
Modifications
Art.37. [1 § 1. Het verzoek tot het sluiten van een akkoord wordt schriftelijk aan de voorzitter van de Commissie bezorgd.
§ 2. Het door de aanvrager goedgekeurd ontwerp-akkoord wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de overeenkomstig artikel 32, § 2, samengestelde Commissie.
Het ontwerp-akkoord wordt schriftelijk of per e-mail voorgelegd aan de leden bedoeld in artikel 32, § 2, 1°.
De datum waarop het ontwerp-akkoord wordt overgemaakt aan de leden bedoeld in artikel 32, § 2, 1°, wordt meegedeeld aan de aanvrager en aan de overeenkomstig artikel 32, § 1, samengestelde Commissie.
§ 3. De beslissingen ter voorbereiding van het sluiten van de akkoorden moeten de goedkeuring krijgen, eensdeels van de in artikel 32, § 2, 2°, bedoelde personen, en anderdeels van een twee derde meerderheid van de leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, bedoeld in artikel 32, § 2, 1°.
De leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen worden geacht het akkoord goed te keuren indien zij binnen de tien dagen na de ontvangst van het ontwerp-akkoord geen bezwaar overmaken aan de voorzitter van de Commissie of aan een andere door de Leidend ambtenaar aangeduide medewerker van de Dienst voor geneeskundige verzorging.]1
§ 2. Het door de aanvrager goedgekeurd ontwerp-akkoord wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de overeenkomstig artikel 32, § 2, samengestelde Commissie.
Het ontwerp-akkoord wordt schriftelijk of per e-mail voorgelegd aan de leden bedoeld in artikel 32, § 2, 1°.
De datum waarop het ontwerp-akkoord wordt overgemaakt aan de leden bedoeld in artikel 32, § 2, 1°, wordt meegedeeld aan de aanvrager en aan de overeenkomstig artikel 32, § 1, samengestelde Commissie.
§ 3. De beslissingen ter voorbereiding van het sluiten van de akkoorden moeten de goedkeuring krijgen, eensdeels van de in artikel 32, § 2, 2°, bedoelde personen, en anderdeels van een twee derde meerderheid van de leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, bedoeld in artikel 32, § 2, 1°.
De leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen worden geacht het akkoord goed te keuren indien zij binnen de tien dagen na de ontvangst van het ontwerp-akkoord geen bezwaar overmaken aan de voorzitter van de Commissie of aan een andere door de Leidend ambtenaar aangeduide medewerker van de Dienst voor geneeskundige verzorging.]1
Modifications
Art.37. [1 § 1er. La demande de conclusion d'un accord est adressée par écrit au président de la Commission.
§ 2. Le projet d'accord approuvé par le demandeur est soumis à l'approbation de la Commission composée conformément à l'article 32, § 2.
Le projet d'accord est présenté par écrit ou par courrier électronique aux membres visés à l'article 32, § 2, 1°.
La date à laquelle le projet d'accord est présenté aux membres visés à l'article 32, § 2, 1° est communiqué au demandeur et à la Commission composée conformément à l'article 32, § 1er.
§ 3. Les décisions en vue de préparer la conclusion des accords doivent obtenir l'approbation d'une part des personnes visées à l'article 32, § 2, 2°, et d'autre part de la majorité des deux tiers des membres, représentants des organismes assureurs, visés à l'article 32, § 2, 1°.
Les membres qui représentent les organismes assureurs sont réputés approuver l'accord si, dans un délai de dix jours à compter de la réception du projet d'accord, ils ne formulent pas d'objection auprès du président de la Commission ou auprès d'un autre collaborateur du Service des soins de santé, désigné par le fonctionnaire dirigeant.]1
§ 2. Le projet d'accord approuvé par le demandeur est soumis à l'approbation de la Commission composée conformément à l'article 32, § 2.
Le projet d'accord est présenté par écrit ou par courrier électronique aux membres visés à l'article 32, § 2, 1°.
La date à laquelle le projet d'accord est présenté aux membres visés à l'article 32, § 2, 1° est communiqué au demandeur et à la Commission composée conformément à l'article 32, § 1er.
§ 3. Les décisions en vue de préparer la conclusion des accords doivent obtenir l'approbation d'une part des personnes visées à l'article 32, § 2, 2°, et d'autre part de la majorité des deux tiers des membres, représentants des organismes assureurs, visés à l'article 32, § 2, 1°.
Les membres qui représentent les organismes assureurs sont réputés approuver l'accord si, dans un délai de dix jours à compter de la réception du projet d'accord, ils ne formulent pas d'objection auprès du président de la Commission ou auprès d'un autre collaborateur du Service des soins de santé, désigné par le fonctionnaire dirigeant.]1
Modifications
Art.38. [1 Indien het akkoord wordt goedgekeurd door een twee-derde meerderheid van de leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, bedoeld in artikel 32, § 2, 1°, wordt het in naam van de verzekeringsinstellingen getekend door de leidend ambtenaar van de dienst voor geneeskundige verzorging en door de personen bedoeld in artikel 32, § 2, 2°.]1
Modifications
Art.38. [1 Si l'accord est approuvé à la majorité des deux tiers des membres, représentants des organismes assureurs, visés à l'article 32, § 2, 1°, il est signé au nom des organismes assureurs par le fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé et par les personnes visées à l'article 32, § 2, 2°.]1
Modifications
Art.39. [1 Indien het akkoord niet wordt goedgekeurd door een twee-derde meerderheid van de leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, bedoeld in artikel 32, § 2, 1°, wordt het ontwerp-akkoord voorgelegd aan de Commissie zoals bedoeld in artikel 32, § 1.]1
Modifications
Art.39. [1 Si l'accord n'est pas approuvé à la majorité des deux tiers des membres, représentants des organismes assureurs, visés à l'article 32, § 2, 1°, le projet d'accord est soumis à la Commission comme visé à l'article 32, § 1er.]1
Modifications
Art.40. [1 De tekst van het akkoord wordt binnen de vijftien dagen aan het Verzekeringscomité meegedeeld door de voorzitter van de Commissie, aan wie hij verslag uitbrengt op de eerstvolgende vergadering.]1
Modifications
Art.40. [1 Le texte de l'accord est communiqué dans les quinze jours au Comité de l'assurance par le président de la Commission, qui lui fait rapport à la plus prochaine séance.]1
Modifications
Afdeling VI. - Commissie voor begrotingscontrole.
Section VI. - commission de contrôle budgétaire.
Art.41. De leden van de Commissie voor begrotingscontrole worden benoemd voor (vier jaar). Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd. <KB 2002-12-10/32, art. 5, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van de commissie. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van de commissie. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Art.41. Les membres de la Commission de contrôle budgétaire sont nommés pour un terme de (quatre ans). Le mandat des membres sortants peut être renouvelé. <AR 2002-12-10/32, art. 5, 084; En vigueur : 24-12-2002>
Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie de la Commission avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie de la Commission avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.42. Het voorzitterschap van de commissie wordt bekleed door de in artikel 190 van de gecoördineerde wet bedoelde begrotings- en financieel adviseur.
Indien deze niet is aangewezen of indien hij is verhinderd, wordt het voorzitterschap van de commissie waargenomen door het oudste lid in jaren van de onder artikel 17, tweede lid, 5°, van de gecoördineerde wet bedoelde leden.
Indien deze niet is aangewezen of indien hij is verhinderd, wordt het voorzitterschap van de commissie waargenomen door het oudste lid in jaren van de onder artikel 17, tweede lid, 5°, van de gecoördineerde wet bedoelde leden.
Art.42. La présidence de la Commission est assumée par le conseiller budgétaire et financier visé à l'article 190 de la loi coordonnée.
Si celui-ci n'a pas été désigné ou est empêché, la présidence de la Commission est assumée par le doyen d'âge des membres visés à l'article 17, alinéa 2, 5° de la loi coordonnée.
Si celui-ci n'a pas été désigné ou est empêché, la présidence de la Commission est assumée par le doyen d'âge des membres visés à l'article 17, alinéa 2, 5° de la loi coordonnée.
Art.43. De commissie wordt in vergadering bijeengeroepen door de voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op verzoek van de Algemene raad, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.43. La Commission se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre, soit à la demande du Conseil général, soit à la demande du Comité de l'assurance, soit à la demande d'au moins trois de ses membres; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.44. De commissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van hen die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen.
Art.44. Le siège de la Commission est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions.
Art.45. De commissie stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Algemene raad.
Art.45. La Commission établit son règlement d'ordre intérieur et le soumet pour approbation au Conseil général.
Art.46. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de commissie worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
Art.46. Les fonctions de secrétaire et de secrétaire adjoint sont assumées par des agents du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
Afdeling VI/1. [1 - Commissie voor gezondheidszorgdoelstellingen.]1
Section VI/1. [1 - Commission pour les objectifs de soins de santé.]1
Art. 46/1. [1 § 1. De leden bedoeld in artikel 18/1, tweede lid, 1° tot en met 5°, van de gecoördineerde wet, worden benoemd uit de kandidaten, voorgedragen door de instelling die ze vertegenwoordigen.
Het lid bedoeld in artikel 18/1, tweede lid, 6°, van de gecoördineerde wet, wordt benoemd uit de kandidaten voorgedragen door de Hoge Gezondheidsraad, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 5 maart 2007 houdende oprichting van de Hoge Gezondheidsraad.
De leden bedoeld in artikel 18/1, tweede lid, 7°, van de gecoördineerde wet, worden benoemd uit de kandidaten, gezamenlijk voorgedragen door de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Conseil des rectrices et recteurs in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 18/1, tweede lid, 8° en 9°, van de gecoördineerde wet, worden benoemd uit de kandidaten voorgedragen door het Verzekeringscomité.
§ 2. De in artikel 190bis van de gecoördineerde wet bedoelde voorzitter van de commissie wordt voorgedragen door de Minister.]1
Het lid bedoeld in artikel 18/1, tweede lid, 6°, van de gecoördineerde wet, wordt benoemd uit de kandidaten voorgedragen door de Hoge Gezondheidsraad, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 5 maart 2007 houdende oprichting van de Hoge Gezondheidsraad.
De leden bedoeld in artikel 18/1, tweede lid, 7°, van de gecoördineerde wet, worden benoemd uit de kandidaten, gezamenlijk voorgedragen door de Vlaamse Interuniversitaire Raad en de Conseil des rectrices et recteurs in een dubbel aantal van dat der toe te kennen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 18/1, tweede lid, 8° en 9°, van de gecoördineerde wet, worden benoemd uit de kandidaten voorgedragen door het Verzekeringscomité.
§ 2. De in artikel 190bis van de gecoördineerde wet bedoelde voorzitter van de commissie wordt voorgedragen door de Minister.]1
Art. 46/1. [1 § 1er. Les membres visés à l'article 18/1, alinéa 2, 1° à 5°, de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats proposés par l'institution qu'ils représentent.
Le membre visé à l'article 18/1, alinéa 2, 6°, de la loi coordonnée, est nommé parmi les candidats proposés par le Conseil supérieur de la Santé, tel que visé dans l'arrêté royal du 5 mars 2007 portant création du Conseil supérieur de la Santé.
Les membres visés à l'article 18/1, alinéa 2, 7°, de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats, proposés conjointement par le Conseil interuniversitaire flamand et le Conseil des rectrices et recteurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 18/1, alinéa 2, 8° et 9°, de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats proposés par le Comité de l'assurance.
§ 2. Le président de la Commission visé à l'article 190bis de la loi coordonnée est proposé par le Ministre.]1
Le membre visé à l'article 18/1, alinéa 2, 6°, de la loi coordonnée, est nommé parmi les candidats proposés par le Conseil supérieur de la Santé, tel que visé dans l'arrêté royal du 5 mars 2007 portant création du Conseil supérieur de la Santé.
Les membres visés à l'article 18/1, alinéa 2, 7°, de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats, proposés conjointement par le Conseil interuniversitaire flamand et le Conseil des rectrices et recteurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 18/1, alinéa 2, 8° et 9°, de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats proposés par le Comité de l'assurance.
§ 2. Le président de la Commission visé à l'article 190bis de la loi coordonnée est proposé par le Ministre.]1
Modifications
Art. 46/2. [1 De leden van de Commissie voor gezondheidszorgdoelstellingen en de in artikel 190bis van de gecoördineerde wet bedoelde voorzitter worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat van de uittredende leden en van de voorzitter kan worden hernieuwd.
Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van diens mandaat, geen deel meer uitmaakt van de commissie. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat deze vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van diens groep.]1
Er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van diens mandaat, geen deel meer uitmaakt van de commissie. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat deze vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van diens groep.]1
Art. 46/2. [1 Les membres de la Commission pour les objectifs de soins de santé et le président visé à l'article 190bis de la loi coordonnée sont nommés pour six ans. Le mandat des membres sortants et du président peut être renouvelé.
Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui, avant la date normale d'expiration de son mandat, ne fait plus partie de la Commission. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif de son groupe.]1
Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui, avant la date normale d'expiration de son mandat, ne fait plus partie de la Commission. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif de son groupe.]1
Modifications
Art. 46/3. [1 Wanneer de in artikel 190bis van de gecoördineerde wet bedoelde voorzitter van de commissie niet is aangewezen of verhinderd, wordt het voorzitterschap van de commissie waargenomen door het oudste lid in jaren van de in artikel 18/1, tweede lid, 4° tot en met 7°, van de gecoördineerde wet bedoelde leden.
Het lid dat optreedt als waarnemend voorzitter zoals bedoeld in het eerste lid neemt de stem van de in artikel 190bis van de gecoördineerde wet bedoelde voorzitter niet over.]1
Het lid dat optreedt als waarnemend voorzitter zoals bedoeld in het eerste lid neemt de stem van de in artikel 190bis van de gecoördineerde wet bedoelde voorzitter niet over.]1
Art. 46/3. [1 ésident de la Commission visé à l'article 190bis de la loi coordonnée n'est pas désigné ou est empêché, la présidence de la Commission est assurée par le membre le plus âgé en années des membres visés à l'article 18/1, alinéa 2, 4° à 7°, de la loi coordonnée.
Le membre qui fait fonction de président comme prévu à l'alinéa 1er ne reprend pas la voix du président visé à l'article 190bis de la loi coordonnée.]1
Le membre qui fait fonction de président comme prévu à l'alinéa 1er ne reprend pas la voix du président visé à l'article 190bis de la loi coordonnée.]1
Modifications
Art. 46/4. [1 De commissie wordt in vergadering bijeengeroepen door de voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op verzoek van de Algemene raad, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste vier leden. De bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.]1
Art. 46/4. [1 La Commission est convoquée par le président, soit à son initiative, soit à la demande du Ministre, soit à la demande du Conseil général, soit à la demande du Comité de l'assurance, soit à la demande d'au moins quatre membres. La convocation mentionne dans chaque cas l'objet de la réunion.]1
Modifications
Art. 46/5. [1 De commissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden aanwezig is, en indien ten minste de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de stemgerechtigde leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.]1
De beslissingen worden genomen bij gewone meerderheid van de stemgerechtigde leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.]1
Art. 46/5. [1 La Commission siège valablement si au moins la moitié des membres sont présents et si au moins la moitié des membres ayant droit de vote sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres ayant droit de vote participant au vote sans tenir compte des abstentions. En cas de parité des voix, la proposition est rejetée.]1
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres ayant droit de vote participant au vote sans tenir compte des abstentions. En cas de parité des voix, la proposition est rejetée.]1
Modifications
Art. 46/6. [1 De secretariaatsfunctie van de Commissie, bestaande uit een secretaris en een adjunct-secretaris, worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.]1
Art. 46/6. [1 La fonction de secrétariat de la Commission, composée d'un secrétaire et d'un secrétaire-adjoint, est assurée par des membres du personnel du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire-dirigeant de ce service.]1
Modifications
Afdeling VII. - Technische raden.
Section VII. - Des Conseils techniques.
A. Technische farmaceutische raad.
A. du Conseil technique pharmaceutique.
Art.47. De krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet ingestelde Technische farmaceutische raad is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het apothekerskorps;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;
5° één werkend en één plaatsvervangend lid, doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door representatieve organisaties van (de [1 artsen]1 gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1); (het plaatsvervangend lid is een algemeen geneeskundige indien het effectief lid een [1 arts-specialist]1 is en het plaatsvervangend lid is een [1 arts-specialist]1 indien het werkend lid een algemeen geneeskundige is). <KB 1997-09-23/35, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2008-12-15/36, art. 1, 157; Inwerkingtreding : 01-02-2009>
6° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, aangewezen door de Minister;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het apothekerskorps;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;
5° één werkend en één plaatsvervangend lid, doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door representatieve organisaties van (de [1 artsen]1 gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1); (het plaatsvervangend lid is een algemeen geneeskundige indien het effectief lid een [1 arts-specialist]1 is en het plaatsvervangend lid is een [1 arts-specialist]1 indien het werkend lid een algemeen geneeskundige is). <KB 1997-09-23/35, art. 4, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2008-12-15/36, art. 1, 157; Inwerkingtreding : 01-02-2009>
6° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, aangewezen door de Minister;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, apothekers, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
Modifications
Art.47. Le Conseil technique pharmaceutique institué en vertu de l'article 27 de la loi coordonnée est composé:
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer, chaque organisme assureur ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives du Corps pharmaceutique, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par des organisations représentatives (des médecins choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins), en nombre double de celui des mandats à attribuer (le membre suppléant est un médecin généraliste si le membre effectif est un médecin spécialiste et le membre suppléant est un médecin spécialiste si le membre effectif est un médecin généraliste;) <AR 1997-09-23/35, art. 4, 013; En vigueur : 01-01-1999> <AR 2008-12-15/36, art. 1, 157; En vigueur : 01-02-2009>
6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, désignes par le Ministre;
7° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, désignés par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer, chaque organisme assureur ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives du Corps pharmaceutique, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par des organisations représentatives (des médecins choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins), en nombre double de celui des mandats à attribuer (le membre suppléant est un médecin généraliste si le membre effectif est un médecin spécialiste et le membre suppléant est un médecin spécialiste si le membre effectif est un médecin généraliste;) <AR 1997-09-23/35, art. 4, 013; En vigueur : 01-01-1999> <AR 2008-12-15/36, art. 1, 157; En vigueur : 01-02-2009>
6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, désignes par le Ministre;
7° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, pharmaciens, désignés par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions.
B. Technische raad voor kinesitherapie.
B. Du Conseil technique de la kinésithérapie.
Art.48. De Technische Raad voor kinesitherapie, die is opgericht krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet, is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de kinesitherapeuten; elke beroepsorganisatie draagt daarbij ten minste één werkend lid voor dat de kinesitherapie onderwijst;
4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, gekozen omwille van hun deskundigheid op het vlak van de kinesitherapie;
5° één werkend en één plaatsvervangend lid, kinesitherapeuten, doctors in de geneeskunde of artsen, aangewezen door de Minister;
6° eén werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
1° de voorzitter;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de kinesitherapeuten; elke beroepsorganisatie draagt daarbij ten minste één werkend lid voor dat de kinesitherapie onderwijst;
4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, kinesitherapeuten, gekozen omwille van hun deskundigheid op het vlak van de kinesitherapie;
5° één werkend en één plaatsvervangend lid, kinesitherapeuten, doctors in de geneeskunde of artsen, aangewezen door de Minister;
6° eén werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
Art.48. Le Conseil technique de la kinésithérapie, institué en vertu de l'article 27 de la loi coordonnée, est composé:
1° du président;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, de kinésithérapeutes ou docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, kinésithérapeutes, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des kinésithérapeutes en nombre double de celui des mandats à attribuer; chaque organisation présente au moins un membre effectif enseignant la kinésithérapie;
4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, kinésithérapeutes, choisis en raison de leur compétence dans le domaine de la kinésithérapie;
5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, kinésithérapeutes ou docteurs en médecine, désignés par le Ministre;
6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
1° du président;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, de kinésithérapeutes ou docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, kinésithérapeutes, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des kinésithérapeutes en nombre double de celui des mandats à attribuer; chaque organisation présente au moins un membre effectif enseignant la kinésithérapie;
4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, kinésithérapeutes, choisis en raison de leur compétence dans le domaine de la kinésithérapie;
5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, kinésithérapeutes ou docteurs en médecine, désignés par le Ministre;
6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
C. Technische raad voor ziekenhuisverpleging.
C. Du Conseil technique de l'hospitalisation.
Art.49. De krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet ingestelde Technische raad voor ziekenhuisverpleging is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verpleeginrichtingen; ten minste één van die kandidaten moet een universitair ziekenhuis vertegenwoordigen;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;
5° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
6° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
1° de voorzitter;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve verenigingen van de verpleeginrichtingen; ten minste één van die kandidaten moet een universitair ziekenhuis vertegenwoordigen;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers;
5° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
6° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
Art.49. Le Conseil technique de l'hospitalisation institué en vertu de l'article 27 de la loi coordonnée est composé:
1° du président;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations hospitalières représentatives, en nombre double de celui des mandats à attribuer, un au moins de ces candidats devant assurer la représentation d'un hôpital universitaire;
4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parme les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers;
5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
1° du président;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations hospitalières représentatives, en nombre double de celui des mandats à attribuer, un au moins de ces candidats devant assurer la représentation d'un hôpital universitaire;
4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parme les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers;
5° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
6° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
D. Technische Raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen.
D. Conseil technique des moyens diagnostiques et du matériel de soins.
Art.50. <KB 2002-10-24/47, art. 1, 081; Inwerkingtreding : 01-12-2002> § 1. De krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet ingestelde Technische Raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen is samengesteld uit :
1° de voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter;
2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectievelijke ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten; elke universiteit draagt vier kandidaten voor; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
(4° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, apothekers, waarvan twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van het apothekerskorps op een dubbele lijst en twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;) <KB 2003-07-11/56, art. 1, 096; Inwerkingtreding : 20-08-2003>
5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1;
6° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van verpleegkundigen;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
8° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
9° een vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de dienst voor geneeskundige controle, aangewezen door de leidend ambtenaar van de genoemde dienst.
§ 2. De onder § 1, 7°, 8° en 9° vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
1° de voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter;
2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectievelijke ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten; elke universiteit draagt vier kandidaten voor; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
(4° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, apothekers, waarvan twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van het apothekerskorps op een dubbele lijst en twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;) <KB 2003-07-11/56, art. 1, 096; Inwerkingtreding : 20-08-2003>
5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1;
6° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van verpleegkundigen;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
8° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
9° een vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de dienst voor geneeskundige controle, aangewezen door de leidend ambtenaar van de genoemde dienst.
§ 2. De onder § 1, 7°, 8° en 9° vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
Modifications
Art.50. <AR 2002-10-24/47, art. 1, 081; En vigueur : 01-12-2002> § 1er. Le Conseil technique des moyens diagnostiques et du matériel de soins, instauré en vertu de l'article 27 de la loi coordonnée, est composé :
1° du président et d'un président suppléant;
2° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, médecins ou pharmaciens, choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une double liste; afin d'arrêter la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte du nombre de leurs adhérents respectifs; tout organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique; chaque université a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
(4° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, pharmaciens, dont deux choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des pharmaciens sur une double liste et deux choisi parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers sur une double liste;) <AR 2003-07-11/56, art. 1, 096; En vigueur : 20-08-2003>
5° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, médecins, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des médecins sur une double liste;
6° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier sur une double liste;
7° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions;
8° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions;
9° d'un représentant du Service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. La fonction est endossée par un membre du personnel du Service du contrôle médical, désigné par le fonctionnaire dirigeant de ce Service.
§ 2. Les membres visés au § 1er, 7°, 8° et 9° n'ont pas de droit de vote.
1° du président et d'un président suppléant;
2° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, médecins ou pharmaciens, choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une double liste; afin d'arrêter la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte du nombre de leurs adhérents respectifs; tout organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique; chaque université a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
(4° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, pharmaciens, dont deux choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des pharmaciens sur une double liste et deux choisi parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers sur une double liste;) <AR 2003-07-11/56, art. 1, 096; En vigueur : 20-08-2003>
5° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, médecins, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des médecins sur une double liste;
6° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier sur une double liste;
7° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions;
8° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions;
9° d'un représentant du Service du contrôle médical de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. La fonction est endossée par un membre du personnel du Service du contrôle médical, désigné par le fonctionnaire dirigeant de ce Service.
§ 2. Les membres visés au § 1er, 7°, 8° et 9° n'ont pas de droit de vote.
E.
E.
(F. De Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen.)
(F. Du conseil technique des bandages, des orthèses et prothèses.)
Art. 51bis. <INGEVOEGD bij KB 1997-03-19/32, art. 1, Inwerkingtreding : 18-04-1997> § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging en de Overeenkomstencommissies bandagisten - verzekeringsinstellingen eensdeels en orthopedisten - verzekeringsinstellingen anderdeels, wordt een Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen ingesteld, die is samengesteld uit :
1° de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van bandagisten, orthopedisten en orthesisten-schoentechnici, waarvan minstens één werkend en één plaatsvervangend lid werkzaam als officina-apotheker en één werkend en één plaatsvervangend lid werkzaam als ziekenhuisapotheker;
4° vier werkende en vier plaatsvervangende leden die een bijzondere bevoegdheid hebben inzake technologie en vervaardiging van de produkten, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen;
5° vier werkende en vier plaatsvervangende leden die een bijzondere bevoegdheid hebben inzake technologie en vervaardiging van de produkten, gekozen uit de kandidaten die door de onder 3° bedoelde beroepsverenigingen worden voorgedragen;
6° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, bevoegd voor het voorschrijven van de verstrekkingen bedoeld in de artikelen 27, 28, § 8, en 29 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsverenigingen van de [1 artsen]1 worden voorgedragen;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Zaken;
8° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
9° één afgevaardigde van de Minister van Economische Zaken;
10° één afgevaardigde van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
§ 2. De onder § 1, 7° tot 10°, vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
1° de voorzitter en de plaatsvervangende voorzitter;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van bandagisten, orthopedisten en orthesisten-schoentechnici, waarvan minstens één werkend en één plaatsvervangend lid werkzaam als officina-apotheker en één werkend en één plaatsvervangend lid werkzaam als ziekenhuisapotheker;
4° vier werkende en vier plaatsvervangende leden die een bijzondere bevoegdheid hebben inzake technologie en vervaardiging van de produkten, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen;
5° vier werkende en vier plaatsvervangende leden die een bijzondere bevoegdheid hebben inzake technologie en vervaardiging van de produkten, gekozen uit de kandidaten die door de onder 3° bedoelde beroepsverenigingen worden voorgedragen;
6° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, bevoegd voor het voorschrijven van de verstrekkingen bedoeld in de artikelen 27, 28, § 8, en 29 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsverenigingen van de [1 artsen]1 worden voorgedragen;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister van Sociale Zaken;
8° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
9° één afgevaardigde van de Minister van Economische Zaken;
10° één afgevaardigde van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
§ 2. De onder § 1, 7° tot 10°, vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
Modifications
Art. 51bis. § 1er. Il est institué auprès du Service des soins de santé et des Commissions de conventions entre les organismes assureurs et les bandagistes d'une part, et les organismes assureurs et les orthopédistes d'autre part, un Conseil technique des bandages, des orthèses et prothèses composé :
1° du président et du président suppléant;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer, pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles de bandagistes, orthopédistes et d'orthésistes-techniciens chausseurs représentatives, en nombre double de celui des mandats à attribuer, dont au moins un membre effectif et un membre suppléant travaillant comme pharmacien d'officine, ainsi qu'un membre effectif et un membre suppléant travaillant comme pharmacien hospitalier;
4° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, possédant une compétence spéciale en matière de technologie et de confection des produits, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs;
5° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants possédant une compétence spéciale en matière de technologie et de confection des produits, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles visées sous le 3°;
6° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, compétents pour la prescription des prestations visées aux articles 27, 28, § 8, et 29 de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives du Corps médical;
7° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre des Affaires sociales;
8° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions;
9° d'un délégué du Ministre des Affaires économiques;
10° d'un délégué du Ministre de l'Emploi et du Travail.
§ 2. Les membres repris sous le § 1er, 7° à 10° n'ont pas voix délibérative.
1° du président et du président suppléant;
2° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer, pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles de bandagistes, orthopédistes et d'orthésistes-techniciens chausseurs représentatives, en nombre double de celui des mandats à attribuer, dont au moins un membre effectif et un membre suppléant travaillant comme pharmacien d'officine, ainsi qu'un membre effectif et un membre suppléant travaillant comme pharmacien hospitalier;
4° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, possédant une compétence spéciale en matière de technologie et de confection des produits, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs;
5° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants possédant une compétence spéciale en matière de technologie et de confection des produits, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles visées sous le 3°;
6° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, compétents pour la prescription des prestations visées aux articles 27, 28, § 8, et 29 de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives du Corps médical;
7° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre des Affaires sociales;
8° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la Santé publique dans ses attributions;
9° d'un délégué du Ministre des Affaires économiques;
10° d'un délégué du Ministre de l'Emploi et du Travail.
§ 2. Les membres repris sous le § 1er, 7° à 10° n'ont pas voix délibérative.
G. Technische raad voor rolstoelen.
G. Du Conseil technique des voiturettes.
Art. 51ter. <INGEVOEGD bij KB 2003-12-22/38, art. 1; Inwerkingtreding : 30-12-2003> § 1. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Technische raad voor rolstoelen ingesteld, die is samengesteld uit :
1° de voorzitter;
2° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaamheid hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, door de Minister gekozen onder de kandidaten met een academisch mandaat in een Belgische universiteit, die lesgeven in een school waar een hogeschoolopleiding tot gegradueerde in orthopedie wordt gegeven of die een functie uitoefenen in een inrichting voor revalidatie en herscholing;
3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaming hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
4° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van bandagisten;
5° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, bevoegd voor het voorschrijven van de verstrekkingen bedoeld in artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van de [1 artsen]1;
6° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaming hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, aangewezen door " l'Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées ", de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ", het Vlaams fonds voor sociale integratie van personen met een handicap en de " Service bruxellois francophone des personnes handicapées "; elk fonds heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
7° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van de industrie;
8° twee werkende en twee plaatsvervangende leden aangewezen door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.
§ 2. De onder § 1, 7° en 8°, vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
1° de voorzitter;
2° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaamheid hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, door de Minister gekozen onder de kandidaten met een academisch mandaat in een Belgische universiteit, die lesgeven in een school waar een hogeschoolopleiding tot gegradueerde in orthopedie wordt gegeven of die een functie uitoefenen in een inrichting voor revalidatie en herscholing;
3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaming hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, aangewezen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
4° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van bandagisten;
5° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, bevoegd voor het voorschrijven van de verstrekkingen bedoeld in artikel 28, § 8, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van de [1 artsen]1;
6° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, die een bijzondere bekwaming hebben inzake technologie en vervaardiging van producten, aangewezen door " l'Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées ", de " Dienststelle für Personen mit Behinderung ", het Vlaams fonds voor sociale integratie van personen met een handicap en de " Service bruxellois francophone des personnes handicapées "; elk fonds heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
7° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, aangewezen door de representatieve beroepsverenigingen van de industrie;
8° twee werkende en twee plaatsvervangende leden aangewezen door de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap.
§ 2. De onder § 1, 7° en 8°, vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
Modifications
Art. 51ter. § 1er. Il est institué auprès du Service des soins de santé un Conseil technique des voiturettes composé :
1° du président;
2° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, possédant une compétence particulière en matière de technologie et de confection des produits, choisis par le Ministre parmi les candidats disposant d'un mandat académique dans une université belge, enseignant dans une école dispensant un enseignement supérieur de gradué en orthopédie ou exerçant une fonction dans un établissement de rééducation fonctionnelle et de réadaptation professionnelle;
3° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, possédant une compétence particulière en matière de technologie et de confection des produits, désignés par les organismes assureurs; chaque organisme assureur a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
4° de sept membres effectifs et sept de membres suppléants, désignés par les associations professionnelles représentatives des bandagistes;
5° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, compétents pour la prescription des prestations visées à l'article 28, § 8, de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, désignés par les associations professionnelles représentatives du corps médical;
6° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, possédant une compétence particulière en matière de technologie et de confection des produits, désignés par l'Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées, le " Dienststelle für Personen mit Behinderung ", le " Vlaams fonds voor sociale integratie van personen met een handicap " et le Service bruxellois francophone des personnes handicapées; chaque fonds a droit à un mandat de membre effectif et à un mandant de membre suppléant;
7° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, désignés par les associations professionnelles représentatives de l'industrie;
8° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, désignés par le Conseil supérieur national des personnes handicapées.
§ 2. Les membres repris sous le § 1er, 7° et 8° n'ont pas voix délibérative.
1° du président;
2° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, possédant une compétence particulière en matière de technologie et de confection des produits, choisis par le Ministre parmi les candidats disposant d'un mandat académique dans une université belge, enseignant dans une école dispensant un enseignement supérieur de gradué en orthopédie ou exerçant une fonction dans un établissement de rééducation fonctionnelle et de réadaptation professionnelle;
3° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, possédant une compétence particulière en matière de technologie et de confection des produits, désignés par les organismes assureurs; chaque organisme assureur a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
4° de sept membres effectifs et sept de membres suppléants, désignés par les associations professionnelles représentatives des bandagistes;
5° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, compétents pour la prescription des prestations visées à l'article 28, § 8, de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, désignés par les associations professionnelles représentatives du corps médical;
6° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, possédant une compétence particulière en matière de technologie et de confection des produits, désignés par l'Agence wallonne pour l'intégration des personnes handicapées, le " Dienststelle für Personen mit Behinderung ", le " Vlaams fonds voor sociale integratie van personen met een handicap " et le Service bruxellois francophone des personnes handicapées; chaque fonds a droit à un mandat de membre effectif et à un mandant de membre suppléant;
7° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, désignés par les associations professionnelles représentatives de l'industrie;
8° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, désignés par le Conseil supérieur national des personnes handicapées.
§ 2. Les membres repris sous le § 1er, 7° et 8° n'ont pas voix délibérative.
H. Technische Raad voor radio-isotopen
H. Conseil technique des radio-isotopes
Art. 51quater. <INGEVOEGD bij KB 2006-12-28/56, art. 1; Inwerkingtreding : 01-02-2007> § 1. De krachtens artikel 27 van de gecoördineerde wet ingestelde Technische Raad voor radio-isotopen is samengesteld uit :
1° de voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter;
2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2 in de radiotherapie, [2 artsen-specialisten]2 in de nucleaire geneeskunde of ziekenhuisapothekers erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 47 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de faculteiten geneeskunde van de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid. Minstens één van deze vertegenwoordigers moet een ziekenhuisapotheker zijn;
4° (zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de [2 artsen]2;) <KB 2008-07-10/31, art. 1, 152; Inwerkingtreding : 01-08-2008>
5° (opgeheven) <KB 2008-07-10/31, art. 1, 152; Inwerkingtreding : 01-08-2008>
6° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van ziekenhuisapothekers;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
8° één werkend en één plaatsvervangend lid die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de Nationale confederatie van ziekenhuizen;
9° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
10° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
11° één vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, aangewezen door de leidend ambtenaar van de genoemde Dienst;
[1 12° één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister bevoegd voor Begroting;
13° één werkend en één plaatsvervangend lid die worden aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid binnen het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, opgericht bij de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.]1
§ 2. De onder § 1, 7°, 8°, 9°, 10° [1 11°, 12° en 13°]1 vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
1° de voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter;
2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, artsen of apothekers, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2 in de radiotherapie, [2 artsen-specialisten]2 in de nucleaire geneeskunde of ziekenhuisapothekers erkend overeenkomstig de bepalingen van artikel 47 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de faculteiten geneeskunde van de Belgische universiteiten; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid. Minstens één van deze vertegenwoordigers moet een ziekenhuisapotheker zijn;
4° (zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de [2 artsen]2;) <KB 2008-07-10/31, art. 1, 152; Inwerkingtreding : 01-08-2008>
5° (opgeheven) <KB 2008-07-10/31, art. 1, 152; Inwerkingtreding : 01-08-2008>
6° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van ziekenhuisapothekers;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, gekozen uit de kandidaten van wie er dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten zijn, worden voorgedragen door het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle;
8° één werkend en één plaatsvervangend lid die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de Nationale confederatie van ziekenhuizen;
9° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
10° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
11° één vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, aangewezen door de leidend ambtenaar van de genoemde Dienst;
[1 12° één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister bevoegd voor Begroting;
13° één werkend en één plaatsvervangend lid die worden aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid binnen het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, opgericht bij de wet van 20 juli 2006 betreffende de oprichting en de werking van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten.]1
§ 2. De onder § 1, 7°, 8°, 9°, 10° [1 11°, 12° en 13°]1 vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
Art. 51quater. § 1er. Le Conseil technique des radio-isotopes, institue en vertu de l'article 27 de la loi coordonnée, est composé :
1° du président et d'un président suppléant;
2° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, médecins ou pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer, chaque organisme assureur ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, médecins-spécialiste en radiothérapie ou médecins-spécialiste en médecine nucléaire ou pharmaciens hospitaliers reconnus conforme aux dispositions de l'article 47 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités belges, en nombre double de celui des mandats à attribuer, chaque université ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant. Au moins un de ces représentants doit être un pharmacien hospitalier;
4° (de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double des mandats à attribuer;) <AR 2008-07-10/31, art. 1, 152; En vigueur : 01-08-2008>
5° (abrogé) <AR 2008-07-10/31, art. 1, 152; En vigueur : 01-08-2008>
6° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers, en nombre double des mandats à attribuer;
7° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, choisis parmi les candidats présentés par l'Agence Nationale de Contrôle Nucléaire, en nombre double des mandats à attribuer;
8° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, présentés par la Confédération nationale des établissements hospitaliers, en nombre double des mandats à attribuer;
9° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions;
10° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions;
11° d'un représentant du Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance soins de santé et indemnités. La fonction est endossé par un membre du personnel du Service d'évaluation et de contrôle médicaux, désigné par le fonctionnaire dirigeant de ce Service;
[1 12° un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre qui a le Budget dans ses attributions;
13° un membre effectif et un membre suppléant désignés par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions au sein de l'Agence Fédérale des Médicaments et des Produits de Santé, créée par la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé;]1
§ 2. Les membres visés au § 1er, 7°, 8°, 9°, 10° [1 11°, 12° et 13°]1 n'ont pas voix délibérative.
1° du président et d'un président suppléant;
2° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, médecins ou pharmaciens, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer, chaque organisme assureur ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, médecins-spécialiste en radiothérapie ou médecins-spécialiste en médecine nucléaire ou pharmaciens hospitaliers reconnus conforme aux dispositions de l'article 47 de l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités belges, en nombre double de celui des mandats à attribuer, chaque université ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant. Au moins un de ces représentants doit être un pharmacien hospitalier;
4° (de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double des mandats à attribuer;) <AR 2008-07-10/31, art. 1, 152; En vigueur : 01-08-2008>
5° (abrogé) <AR 2008-07-10/31, art. 1, 152; En vigueur : 01-08-2008>
6° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers, en nombre double des mandats à attribuer;
7° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, choisis parmi les candidats présentés par l'Agence Nationale de Contrôle Nucléaire, en nombre double des mandats à attribuer;
8° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, présentés par la Confédération nationale des établissements hospitaliers, en nombre double des mandats à attribuer;
9° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions;
10° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions;
11° d'un représentant du Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut national d'assurance soins de santé et indemnités. La fonction est endossé par un membre du personnel du Service d'évaluation et de contrôle médicaux, désigné par le fonctionnaire dirigeant de ce Service;
[1 12° un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre qui a le Budget dans ses attributions;
13° un membre effectif et un membre suppléant désignés par le ministre qui a la Santé publique dans ses attributions au sein de l'Agence Fédérale des Médicaments et des Produits de Santé, créée par la loi du 20 juillet 2006 relative à la création et au fonctionnement de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé;]1
§ 2. Les membres visés au § 1er, 7°, 8°, 9°, 10° [1 11°, 12° et 13°]1 n'ont pas voix délibérative.
Modifications
(I. Gemene bepalingen ter zake van de Technische farmaceutische raad, de Technische raad voor kinesitherapie, de Technische raad voor ziekenhuisverpleging, de Technische raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen, [1 ...]1, de Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen, de Technische raad voor rolstoelen en de Technische Raad voor radio-isotopen.)
(I. Dispositions communes au Conseil technique pharmaceutique, au Conseil technique de la kinésithérapie, au Conseil technique de l'hospitalisation, au Conseil technique des moyens diagnostiques et du matériel de soins, au Conseil technique des implants, [1 ...]1, des orthèses et prothèses, au Conseil technique des voiturettes et au Conseil technique des radio-isotopes)
Art.52. <KB 2002-12-10/32, art. 6, 084; Inwerkingtreding : 01-12-2002> De leden van de bij de Dienst voor geneeskundige verzorging ingestelde technische raden worden benoemd voor een termijn van zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden hernieuwd.
Nochtans worden, in afwijking van de bepalingen van het eerste lid, de leden van de Technisch farmaceutische raad, de Technische raad voor kinesitherapie, de Technische raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen en de Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen, benoemd voor een termijn van vier jaar.
Het mandaat van de uittredende leden is hernieuwbaar. Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Nochtans worden, in afwijking van de bepalingen van het eerste lid, de leden van de Technisch farmaceutische raad, de Technische raad voor kinesitherapie, de Technische raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen en de Technische raad voor bandagen, orthesen en prothesen, benoemd voor een termijn van vier jaar.
Het mandaat van de uittredende leden is hernieuwbaar. Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art.52. <AR 2002-12-10/32, art. 6, 084; En vigueur : 01-12-2002> Les membres des conseils techniques institués auprès du Service des soins de santé sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat est renouvelable pour moitié tous les trois ans.
Cependant, par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, les membres du conseil technique pharmaceutique, du conseil technique de la kinésithérapie, du conseil technique des moyens diagnostiques et du matériel de soins et du conseil technique des bandages, des orthèses et prothèses sont nommés pour un terme de quatre ans.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé. Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Cependant, par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, les membres du conseil technique pharmaceutique, du conseil technique de la kinésithérapie, du conseil technique des moyens diagnostiques et du matériel de soins et du conseil technique des bandages, des orthèses et prothèses sont nommés pour un terme de quatre ans.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé. Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Art.53. Een plaatsvervangend lid heeft alleen zitting bij afwezigheid van een werkend lid. Het kan nochtans zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen om redenen van deskundigheid Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen decor een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt aangewezen op voordracht van het Verzekeringscomité. De plaatsvervangend voorzitter mag altijd de vergaderingen bijwonen waarin de voorzitter zitting heeft.
Art.53. Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif. Il peut toutefois assister sans vois délibérative aux séances pour y apporter ses compétences. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un président suppléant, désigné par le Roi, sur proposition du Comité de l'assurance. Le présidant suppléant peut toujours assister aux séances dans lesquelles siège le président.
Art.54. De voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters hebben geen stemrecht, alleen de leden van de technische raden zijn stemgerechtigd behoudens zij die door de Ministers die de Sociale voorzorg respectief de Volksgezondheid onder hun bevoegdheid hebben, zijn aangewezen. (...). <KB 2001-12-21/33, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art.54. Les présidents et présidents suppléants n'ont pas droit de vote; seuls les membres des conseils techniques ont vois délibérative, à l'exception de ceux désignés respectivement par le Ministre qui a les affaires sociales et le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions. (...). <AR 2001-12-21/33, art. 3, 070; En vigueur : 01-01-2002>
Art.55. De technische raden houden deugdelijk zitting indien ten minste de helft van hun leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Wanneer een probleem met de nomenclatuur op initiatief van de beroepsorganisaties onderzocht is, moet de uitslag van de daarover uitgebrachte stemming medegedeeld worden aan het Verzekeringscomité, welk ook die uitslag zij, en die mededeling moet het oorspronkelijke voorstel van de beroepsorganisaties vermelden.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Wanneer een probleem met de nomenclatuur op initiatief van de beroepsorganisaties onderzocht is, moet de uitslag van de daarover uitgebrachte stemming medegedeeld worden aan het Verzekeringscomité, welk ook die uitslag zij, en die mededeling moet het oorspronkelijke voorstel van de beroepsorganisaties vermelden.
Art.55. Le siège des conseils techniques est valablement constitué si au moins la moitié de leurs membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de vois la proposition est rejetée.
Lorsqu'un problème de nomenclature a été examiné à l'initiative des organisations professionnelles, le résultat du vote intervenu doit être communiqué au Comité de l'assurance quel que soit ce résultat, et cette communication doit faire menton de la proposition initiale des organisations professionnelles.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de vois la proposition est rejetée.
Lorsqu'un problème de nomenclature a été examiné à l'initiative des organisations professionnelles, le résultat du vote intervenu doit être communiqué au Comité de l'assurance quel que soit ce résultat, et cette communication doit faire menton de la proposition initiale des organisations professionnelles.
Art.56. De voorstellen of adviezen van de technische raden worden door de voorzitter medegedeeld aan de overeenkomstige akkoorden of overeenkomstencommissie.
Art.56. Les propositions ou avis des conseils techniques sont communiqués par leur président à la commission de conventions ou d'accords correspondante.
Art.57. De technische raden worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.57. Les conseils techniques se réunissent sur convocation de leur président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de l'assurance, soit à la demande de trois membres au moins formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.58. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de technische raden worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
Art.58. Les fonctions de secrétaire, et de secrétaire-adjoint des conseils techniques sont assumées par des agents du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
Art.59. Elk van die technische raden maakt zijn huishoudelijk reglement op dat de Koning ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Art.59. Chacun de ces conseils techniques établit son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Roi.
Afdeling VIII. - Technische geneeskundige en tandheelkundige raden.
Section VIII. - Des conseils techniques médical et dentaire.
A. Technische geneeskundige raad.
A. Du Conseil technique médical.
Art.60. De Technische geneeskundige raad is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten voorgedragen worden; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° elf werkende en elf plaatsvervangende leden, (waarvan zeven [1 artsen-specialisten]1 en vier algemeen geneeskundigen) gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
4° negen werkende en negen plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, doctor in de geneeskunde of arts, lid van het Verzekeringscomité, die door de Koning wordt benoemd op voordracht van de Technische geneeskundige raad.
1° de voorzitter;
2° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten voorgedragen worden; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° elf werkende en elf plaatsvervangende leden, (waarvan zeven [1 artsen-specialisten]1 en vier algemeen geneeskundigen) gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsorganisaties van het [1 artsenkorps]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 6, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
4° negen werkende en negen plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, doctor in de geneeskunde of arts, lid van het Verzekeringscomité, die door de Koning wordt benoemd op voordracht van de Technische geneeskundige raad.
Modifications
Art.60. Le Conseil technique médical est composé:
1° du président:
2° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique, chaque université ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de onze membres effectifs et de onze membres suppléants, (dont sept médecins spécialistes et quatre médecins généralistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives du corps médical; <AR 1997-09-23/35, art. 6, 013; En vigueur : 01-01-1999>
4° de neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
En cas d'empêchement du président, celui-ci est remplacé par un président suppléant, docteur en médecine, membre du Comité de l'assurance, nommé par le Roi sur proposition du Conseil technique médical.
1° du président:
2° de sept membres effectifs et de sept membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique, chaque université ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de onze membres effectifs et de onze membres suppléants, (dont sept médecins spécialistes et quatre médecins généralistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives du corps médical; <AR 1997-09-23/35, art. 6, 013; En vigueur : 01-01-1999>
4° de neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
En cas d'empêchement du président, celui-ci est remplacé par un président suppléant, docteur en médecine, membre du Comité de l'assurance, nommé par le Roi sur proposition du Conseil technique médical.
B. Technische tandheelkundige raad.
B. Du Conseil technique dentaire.
Art.61. De Technische tandheelkundige raad is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten voorgedragen worden; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen voorgedragen worden;
4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, tandheelkundige, lid van het Verzekeringscomité, die door de Koning wordt benoemd op voordracht van de Technische tandheelkundige raad.
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de faculteiten der geneeskunde van de Belgische universiteiten voorgedragen worden; elke universiteit heeft recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° tien werkende en tien plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen voorgedragen worden;
4° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden, om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter, tandheelkundige, lid van het Verzekeringscomité, die door de Koning wordt benoemd op voordracht van de Technische tandheelkundige raad.
Art.61. Le Conseil technique dentaire est composé:
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique, chaque université ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins, à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
En cas d'empêchement du président, celui-ci est remplacé par un président suppléant, praticien de l'art dentaire, membre du Comité de l'assurance, nommé par le Roi sur proposition du Conseil technique dentaire.
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les facultés de médecine des universités de Belgique, chaque université ayant droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
3° de dix membres effectifs et de dix membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
4° de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins, à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
En cas d'empêchement du président, celui-ci est remplacé par un président suppléant, praticien de l'art dentaire, membre du Comité de l'assurance, nommé par le Roi sur proposition du Conseil technique dentaire.
C. Gemene bepalingen ter zake van de Technische geneeskundige en tandheelkundige raden.
C. Dispositions communes aux conseils techniques médical et dentaire.
Art.62. <KB 2002-12-10/32, art. 7, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002> De leden van de Technische geneeskundige en tandheelkundige raden worden benoemd voor vier jaar.
Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art.62. <AR 2002-12-10/32, art. 7, 084; En vigueur : 24-12-2002> Les membres des conseils techniques médical et dentaire sont nommés pour un terme de quatre ans.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.
Art.63. De Technische geneeskundige en tandheelkundige raden worden in vergadering bijeengeroepen door hun voorzitter, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.63. Les conseils techniques médical et dentaire se réunissent sur convocation de leur président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de l'assurance, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Afdeling IX. - Profielencommissies.
Section IX. - Des commissions de profils.
Art.64. Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden profielencommissies ingesteld voor:
1° de verstrekkingen van de kinesitherapeuten;
2° de verstrekkingen van de verpleegkundigen;
3° de verstrekkingen van de tandheelkundigen;
4° de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen;
5° de verstrekkingen en de voorschriften van de [1 artsen-specialisten]1, andere dan die bedoeld onder 6°;
6° de verstrekkingen van de [1 artsen]1, specialist voor klinische biologie, voor nucleaire geneeskunde of voor pathologische anatomie de apothekers-biologen en de licentiaten in de wetenschappen die door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten;
7° de verstrekkingen die in een ziekenhuis worden verricht en de verpleegdagen.
1° de verstrekkingen van de kinesitherapeuten;
2° de verstrekkingen van de verpleegkundigen;
3° de verstrekkingen van de tandheelkundigen;
4° de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen;
5° de verstrekkingen en de voorschriften van de [1 artsen-specialisten]1, andere dan die bedoeld onder 6°;
6° de verstrekkingen van de [1 artsen]1, specialist voor klinische biologie, voor nucleaire geneeskunde of voor pathologische anatomie de apothekers-biologen en de licentiaten in de wetenschappen die door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten;
7° de verstrekkingen die in een ziekenhuis worden verricht en de verpleegdagen.
Modifications
Art.64. Il est institué auprès du Service des soins de santé des commissions de profils pour:
1° les prestations des kinésithérapeutes;
2° les prestations des praticiens de l'art infirmier;
3° les prestations des praticiens de l'art dentaire;
4° les prestations et les prescriptions des médecins de médecine générale;
5° les prestations et les prescriptions des médecins spécialistes, autres que ceux visés sous 6°;
6° les prestations des médecins spécialistes en biologie clinique, médecine nucléaire ou anatomie-pathologie, des pharmaciensbiologistes et des licenciés en sciences agréés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions pour effectuer des prestations de biologie clinique;
7° les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et les journées d'entretien.
1° les prestations des kinésithérapeutes;
2° les prestations des praticiens de l'art infirmier;
3° les prestations des praticiens de l'art dentaire;
4° les prestations et les prescriptions des médecins de médecine générale;
5° les prestations et les prescriptions des médecins spécialistes, autres que ceux visés sous 6°;
6° les prestations des médecins spécialistes en biologie clinique, médecine nucléaire ou anatomie-pathologie, des pharmaciensbiologistes et des licenciés en sciences agréés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions pour effectuer des prestations de biologie clinique;
7° les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et les journées d'entretien.
Art.65. § 1. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de kinesitherapeuten is samengesteld uit:
1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de kinesitherapeuten voorgedragen worden;
2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden (waarvan één algemeen geneeskundige en één [1 arts-specialist]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee kinesitherapeuten zijn.
§ 2. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de verpleegkundigen is samengesteld uit:
1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de verpleegkundigen voorgedragen worden;
2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, (waarvan één algemeen geneeskundige en één [1 arts-specialist]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat Der toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisatie, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee verpleegkundigen zijn.
§ 3. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de tandheelkundigen is samengesteld uit:
1° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen voorgedragen worden;
2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisatie voorgedragen worden.
Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten tandheelkundigen zijn.
§ 4. De Profielencommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen is samengesteld uit:
1° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, (algemeen geneeskundigen) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten [1 artsen]1 zijn.
§ 5. De Profielencommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de [1 artsen-specialisten]1, andere dan die bedoeld onder § 6, is samengesteld uit:
1° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, ([1 artsen-specialisten]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstelling voorgedragen worden;
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden;
Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten [1 artsen]1 zijn.
§ 6. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de [1 artsen]1, specialist voor klinische biologie, voor nucleaire geneeskunde of voor pathologische anatomie, de apothekers-biologen en de licentiaten in de wetenschappen die door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten, is samengesteld uit:
1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de apothekersbiologen voorgedragen worden;
2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, ([1 artsen-specialistenten]1 die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee apothekers-biologen zijn.
§ 7. De Profielencommissie voor de verstrekkingen die in een ziekenhuis worden verricht en de verpleegdagen is samengesteld uit:
1° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve verenigingen van de ziekenhuizen voorgedragen worden;
2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, [1 artsen-specialisten]1 gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
Indien een probleem in verband met de paramedici besproken wordt in deze profielencommissie, kan de voorzitter te allen tijde beroep doen op de vertegenwoordiger van de betrokken discipline die zitting heeft in het Verzekeringscomité.
1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de kinesitherapeuten voorgedragen worden;
2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden (waarvan één algemeen geneeskundige en één [1 arts-specialist]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee kinesitherapeuten zijn.
§ 2. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de verpleegkundigen is samengesteld uit:
1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de verpleegkundigen voorgedragen worden;
2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, (waarvan één algemeen geneeskundige en één [1 arts-specialist]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat Der toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisatie, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee verpleegkundigen zijn.
§ 3. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de tandheelkundigen is samengesteld uit:
1° vier werkende en vier plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de tandheelkundigen voorgedragen worden;
2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisatie voorgedragen worden.
Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten tandheelkundigen zijn.
§ 4. De Profielencommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de algemeen geneeskundigen is samengesteld uit:
1° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, (algemeen geneeskundigen) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten [1 artsen]1 zijn.
§ 5. De Profielencommissie voor de verstrekkingen en de voorschriften van de [1 artsen-specialisten]1, andere dan die bedoeld onder § 6, is samengesteld uit:
1° vijf werkende en vijf plaatsvervangende leden, ([1 artsen-specialisten]1) gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstelling voorgedragen worden;
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden;
Alle werkende en plaatsvervangende leden moeten [1 artsen]1 zijn.
§ 6. De Profielencommissie voor de verstrekkingen van de [1 artsen]1, specialist voor klinische biologie, voor nucleaire geneeskunde of voor pathologische anatomie, de apothekers-biologen en de licentiaten in de wetenschappen die door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft zijn erkend om verstrekkingen inzake klinische biologie te verrichten, is samengesteld uit:
1° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de apothekersbiologen voorgedragen worden;
2° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, ([1 artsen-specialistenten]1 die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
De vier werkende en de vier plaatsvervangende leden, vermeld onder 3° en 4°, moeten, respectievelijk, twee [1 artsen]1 en twee apothekers-biologen zijn.
§ 7. De Profielencommissie voor de verstrekkingen die in een ziekenhuis worden verricht en de verpleegdagen is samengesteld uit:
1° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten door de representatieve verenigingen van de ziekenhuizen voorgedragen worden;
2° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, [1 artsen-specialisten]1 gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve beroepsorganisaties van de [1 artsen]1 voorgedragen worden; <KB 1997-09-23/35, art. 7, 013; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen voorgedragen worden;
4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, door de representatieve werkgeversorganisaties, de representatieve organisaties van de zelfstandigen en de representatieve werknemersorganisaties voorgedragen worden.
Indien een probleem in verband met de paramedici besproken wordt in deze profielencommissie, kan de voorzitter te allen tijde beroep doen op de vertegenwoordiger van de betrokken discipline die zitting heeft in het Verzekeringscomité.
Modifications
Art.65. § 1er. La commission de profils des prestations des kinésithérapeutes est composée:
1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des kinésithérapeutes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, (dont un médecin généraliste et un médecin spécialiste) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux kinésithérapeutes.
§ 2. La commission de profils des prestations des praticiens de l'art infirmier est composée:
1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, (dont un médecin généraliste et un médecin spécialiste) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentes par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux praticiens de l'art infirmier.
§ 3. La Commission de profils des prestations des praticiens de l'art dentaire est composée:
1° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des praticiens de l'art dentaire.
§ 4. La commission de profils des prestations et des prescriptions des médecins de médecine générale est composée:
1° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, (médecins généralistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureur, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des médecins.
§ 5. La commission de profils des prestations et des prescriptions des médecins spécialistes, autres que ceux visés au § 6, est composée:
1° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, (médecins spécialistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des médecins.
§ 6. La commission de profils des prestations des médecins spécialistes en biologie clinique, médecine nucléaire ou anatomopathologie, des pharmaciens-biologistes et des licenciés en sciences agréés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions pour effectuer des prestations de biologie clinique est composée:
1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens-biologistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, (médecins spécialistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux pharmaciens-biologistes.
§ 7. La commission de profils pour les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et les journées d'entretien est composée:
1° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations hospitalières représentatives, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, (médecins spécialistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
3° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parme les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double des mandats à attribuer.
Lorsqu'un problème ayant trait aux auxiliaires paramédicaux est examiné par cette commission de profils, le président peut à tout moment faire appel au représentant de la discipline concernée, siégeant au Comité de l'assurance.
1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des kinésithérapeutes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, (dont un médecin généraliste et un médecin spécialiste) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux kinésithérapeutes.
§ 2. La commission de profils des prestations des praticiens de l'art infirmier est composée:
1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art infirmier, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, (dont un médecin généraliste et un médecin spécialiste) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentes par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux praticiens de l'art infirmier.
§ 3. La Commission de profils des prestations des praticiens de l'art dentaire est composée:
1° de quatre membres effectifs et de quatre membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des praticiens de l'art dentaire.
§ 4. La commission de profils des prestations et des prescriptions des médecins de médecine générale est composée:
1° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, (médecins généralistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureur, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des médecins.
§ 5. La commission de profils des prestations et des prescriptions des médecins spécialistes, autres que ceux visés au § 6, est composée:
1° de cinq membres effectifs et de cinq membres suppléants, (médecins spécialistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Tous les membres effectifs et suppléants doivent être des médecins.
§ 6. La commission de profils des prestations des médecins spécialistes en biologie clinique, médecine nucléaire ou anatomopathologie, des pharmaciens-biologistes et des licenciés en sciences agréés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions pour effectuer des prestations de biologie clinique est composée:
1° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des pharmaciens-biologistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, (médecins spécialistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
Les quatre membres effectifs et les quatre membres suppléants, mentionnés sous 3° et 4°, doivent être, respectivement, deux médecins et deux pharmaciens-biologistes.
§ 7. La commission de profils pour les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et les journées d'entretien est composée:
1° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les associations hospitalières représentatives, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, (médecins spécialistes) choisis parmi les candidats présentés par les organisations professionnelles représentatives des médecins, en nombre double de celui des mandats à attribuer; <AR 1997-09-23/35, art. 7, 013; En vigueur : 01-01-1999>
3° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parme les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs, les organisations représentatives des travailleurs indépendants et les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double des mandats à attribuer.
Lorsqu'un problème ayant trait aux auxiliaires paramédicaux est examiné par cette commission de profils, le président peut à tout moment faire appel au représentant de la discipline concernée, siégeant au Comité de l'assurance.
Art.66. De [1 arts-directeur-generaal]1 van de Dienst voor geneeskundige controle en de directeur-generaal van de Dienst voor geneeskundige verzorging of hun afgevaardigde, nemen ambtshalve, zonder stemrecht, deel aan de vergaderingen van de profielencommissies.
De secretaris-generaal van het Ministerie van Volksgezondheid of zijn afgevaardigde, neemt ambtshalve, zonder stemrecht, deel aan de vergaderingen van de Profielencommissie voor de verstrekkingen die in de ziekenhuizen worden verricht en voor de verpleegdagen.
Het secretariaat van de verschillende profielencommissies wordt waargenomen door de Dienst voor geneeskundige verzorging.
Tijdens de vergaderingen van de commissies kan elk lid zich laten bijstaan door een raadgever; deze moet niet nominatief worden aangewezen en heeft geen stemrecht.
De secretaris-generaal van het Ministerie van Volksgezondheid of zijn afgevaardigde, neemt ambtshalve, zonder stemrecht, deel aan de vergaderingen van de Profielencommissie voor de verstrekkingen die in de ziekenhuizen worden verricht en voor de verpleegdagen.
Het secretariaat van de verschillende profielencommissies wordt waargenomen door de Dienst voor geneeskundige verzorging.
Tijdens de vergaderingen van de commissies kan elk lid zich laten bijstaan door een raadgever; deze moet niet nominatief worden aangewezen en heeft geen stemrecht.
Modifications
Art.66. Le médecin-directeur général du Service du contrôle médical et le directeur général du Service des soins de santé ou leur délégué, assistent de droit aux séances des commissions de profils, sans voix délibérative.
Le secrétaire général du Ministre de la Santé publique ou son délégué, assiste de droit aux séances de la commission de profils pour les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et pour les journées d'entretien, sans voix délibérative.
Le secrétariat des différentes commissions de profils est assuré par le Service des soins de santé.
Lors des réunions des commissions, chaque membre peut se faire assister par un conseil; celui-ci ne doit pas être désigné nominativement et n'a pas voix délibérative.
Le secrétaire général du Ministre de la Santé publique ou son délégué, assiste de droit aux séances de la commission de profils pour les prestations effectuées au sein des établissements hospitaliers et pour les journées d'entretien, sans voix délibérative.
Le secrétariat des différentes commissions de profils est assuré par le Service des soins de santé.
Lors des réunions des commissions, chaque membre peut se faire assister par un conseil; celui-ci ne doit pas être désigné nominativement et n'a pas voix délibérative.
Art.67. § 1. (De leden van de profielencommissies worden benoemd voor vier jaar.) <KB 2002-12-10/32, art. 8, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Wanneer het mandaat voor het eerst wordt hernieuwd, worden de uittredende leden bij loting aangewezen.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt voorzien in de vervanging van ieder lid dat vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de profielencommissie. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
§ 2. Elke profielencommissie heeft twee voorzitters: één van de Franse taalrol en één van de Nederlandse taalrol. De ene voorzitter behoort tot de groep die is samengesteld uit de vertegenwoordigers van de zorgverleners, de andere behoort tot de groep die de verzekeringsinstellingen en de sociale partners vertegenwoordigt.
De Koning wijst onder de leden van elke profielencommissie, op haar voordracht, de voorzitters aan.
De voorzitters zitten om beurt de vergaderingen voor, te beginnen met de oudste. Voor het gedeelte van de besprekingen dat wordt bijgewoond door de zorgverlener wiens dossier wordt behandeld, wordt de vergadering evenwel voorgezeten door de voorzitter van dezelfde taalrol als die van bedoelde zorgverlener of, bij zijn afwezigheid, door het oudste lid van dezelfde taalrol als die van deze zorgverlener.
Bij afwezigheid van de twee voorzitters wordt de vergadering voorgezeten door het oudste lid.
§ 3. Elke profielencommissie wordt samengeroepen door de persoon die, overeenkomstig § 2, geroepen is om de vergadering voor te zitten, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van ten minste drie leden, dat schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité. De oproeping die in alle gevallen de agenda van de vergadering vermeldt, wordt aan de leden gestuurd door het secretariaat van de commissie.
§ 4. Elke profielencommissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van haar leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
§ 5. Elke profielencommissie is ertoe gehouden het Verzekeringscomité jaarlijks een verslag over haar activiteiten te bezorgen.
Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Wanneer het mandaat voor het eerst wordt hernieuwd, worden de uittredende leden bij loting aangewezen.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt voorzien in de vervanging van ieder lid dat vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de profielencommissie. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
§ 2. Elke profielencommissie heeft twee voorzitters: één van de Franse taalrol en één van de Nederlandse taalrol. De ene voorzitter behoort tot de groep die is samengesteld uit de vertegenwoordigers van de zorgverleners, de andere behoort tot de groep die de verzekeringsinstellingen en de sociale partners vertegenwoordigt.
De Koning wijst onder de leden van elke profielencommissie, op haar voordracht, de voorzitters aan.
De voorzitters zitten om beurt de vergaderingen voor, te beginnen met de oudste. Voor het gedeelte van de besprekingen dat wordt bijgewoond door de zorgverlener wiens dossier wordt behandeld, wordt de vergadering evenwel voorgezeten door de voorzitter van dezelfde taalrol als die van bedoelde zorgverlener of, bij zijn afwezigheid, door het oudste lid van dezelfde taalrol als die van deze zorgverlener.
Bij afwezigheid van de twee voorzitters wordt de vergadering voorgezeten door het oudste lid.
§ 3. Elke profielencommissie wordt samengeroepen door de persoon die, overeenkomstig § 2, geroepen is om de vergadering voor te zitten, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van ten minste drie leden, dat schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité. De oproeping die in alle gevallen de agenda van de vergadering vermeldt, wordt aan de leden gestuurd door het secretariaat van de commissie.
§ 4. Elke profielencommissie houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van haar leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
§ 5. Elke profielencommissie is ertoe gehouden het Verzekeringscomité jaarlijks een verslag over haar activiteiten te bezorgen.
Art.67. § 1er. (Les membres des commissions de profils sont nommés pour un terme de quatre ans.) <AR 2002-12-10/32, art. 8, 084; En vigueur : 24-12-2002>
Le mandat expire tous les trois ans pour la moitié des membres. Lors du premier renouvellement, les membres sortants sont désignés par tirage au sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de la commission de profils avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
§ 2. Chaque commission de profils a deux présidents: un de rôle linguistique francophone et un de rôle linguistique néerlandophone. Un président appartient au groupe composé des représentants des dispensateurs, l'autre appartient au groupe représentant les organismes assureurs et les partenaires sociaux.
Le Roi désigne les présidents parmi les membres de chaque commission de profils, sur proposition de celle-ci.
Les présidents président les séances à tour de rôle, à commencer par le plus âgé. Toutefois, pour la partie des débats à laquelle assiste le dispensateur dont le dossier est examiné, la séance est présidée par le président du même rôle linguistique que celui de ce dispensateur ou, à défaut, par le membre le plus âgé appartenant au même rôle linguistique que ce dispensateur.
En cas d'absence des deux présidents, la séance est présidée par le membre le plus âgé.
§ 3. Chaque commission de profils est convoquée par la personne appelée, conformément au § 2, à présider la séance, soit d'initiative, soit à la demande, de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion, soit à la requête du Comité de l'assurance. La convocation qui, dans tous les cas, comporte l'ordre du jour de la séance, est adressée aux membres par les soins du Secrétariat de la commission.
§ 4. Le siège de chaque commission de profils est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
§ 5. Chaque commission de profils est tenue de transmettre annuellement au Comité de l'assurance un rapport de ses activités.
Le mandat expire tous les trois ans pour la moitié des membres. Lors du premier renouvellement, les membres sortants sont désignés par tirage au sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de la commission de profils avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
§ 2. Chaque commission de profils a deux présidents: un de rôle linguistique francophone et un de rôle linguistique néerlandophone. Un président appartient au groupe composé des représentants des dispensateurs, l'autre appartient au groupe représentant les organismes assureurs et les partenaires sociaux.
Le Roi désigne les présidents parmi les membres de chaque commission de profils, sur proposition de celle-ci.
Les présidents président les séances à tour de rôle, à commencer par le plus âgé. Toutefois, pour la partie des débats à laquelle assiste le dispensateur dont le dossier est examiné, la séance est présidée par le président du même rôle linguistique que celui de ce dispensateur ou, à défaut, par le membre le plus âgé appartenant au même rôle linguistique que ce dispensateur.
En cas d'absence des deux présidents, la séance est présidée par le membre le plus âgé.
§ 3. Chaque commission de profils est convoquée par la personne appelée, conformément au § 2, à présider la séance, soit d'initiative, soit à la demande, de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion, soit à la requête du Comité de l'assurance. La convocation qui, dans tous les cas, comporte l'ordre du jour de la séance, est adressée aux membres par les soins du Secrétariat de la commission.
§ 4. Le siège de chaque commission de profils est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
§ 5. Chaque commission de profils est tenue de transmettre annuellement au Comité de l'assurance un rapport de ses activités.
Art.68. De profielencommissies hebben tot opdracht de evaluatie van de individuele profielen. Te dien einde is de commissie bevoegd om:
1° kennis te nemen van de statistische tabellen per zorgverlener, per voorschrijver of per ziekenhuis;
2° de betrouwbaarheid van deze gegevens te onderzoeken, eventueel door betrokkenen schriftelijk te ondervragen of mondeling na oproeping;
3° indien dit nodig wordt geacht, deze gegevens over te maken aan de bevoegde instanties;
4° een preventieve en educatieve actie te voeren ten aanzien van de zorgverleners en/of de voorschrijvers die aanleiding geven tot aanzienlijke uitgaven.
1° kennis te nemen van de statistische tabellen per zorgverlener, per voorschrijver of per ziekenhuis;
2° de betrouwbaarheid van deze gegevens te onderzoeken, eventueel door betrokkenen schriftelijk te ondervragen of mondeling na oproeping;
3° indien dit nodig wordt geacht, deze gegevens over te maken aan de bevoegde instanties;
4° een preventieve en educatieve actie te voeren ten aanzien van de zorgverleners en/of de voorschrijvers die aanleiding geven tot aanzienlijke uitgaven.
Art.68. Les commissions de profils ont pour mission l'évaluation individuelle des profils. A cet effet, elles sont habilitées à:
1° prendre connaissance des tableaux statistiques par dispensateur, par prescripteur ou par établissement hospitalier;
2° examiner la fiabilité de ces données, éventuellement en interrogeant les intéressés par écrit ou verbalement sur convocation;
3° transmettre, le cas échéant, ces données aux instances compétentes;
4° mener une action préventive et éducative à l'égard des dispensateurs et/ou prescripteurs induisant des dépenses importantes.
1° prendre connaissance des tableaux statistiques par dispensateur, par prescripteur ou par établissement hospitalier;
2° examiner la fiabilité de ces données, éventuellement en interrogeant les intéressés par écrit ou verbalement sur convocation;
3° transmettre, le cas échéant, ces données aux instances compétentes;
4° mener une action préventive et éducative à l'égard des dispensateurs et/ou prescripteurs induisant des dépenses importantes.
Afdeling X. - Erkenningsgraden.
Section X. - Des conseils d'agrément.
A. Erkenningsraad voor kinesitherapeuten. (opgeheven)
A. Du conseil d'agrément des kinésithérapeutes. (abrogé)
Art.69. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.69. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
Art.70. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.70. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
Art.71. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.71. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
Art.72. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.72. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
Art.73. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.73. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
Art.74. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.74. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
Art.75. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.75. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
Art.76. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.76. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
Art.77. (opgeheven) <KB 2006-02-10/42, art. 1, 126; Inwerkingtreding : 17-03-2006>
Art.77. (abrogé) <AR 2006-02-10/42, art. 1, 126; En vigueur : 17-03-2006>
B. Erkenningsraad voor orthopedisten.
B. Du conseil d'agrément des orthopédistes.
Art.78. De Erkenningsraad voor orthopedisten is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° Zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van orthopedisten;
3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
1° de voorzitter;
2° Zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van orthopedisten;
3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
Art.78. Le conseil d'agrément des orthopédistes est composé:
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des orthopédistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des orthopédistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
Art.79. De Erkenningsraad voor orthopedisten heeft tot taak (de personen te erkennen) die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de prothesen en orthopedische toestellen te verstrekken welke luidens de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen, in de bevoegdheid vallen van de orthopedisten. <KB 2001-04-19/50, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.
De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de Erkenningsraad.
Art.79. Le conseil d'agrément des orthopédistes a pour mission de (procéder à) l'agrément des personnes qu'il reconnaît compétentes pour fournir aux bénéficiaires de l'assurance les prothèses et appareils orthopédiques qui, dans la nomenclature des prestations de santé susvisée, relèvent de la compétence des orthopédistes. <AR 2001-04-19/50, art. 1, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Les demandes d'agrément sont adressées au Service des soins de santé; celui-ci les transmet au conseil d'agrément.
Les demandes d'agrément sont adressées au Service des soins de santé; celui-ci les transmet au conseil d'agrément.
Art.80. (§ 1. Voor de verstrekkingen inzake orthopedie en orthopedische zolen, bedoeld in artikel 29 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd gedurende minstens vijf jaar;
b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
De zorgverleners met een erkenning voor de verstrekkingen inzake orthopedie en orthopedische zolen kunnen voor de prothesen worden erkend op voorwaarde dat in hun opleiding die materie wordt behandeld.
§ 2. Voor de verstrekkingen betreffende de prothesen, bedoeld in artikel 29 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van prothesist hebben gevolgd gedurende minstens vijf jaar;
b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
De zorgverleners met een erkenning voor de prothesen kunnen voor de orthopedie en de orthopedische zolen worden erkend op voorwaarde dat in hun opleiding die materie wordt behandeld.
§ 3. Voor de verstrekkingen inzake orthopedische schoenen en zolen, bedoeld in artikel 29 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd gedurende minstens vijf en een half jaar;
b) Ofwel houders zijn van een getuigschrift, afgeleverd door de Middenstand, en gedurende minstens vijf en een half jaar een praktische opleiding in die materie hebben gevolgd;
c) ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
De kandidaten voor de erkenningen vermeld in de §§ 1 tot 3 moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld na advies van de Raad.) <KB 2006-08-05/64, art. 1, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
(§ 4. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage, omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
b) de handgemaakte toestellen ten minste eenmaal aan te passen vóór het af te leveren artikel wordt afgewerkt;
c) zowel de handgemaakte artikelen als de andere artikelen bij de levering bij de patiënt aan te leggen en indien nodig technisch aan te passen;
d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
e) de levering zelf uit te voeren;
3° te beschikken over de voor de vervaardiging van maatwerk en voor het passen nodige installatie en het gereedschap;
4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende orthopedisten die worden aangelegd door de Erkenningsraad voor orthopedisten;
5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
Nochtans, wanneer de rechthebbende die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de orthopedist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.) <KB 2004-09-13/43 art. 1, 112; Inwerkingtreding : 01-11-2004>
a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd gedurende minstens vijf jaar;
b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
De zorgverleners met een erkenning voor de verstrekkingen inzake orthopedie en orthopedische zolen kunnen voor de prothesen worden erkend op voorwaarde dat in hun opleiding die materie wordt behandeld.
§ 2. Voor de verstrekkingen betreffende de prothesen, bedoeld in artikel 29 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van prothesist hebben gevolgd gedurende minstens vijf jaar;
b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
De zorgverleners met een erkenning voor de prothesen kunnen voor de orthopedie en de orthopedische zolen worden erkend op voorwaarde dat in hun opleiding die materie wordt behandeld.
§ 3. Voor de verstrekkingen inzake orthopedische schoenen en zolen, bedoeld in artikel 29 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van orthopedist hebben gevolgd gedurende minstens vijf en een half jaar;
b) Ofwel houders zijn van een getuigschrift, afgeleverd door de Middenstand, en gedurende minstens vijf en een half jaar een praktische opleiding in die materie hebben gevolgd;
c) ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar hun praktische opleiding hebben vervolledigd in die materie in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 80bis.
De kandidaten voor de erkenningen vermeld in de §§ 1 tot 3 moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld na advies van de Raad.) <KB 2006-08-05/64, art. 1, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
(§ 4. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage, omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
b) de handgemaakte toestellen ten minste eenmaal aan te passen vóór het af te leveren artikel wordt afgewerkt;
c) zowel de handgemaakte artikelen als de andere artikelen bij de levering bij de patiënt aan te leggen en indien nodig technisch aan te passen;
d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
e) de levering zelf uit te voeren;
3° te beschikken over de voor de vervaardiging van maatwerk en voor het passen nodige installatie en het gereedschap;
4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende orthopedisten die worden aangelegd door de Erkenningsraad voor orthopedisten;
5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
Nochtans, wanneer de rechthebbende die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de orthopedist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.) <KB 2004-09-13/43 art. 1, 112; Inwerkingtreding : 01-11-2004>
Modifications
Art.80. (§ 1er. Pour les prestations relatives à l'orthopédie et aux semelles orthopédiques, visées à l'article 29 de la nomenclature des prestations de santé, peuvent être agréées les personnes qui :
a) Soit ont suivi une formation théorique et pratique d'orthopédiste pendant cinq ans;
b) Soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie, et qui ont complété leur formation pratique dans ces matières pendant au moins deux ans dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 80bis.
Les dispensateurs agréés pour les prestations relatives à l'orthopédie et aux semelles orthopédiques peuvent être agréés pour les prothèses dans la mesure où leur formation comprend ces matières.
§ 2. Pour les prestations relatives aux prothèses, visées à l'article 29 de la nomenclature des prestations de santé, peuvent être agréées les personnes qui :
a) Soit ont suivi une formation théorique et pratique de prothésiste pendant cinq ans;
b) Soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie et qui ont complété leur formation pratique dans ces matières pendant deux ans au moins dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 80bis.
Les dispensateurs agréés pour les prestations relatives aux prothèses peuvent être agréés pour l'orthopédie et les semelles orthopédiques dans la mesure où leur formation comprend ces matières.
§ 3. Pour les prestations relatives aux chaussures orthopédiques et aux semelles, visées à l'article 29 de la nomenclature des prestations de santé, peuvent être agréées les personnes qui :
a) Soit ont suivi une formation théorique et pratique d'orthopédiste pendant cinq années et demie au moins;
b) soit sont titulaires d'un certificat délivré par les Classes Moyennes, et qui ont suivi pendant cinq années et demie au moins une formation pratique dans ces matières;
c) soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie et qui ont complété leur formation pratique dans ces matières pendant deux ans au moins dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 80bis.
Les candidats aux agréments visés aux §§ 1er à 3 doivent satisfaire à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous après avis du Conseil.) <AR 2006-08-05/64, art. 1, 132; En vigueur : 01-10-2006>
(§ 4. Pour pouvoir être agréées, les personnes précitées s'engagent, dans une déclaration sur l'honneur :
1° a) à ne fournir les articles que sur prescription médicale et en fonction des objectifs de cette prescription et conformément à ceux-ci;
b) à respecter les délais fixés dans la nomenclature en ce qui concerne la validité de la prescription et la délivrance des produits;
2° a) à fournir des articles correspondant aux critères minimums de fabrication définis dans la nomenclature des prestations de santé;
b) à essayer les articles manufactures au moins une fois avant la finition de l'article à délivrer;
c) à appliquer au patient, lors de la fourniture, tant les articles manufacturés que les autres articles et à procéder, si nécessaire aux adaptations techniques;
d) à fournir toutes les indications relatives au placement, à l'utilisation et à l'entretien de l'article;
e) à exécuter elle-même la fourniture;
3° à disposer de l'installation et de l'outillage nécessaires à la confection sur mesure;
4° à ne pas offrir en vente, ni fournir les articles sur les marchés, foires commerciales ou autres lieux publics, ni par colportage, ni par l'intermédiaire de personnes non inscrites sur les listes des orthopédistes agréés établies par le Conseil d'agrément des orthopédistes;
5° à exercer sa profession au(x) siège(s) de l'entreprise enregistré(s) par le Conseil d'agrément.
Cependant, lorsque le bénéficiaire détenteur d'une prescription médicale et se trouvant dans l'impossibilité de se déplacer ou éprouvant des difficultés graves à le faire, fait appel à l'orthopédiste, celui-ci pourra se rendre à sa résidence.) <AR 2004-09-13/43 art. 1, 112; En vigueur : 01-11-2004>
a) Soit ont suivi une formation théorique et pratique d'orthopédiste pendant cinq ans;
b) Soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie, et qui ont complété leur formation pratique dans ces matières pendant au moins deux ans dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 80bis.
Les dispensateurs agréés pour les prestations relatives à l'orthopédie et aux semelles orthopédiques peuvent être agréés pour les prothèses dans la mesure où leur formation comprend ces matières.
§ 2. Pour les prestations relatives aux prothèses, visées à l'article 29 de la nomenclature des prestations de santé, peuvent être agréées les personnes qui :
a) Soit ont suivi une formation théorique et pratique de prothésiste pendant cinq ans;
b) Soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie et qui ont complété leur formation pratique dans ces matières pendant deux ans au moins dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 80bis.
Les dispensateurs agréés pour les prestations relatives aux prothèses peuvent être agréés pour l'orthopédie et les semelles orthopédiques dans la mesure où leur formation comprend ces matières.
§ 3. Pour les prestations relatives aux chaussures orthopédiques et aux semelles, visées à l'article 29 de la nomenclature des prestations de santé, peuvent être agréées les personnes qui :
a) Soit ont suivi une formation théorique et pratique d'orthopédiste pendant cinq années et demie au moins;
b) soit sont titulaires d'un certificat délivré par les Classes Moyennes, et qui ont suivi pendant cinq années et demie au moins une formation pratique dans ces matières;
c) soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie et qui ont complété leur formation pratique dans ces matières pendant deux ans au moins dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 80bis.
Les candidats aux agréments visés aux §§ 1er à 3 doivent satisfaire à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous après avis du Conseil.) <AR 2006-08-05/64, art. 1, 132; En vigueur : 01-10-2006>
(§ 4. Pour pouvoir être agréées, les personnes précitées s'engagent, dans une déclaration sur l'honneur :
1° a) à ne fournir les articles que sur prescription médicale et en fonction des objectifs de cette prescription et conformément à ceux-ci;
b) à respecter les délais fixés dans la nomenclature en ce qui concerne la validité de la prescription et la délivrance des produits;
2° a) à fournir des articles correspondant aux critères minimums de fabrication définis dans la nomenclature des prestations de santé;
b) à essayer les articles manufactures au moins une fois avant la finition de l'article à délivrer;
c) à appliquer au patient, lors de la fourniture, tant les articles manufacturés que les autres articles et à procéder, si nécessaire aux adaptations techniques;
d) à fournir toutes les indications relatives au placement, à l'utilisation et à l'entretien de l'article;
e) à exécuter elle-même la fourniture;
3° à disposer de l'installation et de l'outillage nécessaires à la confection sur mesure;
4° à ne pas offrir en vente, ni fournir les articles sur les marchés, foires commerciales ou autres lieux publics, ni par colportage, ni par l'intermédiaire de personnes non inscrites sur les listes des orthopédistes agréés établies par le Conseil d'agrément des orthopédistes;
5° à exercer sa profession au(x) siège(s) de l'entreprise enregistré(s) par le Conseil d'agrément.
Cependant, lorsque le bénéficiaire détenteur d'une prescription médicale et se trouvant dans l'impossibilité de se déplacer ou éprouvant des difficultés graves à le faire, fait appel à l'orthopédiste, celui-ci pourra se rendre à sa résidence.) <AR 2004-09-13/43 art. 1, 112; En vigueur : 01-11-2004>
Art. 80bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-09-13/43 art. 2; Inwerkingtreding : 01-11-2004> Enkel de personen die beschikken over de installatie en het gereedschap voorzien in artikel 80, § 4, 3°, in een werkplaats beantwoordend aan de normen bepaald door een verordening van het Verzekeringscomité, hebben het recht om maatwerk te vervaardigen.
Art. 80bis. Seules les personnes disposant de l'installation et de l'outillage prévus à l'article 80, § 4, 3°, dans un atelier répondant aux normes fixées par un règlement du Comité de l'assurance, ont le droit d'effectuer des prestations sur mesure.
Art.81. De erkenning blijft behouden voor de personen die op 1 september 1983 als orthopedist zijn erkend.
Die erkenning geldt evenwel slechts voor de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd zijn erkend.
Die personen kunnen een verruiming van hun bevoegdheid bekomen als zij, na een passende theoretische en praktische opleiding te hebben gevolgd een technisch bevoegdheidsexamen afleggen waarvan het programma door Ons wordt bepaald na advies van de Raad.
Die erkenning geldt evenwel slechts voor de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd zijn erkend.
Die personen kunnen een verruiming van hun bevoegdheid bekomen als zij, na een passende theoretische en praktische opleiding te hebben gevolgd een technisch bevoegdheidsexamen afleggen waarvan het programma door Ons wordt bepaald na advies van de Raad.
Art.81. L'agrément est maintenu aux personnes qui, au 1er septembre 1983, sont agréées en qualité d'orthopédiste.
Cet agrément ne porte cependant que sur les prestations pour lesquelles ces personnes ont été reconnues compétentes.
Ces personnes peuvent obtenir une extension de leur compétence lorsqu'après avoir suivi une formation théorique et pratique appropriée, elle se soumettent à un examen de compétence technique dont le programme est fixé par Nous, après avis du conseil.
Cet agrément ne porte cependant que sur les prestations pour lesquelles ces personnes ont été reconnues compétentes.
Ces personnes peuvent obtenir une extension de leur compétence lorsqu'après avoir suivi une formation théorique et pratique appropriée, elle se soumettent à un examen de compétence technique dont le programme est fixé par Nous, après avis du conseil.
C. Erkenningsraad voor bandagisten.
C. Du conseil d'agrément des bandagistes.
Art.82. De Erkenningsraad voor bandagisten is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden door de Minister gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve organisaties van bandagisten;
3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangeprezen door de Minister;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid hoeft.
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden door de Minister gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve organisaties van bandagisten;
3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangeprezen door de Minister;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid hoeft.
Art.82. Le conseil d'agrément des bandagistes est composé:
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre, parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des bandagistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre, parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des bandagistes, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
Art.83. De Erkenningsraad voor bandagisten heeft tot taak (de personen te erkennen) die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de banden te verstrekken welke luidens de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen in de bevoegdheid vallen van de bandagisten; <KB 2001-04-19/50, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.
De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.
Art.83. Le conseil d'agrément des bandagistes a pour mission de (procéder à) l'agrément des personnes qu'il reconnaît compétentes pour fournir aux bénéficiaires de l'assurance les bandages qui, dans la nomenclature des prestation de santé susvisée, relèvent de la compétence des bandagistes. <AR 2001-04-19/50, art. 1, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Les demandes d'agrément sont adressées au Service des soins de santé; celui-ci les transmet au conseil d'agrément.
Les demandes d'agrément sont adressées au Service des soins de santé; celui-ci les transmet au conseil d'agrément.
Art.84. § 1. (Voor de verstrekkingen betreffende de bandagisterie, bedoeld in artikel 27 a) van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, kunnen worden erkend de personen die :
a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van bandagist hebben gevolgd gedurende minstens drie en een half jaar;
b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar een praktische opleiding in die materie hebben vervolledigd in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 84bis.
De kandidaten voor voormelde erkenning moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld.) <KB 2006-08-05/64, art. 2, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
§ 2. Voor de verstrekkingen betreffende de toerusting voor kunstaars, het ambulant urinaal en de tracheacanule, kunnen (worden erkend), de apothekers die gedurende zes maanden een passende opleiding hebben ontvangen. De apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, uitgereikt door een door het Rijk erkende universiteit, worden evenwel bevoegd erkend voor die verstrekkingen. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
(§ 3. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage, omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
b) de op maat gemaakte toestellen ten minste éénmaal aan te passen vóór het af te leveren artikel wordt afgewerkt;
c) zowel de op maat gemaakte artikelen als de andere artikelen bij de levering bij de patiënt aan te leggen;
d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
e) de levering zelf uit te voeren;
3° te beschikken over de voor het vervaardigen naar maat en voor het passen nodige installatie en het gereedschap;
4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende bandagisten die door de Erkenningsraad voor bandagisten worden aangelegd, voor de levering van de in artikel 27, § 1, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vermelde verstrekkingen;
5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
Nochtans, wanneer de rechthebbende, die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de bandagist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.
a) Ofwel een theoretische en praktische opleiding van bandagist hebben gevolgd gedurende minstens drie en een half jaar;
b) Ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar een praktische opleiding in die materie hebben vervolledigd in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 84bis.
De kandidaten voor voormelde erkenning moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld.) <KB 2006-08-05/64, art. 2, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
§ 2. Voor de verstrekkingen betreffende de toerusting voor kunstaars, het ambulant urinaal en de tracheacanule, kunnen (worden erkend), de apothekers die gedurende zes maanden een passende opleiding hebben ontvangen. De apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, uitgereikt door een door het Rijk erkende universiteit, worden evenwel bevoegd erkend voor die verstrekkingen. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
(§ 3. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage, omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
b) de op maat gemaakte toestellen ten minste éénmaal aan te passen vóór het af te leveren artikel wordt afgewerkt;
c) zowel de op maat gemaakte artikelen als de andere artikelen bij de levering bij de patiënt aan te leggen;
d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
e) de levering zelf uit te voeren;
3° te beschikken over de voor het vervaardigen naar maat en voor het passen nodige installatie en het gereedschap;
4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende bandagisten die door de Erkenningsraad voor bandagisten worden aangelegd, voor de levering van de in artikel 27, § 1, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vermelde verstrekkingen;
5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
Nochtans, wanneer de rechthebbende, die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de bandagist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.
Modifications
Art.84. § 1er. (Pour les prestations relatives à la bandagisterie visées aux articles 27 a) de la nomenclature des prestations de santé, peuvent être agréées les personnes qui :
a) soit ont suivi une formation théorique et pratique de bandagiste pendant trois années et demie au moins;
b) soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie, et qui ont complété pendant deux ans une formation pratique dans ces matières dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 84bis.
Les candidats à l'agrément susvisé doivent satisfaire à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous.) <AR 2006-08-05/64, art. 2, 132; En vigueur : 01-10-2006>
§ 2. Pour les prestations relatives à l'appareillage pour anus artificiel, à l'urinal ambulatoire et à la canule trachéale, peuvent être (agréés) les pharmaciens qui ont reçu une formation appropriée pendant 6 mois. Toutefois, les pharmaciens titulaires du diplôme de pharmacien hospitalier délivré par une université agréée par l'Etat sont reconnus compétents pour ces prestations. <AR 2001-04-19/50, art. 2, 059; En vigueur : 10-01-2000>
(§ 3. Pour pouvoir être agréées, les personnes précitées s'engagent, dans une déclaration sur l'honneur :
1° a) à ne fournir les articles que sur prescription médicale et en fonction des objectifs de cette prescription et conformément à ceux-ci;
b) à respecter les délais fixés dans la nomenclature en ce qui concerne la validité de la prescription et la délivrance des produits;
2° a) à fournir des articles correspondant aux critères minimums de fabrication définis dans la nomenclature des prestations de santé;
b) à essayer les articles fabriqués sur mesure au moins une fois avant la finition de l'article à délivrer;
c) appliquer au patient, lors de la fourniture, tant les articles fabriqués sur mesure que les autres articles;
d) à fournir toutes les indications relatives au placement, à l'utilisation et à l'entretien de l'article;
e) à exécuter elle-même la fourniture;
3° à disposer de l'installation et de l'outillage nécessaires à la confection sur mesure;
4° à ne pas offrir en vente, ni fournir les articles sur les marchés, foires commerciales ou autres lieux publics, ni par colportage, ni par l'intermédiaire de personnes non inscrites sur les listes des bandagistes agréés établies par le Conseil d'agrément des bandagistes pour la fourniture des prestations prévues à l'article 27, § 1er, de la nomenclature des prestations de santé;
5° à exercer sa profession au(x) siège(s) de l'entreprise enregistré(s) par le Conseil d'agrément.
Cependant, lorsque le bénéficiaire détenteur d'une prescription médicale et se trouvant dans l'impossibilité de se déplacer ou éprouvant des difficultés graves à le faire, fait appel au bandagiste, il pourra se rendre à sa résidence.) <AR 2004-09-13/43 art. 5, 112; En vigueur : 01-11-2004>
a) soit ont suivi une formation théorique et pratique de bandagiste pendant trois années et demie au moins;
b) soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie, et qui ont complété pendant deux ans une formation pratique dans ces matières dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 84bis.
Les candidats à l'agrément susvisé doivent satisfaire à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous.) <AR 2006-08-05/64, art. 2, 132; En vigueur : 01-10-2006>
§ 2. Pour les prestations relatives à l'appareillage pour anus artificiel, à l'urinal ambulatoire et à la canule trachéale, peuvent être (agréés) les pharmaciens qui ont reçu une formation appropriée pendant 6 mois. Toutefois, les pharmaciens titulaires du diplôme de pharmacien hospitalier délivré par une université agréée par l'Etat sont reconnus compétents pour ces prestations. <AR 2001-04-19/50, art. 2, 059; En vigueur : 10-01-2000>
(§ 3. Pour pouvoir être agréées, les personnes précitées s'engagent, dans une déclaration sur l'honneur :
1° a) à ne fournir les articles que sur prescription médicale et en fonction des objectifs de cette prescription et conformément à ceux-ci;
b) à respecter les délais fixés dans la nomenclature en ce qui concerne la validité de la prescription et la délivrance des produits;
2° a) à fournir des articles correspondant aux critères minimums de fabrication définis dans la nomenclature des prestations de santé;
b) à essayer les articles fabriqués sur mesure au moins une fois avant la finition de l'article à délivrer;
c) appliquer au patient, lors de la fourniture, tant les articles fabriqués sur mesure que les autres articles;
d) à fournir toutes les indications relatives au placement, à l'utilisation et à l'entretien de l'article;
e) à exécuter elle-même la fourniture;
3° à disposer de l'installation et de l'outillage nécessaires à la confection sur mesure;
4° à ne pas offrir en vente, ni fournir les articles sur les marchés, foires commerciales ou autres lieux publics, ni par colportage, ni par l'intermédiaire de personnes non inscrites sur les listes des bandagistes agréés établies par le Conseil d'agrément des bandagistes pour la fourniture des prestations prévues à l'article 27, § 1er, de la nomenclature des prestations de santé;
5° à exercer sa profession au(x) siège(s) de l'entreprise enregistré(s) par le Conseil d'agrément.
Cependant, lorsque le bénéficiaire détenteur d'une prescription médicale et se trouvant dans l'impossibilité de se déplacer ou éprouvant des difficultés graves à le faire, fait appel au bandagiste, il pourra se rendre à sa résidence.) <AR 2004-09-13/43 art. 5, 112; En vigueur : 01-11-2004>
Art. 84bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-09-13/43 art. 4; Inwerkingtreding : 01-11-2004> Enkel de personen die beschikken over de installatie en het gereedschap voorzien in artikel 84, § 3, 3°, in een werkplaats beantwoordend aan de normen bepaald door een verordening van het Verzekeringscomité, hebben het recht om maatwerk te vervaardigen.
Art. 84bis. Seules les personnes disposant de l'installation et de l'outillage prévus à l'article 84, § 3, 3°, dans un atelier répondant aux normes fixées par un règlement du Comité de l'assurance, ont le droit d'effectuer des prestations sur mesure.
Art.85. § 1. (Voor de verstrekkingen betreffende de wagentjes, bedoeld in artikel 28, § 8 van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen kunnen worden erkend de personen die :
a) ofwel een passende theoretische en praktische opleiding hebben gevolgd gedurende minstens twee jaar;
b) ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar een praktische opleiding in die materie hebben vervolledigd in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 85bis.
De kandidaten voor de vermelde erkenning moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld.) <KB 2006-08-05/64, art. 3, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
(§ 2. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
b) op basis van zijn vaststellingen, nadat hij de rechthebbende heeft gezien, zijn bestek op te maken en de verstrekking(en) en het eventueel toebehoren te motiveren;
c) de artikelen bij aflevering aan de rechthebbende aan te passen;
d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
e) de aflevering aan de rechthebbende zelf uit te voeren en de documenten mede te ondertekenen;
f) de rechthebbende te informeren dat indien de levering op zijn vraag geschiedt vóór de kennisgeving van de negatieve beslissing van de adviserend [1 arts]1, de kostprijs van de leveringen en het eventuele toebehoren te zijnen laste valt;
3° te beschikken over de nodige installatie en het gereedschap om de verstrekkingen aan te passen en kleine herstellingen uit te voeren
4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende bandagisten die door de Erkenningsraad voor bandagisten worden aangelegd, voor de levering van de in artikel 28, § 8, 1°, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vermelde verstrekkingen. ".
5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
Nochtans, wanneer de rechthebbende, die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de bandagist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.) <KB 2004-09-13/43 art. 5, 112; Inwerkingtreding : 01-11-2004>
a) ofwel een passende theoretische en praktische opleiding hebben gevolgd gedurende minstens twee jaar;
b) ofwel houders zijn van een bachelordiploma in de orthopedie en gedurende minstens twee jaar een praktische opleiding in die materie hebben vervolledigd in een werkplaats beantwoordend aan de normen vastgesteld krachtens artikel 85bis.
De kandidaten voor de vermelde erkenning moeten slagen voor een technisch bevoegdheidsexamen dat door de Raad wordt georganiseerd; het examenprogramma wordt door Ons vastgesteld.) <KB 2006-08-05/64, art. 3, 132; Inwerkingtreding : 01-10-2006>
(§ 2. Om te kunnen worden erkend, verbinden voormelde personen zich met een verklaring op erewoord ertoe :
1° a) de artikelen enkel te verstrekken op voorschrift van een [1 arts]1, rekening houdende met de doelstellingen van dat voorschrift en in overeenstemming daarmee;
b) de termijnen te respecteren inzake de geldigheid van het voorschrift en de aflevering van de producten vastgesteld in de nomenclatuur;
2° a) artikelen te verstrekken welke overeenstemmen met de minimummaatstaven inzake fabricage omschreven in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen;
b) op basis van zijn vaststellingen, nadat hij de rechthebbende heeft gezien, zijn bestek op te maken en de verstrekking(en) en het eventueel toebehoren te motiveren;
c) de artikelen bij aflevering aan de rechthebbende aan te passen;
d) alle aanwijzingen betreffende het aanbrengen, het gebruik en het onderhoud van het artikel te verstrekken;
e) de aflevering aan de rechthebbende zelf uit te voeren en de documenten mede te ondertekenen;
f) de rechthebbende te informeren dat indien de levering op zijn vraag geschiedt vóór de kennisgeving van de negatieve beslissing van de adviserend [1 arts]1, de kostprijs van de leveringen en het eventuele toebehoren te zijnen laste valt;
3° te beschikken over de nodige installatie en het gereedschap om de verstrekkingen aan te passen en kleine herstellingen uit te voeren
4° de artikelen noch te koop aan te bieden, noch te verstrekken op markten, beurzen of andere openbare plaatsen, noch door venten, noch door toedoen van personen die niet ingeschreven zijn op de lijsten van de erkende bandagisten die door de Erkenningsraad voor bandagisten worden aangelegd, voor de levering van de in artikel 28, § 8, 1°, van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen vermelde verstrekkingen. ".
5° zijn beroep uit te oefenen in de zetel(s) van de onderneming die is (zijn) opgetekend door de Erkenningsraad.
Nochtans, wanneer de rechthebbende, die een geneeskundig voorschrift heeft en zich niet of zeer moeilijk kan verplaatsen, de bandagist oproept, mag deze zich naar diens woonplaats begeven.) <KB 2004-09-13/43 art. 5, 112; Inwerkingtreding : 01-11-2004>
Modifications
Art.85. § 1er. (Pour les prestations relatives aux voiturettes visées à l'article 28, § 8 de la nomenclature des prestations de santé, peuvent être agréées les personnes qui :
a) soit ont suivi une formation théorique et pratique appropriée pendant deux ans au moins;
b) soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie, et qui ont complété pendant deux ans une formation pratique dans ces matières dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 85bis.
Les candidats à l'agrément susvisé doivent satisfaire à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous.) <AR 2006-08-05/64, art. 3, 132; En vigueur : 01-10-2006>
(§ 2. Pour pouvoir être agréées, les personnes précitées s'engagent, dans une déclaration sur l'honneur :
1° a) à ne fournir les articles que sur prescription médicale et en fonction des objectifs de cette prescription et conformément à ceux-ci;
b) à respecter les délais fixés dans la nomenclature en ce qui concerne la validité de la prescription et la délivrance des produits;
2° a) à fournir des articles correspondant aux critères minimums de fabrication définis dans la nomenclature des prestations de santé;
b) sur la base de ses constatations, après avoir vu le bénéficiaire, à établir un devis et à motiver la ou les prestations et les accessoires éventuels;
c) à essayer les articles au bénéficiaire lors de la fourniture;
d) à fournir toutes les indications relatives au placement, à l'utilisation et à l'entretien de l'article à délivrer;
e) à exécuter elle-même la fourniture au bénéficiaire et à contresigner les documents;
f) à informer le bénéficiaire que si, à sa demande, la fourniture a lieu avant la notification de la décision négative du médecin-conseil, le coût des fournitures et des accessoires éventuels est à sa charge;
3° à disposer de l'installation nécessaire et de l'outillage permettant l'adaptation des prestations et l'exécution de petites réparations
4° à ne pas offrir en vente, ni fournir les articles sur les marchés, foires commerciales ou autres lieux publics, ni par colportage, ni par l'intermédiaire de personnes non inscrites sur les listes des bandagistes agréés établies par le Conseil d'agrément des bandagistes pour la fourniture des prestations prévues à l'article 28, § 8, 1°, de la nomenclature des prestations de santé. ".
5° à exercer sa profession au(x) siège(s) de l'entreprise enregistré(s) par le Conseil d'agrément.
Cependant, lorsque le bénéficiaire détenteur d'une prescription médicale et se trouvant dans l'impossibilité de se déplacer ou éprouvant des difficultés graves à le faire, fait appel au bandagiste, il pourra se rendre à sa résidence.) <AR 2004-09-13/43 art. 5, 112; En vigueur : 01-11-2004>
a) soit ont suivi une formation théorique et pratique appropriée pendant deux ans au moins;
b) soit sont titulaires d'un diplôme de bachelier en orthopédie, et qui ont complété pendant deux ans une formation pratique dans ces matières dans un atelier répondant aux normes fixées en vertu de l'article 85bis.
Les candidats à l'agrément susvisé doivent satisfaire à un examen de compétence technique organisé par le Conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous.) <AR 2006-08-05/64, art. 3, 132; En vigueur : 01-10-2006>
(§ 2. Pour pouvoir être agréées, les personnes précitées s'engagent, dans une déclaration sur l'honneur :
1° a) à ne fournir les articles que sur prescription médicale et en fonction des objectifs de cette prescription et conformément à ceux-ci;
b) à respecter les délais fixés dans la nomenclature en ce qui concerne la validité de la prescription et la délivrance des produits;
2° a) à fournir des articles correspondant aux critères minimums de fabrication définis dans la nomenclature des prestations de santé;
b) sur la base de ses constatations, après avoir vu le bénéficiaire, à établir un devis et à motiver la ou les prestations et les accessoires éventuels;
c) à essayer les articles au bénéficiaire lors de la fourniture;
d) à fournir toutes les indications relatives au placement, à l'utilisation et à l'entretien de l'article à délivrer;
e) à exécuter elle-même la fourniture au bénéficiaire et à contresigner les documents;
f) à informer le bénéficiaire que si, à sa demande, la fourniture a lieu avant la notification de la décision négative du médecin-conseil, le coût des fournitures et des accessoires éventuels est à sa charge;
3° à disposer de l'installation nécessaire et de l'outillage permettant l'adaptation des prestations et l'exécution de petites réparations
4° à ne pas offrir en vente, ni fournir les articles sur les marchés, foires commerciales ou autres lieux publics, ni par colportage, ni par l'intermédiaire de personnes non inscrites sur les listes des bandagistes agréés établies par le Conseil d'agrément des bandagistes pour la fourniture des prestations prévues à l'article 28, § 8, 1°, de la nomenclature des prestations de santé. ".
5° à exercer sa profession au(x) siège(s) de l'entreprise enregistré(s) par le Conseil d'agrément.
Cependant, lorsque le bénéficiaire détenteur d'une prescription médicale et se trouvant dans l'impossibilité de se déplacer ou éprouvant des difficultés graves à le faire, fait appel au bandagiste, il pourra se rendre à sa résidence.) <AR 2004-09-13/43 art. 5, 112; En vigueur : 01-11-2004>
Art. 85bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-09-13/43 art. 6; Inwerkingtreding : 01-11-2004> Enkel de personen die beschikken over de installatie en het gereedschap voorzien in artikel 85, § 2, 3°, in een werkplaats beantwoordend aan de normen bepaald door een verordening van het Verzekeringscomité, hebben het recht om maatwerk te vervaardigen.
Art. 85bis. Seules les personnes disposant de l'installation et de l'outillage prévus à l'article 85, § 2, 3°, dans un atelier répondant aux normes fixées par un règlement du Comité de l'assurance, ont le droit d'effectuer des prestations sur mesure.
Art.86. De erkenning blijft behouden voor de personen die op 1 september 1983 als bandagist zijn erkend.
Die erkenning geldt evenwel slechts voor de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd zijn erkend.
Die personen kunnen verruiming van hun bevoegdheid bekomen als zij, na een passende theoretische en praktische opleiding te hebben gevolgd, een technisch bevoegdheidsexamen afleggen waarvan het programma door Ons wordt bepaald na advies van de Raad.
Die erkenning geldt evenwel slechts voor de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd zijn erkend.
Die personen kunnen verruiming van hun bevoegdheid bekomen als zij, na een passende theoretische en praktische opleiding te hebben gevolgd, een technisch bevoegdheidsexamen afleggen waarvan het programma door Ons wordt bepaald na advies van de Raad.
Art.86. L'agrément est maintenu aux personnes qui, au 1er septembre 1983, sont agréées en qualité de bandagiste.
Cet agrément ne porte cependant que sur les prestations pour lesquelles ces personnes ont été reconnues compétentes.
Ces personnes peuvent obtenir une extension de leur compétence lorsqu'après avoir subi une formation théorique et pratique appropriée, elle se soumettent à un examen technique dont le programme est fixé par Nous, après avis du conseil.
Cet agrément ne porte cependant que sur les prestations pour lesquelles ces personnes ont été reconnues compétentes.
Ces personnes peuvent obtenir une extension de leur compétence lorsqu'après avoir subi une formation théorique et pratique appropriée, elle se soumettent à un examen technique dont le programme est fixé par Nous, après avis du conseil.
Cbis. Erkenningsvoorwaarden met betrekking tot werkplaatsen waarin verschillende disciplines worden beoefend door orthopedisten en bandagisten.
Cbis. Conditions d'agrément des ateliers dans lesquels plusieurs disciplines sont pratiquées par des orthopédistes et des bandagistes.
Art. 86bis. <INGEVOEGD bij KB 2004-09-13/43 art. 7; Inwerkingtreding : 01-11-2004> Wanneer in een onderneming verschillende disciplines worden beoefend, is het voldoende dat die onderneming beschikt over één werkplaats. De werkplaats waar de volgende verstrekkingen worden uitgevoerd moet beantwoorden aan de volgende normen :
1° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, en 28, § 8, 1°, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 84bis en 85bis ;
2° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis en 84bis;
3° voor de verstrekkingen van de artikelen 28, § 8, 1°, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis en 85bis ;
4° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, 28, § 8, 1°, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis, 84bis en 85bis.
1° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, en 28, § 8, 1°, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 84bis en 85bis ;
2° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis en 84bis;
3° voor de verstrekkingen van de artikelen 28, § 8, 1°, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis en 85bis ;
4° voor de verstrekkingen van de artikelen 27, § 1, 28, § 8, 1°, en 29, § 1, van de vorenbedoelde nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen : normen bedoeld in de artikelen 80bis, 84bis en 85bis.
Art. 86bis. Lorsque, dans une entreprise, on pratique plusieurs disciplines, il suffit que cette entreprise dispose d'un seul atelier. L'atelier dans lequel les prestation
1° pour les prestations des articles 27, § 1, et 28, § 8, 1°, de la nomenclature des prestations de santé susvisée : les normes visées aux articles 84bis et 85bis ;
2° pour les prestations des articles 27, § 1, et 29, § 1, de la nomenclature des prestations de santé susvisée : les normes visées aux articles 80bis et 84bis ;
3° pour les prestations des articles 28, § 8, 1°, et 29, § 1, de la nomenclature des prestations de santé susvisée : les normes visées aux articles 80bis et 85bis ;
4° pour les prestations des articles 27, § 1, 28, § 8, 1°, et 29, § 1, de la nomenclature des prestations de santé susvisée : les normes visées aux articles 80bis, 84bis et 85bis.
1° pour les prestations des articles 27, § 1, et 28, § 8, 1°, de la nomenclature des prestations de santé susvisée : les normes visées aux articles 84bis et 85bis ;
2° pour les prestations des articles 27, § 1, et 29, § 1, de la nomenclature des prestations de santé susvisée : les normes visées aux articles 80bis et 84bis ;
3° pour les prestations des articles 28, § 8, 1°, et 29, § 1, de la nomenclature des prestations de santé susvisée : les normes visées aux articles 80bis et 85bis ;
4° pour les prestations des articles 27, § 1, 28, § 8, 1°, et 29, § 1, de la nomenclature des prestations de santé susvisée : les normes visées aux articles 80bis, 84bis et 85bis.
D. Erkenningsraad voor verstrekkers van implantaten.
D. Du conseil d'agrément des fournisseurs d'implants.
Art.87. De Erkenningsraad voor verstrekkers van implantaten is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de personen die erkend zijn voor het verstrekken van implantaten;
3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de personen die erkend zijn voor het verstrekken van implantaten;
3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
Art.87. Le conseil d'agrément des fournisseurs d'implants est composé:
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, par les organisations représentatives des personnes agréées pour fournir des implants;
3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignes par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis par le Ministre parmi les candidats présentés en nombre double de celui des mandats à attribuer, par les organisations représentatives des personnes agréées pour fournir des implants;
3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignes par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
Art.88. De Erkenningsraad voor verstrekkers van implantaten heeft tot taak (de pesonen te erkennen) die hij als bevoegd erkend om aan de rechthebbende van de verzekering de implantaten te leveren welke zijn opgenomen in de lijst met vergoedbare apparaten. <KB 2001-04-19/50, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.
De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.
Art.88. Le conseil d'agrément des fournisseurs d'implants a pour mission de (procéder à) l'agrément des personnes qu'il reconnaît compétentes pour fournir aux bénéficiaires de l'assurance les implants qui sont repris à la liste des appareils remboursables. <AR 2001-04-19/50, art. 1, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Les demandes d'agrément sont adressées au Service des soins de santé, celui-ci les transmet au conseil d'agrément.
Les demandes d'agrément sont adressées au Service des soins de santé, celui-ci les transmet au conseil d'agrément.
Art.89. § 1. Worden als bevoegd erkend de apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, afgeleverd door een door het Rijk erkende universiteit.
§ 2. Kunnen (worden erkend), de personen die gedurende ten minste één jaar een passende theoretische en praktische opleiding hebben genoten en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald na advies van de Raad. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
§ 3. Overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 juni 1960 betreffende de fabricatie, de bereiding en distributie in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen, worden de officina-apothekers van ambtswege erkend voor de aflevering van artikelen die in steriele vorm worden verstrekt.
§ 4. De erkenning kan worden beperkt tot het afleveren van bepaalde vestrekkingen. Die vermelding komt voor op het erkenningsgetuigschrift.
§ 2. Kunnen (worden erkend), de personen die gedurende ten minste één jaar een passende theoretische en praktische opleiding hebben genoten en voldoen aan een door de Raad georganiseerd technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door Ons bepaald na advies van de Raad. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
§ 3. Overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 6 juni 1960 betreffende de fabricatie, de bereiding en distributie in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen, worden de officina-apothekers van ambtswege erkend voor de aflevering van artikelen die in steriele vorm worden verstrekt.
§ 4. De erkenning kan worden beperkt tot het afleveren van bepaalde vestrekkingen. Die vermelding komt voor op het erkenningsgetuigschrift.
Art.89. § 1er. Sont reconnus compétents les pharmaciens titulaires du diplôme de pharmacien hospitalier délivré par une université agréée par l'Etat.
§ 2. Peuvent être (agréées) les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique appropriée pendant un an au moins et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du conseil. <AR 2001-04-19/50, art. 2, 059; En vigueur : 10-01-2000>
§ 3. Conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 6 juin 1960 relatif à la fabrication, à la préparation et à la distribution en gros des médicaments et à leur dispensation, les pharmaciens d'officine sont agréés d'office pour la fourniture d'articles sous forme stérile.
§ 4. L'agrément peut être limité à la délivrance de prestations déterminées. Le certificat d'agrément comporte cette mention.
§ 2. Peuvent être (agréées) les personnes qui ont suivi une formation théorique et pratique appropriée pendant un an au moins et qui satisfont à un examen de compétence technique organisé par le conseil; le programme de cet examen est fixé par Nous, après avis du conseil. <AR 2001-04-19/50, art. 2, 059; En vigueur : 10-01-2000>
§ 3. Conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 6 juin 1960 relatif à la fabrication, à la préparation et à la distribution en gros des médicaments et à leur dispensation, les pharmaciens d'officine sont agréés d'office pour la fourniture d'articles sous forme stérile.
§ 4. L'agrément peut être limité à la délivrance de prestations déterminées. Le certificat d'agrément comporte cette mention.
E.
E.
Art.93. (Opgeheven) <KB 2006-09-28/45, art. 2, 133; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
Art.93. (Abrogé) <AR 2006-09-28/45, art. 2, 133; En vigueur : 01-11-2006>
F. Erkenningsraad voor opticiens.
F. Du conseil d'agrément des opticiens.
Art.94. De erkenningsraad voor opticiens is samengesteld uit: 1° De erkenningsgraad voor opticiens is samengesteld uit:
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van opticiens;
3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
1° de voorzitter;
2° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, door de Minister gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van opticiens;
3° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister;
4° één werkend en één plaatsvervangend lid, aangewezen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft.
Art.94. Le conseil d'agrément des opticiens est composé:
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants choisis par le Ministre parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des opticiens, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignes par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
1° du président;
2° de six membres effectifs et de six membres suppléants choisis par le Ministre parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des opticiens, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignés par le Ministre;
4° d'un membre effectif et d'un membre suppléant, désignes par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
Art.95. De Erkenningsraad voor opticiens heeft tot taak (de personen te erkennen) die hij als bevoegd erkent om de rechthebbenden van de verzekering de brillen en oogprothesen te verstrekken welke luidens de vorenbedoelde nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen, in de bevoegdheid vallen van de opticiens. <KB 2001-04-19/50, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.
De erkenningsaanvragen worden gezonden aan de Dienst voor geneeskundige verzorging die ze bezorgt aan de erkenningsraad.
Art.95. Le conseil d'agrément des opticiens a pour mission de (procéder à) l'agrément des personnes qu'il reconnaît compétentes pour fournir aux bénéficiaires de l'assurance les lunettes et prothèses de l'oeil qui, dans la nomenclature des prestations de santé susvisée, relèvent de la compétence des opticiens. <AR 2001-04-19/50, art. 1, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Les demandes d'agrément sont adressées au Service des soins de santé, celui-ci les transmet au conseil d'agrément.
Les demandes d'agrément sont adressées au Service des soins de santé, celui-ci les transmet au conseil d'agrément.
Art.96. § 1. [1 Worden als bevoegd erkend de personen welke houder zijn van één van de akten bedoeld in artikel 18, 1° en 2° en in artikel 26bis, § 2, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 betreffende de beroepsbekwaamheid voor de uitoefening van zelfstandige activiteiten op het gebied van lichaamsverzorging, van opticien, dentaaltechnicus en begrafenisondernemer.]1
§ 2. [1 ...]1
§ 2. [1 ...]1
Modifications
Art.96. § 1er. [1 Sont reconnus compétents, les porteurs d'un des titres visés à l'article 18, 1° et 2° et à l'article 26bis, § 2, de l'arrêté royal du 21 décembre 2006 relatif à la compétence professionnelle pour l'exercice des activités indépendantes relatives aux soins corporels, d'opticien, de technicien dentaire et d'entrepreneur de pompes funèbres.]1
§ 2.[1 ...]1
§ 2.[1 ...]1
Modifications
Art.97. Kunnen (worden erkend) de personen die sedert ten minste drie jaar het beroep van opticien uitoefenen hetzij als ondernemingshoofd, hetzij als technicus in dienst bij een opticien. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
De Raad beoordeelt de omstandigheden van de beroepsopleiding en de beroepsbekwaamheid van de kandidaten en legt hun, in voorkomend geval, een technisch bevoegdheidsexamen op dat hij inricht; het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de erkenningsraad.
De Raad beoordeelt de omstandigheden van de beroepsopleiding en de beroepsbekwaamheid van de kandidaten en legt hun, in voorkomend geval, een technisch bevoegdheidsexamen op dat hij inricht; het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de erkenningsraad.
Art.97. Peuvent être (agréées) les personnes qui exercent la profession d'opticien, soit comme chef d'entreprise, soit comme technicien au service d'un opticien depuis trois années au moins. <AR 2001-04-19/50, art. 2, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Le conseil apprécie les conditions de la formation et la qualification professionnelle des candidats et, le cas échéant, leur impose un examen de compétence technique qu'il organise; le programme de cet examen est fixé par le Roi, après avis du conseil d'agrément.
Le conseil apprécie les conditions de la formation et la qualification professionnelle des candidats et, le cas échéant, leur impose un examen de compétence technique qu'il organise; le programme de cet examen est fixé par le Roi, après avis du conseil d'agrément.
Art.98. De personen die niet voldoen aan de in artikel 97, eerste lid, gestelde voorwaarden, kunnen eveneens (worden erkend) mits zij sedert ten minste één jaar hun beroep uitoefenen als ondernemingshoofd of als technicus in dienst bij een opticien of mits zij, als apotheker, sedert ten minste drie jaar brillen en ook oogprothesen afleveren en zij, in elk geval, voldoen aan een door de Raad ingericht technisch bevoegdheidsexamen; het programma van dat examen wordt door de Koning bepaald na advies van de erkenningsraad. <KB 2001-04-19/50, art. 2, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
Art.98. Les personnes qui ne répondent pas aux conditions énoncées à l'article 97, alinéa 1er, peuvent également être (agréées) à la condition qu'elles exercent leur profession comme chef d'entreprise ou comme technicien au service d'un opticien depuis une année au moins ou que, comme pharmacien, elles délivrent des lunettes et prothèses de l'oeil depuis au moins trois ans et que dans chaque cas elle satisfassent à un examen de compétence technique organisé par le conseil; le programme de cet examen est fixé par le Roi, après avis du conseil d'agrément. <AR 2001-04-19/50, art. 2, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Fbis.
Fbis.
G. Gemene bepalingen ter zake van de erkenningsraden.
G. Des dispositions communes aux conseils d'agrément.
Art.99. (§ 1.) De leden van de erkenningsraden worden benoemd voor zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden hernieuwd. <KB 2002-12-10/32, art. 9, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
Het mandaat der leden van genoemde raden werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
Het mandaat der uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het aldus aangewezen nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
(§ 2. Nochtans worden de leden van de erkenningsraad voor kinesitherapeuten benoemd voor vier jaar.
Het mandaat van de uittredende leden is hernieuwbaar.
Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.) <KB 2002-12-10/32, art. 9, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
Het mandaat der leden van genoemde raden werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
Het mandaat der uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het aldus aangewezen nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
(§ 2. Nochtans worden de leden van de erkenningsraad voor kinesitherapeuten benoemd voor vier jaar.
Het mandaat van de uittredende leden is hernieuwbaar.
Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van zijn raad. Het nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.) <KB 2002-12-10/32, art. 9, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
Art.99. (§ 1.) Les membres des conseils d'agrément sont nommés pour un terme de 6 ans. Leur mandat est renouvelable par moitié tous les 3 ans. <AR 2002-12-10/32, art. 9, 084; En vigueur : 24-12-2002>
Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres desdits conseils a eu lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
(§ 2. Cependant, les membres du Conseil d'agrément des kinésithérapeutes sont nommés pour un terme de quatre ans.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.) <AR 2002-12-10/32, art. 9, 084; En vigueur : 24-12-2002>
Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres desdits conseils a eu lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
(§ 2. Cependant, les membres du Conseil d'agrément des kinésithérapeutes sont nommés pour un terme de quatre ans.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de son conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre achève le mandat du membre qu'il remplace.) <AR 2002-12-10/32, art. 9, 084; En vigueur : 24-12-2002>
Art.100. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd onder de in artikel 215, § 3, van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden.
Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd onder de in artikel 215, § 3, van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden.
Art.100. Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un président suppléant, nommé par le Roi, dans les conditions prévues à l'article 215, § 3, de la loi coordonnée.
En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un président suppléant, nommé par le Roi, dans les conditions prévues à l'article 215, § 3, de la loi coordonnée.
Art.101. Alle leden van de erkenningsraden zijn stemgerechtigd.
Art.101. Tous les membres des conseils d'agrément ont voix délibérative.
Art.102. De erkenningsraden worden door hun voorzitter in vergadering bijeengeroepen.
Een raad houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Een raad houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Art.102. Les conseils d'agrément se réunissent sur convocation de leur président.
Le siège du conseil est valablement constitue si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Le siège du conseil est valablement constitue si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art.103. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de erkenningsraden worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
Art.103. Les fonctions de secrétaire et de secrétaire-adjoint des conseils d'agrément sont assumées par des agents du Service des soins de santé désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
Art.104. De erkenning wordt behouden door de personen die daarom verzoeken en die, op 31 december 1963, erkend zijn bij toepassing van de bepalingen van het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van de ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Die erkenning heeft evenwel slechts betrekking op de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd erkend waren hetzij bij toepassing van de voorheen geldende tarieven voor geneeskundige verzorging, hetzij volgens de vermelding op het erkenningsgetuigschrift.
Die personen kunnen evenwel verzoeken dat een uitbreiding van hun bevoegdheid wordt erkend; daartoe moeten zij een technisch examen afleggen waarvan het programma door de Koning wordt bepaald na advies van de erkenningsraad.
Die erkenning heeft evenwel slechts betrekking op de verstrekkingen waarvoor die personen als bevoegd erkend waren hetzij bij toepassing van de voorheen geldende tarieven voor geneeskundige verzorging, hetzij volgens de vermelding op het erkenningsgetuigschrift.
Die personen kunnen evenwel verzoeken dat een uitbreiding van hun bevoegdheid wordt erkend; daartoe moeten zij een technisch examen afleggen waarvan het programma door de Koning wordt bepaald na advies van de erkenningsraad.
Art.104. L'agrément est maintenu à leur demande aux personnes qui, au 31 décembre 1963, sont agréées en application des dispositions de l'arrêté royal du 22 septembre 1955 organique de l'assurance maladie-invalidité.
Cet agrément ne porte toutefois que sur les prestations pour lesquelles ces personnes étaient reconnues compétentes, soit en application des tarifs de soins de santé précédemment en vigueur, soit suivant la mention du certificat d'agrément.
Ces personnes peuvent cependant solliciter la reconnaissance d'une extension de leur compétence en se soumettant à un examen technique dont le programme est fixé par le Roi, après avis du conseil d'agrément.
Cet agrément ne porte toutefois que sur les prestations pour lesquelles ces personnes étaient reconnues compétentes, soit en application des tarifs de soins de santé précédemment en vigueur, soit suivant la mention du certificat d'agrément.
Ces personnes peuvent cependant solliciter la reconnaissance d'une extension de leur compétence en se soumettant à un examen technique dont le programme est fixé par le Roi, après avis du conseil d'agrément.
Art.105. Ieder erkend persoon behoort de doktersvoorschriften stipt in acht te nemen.
Art.105. Toute personne agréée est tenue d'observer strictement les prescriptions des médecins.
Art.106. (opgeheven) <KB 2001-04-19/50, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
Art.106. (abroge) <AR 2001-04-19/50, art. 4, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Art. 106bis. <INGEVOEGD bij KB 1996-10-30/33, art. 2, Inwerkingtreding : 03-12-1996> Elk van die Erkenningsraden maakt zijn huishoudelijk reglement dat het Verzekeringscomité ter goedkeuring wordt voorgelegd.
Art. 106bis. Chacun de ces conseils agrément établit son règlement d'ordre intérieur qui est soumis à l'approbation du Comité de l'assurance.
Afdeling XI. - College van [1 artsen-directeurs]1.
Section XI. - Du Collège des médecins-directeurs.
Art.107. Het krachtens artikel 23 van de gecoördineerde wet ingestelde College van [1 artsen-directeurs]1 is samengesteld uit:
1° een voorzitter, (...); <KB 1998-06-02/46, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 17-07-1998>
2° (twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden), doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid; elke verzekeringsinstelling draagt onder haar kandidaten de [1 arts]1 voor die met haar geneeskundige directie is belast; <KB 1998-06-02/46, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 17-07-1998>
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde of artsen, ambtenaren van de Dienst voor geneeskundige verzorging.
1° een voorzitter, (...); <KB 1998-06-02/46, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 17-07-1998>
2° (twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden), doctors in de geneeskunde of artsen, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid; elke verzekeringsinstelling draagt onder haar kandidaten de [1 arts]1 voor die met haar geneeskundige directie is belast; <KB 1998-06-02/46, art. 2, 023; Inwerkingtreding : 17-07-1998>
3° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, doctors in de geneeskunde of artsen, ambtenaren van de Dienst voor geneeskundige verzorging.
Modifications
Art.107. Le Collège des médecins-directeurs institué en vertu de l'article 23 de la loi coordonnée, est composé:
1° d'un président, (...); <AR 1998-06-02/46, art. 1, 023; En vigueur : 17-07-1998>
2° (de douze membres effectifs et de douze membres suppléants), docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant; parmi ses candidats, chaque organisme assureur présente le médecin chargé de sa direction médicale; <AR 1998-06-02/46, art. 2, 023; En vigueur : 17-07-1998>
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, docteurs en médecine, fonctionnaires du Service des soins de santé.
1° d'un président, (...); <AR 1998-06-02/46, art. 1, 023; En vigueur : 17-07-1998>
2° (de douze membres effectifs et de douze membres suppléants), docteurs en médecine, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chaque organisme assureur ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant; parmi ses candidats, chaque organisme assureur présente le médecin chargé de sa direction médicale; <AR 1998-06-02/46, art. 2, 023; En vigueur : 17-07-1998>
3° de deux membres effectifs et de deux membres suppléants, docteurs en médecine, fonctionnaires du Service des soins de santé.
Art.108. De leden van het College van [1 artsen-directeurs]1 worden door de Koning benoemd voor zes jaar.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het College van [1 artsen-directeurs]1. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooid het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het College van [1 artsen-directeurs]1. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooid het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Modifications
Art.108. Les membres du Collège des médecins-directeurs sont nommés par le Roi pour un terme de six ans.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du Collège des médecins-directeurs avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du Collège des médecins-directeurs avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Art.109. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd onder de in artikel 23, § 5, van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden.
Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd onder de in artikel 23, § 5, van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden.
Art.109. Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un président suppléant nommé par le Roi dans les conditions prévues à l'article 23, § 5, de la loi coordonnée.
En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un président suppléant nommé par le Roi dans les conditions prévues à l'article 23, § 5, de la loi coordonnée.
Art.110. Het College van [1 artsen-directeurs]1 houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
Modifications
Art.110. Le siège du Collège des médecins-directeurs est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des participants au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.
Les décisions sont prises à la majorité simple des participants au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la voix du président est prépondérante.
Art. 110bis. <INGEVOEGD bij AR 2000-02-14/37, art. 1, 048; Inwerkingtreding : 2000-04-01> De opdrachten van het College van [2 artsen-directeurs]2 die betrekking (heb ben op) tegemoetkomingen door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging ten voordele van individuele rechthebbenden voor de verstrekkingen voorzien in de artikelen 23, § 1, [1 ...]1 en 25, § 2, van de gecoördineerde wet worden eveneens geldig uitgevoerd door een afzonderlijk optredend lid van het College op voorwaarde dat deze beslissingsbevoegdheid niet uitgeoefend wordt door een lid dat tewerkgesteld is bij de verzekeringsinstelling waarbij de belanghebbende rechthebbende aangesloten of ingeschreven is. Het College waakt, door de procedure voorzien in zijn huishoudelijk reglement, over de eenvormigheid van de aldus genomen beslissingen.
Art. 110bis. Les missions du Collège des médecins-directeurs relatives à des interventions par l'assurance obligatoire soins de santé en faveur de (bénéficiaires) individuels sont de même (exécutées) valablement par un membre du Collège agissant individuellement pour les prestations visées aux articles 23, § 1er, [1 ...]1, et 25, § 2, de la loi coordonnée à condition que cette compétence de décision ne soit pas exercée par un membre occupé par l'organisme assureur auquel le bénéficiaire intéressé est affilié ou inscrit. Le Collège veille, conformément à la procédure prévue dans son règlement d'ordre intérieur, à l'uniformité des décisions ainsi prises.
Modifications
Art.111. Het College van [1 artsen-directeurs]1 wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Modifications
Art.111. Le Collège des médecins-directeurs se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de l'assurance, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.112. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van het College van [1 artsen-directeurs]1 worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van bedoelde dienst.
Modifications
Art.112. Les fonctions de secrétaire et de secrétaire-adjoint du Collège des médecins-directeurs sont assumées par les agents du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit Service.
Art.113. Het College van [1 artsen-directeurs]1 maakt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Verzekeringscomité.
Modifications
Art.113. Le Collège des médecins-directeurs établit son règlement d'ordre intérieur qu'il soumet pour approbation au Comité de l'assurance.
Afdeling XII. - Raad voor advies inzake revalidatie.
Section XII. - Du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle.
Art.114. De in artikel 24, § 4, van de gecoördineerde wet bedoelde Raad voor advies inzake revalidatie wordt in vergadering bijeengeroepen door de voorzitter hetzij op zijn initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op verzoek van het Verzekeringscomité, hetzij op verzoek van het College van [1 artsen-directeurs]1, hetzij op schriftelijk verzoek van ten minste drie leden; de bijeenroeping vermeldt het onderwerp van de vergadering.
Modifications
Art.114. Le Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle visé à l'article 24, § 4, de la loi coordonnée se réunit sur convocation du président soit à son initiative, soit à la requête du Ministre, soit à la requête du Comité de l'assurance, soit à la requête du Collège des médecins-directeurs, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit; la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Art.115. De voorzitter maakt de adviezen van de Raad voor advies inzake revalidatie over aan het Verzekeringscomité, na ze te hebben meegedeeld aan het College van [1 artsen-directeursgen]1 bijvoegt.
Modifications
Art.115. Le président transmet les avis du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle au Comité de l'assurance, après les avoir communiqués au Collège des médecins-directeurs, qui y ajoute ses remarques.
Art.116. (De leden van de Raad voor advies inzake revalidatie worden benoemd voor vier jaar. Het mandaat van de uittredende leden is hernieuwbaar.) <KB 2002-12-10/32, art. 10, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de raad. Het nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat geen deel meer uitmaakt van de raad. Het nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
Art.116. (Les membres du conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle sont nommés pour quatre ans. Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.) <AR 2002-12-10/32, art. 10, 084; En vigueur : 24-12-2002>
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du conseil avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
Art.117. De Raad van advies inzake revalidatie houdt op geldige wijze zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen; er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Art.117. Le siège du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents. Les décisions sont prises à la majorité simple des membres participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix, la proposition est rejetée.
Art.118. De functies van secretaris en adjunct-secretaris van de Raad voor advies inzake revalidatie worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van deze dienst.
Art.118. Les fonctions de secrétaire et de secrétaire adjoint du Conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle sont assumées par des agents du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
Art.119. De Raad voor advies inzake revalidatie maakt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Verzekeringscomité.
Art.119. Le conseil consultatif de la rééducation fonctionnelle établit son règlement d'ordre intérieur qu'il soumet pour approbation au Comité de l'assurance.
Afdeling XIII. - (Het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 en de lokale colleges).
Section XIII. - (Du Collège national des médecins et des collèges locaux).
Art.120. <KB 1997-08-29/41, art. 1, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging wordt een Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 ingesteld. Dit college heeft tot opdracht :
1° een huishoudelijk reglement op te maken;
2° (de opvolging verzekeren van de in artikel 153 van dit besluit en van de in artikel 8, § 7, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, bedoelde beslissingen van de adviserend [1 artsen]1 en van de door hen vastgestelde onregelmatigheden.) <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Daartoe bezorgen de adviserend [1 artsen]1 elk kwartaal aan het college, via hun medische directie en volgens de door dit college vastgestelde modaliteiten, de statistische informatie betreffende hun beslissingen en vaststellingen van onregelmatigheden.
Het college verricht het lichamelijk onderzoek bij de rechthebbenden als het dat nodig acht en wijzigt eventueel de door de adviserend [1 arts]1 genomen beslissing. De beslissing van het college kan geen terugwerkende kracht hebben. Zij blijft geldig voor een periode van maximum één jaar.
Van die beslissing wordt kennis gegeven aan de rechthebbende, aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, aan de inrichting waar hij is opgenomen of aan de verpleegkundige (associatie, groepspraktijk, dienst voor thuisverpleging) die instaat voor de in het kader van de thuisverpleging vereiste zorg. <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Het college kan, als het dat nuttig acht, nagaan of in een bepaalde inrichting de reglementaire normen inzake de aanwezigheid van het personeel die zijn vastgesteld krachtens artikel 37, § 12, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, worden nageleefd, alsook of de door (de in hetzelfde artikel bedoelde tegemoetkoming) gedekte verzorging daadwerkelijk wordt verleend. Daartoe kan het aan het genoemde personeel en aan de directie van de inrichting alle informatie vragen die het nuttig acht voor de uitvoering van deze opdracht; <KB 2003-04-04/93, art. 1, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
3° de in artikel 34, 11° en 12°, van de in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde diensten en instellingen, met name aan de hand van statistische gegevens die het op zijn verzoek door bedoelde diensten of instellingen zijn bezorgd, te controleren op de wijze waarop ze de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen naleven.
Op verzoek van de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging, gelast het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 sommige van zijn leden een enquête ter plaatse te verrichten om na te gaan of de afhankelijkheidscategorieën waarin de gehuisveste rechthebbenden zijn ondergebracht, de in de artikelen 150 en 151 gestelde voorwaarden vervullen en of de inrichting de in artikel 152, § 4, vastgestelde voorschriften toepast. Het Nationaal college brengt, binnen zestig dagen na de voormelde aanvraag, van die enquête verslag uit bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging;
4° het (de vastgestelde onregelmatigheden rapporteren) aan de betrokken organen, namelijk de Dienst voor administratieve controle voor de aanwezigheid van het personeel, de Dienst voor geneeskundige controle voor de daadwerkelijke uitvoering van de verstrekkingen en (de Dienst voor geneeskundige verzorging voor de andere vastgestelde onregelmatigheden). Deze onregelmatigheden worden door het college ingezameld volgens de bepalingen zoals vermeld in punt 2°; <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
5° het bezorgen, via de medische directies, van bijkomende informatie aan adviserend [1 artsen]1 om te komen tot meer gerichte controles;
6° de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging jaarlijks verslag uit te brengen van zijn activiteiten.
1° een huishoudelijk reglement op te maken;
2° (de opvolging verzekeren van de in artikel 153 van dit besluit en van de in artikel 8, § 7, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, bedoelde beslissingen van de adviserend [1 artsen]1 en van de door hen vastgestelde onregelmatigheden.) <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Daartoe bezorgen de adviserend [1 artsen]1 elk kwartaal aan het college, via hun medische directie en volgens de door dit college vastgestelde modaliteiten, de statistische informatie betreffende hun beslissingen en vaststellingen van onregelmatigheden.
Het college verricht het lichamelijk onderzoek bij de rechthebbenden als het dat nodig acht en wijzigt eventueel de door de adviserend [1 arts]1 genomen beslissing. De beslissing van het college kan geen terugwerkende kracht hebben. Zij blijft geldig voor een periode van maximum één jaar.
Van die beslissing wordt kennis gegeven aan de rechthebbende, aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, aan de inrichting waar hij is opgenomen of aan de verpleegkundige (associatie, groepspraktijk, dienst voor thuisverpleging) die instaat voor de in het kader van de thuisverpleging vereiste zorg. <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Het college kan, als het dat nuttig acht, nagaan of in een bepaalde inrichting de reglementaire normen inzake de aanwezigheid van het personeel die zijn vastgesteld krachtens artikel 37, § 12, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994, worden nageleefd, alsook of de door (de in hetzelfde artikel bedoelde tegemoetkoming) gedekte verzorging daadwerkelijk wordt verleend. Daartoe kan het aan het genoemde personeel en aan de directie van de inrichting alle informatie vragen die het nuttig acht voor de uitvoering van deze opdracht; <KB 2003-04-04/93, art. 1, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
3° de in artikel 34, 11° en 12°, van de in de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 bedoelde diensten en instellingen, met name aan de hand van statistische gegevens die het op zijn verzoek door bedoelde diensten of instellingen zijn bezorgd, te controleren op de wijze waarop ze de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen naleven.
Op verzoek van de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging, gelast het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 sommige van zijn leden een enquête ter plaatse te verrichten om na te gaan of de afhankelijkheidscategorieën waarin de gehuisveste rechthebbenden zijn ondergebracht, de in de artikelen 150 en 151 gestelde voorwaarden vervullen en of de inrichting de in artikel 152, § 4, vastgestelde voorschriften toepast. Het Nationaal college brengt, binnen zestig dagen na de voormelde aanvraag, van die enquête verslag uit bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging;
4° het (de vastgestelde onregelmatigheden rapporteren) aan de betrokken organen, namelijk de Dienst voor administratieve controle voor de aanwezigheid van het personeel, de Dienst voor geneeskundige controle voor de daadwerkelijke uitvoering van de verstrekkingen en (de Dienst voor geneeskundige verzorging voor de andere vastgestelde onregelmatigheden). Deze onregelmatigheden worden door het college ingezameld volgens de bepalingen zoals vermeld in punt 2°; <KB 2003-04-04/93, art. 2, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
5° het bezorgen, via de medische directies, van bijkomende informatie aan adviserend [1 artsen]1 om te komen tot meer gerichte controles;
6° de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging jaarlijks verslag uit te brengen van zijn activiteiten.
Modifications
Art.120. <AR 1997-08-29/41, art. 1, 010; En vigueur : 01-10-1997> Un Collège national des médecins-conseils est institué auprès du Service des soins de santé. Ce collège a pour mission :
1° de rédiger un règlement d'ordre intérieur;
2° (d'assurer le suivi des décisions des médecins-conseils visées à l'article 153 du présent arrêté et à l'article 8, § 7, de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé, et de leur constatations d'irrégularités.) <AR 2003-04-04/93, art. 2, 094; En vigueur : 01-07-2003>
A cette fin, les médecins-conseils transmettent trimestriellement au collège par l'intermédiaire de leur direction médicale et selon les modalités fixées par ce collège, les informations statistiques se rapportant à leurs décisions et les constatations d'irrégularités.
Le collège procède à l'examen corporel des bénéficiaires lorsqu'il l'estime nécessaire et modifie éventuellement la décision prise par le médecin-conseil. La décision du collège ne peut avoir d'effet rétroactif. Elle reste valable pendant une période d'un an au maximum.
Cette décision est notifiée au bénéficiaire, à l'organisme assureur auprès duquel il est affilié ou inscrit et à l'institution où il est admis ou au praticien de l'art infirmier (association, cabinet de groupe, service de soins à domicile) dispensant les soins nécessaires dans le cadre des soins à domicile. <AR 2003-04-04/93, art. 2, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Le collège peut, s'il le juge utile, vérifier si dans une institution déterminée, les normes réglementaires en matière de présence du personnel qui sont fixées en vertu de l'article 37, § 12, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994, sont respectées et si les soins couverts par (l'intervention visée au même article) sont effectivement dispensés. A cette fin, il peut demander audit personnel et à la direction de l'institution toute information qu'il juge utile pour l'exécution de cette mission; <AR 2003-04-04/93, art. 2, 094; En vigueur : 01-07-2003>
3° de contrôler, notamment à l'aide de données statistiques, transmises à sa demande par les services ou les institutions visés à l'article 34, 11° et 12°, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994, la manière dont ceux-ci observent les dispositions légales et réglementaires concernant l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé, le Collège national des médecins-conseils charge certains de ses membres d'effectuer une enquête sur place, afin de vérifier si les catégories de dépendance dans lesquelles sont classés les bénéficiaires hébergés répondent aux conditions fixées par les articles 150 et 151, et si l'institution applique les prescriptions fixées à l'article 152, § 4. Le Collège national fait rapport des résultats de cette enquête, dans les soixante jours qui suivent la demande susvisée, au fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé;
4° de (faire rapport des irrégularités relevées) aux organes intéressés, soit le Service du contrôle administratif pour la présence du personnel, le Service du contrôle médical pour l'exécution effective des prestations et (le Service des soins de santé pour les autres irrégularités constatées). Ces irrégularités sont collectées par le collège suivant les dispositions fixées au point 2°; <AR 2003-04-04/93, art. 2, 094; En vigueur : 01-07-2003>
5° de transmettre, par l'intermédiaire des directions médicales, des informations supplémentaires aux médecins-conseils pour obtenir des contrôles plus ponctuels;
6° de faire annuellement rapport sur ses activités au fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé.
1° de rédiger un règlement d'ordre intérieur;
2° (d'assurer le suivi des décisions des médecins-conseils visées à l'article 153 du présent arrêté et à l'article 8, § 7, de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé, et de leur constatations d'irrégularités.) <AR 2003-04-04/93, art. 2, 094; En vigueur : 01-07-2003>
A cette fin, les médecins-conseils transmettent trimestriellement au collège par l'intermédiaire de leur direction médicale et selon les modalités fixées par ce collège, les informations statistiques se rapportant à leurs décisions et les constatations d'irrégularités.
Le collège procède à l'examen corporel des bénéficiaires lorsqu'il l'estime nécessaire et modifie éventuellement la décision prise par le médecin-conseil. La décision du collège ne peut avoir d'effet rétroactif. Elle reste valable pendant une période d'un an au maximum.
Cette décision est notifiée au bénéficiaire, à l'organisme assureur auprès duquel il est affilié ou inscrit et à l'institution où il est admis ou au praticien de l'art infirmier (association, cabinet de groupe, service de soins à domicile) dispensant les soins nécessaires dans le cadre des soins à domicile. <AR 2003-04-04/93, art. 2, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Le collège peut, s'il le juge utile, vérifier si dans une institution déterminée, les normes réglementaires en matière de présence du personnel qui sont fixées en vertu de l'article 37, § 12, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994, sont respectées et si les soins couverts par (l'intervention visée au même article) sont effectivement dispensés. A cette fin, il peut demander audit personnel et à la direction de l'institution toute information qu'il juge utile pour l'exécution de cette mission; <AR 2003-04-04/93, art. 2, 094; En vigueur : 01-07-2003>
3° de contrôler, notamment à l'aide de données statistiques, transmises à sa demande par les services ou les institutions visés à l'article 34, 11° et 12°, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994, la manière dont ceux-ci observent les dispositions légales et réglementaires concernant l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé, le Collège national des médecins-conseils charge certains de ses membres d'effectuer une enquête sur place, afin de vérifier si les catégories de dépendance dans lesquelles sont classés les bénéficiaires hébergés répondent aux conditions fixées par les articles 150 et 151, et si l'institution applique les prescriptions fixées à l'article 152, § 4. Le Collège national fait rapport des résultats de cette enquête, dans les soixante jours qui suivent la demande susvisée, au fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé;
4° de (faire rapport des irrégularités relevées) aux organes intéressés, soit le Service du contrôle administratif pour la présence du personnel, le Service du contrôle médical pour l'exécution effective des prestations et (le Service des soins de santé pour les autres irrégularités constatées). Ces irrégularités sont collectées par le collège suivant les dispositions fixées au point 2°; <AR 2003-04-04/93, art. 2, 094; En vigueur : 01-07-2003>
5° de transmettre, par l'intermédiaire des directions médicales, des informations supplémentaires aux médecins-conseils pour obtenir des contrôles plus ponctuels;
6° de faire annuellement rapport sur ses activités au fonctionnaire dirigeant du Service des soins de santé.
Art.121. Het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 is samengesteld uit (dertien werkende en dertien plaatsvervangende leden), adviserend [1 artsen]1, gekozen uit kandidaten die in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid. <KB 1997-08-29/41, art. 2, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
De leden worden door de Koning benoemd.
Het college stelt onder zijn leden een voorzitter aan.
De leden van het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Het mandaat van de helft van de leden werd voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1986 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1. het aldus aangestelde lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
De leden worden door de Koning benoemd.
Het college stelt onder zijn leden een voorzitter aan.
De leden van het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1 worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden. Het mandaat van de helft van de leden werd voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1986 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van het Nationaal college van adviserend [1 artsen]1. het aldus aangestelde lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Modifications
Art.121. Le Collège national des médecins-conseils est composé (de treize membres effectifs et de treize membres suppléants), médecins-conseils choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une liste double de celle des mandats à pourvoir; pour fixer l'importance de la représentation des organismes assureurs, on tient compte de leur effectif respectif; chaque organisme assureur a droit à au moins un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant. Un membre suppléant ne peut siéger qu'en l'absence d'un membre effectif. <AR 1997-08-29/41, art. 2, 010; En vigueur : 01-10-1997>
Les membres sont nommés par le Roi.
Le Collège désigne un président parmi ses membres.
Les membres du Collège national des médecins-conseils sont nommés pour six ans. Leur mandat est renouvelable par moitié tous les trois ans. Le mandat de la moitie des membres a été renouvelé pour la première fois le 1er janvier 1986 et les membres sortants ont été tirés au sort.
Le mandat des membres sortants est renouvelable.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de chaque membre qui, avant l'expiration normale de son mandat, ne fait plus partie du Collège national des médecins-conseils. Le membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Les membres sont nommés par le Roi.
Le Collège désigne un président parmi ses membres.
Les membres du Collège national des médecins-conseils sont nommés pour six ans. Leur mandat est renouvelable par moitié tous les trois ans. Le mandat de la moitie des membres a été renouvelé pour la première fois le 1er janvier 1986 et les membres sortants ont été tirés au sort.
Le mandat des membres sortants est renouvelable.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de chaque membre qui, avant l'expiration normale de son mandat, ne fait plus partie du Collège national des médecins-conseils. Le membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Art.122. (§ 1.) Het Nationaal college van adviserend [2 artsen]2 houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden aanwezig is. <KB 2003-04-04/93, art. 3, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Alle leden van het Nationaal college zijn stemgerechtigd. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
(Derde lid opgeheven) <KB 2003-04-04/93, art. 3, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
De functies van secretaris en adjunct-secretaris van het Nationaal college van adviserend [2 artsen]2 worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van bedoelde dienst.
(§ 2. Voor de uitvoering van de in artikel 120, 2°, 3° en 4° bedoelde opdrachten, richt het Nationaal college afdelingen op die zijn samengesteld uit :
1° ten minste twee van zijn leden;
2° adviserend [2 artsen]2 - leden of niet-leden - en/of verpleegkundigen [1 en/of kinesitherapeuten]1 die, overeenkomstig [1 artikel 153, §§ 3 en 4]1, van de gecoördineerde wet, door de adviserend [2 artsen-directeurs]2 gemandateerd zijn, ervoor zorgend dat ten minste drie verschillende verzekeringsinstellingen in de afdeling vertegenwoordigd zijn.
§ 3. Voor de uitvoering van de in artikel 120, 2°, 3° en 4° bedoelde opdrachten kan het Nationaal college een beroep doen op onder zijn toezicht geplaatste lokale colleges die zijn samengesteld uit :
1° een adviserend [2 arts]2, provinciaal verantwoordelijk, die, op voordracht van de verzekeringsinstellingen, door het Nationaal college wordt aangewezen. Het Nationaal college kan per provincie meerdere verantwoordelijken aanwijzen die, ofwel om beurt, ofwel op grond van een geografische spreiding, die taken op zich nemen;
2° ten minste drie adviserend [2 artsen]2 en/of verpleegkundigen [1 en/of kinesitherapeuten]1, door die adviserend [2 artsen]2 gemandateerd overeenkomstig [1 artikel 153, §§ 3 en 4]1, van de gecoördineerde wet, die voorkomen op een lijst die, op voorstel van de verzekeringsinstellingen, door het Nationaal college is opgemaakt.
In elk lokaal college zijn ten minste drie verzekeringsinstellingen vertegenwoordigd.
§ 4. (Het lichamelijk onderzoek van elke rechthebbende wordt uitgevoerd door ten minste twee leden van de afdelingen van het Nationaal College of van de lokale colleges die hun beslissingen bij consensus nemen. Indien die twee leden het niet eens zijn, wordt de rechthebbende opnieuw onderzocht door alle leden van de afdeling of van het lokale college. De genomen beslissingen worden met een aangetekende brief van ofwel een adviserend [2 arts]2, lid van het Nationaal College, ofwel de adviserend [2 arts]2, provinciaal verantwoordelijke, aan de zorgverlener meegedeeld. Ze delen ze mee aan het secretariaat van het Nationaal College dat ze voor uitvoering doorstuurt naar de verschillende verzekeringsinstellingen.) <KB 2005-02-28/38, art. 1, 116; Inwerkingtreding : 23-03-2005>
§ 5. De procedures die door die afdelingen en lokale colleges voor de uitvoering van hun opdrachten moeten worden gevolgd, worden door het Nationaal college gedetailleerd vastgesteld in zijn huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 120, 1°.) <KB 2003-04-04/93, art. 3, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Alle leden van het Nationaal college zijn stemgerechtigd. De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen. Bij staking van stemmen is het voorstel verworpen.
(Derde lid opgeheven) <KB 2003-04-04/93, art. 3, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
De functies van secretaris en adjunct-secretaris van het Nationaal college van adviserend [2 artsen]2 worden waargenomen door personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging, aangewezen door de leidend ambtenaar van bedoelde dienst.
(§ 2. Voor de uitvoering van de in artikel 120, 2°, 3° en 4° bedoelde opdrachten, richt het Nationaal college afdelingen op die zijn samengesteld uit :
1° ten minste twee van zijn leden;
2° adviserend [2 artsen]2 - leden of niet-leden - en/of verpleegkundigen [1 en/of kinesitherapeuten]1 die, overeenkomstig [1 artikel 153, §§ 3 en 4]1, van de gecoördineerde wet, door de adviserend [2 artsen-directeurs]2 gemandateerd zijn, ervoor zorgend dat ten minste drie verschillende verzekeringsinstellingen in de afdeling vertegenwoordigd zijn.
§ 3. Voor de uitvoering van de in artikel 120, 2°, 3° en 4° bedoelde opdrachten kan het Nationaal college een beroep doen op onder zijn toezicht geplaatste lokale colleges die zijn samengesteld uit :
1° een adviserend [2 arts]2, provinciaal verantwoordelijk, die, op voordracht van de verzekeringsinstellingen, door het Nationaal college wordt aangewezen. Het Nationaal college kan per provincie meerdere verantwoordelijken aanwijzen die, ofwel om beurt, ofwel op grond van een geografische spreiding, die taken op zich nemen;
2° ten minste drie adviserend [2 artsen]2 en/of verpleegkundigen [1 en/of kinesitherapeuten]1, door die adviserend [2 artsen]2 gemandateerd overeenkomstig [1 artikel 153, §§ 3 en 4]1, van de gecoördineerde wet, die voorkomen op een lijst die, op voorstel van de verzekeringsinstellingen, door het Nationaal college is opgemaakt.
In elk lokaal college zijn ten minste drie verzekeringsinstellingen vertegenwoordigd.
§ 4. (Het lichamelijk onderzoek van elke rechthebbende wordt uitgevoerd door ten minste twee leden van de afdelingen van het Nationaal College of van de lokale colleges die hun beslissingen bij consensus nemen. Indien die twee leden het niet eens zijn, wordt de rechthebbende opnieuw onderzocht door alle leden van de afdeling of van het lokale college. De genomen beslissingen worden met een aangetekende brief van ofwel een adviserend [2 arts]2, lid van het Nationaal College, ofwel de adviserend [2 arts]2, provinciaal verantwoordelijke, aan de zorgverlener meegedeeld. Ze delen ze mee aan het secretariaat van het Nationaal College dat ze voor uitvoering doorstuurt naar de verschillende verzekeringsinstellingen.) <KB 2005-02-28/38, art. 1, 116; Inwerkingtreding : 23-03-2005>
§ 5. De procedures die door die afdelingen en lokale colleges voor de uitvoering van hun opdrachten moeten worden gevolgd, worden door het Nationaal college gedetailleerd vastgesteld in zijn huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 120, 1°.) <KB 2003-04-04/93, art. 3, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art.122. (§ 1er.) Pour pouvoir valablement siéger, le Collège national des médecins-conseils doit réunir au moins la moitié des membres. <AR 2003-04-04/93, art. 3, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Tous les membres du Collège national ont voix délibérative. Les décisions sont prises à la majorité simple des membres qui participent au vote. S'il y a parité de voix, la proposition est rejetée.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2003-04-04/93, art. 3, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Les fonctions de secrétaire et de secrétaire adjoint du Collège national des médecins-conseils sont assumées par des membres du personnel du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
(§ 2. Pour exécuter les missions visées à l'article 120, 2°, 3° et 4°, le Collège national constitue des sections composées :
1° d'au moins deux de ses membres;
2° de médecins-conseils membres ou non-membres et/ou de praticiens de l'art infirmier [1 et/ou de kinésithérapeutes]1, mandatés par les médecins-conseils en application de [1 l'article 153, §§ 3 et 4]1, de la loi coordonnée, de sorte qu'au minimum trois organismes assureurs différents soient représentés dans l'ensemble de la section.
§ 3. Pour l'exécution des missions visées à l'article 120, 2°, 3° et 4°, le Collège national peut faire appel aux collèges locaux places sous sa tutelle et composés :
1° d'un médecin-conseil responsable provincial, désigné par le Collège national sur proposition des organismes assureurs. Le Collège national peut désigner plusieurs responsables par province, qui assument cette tâche soit à tour de rôle, soit en fonction d'une répartition géographique;
2° d'au moins trois médecins-conseils et/ou de praticiens de l'art infirmier [1 et/ou de kinésithérapeutes]1, mandatés par ces médecins en application de [1 l'article 153, §§ 3 et 4]1, de la loi coordonnée, figurant sur une liste composée par le Collège national sur proposition des organismes assureurs.
Au minimum trois organismes assureurs différents sont représentés dans chaque collège local.) <AR 2003-04-04/93, art. 3, 094; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. (L'examen corporel de chaque bénéficiaire est effectué par au moins deux membres des sections du Collège national ou des collèges locaux, qui prennent leur décision par consensus. En cas de désaccord entre ces deux membres, le bénéficiaire est réexaminé par l'ensemble des membres de la section ou du collège local. Les décisions prises sont notifiées au dispensateur de soins par envoi recommandé effectué, soit par un médecin-conseil membre du Collège national, soit par le médecin-conseil responsable provincial. Ils les communiquent au secrétariat du Collège national qui les transmet aux différents organismes assureurs pour exécution.) <AR 2005-02-28/38, art. 1, 116; En vigueur : 23-03-2005>
(§ 5. Le détail des procédures à suivre par ces sections et ces collèges locaux pour l'accomplissement de leurs missions est fixé par le Collège national dans son règlement d'ordre intérieur visé à l'article 120, 1°.) <AR 2003-04-04/93, art. 3, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Tous les membres du Collège national ont voix délibérative. Les décisions sont prises à la majorité simple des membres qui participent au vote. S'il y a parité de voix, la proposition est rejetée.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 2003-04-04/93, art. 3, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Les fonctions de secrétaire et de secrétaire adjoint du Collège national des médecins-conseils sont assumées par des membres du personnel du Service des soins de santé, désignés par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
(§ 2. Pour exécuter les missions visées à l'article 120, 2°, 3° et 4°, le Collège national constitue des sections composées :
1° d'au moins deux de ses membres;
2° de médecins-conseils membres ou non-membres et/ou de praticiens de l'art infirmier [1 et/ou de kinésithérapeutes]1, mandatés par les médecins-conseils en application de [1 l'article 153, §§ 3 et 4]1, de la loi coordonnée, de sorte qu'au minimum trois organismes assureurs différents soient représentés dans l'ensemble de la section.
§ 3. Pour l'exécution des missions visées à l'article 120, 2°, 3° et 4°, le Collège national peut faire appel aux collèges locaux places sous sa tutelle et composés :
1° d'un médecin-conseil responsable provincial, désigné par le Collège national sur proposition des organismes assureurs. Le Collège national peut désigner plusieurs responsables par province, qui assument cette tâche soit à tour de rôle, soit en fonction d'une répartition géographique;
2° d'au moins trois médecins-conseils et/ou de praticiens de l'art infirmier [1 et/ou de kinésithérapeutes]1, mandatés par ces médecins en application de [1 l'article 153, §§ 3 et 4]1, de la loi coordonnée, figurant sur une liste composée par le Collège national sur proposition des organismes assureurs.
Au minimum trois organismes assureurs différents sont représentés dans chaque collège local.) <AR 2003-04-04/93, art. 3, 094; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. (L'examen corporel de chaque bénéficiaire est effectué par au moins deux membres des sections du Collège national ou des collèges locaux, qui prennent leur décision par consensus. En cas de désaccord entre ces deux membres, le bénéficiaire est réexaminé par l'ensemble des membres de la section ou du collège local. Les décisions prises sont notifiées au dispensateur de soins par envoi recommandé effectué, soit par un médecin-conseil membre du Collège national, soit par le médecin-conseil responsable provincial. Ils les communiquent au secrétariat du Collège national qui les transmet aux différents organismes assureurs pour exécution.) <AR 2005-02-28/38, art. 1, 116; En vigueur : 23-03-2005>
(§ 5. Le détail des procédures à suivre par ces sections et ces collèges locaux pour l'accomplissement de leurs missions est fixé par le Collège national dans son règlement d'ordre intérieur visé à l'article 120, 1°.) <AR 2003-04-04/93, art. 3, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Modifications
Afdeling XIV. [1 Accreditering.]1
Section XIV. [1 Accréditation.]1
Onderafdeling 1. [1 Accreditering van de artsen.]1
Sous- section 1. [1 Accréditation des médecins.]1
A. [1 Accrediteringsorganen voor artsen.]1
A. [1 Organes d'accréditation pour médecins.]1
Art. 122bis. <INGEVOEGD bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> Bij de dienst voor geneeskundige verzorging worden ingesteld :
- een Nationale raad voor kwaliteitspromotie;
- een Accrediteringsstuurgroep;
- een Technische accrediteringsraad;
- een Paritair comité voor elk specialisme van de geneeskunde;
- een Commissie van beroep.
1. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie.
- een Nationale raad voor kwaliteitspromotie;
- een Accrediteringsstuurgroep;
- een Technische accrediteringsraad;
- een Paritair comité voor elk specialisme van de geneeskunde;
- een Commissie van beroep.
1. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie.
Art. 122bis. Sont institués auprès du Service des soins de santé :
- un Conseil national de la promotion de la qualité;
- un Groupe de direction de l'accréditation;
- un Conseil technique de l'accréditation;
- un Comité paritaire pour chaque spécialité de la médecine;
- une Commission d'Appel.
1. Le Conseil national de la promotion de la qualité.
- un Conseil national de la promotion de la qualité;
- un Groupe de direction de l'accréditation;
- un Conseil technique de l'accréditation;
- un Comité paritaire pour chaque spécialité de la médecine;
- une Commission d'Appel.
1. Le Conseil national de la promotion de la qualité.
Art. 122ter. <INGEVOEGD bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie is samengesteld uit de volgende vier groepen :
1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden erkende huisartsen en 6 werkende en 6 plaatsvervangende [1 artsen-specialisten]1;
2° 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de universiteiten vertegenwoordigen en 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
3° 12 werkende en 12 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen;
4° 3 werkende en 3 plaatsvervangende leden die de Minister bevoegd voor sociale zaken vertegenwoordigen en 3 werkende en 3 plaatsvervangende leden die de Minister bevoegd voor volksgezondheid vertegenwoordigen.
De groepen bedoeld onder 2° en 3° bevatten enkel [1 artsen]1 als leden.
§ 2. De leden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie worden benoemd door de Koning :
1° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1;
2° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van respectievelijk de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen : waar het gaat om de universiteiten heeft elke universiteit die een volledige opleidingscyclus heeft voor het bekomen van het diploma van doctor in de geneeskunde, recht op één werkend lid en één plaatsvervangend lid.
3° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen : iedere verzekeringsinstelling heeft minstens één werkend en één plaatsvervangend lid;
4° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 4°, op de voordracht van respectievelijk de Minister bevoegd voor sociale zaken en de Minister bevoegd voor volksgezondheid.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 3. De leden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 1° een voorzitter, en drie ondervoorzitters onder de leden van de drie groepen bedoeld in § 1, 2°, 3° en 4°. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de drie ondervoorzitters.
§ 4. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie :
1° beheert het evaluatiesysteem "peer review", zijnde een systeem van kritisch onderzoek door artsen van de kwaliteit van hun zorgverstrekking en inzonderheid, wanneer objectieve of op wetenschappelijke consensus gebaseerde criteria van een aanvaardbare en adequate praktijkvoering bestaan, een evaluatie van de performantie ervan met betrekking tot deze criteria, en bepaalt daartoe de onderwerpen en neemt de initiatieven voor de permanente ontwikkeling van de kwaliteit, op basis van informatie, voorstellen aanbevelingen en stimulansen;
2° ontwikkelt aanbevelingen voor het correct gebruik van het globaal medisch dossier;
3° ontwikkelt aanbevelingen ter bevordering van het teamwerk en van diverse samenwerkingsverbanden;
(3°bis stelt de aanbevelingen vast van goede medische praktijk, bedoeld in artikel 73, § 3, van de gecoördineerde wet, evenals de indicatoren bedoeld in artikel 73, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, en verstrekt feedbackgegevens aan [1 artsen]1 en aan lokale kwaliteitsgroepen;) <KB 2004-12-20/33, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 30-12-2004>
4° neemt kennis van de werkzaamheden van de Accrediteringsstuurgroep bedoeld in artikel 122quater;
5° geeft kennis van zijn werkzaamheden aan de Accrediteringsstuurgroep.
De Nationale raad voor kwaliteitspromotie vervult de opdrachten bedoeld in 4° en 5° met het oog op de inhoudelijke coördinatie van werkzaamheden.
§ 5. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° de Nationale raad voor kwaliteitspromotie houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
2° de beslissingen van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van (drie van de vier groepen bedoeld in § 1) worden goedgekeurd; alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd; <KB 2004-12-20/33, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 30-12-2004>
3° de Nationale raad voor kwaliteitspromotie bevat een werkgroep huisartsgeneeskunde. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie kan andere werkgroepen instellen;
4° bij het uitoefenen van zijn opdracht bedoeld in § 4, 1°, kan de Nationale raad voor kwaliteitspromotie op conceptueel en implementeringsvlak een beroep doen op de instanties die hij daartoe aanwijst, met inbegrip van de paritaire comités bedoeld in de artikelen 122sexies en 122septies;
5° de voorzitter roept de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zonder uitstel bijeen indien tenminste drie leden schriftelijk vragen een bepaald onderwerp op de agenda te plaatsen.
§ 6. De instantie die het secretariaat waarneemt informeert tegelijkertijd de Minister bevoegd voor sociale zaken en de Minister bevoegd voor volksgezondheid, omtrent de stand van zaken en de vordering van de werkzaamheden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie. Werkdocumenten, adviezen op eigen initiatief of op vraag van één of beide ministers worden telkens aan beide bovengenoemde ministers overgemaakt.
2. De Accrediteringsstuurgroep.
1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden erkende huisartsen en 6 werkende en 6 plaatsvervangende [1 artsen-specialisten]1;
2° 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de universiteiten vertegenwoordigen en 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
3° 12 werkende en 12 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen;
4° 3 werkende en 3 plaatsvervangende leden die de Minister bevoegd voor sociale zaken vertegenwoordigen en 3 werkende en 3 plaatsvervangende leden die de Minister bevoegd voor volksgezondheid vertegenwoordigen.
De groepen bedoeld onder 2° en 3° bevatten enkel [1 artsen]1 als leden.
§ 2. De leden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie worden benoemd door de Koning :
1° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1;
2° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van respectievelijk de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen : waar het gaat om de universiteiten heeft elke universiteit die een volledige opleidingscyclus heeft voor het bekomen van het diploma van doctor in de geneeskunde, recht op één werkend lid en één plaatsvervangend lid.
3° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen : iedere verzekeringsinstelling heeft minstens één werkend en één plaatsvervangend lid;
4° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 4°, op de voordracht van respectievelijk de Minister bevoegd voor sociale zaken en de Minister bevoegd voor volksgezondheid.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 3. De leden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 1° een voorzitter, en drie ondervoorzitters onder de leden van de drie groepen bedoeld in § 1, 2°, 3° en 4°. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de drie ondervoorzitters.
§ 4. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie :
1° beheert het evaluatiesysteem "peer review", zijnde een systeem van kritisch onderzoek door artsen van de kwaliteit van hun zorgverstrekking en inzonderheid, wanneer objectieve of op wetenschappelijke consensus gebaseerde criteria van een aanvaardbare en adequate praktijkvoering bestaan, een evaluatie van de performantie ervan met betrekking tot deze criteria, en bepaalt daartoe de onderwerpen en neemt de initiatieven voor de permanente ontwikkeling van de kwaliteit, op basis van informatie, voorstellen aanbevelingen en stimulansen;
2° ontwikkelt aanbevelingen voor het correct gebruik van het globaal medisch dossier;
3° ontwikkelt aanbevelingen ter bevordering van het teamwerk en van diverse samenwerkingsverbanden;
(3°bis stelt de aanbevelingen vast van goede medische praktijk, bedoeld in artikel 73, § 3, van de gecoördineerde wet, evenals de indicatoren bedoeld in artikel 73, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, en verstrekt feedbackgegevens aan [1 artsen]1 en aan lokale kwaliteitsgroepen;) <KB 2004-12-20/33, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 30-12-2004>
4° neemt kennis van de werkzaamheden van de Accrediteringsstuurgroep bedoeld in artikel 122quater;
5° geeft kennis van zijn werkzaamheden aan de Accrediteringsstuurgroep.
De Nationale raad voor kwaliteitspromotie vervult de opdrachten bedoeld in 4° en 5° met het oog op de inhoudelijke coördinatie van werkzaamheden.
§ 5. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° de Nationale raad voor kwaliteitspromotie houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
2° de beslissingen van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van (drie van de vier groepen bedoeld in § 1) worden goedgekeurd; alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd; <KB 2004-12-20/33, art. 1, 114; Inwerkingtreding : 30-12-2004>
3° de Nationale raad voor kwaliteitspromotie bevat een werkgroep huisartsgeneeskunde. De Nationale raad voor kwaliteitspromotie kan andere werkgroepen instellen;
4° bij het uitoefenen van zijn opdracht bedoeld in § 4, 1°, kan de Nationale raad voor kwaliteitspromotie op conceptueel en implementeringsvlak een beroep doen op de instanties die hij daartoe aanwijst, met inbegrip van de paritaire comités bedoeld in de artikelen 122sexies en 122septies;
5° de voorzitter roept de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zonder uitstel bijeen indien tenminste drie leden schriftelijk vragen een bepaald onderwerp op de agenda te plaatsen.
§ 6. De instantie die het secretariaat waarneemt informeert tegelijkertijd de Minister bevoegd voor sociale zaken en de Minister bevoegd voor volksgezondheid, omtrent de stand van zaken en de vordering van de werkzaamheden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie. Werkdocumenten, adviezen op eigen initiatief of op vraag van één of beide ministers worden telkens aan beide bovengenoemde ministers overgemaakt.
2. De Accrediteringsstuurgroep.
Modifications
Art. 122ter. § 1er. Le Conseil national de la promotion de la qualité se compose des quatre groupes suivants :
1° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants médecins généralistes agréés ainsi que 6 membres effectifs et 6 membres suppléants médecins spécialistes;
2° 7 membres effectifs et 7 membres suppléants représentant les universités ainsi que 7 membres effectifs et 7 membres suppléants représentant les organisations scientifiques médicales;
3° 12 membres effectifs et 12 membres suppléants représentant les organismes assureurs;
4° 3 membres effectifs et 3 membres suppléants représentant le Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions ainsi que 3 membres effectifs et 3 membres suppléants représentant le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
Les groupes visés aux 2° et 3° ne comprennent que des médecins comme membres.
§ 2. Les membres du Conseil national de la promotion de la qualité sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur la proposition des organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, respectivement sur la proposition des universités et des organisations scientifiques médicales : concernant les universités, chaque université qui propose un cycle de formation complet en vue de l'obtention du diplôme de docteur en médecine a droit à un membre effectif et un membre suppléant;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur la proposition des organismes assureurs : chaque organisme assureur dispose au moins d'un membre effectif et d'un membre suppléant;
4° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 4°, sur la proposition respectivement du Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions et du Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 3. Les membres du Conseil national de la promotion de la qualité choisissent un président parmi les membres du groupe visé au § 1er, 1° et trois vice-présidents parmi les trois autres groupes visés dans le § 1er, 2°, 3° et 4°. En cas d'empêchement du président, la séance est présidée à tour de rôle par un des trois vice-présidents.
§ 4. Le Conseil national de la promotion de la qualité :
1° gère, d'une part, le système d'évaluation "peer review", c'est-à-dire un système d'examen critique par des médecins, de la qualité de leurs prestations et notamment, lorsqu'il existe des critères objectifs ou basés sur un consensus scientifique pour une pratique acceptable et adéquate, une évaluation de leur performance par rapport à ces critères, et détermine d'autre part, à cette fin les sujets et prend les initiatives en matière de développement permanent de la qualité, sur la base d'informations, de propositions, de recommandations et de stimulants;
2° développe des recommandations pour une bonne utilisation du dossier médical global;
3° développe des recommandations en vue de promouvoir le travail en équipe et diverses associations;
(3°bis définit les recommandations de bonne pratique médicale visées à l'article 73, § 3, de la loi coordonnée, ainsi que les indicateurs visés à l'article 73, § 2, alinéa 1er, de cette même loi, et procure le feedback des données aux médecins et aux groupes locaux d'évaluation médicale;) <AR 2004-12-20/33, art. 1, 114; En vigueur : 30-12-2004>
4° prend connaissance des travaux du Groupe de direction de l'accréditation visés à l'article 122quater;
5° fait part de ses travaux au Groupe de direction de l'accréditation.
Le Conseil national de la promotion de la qualité remplit les missions visées aux 4° et 5° en vue de la coordination du contenu des travaux.
§ 5. Le Conseil national de la promotion de la qualité arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° le Conseil national de la promotion de la qualité siège valablement lorsque la moitié des membres ayant voix délibérative de chaque groupe dont il est fait mention au § 1er sont présents;
2° les décisions du Conseil national de la promotion de la qualité sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de (trois des quatre groupes visés au § 1er); seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative; <AR 2004-12-20/33, art. 1, 114; En vigueur : 30-12-2004>
3° le Conseil national de la promotion de la qualité comprend un groupe de travail "médecine générale". Le Conseil national de la promotion de la qualité peut instituer d'autres groupes de travail;
4° lors de l'accomplissement de sa mission visée au § 4, 1°, le Conseil national de la promotion de la qualité peut faire appel sur le plan de la conception et de l'implémentation à des instances qu'il désigne à cet effet, en ce compris les comités paritaires visés aux articles 122sexies et 122septies;
5° le président convoque le Conseil national de la promotion de la qualité sans délai si au moins trois membres demandent par écrit de mettre à l'ordre du jour un sujet déterminé.
§ 6. L'instance qui assure le secrétariat, informe en même temps le Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions et le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions, de la situation et de l'état d'avancement des travaux du Conseil national de la promotion de la qualité. Les documents de travail et les avis émis par ce conseil de sa propre initiative ou à la demande d'un ou des deux ministres sont chaque fois transmis aux deux ministres précités.
2. Le Groupe de direction de l'accréditation.
1° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants médecins généralistes agréés ainsi que 6 membres effectifs et 6 membres suppléants médecins spécialistes;
2° 7 membres effectifs et 7 membres suppléants représentant les universités ainsi que 7 membres effectifs et 7 membres suppléants représentant les organisations scientifiques médicales;
3° 12 membres effectifs et 12 membres suppléants représentant les organismes assureurs;
4° 3 membres effectifs et 3 membres suppléants représentant le Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions ainsi que 3 membres effectifs et 3 membres suppléants représentant le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
Les groupes visés aux 2° et 3° ne comprennent que des médecins comme membres.
§ 2. Les membres du Conseil national de la promotion de la qualité sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur la proposition des organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, respectivement sur la proposition des universités et des organisations scientifiques médicales : concernant les universités, chaque université qui propose un cycle de formation complet en vue de l'obtention du diplôme de docteur en médecine a droit à un membre effectif et un membre suppléant;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur la proposition des organismes assureurs : chaque organisme assureur dispose au moins d'un membre effectif et d'un membre suppléant;
4° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 4°, sur la proposition respectivement du Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions et du Ministre qui a la santé publique dans ses attributions.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 3. Les membres du Conseil national de la promotion de la qualité choisissent un président parmi les membres du groupe visé au § 1er, 1° et trois vice-présidents parmi les trois autres groupes visés dans le § 1er, 2°, 3° et 4°. En cas d'empêchement du président, la séance est présidée à tour de rôle par un des trois vice-présidents.
§ 4. Le Conseil national de la promotion de la qualité :
1° gère, d'une part, le système d'évaluation "peer review", c'est-à-dire un système d'examen critique par des médecins, de la qualité de leurs prestations et notamment, lorsqu'il existe des critères objectifs ou basés sur un consensus scientifique pour une pratique acceptable et adéquate, une évaluation de leur performance par rapport à ces critères, et détermine d'autre part, à cette fin les sujets et prend les initiatives en matière de développement permanent de la qualité, sur la base d'informations, de propositions, de recommandations et de stimulants;
2° développe des recommandations pour une bonne utilisation du dossier médical global;
3° développe des recommandations en vue de promouvoir le travail en équipe et diverses associations;
(3°bis définit les recommandations de bonne pratique médicale visées à l'article 73, § 3, de la loi coordonnée, ainsi que les indicateurs visés à l'article 73, § 2, alinéa 1er, de cette même loi, et procure le feedback des données aux médecins et aux groupes locaux d'évaluation médicale;) <AR 2004-12-20/33, art. 1, 114; En vigueur : 30-12-2004>
4° prend connaissance des travaux du Groupe de direction de l'accréditation visés à l'article 122quater;
5° fait part de ses travaux au Groupe de direction de l'accréditation.
Le Conseil national de la promotion de la qualité remplit les missions visées aux 4° et 5° en vue de la coordination du contenu des travaux.
§ 5. Le Conseil national de la promotion de la qualité arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° le Conseil national de la promotion de la qualité siège valablement lorsque la moitié des membres ayant voix délibérative de chaque groupe dont il est fait mention au § 1er sont présents;
2° les décisions du Conseil national de la promotion de la qualité sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de (trois des quatre groupes visés au § 1er); seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative; <AR 2004-12-20/33, art. 1, 114; En vigueur : 30-12-2004>
3° le Conseil national de la promotion de la qualité comprend un groupe de travail "médecine générale". Le Conseil national de la promotion de la qualité peut instituer d'autres groupes de travail;
4° lors de l'accomplissement de sa mission visée au § 4, 1°, le Conseil national de la promotion de la qualité peut faire appel sur le plan de la conception et de l'implémentation à des instances qu'il désigne à cet effet, en ce compris les comités paritaires visés aux articles 122sexies et 122septies;
5° le président convoque le Conseil national de la promotion de la qualité sans délai si au moins trois membres demandent par écrit de mettre à l'ordre du jour un sujet déterminé.
§ 6. L'instance qui assure le secrétariat, informe en même temps le Ministre qui a les affaires sociales dans ses attributions et le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions, de la situation et de l'état d'avancement des travaux du Conseil national de la promotion de la qualité. Les documents de travail et les avis émis par ce conseil de sa propre initiative ou à la demande d'un ou des deux ministres sont chaque fois transmis aux deux ministres précités.
2. Le Groupe de direction de l'accréditation.
Art. 122quater. <INGEVOEGD bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. De Accrediteringsstuurgroep is samengesteld uit de volgende drie groepen :
1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden erkende huisartsen en 6 werkende en 6 plaatsvervangende [2 artsen-specialisten]2;
2° 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de universiteiten vertegenwoordigen en 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
3° 12 werkende en 12 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen.
Een [2 arts]2, die het Ministerie van Volksgezondheid vertegenwoordigt, maakt met raadgevende stem deel uit van de Accrediteringsstuurgroep.
§ 2. De leden van de Accrediteringsstuurgroep worden benoemd door de Koning :
1° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2;
2° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op voordracht van respectievelijk de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen : waar het gaat om de universiteiten heeft elke universiteit die een volledige opleidingscyclus heeft voor het bekomen van het diploma van doctor in de geneeskunde, recht op één werkend lid en één plaatsvervangend lid;
3° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op voordracht van de verzekeringsinstellingen: om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 3. De Accrediteringsstuurgroep omvat een afdeling voor huisartsgeneeskunde en een voor gespecialiseerde geneeskunde, waarbij een minimumaantal zelfde leden van de Stuurgroep zowel in de ene als in de andere afdeling zitting hebben.
De afdelingen kunnen samen vergaderen als de Accrediteringsstuurgroep van oordeel is dat zijn opdrachten zo beter kunnen worden uitgevoerd.
§ 4. De Accrediteringsstuurgroep kiest onder zijn leden een voorzitter en een medevoorzitter voor elk van de twee afdelingen waarin is voorzien in § 3. De oudste voorzitter in jaren van de twee afdelingen zit de Accrediteringsstuurgroep voor.
§ 5. De Accrediteringsstuurgroep :
1° beheert de uitvoering van de accrediteringsvoorwaarden en procedures;
2° beheert het systeem van continue opleiding;
3° erkent de programma's van continue opleiding die hem door de paritaire comités worden voorgelegd of beslist, in voorkomend geval over de waardering en de erkenning van de programma's indien een paritair comité geen voorstellen doet of geen beslissing kan nemen zoals bedoeld in artikel 122septies, § 6, 2°;
4° superviseert en coördineert de werking van de paritaire comités met betrekking tot de continue opleiding;
5° geeft kennis van zijn werkzaamheden aan de Nationale raad voor kwaliteitspromotie;
6° neemt kennis van de werkzaamheden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zoals bedoeld in artikel 122ter, § 4;
7° beslist over de accreditering van individuele [2 artsen]2.
De opdrachten bedoeld in 5° en 6° worden vervuld met het oog op de inhoudelijke coördinatie van de werkzaamheden, inzonderheid wat betreft het beheer van het systeem van continue opleiding bedoeld in 2°.
§ 6. De Accrediteringsstuurgroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° [1 de Accrediteringsstuurgroep houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn; indien deze aanwezigheidsvereiste niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er kan worden beslist zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;]1
2° de beslissingen van de Accrediteringsstuurgroep zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd; alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
3° de Accrediteringsstuurgroep kan werkgroepen instellen.
3. De Technische accrediteringsraad.
1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden erkende huisartsen en 6 werkende en 6 plaatsvervangende [2 artsen-specialisten]2;
2° 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de universiteiten vertegenwoordigen en 7 werkende en 7 plaatsvervangende leden die de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
3° 12 werkende en 12 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen.
Een [2 arts]2, die het Ministerie van Volksgezondheid vertegenwoordigt, maakt met raadgevende stem deel uit van de Accrediteringsstuurgroep.
§ 2. De leden van de Accrediteringsstuurgroep worden benoemd door de Koning :
1° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2;
2° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op voordracht van respectievelijk de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen : waar het gaat om de universiteiten heeft elke universiteit die een volledige opleidingscyclus heeft voor het bekomen van het diploma van doctor in de geneeskunde, recht op één werkend lid en één plaatsvervangend lid;
3° Wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op voordracht van de verzekeringsinstellingen: om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 3. De Accrediteringsstuurgroep omvat een afdeling voor huisartsgeneeskunde en een voor gespecialiseerde geneeskunde, waarbij een minimumaantal zelfde leden van de Stuurgroep zowel in de ene als in de andere afdeling zitting hebben.
De afdelingen kunnen samen vergaderen als de Accrediteringsstuurgroep van oordeel is dat zijn opdrachten zo beter kunnen worden uitgevoerd.
§ 4. De Accrediteringsstuurgroep kiest onder zijn leden een voorzitter en een medevoorzitter voor elk van de twee afdelingen waarin is voorzien in § 3. De oudste voorzitter in jaren van de twee afdelingen zit de Accrediteringsstuurgroep voor.
§ 5. De Accrediteringsstuurgroep :
1° beheert de uitvoering van de accrediteringsvoorwaarden en procedures;
2° beheert het systeem van continue opleiding;
3° erkent de programma's van continue opleiding die hem door de paritaire comités worden voorgelegd of beslist, in voorkomend geval over de waardering en de erkenning van de programma's indien een paritair comité geen voorstellen doet of geen beslissing kan nemen zoals bedoeld in artikel 122septies, § 6, 2°;
4° superviseert en coördineert de werking van de paritaire comités met betrekking tot de continue opleiding;
5° geeft kennis van zijn werkzaamheden aan de Nationale raad voor kwaliteitspromotie;
6° neemt kennis van de werkzaamheden van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie zoals bedoeld in artikel 122ter, § 4;
7° beslist over de accreditering van individuele [2 artsen]2.
De opdrachten bedoeld in 5° en 6° worden vervuld met het oog op de inhoudelijke coördinatie van de werkzaamheden, inzonderheid wat betreft het beheer van het systeem van continue opleiding bedoeld in 2°.
§ 6. De Accrediteringsstuurgroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° [1 de Accrediteringsstuurgroep houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn; indien deze aanwezigheidsvereiste niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er kan worden beslist zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;]1
2° de beslissingen van de Accrediteringsstuurgroep zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd; alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
3° de Accrediteringsstuurgroep kan werkgroepen instellen.
3. De Technische accrediteringsraad.
Art. 122quater. § 1er. Le Groupe de direction de l'accréditation se compose des trois groupes suivants :
1° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants médecins généralistes agréés et 6 membres effectifs et 6 membres suppléants médecins spécialistes;
2° 7 membres effectifs et 7 membres suppléants représentant les universités ainsi que 7 membres effectifs et 7 membres suppléants représentant les organisations scientifiques médicales;
3° 12 membres effectifs et 12 membres suppléants représentant les organismes assureurs.
Un médecin, qui représente le Ministère de la Santé publique, fait partie du Groupe de direction de l'accréditation avec voix consultative.
§ 2. Les membres du Groupe de direction de l'accréditation sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur la proposition des organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, sur la proposition respectivement des universités et des organisations scientifiques médicales : concernant les universités, chaque université qui propose un cycle de formation complet en vue de l'obtention du diplôme de docteur en médecine a droit à un membre effectif et un membre suppléant;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur la proposition des organismes assureurs : pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 3. Le Groupe de direction de l'accréditation comporte une section pour la médecine générale et une pour la médecine spécialisée, un nombre minimum de membres communs du Groupe de direction siégeant tant dans une section que dans l'autre.
Les sections peuvent se réunir si le Groupe de direction de l'accréditation est d'avis que ses missions peuvent être mieux remplies ainsi.
§ 4. Le Groupe de l'accréditation choisit parmi ses membres un président et un coprésident, pour chacune des deux sections prévues au § 3. Le président le plus âgé des deux sections préside le Groupe de direction de l'accréditation.
§ 5. Le Groupe de direction de l'accréditation :
1° gère l'exécution des conditions d'accréditation et des procédures;
2° gère le système de formation continue;
3° agrée les programmes de formation continue qui lui sont soumis par les comités paritaires ou décide, le cas échéant, de l'appréciation et de l'agrément des programmes si un comité paritaire ne formule pas de propositions ou ne peut pas prendre de décision au sens de l'article 122septies, § 6, 2°;
4° supervise et coordonne le fonctionnement des Comités paritaires concernant la formation continue;
5° informe le Conseil national de la promotion de la qualité de ses travaux;
6° prend connaissance des travaux du Conseil national de la promotion de la qualité, visés à l'article 122ter, § 4;
7° décide de l'accréditation des médecins individuels.
Les missions visées aux 5° et 6° sont remplies en vue de la coordination du contenu des travaux en particulier en ce qui concerne la gestion du système de formation continue visé au 2°.
§ 6. Le Groupe de direction de l'accréditation arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° [1 le Groupe de direction de l'accréditation siège valablement lorsque la moitié des membres ayant voix délibérative de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents; si cette condition de présence n'est pas remplie pour chaque groupe, les points à l'agenda sont reportés à la réunion suivante, lors de laquelle il peut être décidé sans qu'il soit satisfait à la condition de présence;]1
2° les décisions du Groupe de direction de l'accréditation sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de chaque groupe; seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative;
3° le Groupe de direction de l'accréditation peut instituer des groupes de travail.
3. Le Conseil technique de l'accréditation.
1° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants médecins généralistes agréés et 6 membres effectifs et 6 membres suppléants médecins spécialistes;
2° 7 membres effectifs et 7 membres suppléants représentant les universités ainsi que 7 membres effectifs et 7 membres suppléants représentant les organisations scientifiques médicales;
3° 12 membres effectifs et 12 membres suppléants représentant les organismes assureurs.
Un médecin, qui représente le Ministère de la Santé publique, fait partie du Groupe de direction de l'accréditation avec voix consultative.
§ 2. Les membres du Groupe de direction de l'accréditation sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur la proposition des organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, sur la proposition respectivement des universités et des organisations scientifiques médicales : concernant les universités, chaque université qui propose un cycle de formation complet en vue de l'obtention du diplôme de docteur en médecine a droit à un membre effectif et un membre suppléant;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur la proposition des organismes assureurs : pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 3. Le Groupe de direction de l'accréditation comporte une section pour la médecine générale et une pour la médecine spécialisée, un nombre minimum de membres communs du Groupe de direction siégeant tant dans une section que dans l'autre.
Les sections peuvent se réunir si le Groupe de direction de l'accréditation est d'avis que ses missions peuvent être mieux remplies ainsi.
§ 4. Le Groupe de l'accréditation choisit parmi ses membres un président et un coprésident, pour chacune des deux sections prévues au § 3. Le président le plus âgé des deux sections préside le Groupe de direction de l'accréditation.
§ 5. Le Groupe de direction de l'accréditation :
1° gère l'exécution des conditions d'accréditation et des procédures;
2° gère le système de formation continue;
3° agrée les programmes de formation continue qui lui sont soumis par les comités paritaires ou décide, le cas échéant, de l'appréciation et de l'agrément des programmes si un comité paritaire ne formule pas de propositions ou ne peut pas prendre de décision au sens de l'article 122septies, § 6, 2°;
4° supervise et coordonne le fonctionnement des Comités paritaires concernant la formation continue;
5° informe le Conseil national de la promotion de la qualité de ses travaux;
6° prend connaissance des travaux du Conseil national de la promotion de la qualité, visés à l'article 122ter, § 4;
7° décide de l'accréditation des médecins individuels.
Les missions visées aux 5° et 6° sont remplies en vue de la coordination du contenu des travaux en particulier en ce qui concerne la gestion du système de formation continue visé au 2°.
§ 6. Le Groupe de direction de l'accréditation arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° [1 le Groupe de direction de l'accréditation siège valablement lorsque la moitié des membres ayant voix délibérative de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents; si cette condition de présence n'est pas remplie pour chaque groupe, les points à l'agenda sont reportés à la réunion suivante, lors de laquelle il peut être décidé sans qu'il soit satisfait à la condition de présence;]1
2° les décisions du Groupe de direction de l'accréditation sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de chaque groupe; seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative;
3° le Groupe de direction de l'accréditation peut instituer des groupes de travail.
3. Le Conseil technique de l'accréditation.
Modifications
Art. 122quinquies. <INGEVOEGD bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. De Technische accrediteringsraad is samengesteld uit leden van de Accrediteringsstuurgroep en telt telkens vier werkende en vier plaatsvervangende leden aangesteld door elke groep bedoeld in artikel 122quater, § 1.
§ 2. De leden van de Technische accrediteringsraad kiezen onderling bij meerderheid van stemmen een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris, met inachtname van de voorwaarde dat elk van de drie samenstellende groepen is vertegenwoordigd.
§ 3. De Technische accrediteringsraad geeft adviezen en werkt voorstellen uit over elke vraag die de Accrediteringsstuurgroep hem voorlegt in verband met zijn opdrachten bedoeld in artikel 122quater, § 5.
§ 4. De Technische accrediteringsraad maakt zijn huishoudelijk reglement op grond van de volgende werkingsregels :
1° de Technische accrediteringsraad houdt op geldige wijze zitting indien ten minste de helft van de effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig is en tenminste elke groep vertegenwoordigd is. De werkzaamheden worden geleid door de voorzitter of, als de voorzitter verhinderd is, door de ondervoorzitter. Als de voorzitter en de ondervoorzitter afwezig zijn wordt de vergadering voorgezeten door het oudste lid in leeftijd;
2° uitsluitend een werkend lid is stemgerechtigd en een plaatsvervangend lid is stemgerechtigd indien het werkend lid dat hij vervangt niet aanwezig is. De beslissingen worden in principe genomen via consensus. Indien er geen consensus wordt bereikt, worden de meningen per groep genotuleerd;
3° de Technische accrediteringsraad kan op unaniem voorstel van de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris of op voorstel van de meerderheid van de leden met instemming van de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris, en met het oog op de behandeling van bijzondere technische problemen ieder persoon van wie hij oordeelt dat hij hem kan voorlichten, voor de vergadering oproepen;
4° de Technische accrediteringsraad kan in zijn schoot werkgroepen instellen die hij belast met een voorafgaand onderzoek van een probleem. In de werkgroep zijn de drie groepen vertegenwoordigd. Elke werkgroep wordt voorgezeten door een lid van de Technische accrediteringsraad dat is aangeduid door de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris. Elke werkgroep mag de deskundigen horen die het nodig acht mits instemming van de Technische accrediteringsraad.
4. De paritaire comités.
§ 2. De leden van de Technische accrediteringsraad kiezen onderling bij meerderheid van stemmen een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris, met inachtname van de voorwaarde dat elk van de drie samenstellende groepen is vertegenwoordigd.
§ 3. De Technische accrediteringsraad geeft adviezen en werkt voorstellen uit over elke vraag die de Accrediteringsstuurgroep hem voorlegt in verband met zijn opdrachten bedoeld in artikel 122quater, § 5.
§ 4. De Technische accrediteringsraad maakt zijn huishoudelijk reglement op grond van de volgende werkingsregels :
1° de Technische accrediteringsraad houdt op geldige wijze zitting indien ten minste de helft van de effectieve of plaatsvervangende leden aanwezig is en tenminste elke groep vertegenwoordigd is. De werkzaamheden worden geleid door de voorzitter of, als de voorzitter verhinderd is, door de ondervoorzitter. Als de voorzitter en de ondervoorzitter afwezig zijn wordt de vergadering voorgezeten door het oudste lid in leeftijd;
2° uitsluitend een werkend lid is stemgerechtigd en een plaatsvervangend lid is stemgerechtigd indien het werkend lid dat hij vervangt niet aanwezig is. De beslissingen worden in principe genomen via consensus. Indien er geen consensus wordt bereikt, worden de meningen per groep genotuleerd;
3° de Technische accrediteringsraad kan op unaniem voorstel van de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris of op voorstel van de meerderheid van de leden met instemming van de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris, en met het oog op de behandeling van bijzondere technische problemen ieder persoon van wie hij oordeelt dat hij hem kan voorlichten, voor de vergadering oproepen;
4° de Technische accrediteringsraad kan in zijn schoot werkgroepen instellen die hij belast met een voorafgaand onderzoek van een probleem. In de werkgroep zijn de drie groepen vertegenwoordigd. Elke werkgroep wordt voorgezeten door een lid van de Technische accrediteringsraad dat is aangeduid door de voorzitter, de ondervoorzitter en de secretaris. Elke werkgroep mag de deskundigen horen die het nodig acht mits instemming van de Technische accrediteringsraad.
4. De paritaire comités.
Art. 122quinquies. § 1er. Le Conseil technique de l'accréditation est composé de membres du Groupe de direction de l'accréditation et compte chaque fois quatre membres effectifs et quatre membres suppléants désignés par chaque groupe visé à l'article 122quater, § 1er.
§ 2. Les membres du Conseil technique de l'accréditation choisissent entre eux, à la majorité des voix, un président, un vice-président et un secrétaire, en veillant à ce que soient représentés chacun des trois groupes constitutifs.
§ 3. Le Conseil technique de l'accréditation donne des avis et élabore des propositions à propos de chaque demande que lui soumet le Groupe de direction de l'accréditation en ce qui concerne ses missions visées à l'article 122quater, § 5.
§ 4. Le Conseil technique de l'accréditation arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° le Conseil technique de l'accréditation siège valablement lorsque la moitié au moins des membres effectifs ou suppléants sont présents et lorsqu'au moins chaque groupe est représenté. Les travaux sont dirigés par le Président ou, si celui-ci est empêché, par le vice-président. Lorsque le président et le vice-président sont absents, la réunion est présidée par le membre le plus âgé;
2° seul un membre effectif a droit de vote et un membre suppléant a le droit de vote si le membre effectif qu'il remplace n'est pas présent en séance. Les décisions sont en principe prises par consensus. Si l'on n'aboutit pas à un consensus, les opinions sont consignées par groupe dans un procès-verbal;
3° sur proposition unanime du président, du vice-président et du secrétaire ou sur la proposition de la majorité des membres avec accord du président, du vice-président et du secrétaire, et en vue du traitement de problèmes techniques spécifiques, le Conseil technique de l'accréditation peut convoquer toute personne qu'il estime être susceptible de lui fournir des informations utiles;
4° le Conseil technique de l'accréditation peut créer des groupes de travail en son sein et les charger de l'examen préalable d'un problème. Les trois groupes sont représentés dans chaque groupe de travail. Chaque groupe de travail est présidé par un membre du Conseil technique de l'accréditation désigné par le président, le vice-président et le secrétaire. Chaque groupe de travail peut entendre les experts qu'il souhaite avec l'accord du Conseil technique de l'accréditation.
4. Les Comités paritaires.
§ 2. Les membres du Conseil technique de l'accréditation choisissent entre eux, à la majorité des voix, un président, un vice-président et un secrétaire, en veillant à ce que soient représentés chacun des trois groupes constitutifs.
§ 3. Le Conseil technique de l'accréditation donne des avis et élabore des propositions à propos de chaque demande que lui soumet le Groupe de direction de l'accréditation en ce qui concerne ses missions visées à l'article 122quater, § 5.
§ 4. Le Conseil technique de l'accréditation arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° le Conseil technique de l'accréditation siège valablement lorsque la moitié au moins des membres effectifs ou suppléants sont présents et lorsqu'au moins chaque groupe est représenté. Les travaux sont dirigés par le Président ou, si celui-ci est empêché, par le vice-président. Lorsque le président et le vice-président sont absents, la réunion est présidée par le membre le plus âgé;
2° seul un membre effectif a droit de vote et un membre suppléant a le droit de vote si le membre effectif qu'il remplace n'est pas présent en séance. Les décisions sont en principe prises par consensus. Si l'on n'aboutit pas à un consensus, les opinions sont consignées par groupe dans un procès-verbal;
3° sur proposition unanime du président, du vice-président et du secrétaire ou sur la proposition de la majorité des membres avec accord du président, du vice-président et du secrétaire, et en vue du traitement de problèmes techniques spécifiques, le Conseil technique de l'accréditation peut convoquer toute personne qu'il estime être susceptible de lui fournir des informations utiles;
4° le Conseil technique de l'accréditation peut créer des groupes de travail en son sein et les charger de l'examen préalable d'un problème. Les trois groupes sont représentés dans chaque groupe de travail. Chaque groupe de travail est présidé par un membre du Conseil technique de l'accréditation désigné par le président, le vice-président et le secrétaire. Chaque groupe de travail peut entendre les experts qu'il souhaite avec l'accord du Conseil technique de l'accréditation.
4. Les Comités paritaires.
Art. 122sexies. <INGEVOEGD bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden paritaire comités ingesteld voor :
- huisartsgeneeskunde;
- anesthesiologie-reanimatie;
- heelkunde;
- neurochirurgie;
- plastische heelkunde;
- gynaecologie en verloskunde;
- oftalmologie;
- otorhinolaryngologie;
- urologie;
- orthopedie;
- stomatologie;
- dermato-venerologie;
- inwendige geneeskunde;
- pneumologie;
- gastro-enterologie;
- kindergeneeskunde;
- cardiologie;
- neurologie;
- psychiatrie;
- reumatologie;
- fysische geneeskunde;
- klinische biologie;
- röntgendiagnose;
- radiotherapie;
- nucleaire geneeskunde;
- pathologische anatomie.
(- urgentiegeneeskunde en acute geneeskunde;
- geriatrie;
- medische oncologie.) <KB 2008-08-21/37, art. 1, 154; Inwerkingtreding : 15-09-2008>
- huisartsgeneeskunde;
- anesthesiologie-reanimatie;
- heelkunde;
- neurochirurgie;
- plastische heelkunde;
- gynaecologie en verloskunde;
- oftalmologie;
- otorhinolaryngologie;
- urologie;
- orthopedie;
- stomatologie;
- dermato-venerologie;
- inwendige geneeskunde;
- pneumologie;
- gastro-enterologie;
- kindergeneeskunde;
- cardiologie;
- neurologie;
- psychiatrie;
- reumatologie;
- fysische geneeskunde;
- klinische biologie;
- röntgendiagnose;
- radiotherapie;
- nucleaire geneeskunde;
- pathologische anatomie.
(- urgentiegeneeskunde en acute geneeskunde;
- geriatrie;
- medische oncologie.) <KB 2008-08-21/37, art. 1, 154; Inwerkingtreding : 15-09-2008>
Art. 122sexies. Sont institués, auprès du Service des soins de santé, des comités paritaires pour :
- la médecine générale;
- l'anesthésiologie-réanimation;
- la chirurgie;
- la neurochirurgie;
- la chirurgie plastique;
- la gynécologie et l'obstétrique;
- l'ophtalmologie;
- l'oto-rhino-laryngologie;
- l'urologie;
- l'orthopédie;
- la stomatologie;
- la dermato-vénerologie;
- la médecine interne;
- la pneumologie;
- la gastro-entérologie;
- la pédiatrie;
- la cardiologie;
- la neurologie;
- la psychiatrie;
- la rhumatologie;
- la médecine physique;
- la biologie clinique;
- la radiodiagnostic;
- la radiothérapie;
- la médecine nucléaire;
- l'anatomopathologie.
(- médecine d'urgence et médecine aiguë;
- gériatrie;
- oncologie médicale.) <AR 2008-08-21/37, art. 1, 154; En vigueur : 15-09-2008>
- la médecine générale;
- l'anesthésiologie-réanimation;
- la chirurgie;
- la neurochirurgie;
- la chirurgie plastique;
- la gynécologie et l'obstétrique;
- l'ophtalmologie;
- l'oto-rhino-laryngologie;
- l'urologie;
- l'orthopédie;
- la stomatologie;
- la dermato-vénerologie;
- la médecine interne;
- la pneumologie;
- la gastro-entérologie;
- la pédiatrie;
- la cardiologie;
- la neurologie;
- la psychiatrie;
- la rhumatologie;
- la médecine physique;
- la biologie clinique;
- la radiodiagnostic;
- la radiothérapie;
- la médecine nucléaire;
- l'anatomopathologie.
(- médecine d'urgence et médecine aiguë;
- gériatrie;
- oncologie médicale.) <AR 2008-08-21/37, art. 1, 154; En vigueur : 15-09-2008>
Art. 122septies. <INGEVOEGD bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. Het paritair comité voor de huisartsgeneeskunde is samengesteld uit de volgende twee groepen :
1° vierentwintig leden die de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2 vertegenwoordigen;
2° vierentwintig leden die de universiteiten, de wetenschappelijke verenigingen en de kringen voor continue opleiding vertegenwoordigen.
Alle andere paritaire comités zijn samengesteld uit de volgende twee groepen :
1° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden die de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2 vertegenwoordigen;
2° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden die de universiteiten, de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen en de kringen voor continue opleiding vertegenwoordigen.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 2. Het Paritair comité voor de huisartsgeneeskunde bevat enkel erkende huisartsen als leden; de andere paritaire comités bevatten enkel [2 artsen-specialisten]2 als leden.
§ 3. De leden van de paritaire comités worden benoemd door de Koning :
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en § 1, tweede lid, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, en § 1, tweede lid, 2°, op de voordracht van de universiteiten, de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen en de kringen voor continue opleiding.
§ 4. De leden van elk paritair comité kiezen onder de leden van de groepen bedoeld in § 1 een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris.
§ 5. De paritaire comités, elk wat betreft hun specialisme :
1° leggen de opgemaakte of aanvaarde programma's van continue opleiding, samen met de waardebepaling ervan, ter erkenning voor aan de Accrediteringsstuurgroep bedoeld in artikel 122quater;
2° houden toezicht op de uitvoering van de continue opleiding, onder supervisie van de Accrediteringsstuurgroep;
3° voeren desgevallend de opdracht uit inzake het evaluatiesysteem "peer review", zoals omschreven in artikel 122ter, § 4, 1°, onder de supervisie van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie.
§ 6. De paritaire comités stellen wat betreft hun opdracht bedoeld in § 5, 1° en 2°, hun huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° [1 de paritaire comités houden op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn; indien deze aanwezigheidsvereiste niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er kan worden beslist zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;]1
2° de beslissingen van de paritaire comités zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd; in de paritaire comités bedoeld in § 1, tweede lid, zijn alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen stemgerechtigd;
3° elk paritair comité kan werkgroepen oprichten, eventueel opgesplitst per regio, en de leden ervan aanstellen : de samenstelling van elke werkgroep is een emanatie van het paritair comité dat hem opricht.
5. De Commissie van beroep.
1° vierentwintig leden die de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2 vertegenwoordigen;
2° vierentwintig leden die de universiteiten, de wetenschappelijke verenigingen en de kringen voor continue opleiding vertegenwoordigen.
Alle andere paritaire comités zijn samengesteld uit de volgende twee groepen :
1° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden die de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2 vertegenwoordigen;
2° twaalf werkende en twaalf plaatsvervangende leden die de universiteiten, de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen en de kringen voor continue opleiding vertegenwoordigen.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 2. Het Paritair comité voor de huisartsgeneeskunde bevat enkel erkende huisartsen als leden; de andere paritaire comités bevatten enkel [2 artsen-specialisten]2 als leden.
§ 3. De leden van de paritaire comités worden benoemd door de Koning :
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en § 1, tweede lid, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [2 artsen]2;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, en § 1, tweede lid, 2°, op de voordracht van de universiteiten, de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen en de kringen voor continue opleiding.
§ 4. De leden van elk paritair comité kiezen onder de leden van de groepen bedoeld in § 1 een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris.
§ 5. De paritaire comités, elk wat betreft hun specialisme :
1° leggen de opgemaakte of aanvaarde programma's van continue opleiding, samen met de waardebepaling ervan, ter erkenning voor aan de Accrediteringsstuurgroep bedoeld in artikel 122quater;
2° houden toezicht op de uitvoering van de continue opleiding, onder supervisie van de Accrediteringsstuurgroep;
3° voeren desgevallend de opdracht uit inzake het evaluatiesysteem "peer review", zoals omschreven in artikel 122ter, § 4, 1°, onder de supervisie van de Nationale raad voor kwaliteitspromotie.
§ 6. De paritaire comités stellen wat betreft hun opdracht bedoeld in § 5, 1° en 2°, hun huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° [1 de paritaire comités houden op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn; indien deze aanwezigheidsvereiste niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er kan worden beslist zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;]1
2° de beslissingen van de paritaire comités zijn aangenomen indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd; in de paritaire comités bedoeld in § 1, tweede lid, zijn alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen stemgerechtigd;
3° elk paritair comité kan werkgroepen oprichten, eventueel opgesplitst per regio, en de leden ervan aanstellen : de samenstelling van elke werkgroep is een emanatie van het paritair comité dat hem opricht.
5. De Commissie van beroep.
Art. 122septies. § 1er. Le Comité paritaire pour la médecine générale est compose des deux groupes suivants :
1° vingt-quatre membres représentant les organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° vingt-quatre membres représentant les universités, les organisations scientifiques médicales et les cercles de formation continue.
Tous les autres comités paritaires sont composés des deux groupes suivants :
1° douze membres effectifs et douze membres suppléants représentant les organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° douze membres effectifs et douze membres suppléants représentant les universités, les organisations scientifiques médicales et les cercles de formation continue.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 2. Le comité paritaire pour la médecine générale ne comprend que des médecins généralistes agréés comme membres; les autres comités paritaires ne comprennent que des médecins-spécialistes comme membres.
§ 3. Les membres des comités paritaires sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, alinéa 1er, 1°, et § 1er, alinéa 2, 1°, sur la proposition des organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, alinéa 1er, 2°, et § 1er, alinéa 2, 2°, sur la proposition des universités, des organisations scientifiques médicales et des cercles de formation continue.
§ 4. Les membres de chaque comité paritaire choisissent, parmi les membres des groupes visés au § 1er, un président, un vice-président et un secrétaire.
§ 5. Les comités paritaires, chacun en ce qui concerne sa spécialités :
1° soumettent les programmes de formation continue établis ou acceptés ainsi que leur évaluation à l'agrément du Groupe de direction de l'accréditation visé à l'article 122quater;
2° surveillent l'exécution de la formation continue, sous la supervision du Groupe de direction de l'accréditation;
3° exécutent, le cas échéant, la mission relative au système d'évaluation "peer review" défini à l'article 122ter, § 4, 1°, sous la supervision du Conseil national de la promotion de la qualité.
§ 6. Les comités paritaires arrêtent, en ce qui concerne leur mission visée au § 5, 1° et 2°, leur règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° [1 les comités paritaires siègent valablement lorsque la moitié des membres ayant voix délibérative de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents; si cette condition de présence n'est pas remplie pour chaque groupe, les points à l'agenda sont reportés à la réunion suivante, lors de laquelle il peut être décidé sans qu'il soit satisfait à la condition de présence;]1
2° les décisions des comités paritaires sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de chaque groupe; dans les comités paritaires visés au § 1er, alinéa 2, seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative;
3° chaque comité paritaire peut créer des groupes de travail, répartis éventuellement par région, et en désigner les membres : la composition de chaque groupe de travail est une émanation du Comité paritaire qui le crée.
5. La Commission d'appel.
1° vingt-quatre membres représentant les organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° vingt-quatre membres représentant les universités, les organisations scientifiques médicales et les cercles de formation continue.
Tous les autres comités paritaires sont composés des deux groupes suivants :
1° douze membres effectifs et douze membres suppléants représentant les organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° douze membres effectifs et douze membres suppléants représentant les universités, les organisations scientifiques médicales et les cercles de formation continue.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 2. Le comité paritaire pour la médecine générale ne comprend que des médecins généralistes agréés comme membres; les autres comités paritaires ne comprennent que des médecins-spécialistes comme membres.
§ 3. Les membres des comités paritaires sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, alinéa 1er, 1°, et § 1er, alinéa 2, 1°, sur la proposition des organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, alinéa 1er, 2°, et § 1er, alinéa 2, 2°, sur la proposition des universités, des organisations scientifiques médicales et des cercles de formation continue.
§ 4. Les membres de chaque comité paritaire choisissent, parmi les membres des groupes visés au § 1er, un président, un vice-président et un secrétaire.
§ 5. Les comités paritaires, chacun en ce qui concerne sa spécialités :
1° soumettent les programmes de formation continue établis ou acceptés ainsi que leur évaluation à l'agrément du Groupe de direction de l'accréditation visé à l'article 122quater;
2° surveillent l'exécution de la formation continue, sous la supervision du Groupe de direction de l'accréditation;
3° exécutent, le cas échéant, la mission relative au système d'évaluation "peer review" défini à l'article 122ter, § 4, 1°, sous la supervision du Conseil national de la promotion de la qualité.
§ 6. Les comités paritaires arrêtent, en ce qui concerne leur mission visée au § 5, 1° et 2°, leur règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° [1 les comités paritaires siègent valablement lorsque la moitié des membres ayant voix délibérative de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents; si cette condition de présence n'est pas remplie pour chaque groupe, les points à l'agenda sont reportés à la réunion suivante, lors de laquelle il peut être décidé sans qu'il soit satisfait à la condition de présence;]1
2° les décisions des comités paritaires sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de chaque groupe; dans les comités paritaires visés au § 1er, alinéa 2, seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative;
3° chaque comité paritaire peut créer des groupes de travail, répartis éventuellement par région, et en désigner les membres : la composition de chaque groupe de travail est une émanation du Comité paritaire qui le crée.
5. La Commission d'appel.
Modifications
Art. 122octies. <INGEVOEGD bij KB 2001-07-13/71, art. 1; Inwerkingtreding : 01-10-2001> § 1. De Commissie van beroep is samengesteld uit de volgende groepen :
1° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1 vertegenwoordigen;
2° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
3° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen;
De groep bedoeld in 1° telt twee werkende en twee plaatsvervangende leden erkende huisartsen en twee werkende en twee plaatsvervangende leden [1 artsen-specialisten]1.
De leden van de Commissie van beroep mogen geen lid zijn van de Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1 of van de Accrediteringsstuurgroep.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 2. De leden van de Commissie van beroep worden benoemd door de Koning:
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op voordracht van de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen;
3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op voordracht van de verzekeringsinstellingen.
§ 3. De Commissie van beroep kiest een voorzitter onder de leden van een van de groepen bedoeld in § 1 en twee ondervoorzitters onder de leden van de twee andere groepen bedoeld in dezelfde bepaling. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
§ 4. De Commissie van beroep onderzoekt en beslist over het beroep dat bij haar kan worden ingesteld door individuele [1 artsen]1 tegen de hen betreffende beslissingen getroffen door de Accrediteringsstuurgroep in uitvoering van zijn opdracht bedoeld in artikel 122quater, § 5, 7°.
§ 5. De Commissie van beroep stelt haar huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid bij de Commissie van beroep ingediend met een per post aangetekende brief binnen zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Accrediteringsstuurgroep. Indien de termijn verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt hij verlengd tot de volgende werkdag;
2° het beroepschrift bevat :
- alle motieven en alle stukken die worden aangevoerd tegen de beslissing;
- een kopie van de kennisgeving van de beslissing;
3° de Commissie van beroep vergadert geldig indien vier werkende of plaatsvervangende leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
indien de aanwezigheidsvereiste bedoeld in de eerste alinea niet is vervuld, worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering;
alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
4° de hele procedure voor de Commissie van beroep verloopt schriftelijk. Ter zitting onderzoekt de Commissie van Beroep alle stukken. Ze beraadslaagt met gesloten deuren en haar beraadslagingen zijn geheim;
5° over elke ontvankelijk beroepschrift wordt gestemd. Een beroepschrift kan enkel gegrond worden verklaard door een meerderheid van de leden van de Commissie van beroep. In alle andere gevallen is het beroepschrift ongegrond.
B. Accrediteringsorganen voor tandheelkundigen <INGEVOEGD bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
1° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1 vertegenwoordigen;
2° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen vertegenwoordigen;
3° 4 werkende en 4 plaatsvervangende leden die de verzekeringsinstellingen vertegenwoordigen;
De groep bedoeld in 1° telt twee werkende en twee plaatsvervangende leden erkende huisartsen en twee werkende en twee plaatsvervangende leden [1 artsen-specialisten]1.
De leden van de Commissie van beroep mogen geen lid zijn van de Nationale commissie [1 artsen-ziekenfondsen]1 of van de Accrediteringsstuurgroep.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 2. De leden van de Commissie van beroep worden benoemd door de Koning:
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van [1 artsen]1;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op voordracht van de universiteiten en de wetenschappelijke geneeskundige verenigingen;
3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op voordracht van de verzekeringsinstellingen.
§ 3. De Commissie van beroep kiest een voorzitter onder de leden van een van de groepen bedoeld in § 1 en twee ondervoorzitters onder de leden van de twee andere groepen bedoeld in dezelfde bepaling. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
§ 4. De Commissie van beroep onderzoekt en beslist over het beroep dat bij haar kan worden ingesteld door individuele [1 artsen]1 tegen de hen betreffende beslissingen getroffen door de Accrediteringsstuurgroep in uitvoering van zijn opdracht bedoeld in artikel 122quater, § 5, 7°.
§ 5. De Commissie van beroep stelt haar huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid bij de Commissie van beroep ingediend met een per post aangetekende brief binnen zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Accrediteringsstuurgroep. Indien de termijn verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt hij verlengd tot de volgende werkdag;
2° het beroepschrift bevat :
- alle motieven en alle stukken die worden aangevoerd tegen de beslissing;
- een kopie van de kennisgeving van de beslissing;
3° de Commissie van beroep vergadert geldig indien vier werkende of plaatsvervangende leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
indien de aanwezigheidsvereiste bedoeld in de eerste alinea niet is vervuld, worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering;
alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
4° de hele procedure voor de Commissie van beroep verloopt schriftelijk. Ter zitting onderzoekt de Commissie van Beroep alle stukken. Ze beraadslaagt met gesloten deuren en haar beraadslagingen zijn geheim;
5° over elke ontvankelijk beroepschrift wordt gestemd. Een beroepschrift kan enkel gegrond worden verklaard door een meerderheid van de leden van de Commissie van beroep. In alle andere gevallen is het beroepschrift ongegrond.
B. Accrediteringsorganen voor tandheelkundigen <INGEVOEGD bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Modifications
Art. 122octies. § 1er. La Commission d'appel se compose des groupes suivants :
1° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants représentant les organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants représentant les universités et les organisations scientifiques médicales;
3° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants représentant les organismes assureurs.
Le groupe visé au 1° compte deux membres effectifs et deux membres suppléants médecins généralistes agréés ainsi que deux membres effectifs et deux membres suppléants médecins spécialistes.
Les membres de la Commission d'appel ne peuvent pas être membres de la Commission nationale médico-mutualiste ni du Groupe de direction de l'accréditation.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 2. Les membres de la Commission d'appel sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres vises au § 1er, 1°, sur la proposition des organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, sur la proposition des universités et des organisations scientifiques médicales;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur la proposition des organismes assureurs.
§ 3. La Commission d'appel choisit un président parmi les membres d'un des groupes visés au § 1er et deux vice-présidents parmi des membres des deux autres groupes visés dans la même disposition. En cas d'empêchement du président, la séance est présidée à tour de rôle par un des deux vice-présidents.
§ 4. La Commission d'appel examine et statue sur le recours que les médecins individuels peuvent introduire auprès d'elle contre des décisions les concernant prises par le Groupe de direction de l'accréditation en exécution de sa mission visée à l'article 122quater, § 5, 7°.
§ 5. La Commission d'appel arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° sous peine d'irrecevabilité, le recours est introduit auprès de la Commission d'appel, par lettre recommandée à la poste, dans les soixante jours à compter de la date de la notification de la décision du Groupe de direction de l'accréditation. Si le délai vient à échéance un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est prolongé jusqu'au prochain jour ouvrable;
2° le recours comprend :
- tous les motifs et toutes les pièces invoqués à l'encontre de la décision;
- une copie de la notification de la décision;
3° la Commission d'appel se réunit valablement si quatre membres effectifs ou suppléants de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents;
si la condition de présence visée au premier alinéa n'est pas remplie, les points inscrits à l'ordre du jour sont reportés à la séance suivante;
seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative;
4° toute la procédure devant la Commission d'appel se fait par écrit. La Commission d'appel examine toutes les pièces en séance. Elle délibère à huis clos et ses délibérations sont secrètes;
5° chaque recours recevable est soumis au vote. Un recours ne peut être déclaré fondé que si la majorité des membres de la Commission d'appel s'est prononcée en ce sens. Dans tous les autres cas le recours est non fondé.
B. Organes accréditation pour praticiens de l'art dentaire
1° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants représentant les organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants représentant les universités et les organisations scientifiques médicales;
3° 4 membres effectifs et 4 membres suppléants représentant les organismes assureurs.
Le groupe visé au 1° compte deux membres effectifs et deux membres suppléants médecins généralistes agréés ainsi que deux membres effectifs et deux membres suppléants médecins spécialistes.
Les membres de la Commission d'appel ne peuvent pas être membres de la Commission nationale médico-mutualiste ni du Groupe de direction de l'accréditation.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 2. Les membres de la Commission d'appel sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres vises au § 1er, 1°, sur la proposition des organisations professionnelles représentatives des médecins;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, sur la proposition des universités et des organisations scientifiques médicales;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur la proposition des organismes assureurs.
§ 3. La Commission d'appel choisit un président parmi les membres d'un des groupes visés au § 1er et deux vice-présidents parmi des membres des deux autres groupes visés dans la même disposition. En cas d'empêchement du président, la séance est présidée à tour de rôle par un des deux vice-présidents.
§ 4. La Commission d'appel examine et statue sur le recours que les médecins individuels peuvent introduire auprès d'elle contre des décisions les concernant prises par le Groupe de direction de l'accréditation en exécution de sa mission visée à l'article 122quater, § 5, 7°.
§ 5. La Commission d'appel arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° sous peine d'irrecevabilité, le recours est introduit auprès de la Commission d'appel, par lettre recommandée à la poste, dans les soixante jours à compter de la date de la notification de la décision du Groupe de direction de l'accréditation. Si le délai vient à échéance un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est prolongé jusqu'au prochain jour ouvrable;
2° le recours comprend :
- tous les motifs et toutes les pièces invoqués à l'encontre de la décision;
- une copie de la notification de la décision;
3° la Commission d'appel se réunit valablement si quatre membres effectifs ou suppléants de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents;
si la condition de présence visée au premier alinéa n'est pas remplie, les points inscrits à l'ordre du jour sont reportés à la séance suivante;
seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative;
4° toute la procédure devant la Commission d'appel se fait par écrit. La Commission d'appel examine toutes les pièces en séance. Elle délibère à huis clos et ses délibérations sont secrètes;
5° chaque recours recevable est soumis au vote. Un recours ne peut être déclaré fondé que si la majorité des membres de la Commission d'appel s'est prononcée en ce sens. Dans tous les autres cas le recours est non fondé.
B. Organes accréditation pour praticiens de l'art dentaire
B. [1 Voorwaarden en procedures voor de individuele accreditering van de arts.]1
B. [1 Conditions et procédures pour l'accréditation individuelle des médecins.]1
Art. 122octies /1. [1 § 1. Teneinde voor accreditering in aanmerking te komen dient elke arts :
1) zijn hoofdactiviteit in België uit te oefenen;
2) erkend te zijn als huisarts of arts-specialist;
3) een navorming volgen;
4) zijn volledige medewerking te verlenen aan initiatieven tot kwaliteitsevaluatie georganiseerd voor de betrokken discipline door de ambtsgenoten en minimaal te zijn ingeschreven in een lokale kwaliteitsgroep bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut van ziekte- en invaliditeitsverzekering;
5) tijdens het voorgaande kalenderjaar een activiteitsdrempel te hebben bereikt, zoals vastgesteld door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen. Deze voorwaarde geldt niet voor artsen tijdens de eerste vier praktijkjaren;
6) De continuïteit van de verzorging te verzekeren overeenkomstig de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
Daarenboven dient elke huisarts
7) een medisch dossier per patiënt bij te houden en alle gegevens van dat dossier die nuttig zijn voor het vaststellen van de diagnose en van de behandeling, met toestemming van de patiënt uit te wisselen met elke andere arts die door de patiënt wordt geraadpleegd en/of die hem verzorgt.
Daarenboven dient elke arts-specialist
8) met toestemming van de patiënt alle nuttige medische gegevens inzake diagnose en behandeling per patiëntendossier aan de huisarts die door de patiënt wordt geraadpleegd en/of die hem verzorgt, mee te delen en met hem uit te wisselen.
§ 2 . De in § 1 voorgeschreven voorwaarden blijven van toepassing gedurende periodes van accreditering. Een arts die niet meer aan deze voorwaarden voldoet, verliest met ingang van de maand volgend op de maand waarin de niet meer aan de voorwaarden is voldaan de accreditering en het recht daarop.
§ 3. De modaliteiten tot vaststelling en verificatie van de in § 1 voorgeschreven voorwaarden worden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.]1
1) zijn hoofdactiviteit in België uit te oefenen;
2) erkend te zijn als huisarts of arts-specialist;
3) een navorming volgen;
4) zijn volledige medewerking te verlenen aan initiatieven tot kwaliteitsevaluatie georganiseerd voor de betrokken discipline door de ambtsgenoten en minimaal te zijn ingeschreven in een lokale kwaliteitsgroep bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut van ziekte- en invaliditeitsverzekering;
5) tijdens het voorgaande kalenderjaar een activiteitsdrempel te hebben bereikt, zoals vastgesteld door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen. Deze voorwaarde geldt niet voor artsen tijdens de eerste vier praktijkjaren;
6) De continuïteit van de verzorging te verzekeren overeenkomstig de bepalingen van de wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, gecoördineerd op 10 mei 2015.
Daarenboven dient elke huisarts
7) een medisch dossier per patiënt bij te houden en alle gegevens van dat dossier die nuttig zijn voor het vaststellen van de diagnose en van de behandeling, met toestemming van de patiënt uit te wisselen met elke andere arts die door de patiënt wordt geraadpleegd en/of die hem verzorgt.
Daarenboven dient elke arts-specialist
8) met toestemming van de patiënt alle nuttige medische gegevens inzake diagnose en behandeling per patiëntendossier aan de huisarts die door de patiënt wordt geraadpleegd en/of die hem verzorgt, mee te delen en met hem uit te wisselen.
§ 2 . De in § 1 voorgeschreven voorwaarden blijven van toepassing gedurende periodes van accreditering. Een arts die niet meer aan deze voorwaarden voldoet, verliest met ingang van de maand volgend op de maand waarin de niet meer aan de voorwaarden is voldaan de accreditering en het recht daarop.
§ 3. De modaliteiten tot vaststelling en verificatie van de in § 1 voorgeschreven voorwaarden worden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.]1
Art. 122octies /1. [1 § 1er. Afin de pouvoir prétendre à l'accréditation, chaque médecin doit :
1) exercer son activité principale en Belgique;
2) être agréé comme médecin généraliste ou médecin spécialiste ;
3) suivre une formation continue ;
4) prêter son concours à des initiatives d'évaluation de la qualité, organisées par des pairs pour la discipline concernée et être au minimum inscrit dans un groupe local d'évaluation médicale auprès du Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ;
5) avoir atteint pour l'année civile précédente un seuil d'activité tel que fixé par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste, exception faite pour les jeunes médecins dans leurs 4 premières années de pratique ;
6) assurer la continuité des soins selon les dispositions de la loi relative à l'exercice des professions des soins de santé, coordonnée le 10 mai 2015.
En outre, chaque médecin généraliste doit
7) tenir un dossier médical par patient et avec l'accord du patient échanger avec tout autre médecin, consulté par le patient et/ou qui le soigne, tous les éléments de ce dossier, qui sont utiles à l'établissement du diagnostic et du traitement.
En outre, chaque médecin spécialiste doit
8) avec l'accord du patient transmettre au médecin généraliste consulté par le patient et/ou qui le soigne et échanger avec lui toutes les données médicales utiles par dossier de patient en matière de diagnostic et de traitement.
§ 2. Les conditions prescrites au § 1er restent d'application pendant les périodes d'accréditation. Le médecin qui ne remplit plus ces conditions perd l'accréditation et le droit à l'accréditation à partir du mois suivant le mois au cours duquel les conditions ne sont plus remplies.
§ 3. Les modalités de constatation et de vérification des conditions prescrites au § 1er sont fixées par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste.]1
1) exercer son activité principale en Belgique;
2) être agréé comme médecin généraliste ou médecin spécialiste ;
3) suivre une formation continue ;
4) prêter son concours à des initiatives d'évaluation de la qualité, organisées par des pairs pour la discipline concernée et être au minimum inscrit dans un groupe local d'évaluation médicale auprès du Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité ;
5) avoir atteint pour l'année civile précédente un seuil d'activité tel que fixé par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste, exception faite pour les jeunes médecins dans leurs 4 premières années de pratique ;
6) assurer la continuité des soins selon les dispositions de la loi relative à l'exercice des professions des soins de santé, coordonnée le 10 mai 2015.
En outre, chaque médecin généraliste doit
7) tenir un dossier médical par patient et avec l'accord du patient échanger avec tout autre médecin, consulté par le patient et/ou qui le soigne, tous les éléments de ce dossier, qui sont utiles à l'établissement du diagnostic et du traitement.
En outre, chaque médecin spécialiste doit
8) avec l'accord du patient transmettre au médecin généraliste consulté par le patient et/ou qui le soigne et échanger avec lui toutes les données médicales utiles par dossier de patient en matière de diagnostic et de traitement.
§ 2. Les conditions prescrites au § 1er restent d'application pendant les périodes d'accréditation. Le médecin qui ne remplit plus ces conditions perd l'accréditation et le droit à l'accréditation à partir du mois suivant le mois au cours duquel les conditions ne sont plus remplies.
§ 3. Les modalités de constatation et de vérification des conditions prescrites au § 1er sont fixées par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste.]1
Modifications
Art. 122octies /2. [1 De arts dient de aanvraag tot accreditering in bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Dienst voor geneeskundige verzorging van het Rijksinstituut van ziekte- en invaliditeitsverzekering, Afdeling relaties met de artsen, overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.
Elke aanvraag wordt voorzien van de nodige bewijsstukken, overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.
Middels deze aanvraag verbindt de arts zich ertoe te voldoen en te blijven voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel122octies/1 § 1. Daarenboven verbindt de arts zich ertoe te voldoen aan de navormingsvoorwaarden voorgeschreven in artikel122octies/4.]1
Elke aanvraag wordt voorzien van de nodige bewijsstukken, overeenkomstig de voorwaarden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.
Middels deze aanvraag verbindt de arts zich ertoe te voldoen en te blijven voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel122octies/1 § 1. Daarenboven verbindt de arts zich ertoe te voldoen aan de navormingsvoorwaarden voorgeschreven in artikel122octies/4.]1
Art. 122octies /2. [1 Le médecin introduit la demande d'accréditation auprès du Service des soins de santé de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité, service des relations avec les médecins, conformément aux conditions fixées par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste.
Chaque demande doit être accompagnée des pièces justificatives nécessaires, conformément aux conditions fixées par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste.
Par cette demande, le médecin s'engage à remplir et à continuer à remplir les conditions énumérées à l'article122octies/1er, § 1er. En outre, le médecin s'engage à remplir les conditions de formation continue prescrites à l'article122octies/4.]1
Chaque demande doit être accompagnée des pièces justificatives nécessaires, conformément aux conditions fixées par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste.
Par cette demande, le médecin s'engage à remplir et à continuer à remplir les conditions énumérées à l'article122octies/1er, § 1er. En outre, le médecin s'engage à remplir les conditions de formation continue prescrites à l'article122octies/4.]1
Modifications
Art. 122octies /3. [1 Een accreditering kan worden toegekend voor een periode van één of meerdere accrediteringsjaren. Deze accrediteringsjaren vangen steeds aan op de eerste dag van een maand.
Elke accrediteringsperiode is opgebouwd uit één of meerdere referentieperiodes van 12 maanden. Deze referentieperiodes vangen aan 2 maanden voor het begin van de accrediteringsjaren voornoemd in het eerste lid en eindigen 2 maanden voor het einde van de accrediteringsjaren voornoemd in het eerste lid.]1
Elke accrediteringsperiode is opgebouwd uit één of meerdere referentieperiodes van 12 maanden. Deze referentieperiodes vangen aan 2 maanden voor het begin van de accrediteringsjaren voornoemd in het eerste lid en eindigen 2 maanden voor het einde van de accrediteringsjaren voornoemd in het eerste lid.]1
Art. 122octies /3. [1 Une accréditation peut être accordée pour une période d'une ou de plusieurs années d'accréditation. Ces années d'accréditation commencent toujours le premier jour du mois.
Chaque période d'accréditation est constituée d'une ou de plusieurs périodes de référence de 12 mois. Ces périodes de référence commencent 2 mois avant le début des années d'accréditation mentionnées à l'alinéa 1er et se terminent 2 mois avant la fin des années d'accréditation mentionnées à l'alinéa 1er.]1
Chaque période d'accréditation est constituée d'une ou de plusieurs périodes de référence de 12 mois. Ces périodes de référence commencent 2 mois avant le début des années d'accréditation mentionnées à l'alinéa 1er et se terminent 2 mois avant la fin des années d'accréditation mentionnées à l'alinéa 1er.]1
Modifications
Art. 122octies /4. [1 Tijdens elke referentieperiode rust op de arts de verplichting zich bij te scholen. De modaliteiten en voorwaarden van deze navorming worden vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen. De navorming omvat ten minste de verplichting tot het verwerven van 20 credit points waaronder 3 credit points in het deelgebied ethiek en economie en 2 deelnames aan de vergaderingen van de lokale evaluatiegroep van de medische kwaliteit waarbij men is ingeschreven per referentieperiode van 12 maanden zoals bepaald in artikel122 octies/3.]1
Art. 122octies /4. [1 Pendant chaque période de référence, le médecin a l'obligation de suivre une formation continue. Les modalités et les conditions de cette formation continue sont fixées par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste. Cette formation continue implique au moins l'obligation d'obtenir 20 credit points (CP) dont 3 CP en rubrique " éthique et économie " et 2 participations aux réunions du groupe local d'évaluation de la qualité médicale auquel le médecin est inscrit, par période de référence de 12 mois comme définie à l'article122octies/3.]1
Modifications
Art. 122octies /5. [1 § 1. Artsen kunnen een accrediteringsaanvraag voor de aanvang van hun activiteitindienen vanaf de dag dat hun erkenning tot huisarts of arts-specialist bij de bevoegde overheid is aangevraagd en tot drie maanden na de dag waarop deze erkenning is uitgevaardigd.
De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
De artsen, die op het moment van hun erkenning of binnen de drie maanden na hun erkenning een opleiding volgen die bij hun specialisme aansluit, of naar het buitenland vertrekken om er geneeskunde te beoefenen kunnen aan het einde van die bijkomende opleiding of van die beroepsactiviteit in het buitenland de accreditering voor de aanvang van hun activiteitbekomen indien zij uiterlijk binnen de drie maanden na aanvang van hun activiteit in de verplichte ziekteverzekering een bewijs indienen van hun periode van bijkomende opleiding respectievelijk hun activiteit in het buitenland en tevens de voormelde startersaanvraag indienen.
De periode van de accreditering voor de aanvang van hun activiteit bedraagt één accrediteringsjaar en vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de Dienst zowel de aanvraag tot accreditering als het erkenningsbesluit heeft ontvangen.
In de gevallen bepaald in § 1 lid 3 vangt de accreditering voor de aanvang van hun activiteitmits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de ontvangst van de conforme aanvraag.
§ 2. Artsen die zich niet bevinden in de aanvangsperiode van hun activiteit in de zin van paragraaf 1 worden beschouwd als gevestigde artsen.
Gevestigde artsen kunnen een eerste accreditering verkrijgen mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en gedurende de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming werd gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel122octies/4.
De accreditering voor gevestigde artsen wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen.
§ 3. De verlenging van een bestaande accreditering kan worden verkregen op voorwaarde dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en gedurende de referentieperiode(n) van de te verlengen accrediteringsperiode werd voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
Een aanvraag tot verlenging moet ten laatste 2 maanden vóór het verstrijken van de lopende accrediteringsperiode worden ingediend.
De verlenging wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
§ 4. Een hernieuwing van accreditering kan worden toegekend aan artsen aan welke voorheen een accreditering werd toegekend welke reeds is afgelopen of welke aflopen zal in een periode minder dan 2 maanden na de indiening van de aanvraag, mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en mits gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode werd voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
De hernieuwing wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
In uitzondering op lid 1 kan een hernieuwing worden toegekend indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4 gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode mits de arts niet in een periode verkeert waarin deze van het recht op accreditering vervallen is verklaard overeenkomstig artikel122octies/7 en mits deze in de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming heeft gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel.122octies/4.
In dergelijk geval wordt de hernieuwing toegekend voor een periode van één accrediteringsjaar en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
Elk beroep voorgelegd aan het orgaan gepreciseerd in artikel122octies wordt beschouwd als een aanvraag tot een hernieuwing van accreditering waarvan de modaliteiten inclusief de eventuele periode van accreditering naar redelijkheid en billijkheid wordt vastgesteld door dit orgaan.
§ 5. Artsen die die al op pensioen gesteld zijn of een aanvraag tot oppensioenstelling hebben ingediend, kunnen een aanvraag tot verlenging of hernieuwing van hun accreditering indienen binnen het kader van een einde loopbaanregime.
De verlenging of de hernieuwing van een accreditering, bedoeld in het eerste lid kan worden verkregen mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 behoudens de voorwaarde inzake activiteitsdrempel en gedurende de referentieperiode(n) van de afgelopen of af te lopen te verlengen accrediteringsperiode wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
In uitzondering op het voorgaande lid kan een hernieuwing worden toegekend indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4 gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode mits de arts niet in een periode verkeert waarin deze van het recht op accreditering vervallen is verklaard overeenkomstig artikel122octies/7 en mits deze in de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming heeft gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel122octies/4.
De aanvraag tot verlenging binnen het kader van een einde loopbaanregime moet ten laatste 2 maanden vóór het verstrijken van de lopende accrediteringsperiode worden ingediend en kan worden herhaald.
De verlenging of hernieuwing bedoeld in het eerste lid wordt toegekend voor een periode van één accrediteringsjaar en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.]1
De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag.
De artsen, die op het moment van hun erkenning of binnen de drie maanden na hun erkenning een opleiding volgen die bij hun specialisme aansluit, of naar het buitenland vertrekken om er geneeskunde te beoefenen kunnen aan het einde van die bijkomende opleiding of van die beroepsactiviteit in het buitenland de accreditering voor de aanvang van hun activiteitbekomen indien zij uiterlijk binnen de drie maanden na aanvang van hun activiteit in de verplichte ziekteverzekering een bewijs indienen van hun periode van bijkomende opleiding respectievelijk hun activiteit in het buitenland en tevens de voormelde startersaanvraag indienen.
De periode van de accreditering voor de aanvang van hun activiteit bedraagt één accrediteringsjaar en vangt aan op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de Dienst zowel de aanvraag tot accreditering als het erkenningsbesluit heeft ontvangen.
In de gevallen bepaald in § 1 lid 3 vangt de accreditering voor de aanvang van hun activiteitmits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de ontvangst van de conforme aanvraag.
§ 2. Artsen die zich niet bevinden in de aanvangsperiode van hun activiteit in de zin van paragraaf 1 worden beschouwd als gevestigde artsen.
Gevestigde artsen kunnen een eerste accreditering verkrijgen mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en gedurende de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming werd gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel122octies/4.
De accreditering voor gevestigde artsen wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen.
§ 3. De verlenging van een bestaande accreditering kan worden verkregen op voorwaarde dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en gedurende de referentieperiode(n) van de te verlengen accrediteringsperiode werd voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
Een aanvraag tot verlenging moet ten laatste 2 maanden vóór het verstrijken van de lopende accrediteringsperiode worden ingediend.
De verlenging wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
§ 4. Een hernieuwing van accreditering kan worden toegekend aan artsen aan welke voorheen een accreditering werd toegekend welke reeds is afgelopen of welke aflopen zal in een periode minder dan 2 maanden na de indiening van de aanvraag, mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 en mits gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode werd voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
De hernieuwing wordt toegekend voor een periode van drie accrediteringsjaren en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
In uitzondering op lid 1 kan een hernieuwing worden toegekend indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4 gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode mits de arts niet in een periode verkeert waarin deze van het recht op accreditering vervallen is verklaard overeenkomstig artikel122octies/7 en mits deze in de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming heeft gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel.122octies/4.
In dergelijk geval wordt de hernieuwing toegekend voor een periode van één accrediteringsjaar en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.
Elk beroep voorgelegd aan het orgaan gepreciseerd in artikel122octies wordt beschouwd als een aanvraag tot een hernieuwing van accreditering waarvan de modaliteiten inclusief de eventuele periode van accreditering naar redelijkheid en billijkheid wordt vastgesteld door dit orgaan.
§ 5. Artsen die die al op pensioen gesteld zijn of een aanvraag tot oppensioenstelling hebben ingediend, kunnen een aanvraag tot verlenging of hernieuwing van hun accreditering indienen binnen het kader van een einde loopbaanregime.
De verlenging of de hernieuwing van een accreditering, bedoeld in het eerste lid kan worden verkregen mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/1 § 1 behoudens de voorwaarde inzake activiteitsdrempel en gedurende de referentieperiode(n) van de afgelopen of af te lopen te verlengen accrediteringsperiode wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4.
In uitzondering op het voorgaande lid kan een hernieuwing worden toegekend indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel122octies/4 gedurende de referentieperiode(n) van de af te lopen of afgelopen accrediteringsperiode mits de arts niet in een periode verkeert waarin deze van het recht op accreditering vervallen is verklaard overeenkomstig artikel122octies/7 en mits deze in de periode van twaalf maanden die aan de aanvraag vooraf gaat een navorming heeft gevolgd gelijk aan deze als gespecificeerd in artikel122octies/4.
De aanvraag tot verlenging binnen het kader van een einde loopbaanregime moet ten laatste 2 maanden vóór het verstrijken van de lopende accrediteringsperiode worden ingediend en kan worden herhaald.
De verlenging of hernieuwing bedoeld in het eerste lid wordt toegekend voor een periode van één accrediteringsjaar en vangt mits goedkeuring van de Accrediteringsstuurgroep ten laatste aan op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de Dienst een conforme aanvraag heeft ontvangen en ten vroegste na afloop van de voorafgaande accrediteringsperiode.]1
Art. 122octies /5. [1 § 1er. Les médecins peuvent introduire une demande d'accréditation de début d'activité à partir du jour de leur demande d'agrément de médecin généraliste ou de médecin spécialiste auprès de l'autorité compétente et jusqu'à trois mois après le jour où l'agrément a été accordé.
L'échéance est comprise dans le délai. Toutefois, si elle tombe un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, l'échéance est reportée au premier jour ouvrable qui suit.
Les médecins qui, au moment de leur agrément ou dans les trois mois suivant leur agrément, suivent une formation liée à leur spécialité ou partent à l'étranger pour y exercer la médecine peuvent obtenir une accréditation de début d'activité à la fin de cette formation complémentaire ou de cette activité professionnelle à l'étranger s'ils fournissent une preuve de leur période de formation complémentaire ou de leur activité à l'étranger et qu'ils introduisent également la demande de début d'activité susmentionnée, au plus tard dans les trois mois après le début de leur activité dans le cadre de l'assurance maladie obligatoire.
La période de l'accréditation de début d'activité dure une année. Elle commence le premier jour du mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu la demande d'accréditation ainsi que l'arrêté d'agrément.
Dans les cas définis au § 1er, alinéa 3, moyennant approbation du groupe de direction de l'accréditation, l'accréditation de début d'activité commence au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit la réception de la demande conforme.
§ 2. Les médecins qui ne se trouvent pas en début d'activité au sens du paragraphe 1er sont considérés comme des médecins établis
Les médecins établis peuvent obtenir une première accréditation s'ils remplissent les conditions de l'article122octies/1er, § 1er, et si pendant les douze mois précédant la demande, ils ont suivi une formation continue équivalente à celle spécifiée à l'article122octies/4.
L'accréditation pour les médecins établis est accordée pour une période de trois ans et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme.
§ 3. La prolongation d'une accréditation en cours peut être obtenue pour autant que les conditions de l'article122octies/1er, § 1er, soient remplies et que pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation à prolonger, les conditions de l'article122 octies/4 aient été remplies.
La demande de prolongation doit être introduite au plus tard 2 mois avant l'expiration de la période d'accréditation en cours.
La prolongation de l'accréditation est accordée pour une période de trois ans et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme et au plus tôt à la fin de la période d'accréditation précédente.
§ 4. Un renouvellement de l'accréditation peut être accordé aux médecins à qui il avait déjà été accordé une accréditation qui est expirée ou va expirer moins de deux mois après l'introduction de la demande, pour autant que les conditions de l'article122octies/1er, § 1er, soient remplies et que, pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation expirée ou devant expirer, les conditions de l'article122octies/4 aient été remplies.
Le renouvellement est accordé pour une période de trois ans et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme et au plus tôt à la fin de la période d'accréditation précédente.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un renouvellement peut être accordé même si les conditions de l'article122octies/4 ne sont pas remplies pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation expirée ou devant expirer, à condition que le médecin ne se trouve pas dans une période où il a été déchu du droit à l'accréditation en vertu de l'article122octies/7 et à condition que pendant les douze mois précédant la demande, il ait suivi une formation continue équivalente à celle spécifiée à l'article122octies/4.
Dans pareil cas, le renouvellement de l'accréditation est accordé pour une période d'un an et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme et au plus tôt à la fin de la période d'accréditation précédente.
Tout recours soumis à l'organe précisé à l'article122octies est considérée comme une demande de renouvellement de l'accréditation dont les modalités, y compris l'éventuelle période d'accréditation, sont fixées par cet organe de manière raisonnable et équitable.
§ 5. Les médecins qui sont admis à la pension ou qui ont introduit une demande d'admission à la pension peuvent introduire une demande de prolongation ou de renouvellement de leur accréditation dans le cadre du régime de fin de carrière.
La prolongation ou le renouvellement d'une accréditation, visés à l'alinéa 1er peut être obtenu si les conditions de l'article122octies/1er, § 1er, sont remplies, sauf la condition relative au seuil d'activité, et si pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation expirée ou devant expirer, les conditions de l'article122octies/4 sont remplies.
Par dérogation à l'alinéa précédent, un renouvellement peut être accordé même si les conditions de l'article122octies/4 ne sont pas remplies pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation expirée ou devant expirer, à condition que le médecin ne se trouve pas dans une période où il a été déchu du droit à l'accréditation en vertu de l'article122octies/7 et à condition que pendant les douze mois précédant la demande, il ait suivi une formation continue équivalente à celle spécifiée à l'article122octies/4.
La demande de prolongation dans le cadre d'un régime de fin de carrière doit être introduite au plus tard 2 mois avant l'expiration de la période d'accréditation en cours et elle peut être répétée.
La prolongation ou le renouvellement de l'accréditation visés à l'alinéa 1er est accordé pour une période d'un an et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme et au plus tôt à la fin de la période d'accréditation précédente.]1
L'échéance est comprise dans le délai. Toutefois, si elle tombe un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, l'échéance est reportée au premier jour ouvrable qui suit.
Les médecins qui, au moment de leur agrément ou dans les trois mois suivant leur agrément, suivent une formation liée à leur spécialité ou partent à l'étranger pour y exercer la médecine peuvent obtenir une accréditation de début d'activité à la fin de cette formation complémentaire ou de cette activité professionnelle à l'étranger s'ils fournissent une preuve de leur période de formation complémentaire ou de leur activité à l'étranger et qu'ils introduisent également la demande de début d'activité susmentionnée, au plus tard dans les trois mois après le début de leur activité dans le cadre de l'assurance maladie obligatoire.
La période de l'accréditation de début d'activité dure une année. Elle commence le premier jour du mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu la demande d'accréditation ainsi que l'arrêté d'agrément.
Dans les cas définis au § 1er, alinéa 3, moyennant approbation du groupe de direction de l'accréditation, l'accréditation de début d'activité commence au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit la réception de la demande conforme.
§ 2. Les médecins qui ne se trouvent pas en début d'activité au sens du paragraphe 1er sont considérés comme des médecins établis
Les médecins établis peuvent obtenir une première accréditation s'ils remplissent les conditions de l'article122octies/1er, § 1er, et si pendant les douze mois précédant la demande, ils ont suivi une formation continue équivalente à celle spécifiée à l'article122octies/4.
L'accréditation pour les médecins établis est accordée pour une période de trois ans et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme.
§ 3. La prolongation d'une accréditation en cours peut être obtenue pour autant que les conditions de l'article122octies/1er, § 1er, soient remplies et que pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation à prolonger, les conditions de l'article122 octies/4 aient été remplies.
La demande de prolongation doit être introduite au plus tard 2 mois avant l'expiration de la période d'accréditation en cours.
La prolongation de l'accréditation est accordée pour une période de trois ans et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme et au plus tôt à la fin de la période d'accréditation précédente.
§ 4. Un renouvellement de l'accréditation peut être accordé aux médecins à qui il avait déjà été accordé une accréditation qui est expirée ou va expirer moins de deux mois après l'introduction de la demande, pour autant que les conditions de l'article122octies/1er, § 1er, soient remplies et que, pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation expirée ou devant expirer, les conditions de l'article122octies/4 aient été remplies.
Le renouvellement est accordé pour une période de trois ans et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme et au plus tôt à la fin de la période d'accréditation précédente.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un renouvellement peut être accordé même si les conditions de l'article122octies/4 ne sont pas remplies pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation expirée ou devant expirer, à condition que le médecin ne se trouve pas dans une période où il a été déchu du droit à l'accréditation en vertu de l'article122octies/7 et à condition que pendant les douze mois précédant la demande, il ait suivi une formation continue équivalente à celle spécifiée à l'article122octies/4.
Dans pareil cas, le renouvellement de l'accréditation est accordé pour une période d'un an et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme et au plus tôt à la fin de la période d'accréditation précédente.
Tout recours soumis à l'organe précisé à l'article122octies est considérée comme une demande de renouvellement de l'accréditation dont les modalités, y compris l'éventuelle période d'accréditation, sont fixées par cet organe de manière raisonnable et équitable.
§ 5. Les médecins qui sont admis à la pension ou qui ont introduit une demande d'admission à la pension peuvent introduire une demande de prolongation ou de renouvellement de leur accréditation dans le cadre du régime de fin de carrière.
La prolongation ou le renouvellement d'une accréditation, visés à l'alinéa 1er peut être obtenu si les conditions de l'article122octies/1er, § 1er, sont remplies, sauf la condition relative au seuil d'activité, et si pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation expirée ou devant expirer, les conditions de l'article122octies/4 sont remplies.
Par dérogation à l'alinéa précédent, un renouvellement peut être accordé même si les conditions de l'article122octies/4 ne sont pas remplies pendant la ou les périodes de référence de la période d'accréditation expirée ou devant expirer, à condition que le médecin ne se trouve pas dans une période où il a été déchu du droit à l'accréditation en vertu de l'article122octies/7 et à condition que pendant les douze mois précédant la demande, il ait suivi une formation continue équivalente à celle spécifiée à l'article122octies/4.
La demande de prolongation dans le cadre d'un régime de fin de carrière doit être introduite au plus tard 2 mois avant l'expiration de la période d'accréditation en cours et elle peut être répétée.
La prolongation ou le renouvellement de l'accréditation visés à l'alinéa 1er est accordé pour une période d'un an et, moyennant l'approbation du groupe de direction de l'accréditation, prend cours au plus tard le premier jour du deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le Service a reçu une demande conforme et au plus tôt à la fin de la période d'accréditation précédente.]1
Modifications
Art. 122octies /6. [1 De perioden gedefinieerd overeenkomstig artikel122octies/5 en/of de voorwaarden gepreciseerd in de artikelen 122octies/1 en 122octies/4 kunnen worden geschorst door een of meerdere periode(n) van gevallen van overmacht, exclusieve beroepsactiviteit in het in het buitenland of bijkomende opleiding in het buitenland en andere schorsende omstandigheden overeenkomstig de voorwaarden en modaliteiten vastgelegd door de minister op voorstel van de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen.
De arts die zich op schorsende omstandigheden wenst te beroepen dient op straffe van verval de Dienst hiervan voorafgaandelijk op de hoogte te stellen voor zover deze omstandigheden voorzienbaar zijn.]1
De arts die zich op schorsende omstandigheden wenst te beroepen dient op straffe van verval de Dienst hiervan voorafgaandelijk op de hoogte te stellen voor zover deze omstandigheden voorzienbaar zijn.]1
Art. 122octies /6. [1 Les périodes définies en vertu de l'article122octies/5 et/ou les conditions précisées aux articles 122octies/1er et 122octies/4 peuvent être suspendues par une ou des période(s) en cas de situations de force majeure, une activité professionnelle exclusive à l'étranger ou une formation complémentaire à l'étranger et d'autres circonstances de suspension conformément aux conditions et modalités fixées par le ministre sur la proposition de la Commission nationale médico-mutualiste.
Le médecin qui souhaite invoquer des circonstances de suspension doit, sous peine de forclusion, en informer le Service au préalable pour autant que ces circonstances soient prévisibles.]1
Le médecin qui souhaite invoquer des circonstances de suspension doit, sous peine de forclusion, en informer le Service au préalable pour autant que ces circonstances soient prévisibles.]1
Modifications
Art. 122octies /7. [1 Artsen waarvan wordt vastgesteld dat zij tijdens hun laatst toegekende accrediteringsperiode niet hebben voldaan aan de voorwaarden als neergelegd in artikel122octies/1 § 1 en artikel122octies/4 kunnen van het recht om voor accreditering in aanmerking te komen worden vervallen verklaard voor zoveel perioden van twaalf maanden als het aantal accrediteringsjaren waarin niet aan deze voorwaarden werd voldaan.
Deze vervallenverklaring neemt een aanvang op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de laatst toegekende accrediteringsperiode een eind heeft genomen en kan retroactief worden vastgesteld zonder afbreuk te doen aan verworven rechten.]1
Deze vervallenverklaring neemt een aanvang op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de laatst toegekende accrediteringsperiode een eind heeft genomen en kan retroactief worden vastgesteld zonder afbreuk te doen aan verworven rechten.]1
Art. 122octies /7. [1 Les médecins pour lesquels il a été constaté que lors de leur dernière période d'accréditation accordée, ils ne remplissaient pas les conditions telles que fixées à l'article122octies/1er, § 1er, et à l'article122octies/4, peuvent être déchus du droit de bénéficier de l'accréditation pour un nombre de périodes d'accréditation égal au nombre d'années d'accréditation pendant lesquelles ces conditions n'étaient pas remplies.
Cette déclaration de déchéance prend cours le premier jour du mois qui suit le mois au cours duquel la dernière période d'accréditation accordée a pris fin et elle peut être fixée de manière rétroactive sans porter préjudice aux droits acquis.]1
Cette déclaration de déchéance prend cours le premier jour du mois qui suit le mois au cours duquel la dernière période d'accréditation accordée a pris fin et elle peut être fixée de manière rétroactive sans porter préjudice aux droits acquis.]1
Modifications
Art. 122octies /8. [1 De beslissingen van de Accrediteringsstuurgroep betreffende de individuele accreditering van de artsen zijn gemotiveerd. Zij kunnen namelijk een volledig of gedeeltelijke accreditering omvatten, een schorsing, een weigering of een vervallenverklaring. Zij kunnen gepaard gaan met voorwaarden, in het bijzonder de voorwaarde dat de arts de onverschuldigde uitbetaalde accrediteringsforfaits terugbetaalt. Het Rijksinstituut voor ziekte en invaliditeitsverzekering is belast met de recuperatie van de onverschuldigde bedragen.]1
Art. 122octies /8. [1 Les décisions du groupe de Direction de l'Accréditation concernant l'accréditation individuelle sont motivées. Elles peuvent inclure une accréditation totale' ou partielle, une suspension, un refus ou une déclaration de déchéance. Elles peuvent être assorties de conditions, notamment la condition de remboursement par le médecin concerné des forfaits d'accréditation versés indûment. L'Institut national d'assurance maladie-invalidité est charge de récupérer les montants indus.]1
Modifications
Onderafdeling 2. [1 Accrediteringsorganen voor tandheelkundigen.]1
Sous-section 2. [1 Organes d'accréditation pour praticiens de l'art dentaire]1
Art. 122octiessemel. <INGEVOEGD bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Bij de Dienst voor geneeskundige verzorging worden ingesteld :
- een Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde;
- een Evaluatiecommissie tandheelkunde;
- een Commissie van beroep tandheelkunde.
1. De Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde
- een Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde;
- een Evaluatiecommissie tandheelkunde;
- een Commissie van beroep tandheelkunde.
1. De Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde
Art. 122octiessemel. Sont institués auprès du Service des soins de santé :
- un Groupe de direction Promotion de la qualité de l'art dentaire;
- une Commission d'évaluation de l'art dentaire;
- une Commission d'appel de l'art dentaire.
1. Le Groupe de direction Promotion de la qualité de l'art dentaire
- un Groupe de direction Promotion de la qualité de l'art dentaire;
- une Commission d'évaluation de l'art dentaire;
- une Commission d'appel de l'art dentaire.
1. Le Groupe de direction Promotion de la qualité de l'art dentaire
Art. 122octiesbis. <INGEVOEGD bij KB 2007-12-20/45 art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde, hierna Stuurgroep genoemd, is samengesteld uit :
1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
2° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
3° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
Een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid maakt met raadgevende stem deel uit van de Stuurgroep.
§ 2. De leden van de Stuurgroep worden benoemd door de Koning :
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen : om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen;
3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteiten die een volledige opleidingscyclus hebben voor het bekomen van het diploma van tandarts.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 3. De leden van de Stuurgroep kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 1° een voorzitter en onder zijn leden bedoeld in § 1, 2° en 3° telkens een ondervoorzitter. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
§ 4. De Stuurgroep :
1° beheert de uitvoering van de accrediteringsvoorwaarden en procedures op basis van de volgende principes :
a) bijscholing. Om te worden geaccrediteerd en te blijven moet jaarlijks een minimum hoeveelheid bijscholing worden gevolgd. Deze bijscholing verloopt in cycli van 5 jaar. Alle bijscholingsactiviteiten worden ingedeeld in deelgebieden die het volledige domein van de tandheelkunde bestrijken. Deze worden door de Stuurgroep vastgelegd en moeten in de loop van de vijfjarencyclus worden doorlopen. De hoeveelheid bijscholing en de waardering ervan wordt bepaald door middel van een puntensysteem (accrediteringseenheden);
b) intercollegiale evaluatie van de praktijk of peer review. Het beroep organiseert debatontmoetingen met als doel het verbeteren van de kwaliteit van de zorgverlening aan de patiënt, door uitwisseling van praktische kennis en ervaring onder collegae. Om te worden geaccrediteerd en te blijven volgen de tandheelkundigen jaarlijks minstens 2 sessies;
c) dataregistratie. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, moet de tandheelkundige bereid zijn om mee te werken aan dataregistratie met betrekking tot de tandheelkundige praktijk. Deze dataregistratie bestaat uit een gerichte, en dus in de tijd beperkte gegevensinzameling waarbij per onderwerp slechts een beperkt aantal geaccrediteerde tandheelkundigen wordt betrokken. Die gegevens hebben tot doel instrumenten aan te reiken voor het bepalen van het concrete beleid inzake mondverzorging in de Nationale commissie tandheelkundigen ziekenfondsen en in de Technische tandheelkundige raad.
De verwerking van de gegevens en de analyse van de resultaten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van het RIZIV;
d) drempelactiviteit. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige in de loop van een kalenderjaar minimum 300 prestaties te hebben verricht in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging. Voor tandheelkundigen die pas afgestudeerd zijn gelden bijzondere voorwaarden betreffende de drempelactiviteit;
e) praktijkregister. Indien de accreditering voor de eerste maal gebeurt of de praktijkgegevens zijn veranderd dient de tandheelkundige een aantal gegevens over zijn praktijk mee te delen. Enkel de tandheelkundigen die werken in één of meerdere praktijken die wettelijk in orde zijn komen in aanmerking voor accreditering;
[1 f) Voldoen aan de algemene voorwaarden inzake de uitoefening van de tandheelkunde in België. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige te beantwoorden aan de algemene voorwaarden inzake de uitoefening van de tandheelkunde in België als vastgelegd in het koninklijk besluit van 1 juni 1934 houdende reglement op de beoefening der tandheelkunde en het ministerieel besluit van 29 maart 2002 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van beoefenaars van de tandheelkunde houders van de bijzondere beroepstitel van algemeen tandarts, met daaronder uitdrukkelijk inbegrepen de verplichting tot deelname aan de toediening van gezondheidszorgen in het kader van een wachtdienst die beantwoordt aan de bepalingen van [3 de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen]3. De verificatie geschiedt uitsluitend op basis van de in deze bepaling bedoelde gegevens voor alle tandheelkundigen, die door de FOD Volksgezondheid aan het RIZIV worden gecommuniceerd.
g) Stralingsbescherming. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige te voldoen aan de regelgeving inzake de bescherming tegen de gevaren van ioniserende stralingen, opgenomen in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. De verificatie geschiedt uitsluitend op basis van de in deze bepaling bedoelde gegevens voor alle tandheelkundigen, die door het Federaal agentschap voor nucleaire controle aan het RIZIV worden gecommuniceerd.]1
2° erkent, op advies van de Evaluatiecommissie tandheelkunde, de organisatoren van bijscholingsactiviteiten. Om te worden erkend en erkend te blijven dient de organisator van bijscholingsactiviteiten aan de volgende voorwaarden te voldoen :
a) de organisator van bijscholingsactiviteiten mag " niet commercieel " zijn. Dit betekent dat de cursussen niet mogen worden georganiseerd voor commerciële doeleinden. De Stuurgroep waakt over de naleving van deze voorwaarde aan de hand van specifieke criteria die door de Stuurgroep worden bepaald in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
b) de organisator staat in voor de evaluatie van de bijscholingsactiviteit en voor de registratie van de deelnemers op de wijze zoals bepaald door de Stuurgroep in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
c) elke organisator aanvaardt het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
d) de erkenning als organisator vervalt automatisch indien een organisator gedurende een kalenderjaar geen enkele activiteit in het kader van de accreditering organiseert;
3° erkent de organisatoren van peer review-sessies. Om te worden erkend en erkend te blijven dient de organisator van peer review-sessies aan de volgende voorwaarden te voldoen :
a) de organisator is een tandheelkundige [4 ...]4;
b) de organisator staat, voor minstens een periode van 1 jaar, in voor de administratie en organisatie van peer review-sessies, op de wijze zoals bepaald door de Stuurgroep in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
c) elke organisator aanvaardt het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
4° bewaakt op permanente wijze de naleving van de vastgelegde voorwaarden voor een organisator van bijscholingsactiviteiten, zoals bepaald in 2° en voor een organisator van peer review-sessies, zoals bepaald in 3°. Het niet naleven van deze voorwaarden kan door de Stuurgroep gesanctioneerd worden met ofwel een waarschuwing ofwel een schorsing als organisator van minimum 6 maanden en maximum 5 jaar. In geval van een schorsing beslist de Stuurgroep over de lengte en inwerkingtreding van de schorsing.
Indien de Stuurgroep beslist tot verdere gevolggeving brengt hij de betrokken organisator hiervan op de hoogte door middel van een aangetekende brief. Deze brief omvat een uittreksel van het goedgekeurde verslag van de betreffende vergadering, een overzicht van de mogelijke sancties en de vraag om schriftelijk te reageren binnen een door de Stuurgroep te bepalen termijn.
Na ontvangst van het schriftelijk verweer van de betrokken organisator of indien de betrokken organisator heeft nagelaten te reageren binnen de door de Stuurgroep bepaalde termijn, beslist de Stuurgroep over het al dan niet sanctioneren van de organisator en in geval van sanctionering over de aard en de inwerkingtreding van de sanctie.
De Stuurgroep brengt haar beslissing per aangetekende brief ter kennis van de organisator. De kennisgeving bevat een uittreksel van het goedgekeurde verslag van de betreffende vergaderingen, een expliciete vermelding van de uitgesproken sanctie alsmede de inwerkingtreding van deze sanctie en de mogelijkheid tot het indienen van een verzoekschrift bij de Raad van State;
5° bepaalt de voorwaarden waaraan de bijscholingsactiviteiten dienen te voldoen en erkent de bijscholingsactiviteiten op gemotiveerd advies van de Evaluatiecommissie tandheelkunde.
Binnenlandse bijscholingsactiviteiten kunnen door de Stuurgroep erkend worden. Dit gebeurt per voorafgaandelijke aanvraag door de organisator via een formulier waarvan het model wordt vastgelegd door de Stuurgroep.
Buitenlandse bijscholingsactiviteiten kunnen door de Stuurgroep erkend worden. Dit gebeurt per voorafgaandelijke aanvraag door de tandheelkundige, via een formulier waarvan het model wordt vastgelegd door de Stuurgroep en het opmaken nadien van een persoonlijk verslag van de desbetreffende activiteit;
6° accrediteert de aanvragende tandheelkundigen voor wie is vastgesteld dat zij aan de gestelde voorwaarden voldoen.
[5 Hiertoe dient de tandheelkundige op straffe van verval in de periode vanaf 1 januari tot en met 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarin de premie ingesteld krachtens artikel 50, § 6, zesde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 verdiend is, zijn accrediteringsaanvraag te bezorgen aan de Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde, via de online applicatie die het RIZIV hiertoe ter beschikking stelt, overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door deze Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde. Na het ontvangen van de accrediteringsaanvraag zal de Stuurgroep beslissen over de individuele accreditering.]5
Indien de Stuurgroep de accreditering niet toekent en de tandheelkundige niet akkoord kan gaan met deze beslissing, kan hij hiertegen volgens de procedure voorzien in art. 122octies quater, § 5, beroep aantekenen bij de Commissie van Beroep.
7° kan voorstellen overmaken aan de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen betreffende het definiëren van de inhoud en de aanwending van een tandheelkundig dossier.
§ 5. De Stuurgroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° de Stuurgroep houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn.
Indien de aanwezigheidsvereiste, bedoeld in de vorige alinea, niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er overeenkomstig § 5, 2°, alinea 3 kan beslist worden zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;
2° de beslissingen in de Stuurgroep zijn verworven indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd. Alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen en met hun instemming, zijn stemgerechtigd;
Indien een voorstel de meerderheid, bedoeld in de vorige alinea, niet behaalt, wordt een nieuw voorstel ter stemming voorgelegd.
In de situatie bedoeld in § 5, 1°, alinea 2 zijn de beslissingen verworven indien ze worden goedgekeurd door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep die aan de aanwezigheidsvereiste, bedoeld in § 5, 1°, alinea 1, voldoet.
2. De Evaluatiecommissie tandheelkunde
1° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
2° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
3° 6 werkende en 6 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
Een vertegenwoordiger van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid maakt met raadgevende stem deel uit van de Stuurgroep.
§ 2. De leden van de Stuurgroep worden benoemd door de Koning :
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen : om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen;
3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteiten die een volledige opleidingscyclus hebben voor het bekomen van het diploma van tandarts.
De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar.
§ 3. De leden van de Stuurgroep kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 1° een voorzitter en onder zijn leden bedoeld in § 1, 2° en 3° telkens een ondervoorzitter. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
§ 4. De Stuurgroep :
1° beheert de uitvoering van de accrediteringsvoorwaarden en procedures op basis van de volgende principes :
a) bijscholing. Om te worden geaccrediteerd en te blijven moet jaarlijks een minimum hoeveelheid bijscholing worden gevolgd. Deze bijscholing verloopt in cycli van 5 jaar. Alle bijscholingsactiviteiten worden ingedeeld in deelgebieden die het volledige domein van de tandheelkunde bestrijken. Deze worden door de Stuurgroep vastgelegd en moeten in de loop van de vijfjarencyclus worden doorlopen. De hoeveelheid bijscholing en de waardering ervan wordt bepaald door middel van een puntensysteem (accrediteringseenheden);
b) intercollegiale evaluatie van de praktijk of peer review. Het beroep organiseert debatontmoetingen met als doel het verbeteren van de kwaliteit van de zorgverlening aan de patiënt, door uitwisseling van praktische kennis en ervaring onder collegae. Om te worden geaccrediteerd en te blijven volgen de tandheelkundigen jaarlijks minstens 2 sessies;
c) dataregistratie. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, moet de tandheelkundige bereid zijn om mee te werken aan dataregistratie met betrekking tot de tandheelkundige praktijk. Deze dataregistratie bestaat uit een gerichte, en dus in de tijd beperkte gegevensinzameling waarbij per onderwerp slechts een beperkt aantal geaccrediteerde tandheelkundigen wordt betrokken. Die gegevens hebben tot doel instrumenten aan te reiken voor het bepalen van het concrete beleid inzake mondverzorging in de Nationale commissie tandheelkundigen ziekenfondsen en in de Technische tandheelkundige raad.
De verwerking van de gegevens en de analyse van de resultaten worden verricht onder de verantwoordelijkheid van het RIZIV;
d) drempelactiviteit. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige in de loop van een kalenderjaar minimum 300 prestaties te hebben verricht in het kader van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging. Voor tandheelkundigen die pas afgestudeerd zijn gelden bijzondere voorwaarden betreffende de drempelactiviteit;
e) praktijkregister. Indien de accreditering voor de eerste maal gebeurt of de praktijkgegevens zijn veranderd dient de tandheelkundige een aantal gegevens over zijn praktijk mee te delen. Enkel de tandheelkundigen die werken in één of meerdere praktijken die wettelijk in orde zijn komen in aanmerking voor accreditering;
[1 f) Voldoen aan de algemene voorwaarden inzake de uitoefening van de tandheelkunde in België. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige te beantwoorden aan de algemene voorwaarden inzake de uitoefening van de tandheelkunde in België als vastgelegd in het koninklijk besluit van 1 juni 1934 houdende reglement op de beoefening der tandheelkunde en het ministerieel besluit van 29 maart 2002 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van beoefenaars van de tandheelkunde houders van de bijzondere beroepstitel van algemeen tandarts, met daaronder uitdrukkelijk inbegrepen de verplichting tot deelname aan de toediening van gezondheidszorgen in het kader van een wachtdienst die beantwoordt aan de bepalingen van [3 de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen]3. De verificatie geschiedt uitsluitend op basis van de in deze bepaling bedoelde gegevens voor alle tandheelkundigen, die door de FOD Volksgezondheid aan het RIZIV worden gecommuniceerd.
g) Stralingsbescherming. Om te worden geaccrediteerd en te blijven, dient de tandheelkundige te voldoen aan de regelgeving inzake de bescherming tegen de gevaren van ioniserende stralingen, opgenomen in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen. De verificatie geschiedt uitsluitend op basis van de in deze bepaling bedoelde gegevens voor alle tandheelkundigen, die door het Federaal agentschap voor nucleaire controle aan het RIZIV worden gecommuniceerd.]1
2° erkent, op advies van de Evaluatiecommissie tandheelkunde, de organisatoren van bijscholingsactiviteiten. Om te worden erkend en erkend te blijven dient de organisator van bijscholingsactiviteiten aan de volgende voorwaarden te voldoen :
a) de organisator van bijscholingsactiviteiten mag " niet commercieel " zijn. Dit betekent dat de cursussen niet mogen worden georganiseerd voor commerciële doeleinden. De Stuurgroep waakt over de naleving van deze voorwaarde aan de hand van specifieke criteria die door de Stuurgroep worden bepaald in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
b) de organisator staat in voor de evaluatie van de bijscholingsactiviteit en voor de registratie van de deelnemers op de wijze zoals bepaald door de Stuurgroep in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
c) elke organisator aanvaardt het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
d) de erkenning als organisator vervalt automatisch indien een organisator gedurende een kalenderjaar geen enkele activiteit in het kader van de accreditering organiseert;
3° erkent de organisatoren van peer review-sessies. Om te worden erkend en erkend te blijven dient de organisator van peer review-sessies aan de volgende voorwaarden te voldoen :
a) de organisator is een tandheelkundige [4 ...]4;
b) de organisator staat, voor minstens een periode van 1 jaar, in voor de administratie en organisatie van peer review-sessies, op de wijze zoals bepaald door de Stuurgroep in het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
c) elke organisator aanvaardt het Werkingsreglement betreffende de organisatoren van bijscholingsactiviteiten en peer review-sessies;
4° bewaakt op permanente wijze de naleving van de vastgelegde voorwaarden voor een organisator van bijscholingsactiviteiten, zoals bepaald in 2° en voor een organisator van peer review-sessies, zoals bepaald in 3°. Het niet naleven van deze voorwaarden kan door de Stuurgroep gesanctioneerd worden met ofwel een waarschuwing ofwel een schorsing als organisator van minimum 6 maanden en maximum 5 jaar. In geval van een schorsing beslist de Stuurgroep over de lengte en inwerkingtreding van de schorsing.
Indien de Stuurgroep beslist tot verdere gevolggeving brengt hij de betrokken organisator hiervan op de hoogte door middel van een aangetekende brief. Deze brief omvat een uittreksel van het goedgekeurde verslag van de betreffende vergadering, een overzicht van de mogelijke sancties en de vraag om schriftelijk te reageren binnen een door de Stuurgroep te bepalen termijn.
Na ontvangst van het schriftelijk verweer van de betrokken organisator of indien de betrokken organisator heeft nagelaten te reageren binnen de door de Stuurgroep bepaalde termijn, beslist de Stuurgroep over het al dan niet sanctioneren van de organisator en in geval van sanctionering over de aard en de inwerkingtreding van de sanctie.
De Stuurgroep brengt haar beslissing per aangetekende brief ter kennis van de organisator. De kennisgeving bevat een uittreksel van het goedgekeurde verslag van de betreffende vergaderingen, een expliciete vermelding van de uitgesproken sanctie alsmede de inwerkingtreding van deze sanctie en de mogelijkheid tot het indienen van een verzoekschrift bij de Raad van State;
5° bepaalt de voorwaarden waaraan de bijscholingsactiviteiten dienen te voldoen en erkent de bijscholingsactiviteiten op gemotiveerd advies van de Evaluatiecommissie tandheelkunde.
Binnenlandse bijscholingsactiviteiten kunnen door de Stuurgroep erkend worden. Dit gebeurt per voorafgaandelijke aanvraag door de organisator via een formulier waarvan het model wordt vastgelegd door de Stuurgroep.
Buitenlandse bijscholingsactiviteiten kunnen door de Stuurgroep erkend worden. Dit gebeurt per voorafgaandelijke aanvraag door de tandheelkundige, via een formulier waarvan het model wordt vastgelegd door de Stuurgroep en het opmaken nadien van een persoonlijk verslag van de desbetreffende activiteit;
6° accrediteert de aanvragende tandheelkundigen voor wie is vastgesteld dat zij aan de gestelde voorwaarden voldoen.
[5 Hiertoe dient de tandheelkundige op straffe van verval in de periode vanaf 1 januari tot en met 31 maart van het jaar volgend op het jaar waarin de premie ingesteld krachtens artikel 50, § 6, zesde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 verdiend is, zijn accrediteringsaanvraag te bezorgen aan de Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde, via de online applicatie die het RIZIV hiertoe ter beschikking stelt, overeenkomstig de modaliteiten vastgesteld door deze Stuurgroep kwaliteitspromotie tandheelkunde. Na het ontvangen van de accrediteringsaanvraag zal de Stuurgroep beslissen over de individuele accreditering.]5
Indien de Stuurgroep de accreditering niet toekent en de tandheelkundige niet akkoord kan gaan met deze beslissing, kan hij hiertegen volgens de procedure voorzien in art. 122octies quater, § 5, beroep aantekenen bij de Commissie van Beroep.
7° kan voorstellen overmaken aan de Nationale commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen betreffende het definiëren van de inhoud en de aanwending van een tandheelkundig dossier.
§ 5. De Stuurgroep stelt zijn huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° de Stuurgroep houdt op geldige wijze zitting indien de helft van de stemgerechtigde leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn.
Indien de aanwezigheidsvereiste, bedoeld in de vorige alinea, niet voor elke groep is vervuld worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering, waar er overeenkomstig § 5, 2°, alinea 3 kan beslist worden zonder dat aan de aanwezigheidsvereiste is voldaan;
2° de beslissingen in de Stuurgroep zijn verworven indien ze door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep worden goedgekeurd. Alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen en met hun instemming, zijn stemgerechtigd;
Indien een voorstel de meerderheid, bedoeld in de vorige alinea, niet behaalt, wordt een nieuw voorstel ter stemming voorgelegd.
In de situatie bedoeld in § 5, 1°, alinea 2 zijn de beslissingen verworven indien ze worden goedgekeurd door de meerderheid van de aanwezige leden van elke groep die aan de aanwezigheidsvereiste, bedoeld in § 5, 1°, alinea 1, voldoet.
2. De Evaluatiecommissie tandheelkunde
Modifications
Art. 122octiesbis. § 1er. Le Groupe de direction Promotion de la qualité de l'art dentaire, ci-après dénommé Groupe de direction, est composé de :
1° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants, représentants des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
2° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants, représentants des organismes assureurs;
3° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants, représentants des universités.
Les membres visés aux points 1° et 3° sont praticiens de l'art dentaire.
Un représentant du Service public fédéral Santé publique fait partie du Groupe de direction avec voix consultative.
§ 2. Les membres du Groupe de direction sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur proposition des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
2° en ce qui concerne les membres vises au § 1er, 2°, sur proposition des organismes assureurs : il est tenu compte des effectifs respectifs des organismes assureurs pour fixer leur représentation;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur proposition des universités qui proposent un cycle de formation complet pour l'obtention du diplôme de dentiste.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 3. Les membres du Groupe de direction choisissent un président parmi les membres du groupe visé au § 1er, 1°, et deux vice-présidents parmi les membres visés au § 1er, 2° et 3°. En cas d'empêchement du président, la séance est présidée à tour de rôle par un des deux vice-présidents.
§ 4. Le Groupe de direction :
1° gère l'exécution des conditions d'accréditation et des procédures sur la base des principes suivants :
a) formation complémentaire. Pour être accrédité et le rester, il importe de suivre chaque année un nombre minimum de formations complémentaires. Cette formation complémentaire se déroule par cycles de 5 ans. Toutes les activités de formation complémentaire sont réparties en sous domaines qui couvrent tout le domaine de l'art dentaire. Ces sous domaines sont fixés par le Groupe de direction et doivent être parcourus dans le courant du cycle de cinq ans. L'ampleur de cette formation complémentaire et sa valorisation sont déterminées à l'aide d'un système de points (unités d'accréditation);
b) évaluation intercollégiale de la pratique ou peer-review. La profession organise des rencontres-débat avec pour objectif d'améliorer la qualité des soins dispensés au patient par l'échange de connaissances pratiques et d'expériences entre confrères. Pour être accrédité et le rester, les praticiens de l'art dentaire doivent suivre chaque année un minimum de 2 sessions;
c) enregistrement de données. Pour être accrédité et le rester, le praticien de l'art dentaire doit être disposé à collaborer à l'enregistrement des données relatives à la pratique dentaire. Cet enregistrement de données consiste en une collecte de données ciblée, et donc limitée dans le temps, à laquelle ne sont associés par sujet qu'un nombre restreint de praticiens de l'art dentaire accrédités. Ces données ont pour but de développer des instruments visant à déterminer la politique concrète à mener en matière de santé buccodentaire au sein de la Commission nationale dento-mutualiste et du Conseil technique dentaire.
Le traitement des données et l'analyse des résultats sont effectués sous la responsabilité de l'INAMI;
d) seuil d'activité. Pour être accrédité et le rester, le praticien de l'art dentaire doit avoir effectué au moins 300 prestations sur une année civile dans le cadre de l'assurance soins de santé obligatoire. Des conditions particulières concernant le seuil d'activité s'appliquent aux dentistes jeunes diplômés;
e) registre de pratique. Si l'accréditation s'effectue pour la première fois ou si les données de pratique ont changé, le praticien de l'art dentaire est tenu de communiquer certaines données sur sa pratique. N'entreront en ligne de compte pour l'accréditation que les praticiens de l'art dentaire qui travaillent dans une ou plusieurs pratiques légalement en ordre;
[1 f) Répondre aux conditions générales quant à l'exercice de l'art dentaire en Belgique. Pour être accrédité et le rester, le praticien de l'art dentaire doit répondre aux conditions générales quant à l'exercice de l'art dentaire en Belgique, prévues par l'arrêté royal du 1er juin 1934 réglementant l'exercice de l'art dentaire et l'arrêté ministériel du 29 mars 2002 fixant les critères d'agrément des praticiens de l'art dentaire porteurs du titre professionnel particulier de dentiste généraliste, ce qui inclut expressément l'obligation de participer à l'administration de soins de santé dans le cadre d'un service de garde répondant aux dispositions fixées à [3 la loi coordonnée de 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé]3. La vérification se fait exclusivement sur la base des données visées par cette disposition pour tous les praticiens de l'art dentaire, que le SPF Santé publique communique à l'INAMI.
g) Radio-protection. Pour être accrédité et le rester, le praticien de l'art dentaire doit satisfaire au règlement concernant la protection contre le danger des rayonnements ionisants, repris dans l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant sur le règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants. La vérification se fait exclusivement sur la base des données visées par cette disposition pour tous les praticiens de l'art dentaire, que l'Agence fédérale pour le contrôle nucléaire communique à l'INAMI.]1
2° agrée les organisateurs d'activités de formation complémentaire sur avis motivé de la Commission d'évaluation de l'art dentaire. Pour être agréé et le rester, l'organisateur d'activités de formation complémentaire doit satisfaire aux conditions suivantes :
a) l'organisateur d'activités de formation complémentaire ne peut pas avoir un caractère commercial. Ce qui signifie que les cours ne peuvent pas être organisés à des fins commerciales. Le Groupe de direction veille au respect de cette condition à l'aide de critères spécifiques déterminés par le Groupe de direction dans le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
b) l'organisateur se charge de l'évaluation de l'activité de formation complémentaire et de l'enregistrement des participants conformément aux règles édictées par le Groupe de direction dans le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
c) chaque organisateur accepte le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
d) l'agrément d'organisateur expire automatiquement si un organisateur n'organise aucune activité dans le cadre de l'accréditation pendant une année civile;
3° agrée les organisateurs de sessions de peer-review. Pour être accrédité et le rester, l'organisateur de sessions de peer-review doit satisfaire aux conditions suivantes :
a) l'organisateur est un praticien de l'art dentaire [4 ...]4;
b) l'organisateur assure, pour une période d'un an minimum, l'administration et l'organisation de sessions de peer-review, conformément aux règles édictées par le Groupe de direction dans le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
c) chaque organisateur accepte le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
4° veille en permanence au respect des conditions fixées pour un organisateur d'activités de formation complémentaire, cf. 2°, et pour un organisateur de sessions de peer-review, cf. 3°. Le non-respect de ces conditions peut être sanctionné par le Groupe de direction par un avertissement ou par une suspension en tant qu'organisateur de minimum 6 mois à maximum 5 ans. En cas de suspension, le Groupe de direction décide de la durée de la suspension et de son entrée en vigueur.
Si le Groupe de direction décide d'entamer des poursuites, il en informe l'organisateur concerné par courrier recommandé. Ce courrier renferme un extrait du procès-verbal approuvé de la réunion concernée, un aperçu des sanctions possibles et la demande de réagir par écrit dans un délai à déterminer par le Groupe de direction.
Après réception de la défense écrite de l'organisateur concerné ou si ce dernier n'a pas réagi dans les délais fixés par le Groupe de direction, ce dernier décide de la sanction éventuelle de l'organisateur et - en cas de sanction - de la nature de la sanction et de son entrée en vigueur.
Le Groupe de direction informe l'organisateur de sa décision par courrier recommandé. La notification renferme un extrait du procès-verbal approuvé des réunions concernées, une mention explicite de la sanction prononcée ainsi que l'entrée en vigueur de cette sanction et la possibilité d'introduire un recours devant le Conseil d'Etat;
5° fixe les conditions auxquelles doivent satisfaire les activités de formation complémentaire et agrée les activités de formation complémentaire sur avis motivé de la Commission d'évaluation de l'art dentaire.
Les activités de formation complémentaire organisées en Belgique peuvent être agréées par le Groupe de direction. L'organisateur doit pour ce faire introduire une demande préalable à l'aide d'un formulaire dont le modèle est déterminé par le Groupe de direction.
Les activités de formation complémentaire à l'étranger peuvent être agréées par le Groupe de direction. Le praticien de l'art dentaire doit pour ce faire introduire une demande préalable à l'aide d'un formulaire dont le modèle est déterminé par le Groupe de direction et envoyer ensuite un rapport personnel de l'activité en question;
6° accrédite les praticiens de l'art dentaire qui en font la demande et qui satisfont aux conditions requises.
[5 A cet effet, à peine de forclusion, le praticien de l'art dentaire doit remettre sa demande d'accréditation au Groupe de Direction Promotion de la qualité de l'art dentaire dans la période du 1er janvier au 31 mars de l'année suivant l'année au cours de laquelle la prime instituée en vertu de l'article 50, § 6, alinéa 6, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, a été proméritée, via l'application en ligne que l'INAMI met à disposition à cet effet, conformément aux modalités établies par ce Groupe de direction Promotion de la qualité de l'art dentaire. Après réception de la demande d'accréditation, le Groupe de direction décidera de l'accréditation individuelle.]5
Si le Groupe de direction n'accorde pas l'accréditation et que le praticien de l'art dentaire ne marque pas son accord sur cette décision, il peut interjeter appel de cette décision auprès de la Commission d'appel, conformément à la procédure prévue à l'article 122octies quater, § 5;
7° peut transmettre des propositions à la Commission nationale dento-mutualiste concernant la définition du contenu et l'utilisation d'un dossier dentaire.
§ 5. Le Groupe de direction arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° le Groupe de direction siège valablement lorsque la moitié des membres ayant voix délibérative de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents.
Si la condition de présence visée au précédent alinéa n'est pas remplie pour chaque groupe, les points inscrits à l'ordre du jour sont reportés à la séance suivante, lors de laquelle une décision pourra être prise, conformément au § 5, 2°, alinéa 3, sans que la condition de présence ait été satisfaite;
2° les décisions du Groupe de direction de l'accréditation sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de chaque groupe. Seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents, et avec leur accord, ont voix délibérative;
Si une proposition n'obtient pas la majorité visée au précédent alinéa, une nouvelle proposition est soumise au vote.
Dans la situation visée au § 5, 1°, alinéa 2, les décisions sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de chaque groupe qui satisfait à la condition de présence visée au § 5, 1°, alinéa 1er.
2. La Commission d'évaluation de l'art dentaire
1° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants, représentants des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
2° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants, représentants des organismes assureurs;
3° 6 membres effectifs et 6 membres suppléants, représentants des universités.
Les membres visés aux points 1° et 3° sont praticiens de l'art dentaire.
Un représentant du Service public fédéral Santé publique fait partie du Groupe de direction avec voix consultative.
§ 2. Les membres du Groupe de direction sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur proposition des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
2° en ce qui concerne les membres vises au § 1er, 2°, sur proposition des organismes assureurs : il est tenu compte des effectifs respectifs des organismes assureurs pour fixer leur représentation;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur proposition des universités qui proposent un cycle de formation complet pour l'obtention du diplôme de dentiste.
Les membres sont nommés pour une période de quatre ans.
§ 3. Les membres du Groupe de direction choisissent un président parmi les membres du groupe visé au § 1er, 1°, et deux vice-présidents parmi les membres visés au § 1er, 2° et 3°. En cas d'empêchement du président, la séance est présidée à tour de rôle par un des deux vice-présidents.
§ 4. Le Groupe de direction :
1° gère l'exécution des conditions d'accréditation et des procédures sur la base des principes suivants :
a) formation complémentaire. Pour être accrédité et le rester, il importe de suivre chaque année un nombre minimum de formations complémentaires. Cette formation complémentaire se déroule par cycles de 5 ans. Toutes les activités de formation complémentaire sont réparties en sous domaines qui couvrent tout le domaine de l'art dentaire. Ces sous domaines sont fixés par le Groupe de direction et doivent être parcourus dans le courant du cycle de cinq ans. L'ampleur de cette formation complémentaire et sa valorisation sont déterminées à l'aide d'un système de points (unités d'accréditation);
b) évaluation intercollégiale de la pratique ou peer-review. La profession organise des rencontres-débat avec pour objectif d'améliorer la qualité des soins dispensés au patient par l'échange de connaissances pratiques et d'expériences entre confrères. Pour être accrédité et le rester, les praticiens de l'art dentaire doivent suivre chaque année un minimum de 2 sessions;
c) enregistrement de données. Pour être accrédité et le rester, le praticien de l'art dentaire doit être disposé à collaborer à l'enregistrement des données relatives à la pratique dentaire. Cet enregistrement de données consiste en une collecte de données ciblée, et donc limitée dans le temps, à laquelle ne sont associés par sujet qu'un nombre restreint de praticiens de l'art dentaire accrédités. Ces données ont pour but de développer des instruments visant à déterminer la politique concrète à mener en matière de santé buccodentaire au sein de la Commission nationale dento-mutualiste et du Conseil technique dentaire.
Le traitement des données et l'analyse des résultats sont effectués sous la responsabilité de l'INAMI;
d) seuil d'activité. Pour être accrédité et le rester, le praticien de l'art dentaire doit avoir effectué au moins 300 prestations sur une année civile dans le cadre de l'assurance soins de santé obligatoire. Des conditions particulières concernant le seuil d'activité s'appliquent aux dentistes jeunes diplômés;
e) registre de pratique. Si l'accréditation s'effectue pour la première fois ou si les données de pratique ont changé, le praticien de l'art dentaire est tenu de communiquer certaines données sur sa pratique. N'entreront en ligne de compte pour l'accréditation que les praticiens de l'art dentaire qui travaillent dans une ou plusieurs pratiques légalement en ordre;
[1 f) Répondre aux conditions générales quant à l'exercice de l'art dentaire en Belgique. Pour être accrédité et le rester, le praticien de l'art dentaire doit répondre aux conditions générales quant à l'exercice de l'art dentaire en Belgique, prévues par l'arrêté royal du 1er juin 1934 réglementant l'exercice de l'art dentaire et l'arrêté ministériel du 29 mars 2002 fixant les critères d'agrément des praticiens de l'art dentaire porteurs du titre professionnel particulier de dentiste généraliste, ce qui inclut expressément l'obligation de participer à l'administration de soins de santé dans le cadre d'un service de garde répondant aux dispositions fixées à [3 la loi coordonnée de 10 mai 2015 relative à l'exercice des professions des soins de santé]3. La vérification se fait exclusivement sur la base des données visées par cette disposition pour tous les praticiens de l'art dentaire, que le SPF Santé publique communique à l'INAMI.
g) Radio-protection. Pour être accrédité et le rester, le praticien de l'art dentaire doit satisfaire au règlement concernant la protection contre le danger des rayonnements ionisants, repris dans l'arrêté royal du 20 juillet 2001 portant sur le règlement général de la protection de la population, des travailleurs et de l'environnement contre le danger des rayonnements ionisants. La vérification se fait exclusivement sur la base des données visées par cette disposition pour tous les praticiens de l'art dentaire, que l'Agence fédérale pour le contrôle nucléaire communique à l'INAMI.]1
2° agrée les organisateurs d'activités de formation complémentaire sur avis motivé de la Commission d'évaluation de l'art dentaire. Pour être agréé et le rester, l'organisateur d'activités de formation complémentaire doit satisfaire aux conditions suivantes :
a) l'organisateur d'activités de formation complémentaire ne peut pas avoir un caractère commercial. Ce qui signifie que les cours ne peuvent pas être organisés à des fins commerciales. Le Groupe de direction veille au respect de cette condition à l'aide de critères spécifiques déterminés par le Groupe de direction dans le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
b) l'organisateur se charge de l'évaluation de l'activité de formation complémentaire et de l'enregistrement des participants conformément aux règles édictées par le Groupe de direction dans le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
c) chaque organisateur accepte le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
d) l'agrément d'organisateur expire automatiquement si un organisateur n'organise aucune activité dans le cadre de l'accréditation pendant une année civile;
3° agrée les organisateurs de sessions de peer-review. Pour être accrédité et le rester, l'organisateur de sessions de peer-review doit satisfaire aux conditions suivantes :
a) l'organisateur est un praticien de l'art dentaire [4 ...]4;
b) l'organisateur assure, pour une période d'un an minimum, l'administration et l'organisation de sessions de peer-review, conformément aux règles édictées par le Groupe de direction dans le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
c) chaque organisateur accepte le Règlement de travail relatif aux organisateurs d'activités de formation complémentaire et de sessions de peer-review;
4° veille en permanence au respect des conditions fixées pour un organisateur d'activités de formation complémentaire, cf. 2°, et pour un organisateur de sessions de peer-review, cf. 3°. Le non-respect de ces conditions peut être sanctionné par le Groupe de direction par un avertissement ou par une suspension en tant qu'organisateur de minimum 6 mois à maximum 5 ans. En cas de suspension, le Groupe de direction décide de la durée de la suspension et de son entrée en vigueur.
Si le Groupe de direction décide d'entamer des poursuites, il en informe l'organisateur concerné par courrier recommandé. Ce courrier renferme un extrait du procès-verbal approuvé de la réunion concernée, un aperçu des sanctions possibles et la demande de réagir par écrit dans un délai à déterminer par le Groupe de direction.
Après réception de la défense écrite de l'organisateur concerné ou si ce dernier n'a pas réagi dans les délais fixés par le Groupe de direction, ce dernier décide de la sanction éventuelle de l'organisateur et - en cas de sanction - de la nature de la sanction et de son entrée en vigueur.
Le Groupe de direction informe l'organisateur de sa décision par courrier recommandé. La notification renferme un extrait du procès-verbal approuvé des réunions concernées, une mention explicite de la sanction prononcée ainsi que l'entrée en vigueur de cette sanction et la possibilité d'introduire un recours devant le Conseil d'Etat;
5° fixe les conditions auxquelles doivent satisfaire les activités de formation complémentaire et agrée les activités de formation complémentaire sur avis motivé de la Commission d'évaluation de l'art dentaire.
Les activités de formation complémentaire organisées en Belgique peuvent être agréées par le Groupe de direction. L'organisateur doit pour ce faire introduire une demande préalable à l'aide d'un formulaire dont le modèle est déterminé par le Groupe de direction.
Les activités de formation complémentaire à l'étranger peuvent être agréées par le Groupe de direction. Le praticien de l'art dentaire doit pour ce faire introduire une demande préalable à l'aide d'un formulaire dont le modèle est déterminé par le Groupe de direction et envoyer ensuite un rapport personnel de l'activité en question;
6° accrédite les praticiens de l'art dentaire qui en font la demande et qui satisfont aux conditions requises.
[5 A cet effet, à peine de forclusion, le praticien de l'art dentaire doit remettre sa demande d'accréditation au Groupe de Direction Promotion de la qualité de l'art dentaire dans la période du 1er janvier au 31 mars de l'année suivant l'année au cours de laquelle la prime instituée en vertu de l'article 50, § 6, alinéa 6, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, a été proméritée, via l'application en ligne que l'INAMI met à disposition à cet effet, conformément aux modalités établies par ce Groupe de direction Promotion de la qualité de l'art dentaire. Après réception de la demande d'accréditation, le Groupe de direction décidera de l'accréditation individuelle.]5
Si le Groupe de direction n'accorde pas l'accréditation et que le praticien de l'art dentaire ne marque pas son accord sur cette décision, il peut interjeter appel de cette décision auprès de la Commission d'appel, conformément à la procédure prévue à l'article 122octies quater, § 5;
7° peut transmettre des propositions à la Commission nationale dento-mutualiste concernant la définition du contenu et l'utilisation d'un dossier dentaire.
§ 5. Le Groupe de direction arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° le Groupe de direction siège valablement lorsque la moitié des membres ayant voix délibérative de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents.
Si la condition de présence visée au précédent alinéa n'est pas remplie pour chaque groupe, les points inscrits à l'ordre du jour sont reportés à la séance suivante, lors de laquelle une décision pourra être prise, conformément au § 5, 2°, alinéa 3, sans que la condition de présence ait été satisfaite;
2° les décisions du Groupe de direction de l'accréditation sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de chaque groupe. Seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents, et avec leur accord, ont voix délibérative;
Si une proposition n'obtient pas la majorité visée au précédent alinéa, une nouvelle proposition est soumise au vote.
Dans la situation visée au § 5, 1°, alinéa 2, les décisions sont acquises si elles sont approuvées par la majorité des membres présents de chaque groupe qui satisfait à la condition de présence visée au § 5, 1°, alinéa 1er.
2. La Commission d'évaluation de l'art dentaire
Modifications
Art. 122octiester. <INGEVOEGD bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De Evaluatiecommissie tandheelkunde is samengesteld uit :
1° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
2° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
3° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
§ 2. De leden van de Evaluatiecommissie tandheelkunde worden aangesteld door de Stuurgroep :
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteit die zij vertegenwoordigen.
§ 3. De leden van de Evaluatiecommissie tandheelkunde kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 3° een voorzitter en een ondervoorzitter.
§ 4. De Evaluatiecommissie tandheelkunde :
1° adviseert de Stuurgroep over de erkenning van de organisator van een bijscholingsactiviteit volgens de voorwaarden bepaald door de Stuurgroep zoals voorzien in art. 122octies bis, § 4, 2°;
2° adviseert de Stuurgroep over de erkenning van elke bijscholingsactiviteit waarvoor een organisator accrediteringseenheden aanvraagt, volgens de voorwaarden bepaald door de Stuurgroep zoals voorzien in art. 122octies bis, § 4, 4°;
§ 5. De adviezen van de Evaluatiecommissie tandheelkunde worden overgemaakt aan de Stuurgroep :
1° als eensluidend advies indien :
a) er een unaniem advies is van de 3 fracties van de Evaluatiecommissie tandheelkunde;
b) er een unaniem advies is van twee van de drie fracties, waaronder de universiteiten.
2° als verdeeld advies in de andere gevallen.
De Stuurgroep zal het verdeeld advies bespreken en eventueel voor een tweede behandeling terugsturen naar de Evaluatiecommissie.
3. De Commissie van beroep tandheelkunde
1° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
2° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
3° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
§ 2. De leden van de Evaluatiecommissie tandheelkunde worden aangesteld door de Stuurgroep :
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteit die zij vertegenwoordigen.
§ 3. De leden van de Evaluatiecommissie tandheelkunde kiezen onder de leden van de groep bedoeld in § 1, 3° een voorzitter en een ondervoorzitter.
§ 4. De Evaluatiecommissie tandheelkunde :
1° adviseert de Stuurgroep over de erkenning van de organisator van een bijscholingsactiviteit volgens de voorwaarden bepaald door de Stuurgroep zoals voorzien in art. 122octies bis, § 4, 2°;
2° adviseert de Stuurgroep over de erkenning van elke bijscholingsactiviteit waarvoor een organisator accrediteringseenheden aanvraagt, volgens de voorwaarden bepaald door de Stuurgroep zoals voorzien in art. 122octies bis, § 4, 4°;
§ 5. De adviezen van de Evaluatiecommissie tandheelkunde worden overgemaakt aan de Stuurgroep :
1° als eensluidend advies indien :
a) er een unaniem advies is van de 3 fracties van de Evaluatiecommissie tandheelkunde;
b) er een unaniem advies is van twee van de drie fracties, waaronder de universiteiten.
2° als verdeeld advies in de andere gevallen.
De Stuurgroep zal het verdeeld advies bespreken en eventueel voor een tweede behandeling terugsturen naar de Evaluatiecommissie.
3. De Commissie van beroep tandheelkunde
Art. 122octiester. § 1er. La Commission d'évaluation de l'art dentaire est composée de :
1° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
2° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des organismes assureurs;
3° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des universités.
Les membres visés aux points 1° et 3° sont praticiens de l'art dentaire.
§ 2. Les membres de la Commission d'évaluation de l'art dentaire sont désignés par le Groupe de direction :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur proposition des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire représentées au Groupe de direction;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, sur proposition des organismes assureurs représentes au Groupe de direction;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur proposition des universités qu'ils représentent.
§ 3. Les membres de la Commission d'évaluation de l'art dentaire choisissent un président et un vice-président parmi les membres du groupe visé au § 1er, 3°.
§ 4. La Commission d'évaluation de l'art dentaire :
1° avise le Groupe de direction de l'agrément d'un organisateur d'une activité de formation complémentaire, selon les conditions fixées par le Groupe de direction comme prévu à l'art. 122octies bis, § 4, 2°;
2° avise le Groupe de direction de l'agrément de chaque activité de formation complémentaire pour laquelle un organisateur sollicite des unités d'accréditation, selon les conditions fixées par le Groupe de direction comme prévu à l'art. 122octies bis, § 4, 4°;
§ 5. Les avis de la Commission d'évaluation de l'art dentaire sont communiqués au Groupe de direction :
1° comme avis conforme si :
a) il y a un avis unanime des 3 fractions de la Commission d'évaluation de l'art dentaire;
b) il y a un avis unanime de deux des trois fractions, dont les universités.
2° comme avis partage dans les autres cas.
Le Groupe de direction examinera l'avis partagé et le renverra éventuellement pour un deuxième traitement à la Commission d'évaluation.
3. La Commission d'appel de l'art dentaire
1° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
2° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des organismes assureurs;
3° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des universités.
Les membres visés aux points 1° et 3° sont praticiens de l'art dentaire.
§ 2. Les membres de la Commission d'évaluation de l'art dentaire sont désignés par le Groupe de direction :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur proposition des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire représentées au Groupe de direction;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, sur proposition des organismes assureurs représentes au Groupe de direction;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur proposition des universités qu'ils représentent.
§ 3. Les membres de la Commission d'évaluation de l'art dentaire choisissent un président et un vice-président parmi les membres du groupe visé au § 1er, 3°.
§ 4. La Commission d'évaluation de l'art dentaire :
1° avise le Groupe de direction de l'agrément d'un organisateur d'une activité de formation complémentaire, selon les conditions fixées par le Groupe de direction comme prévu à l'art. 122octies bis, § 4, 2°;
2° avise le Groupe de direction de l'agrément de chaque activité de formation complémentaire pour laquelle un organisateur sollicite des unités d'accréditation, selon les conditions fixées par le Groupe de direction comme prévu à l'art. 122octies bis, § 4, 4°;
§ 5. Les avis de la Commission d'évaluation de l'art dentaire sont communiqués au Groupe de direction :
1° comme avis conforme si :
a) il y a un avis unanime des 3 fractions de la Commission d'évaluation de l'art dentaire;
b) il y a un avis unanime de deux des trois fractions, dont les universités.
2° comme avis partage dans les autres cas.
Le Groupe de direction examinera l'avis partagé et le renverra éventuellement pour un deuxième traitement à la Commission d'évaluation.
3. La Commission d'appel de l'art dentaire
Art. 122octiesquater. <INGEVOEGD bij KB 2007-12-20/45, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De Commissie van beroep tandheelkunde is samengesteld uit :
1° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
2° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
3° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
De leden van de Commissie van beroep mogen geen lid zijn van de Stuurgroep Kwaliteitspromotie, noch van de Evaluatiecommissie tandheelkunde.
De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
§ 2. De leden van de Commissie van beroep tandheelkunde worden benoemd door de Koning :
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteit die zij vertegenwoordigen.
§ 3. De leden van de Commissie van beroep tandheelkunde kiezen een voorzitter onder de leden van de groepen bedoeld in § 1 en twee ondervoorzitters onder de leden van de twee andere groepen bedoeld in dezelfde bepaling. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
§ 4. De Commissie van beroep tandheelkunde onderzoekt en beslist over het beroep dat bij haar kan worden ingesteld door de tandheelkundigen tegen de hen betreffende beslissingen inzake hun individuele accreditering, getroffen door de Stuurgroep, in uitvoering van zijn opdracht bedoeld in art. 122octies bis, § 4.
§ 5. De Commissie van beroep tandheelkunde stelt haar huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid bij de Commissie van beroep tandheelkunde ingediend met een per post aangetekende brief binnen dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Stuurgroep. Indien de termijn verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt hij verlengd tot de volgende werkdag;
2° het beroepschrift bevat :
a) alle motieven en alle stukken die worden aangevoerd tegen de beslissing;
b) een kopie van de kennisgeving van de beslissing;
3° de Commissie van beroep tandheelkunde vergadert geldig indien twee werkende of plaatsvervangende leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
Indien de aanwezigheidsvereiste bedoeld in de vorige alinea niet is vervuld, worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering;
Alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
4° ter zitting onderzoekt de Commissie van beroep tandheelkunde alle stukken. Ze beraadslaagt met gesloten deuren en haar beraadslagingen zijn geheim;
5° over elk ontvankelijk beroepsschrift wordt gestemd. Een beroepsschrift kan enkel gegrond worden verklaard door een meerderheid van de leden van de Commissie van beroep tandheelkunde. In alle andere gevallen is het beroepsschrift ongegrond;
6° elke beslissing wordt gemotiveerd;
7° de Voorzitter van de Commissie van beroep tandheelkunde waakt erover dat binnen de negentig dagen na indiening van het beroepschrift een beslissing wordt geveld.
1° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen;
2° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
3° 2 werkende en 2 plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de universiteiten.
De leden van de Commissie van beroep mogen geen lid zijn van de Stuurgroep Kwaliteitspromotie, noch van de Evaluatiecommissie tandheelkunde.
De leden bedoeld onder 1° en 3° zijn tandheelkundigen.
§ 2. De leden van de Commissie van beroep tandheelkunde worden benoemd door de Koning :
1° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 1°, op de voordracht van de representatieve beroepsorganisaties van tandheelkundigen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
2° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 2°, op de voordracht van de verzekeringsinstellingen die vertegenwoordigd zijn in de Stuurgroep;
3° wat betreft de leden bedoeld in § 1, 3°, op de voordracht van de universiteit die zij vertegenwoordigen.
§ 3. De leden van de Commissie van beroep tandheelkunde kiezen een voorzitter onder de leden van de groepen bedoeld in § 1 en twee ondervoorzitters onder de leden van de twee andere groepen bedoeld in dezelfde bepaling. Ingeval de voorzitter verhinderd is wordt de zitting afwisselend voorgezeten door één van de twee ondervoorzitters.
§ 4. De Commissie van beroep tandheelkunde onderzoekt en beslist over het beroep dat bij haar kan worden ingesteld door de tandheelkundigen tegen de hen betreffende beslissingen inzake hun individuele accreditering, getroffen door de Stuurgroep, in uitvoering van zijn opdracht bedoeld in art. 122octies bis, § 4.
§ 5. De Commissie van beroep tandheelkunde stelt haar huishoudelijk reglement vast op grond van de volgende werkingsregels :
1° het beroep wordt op straffe van onontvankelijkheid bij de Commissie van beroep tandheelkunde ingediend met een per post aangetekende brief binnen dertig dagen te rekenen vanaf de datum van de kennisgeving van de beslissing van de Stuurgroep. Indien de termijn verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt hij verlengd tot de volgende werkdag;
2° het beroepschrift bevat :
a) alle motieven en alle stukken die worden aangevoerd tegen de beslissing;
b) een kopie van de kennisgeving van de beslissing;
3° de Commissie van beroep tandheelkunde vergadert geldig indien twee werkende of plaatsvervangende leden van elke in § 1 vermelde groep aanwezig zijn;
Indien de aanwezigheidsvereiste bedoeld in de vorige alinea niet is vervuld, worden de geagendeerde punten verdaagd tot de volgende vergadering;
Alleen de werkende leden en de plaatsvervangende leden die de afwezige werkende leden vervangen zijn stemgerechtigd;
4° ter zitting onderzoekt de Commissie van beroep tandheelkunde alle stukken. Ze beraadslaagt met gesloten deuren en haar beraadslagingen zijn geheim;
5° over elk ontvankelijk beroepsschrift wordt gestemd. Een beroepsschrift kan enkel gegrond worden verklaard door een meerderheid van de leden van de Commissie van beroep tandheelkunde. In alle andere gevallen is het beroepsschrift ongegrond;
6° elke beslissing wordt gemotiveerd;
7° de Voorzitter van de Commissie van beroep tandheelkunde waakt erover dat binnen de negentig dagen na indiening van het beroepschrift een beslissing wordt geveld.
Art. 122octiesquater. § 1er. La Commission d'appel de l'art dentaire est composée de :
1° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
2° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des organismes assureurs;
3° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des universités.
Les membres de la Commission d'appel ne peuvent pas être membres du Groupe de direction Promotion de la qualité ni de la Commission d'évaluation de l'art dentaire.
Les membres visés aux points 1° et 3° sont praticiens de l'art dentaire.
§ 2. Les membres de la Commission d'appel de l'art dentaire sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur proposition des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire représentées au Groupe de direction;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, sur proposition des organismes assureurs représentés au Groupe de direction;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur proposition des universités qu'ils représentent.
§ 3. Les membres de la Commission d'appel de l'art dentaire choisissent un président parmi les membres des groupes visés au § 1er et deux vice-présidents parmi les membres des deux autres groupes visés dans la même disposition. En cas d'empêchement du président, la séance est présidée à tour de rôle par un des deux vice-présidents.
§ 4. La Commission d'appel de l'art dentaire examine et statue sur le recours que les praticiens de l'art dentaire peuvent introduire auprès d'elle contre des décisions les concernant au sujet de leur accréditation individuel, prises par le Groupe de direction, en exécution de sa mission visée à l'article 122 octies bis, § 4.
§ 5. La Commission d'appel de l'art dentaire arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° sous peine d'irrecevabilité, le recours est introduit auprès de la Commission d'appel, par lettre recommandée à la poste, dans les trente jours à compter de la date de la notification de la décision du Groupe de direction. Si le délai vient à échéance un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est prolongé jusqu'au prochain jour ouvrable;
2° le recours comprend :
a) tous les motifs et toutes les pièces invoqués à l'encontre de la décision;
b) une copie de la notification de la décision;
3° la Commission d'appel de l'art dentaire se réunit valablement si deux membres effectifs ou suppléants de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents;
Si la condition de présence visée au précédent alinéa n'est pas remplie, les points inscrits à l'ordre du jour sont reportés à la séance suivante;
Seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative;
4° la Commission d'appel de l'art dentaire examine toutes les pièces en séance. Elle délibère à huis clos et ses délibérations sont secrètes;
5° chaque recours recevable est soumis au vote. Un recours ne peut être déclaré fondé que si la majorité des membres de la Commission d'appel de l'art dentaire s'est prononcée en ce sens. Dans tous les autres cas, le recours est non fondé;
6° chaque décision est motivée;
7° le Président de la Commission d'appel de l'art dentaire veille à ce qu'une décision soit prise dans les nonante jours suivant l'introduction du recours.
1° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire;
2° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des organismes assureurs;
3° 2 membres effectifs et 2 membres suppléants, représentants des universités.
Les membres de la Commission d'appel ne peuvent pas être membres du Groupe de direction Promotion de la qualité ni de la Commission d'évaluation de l'art dentaire.
Les membres visés aux points 1° et 3° sont praticiens de l'art dentaire.
§ 2. Les membres de la Commission d'appel de l'art dentaire sont nommés par le Roi :
1° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 1°, sur proposition des organisations professionnelles représentatives des praticiens de l'art dentaire représentées au Groupe de direction;
2° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 2°, sur proposition des organismes assureurs représentés au Groupe de direction;
3° en ce qui concerne les membres visés au § 1er, 3°, sur proposition des universités qu'ils représentent.
§ 3. Les membres de la Commission d'appel de l'art dentaire choisissent un président parmi les membres des groupes visés au § 1er et deux vice-présidents parmi les membres des deux autres groupes visés dans la même disposition. En cas d'empêchement du président, la séance est présidée à tour de rôle par un des deux vice-présidents.
§ 4. La Commission d'appel de l'art dentaire examine et statue sur le recours que les praticiens de l'art dentaire peuvent introduire auprès d'elle contre des décisions les concernant au sujet de leur accréditation individuel, prises par le Groupe de direction, en exécution de sa mission visée à l'article 122 octies bis, § 4.
§ 5. La Commission d'appel de l'art dentaire arrête son règlement d'ordre intérieur sur la base des règles de fonctionnement suivantes :
1° sous peine d'irrecevabilité, le recours est introduit auprès de la Commission d'appel, par lettre recommandée à la poste, dans les trente jours à compter de la date de la notification de la décision du Groupe de direction. Si le délai vient à échéance un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, il est prolongé jusqu'au prochain jour ouvrable;
2° le recours comprend :
a) tous les motifs et toutes les pièces invoqués à l'encontre de la décision;
b) une copie de la notification de la décision;
3° la Commission d'appel de l'art dentaire se réunit valablement si deux membres effectifs ou suppléants de chaque groupe mentionné au § 1er sont présents;
Si la condition de présence visée au précédent alinéa n'est pas remplie, les points inscrits à l'ordre du jour sont reportés à la séance suivante;
Seuls les membres effectifs et les membres suppléants qui remplacent les membres effectifs absents ont voix délibérative;
4° la Commission d'appel de l'art dentaire examine toutes les pièces en séance. Elle délibère à huis clos et ses délibérations sont secrètes;
5° chaque recours recevable est soumis au vote. Un recours ne peut être déclaré fondé que si la majorité des membres de la Commission d'appel de l'art dentaire s'est prononcée en ce sens. Dans tous les autres cas, le recours est non fondé;
6° chaque décision est motivée;
7° le Président de la Commission d'appel de l'art dentaire veille à ce qu'une décision soit prise dans les nonante jours suivant l'introduction du recours.
Afdeling XV. - Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.
Section XV. - Commission de remboursement des médicaments ".
Art. 122nonies. <INGEVOEGD bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De Commissie wordt als volgt samengesteld :
[1 1° een voorzitter;
2° twee ondervoorzitters, behorend tot een verschillende taalrol, aangewezen onder de leden bedoeld onder 3° hieronder;]1
[1 3°]1 zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie, door de Minister voorgedragen onder de kandidaten met een academisch mandaat aan de Belgische universiteiten;
[1 4°]1 acht werkende en acht plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie, gekozen onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen op een dubbele lijst. Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te leggen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
[1 5°]1 drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, waarvan twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van het apothekerskorps op een dubbele lijst en één gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;
[1 6°]1 vier werkende en vier plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [3 artsenkorps]3 op een dubbele lijst;
[1 7°]1 (drie) werkende en (drie) plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesmiddelenindustrie op een dubbele lijst; <KB 2007-06-03/58, art. 1, 143; Inwerkingtreding : 21-06-2007>
[1 8°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
[1 9°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
[1 10°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
([1 11°]1 een werkend en een plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige controle van het Instituut. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige controle, voorgedragen door de leidend ambtenaar van deze Dienst;)
[4 12° één werkend en plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van patiëntenverenigingen, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft op voorstel van het patiëntenforum bedoeld in artikel 13/2 van de gecoördineerde wet.]4
§ 2. De leden worden benoemd door de Koning. De voorzitter en [1 de ondervoorzitters]1 worden door de Minister aangewezen [1 ...]1.
[2 De voorzitter is stemgerechtigd.]2
§ 3. (De leden van de Commissie worden benoemd voor een hernieuwbare periode van vier jaar.
Het mandaat neemt een einde wanneer zij de volle leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt hebben [1 en geen beroepsactiviteit meer uitoefenen]1.
Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest wordt vervangen door zijn plaatsvervanger voor de duur van het mandaat en er wordt onmiddellijk voorzien in de vervanging van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.) <KB 2002-12-10/32, art. 11, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
(§ 4. Een plaatsvervangend lid kan zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen, indien het effectieve lid waarvoor de betrokkene als plaatsvervanger kan optreden ook op de vergadering aanwezig is.)
§ 5. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door [1 één van de ondervoorzitters]1. (Bij afwezigheid van beiden wordt de vergadering voorgezeten door een door de voorzitter [1 ...]1 aangeduid lid.) <KB 2007-03-01/40, art. 1, 141; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Het lid dat de zittingen niet geregeld bijwoont, verliest zijn mandaat. Dit is het geval wanneer een lid minder dan de helft der zittingen per jaar bijwoont, onder naleving van de voorwaarden bepaald in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 122duodecies in verband met de aanwezigheid van effectieve en plaatsvervangende leden.
§ 6. De Commissie richt in haar midden een bureau op dat belast wordt met de organisatie van de werkzaamheden van de Commissie en het verzorgen van de betrekkingen tussen de deskundigen en de Commissie. [1 Het bureau bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitters en een lid van de Commissie, aangewezen door de Minister onder de stemgerechtigde leden van de Commissie]1.
(§ 7. In de Commissie wordt een permanente werkgroep opgericht voor de forfaitarisering van de verzekeringstegemoetkoming in de ziekenhuizen, die advies moet geven over de aanpassing of het behoud van de lijst met de ATC-codes in bijlage IV van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten. Deze adviezen worden uitgebracht bij eenvoudige meerderheid van de stemmen en worden overgemaakt aan de Commissie, die geacht wordt deze aan te nemen behoudens in geval van gemotiveerde verwerping of aanpassing, aangenomen bij tweederde meerderheid van de stemmen.
De leden van de permanente werkgroep worden aangeduid door de Minister op voorstel van de Commissie en zijn gekozen onder de leden van deze laatste of daarbuiten, volgens de volgende verdeling:
a) stemgerechtigde leden:
1° twee leden met een academisch mandaat aan de Belgische universiteiten en die een gespecialiseerde kennis van farmacologie kunnen aantonen;
2° drie ziekenhuisapothekers;
3° drie [3 ziekenhuisartsen]3;
4° acht vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
b) lid met raadgevende stem: één vertegenwoordiger van de geneesmiddelenindustrie.
Het voorzitterschap van de werkgroep wordt waargenomen door één van de leden van de werkgroep die is aangewezen door de Minister, en het secretariaat wordt verzekerd door één of verschillende ambtenaren van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
[1 1° een voorzitter;
2° twee ondervoorzitters, behorend tot een verschillende taalrol, aangewezen onder de leden bedoeld onder 3° hieronder;]1
[1 3°]1 zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie, door de Minister voorgedragen onder de kandidaten met een academisch mandaat aan de Belgische universiteiten;
[1 4°]1 acht werkende en acht plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie, gekozen onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen op een dubbele lijst. Om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te leggen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
[1 5°]1 drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, waarvan twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van het apothekerskorps op een dubbele lijst en één gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;
[1 6°]1 vier werkende en vier plaatsvervangende leden, [3 artsen]3, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [3 artsenkorps]3 op een dubbele lijst;
[1 7°]1 (drie) werkende en (drie) plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de geneesmiddelenindustrie op een dubbele lijst; <KB 2007-06-03/58, art. 1, 143; Inwerkingtreding : 21-06-2007>
[1 8°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
[1 9°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
[1 10°]1 één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
([1 11°]1 een werkend en een plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige controle van het Instituut. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige controle, voorgedragen door de leidend ambtenaar van deze Dienst;)
[4 12° één werkend en plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van patiëntenverenigingen, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft op voorstel van het patiëntenforum bedoeld in artikel 13/2 van de gecoördineerde wet.]4
§ 2. De leden worden benoemd door de Koning. De voorzitter en [1 de ondervoorzitters]1 worden door de Minister aangewezen [1 ...]1.
[2 De voorzitter is stemgerechtigd.]2
§ 3. (De leden van de Commissie worden benoemd voor een hernieuwbare periode van vier jaar.
Het mandaat neemt een einde wanneer zij de volle leeftijd van vijfenzestig jaar bereikt hebben [1 en geen beroepsactiviteit meer uitoefenen]1.
Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest wordt vervangen door zijn plaatsvervanger voor de duur van het mandaat en er wordt onmiddellijk voorzien in de vervanging van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.) <KB 2002-12-10/32, art. 11, 084; Inwerkingtreding : 24-12-2002>
(§ 4. Een plaatsvervangend lid kan zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen, indien het effectieve lid waarvoor de betrokkene als plaatsvervanger kan optreden ook op de vergadering aanwezig is.)
§ 5. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door [1 één van de ondervoorzitters]1. (Bij afwezigheid van beiden wordt de vergadering voorgezeten door een door de voorzitter [1 ...]1 aangeduid lid.) <KB 2007-03-01/40, art. 1, 141; Inwerkingtreding : 15-03-2007>
Het lid dat de zittingen niet geregeld bijwoont, verliest zijn mandaat. Dit is het geval wanneer een lid minder dan de helft der zittingen per jaar bijwoont, onder naleving van de voorwaarden bepaald in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 122duodecies in verband met de aanwezigheid van effectieve en plaatsvervangende leden.
§ 6. De Commissie richt in haar midden een bureau op dat belast wordt met de organisatie van de werkzaamheden van de Commissie en het verzorgen van de betrekkingen tussen de deskundigen en de Commissie. [1 Het bureau bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitters en een lid van de Commissie, aangewezen door de Minister onder de stemgerechtigde leden van de Commissie]1.
(§ 7. In de Commissie wordt een permanente werkgroep opgericht voor de forfaitarisering van de verzekeringstegemoetkoming in de ziekenhuizen, die advies moet geven over de aanpassing of het behoud van de lijst met de ATC-codes in bijlage IV van het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten. Deze adviezen worden uitgebracht bij eenvoudige meerderheid van de stemmen en worden overgemaakt aan de Commissie, die geacht wordt deze aan te nemen behoudens in geval van gemotiveerde verwerping of aanpassing, aangenomen bij tweederde meerderheid van de stemmen.
De leden van de permanente werkgroep worden aangeduid door de Minister op voorstel van de Commissie en zijn gekozen onder de leden van deze laatste of daarbuiten, volgens de volgende verdeling:
a) stemgerechtigde leden:
1° twee leden met een academisch mandaat aan de Belgische universiteiten en die een gespecialiseerde kennis van farmacologie kunnen aantonen;
2° drie ziekenhuisapothekers;
3° drie [3 ziekenhuisartsen]3;
4° acht vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen;
b) lid met raadgevende stem: één vertegenwoordiger van de geneesmiddelenindustrie.
Het voorzitterschap van de werkgroep wordt waargenomen door één van de leden van de werkgroep die is aangewezen door de Minister, en het secretariaat wordt verzekerd door één of verschillende ambtenaren van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
Art. 122nonies. § 1er. La Commission est composée comme suit :
[1 1° d'un président;
2° de deux vice-présidents, appartenants à des rôles linguistiques différents, nommés parmi les membres visés au 3°, ci-dessous;]1
[1 3°]1 sept membres effectifs et sept membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé, proposés par le Ministre parmi les candidats disposant d'un mandat académique dans des Universités belges;
[1 4°]1 huit membres effectifs et huit membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé, choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une double liste. Afin d'arrêter la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte du nombre de leurs adhérents respectifs; tout organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
[1 5°]1 trois membres effectifs et trois membres suppléants, pharmaciens, dont deux choisis parmi les candidats présentes par les associations professionnelles représentatives du corps des pharmaciens sur une double liste et un choisi parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers sur une double liste;
[1 6°]1 quatre membres effectifs et quatre membres suppléants, médecins, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des médecins sur une double liste;
[1 7°]1 (trois) membres effectifs et (trois) membres suppléants, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives de l'industrie du médicament sur une double liste; <AR 2007-06-03/58, art. 1, 143; En vigueur : 21-06-2007>
[1 8°]1 un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions;
[1 9° un membre effectif et un membre suppléant, proposés par Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions;
[1 10°]1 un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions;
([1 11°]1 un membre effectif et un membre suppléant, représentant du Service du contrôle médical de l'Institut. La fonction est endossée par un membre du personnel du Service du contrôle médical, présenté par le fonctionnaire dirigeant de ce Service;)
[3 12° un membre effectif et un membre suppléant, représentant des associations de patients, proposés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions, sur proposition du forum patients visé à l'article 13/2 de la loi coordonnée.]3
§ 2. Les membres sont nommés par le Roi. Le président et [1 les vice-présidents]1 sont désignés par le Ministre [1 ...]1.
[2 Le président a droit de vote.]2
§ 3. (Les membres de la Commission sont nommés pour une période renouvelable de quatre ans.
Le mandat prend fin lorsque les membres ont atteint l'âge de soixante-cinq ans accomplis [1 et qu'ils n'exercent plus une activité professionnelle]1.
Le membre effectif qui met un terme à son mandat ou le perd est remplacé par son suppléant pour la durée de ce mandat et il est immédiatement pourvu au remplacement de ce suppléant pour la durée de ce mandat.) <AR 2002-12-10/32, art. 11, 084; En vigueur : 24-12-2002>
(§ 4. Un membre suppléant peut assister aux réunions, sans droit de vote, au cas où le membre effectif pour lequel l'intéressé peut intervenir en tant que suppléant est également présent à la réunion.)
§ 5. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par [1 un des vice-présidents]1. (En cas d'empêchement des deux, la réunion est présidée par un membre désigné par le président [1 ...]1.) <AR 2007-03-01/40, art. 1, 141; En vigueur : 15-03-2007>
Le membre qui n'assiste pas régulièrement aux séances est privé de son mandat. Ceci est le cas si un membre assiste à moins de la moitié des séances par année, dans le respect des conditions déterminées dans le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 122duodecies relatives à la présence des membres effectifs et suppléants.
§ 6. (Au sein de la Commission, il est constitué un bureau, chargé de l'organisation des activités de la Commission et de l'entretien des relations entre les experts et la Commission.) [1 Le bureau est composé du président, des vice-présidents et d'un membre de la Commission désigné par le Ministre parmi les membres de la Commission disposant du droit de vote.]1
(§ 7. Au sein de la Commission, il est constitué un groupe de travail permanent pour la forfaitarisation de l'intervention de l'assurance dans les hôpitaux, chargé de donner des avis relatifs à l'adaptation ou au maintien de la liste des codes ATC reprise en annexe IV à l'arrêté royal du 21 décembre 2001 fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques. Ces avis sont adoptés à une majorité simple et communiqués à la Commission, laquelle est présumée les accepter comme proposition sauf en cas de rejet ou d'adaptation motivés à une majorité des deux tiers.
Les membres du groupe de travail permanent sont désignés par le Ministre sur proposition de la Commission, parmi les membres de celle-ci ou en-dehors, suivant la répartition suivante :
a) membres ayant droit de vote :
1° deux membres disposant d'un mandat académique dans des Universités belges et qui justifient d'une connaissance spécialisée en pharmacologie;
2° trois pharmaciens hospitaliers;
3° trois médecins hospitaliers;
4° huit représentants des organismes assureurs;
b) membre ayant voix consultative : un représentant de l'industrie du médicament.
La présidence du groupe de travail est assurée par un des membres du groupe de travail, désigné par le Ministre, et le secrétariat, par un ou plusieurs fonctionnaires du service des soins de santé de l'Institutrice-président et de deux membres de la Commission. Ces membres sont désignés par le Ministre parmi les membres de la Commission disposant du droit de vote.
[1 1° d'un président;
2° de deux vice-présidents, appartenants à des rôles linguistiques différents, nommés parmi les membres visés au 3°, ci-dessous;]1
[1 3°]1 sept membres effectifs et sept membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé, proposés par le Ministre parmi les candidats disposant d'un mandat académique dans des Universités belges;
[1 4°]1 huit membres effectifs et huit membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé, choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une double liste. Afin d'arrêter la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte du nombre de leurs adhérents respectifs; tout organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
[1 5°]1 trois membres effectifs et trois membres suppléants, pharmaciens, dont deux choisis parmi les candidats présentes par les associations professionnelles représentatives du corps des pharmaciens sur une double liste et un choisi parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers sur une double liste;
[1 6°]1 quatre membres effectifs et quatre membres suppléants, médecins, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des médecins sur une double liste;
[1 7°]1 (trois) membres effectifs et (trois) membres suppléants, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives de l'industrie du médicament sur une double liste; <AR 2007-06-03/58, art. 1, 143; En vigueur : 21-06-2007>
[1 8°]1 un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions;
[1 9° un membre effectif et un membre suppléant, proposés par Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions;
[1 10°]1 un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre ayant les Affaires économiques dans ses attributions;
([1 11°]1 un membre effectif et un membre suppléant, représentant du Service du contrôle médical de l'Institut. La fonction est endossée par un membre du personnel du Service du contrôle médical, présenté par le fonctionnaire dirigeant de ce Service;)
[3 12° un membre effectif et un membre suppléant, représentant des associations de patients, proposés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions, sur proposition du forum patients visé à l'article 13/2 de la loi coordonnée.]3
§ 2. Les membres sont nommés par le Roi. Le président et [1 les vice-présidents]1 sont désignés par le Ministre [1 ...]1.
[2 Le président a droit de vote.]2
§ 3. (Les membres de la Commission sont nommés pour une période renouvelable de quatre ans.
Le mandat prend fin lorsque les membres ont atteint l'âge de soixante-cinq ans accomplis [1 et qu'ils n'exercent plus une activité professionnelle]1.
Le membre effectif qui met un terme à son mandat ou le perd est remplacé par son suppléant pour la durée de ce mandat et il est immédiatement pourvu au remplacement de ce suppléant pour la durée de ce mandat.) <AR 2002-12-10/32, art. 11, 084; En vigueur : 24-12-2002>
(§ 4. Un membre suppléant peut assister aux réunions, sans droit de vote, au cas où le membre effectif pour lequel l'intéressé peut intervenir en tant que suppléant est également présent à la réunion.)
§ 5. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par [1 un des vice-présidents]1. (En cas d'empêchement des deux, la réunion est présidée par un membre désigné par le président [1 ...]1.) <AR 2007-03-01/40, art. 1, 141; En vigueur : 15-03-2007>
Le membre qui n'assiste pas régulièrement aux séances est privé de son mandat. Ceci est le cas si un membre assiste à moins de la moitié des séances par année, dans le respect des conditions déterminées dans le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 122duodecies relatives à la présence des membres effectifs et suppléants.
§ 6. (Au sein de la Commission, il est constitué un bureau, chargé de l'organisation des activités de la Commission et de l'entretien des relations entre les experts et la Commission.) [1 Le bureau est composé du président, des vice-présidents et d'un membre de la Commission désigné par le Ministre parmi les membres de la Commission disposant du droit de vote.]1
(§ 7. Au sein de la Commission, il est constitué un groupe de travail permanent pour la forfaitarisation de l'intervention de l'assurance dans les hôpitaux, chargé de donner des avis relatifs à l'adaptation ou au maintien de la liste des codes ATC reprise en annexe IV à l'arrêté royal du 21 décembre 2001 fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques. Ces avis sont adoptés à une majorité simple et communiqués à la Commission, laquelle est présumée les accepter comme proposition sauf en cas de rejet ou d'adaptation motivés à une majorité des deux tiers.
Les membres du groupe de travail permanent sont désignés par le Ministre sur proposition de la Commission, parmi les membres de celle-ci ou en-dehors, suivant la répartition suivante :
a) membres ayant droit de vote :
1° deux membres disposant d'un mandat académique dans des Universités belges et qui justifient d'une connaissance spécialisée en pharmacologie;
2° trois pharmaciens hospitaliers;
3° trois médecins hospitaliers;
4° huit représentants des organismes assureurs;
b) membre ayant voix consultative : un représentant de l'industrie du médicament.
La présidence du groupe de travail est assurée par un des membres du groupe de travail, désigné par le Ministre, et le secrétariat, par un ou plusieurs fonctionnaires du service des soins de santé de l'Institutrice-président et de deux membres de la Commission. Ces membres sont désignés par le Ministre parmi les membres de la Commission disposant du droit de vote.
Art. 122decies. <INGEVOEGD bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt verzekerd door de ambtenaren die zijn aangesteld binnen de beheerseenheid voor de farmaceutische verstrekkingen van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
§ 2. Het secretariaat bereidt de agenda van de vergaderingen voor, notuleert de voorstellen zoals die zijn aanvaard en goedgekeurd door de Commissie en verzekert de uitwisseling van informatie voorzien bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten.
In samenwerking met het bureau verzekert het de werking van de Commissie en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.
§ 2. Het secretariaat bereidt de agenda van de vergaderingen voor, notuleert de voorstellen zoals die zijn aanvaard en goedgekeurd door de Commissie en verzekert de uitwisseling van informatie voorzien bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten.
In samenwerking met het bureau verzekert het de werking van de Commissie en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.
Art. 122decies. § 1er. Le secrétariat de la Commission est assuré par les fonctionnaires qui sont désignés au sein de l'unité de gestion des fournitures pharmaceutiques du Service des Soins de santé de l'Institut.
(§ 2. Le secrétariat prépare l'ordre du jour des réunions, dresse le compte rendu des propositions telles qu'elles sont acceptées et approuvées par la Commission et veille à la distribution des informations prévues par l'arrêté royal du 21 décembre 2001 fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques.)
En collaboration avec le bureau, il assure le fonctionnement de la Commission et veille au respect des délais qui lui sont imposés.
(§ 2. Le secrétariat prépare l'ordre du jour des réunions, dresse le compte rendu des propositions telles qu'elles sont acceptées et approuvées par la Commission et veille à la distribution des informations prévues par l'arrêté royal du 21 décembre 2001 fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques.)
En collaboration avec le bureau, il assure le fonctionnement de la Commission et veille au respect des délais qui lui sont imposés.
Art. 122undecies. <INGEVOEGD bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De vergaderingen van de Commissie worden bijeengeroepen door de voorzitter, op diens initiatief of op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval de agenda van de vergadering.
Art. 122undecies. Les assemblées de la Commission sont convoquées par le président, de sa propre initiative ou à la demande d'au moins trois membres, laquelle demande est adressée par écrit et mentionne l'objet de la réunion; l'ordre du jour de la réunion figure systématiquement dans la convocation.
Art. 122duodecies. <INGEVOEGD bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De Commissie stelt een huishoudelijk reglement op. Dit reglement wordt, na advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 122duodecies. La Commission établit un règlement d'ordre intérieur. Ce règlement est, après l'avis du Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut, présenté à l'approbation du Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions et est publié au Moniteur belge.
Art. 122terdecies. <INGEVOEGD bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De Commissie beraadslaagt geldig wanneer ten minste [1 [4 zestien]4]1 stemgerechtigde leden aanwezig zijn.
[2 De voorstellen en adviezen worden aangenomen met een twee derde meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden, met uitzondering van de voorstellen inzake de vaststelling van de meerwaardeklasse van een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 6, 2e lid van het KB van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, die aangenomen worden met een gewone meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden.]2
[3 De aanwezige stemgerechtigde leden kunnen zich niet onthouden van de stemming over voorstellen inzake de vaststelling van de meerwaardeklasse van een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 6, 2e lid van het KB van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, wanneer deze ter stemming worden voorgelegd. In de andere gevallen wordt er geen rekening gehouden met de onthoudingen.]3
[2 De voorstellen en adviezen worden aangenomen met een twee derde meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden, met uitzondering van de voorstellen inzake de vaststelling van de meerwaardeklasse van een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 6, 2e lid van het KB van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, die aangenomen worden met een gewone meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden.]2
[3 De aanwezige stemgerechtigde leden kunnen zich niet onthouden van de stemming over voorstellen inzake de vaststelling van de meerwaardeklasse van een aanvraag, zoals bedoeld in artikel 6, 2e lid van het KB van 1 februari 2018 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, wanneer deze ter stemming worden voorgelegd. In de andere gevallen wordt er geen rekening gehouden met de onthoudingen.]3
Art. 122terdecies. La Commission délibère valablement lorsque au moins [1 [4 seize]4]1 membres ayant droit de vote sont présents.
[2 Les propositions et avis sont adoptés à une majorité des deux tiers des membres présents habilités à voter, à l'exception des propositions relatives à la détermination de la classe de la plus-value d'une demande, tel que visé à l'article 6, 2ème alinéa de l'AR du 1 février 2018 fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, qui sont adoptées à une majorité simple des membres présents habilités à voter.]2
[3 Les membres présents habilités à voter ne peuvent s'abstenir de voter lorsque des propositions relatives à la détermination de la classe de la plus-value d'une demande, tel que visé à l'article 6, 2ème alinéa de l'AR du 1er février 2018 fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques sont soumises au vote. Dans les autres cas, il n'est pas tenu compte des abstentions.]3
[2 Les propositions et avis sont adoptés à une majorité des deux tiers des membres présents habilités à voter, à l'exception des propositions relatives à la détermination de la classe de la plus-value d'une demande, tel que visé à l'article 6, 2ème alinéa de l'AR du 1 février 2018 fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques, qui sont adoptées à une majorité simple des membres présents habilités à voter.]2
[3 Les membres présents habilités à voter ne peuvent s'abstenir de voter lorsque des propositions relatives à la détermination de la classe de la plus-value d'une demande, tel que visé à l'article 6, 2ème alinéa de l'AR du 1er février 2018 fixant les procédures, délais et conditions en matière d'intervention de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des spécialités pharmaceutiques sont soumises au vote. Dans les autres cas, il n'est pas tenu compte des abstentions.]3
Art. 122quaterdecies. <INGEVOEGD bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De Commissie kan beroep doen op deskundigen om de elementen van wetenschappelijke, klinische, epidemiologische en gezondheidseconomische bewijselementen welke deel uitmaken van de te behandelen dossiers kritisch te beoordelen naar kwaliteit en volledigheid. De deskundigen bezitten een bijzondere bekwaamheid inzake wetenschappelijke, klinische en/of gezondheidseconomische evaluatie van geneesmiddelen.
Deze deskundigen zijn al dan niet personeelsleden van het Instituut. De deskundigen die geen personeelsleden zijn van het Instituut worden, hetzij op vertoon van honorariumstaten, hetzij forfaitair, vergoed voor de werkzaamheden en rapporten die hen zijn opgedragen. Het bedrag van de vergoedingen wordt jaarlijks vastgesteld door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, op voorstel van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.
§ 2. De deskundigen zijn ertoe gehouden de vastgestelde termijnen na te leven om hun beoordelingsrapport in te dienen en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor ze, in voorkomend geval, zouden worden opgeroepen. Bij niet naleving van deze bepaling worden de deskundigen niet vergoed, ook niet voor eventueel reeds uitgevoerde prestaties.
Wanneer zij worden opgeroepen voor de vergaderingen van de Commissie of van werkgroepen van de Commissie, nemen de deskundigen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden.
Deze deskundigen zijn al dan niet personeelsleden van het Instituut. De deskundigen die geen personeelsleden zijn van het Instituut worden, hetzij op vertoon van honorariumstaten, hetzij forfaitair, vergoed voor de werkzaamheden en rapporten die hen zijn opgedragen. Het bedrag van de vergoedingen wordt jaarlijks vastgesteld door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, op voorstel van de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.
§ 2. De deskundigen zijn ertoe gehouden de vastgestelde termijnen na te leven om hun beoordelingsrapport in te dienen en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor ze, in voorkomend geval, zouden worden opgeroepen. Bij niet naleving van deze bepaling worden de deskundigen niet vergoed, ook niet voor eventueel reeds uitgevoerde prestaties.
Wanneer zij worden opgeroepen voor de vergaderingen van de Commissie of van werkgroepen van de Commissie, nemen de deskundigen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden.
Art. 122quaterdecies. § 1er. La Commission peut faire appel à des experts afin d'apprécier de manière critique, quant à leur qualité et à leur exhaustivité, les éléments des preuves scientifiques, cliniques, épidémiologiques et économico-sanitaires qui font partie des dossiers à traiter. Les experts ont une compétence particulière en évaluation scientifique, clinique et/ou économique de la santé des médicaments.
Ces experts seront éventuellement des membres du personnel de l'Institut. Les experts qui ne relèvent pas de l'effectif du personnel de l'Institut sont indemnisés, soit sur production de leurs états d'honoraires, soit forfaitairement, pour les activités et les rapports qui leur sont demandés. Le montant des indemnisations est fixé chaque année par le Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut, sur proposition de la Commission de remboursement des médicaments.
§ 2. Les experts sont tenus de respecter les modalités et les délais fixés pour le dépôt de leur rapport d'évaluation et de prendre part aux réunions auxquelles, le cas échéant, ils seraient convoqués. En cas de non-respect de cette disposition, les experts ne seront pas indemnisés, même pour les prestations déjà éventuellement effectuées.
Lorsqu'ils sont convoqués pour assister à des réunions de la Commission ou de groupes de travail de la Commission, les experts participent aux travaux avec voix consultative.
Ces experts seront éventuellement des membres du personnel de l'Institut. Les experts qui ne relèvent pas de l'effectif du personnel de l'Institut sont indemnisés, soit sur production de leurs états d'honoraires, soit forfaitairement, pour les activités et les rapports qui leur sont demandés. Le montant des indemnisations est fixé chaque année par le Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut, sur proposition de la Commission de remboursement des médicaments.
§ 2. Les experts sont tenus de respecter les modalités et les délais fixés pour le dépôt de leur rapport d'évaluation et de prendre part aux réunions auxquelles, le cas échéant, ils seraient convoqués. En cas de non-respect de cette disposition, les experts ne seront pas indemnisés, même pour les prestations déjà éventuellement effectuées.
Lorsqu'ils sont convoqués pour assister à des réunions de la Commission ou de groupes de travail de la Commission, les experts participent aux travaux avec voix consultative.
Art. 122quinquies -decies. <INGEVOEGD bij KB 2001-12-21/33, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De leden van de Commissie, het secretariaat en de deskundigen behandelen alle inlichtingen waarvan ze naar aanleiding van hun opdracht kennis zouden krijgen, vertrouwelijk. Zij zijn gebonden door het beroepsgeheim voor alle informatie waarvan zij tijdens hun mandaat kennis nemen.
§ 2. De leden van de Commissie en de deskundigen maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van farmaceutische industrie. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd en voorgelegd aan het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut. Het model van deze belangenverklaring volgt als bijlage bij dit besluit.
Het bureau oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
De leden van de Commissie en de deskundigen verliezen hun mandaat indien wordt vastgesteld door het secretariaat dat zij een onjuiste verklaring hebben afgelegd. Zij worden vooraf gehoord door de Commissie.
§ 2. De leden van de Commissie en de deskundigen maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van farmaceutische industrie. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd en voorgelegd aan het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut. Het model van deze belangenverklaring volgt als bijlage bij dit besluit.
Het bureau oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
De leden van de Commissie en de deskundigen verliezen hun mandaat indien wordt vastgesteld door het secretariaat dat zij een onjuiste verklaring hebben afgelegd. Zij worden vooraf gehoord door de Commissie.
Art. 122quinquies -decies. § 1er. Les membres de la Commission, le secrétariat et les experts traitent de manière confidentielle tous les renseignements dont ils auraient connaissance dans le cadre de l'exercice de leur mission. Ils sont tenus par le secret professionnel pour toutes les informations dont ils prennent connaissance à l'occasion de leur mandat.
§ 2. Les membres de la Commission et les experts transmettent au secrétariat une déclaration d'intérêts écrite, laquelle mentionne les intérêts et les liens directs ou indirects qu'ils peuvent entretenir avec l'industrie pharmaceutique. Ils s'engagent à communiquer immédiatement toute modification de ces intérêts ou de ces liens. Ces déclarations sont renouvelées chaque année et présentées au Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut. Le modèle de cette déclaration d'intérêt figure en annexe du présent arrêté.
Le bureau statue sur les éventuels conflits d'intérêts et décide, d'une part, de l'éventuelle participation aux délibérations et/ou au vote des membres de la Commission ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examine et d'autre part, de l'opportunité de confier l'évaluation d'un dossier aux experts ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné.
Les membres de la Commission et les experts perdent leur mandat s'il est constaté par le secrétariat qu'ils ont fourni une déclaration erronée. Ils sont auditionnés par la Commission au préalable.
§ 2. Les membres de la Commission et les experts transmettent au secrétariat une déclaration d'intérêts écrite, laquelle mentionne les intérêts et les liens directs ou indirects qu'ils peuvent entretenir avec l'industrie pharmaceutique. Ils s'engagent à communiquer immédiatement toute modification de ces intérêts ou de ces liens. Ces déclarations sont renouvelées chaque année et présentées au Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut. Le modèle de cette déclaration d'intérêt figure en annexe du présent arrêté.
Le bureau statue sur les éventuels conflits d'intérêts et décide, d'une part, de l'éventuelle participation aux délibérations et/ou au vote des membres de la Commission ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examine et d'autre part, de l'opportunité de confier l'évaluation d'un dossier aux experts ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné.
Les membres de la Commission et les experts perdent leur mandat s'il est constaté par le secrétariat qu'ils ont fourni une déclaration erronée. Ils sont auditionnés par la Commission au préalable.
Afdeling XVbis. - [1 Commissie voor advies in geval van tijdelijke tegemoetkoming voor het gebruik van een geneesmiddel]1
Section XVbis. - [1 Commission d'avis en cas d'intervention temporaire pour l'utilisation d'un médicament]1
Art. 122quinquies-decies/1. [1 § 1. De aanwijzing van de leden van de Commissie voor advies in geval van tijdelijke tegemoetkoming voor het gebruik van een geneesmiddel gebeurt als volgt :
Art. 122quinquies-decies/1.[1 § 1er. La désignation des membres de la Commission d'avis en cas d'intervention temporaire pour l'utilisation d'un médicament est effectuée comme suit :
Art. 122quinquies-decies/2. [1 § 1. De Commissie wordt voorgezeten door [3 de voorzitter van de Colleges van artsen voor de weesgeneesmiddelen en de farmaceutische specialiteiten die in het kader van een zeldzame ziekte vergoedbaar is]3.
Art. 122quinquies-decies/2.[1 § 1er. La Commission est présidée par [2 le Président des Collèges de médecins pour les médicaments orphelins et les spécialités pharmaceutiques remboursables dans le cadre d'une maladie rare]2.
Art. 122quinquies-decies/3. [1 § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging die zijn aangewezen door de leidend ambtenaar van de voormelde dienst en door de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten die daartoe zijn aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of zijn afgevaardigde.
Art. 122quinquies-decies/3.[1 § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door de personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging die zijn aangewezen door de leidend ambtenaar van de voormelde dienst en door de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten die daartoe zijn aangewezen door de minister bevoegd voor Volksgezondheid of zijn afgevaardigde.
Afdeling XVI. - Commissie Tegemoetkoming Implantaten en Invasieve Medische Hulpmiddelen.
Section XVI. - Commission de Remboursement des Implants et Dispositifs médicaux invasifs
Art. 122sexdecies. <INGEVOEGD bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> § 1. De Commissie Tegemoetkoming Implantaten en Invasieve Medische Hulpmiddelen, hierna de Commissie genoemd, is samengesteld als volgt :
1° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2, apothekers die houder zijn van het diploma van ziekenhuisapotheker, personen gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen of met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie. De leden worden gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten waarbij onder zowel de werkende als de plaatsvervangende leden minimum drie [2 artsen]2 gespecialiseerd in een heelkundige discipline, minimum één apotheker, houder van het diploma van ziekenhuisapotheker en minimum één persoon, gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen, zijn. De overige van zowel de werkende als de plaatsvervangende leden zijn [2 arts-specialist]2 of apotheker, houder van het diploma van ziekenhuisapotheker of persoon gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen of met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie. Elke universiteit draagt één kandidaat werkend lid en één kandidaat plaatsvervangend lid voor. Elke universiteit heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en minstens één mandaat van plaatsvervangend lid;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, [2 artsen]2, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie of in de biomedische wetenschappen/ ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen, gekozen onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen op een dubbele lijst;
3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;
4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [2 artsenkorps]2 op een dubbele lijst;
5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden benoemd uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisbeheerders op een dubbele lijst;
6° één werkend en één plaatsvervangende lid, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de fabrikanten, invoerders en verdelers van implantaten en invasieve medische hulpmiddelen op een dubbele lijst;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
8° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
9° één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister die de Begroting onder zijn bevoegdheid heeft;
10° één werkend en één plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Instituut. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, voorgedragen door de leidend ambtenaar van deze Dienst;
[3 11° één werkend en één plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, voorgedragen door de Administrateur-generaal van dit Federaal Agentschap.]3
§ 2. De onder § 1, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° [3 , 10° en 11°]3 vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
§ 3. [1 De ondervoorzitter wordt aangesteld door de Minister, onder de leden bedoeld in § 1, 1°.]1
§ 4. De leden van de Commissie worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar. Hun mandaat wordt om de drie jaar per helft hernieuwd. Het mandaat van de leden van de Commissie wordt voor het eerst drie jaar na de datum waarop de mandaten de eerste keer werden toegekend, hernieuwd; de aftredende leden worden bij loting aangewezen. Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat en er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.
§ 5. Een plaatsvervangend lid, behorende tot de onder § 1, 1°, 2°, 3° en 4° vermelde leden, kan zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen, indien het effectieve lid waarvoor de betrokkene als plaatsvervanger kan optreden ook op de vergadering aanwezig is.
§ 6. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door de ondervoorzitter. Bij afwezigheid van beiden wordt de vergadering voorgezeten door het oudste aanwezige stemgerechtigde lid.
Het lid dat de zittingen niet geregeld bijwoont, verliest zijn mandaat. Dit is het geval wanneer een lid minder dan de helft der zittingen per jaar bijwoont, onder naleving van de voorwaarden bepaald in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 122novodecies in verband met de aanwezigheid van effectieve en plaatsvervangende leden.
[4 § 7. De Commissie richt in zijn schoot een bureau op dat belast wordt met de organisatie van de werkzaamheden van de Commissie en het verzorgen van de betrekkingen tussen de deskundigen en de Commissie. Het bureau bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitter, een vertegenwoordiger van de verzekeringsinstellingen en een vertegenwoordiger van de universiteiten, aangewezen door de minister onder de leden van de Commissie.]4
1° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2, apothekers die houder zijn van het diploma van ziekenhuisapotheker, personen gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen of met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie. De leden worden gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de Belgische universiteiten waarbij onder zowel de werkende als de plaatsvervangende leden minimum drie [2 artsen]2 gespecialiseerd in een heelkundige discipline, minimum één apotheker, houder van het diploma van ziekenhuisapotheker en minimum één persoon, gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen, zijn. De overige van zowel de werkende als de plaatsvervangende leden zijn [2 arts-specialist]2 of apotheker, houder van het diploma van ziekenhuisapotheker of persoon gespecialiseerd voor biomedische ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen of met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie. Elke universiteit draagt één kandidaat werkend lid en één kandidaat plaatsvervangend lid voor. Elke universiteit heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en minstens één mandaat van plaatsvervangend lid;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, [2 artsen]2, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie of in de biomedische wetenschappen/ ingenieurstechniek op het gebied van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen, gekozen onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen op een dubbele lijst;
3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, houders van het diploma van ziekenhuisapotheker, gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;
4° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, [2 artsen-specialisten]2, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het [2 artsenkorps]2 op een dubbele lijst;
5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden benoemd uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisbeheerders op een dubbele lijst;
6° één werkend en één plaatsvervangende lid, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de fabrikanten, invoerders en verdelers van implantaten en invasieve medische hulpmiddelen op een dubbele lijst;
7° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
8° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
9° één werkend en één plaatsvervangend lid voorgedragen door de Minister die de Begroting onder zijn bevoegdheid heeft;
10° één werkend en één plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Instituut. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, voorgedragen door de leidend ambtenaar van deze Dienst;
[3 11° één werkend en één plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten, voorgedragen door de Administrateur-generaal van dit Federaal Agentschap.]3
§ 2. De onder § 1, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° [3 , 10° en 11°]3 vermelde leden zijn niet stemgerechtigd.
§ 3. [1 De ondervoorzitter wordt aangesteld door de Minister, onder de leden bedoeld in § 1, 1°.]1
§ 4. De leden van de Commissie worden benoemd voor een hernieuwbare periode van zes jaar. Hun mandaat wordt om de drie jaar per helft hernieuwd. Het mandaat van de leden van de Commissie wordt voor het eerst drie jaar na de datum waarop de mandaten de eerste keer werden toegekend, hernieuwd; de aftredende leden worden bij loting aangewezen. Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest, wordt vervangen door zijn plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat en er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.
§ 5. Een plaatsvervangend lid, behorende tot de onder § 1, 1°, 2°, 3° en 4° vermelde leden, kan zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen, indien het effectieve lid waarvoor de betrokkene als plaatsvervanger kan optreden ook op de vergadering aanwezig is.
§ 6. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door de ondervoorzitter. Bij afwezigheid van beiden wordt de vergadering voorgezeten door het oudste aanwezige stemgerechtigde lid.
Het lid dat de zittingen niet geregeld bijwoont, verliest zijn mandaat. Dit is het geval wanneer een lid minder dan de helft der zittingen per jaar bijwoont, onder naleving van de voorwaarden bepaald in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 122novodecies in verband met de aanwezigheid van effectieve en plaatsvervangende leden.
[4 § 7. De Commissie richt in zijn schoot een bureau op dat belast wordt met de organisatie van de werkzaamheden van de Commissie en het verzorgen van de betrekkingen tussen de deskundigen en de Commissie. Het bureau bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitter, een vertegenwoordiger van de verzekeringsinstellingen en een vertegenwoordiger van de universiteiten, aangewezen door de minister onder de leden van de Commissie.]4
Art. 122sexdecies. § 1er. La Commission de Remboursement des Implants et Dispositifs médicaux invasifs, appelée ci-après la Commission, est composée comme suit :
1° sept membres effectifs et sept membres suppléants, médecins-spécialistes, pharmaciens détenteurs du diplôme de pharmacien hospitalier, personnes spécialisées en technique d'ingénierie biomédicale dans le domaine des dispositifs médicaux implantables et invasifs ou avec une compétence particulière en économie de la santé. Les membres sont choisis parmi les candidats proposés par les universités belges, parmi lesquels, aussi bien pour les membres effectifs que suppléants, minimum trois médecins spécialisés dans une discipline chirurgicale, minimum un pharmacien, détenteur du diplôme de pharmacien hospitalier et minimum une personne, spécialisée en technique d'ingénierie biomédicale dans le domaine des dispositifs médicaux implantables et invasifs. Le reste des membres, aussi bien effectifs que suppléants, sont médecin-spécialiste ou pharmacien, détenteur du diplôme de pharmacien hospitalier ou personne spécialisée en technique d'ingénierie biomédicale dans le domaine des dispositifs médicaux implantables et invasifs ou avec une compétence particulière en économie de la santé. Chaque université présente un candidat membre effectif et un candidat membre suppléant. Chaque université a droit à au moins un mandat de membre effectif et un mandat de membre suppléant;
2° huit membres effectifs et huit membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé ou en technique d'ingénierie biomédicale ou sciences biomédicales dans le domaine des dispositifs médicaux implantables et invasifs, choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une double liste;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants, pharmaciens, détenteurs du diplôme de pharmacien hospitalier, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers sur une double liste;
4° trois membres effectifs et trois membres suppléants, médecins-spécialistes, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des médecins sur une double liste;
5° deux membres effectifs et deux membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des gestionnaires d'hôpitaux sur une liste double;
6° un membre effectif et un membre suppléant, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des fabricants, importateurs et distributeurs d'implants et de dispositifs médicaux invasifs sur une double liste;
7° un membre effectif et un membre suppléant, présentés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions;
8° un membre effectif et un membre suppléant, présentés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions;
9° un membre effectif et un membre suppléant, présentés par le Ministre ayant le Budget dans ses attributions;
10° un membre effectif et un membre suppléant, représentant du Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut. La fonction est endossée par un membre du personnel du Service d'évaluation et de contrôle médicaux, présenté par le fonctionnaire dirigeant de ce Service;
[2 11° un membre effectif et un membre suppléant, représentant de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, présentés par l'Administrateur-général de cette Agence fédérale.]2
§ 2. Les membres repris sous le § 1er, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° [2 , 10° et 11°]2 n'ont pas voix délibérative.
§ 3. [1 Le vice-président est désigné par le Ministre parmi les membres visés au § 1er, 1°.]1
§ 4. Les membres de la Commission sont nommés pour une période renouvelable de six ans. Leur mandat est renouvelé tous les trois ans par moitié. Le mandat des membres de la Commission est renouvelé pour la première fois trois ans après la date à laquelle les mandats ont été octroyés pour la première fois; les membres sortants sont désignés par tirage au sort. Le membre effectif qui met un terme à son mandat ou le perd est remplacé par son suppléant pour la durée de ce mandat et il est immédiatement pourvu au remplacement de ce suppléant pour la durée de ce mandat.
§ 5. Un membre suppléant, appartenant aux membres visés au § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°, peut assister aux réunions, sans droit de vote, au cas où le membre effectif pour lequel l'intéressé peut intervenir en tant que suppléant est également présent à la réunion.
§ 6. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par le vice-président. En cas d'empêchement des deux, la réunion est présidée par le membre présent le plus âgé avec voix délibérative.
Le membre qui n'assiste pas régulièrement aux séances est privé de son mandat. Ceci est le cas si un membre assiste à moins de la moitié des séances par année, dans le respect des conditions déterminées dans le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 122novodecies relatives à la présence des membres effectifs et suppléants.
[3 § 7. Au sein de la Commission, il est constitué un bureau, chargé de l'organisation des activités de la Commission et de l'entretien des relations entre les experts et la Commission. Le bureau est composé d'un président et d'un vice-président, d'un représentant des organismes assureurs et d'un représentant des universités désignés par le Ministre parmi les membres de la Commission.]3
1° sept membres effectifs et sept membres suppléants, médecins-spécialistes, pharmaciens détenteurs du diplôme de pharmacien hospitalier, personnes spécialisées en technique d'ingénierie biomédicale dans le domaine des dispositifs médicaux implantables et invasifs ou avec une compétence particulière en économie de la santé. Les membres sont choisis parmi les candidats proposés par les universités belges, parmi lesquels, aussi bien pour les membres effectifs que suppléants, minimum trois médecins spécialisés dans une discipline chirurgicale, minimum un pharmacien, détenteur du diplôme de pharmacien hospitalier et minimum une personne, spécialisée en technique d'ingénierie biomédicale dans le domaine des dispositifs médicaux implantables et invasifs. Le reste des membres, aussi bien effectifs que suppléants, sont médecin-spécialiste ou pharmacien, détenteur du diplôme de pharmacien hospitalier ou personne spécialisée en technique d'ingénierie biomédicale dans le domaine des dispositifs médicaux implantables et invasifs ou avec une compétence particulière en économie de la santé. Chaque université présente un candidat membre effectif et un candidat membre suppléant. Chaque université a droit à au moins un mandat de membre effectif et un mandat de membre suppléant;
2° huit membres effectifs et huit membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé ou en technique d'ingénierie biomédicale ou sciences biomédicales dans le domaine des dispositifs médicaux implantables et invasifs, choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une double liste;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants, pharmaciens, détenteurs du diplôme de pharmacien hospitalier, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers sur une double liste;
4° trois membres effectifs et trois membres suppléants, médecins-spécialistes, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des médecins sur une double liste;
5° deux membres effectifs et deux membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des gestionnaires d'hôpitaux sur une liste double;
6° un membre effectif et un membre suppléant, choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des fabricants, importateurs et distributeurs d'implants et de dispositifs médicaux invasifs sur une double liste;
7° un membre effectif et un membre suppléant, présentés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions;
8° un membre effectif et un membre suppléant, présentés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions;
9° un membre effectif et un membre suppléant, présentés par le Ministre ayant le Budget dans ses attributions;
10° un membre effectif et un membre suppléant, représentant du Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut. La fonction est endossée par un membre du personnel du Service d'évaluation et de contrôle médicaux, présenté par le fonctionnaire dirigeant de ce Service;
[2 11° un membre effectif et un membre suppléant, représentant de l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, présentés par l'Administrateur-général de cette Agence fédérale.]2
§ 2. Les membres repris sous le § 1er, 5°, 6°, 7°, 8°, 9° [2 , 10° et 11°]2 n'ont pas voix délibérative.
§ 3. [1 Le vice-président est désigné par le Ministre parmi les membres visés au § 1er, 1°.]1
§ 4. Les membres de la Commission sont nommés pour une période renouvelable de six ans. Leur mandat est renouvelé tous les trois ans par moitié. Le mandat des membres de la Commission est renouvelé pour la première fois trois ans après la date à laquelle les mandats ont été octroyés pour la première fois; les membres sortants sont désignés par tirage au sort. Le membre effectif qui met un terme à son mandat ou le perd est remplacé par son suppléant pour la durée de ce mandat et il est immédiatement pourvu au remplacement de ce suppléant pour la durée de ce mandat.
§ 5. Un membre suppléant, appartenant aux membres visés au § 1er, 1°, 2°, 3° et 4°, peut assister aux réunions, sans droit de vote, au cas où le membre effectif pour lequel l'intéressé peut intervenir en tant que suppléant est également présent à la réunion.
§ 6. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par le vice-président. En cas d'empêchement des deux, la réunion est présidée par le membre présent le plus âgé avec voix délibérative.
Le membre qui n'assiste pas régulièrement aux séances est privé de son mandat. Ceci est le cas si un membre assiste à moins de la moitié des séances par année, dans le respect des conditions déterminées dans le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 122novodecies relatives à la présence des membres effectifs et suppléants.
[3 § 7. Au sein de la Commission, il est constitué un bureau, chargé de l'organisation des activités de la Commission et de l'entretien des relations entre les experts et la Commission. Le bureau est composé d'un président et d'un vice-président, d'un représentant des organismes assureurs et d'un représentant des universités désignés par le Ministre parmi les membres de la Commission.]3
Art. 122septdecies. <INGEVOEGD bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt verzekerd door de ambtenaren die zijn aangesteld binnen de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
§ 2. Het secretariaat bereidt de agenda van de vergaderingen voor, notuleert de voorstellen zoals die zijn aanvaard en goedgekeurd door de Commissie.
Het secretariaat verzekert de werking van de Commissie en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.
§ 2. Het secretariaat bereidt de agenda van de vergaderingen voor, notuleert de voorstellen zoals die zijn aanvaard en goedgekeurd door de Commissie.
Het secretariaat verzekert de werking van de Commissie en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.
Art. 122septdecies. § 1er. Le secrétariat de la Commission est assuré par les fonctionnaires qui sont désignés au sein du Service des soins de santé de l'Institut.
§ 2. Le secrétariat prépare l'ordre du jour des réunions, dresse le compte rendu des propositions telles qu'elles sont acceptées et approuvées par la Commission.
Le secrétariat assure le fonctionnement de la Commission et veille au respect des délais qui lui sont imposés.
§ 2. Le secrétariat prépare l'ordre du jour des réunions, dresse le compte rendu des propositions telles qu'elles sont acceptées et approuvées par la Commission.
Le secrétariat assure le fonctionnement de la Commission et veille au respect des délais qui lui sont imposés.
Art. 122octodecies. <INGEVOEGD bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> De vergaderingen van de Commissie worden bijeengeroepen door de voorzitter, op diens initiatief of op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval de agenda van de vergadering.
Art. 122octodecies. Les assemblées de la Commission sont convoquées par le président, de sa propre initiative ou à la demande d'au moins trois membres, laquelle demande est adressée par écrit et mentionne l'objet de la réunion; l'ordre du jour de la réunion figure systématiquement dans la convocation.
Art. 122novodecies. <INGEVOEGD bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> De Commissie stelt een huishoudelijk reglement op. Dit reglement wordt, na advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 122novodecies. La Commission établit un règlement d'ordre intérieur. Ce règlement est, après l'avis du Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut, présenté à l'approbation du Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions et est publié au Moniteur belge.
Art. 122vicies. <INGEVOEGD bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> De Commissie beraadslaagt geldig wanneer ten minste twaalf stemgerechtigde leden aanwezig zijn, waarvan minstens vier leden van de deskundigen werkzaam bij een universitaire instelling, zoals bedoeld in art. 122sexdecies, § 1, 1°, en minstens vier leden van de vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, zoals bedoeld in art. 122sexdecies, § 1, 2°.
De voorstellen en adviezen worden aangenomen met een twee derde meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden. Er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen.
De voorstellen en adviezen worden aangenomen met een twee derde meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden. Er wordt geen rekening gehouden met de onthoudingen.
Art. 122vicies. La Commission délibère valablement lorsqu'au moins douze membres ayant droit de vote sont présents, dont au moins quatre membres des experts qui travaillent dans une institution universitaire, tels que visés à l'art. 122sexdecies, § 1, 1°, et au moins quatre membres des représentants des organismes assureurs, tels que visés à l'art. 122sexdecies, § 1, 2°.
Les propositions et avis sont adoptés à une majorité des deux tiers des membres présents habilités à voter. Il n'est pas tenu compte des abstentions.
Les propositions et avis sont adoptés à une majorité des deux tiers des membres présents habilités à voter. Il n'est pas tenu compte des abstentions.
Art. 122unvicies. <INGEVOEGD bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> § 1. De Commissie kan beroep doen op deskundigen om de elementen van wetenschappelijke, klinische, epidemiologische en gezondheidseconomische bewijselementen welke deel uitmaken van de te behandelen dossiers kritisch te beoordelen naar kwaliteit en volledigheid. De deskundigen bezitten een bijzondere bekwaamheid inzake wetenschappelijke, klinische en/of gezondheidseconomische evaluatie van implantaten en invasieve medische hulpmiddelen.
[1 Deze deskundigen zullen eventueel personeelsleden van het Instituut zijn. De deskundigen die geen deel uitmaken van het personeel van het Instituut worden voor de werkzaamheden en verslagen die van hen gevraagd worden op basis van vertoon van een honorariumstaat of op forfaitaire basis vergoed.]1 Het bedrag van de vergoedingen wordt jaarlijks vastgesteld door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, op voorstel van de Commissie Tegemoetkoming Implantaten en Invasieve Medische Hulpmiddelen.
§ 2. De deskundigen zijn ertoe gehouden de vastgestelde termijnen na te leven om hun rapport in te dienen en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor ze, in voorkomend geval, zouden worden opgeroepen. Bij niet naleving van deze bepaling worden de deskundigen niet vergoed, ook niet voor eventueel reeds uitgevoerde prestaties.
Wanneer zij worden opgeroepen voor de vergaderingen van de Commissie of van werkgroepen van de Commissie, nemen de deskundigen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden.
[1 Deze deskundigen zullen eventueel personeelsleden van het Instituut zijn. De deskundigen die geen deel uitmaken van het personeel van het Instituut worden voor de werkzaamheden en verslagen die van hen gevraagd worden op basis van vertoon van een honorariumstaat of op forfaitaire basis vergoed.]1 Het bedrag van de vergoedingen wordt jaarlijks vastgesteld door het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, op voorstel van de Commissie Tegemoetkoming Implantaten en Invasieve Medische Hulpmiddelen.
§ 2. De deskundigen zijn ertoe gehouden de vastgestelde termijnen na te leven om hun rapport in te dienen en deel te nemen aan de vergaderingen waarvoor ze, in voorkomend geval, zouden worden opgeroepen. Bij niet naleving van deze bepaling worden de deskundigen niet vergoed, ook niet voor eventueel reeds uitgevoerde prestaties.
Wanneer zij worden opgeroepen voor de vergaderingen van de Commissie of van werkgroepen van de Commissie, nemen de deskundigen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden.
Modifications
Art. 122unvicies. § 1er. La Commission peut faire appel à des experts afin d'apprécier de manière critique, quant à leur qualité et à leur exhaustivité, les éléments des preuves scientifiques, cliniques, épidémiologiques et économico-sanitaires qui font partie des dossiers à traiter. Les experts ont une compétence particulière en évaluation scientifique, clinique et/ou économique de la santé des implants et dispositifs médicaux invasifs.
[1 Ces experts seront éventuellement des membres du personnel de l'Institut. Les experts qui ne relèvent pas de l'effectif du personnel de l'Institut sont rémunérés soit sur production de leurs états d'honoraires, soit forfaitairement, pour les activités et les rapports qui leur sont demandés.]1 Le montant des indemnisations est fixé chaque année par le Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut, sur proposition de la Commission de Remboursement des Implants et Dispositifs médicaux invasifs.
§ 2. Les experts sont tenus de respecter les délais fixés pour le dépôt de leur rapport d'évaluation et de prendre part aux réunions auxquelles, le cas échéant, ils seraient convoqués. En cas de non respect de cette disposition, les experts ne seront pas indemnisés, même pour les prestations déjà éventuellement effectuées.
Lorsqu'ils sont convoqués pour assister à des réunions de la Commission ou de groupes de travail de la Commission, les experts participent aux travaux avec voix consultative.
[1 Ces experts seront éventuellement des membres du personnel de l'Institut. Les experts qui ne relèvent pas de l'effectif du personnel de l'Institut sont rémunérés soit sur production de leurs états d'honoraires, soit forfaitairement, pour les activités et les rapports qui leur sont demandés.]1 Le montant des indemnisations est fixé chaque année par le Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut, sur proposition de la Commission de Remboursement des Implants et Dispositifs médicaux invasifs.
§ 2. Les experts sont tenus de respecter les délais fixés pour le dépôt de leur rapport d'évaluation et de prendre part aux réunions auxquelles, le cas échéant, ils seraient convoqués. En cas de non respect de cette disposition, les experts ne seront pas indemnisés, même pour les prestations déjà éventuellement effectuées.
Lorsqu'ils sont convoqués pour assister à des réunions de la Commission ou de groupes de travail de la Commission, les experts participent aux travaux avec voix consultative.
Modifications
Art. 122duovicies. <INGEVOEGD bij KB 2008-02-10/40, art. 1; Inwerkingtreding : 01-03-2008> § 1. De leden van de Commissie en het secretariaat behandelen alle inlichtingen waarvan ze naar aanleiding van hun opdracht kennis zouden krijgen, vertrouwelijk.
§ 2. De leden van de Commissie maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van de industrie van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd en voorgelegd aan [1 de Commissie]1.
[1 Het bureau]1 oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
De leden van de Commissie verliezen hun mandaat indien wordt vastgesteld door het secretariaat dat zij een onjuiste verklaring hebben afgelegd. Zij worden vooraf gehoord door de Commissie.
§ 2. De leden van de Commissie maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van de industrie van implanteerbare en invasieve medische hulpmiddelen. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd en voorgelegd aan [1 de Commissie]1.
[1 Het bureau]1 oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
De leden van de Commissie verliezen hun mandaat indien wordt vastgesteld door het secretariaat dat zij een onjuiste verklaring hebben afgelegd. Zij worden vooraf gehoord door de Commissie.
Modifications
Art. 122duovicies. § 1er. Les membres de la Commission et le secrétariat traitent de manière confidentielle tous les renseignements dont ils auraient connaissance dans le cadre de l'exercice de leur mission.
§ 2. Les membres de la Commission transmettent au secrétariat une déclaration d'intérêts écrite, laquelle mentionne les intérêts et les liens directs ou indirects qu'ils peuvent entretenir avec l'industrie des dispositifs médicaux implantables et invasifs. Ils s'engagent à communiquer immédiatement toute modification de ces intérêts ou de ces liens. Ces déclarations sont renouvelées chaque année et présentées [1 à la Commission]1.
[1 Le bureau]1 statue sur les éventuels conflits d'intérêts et décide, d'une part, de l'éventuelle participation aux délibérations et/ou au vote des membres de la Commission ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné et d'autre part, de l'opportunité de confier évaluation d'un dossier aux experts ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné.
Les membres de la Commission perdent leur mandat s'il est constaté par le secrétariat qu'ils ont fourni une déclaration erronée Ils sont auditionnés par la Commission au préalable.
§ 2. Les membres de la Commission transmettent au secrétariat une déclaration d'intérêts écrite, laquelle mentionne les intérêts et les liens directs ou indirects qu'ils peuvent entretenir avec l'industrie des dispositifs médicaux implantables et invasifs. Ils s'engagent à communiquer immédiatement toute modification de ces intérêts ou de ces liens. Ces déclarations sont renouvelées chaque année et présentées [1 à la Commission]1.
[1 Le bureau]1 statue sur les éventuels conflits d'intérêts et décide, d'une part, de l'éventuelle participation aux délibérations et/ou au vote des membres de la Commission ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné et d'autre part, de l'opportunité de confier évaluation d'un dossier aux experts ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné.
Les membres de la Commission perdent leur mandat s'il est constaté par le secrétariat qu'ils ont fourni une déclaration erronée Ils sont auditionnés par la Commission au préalable.
Modifications
Afdeling XVII. [1 - Commissie voor terugbetaling van farmaceutische producten en verstrekkingen.]1
Section XVII. [1 - Commission de remboursement des produits et prestations pharmaceutiques.]1
Art. 122tervicies. [1 § 1. De Commissie voor terugbetaling van farmaceutische producten en verstrekkingen, hierna de Commissie genoemd, wordt als volgt samengesteld:
1° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, artsen, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie of in biomedische wetenschappen, door de Minister voorgedragen onder de kandidaten met een academisch mandaat aan een Belgische universiteit;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, artsen, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie, gekozen onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen op een dubbele lijst. De leden zijn als volgt verdeeld: twee werkende en twee plaatsvervangende leden voor de Landsbond der christelijke mutualiteiten, één werkend en één plaatsvervangend lid voor de Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen, twee werkende en twee plaatsvervangende leden voor het Nationaal verbond van de Socialistische Mutualiteiten, één werkend en één plaatsvervangend lid voor de Landsbond van de Liberale Mutualiteiten, één werkend en één plaatsvervangend lid voor de Landsbond van de onafhankelijke Ziekenfondsen, één werkend lid voor de Hulpkas voor ziekte-en invaliditeitsverzekering en één plaatsvervangend lid voor de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail. Elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid of één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, waarvan twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van het apothekerskorps op een dubbele lijst en één gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, artsen, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het artsenkorps op een dubbele lijst;
5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, verpleegkundigen, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het verpleegkundigenkorps op een dubbele lijst;
6° één werkend en één plaatsvervangend lid, diëtisten, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het diëtisten korps op een dubbele lijst;
7° één werkend en één plaatsvervangende lid, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de industrie op een dubbele lijst;
8° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve patiëntenverenigingen;
9° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
10° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
11° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Begroting onder zijn bevoegdheid heeft;
12° een werkend en een plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Instituut. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, voorgedragen door de leidend ambtenaar van deze Dienst.
13° een werkend en een plaatsvervangend lid, een interne deskundige, personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
§ 2. De voorzitter van de Commissie is stemgerechtigd.
§ 3. De voorzitter en de ondervoorzitter van de Commissie worden door de Minister aangewezen uit de leden bedoeld in § 1, 1° tot en met 6°.
§ 4. De leden van de Commissie worden benoemd voor een hernieuwbare periode van vier jaar.
Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest wordt vervangen door zijn plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat en er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.
§ 5. Een plaatsvervangend lid kan zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen, indien het effectieve lid waarvoor de betrokkene als plaatsvervanger kan optreden op de vergadering aanwezig is.
§ 6. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door de ondervoorzitter. Bij afwezigheid van beiden wordt de vergadering voorgezeten door een lid aangeduid door de voorzitter.
Het effectief lid dat de zittingen niet geregeld bijwoont, verliest zijn mandaat. Dit is het geval wanneer het lid minder dan de helft der zittingen per jaar bijwoont waarvoor hij werd opgeroepen, zonder zich voor deze afwezigheid te verontschuldigen en zonder zijn plaatsvervanger hiervan op de hoogte te brengen.
§ 7. De Commissie richt in zijn schoot een bureau op dat belast wordt met de organisatie van de werkzaamheden van de Commissie en het verzorgen van de betrekkingen tussen de deskundigen en de Commissie. Het bureau bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitter, de voorzitters van de permanente werkgroepen, een vertegenwoordiger van de verzekeringsinstellingen, een vertegenwoordiger van de universiteiten en een vertegenwoordiger van de zorgverleners, aangewezen door de minister onder de leden van de Commissie
§ 8. De Commissie richt in zijn schoot drie permanente werkgroepen op voor de voorafgaande behandeling van de dossiers respectievelijk betreffende de diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen, de medische voeding en de magistrale bereidingen. Elke permanente werkgroep wordt voorgezeten door een voorzitter of een ondervoorzitter, leden van de Commissie. De samenstelling van elke werkgroep wordt bepaald door de minister.]1
1° zeven werkende en zeven plaatsvervangende leden, artsen, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie of in biomedische wetenschappen, door de Minister voorgedragen onder de kandidaten met een academisch mandaat aan een Belgische universiteit;
2° acht werkende en acht plaatsvervangende leden, artsen, apothekers of personen met een bijzondere bekwaamheid in de gezondheidseconomie, gekozen onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen op een dubbele lijst. De leden zijn als volgt verdeeld: twee werkende en twee plaatsvervangende leden voor de Landsbond der christelijke mutualiteiten, één werkend en één plaatsvervangend lid voor de Landsbond van de Neutrale Ziekenfondsen, twee werkende en twee plaatsvervangende leden voor het Nationaal verbond van de Socialistische Mutualiteiten, één werkend en één plaatsvervangend lid voor de Landsbond van de Liberale Mutualiteiten, één werkend en één plaatsvervangend lid voor de Landsbond van de onafhankelijke Ziekenfondsen, één werkend lid voor de Hulpkas voor ziekte-en invaliditeitsverzekering en één plaatsvervangend lid voor de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail. Elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid of één mandaat van plaatsvervangend lid;
3° drie werkende en drie plaatsvervangende leden, apothekers, waarvan twee gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsverenigingen van het apothekerskorps op een dubbele lijst en één gekozen uit de kandidaten voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de ziekenhuisapothekers op een dubbele lijst;
4° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, artsen, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het artsenkorps op een dubbele lijst;
5° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, verpleegkundigen, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het verpleegkundigenkorps op een dubbele lijst;
6° één werkend en één plaatsvervangend lid, diëtisten, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van het diëtisten korps op een dubbele lijst;
7° één werkend en één plaatsvervangende lid, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve beroepsorganisaties van de industrie op een dubbele lijst;
8° twee werkende en twee plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die worden voorgedragen door de representatieve patiëntenverenigingen;
9° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft;
10° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft;
11° één werkend en één plaatsvervangend lid, voorgedragen door de Minister die de Begroting onder zijn bevoegdheid heeft;
12° een werkend en een plaatsvervangend lid, vertegenwoordiger van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het Instituut. De functie wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, voorgedragen door de leidend ambtenaar van deze Dienst.
13° een werkend en een plaatsvervangend lid, een interne deskundige, personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
§ 2. De voorzitter van de Commissie is stemgerechtigd.
§ 3. De voorzitter en de ondervoorzitter van de Commissie worden door de Minister aangewezen uit de leden bedoeld in § 1, 1° tot en met 6°.
§ 4. De leden van de Commissie worden benoemd voor een hernieuwbare periode van vier jaar.
Het werkend lid dat zijn mandaat beëindigt of verliest wordt vervangen door zijn plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat en er wordt onmiddellijk in de vervanging voorzien van deze plaatsvervanger voor de duur van dit mandaat.
§ 5. Een plaatsvervangend lid kan zonder stemgerechtigd te zijn, de vergaderingen bijwonen, indien het effectieve lid waarvoor de betrokkene als plaatsvervanger kan optreden op de vergadering aanwezig is.
§ 6. Wanneer de voorzitter verhinderd is, wordt hij vervangen door de ondervoorzitter. Bij afwezigheid van beiden wordt de vergadering voorgezeten door een lid aangeduid door de voorzitter.
Het effectief lid dat de zittingen niet geregeld bijwoont, verliest zijn mandaat. Dit is het geval wanneer het lid minder dan de helft der zittingen per jaar bijwoont waarvoor hij werd opgeroepen, zonder zich voor deze afwezigheid te verontschuldigen en zonder zijn plaatsvervanger hiervan op de hoogte te brengen.
§ 7. De Commissie richt in zijn schoot een bureau op dat belast wordt met de organisatie van de werkzaamheden van de Commissie en het verzorgen van de betrekkingen tussen de deskundigen en de Commissie. Het bureau bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitter, de voorzitters van de permanente werkgroepen, een vertegenwoordiger van de verzekeringsinstellingen, een vertegenwoordiger van de universiteiten en een vertegenwoordiger van de zorgverleners, aangewezen door de minister onder de leden van de Commissie
§ 8. De Commissie richt in zijn schoot drie permanente werkgroepen op voor de voorafgaande behandeling van de dossiers respectievelijk betreffende de diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen, de medische voeding en de magistrale bereidingen. Elke permanente werkgroep wordt voorgezeten door een voorzitter of een ondervoorzitter, leden van de Commissie. De samenstelling van elke werkgroep wordt bepaald door de minister.]1
Art. 122tervicies. [1 § 1er. La Commission de remboursement des produits et prestations pharmaceutiques, appelée ci-après la Commission, est composée comme suit :
1° sept membres effectifs et sept membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé ou en sciences biomédicales, proposés par le Ministre parmi les candidats disposant d'un mandat académique dans une Université belge ;
2° huit membres effectifs et huit membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé, choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une double liste. Les membres sont répartis comme suit : deux membres effectifs et deux membres suppléants pour l'Alliance nationale des mutualités chrétiennes, un membre effectif et un membre suppléant pour l'Union nationale des mutualités neutres, deux membres effectifs et deux membres suppléants pour l'Union nationale des mutualités socialistes, un membre effectif et un membre suppléant pour l'Union nationale des mutualités libérales, un membre effectif et un membre suppléant de l'Union des mutualités libres, un membre effectif pour la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité et un membre suppléant pour la Caisse de soins de santé de HR Rail Tout organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif ou à un mandat de membre suppléant ;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants, pharmaciens, dont deux choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des pharmaciens sur une double liste et un choisi parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers sur une double liste ;
4° deux membres effectifs et deux membres suppléants, médecins, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des médecins sur une double liste ;
5° deux membres effectifs et deux membres suppléants, infirmiers, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des infirmiers sur une double liste ;
6° un membre effectif et un membre suppléant, diététiciens, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des diététiciens sur une double liste ;
7° un membre effectif et un membre suppléant, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives de l'industrie sur une double liste ;
8° deux membres effectifs et deux membres suppléants, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations représentatives des patients ;
9° un membre effectif et un membre suppléant proposés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions ;
10° un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions ;
11° un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre ayant le Budget dans ses attributions ;
12° un membre effectif et un membre suppléant, représentant du Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut. La fonction est endossée par un membre du personnel du Service d'évaluation et de contrôle médicaux, présenté par le fonctionnaire dirigeant de ce Service.
13° un membre effectif et un membre suppléant, expert interne, membres du personnel du Service des soins de santé de l'INAMI.
§ 2. Le Président de la Commission a droit de vote.
§ 3. Le président et le vice-président de la Commission sont désignés par le Ministre parmi les membres visés au § 1e, 1° à 6°.
§ 4. Les membres de la Commission sont nommés pour une période renouvelable de quatre ans.
Le membre effectif qui met un terme à son mandat ou le perd est remplacé par son suppléant pour la durée de ce mandat et il est immédiatement pourvu au remplacement de ce suppléant pour la durée de ce mandat.
§ 5. Un membre suppléant peut assister aux réunions, sans droit de vote, au cas où le membre effectif pour lequel le concerné peut servir de suppléant est présent à la réunion.
§ 6. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par le vice-président. En cas d'empêchement des deux, la réunion est présidée par un membre désigné par le président.
Le membre effectif qui n'assiste pas régulièrement aux séances perd son mandat. C'est le cas lorsqu'un membre assiste par an à moins de la moitié des séances auxquelles il a été convoqué, sans s'excuser pour cette absence et sans en avoir avisé son suppléant.
§ 7. Au sein de la Commission, il est constitué un bureau, chargé de l'organisation des activités de la Commission et de l'entretien des relations entre les experts et la Commission. Le bureau est composé d'un président et d'un vice-président, des présidents des groupes de travail permanents, d'un représentant des organismes assureurs, d'un représentant des universités et d'un représentant des dispensateurs des soins désignés par le Ministre parmi les membres de la Commission.
§ 8. Au sein de la Commission, trois groupes de travail permanents sont constitués pour l'examen préalable des dossiers concernant respectivement les moyens diagnostiques et matériel de soins, la nutrition médicale et les préparations magistrales. Chaque groupe de travail permanent est présidé par un président ou un vice-président, membres de la Commission. La composition de chaque groupe de travail est définie par le ministre.]1
1° sept membres effectifs et sept membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé ou en sciences biomédicales, proposés par le Ministre parmi les candidats disposant d'un mandat académique dans une Université belge ;
2° huit membres effectifs et huit membres suppléants, médecins, pharmaciens ou personnes avec une compétence particulière en économie de la santé, choisis parmi les candidats proposés par les organismes assureurs sur une double liste. Les membres sont répartis comme suit : deux membres effectifs et deux membres suppléants pour l'Alliance nationale des mutualités chrétiennes, un membre effectif et un membre suppléant pour l'Union nationale des mutualités neutres, deux membres effectifs et deux membres suppléants pour l'Union nationale des mutualités socialistes, un membre effectif et un membre suppléant pour l'Union nationale des mutualités libérales, un membre effectif et un membre suppléant de l'Union des mutualités libres, un membre effectif pour la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité et un membre suppléant pour la Caisse de soins de santé de HR Rail Tout organisme assureur a au moins droit à un mandat de membre effectif ou à un mandat de membre suppléant ;
3° trois membres effectifs et trois membres suppléants, pharmaciens, dont deux choisis parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des pharmaciens sur une double liste et un choisi parmi les candidats présentés par les associations professionnelles représentatives des pharmaciens hospitaliers sur une double liste ;
4° deux membres effectifs et deux membres suppléants, médecins, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des médecins sur une double liste ;
5° deux membres effectifs et deux membres suppléants, infirmiers, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des infirmiers sur une double liste ;
6° un membre effectif et un membre suppléant, diététiciens, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives du corps des diététiciens sur une double liste ;
7° un membre effectif et un membre suppléant, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations professionnelles représentatives de l'industrie sur une double liste ;
8° deux membres effectifs et deux membres suppléants, choisis parmi les candidats qui sont présentés par les associations représentatives des patients ;
9° un membre effectif et un membre suppléant proposés par le Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions ;
10° un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre ayant la Santé publique dans ses attributions ;
11° un membre effectif et un membre suppléant, proposés par le Ministre ayant le Budget dans ses attributions ;
12° un membre effectif et un membre suppléant, représentant du Service d'évaluation et de contrôle médicaux de l'Institut. La fonction est endossée par un membre du personnel du Service d'évaluation et de contrôle médicaux, présenté par le fonctionnaire dirigeant de ce Service.
13° un membre effectif et un membre suppléant, expert interne, membres du personnel du Service des soins de santé de l'INAMI.
§ 2. Le Président de la Commission a droit de vote.
§ 3. Le président et le vice-président de la Commission sont désignés par le Ministre parmi les membres visés au § 1e, 1° à 6°.
§ 4. Les membres de la Commission sont nommés pour une période renouvelable de quatre ans.
Le membre effectif qui met un terme à son mandat ou le perd est remplacé par son suppléant pour la durée de ce mandat et il est immédiatement pourvu au remplacement de ce suppléant pour la durée de ce mandat.
§ 5. Un membre suppléant peut assister aux réunions, sans droit de vote, au cas où le membre effectif pour lequel le concerné peut servir de suppléant est présent à la réunion.
§ 6. En cas d'empêchement du président, il est remplacé par le vice-président. En cas d'empêchement des deux, la réunion est présidée par un membre désigné par le président.
Le membre effectif qui n'assiste pas régulièrement aux séances perd son mandat. C'est le cas lorsqu'un membre assiste par an à moins de la moitié des séances auxquelles il a été convoqué, sans s'excuser pour cette absence et sans en avoir avisé son suppléant.
§ 7. Au sein de la Commission, il est constitué un bureau, chargé de l'organisation des activités de la Commission et de l'entretien des relations entre les experts et la Commission. Le bureau est composé d'un président et d'un vice-président, des présidents des groupes de travail permanents, d'un représentant des organismes assureurs, d'un représentant des universités et d'un représentant des dispensateurs des soins désignés par le Ministre parmi les membres de la Commission.
§ 8. Au sein de la Commission, trois groupes de travail permanents sont constitués pour l'examen préalable des dossiers concernant respectivement les moyens diagnostiques et matériel de soins, la nutrition médicale et les préparations magistrales. Chaque groupe de travail permanent est présidé par un président ou un vice-président, membres de la Commission. La composition de chaque groupe de travail est définie par le ministre.]1
Modifications
Art. 122quatervicies. [1 § 1. Het secretariaat van de Commissie wordt verzekerd door de ambtenaren aangewezen door de leidend ambtenaar van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
§ 2. Het secretariaat bereidt de agenda voor en stelt de notulen op van de vergaderingen van de werkgroepen en van de Commissie.
In samenwerking met het bureau verzekert het de werking van de Commissie en van haar organen en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.]1
§ 2. Het secretariaat bereidt de agenda voor en stelt de notulen op van de vergaderingen van de werkgroepen en van de Commissie.
In samenwerking met het bureau verzekert het de werking van de Commissie en van haar organen en waakt over het in acht nemen van de termijnen die haar zijn opgelegd.]1
Art. 122quatervicies. [1 § 1. Le secrétariat de la Commission est assuré par les fonctionnaires désignés par le fonctionnaire-dirigeant du Service des Soins de santé de l'Institut.
§ 2. Le secrétariat prépare l'ordre du jour et rédige le procès-verbal des réunions des groupes de travail et de la Commission.
En collaboration avec le bureau, Il assure le fonctionnement de la Commission et de ses organes et veille au respect des délais.]1
§ 2. Le secrétariat prépare l'ordre du jour et rédige le procès-verbal des réunions des groupes de travail et de la Commission.
En collaboration avec le bureau, Il assure le fonctionnement de la Commission et de ses organes et veille au respect des délais.]1
Modifications
Art. 122quinvicies. [1 § 1. De Commissie stelt een huishoudelijk reglement op waarin de procedures worden gespecificeerd voor het bijeenroepen van leden voor vergaderingen, de samenstelling van de verschillende organen van de Commissie en de regels inzake belangenconflicten van leden. Dit reglement wordt, na advies van het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Instituut, ter goedkeuring voorgelegd aan de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft en wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. De Commissie en de werkgroepen worden bijeengeroepen door de voorzitter, op diens initiatief of op vraag van ten minste drie stemgerechtigde leden, welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval de agenda van de vergadering.
§ 3. De Commissie en de werkgroepen vergaderen een keer per maand.]1
§ 2. De Commissie en de werkgroepen worden bijeengeroepen door de voorzitter, op diens initiatief of op vraag van ten minste drie stemgerechtigde leden, welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval de agenda van de vergadering.
§ 3. De Commissie en de werkgroepen vergaderen een keer per maand.]1
Art. 122quinvicies. [1 § 1. La Commission établit un règlement d'ordre intérieur qui précise notamment les modalités de convocation des membres aux réunions, la composition des différents organes de la Commission et les règles en matière de conflits d'intérêts des membres. Ce règlement est, après l'avis du Comité de l'assurance soins de santé de l'Institut, présenté à l'approbation du Ministre ayant les Affaires sociales dans ses attributions et est publié au Moniteur belge.
§ 2. La Commission et les groupes de travail sont convoquées par leur président, de sa propre initiative ou à la demande d'au moins trois membres qui ont droit de vote, laquelle demande est adressée par écrit et mentionne l'objet de la réunion ; l'ordre du jour de la réunion figure systématiquement dans la convocation.
§ 3. La Commission et les groupes de travail se réunissent une fois par mois.]1
§ 2. La Commission et les groupes de travail sont convoquées par leur président, de sa propre initiative ou à la demande d'au moins trois membres qui ont droit de vote, laquelle demande est adressée par écrit et mentionne l'objet de la réunion ; l'ordre du jour de la réunion figure systématiquement dans la convocation.
§ 3. La Commission et les groupes de travail se réunissent une fois par mois.]1
Modifications
Art. 122sexvicies. [1 Commissie beraadslaagt geldig wanneer meer dan de helft van de stemgerechtigde leden aanwezig zijn.
De voorstellen en adviezen worden aangenomen met een twee derde meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden.
Er wordt geen rekening gehouden met onthoudingen.
Het huishoudelijk reglement voorziet de mogelijkheid van een schriftelijke raadplegingsprocedure.]1
De voorstellen en adviezen worden aangenomen met een twee derde meerderheid onder de aanwezige stemgerechtigde leden.
Er wordt geen rekening gehouden met onthoudingen.
Het huishoudelijk reglement voorziet de mogelijkheid van een schriftelijke raadplegingsprocedure.]1
Art. 122sexvicies. [1 La Commission délibère valablement lorsque plus de la moitié des membres ayant droit de vote sont présents.
Les propositions et avis sont adoptés à une majorité des deux tiers des membres habilités à voter.
Il n'est pas tenu compte des absentions.
Le règlement d'ordre intérieur prévoit la possibilité d'une procédure de consultation écrite.]1
Les propositions et avis sont adoptés à une majorité des deux tiers des membres habilités à voter.
Il n'est pas tenu compte des absentions.
Le règlement d'ordre intérieur prévoit la possibilité d'une procédure de consultation écrite.]1
Modifications
Art. 122septvicies. [1 Het bureau van de Commissie kan beroep doen op deskundigen die belast worden met de evaluaties van de te behandelen dossiers.
Deze deskundigen zijn personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
De eventuele bijkomende deskundigen die geen personeelsleden zijn van het Instituut worden forfaitair vergoed per beoordelingsrapport, volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 januari 2002 tot vaststelling van het bedrag van het presentiegeld en van de vergoedingen toe te kennen aan de voorzitters, ondervoorzitters, leden en secretarissen van sommige raden, comités, commissies en colleges van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.]1
Deze deskundigen zijn personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging van het Instituut.
De eventuele bijkomende deskundigen die geen personeelsleden zijn van het Instituut worden forfaitair vergoed per beoordelingsrapport, volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 22 januari 2002 tot vaststelling van het bedrag van het presentiegeld en van de vergoedingen toe te kennen aan de voorzitters, ondervoorzitters, leden en secretarissen van sommige raden, comités, commissies en colleges van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.]1
Art. 122septvicies. [1 Le bureau de la Commission peut faire appel à des experts chargés des évaluations des dossiers à traiter.
Ces experts sont des membres du personnel du Service des soins de santé de l'INAMI.
Les éventuels experts supplémentaires qui ne relèvent pas de l'effectif du personnel de l'Institut sont indemnisés, forfaitairement, par rapport d'évaluation, selon les dispositions de l'arrêté royal du 22 janvier 2002 fixant le montant des jetons de présence et indemnités à attribuer aux présidents, vice-présidents, membres et secrétaires de certains conseils, comités, commissions et collèges de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.]1
Ces experts sont des membres du personnel du Service des soins de santé de l'INAMI.
Les éventuels experts supplémentaires qui ne relèvent pas de l'effectif du personnel de l'Institut sont indemnisés, forfaitairement, par rapport d'évaluation, selon les dispositions de l'arrêté royal du 22 janvier 2002 fixant le montant des jetons de présence et indemnités à attribuer aux présidents, vice-présidents, membres et secrétaires de certains conseils, comités, commissions et collèges de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.]1
Modifications
Art. 122octovicies. [1 § 1. De leden van de Commissie, het secretariaat en de deskundigen behandelen alle inlichtingen waarvan ze naar aanleiding van hun opdracht kennis zouden krijgen, vertrouwelijk.
§ 2. De leden van de Commissie en de deskundigen maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van industrie. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd .
Het model van deze belangenverklaring volgt als bijlage bij dit besluit.
Het bureau oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
De leden van de Commissie en de deskundigen verliezen hun mandaat indien wordt vastgesteld door het secretariaat dat zij een onjuiste verklaring hebben afgelegd. Zij worden vooraf gehoord door de Commissie.]1
§ 2. De leden van de Commissie en de deskundigen maken aan het secretariaat een schriftelijke belangenverklaring over die de directe of indirecte belangen of banden aangeeft die zij kunnen hebben ten opzichte van industrie. Zij verbinden zich ertoe iedere wijziging in deze belangen of banden onmiddellijk mee te delen. Deze verklaringen worden jaarlijks hernieuwd .
Het model van deze belangenverklaring volgt als bijlage bij dit besluit.
Het bureau oordeelt over eventuele belangenconflicten en beslist of de leden van de Commissie die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier al dan niet kunnen deelnemen aan de beraadslagingen en/of aan de stemming en of de deskundigen die directe of indirecte belangen hebben bij het onderzochte dossier kunnen belast worden met het evalueren van een dossier.
De leden van de Commissie en de deskundigen verliezen hun mandaat indien wordt vastgesteld door het secretariaat dat zij een onjuiste verklaring hebben afgelegd. Zij worden vooraf gehoord door de Commissie.]1
Art. 122octovicies. [1 § 1er. Les membres de la Commission, le secrétariat et les experts traitent de manière confidentielle tous les renseignements dont ils auraient connaissance dans le cadre de l'exercice de leur mission.
§ 2. Les membres de la Commission, des groupes de travail et les experts transmettent au secrétariat une déclaration d'intérêts écrite, laquelle mentionne les intérêts et les liens directs ou indirects qu'ils peuvent entretenir avec l'industrie.. Ils s'engagent à communiquer immédiatement toute modification de ces intérêts ou de ces liens. Ces déclarations sont renouvelées chaque année.
Le modèle de cette déclaration d'intérêt figure en annexe du présent arrêté.
Le bureau statue sur les éventuels conflits d'intérêts et décide, d'une part, de l'éventuelle participation aux délibérations et/ou au vote des membres de la Commission et des groupes de travail ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné et d'autre part, de l'opportunité de confier l'évaluation d'un dossier aux experts ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné.
Les membres de la Commission, des groupes de travail et les experts perdent leur mandat s'il est constaté par le secrétariat qu'ils ont fourni une déclaration erronée. Ils sont auditionnés par la Commission au préalable.]1
§ 2. Les membres de la Commission, des groupes de travail et les experts transmettent au secrétariat une déclaration d'intérêts écrite, laquelle mentionne les intérêts et les liens directs ou indirects qu'ils peuvent entretenir avec l'industrie.. Ils s'engagent à communiquer immédiatement toute modification de ces intérêts ou de ces liens. Ces déclarations sont renouvelées chaque année.
Le modèle de cette déclaration d'intérêt figure en annexe du présent arrêté.
Le bureau statue sur les éventuels conflits d'intérêts et décide, d'une part, de l'éventuelle participation aux délibérations et/ou au vote des membres de la Commission et des groupes de travail ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné et d'autre part, de l'opportunité de confier l'évaluation d'un dossier aux experts ayant des intérêts directs ou indirects dans le dossier examiné.
Les membres de la Commission, des groupes de travail et les experts perdent leur mandat s'il est constaté par le secrétariat qu'ils ont fourni une déclaration erronée. Ils sont auditionnés par la Commission au préalable.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. - Toepassingsfeer.
CHAPITRE II. - Du champ d'application.
Afdeling I. - Personen ten laste van rechthebbenden.
Section I. - Des personnes à charge de bénéficiaires.
Art.123. De hoedanigheid van persoon ten laste van een gerechtigde of van een werknemer als bedoeld in artikel 32 van de gecoördineerde wet, wordt toegewezen aan de personen en onder de voorwaarden bepaald in dit artikel en in de artikelen 124, 125 en 127:
1. De echtgenoot of echtgenote van de vrouwelijke of mannelijke gerechtigde of van de werknemer of werkneemster.
De niet uit de echt, doch feitelijk gescheiden, of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote kan persoon ten laste zijn in een van de volgende gevallen:
a) hij of zij staat in voor het onderhoud van ten minste één als persoon ten laste beschouwd kind. De hoedanigheid van persoon ten laste van dit kind wordt beoordeeld als bedoeld in punt 3 alsof de feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote zelf gerechtigde was;
b) (hij of zij alimentatiegeld heeft verkregen, hetzij bij rechterlijke beslissing, hetzij, ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, bij notariële akte of onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank) <KB 1997-12-29/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
c) hij of zij is gemachtigd sommen te innen, door derden aan zijn echtgenote of haar echtgenoot verschuldigd krachtens artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek;
d) hij of zij geniet een krachtens een wetsbepaling aan de gescheiden echtgenoot of echtgenote toegekend pensioen.
2. (De persoon die samenwoont met de gerechtigde of met de werknemer of werkneemster, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 19° van de gecoördineerde wet.
Zijn of haar inschrijving is niet mogelijk wanneer de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of van de in het eerste lid bedoelde werknemer, zelf de hoedanigheid van persoon ten laste heeft of wanneer de echtgenoot of echtgenote, zelf gerechtigde, onder hetzelfde dak woont als de gerechtigde. "
3. De hierna opgesomde kinderen, jonger dan 25 jaar :
a) de kinderen en geadopteerde kinderen van de gerechtigde of werknemer en zij in wier geboorteakte dezes naam is vermeld;
b) de kinderen en geadopteerde kinderen van de echtgenoot van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die echtgenoot is vermeld wanneer de echtgenoot voor hun onderhoud instaat;
c) de kinderen en geadopteerde kinderen van de in punt twee of vier bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die persoon is vermeld wanneer die persoon voor hun onderhoud instaat;
d) de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de gerechtigde of werknemer, van zijn echtgenoot of echtgenote of van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, wanneer die gerechtigde of werknemer voor het onderhoud van die kinderen instaat;
e) de kinderen, de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of werknemer of die van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, als bedoeld in de bepalingen onder b), c) en d) voor wier onderhoud die gerechtigde of werknemer instaat na het overlijden van die echtgenoot of echtgenote of van die persoon;
f) de kinderen, die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en niet geviseerd zijn onder de punten a) tot en met e), voor wie de gerechtigde, de echtgenoot van de gerechtigde of de in punt 2 of 4 bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde instaat voor het onderhoud in de plaats van de vader, moeder of andere persoon die zulks normaal zou moeten doen. (Het bewijs van de verblijfplaats in België volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die is verkregen bij het Rijksregister of uit alle bewijsmiddelen, afgeleverd door een Belgische overheid en als dusdanig erkend door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2003-02-26/37, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 05-04-2003>
4. De ascendenten van de gerechtigde of werknemer, of van zijn echtgenoot en, eventueel, hun stiefvaders en stiefmoeders.) <KB 1997-12-29/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(Voor de toepassing van dit artikel wordt geacht in te staan voor het onderhoud van het kind, de persoon die met het kind samenwoont. Het bewijs van dat samenwonen volgt uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en die is verkregen bij het Rijksregister. (Wat betreft de kinderen die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister, volgt het bewijs van het samenwonen uit alle bewijsmiddelen als dusdanig erkend door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.)) <KB 2008-07-01/34, art. 1, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-11-12/40, art. 1, 155; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
1. De echtgenoot of echtgenote van de vrouwelijke of mannelijke gerechtigde of van de werknemer of werkneemster.
De niet uit de echt, doch feitelijk gescheiden, of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote kan persoon ten laste zijn in een van de volgende gevallen:
a) hij of zij staat in voor het onderhoud van ten minste één als persoon ten laste beschouwd kind. De hoedanigheid van persoon ten laste van dit kind wordt beoordeeld als bedoeld in punt 3 alsof de feitelijk gescheiden of van tafel en bed gescheiden echtgenoot of echtgenote zelf gerechtigde was;
b) (hij of zij alimentatiegeld heeft verkregen, hetzij bij rechterlijke beslissing, hetzij, ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, bij notariële akte of onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank) <KB 1997-12-29/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
c) hij of zij is gemachtigd sommen te innen, door derden aan zijn echtgenote of haar echtgenoot verschuldigd krachtens artikel 221 van het Burgerlijk Wetboek;
d) hij of zij geniet een krachtens een wetsbepaling aan de gescheiden echtgenoot of echtgenote toegekend pensioen.
2. (De persoon die samenwoont met de gerechtigde of met de werknemer of werkneemster, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 19° van de gecoördineerde wet.
Zijn of haar inschrijving is niet mogelijk wanneer de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of van de in het eerste lid bedoelde werknemer, zelf de hoedanigheid van persoon ten laste heeft of wanneer de echtgenoot of echtgenote, zelf gerechtigde, onder hetzelfde dak woont als de gerechtigde. "
3. De hierna opgesomde kinderen, jonger dan 25 jaar :
a) de kinderen en geadopteerde kinderen van de gerechtigde of werknemer en zij in wier geboorteakte dezes naam is vermeld;
b) de kinderen en geadopteerde kinderen van de echtgenoot van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die echtgenoot is vermeld wanneer de echtgenoot voor hun onderhoud instaat;
c) de kinderen en geadopteerde kinderen van de in punt twee of vier bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde en zij in wier geboorteakte de naam van die persoon is vermeld wanneer die persoon voor hun onderhoud instaat;
d) de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de gerechtigde of werknemer, van zijn echtgenoot of echtgenote of van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, wanneer die gerechtigde of werknemer voor het onderhoud van die kinderen instaat;
e) de kinderen, de kleinkinderen en achterkleinkinderen van de echtgenoot of echtgenote van de gerechtigde of werknemer of die van de in punt 2 en 4 bedoelde persoon, als bedoeld in de bepalingen onder b), c) en d) voor wier onderhoud die gerechtigde of werknemer instaat na het overlijden van die echtgenoot of echtgenote of van die persoon;
f) de kinderen, die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en niet geviseerd zijn onder de punten a) tot en met e), voor wie de gerechtigde, de echtgenoot van de gerechtigde of de in punt 2 of 4 bedoelde persoon ten laste van de gerechtigde instaat voor het onderhoud in de plaats van de vader, moeder of andere persoon die zulks normaal zou moeten doen. (Het bewijs van de verblijfplaats in België volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die is verkregen bij het Rijksregister of uit alle bewijsmiddelen, afgeleverd door een Belgische overheid en als dusdanig erkend door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2003-02-26/37, art. 1, 089; Inwerkingtreding : 05-04-2003>
4. De ascendenten van de gerechtigde of werknemer, of van zijn echtgenoot en, eventueel, hun stiefvaders en stiefmoeders.) <KB 1997-12-29/30, art. 1, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(Voor de toepassing van dit artikel wordt geacht in te staan voor het onderhoud van het kind, de persoon die met het kind samenwoont. Het bewijs van dat samenwonen volgt uit de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en die is verkregen bij het Rijksregister. (Wat betreft de kinderen die niet zijn ingeschreven in het Rijksregister, volgt het bewijs van het samenwonen uit alle bewijsmiddelen als dusdanig erkend door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle.)) <KB 2008-07-01/34, art. 1, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-11-12/40, art. 1, 155; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art.123. La qualité de personne à charge d'un titulaire ou d'un travailleur, au sens de l'article 32 de la loi coordonnée, est attribuée aux personnes et dans les conditions déterminées par le présent article et par les articles 124, 125 et 127:
1. Le conjoint du ou de la titulaire, ou du travailleur ou de la travailleuse.
Le conjoint non divorcé, mais séparé d fait ou séparé de corps peut être personne à charge dans l'une des éventualités suivantes:
a) il assume l'entretien d'au moins un enfant considéré comme personne à charge. La qualité de personne à charge de cet enfant est appréciée, au sens du point 3, comme si le conjoint séparé de fait ou séparé de corps était lui-même titulaire;
b) (il a obtenu une pension alimentaire, soit par décision judiciaire, soit par acte notarié ou acte sous seing privé, déposé au greffe du tribunal en cas de procédure de divorce ou de séparation de corps et de biens par consentement mutuel;) <AR 1997-12-29/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-1998>
c) il est autorisé à percevoir des sommes dues par des tiers à son conjoint, en vertu de l'article 221 du Code civil;
d) il bénéficie d'une pension accordée en vertu d'une disposition légale, au conjoint sépare.
2. (La personne qui cohabite avec le titulaire ou avec le travailleur ou la travailleuse visé à l'article 32, alinéa premier, 19°, de la loi coordonnée.
Son inscription n'est pas possible lorsque le conjoint du titulaire ou du travailleur, visé à l'alinéa premier, a lui-même la qualité de personne à charge ou lorsque le conjoint, titulaire lui-même vit sous le même toit que le titulaire.
3. Les enfants énumérés ci-dessous, de moins de 25 ans :
a) les enfants et enfants adoptés du titulaire ou travailleur et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de celui-ci est mentionné;
b) les enfants et les enfants adoptés du conjoint du titulaire et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de ce conjoint est mentionné, lorsque le conjoint en assume l'entretien;
c) les enfants et enfants adoptés de la personne à charge du titulaire visée aux points deux ou quatre et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de cette personne est mentionné, lorsque cette personne en assume l'entretien;
d) les petits-enfants et arrière-petits-enfants du titulaire ou travailleur, de son conjoint ou de la personne visée aux points 2 et 4, lorsque ce titulaire ou travailleur assume l'entretien de ces enfants;
e) les enfants, petits-enfants et arrière-petits-enfants du conjoint du titulaire ou travailleur ou ceux de la personne visée aux points 2 et 4, au sens des dispositions reprises aux b), c) et d), dont ce titulaire ou travailleur assume l'entretien après le décès de ce conjoint ou de cette personne;
f) les enfants qui ont leur résidence principale en Belgique et qui ne sont pas visés aux points a) à e) inclus, dont le titulaire, son conjoint ou la personne visée aux points 2 et 4, assume l'entretien en lieu et place des père, mère ou autre personne auxquels incombe normalement cette charge. (La preuve de la résidence en Belgique résulte de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national ou de tous moyens de preuve, délivrés par une autorité publique belge et reconnus comme tels par le fonctionnaire-dirigeant du Service du contrôle administratif.) <AR 2003-02-26/37, art. 1, 089; En vigueur : 05-04-2003>
4. Les ascendants du titulaire ou travailleur ou de son conjoint et, le cas échéant, leurs beaux-pères et belles-mères.) <AR 1997-12-29/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Pour l'application du présent article, est censée assumer l'entretien de l'enfant la personne qui cohabite avec l'enfant. La preuve de cette cohabitation résulte de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national. (En ce qui concerne les enfants qui ne sont pas inscrits au Registre national, la preuve de la cohabitation résulte également de tous moyens de preuve reconnus comme tels par le Fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif.)) <AR 2008-07-01/34, art. 1, 151; En vigueur : 01-01-2008> <AR 2008-11-12/40, art. 1, 155; En vigueur : 01-01-2008>
1. Le conjoint du ou de la titulaire, ou du travailleur ou de la travailleuse.
Le conjoint non divorcé, mais séparé d fait ou séparé de corps peut être personne à charge dans l'une des éventualités suivantes:
a) il assume l'entretien d'au moins un enfant considéré comme personne à charge. La qualité de personne à charge de cet enfant est appréciée, au sens du point 3, comme si le conjoint séparé de fait ou séparé de corps était lui-même titulaire;
b) (il a obtenu une pension alimentaire, soit par décision judiciaire, soit par acte notarié ou acte sous seing privé, déposé au greffe du tribunal en cas de procédure de divorce ou de séparation de corps et de biens par consentement mutuel;) <AR 1997-12-29/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-1998>
c) il est autorisé à percevoir des sommes dues par des tiers à son conjoint, en vertu de l'article 221 du Code civil;
d) il bénéficie d'une pension accordée en vertu d'une disposition légale, au conjoint sépare.
2. (La personne qui cohabite avec le titulaire ou avec le travailleur ou la travailleuse visé à l'article 32, alinéa premier, 19°, de la loi coordonnée.
Son inscription n'est pas possible lorsque le conjoint du titulaire ou du travailleur, visé à l'alinéa premier, a lui-même la qualité de personne à charge ou lorsque le conjoint, titulaire lui-même vit sous le même toit que le titulaire.
3. Les enfants énumérés ci-dessous, de moins de 25 ans :
a) les enfants et enfants adoptés du titulaire ou travailleur et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de celui-ci est mentionné;
b) les enfants et les enfants adoptés du conjoint du titulaire et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de ce conjoint est mentionné, lorsque le conjoint en assume l'entretien;
c) les enfants et enfants adoptés de la personne à charge du titulaire visée aux points deux ou quatre et ceux dans l'acte de naissance desquels le nom de cette personne est mentionné, lorsque cette personne en assume l'entretien;
d) les petits-enfants et arrière-petits-enfants du titulaire ou travailleur, de son conjoint ou de la personne visée aux points 2 et 4, lorsque ce titulaire ou travailleur assume l'entretien de ces enfants;
e) les enfants, petits-enfants et arrière-petits-enfants du conjoint du titulaire ou travailleur ou ceux de la personne visée aux points 2 et 4, au sens des dispositions reprises aux b), c) et d), dont ce titulaire ou travailleur assume l'entretien après le décès de ce conjoint ou de cette personne;
f) les enfants qui ont leur résidence principale en Belgique et qui ne sont pas visés aux points a) à e) inclus, dont le titulaire, son conjoint ou la personne visée aux points 2 et 4, assume l'entretien en lieu et place des père, mère ou autre personne auxquels incombe normalement cette charge. (La preuve de la résidence en Belgique résulte de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national ou de tous moyens de preuve, délivrés par une autorité publique belge et reconnus comme tels par le fonctionnaire-dirigeant du Service du contrôle administratif.) <AR 2003-02-26/37, art. 1, 089; En vigueur : 05-04-2003>
4. Les ascendants du titulaire ou travailleur ou de son conjoint et, le cas échéant, leurs beaux-pères et belles-mères.) <AR 1997-12-29/30, art. 1, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Pour l'application du présent article, est censée assumer l'entretien de l'enfant la personne qui cohabite avec l'enfant. La preuve de cette cohabitation résulte de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national. (En ce qui concerne les enfants qui ne sont pas inscrits au Registre national, la preuve de la cohabitation résulte également de tous moyens de preuve reconnus comme tels par le Fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif.)) <AR 2008-07-01/34, art. 1, 151; En vigueur : 01-01-2008> <AR 2008-11-12/40, art. 1, 155; En vigueur : 01-01-2008>
Art.124. § 1. Als persoon ten laste kan evenwel niet worden beschouwd:
1° (De persoon die beschikt over een inkomen, pensioen, rente, tegemoetkoming of uitkering krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, voor zover het globaal bedrag van deze inkomens over een kalanderkwartaal hoger is dan 1762,82 euro.
Dit bedrag is gebonden aan de spilindex 103,14, van toepassing op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige sociale bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer worden gekoppeld.
Onder inkomens moeten de inkomens worden verstaan, voortvloeiend uit een beroepsbezigheid, die al naargelang het geval wordt bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie.
Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoor bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.
De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.
Evenmin wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
Er wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.) <KB 2005-09-17/40, art. 1, 120 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 2>
(Er wordt evenmin rekening gehouden met :
het beroepsinkomen uit de zelfstandige activiteit van de echtgenote van wie de meewerkende echtgenoot, in plaats van voornoemde echtgenote, aan het sociaal statuut van de zelfstandigen is onderworpen, met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
het deel van het beroepsinkomen dat met toepassing van artikel 86 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet;
de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid die worden toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige die enkel onderworpen is aan de sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, overeenkomstig artikel 7bis, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Van deze uitsluiting wordt afgeweken ten voordele van:
- de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen;
- (...) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
- de personen die op 31 maart 1983 de volgende voorwaarden vervullen:
a) ingeschreven zijn als persoon ten laste;
b) de leeftijd van 60 of 65 jaar hebben bereikt naargelang het om een vrouw of een man gaat;
c) rechthebbende zijn op een tegemoetkoming van minder-valide, toegekend krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de toekenning aan een tegemoetkoming aan de minder-validen, op grond van een ongeschiktheidsgraad van ten minste 70 pct., het vervullen van die voorwaarde wordt bewezen door een getuigschrift dat is afgeleverd door de Dienst voor minder-validen van het Ministerie van Sociale zaken.
Wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd het deel van het rustpensioen dat wettelijk aan de echtgenoot wordt toegekend in geval van feitelijke scheiding ten gevolge van een beschermingsmaatregel voordien in artikel 2 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
2° (de persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16° (en 21°) van de gecoördineerde wet en zonder betaling van een persoonlijke bijdrage kan aanspraak maken op geneeskundige verstrekkingen. <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
De in artikel 32, eerste lid, 13°, 15° en 20° bedoelde gerechtigden, die zonder bijdragebetaling recht hebben op geneeskundige verstrekkingen, kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven, mits vervulling van de daartoe gestelde voorwaarden, en, voor wat de in artikel 32, eerste lid, 20° bedoelde wezen betreft, onder de voorwaarden omschreven in artikel 123, 3, d), e) en f). [3 ...]3 <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
De gerechtigden die in deze hoedanigheid recht hebben op verzekeringstegemoetkomingen, maar overeenkomstig de twee voorgaande leden de mogelijkheid hebben te worden beschouwd als persoon ten laste, kunnen van deze mogelijkheid slechts gebruik maken vanaf de datum waarop het recht, dat zij als gerechtigde laten gelden, verder zou kunnen worden verlengd overeenkomstig artikel 123 van de gecoördineerde wet.) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
3° de persoon die aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen krachtens zijn tewerkstelling in een nationale internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling die zelf een regeling voor verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen organiseert waarbij haar personeel verplicht is aangesloten alsook de personen te zijnen laste, tenzij zij aanspraak kunnen maken op een bij deze afdeling bedoelde hoedanigheid van persoon ten laste (...); <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(4° opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[1 4° de persoon die een zelfstandige activiteit heeft waarvan de beëindiging niet aan de verzekeringsinstelling meegedeeld werd door de Vrije Sociale Verzekeringskas voor zelfstandigen of door de Nationale Hulpkas en die indien hij in orde zou zijn met zijn bijdrageplicht krachtens het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal statuut van der zelfstandigen, recht zou hebben op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een aanvullende bijdrage.
De meewerkende echtgenoten die onder de toepassing van artikel 7bis, § 3 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen vallen en de personen die genieten van de toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven.]1
§ 2. De personen ten laste, in de zin van artikel 123, van een gerechtigde of van een werknemer, moeten deel uitmaken van zijn gezin, zij voldoen enkel aan deze verwaande wanneer zij dezelfde hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, hebben als de gerechtigde.
Op die regel wordt een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde gescheiden echtgenoot of echtgenote en voor de kinderen die bij toepassing van artikel (123, 3,) ten laste zijn van de gerechtigde of werknemer. (Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, die een andere hoofdverblijfplaats heeft omdat in hoofde van deze echtgenoot of echtgenote of in hoofde van de gerechtigde krachtens een reglementaire bepaling een verplichting geldt de hoofdverblijfplaats op een bepaalde plaats te vestigen.) [4 Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen, en de in artikel 123, 4, bedoelde ascendent van de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoordineerde wet die zijn hoofdverblijfplaats heeft in een gevangenis of een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]4 <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2003-04-08/65, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De hoedanigheid van persoon ten laste wordt niet verloren wanneer die persoon tijdelijk niet langer deel uitmaakt van het gezin van de gerechtigde of werknemer.
Het niet langer deel uitmaken van het gezin van de gerechtigde of de werknemer wordt geacht tijdelijk te zijn:
- wanneer het ten hoogste drie maanden duurt;
- voor de gehele duur van de opneming ter verpleging in een verplegingsinrichting die erkend is met toepassing van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;
- (voor de gehele duur van het verblijf in een dienst of inrichting of in een rustoord voor bejaarden zoals bedoeld in artikel 34, 12° van de voormelde gecoördineerde wet en voor de duur van het verblijf in een psychiatrisch verzorgingstehuis, bedoeld in artikel 34, 11° van de gecoördineerde wet;) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
- voor de gehele duur van het verblijf in een rust- en verzorgingstehuis dat erkend is met toepassing van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzorging;
[4 - voor de gehele duur van de opsluiting in een gevangenis of plaatsing in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]4
(lid opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 3. (Het bewijs van het in § 2 bedoeld samenwonen, volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die bij het Rijksregister is verkregen.
[2 In afwijking op het vorige lid, mag de huwelijksakte evenwel als bewijs van het samenwonen van de echtgenoten dienen, in afwachting van de aanpassing van de vorenbedoelde gegevens van het Rijksregister ten gevolge van de samenwoning, en voor zover de echtgenoten dit daadwerkelijk aangevraagd hebben aan hun gemeentelijke overheid.]2
[5 Ook in afwijking op het eerste lid, wordt de voorwaarde tot samenwoning verondersteld te zijn behouden tussen een gerechtigde en zijn persoon ten laste voor een periode van maximaal twee kalenderkwartalen in geval van ambtshalve schrapping uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, die zowel de gerechtigde als zijn persoon ten laste betreft, onder dezelfde schrappingscode en op dezelfde datum. De voorwaarde van samenwoning wordt echter niet verondersteld te worden behouden als de ambtshalve schrapping het gevolg is van hun vertrek naar het buitenland of het verlies van hun verblijfsvergunning.]5
1° (De persoon die beschikt over een inkomen, pensioen, rente, tegemoetkoming of uitkering krachtens een Belgische of buitenlandse wetgeving, voor zover het globaal bedrag van deze inkomens over een kalanderkwartaal hoger is dan 1762,82 euro.
Dit bedrag is gebonden aan de spilindex 103,14, van toepassing op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige sociale bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer worden gekoppeld.
Onder inkomens moeten de inkomens worden verstaan, voortvloeiend uit een beroepsbezigheid, die al naargelang het geval wordt bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie.
Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoor bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.
De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.
Evenmin wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
Er wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.) <KB 2005-09-17/40, art. 1, 120 ; Inwerkingtreding : 01-07-2005 ; zie ook art. 2>
(Er wordt evenmin rekening gehouden met :
het beroepsinkomen uit de zelfstandige activiteit van de echtgenote van wie de meewerkende echtgenoot, in plaats van voornoemde echtgenote, aan het sociaal statuut van de zelfstandigen is onderworpen, met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
het deel van het beroepsinkomen dat met toepassing van artikel 86 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet;
de uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid die worden toegekend aan de meewerkende echtgenoot van de gerechtigde zelfstandige die enkel onderworpen is aan de sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, overeenkomstig artikel 7bis, §§ 2 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen.) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Van deze uitsluiting wordt afgeweken ten voordele van:
- de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen;
- (...) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
- de personen die op 31 maart 1983 de volgende voorwaarden vervullen:
a) ingeschreven zijn als persoon ten laste;
b) de leeftijd van 60 of 65 jaar hebben bereikt naargelang het om een vrouw of een man gaat;
c) rechthebbende zijn op een tegemoetkoming van minder-valide, toegekend krachtens de wet van 27 juni 1969 betreffende de toekenning aan een tegemoetkoming aan de minder-validen, op grond van een ongeschiktheidsgraad van ten minste 70 pct., het vervullen van die voorwaarde wordt bewezen door een getuigschrift dat is afgeleverd door de Dienst voor minder-validen van het Ministerie van Sociale zaken.
Wordt niet als een vervangingsinkomen beschouwd het deel van het rustpensioen dat wettelijk aan de echtgenoot wordt toegekend in geval van feitelijke scheiding ten gevolge van een beschermingsmaatregel voordien in artikel 2 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.
2° (de persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16° (en 21°) van de gecoördineerde wet en zonder betaling van een persoonlijke bijdrage kan aanspraak maken op geneeskundige verstrekkingen. <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
De in artikel 32, eerste lid, 13°, 15° en 20° bedoelde gerechtigden, die zonder bijdragebetaling recht hebben op geneeskundige verstrekkingen, kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven, mits vervulling van de daartoe gestelde voorwaarden, en, voor wat de in artikel 32, eerste lid, 20° bedoelde wezen betreft, onder de voorwaarden omschreven in artikel 123, 3, d), e) en f). [3 ...]3 <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
De gerechtigden die in deze hoedanigheid recht hebben op verzekeringstegemoetkomingen, maar overeenkomstig de twee voorgaande leden de mogelijkheid hebben te worden beschouwd als persoon ten laste, kunnen van deze mogelijkheid slechts gebruik maken vanaf de datum waarop het recht, dat zij als gerechtigde laten gelden, verder zou kunnen worden verlengd overeenkomstig artikel 123 van de gecoördineerde wet.) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
3° de persoon die aanspraak kan maken op geneeskundige verstrekkingen krachtens zijn tewerkstelling in een nationale internationale of supranationale publiekrechtelijke instelling die zelf een regeling voor verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen organiseert waarbij haar personeel verplicht is aangesloten alsook de personen te zijnen laste, tenzij zij aanspraak kunnen maken op een bij deze afdeling bedoelde hoedanigheid van persoon ten laste (...); <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(4° opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 2, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[1 4° de persoon die een zelfstandige activiteit heeft waarvan de beëindiging niet aan de verzekeringsinstelling meegedeeld werd door de Vrije Sociale Verzekeringskas voor zelfstandigen of door de Nationale Hulpkas en die indien hij in orde zou zijn met zijn bijdrageplicht krachtens het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende de inrichting van het sociaal statuut van der zelfstandigen, recht zou hebben op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een aanvullende bijdrage.
De meewerkende echtgenoten die onder de toepassing van artikel 7bis, § 3 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen vallen en de personen die genieten van de toepassing van artikel 37, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen evenwel verkiezen zich als persoon ten laste in te schrijven.]1
§ 2. De personen ten laste, in de zin van artikel 123, van een gerechtigde of van een werknemer, moeten deel uitmaken van zijn gezin, zij voldoen enkel aan deze verwaande wanneer zij dezelfde hoofdverblijfplaats in de zin van artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, hebben als de gerechtigde.
Op die regel wordt een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde gescheiden echtgenoot of echtgenote en voor de kinderen die bij toepassing van artikel (123, 3,) ten laste zijn van de gerechtigde of werknemer. (Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, die een andere hoofdverblijfplaats heeft omdat in hoofde van deze echtgenoot of echtgenote of in hoofde van de gerechtigde krachtens een reglementaire bepaling een verplichting geldt de hoofdverblijfplaats op een bepaalde plaats te vestigen.) [4 Op die regel wordt tevens een uitzondering gemaakt voor de in artikel 123, 1, bedoelde echtgenoot of echtgenote, de in artikel 123, 3, bedoelde kinderen, en de in artikel 123, 4, bedoelde ascendent van de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoordineerde wet die zijn hoofdverblijfplaats heeft in een gevangenis of een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]4 <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2003-04-08/65, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De hoedanigheid van persoon ten laste wordt niet verloren wanneer die persoon tijdelijk niet langer deel uitmaakt van het gezin van de gerechtigde of werknemer.
Het niet langer deel uitmaken van het gezin van de gerechtigde of de werknemer wordt geacht tijdelijk te zijn:
- wanneer het ten hoogste drie maanden duurt;
- voor de gehele duur van de opneming ter verpleging in een verplegingsinrichting die erkend is met toepassing van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;
- (voor de gehele duur van het verblijf in een dienst of inrichting of in een rustoord voor bejaarden zoals bedoeld in artikel 34, 12° van de voormelde gecoördineerde wet en voor de duur van het verblijf in een psychiatrisch verzorgingstehuis, bedoeld in artikel 34, 11° van de gecoördineerde wet;) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
- voor de gehele duur van het verblijf in een rust- en verzorgingstehuis dat erkend is met toepassing van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende andere vormen van verzorging;
[4 - voor de gehele duur van de opsluiting in een gevangenis of plaatsing in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]4
(lid opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 2, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 3. (Het bewijs van het in § 2 bedoeld samenwonen, volgt uit de informatie die is bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, en die bij het Rijksregister is verkregen.
[2 In afwijking op het vorige lid, mag de huwelijksakte evenwel als bewijs van het samenwonen van de echtgenoten dienen, in afwachting van de aanpassing van de vorenbedoelde gegevens van het Rijksregister ten gevolge van de samenwoning, en voor zover de echtgenoten dit daadwerkelijk aangevraagd hebben aan hun gemeentelijke overheid.]2
[5 Ook in afwijking op het eerste lid, wordt de voorwaarde tot samenwoning verondersteld te zijn behouden tussen een gerechtigde en zijn persoon ten laste voor een periode van maximaal twee kalenderkwartalen in geval van ambtshalve schrapping uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, die zowel de gerechtigde als zijn persoon ten laste betreft, onder dezelfde schrappingscode en op dezelfde datum. De voorwaarde van samenwoning wordt echter niet verondersteld te worden behouden als de ambtshalve schrapping het gevolg is van hun vertrek naar het buitenland of het verlies van hun verblijfsvergunning.]5
Modifications
Art.124. § 1er. Ne peut toutefois être considérée comme personne à charge:
1° (La personne qui dispose d'un revenu, pension, rente, allocation ou indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère, pour autant qu'au cours d'un trimestre civil, le montant global de ces revenus soit supérieur à 1762,82 euros.
Ce montant est lié à l'indice-pivot 103,14 en vigueur le 1er juin 1999 (base 1996 = 100) et adapté aux fluctuations de l'indice des prix conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Par revenus, il y a lieu d'entendre des revenus, tires d'une activité professionnelle, visés suivant le cas à l'article 23, § 1er, 1°, 2° ou 4°, ou à l'article 228, § 2, 3° et 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992, même si elle est exercée par personne interposée, et toute activité analogue exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale.
Pour l'application de cette disposition, il y a lieu de tenir compte d'un douzième du montant des avantages payés annuellement, tels que les primes, les participations aux bénéfices, le treizième mois, les gratifications, le double pécule ou les montants payés aux travailleurs en complément du double pécule, ainsi que le pécule de vacances ou le pécule complémentaire payé aux bénéficiaires d'une pension de retraite ou de survie. Le montant mensuel des revenus des travailleurs non salariés, visés à l'article 23, § 1er, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 est, en outre, fictivement fixé à un douzième de 100/80 de la différence entre les bénéfices ou profits bruts et les charges professionnelles y afférentes. Le montant mensuel des revenus constitués par des indemnités ou allocations visées ci-dessus, dont le montant est journalier et auxquelles le bénéficiaire peut prétendre pour tous les jours indemnisables d'un mois déterminé, est censé correspondre au montant journalier susvisé, multiplié par 26; s'il s'agit d'indemnités d'incapacité temporaire de travail, accordées en vertu des dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, il y a lieu de multiplier le montant journalier précité par 30.
Pour l'application de cette disposition, il n'est pas tenu compte du complément d'ancienneté octroyé aux chômeurs âgés, ni de l'indemnité complémentaire aux allocations de chômage octroyée en vertu de la convention collective de travail n° 46 conclue au sein du Conseil national du travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 10 mai 1990.
Le chômeur prouve qu'il bénéficie d'un complément d'ancienneté au moyen d'une attestation établie par la caisse de paiement des allocations de chômage; il prouve le bénéfice d'une indemnité complémentaire aux allocations de chômage au moyen d'une attestation établie par l'employeur chargé du paiement de cette indemnité.
Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, de l'allocation complémentaire forfaitaire octroyée au chômeur occupe dans le cadre d'une agence locale pour l'emploi, en vertu de l'article 79 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
Il n'est pas davantage tenu compte d'une allocation qui est accordée pour compenser la perte ou la réduction d'autonomie.) <AR 2005-09-17/40, art. 1, 120 ; En vigueur : 01-07-2005 ; voir également art. 2>
(Il n'est pas non plus tenu compte :
- des revenus professionnels provenant de l'activité indépendante de l'épouse dont le conjoint aidant est assujetti, en lieu et place de cette dernière, au statut social des travailleurs indépendants, en application de l'article 12 de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
- de la partie des revenus professionnels qui, en application de l'article 86 du Code des impôts sur les revenus 1992, est octroyée au conjoint aidant du titulaire travailleur indépendant visé à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis de la loi coordonnée;
- des indemnités d'incapacité de travail octroyées au conjoint aidant du titulaire travailleur indépendant qui est uniquement assujetti aux secteurs indemnités et assurance maternité de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, conformément à l'article 7bis, §§ 2 et 3, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.) <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Il est dérogé à cette exclusion en faveur:
- des enfants visés à l'article 123, 3;
- (...) <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- des personnes qui, à la date du 31 mars 1983, remplissent les conditions suivantes:
a) être inscrites comme personne à charge;
b) avoir atteint l'âge de 60 ou 65 ans selon qu'il s'agit d'une femme ou d'un homme;
c) être bénéficiaires d'une allocation de handicapé accordée en vertu de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés, sur base d'un taux d'incapacité de 709 p.c. au moins; la réalisation de cette condition est prouvée par une attestation délivrée par le Service des handicapés du Ministère des Affaires sociales.
N'est pas considérée comme un revenu de remplacement la partie de la pension de retraite accordée légalement au conjoint en cas de séparation de fait résultant d'une mesure de protection prévue à l'article 2 de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux.
2° (la personne qui a la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 16° (et 21°), de la loi coordonnée et peut prétendre aux prestations de santé sans paiement d'une cotisation personnelle. <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Les titulaires, visés à l'article 32, alinéa 1er, 13°, 15° et 20°, qui, sans paiement de cotisations, ont droit à des prestations de santé, peuvent cependant choisir d'être inscrits comme personne à charge à condition de remplir les conditions fixées à cet effet et pour ce qui concerne les orphelins visés à l'article 32, alinéa 1er, 20°, sous les conditions définies à l'article 123, 3, d), e) et f). [3 ...]3<AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Les titulaires, qui, en cette qualité, ont droit à des interventions mais qui, conformément aux deux alinéas précédents, peuvent être considérés comme personnes à charge, ne peuvent recourir à cette possibilité qu'à partir de la date à laquelle le droit qu'ils font valoir en qualité de titulaire pourrait par ailleurs être prolongé en vertu de l'article 123 de la loi coordonnée.) <AR 1997-12-29/30, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1998>
3° la personne qui peut prétendre aux prestations de santé en vertu de son occupation dans un organisme national, international ou supranational de droit public qui organise lui-même un régime d'assurance soins de santé et indemnités dont son personnel fait obligatoirement partie ainsi que les personnes à sa charge, à moins qu'elles puissent prétendre à une qualité de personne à charge visée à la présente section, (...). <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
4° (...) <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[1 4° la personne qui a une activité indépendante dont la cessation n'a pas été communiquée à l'organisme assureur par la caisse libre d'assurances sociales pour indépendants ou par la Caisse nationale auxiliaire et qui, si elle était en ordre d'obligation de cotisations selon l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, aurait droit aux soins de santé sans paiement d'une cotisation complémentaire.
Les conjoints aidants qui tombent sous l'application de l'article 7bis, § 3, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants et les personnes qui bénéficient de l'application de l'article 37, § 1er, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants peuvent cependant choisir de s'inscrire comme personne à charge.]1
§ 2. Les personnes à charge d'un titulaire ou d'un travailleur, au sens de l'article 123, doivent faire partie de son ménage; elle ne remplissent cette condition que lorsqu'elles ont la même résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, que le titulaire.
Il est fait exception à cette règle pour le conjoint séparé, visé à l'article 123, 1, et les enfants qui sont à charge du titulaire ou travailleur par application de l'article (123, 3). (Il est également fait exception à cette règle pour le conjoint visé à l'article 123, 1, qui a une autre résidence principale parce que, en vertu d'une disposition réglementaire, il existe dans le chef de ce conjoint ou du titulaire une obligation d'installer sa résidence principale à un endroit précis.) [4 Il est également fait exception à cette règle pour le conjoint visé à l'article 123, 1, les enfants visés à l'article 123, 3, et l'ascendant visé à l'article 123, 4, à charge du titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui a sa résidence principale dans une prison ou un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) ou d), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]4 <AR 1997-12-29/30, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2003-04-08/65, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-2003>
La qualité de personne à charge ne se perd pas quand cette personne cesse temporairement de faire partie du ménage du titulaire ou travailleur.
La cessation de faire partie du ménage du titulaire ou travailleur est réputée temporaire:
- lorsqu'elle a une durée de trois mois au plus;
- pendant toute la durée de l'hospitalisation dans un établissement hospitalier agréé conformément à la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987;
- (pendant toute la durée du séjour dans un service ou une institution ou dans une maison de repos pour personnes âgées au sens de l'article 34, 12°, de la loi coordonnée précitée et pendant la durée du séjour dans une maison de soins psychiatrique, visée à l'article 34, 11°, de la loi coordonnée;) <AR 1997-12-29/30, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1998>
- pendant toute la durée du séjour dans une maison de repos et de soins agréée en application de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de dispensation de soins;
[4 - pendant toute la durée de la détention dans une prison ou du placement dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) ou d), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]4
(alinéa supprimé) <AR 1997-12-29/30, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 3. (La preuve de la condition de cohabitation visée au § 2 résulte de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national.
[2 Toutefois, par exception à l'alinéa précédent, l'acte de mariage peut faire preuve de la condition de cohabitation entre les époux, en attendant l'adaptation des données précitées du Registre national suite à la cohabitation, et pour autant que les époux en aient effectivement fait la demande auprès de leur administration communale.]2
[5 Par exception à l'alinéa 1er également, la condition de cohabitation est présumée maintenue entre un titulaire et sa personne à charge, pendant une durée de deux trimestres civils maximum, en cas de radiation d'office du Registre national des personnes physiques qui concerne tant le titulaire que sa personne à charge, selon le même code de radiation et à la même date. Toutefois, la condition de cohabitation n'est pas présumée maintenue si la radiation d'office fait suite à leur départ à l'étranger ou à la perte de leur titre de séjour.]5
1° (La personne qui dispose d'un revenu, pension, rente, allocation ou indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère, pour autant qu'au cours d'un trimestre civil, le montant global de ces revenus soit supérieur à 1762,82 euros.
Ce montant est lié à l'indice-pivot 103,14 en vigueur le 1er juin 1999 (base 1996 = 100) et adapté aux fluctuations de l'indice des prix conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Par revenus, il y a lieu d'entendre des revenus, tires d'une activité professionnelle, visés suivant le cas à l'article 23, § 1er, 1°, 2° ou 4°, ou à l'article 228, § 2, 3° et 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992, même si elle est exercée par personne interposée, et toute activité analogue exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale.
Pour l'application de cette disposition, il y a lieu de tenir compte d'un douzième du montant des avantages payés annuellement, tels que les primes, les participations aux bénéfices, le treizième mois, les gratifications, le double pécule ou les montants payés aux travailleurs en complément du double pécule, ainsi que le pécule de vacances ou le pécule complémentaire payé aux bénéficiaires d'une pension de retraite ou de survie. Le montant mensuel des revenus des travailleurs non salariés, visés à l'article 23, § 1er, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 est, en outre, fictivement fixé à un douzième de 100/80 de la différence entre les bénéfices ou profits bruts et les charges professionnelles y afférentes. Le montant mensuel des revenus constitués par des indemnités ou allocations visées ci-dessus, dont le montant est journalier et auxquelles le bénéficiaire peut prétendre pour tous les jours indemnisables d'un mois déterminé, est censé correspondre au montant journalier susvisé, multiplié par 26; s'il s'agit d'indemnités d'incapacité temporaire de travail, accordées en vertu des dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, il y a lieu de multiplier le montant journalier précité par 30.
Pour l'application de cette disposition, il n'est pas tenu compte du complément d'ancienneté octroyé aux chômeurs âgés, ni de l'indemnité complémentaire aux allocations de chômage octroyée en vertu de la convention collective de travail n° 46 conclue au sein du Conseil national du travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 10 mai 1990.
Le chômeur prouve qu'il bénéficie d'un complément d'ancienneté au moyen d'une attestation établie par la caisse de paiement des allocations de chômage; il prouve le bénéfice d'une indemnité complémentaire aux allocations de chômage au moyen d'une attestation établie par l'employeur chargé du paiement de cette indemnité.
Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, de l'allocation complémentaire forfaitaire octroyée au chômeur occupe dans le cadre d'une agence locale pour l'emploi, en vertu de l'article 79 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
Il n'est pas davantage tenu compte d'une allocation qui est accordée pour compenser la perte ou la réduction d'autonomie.) <AR 2005-09-17/40, art. 1, 120 ; En vigueur : 01-07-2005 ; voir également art. 2>
(Il n'est pas non plus tenu compte :
- des revenus professionnels provenant de l'activité indépendante de l'épouse dont le conjoint aidant est assujetti, en lieu et place de cette dernière, au statut social des travailleurs indépendants, en application de l'article 12 de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
- de la partie des revenus professionnels qui, en application de l'article 86 du Code des impôts sur les revenus 1992, est octroyée au conjoint aidant du titulaire travailleur indépendant visé à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis de la loi coordonnée;
- des indemnités d'incapacité de travail octroyées au conjoint aidant du titulaire travailleur indépendant qui est uniquement assujetti aux secteurs indemnités et assurance maternité de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, conformément à l'article 7bis, §§ 2 et 3, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants.) <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Il est dérogé à cette exclusion en faveur:
- des enfants visés à l'article 123, 3;
- (...) <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- des personnes qui, à la date du 31 mars 1983, remplissent les conditions suivantes:
a) être inscrites comme personne à charge;
b) avoir atteint l'âge de 60 ou 65 ans selon qu'il s'agit d'une femme ou d'un homme;
c) être bénéficiaires d'une allocation de handicapé accordée en vertu de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés, sur base d'un taux d'incapacité de 709 p.c. au moins; la réalisation de cette condition est prouvée par une attestation délivrée par le Service des handicapés du Ministère des Affaires sociales.
N'est pas considérée comme un revenu de remplacement la partie de la pension de retraite accordée légalement au conjoint en cas de séparation de fait résultant d'une mesure de protection prévue à l'article 2 de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection de la personne des malades mentaux.
2° (la personne qui a la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 16° (et 21°), de la loi coordonnée et peut prétendre aux prestations de santé sans paiement d'une cotisation personnelle. <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Les titulaires, visés à l'article 32, alinéa 1er, 13°, 15° et 20°, qui, sans paiement de cotisations, ont droit à des prestations de santé, peuvent cependant choisir d'être inscrits comme personne à charge à condition de remplir les conditions fixées à cet effet et pour ce qui concerne les orphelins visés à l'article 32, alinéa 1er, 20°, sous les conditions définies à l'article 123, 3, d), e) et f). [3 ...]3<AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Les titulaires, qui, en cette qualité, ont droit à des interventions mais qui, conformément aux deux alinéas précédents, peuvent être considérés comme personnes à charge, ne peuvent recourir à cette possibilité qu'à partir de la date à laquelle le droit qu'ils font valoir en qualité de titulaire pourrait par ailleurs être prolongé en vertu de l'article 123 de la loi coordonnée.) <AR 1997-12-29/30, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1998>
3° la personne qui peut prétendre aux prestations de santé en vertu de son occupation dans un organisme national, international ou supranational de droit public qui organise lui-même un régime d'assurance soins de santé et indemnités dont son personnel fait obligatoirement partie ainsi que les personnes à sa charge, à moins qu'elles puissent prétendre à une qualité de personne à charge visée à la présente section, (...). <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
4° (...) <AR 2008-07-01/34, art. 2, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[1 4° la personne qui a une activité indépendante dont la cessation n'a pas été communiquée à l'organisme assureur par la caisse libre d'assurances sociales pour indépendants ou par la Caisse nationale auxiliaire et qui, si elle était en ordre d'obligation de cotisations selon l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, aurait droit aux soins de santé sans paiement d'une cotisation complémentaire.
Les conjoints aidants qui tombent sous l'application de l'article 7bis, § 3, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants et les personnes qui bénéficient de l'application de l'article 37, § 1er, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants peuvent cependant choisir de s'inscrire comme personne à charge.]1
§ 2. Les personnes à charge d'un titulaire ou d'un travailleur, au sens de l'article 123, doivent faire partie de son ménage; elle ne remplissent cette condition que lorsqu'elles ont la même résidence principale au sens de l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, que le titulaire.
Il est fait exception à cette règle pour le conjoint séparé, visé à l'article 123, 1, et les enfants qui sont à charge du titulaire ou travailleur par application de l'article (123, 3). (Il est également fait exception à cette règle pour le conjoint visé à l'article 123, 1, qui a une autre résidence principale parce que, en vertu d'une disposition réglementaire, il existe dans le chef de ce conjoint ou du titulaire une obligation d'installer sa résidence principale à un endroit précis.) [4 Il est également fait exception à cette règle pour le conjoint visé à l'article 123, 1, les enfants visés à l'article 123, 3, et l'ascendant visé à l'article 123, 4, à charge du titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui a sa résidence principale dans une prison ou un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) ou d), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]4 <AR 1997-12-29/30, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2003-04-08/65, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-2003>
La qualité de personne à charge ne se perd pas quand cette personne cesse temporairement de faire partie du ménage du titulaire ou travailleur.
La cessation de faire partie du ménage du titulaire ou travailleur est réputée temporaire:
- lorsqu'elle a une durée de trois mois au plus;
- pendant toute la durée de l'hospitalisation dans un établissement hospitalier agréé conformément à la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987;
- (pendant toute la durée du séjour dans un service ou une institution ou dans une maison de repos pour personnes âgées au sens de l'article 34, 12°, de la loi coordonnée précitée et pendant la durée du séjour dans une maison de soins psychiatrique, visée à l'article 34, 11°, de la loi coordonnée;) <AR 1997-12-29/30, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1998>
- pendant toute la durée du séjour dans une maison de repos et de soins agréée en application de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de dispensation de soins;
[4 - pendant toute la durée de la détention dans une prison ou du placement dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) ou d), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]4
(alinéa supprimé) <AR 1997-12-29/30, art. 2, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 3. (La preuve de la condition de cohabitation visée au § 2 résulte de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national.
[2 Toutefois, par exception à l'alinéa précédent, l'acte de mariage peut faire preuve de la condition de cohabitation entre les époux, en attendant l'adaptation des données précitées du Registre national suite à la cohabitation, et pour autant que les époux en aient effectivement fait la demande auprès de leur administration communale.]2
[5 Par exception à l'alinéa 1er également, la condition de cohabitation est présumée maintenue entre un titulaire et sa personne à charge, pendant une durée de deux trimestres civils maximum, en cas de radiation d'office du Registre national des personnes physiques qui concerne tant le titulaire que sa personne à charge, selon le même code de radiation et à la même date. Toutefois, la condition de cohabitation n'est pas présumée maintenue si la radiation d'office fait suite à leur départ à l'étranger ou à la perte de leur titre de séjour.]5
Modifications
Art.125. <KB 2008-07-01/34, art. 3, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Bij betwisting tussen gerechtigden omtrent de vraag bij wie een kind als persoon ten laste moet worden ingeschreven, wordt het kind, overeenkomstig artikel 126 van de gecoördineerde wet bij voorrang ingeschreven als persoon ten laste van de oudste gerechtigde.
Bij gerechtigden die niet onder hetzelfde dak wonen, wordt het kind bij voorkeur ingeschreven als persoon ten laste ten aanzien van de gerechtigde die met hem samenwoont.
Bij gerechtigden die niet onder hetzelfde dak wonen, wordt het kind bij voorkeur ingeschreven als persoon ten laste ten aanzien van de gerechtigde die met hem samenwoont.
Art.125. <AR 2008-07-01/34, art. 3, 151; En vigueur : 01-01-2008> Conformément à l'article 126 de la loi coordonnée, en cas de contestation entre des titulaires sur la question de savoir auprès duquel un enfant doit être inscrit comme personne à charge, l'enfant est inscrit par priorité comme personne à charge du titulaire le plus âgé.
Pour les titulaires qui ne vivent pas sous le même toit, l'enfant est inscrit par préférence comme personne à charge du titulaire qui cohabite avec lui.
Pour les titulaires qui ne vivent pas sous le même toit, l'enfant est inscrit par préférence comme personne à charge du titulaire qui cohabite avec lui.
Art.126. <KB 2008-07-01/34, art. 4, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De rechthebbende die op 1 januari 2008 zijn hoedanigheid van persoon ten laste behoudt, blijft ingeschreven als persoon ten laste van de persoon bij wie hij op 31 december 2007 was ingeschreven, behalve indien de inschrijving ten laste van een andere gerechtigde schriftelijk aan de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde wordt aangevraagd.
§ 2. Wanneer een kind ten laste van verschillende gerechtigden in de hoedanigheid van kind kan worden ingeschreven, zal het verzoek om hem ten laste van een andere gerechtigde in te schrijven, pas uitwerking hebben op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin dat verzoek werd ingediend bij de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde.
In geval van wijziging van de situatie van het kind tijdens de periode tussen de indiening van het voormelde verzoek en 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend, zal het verzoek echter onmiddellijk uitwerking hebben met inachtneming van de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn.
§ 2. Wanneer een kind ten laste van verschillende gerechtigden in de hoedanigheid van kind kan worden ingeschreven, zal het verzoek om hem ten laste van een andere gerechtigde in te schrijven, pas uitwerking hebben op 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin dat verzoek werd ingediend bij de verzekeringsinstelling van die andere gerechtigde.
In geval van wijziging van de situatie van het kind tijdens de periode tussen de indiening van het voormelde verzoek en 1 januari van het jaar dat volgt op dat waarin het verzoek werd ingediend, zal het verzoek echter onmiddellijk uitwerking hebben met inachtneming van de reglementaire bepalingen die van toepassing zijn.
Art.126. <AR 2008-07-01/34, art. 4, 151; En vigueur : 01-01-2008> § 1er. Le bénéficiaire qui, au 1er janvier 2008, maintient sa qualité de personne à charge reste inscrit en tant que personne à charge de la personne chez qui il était inscrit au 31 décembre 2007 sauf si l'inscription à charge d'un autre titulaire est demandée par écrit à l'organisme assureur de cet autre titulaire.
§ 2. Lorsqu'un enfant peut être inscrit en qualité d'enfant à charge de plusieurs titulaires, la demande visant à ce qu'il soit inscrit à charge d'un autre titulaire ne produit ses effets qu'au 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle cette demande a été introduite auprès de l'organisme assureur de cet autre titulaire.
Cependant, en cas de modification de la situation de l'enfant pendant la période se situant entre l'introduction de la demande susvisée et le 1er janvier de l'année suivant celle de l'introduction de la demande, la demande sort ses effets immédiatement dans le respect des dispositions réglementaires applicables.
§ 2. Lorsqu'un enfant peut être inscrit en qualité d'enfant à charge de plusieurs titulaires, la demande visant à ce qu'il soit inscrit à charge d'un autre titulaire ne produit ses effets qu'au 1er janvier de l'année qui suit celle au cours de laquelle cette demande a été introduite auprès de l'organisme assureur de cet autre titulaire.
Cependant, en cas de modification de la situation de l'enfant pendant la période se situant entre l'introduction de la demande susvisée et le 1er janvier de l'année suivant celle de l'introduction de la demande, la demande sort ses effets immédiatement dans le respect des dispositions réglementaires applicables.
Art.127. <KB 1997-12-29/30, art. 4, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> De personen ten laste die hun hoedanigheid verliezen, kunnen verder geneeskundige verstrekkingen genieten tot 31 december van het jaar dat volgt op datgene waarin zij hun hoedanigheid verloren.
Voor de in artikel 205, §1, 3° bedoelde personen ten laste die deze hoedanigheid verliezen, kan de in het eerste lid bedoelde periode desgevallend verlengd worden tot het einde van de aldaar vastgestelde tijdvakken.
De in het eerste lid bedoelde periode kan eveneens verlengd worden voor de niet in artikel 205, §1, 3° bedoelde personen ten laste die hun hoedanigheid van persoon ten laste verliezen, voor het tijdvak van ten hoogste zes maanden dat ligt tussen de beëindiging of onderbreking van de studies en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 32, eerste lid, 1°, 13°, 14° of 15° van de gecoördineerde wet.
Het behoud van het genot op verstrekkingen zoals dit in deze bepaling is voorzien, wordt slechts toegekend voor zover niet uit hoofde van een hoedanigheid van [1 gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 12°, 16°, 20°, 21° en 24°]1 van de voormelde gecoördineerde wet, of uit hoofde van de hoedanigheid van persoon ten laste recht op verstrekkingen kan bestaan. (...) <KB 1999-03-16/31, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1999> <KB 2008-07-01/34, art. 5, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Voor de in artikel 205, §1, 3° bedoelde personen ten laste die deze hoedanigheid verliezen, kan de in het eerste lid bedoelde periode desgevallend verlengd worden tot het einde van de aldaar vastgestelde tijdvakken.
De in het eerste lid bedoelde periode kan eveneens verlengd worden voor de niet in artikel 205, §1, 3° bedoelde personen ten laste die hun hoedanigheid van persoon ten laste verliezen, voor het tijdvak van ten hoogste zes maanden dat ligt tussen de beëindiging of onderbreking van de studies en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 32, eerste lid, 1°, 13°, 14° of 15° van de gecoördineerde wet.
Het behoud van het genot op verstrekkingen zoals dit in deze bepaling is voorzien, wordt slechts toegekend voor zover niet uit hoofde van een hoedanigheid van [1 gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 12°, 16°, 20°, 21° en 24°]1 van de voormelde gecoördineerde wet, of uit hoofde van de hoedanigheid van persoon ten laste recht op verstrekkingen kan bestaan. (...) <KB 1999-03-16/31, art. 1, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1999> <KB 2008-07-01/34, art. 5, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Modifications
Art.127. <AR 1997-12-29/30, art. 4, 017; En vigueur : 01-01-1998> Les personnes à charge, qui perdent leur qualité, peuvent continuer à bénéficier des prestations de santé jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle elles ont perdu ladite qualité.
Pour les personnes à charge, visées à l'article 205, § 1er, 3°, qui perdent cette qualité, la période, visée à l'alinéa 1er, peut, le cas échéant, être prolongée jusqu'à la fin des périodes y fixées.
La période, visée à l'alinéa premier, peut être prolongée également pour les personnes à charge, non visées à l'article 205, § 1er, 3°, qui perdent leur qualité de personne à charge, pour une période maximale de six mois comprise entre la fin ou l'interruption des études et l'obtention de la qualité de titulaire au sens des articles 32, alinéa 1er, 1°, 13°, 14° ou 15°, de la loi coordonnée.
Le maintien du bénéfice des prestations, tel qu'il est prévu dans cette disposition, n'est accordé que pour autant qu'il ne puisse exister de droit aux prestations au titre de [1 titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 1° à 12°, 16°, 20°, 21° et 24°]1, de la loi coordonnée précitée ou à titre de personne à charge. (...) <AR 1999-03-16/31, art. 1, 030; En vigueur : 01-04-1999> <AR 2008-07-01/34, art. 5, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Pour les personnes à charge, visées à l'article 205, § 1er, 3°, qui perdent cette qualité, la période, visée à l'alinéa 1er, peut, le cas échéant, être prolongée jusqu'à la fin des périodes y fixées.
La période, visée à l'alinéa premier, peut être prolongée également pour les personnes à charge, non visées à l'article 205, § 1er, 3°, qui perdent leur qualité de personne à charge, pour une période maximale de six mois comprise entre la fin ou l'interruption des études et l'obtention de la qualité de titulaire au sens des articles 32, alinéa 1er, 1°, 13°, 14° ou 15°, de la loi coordonnée.
Le maintien du bénéfice des prestations, tel qu'il est prévu dans cette disposition, n'est accordé que pour autant qu'il ne puisse exister de droit aux prestations au titre de [1 titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 1° à 12°, 16°, 20°, 21° et 24°]1, de la loi coordonnée précitée ou à titre de personne à charge. (...) <AR 1999-03-16/31, art. 1, 030; En vigueur : 01-04-1999> <AR 2008-07-01/34, art. 5, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Modifications
Afdeling II. - Wezen.
Section II. - Des orphelins.
Art.128. (Onder kinderen van gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 20°, van de gecoördineerde wet worden verstaan de kinderen of geadopteerde kinderen van een gerechtigde of van de persoon in wier geboorteakte de naam van een gerechtigde is vermeld en van wie die gerechtigde bij zijn overlijden de overlevende van hun vader en moeder of hun enige natuurlijke ouder was.) <KB 1997-12-29/30, art. 5, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Deze bepaling geldt zelfs wanneer de kinderen op het tijdstip van dat overlijden, persoon ten laste van en andere gerechtigde zouden geweest zijn.
Deze bepaling geldt zelfs wanneer de kinderen op het tijdstip van dat overlijden, persoon ten laste van en andere gerechtigde zouden geweest zijn.
Art.128. (Par enfants de titulaires au sens de l'article 32, alinéa 1er, 20°, de la loi coordonnée, il faut entendre les enfants ou enfants adoptés d'un titulaire ou de la personne dans l'acte de naissance desquels le nom d'un titulaire est mentionné et dont ce titulaire était, au moment de son décès, le survivant de leurs père et mère ou leur seul parent naturel.) <AR 1997-12-29/30, art. 5, 017; En vigueur : 01-01-1998>
Cette disposition est applicable alors même qu'au moment dudit décès les enfants auraient été personnes à charge d'un autre titulaire.
Cette disposition est applicable alors même qu'au moment dudit décès les enfants auraient été personnes à charge d'un autre titulaire.
Afdeling III. - (Gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° tot 15° en 22° van de gecoördineerde wet)
Section III. - (Titulaires visés à l'article 32, premier alinéa, 12° à 15° et 22° de la loi coordonnée)
Art. 128bis. <INGEVOEGD bij KB 1997-12-29/30, art. 7, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Onder gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet worden verstaan de personen bedoeld in artikel 2, §1, 1°, 2°, 3°, 2) en 4° van het decreet van 4 augustus 1959 op de verzekering voor gezondheidszorg van de administratieve en militaire ambtenaren en gewezen ambtenaren, van de beroepsmagistraten, van de ambtenaren en gewezen ambtenaren van de rechterlijke orde en van de gerechtelijke politie bij de parketten, die zich op 31 december 1993 nog effektief op de verplichtingen van de Staat voortvloeiend uit artikel 37, derde lid, van de wet van 28 december 1973 betreffende de budgettaire voorstellen 1973-1974 kan beroepen en dit bewijst aan de hand van een attest, conform het model in bijlage II bij dit besluit, verstrekt door de administratie van pensioenen van het Ministerie van Financiën.
Art. 128bis. Par titulaires visés à l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée, il faut entendre les personnes visées à l'article 2, § 1er, 1°, 2°, 3°, 2) et 4°, du décret du 4 août 1959 sur l'assurance relative aux soins de santé des agents et anciens agents administratifs et militaires, des magistrats et anciens magistrats de carrière et des anciens agents de l'ordre judiciaire, de la police judiciaire des parquets qui, au 31 décembre 1993, peuvent encore se prévaloir des obligations de l'Etat découlant de l'article 37, alinéa 3, de la loi du 28 décembre 1973 relative aux propositions budgétaires 1973-1974 et dont la preuve en est fournie par une attestation, conforme au modèle en annexe II de cet arrêté, délivrée par l'Administration des Pensions du Ministère des Finances.
Art. 128ter. <INGEVOEGD bij KB 1997-12-29/30, art. 8, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Onder gerechtigden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 13° van de gecoördineerde wet worden verstaan, de personen die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en :
- ofwel, de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben en vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar ongeschikt zijn erkend door een [1 arts-inspecteur]1 van de Dienst voor geneeskundige controle, tot het verrichten van arbeid ter verkrijging van inkomen voor een vermoedelijke duur van tenminste één jaar, wegens letsels of functionele stoornissen die leiden tot een onvermogen tot verdienen van twee derden of meer dan twee derden van wat een persoon van dezelfde stand en opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid.
De [1 arts-inspecteur]1 stelt de duur van de arbeidsongeschiktheid vast en geeft aan de belanghebbende kennis van zijn beslissing binnen de maand volgend op de datum van het onderzoek.
De [1 arts-inspecteur]1 gaat tot een nieuw onderzoek over binnen dertig dagen voor het einde van de vroeger erkende periode van arbeidsongeschiktheid.
Worden geacht verder arbeidsongeschikt te zijn, de personen waarvan de arbeidsongeschiktheid erkend werd tot de leeftijd van vijfenzestig jaar.
De arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op schriftelijke aanvraag, gericht aan de Leidend ambtenaar van de dienst voor geneeskundige controle, door de betrokkene of door de persoon die wettelijk gemachtigd is voor hem op te treden.
- ofwel, de in toepassing van artikel 2, §1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen (aan personen met een handicap) vereiste ongeschiktheidserkenning bezitten om het recht op de in die bepaling bedoelde inkomensvervangende tegemoetkoming te genieten of de in toepassing van het voormelde artikel 2, §2 of § 3 vereiste vermindering van de zelfredzaamheid bezitten om het recht op de in die bepalingen bedoelde integratietegemoetkoming of tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden te genieten; <KB 2008-07-01/34, art. 6, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
- (ofwel, de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt, en die op grond van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, de medische voorwaarden vervullen om het recht te openen op kinderbijslag waarvan het bedrag is verhoogd overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders) (of in artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.) <KB 2006-08-05/47, art. 1, 131; Inwerkingtreding : 01-05-2003> <KB 2008-07-01/34, art. 6, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[2 De hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, 13°, van de gecoördineerde wet gaat niet verloren voor personen die ambtshalve zijn geschrapt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat de duur van de schrapping niet drie kalenderkwartalen bereikt. Deze uitzondering geldt echter niet voor personen die ambtshalve worden geschrapt als gevolg van hun vertrek naar het buitenland of als gevolg van het verlies van hun verblijfsvergunning.]2
- ofwel, de leeftijd van vijftien jaar bereikt hebben en vóór de leeftijd van vijfenzestig jaar ongeschikt zijn erkend door een [1 arts-inspecteur]1 van de Dienst voor geneeskundige controle, tot het verrichten van arbeid ter verkrijging van inkomen voor een vermoedelijke duur van tenminste één jaar, wegens letsels of functionele stoornissen die leiden tot een onvermogen tot verdienen van twee derden of meer dan twee derden van wat een persoon van dezelfde stand en opleiding kan verdienen door zijn werkzaamheid.
De [1 arts-inspecteur]1 stelt de duur van de arbeidsongeschiktheid vast en geeft aan de belanghebbende kennis van zijn beslissing binnen de maand volgend op de datum van het onderzoek.
De [1 arts-inspecteur]1 gaat tot een nieuw onderzoek over binnen dertig dagen voor het einde van de vroeger erkende periode van arbeidsongeschiktheid.
Worden geacht verder arbeidsongeschikt te zijn, de personen waarvan de arbeidsongeschiktheid erkend werd tot de leeftijd van vijfenzestig jaar.
De arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld op schriftelijke aanvraag, gericht aan de Leidend ambtenaar van de dienst voor geneeskundige controle, door de betrokkene of door de persoon die wettelijk gemachtigd is voor hem op te treden.
- ofwel, de in toepassing van artikel 2, §1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen (aan personen met een handicap) vereiste ongeschiktheidserkenning bezitten om het recht op de in die bepaling bedoelde inkomensvervangende tegemoetkoming te genieten of de in toepassing van het voormelde artikel 2, §2 of § 3 vereiste vermindering van de zelfredzaamheid bezitten om het recht op de in die bepalingen bedoelde integratietegemoetkoming of tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden te genieten; <KB 2008-07-01/34, art. 6, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
- (ofwel, de leeftijd van 15 jaar hebben bereikt, en die op grond van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 %, de medische voorwaarden vervullen om het recht te openen op kinderbijslag waarvan het bedrag is verhoogd overeenkomstig artikel 47 van de gecoördineerde wetten betreffende de kinderbijslagen voor loonarbeiders) (of in artikel 20 van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.) <KB 2006-08-05/47, art. 1, 131; Inwerkingtreding : 01-05-2003> <KB 2008-07-01/34, art. 6, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[2 De hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, 13°, van de gecoördineerde wet gaat niet verloren voor personen die ambtshalve zijn geschrapt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat de duur van de schrapping niet drie kalenderkwartalen bereikt. Deze uitzondering geldt echter niet voor personen die ambtshalve worden geschrapt als gevolg van hun vertrek naar het buitenland of als gevolg van het verlies van hun verblijfsvergunning.]2
Art. 128ter. Par titulaires visés à l'article 32, alinéa premier, 13°, de la loi coordonnée, il faut entendre les personnes qui ont leur résidence principale en Belgique et :
- soit ont atteint l'âge de quinze ans et avant l'âge de soixante-cinq ans ont été reconnues par un médecin inspecteur du Service du Contrôle médical comme étant incapables d'effectuer un travail lucratif pour une durée présumée d'au moins un an, en raison de lésions ou de troubles fonctionnels entraînant une réduction de la capacité de gain de deux tiers ou plus de ce qu'une personne de même condition et de même formation peut gagner par son travail.
Le médecin inspecteur fixe la durée de l'incapacité de travail et notifie sa décision à l'intéressé dans le mois suivant la date de l'examen.
Le médecin inspecteur procède à un nouvel examen dans les trente jours avant la fin de la période d'incapacité de travail reconnue précédemment.
Continuent d'être réputées incapables de travailler les personnes dont l'incapacité de travail a été reconnue jusqu'à l'âge de soixante-cinq ans.
L'incapacité de travail est fixée sur demande écrite, adressée au fonctionnaire dirigeant du Service du Contrôle médical, par l'intéressé ou la personne qui est autorisée par la loi à agir pour lui;
- soit, en application de l'article 2, § 1er, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations (aux personnes handicapées), possèdent la reconnaissance d'incapacité requise pour bénéficier du droit à l'allocation de remplacement visée dans cette disposition ou pour lesquelles est établie l'autonomie réduite requise en application de l'article 2 précité, § 2 ou § 3, pour bénéficier du droit à l'allocation d'intégration ou à l'allocation d'aide aux personnes âgées, visées dans ces dispositions; <AR 2008-07-01/34, art. 6, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- (soit ont atteint l'âge de 15 ans et, qui, en raison d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % satisfont aux conditions médicales pour ouvrir le droit aux allocations familiales dont le montant est majoré conformément à l'article 47 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés) (ou à l'article 20 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.) <AR 2006-08-05/47, art. 1, 131; En vigueur : 01-05-2003> <AR 2008-07-01/34, art. 6, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[1 La qualité de titulaire de l'article 32, alinéa 1er, 13°, de la loi coordonnée n'est pas perdue pour les personnes radiées d'office du Registre national des personnes physiques, à condition que la durée de la radiation n'atteigne pas trois trimestres civils. Toutefois, cette exception ne vaut pas pour les personnes radiées d'office suite à leur départ à l'étranger ou suite à la perte de leur titre de séjour.]1
- soit ont atteint l'âge de quinze ans et avant l'âge de soixante-cinq ans ont été reconnues par un médecin inspecteur du Service du Contrôle médical comme étant incapables d'effectuer un travail lucratif pour une durée présumée d'au moins un an, en raison de lésions ou de troubles fonctionnels entraînant une réduction de la capacité de gain de deux tiers ou plus de ce qu'une personne de même condition et de même formation peut gagner par son travail.
Le médecin inspecteur fixe la durée de l'incapacité de travail et notifie sa décision à l'intéressé dans le mois suivant la date de l'examen.
Le médecin inspecteur procède à un nouvel examen dans les trente jours avant la fin de la période d'incapacité de travail reconnue précédemment.
Continuent d'être réputées incapables de travailler les personnes dont l'incapacité de travail a été reconnue jusqu'à l'âge de soixante-cinq ans.
L'incapacité de travail est fixée sur demande écrite, adressée au fonctionnaire dirigeant du Service du Contrôle médical, par l'intéressé ou la personne qui est autorisée par la loi à agir pour lui;
- soit, en application de l'article 2, § 1er, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations (aux personnes handicapées), possèdent la reconnaissance d'incapacité requise pour bénéficier du droit à l'allocation de remplacement visée dans cette disposition ou pour lesquelles est établie l'autonomie réduite requise en application de l'article 2 précité, § 2 ou § 3, pour bénéficier du droit à l'allocation d'intégration ou à l'allocation d'aide aux personnes âgées, visées dans ces dispositions; <AR 2008-07-01/34, art. 6, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- (soit ont atteint l'âge de 15 ans et, qui, en raison d'une incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % satisfont aux conditions médicales pour ouvrir le droit aux allocations familiales dont le montant est majoré conformément à l'article 47 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés) (ou à l'article 20 de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.) <AR 2006-08-05/47, art. 1, 131; En vigueur : 01-05-2003> <AR 2008-07-01/34, art. 6, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[1 La qualité de titulaire de l'article 32, alinéa 1er, 13°, de la loi coordonnée n'est pas perdue pour les personnes radiées d'office du Registre national des personnes physiques, à condition que la durée de la radiation n'atteigne pas trois trimestres civils. Toutefois, cette exception ne vaut pas pour les personnes radiées d'office suite à leur départ à l'étranger ou suite à la perte de leur titre de séjour.]1
Modifications
Art. 128quater. <INGEVOEGD bij KB 1997-12-29/30, art. 9, Inwerkingtreding : 01-01-1998> Om te worden beschouwd als studenten die onderwijs van het derde niveau volgen in een instelling voor dagonderwijs, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 14° van de gecoordineerde wet, dienen de betrokken studenten ingeschreven te zijn en leergangen te volgen in een in België gevestigde onderwijsinstelling, (die voorkomt op een lijst die wordt opgemaakt door de Dienst voor administratieve controle, die daartoe samenwerkt met de voor dat onderwijs bevoegde overheden). De hier bedoelde studenten behouden hun hoedanigheid bij afloop van een schooljaar, tot het begin van het volgende schooljaar. <KB 2003-04-08/66, art. 1, 093; Inwerkingtreding : 15-05-2003>
De voormelde onderwijsinstellingen leveren aan de studenten, ter gelegenheid van hun inschrijving, een schriftelijke verwittiging af waarvan het model wordt opgemaakt door de Dienst voor administratieve controle en waarin de betrokken studenten erop worden gewezen dat zij als student die onderwijs van het derde niveau volgt, de hoedanigheid van gerechtigde kunnen bezitten en als dusdanig, mits betaling van een bijdrage en vervulling van andere toekenningsvoorwaarden, gesteld door de gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten, het recht op verzekeringstegemoetkomingen kunnen laten gelden.
De voormelde onderwijsinstellingen leveren aan de studenten, ter gelegenheid van hun inschrijving, een schriftelijke verwittiging af waarvan het model wordt opgemaakt door de Dienst voor administratieve controle en waarin de betrokken studenten erop worden gewezen dat zij als student die onderwijs van het derde niveau volgt, de hoedanigheid van gerechtigde kunnen bezitten en als dusdanig, mits betaling van een bijdrage en vervulling van andere toekenningsvoorwaarden, gesteld door de gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten, het recht op verzekeringstegemoetkomingen kunnen laten gelden.
Art. 128quater. <AR 1997-12-29/30, art. 9, En vigueur : 01-01-1998> Pour être considérés comme étudiants fréquentant l'enseignement du troisième niveau auprès d'un établissement de cours du jour, tel que visé à l'article 32, alinéa premier, 14°, de la loi coordonnée, les étudiants concernés doivent être inscrits et suivre des cours dans un établissement de cours situé en Belgique (qui figure sur une liste établie par le Service du contrôle administratif, qui, à cet effet, collabore avec les autorités compétentes pour cet enseignement). Les étudiants, visés ici, conservent leur qualité à la fin de l'année scolaire jusqu'au début de l'année scolaire suivante. <AR 2003-04-08/66, art. 1, 093; En vigueur : 15-05-2003>
Les établissements de cours précités remettent, aux étudiants, lors de leur inscription, un avis écrit dont le modèle est établi par le Service du Contrôle administratif et par lequel, les étudiants concernés sont avisés qu'en tant qu'étudiant fréquentant cet enseignement de troisième niveau, ils peuvent posséder la qualité de titulaire et peuvent comme tels, à condition de payer une cotisation et de remplir d'autres conditions d'octroi fixées par la loi coordonnée et ses arrêtés d'exécution, faire valoir leur droit à des interventions de l'assurance.
Les établissements de cours précités remettent, aux étudiants, lors de leur inscription, un avis écrit dont le modèle est établi par le Service du Contrôle administratif et par lequel, les étudiants concernés sont avisés qu'en tant qu'étudiant fréquentant cet enseignement de troisième niveau, ils peuvent posséder la qualité de titulaire et peuvent comme tels, à condition de payer une cotisation et de remplir d'autres conditions d'octroi fixées par la loi coordonnée et ses arrêtés d'exécution, faire valoir leur droit à des interventions de l'assurance.
Art. 128quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1997-12-29/30, art. 10, Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. De hierna opgesomde personen zijn niet uitgesloten uit het toepassingsgebied van artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet :
- de vreemdelingen die, van rechtswege, toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk;
- de vreemdelingen die gemachtigd zijn tot verblijf voor een onbepaalde duur of die gevestigd zijn in het Rijk;
- de kandidaat vluchtelingen waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard door de Dienst vreemdelingenzaken of door het Commisariaat generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
- de personen die, in afwachting van hun inschrijving in het Rijksregister van de natuurlijke personen, aantonen dat zij de verklaring hebben verricht, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 met betrekking tot de bevolkingsregisters en de vreemdelingenregisters, door middel van een getuigschrift van de gemeentelijke overheid of door middel van elk ander bewijsmiddel dat als dusdanig erkend wordt door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle;
(- de kinderen die op het moment van de aankomst in België de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt en de personen die hen begeleiden van wie wordt aangetoond dat ze tot het Belgisch grondgebied zijn toegelaten vanaf 14 januari 2009, voor de duur van de zorgen in het kader van de door de Belgische Regering georganiseerde evacuatieoperatie van kinderen die gewond werden in de gevechten van Gaza. De betrokken zorgen worden integraal door de verzekering ten laste genomen.) <KB 2009-01-26/30, art. 1, 158; Inwerkingtreding : 14-01-2009>
§ 2. [1 De hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, 15°, van de gecoördineerde wet gaat niet verloren voor personen die ambtshalve worden geschrapt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat de duur van de schrapping niet drie kalenderkwartalen bereikt. Dezelfde uitzondering geldt voor personen die genoten van geneeskundige prestaties in een andere hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, terwijl ze voldeden aan de voorwaarden van de hoedanigheid, bedoeld in 15°. Deze uitzondering geldt echter niet voor personen die ambtshalve worden geschrapt als gevolg van hun vertrek naar het buitenland of als gevolg van het verlies van hun verblijfsvergunning.]1
- de vreemdelingen die, van rechtswege, toegelaten of gemachtigd zijn tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk;
- de vreemdelingen die gemachtigd zijn tot verblijf voor een onbepaalde duur of die gevestigd zijn in het Rijk;
- de kandidaat vluchtelingen waarvan de aanvraag ontvankelijk werd verklaard door de Dienst vreemdelingenzaken of door het Commisariaat generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.
- de personen die, in afwachting van hun inschrijving in het Rijksregister van de natuurlijke personen, aantonen dat zij de verklaring hebben verricht, bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 met betrekking tot de bevolkingsregisters en de vreemdelingenregisters, door middel van een getuigschrift van de gemeentelijke overheid of door middel van elk ander bewijsmiddel dat als dusdanig erkend wordt door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle;
(- de kinderen die op het moment van de aankomst in België de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt en de personen die hen begeleiden van wie wordt aangetoond dat ze tot het Belgisch grondgebied zijn toegelaten vanaf 14 januari 2009, voor de duur van de zorgen in het kader van de door de Belgische Regering georganiseerde evacuatieoperatie van kinderen die gewond werden in de gevechten van Gaza. De betrokken zorgen worden integraal door de verzekering ten laste genomen.) <KB 2009-01-26/30, art. 1, 158; Inwerkingtreding : 14-01-2009>
§ 2. [1 De hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, 15°, van de gecoördineerde wet gaat niet verloren voor personen die ambtshalve worden geschrapt uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, op voorwaarde dat de duur van de schrapping niet drie kalenderkwartalen bereikt. Dezelfde uitzondering geldt voor personen die genoten van geneeskundige prestaties in een andere hoedanigheid van gerechtigde van artikel 32, eerste lid, terwijl ze voldeden aan de voorwaarden van de hoedanigheid, bedoeld in 15°. Deze uitzondering geldt echter niet voor personen die ambtshalve worden geschrapt als gevolg van hun vertrek naar het buitenland of als gevolg van het verlies van hun verblijfsvergunning.]1
Modifications
Art. 128quinquies. § 1er. Les personnes, énumérées ci-après, ne sont pas exclues du champ d'application de l'article 32, premier alinéa, 15°, de la loi coordonnée :
- les étrangers qui sont admis ou autorisés, de plein droit, à séjourner plus de trois mois dans le Royaume;
- les étrangers qui sont autorisés au séjour pour une durée illimitée ou établis dans le Royaume;
- les candidats réfugiés dont la demande a été déclarée recevable par l'Office des Etrangers ou par le Commissariat général aux Réfugiés et aux Apatrides;
- les personnes qui, en attendant leur inscription dans le Registre national des personnes physiques, établissent qu'elles ont effectué la déclaration, visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 16 juillet 1992 relatif aux registres de la population et des étrangers, au moyen d'une attestation de l'Administration communale ou par tout autre moyen de preuve reconnu comme tel par le fonctionnaire dirigeant du Service du Contrôle administratif;
(- les enfants de moins de 18 ans au moment de l'arrivée en Belgique et les personnes qui les accompagnent dont il est établi qu'ils sont admis au territoire belge à partir du 14 janvier 2009, pour la durée des soins, dans le cadre de l'opération organisée par le Gouvernement Belge d'évacuation d'enfants blessés dans les combats de Gaza. Les soins concernés sont intégralement pris en compte par l'assurance.) <AR 2009-01-26/30, art. 1, 158; En vigueur : 14-01-2009>
§ 2. [1 La qualité de titulaire de l'article 32, alinéa 1er, 15°, de la loi coordonnée n'est pas perdue pour les personnes radiées d'office du Registre national des personnes physiques, à condition que la durée de la radiation n'atteigne pas trois trimestres civils. La même exception vaut pour les personnes qui bénéficiaient des prestations de santé en une autre qualité de titulaire de l'article 32, alinéa 1er, tout en remplissant les conditions de la qualité visée au 15°. Toutefois, cette exception ne vaut pas pour les personnes radiées d'office suite à leur départ à l'étranger ou suite à la perte de leur titre de séjour.]1
- les étrangers qui sont admis ou autorisés, de plein droit, à séjourner plus de trois mois dans le Royaume;
- les étrangers qui sont autorisés au séjour pour une durée illimitée ou établis dans le Royaume;
- les candidats réfugiés dont la demande a été déclarée recevable par l'Office des Etrangers ou par le Commissariat général aux Réfugiés et aux Apatrides;
- les personnes qui, en attendant leur inscription dans le Registre national des personnes physiques, établissent qu'elles ont effectué la déclaration, visée à l'article 7 de l'arrêté royal du 16 juillet 1992 relatif aux registres de la population et des étrangers, au moyen d'une attestation de l'Administration communale ou par tout autre moyen de preuve reconnu comme tel par le fonctionnaire dirigeant du Service du Contrôle administratif;
(- les enfants de moins de 18 ans au moment de l'arrivée en Belgique et les personnes qui les accompagnent dont il est établi qu'ils sont admis au territoire belge à partir du 14 janvier 2009, pour la durée des soins, dans le cadre de l'opération organisée par le Gouvernement Belge d'évacuation d'enfants blessés dans les combats de Gaza. Les soins concernés sont intégralement pris en compte par l'assurance.) <AR 2009-01-26/30, art. 1, 158; En vigueur : 14-01-2009>
§ 2. [1 La qualité de titulaire de l'article 32, alinéa 1er, 15°, de la loi coordonnée n'est pas perdue pour les personnes radiées d'office du Registre national des personnes physiques, à condition que la durée de la radiation n'atteigne pas trois trimestres civils. La même exception vaut pour les personnes qui bénéficiaient des prestations de santé en une autre qualité de titulaire de l'article 32, alinéa 1er, tout en remplissant les conditions de la qualité visée au 15°. Toutefois, cette exception ne vaut pas pour les personnes radiées d'office suite à leur départ à l'étranger ou suite à la perte de leur titre de séjour.]1
Modifications
Art. 128sexies. <INGEVOEGD bij KB 2007-08-03/36, art. 2; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 22°, van de gecoördineerde wet, worden de tussenkomsten van de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn in de kosten van geneeskundige verzorging hierbij niet beschouwd als een regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging. Een materiële tenlasteneming door het Federaal Agentschap voor opvang van asielzoekers of een instelling van de gemeenschappen, zoals nader omschreven door de Dienst voor administratieve controle, wordt evenmin als een regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging beschouwd.
De Dienst voor administratieve controle stelt de bewijsmiddelen vast voor de hoedanigheid van gerechtigde en voor de situaties die hen toelaten deze hoedanigheid te verwerven.
De Dienst voor administratieve controle stelt de bewijsmiddelen vast voor de hoedanigheid van gerechtigde en voor de situaties die hen toelaten deze hoedanigheid te verwerven.
Art. 128sexies. Pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 22°, de la loi coordonnée, les interventions des centres publics d'action sociale dans les frais de soins de santé ne sont pas considérées en la circonstance comme un régime d'assurance soins de santé. Une prise en charge matérielle de l'Agence fédérale pour l'accueil des demandeurs d'asile ou d'une institution communautaire, telle que précisée par le Service du contrôle administratif, est également considérée comme n'étant pas un régime d'assurance soins de santé.
Le Service du contrôle administratif détermine les moyens de preuve de leur qualité de titulaire et ceux des situations qui leur permettent d'acquérir cette qualité.
Le Service du contrôle administratif détermine les moyens de preuve de leur qualité de titulaire et ceux des situations qui leur permettent d'acquérir cette qualité.
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.
CHAPITRE III. - Des conditions d'octroi des prestations.
Afdeling I. - Nadere regelen inzake de opening van het recht op geneeskundige verstrekkingen.
Section I. - Dispositions particulières concernant l'ouverture du droit aux prestations de santé.
Art.129. <KB 1997-12-29/30, art. 12, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Het recht op geneeskundige verstrekkingen, zoals omschreven in titel III van de gecoördineerde wet, wordt voor de [1 gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16°, 20°, 21°, 22° en 24°]1 van de voormelde gecoördineerde wet geopend op de datum waarop de inschrijving of de aansluiting in de hoedanigheid van gerechtigde bij een verzekeringsinstelling uitwerking heeft, zoals bedoeld in artikel 252, en wordt behouden tot 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat waarin het recht wordt geopend. <KB 2007-08-03/36, art. 3, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-07-01/34, art. 8, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Ingeval de inschrijving of aansluiting moet worden beschouwd als een herinschrijving of heraansluiting zoals bedoeld in artikel 252, laatste lid, gaat het voormelde recht in op de datum waarop de herinschrijving of heraansluiting uitwerking heeft, behalve indien het gaat om een gerechtigde die ertoe gehouden is de wachttijd, bepaald in artikel 130 te vervullen. In dat laatste geval wordt het recht op prestaties slechts geopend op de dag na de vervulling van de wachttijd en wordt het behouden tot 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat waarin het recht wordt geopend. De bijdrageverplichtingen in verband met de wachttijd moeten zijn vervuld, uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin het recht op tegemoetkomingen, na vervulling van de wachttijd, kan worden geopend. Indien de wachttijd niet werd vervuld, en het recht op tegemoetkomingen niet kan worden toegekend voor de zoëven vermelde periode van opening van recht, kan het recht op tegemoetkomingen voor het daaropvolgende jaar slechts worden toegekend onder de voorwaarden, vermeld in artikel 131.
(De gerechtigden van wie het recht in 2007 werd geopend overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, hebben recht op de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor alle verstrekkingen die in artikel 34 zijn opgesomd.) <KB 2008-07-01/34, art. 8, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Ingeval de inschrijving of aansluiting moet worden beschouwd als een herinschrijving of heraansluiting zoals bedoeld in artikel 252, laatste lid, gaat het voormelde recht in op de datum waarop de herinschrijving of heraansluiting uitwerking heeft, behalve indien het gaat om een gerechtigde die ertoe gehouden is de wachttijd, bepaald in artikel 130 te vervullen. In dat laatste geval wordt het recht op prestaties slechts geopend op de dag na de vervulling van de wachttijd en wordt het behouden tot 31 december van het kalenderjaar dat volgt op dat waarin het recht wordt geopend. De bijdrageverplichtingen in verband met de wachttijd moeten zijn vervuld, uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op dat waarin het recht op tegemoetkomingen, na vervulling van de wachttijd, kan worden geopend. Indien de wachttijd niet werd vervuld, en het recht op tegemoetkomingen niet kan worden toegekend voor de zoëven vermelde periode van opening van recht, kan het recht op tegemoetkomingen voor het daaropvolgende jaar slechts worden toegekend onder de voorwaarden, vermeld in artikel 131.
(De gerechtigden van wie het recht in 2007 werd geopend overeenkomstig artikel 26 van het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, hebben recht op de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor alle verstrekkingen die in artikel 34 zijn opgesomd.) <KB 2008-07-01/34, art. 8, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Modifications
Art.129. <AR 1997-12-29/30, art. 12, 017; En vigueur : 01-01-1998> Pour les [1 titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 16°, 20°, 21°, 22° et 24°]1, de la loi coordonnée précitée, le droit aux prestations de santé décrit au Titre III de la même loi coordonnée, s'ouvre à la date d'effet de l'inscription ou de l'affiliation en qualité de titulaire auprès d'un organisme assureur, au sens de l'article 252, et est maintenu jusqu'au 31 décembre de l'année civile qui suit celle au cours de laquelle le droit s'est ouvert. <AR 2008-07-01/34, art. 8, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Dans le cas où l'inscription ou l'affiliation doit être considérée comme une réinscription ou une réaffiliation au sens de l'article 252, dernier alinéa, le droit susvisé s'ouvre à la date d'effet de la réinscription ou de la réaffiliation, sauf s'il s'agit d'un titulaire tenu d'accomplir le stage prévu à l'article 130. Dans ce dernier cas, le droit aux prestations ne prend cours que le jour suivant l'accomplissement du stage et est maintenu jusqu'au 31 décembre de l'année civile qui suit celle au cours de laquelle le droit s'est ouvert. Les obligations de cotisation relatives au stage doivent être remplies au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle le droit aux prestations a pu s'ouvrir après l'accomplissement du stage. Si le stage n'a pas été accompli et si le droit aux prestations ne peut être accordé pour la période susvisée d'ouverture du droit, le droit aux prestations ne peut être accordé pour l'année suivante que dans les conditions reprises à l'article 131.
(Les titulaires dont le droit s'est ouvert en 2007 conformément à l'article 26 de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, ont droit à l'intervention de l'assurance soins de santé pour l'ensemble des prestations énumérées à l'article 34.) <AR 2008-07-01/34, art. 8, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Dans le cas où l'inscription ou l'affiliation doit être considérée comme une réinscription ou une réaffiliation au sens de l'article 252, dernier alinéa, le droit susvisé s'ouvre à la date d'effet de la réinscription ou de la réaffiliation, sauf s'il s'agit d'un titulaire tenu d'accomplir le stage prévu à l'article 130. Dans ce dernier cas, le droit aux prestations ne prend cours que le jour suivant l'accomplissement du stage et est maintenu jusqu'au 31 décembre de l'année civile qui suit celle au cours de laquelle le droit s'est ouvert. Les obligations de cotisation relatives au stage doivent être remplies au plus tard le 31 décembre de l'année qui suit celle au cours de laquelle le droit aux prestations a pu s'ouvrir après l'accomplissement du stage. Si le stage n'a pas été accompli et si le droit aux prestations ne peut être accordé pour la période susvisée d'ouverture du droit, le droit aux prestations ne peut être accordé pour l'année suivante que dans les conditions reprises à l'article 131.
(Les titulaires dont le droit s'est ouvert en 2007 conformément à l'article 26 de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, ont droit à l'intervention de l'assurance soins de santé pour l'ensemble des prestations énumérées à l'article 34.) <AR 2008-07-01/34, art. 8, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Modifications
Afdeling II. - Wachttijd voor het recht op geneeskundige verstrekkingen.
Section II. - Du stage pour le droit aux soins de santé.
Art.130. <KB 1997-12-29/30, art. 14, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> § 1. De gerechtigden waarvan de inschrijving of aansluiting moet worden beschouwd als een herinschrijving of heraansluiting zoals bedoeld in artikel 252, laatste lid en waarvan de geldigheid van de vorige inschrijving vervallen is omwille van de niet-nakoming van de persoonlijke bijdrageverplichtingen die gesteld worden in verband met het recht op tegemoetkomingen, moeten een wachttijd van zes maanden volbrengen die aanvangt op de datum waarop de herinschrijving of heraansluiting uitwerking heeft.
Binnen de maand die volgt op het einde van de wachttijd worden voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet, de gegevens overgemaakt bedoeld in artikel 277, weliswaar beperkt tot de duur van de wachttijd, volgens de procedure vermeld in laatstgenoemd artikel.
Binnen de maand die volgt op het einde van de wachttijd wordt voor de gerechtigden die niet zijn bedoeld in het vorige lid een document afgegeven door de instanties of de personen die voor de betrokken gerechtigden de bijdragebescheiden bedoeld in artikel 276, §1, afleveren en dat dezelfde gegevens bevat als deze bijdragebescheiden, weliswaar beperkt tot de duur van de wachttijd.
De gerechtigde levert het in het vorige lid bedoeld document of de papieren bijdragebon die hij desgevallend in toepassing van artikel 277, §1, ontvangt, in bij zijn verzekeringsinstelling binnen de twee maanden na het einde van de wachttijd.
De verzekeringsinstelling gaat na of op basis van de hiervoor vermelde gegevens of documenten, de minimumwaarde, gesteld voor het tijdvak van de wachttijd, bereikt wordt in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging, en desgevallend, van de uitkeringsverzekering; zij vordert eventueel een aanvullende bijdrage, volgens de regels vermeld in artikel 290. Zij gaat hierbij uit van de helft van het jaarlijks minimumloon, alsmede van de noemer 120.
De wachttijd is vervuld indien de minimumwaarde bereikt wordt in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging. [4 ...]4
(lid 7 opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 9, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
§ 2. De bepalingen van §1 zijn evenwel niet van toepassing op :
1. de personen die in de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid konden genieten;
2. de personen die in de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving rechthebbende waren in een stelsel van verzekering voor geneeskundige verzorging georganiseerd door een land van de Europese Economische Ruimte of van een staat waarmee België een akkoord inzake sociale zekerheid heeft gesloten in verband met de samentelling van de verzekeringstijdvakken;
3. de personen die in België hun hoofdverblijfplaats hebben en die, in de zes maanden voor afgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving, onder de toepassing vallen van een statuut van een instelling van internationaal of Europees recht, gevestigd in België, of waarbij ze in België tewerkgesteld waren, dat een tegemoetkoming voorziet in de kosten van gezondheidszorgen;
4. de personen die zich in de loop van de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving in het buitenland bevonden voor het vervullen van een zending in opdracht van hun werkgever of geestelijke overheid;
5. [1 de gerechtigden voor wie erkend wordt dat zij zich in een behartigenswaardige toestand bevinden die als dusdanig wordt erkend door de verzekeringsinstelling en vervolgens door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 13° van de gecoördineerde wet, kinderen met een handicap waarvan de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % is vastgesteld door een arts van de Directie-generaal Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, alsmede de personen die aantonen dat zij één van de volgende voordelen genieten :
a) het leefloon ingesteld bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) steun die geheel of gedeeltelijk door de federale overheid wordt ten laste genomen op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) de inkomensgarantie voor ouderen ingesteld bij de wet van 22 maart 2001;
d) het gewaarborgd inkomen voor bejaarden ingesteld bij de wet van 1 april 1969, alsook het behoud van het recht op de rentebijslag;
e) een tegemoetkoming die wordt toegekend aan een persoon met een handicap krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;]1
6. [3 de personen die de hoedanigheid van [4 gerechtigde hebben als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 7° tot 11° sexies, 16°, 20° en 24°]4 van de voormelde gecoördineerde wet.]3
[1 Voor de toepassing van de punten 5 en 6 moet de persoon het voordeel genieten of zich in de toestand bevinden op de datum van de aanvraag tot herinschrijving of binnen de zes maanden te rekenen van de datum waarop de herinschrijving uitwerking heeft.]1
Binnen de maand die volgt op het einde van de wachttijd worden voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet, de gegevens overgemaakt bedoeld in artikel 277, weliswaar beperkt tot de duur van de wachttijd, volgens de procedure vermeld in laatstgenoemd artikel.
Binnen de maand die volgt op het einde van de wachttijd wordt voor de gerechtigden die niet zijn bedoeld in het vorige lid een document afgegeven door de instanties of de personen die voor de betrokken gerechtigden de bijdragebescheiden bedoeld in artikel 276, §1, afleveren en dat dezelfde gegevens bevat als deze bijdragebescheiden, weliswaar beperkt tot de duur van de wachttijd.
De gerechtigde levert het in het vorige lid bedoeld document of de papieren bijdragebon die hij desgevallend in toepassing van artikel 277, §1, ontvangt, in bij zijn verzekeringsinstelling binnen de twee maanden na het einde van de wachttijd.
De verzekeringsinstelling gaat na of op basis van de hiervoor vermelde gegevens of documenten, de minimumwaarde, gesteld voor het tijdvak van de wachttijd, bereikt wordt in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging, en desgevallend, van de uitkeringsverzekering; zij vordert eventueel een aanvullende bijdrage, volgens de regels vermeld in artikel 290. Zij gaat hierbij uit van de helft van het jaarlijks minimumloon, alsmede van de noemer 120.
De wachttijd is vervuld indien de minimumwaarde bereikt wordt in het kader van de verzekering voor geneeskundige verzorging. [4 ...]4
(lid 7 opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 9, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
§ 2. De bepalingen van §1 zijn evenwel niet van toepassing op :
1. de personen die in de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid konden genieten;
2. de personen die in de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving rechthebbende waren in een stelsel van verzekering voor geneeskundige verzorging georganiseerd door een land van de Europese Economische Ruimte of van een staat waarmee België een akkoord inzake sociale zekerheid heeft gesloten in verband met de samentelling van de verzekeringstijdvakken;
3. de personen die in België hun hoofdverblijfplaats hebben en die, in de zes maanden voor afgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving, onder de toepassing vallen van een statuut van een instelling van internationaal of Europees recht, gevestigd in België, of waarbij ze in België tewerkgesteld waren, dat een tegemoetkoming voorziet in de kosten van gezondheidszorgen;
4. de personen die zich in de loop van de zes maanden voorafgaand aan hun heraansluiting of herinschrijving in het buitenland bevonden voor het vervullen van een zending in opdracht van hun werkgever of geestelijke overheid;
5. [1 de gerechtigden voor wie erkend wordt dat zij zich in een behartigenswaardige toestand bevinden die als dusdanig wordt erkend door de verzekeringsinstelling en vervolgens door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 13° van de gecoördineerde wet, kinderen met een handicap waarvan de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % is vastgesteld door een arts van de Directie-generaal Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, alsmede de personen die aantonen dat zij één van de volgende voordelen genieten :
a) het leefloon ingesteld bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) steun die geheel of gedeeltelijk door de federale overheid wordt ten laste genomen op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) de inkomensgarantie voor ouderen ingesteld bij de wet van 22 maart 2001;
d) het gewaarborgd inkomen voor bejaarden ingesteld bij de wet van 1 april 1969, alsook het behoud van het recht op de rentebijslag;
e) een tegemoetkoming die wordt toegekend aan een persoon met een handicap krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;]1
6. [3 de personen die de hoedanigheid van [4 gerechtigde hebben als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 7° tot 11° sexies, 16°, 20° en 24°]4 van de voormelde gecoördineerde wet.]3
[1 Voor de toepassing van de punten 5 en 6 moet de persoon het voordeel genieten of zich in de toestand bevinden op de datum van de aanvraag tot herinschrijving of binnen de zes maanden te rekenen van de datum waarop de herinschrijving uitwerking heeft.]1
Art.130. <AR 1997-12-29/30, art. 14, 017; En vigueur : 01-01-1998> § 1er. Les titulaires, dont l'inscription ou l'affiliation doit être considérée comme une réinscription ou une réaffiliation au sens de l'article 252, dernier alinéa et dont la validité de la précédente inscription est échue en raison du non-respect des obligations en matière de cotisations personnelles qui sont fixées en ce qui concerne le droit aux interventions, doivent accomplir un stage de six mois qui débute à la date d'effet de la réinscription ou de la réaffiliation.
Pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa premier, 1°, de la loi coordonnée, les données, visées à l'article 277, néanmoins limitées à la durée du stage, doivent être transmises selon la procédure exposée dans l'article précité, dans le mois suivant la fin du stage.
Dans le mois suivant la fin du stage, les instances ou les personnes qui délivrent, aux titulaires concernés, les documents de cotisation visés à l'article 276, § 1er, remettent aux titulaires qui ne sont pas visés au précédent alinéa, un document comportant les mêmes données que ces documents de cotisation, néanmoins limitées à la durée du stage.
Le titulaire remet à son organisme assureur, dans les deux mois suivant la fin du stage, le document visé au précédent alinéa ou le bon de cotisation papier qu'il reçoit, le cas échéant, en application de l'article 277, § 1er.
Sur la base des données ou des documents mentionnés ci-avant, l'organisme assureur vérifie si la valeur minimum, fixée pour la période du stage, est atteinte dans le cadre de l'assurance soins de santé, et le cas échéant, de l'assurance indemnités; il réclame éventuellement un complément de cotisation, suivant les règles indiquées à l'article 290. Pour ce faire, il se base sur la moitie de la rémunération annuelle minimum ainsi que sur le dénominateur 120.
Le stage est accompli si la valeur minimum est atteinte dans le cadre de l'assurance soins de santé. [4 ...]4
(alinéa 7 supprimé) <AR 2008-07-01/34, art. 9, 151; En vigueur : 01-01-2008>
§ 2. Les dispositions du § 1er ne s'appliquent cependant pas aux :
1. personnes qui, dans les six mois précédant leur réaffiliation ou réinscription, pouvaient bénéficier d'interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges;
2. personnes qui, dans les six mois précédant leur réaffiliation ou réinscription, étaient bénéficiaires d'un régime d'assurance soins de santé organisé par un Etat de l'Espace économique européen ou un Etat avec lequel la Belgique a conclu une convention en matière de sécurité sociale relatives à la totalisation des périodes d'assurance;
3. personnes ayant leur résidence principale en Belgique et qui, dans les six mois précédant leur réaffiliation ou réinscription, tombent sous l'application d'un statut d'un organisme de droit international ou européen, établi en Belgique ou par lequel elles sont employées en Belgique, qui prévoit une intervention dans le coût des soins de santé;
4. personnes qui, au cours des six mois précédant leur réaffiliation ou réinscription, se trouvaient à l'étranger pour l'accomplissement d'une mission pour le compte de leur employeur ou de leur autorité religieuse;
5. [1 les titulaires dont on reconnaît qu'ils se trouvent dans une situation digne d'intérêt, qui est reconnue comme telle par l'organisme assureur et, ensuite, par le Fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 13° de la loi coordonnée, les enfants handicapés dont l'incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % est constatée par un médecin de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale, ainsi que les personnes qui démontrent qu'elles bénéficient d'un des avantages suivants :
a) le revenu d'intégration institué par la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) le secours totalement ou partiellement pris en charge par l'Etat fédéral sur la base des articles 4 et 5 de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale;
c) la garantie de revenus aux personnes âgées instituée par la loi du 22 mars 2001;
d) le revenu garanti aux personnes âgées institué par la loi du 1er avril 1969, ainsi que le maintien du droit à la majoration de la rente;
e) une allocation octroyée à une personne handicapée en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;]1
6. [3 personnes qui ont la qualité de [4 titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 7° à 11° sexies, 16°, 20° et 24°]4, de la loi coordonnée précitée.]3
[1 Pour l'application des points 5 et 6, la personne doit bénéficier de l'avantage ou se trouver dans la situation à la date de la demande de réinscription ou dans les six mois à compter de la date à laquelle la réinscription prend effect.]1
Pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa premier, 1°, de la loi coordonnée, les données, visées à l'article 277, néanmoins limitées à la durée du stage, doivent être transmises selon la procédure exposée dans l'article précité, dans le mois suivant la fin du stage.
Dans le mois suivant la fin du stage, les instances ou les personnes qui délivrent, aux titulaires concernés, les documents de cotisation visés à l'article 276, § 1er, remettent aux titulaires qui ne sont pas visés au précédent alinéa, un document comportant les mêmes données que ces documents de cotisation, néanmoins limitées à la durée du stage.
Le titulaire remet à son organisme assureur, dans les deux mois suivant la fin du stage, le document visé au précédent alinéa ou le bon de cotisation papier qu'il reçoit, le cas échéant, en application de l'article 277, § 1er.
Sur la base des données ou des documents mentionnés ci-avant, l'organisme assureur vérifie si la valeur minimum, fixée pour la période du stage, est atteinte dans le cadre de l'assurance soins de santé, et le cas échéant, de l'assurance indemnités; il réclame éventuellement un complément de cotisation, suivant les règles indiquées à l'article 290. Pour ce faire, il se base sur la moitie de la rémunération annuelle minimum ainsi que sur le dénominateur 120.
Le stage est accompli si la valeur minimum est atteinte dans le cadre de l'assurance soins de santé. [4 ...]4
(alinéa 7 supprimé) <AR 2008-07-01/34, art. 9, 151; En vigueur : 01-01-2008>
§ 2. Les dispositions du § 1er ne s'appliquent cependant pas aux :
1. personnes qui, dans les six mois précédant leur réaffiliation ou réinscription, pouvaient bénéficier d'interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges;
2. personnes qui, dans les six mois précédant leur réaffiliation ou réinscription, étaient bénéficiaires d'un régime d'assurance soins de santé organisé par un Etat de l'Espace économique européen ou un Etat avec lequel la Belgique a conclu une convention en matière de sécurité sociale relatives à la totalisation des périodes d'assurance;
3. personnes ayant leur résidence principale en Belgique et qui, dans les six mois précédant leur réaffiliation ou réinscription, tombent sous l'application d'un statut d'un organisme de droit international ou européen, établi en Belgique ou par lequel elles sont employées en Belgique, qui prévoit une intervention dans le coût des soins de santé;
4. personnes qui, au cours des six mois précédant leur réaffiliation ou réinscription, se trouvaient à l'étranger pour l'accomplissement d'une mission pour le compte de leur employeur ou de leur autorité religieuse;
5. [1 les titulaires dont on reconnaît qu'ils se trouvent dans une situation digne d'intérêt, qui est reconnue comme telle par l'organisme assureur et, ensuite, par le Fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 13° de la loi coordonnée, les enfants handicapés dont l'incapacité physique ou mentale d'au moins 66 % est constatée par un médecin de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale, ainsi que les personnes qui démontrent qu'elles bénéficient d'un des avantages suivants :
a) le revenu d'intégration institué par la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) le secours totalement ou partiellement pris en charge par l'Etat fédéral sur la base des articles 4 et 5 de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale;
c) la garantie de revenus aux personnes âgées instituée par la loi du 22 mars 2001;
d) le revenu garanti aux personnes âgées institué par la loi du 1er avril 1969, ainsi que le maintien du droit à la majoration de la rente;
e) une allocation octroyée à une personne handicapée en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées;]1
6. [3 personnes qui ont la qualité de [4 titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 7° à 11° sexies, 16°, 20° et 24°]4, de la loi coordonnée précitée.]3
[1 Pour l'application des points 5 et 6, la personne doit bénéficier de l'avantage ou se trouver dans la situation à la date de la demande de réinscription ou dans les six mois à compter de la date à laquelle la réinscription prend effect.]1
Afdeling III. Nadere regelen inzake het behoud van het recht op de geneeskundige verstrekkingen.
Section III. - Dispositions particulières relatives au maintien du droit aux prestations de santé.
Art.131. <KB 1997-12-29/30, art. 16, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> (§ 1.) Eens het voormelde recht op geneeskundige verstrekkingen is ingegaan op de wijze, omschreven in artikel 129, is de verdere toekenning van het recht, die onderworpen is aan de voorwaarden vastgesteld in artikel 123 van de gecoördineerde wet, tevens onderworpen aan de voorwaarde dat de hoedanigheid van [2 gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16°, 20°, 21°, 22° en 24°]2 van de gecoördineerde wet nog bestond in het laatste kwartaal van het refertejaar of in de loop van het daaropvolgende kalenderjaar. <KB 1999-03-16/31, art. 3, 030; Inwerkingtreding : 01-04-1999> <KB 2007-08-03/36, art. 4, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[1 De voormelde toekenning van recht kan slechts gebeuren, indien de bijdrageverplichtingen in verband met het refertejaar werden nagekomen, en zulks uiterlijk op 31 december van het daaropvolgende vijfde kalenderjaar.]1
(In afwijking van het eerste lid wordt het recht op geneeskundige verzorging verlengd vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal in de loop waarvan opnieuw een hoedanigheid van gerechtigde wordt verworven voor zover die hoedanigheid tijdens de geldigheidsduur van een reeds bestaande inschrijving werd verworven en voor zover de bijdrageplicht met betrekking tot het refertejaar werd vervuld. Dat recht wordt aldus verlengd tot het einde van het lopende jaar.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[3 In afwijking van de vorige leden wordt het recht op geneeskundige verzorging in de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet slechts verlengd vanaf de dag van verwerving van deze hoedanigheid.]3
(§ 2. Het recht kan eveneens worden verlengd voor 2008 indien er tijdens het laatste kwartaal van 2006 of in de loop van 2007 een hoedanigheid van gerechtigde bestond krachtens het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, en indien de bijdrageplicht voor 2006, opgelegd bij hetzelfde besluit, voor de verlenging van het recht werd vervuld.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(§ 3. Evenzo kan het recht ook voor 2009 worden verlengd indien tijdens het laatste kwartaal van 2007 of in de loop van 2008 een hoedanigheid van gerechtigde bestond krachtens het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997 en indien de bijdrageplicht voor 2007, opgelegd bij hetzelfde besluit, voor de verlenging van het recht werd vervuld.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[1 De voormelde toekenning van recht kan slechts gebeuren, indien de bijdrageverplichtingen in verband met het refertejaar werden nagekomen, en zulks uiterlijk op 31 december van het daaropvolgende vijfde kalenderjaar.]1
(In afwijking van het eerste lid wordt het recht op geneeskundige verzorging verlengd vanaf de eerste dag van het kalenderkwartaal in de loop waarvan opnieuw een hoedanigheid van gerechtigde wordt verworven voor zover die hoedanigheid tijdens de geldigheidsduur van een reeds bestaande inschrijving werd verworven en voor zover de bijdrageplicht met betrekking tot het refertejaar werd vervuld. Dat recht wordt aldus verlengd tot het einde van het lopende jaar.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[3 In afwijking van de vorige leden wordt het recht op geneeskundige verzorging in de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet slechts verlengd vanaf de dag van verwerving van deze hoedanigheid.]3
(§ 2. Het recht kan eveneens worden verlengd voor 2008 indien er tijdens het laatste kwartaal van 2006 of in de loop van 2007 een hoedanigheid van gerechtigde bestond krachtens het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, en indien de bijdrageplicht voor 2006, opgelegd bij hetzelfde besluit, voor de verlenging van het recht werd vervuld.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(§ 3. Evenzo kan het recht ook voor 2009 worden verlengd indien tijdens het laatste kwartaal van 2007 of in de loop van 2008 een hoedanigheid van gerechtigde bestond krachtens het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997 en indien de bijdrageplicht voor 2007, opgelegd bij hetzelfde besluit, voor de verlenging van het recht werd vervuld.) <KB 2008-07-01/34, art. 10, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art.131. <AR 1997-12-29/30, art. 16, 017; En vigueur : 01-01-1998> (§ 1er.) Une fois que le droit susvisé aux prestations a été ouvert de la façon définie à l'article 129, l'octroi ultérieur du droit, qui est soumis aux conditions fixées à l'article 123 de la loi coordonnée, est également subordonné à la condition que la qualité de [2 titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 16°, 20°, 21°, 22° et 24°]2, de la loi coordonnée existât encore au cours du dernier trimestre de l'année de référence ou dans le courant de l'année civile suivante. <AR 1999-03-16/31, art. 3, 030; En vigueur : 01-04-1999> <AR 2007-08-03/36, art. 4, 1°, 147; En vigueur : 01-01-2008> <AR 2008-07-01/34, art. 10, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[1 Le droit précité ne peut être octroyé que s'il a été satisfait aux obligations de cotisation en rapport avec l'année de référence et ce, au plus tard le 31 décembre de la cinquième année civile suivante.]1
(Par dérogation à l'alinéa 1er, le droit aux soins de santé est prolonge à partir du premier jour du trimestre civil au cours duquel une qualité de titulaire est à nouveau acquise pour autant que cette qualité soit acquise au cours de la durée de validité d'une inscription déjà existante et pour autant que l'obligation de cotisation afférente à l'année de référence ait été respectée. Ce droit est ainsi prolongé jusqu'à la fin de l'année en cours.) <AR 2008-07-01/34, art. 10, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[3 Par dérogation aux alinéas précédents, le droit aux soins de santé en la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, n'est prolongé qu'à partir du jour de l'acquisition de cette qualité.]3
(§ 2. Le droit peut également être prolongé pour l'année 2008 s'il existait au cours du dernier trimestre 2006 ou dans le courant de 2007 une qualité de titulaire en vertu de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, et s'il a été satisfait aux obligations de cotisation en rapport avec l'année 2006, imposées par le même arrêté pour prolonger le droit.) <AR 2008-07-01/34, art. 10, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(§ 3. De même, le droit peut également être prolongé pour l'année 2009 s'il existait au cours du dernier trimestre 2007 ou dans le courant de 2008 une qualité de titulaire en vertu de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 susvisé et s'il a été satisfait aux obligations de cotisation en rapport avec l'année 2007, imposées par le même arrêté pour prolonger le droit.) <AR 2008-07-01/34, art. 10, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[1 Le droit précité ne peut être octroyé que s'il a été satisfait aux obligations de cotisation en rapport avec l'année de référence et ce, au plus tard le 31 décembre de la cinquième année civile suivante.]1
(Par dérogation à l'alinéa 1er, le droit aux soins de santé est prolonge à partir du premier jour du trimestre civil au cours duquel une qualité de titulaire est à nouveau acquise pour autant que cette qualité soit acquise au cours de la durée de validité d'une inscription déjà existante et pour autant que l'obligation de cotisation afférente à l'année de référence ait été respectée. Ce droit est ainsi prolongé jusqu'à la fin de l'année en cours.) <AR 2008-07-01/34, art. 10, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[3 Par dérogation aux alinéas précédents, le droit aux soins de santé en la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, n'est prolongé qu'à partir du jour de l'acquisition de cette qualité.]3
(§ 2. Le droit peut également être prolongé pour l'année 2008 s'il existait au cours du dernier trimestre 2006 ou dans le courant de 2007 une qualité de titulaire en vertu de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, et s'il a été satisfait aux obligations de cotisation en rapport avec l'année 2006, imposées par le même arrêté pour prolonger le droit.) <AR 2008-07-01/34, art. 10, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(§ 3. De même, le droit peut également être prolongé pour l'année 2009 s'il existait au cours du dernier trimestre 2007 ou dans le courant de 2008 une qualité de titulaire en vertu de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 susvisé et s'il a été satisfait aux obligations de cotisation en rapport avec l'année 2007, imposées par le même arrêté pour prolonger le droit.) <AR 2008-07-01/34, art. 10, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Afdeling IV. [1 - Persoonlijke bijdrage van de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21°, 22° en 24° van de gecoördineerde wet.]1
Section IV. [1 - Cotisation personnelle des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 12°, 14°, 15°, 21°, 22° et 24°, de la loi coordonnée.]1
Art.132. (opgeheven) <KB 2008-07-01/34, art. 12, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Art.132. (abrogé) <AR 2008-07-01/34, art. 12, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Art.133. <KB 1997-12-29/30, art. 19, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> De in artikel 32, eerste lid, 14° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is een trimestriële bijdrage verschuldigd van (43,11 EUR). <KB 2001-12-11/45, art. 13, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Deze bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en zulks vanaf het kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid van gerechtigde werd verworven.
(Het bedrag van deze bijdrage is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. (...). <KB 2001-12-11/45, art. 13, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Deze bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en zulks vanaf het kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid van gerechtigde werd verworven.
(Het bedrag van deze bijdrage is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het bedrag wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. (...). <KB 2001-12-11/45, art. 13, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art.133. <AR 1997-12-29/30, art. 19, 017; En vigueur : 01-01-1998> Le titulaire, visé à l'article 32, alinéa premier, 14°, de la loi coordonnée, est redevable d'une cotisation trimestrielle de (43,11 EUR). <AR 2001-12-11/45, art. 13, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Cette cotisation est due pour chaque trimestre pendant lequel la qualité de titulaire précitée existe et ce, dès le trimestre au cours duquel la qualité de titulaire précitée a été acquise.
(Le montant de cette cotisation est lié à l'indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint le 31 octobre 1999.) Le montant est adapté au 1er janvier de chaque année au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente. (...). <AR 2001-12-11/45, art. 13, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Cette cotisation est due pour chaque trimestre pendant lequel la qualité de titulaire précitée existe et ce, dès le trimestre au cours duquel la qualité de titulaire précitée a été acquise.
(Le montant de cette cotisation est lié à l'indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint le 31 octobre 1999.) Le montant est adapté au 1er janvier de chaque année au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente. (...). <AR 2001-12-11/45, art. 13, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Art.134. <KB 2000-09-03/46, art. 1, 052; Inwerkingtreding : 01-01-2001> De in artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is een trimestriële bijdrage verschuldigd van (508,53 EUR). <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Deze bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid bestaat en zulks vanaf het kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid werd verworven.
[1 Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verminderd tot 254,26 EUR wanneer de gerechtigde het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, lager is dan 25.285,14 EUR.]1
Het zoëven genoemde bedrag van (25 285,14 EUR), (dat gekoppeld is aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)), wordt aangepast aan de evolutie van de spilindex van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de inkomensgrenzen van de rechthebbenden op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, van de publieke en private sector, zoals voorzien in het voormelde koninklijk besluit [1 ...]1. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002 <KB 2007-06-14/44, art. 1, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>>
Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verminderd tot (43,11 EUR) wanneer de gerechtigde het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld [1 overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014, lager is dan het bedrag bedoeld in artikel 21 van hetzelfde besluit]1. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2007-06-14/44, art. 1, 3°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
(De gerechtigde, bedoeld in het voormelde artikel 32, eerste lid, 15° is vrijgesteld van bijdragebetaling indien hij het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in [1 artikel 27 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1, lager is dan het bedrag bedoeld in artikel 17), niet hoger is dan het bedrag (voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°) van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig de nadere regels die van toepassing zijn in het kader van de voornoemde wet van 26 mei 2002.) <KB 2003-04-08/65, art. 3, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2007-06-14/44, art. 1, 4°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Het in het derde, vijfde en zesde lid bedoelde bewijs wordt geleverd door ondertekening van een verklaring op erewoord, zoals opgenomen in [1 bijlage 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1; de juistheid van de verklaring wordt nagegaan door de Dienst voor administratieve controle, volgens de modaliteiten die deze Dienst bepaalt. De in de zoëven genoemde leden bedoelde gerechtigden zijn ertoe gehouden binnen de dertig dagen hun verzekeringsinstelling op de hoogte te brengen van elke wijziging die een verhoging van de inkomens tot gevolg heeft, met uitzondering van een wijziging in de informatiegegevens, bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, voor zover ze die wijziging aan het bevoegde gemeentebestuur hebben meegedeeld. De verzekeringsinstelling zal bestendig rekening houden met elke wijziging in de samenstelling van het gezin van de voormelde gerechtigden. Aan de hand van de aldus bekomen gegevens, zal de toegekende vermindering van het bijdragebedrag opnieuw worden onderzocht en eventueel worden ingetrokken de eerste dag van het tweede kwartaal na dat waarin één van de wijzigingen heeft plaatsgehad. <KB 2007-06-14/44, art. 1, 5°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[1 Hetgeen is bepaald in de artikelen 21 en 25 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1 in verband met de verhoging van het grensbedrag en de inkomens waarmee rekening moet worden gehouden is eveneens van toepassing op de vaststelling van de grensbedragen en de inkomens waarmee voor de toepassing van dit artikel rekening moet worden gehouden. <KB 2007-06-14/44, art. 1, 6°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[1 De in artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, die recht heeft op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet, is vrijgesteld van bijdragebetaling. De voormelde gerechtigde geniet deze vrijstelling van bijdragebetaling zolang hij van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming geniet.]1 [3 ...]3
(Het bedrag van de in dit artikel bepaalde bijdragen is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Deze bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid bestaat en zulks vanaf het kwartaal waarin de voormelde hoedanigheid werd verworven.
[1 Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verminderd tot 254,26 EUR wanneer de gerechtigde het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, lager is dan 25.285,14 EUR.]1
Het zoëven genoemde bedrag van (25 285,14 EUR), (dat gekoppeld is aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)), wordt aangepast aan de evolutie van de spilindex van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als de inkomensgrenzen van de rechthebbenden op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, van de publieke en private sector, zoals voorzien in het voormelde koninklijk besluit [1 ...]1. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002 <KB 2007-06-14/44, art. 1, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>>
Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt verminderd tot (43,11 EUR) wanneer de gerechtigde het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld [1 overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014, lager is dan het bedrag bedoeld in artikel 21 van hetzelfde besluit]1. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2007-06-14/44, art. 1, 3°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
(De gerechtigde, bedoeld in het voormelde artikel 32, eerste lid, 15° is vrijgesteld van bijdragebetaling indien hij het bewijs levert dat het totaal jaarlijks bedrag van de inkomsten van zijn gezin, vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in [1 artikel 27 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1, lager is dan het bedrag bedoeld in artikel 17), niet hoger is dan het bedrag (voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, zoals bedoeld in artikel 14, § 1, 3°) van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Dit bedrag wordt geïndexeerd overeenkomstig de nadere regels die van toepassing zijn in het kader van de voornoemde wet van 26 mei 2002.) <KB 2003-04-08/65, art. 3, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2007-06-14/44, art. 1, 4°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
Het in het derde, vijfde en zesde lid bedoelde bewijs wordt geleverd door ondertekening van een verklaring op erewoord, zoals opgenomen in [1 bijlage 2 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1; de juistheid van de verklaring wordt nagegaan door de Dienst voor administratieve controle, volgens de modaliteiten die deze Dienst bepaalt. De in de zoëven genoemde leden bedoelde gerechtigden zijn ertoe gehouden binnen de dertig dagen hun verzekeringsinstelling op de hoogte te brengen van elke wijziging die een verhoging van de inkomens tot gevolg heeft, met uitzondering van een wijziging in de informatiegegevens, bedoeld bij artikel 3, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van het Rijksregister van de natuurlijke personen, voor zover ze die wijziging aan het bevoegde gemeentebestuur hebben meegedeeld. De verzekeringsinstelling zal bestendig rekening houden met elke wijziging in de samenstelling van het gezin van de voormelde gerechtigden. Aan de hand van de aldus bekomen gegevens, zal de toegekende vermindering van het bijdragebedrag opnieuw worden onderzocht en eventueel worden ingetrokken de eerste dag van het tweede kwartaal na dat waarin één van de wijzigingen heeft plaatsgehad. <KB 2007-06-14/44, art. 1, 5°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[1 Hetgeen is bepaald in de artikelen 21 en 25 van het voornoemde koninklijk besluit van 15 januari 2014]1 in verband met de verhoging van het grensbedrag en de inkomens waarmee rekening moet worden gehouden is eveneens van toepassing op de vaststelling van de grensbedragen en de inkomens waarmee voor de toepassing van dit artikel rekening moet worden gehouden. <KB 2007-06-14/44, art. 1, 6°, 145; Inwerkingtreding : 01-04-2007>
[1 De in artikel 32, eerste lid, 15° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, die recht heeft op de verhoogde verzekeringstegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet, is vrijgesteld van bijdragebetaling. De voormelde gerechtigde geniet deze vrijstelling van bijdragebetaling zolang hij van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming geniet.]1 [3 ...]3
(Het bedrag van de in dit artikel bepaalde bijdragen is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. <KB 2001-12-11/45, art. 14, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Modifications
Art.134. <AR 2000-09-03/46, art. 1, 052; En vigueur : 01-01-2001> Le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 15°, de la loi coordonnée est redevable d'une cotisation trimestrielle de (508,53 EUR). <AR 2001-12-11/45, art. 14, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Cette cotisation est due pour chaque trimestre pendant lequel la qualité précitée existe et ce, dès le trimestre au cours duquel la qualité précitée a été acquise.
[1 Le montant visé à l'alinéa 1er est réduit à 254,26 EUR lorsque le titulaire fournit la preuve que le montant annuel global des revenus de son ménage, fixé conformément aux dispositions de l'article 27 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 relatif à l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est inférieur à 25.285,14 EUR.]1
Le montant précité de (25 285,14 EUR), (lié à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)), est adapté à l'évolution de l'indice-pivot des prix à la consommation de la même manière que les plafonds de revenus des bénéficiaires de l'intervention majorée de l'assurance, du secteur public et privé, comme prévu à l'arrêté royal [1 ...]1. <AR 2001-12-11/45, art. 14, 071; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2007-06-14/44, art. 1, 2°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
Le montant visé à l'alinéa 1er est réduit à (43,11 EUR) lorsque le titulaire fournit la preuve que le montant annuel global des revenus de son ménage, fixé [1 conformément aux dispositions de l'article 27 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 précité, est inférieur au montant visé à l'article 21 du même arrêté]1, est inférieur au montant visé à l'article 17) du même arrêté. <AR 2001-12-11/45, art. 14, 071; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2007-06-14/44, art. 1, 3°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
(Le titulaire, visé à l'article 32, alinéa 1er, 15° susmentionné, est dispensé du paiement de la cotisation s'il fournit la preuve que le montant annuel global des revenus de son ménage, fixé conformément aux dispositions de [1 l'article 27 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 précité]1, n'est pas supérieur au montant (pour une personne qui cohabite avec une famille qui est à sa charge, visé à l'article 14, § 1er, 3°) de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. Ce montant est indexé conformément aux modalités applicables dans le cadre de la loi du 26 mai 2002 susvisée.) <AR 2003-04-08/65, art. 3, 088; En vigueur : 01-01-2003> <AR 2007-06-14/44, art. 1, 4°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
La preuve visée aux alinéas 3, 5 et 6 est fournie par la signature d'une déclaration sur l'honneur, telle que reproduite à l'([1 annexe 2 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 précité]1); l'exactitude de la déclaration est vérifiée par le Service du contrôle administratif, selon les modalités fixées par ledit Service. Les titulaires visés dans les alinéas précités sont tenus d'informer dans les trente jours leur organisme assureur de toute modification qui entraîne une augmentation des revenus, à l'exception d'une modification des données informatiques, visées par l'article 3, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1983 réglant le Registre national des personnes physiques, pour autant qu'ils aient communiqué cette modification à l'administration communale compétente. L'organisme assureur tiendra constamment compte de toute modification dans la composition du ménage des titulaires précités. Au moyen des données ainsi obtenues, la diminution accordée du montant de la cotisation sera réexaminée et éventuellement retirée le premier jour du deuxième trimestre suivant celui au cours duquel une des modifications a eu lieu. <AR 2007-06-14/44, art. 1, 5°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
[1 Les dispositions des articles 21 et 25 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 précité ]1 concernant l'augmentation du plafond et des revenus dont il faut tenir compte, sont également d'application pour la fixation des plafonds et des revenus qui doivent être pris en considération pour l'application du présent article. <AR 2007-06-14/44, art. 1, 6°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
[1 Le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 15°, de la loi coordonnée, qui a droit à l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi, est dispensé du paiement des cotisations. Le titulaire précité bénéficie de cette dispense de paiement de cotisations aussi longtemps qu'il est au bénéfice de l'intervention majorée de l'assurance.]1 [3 ...]3
(Le montant des cotisations déterminées dans le présent article est lié à l'indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint le 31 octobre 1999.) Le 1er janvier de chaque année, il est adapté au taux de l'indice des prix à la consommation du 31 octobre de l'année précédente. <AR 2001-12-11/45, art. 14, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Cette cotisation est due pour chaque trimestre pendant lequel la qualité précitée existe et ce, dès le trimestre au cours duquel la qualité précitée a été acquise.
[1 Le montant visé à l'alinéa 1er est réduit à 254,26 EUR lorsque le titulaire fournit la preuve que le montant annuel global des revenus de son ménage, fixé conformément aux dispositions de l'article 27 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 relatif à l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est inférieur à 25.285,14 EUR.]1
Le montant précité de (25 285,14 EUR), (lié à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)), est adapté à l'évolution de l'indice-pivot des prix à la consommation de la même manière que les plafonds de revenus des bénéficiaires de l'intervention majorée de l'assurance, du secteur public et privé, comme prévu à l'arrêté royal [1 ...]1. <AR 2001-12-11/45, art. 14, 071; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2007-06-14/44, art. 1, 2°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
Le montant visé à l'alinéa 1er est réduit à (43,11 EUR) lorsque le titulaire fournit la preuve que le montant annuel global des revenus de son ménage, fixé [1 conformément aux dispositions de l'article 27 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 précité, est inférieur au montant visé à l'article 21 du même arrêté]1, est inférieur au montant visé à l'article 17) du même arrêté. <AR 2001-12-11/45, art. 14, 071; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2007-06-14/44, art. 1, 3°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
(Le titulaire, visé à l'article 32, alinéa 1er, 15° susmentionné, est dispensé du paiement de la cotisation s'il fournit la preuve que le montant annuel global des revenus de son ménage, fixé conformément aux dispositions de [1 l'article 27 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 précité]1, n'est pas supérieur au montant (pour une personne qui cohabite avec une famille qui est à sa charge, visé à l'article 14, § 1er, 3°) de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. Ce montant est indexé conformément aux modalités applicables dans le cadre de la loi du 26 mai 2002 susvisée.) <AR 2003-04-08/65, art. 3, 088; En vigueur : 01-01-2003> <AR 2007-06-14/44, art. 1, 4°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
La preuve visée aux alinéas 3, 5 et 6 est fournie par la signature d'une déclaration sur l'honneur, telle que reproduite à l'([1 annexe 2 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 précité]1); l'exactitude de la déclaration est vérifiée par le Service du contrôle administratif, selon les modalités fixées par ledit Service. Les titulaires visés dans les alinéas précités sont tenus d'informer dans les trente jours leur organisme assureur de toute modification qui entraîne une augmentation des revenus, à l'exception d'une modification des données informatiques, visées par l'article 3, alinéa 1er, de la loi du 8 août 1983 réglant le Registre national des personnes physiques, pour autant qu'ils aient communiqué cette modification à l'administration communale compétente. L'organisme assureur tiendra constamment compte de toute modification dans la composition du ménage des titulaires précités. Au moyen des données ainsi obtenues, la diminution accordée du montant de la cotisation sera réexaminée et éventuellement retirée le premier jour du deuxième trimestre suivant celui au cours duquel une des modifications a eu lieu. <AR 2007-06-14/44, art. 1, 5°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
[1 Les dispositions des articles 21 et 25 de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 précité ]1 concernant l'augmentation du plafond et des revenus dont il faut tenir compte, sont également d'application pour la fixation des plafonds et des revenus qui doivent être pris en considération pour l'application du présent article. <AR 2007-06-14/44, art. 1, 6°, 145; En vigueur : 01-04-2007>
[1 Le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 15°, de la loi coordonnée, qui a droit à l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi, est dispensé du paiement des cotisations. Le titulaire précité bénéficie de cette dispense de paiement de cotisations aussi longtemps qu'il est au bénéfice de l'intervention majorée de l'assurance.]1 [3 ...]3
(Le montant des cotisations déterminées dans le présent article est lié à l'indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint le 31 octobre 1999.) Le 1er janvier de chaque année, il est adapté au taux de l'indice des prix à la consommation du 31 octobre de l'année précédente. <AR 2001-12-11/45, art. 14, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Modifications
Art.135. <KB 1997-12-29/30, art. 21, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Een inhouding van (29,33 EUR) per trimester wordt gedaan op het pensioen van de in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden. Deze inhouding wordt verricht door het Ministerie van Financiën en de opbrengst ervan wordt overgemaakt aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De voormelde gerechtigden, die geen dusdanig pensioen genieten, zijn ertoe gehouden aan hun ziekenfonds of de Gewestelijke dienst een trimestriële bijdrage van (29,33 EUR) te betalen. <KB 2001-12-11/45, art. 15, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Het bedrag van de inhouding of bijdrage bedoeld in het eerste lid is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. (...). <KB 2001-12-11/45, art. 15, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Het bedrag van de inhouding of bijdrage bedoeld in het eerste lid is gekoppeld aan het indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen bereikt op 31 oktober 1999.) Het wordt op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. (...). <KB 2001-12-11/45, art. 15, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art.135. <AR 1997-12-29/30, art. 21, 017; En vigueur : 01-01-1998> Une retenue de (29,33 EUR), par trimestre, est opérée sur la pension des titulaires visés à l'article 32, premier alinéa, 12°, de la loi coordonnée. Cette retenue est faite par le Ministère des Finances et le produit est versé à l'Institut national d'Assurance maladie-invalidité. Les titulaires susvisés, qui ne bénéficient pas d'une telle pension, doivent payer, à leur mutualité ou l'Office régional, une cotisation trimestrielle de (29,33 EUR). <AR 2001-12-11/45, art. 15, 071; En vigueur : 01-01-2002>
(Le montant de la retenue ou de la cotisation visée à l'alinéa 1er est lié à l'indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint le 31 octobre 1999.) Il est adapté au 1er janvier de chaque année au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente. (...). <AR 2001-12-11/45, art. 15, 071; En vigueur : 01-01-2002>
(Le montant de la retenue ou de la cotisation visée à l'alinéa 1er est lié à l'indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint le 31 octobre 1999.) Il est adapté au 1er janvier de chaque année au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente. (...). <AR 2001-12-11/45, art. 15, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Art.136. <HERSTELD bij KB 2007-08-03/36, art. 6, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De persoon die de hoedanigheid heeft van gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 22° [1 of 24°]1 van de gecoördineerde wet, kan aanspraak maken op geneeskundige verstrekkingen zonder betaling van een persoonlijke bijdrage.
Modifications
Art.136. La personne qui a la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 22° [1 ou 24°]1, de la loi coordonnée peut prétendre aux prestations de santé sans paiement d'une cotisation personnelle.
Modifications
Art. 136bis. <INGEVOEGD bij KB 2008-07-01/34, art. 13; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, van de gecoördineerde wet is een driemaandelijkse bijdrage van 65,12 euro verschuldigd. Dat bedrag wordt verlaagd tot 18,62 euro voor de gerechtigden die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. Dat bedrag is van toepassing vanaf het kwartaal waarin zij die leeftijd hebben bereikt.
Die bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen 104,06 (basis 1996 = 100) bereikt op 31 oktober 1999. Die bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid die het indexcijfer van de consumptieprijzen heeft bereikt op 31 oktober van het voorgaande jaar.
Worden echter vrijgesteld van de betaling van elke bijdrage, de voormelde gerechtigden die recht hebben op een van de voordelen die zijn gespecificeerd in artikel 37, § 19, 1°, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet. De voormelde gerechtigden zijn vrijgesteld van de betaling van bijdragen onder dezelfde voorwaarden en voor dezelfde periode als die welke, overeenkomstig de artikelen 6 tot 9 van het besluit van 1 april 2007 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. en tot invoering van het OMNIO-statuut, van toepassing zijn voor de toekenning van het recht op een verhoogde verzekeringstegemoetkoming in geval van recht op een van de voormelde voordelen.
Die bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal tijdens hetwelk de voornoemde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en vanaf het kwartaal in de loop waarvan die hoedanigheid is verworven. De bijdrage is evenwel niet verschuldigd gedurende de periode tijdens welke de gerechtigde door de geestelijke overheid waarvan hij afhangt, naar het buitenland wordt gestuurd.
Die bedragen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen 104,06 (basis 1996 = 100) bereikt op 31 oktober 1999. Die bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid die het indexcijfer van de consumptieprijzen heeft bereikt op 31 oktober van het voorgaande jaar.
Worden echter vrijgesteld van de betaling van elke bijdrage, de voormelde gerechtigden die recht hebben op een van de voordelen die zijn gespecificeerd in artikel 37, § 19, 1°, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet. De voormelde gerechtigden zijn vrijgesteld van de betaling van bijdragen onder dezelfde voorwaarden en voor dezelfde periode als die welke, overeenkomstig de artikelen 6 tot 9 van het besluit van 1 april 2007 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. en tot invoering van het OMNIO-statuut, van toepassing zijn voor de toekenning van het recht op een verhoogde verzekeringstegemoetkoming in geval van recht op een van de voormelde voordelen.
Die bijdrage is verschuldigd voor elk kwartaal tijdens hetwelk de voornoemde hoedanigheid van gerechtigde bestaat en vanaf het kwartaal in de loop waarvan die hoedanigheid is verworven. De bijdrage is evenwel niet verschuldigd gedurende de periode tijdens welke de gerechtigde door de geestelijke overheid waarvan hij afhangt, naar het buitenland wordt gestuurd.
Art. 136bis. Le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 21°, de la loi coordonnée est redevable d'une cotisation trimestrielle qui s'élève à 65,12 EUR. Ce montant est ramené à 18,62 EUR pour les titulaires ayant atteint l'âge de 65 ans. Ce montant est applicable à partir du trimestre au cours duquel ils ont atteint cet âge.
Ces montants sont liés à l'indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint le 31 octobre 1999. Ces montants sont adaptes le 1er janvier de chaque année, au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente.
Sont cependant dispensés du paiement de toute cotisation, les titulaires susvisés qui ont droit à un des avantages spécifiés à l'article 37, § 19, 1°, 2° ou 3°, de la loi coordonnée. Les titulaires susmentionnés jouissent de la dispense de paiement de cotisations aux mêmes conditions et pour la même période que celles qui, conformément aux articles 6 à 9 de l'arrêté du 1er avril 2007 fixant les conditions d'octroi de l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, §§ 1er et 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, et instaurant le statut OMNIO, s'appliquent pour l'octroi du droit à une intervention majorée de l'assurance en cas de droit à l'un des avantages susmentionnés.
La cotisation est due pour chaque trimestre au cours duquel la qualité susvisée de titulaire existe et à partir du trimestre au cours duquel cette qualité a été acquise. La cotisation n'est cependant pas due pendant la période au cours de laquelle le titulaire est envoyé à l'étranger par l'autorité religieuse dont il dépend.
Ces montants sont liés à l'indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint le 31 octobre 1999. Ces montants sont adaptes le 1er janvier de chaque année, au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente.
Sont cependant dispensés du paiement de toute cotisation, les titulaires susvisés qui ont droit à un des avantages spécifiés à l'article 37, § 19, 1°, 2° ou 3°, de la loi coordonnée. Les titulaires susmentionnés jouissent de la dispense de paiement de cotisations aux mêmes conditions et pour la même période que celles qui, conformément aux articles 6 à 9 de l'arrêté du 1er avril 2007 fixant les conditions d'octroi de l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, §§ 1er et 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, et instaurant le statut OMNIO, s'appliquent pour l'octroi du droit à une intervention majorée de l'assurance en cas de droit à l'un des avantages susmentionnés.
La cotisation est due pour chaque trimestre au cours duquel la qualité susvisée de titulaire existe et à partir du trimestre au cours duquel cette qualité a été acquise. La cotisation n'est cependant pas due pendant la période au cours de laquelle le titulaire est envoyé à l'étranger par l'autorité religieuse dont il dépend.
Afdeling IVbis. - Bijdragen die door de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater van de gecoördineerde wet, zijn verschuldigd.
Section IVbis. Cotisations dues par les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis et 11°quater de la loi coordonnée.
Art. 136ter. <INGEVOEGD bij KB 2008-07-01/34, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis, van de gecoördineerde wet, moet naast de vervulling van de bijdrageplicht met het oog op de vrijwaring van zijn pensioenrechten voor de betreffende periode, het bewijs leveren van de betaling van een jaarlijkse bijdrage die wordt berekend als volgt :
- 7,66 pct. op het deel van het referte-inkomen in de zin van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat niet hoger is dan het bedrag dat in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit is opgenomen, met dien verstande dat dit inkomen geacht wordt het bedrag, bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit te bereiken indien het referte-inkomen dat bedrag niet bereikt; en
- 4,94 pct. op het deel van het voormelde referte-inkomen, bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
Voor de berekening van die bijdrage worden de bedragen, bedoeld in artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 geïndexeerd overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit.
- 7,66 pct. op het deel van het referte-inkomen in de zin van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, dat niet hoger is dan het bedrag dat in artikel 12, § 1, eerste lid, 1°, van hetzelfde besluit is opgenomen, met dien verstande dat dit inkomen geacht wordt het bedrag, bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit te bereiken indien het referte-inkomen dat bedrag niet bereikt; en
- 4,94 pct. op het deel van het voormelde referte-inkomen, bedoeld in artikel 12, § 1, eerste lid, 2°, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
Voor de berekening van die bijdrage worden de bedragen, bedoeld in artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 geïndexeerd overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit.
Art. 136ter. Le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis, de la loi coordonnée doit, outre l'accomplissement de l'obligation de cotisation en vue de préserver ses droits à la pension pour la période en cause, prouver le paiement d'une cotisation annuelle calculée comme suit :
- 7,66 p.c. sur la partie du revenu de référence, au sens de l'article 11 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui n'excède pas le montant repris à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 1°, du même arrêté, étant entendu que ce revenu est présumé atteindre le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté si le revenu de référence n'atteint pas ce montant; et
- 4,94 p.c. sur la partie dudit revenu de référence, visée à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté royal n° 38 précité.
Pour le calcul de cette cotisation, les montants visés à l'article 12 de l'arrêté royal n° 38 précité sont indexés conformément à l'article 14 du même arrêté.
- 7,66 p.c. sur la partie du revenu de référence, au sens de l'article 11 de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, qui n'excède pas le montant repris à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 1°, du même arrêté, étant entendu que ce revenu est présumé atteindre le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, du même arrêté si le revenu de référence n'atteint pas ce montant; et
- 4,94 p.c. sur la partie dudit revenu de référence, visée à l'article 12, § 1er, alinéa 1er, 2°, de l'arrêté royal n° 38 précité.
Pour le calcul de cette cotisation, les montants visés à l'article 12 de l'arrêté royal n° 38 précité sont indexés conformément à l'article 14 du même arrêté.
Art. 136quater. <INGEVOEGD bij KB 2008-07-01/34, art. 14; Inwerkingtreding : 01-01-2008> De gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°quater van de gecoördineerde wet moet, naast de vervulling van de bijdrageplicht met het oog op de vrijwaring van zijn pensioenrechten voor de betreffende periode, het bewijs leveren van de betaling van een jaarlijkse bijdrage die wordt berekend als volgt :
- 7,66 pct. op het bedrag, bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
Voor de berekening van die bijdrage worden de bedragen, bedoeld in artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38, geïndexeerd overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit.
- 7,66 pct. op het bedrag, bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 38.
Voor de berekening van die bijdrage worden de bedragen, bedoeld in artikel 12 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38, geïndexeerd overeenkomstig artikel 14 van hetzelfde besluit.
Art. 136quater. Le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 11°quater, de la loi coordonnée doit, outre l'accomplissement de l'obligation de cotisation en vue de préserver ses droits à la pension pour la période en cause, prouver le paiement d'une cotisation annuelle calculée comme suit :
- 7,66 p.c. sur le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38 précité.
Pour le calcul de cette cotisation, les montants visés à l'article 12 de l'arrêté royal n° 38 précité sont indexés conformément à l'article 14 du même arrêté.
- 7,66 p.c. sur le montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38 précité.
Pour le calcul de cette cotisation, les montants visés à l'article 12 de l'arrêté royal n° 38 précité sont indexés conformément à l'article 14 du même arrêté.
Afdeling V. - Tegemoetkoming in de revalidatiekosten.
Section V. - De l'intervention dans les frais de rééducation fonctionnelle.
Art.137. De verstrekkingen inzake revalidatie zijn, onder de voorwaarden die zijn omschreven in de door het College van [1 artsen-directeurs]1 of door de adviserend [1 arts]1 aangenomen revalidatieprogramma's, die waarin is voorzien in de overeenkomsten bedoeld bij artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet en onder de voorwaarden die daarin zijn bedongen of de verstrekkingen waarin is voorzien in de nomenclatuur van de revalidatieverstrekkingen, opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet.
Modifications
Art.137. Les prestations de rééducation fonctionnelle sont, dans les conditions définies par les programmes de rééducation admis par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil, celles prévues aux conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée et aux conditions qui y sont fixées ou les prestations prévues par la nomenclature des prestations de rééducation fonctionnelle arrêtée en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée.
Art. 137 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 137 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 137_VLAAMS_GEWEST. [2 ...]2
Modifications
Art. 137 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Modifications
Art.138. [1 De tegemoetkoming in de kosten voor de revalidatieverstrekkingen is afhankelijk van de voorafgaande toestemming van:
1° het College van artsen-directeurs:
a) voor de verstrekkingen verleend in het buitenland en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
- in de overeenkomsten bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet;
b) voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, indien de tegemoetkoming expliciet afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande toestemming van het College van artsen-directeurs;
2° de adviserend arts voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
a) in de nomenclatuur welke is opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de verstrekkingen, bedoeld in het punt 1°, b), eerste lid, van dit artikel;
b) in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet.]1
1° het College van artsen-directeurs:
a) voor de verstrekkingen verleend in het buitenland en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
- in de overeenkomsten bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet;
b) voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, indien de tegemoetkoming expliciet afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande toestemming van het College van artsen-directeurs;
2° de adviserend arts voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
a) in de nomenclatuur welke is opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de verstrekkingen, bedoeld in het punt 1°, b), eerste lid, van dit artikel;
b) in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet.]1
Modifications
Art.138. [1 L'intervention dans le coût des prestations de rééducation fonctionnelle est subordonnée à l'autorisation préalable :
1° du Collège des médecins-directeurs :
a) pour les prestations effectuées à l'étranger et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée ;
- dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée ;
b) pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, si l'intervention est explicitement subordonnée à l'autorisation préalable du Collège des médecins-directeurs ;
2° du médecin-conseil pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
a) à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, à l'exception des prestations visées au point 1°, b), alinéa premier, de cet article ;
b) dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée.]1
1° du Collège des médecins-directeurs :
a) pour les prestations effectuées à l'étranger et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée ;
- dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée ;
b) pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, si l'intervention est explicitement subordonnée à l'autorisation préalable du Collège des médecins-directeurs ;
2° du médecin-conseil pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
a) à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, à l'exception des prestations visées au point 1°, b), alinéa premier, de cet article ;
b) dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée.]1
Modifications
Art. 138 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.[1 De tegemoetkoming in de kosten voor de revalidatieverstrekkingen is afhankelijk van de voorafgaande toestemming van:
1° het College van artsen-directeurs:
a) voor de verstrekkingen verleend in het buitenland en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
- in de overeenkomsten bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet;
b) voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, indien de tegemoetkoming expliciet afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande toestemming van het College van artsen-directeurs;
2° de adviserend arts voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
a) in de nomenclatuur welke is opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de verstrekkingen, bedoeld in het punt 1°, b), eerste lid, van dit artikel;
b) in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet.]1
1° het College van artsen-directeurs:
a) voor de verstrekkingen verleend in het buitenland en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
- in de overeenkomsten bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet;
b) voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, indien de tegemoetkoming expliciet afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande toestemming van het College van artsen-directeurs;
2° de adviserend arts voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
a) in de nomenclatuur welke is opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de verstrekkingen, bedoeld in het punt 1°, b), eerste lid, van dit artikel;
b) in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet.]1
Modifications
Art. 138 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.[1 L'intervention dans le coût des prestations de rééducation fonctionnelle est subordonnée à l'autorisation préalable :
1° du Collège des médecins-directeurs :
a) pour les prestations effectuées à l'étranger et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée ;
- dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée ;
b) pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, si l'intervention est explicitement subordonnée à l'autorisation préalable du Collège des médecins-directeurs ;
2° du médecin-conseil pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
a) à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, à l'exception des prestations visées au point 1°, b), alinéa premier, de cet article ;
b) dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée.]1
1° du Collège des médecins-directeurs :
a) pour les prestations effectuées à l'étranger et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée ;
- dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée ;
b) pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, si l'intervention est explicitement subordonnée à l'autorisation préalable du Collège des médecins-directeurs ;
2° du médecin-conseil pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
a) à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, à l'exception des prestations visées au point 1°, b), alinéa premier, de cet article ;
b) dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée.]1
Modifications
Art. 138_VLAAMS_GEWEST. [1 De tegemoetkoming in de kosten voor de revalidatieverstrekkingen is afhankelijk van de voorafgaande toestemming van:
1° het College van artsen-directeurs:
a) voor de verstrekkingen verleend in het buitenland en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
- in de overeenkomsten bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet;
b) voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, indien de tegemoetkoming expliciet afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande toestemming van het College van artsen-directeurs;
2° de adviserend arts voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
a) in de nomenclatuur welke is opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de verstrekkingen, bedoeld in het punt 1°, b), eerste lid, van dit artikel;
b) in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet.]1
1° het College van artsen-directeurs:
a) voor de verstrekkingen verleend in het buitenland en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
- in de overeenkomsten bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet;
b) voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
- in de nomenclatuur opgemaakt in toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, indien de tegemoetkoming expliciet afhankelijk wordt gesteld van de voorafgaande toestemming van het College van artsen-directeurs;
2° de adviserend arts voor de verstrekkingen verleend in België en die voorzien zijn:
a) in de nomenclatuur welke is opgemaakt bij toepassing van artikel 23, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de verstrekkingen, bedoeld in het punt 1°, b), eerste lid, van dit artikel;
b) in de overeenkomsten die zijn bedoeld in artikel 22, 6°, van de gecoördineerde wet.]1
Modifications
Art. 138 _REGION_FLAMANDE.[1 L'intervention dans le coût des prestations de rééducation fonctionnelle est subordonnée à l'autorisation préalable :
1° du Collège des médecins-directeurs :
a) pour les prestations effectuées à l'étranger et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée ;
- dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée ;
b) pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, si l'intervention est explicitement subordonnée à l'autorisation préalable du Collège des médecins-directeurs ;
2° du médecin-conseil pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
a) à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, à l'exception des prestations visées au point 1°, b), alinéa premier, de cet article ;
b) dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée.]1
1° du Collège des médecins-directeurs :
a) pour les prestations effectuées à l'étranger et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée ;
- dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée ;
b) pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
- à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, si l'intervention est explicitement subordonnée à l'autorisation préalable du Collège des médecins-directeurs ;
2° du médecin-conseil pour les prestations effectuées en Belgique et qui sont prévues :
a) à la nomenclature établie en application de l'article 23, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, à l'exception des prestations visées au point 1°, b), alinéa premier, de cet article ;
b) dans les conventions visées à l'article 22, 6°, de la loi coordonnée.]1
Modifications
Art.139. De aanvragen om tegemoetkoming worden ingediend door de rechthebbende van de verzekering voor geneeskundige verzorging, bij de adviserend [4 arts]4 van de mutualiteit, de gewestelijke dienst of de [2 [3 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]3]2 waarbij het is aangesloten of ingeschreven.
De aanvragen moeten worden opgemaakt aan de hand van een formulier conform het door het Verzekeringscomité goedgekeurd model.
[1 De aanvragen om tegemoetkoming betreffende de revalidatie-overeenkomst inzake implanteerbare hartdefibrillatoren worden ingediend door de toegetreden verplegingsinrichtingen volgens de procedure vastgesteld door het Verzekeringscomité en opgenomen in de betreffende overeenkomst.]1
De aanvragen moeten worden opgemaakt aan de hand van een formulier conform het door het Verzekeringscomité goedgekeurd model.
[1 De aanvragen om tegemoetkoming betreffende de revalidatie-overeenkomst inzake implanteerbare hartdefibrillatoren worden ingediend door de toegetreden verplegingsinrichtingen volgens de procedure vastgesteld door het Verzekeringscomité en opgenomen in de betreffende overeenkomst.]1
Art.139. Les demandes d'intervention sont introduites par le bénéficiaire de l'assurance soins de santé auprès du médecin-conseil de la mutualité, de l'office régional de l'organisme assureur ou de la [2 [3 Caisse des soins de santé de HR Rail]3]2 auprès duquel il est affilié ou inscrit.
Les demandes doivent être établies au moyen d'un formulaire conforme au modèle approuvé par le Comité de l'assurance.
[1 Les demandes d'intervention concernant la convention de rééducation relative aux défibrillateurs cardiaques implantables sont introduites par les établissements de soins qui y ont adhéré selon la procédure fixée par le Comité de l'assurance et reprise dans la convention concernée.]1
Les demandes doivent être établies au moyen d'un formulaire conforme au modèle approuvé par le Comité de l'assurance.
[1 Les demandes d'intervention concernant la convention de rééducation relative aux défibrillateurs cardiaques implantables sont introduites par les établissements de soins qui y ont adhéré selon la procédure fixée par le Comité de l'assurance et reprise dans la convention concernée.]1
Art. 139 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 139 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 139_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Modifications
Art. 139 _REGION_FLAMANDE.[1 ...]1
Modifications
Art.140. § 1. De adviserend [2 arts]2 maakt de aanvragen betreffende de in artikel 138, 1°, bedoelde verstrekkingen, samen met zijn advies door toedoen van de [2 arts-directeur]2 van de verzekeringsinstelling, onverwijld over aan het College van [2 artsen-directeurs]2 [1 , met uitzondering van de aanvragen betreffende de revalidatie-overeenkomst inzake implanteerbare hartdefibrillatoren waarvoor de aanvraag door de toegetreden verplegingsinrichtingen bij het College van [2 artsen-directeurs]2 en de adviserend [2 arts]2 wordt ingediend volgens de procedure vastgesteld door het Verzekeringscomité en opgenomen in de betreffende overeenkomst]1.
§ 2. Aangaande de verstrekkingen bedoeld in artikel 138, 2° geeft de adviserend [2 arts]2 kennis van zijn beslissing aan de rechthebbende en, in voorkomend geval, aan de zorgverlener.
Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
§ 2. Aangaande de verstrekkingen bedoeld in artikel 138, 2° geeft de adviserend [2 arts]2 kennis van zijn beslissing aan de rechthebbende en, in voorkomend geval, aan de zorgverlener.
Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
Art.140. § 1er. Le médecin-conseil transmet sans délai les demandes concernant les prestations visées à l'article 138, 1°, accompagnées de son avis par l'intermédiaire du médecin-directeur de l'organisme assureur, au Collège des médecins-directeurs [1 , à l'exception des demandes concernant la convention de rééducation relative aux défibrillateurs cardiaques implantables pour lesquelles la demande des établissements de soins concernés est introduite auprès du Collège des médecins-directeurs et auprès du médecin-conseil selon la procédure fixée par le Comité de l'assurance et reprise dans la convention concernée]1.
§ 2. En ce qui concerne les prestations visées à l'article 138, 2°, le médecin-conseil notifie sa décision au bénéficiaire et, le cas échéant, au dispensateur de soins.
Toute décision de refus est motivée.
§ 2. En ce qui concerne les prestations visées à l'article 138, 2°, le médecin-conseil notifie sa décision au bénéficiaire et, le cas échéant, au dispensateur de soins.
Toute décision de refus est motivée.
Modifications
Art. 140 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 140 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 140_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Modifications
Art. 140 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Art.141. Het College van [2 artsen-directeurs]2 onderzoekt, op verslag van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de door de adviserend [2 arts]2 toegestuurde aanvragen. De beslissingen worden door de voorzitter meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen die op haar beurt de betrokkene en, in voorkomend gevalt het revalidatiecentrum ervan kennis geeft. [1 Voor de revalidatie-overeenkomst inzake implanteerbare hartdefibrillatoren wordt de beslissing enkel meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen en aan de betrokken verplegingsinrichtingen.]1
Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
Art.141. Le Collège des médecins-directeurs examine sur rapport du Service des soins de santé les demandes transmises par le médecin-conseil. Les décisions sont communiquées par le président à la direction des organismes assureurs intéressés, laquelle en informe à son tour le bénéficiaire et, le cas échéant, le centre de rééducation. [1 Pour la convention de rééducation relative aux défibrillateurs cardiaques implantables, la décision est seulement communiquée à la direction médicale des organismes assureurs concernés et aux établissements de soins concernés.]1
Tout décision de refus est motivée.
Tout décision de refus est motivée.
Modifications
Art. 141 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 141 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 141_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Modifications
Art. 141 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Art.142. § 1. In geval van akkoord, stelt het College van [2 artsen-directeurs]2 of de adviserend [2 arts]2 voor elk geval een revalidatieprogramma vast dat met name de aard, het aantal, het ritme en de duur van de toegestane verstrekkingen omvat alsmede de naam van de inrichting en de andere voorwaarden inzake plaats.
§ 2. Het College van [2 artsen-directeurs]2 of de adviserend [2 arts]2 stelt, voor elk afzonderlijk geval, de datum vast vanaf welke de tegemoetkoming wordt toegekend.
Behoudens andersluidende bepalingen wordt de tegemoetkoming geweigerd voor de verstrekkingen die zijn verricht langer dan dertig dagen vóór de datum waarop de aanvraag door de adviserend [2 arts]2 is ontvangen.
§ 3. De verzekeringsinstelling wordt belast met de betaling van de tegemoetkoming in de kosten voor de door het College van [2 artsen-directeurs]2 of de adviserend [2 arts]2 goedgekeurde verstrekkingen.
§ 4. [1 ...]1.
§ 2. Het College van [2 artsen-directeurs]2 of de adviserend [2 arts]2 stelt, voor elk afzonderlijk geval, de datum vast vanaf welke de tegemoetkoming wordt toegekend.
Behoudens andersluidende bepalingen wordt de tegemoetkoming geweigerd voor de verstrekkingen die zijn verricht langer dan dertig dagen vóór de datum waarop de aanvraag door de adviserend [2 arts]2 is ontvangen.
§ 3. De verzekeringsinstelling wordt belast met de betaling van de tegemoetkoming in de kosten voor de door het College van [2 artsen-directeurs]2 of de adviserend [2 arts]2 goedgekeurde verstrekkingen.
§ 4. [1 ...]1.
Art.142. § 1er. En cas d'accord, le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil détermine pour chaque cas un programme de rééducation fonctionnelle comportant notamment la nature, le nombre, le rythme et la durée des prestations accordées ainsi que la dénomination de l'établissement et les autres conditions de lieu.
§ 2. Le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil fixe, dans chaque cas particulier, la date à partir de laquelle l'intervention est accordée.
Sauf dispositions contraires, l'intervention est refusée pour les prestations effectuées plus de trente jours avant la date de réception de la demande par le médecin-conseil.
§ 3. L'organisme assureur est chargé du paiement de l'intervention dans le coût des prestations approuvées par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil.
§ 4. [1 ...]1.
§ 2. Le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil fixe, dans chaque cas particulier, la date à partir de laquelle l'intervention est accordée.
Sauf dispositions contraires, l'intervention est refusée pour les prestations effectuées plus de trente jours avant la date de réception de la demande par le médecin-conseil.
§ 3. L'organisme assureur est chargé du paiement de l'intervention dans le coût des prestations approuvées par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil.
§ 4. [1 ...]1.
Modifications
Art. 142 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 142 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 142_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Modifications
Art. 142 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Art.143. Het College van [1 artsen-directeurs]1 kan enquêtes bevelen door verpleegkundigen of alle andere bevoegde personeelsleden van de Dienst voor geneeskundige verzorging en de adviserend [1 arts]1 om elke bijkomende inlichting verzoeken.
Met het oog op het toekennen van de prestaties bedoeld in artikel 138, 1°, van onderhavig besluit kan het College van [1 artsen-directeurs]1 bovendien de adviserend [1 arts]1 opdragen de gerechtigde medisch te onderzoeken.
De adviserend [1 arts]1 kan te allen tijde een enquête bevelen door de sociale dienst van de verzekeringsinstelling of de rechthebbende medisch onderzoeken.
Met het oog op het toekennen van de prestaties bedoeld in artikel 138, 1°, van onderhavig besluit kan het College van [1 artsen-directeurs]1 bovendien de adviserend [1 arts]1 opdragen de gerechtigde medisch te onderzoeken.
De adviserend [1 arts]1 kan te allen tijde een enquête bevelen door de sociale dienst van de verzekeringsinstelling of de rechthebbende medisch onderzoeken.
Modifications
Art.143. Le Collège des médecins-directeurs peut ordonner des enquêtes par des praticiens de l'art infirmier ou tous autres agents qualifiés du Service des soins de santé et demander toute information complémentaire au médecin-conseil.
En vue de l'octroi des prestations visées à l'article 138, 1°, le Collège des médecins-directeurs peut, en outre, charger le médecin-conseil d'effectuer un examen médical du bénéficiaire.
Le médecin-conseil peut en tout temps ordonner une enquête par le service social de l'organisme assureur ou effectuer un examen médical du bénéficiaire.
En vue de l'octroi des prestations visées à l'article 138, 1°, le Collège des médecins-directeurs peut, en outre, charger le médecin-conseil d'effectuer un examen médical du bénéficiaire.
Le médecin-conseil peut en tout temps ordonner une enquête par le service social de l'organisme assureur ou effectuer un examen médical du bénéficiaire.
Art. 143 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 143 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 143_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Modifications
Art. 143 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Modifications
Art.144. De aanvragen tot verlenging van een revalidatieprogramma worden ingediend en behandeld overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling.
Art.144. Les demandes de prolongation d'un programme de rééducation sont introduites et traitées selon les dispositions de cette section.
Art. 144 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 144 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 144_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Modifications
Art. 144 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Modifications
Afdeling VI. - Tegemoetkoming in de reiskosten betreffende de revalidatie.
Section VI. - De l'intervention dans les frais de déplacement afférents à la rééducation fonctionnelle.
Art.145. § 1. De Minister stelt de voorwaarden en de modaliteiten vast volgens welke een tegemoetkoming kan worden verleend in de reiskosten die overeenkomstig de door het College van [3 artsen-directeurs]3 of de adviserend [3 arts]3 genomen beslissingen worden aangegaan.
§ 2. De rechthebbende die meent te kunnen aanspraak maken op de tegemoetkoming in de reiskosten welke hij heeft om verstrekkingen voor functioneel revalidatie te bekomen dient daartoe een aanvraag in bij de adviserend [3 arts]3 van de mutualiteit, de gewestelijke dienst of de [1 [2 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]2]1 waarbij hij is aangesloten of ingeschreven.
De aanvraag wordt ingediend samen met de aanvraag bedoeld in artikel 139.
§ 3. De adviserend [3 arts]3 maakt de aanvragen betreffende de reiskosten gemaakt in verband met in artikel 138, 1°, bedoelde verstrekkingen, samen met zijn advies door toedoen van de [3 arts-directeur]3 van de verzekeringsinstelling, onverwijld over aan het College van [3 artsen-directeurs]3.
§ 4. Aangaande de reiskosten gemaakt in verband met verstrekkingen bedoeld in artikel 138, 2°, geeft de adviserend [3 arts]3 kennis van zijn beslissing aan de rechthebbende.
Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
§ 5. Het College van [3 artsen-directeurs]3 onderzoekt, op verslag van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de aanvragen bedoeld in § 3. De beslissingen worden door de voorzitter meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen die op haar beurt de betrokkene ervan kennis geeft.
Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
§ 6. De verzekeringsinstelling wordt belast met de eventuele betaling van de tegemoetkoming.
§ 2. De rechthebbende die meent te kunnen aanspraak maken op de tegemoetkoming in de reiskosten welke hij heeft om verstrekkingen voor functioneel revalidatie te bekomen dient daartoe een aanvraag in bij de adviserend [3 arts]3 van de mutualiteit, de gewestelijke dienst of de [1 [2 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]2]1 waarbij hij is aangesloten of ingeschreven.
De aanvraag wordt ingediend samen met de aanvraag bedoeld in artikel 139.
§ 3. De adviserend [3 arts]3 maakt de aanvragen betreffende de reiskosten gemaakt in verband met in artikel 138, 1°, bedoelde verstrekkingen, samen met zijn advies door toedoen van de [3 arts-directeur]3 van de verzekeringsinstelling, onverwijld over aan het College van [3 artsen-directeurs]3.
§ 4. Aangaande de reiskosten gemaakt in verband met verstrekkingen bedoeld in artikel 138, 2°, geeft de adviserend [3 arts]3 kennis van zijn beslissing aan de rechthebbende.
Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
§ 5. Het College van [3 artsen-directeurs]3 onderzoekt, op verslag van de Dienst voor geneeskundige verzorging, de aanvragen bedoeld in § 3. De beslissingen worden door de voorzitter meegedeeld aan de medische directie van de betrokken verzekeringsinstellingen die op haar beurt de betrokkene ervan kennis geeft.
Elke beslissing tot weigering wordt gemotiveerd.
§ 6. De verzekeringsinstelling wordt belast met de eventuele betaling van de tegemoetkoming.
Art.145. § 1er. Le Ministre fixe les conditions et les modalités selon lesquelles une intervention peut être accordée dans les frais de déplacement engagés conformément aux décisions prises par le Collège des médecins-directeurs ou le médecin-conseil.
§ 2. Le bénéficiaire qui estime pouvoir prétendre à l'intervention dans les frais de déplacement qu'il a, pour obtenir des prestations de rééducation fonctionnelle introduit à cet effet une demande auprès du médecin-conseil de la mutualité, de l'office régional ou de la [1 [2 Caisse des soins de santé de HR Rail]2]1, auprès duquel ou de laquelle il est affilié ou inscrit.
La demande est introduite accompagnée de la demande visée à l'article 139.
§ 3. Le médecin-conseil transmet les demandes relatives aux frais de déplacement afférents aux prestations visées à l'article 138, 1°, accompagnées de son avis, sans délai au Collège des médecins-directeurs par intermédiaire du médecin-directeur de l'organisme assureur.
§ 4. En ce qui concerne les frais de déplacement afférents aux prestations visées à l'article 138, 2°, le médecin-conseil notifie sa décision au bénéficiaire.
Toute décision de refus est motivée.
§ 5. Le Collège des médecins-directeurs examine sur rapport du Service des soins de santé les demandes visées au § 3. Les décisions sont communiquées par le président à la direction médicale des organismes assureurs intéressés, laquelle en informe à son tour le bénéficiaire.
Toute décisions de refus est motivée.
§ 6. L'organisme assureur est chargé du paiement éventuel de l'intervention.
§ 2. Le bénéficiaire qui estime pouvoir prétendre à l'intervention dans les frais de déplacement qu'il a, pour obtenir des prestations de rééducation fonctionnelle introduit à cet effet une demande auprès du médecin-conseil de la mutualité, de l'office régional ou de la [1 [2 Caisse des soins de santé de HR Rail]2]1, auprès duquel ou de laquelle il est affilié ou inscrit.
La demande est introduite accompagnée de la demande visée à l'article 139.
§ 3. Le médecin-conseil transmet les demandes relatives aux frais de déplacement afférents aux prestations visées à l'article 138, 1°, accompagnées de son avis, sans délai au Collège des médecins-directeurs par intermédiaire du médecin-directeur de l'organisme assureur.
§ 4. En ce qui concerne les frais de déplacement afférents aux prestations visées à l'article 138, 2°, le médecin-conseil notifie sa décision au bénéficiaire.
Toute décision de refus est motivée.
§ 5. Le Collège des médecins-directeurs examine sur rapport du Service des soins de santé les demandes visées au § 3. Les décisions sont communiquées par le président à la direction médicale des organismes assureurs intéressés, laquelle en informe à son tour le bénéficiaire.
Toute décisions de refus est motivée.
§ 6. L'organisme assureur est chargé du paiement éventuel de l'intervention.
Art. 145 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Opgeheven art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 145 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Abrogé art. 44 van 19 DECEMBER 2019. - Besluit van de Regering tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland
Art. 145_VLAAMS_GEWEST. [1 ...]1
Art. 145 _REGION_FLAMANDE. [1 ...]1
Afdeling VII. - Tegemoetkoming in de herscholingskosten.
Section VII. - De l'intervention dans les frais de rééducation professionnelle.
Art.146. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op 01-07-2009, datum van zijn inwerkingtreding bij W2010-04-28/01, art. 102)">Opgeheven art. 1 van 30 MAART 2009. - Koninklijk besluit tot wijziging, wat de beroepsherscholing betreft, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op 01-07-2009, datum van zijn inwerkingtreding bij W2010-04-28/01, art. 102)
Art.146. (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op 01-07-2009, datum van zijn inwerkingtreding bij W2010-04-28/01, art. 102)">Abrogé art. 1 van 30 MAART 2009. - Koninklijk besluit tot wijziging, wat de beroepsherscholing betreft, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (NOTA : Bekrachtigd met uitwerking op 01-07-2009, datum van zijn inwerkingtreding bij W2010-04-28/01, art. 102)
Afdeling VIII. - De tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven.
Section VIII. - De l'intervention pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière.
Art.147. § 1. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet, omvatten:
1° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
[2 2° in de rust- en verzorgingstehuizen en centra voor dagverzorging : de kinesitherapieverstrekkingen en de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverstrekkers;]2
[1 3° in de psychiatrische verzorgingstehuizen : de kinesitherapieverstrekkingen en de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverstrekkers, met uitzondering van de kinesitherapieverstrekkingen die niet in de psychiatrische behandeling kaderen en die door een behandelende [5 arts]5, andere dan de [5 arts-specialist]5 in de neuropsychiatrie of in de psychiatrie, worden voorgeschreven;]1
4° de bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en elke handeling tot reactivatie [...] en sociale reïntegratie, inclusief de ergotherapie; <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
5° [in de rust- en verzorgingstehuizen en in de centra voor dagverzorging [3 de producten en het materiaal ter preventie van nosocomiale ziekten, alsook de volgende producten ]3 :
- de ontsmettingsmiddelen (uitgezonderd de ontsmettingsmiddelen voor gynaecologie, voor mond- en oogverzorging) die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk I tot en met IV, van het koninklijk besluit van 17 maart 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tegemoetkomt in de kosten van magistrale bereidingen en daarmee gelijkgestelde producten;
- de niet-geïmpregneerde verbanden;
- de steriele kompressen die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk V, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
- het onderhuids en/of intramusculair injectiemateriaal (uitgezonderd insulinespuiten).
Een gedetailleerde lijst van deze producten wordt opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie;] <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
6° de geneeskundige verstrekkingen verleend door psychiaters en neuropsychiaters in psychiatrische verzorgingstehuizen [alsmede het bedrag C2A zoals voorzien in artikel 2, 3), b), van het koninklijk besluit van 10 december 1990 houdende vaststelling van de regels voor het bepalen van de opnemingsprijs voor personen die worden opgenomen in psychiatrische verzorgingstehuizen]. <KB 2003-11-18/31, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 29-12-2003>
[7° in de rust- en verzorgingstehuizen, de taken van de coördinerend en adviserend [5 arts]5, gedefinieerd in de bijlage 1, punt B, 3, h), bij het koninklijk besluit van [3 21 september 2004]3 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging;] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 067; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
[8° de opleiding en de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging [3 en de aanvullende opleiding van het personeel op het vlak van dementie]3 in de rust- en verzorgingstehuizen.] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
[9° in de rust- en verzorgingstehuizen [3 en in de psychiatrische verzorgingstehuizen]3, een partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en de kosten voor de gegevensoverdracht;
10° het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige in het rust- en verzorgingstehuis [3 en het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige en de hoofdparamedicus met minstens 18 jaar anciënniteit in de rust- en verzorgingstehuizen en in de psychiatrische verzorgingstehuizen]3;
11° in de rust- en verzorgingstehuizen : een tegemoetkoming om het gebruik van bijkomende zorgmiddelen te stimuleren;
12° in de rust- en verzorgingstehuizen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het protocol van 24 mei 2004, gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikel 128, 130 en 135 van de Grondwet, betreffende het gezondheidsbeleid t.a.v. patiënten in een persisterende vegetatieve status : vanaf 1 juli 2004, een tegemoetkoming om de investeringen in zwaar verzorgingsmateriaal te financieren. De lijst met dat verzorgingsmateriaal is opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie;] <KB 2005-02-28/38, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[3 13° in de rust- en verzorgingstehuizen waarin gemiddeld 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd) : de financiering van een referentiepersoon voor dementie;
14° [4 ...]4]3
§ 2. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet, omvatten:
1° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
2° de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverleners;
3° de bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en elke handeling tot reactivatie [...] en sociale reïntegratie, inclusief de ergotherapie; <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
4° [[3 de producten en het materiaal ter preventie van nosocomiale ziekten, alsook de volgende producten]3 :
- de ontsmettingsmiddelen (uitgezonderd de ontsmettingsmiddelen voor gynaecologie, voor mond- en oogverzorging) die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk I tot en met IV, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
- de niet-geïmpregneerde verbanden;
- de steriele kompressen die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk V, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
- het onderhuids en/of intramusculair injectiemateriaal (uitgezonderd insulinespuiten).
Een gedetailleerde lijst van deze produkten wordt opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie.] <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
[5° de opleiding en de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging in de inrichtingen met een afdeling die een bijzondere erkenning als "rust- en verzorgingstehuis" heeft en in de inrichtingen die, ten opzichte van het totaal aantal erkende bedden, 40 % of meer patiënten tellen die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorieën B of C zijn gerangschikt en waar bovendien ten minste 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorieën B of C zijn gerangschikt [3 en de aanvullende opleiding van het personeel op het vlak van dementie in de inrichtingen met een afdeling die een bijzondere erkenning als " rust- en verzorgingstehuis " heeft en in de inrichtingen waarin gemiddeld 15 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd)]3.] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
[6° een partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en de kosten voor de gegevensoverdracht;
7° een tegemoetkoming om het gebruik van bijkomende zorgmiddelen te stimuleren;] <KB 2005-02-28/38, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[3 8° het functiecomplement voor de hoofdparamedici en de coördinerend verpleegkundigen met minstens 18 jaar anciënniteit;
9° een bijkomende financiering voor het kortverblijf;
10° de financiering van een referentiepersoon voor dementie in de inrichtingen waarin gemiddeld 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd);
11° [4 ...]4 ]3
§ 3. De tussenkomst van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de in artikel 34, 11° en 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde verstrekkingen, bestaat uit een dagelijkse tegemoetkoming die tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt genoemd.
1° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
[2 2° in de rust- en verzorgingstehuizen en centra voor dagverzorging : de kinesitherapieverstrekkingen en de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverstrekkers;]2
[1 3° in de psychiatrische verzorgingstehuizen : de kinesitherapieverstrekkingen en de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverstrekkers, met uitzondering van de kinesitherapieverstrekkingen die niet in de psychiatrische behandeling kaderen en die door een behandelende [5 arts]5, andere dan de [5 arts-specialist]5 in de neuropsychiatrie of in de psychiatrie, worden voorgeschreven;]1
4° de bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en elke handeling tot reactivatie [...] en sociale reïntegratie, inclusief de ergotherapie; <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
5° [in de rust- en verzorgingstehuizen en in de centra voor dagverzorging [3 de producten en het materiaal ter preventie van nosocomiale ziekten, alsook de volgende producten ]3 :
- de ontsmettingsmiddelen (uitgezonderd de ontsmettingsmiddelen voor gynaecologie, voor mond- en oogverzorging) die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk I tot en met IV, van het koninklijk besluit van 17 maart 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tegemoetkomt in de kosten van magistrale bereidingen en daarmee gelijkgestelde producten;
- de niet-geïmpregneerde verbanden;
- de steriele kompressen die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk V, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
- het onderhuids en/of intramusculair injectiemateriaal (uitgezonderd insulinespuiten).
Een gedetailleerde lijst van deze producten wordt opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie;] <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
6° de geneeskundige verstrekkingen verleend door psychiaters en neuropsychiaters in psychiatrische verzorgingstehuizen [alsmede het bedrag C2A zoals voorzien in artikel 2, 3), b), van het koninklijk besluit van 10 december 1990 houdende vaststelling van de regels voor het bepalen van de opnemingsprijs voor personen die worden opgenomen in psychiatrische verzorgingstehuizen]. <KB 2003-11-18/31, art. 1, 103; Inwerkingtreding : 29-12-2003>
[7° in de rust- en verzorgingstehuizen, de taken van de coördinerend en adviserend [5 arts]5, gedefinieerd in de bijlage 1, punt B, 3, h), bij het koninklijk besluit van [3 21 september 2004]3 houdende vaststelling van de normen voor de bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis of als centrum voor dagverzorging;] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 067; Inwerkingtreding : 01-10-2000>
[8° de opleiding en de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging [3 en de aanvullende opleiding van het personeel op het vlak van dementie]3 in de rust- en verzorgingstehuizen.] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
[9° in de rust- en verzorgingstehuizen [3 en in de psychiatrische verzorgingstehuizen]3, een partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en de kosten voor de gegevensoverdracht;
10° het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige in het rust- en verzorgingstehuis [3 en het functiecomplement voor de hoofdverpleegkundige en de hoofdparamedicus met minstens 18 jaar anciënniteit in de rust- en verzorgingstehuizen en in de psychiatrische verzorgingstehuizen]3;
11° in de rust- en verzorgingstehuizen : een tegemoetkoming om het gebruik van bijkomende zorgmiddelen te stimuleren;
12° in de rust- en verzorgingstehuizen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het protocol van 24 mei 2004, gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikel 128, 130 en 135 van de Grondwet, betreffende het gezondheidsbeleid t.a.v. patiënten in een persisterende vegetatieve status : vanaf 1 juli 2004, een tegemoetkoming om de investeringen in zwaar verzorgingsmateriaal te financieren. De lijst met dat verzorgingsmateriaal is opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie;] <KB 2005-02-28/38, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[3 13° in de rust- en verzorgingstehuizen waarin gemiddeld 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd) : de financiering van een referentiepersoon voor dementie;
14° [4 ...]4]3
§ 2. De verstrekkingen, bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet, omvatten:
1° de verzorging verleend door verpleegkundigen;
2° de logopedieverstrekkingen verleend door de daartoe bevoegde zorgverleners;
3° de bijstand in de handelingen van het dagelijks leven en elke handeling tot reactivatie [...] en sociale reïntegratie, inclusief de ergotherapie; <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
4° [[3 de producten en het materiaal ter preventie van nosocomiale ziekten, alsook de volgende producten]3 :
- de ontsmettingsmiddelen (uitgezonderd de ontsmettingsmiddelen voor gynaecologie, voor mond- en oogverzorging) die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk I tot en met IV, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
- de niet-geïmpregneerde verbanden;
- de steriele kompressen die niet terugbetaalbaar zijn ter uitvoering van Bijlage I, hoofdstuk V, van het voornoemde koninklijk besluit van 17 maart 1997;
- het onderhuids en/of intramusculair injectiemateriaal (uitgezonderd insulinespuiten).
Een gedetailleerde lijst van deze produkten wordt opgesteld door het Verzekeringscomité, op voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie.] <KB 2002-03-11/44, art. 1, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002>
[5° de opleiding en de sensibilisering van het personeel voor de palliatieve verzorging in de inrichtingen met een afdeling die een bijzondere erkenning als "rust- en verzorgingstehuis" heeft en in de inrichtingen die, ten opzichte van het totaal aantal erkende bedden, 40 % of meer patiënten tellen die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorieën B of C zijn gerangschikt en waar bovendien ten minste 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorieën B of C zijn gerangschikt [3 en de aanvullende opleiding van het personeel op het vlak van dementie in de inrichtingen met een afdeling die een bijzondere erkenning als " rust- en verzorgingstehuis " heeft en in de inrichtingen waarin gemiddeld 15 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd)]3.] <KB 2001-11-22/35, art. 1, 068; Inwerkingtreding : 01-10-2001>
[6° een partiële tegemoetkoming in de beheerskosten en de kosten voor de gegevensoverdracht;
7° een tegemoetkoming om het gebruik van bijkomende zorgmiddelen te stimuleren;] <KB 2005-02-28/38, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
[3 8° het functiecomplement voor de hoofdparamedici en de coördinerend verpleegkundigen met minstens 18 jaar anciënniteit;
9° een bijkomende financiering voor het kortverblijf;
10° de financiering van een referentiepersoon voor dementie in de inrichtingen waarin gemiddeld 25 patiënten verblijven die in de in artikel 150 bedoelde afhankelijkheidscategorie C zijn gerangschikt wegens hun psychische afhankelijkheid (categorie Cd);
11° [4 ...]4 ]3
§ 3. De tussenkomst van de verzekering voor geneeskundige verzorging voor de in artikel 34, 11° en 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde verstrekkingen, bestaat uit een dagelijkse tegemoetkoming die tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt genoemd.
Modifications
Art.147. § 1er. Les prestations visées à l'article 34, 11°, de la loi coordonnée comprennent:
1° les soins dispenses par les praticiens de l'art infirmier;
[2 2° dans les maisons de repos et de soins et les centres de soins de jour : les prestations de kinésithérapie et de logopédie effectuées par les dispensateurs de soins qualifiés à cet effet;]2
[1 3° dans les maisons de soins psychiatriques : les prestations de kinésithérapie et de logopédie effectuées par les dispensateurs de soins qualifiés à cet effet, à l'exception des prestations de kinésithérapie qui ne sont pas comprises dans le cadre du traitement psychiatrique et qui sont prescrites par un médecin traitant autre que le médecin spécialiste en neuropsychiatrie ou en psychiatrie;]1
4° l'assistance dans les actes de la vie journalière et tout acte de réactivation [...] et intégration sociale, y compris l'ergothérapie; <AR 2002-03-11/44, art. 1, 079; En vigueur : 01-08-2002>
5° [dans les maisons de repos et de soins et dans les centres de soins de jour [3 les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales, ainsi que les produits suivants]3 :
- les désinfectants (à l'exception des désinfectants à usage gynécologique, à usage buccal et à usage ophtalmique) qui ne sont pas remboursables en exécution de l'Annexe I, chapitre Ier à IV, de l'arrêté royal du 17 mars 1997 fixant les conditions dans lesquelles l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités intervient dans le coût des préparations magistrales et produits assimilés;
- les pansements non imprégnés;
- les compresses stériles qui ne sont pas remboursables en exécution de l'Annexe I, chapitre V, de l'arrêté royal précité du 17 mars 1997;
- le matériel d'injection sous-cutanée et/ou intramusculaire (à l'exception des seringues à insuline).
Une liste détaillée de ces produits est établie par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 12;] <AR 2002-03-11/44, art. 1, 079; En vigueur : 01-08-2002>
6° les prestations médicales effectuées par des psychiatres et neuropsychiatres dans les maisons de soins psychiatriques [ainsi que le montant C2A tel que visé dans l'article 2, 3), b) de l'arrêté royal du 10 décembre 1990 fixant les règles pour la fixation du prix d'hébergement pour les personnes admises dans des maisons de soins psychiatriques]. <AR 2003-11-18/31, art. 1, 103; En vigueur : 29-12-2003>
[7° dans les maisons de repos et de soins, les missions du médecin coordinateur et conseiller, définies à l'annexe 1, point B, 3, h), de l'arrêté royal du [3 21 septembre 2004]3 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins ou comme centre de soins de jour;] <AR 2001-11-22/35, art. 1, 067; En vigueur : 01-10-2000>
[8° la formation et la sensibilisation du personnel aux soins palliatifs [3 et la formation complémentaire du personnel en matière de démence]3 dans les maisons de repos et de soins.] <AR 2001-11-22/35, art. 1, 068; En vigueur : 01-10-2001>
[9° dans les maisons de repos et de soins [3 et les maisons de soins psychiatriques]3, une intervention partielle dans le coût de la gestion et de la transmission des données;
10° le complément fonctionnel pour l'infirmière en chef en maison de repos et de soins [3 et le complément de fonction pour l'infirmière en chef et le paramédical en chef ayant au moins 18 ans d'ancienneté dans les maisons de repos et de soins et les maisons de soins psychiatriques]3;
11° dans les maisons de repos et de soins : une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires;
12° dans les maisons de repos et de soins reprises à l'annexe 3 du protocole du 24 mai 2004, conclu entre le Gouvernement fédéral et les autorités visées aux articles 128, 130 et 135 de la Constitution, concernant la politique de santé à mener à l'égard des patients en état végétatif persistant : à partir du 1er juillet 2004, une intervention destinée à financer des investissements en gros matériel de soins. La liste de ce matériel de soins est établie par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 12;] <AR 2005-02-28/38, art. 2, 116; En vigueur : 01-01-2004>
[3 13° dans les maisons de repos et de soins hébergeant une moyenne de 25 patients classés dans la catégorie de dépendance C visée à l'article 150 en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd) : le financement d'une personne de référence pour la démence;
14° [4 ...]4]3
§ 2. Les prestations visées à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée comprennent:
1° les soins dispensés par les praticiens de l'art infirmier;
2° les prestations de logopédie effectuées par des dispensateurs de soins qualifiés à cet effet;
3° l'assistance dans les actes de la vie journalière et tout acte de réactivation [...] et intégration sociale, y compris l'ergothérapie; <AR 2002-03-11/44, art. 1, 079; En vigueur : 01-08-2002>
4° [[3 les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales, ainsi que les produits suivants]3 :
- les désinfectants (à l'exception des désinfectants à usage gynécologique, à usage buccal et à usage ophtalmique) qui ne sont pas remboursables en exécution de l'Annexe I, chapitre Ier à IV, de l'arrêté royal précité du 17 mars 1997;
- les pansements non imprégnés;
- les compresses stériles qui ne sont pas remboursables en exécution de l'Annexe I, chapitre V, de l'arrêté royal précité du 17 mars 1997;
- le matériel d'injection sous-cutanée et/ou intramusculaire (à l'exception des seringues à insuline).
Une liste détaillée de ces produits est établie par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 12.] <AR 2002-03-11/44, art. 1, 079; En vigueur : 01-08-2002>
[5° la formation et la sensibilisation du personnel aux soins palliatifs dans les institutions qui comportent une section bénéficiant d'un agrément spécial "maison de repos et de soins" et dans les institutions qui comptent, par rapport au nombre total de lits agréés, 40 % ou plus de patients classés dans les catégories de dépendance B ou C visées à l'article 150, et qui hébergent en outre au moins 25 patients classés dans les catégories de dépendance B ou C visées à l'article 150 [3 ainsi que la formation complémentaire du personnel dans le domaine de la démence dans les institutions qui comportent une section qui a reçu un agrément spécial "maisons de repos et de soins", et dans les institutions qui hébergent en moyenne au moins 15 patients classés dans la catégorie de dépendance C visée à l'article 150 en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd)]3.] <AR 2001-11-22/35, art. 1, 068; En vigueur : 01-10-2001>
[6° une intervention partielle dans le coût de la gestion et de la transmission des données;
7° une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires;] <AR 2005-02-28/38, art. 2, 116; En vigueur : 01-01-2004>
[3 8° le complément de fonction pour les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers ayant au moins 18 ans d'ancienneté;
9° un financement supplémentaire pour le court séjour;
10° le financement d'une personne de référence pour la démence dans les institutions hébergeant une moyenne de 25 patients classés dans la catégorie de dépendance C visée à l'article 150 en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd);
11° [4 ...]4]3
§ 3. L'intervention de l'assurance soins de santé pour les prestations visées à l'article 34, 11° et 12°, de la loi coordonnée consiste en une allocation journalière appelée allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière.
1° les soins dispenses par les praticiens de l'art infirmier;
[2 2° dans les maisons de repos et de soins et les centres de soins de jour : les prestations de kinésithérapie et de logopédie effectuées par les dispensateurs de soins qualifiés à cet effet;]2
[1 3° dans les maisons de soins psychiatriques : les prestations de kinésithérapie et de logopédie effectuées par les dispensateurs de soins qualifiés à cet effet, à l'exception des prestations de kinésithérapie qui ne sont pas comprises dans le cadre du traitement psychiatrique et qui sont prescrites par un médecin traitant autre que le médecin spécialiste en neuropsychiatrie ou en psychiatrie;]1
4° l'assistance dans les actes de la vie journalière et tout acte de réactivation [...] et intégration sociale, y compris l'ergothérapie; <AR 2002-03-11/44, art. 1, 079; En vigueur : 01-08-2002>
5° [dans les maisons de repos et de soins et dans les centres de soins de jour [3 les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales, ainsi que les produits suivants]3 :
- les désinfectants (à l'exception des désinfectants à usage gynécologique, à usage buccal et à usage ophtalmique) qui ne sont pas remboursables en exécution de l'Annexe I, chapitre Ier à IV, de l'arrêté royal du 17 mars 1997 fixant les conditions dans lesquelles l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités intervient dans le coût des préparations magistrales et produits assimilés;
- les pansements non imprégnés;
- les compresses stériles qui ne sont pas remboursables en exécution de l'Annexe I, chapitre V, de l'arrêté royal précité du 17 mars 1997;
- le matériel d'injection sous-cutanée et/ou intramusculaire (à l'exception des seringues à insuline).
Une liste détaillée de ces produits est établie par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 12;] <AR 2002-03-11/44, art. 1, 079; En vigueur : 01-08-2002>
6° les prestations médicales effectuées par des psychiatres et neuropsychiatres dans les maisons de soins psychiatriques [ainsi que le montant C2A tel que visé dans l'article 2, 3), b) de l'arrêté royal du 10 décembre 1990 fixant les règles pour la fixation du prix d'hébergement pour les personnes admises dans des maisons de soins psychiatriques]. <AR 2003-11-18/31, art. 1, 103; En vigueur : 29-12-2003>
[7° dans les maisons de repos et de soins, les missions du médecin coordinateur et conseiller, définies à l'annexe 1, point B, 3, h), de l'arrêté royal du [3 21 septembre 2004]3 fixant les normes pour l'agrément spécial comme maison de repos et de soins ou comme centre de soins de jour;] <AR 2001-11-22/35, art. 1, 067; En vigueur : 01-10-2000>
[8° la formation et la sensibilisation du personnel aux soins palliatifs [3 et la formation complémentaire du personnel en matière de démence]3 dans les maisons de repos et de soins.] <AR 2001-11-22/35, art. 1, 068; En vigueur : 01-10-2001>
[9° dans les maisons de repos et de soins [3 et les maisons de soins psychiatriques]3, une intervention partielle dans le coût de la gestion et de la transmission des données;
10° le complément fonctionnel pour l'infirmière en chef en maison de repos et de soins [3 et le complément de fonction pour l'infirmière en chef et le paramédical en chef ayant au moins 18 ans d'ancienneté dans les maisons de repos et de soins et les maisons de soins psychiatriques]3;
11° dans les maisons de repos et de soins : une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires;
12° dans les maisons de repos et de soins reprises à l'annexe 3 du protocole du 24 mai 2004, conclu entre le Gouvernement fédéral et les autorités visées aux articles 128, 130 et 135 de la Constitution, concernant la politique de santé à mener à l'égard des patients en état végétatif persistant : à partir du 1er juillet 2004, une intervention destinée à financer des investissements en gros matériel de soins. La liste de ce matériel de soins est établie par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 12;] <AR 2005-02-28/38, art. 2, 116; En vigueur : 01-01-2004>
[3 13° dans les maisons de repos et de soins hébergeant une moyenne de 25 patients classés dans la catégorie de dépendance C visée à l'article 150 en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd) : le financement d'une personne de référence pour la démence;
14° [4 ...]4]3
§ 2. Les prestations visées à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée comprennent:
1° les soins dispensés par les praticiens de l'art infirmier;
2° les prestations de logopédie effectuées par des dispensateurs de soins qualifiés à cet effet;
3° l'assistance dans les actes de la vie journalière et tout acte de réactivation [...] et intégration sociale, y compris l'ergothérapie; <AR 2002-03-11/44, art. 1, 079; En vigueur : 01-08-2002>
4° [[3 les produits et le matériel destinés à prévenir les maladies nosocomiales, ainsi que les produits suivants]3 :
- les désinfectants (à l'exception des désinfectants à usage gynécologique, à usage buccal et à usage ophtalmique) qui ne sont pas remboursables en exécution de l'Annexe I, chapitre Ier à IV, de l'arrêté royal précité du 17 mars 1997;
- les pansements non imprégnés;
- les compresses stériles qui ne sont pas remboursables en exécution de l'Annexe I, chapitre V, de l'arrêté royal précité du 17 mars 1997;
- le matériel d'injection sous-cutanée et/ou intramusculaire (à l'exception des seringues à insuline).
Une liste détaillée de ces produits est établie par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 12.] <AR 2002-03-11/44, art. 1, 079; En vigueur : 01-08-2002>
[5° la formation et la sensibilisation du personnel aux soins palliatifs dans les institutions qui comportent une section bénéficiant d'un agrément spécial "maison de repos et de soins" et dans les institutions qui comptent, par rapport au nombre total de lits agréés, 40 % ou plus de patients classés dans les catégories de dépendance B ou C visées à l'article 150, et qui hébergent en outre au moins 25 patients classés dans les catégories de dépendance B ou C visées à l'article 150 [3 ainsi que la formation complémentaire du personnel dans le domaine de la démence dans les institutions qui comportent une section qui a reçu un agrément spécial "maisons de repos et de soins", et dans les institutions qui hébergent en moyenne au moins 15 patients classés dans la catégorie de dépendance C visée à l'article 150 en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd)]3.] <AR 2001-11-22/35, art. 1, 068; En vigueur : 01-10-2001>
[6° une intervention partielle dans le coût de la gestion et de la transmission des données;
7° une intervention destinée à encourager l'utilisation de moyens de soins supplémentaires;] <AR 2005-02-28/38, art. 2, 116; En vigueur : 01-01-2004>
[3 8° le complément de fonction pour les paramédicaux en chef et les coordinateurs infirmiers ayant au moins 18 ans d'ancienneté;
9° un financement supplémentaire pour le court séjour;
10° le financement d'une personne de référence pour la démence dans les institutions hébergeant une moyenne de 25 patients classés dans la catégorie de dépendance C visée à l'article 150 en raison de leur dépendance psychique (catégorie Cd);
11° [4 ...]4]3
§ 3. L'intervention de l'assurance soins de santé pour les prestations visées à l'article 34, 11° et 12°, de la loi coordonnée consiste en une allocation journalière appelée allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière.
Art.148. De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 147, § 3, wat de rust- en verzorgingstehuizen betreft wordt toegekend (aan de inrichting voor de rechthebbende die): <KB 1999-06-13/63, art. 4, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
1° geen dagelijks medisch toezicht en geen permanente specialistische medische verzorging meer behoeft, maar anderzijds in sterke mate aangewezen is én op verzorging én op bijstand van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
2° verzorgd wordt door een dienst of is opgenomen in een instelling die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging en die een overeenkomst bedoeld bij artikel 47 van dé gecoördineerde wet heeft gesloten;
Tot de door de Koning in uitvoering van artikel 5, § 4, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 27 juni 1978 bepaalde datum moeten de instellingen, met uitzondering van de instellingen, die hiervan door het uitvoeringsbesluit worden vrijgesteld, bovendien het in artikel 5, § 4 tweede lid, van dezelfde wet bedoeld bewijs leveren;
3° beantwoordt aan de criteria van een van de hierna vermelde afhankelijkheidscategorieën;
- categorie B: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
- fysisch afhankelijk zijn:
zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden en zij zijn afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan; <KB 2004-10-13/31, art. 1, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
- psychisch afhankelijk zijn:
zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden.
[1 - categorie C : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
- fysisch afhankelijk zijn : zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en naar het toilet te gaan, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie en/of om te eten;
- psychisch afhankelijk zijn (categorie Cd) :
zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, en zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten,
of het gaat om rechthebbenden waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd én die afhankelijk zijn om zich te wassen en te kleden, én afhankelijk zijn wegens incontinentie, én afhankelijk zijn voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten.]1
[1 - categorie D : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd.]1
(De tegemoetkoming bedoeld in artikel 147, § 3 wordt ook toegekend aan de rust- en verzorgingstehuizen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het protocol van 24 mei 2004, gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikel 128, 130 en 135 van de Grondwet, betreffende het gezondheidsbeleid t.a.v. patiënten in een persisterende vegetatieve status, voor de rechthebbende die, ten gevolge van een acute hersenbeschadiging (ernstig schedeltrauma, hartstilstand, aderbloeding...), gevolgd door een coma, waarbij de ontwaaktechnieken de situatie niet hebben kunnen verbeteren, tot de afhankelijkheidscategorie " Cc " behoort, dit wil zeggen die :
- ofwel een persisterende neurovegetatieve status behoudt, namelijk :
1. getuigt van geen enkele vorm van bewustzijn van zichzelf of de omgeving en is niet in staat met anderen te communiceren;
2. geeft geen enkele volgehouden, repliceerbare, gerichte en vrijwillige respons op stimulatie van het gezichtsvermogen, het gehoor, de tastzin of pijnprikkels;
3. geeft geen enkel teken van welke vorm van taalvermogen dan ook, noch wat het begripsvermogen noch wat de spreekvaardigheid betreft;
4. kan soms spontaan de ogen openen, oogbewegingen maken, zonder daarom personen of voorwerpen met de ogen te volgen;
5. kan een slaap-waakritme hebben en ontwaakt dus mogelijkerwijs met tussenpozen (zonder bij bewustzijn te komen);
6. de hypothalamische en trunculaire functies zijn nog voldoende intact om te kunnen overleven met medische en verpleegkundige verzorging;
7. vertoont geen emotionele reactie op verbale aanmaningen;
8. vertoont urinaire en fecale incontinentie;
9. vertoont tamelijk intacte schedel- en ruggenmergreflexen,
en dat sinds minstens drie maanden;
- ofwel een minimaal responsieve status (MRS) behoudt, die verschilt van de neurovegetatieve status omdat de patiënt zich in een bepaald opzicht van zichzelf en de omgeving bewust is. Soms is hij/zij in staat een gerichte beweging te maken of te reageren op bepaalde stimuli door te huilen of te lachen, met ja of nee via bewegingen of articulatie. De constante aanwezigheid van een van die tekens volstaat om de patiënt als MRS te categoriseren. De afhankelijkheid blijft totaal, met hersenschorsgebreken die niet kunnen worden onderzocht en verregaande sensorische en motorische gebreken.) <KB 2005-02-28/38, art. 3, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
1° geen dagelijks medisch toezicht en geen permanente specialistische medische verzorging meer behoeft, maar anderzijds in sterke mate aangewezen is én op verzorging én op bijstand van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
2° verzorgd wordt door een dienst of is opgenomen in een instelling die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging en die een overeenkomst bedoeld bij artikel 47 van dé gecoördineerde wet heeft gesloten;
Tot de door de Koning in uitvoering van artikel 5, § 4, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 27 juni 1978 bepaalde datum moeten de instellingen, met uitzondering van de instellingen, die hiervan door het uitvoeringsbesluit worden vrijgesteld, bovendien het in artikel 5, § 4 tweede lid, van dezelfde wet bedoeld bewijs leveren;
3° beantwoordt aan de criteria van een van de hierna vermelde afhankelijkheidscategorieën;
- categorie B: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
- fysisch afhankelijk zijn:
zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden en zij zijn afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan; <KB 2004-10-13/31, art. 1, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
- psychisch afhankelijk zijn:
zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden.
[1 - categorie C : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
- fysisch afhankelijk zijn : zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en naar het toilet te gaan, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie en/of om te eten;
- psychisch afhankelijk zijn (categorie Cd) :
zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, en zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten,
of het gaat om rechthebbenden waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd én die afhankelijk zijn om zich te wassen en te kleden, én afhankelijk zijn wegens incontinentie, én afhankelijk zijn voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten.]1
[1 - categorie D : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd.]1
(De tegemoetkoming bedoeld in artikel 147, § 3 wordt ook toegekend aan de rust- en verzorgingstehuizen die zijn opgenomen in bijlage 3 bij het protocol van 24 mei 2004, gesloten tussen de federale overheid en de overheden bedoeld in artikel 128, 130 en 135 van de Grondwet, betreffende het gezondheidsbeleid t.a.v. patiënten in een persisterende vegetatieve status, voor de rechthebbende die, ten gevolge van een acute hersenbeschadiging (ernstig schedeltrauma, hartstilstand, aderbloeding...), gevolgd door een coma, waarbij de ontwaaktechnieken de situatie niet hebben kunnen verbeteren, tot de afhankelijkheidscategorie " Cc " behoort, dit wil zeggen die :
- ofwel een persisterende neurovegetatieve status behoudt, namelijk :
1. getuigt van geen enkele vorm van bewustzijn van zichzelf of de omgeving en is niet in staat met anderen te communiceren;
2. geeft geen enkele volgehouden, repliceerbare, gerichte en vrijwillige respons op stimulatie van het gezichtsvermogen, het gehoor, de tastzin of pijnprikkels;
3. geeft geen enkel teken van welke vorm van taalvermogen dan ook, noch wat het begripsvermogen noch wat de spreekvaardigheid betreft;
4. kan soms spontaan de ogen openen, oogbewegingen maken, zonder daarom personen of voorwerpen met de ogen te volgen;
5. kan een slaap-waakritme hebben en ontwaakt dus mogelijkerwijs met tussenpozen (zonder bij bewustzijn te komen);
6. de hypothalamische en trunculaire functies zijn nog voldoende intact om te kunnen overleven met medische en verpleegkundige verzorging;
7. vertoont geen emotionele reactie op verbale aanmaningen;
8. vertoont urinaire en fecale incontinentie;
9. vertoont tamelijk intacte schedel- en ruggenmergreflexen,
en dat sinds minstens drie maanden;
- ofwel een minimaal responsieve status (MRS) behoudt, die verschilt van de neurovegetatieve status omdat de patiënt zich in een bepaald opzicht van zichzelf en de omgeving bewust is. Soms is hij/zij in staat een gerichte beweging te maken of te reageren op bepaalde stimuli door te huilen of te lachen, met ja of nee via bewegingen of articulatie. De constante aanwezigheid van een van die tekens volstaat om de patiënt als MRS te categoriseren. De afhankelijkheid blijft totaal, met hersenschorsgebreken die niet kunnen worden onderzocht en verregaande sensorische en motorische gebreken.) <KB 2005-02-28/38, art. 3, 116; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
Art.148. En ce qui concerne les maisons de repos et de soins, l'allocation visée à l'article 147, § 3, est accordée (à l'institution pour le bénéficiaire qui) : <AR 1999-06-13/63, art. 4, 037; En vigueur : 30-07-1999>
1° ne nécessite plus de surveillance médicale journalière, ni de traitement médical spécialisé permanent, mais qui d'autre part est fortement tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour les actes essentiels de la vie journalière.
2° est soigné par un service ou est admis dans une institution agréée en application de l'article 5 de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins et qui a conclu une convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée.
Jusqu'à la date déterminée par le Roi en exécution de l'article 5, § 4, alinéa 1er, de la loi précitée du 27 juin 1978, les institutions, à l'exception de celles qui en sont exemptées par l'arrêté d'exécution, doivent en outre fournir la preuve visée à l'article 5, § 4, alinéa 2 de la même loi;
3° satisfait aux critères d'une des catégories de dépendance suivantes:
- catégorie B: y sont classés les bénéficiaires qui:
- sont dépendants physiquement:
ils sont dépendants pour se laver et s'habiller et ils sont dépendants pour (les transferts et déplacements) et/ou aller à la toilette; <AR 2004-10-13/31, art. 1, 113; En vigueur : 01-01-2005>
- sont dépendants psychiquement:
ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace et ils sont dépendant pour se laver et/ou s'habiller;
- [1 catégorie C : y sont classés les bénéficiaires qui :
- sont dépendants physiquement : ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour les transferts et déplacements et aller à la toilette et ils sont dépendants pour incontinence et/ou pour manger;
- sont dépendants psychiquement (catégorie Cd) :
ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace, ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour incontinence, et ils sont dépendants pour les transferts et déplacements et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger,
ou il s'agit de bénéficiaires pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence, ayant fait l'objet d'un rapport écrit, effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, et qui sont dépendants pour se laver et s'habiller, sont dépendants pour incontinence, et sont dépendants pour les transferts et déplacements, et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger.]1
[1 - catégorie D : y sont classés les bénéficiaires pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence, ayant fait l'objet d'un rapport écrit, effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
(L'allocation visée à l'article 147, § 3, est également accordée aux maisons de repos et de soins reprises à l'annexe 3 du protocole du 24 mai 2004, conclu entre le Gouvernement fédéral et les autorités visées aux articles 128, 130 et 135 de la Constitution, concernant la politique de santé à mener à l'égard des patients en état végétatif persistant, pour le bénéficiaire qui, suite à un accident aigu (traumatisme crânien sévère, arrêt cardiaque, rupture vasculaire...), suivi d'un coma dont les techniques d'éveil n'ont pu améliorer la situation, a été classé dans la catégorie de dépendance " Cc ", c'est-à-dire qui :
- soit est en état neurovégétatif persistant, à savoir :
1. ne témoigne d'aucune conscience de soi-même ou de l'environnement et est dans l'incapacité d'interagir avec les autres;
2. ne donne aucune réponse maintenue reproductible dirigée volontaire à des stimuli visuels, auditifs, tactiles ou douloureux;
3. ne manifeste aucune forme de langage, que cela soit au niveau de la compréhension ou de l'expression;
4. peut avoir une ouverture occasionnelle, spontanée des yeux, a des mouvements oculaires possibles, pas nécessairement en poursuite;
5. peut présenter un éveil (vigilance sans conscience) intermittent démontré par la présence de cycles de veille/sommeil;
6. a des fonctions hypothalamiques ou tronculaires suffisamment préservées pour permettre une survie avec des soins médicaux et de nursing;
7. n'a pas de réponse émotionnelle aux injonctions verbales;
8. présente une incontinence urinaire et fécale;
9. présente une relative préservation des réflexes crâniens et spinaux,
et cela depuis au moins trois mois;
- soit est en état pauci-relationnel (EPR), lequel diffère de l'état neurovégétatif dans la mesure où le sujet manifeste une certaine conscience de lui-même et de son environnement. Il peut parfois être capable d'un geste orienté ou de répondre à quelques stimuli par des pleurs ou des rires, des oui ou non par gestes ou articulation. La présence constante d'un seul de ces signes permet de classer le sujet comme EPR. La dépendance reste totale, avec des déficiences corticales inexplorables, des déficits sensoriels et moteurs massifs.) <AR 2005-02-28/38, art. 3, 116; En vigueur : 01-07-2004>
1° ne nécessite plus de surveillance médicale journalière, ni de traitement médical spécialisé permanent, mais qui d'autre part est fortement tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour les actes essentiels de la vie journalière.
2° est soigné par un service ou est admis dans une institution agréée en application de l'article 5 de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins et qui a conclu une convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée.
Jusqu'à la date déterminée par le Roi en exécution de l'article 5, § 4, alinéa 1er, de la loi précitée du 27 juin 1978, les institutions, à l'exception de celles qui en sont exemptées par l'arrêté d'exécution, doivent en outre fournir la preuve visée à l'article 5, § 4, alinéa 2 de la même loi;
3° satisfait aux critères d'une des catégories de dépendance suivantes:
- catégorie B: y sont classés les bénéficiaires qui:
- sont dépendants physiquement:
ils sont dépendants pour se laver et s'habiller et ils sont dépendants pour (les transferts et déplacements) et/ou aller à la toilette; <AR 2004-10-13/31, art. 1, 113; En vigueur : 01-01-2005>
- sont dépendants psychiquement:
ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace et ils sont dépendant pour se laver et/ou s'habiller;
- [1 catégorie C : y sont classés les bénéficiaires qui :
- sont dépendants physiquement : ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour les transferts et déplacements et aller à la toilette et ils sont dépendants pour incontinence et/ou pour manger;
- sont dépendants psychiquement (catégorie Cd) :
ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace, ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour incontinence, et ils sont dépendants pour les transferts et déplacements et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger,
ou il s'agit de bénéficiaires pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence, ayant fait l'objet d'un rapport écrit, effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, et qui sont dépendants pour se laver et s'habiller, sont dépendants pour incontinence, et sont dépendants pour les transferts et déplacements, et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger.]1
[1 - catégorie D : y sont classés les bénéficiaires pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence, ayant fait l'objet d'un rapport écrit, effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
(L'allocation visée à l'article 147, § 3, est également accordée aux maisons de repos et de soins reprises à l'annexe 3 du protocole du 24 mai 2004, conclu entre le Gouvernement fédéral et les autorités visées aux articles 128, 130 et 135 de la Constitution, concernant la politique de santé à mener à l'égard des patients en état végétatif persistant, pour le bénéficiaire qui, suite à un accident aigu (traumatisme crânien sévère, arrêt cardiaque, rupture vasculaire...), suivi d'un coma dont les techniques d'éveil n'ont pu améliorer la situation, a été classé dans la catégorie de dépendance " Cc ", c'est-à-dire qui :
- soit est en état neurovégétatif persistant, à savoir :
1. ne témoigne d'aucune conscience de soi-même ou de l'environnement et est dans l'incapacité d'interagir avec les autres;
2. ne donne aucune réponse maintenue reproductible dirigée volontaire à des stimuli visuels, auditifs, tactiles ou douloureux;
3. ne manifeste aucune forme de langage, que cela soit au niveau de la compréhension ou de l'expression;
4. peut avoir une ouverture occasionnelle, spontanée des yeux, a des mouvements oculaires possibles, pas nécessairement en poursuite;
5. peut présenter un éveil (vigilance sans conscience) intermittent démontré par la présence de cycles de veille/sommeil;
6. a des fonctions hypothalamiques ou tronculaires suffisamment préservées pour permettre une survie avec des soins médicaux et de nursing;
7. n'a pas de réponse émotionnelle aux injonctions verbales;
8. présente une incontinence urinaire et fécale;
9. présente une relative préservation des réflexes crâniens et spinaux,
et cela depuis au moins trois mois;
- soit est en état pauci-relationnel (EPR), lequel diffère de l'état neurovégétatif dans la mesure où le sujet manifeste une certaine conscience de lui-même et de son environnement. Il peut parfois être capable d'un geste orienté ou de répondre à quelques stimuli par des pleurs ou des rires, des oui ou non par gestes ou articulation. La présence constante d'un seul de ces signes permet de classer le sujet comme EPR. La dépendance reste totale, avec des déficiences corticales inexplorables, des déficits sensoriels et moteurs massifs.) <AR 2005-02-28/38, art. 3, 116; En vigueur : 01-07-2004>
Modifications
Art. 148bis. <INGEVOEGD bij KB 1999-06-13/63, art. 5; Inwerkingtreding : 30-07-1999> Wat de centra voor dagverzorging betreft, wordt de tegemoetkoming bedoeld in artikel 147, § 3, toegekend aan de inrichting voor de rechthebbende die :
1° voor sommige handelingen van het dagelijks leven afhankelijk is van zowel de verzorging als van de bijstand door derden;
2° gedurende ten minste zes uur per dag is opgenomen in een inrichting die door de bevoegde overheid is erkend en die een overeenkomst als bedoeld in artikel 47 van de gecoördineerde wet heeft gesloten;
3° beantwoordt aan de hierna vermelde afhankelijkheidscriteria :
- ofwel is hij fysiek afhankelijk : hij is afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én is afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan [2 (categorie F)]2; <KB 2004-10-13/31, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
- [2 ofwel is hij psychisch afhankelijk : hij is gedesoriënteerd in tijd en ruimte én is afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden (categorie Fd);]2
[2 ofwel gaat het om een rechthebbende waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [3 arts-specialist]3 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose voor dementie werd vastgesteld (categorie D).]2
[1 De tegemoetkoming bedoeld in artikel 147, § 3 wordt ook toegekend aan de centra voor dagverzorging voor de rechthebbende, zonder leeftijdsbeperking, die :
1° zich in een vergevorderde of terminale fase van een ernstige, progressieve en levensbedreigende ziekte bevindt, ongeacht zijn of haar levensverwachting;
2° met ernstige fysieke, psychische, sociale en geestelijke noden die een belangrijke tijdsintensieve en volgehouden inzet vergen en die reguliere thuiszorg rechtvaardigen;
3° die thuis verblijft en de intentie heeft om verder thuis te verblijven;
4° die, gemotiveerd door zijn irreversibele aandoening(en) tijdens de laatste 3 maanden het voorwerp heeft uitgemaakt van :
- minstens één ziekenhuisverblijf (klassieke hospitalisatie of daghospitalisatie);
- verzorging door een dienst voor thuisverpleging, door een kinésitherapeut, en/of een tenlasteneming door een multidisciplinaire begeleidingsequipe;
5° die naar het centrum verwezen wordt door de behandelend arts;
of die voldoen aan de voorwarden bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmiddelen en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten, bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
1° voor sommige handelingen van het dagelijks leven afhankelijk is van zowel de verzorging als van de bijstand door derden;
2° gedurende ten minste zes uur per dag is opgenomen in een inrichting die door de bevoegde overheid is erkend en die een overeenkomst als bedoeld in artikel 47 van de gecoördineerde wet heeft gesloten;
3° beantwoordt aan de hierna vermelde afhankelijkheidscriteria :
- ofwel is hij fysiek afhankelijk : hij is afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én is afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan [2 (categorie F)]2; <KB 2004-10-13/31, art. 2, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
- [2 ofwel is hij psychisch afhankelijk : hij is gedesoriënteerd in tijd en ruimte én is afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden (categorie Fd);]2
[2 ofwel gaat het om een rechthebbende waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [3 arts-specialist]3 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose voor dementie werd vastgesteld (categorie D).]2
[1 De tegemoetkoming bedoeld in artikel 147, § 3 wordt ook toegekend aan de centra voor dagverzorging voor de rechthebbende, zonder leeftijdsbeperking, die :
1° zich in een vergevorderde of terminale fase van een ernstige, progressieve en levensbedreigende ziekte bevindt, ongeacht zijn of haar levensverwachting;
2° met ernstige fysieke, psychische, sociale en geestelijke noden die een belangrijke tijdsintensieve en volgehouden inzet vergen en die reguliere thuiszorg rechtvaardigen;
3° die thuis verblijft en de intentie heeft om verder thuis te verblijven;
4° die, gemotiveerd door zijn irreversibele aandoening(en) tijdens de laatste 3 maanden het voorwerp heeft uitgemaakt van :
- minstens één ziekenhuisverblijf (klassieke hospitalisatie of daghospitalisatie);
- verzorging door een dienst voor thuisverpleging, door een kinésitherapeut, en/of een tenlasteneming door een multidisciplinaire begeleidingsequipe;
5° die naar het centrum verwezen wordt door de behandelend arts;
of die voldoen aan de voorwarden bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 december 1999 tot vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging voor geneesmiddelen, verzorgingsmiddelen en hulpmiddelen voor palliatieve thuispatiënten, bedoeld in artikel 34, 14°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.]1
Art. 148bis. En ce qui concerne les centres de soins de jour, l'allocation visée à l'article 147, § 3, est accordée à l'institution pour le bénéficiaire qui :
1° est tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour certains actes de la vie journalière;
2° est admis pendant au moins six heures par jour dans une institution agréée par l'autorité compétente et qui a conclu une convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée;
3° satisfait aux critères de dépendance suivants :
- soit il est dépendant physiquement : il est dépendant pour se laver et s'habiller, et il est dépendant pour se déplacer et/ou pour aller à la toilette [2 (catégorie F)]2;
- [2 soit il est dépendant psychiquement : il est désorienté dans le temps et dans l'espace et il est dépendant pour se laver et/ou s'habiller (catégorie Fd);]2]1
[2 - soit il s'agit d'un bénéficiaire qui a été diagnostiqué comme souffrant de démence à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, ayant fait l'objet d'un rapport écrit (catégorie D).]2
[1 L'allocation visée à l'article 147, § 3, est également accordée aux centres de soins de jour pour les bénéficiaires qui, quel que soit leur âge :
1° souffrent d'une maladie grave, progressive et mortelle dans une phase avancée ou terminale, quelle que soit leur espérance de vie;
2° ont des besoins physiques, psychiques, sociaux et spirituels importants nécessitant un engagement soutenu et long et qui justifient des soins à domicile réguliers;
3° séjournent à domicile et ont l'intention de continuer à séjourner à domicile;
4° ont fait l'objet, en raison de leur(s) affection(s) irréversible(s), au cours des 3 derniers mois :
- d'au moins un séjour hospitalier (séjour classique ou hospitalisation de jour);
- de soins à domicile, de soins de kinésithérapie et/ou d'une prise en charge par une équipe multidisciplinaire d'accompagnement;
5° sont adressés au centre par leur médecin traitant;
ou qui répondent aux conditions visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 2 décembre 1999 déterminant l'intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les médicaments, le matériel de soins et les auxiliaires pour les patients palliatifs à domicile visés à l'article 34, 14°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.]1
1° est tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour certains actes de la vie journalière;
2° est admis pendant au moins six heures par jour dans une institution agréée par l'autorité compétente et qui a conclu une convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée;
3° satisfait aux critères de dépendance suivants :
- soit il est dépendant physiquement : il est dépendant pour se laver et s'habiller, et il est dépendant pour se déplacer et/ou pour aller à la toilette [2 (catégorie F)]2;
- [2 soit il est dépendant psychiquement : il est désorienté dans le temps et dans l'espace et il est dépendant pour se laver et/ou s'habiller (catégorie Fd);]2]1
[2 - soit il s'agit d'un bénéficiaire qui a été diagnostiqué comme souffrant de démence à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, ayant fait l'objet d'un rapport écrit (catégorie D).]2
[1 L'allocation visée à l'article 147, § 3, est également accordée aux centres de soins de jour pour les bénéficiaires qui, quel que soit leur âge :
1° souffrent d'une maladie grave, progressive et mortelle dans une phase avancée ou terminale, quelle que soit leur espérance de vie;
2° ont des besoins physiques, psychiques, sociaux et spirituels importants nécessitant un engagement soutenu et long et qui justifient des soins à domicile réguliers;
3° séjournent à domicile et ont l'intention de continuer à séjourner à domicile;
4° ont fait l'objet, en raison de leur(s) affection(s) irréversible(s), au cours des 3 derniers mois :
- d'au moins un séjour hospitalier (séjour classique ou hospitalisation de jour);
- de soins à domicile, de soins de kinésithérapie et/ou d'une prise en charge par une équipe multidisciplinaire d'accompagnement;
5° sont adressés au centre par leur médecin traitant;
ou qui répondent aux conditions visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 2 décembre 1999 déterminant l'intervention de l'assurance soins de santé obligatoire pour les médicaments, le matériel de soins et les auxiliaires pour les patients palliatifs à domicile visés à l'article 34, 14°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.]1
Art.149. De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 147, § 3, wat de psychiatrische verzorgingstehuizen betreft wordt toegekend (aan de inrichting voor de rechthebbende die) : <KB 1999-06-13/63, art. 6, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
1° in sterke mate aangewezen is én op verzorging, én op bijstand van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
2° voldoet aan één van de volgende criteria voor opname in een psychiatrisch verzorgingstehuis:
- hetzij psychiatrische patiënt zijn met een langdurig gestabiliseerde psychiatrische stoornis met dien verstande dat hij:
- geen ziekenhuisbehandeling vergt;
- niet in aanmerking komt voor opname in een rust- en verzorgingstehuis omwille van zijn psychiatrische toestand;
- niet in aanmerking komt voor beschut wonen;
- geen nood heeft aan een ononderbroken psychiatrisch toezicht;
- nood heeft aan een continue begeleiding;
- hetzij mentaal gehandicapt zijn met dien verstande dat hij:
- geen ziekenhuisbehandeling vergt;
- niet in aanmerking komt voor beschut wonen;
- niet in aanmerking komt voor opname in een medisch pedagogische instelling;
- geen nood heeft aan een ononderbroken psychiatrisch toezicht;
- nood heeft aan een continue begeleiding;
3° verzorgd wordt door een dienst of opgenomen is in een instelling die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging en die een overeenkomst bedoeld bij artikel 47 van de gecoördineerde wet heeft gesloten.
Tot de door de Koning in uitvoering van artikel 5, § 4, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 27 juni 1978 bepaalde datum moeten de instellingen, met uitzondering van de instellingen die hiervan door het uitvoeringsbesluit worden vrijgesteld, bovendien het artikel 5, § 4, tweede lid, van dezelfde wet bedoeld bewijs leveren.
1° in sterke mate aangewezen is én op verzorging, én op bijstand van derde personen bij de essentiële handelingen van het dagelijks leven;
2° voldoet aan één van de volgende criteria voor opname in een psychiatrisch verzorgingstehuis:
- hetzij psychiatrische patiënt zijn met een langdurig gestabiliseerde psychiatrische stoornis met dien verstande dat hij:
- geen ziekenhuisbehandeling vergt;
- niet in aanmerking komt voor opname in een rust- en verzorgingstehuis omwille van zijn psychiatrische toestand;
- niet in aanmerking komt voor beschut wonen;
- geen nood heeft aan een ononderbroken psychiatrisch toezicht;
- nood heeft aan een continue begeleiding;
- hetzij mentaal gehandicapt zijn met dien verstande dat hij:
- geen ziekenhuisbehandeling vergt;
- niet in aanmerking komt voor beschut wonen;
- niet in aanmerking komt voor opname in een medisch pedagogische instelling;
- geen nood heeft aan een ononderbroken psychiatrisch toezicht;
- nood heeft aan een continue begeleiding;
3° verzorgd wordt door een dienst of opgenomen is in een instelling die erkend is met toepassing van artikel 5 van de wet van 27 juni 1978 tot wijziging van de wetgeving op de ziekenhuizen en betreffende sommige andere vormen van verzorging en die een overeenkomst bedoeld bij artikel 47 van de gecoördineerde wet heeft gesloten.
Tot de door de Koning in uitvoering van artikel 5, § 4, eerste lid, van de vorenbedoelde wet van 27 juni 1978 bepaalde datum moeten de instellingen, met uitzondering van de instellingen die hiervan door het uitvoeringsbesluit worden vrijgesteld, bovendien het artikel 5, § 4, tweede lid, van dezelfde wet bedoeld bewijs leveren.
Art.149. En ce qui concerne les maisons de soins psychiatriques, l'allocation visée à l'article 147, § 3, est accordée (à l'institution pour le bénéficiaire qui): <AR 1999-06-13/63, art. 6, 037; En vigueur : 30-07-1999>
1° est fortement tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour les actes essentiels de la vie journalière;
2° satisfait à un des critères suivants pour être admis dans une maison de soins psychiatriques:
- soit être patient psychiatrique présentant un trouble psychiatrique chronique stabilisé, étant entendu qu'il:
- ne requiert pas de traitement hospitalier;
- n'entre pas en ligne de compte pour une admission en maison de repos et de soins étant donné son état psychiatrique;
- n'entre pas en ligne de compte pour l'habitation protégée;
- ne nécessite pas une surveillance psychiatrique non interrompue;
- nécessite un accompagnement continu;
- soit être handicapé mental, étant entendu qu'il:
- ne requiert pas de traitement hospitalier;
- n'entre pas en ligne de compte pour l'habitation protégée;
- n'entre pas en ligne de compte pour une admission dans une institution médico-pédagogique;
- ne nécessite pas une surveillance psychiatrique non interrompue;
- nécessite un accompagnement continu;
3° est soigne par un service ou est admis dans une institution agréée en application de l'article 5 de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins et qui a conclu une convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée.
Jusqu'à la date déterminée par le Roi en exécution de l'article 5, § 4, alinéa 1er, de la loi précitée du 27 juin 1978, les institutions, à l'exception de celles qui en sont exemptées par l'arrêté d'exécution, doivent en outre fournir la preuve visée à l'article 5, § 4, alinéa 2, de la même loi.
1° est fortement tributaire à la fois de soins et de l'assistance de tierces personnes pour les actes essentiels de la vie journalière;
2° satisfait à un des critères suivants pour être admis dans une maison de soins psychiatriques:
- soit être patient psychiatrique présentant un trouble psychiatrique chronique stabilisé, étant entendu qu'il:
- ne requiert pas de traitement hospitalier;
- n'entre pas en ligne de compte pour une admission en maison de repos et de soins étant donné son état psychiatrique;
- n'entre pas en ligne de compte pour l'habitation protégée;
- ne nécessite pas une surveillance psychiatrique non interrompue;
- nécessite un accompagnement continu;
- soit être handicapé mental, étant entendu qu'il:
- ne requiert pas de traitement hospitalier;
- n'entre pas en ligne de compte pour l'habitation protégée;
- n'entre pas en ligne de compte pour une admission dans une institution médico-pédagogique;
- ne nécessite pas une surveillance psychiatrique non interrompue;
- nécessite un accompagnement continu;
3° est soigne par un service ou est admis dans une institution agréée en application de l'article 5 de la loi du 27 juin 1978 modifiant la législation sur les hôpitaux et relative à certaines autres formes de soins et qui a conclu une convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée.
Jusqu'à la date déterminée par le Roi en exécution de l'article 5, § 4, alinéa 1er, de la loi précitée du 27 juin 1978, les institutions, à l'exception de celles qui en sont exemptées par l'arrêté d'exécution, doivent en outre fournir la preuve visée à l'article 5, § 4, alinéa 2, de la même loi.
Art.150. De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet wat de inrichtingen betreft zoals bedoeld in artikel 147, § 3, wordt toegekend (aan de inrichting (,die een overeenkomst bedoeld bij artikel 47 van de gecoördineerde wet heeft gesloten,) voor de rechthebbende die) beantwoordt aan de criteria van één van de hiernavermelde categorieën van zorgenbehoevendheid: <KB 1999-06-13/63, art. 7, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2006-09-28/58, art. 1, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
- categorie O: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die fysisch volledig onafhankelijk zijn en niet dement zijn;
- categorie A: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
- fysisch afhankelijk zijn: zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
- psychisch afhankelijk zijn: zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zijn fysisch volledig onafhankelijk;
- categorie B: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
- fysisch afhankelijk zijn: (zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan); <KB 2003-07-09/32, art. 1, 095; Inwerkingtreding : 01-07-2003> <KB 2004-10-13/31, art. 3, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
- psychisch afhankelijk zijn: zij zijn gedesoriënteerd in tijd én ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
- [1 - categorie C : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
- fysisch afhankelijk zijn : zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en naar het toilet te gaan, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie en/of om te eten;
- psychisch afhankelijk zijn (categorie Cd) :
zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten,
of het gaat om rechthebbenden waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd, én die afhankelijk zijn om zich te wassen en te kleden, én afhankelijk zijn wegens incontinentie, én afhankelijk zijn voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten.]1
[1 - categorie D : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd.]1
- categorie O: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die fysisch volledig onafhankelijk zijn en niet dement zijn;
- categorie A: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
- fysisch afhankelijk zijn: zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
- psychisch afhankelijk zijn: zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zijn fysisch volledig onafhankelijk;
- categorie B: daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die:
- fysisch afhankelijk zijn: (zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk (voor transfer en verplaatsingen) en/of naar het toilet te gaan); <KB 2003-07-09/32, art. 1, 095; Inwerkingtreding : 01-07-2003> <KB 2004-10-13/31, art. 3, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
- psychisch afhankelijk zijn: zij zijn gedesoriënteerd in tijd én ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en/of te kleden;
- [1 - categorie C : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt die :
- fysisch afhankelijk zijn : zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en naar het toilet te gaan, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie en/of om te eten;
- psychisch afhankelijk zijn (categorie Cd) :
zij zijn gedesoriënteerd in tijd en ruimte, én zij zijn afhankelijk om zich te wassen en te kleden, én zij zijn afhankelijk wegens incontinentie, én zij zijn afhankelijk voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten,
of het gaat om rechthebbenden waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd, én die afhankelijk zijn om zich te wassen en te kleden, én afhankelijk zijn wegens incontinentie, én afhankelijk zijn voor transfer en verplaatsingen en/of om naar het toilet te gaan en/of om te eten.]1
[1 - categorie D : daarin zijn de rechthebbenden gerangschikt waarvoor op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, met schriftelijk verslag, de diagnose van dementie is vastgesteld of bevestigd.]1
Art.150. En ce qui concerne les institutions visées à l'article 34, 12° de la loi coordonnée, l'allocation visée à l'article 147, § 3, est accordée (à l'institution (qui a conclu une convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée) pour le bénéficiaire qui) satisfait aux critères d'une des catégories de dépendance suivantes: <AR 1999-06-13/63, art. 7, 037; En vigueur : 30-07-1999> <AR 2006-09-28/58, art. 1, 134; En vigueur : 01-01-2007>
- catégorie 0: y sont classés les bénéficiaires qui sont totalement indépendants physiquement et qui ne sont pas déments;
- catégorie A: y sont classes les bénéficiaires qui:
- sont dépendants physiquement: ils sont dépendants pour se laver et/ou s'habiller;
- sont dépendants psychiquement: ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace et ils sont entièrement indépendants physiquement;
- catégorie B: y sont classés les bénéficiaires qui:
- sont dépendants physiquement: (ils sont dépendants pour se laver et s'habiller et ils sont dépendants pour (les transferts et déplacements) et/ou aller à la toilette); <AR 2003-07-09/32, art. 1, 095; En vigueur : 01-07-2003> <AR 2004-10-13/31, art. 3, 113; En vigueur : 01-01-2005>
- sont dépendants psychiquement: ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace et ils sont dépendants pour se laver et/ou s'habiller;
- [1 - catégorie C : y sont classés les bénéficiaires qui :
- sont dépendants physiquement : ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour les transferts et déplacements et aller à la toilette et ils sont dépendants pour incontinence et/ou pour manger;
- sont dépendants psychiquement (catégorie Cd) :
ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace, ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour incontinence, et ils sont dépendants pour les transferts et déplacements et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger,
ou il s'agit de bénéficiaires pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence, ayant fait l'objet d'un rapport écrit, effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, et qui sont dépendants pour se laver et s'habiller, sont dépendants pour incontinence, et sont dépendants pour les transferts et déplacements, et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger.]1
[1 - catégorie D : y sont classés les bénéficiaires pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence, ayant fait l'objet d'un rapport écrit, effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
- catégorie 0: y sont classés les bénéficiaires qui sont totalement indépendants physiquement et qui ne sont pas déments;
- catégorie A: y sont classes les bénéficiaires qui:
- sont dépendants physiquement: ils sont dépendants pour se laver et/ou s'habiller;
- sont dépendants psychiquement: ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace et ils sont entièrement indépendants physiquement;
- catégorie B: y sont classés les bénéficiaires qui:
- sont dépendants physiquement: (ils sont dépendants pour se laver et s'habiller et ils sont dépendants pour (les transferts et déplacements) et/ou aller à la toilette); <AR 2003-07-09/32, art. 1, 095; En vigueur : 01-07-2003> <AR 2004-10-13/31, art. 3, 113; En vigueur : 01-01-2005>
- sont dépendants psychiquement: ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace et ils sont dépendants pour se laver et/ou s'habiller;
- [1 - catégorie C : y sont classés les bénéficiaires qui :
- sont dépendants physiquement : ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour les transferts et déplacements et aller à la toilette et ils sont dépendants pour incontinence et/ou pour manger;
- sont dépendants psychiquement (catégorie Cd) :
ils sont désorientés dans le temps et dans l'espace, ils sont dépendants pour se laver et s'habiller, ils sont dépendants pour incontinence, et ils sont dépendants pour les transferts et déplacements et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger,
ou il s'agit de bénéficiaires pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence, ayant fait l'objet d'un rapport écrit, effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, et qui sont dépendants pour se laver et s'habiller, sont dépendants pour incontinence, et sont dépendants pour les transferts et déplacements, et/ou pour aller à la toilette et/ou pour manger.]1
[1 - catégorie D : y sont classés les bénéficiaires pour lesquels le diagnostic de démence est établi ou confirmé à la suite d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence, ayant fait l'objet d'un rapport écrit, effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
Modifications
Art.151. § 1. (Voor de toepassing van de in artikelen 148, 148bis en 150, bedoelde bepalingen wordt een rechthebbende als fysisch afhankelijk beschouwd als hij "3" of "4" scoort voor een of meerdere van de hierna vermelde criteria :
a) Zich wassen :
(1) Kan zichzelf helemaal wassen zonder enige hulp;
(2) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen boven of onder de gordel;
(3) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen zowel boven als onder de gordel;
(4) Moet volledig worden geholpen om zich te wassen zowel boven als onder de gordel.
b) Zich kleden :
(1) Kan zich helemaal aan- en uitkleden zonder enige hulp;
(2) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden boven of onder de gordel (zonder rekening te houden met de veters);
(3) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden zowel boven als onder de gordel;
(4) Moet volledig worden geholpen om zich te kleden zowel boven als onder de gordel.
c) Transfer en verplaatsingen :
(1) Is zelfstandig voor de transfer en kan zich volledig zelfstandig verplaatsen zonder mechanisch(e) hulpmiddel(en) of hulp van derden;
(2) Is zelfstandig voor de transfer en voor zijn verplaatsingen, mits het gebruik van mechanisch(e) hulpmiddel(en) (kruk(ken), rolstoel ...);
(3) Heeft volstrekte hulp van derden nodig voor minstens één van de transfers en/of zijn verplaatsingen;
(4) Is bedlegerig of zit in een rolstoel en is volledig afhankelijk van anderen om zich te verplaatsen.
d) (Toiletbezoek :
(1) kan alleen naar het toilet gaan, zich kleden en zich reinigen;
(2) heeft hulp nodig voor één van de drie items : zich verplaatsen of zich kleden of zich reinigen;
(3) heeft hulp nodig voor twee van de drie items : zich verplaatsen en/of zich kleden en/of zich reinigen;
(4) heeft hulp nodig voor de drie items : zich verplaatsen en zich kleden en zich reinigen.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 1, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
e) Continentie :
(1) Is continent voor urine en faeces;
(2) Is accidenteel incontinent voor urine of faeces (inclusief blaassonde of kunstaars);
(3) Is incontinent voor urine (inclusief mictietraining) of voor faeces;
(4) Is incontinent voor urine en faeces.
f) Eten :
(1) Kan alleen eten en drinken;
(2) Heeft vooraf hulp nodig om te eten of te drinken;
(3) Heeft gedeeltelijk hulp nodig tijdens het eten of drinken;
(4) De patiënt is volledig afhankelijk om te eten of te drinken.) <KB 2004-10-13/31, art. 4, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 2. Voor de toepassing (van de in artikelen 148, 148bis en 150) bedoelde bepalingen wordt een rechthebbende als psychisch afhankelijk beschouwd (als hij "3", of "4") scoort voor het desbetreffende criterium, zoals hierna vermeld: <KB 1999-06-13/63, art. 8, § 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
a) Oriëntatie in de tijd:
(1) geen probleem;
(2) nu en dan, zelden probleem;
(3) bijna elke dag probleem;
(4) volledig gedesoriënteerd of onmogelijk te evalueren.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
b) Oriëntatie van plaats:
(1) geen probleem;
(2) nu en dan, zelden probleem;
(3) bijna elke dag probleem;
(4) volledig gedesoriënteerd of onmogelijk te evalueren.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
a) Zich wassen :
(1) Kan zichzelf helemaal wassen zonder enige hulp;
(2) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen boven of onder de gordel;
(3) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te wassen zowel boven als onder de gordel;
(4) Moet volledig worden geholpen om zich te wassen zowel boven als onder de gordel.
b) Zich kleden :
(1) Kan zich helemaal aan- en uitkleden zonder enige hulp;
(2) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden boven of onder de gordel (zonder rekening te houden met de veters);
(3) Heeft gedeeltelijke hulp nodig om zich te kleden zowel boven als onder de gordel;
(4) Moet volledig worden geholpen om zich te kleden zowel boven als onder de gordel.
c) Transfer en verplaatsingen :
(1) Is zelfstandig voor de transfer en kan zich volledig zelfstandig verplaatsen zonder mechanisch(e) hulpmiddel(en) of hulp van derden;
(2) Is zelfstandig voor de transfer en voor zijn verplaatsingen, mits het gebruik van mechanisch(e) hulpmiddel(en) (kruk(ken), rolstoel ...);
(3) Heeft volstrekte hulp van derden nodig voor minstens één van de transfers en/of zijn verplaatsingen;
(4) Is bedlegerig of zit in een rolstoel en is volledig afhankelijk van anderen om zich te verplaatsen.
d) (Toiletbezoek :
(1) kan alleen naar het toilet gaan, zich kleden en zich reinigen;
(2) heeft hulp nodig voor één van de drie items : zich verplaatsen of zich kleden of zich reinigen;
(3) heeft hulp nodig voor twee van de drie items : zich verplaatsen en/of zich kleden en/of zich reinigen;
(4) heeft hulp nodig voor de drie items : zich verplaatsen en zich kleden en zich reinigen.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 1, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
e) Continentie :
(1) Is continent voor urine en faeces;
(2) Is accidenteel incontinent voor urine of faeces (inclusief blaassonde of kunstaars);
(3) Is incontinent voor urine (inclusief mictietraining) of voor faeces;
(4) Is incontinent voor urine en faeces.
f) Eten :
(1) Kan alleen eten en drinken;
(2) Heeft vooraf hulp nodig om te eten of te drinken;
(3) Heeft gedeeltelijk hulp nodig tijdens het eten of drinken;
(4) De patiënt is volledig afhankelijk om te eten of te drinken.) <KB 2004-10-13/31, art. 4, 113; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 2. Voor de toepassing (van de in artikelen 148, 148bis en 150) bedoelde bepalingen wordt een rechthebbende als psychisch afhankelijk beschouwd (als hij "3", of "4") scoort voor het desbetreffende criterium, zoals hierna vermeld: <KB 1999-06-13/63, art. 8, § 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
a) Oriëntatie in de tijd:
(1) geen probleem;
(2) nu en dan, zelden probleem;
(3) bijna elke dag probleem;
(4) volledig gedesoriënteerd of onmogelijk te evalueren.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
b) Oriëntatie van plaats:
(1) geen probleem;
(2) nu en dan, zelden probleem;
(3) bijna elke dag probleem;
(4) volledig gedesoriënteerd of onmogelijk te evalueren.) <KB 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art.151. § 1er. (Pour l'application des dispositions des articles 148, 148bis et 150, un bénéficiaire est considéré comme dépendant physiquement lorsqu'il obtient un score de '3'' ou '4'' pour un ou plusieurs des critères énoncés ci-dessous :
a) Se laver :
(1) Est capable de se laver complètement sans aucune aide;
(2) A besoin d'une aide partielle pour se laver au-dessus ou en dessous de la ceinture;
(3) A besoin d'une aide partielle pour se laver tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture;
(4) Doit être entièrement aidé pour se laver tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture.
b) S'habiller :
(1) Est capable de s'habiller et de se déshabiller complètement sans aucune aide;
(2) A besoin d'une aide partielle pour s'habiller au-dessus ou en dessous de la ceinture (sans tenir compte des lacets);
(3) A besoin d'une aide partielle pour s'habiller tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture;
(4) Doit être entièrement aidé pour s'habiller tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture.
c) Transfert et déplacements :
(1) Est autonome pour le transfert et se déplace de façon entièrement indépendante, sans auxiliaire(s) mécanique(s) ni aide de tiers;
(2) Est autonome pour le transfert et ses déplacements moyennant l'utilisation d'auxiliaire(s) mécanique(s) (béquille(s), chaise roulante...);
(3) A absolument besoin de l'aide de tiers pour au moins un des transferts et/ou ses déplacements;
(4) Est grabataire ou en chaise roulante et dépend entièrement des autres pour se déplacer.
d) (d) Aller à la toilette :
(1) est capable d'aller seul à la toilette, de s'habiller et de s'essuyer;
(2) a besoin d'aide pour un des trois items : se déplacer ou s'habiller ou s'essuyer;
(3) a besoin d'aide pour deux des trois items : se déplacer et/ou s'habiller et/ou s'essuyer;
(4) a besoin d'aide pour les trois items : se déplacer et s'habiller et s'essuyer.) <AR 2006-09-28/58, art. 2, 134; En vigueur : 01-01-2007>
e) Continence :
(1) Est continent pour les urines et les selles;
(2) Est accidentellement incontinent pour les urines ou les selles (sonde vésicale ou anus artificiel compris);
(3) Est incontinent pour les urines (y compris exercices de miction) ou les selles;
(4) Est incontinent pour les urines et les selles.
f) Manger :
(1) Est capable de manger et de boire seul;
(2) A besoin d'une aide préalable pour manger ou boire;
(3) A besoin d'une aide partielle pendant qu'il mange ou boit;
(4) Le patient est totalement dépendant pour manger et boire.) <AR 2004-10-13/31, art. 4, 113; En vigueur : 01-01-2005>
§ 2. Pour l'application des dispositions (des articles 148, 148bis et 150), un bénéficiaire est considéré comme dépendant psychiquement lorsqu'il obtient (un score de "3" ou "4") pour le critère concerné énoncé ci-dessous: <AR 1999-06-13/63, art. 8, § 2, 037; En vigueur : 30-07-1999> <AR 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; En vigueur : 01-01-2007>
a) Orientation dans le temps:
(1) pas de problème;
(2) de temps en temps, rarement des problèmes;
(3) des problèmes presque chaque jour;
((4) totalement désorienté ou impossible à évaluer.) <AR 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; En vigueur : 01-01-2007>
b) Orientation dans l'espace:
(1) pas de problème;
(2) de temps en temps, rarement des problèmes;
(3) des problèmes presque chaque jour;
((4) totalement désorienté ou impossible à évaluer.) <AR 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; En vigueur : 01-01-2007>
a) Se laver :
(1) Est capable de se laver complètement sans aucune aide;
(2) A besoin d'une aide partielle pour se laver au-dessus ou en dessous de la ceinture;
(3) A besoin d'une aide partielle pour se laver tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture;
(4) Doit être entièrement aidé pour se laver tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture.
b) S'habiller :
(1) Est capable de s'habiller et de se déshabiller complètement sans aucune aide;
(2) A besoin d'une aide partielle pour s'habiller au-dessus ou en dessous de la ceinture (sans tenir compte des lacets);
(3) A besoin d'une aide partielle pour s'habiller tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture;
(4) Doit être entièrement aidé pour s'habiller tant au-dessus qu'en dessous de la ceinture.
c) Transfert et déplacements :
(1) Est autonome pour le transfert et se déplace de façon entièrement indépendante, sans auxiliaire(s) mécanique(s) ni aide de tiers;
(2) Est autonome pour le transfert et ses déplacements moyennant l'utilisation d'auxiliaire(s) mécanique(s) (béquille(s), chaise roulante...);
(3) A absolument besoin de l'aide de tiers pour au moins un des transferts et/ou ses déplacements;
(4) Est grabataire ou en chaise roulante et dépend entièrement des autres pour se déplacer.
d) (d) Aller à la toilette :
(1) est capable d'aller seul à la toilette, de s'habiller et de s'essuyer;
(2) a besoin d'aide pour un des trois items : se déplacer ou s'habiller ou s'essuyer;
(3) a besoin d'aide pour deux des trois items : se déplacer et/ou s'habiller et/ou s'essuyer;
(4) a besoin d'aide pour les trois items : se déplacer et s'habiller et s'essuyer.) <AR 2006-09-28/58, art. 2, 134; En vigueur : 01-01-2007>
e) Continence :
(1) Est continent pour les urines et les selles;
(2) Est accidentellement incontinent pour les urines ou les selles (sonde vésicale ou anus artificiel compris);
(3) Est incontinent pour les urines (y compris exercices de miction) ou les selles;
(4) Est incontinent pour les urines et les selles.
f) Manger :
(1) Est capable de manger et de boire seul;
(2) A besoin d'une aide préalable pour manger ou boire;
(3) A besoin d'une aide partielle pendant qu'il mange ou boit;
(4) Le patient est totalement dépendant pour manger et boire.) <AR 2004-10-13/31, art. 4, 113; En vigueur : 01-01-2005>
§ 2. Pour l'application des dispositions (des articles 148, 148bis et 150), un bénéficiaire est considéré comme dépendant psychiquement lorsqu'il obtient (un score de "3" ou "4") pour le critère concerné énoncé ci-dessous: <AR 1999-06-13/63, art. 8, § 2, 037; En vigueur : 30-07-1999> <AR 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; En vigueur : 01-01-2007>
a) Orientation dans le temps:
(1) pas de problème;
(2) de temps en temps, rarement des problèmes;
(3) des problèmes presque chaque jour;
((4) totalement désorienté ou impossible à évaluer.) <AR 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; En vigueur : 01-01-2007>
b) Orientation dans l'espace:
(1) pas de problème;
(2) de temps en temps, rarement des problèmes;
(3) des problèmes presque chaque jour;
((4) totalement désorienté ou impossible à évaluer.) <AR 2006-09-28/58, art. 2, § 2, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Art.152. § 1. Van de rechthebbende die is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis, wordt de aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, binnen (zeven dagen) na de datum van de opneming door de dienst of instelling die instaat voor de verzorging, ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 1, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
Die aanvraag dient vergezeld te zijn van een geneeskundig getuigschrift, opgemaakt door de behandelend [2 arts]2, waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 149, en van een getuigschrift van een in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet bedoelde dienst of instelling waaruit blijkt dat deze instaat voor de verzorging van de rechthebbenden.
De aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van de overeenkomstencommissie, bedoeld in artikel 13.
§ 2. (...) <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 3. Voor de rechthebbenden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een inrichting zoals bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet, (...) wordt, binnen de [3 veertien]3 dagen volgend op de datum van opneming, de aanvraag tot verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven door de dienst of instelling die instaat voor zijn verzorging ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 3, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(De aanvraag dient vergezeld te zijn van een evaluatieschaal ingevuld door de verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend [2 arts]2. [1 De aanvraag voor een tegemoetkoming voor een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier zoals bedoeld in § 4 de datum is vermeld waarop de diagnose van dementie is gesteld.]1) <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
Van het vertrek van de rechthebbende uit de inrichting of zijn overlijden wordt binnen de zeven dagen door de inrichting kennis gegeven aan de verzekeringsinstelling.
(Lid 4 opgeheven° <KB 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De in het eerste lid bedoelde aanvraag en de in het derde lid bedoelde kennisgeving worden ingediend aan de hand van een formulier dat door het Verzekeringscomité wordt opgemaakt op het voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie.
De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal (wordt ingediend) aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het nationaal college, bedoeld in artikel 120. <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
(Voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc, bedoeld in artikel 148, laatste lid, behoort, dient de aanvraag bedoeld in het eerste lid enkel vergezeld te gaan van een medisch verslag, dat wordt opgemaakt door een van de deskundige ziekenhuiscentra die zijn opgenomen in bijlage 2 bij het voormelde protocol van 24 mei 2004, en waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria van die afhankelijkheidscategorie. Voor de reeds in een rust- en verzorgingstehuis opgenomen rechthebbende kan dit rapport opgesteld worden door de [2 arts]2 van het expertisecentrum, op basis van een door de behandelend [2 arts]2 opgesteld gedocumenteerd medisch verslag.
In afwijking van artikel 153, § 2, mag voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort de aanvraag bedoeld in het eerste lid, en het medisch verslag dat daarbij gaat, binnen 15 dagen na de dag van opname worden ingediend. Bovendien moet het medisch verslag enkel bij de eerste opname van de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort aan de adviserend [2 arts]2 worden bezorgd, en moet het niet worden ingediend bij een nieuwe opname nadat hij meer dan een maand ervoor de inrichting heeft verlaten (...), indien de rechthebbende nog steeds tot dezelfde categorie behoort.) <KB 2005-02-28/38, art. 4, 116; Inwerkingtreding : 23-03-2005> <KB 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. De diensten of inrichtingen (andere dan een centrum voor dagverzorging) die rechthebbenden huisvesten die zijn gerangschikt [1 in de afhankelijkheidscategorieën A, B, C, Cd, Cc en D]1 moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
De individueel verzorgingsdossier dient minstens de volgende gegevens te bevatten:
a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. Dat plan wordt op zijn minst één keer per maand gevalueerd en aangepast in functie van de ontwikkeling van de zorgafhankelijkheid;
b) in geval het gaat om rechthebbenden die gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte, een preciese opsomming van de verwarrende gedragsstoornissen inzonderheid:
1. uitdrukkingsmoeilijkheden;
2. verbaal storend gedrag;
3. onwelvoeglijk gedrag;
4. rusteloos gedrag;
5. destructief gedrag;
6. verstoord nachtelijk gedrag;
c) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming: de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend.
[1 d) als de rechthebbende in de categorie D geklasseerd is : de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie.]1
Die aanvraag dient vergezeld te zijn van een geneeskundig getuigschrift, opgemaakt door de behandelend [2 arts]2, waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 149, en van een getuigschrift van een in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet bedoelde dienst of instelling waaruit blijkt dat deze instaat voor de verzorging van de rechthebbenden.
De aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van de overeenkomstencommissie, bedoeld in artikel 13.
§ 2. (...) <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 3. Voor de rechthebbenden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een inrichting zoals bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet, (...) wordt, binnen de [3 veertien]3 dagen volgend op de datum van opneming, de aanvraag tot verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven door de dienst of instelling die instaat voor zijn verzorging ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 3, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(De aanvraag dient vergezeld te zijn van een evaluatieschaal ingevuld door de verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend [2 arts]2. [1 De aanvraag voor een tegemoetkoming voor een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier zoals bedoeld in § 4 de datum is vermeld waarop de diagnose van dementie is gesteld.]1) <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
Van het vertrek van de rechthebbende uit de inrichting of zijn overlijden wordt binnen de zeven dagen door de inrichting kennis gegeven aan de verzekeringsinstelling.
(Lid 4 opgeheven° <KB 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De in het eerste lid bedoelde aanvraag en de in het derde lid bedoelde kennisgeving worden ingediend aan de hand van een formulier dat door het Verzekeringscomité wordt opgemaakt op het voorstel van de in artikel 12 bedoelde overeenkomstencommissie.
De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal (wordt ingediend) aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het nationaal college, bedoeld in artikel 120. <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
(Voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc, bedoeld in artikel 148, laatste lid, behoort, dient de aanvraag bedoeld in het eerste lid enkel vergezeld te gaan van een medisch verslag, dat wordt opgemaakt door een van de deskundige ziekenhuiscentra die zijn opgenomen in bijlage 2 bij het voormelde protocol van 24 mei 2004, en waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria van die afhankelijkheidscategorie. Voor de reeds in een rust- en verzorgingstehuis opgenomen rechthebbende kan dit rapport opgesteld worden door de [2 arts]2 van het expertisecentrum, op basis van een door de behandelend [2 arts]2 opgesteld gedocumenteerd medisch verslag.
In afwijking van artikel 153, § 2, mag voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort de aanvraag bedoeld in het eerste lid, en het medisch verslag dat daarbij gaat, binnen 15 dagen na de dag van opname worden ingediend. Bovendien moet het medisch verslag enkel bij de eerste opname van de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort aan de adviserend [2 arts]2 worden bezorgd, en moet het niet worden ingediend bij een nieuwe opname nadat hij meer dan een maand ervoor de inrichting heeft verlaten (...), indien de rechthebbende nog steeds tot dezelfde categorie behoort.) <KB 2005-02-28/38, art. 4, 116; Inwerkingtreding : 23-03-2005> <KB 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. De diensten of inrichtingen (andere dan een centrum voor dagverzorging) die rechthebbenden huisvesten die zijn gerangschikt [1 in de afhankelijkheidscategorieën A, B, C, Cd, Cc en D]1 moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
De individueel verzorgingsdossier dient minstens de volgende gegevens te bevatten:
a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. Dat plan wordt op zijn minst één keer per maand gevalueerd en aangepast in functie van de ontwikkeling van de zorgafhankelijkheid;
b) in geval het gaat om rechthebbenden die gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte, een preciese opsomming van de verwarrende gedragsstoornissen inzonderheid:
1. uitdrukkingsmoeilijkheden;
2. verbaal storend gedrag;
3. onwelvoeglijk gedrag;
4. rusteloos gedrag;
5. destructief gedrag;
6. verstoord nachtelijk gedrag;
c) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming: de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend.
[1 d) als de rechthebbende in de categorie D geklasseerd is : de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie.]1
Art.152. § 1er. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les (sept jours) suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande. <AR 1999-06-13/63, art. 9, § 1, 037; En vigueur : 30-07-1999>
Cette demande doit être accompagnée d'un certificat médical établi par le médecin traitant, d'où il ressort que le bénéficiaire remplit les critères visés à l'article 149 et d'une attestation d'un service ou d'une institution visés à l'article 34, 11°, de la loi coordonnée d'où il ressort que celui-ci est responsable des soins dispensés au bénéficiaire
La demande est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 13.
§ 2. (...) <AR 2003-04-04/93, art. 4, 094; En vigueur : 01-07-2003>
§ 3. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée (...), la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les [2 quatorze]2 jours suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la post fait foi pour la date de la demande. <AR 2003-04-04/93, art. 4, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(La demande doit être accompagnée d'une échelle d'évaluation complétée par le praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière, ou par le médecin traitant. [1 La demande pour un bénéficiaire classé dans la catégorie D ne peut être introduite que si la date où le diagnostic de démence a été posé est mentionnée dans le dossier de soins visé au § 4.]1) <AR 2005-04-07/51, art. 1, 118; En vigueur : 09-05-2005>
Le départ du bénéficiaire de l'institution ou son décès est notifié dans les sept jours à l'organisme assureur par l'institution.
(Alinéa 4 abrogé) <AR 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
La demande visée à l'alinéa 1er et la notification visée à l'alinéa 3 sont introduites au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 12.
L'échelle d'évaluation (visée à l'alinéa 2 est introduite) au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120. <AR 2005-04-07/51, art. 1, 118; En vigueur : 09-05-2005>
(Pour le bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc visée à l'article 148, dernier alinéa, la demande visée à l'alinéa 1er doit seulement être accompagnée d'un rapport médical, attestant que le bénéficiaire répond aux critères de cette catégorie de dépendance, établi par l'un des centres hospitaliers d'expertise repris à l'annexe 2 du protocole du 24 mai 2004 précité. Pour le bénéficiaire déjà hébergé en maison de repos et de soins, ce rapport peut être rédigé par le médecin du centre d'expertise sur la base d'un rapport médical documenté établi par le médecin traitant.
Par dérogation à l'article 153, § 2, pour le bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc, la demande visée à l'alinéa 1er et le rapport médical qui l'accompagne peuvent être introduits dans les quinze jours qui suivent le jour de l'admission. En outre, ce rapport médical ne doit être transmis au médecin-conseil de l'organisme assureur que lors de la première admission d'un bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc, et ne doit donc pas être introduit en cas de réadmission après une sortie de plus d'un mois, (...), si ce bénéficiaire reste classé dans la même catégorie.) <AR 2005-02-28/38, art. 4, 116; En vigueur : 23-03-2005> <AR 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
§ 4. Les services ou institutions (autres qu'un centre de soins de jour) qui hébergent des bénéficiaires classés dans [1 la catégorie de dépendance A, B, C, Cd, Cc ou D]1 doivent tenir un dossier de soins par bénéficiaire. <AR 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; En vigueur : 30-07-1999>
Ce dossier de soins individuel doit comporter au moins les données suivantes:
a) le plan de soins et d'assistance dans les actes de vie journalière, établi par la personne responsable des soins dans l'institution, qui précise la contribution des différents catégories de personnel prévu pour l'intervention forfaitaire. Ce plan est évalué et adapté au moins une fois par mois en fonction de l'évolution du degré de dépendance par rapport aux soins.
b) Lorsqu'il s'agit de bénéficiaires désorientés dans le temps et dans l'espace, une énumération précise des troubles perturbateurs du comportement:
1. difficultés d'expression;
2. dérangement verbal;
3. perte des notions de bienséance;
4. comportement agité;
5. comportement destructeur;
6. perturbations du comportement nocturne;
c) pour les actes techniques effectues par le personnel infirmier et paramédical prévu pour l'intervention forfaitaire: les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques et l'identité de la personne qui les a dispensés.
[1 d) si le bénéficiaire est classé dans la catégorie D : la date du bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
Cette demande doit être accompagnée d'un certificat médical établi par le médecin traitant, d'où il ressort que le bénéficiaire remplit les critères visés à l'article 149 et d'une attestation d'un service ou d'une institution visés à l'article 34, 11°, de la loi coordonnée d'où il ressort que celui-ci est responsable des soins dispensés au bénéficiaire
La demande est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 13.
§ 2. (...) <AR 2003-04-04/93, art. 4, 094; En vigueur : 01-07-2003>
§ 3. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée (...), la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les [2 quatorze]2 jours suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la post fait foi pour la date de la demande. <AR 2003-04-04/93, art. 4, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(La demande doit être accompagnée d'une échelle d'évaluation complétée par le praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière, ou par le médecin traitant. [1 La demande pour un bénéficiaire classé dans la catégorie D ne peut être introduite que si la date où le diagnostic de démence a été posé est mentionnée dans le dossier de soins visé au § 4.]1) <AR 2005-04-07/51, art. 1, 118; En vigueur : 09-05-2005>
Le départ du bénéficiaire de l'institution ou son décès est notifié dans les sept jours à l'organisme assureur par l'institution.
(Alinéa 4 abrogé) <AR 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
La demande visée à l'alinéa 1er et la notification visée à l'alinéa 3 sont introduites au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 12.
L'échelle d'évaluation (visée à l'alinéa 2 est introduite) au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120. <AR 2005-04-07/51, art. 1, 118; En vigueur : 09-05-2005>
(Pour le bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc visée à l'article 148, dernier alinéa, la demande visée à l'alinéa 1er doit seulement être accompagnée d'un rapport médical, attestant que le bénéficiaire répond aux critères de cette catégorie de dépendance, établi par l'un des centres hospitaliers d'expertise repris à l'annexe 2 du protocole du 24 mai 2004 précité. Pour le bénéficiaire déjà hébergé en maison de repos et de soins, ce rapport peut être rédigé par le médecin du centre d'expertise sur la base d'un rapport médical documenté établi par le médecin traitant.
Par dérogation à l'article 153, § 2, pour le bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc, la demande visée à l'alinéa 1er et le rapport médical qui l'accompagne peuvent être introduits dans les quinze jours qui suivent le jour de l'admission. En outre, ce rapport médical ne doit être transmis au médecin-conseil de l'organisme assureur que lors de la première admission d'un bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc, et ne doit donc pas être introduit en cas de réadmission après une sortie de plus d'un mois, (...), si ce bénéficiaire reste classé dans la même catégorie.) <AR 2005-02-28/38, art. 4, 116; En vigueur : 23-03-2005> <AR 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
§ 4. Les services ou institutions (autres qu'un centre de soins de jour) qui hébergent des bénéficiaires classés dans [1 la catégorie de dépendance A, B, C, Cd, Cc ou D]1 doivent tenir un dossier de soins par bénéficiaire. <AR 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; En vigueur : 30-07-1999>
Ce dossier de soins individuel doit comporter au moins les données suivantes:
a) le plan de soins et d'assistance dans les actes de vie journalière, établi par la personne responsable des soins dans l'institution, qui précise la contribution des différents catégories de personnel prévu pour l'intervention forfaitaire. Ce plan est évalué et adapté au moins une fois par mois en fonction de l'évolution du degré de dépendance par rapport aux soins.
b) Lorsqu'il s'agit de bénéficiaires désorientés dans le temps et dans l'espace, une énumération précise des troubles perturbateurs du comportement:
1. difficultés d'expression;
2. dérangement verbal;
3. perte des notions de bienséance;
4. comportement agité;
5. comportement destructeur;
6. perturbations du comportement nocturne;
c) pour les actes techniques effectues par le personnel infirmier et paramédical prévu pour l'intervention forfaitaire: les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques et l'identité de la personne qui les a dispensés.
[1 d) si le bénéficiaire est classé dans la catégorie D : la date du bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
Art. 152_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. Van de rechthebbende die is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis, wordt de aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, binnen (zeven dagen) na de datum van de opneming door de dienst of instelling die instaat voor de verzorging, ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 1, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
Die aanvraag dient vergezeld te zijn van een geneeskundig getuigschrift, opgemaakt door de behandelend [2 arts]2, waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 149, en van een getuigschrift van een in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet bedoelde dienst of instelling waaruit blijkt dat deze instaat voor de verzorging van de rechthebbenden.
De aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van de overeenkomstencommissie, bedoeld in artikel 13.
§ 2. (...) <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 3. Voor de rechthebbenden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een inrichting zoals bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet, (...) wordt, binnen de zeven dagen volgend op de datum van opneming, de aanvraag tot verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven door de dienst of instelling die instaat voor zijn verzorging ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 3, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(De aanvraag dient vergezeld te zijn van een evaluatieschaal ingevuld door de verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend [2 arts]2. [1 De aanvraag voor een tegemoetkoming voor een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier zoals bedoeld in § 4 de datum is vermeld waarop de diagnose van dementie is gesteld.]1) <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
[3 De aanvraag voor een rechthebbende die de leeftijd van 60 jaar nog niet bereikt heeft, bevat:
1° een opgave van het aantal in het rust- en verzorgingstehuis of in de in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet (inclusief de lopende aanvraag) bedoelde inrichting opgevangen rechthebbenden van minder dan 60 jaar oud en het aantal daarvan dat overeenkomstig artikel 12, § 2, 1°, van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 januari 2024 tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor groeperingen en fusies van voorzieningen, mag worden opgevangen;
2° een verklaring op eer uitgaande van het rust- en verzorgingstehuis of de in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, waarin verklaard wordt dat het in artikel 12, § 2, 1° van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 januari 2024 tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor groeperingen en fusies van voorzieningen bedoelde percentage niet overschrijdt, met vermelding van het percentage op het ogenblik van de aanvraag;
3° een specifiek begeleidingsplan betreffende de rechthebbende, zoals bedoeld in artikel 12, § 2, 3°, van het in 2° bedoelde besluit;
4° een verklaring op eer uitgaande van het rust- en verzorgingstehuis of de in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, waarin wordt bevestigd dat zijn huishoudelijk reglement de opname van personen die minder dan 60 jaar oud zijn, overeenkomstig artikel 135, 1°, van het in 2° vermelde besluit, voorziet;
5° een verklaring op eer uitgaande van het rust- en verzorgingstehuis of de in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, waarin wordt bevestigd dat zijn leefproject is aangepast aan de opname van personen die minder dan 60 jaar oud zijn.]3
Van het vertrek van de rechthebbende uit de inrichting of zijn overlijden wordt binnen de zeven dagen door de inrichting kennis gegeven aan de verzekeringsinstelling.
(Lid 4 opgeheven° <KB 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[3 De in het eerste lid bedoelde aanvraag en de in het vierde lid bedoelde kennisgeving worden ingediend aan de hand van een door de Beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen, zoals bedoeld in artikel 21 van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, goedgekeurd formulier. De in het derde lid bedoelde documenten, worden opgemaakt overeenkomstig het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 januari 2024 tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor groeperingen en fusies van voorzieningen]3.
De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal (wordt ingediend) aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het nationaal college, bedoeld in artikel 120. <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
(Voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc, bedoeld in artikel 148, laatste lid, behoort, dient de aanvraag bedoeld in het eerste lid [3 , behoudens de in het derde lid bedoelde documenten die in voorkomend geval steeds vereist zijn]3 enkel vergezeld te gaan van een medisch verslag, dat wordt opgemaakt door een van de deskundige ziekenhuiscentra die zijn opgenomen in bijlage 2 bij het voormelde protocol van 24 mei 2004, en waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria van die afhankelijkheidscategorie. Voor de reeds in een rust- en verzorgingstehuis opgenomen rechthebbende kan dit rapport opgesteld worden door de [2 arts]2 van het expertisecentrum, op basis van een door de behandelend [2 arts]2 opgesteld gedocumenteerd medisch verslag.
In afwijking van artikel 153, § 2, mag voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort de aanvraag bedoeld in het eerste lid, en het medisch verslag dat daarbij gaat, binnen 15 dagen na de dag van opname worden ingediend. Bovendien moet het medisch verslag enkel bij de eerste opname van de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort aan de adviserend [2 arts]2 worden bezorgd, en moet het niet worden ingediend bij een nieuwe opname nadat hij meer dan een maand ervoor de inrichting heeft verlaten (...), indien de rechthebbende nog steeds tot dezelfde categorie behoort.) <KB 2005-02-28/38, art. 4, 116; Inwerkingtreding : 23-03-2005> <KB 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. De diensten of inrichtingen (andere dan een centrum voor dagverzorging) die rechthebbenden huisvesten die zijn gerangschikt [1 in de afhankelijkheidscategorieën A, B, C, Cd, Cc en D]1 moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
De individueel verzorgingsdossier dient minstens de volgende gegevens te bevatten:
a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. Dat plan wordt op zijn minst één keer per maand gevalueerd en aangepast in functie van de ontwikkeling van de zorgafhankelijkheid;
b) in geval het gaat om rechthebbenden die gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte, een preciese opsomming van de verwarrende gedragsstoornissen inzonderheid:
1. uitdrukkingsmoeilijkheden;
2. verbaal storend gedrag;
3. onwelvoeglijk gedrag;
4. rusteloos gedrag;
5. destructief gedrag;
6. verstoord nachtelijk gedrag;
c) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming: de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend.
[1 d) als de rechthebbende in de categorie D geklasseerd is : de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie.]1
Die aanvraag dient vergezeld te zijn van een geneeskundig getuigschrift, opgemaakt door de behandelend [2 arts]2, waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria, bedoeld in artikel 149, en van een getuigschrift van een in artikel 34, 11°, van de gecoördineerde wet bedoelde dienst of instelling waaruit blijkt dat deze instaat voor de verzorging van de rechthebbenden.
De aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van de overeenkomstencommissie, bedoeld in artikel 13.
§ 2. (...) <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 3. Voor de rechthebbenden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een inrichting zoals bedoeld in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet, (...) wordt, binnen de zeven dagen volgend op de datum van opneming, de aanvraag tot verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven door de dienst of instelling die instaat voor zijn verzorging ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 3, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 4, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(De aanvraag dient vergezeld te zijn van een evaluatieschaal ingevuld door de verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend [2 arts]2. [1 De aanvraag voor een tegemoetkoming voor een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier zoals bedoeld in § 4 de datum is vermeld waarop de diagnose van dementie is gesteld.]1) <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
[3 De aanvraag voor een rechthebbende die de leeftijd van 60 jaar nog niet bereikt heeft, bevat:
1° een opgave van het aantal in het rust- en verzorgingstehuis of in de in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet (inclusief de lopende aanvraag) bedoelde inrichting opgevangen rechthebbenden van minder dan 60 jaar oud en het aantal daarvan dat overeenkomstig artikel 12, § 2, 1°, van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 januari 2024 tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor groeperingen en fusies van voorzieningen, mag worden opgevangen;
2° een verklaring op eer uitgaande van het rust- en verzorgingstehuis of de in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, waarin verklaard wordt dat het in artikel 12, § 2, 1° van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 januari 2024 tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor groeperingen en fusies van voorzieningen bedoelde percentage niet overschrijdt, met vermelding van het percentage op het ogenblik van de aanvraag;
3° een specifiek begeleidingsplan betreffende de rechthebbende, zoals bedoeld in artikel 12, § 2, 3°, van het in 2° bedoelde besluit;
4° een verklaring op eer uitgaande van het rust- en verzorgingstehuis of de in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, waarin wordt bevestigd dat zijn huishoudelijk reglement de opname van personen die minder dan 60 jaar oud zijn, overeenkomstig artikel 135, 1°, van het in 2° vermelde besluit, voorziet;
5° een verklaring op eer uitgaande van het rust- en verzorgingstehuis of de in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, waarin wordt bevestigd dat zijn leefproject is aangepast aan de opname van personen die minder dan 60 jaar oud zijn.]3
Van het vertrek van de rechthebbende uit de inrichting of zijn overlijden wordt binnen de zeven dagen door de inrichting kennis gegeven aan de verzekeringsinstelling.
(Lid 4 opgeheven° <KB 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
[3 De in het eerste lid bedoelde aanvraag en de in het vierde lid bedoelde kennisgeving worden ingediend aan de hand van een door de Beheerraad voor Gezondheid en Bijstand aan Personen, zoals bedoeld in artikel 21 van de ordonnantie van 23 maart 2017 houdende de oprichting van de bicommunautaire Dienst voor Gezondheid, Bijstand aan Personen en Gezinsbijslag, goedgekeurd formulier. De in het derde lid bedoelde documenten, worden opgemaakt overeenkomstig het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 januari 2024 tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor groeperingen en fusies van voorzieningen]3.
De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal (wordt ingediend) aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het nationaal college, bedoeld in artikel 120. <KB 2005-04-07/51, art. 1, 118; Inwerkingtreding : 09-05-2005>
(Voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc, bedoeld in artikel 148, laatste lid, behoort, dient de aanvraag bedoeld in het eerste lid [3 , behoudens de in het derde lid bedoelde documenten die in voorkomend geval steeds vereist zijn]3 enkel vergezeld te gaan van een medisch verslag, dat wordt opgemaakt door een van de deskundige ziekenhuiscentra die zijn opgenomen in bijlage 2 bij het voormelde protocol van 24 mei 2004, en waaruit blijkt dat de rechthebbende voldoet aan de criteria van die afhankelijkheidscategorie. Voor de reeds in een rust- en verzorgingstehuis opgenomen rechthebbende kan dit rapport opgesteld worden door de [2 arts]2 van het expertisecentrum, op basis van een door de behandelend [2 arts]2 opgesteld gedocumenteerd medisch verslag.
In afwijking van artikel 153, § 2, mag voor de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort de aanvraag bedoeld in het eerste lid, en het medisch verslag dat daarbij gaat, binnen 15 dagen na de dag van opname worden ingediend. Bovendien moet het medisch verslag enkel bij de eerste opname van de rechthebbende die tot de afhankelijkheidscategorie Cc behoort aan de adviserend [2 arts]2 worden bezorgd, en moet het niet worden ingediend bij een nieuwe opname nadat hij meer dan een maand ervoor de inrichting heeft verlaten (...), indien de rechthebbende nog steeds tot dezelfde categorie behoort.) <KB 2005-02-28/38, art. 4, 116; Inwerkingtreding : 23-03-2005> <KB 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 4. De diensten of inrichtingen (andere dan een centrum voor dagverzorging) die rechthebbenden huisvesten die zijn gerangschikt [1 in de afhankelijkheidscategorieën A, B, C, Cd, Cc en D]1 moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden. <KB 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
De individueel verzorgingsdossier dient minstens de volgende gegevens te bevatten:
a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. Dat plan wordt op zijn minst één keer per maand gevalueerd en aangepast in functie van de ontwikkeling van de zorgafhankelijkheid;
b) in geval het gaat om rechthebbenden die gedesoriënteerd zijn in tijd en ruimte, een preciese opsomming van de verwarrende gedragsstoornissen inzonderheid:
1. uitdrukkingsmoeilijkheden;
2. verbaal storend gedrag;
3. onwelvoeglijk gedrag;
4. rusteloos gedrag;
5. destructief gedrag;
6. verstoord nachtelijk gedrag;
c) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming: de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend.
[1 d) als de rechthebbende in de categorie D geklasseerd is : de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie.]1
Art.152 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les (sept jours) suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande. <AR 1999-06-13/63, art. 9, § 1, 037; En vigueur : 30-07-1999>
Cette demande doit être accompagnée d'un certificat médical établi par le médecin traitant, d'où il ressort que le bénéficiaire remplit les critères visés à l'article 149 et d'une attestation d'un service ou d'une institution visés à l'article 34, 11°, de la loi coordonnée d'où il ressort que celui-ci est responsable des soins dispensés au bénéficiaire
La demande est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 13.
§ 2. (...) <AR 2003-04-04/93, art. 4, 094; En vigueur : 01-07-2003>
§ 3. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée (...), la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les sept jours suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la post fait foi pour la date de la demande. <AR 2003-04-04/93, art. 4, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(La demande doit être accompagnée d'une échelle d'évaluation complétée par le praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière, ou par le médecin traitant. [1 La demande pour un bénéficiaire classé dans la catégorie D ne peut être introduite que si la date où le diagnostic de démence a été posé est mentionnée dans le dossier de soins visé au § 4.]1) <AR 2005-04-07/51, art. 1, 118; En vigueur : 09-05-2005>
[2 La demande d'un bénéficiaire n'ayant pas encore atteint l'âge de 60 ans contient :
1° un relevé du nombre de bénéficiaires de moins de 60 ans admis dans la maison de repos et de soins ou dans l'institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée (en ce compris la demande en cours), et du nombre de ces bénéficiaires qui peuvent être accueillis conformément à l'article 12, § 2, 1°, de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 18 janvier 2024 fixant les normes d'agrément auxquelles doivent répondre les établissements pour aînés, et les normes spéciales applicables aux groupements et fusions d'établissements ;
2° une déclaration sur l'honneur de la maison de repos et de soins ou de l'institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée affirmant qu'elle ne dépasse pas le pourcentage visé à l'article 12, § 2, 1° de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 18 janvier 2024 fixant les normes d'agrément auxquelles doivent répondre les établissements pour aînés, et les normes spéciales applicables aux groupements et fusions d'établissements, en indiquant le pourcentage au moment de la demande ;
3° un plan d'accompagnement spécifique concernant le bénéficiaire, tel que visé à l'article 12, § 2, 3°, de l'arrêté visé au 2° ;
4° une déclaration sur l'honneur de la maison de repos et de soins ou de l'institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée, attestant que son règlement d'ordre intérieur prévoit l'admission des personnes âgées de moins de 60 ans, conformément à l'article 135, 1°, de l'arrêté visé au 2° ;
5° une déclaration sur l'honneur de la maison de repos et de soins ou de l'institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée, attestant que son projet de vie est adapté à l'admission de des personnes âgées de moins de 60 ans.]2
Le départ du bénéficiaire de l'institution ou son décès est notifié dans les sept jours à l'organisme assureur par l'institution.
(Alinéa 4 abrogé) <AR 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
[2 La demande visée au premier alinéa et la notification visée au quatrième alinéa sont introduites au moyen d'un formulaire approuvé par le Conseil de gestion de la santé et de l'aide aux personnes, tel que prévu à l'article 21 de l'ordonnance du 23 mars 2017 portant création de l'Office bicommunautaire de la santé, de l'aide aux personnes et des prestations familiales. Les documents visés à l'alinéa 3 sont établis conformément à l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 18 janvier 2024 fixant les normes d'agrément auxquelles doivent satisfaire les établissements pour aînés, et les normes spéciales applicables aux groupements et fusions d'établissements]2.
L'échelle d'évaluation (visée à l'alinéa 2 est introduite) au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120. <AR 2005-04-07/51, art. 1, 118; En vigueur : 09-05-2005>
(Pour le bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc visée à l'article 148, dernier alinéa, la demande visée à l'alinéa 1er [2 , sous réserve des documents visés à l'alinéa 3, qui sont toujours exigés le cas échéant,]2 doit seulement être accompagnée d'un rapport médical, attestant que le bénéficiaire répond aux critères de cette catégorie de dépendance, établi par l'un des centres hospitaliers d'expertise repris à l'annexe 2 du protocole du 24 mai 2004 précité. Pour le bénéficiaire déjà hébergé en maison de repos et de soins, ce rapport peut être rédigé par le médecin du centre d'expertise sur la base d'un rapport médical documenté établi par le médecin traitant.
Par dérogation à l'article 153, § 2, pour le bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc, la demande visée à l'alinéa 1er et le rapport médical qui l'accompagne peuvent être introduits dans les quinze jours qui suivent le jour de l'admission. En outre, ce rapport médical ne doit être transmis au médecin-conseil de l'organisme assureur que lors de la première admission d'un bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc, et ne doit donc pas être introduit en cas de réadmission après une sortie de plus d'un mois, (...), si ce bénéficiaire reste classé dans la même catégorie.) <AR 2005-02-28/38, art. 4, 116; En vigueur : 23-03-2005> <AR 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
§ 4. Les services ou institutions (autres qu'un centre de soins de jour) qui hébergent des bénéficiaires classés dans [1 la catégorie de dépendance A, B, C, Cd, Cc ou D]1 doivent tenir un dossier de soins par bénéficiaire. <AR 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; En vigueur : 30-07-1999>
Ce dossier de soins individuel doit comporter au moins les données suivantes:
a) le plan de soins et d'assistance dans les actes de vie journalière, établi par la personne responsable des soins dans l'institution, qui précise la contribution des différents catégories de personnel prévu pour l'intervention forfaitaire. Ce plan est évalué et adapté au moins une fois par mois en fonction de l'évolution du degré de dépendance par rapport aux soins.
b) Lorsqu'il s'agit de bénéficiaires désorientés dans le temps et dans l'espace, une énumération précise des troubles perturbateurs du comportement:
1. difficultés d'expression;
2. dérangement verbal;
3. perte des notions de bienséance;
4. comportement agité;
5. comportement destructeur;
6. perturbations du comportement nocturne;
c) pour les actes techniques effectues par le personnel infirmier et paramédical prévu pour l'intervention forfaitaire: les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques et l'identité de la personne qui les a dispensés.
[1 d) si le bénéficiaire est classé dans la catégorie D : la date du bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
§ 1er. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les (sept jours) suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande. <AR 1999-06-13/63, art. 9, § 1, 037; En vigueur : 30-07-1999>
Cette demande doit être accompagnée d'un certificat médical établi par le médecin traitant, d'où il ressort que le bénéficiaire remplit les critères visés à l'article 149 et d'une attestation d'un service ou d'une institution visés à l'article 34, 11°, de la loi coordonnée d'où il ressort que celui-ci est responsable des soins dispensés au bénéficiaire
La demande est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition de la commission de conventions visée à l'article 13.
§ 2. (...) <AR 2003-04-04/93, art. 4, 094; En vigueur : 01-07-2003>
§ 3. Pour le bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée (...), la demande d'obtention d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est introduite dans les sept jours suivant la date d'admission par le service ou institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la post fait foi pour la date de la demande. <AR 2003-04-04/93, art. 4, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(La demande doit être accompagnée d'une échelle d'évaluation complétée par le praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière, ou par le médecin traitant. [1 La demande pour un bénéficiaire classé dans la catégorie D ne peut être introduite que si la date où le diagnostic de démence a été posé est mentionnée dans le dossier de soins visé au § 4.]1) <AR 2005-04-07/51, art. 1, 118; En vigueur : 09-05-2005>
[2 La demande d'un bénéficiaire n'ayant pas encore atteint l'âge de 60 ans contient :
1° un relevé du nombre de bénéficiaires de moins de 60 ans admis dans la maison de repos et de soins ou dans l'institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée (en ce compris la demande en cours), et du nombre de ces bénéficiaires qui peuvent être accueillis conformément à l'article 12, § 2, 1°, de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 18 janvier 2024 fixant les normes d'agrément auxquelles doivent répondre les établissements pour aînés, et les normes spéciales applicables aux groupements et fusions d'établissements ;
2° une déclaration sur l'honneur de la maison de repos et de soins ou de l'institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée affirmant qu'elle ne dépasse pas le pourcentage visé à l'article 12, § 2, 1° de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 18 janvier 2024 fixant les normes d'agrément auxquelles doivent répondre les établissements pour aînés, et les normes spéciales applicables aux groupements et fusions d'établissements, en indiquant le pourcentage au moment de la demande ;
3° un plan d'accompagnement spécifique concernant le bénéficiaire, tel que visé à l'article 12, § 2, 3°, de l'arrêté visé au 2° ;
4° une déclaration sur l'honneur de la maison de repos et de soins ou de l'institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée, attestant que son règlement d'ordre intérieur prévoit l'admission des personnes âgées de moins de 60 ans, conformément à l'article 135, 1°, de l'arrêté visé au 2° ;
5° une déclaration sur l'honneur de la maison de repos et de soins ou de l'institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée, attestant que son projet de vie est adapté à l'admission de des personnes âgées de moins de 60 ans.]2
Le départ du bénéficiaire de l'institution ou son décès est notifié dans les sept jours à l'organisme assureur par l'institution.
(Alinéa 4 abrogé) <AR 2006-09-28/58, art. 3, 1°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
[2 La demande visée au premier alinéa et la notification visée au quatrième alinéa sont introduites au moyen d'un formulaire approuvé par le Conseil de gestion de la santé et de l'aide aux personnes, tel que prévu à l'article 21 de l'ordonnance du 23 mars 2017 portant création de l'Office bicommunautaire de la santé, de l'aide aux personnes et des prestations familiales. Les documents visés à l'alinéa 3 sont établis conformément à l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 18 janvier 2024 fixant les normes d'agrément auxquelles doivent satisfaire les établissements pour aînés, et les normes spéciales applicables aux groupements et fusions d'établissements]2.
L'échelle d'évaluation (visée à l'alinéa 2 est introduite) au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120. <AR 2005-04-07/51, art. 1, 118; En vigueur : 09-05-2005>
(Pour le bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc visée à l'article 148, dernier alinéa, la demande visée à l'alinéa 1er [2 , sous réserve des documents visés à l'alinéa 3, qui sont toujours exigés le cas échéant,]2 doit seulement être accompagnée d'un rapport médical, attestant que le bénéficiaire répond aux critères de cette catégorie de dépendance, établi par l'un des centres hospitaliers d'expertise repris à l'annexe 2 du protocole du 24 mai 2004 précité. Pour le bénéficiaire déjà hébergé en maison de repos et de soins, ce rapport peut être rédigé par le médecin du centre d'expertise sur la base d'un rapport médical documenté établi par le médecin traitant.
Par dérogation à l'article 153, § 2, pour le bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc, la demande visée à l'alinéa 1er et le rapport médical qui l'accompagne peuvent être introduits dans les quinze jours qui suivent le jour de l'admission. En outre, ce rapport médical ne doit être transmis au médecin-conseil de l'organisme assureur que lors de la première admission d'un bénéficiaire classé dans la catégorie de dépendance Cc, et ne doit donc pas être introduit en cas de réadmission après une sortie de plus d'un mois, (...), si ce bénéficiaire reste classé dans la même catégorie.) <AR 2005-02-28/38, art. 4, 116; En vigueur : 23-03-2005> <AR 2006-09-28/58, art. 3, 2°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
§ 4. Les services ou institutions (autres qu'un centre de soins de jour) qui hébergent des bénéficiaires classés dans [1 la catégorie de dépendance A, B, C, Cd, Cc ou D]1 doivent tenir un dossier de soins par bénéficiaire. <AR 1999-06-13/63, art. 9, § 4, 037; En vigueur : 30-07-1999>
Ce dossier de soins individuel doit comporter au moins les données suivantes:
a) le plan de soins et d'assistance dans les actes de vie journalière, établi par la personne responsable des soins dans l'institution, qui précise la contribution des différents catégories de personnel prévu pour l'intervention forfaitaire. Ce plan est évalué et adapté au moins une fois par mois en fonction de l'évolution du degré de dépendance par rapport aux soins.
b) Lorsqu'il s'agit de bénéficiaires désorientés dans le temps et dans l'espace, une énumération précise des troubles perturbateurs du comportement:
1. difficultés d'expression;
2. dérangement verbal;
3. perte des notions de bienséance;
4. comportement agité;
5. comportement destructeur;
6. perturbations du comportement nocturne;
c) pour les actes techniques effectues par le personnel infirmier et paramédical prévu pour l'intervention forfaitaire: les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques et l'identité de la personne qui les a dispensés.
[1 d) si le bénéficiaire est classé dans la catégorie D : la date du bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
Art.153. § 1. Als het gaat om een rechthebbende die is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis, gaat de adviserend [2 arts]2 na of hij de in artikel 149 vermelde voorwaarden vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek en de behandelende [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.
(De adviserend [2 arts]2 geeft de dienst die de verzorging aan de rechthebbende heeft verleend of de instelling waarin de rechthebbende is opgenomen, uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de aanvraag kennis van zijn beslissing. Hij zendt tezelfdertijd een afschrift van die kennisgeving aan de rechthebbende en aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven.) <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
Ingeval hij de aanvraag goedkeurt, stelt de adviserend [2 arts]2 de periode vast waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode gaat ten vroegste in op de dag van de opneming als de aanvraag binnen ((zeven dagen)) na de dag van de opneming is ingediend. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de dienst of de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in artikel 152 beschreven procedure. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
§ 2. (Als het gaat om een rechthebbende die is opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, wordt de in artikel 152, § 3, bedoelde aanvraag geacht te zijn goedgekeurd als de verzekeringsinstelling de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen, een betalingsverbintenis betekent of, als ze die inrichting, uiterlijk de vijftiende dag na de ontvangst van de aanvraag, geen kennis heeft gegeven van een gemotiveerde beslissing tot weigering of van een verzoek om aanvullende inlichtingen.
(De stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van bovenvermelde aanvraag gaat ten vroegste in op de dag van opname, indien de aanvraag wordt ingediend binnen de [3 veertien]3 dagen die volgen op de dag van opname, of de dag van de indiening van de aanvraag in het andere geval. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
Een aanvraag tot herziening van de afhankelijkheidscategorie, die is vastgesteld op basis van de aanvraag van de inrichting, of van de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of van de beslissing genomen door een afdeling van het Nationaal college of door een lokaal college, bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3, kan volgens de in artikel 152, § 3 beschreven procedure worden ingediend als de situatie van de rechthebbende zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen worden genomen. Als die aanvraag tot herziening wordt ingediend wegens een verergering van de afhankelijkheidsgraad, moet ze altijd berusten op een medische of verpleegkundige indicatie die gestaafd is met een omstandig verslag waarvan het model wordt opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het Nationaal college bedoeld in artikel 120, dat onder gesloten omslag aan de adviserend [2 arts]2 moet worden toegestuurd. Dat verslag is getekend :
- door een [2 arts]2 als de aanvraag tot herziening ingediend wordt binnen de zes maanden volgend op de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of een beslissing tot aanpassing genomen door een afdeling van het Nationaal college of een lokaal college bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3;
- door een [2 arts]2 of door een verpleegkundige die de mogelijkheid gehad heeft de rechthebbende te observeren in de uitvoering van de handelingen van het dagelijks leven, indien de aanvraag tot herziening wordt ingediend na een vorige aanvraag of meer dan zes maanden na een van de voormelde beslissingen.
De aanvraag tot herziening wordt ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven, binnen de [3 veertien]3 dagen na de dag vanaf welke de herziening wordt aangevraagd. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
In geval van wederopneming in de inrichting van een rechthebbende na een afwezigheid van niet meer dan dertig dagen, moet de in artikel 152, § 3 bedoelde aanvraag niet vergezeld gaan van de evaluatieschaal bedoeld in hetzelfde artikel, en moet deze niet gevolgd worden door een nieuwe betalingsverbintenis van de verzekeringsinstelling, voor zover de rechthebbende in dezelfde afhankelijkheidscategorie als voor zijn vertrek blijft ingedeeld.) <KB 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De adviserend [2 arts]2 kan op elk moment de afhankelijkheidscategorie die is vastgesteld op basis van de (in het eerste en derde lid) bedoelde aanvragen, wijzigen, hetzij na een lichamelijk onderzoek, hetzij op basis van een verslag, daartoe opgemaakt na een onderzoek ter plaatse door een paramedisch medewerker, tenminste verpleegkundige, die door hem wordt gemandateerd overeenkomstig artikel 153, vierde lid, van de gecoördineerde wet. Die beslissing moet gemotiveerd zijn en treedt in werking op de datum aangegeven door de adviserend [2 arts]2 in de kennisgeving van die beslissing aan de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen. Deze datum kan niet voorafgaan aan de datum van verzending van deze kennisgeving. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van verzending van de kennisgeving. <KB 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De adviserend [2 arts]2 en de door hem gemandateerde paramedisch medewerker, ten minste verpleegkundige, kunnen, voor de uitvoering van hun opdracht, het in artikel 152, § 4, bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende raadplegen. De adviserend [2 arts]2 kan eveneens de behandelend [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 Indien het gaat om een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D, en telkens als hij enkel op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van categorie zou wijzigen, dient de inrichting een aangepaste evaluatieschaal aan de verzekeringsinstelling over te maken. Het meedelen van deze informatie aan de verzekeringsinstelling doet geen afbreuk aan het feit dat de rechthebbende, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, geklasseerd blijft in de categorie D, tenzij het gaat om een rechthebbende die daardoor geklasseerd wordt in de categorie Cd.]1
§ 3. (Indien de dienst of inrichting, andere dan een centrum voor dagverzorging, zoals bedoeld in artikel 34, 11° en 12°, van de gecoördineerde wet die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, erkend wordt met terugwerkende kracht, (kan de verzekeringsinstelling), voor zover de in artikel 152 bedoelde aanvraag werd ingediend binnen de dertig dagen na de datum waarop de dienst of instelling zijn toetreding tot de in artikel 47 van de gecoördineerde wet bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van §§ 1 en 2), de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de dienst of instelling tot de vorenbedoelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2 kan de adviserend [2 arts]2 de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven is toegekend, met terugwerkende kracht doen ingaan als de erkenning van de inrichting wordt gewijzigd, of in geval van wijziging van de verzekerbaarheid van de rechthebbende, of als de inrichting, door overmacht, haar aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft kunnen indienen, voorzover de inrichting voldoende bewijzen aanvoert om haar aanvraag tot afwijking te ondersteunen. De personeelsproblemen of de organisatorische problemen van de inrichting kunnen niet als gevallen van overmacht worden aangemerkt, als die problemen niet voortvloeien uit uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 4. De adviserend [2 artsen]2 brengen ter uitvoering van hun opdracht waarin voorzien is in dit artikel, verslag uit bij hun medische directie en vermelden daarbij met name hoe ze hun beslissing hebben genomen (...), welke scores zijn opgegeven in de evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd en, in geval van wijziging, op welke scores hun eigen beslissing stoelt. Daarbij dienen desgevallend de onregelmatigheden te worden vermeld die zij hebben vastgesteld in verband met : <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
- het feit dat de verzorging die gedekt is door de forfaitaire tegemoetkoming, met name die welke is vermeld in het in artikel 152, § 4, bedoeld individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende, niet daadwerkelijk is verleend of dat de continuïteit van de verzorging niet voldoende gewaarborgd is;
- de overevaluatie van de scores in verscheidene evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd.) <KB 1997-08-29/41, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
(De adviserend [2 arts]2 geeft de dienst die de verzorging aan de rechthebbende heeft verleend of de instelling waarin de rechthebbende is opgenomen, uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de aanvraag kennis van zijn beslissing. Hij zendt tezelfdertijd een afschrift van die kennisgeving aan de rechthebbende en aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven.) <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
Ingeval hij de aanvraag goedkeurt, stelt de adviserend [2 arts]2 de periode vast waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode gaat ten vroegste in op de dag van de opneming als de aanvraag binnen ((zeven dagen)) na de dag van de opneming is ingediend. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de dienst of de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in artikel 152 beschreven procedure. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
§ 2. (Als het gaat om een rechthebbende die is opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, wordt de in artikel 152, § 3, bedoelde aanvraag geacht te zijn goedgekeurd als de verzekeringsinstelling de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen, een betalingsverbintenis betekent of, als ze die inrichting, uiterlijk de vijftiende dag na de ontvangst van de aanvraag, geen kennis heeft gegeven van een gemotiveerde beslissing tot weigering of van een verzoek om aanvullende inlichtingen.
(De stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van bovenvermelde aanvraag gaat ten vroegste in op de dag van opname, indien de aanvraag wordt ingediend binnen de [3 veertien]3 dagen die volgen op de dag van opname, of de dag van de indiening van de aanvraag in het andere geval. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
Een aanvraag tot herziening van de afhankelijkheidscategorie, die is vastgesteld op basis van de aanvraag van de inrichting, of van de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of van de beslissing genomen door een afdeling van het Nationaal college of door een lokaal college, bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3, kan volgens de in artikel 152, § 3 beschreven procedure worden ingediend als de situatie van de rechthebbende zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen worden genomen. Als die aanvraag tot herziening wordt ingediend wegens een verergering van de afhankelijkheidsgraad, moet ze altijd berusten op een medische of verpleegkundige indicatie die gestaafd is met een omstandig verslag waarvan het model wordt opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het Nationaal college bedoeld in artikel 120, dat onder gesloten omslag aan de adviserend [2 arts]2 moet worden toegestuurd. Dat verslag is getekend :
- door een [2 arts]2 als de aanvraag tot herziening ingediend wordt binnen de zes maanden volgend op de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of een beslissing tot aanpassing genomen door een afdeling van het Nationaal college of een lokaal college bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3;
- door een [2 arts]2 of door een verpleegkundige die de mogelijkheid gehad heeft de rechthebbende te observeren in de uitvoering van de handelingen van het dagelijks leven, indien de aanvraag tot herziening wordt ingediend na een vorige aanvraag of meer dan zes maanden na een van de voormelde beslissingen.
De aanvraag tot herziening wordt ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven, binnen de [3 veertien]3 dagen na de dag vanaf welke de herziening wordt aangevraagd. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
In geval van wederopneming in de inrichting van een rechthebbende na een afwezigheid van niet meer dan dertig dagen, moet de in artikel 152, § 3 bedoelde aanvraag niet vergezeld gaan van de evaluatieschaal bedoeld in hetzelfde artikel, en moet deze niet gevolgd worden door een nieuwe betalingsverbintenis van de verzekeringsinstelling, voor zover de rechthebbende in dezelfde afhankelijkheidscategorie als voor zijn vertrek blijft ingedeeld.) <KB 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De adviserend [2 arts]2 kan op elk moment de afhankelijkheidscategorie die is vastgesteld op basis van de (in het eerste en derde lid) bedoelde aanvragen, wijzigen, hetzij na een lichamelijk onderzoek, hetzij op basis van een verslag, daartoe opgemaakt na een onderzoek ter plaatse door een paramedisch medewerker, tenminste verpleegkundige, die door hem wordt gemandateerd overeenkomstig artikel 153, vierde lid, van de gecoördineerde wet. Die beslissing moet gemotiveerd zijn en treedt in werking op de datum aangegeven door de adviserend [2 arts]2 in de kennisgeving van die beslissing aan de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen. Deze datum kan niet voorafgaan aan de datum van verzending van deze kennisgeving. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van verzending van de kennisgeving. <KB 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De adviserend [2 arts]2 en de door hem gemandateerde paramedisch medewerker, ten minste verpleegkundige, kunnen, voor de uitvoering van hun opdracht, het in artikel 152, § 4, bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende raadplegen. De adviserend [2 arts]2 kan eveneens de behandelend [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 Indien het gaat om een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D, en telkens als hij enkel op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van categorie zou wijzigen, dient de inrichting een aangepaste evaluatieschaal aan de verzekeringsinstelling over te maken. Het meedelen van deze informatie aan de verzekeringsinstelling doet geen afbreuk aan het feit dat de rechthebbende, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, geklasseerd blijft in de categorie D, tenzij het gaat om een rechthebbende die daardoor geklasseerd wordt in de categorie Cd.]1
§ 3. (Indien de dienst of inrichting, andere dan een centrum voor dagverzorging, zoals bedoeld in artikel 34, 11° en 12°, van de gecoördineerde wet die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, erkend wordt met terugwerkende kracht, (kan de verzekeringsinstelling), voor zover de in artikel 152 bedoelde aanvraag werd ingediend binnen de dertig dagen na de datum waarop de dienst of instelling zijn toetreding tot de in artikel 47 van de gecoördineerde wet bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van §§ 1 en 2), de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de dienst of instelling tot de vorenbedoelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2 kan de adviserend [2 arts]2 de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven is toegekend, met terugwerkende kracht doen ingaan als de erkenning van de inrichting wordt gewijzigd, of in geval van wijziging van de verzekerbaarheid van de rechthebbende, of als de inrichting, door overmacht, haar aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft kunnen indienen, voorzover de inrichting voldoende bewijzen aanvoert om haar aanvraag tot afwijking te ondersteunen. De personeelsproblemen of de organisatorische problemen van de inrichting kunnen niet als gevallen van overmacht worden aangemerkt, als die problemen niet voortvloeien uit uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 4. De adviserend [2 artsen]2 brengen ter uitvoering van hun opdracht waarin voorzien is in dit artikel, verslag uit bij hun medische directie en vermelden daarbij met name hoe ze hun beslissing hebben genomen (...), welke scores zijn opgegeven in de evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd en, in geval van wijziging, op welke scores hun eigen beslissing stoelt. Daarbij dienen desgevallend de onregelmatigheden te worden vermeld die zij hebben vastgesteld in verband met : <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
- het feit dat de verzorging die gedekt is door de forfaitaire tegemoetkoming, met name die welke is vermeld in het in artikel 152, § 4, bedoeld individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende, niet daadwerkelijk is verleend of dat de continuïteit van de verzorging niet voldoende gewaarborgd is;
- de overevaluatie van de scores in verscheidene evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd.) <KB 1997-08-29/41, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
Art.153. § 1er. S'il s'agit d'un bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, le médecin-conseil vérifie s'il satisfait aux conditions visées à l'article 149. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen corporel et demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaire.
(Le médecin-conseil notifie sa décision au service responsable des soins dispensés au bénéficiaire ou à l'institution où le bénéficiaire est admis, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande. Il envoie en même temps une copie de cette notification au bénéficiaire et à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit.) <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; En vigueur : 30-07-1999>
En cas d'approbation de la demande, le médecin-conseil fixe la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée. Cette période prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande a été introduite dans les ([2 quatorze]2 jours) suivant le jour de l'admission. Le cas échéant, une prolongation de cette période peut être demandée selon la procédure décrite à l'article 152 par le service ou l'institution responsable des soins dispensés au bénéficiaire. <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; En vigueur : 30-07-1999>
§ 2. (S'il s'agit d'un bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée, la demande visée à l'article 152, § 3, est considérée comme approuvée lorsque l'organisme assureur notifie à l'institution où le bénéficiaire est admis un engagement de paiement ou s'il ne lui a pas notifié, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande, une décision motivée de refus de paiement ou une demande de renseignements complémentaires.
(L'approbation tacite ou expresse de la demande susvisée prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande est introduite dans les [2 quatorze]2 jours qui suivent le jour de l'admission, ou le jour de l'introduction de la demande dans le cas contraire. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
Une demande de révision de la catégorie de dépendance, fixée sur la base de la demande introduite par l'institution, ou de la décision du médecin-conseil visée à l'alinéa 6, ou de la décision prise par une section du Collège national ou par un collège local, visés à l'article 122, §§ 2 et 3, peut être introduite selon la procédure décrite à l'article 152, § 3, lorsque la situation du bénéficiaire évolue de telle sorte qu'une autre catégorie de dépendance pourrait être prise en considération. Si cette demande de révision est introduite en raison d'une aggravation du degré de dépendance, elle doit toujours être fondée sur une indication médicale ou relative à l'art infirmier étayée par un rapport circonstancié, dont le modèle est établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120, à envoyer sous pli fermé à l'intention du médecin-conseil. Ce rapport est signé :
- par un médecin si la demande de révision est introduite dans les six mois qui suivent la décision du médecin-conseil visée à l'alinéa 6, ou une décision de modification prise par une section du Collège national ou un collège local, visés à l'article 122, §§ 2 et 3;
- par un médecin ou par un praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière, si la demande de révision est introduite après une demande antérieure ou plus de six mois après l'une des décisions susvisées.
La demande de révision est introduite auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit dans les [2 quatorze]2 jours qui suivent le jour à partir duquel la révision est sollicitée. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
En cas de réadmission d'un bénéficiaire dans l'institution après une absence ne dépassant pas trente jours, la demande visée à l'article 152, § 3 ne doit pas être accompagnée de l'échelle d'évaluation visée au même article, et ne doit pas être suivie d'un nouvel engagement de paiement de la part de l'organisme assureur, pour autant que le bénéficiaire reste classé dans la même catégorie de dépendance qu'avant son départ.) <AR 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Le médecin-conseil peut modifier à tout moment la catégorie de dépendance fixée sur la base des demandes (visées aux alinéas 1er et 3), soit après un examen physique, soit sur la base d'un rapport établi à cet effet après un examen sur place par un auxiliaire paramédical, à tout le moins praticien de l'art infirmier, mandaté par lui en application de l'article 153, alinéa 4, de la loi coordonnée Cette décision doit être motivée et entre en vigueur à la date indiquée par le médecin-conseil dans la notification de cette décision à l'institution où le bénéficiaire est admis, date qui ne peut être antérieure à la date d'envoi de cette notification. Le cachet de la poste fait foi pour la date d'envoi de la notification. <AR 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Le médecin-conseil et l'auxiliaire paramédical, à tout le moins praticien de l'art infirmier, qu'il a mandaté peuvent, pour l'exécution de leur mission, consulter le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 152, § 4. Le médecin-conseil peut également demander au médecin traitant de lui communiquer toute information médicale qu'il juge nécessaire.) <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
[1 S'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie D, chaque fois qu'il serait susceptible de changer de catégorie sur la seule base des critères physiques de l'échelle d'évaluation, l'institution doit transmettre une échelle d'évaluation adaptée à son organisme assureur. La communication de cette information à l'organisme assureur ne porte aucun préjudice au fait que le bénéficiaire reste classé dans la catégorie D lorsqu'il l'est sur base d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, sauf s'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie Cd.]1
§ 3. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1 et 2, si le service ou l'institution, autre qu'un centre de soins de jour, visé) à l'article 34, 11° et 12°, de la loi coordonnée responsable des soins dispensés au bénéficiaire est agréé avec effet rétroactif, (l'organisme assureur peut), pour autant que la demande visée à l'article 152 ait été introduite dans les trente jours suivant la date de la signature de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée, faire débuter la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée, avec effet rétroactif à une date qui ne peut cependant être antérieure à celle de la prise en cours de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention précitée. <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; En vigueur : 30-07-1999> <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, le médecin-conseil peut faire débuter avec effet rétroactif la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée si l'agrément de l'institution est modifié, ou en cas de modification de l'assurabilité du bénéficiaire, ou si l'institution n'a pu introduire sa demande dans les délais prescrits pour des raisons de force majeure, pour autant que l'institution apporte des éléments de preuve suffisants à l'appui de sa demande de dérogation. Ne peuvent être retenus comme raisons de force majeure les problèmes de personnel et d'organisation rencontrés par l'institution lorsque ces problèmes ne découlent pas de circonstances exceptionnelles et imprévisibles.) <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 4. Les médecins-conseils, à la suite de l'exécution de leur mission prévue dans le présent article, font rapport à leur direction médicale en signalant notamment comment ils ont pris leur décision (...), quels sont les scores qui figurent dans les échelles d'évaluation jointes aux demandes d'intervention et, en cas de modification, quels sont les scores sur lesquels se base leur propre décision. De plus, le cas échéant, ils doivent signaler les irrégularités qu'ils ont constatées relativement : <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
- au fait que les soins couverts par l'intervention forfaitaire, notamment ceux prévus dans le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 152, § 4, n'ont pas été effectivement dispensés, ou que la continuité des soins n'est pas suffisamment assurée;
- à la surévaluation des scores dans plusieurs échelles d'évaluation jointes aux demandes d'intervention.) <AR 1997-08-29/41, art. 4, 010; En vigueur : 01-10-1997>
(Le médecin-conseil notifie sa décision au service responsable des soins dispensés au bénéficiaire ou à l'institution où le bénéficiaire est admis, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande. Il envoie en même temps une copie de cette notification au bénéficiaire et à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit.) <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; En vigueur : 30-07-1999>
En cas d'approbation de la demande, le médecin-conseil fixe la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée. Cette période prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande a été introduite dans les ([2 quatorze]2 jours) suivant le jour de l'admission. Le cas échéant, une prolongation de cette période peut être demandée selon la procédure décrite à l'article 152 par le service ou l'institution responsable des soins dispensés au bénéficiaire. <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; En vigueur : 30-07-1999>
§ 2. (S'il s'agit d'un bénéficiaire admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée, la demande visée à l'article 152, § 3, est considérée comme approuvée lorsque l'organisme assureur notifie à l'institution où le bénéficiaire est admis un engagement de paiement ou s'il ne lui a pas notifié, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande, une décision motivée de refus de paiement ou une demande de renseignements complémentaires.
(L'approbation tacite ou expresse de la demande susvisée prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande est introduite dans les [2 quatorze]2 jours qui suivent le jour de l'admission, ou le jour de l'introduction de la demande dans le cas contraire. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
Une demande de révision de la catégorie de dépendance, fixée sur la base de la demande introduite par l'institution, ou de la décision du médecin-conseil visée à l'alinéa 6, ou de la décision prise par une section du Collège national ou par un collège local, visés à l'article 122, §§ 2 et 3, peut être introduite selon la procédure décrite à l'article 152, § 3, lorsque la situation du bénéficiaire évolue de telle sorte qu'une autre catégorie de dépendance pourrait être prise en considération. Si cette demande de révision est introduite en raison d'une aggravation du degré de dépendance, elle doit toujours être fondée sur une indication médicale ou relative à l'art infirmier étayée par un rapport circonstancié, dont le modèle est établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120, à envoyer sous pli fermé à l'intention du médecin-conseil. Ce rapport est signé :
- par un médecin si la demande de révision est introduite dans les six mois qui suivent la décision du médecin-conseil visée à l'alinéa 6, ou une décision de modification prise par une section du Collège national ou un collège local, visés à l'article 122, §§ 2 et 3;
- par un médecin ou par un praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière, si la demande de révision est introduite après une demande antérieure ou plus de six mois après l'une des décisions susvisées.
La demande de révision est introduite auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit dans les [2 quatorze]2 jours qui suivent le jour à partir duquel la révision est sollicitée. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
En cas de réadmission d'un bénéficiaire dans l'institution après une absence ne dépassant pas trente jours, la demande visée à l'article 152, § 3 ne doit pas être accompagnée de l'échelle d'évaluation visée au même article, et ne doit pas être suivie d'un nouvel engagement de paiement de la part de l'organisme assureur, pour autant que le bénéficiaire reste classé dans la même catégorie de dépendance qu'avant son départ.) <AR 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Le médecin-conseil peut modifier à tout moment la catégorie de dépendance fixée sur la base des demandes (visées aux alinéas 1er et 3), soit après un examen physique, soit sur la base d'un rapport établi à cet effet après un examen sur place par un auxiliaire paramédical, à tout le moins praticien de l'art infirmier, mandaté par lui en application de l'article 153, alinéa 4, de la loi coordonnée Cette décision doit être motivée et entre en vigueur à la date indiquée par le médecin-conseil dans la notification de cette décision à l'institution où le bénéficiaire est admis, date qui ne peut être antérieure à la date d'envoi de cette notification. Le cachet de la poste fait foi pour la date d'envoi de la notification. <AR 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Le médecin-conseil et l'auxiliaire paramédical, à tout le moins praticien de l'art infirmier, qu'il a mandaté peuvent, pour l'exécution de leur mission, consulter le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 152, § 4. Le médecin-conseil peut également demander au médecin traitant de lui communiquer toute information médicale qu'il juge nécessaire.) <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
[1 S'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie D, chaque fois qu'il serait susceptible de changer de catégorie sur la seule base des critères physiques de l'échelle d'évaluation, l'institution doit transmettre une échelle d'évaluation adaptée à son organisme assureur. La communication de cette information à l'organisme assureur ne porte aucun préjudice au fait que le bénéficiaire reste classé dans la catégorie D lorsqu'il l'est sur base d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, sauf s'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie Cd.]1
§ 3. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1 et 2, si le service ou l'institution, autre qu'un centre de soins de jour, visé) à l'article 34, 11° et 12°, de la loi coordonnée responsable des soins dispensés au bénéficiaire est agréé avec effet rétroactif, (l'organisme assureur peut), pour autant que la demande visée à l'article 152 ait été introduite dans les trente jours suivant la date de la signature de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée, faire débuter la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée, avec effet rétroactif à une date qui ne peut cependant être antérieure à celle de la prise en cours de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention précitée. <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; En vigueur : 30-07-1999> <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, le médecin-conseil peut faire débuter avec effet rétroactif la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée si l'agrément de l'institution est modifié, ou en cas de modification de l'assurabilité du bénéficiaire, ou si l'institution n'a pu introduire sa demande dans les délais prescrits pour des raisons de force majeure, pour autant que l'institution apporte des éléments de preuve suffisants à l'appui de sa demande de dérogation. Ne peuvent être retenus comme raisons de force majeure les problèmes de personnel et d'organisation rencontrés par l'institution lorsque ces problèmes ne découlent pas de circonstances exceptionnelles et imprévisibles.) <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 4. Les médecins-conseils, à la suite de l'exécution de leur mission prévue dans le présent article, font rapport à leur direction médicale en signalant notamment comment ils ont pris leur décision (...), quels sont les scores qui figurent dans les échelles d'évaluation jointes aux demandes d'intervention et, en cas de modification, quels sont les scores sur lesquels se base leur propre décision. De plus, le cas échéant, ils doivent signaler les irrégularités qu'ils ont constatées relativement : <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
- au fait que les soins couverts par l'intervention forfaitaire, notamment ceux prévus dans le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 152, § 4, n'ont pas été effectivement dispensés, ou que la continuité des soins n'est pas suffisamment assurée;
- à la surévaluation des scores dans plusieurs échelles d'évaluation jointes aux demandes d'intervention.) <AR 1997-08-29/41, art. 4, 010; En vigueur : 01-10-1997>
Art. 153_BRUSSELS_HOOFDSTEDELIJK_GEWEST. § 1. Als het gaat om een rechthebbende die is opgenomen in een psychiatrisch verzorgingstehuis, gaat de adviserend [2 arts]2 na of hij de in artikel 149 vermelde voorwaarden vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek en de behandelende [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.
(De adviserend [2 arts]2 geeft de dienst die de verzorging aan de rechthebbende heeft verleend of de instelling waarin de rechthebbende is opgenomen, uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de aanvraag kennis van zijn beslissing. Hij zendt tezelfdertijd een afschrift van die kennisgeving aan de rechthebbende en aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven.) <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
Ingeval hij de aanvraag goedkeurt, stelt de adviserend [2 arts]2 de periode vast waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode gaat ten vroegste in op de dag van de opneming als de aanvraag binnen ((zeven dagen)) na de dag van de opneming is ingediend. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de dienst of de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in artikel 152 beschreven procedure. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
§ 2. [3 Als het gaat om een rechthebbende die is of zal worden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, gaat de adviserend arts na of de rechthebbende de in artikel 148 vermelde voorwaarden en, in voorkomend geval, de voorwaarden van artikel 12, § 2, van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 januari 2024 tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor groeperingen en fusies van voorzieningen vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek, de behandelende arts vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht. De in artikel 152, § 3, bedoelde aanvraag wordt geacht te zijn goedgekeurd als de verzekeringsinstelling de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen, een betalingsverbintenis betekent of, als ze die inrichting, uiterlijk de vijftiende dag na de ontvangst van de aanvraag, geen kennis heeft gegeven van een gemotiveerde beslissing tot weigering of van een verzoek om aanvullende inlichtingen.
De stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van bovenvermelde aanvraag gaat ten vroegste in op de dag van opname, indien de aanvraag wordt ingediend binnen de zeven dagen die volgen op de dag van opname, of de dag van de indiening van de aanvraag in het andere geval. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag]3.
Een aanvraag tot herziening van de afhankelijkheidscategorie, die is vastgesteld op basis van de aanvraag van de inrichting, of van de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of van de beslissing genomen door een afdeling van het Nationaal college of door een lokaal college, bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3, kan volgens de in artikel 152, § 3 beschreven procedure worden ingediend als de situatie van de rechthebbende zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen worden genomen. Als die aanvraag tot herziening wordt ingediend wegens een verergering van de afhankelijkheidsgraad, moet ze altijd berusten op een medische of verpleegkundige indicatie die gestaafd is met een omstandig verslag waarvan het model wordt opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het Nationaal college bedoeld in artikel 120, dat onder gesloten omslag aan de adviserend [2 arts]2 moet worden toegestuurd. Dat verslag is getekend :
- door een [2 arts]2 als de aanvraag tot herziening ingediend wordt binnen de zes maanden volgend op de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of een beslissing tot aanpassing genomen door een afdeling van het Nationaal college of een lokaal college bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3;
- door een [2 arts]2 of door een verpleegkundige die de mogelijkheid gehad heeft de rechthebbende te observeren in de uitvoering van de handelingen van het dagelijks leven, indien de aanvraag tot herziening wordt ingediend na een vorige aanvraag of meer dan zes maanden na een van de voormelde beslissingen.
De aanvraag tot herziening wordt ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven, binnen de zeven dagen na de dag vanaf welke de herziening wordt aangevraagd. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
In geval van wederopneming in de inrichting van een rechthebbende na een afwezigheid van niet meer dan dertig dagen, moet de in artikel 152, § 3 bedoelde aanvraag niet vergezeld gaan van de evaluatieschaal bedoeld in hetzelfde artikel, en moet deze niet gevolgd worden door een nieuwe betalingsverbintenis van de verzekeringsinstelling, voor zover de rechthebbende in dezelfde afhankelijkheidscategorie als voor zijn vertrek blijft ingedeeld.) <KB 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De adviserend [2 arts]2 kan op elk moment de afhankelijkheidscategorie die is vastgesteld op basis van de (in het eerste en derde lid) bedoelde aanvragen, wijzigen, hetzij na een lichamelijk onderzoek, hetzij op basis van een verslag, daartoe opgemaakt na een onderzoek ter plaatse door een paramedisch medewerker, tenminste verpleegkundige, die door hem wordt gemandateerd overeenkomstig artikel 153, vierde lid, van de gecoördineerde wet. Die beslissing moet gemotiveerd zijn en treedt in werking op de datum aangegeven door de adviserend [2 arts]2 in de kennisgeving van die beslissing aan de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen. Deze datum kan niet voorafgaan aan de datum van verzending van deze kennisgeving. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van verzending van de kennisgeving. <KB 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De adviserend [2 arts]2 en de door hem gemandateerde paramedisch medewerker, ten minste verpleegkundige, kunnen, voor de uitvoering van hun opdracht, het in artikel 152, § 4, bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende raadplegen. De adviserend [2 arts]2 kan eveneens de behandelend [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 Indien het gaat om een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D, en telkens als hij enkel op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van categorie zou wijzigen, dient de inrichting een aangepaste evaluatieschaal aan de verzekeringsinstelling over te maken. Het meedelen van deze informatie aan de verzekeringsinstelling doet geen afbreuk aan het feit dat de rechthebbende, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, geklasseerd blijft in de categorie D, tenzij het gaat om een rechthebbende die daardoor geklasseerd wordt in de categorie Cd.]1
§ 3. (Indien de dienst of inrichting, andere dan een centrum voor dagverzorging, zoals bedoeld in artikel 34, 11° en 12°, van de gecoördineerde wet die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, erkend wordt met terugwerkende kracht, (kan de verzekeringsinstelling), voor zover de in artikel 152 bedoelde aanvraag werd ingediend binnen de dertig dagen na de datum waarop de dienst of instelling zijn toetreding tot de in artikel 47 van de gecoördineerde wet bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van §§ 1 en 2), de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de dienst of instelling tot de vorenbedoelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2 kan de adviserend [2 arts]2 de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven is toegekend, met terugwerkende kracht doen ingaan als de erkenning van de inrichting wordt gewijzigd, of in geval van wijziging van de verzekerbaarheid van de rechthebbende, of als de inrichting, door overmacht, haar aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft kunnen indienen, voorzover de inrichting voldoende bewijzen aanvoert om haar aanvraag tot afwijking te ondersteunen. De personeelsproblemen of de organisatorische problemen van de inrichting kunnen niet als gevallen van overmacht worden aangemerkt, als die problemen niet voortvloeien uit uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 4. De adviserend [2 artsen]2 brengen ter uitvoering van hun opdracht waarin voorzien is in dit artikel, verslag uit bij hun medische directie en vermelden daarbij met name hoe ze hun beslissing hebben genomen (...), welke scores zijn opgegeven in de evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd en, in geval van wijziging, op welke scores hun eigen beslissing stoelt. Daarbij dienen desgevallend de onregelmatigheden te worden vermeld die zij hebben vastgesteld in verband met : <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
- het feit dat de verzorging die gedekt is door de forfaitaire tegemoetkoming, met name die welke is vermeld in het in artikel 152, § 4, bedoeld individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende, niet daadwerkelijk is verleend of dat de continuïteit van de verzorging niet voldoende gewaarborgd is;
- de overevaluatie van de scores in verscheidene evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd.) <KB 1997-08-29/41, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
(De adviserend [2 arts]2 geeft de dienst die de verzorging aan de rechthebbende heeft verleend of de instelling waarin de rechthebbende is opgenomen, uiterlijk de vijftiende dag na ontvangst van de aanvraag kennis van zijn beslissing. Hij zendt tezelfdertijd een afschrift van die kennisgeving aan de rechthebbende en aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven.) <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
Ingeval hij de aanvraag goedkeurt, stelt de adviserend [2 arts]2 de periode vast waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend. Die periode gaat ten vroegste in op de dag van de opneming als de aanvraag binnen ((zeven dagen)) na de dag van de opneming is ingediend. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de dienst of de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in artikel 152 beschreven procedure. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999>
§ 2. [3 Als het gaat om een rechthebbende die is of zal worden opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis of in een in artikel 34, 12°, van de gecoördineerde wet bedoelde inrichting, gaat de adviserend arts na of de rechthebbende de in artikel 148 vermelde voorwaarden en, in voorkomend geval, de voorwaarden van artikel 12, § 2, van het besluit van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van 18 januari 2024 tot vaststelling van de erkenningsnormen waaraan de voorzieningen voor ouderen moeten voldoen, en van de bijzondere normen die gelden voor groeperingen en fusies van voorzieningen vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek, de behandelende arts vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht. De in artikel 152, § 3, bedoelde aanvraag wordt geacht te zijn goedgekeurd als de verzekeringsinstelling de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen, een betalingsverbintenis betekent of, als ze die inrichting, uiterlijk de vijftiende dag na de ontvangst van de aanvraag, geen kennis heeft gegeven van een gemotiveerde beslissing tot weigering of van een verzoek om aanvullende inlichtingen.
De stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring van bovenvermelde aanvraag gaat ten vroegste in op de dag van opname, indien de aanvraag wordt ingediend binnen de zeven dagen die volgen op de dag van opname, of de dag van de indiening van de aanvraag in het andere geval. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag]3.
Een aanvraag tot herziening van de afhankelijkheidscategorie, die is vastgesteld op basis van de aanvraag van de inrichting, of van de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of van de beslissing genomen door een afdeling van het Nationaal college of door een lokaal college, bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3, kan volgens de in artikel 152, § 3 beschreven procedure worden ingediend als de situatie van de rechthebbende zo evolueert dat een andere afhankelijkheidscategorie in overweging zou kunnen worden genomen. Als die aanvraag tot herziening wordt ingediend wegens een verergering van de afhankelijkheidsgraad, moet ze altijd berusten op een medische of verpleegkundige indicatie die gestaafd is met een omstandig verslag waarvan het model wordt opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het Nationaal college bedoeld in artikel 120, dat onder gesloten omslag aan de adviserend [2 arts]2 moet worden toegestuurd. Dat verslag is getekend :
- door een [2 arts]2 als de aanvraag tot herziening ingediend wordt binnen de zes maanden volgend op de in het zesde lid bedoelde beslissing van de adviserend [2 arts]2, of een beslissing tot aanpassing genomen door een afdeling van het Nationaal college of een lokaal college bedoeld in artikel 122, §§ 2 en 3;
- door een [2 arts]2 of door een verpleegkundige die de mogelijkheid gehad heeft de rechthebbende te observeren in de uitvoering van de handelingen van het dagelijks leven, indien de aanvraag tot herziening wordt ingediend na een vorige aanvraag of meer dan zes maanden na een van de voormelde beslissingen.
De aanvraag tot herziening wordt ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven, binnen de zeven dagen na de dag vanaf welke de herziening wordt aangevraagd. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
In geval van wederopneming in de inrichting van een rechthebbende na een afwezigheid van niet meer dan dertig dagen, moet de in artikel 152, § 3 bedoelde aanvraag niet vergezeld gaan van de evaluatieschaal bedoeld in hetzelfde artikel, en moet deze niet gevolgd worden door een nieuwe betalingsverbintenis van de verzekeringsinstelling, voor zover de rechthebbende in dezelfde afhankelijkheidscategorie als voor zijn vertrek blijft ingedeeld.) <KB 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De adviserend [2 arts]2 kan op elk moment de afhankelijkheidscategorie die is vastgesteld op basis van de (in het eerste en derde lid) bedoelde aanvragen, wijzigen, hetzij na een lichamelijk onderzoek, hetzij op basis van een verslag, daartoe opgemaakt na een onderzoek ter plaatse door een paramedisch medewerker, tenminste verpleegkundige, die door hem wordt gemandateerd overeenkomstig artikel 153, vierde lid, van de gecoördineerde wet. Die beslissing moet gemotiveerd zijn en treedt in werking op de datum aangegeven door de adviserend [2 arts]2 in de kennisgeving van die beslissing aan de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen. Deze datum kan niet voorafgaan aan de datum van verzending van deze kennisgeving. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van verzending van de kennisgeving. <KB 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
De adviserend [2 arts]2 en de door hem gemandateerde paramedisch medewerker, ten minste verpleegkundige, kunnen, voor de uitvoering van hun opdracht, het in artikel 152, § 4, bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende raadplegen. De adviserend [2 arts]2 kan eveneens de behandelend [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 Indien het gaat om een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D, en telkens als hij enkel op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van categorie zou wijzigen, dient de inrichting een aangepaste evaluatieschaal aan de verzekeringsinstelling over te maken. Het meedelen van deze informatie aan de verzekeringsinstelling doet geen afbreuk aan het feit dat de rechthebbende, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, geklasseerd blijft in de categorie D, tenzij het gaat om een rechthebbende die daardoor geklasseerd wordt in de categorie Cd.]1
§ 3. (Indien de dienst of inrichting, andere dan een centrum voor dagverzorging, zoals bedoeld in artikel 34, 11° en 12°, van de gecoördineerde wet die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, erkend wordt met terugwerkende kracht, (kan de verzekeringsinstelling), voor zover de in artikel 152 bedoelde aanvraag werd ingediend binnen de dertig dagen na de datum waarop de dienst of instelling zijn toetreding tot de in artikel 47 van de gecoördineerde wet bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van §§ 1 en 2), de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de dienst of instelling tot de vorenbedoelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; Inwerkingtreding : 30-07-1999> <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(In afwijking van de bepalingen van de §§ 1 en 2 kan de adviserend [2 arts]2 de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven is toegekend, met terugwerkende kracht doen ingaan als de erkenning van de inrichting wordt gewijzigd, of in geval van wijziging van de verzekerbaarheid van de rechthebbende, of als de inrichting, door overmacht, haar aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijnen heeft kunnen indienen, voorzover de inrichting voldoende bewijzen aanvoert om haar aanvraag tot afwijking te ondersteunen. De personeelsproblemen of de organisatorische problemen van de inrichting kunnen niet als gevallen van overmacht worden aangemerkt, als die problemen niet voortvloeien uit uitzonderlijke en onvoorziene omstandigheden.) <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(§ 4. De adviserend [2 artsen]2 brengen ter uitvoering van hun opdracht waarin voorzien is in dit artikel, verslag uit bij hun medische directie en vermelden daarbij met name hoe ze hun beslissing hebben genomen (...), welke scores zijn opgegeven in de evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd en, in geval van wijziging, op welke scores hun eigen beslissing stoelt. Daarbij dienen desgevallend de onregelmatigheden te worden vermeld die zij hebben vastgesteld in verband met : <KB 2003-04-04/93, art. 5, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
- het feit dat de verzorging die gedekt is door de forfaitaire tegemoetkoming, met name die welke is vermeld in het in artikel 152, § 4, bedoeld individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende, niet daadwerkelijk is verleend of dat de continuïteit van de verzorging niet voldoende gewaarborgd is;
- de overevaluatie van de scores in verscheidene evaluatieschalen die bij de aanvragen tot tegemoetkoming zijn gevoegd.) <KB 1997-08-29/41, art. 4, 010; Inwerkingtreding : 01-10-1997>
Art.153 _REGION_DE_BRUXELLES-CAPITALE.
§ 1er. S'il s'agit d'un bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, le médecin-conseil vérifie s'il satisfait aux conditions visées à l'article 149. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen corporel et demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaire.
(Le médecin-conseil notifie sa décision au service responsable des soins dispensés au bénéficiaire ou à l'institution où le bénéficiaire est admis, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande. Il envoie en même temps une copie de cette notification au bénéficiaire et à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit.) <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; En vigueur : 30-07-1999>
En cas d'approbation de la demande, le médecin-conseil fixe la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée. Cette période prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande a été introduite dans les (sept jours) suivant le jour de l'admission. Le cas échéant, une prolongation de cette période peut être demandée selon la procédure décrite à l'article 152 par le service ou l'institution responsable des soins dispensés au bénéficiaire. <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; En vigueur : 30-07-1999>
§ 2. [2 S'il s'agit d'un bénéficiaire admis ou qui sera admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée, le médecin-conseil vérifie si le bénéficiaire remplit les conditions visées à l'article 148 et, le cas échéant, les conditions visées à l'article 12, § 2, de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 18 janvier 2024 fixant les normes d'agrément auxquelles doivent répondre les établissements pour aînés, et les normes spéciales applicables aux groupements et fusions d'établissements. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen physique, demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaires. La demande visée à l'article 152, § 3, est considérée comme approuvée lorsque l'organisme assureur notifie à l'institution où le bénéficiaire est admis un engagement de paiement ou, s'il n'a pas notifié à cette institution, au plus tard le quinzième jour suivant la réception de la demande, une décision motivée de refus ou une demande de renseignements complémentaires.
L'approbation tacite ou expresse de la demande susvisée prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande est introduite dans les sept jours qui suivent le jour de l'admission, ou le jour de l'introduction de la demande dans le cas contraire. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande]2.
Une demande de révision de la catégorie de dépendance, fixée sur la base de la demande introduite par l'institution, ou de la décision du médecin-conseil visée à l'alinéa 6, ou de la décision prise par une section du Collège national ou par un collège local, visés à l'article 122, §§ 2 et 3, peut être introduite selon la procédure décrite à l'article 152, § 3, lorsque la situation du bénéficiaire évolue de telle sorte qu'une autre catégorie de dépendance pourrait être prise en considération. Si cette demande de révision est introduite en raison d'une aggravation du degré de dépendance, elle doit toujours être fondée sur une indication médicale ou relative à l'art infirmier étayée par un rapport circonstancié, dont le modèle est établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120, à envoyer sous pli fermé à l'intention du médecin-conseil. Ce rapport est signé :
- par un médecin si la demande de révision est introduite dans les six mois qui suivent la décision du médecin-conseil visée à l'alinéa 6, ou une décision de modification prise par une section du Collège national ou un collège local, visés à l'article 122, §§ 2 et 3;
- par un médecin ou par un praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière, si la demande de révision est introduite après une demande antérieure ou plus de six mois après l'une des décisions susvisées.
La demande de révision est introduite auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit dans les sept jours qui suivent le jour à partir duquel la révision est sollicitée. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
En cas de réadmission d'un bénéficiaire dans l'institution après une absence ne dépassant pas trente jours, la demande visée à l'article 152, § 3 ne doit pas être accompagnée de l'échelle d'évaluation visée au même article, et ne doit pas être suivie d'un nouvel engagement de paiement de la part de l'organisme assureur, pour autant que le bénéficiaire reste classé dans la même catégorie de dépendance qu'avant son départ.) <AR 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Le médecin-conseil peut modifier à tout moment la catégorie de dépendance fixée sur la base des demandes (visées aux alinéas 1er et 3), soit après un examen physique, soit sur la base d'un rapport établi à cet effet après un examen sur place par un auxiliaire paramédical, à tout le moins praticien de l'art infirmier, mandaté par lui en application de l'article 153, alinéa 4, de la loi coordonnée Cette décision doit être motivée et entre en vigueur à la date indiquée par le médecin-conseil dans la notification de cette décision à l'institution où le bénéficiaire est admis, date qui ne peut être antérieure à la date d'envoi de cette notification. Le cachet de la poste fait foi pour la date d'envoi de la notification. <AR 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Le médecin-conseil et l'auxiliaire paramédical, à tout le moins praticien de l'art infirmier, qu'il a mandaté peuvent, pour l'exécution de leur mission, consulter le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 152, § 4. Le médecin-conseil peut également demander au médecin traitant de lui communiquer toute information médicale qu'il juge nécessaire.) <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
[1 S'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie D, chaque fois qu'il serait susceptible de changer de catégorie sur la seule base des critères physiques de l'échelle d'évaluation, l'institution doit transmettre une échelle d'évaluation adaptée à son organisme assureur. La communication de cette information à l'organisme assureur ne porte aucun préjudice au fait que le bénéficiaire reste classé dans la catégorie D lorsqu'il l'est sur base d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, sauf s'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie Cd.]1
§ 3. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1 et 2, si le service ou l'institution, autre qu'un centre de soins de jour, visé) à l'article 34, 11° et 12°, de la loi coordonnée responsable des soins dispensés au bénéficiaire est agréé avec effet rétroactif, (l'organisme assureur peut), pour autant que la demande visée à l'article 152 ait été introduite dans les trente jours suivant la date de la signature de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée, faire débuter la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée, avec effet rétroactif à une date qui ne peut cependant être antérieure à celle de la prise en cours de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention précitée. <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; En vigueur : 30-07-1999> <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, le médecin-conseil peut faire débuter avec effet rétroactif la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée si l'agrément de l'institution est modifié, ou en cas de modification de l'assurabilité du bénéficiaire, ou si l'institution n'a pu introduire sa demande dans les délais prescrits pour des raisons de force majeure, pour autant que l'institution apporte des éléments de preuve suffisants à l'appui de sa demande de dérogation. Ne peuvent être retenus comme raisons de force majeure les problèmes de personnel et d'organisation rencontrés par l'institution lorsque ces problèmes ne découlent pas de circonstances exceptionnelles et imprévisibles.) <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 4. Les médecins-conseils, à la suite de l'exécution de leur mission prévue dans le présent article, font rapport à leur direction médicale en signalant notamment comment ils ont pris leur décision (...), quels sont les scores qui figurent dans les échelles d'évaluation jointes aux demandes d'intervention et, en cas de modification, quels sont les scores sur lesquels se base leur propre décision. De plus, le cas échéant, ils doivent signaler les irrégularités qu'ils ont constatées relativement : <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
- au fait que les soins couverts par l'intervention forfaitaire, notamment ceux prévus dans le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 152, § 4, n'ont pas été effectivement dispensés, ou que la continuité des soins n'est pas suffisamment assurée;
- à la surévaluation des scores dans plusieurs échelles d'évaluation jointes aux demandes d'intervention.) <AR 1997-08-29/41, art. 4, 010; En vigueur : 01-10-1997>
§ 1er. S'il s'agit d'un bénéficiaire admis dans une maison de soins psychiatriques, le médecin-conseil vérifie s'il satisfait aux conditions visées à l'article 149. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen corporel et demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaire.
(Le médecin-conseil notifie sa décision au service responsable des soins dispensés au bénéficiaire ou à l'institution où le bénéficiaire est admis, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande. Il envoie en même temps une copie de cette notification au bénéficiaire et à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit.) <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 1, 037; En vigueur : 30-07-1999>
En cas d'approbation de la demande, le médecin-conseil fixe la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée. Cette période prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande a été introduite dans les (sept jours) suivant le jour de l'admission. Le cas échéant, une prolongation de cette période peut être demandée selon la procédure décrite à l'article 152 par le service ou l'institution responsable des soins dispensés au bénéficiaire. <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 2, 037; En vigueur : 30-07-1999>
§ 2. [2 S'il s'agit d'un bénéficiaire admis ou qui sera admis dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, 12°, de la loi coordonnée, le médecin-conseil vérifie si le bénéficiaire remplit les conditions visées à l'article 148 et, le cas échéant, les conditions visées à l'article 12, § 2, de l'arrêté du Collège réuni de la Commission communautaire commune du 18 janvier 2024 fixant les normes d'agrément auxquelles doivent répondre les établissements pour aînés, et les normes spéciales applicables aux groupements et fusions d'établissements. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen physique, demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaires. La demande visée à l'article 152, § 3, est considérée comme approuvée lorsque l'organisme assureur notifie à l'institution où le bénéficiaire est admis un engagement de paiement ou, s'il n'a pas notifié à cette institution, au plus tard le quinzième jour suivant la réception de la demande, une décision motivée de refus ou une demande de renseignements complémentaires.
L'approbation tacite ou expresse de la demande susvisée prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande est introduite dans les sept jours qui suivent le jour de l'admission, ou le jour de l'introduction de la demande dans le cas contraire. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande]2.
Une demande de révision de la catégorie de dépendance, fixée sur la base de la demande introduite par l'institution, ou de la décision du médecin-conseil visée à l'alinéa 6, ou de la décision prise par une section du Collège national ou par un collège local, visés à l'article 122, §§ 2 et 3, peut être introduite selon la procédure décrite à l'article 152, § 3, lorsque la situation du bénéficiaire évolue de telle sorte qu'une autre catégorie de dépendance pourrait être prise en considération. Si cette demande de révision est introduite en raison d'une aggravation du degré de dépendance, elle doit toujours être fondée sur une indication médicale ou relative à l'art infirmier étayée par un rapport circonstancié, dont le modèle est établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120, à envoyer sous pli fermé à l'intention du médecin-conseil. Ce rapport est signé :
- par un médecin si la demande de révision est introduite dans les six mois qui suivent la décision du médecin-conseil visée à l'alinéa 6, ou une décision de modification prise par une section du Collège national ou un collège local, visés à l'article 122, §§ 2 et 3;
- par un médecin ou par un praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière, si la demande de révision est introduite après une demande antérieure ou plus de six mois après l'une des décisions susvisées.
La demande de révision est introduite auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit dans les sept jours qui suivent le jour à partir duquel la révision est sollicitée. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
En cas de réadmission d'un bénéficiaire dans l'institution après une absence ne dépassant pas trente jours, la demande visée à l'article 152, § 3 ne doit pas être accompagnée de l'échelle d'évaluation visée au même article, et ne doit pas être suivie d'un nouvel engagement de paiement de la part de l'organisme assureur, pour autant que le bénéficiaire reste classé dans la même catégorie de dépendance qu'avant son départ.) <AR 2006-09-28/58, art. 4, 1°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Le médecin-conseil peut modifier à tout moment la catégorie de dépendance fixée sur la base des demandes (visées aux alinéas 1er et 3), soit après un examen physique, soit sur la base d'un rapport établi à cet effet après un examen sur place par un auxiliaire paramédical, à tout le moins praticien de l'art infirmier, mandaté par lui en application de l'article 153, alinéa 4, de la loi coordonnée Cette décision doit être motivée et entre en vigueur à la date indiquée par le médecin-conseil dans la notification de cette décision à l'institution où le bénéficiaire est admis, date qui ne peut être antérieure à la date d'envoi de cette notification. Le cachet de la poste fait foi pour la date d'envoi de la notification. <AR 2006-09-28/58, art. 4, 2°, 134; En vigueur : 01-01-2007>
Le médecin-conseil et l'auxiliaire paramédical, à tout le moins praticien de l'art infirmier, qu'il a mandaté peuvent, pour l'exécution de leur mission, consulter le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 152, § 4. Le médecin-conseil peut également demander au médecin traitant de lui communiquer toute information médicale qu'il juge nécessaire.) <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
[1 S'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie D, chaque fois qu'il serait susceptible de changer de catégorie sur la seule base des critères physiques de l'échelle d'évaluation, l'institution doit transmettre une échelle d'évaluation adaptée à son organisme assureur. La communication de cette information à l'organisme assureur ne porte aucun préjudice au fait que le bénéficiaire reste classé dans la catégorie D lorsqu'il l'est sur base d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie, sauf s'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie Cd.]1
§ 3. (Par dérogation aux dispositions des §§ 1 et 2, si le service ou l'institution, autre qu'un centre de soins de jour, visé) à l'article 34, 11° et 12°, de la loi coordonnée responsable des soins dispensés au bénéficiaire est agréé avec effet rétroactif, (l'organisme assureur peut), pour autant que la demande visée à l'article 152 ait été introduite dans les trente jours suivant la date de la signature de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée, faire débuter la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée, avec effet rétroactif à une date qui ne peut cependant être antérieure à celle de la prise en cours de l'adhésion du service ou de l'institution à la convention précitée. <AR 1999-06-13/63, art. 10, § 5, 037; En vigueur : 30-07-1999> <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(Par dérogation aux dispositions des §§ 1er et 2, le médecin-conseil peut faire débuter avec effet rétroactif la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée si l'agrément de l'institution est modifié, ou en cas de modification de l'assurabilité du bénéficiaire, ou si l'institution n'a pu introduire sa demande dans les délais prescrits pour des raisons de force majeure, pour autant que l'institution apporte des éléments de preuve suffisants à l'appui de sa demande de dérogation. Ne peuvent être retenus comme raisons de force majeure les problèmes de personnel et d'organisation rencontrés par l'institution lorsque ces problèmes ne découlent pas de circonstances exceptionnelles et imprévisibles.) <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
(§ 4. Les médecins-conseils, à la suite de l'exécution de leur mission prévue dans le présent article, font rapport à leur direction médicale en signalant notamment comment ils ont pris leur décision (...), quels sont les scores qui figurent dans les échelles d'évaluation jointes aux demandes d'intervention et, en cas de modification, quels sont les scores sur lesquels se base leur propre décision. De plus, le cas échéant, ils doivent signaler les irrégularités qu'ils ont constatées relativement : <AR 2003-04-04/93, art. 5, 094; En vigueur : 01-07-2003>
- au fait que les soins couverts par l'intervention forfaitaire, notamment ceux prévus dans le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé à l'article 152, § 4, n'ont pas été effectivement dispensés, ou que la continuité des soins n'est pas suffisamment assurée;
- à la surévaluation des scores dans plusieurs échelles d'évaluation jointes aux demandes d'intervention.) <AR 1997-08-29/41, art. 4, 010; En vigueur : 01-10-1997>
Art. 153bis. <INGEVOEGD bij KB 1999-06-13/63, art. 11; Inwerkingtreding : 30-07-1999> § 1. Voor de rechthebbende opgenomen in een centrum voor dagverzorging en die beantwoordt aan de afhankelijkheidscriteria, bedoeld in artikel 148bis, wordt binnen [3 veertien]3 dagen volgend op de datum van opneming, door de instelling die instaat voor de verzorging, de aanvraag tot verkrijgen van een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, bedoeld in artikel 147, § 3, ingediend bij de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende is aangesloten of ingeschreven. De poststempel geldt als bewijs voor de datum van de aanvraag.
De aanvraag dient vergezeld te zijn van een evaluatieschaal die moet worden ingevuld door een verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend [2 arts]2. [1 De aanvraag voor een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier zoals bedoeld in § 5 de datum is vermeld waarop de zoals bedoeld in artikel 148bis, 3°, derde streep, diagnose is gesteld.]1
De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat door het Verzekeringscomité wordt opgemaakt op voorstel van de in artikel 12 bedoelde Overeenkomstencommissie.
De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het Nationaal College, bedoeld in artikel 120.
§ 2. De adviserend [2 arts]2 gaat na of de rechthebbende die is opgenomen in een centrum voor dagverzorging de in artikel 148bis vermelde voorwaarden vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek en de behandelende [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht en kan hij het aanwezigheidsregister van de inrichting, zoals bedoeld in § 4, raadplegen, alsook het in § 5 bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende.
(De in § 1 bedoelde aanvraag wordt geacht te zijn goedgekeurd als de verzekeringsinstelling de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen een betalingsverbintenis betekent of, als ze die inrichting, uiterlijk de vijftiende dag na de ontvangst van de aanvraag, geen kennis heeft gegeven van een gemotiveerde beslissing tot weigering of een verzoek om aanvullende inlichtingen.) <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(Ingeval de in § 1 bedoelde aanvraag stilzwijgend of uitdrukkelijk wordt goedgekeurd,) mag de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend niet langer dan 1 jaar duren. Die periode gaat ten vroegste in de dag van de opneming als de aanvraag binnen [3 veertien]3 dagen na de dag van de opneming is ingediend of de dag van ontvangst van de aanvraag in het tegenovergestelde geval. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in § 1 beschreven procedure. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
De adviserend [2 arts]2 kan te allen tijde (de stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring) van de bovenvermelde aanvraag herroepen. Die beslissing moet worden gemotiveerd en mag geen terugwerkende kracht hebben. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 Indien het gaat om een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D, en telkens als hij enkel op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van categorie zou wijzigen, dient de instelling een aangepaste evaluatieschaal aan de verzekeringsinstelling over te maken. Het meedelen van deze informatie aan de verzekeringsinstelling doet geen afbreuk aan het feit dat de rechthebbende, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, geklasseerd kan blijven in de categorie D.]1
§ 3. (Een patiënt die verblijft in een rust- en verzorgingstehuis of in een instelling, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van de gecoördineerde wet, en die al dan niet een tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging geniet, kan geen aanspraak maken op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 147, § 3, in een centrum voor dagverzorging Evenzeer is het uitgesloten dat een rechthebbende, die is opgenomen in een centrum voor dagverzorging en die een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven verkrijgt, enige andere tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging kan genieten voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12° van de gecoördineerde wet. Daarentegen vormt het verkrijgen van de tegemoetkoming geen beletsel voor de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de kosten van de verstrekkingen bedoeld in (artikel 34, eerste lid, 1°, b) en c), 7°bis en 13° van dezelfde wet), op voorwaarde dat die verstrekkingen plaatshebben buiten de uren tijdens welke de rechthebbende in een centrum voor dagverzorging is opgenomen.) <KB 2002-03-11/44, art. 3, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002> <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De centra voor dagverzorging moeten een aanwezigheidsregister bijhouden waarin voor elke dag waarop het centrum open is, de naam van de opgenomen rechthebbenden, alsook het uur van hun aankomst en vertrek is vermeld. Dit register moet elke dag om 13 uur worden afgesloten wat het aantal rechthebbenden en hun uur van aankomst betreft, en moet worden vervolledigd aan het eind van de dag met het uur van vertrek.
In die aanwezigheidsregisters mogen geen losse bladen, blanco stukken, doorhalingen of verbeteringen voorkomen. Zij moeten op elk ogenblik kunnen worden geraadpleegd, hetzij door de adviserend [2 artsen]2 of door de door hen met toepassing van artikel 153, vierde lid van de gecoördineerde wet, gemandateerde paramedische medewerkers hetzij door de ambtenaren van het R.I.Z.I.V., en moeten in de inrichting worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar na de afsluiting ervan.
§ 5. De centra voor dagverzorging moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden.
Dat individueel verzorgingsdossier moet ten minste de volgende gegevens bevatten :
a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. In geval het gaat om een rechthebbende die wordt verzorgd in het kader van de thuisverpleging, moet dit plan worden opgemaakt na raadpleging van de verpleegkundige die de rechthebbende thuis verzorgt. Dat plan wordt regelmatig geëvalueerd en aangepast op grond van de zorgafhankelijkheid op zijn minst bij elke aanvraag tot verlenging van de periode bedoeld in § 2, derde lid;
b) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming : de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend;
[1 c) als de rechthebbende in de categorie D geklasseerd is : de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie.]1
§ 6. Indien het centrum voor dagverzorging dat instaat voor de verzorging van de rechthebbende, met terugwerkende kracht wordt erkend, (kan de verzekeringsinstelling), voor zover de bedoelde aanvraag in § 1 werd ingediend binnen dertig dagen na de datum waarop de instelling haar toetreding tot de in artikel 47 van de gecoördineerde wet bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van § 2, de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de instelling tot de voormelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
De aanvraag dient vergezeld te zijn van een evaluatieschaal die moet worden ingevuld door een verpleegkundige die de mogelijkheid heeft gehad om de rechthebbende te observeren bij het uitoefenen van de handelingen van het dagelijks leven, of door de behandelend [2 arts]2. [1 De aanvraag voor een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D kan pas ingediend worden op voorwaarde dat in het verzorgingsdossier zoals bedoeld in § 5 de datum is vermeld waarop de zoals bedoeld in artikel 148bis, 3°, derde streep, diagnose is gesteld.]1
De in het eerste lid bedoelde aanvraag wordt ingediend aan de hand van een formulier dat door het Verzekeringscomité wordt opgemaakt op voorstel van de in artikel 12 bedoelde Overeenkomstencommissie.
De in het tweede lid bedoelde evaluatieschaal wordt ingediend aan de hand van een formulier dat is opgesteld door het Verzekeringscomité op voorstel van het Nationaal College, bedoeld in artikel 120.
§ 2. De adviserend [2 arts]2 gaat na of de rechthebbende die is opgenomen in een centrum voor dagverzorging de in artikel 148bis vermelde voorwaarden vervult. Daartoe kan hij de rechthebbende onderwerpen aan een lichamelijk onderzoek en de behandelende [2 arts]2 vragen hem alle medische informatie te verstrekken die hij nodig acht en kan hij het aanwezigheidsregister van de inrichting, zoals bedoeld in § 4, raadplegen, alsook het in § 5 bedoelde individueel verzorgingsdossier van de rechthebbende.
(De in § 1 bedoelde aanvraag wordt geacht te zijn goedgekeurd als de verzekeringsinstelling de inrichting waar de rechthebbende is opgenomen een betalingsverbintenis betekent of, als ze die inrichting, uiterlijk de vijftiende dag na de ontvangst van de aanvraag, geen kennis heeft gegeven van een gemotiveerde beslissing tot weigering of een verzoek om aanvullende inlichtingen.) <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
(Ingeval de in § 1 bedoelde aanvraag stilzwijgend of uitdrukkelijk wordt goedgekeurd,) mag de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend niet langer dan 1 jaar duren. Die periode gaat ten vroegste in de dag van de opneming als de aanvraag binnen [3 veertien]3 dagen na de dag van de opneming is ingediend of de dag van ontvangst van de aanvraag in het tegenovergestelde geval. In voorkomend geval kan een verlenging van die periode worden aangevraagd door de instelling die instaat voor de verzorging van de rechthebbende, volgens de in § 1 beschreven procedure. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
De adviserend [2 arts]2 kan te allen tijde (de stilzwijgende of uitdrukkelijke goedkeuring) van de bovenvermelde aanvraag herroepen. Die beslissing moet worden gemotiveerd en mag geen terugwerkende kracht hebben. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
[1 Indien het gaat om een rechthebbende die is geklasseerd in de categorie D, en telkens als hij enkel op basis van de fysieke criteria in de evaluatieschaal van categorie zou wijzigen, dient de instelling een aangepaste evaluatieschaal aan de verzekeringsinstelling over te maken. Het meedelen van deze informatie aan de verzekeringsinstelling doet geen afbreuk aan het feit dat de rechthebbende, op basis van een gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie, geklasseerd kan blijven in de categorie D.]1
§ 3. (Een patiënt die verblijft in een rust- en verzorgingstehuis of in een instelling, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van de gecoördineerde wet, en die al dan niet een tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging geniet, kan geen aanspraak maken op de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 147, § 3, in een centrum voor dagverzorging Evenzeer is het uitgesloten dat een rechthebbende, die is opgenomen in een centrum voor dagverzorging en die een tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven verkrijgt, enige andere tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging kan genieten voor de verstrekkingen bedoeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12° van de gecoördineerde wet. Daarentegen vormt het verkrijgen van de tegemoetkoming geen beletsel voor de tegemoetkoming van de verzekering voor geneeskundige verzorging in de kosten van de verstrekkingen bedoeld in (artikel 34, eerste lid, 1°, b) en c), 7°bis en 13° van dezelfde wet), op voorwaarde dat die verstrekkingen plaatshebben buiten de uren tijdens welke de rechthebbende in een centrum voor dagverzorging is opgenomen.) <KB 2002-03-11/44, art. 3, 079; Inwerkingtreding : 01-08-2002> <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
§ 4. De centra voor dagverzorging moeten een aanwezigheidsregister bijhouden waarin voor elke dag waarop het centrum open is, de naam van de opgenomen rechthebbenden, alsook het uur van hun aankomst en vertrek is vermeld. Dit register moet elke dag om 13 uur worden afgesloten wat het aantal rechthebbenden en hun uur van aankomst betreft, en moet worden vervolledigd aan het eind van de dag met het uur van vertrek.
In die aanwezigheidsregisters mogen geen losse bladen, blanco stukken, doorhalingen of verbeteringen voorkomen. Zij moeten op elk ogenblik kunnen worden geraadpleegd, hetzij door de adviserend [2 artsen]2 of door de door hen met toepassing van artikel 153, vierde lid van de gecoördineerde wet, gemandateerde paramedische medewerkers hetzij door de ambtenaren van het R.I.Z.I.V., en moeten in de inrichting worden bewaard gedurende een periode van vijf jaar na de afsluiting ervan.
§ 5. De centra voor dagverzorging moeten een verzorgingsdossier per rechthebbende bijhouden.
Dat individueel verzorgingsdossier moet ten minste de volgende gegevens bevatten :
a) het plan inzake verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven, dat wordt opgemaakt door de persoon die in de inrichting verantwoordelijk is voor de verzorging, en die de bijdrage van de verschillende categorieën van personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming, omschrijft. In geval het gaat om een rechthebbende die wordt verzorgd in het kader van de thuisverpleging, moet dit plan worden opgemaakt na raadpleging van de verpleegkundige die de rechthebbende thuis verzorgt. Dat plan wordt regelmatig geëvalueerd en aangepast op grond van de zorgafhankelijkheid op zijn minst bij elke aanvraag tot verlenging van de periode bedoeld in § 2, derde lid;
b) voor de technische handelingen die worden verricht door het verpleegkundig en paramedisch personeel dat voorzien is in de forfaitaire tegemoetkoming : de geneeskundige voorschriften, de aard en de frequentie van de technische handelingen en de identiteit van degene die ze heeft toegediend;
[1 c) als de rechthebbende in de categorie D geklasseerd is : de datum van het gespecialiseerd diagnostisch bilan voor dementie dat werd uitgevoerd door een [2 arts-specialist]2 in de neurologie, in de psychiatrie of in de geriatrie.]1
§ 6. Indien het centrum voor dagverzorging dat instaat voor de verzorging van de rechthebbende, met terugwerkende kracht wordt erkend, (kan de verzekeringsinstelling), voor zover de bedoelde aanvraag in § 1 werd ingediend binnen dertig dagen na de datum waarop de instelling haar toetreding tot de in artikel 47 van de gecoördineerde wet bedoelde overeenkomst ondertekend heeft, afwijkend van de bepalingen van § 2, de periode waarvoor de tegemoetkoming voor verzorging en bijstand in de handelingen van het dagelijks leven wordt toegekend met terugwerkende kracht laten ingaan op een datum die evenwel niet mag voorafgaan aan de datum waarop de toetreding van de instelling tot de voormelde overeenkomst van kracht wordt. <KB 2003-04-04/93, art. 6, 094; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 153bis. § 1er. Pour le bénéficiaire admis dans un centre de soins de jour et qui satisfait aux critères de dépendance visés à l'article 148bis, la demande d'obtention de l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière, visée à l'article 147, § 3, est introduite dans les [2 quatorze]2 jours suivant la date d'admission par l'institution responsable des soins, auprès de l'organisme assureur auquel le bénéficiaire est affilié ou inscrit. Le cachet de la poste fait foi pour la date de la demande.
La demande doit être accompagnée d'une échelle d'évaluation qui doit être complétée par un praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière ou par le médecin traitant. [1 La demande pour un bénéficiaire classé dans la catégorie D ne peut être introduite que si la date du diagnostic visé à l'article 148bis, 3°, troisième tiret, est indiquée dans le dossier de soins visé au § 5.]1
La demande visée à l'alinéa 1er est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition de la Commission de conventions visée à l'article 12.
L'échelle d'évaluation visée à l'alinéa 2 est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120.
§ 2. Le médecin-conseil vérifie si le bénéficiaire admis dans un centre de soins de jour satisfait aux conditions visées à l'article 148bis. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen physique, demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaire, et consulter le registre de présence de l'institution visé au § 4 comme le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé au § 5.
(La demande visée au § 1er est considérée comme approuvée lorsque l'organisme assureur notifie à l'institution où le bénéficiaire est admis un engagement de paiement ou s'il ne lui a pas notifié, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande, une décision motivée de refus de paiement ou une demande de renseignements complémentaires.) <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
En cas d'approbation tacite ou expresse (...) de la demande visée au § 1er, la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée ne peut excéder une durée d'un an. Cette période prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande a été introduite dans les [2 quatorze]2 jours suivant le jour de l'admission, ou le jour de la réception de la demande dans le cas contraire. Le cas échéant, une prolongation de cette période peut être demandée selon la procédure décrite au § 1er par l'institution responsable des soins dispensés au bénéficiaire. <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Le médecin-conseil peut révoquer à tout moment (l' approbation) tacite ou expresse de la demande susvisée. Cette décision doit être motivée et ne peut avoir d'effet rétroactif. <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
[1 S'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie D, chaque fois qu'il serait susceptible de changer de catégorie sur la seule base des critères physiques de l'échelle d'évaluation, l'institution doit transmettre à son organisme assureur une échelle d'évaluation adaptée. La communication de cette information à l'organisme assureur ne porte aucun préjudice au fait que le bénéficiaire peut rester classé dans la catégorie D sur base d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
§ 3. (Un patient qui réside dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, alinéa 1er, 12°, de la loi coordonnée, bénéficiant ou non d'une intervention de l'assurance soins de santé, ne peut prétendre à l'intervention visée à l'article 147, § 3, dans un centre de soins de jour. De même, l'obtention, par un bénéficiaire admis dans un centre de soins de jour, d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière exclut qu'il puisse bénéficier de toute autre intervention de l'assurance soins de santé pour les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la loi coordonnée. En revanche, l'obtention de cette allocation ne fait pas obstacle à l'intervention de l'assurance soins de santé dans le coût des prestations visées à (l'article 34, alinéa 1er, 1°, b) et c), 7°bis et 13° de la même loi), à condition que ces prestations aient lieu en dehors des heures durant lesquelles le bénéficiaire est admis dans un centre de soins de jour.) <AR 2002-03-11/44, art. 3, 079; En vigueur : 01-08-2002> <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les centres de soins de jour doivent tenir un registre de présence comportant, pour chaque jour d'ouverture, le nom des bénéficiaires admis, l'heure de leur entrée et celle de leur sortie. Ce registre doit être clôturé chaque jour à 13 heures en ce qui concerne le nombre de bénéficiaires admis et l'heure de leur entrée, et complété en fin de journée pour l'heure de leur sortie.
Ces registres de présence ne peuvent comporter de feuilles volantes ni des passages en blanc, des ratures ou des surcharges. Ils doivent pouvoir être consultés à tout moment, soit par les médecins-conseils ou par les auxiliaires paramédicaux délégués par eux en application de l'article 153, alinéa 4, de la loi coordonnée, soit par les fonctionnaires de l'Institut national d'Assurance maladie-invalidité, et doivent être conservés dans l'institution pendant une période de cinq ans après leur clôture.
§ 5. Les centres de soins de jour doivent tenir un dossier de soins par bénéficiaire.
Ce dossier de soins individuel doit comporter au moins les données suivantes :
a) le plan de soins et d'assistance dans les actes de la vie journalière, établi par la personne responsable des soins dans l'institution, qui précise la contribution des différentes catégories de personnel prévu pour l'intervention forfaitaire. S'il s'agit d'un bénéficiaire pris en charge dans le cadre des soins à domicile, ce plan doit être établi après consultation du praticien de l'art infirmier qui dispense ses soins au domicile du bénéficiaire. Ce plan est évalué et adapté régulièrement, et à tout le moins lors de chaque demande de prolongation de la période visée au § 2, alinéa 3, en fonction de l'évolution du degré de dépendance du bénéficiaire par rapport aux soins;
b) pour les actes techniques effectués par le personnel infirmier et paramédical prévu pour l'intervention forfaitaire : les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques, et l'identité de la personne qui les a dispensés;
[1 c) si le bénéficiaire est classé dans la catégorie D : la date du bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
§ 6. Par dérogation aux dispositions du § 2, si le centre de soins de jour responsable des soins dispensés au bénéficiaire est agréé avec effet rétroactif, (l'organisme assureur peut), pour autant que la demande visée au § 1er ait été introduite dans les trente jours suivant la date de la signature de l'adhésion de l'institution à la convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée, faire débuter la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée, avec effet rétroactif à une date qui ne peut cependant être antérieure à celle de la prise en cours de l'adhésion de l'institution à la convention précitée. <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
La demande doit être accompagnée d'une échelle d'évaluation qui doit être complétée par un praticien de l'art infirmier qui a eu la possibilité d'observer le bénéficiaire dans l'exécution des actes de la vie journalière ou par le médecin traitant. [1 La demande pour un bénéficiaire classé dans la catégorie D ne peut être introduite que si la date du diagnostic visé à l'article 148bis, 3°, troisième tiret, est indiquée dans le dossier de soins visé au § 5.]1
La demande visée à l'alinéa 1er est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition de la Commission de conventions visée à l'article 12.
L'échelle d'évaluation visée à l'alinéa 2 est introduite au moyen d'un formulaire établi par le Comité de l'assurance sur proposition du Collège national visé à l'article 120.
§ 2. Le médecin-conseil vérifie si le bénéficiaire admis dans un centre de soins de jour satisfait aux conditions visées à l'article 148bis. A cette fin, il peut soumettre le bénéficiaire à un examen physique, demander au médecin traitant de lui fournir tous les renseignements médicaux qu'il juge nécessaire, et consulter le registre de présence de l'institution visé au § 4 comme le dossier de soins individuel du bénéficiaire visé au § 5.
(La demande visée au § 1er est considérée comme approuvée lorsque l'organisme assureur notifie à l'institution où le bénéficiaire est admis un engagement de paiement ou s'il ne lui a pas notifié, au plus tard le quinzième jour de la réception de la demande, une décision motivée de refus de paiement ou une demande de renseignements complémentaires.) <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
En cas d'approbation tacite ou expresse (...) de la demande visée au § 1er, la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée ne peut excéder une durée d'un an. Cette période prend cours au plus tôt le jour de l'admission si la demande a été introduite dans les [2 quatorze]2 jours suivant le jour de l'admission, ou le jour de la réception de la demande dans le cas contraire. Le cas échéant, une prolongation de cette période peut être demandée selon la procédure décrite au § 1er par l'institution responsable des soins dispensés au bénéficiaire. <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Le médecin-conseil peut révoquer à tout moment (l' approbation) tacite ou expresse de la demande susvisée. Cette décision doit être motivée et ne peut avoir d'effet rétroactif. <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
[1 S'il s'agit d'un bénéficiaire classé dans la catégorie D, chaque fois qu'il serait susceptible de changer de catégorie sur la seule base des critères physiques de l'échelle d'évaluation, l'institution doit transmettre à son organisme assureur une échelle d'évaluation adaptée. La communication de cette information à l'organisme assureur ne porte aucun préjudice au fait que le bénéficiaire peut rester classé dans la catégorie D sur base d'un bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
§ 3. (Un patient qui réside dans une maison de repos et de soins ou dans une institution visée à l'article 34, alinéa 1er, 12°, de la loi coordonnée, bénéficiant ou non d'une intervention de l'assurance soins de santé, ne peut prétendre à l'intervention visée à l'article 147, § 3, dans un centre de soins de jour. De même, l'obtention, par un bénéficiaire admis dans un centre de soins de jour, d'une allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière exclut qu'il puisse bénéficier de toute autre intervention de l'assurance soins de santé pour les prestations visées à l'article 34, alinéa 1er, 11° et 12°, de la loi coordonnée. En revanche, l'obtention de cette allocation ne fait pas obstacle à l'intervention de l'assurance soins de santé dans le coût des prestations visées à (l'article 34, alinéa 1er, 1°, b) et c), 7°bis et 13° de la même loi), à condition que ces prestations aient lieu en dehors des heures durant lesquelles le bénéficiaire est admis dans un centre de soins de jour.) <AR 2002-03-11/44, art. 3, 079; En vigueur : 01-08-2002> <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
§ 4. Les centres de soins de jour doivent tenir un registre de présence comportant, pour chaque jour d'ouverture, le nom des bénéficiaires admis, l'heure de leur entrée et celle de leur sortie. Ce registre doit être clôturé chaque jour à 13 heures en ce qui concerne le nombre de bénéficiaires admis et l'heure de leur entrée, et complété en fin de journée pour l'heure de leur sortie.
Ces registres de présence ne peuvent comporter de feuilles volantes ni des passages en blanc, des ratures ou des surcharges. Ils doivent pouvoir être consultés à tout moment, soit par les médecins-conseils ou par les auxiliaires paramédicaux délégués par eux en application de l'article 153, alinéa 4, de la loi coordonnée, soit par les fonctionnaires de l'Institut national d'Assurance maladie-invalidité, et doivent être conservés dans l'institution pendant une période de cinq ans après leur clôture.
§ 5. Les centres de soins de jour doivent tenir un dossier de soins par bénéficiaire.
Ce dossier de soins individuel doit comporter au moins les données suivantes :
a) le plan de soins et d'assistance dans les actes de la vie journalière, établi par la personne responsable des soins dans l'institution, qui précise la contribution des différentes catégories de personnel prévu pour l'intervention forfaitaire. S'il s'agit d'un bénéficiaire pris en charge dans le cadre des soins à domicile, ce plan doit être établi après consultation du praticien de l'art infirmier qui dispense ses soins au domicile du bénéficiaire. Ce plan est évalué et adapté régulièrement, et à tout le moins lors de chaque demande de prolongation de la période visée au § 2, alinéa 3, en fonction de l'évolution du degré de dépendance du bénéficiaire par rapport aux soins;
b) pour les actes techniques effectués par le personnel infirmier et paramédical prévu pour l'intervention forfaitaire : les prescriptions médicales, la nature et la fréquence des actes techniques, et l'identité de la personne qui les a dispensés;
[1 c) si le bénéficiaire est classé dans la catégorie D : la date du bilan diagnostique spécialisé de la démence effectué par un médecin spécialiste en neurologie, en gériatrie ou en psychiatrie.]1
§ 6. Par dérogation aux dispositions du § 2, si le centre de soins de jour responsable des soins dispensés au bénéficiaire est agréé avec effet rétroactif, (l'organisme assureur peut), pour autant que la demande visée au § 1er ait été introduite dans les trente jours suivant la date de la signature de l'adhésion de l'institution à la convention visée à l'article 47 de la loi coordonnée, faire débuter la période pour laquelle l'allocation pour soins et assistance dans les actes de la vie journalière est accordée, avec effet rétroactif à une date qui ne peut cependant être antérieure à celle de la prise en cours de l'adhésion de l'institution à la convention précitée. <AR 2003-04-04/93, art. 6, 094; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 153ter_VLAAMS_GEWEST. [1 Artikel 147 tot en met 153bis gelden niet voor woonzorgcentra bedoeld in artikel 37 van het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, dagverzorgingscentra bedoeld in artikel 25 van het voormelde decreet, centra voor kortverblijf bedoeld in artikel 30 van het voormelde decreet en psychiatrische verzorgingstehuizen bedoeld in artikel 2, 12°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging.]1
Modifications
Art. 153ter _REGION_FLAMANDE. [1 Les articles 147 à 153bis ne s'appliquent pas aux centres de soins résidentiels visés à l'article 37 du décret du 13 mars 2009 sur les soins et le logement, aux centres de soins de jour, visés à l'article 25 du décret précité, aux centres de court séjour visés à l'article 30 du décret précité et aux maisons de soins psychiatriques visées à l'article 2, 12°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs.]1
Modifications
Afdeling IX. - Bijzondere regels met betrekking tot de verzekeringstegemoetkoming voor verstrekkingen van klinische biologie aan in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.
Section IX. - Règles particulières relatives à l'intervention de l'assurance dans les prestations de biologie clinique, effectuées pour les bénéficiaires hospitalisés.
Art.154. De verstrekkingen van klinische biologie, bedoeld in de artikelen 3, 18, § 2, e) en 24 van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen met uitzondering van de verstrekkingen nrs. 591091-591102, 591113-591124, 591135-591146 (...), worden voor drie vierde vergoed op basis van een forfaitair honorarium, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van titel III, hoofdstuk V, afdeling VII en XI van de gecoördineerde wet. De forfaitaire honoraria komen in de plaats van 75 pct. van de honoraria zoals die voor de betreffende verstrekkingen zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 50 van de gecoördineerde wet. <KB 2000-03-21/39, art. 1, 049; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
Art.154. Les prestations de biologie clinique visées aux articles 3, 18, § 2, e) et 24 de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, à l'exception des prestation n° 591091-591102, 591113-591124, 591135-591146 (...), sont pour les trois-quarts remboursées sur base d'un honoraire forfaitaire établi conformément aux dispositions du titre III, chapitre V, sections VII et XI de la loi coordonnée. Les honoraires forfaitaires se substituent à 75 p.c. des honoraires tels qu'ils ont été fixés pour les prestations concernées conformément aux dispositions de l'article 50 de la loi coordonnée. <AR 2000-03-21/39, art. 1, 049; En vigueur : 01-05-2000>
Afdeling X. - Bijzondere regels met betrekking tot de verzekeringstegemoetkoming voor verstrekkingen van klinische biologie aan niet in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden.
Section X. - Règles particulières relatives à l'intervention de l'assurance dans les prestations de biologie clinique, effectuées pour les bénéficiaires non hospitalisés.
Art.155. Behalve de verstrekkingen die als uitzondering worden vermeld in het koninklijk besluit van 31 januari 1977 tot bepaling van de verstrekkingen van klinische biologie bedoeld in artikel 63 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wanneer die verstrekkingen worden uitgevoerd in een laboratorium dat niet is erkend krachtens het koninklijk besluit van 29 mei 1989 betreffende erkenning van laboratoria inzake klinische biologie door de Minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft, worden de verstrekkingen inzake klinische biologie, bedoeld in de artikelen 3, § 1, A, II, B en C, I, 18, § 2, B, e) en 24, § 1, van de bijlage bij het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, voor (75) pct. vergoed op basis van forfaitaire honoraria, vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 60, § 2, van de gecoördineerde wet. De forfaitaire honoraria komen in de plaats van (75) pct. van de honoraria zoals die voor de betreffende verstrekkingen zijn vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 50 van de gecoördineerde wet. <KB 2000-03-21/39, art. 2, 049; Inwerkingtreding : 01-05-2000>
Art.155. Hormis les prestations énumérées comme exceptions dans l'arrêté royal du 31 janvier 1977 déterminant les prestations de biologie clinique visées à l'article 63 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, au cas où ces prestations sont effectuées dans un laboratoire qui n'est pas agréé en vertu de l'arrêté royal du 29 mai 1989 relatif à l'agrément des laboratoires de biologie clinique par le Ministre qui a la santé publique dans ses attributions, les prestations de biologie clinique visées aux articles 3, § 1er, A, II, B et C, I, 18, § 2, B e) et 24, § 1er, de l'annexe à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités sont pour (75) p.c. remboursés sur base des honoraires forfaitaires établis conformément aux dispositions de l'article 60, § 2, de la loi coordonnée. Les honoraires forfaitaires se substituent à (75) p.c. des honoraires tels qu'ils ont été fixés pour les prestations concernées conformément aux dispositions de l'article 50 de la loi coordonnée. <AR 2000-03-21/39, art. 2, 049; En vigueur : 01-05-2000>
HOOFDSTUK IV. - Inschrijving van de paramedische medewerkers.
CHAPITRE IV. - De l'inscription des auxiliaires paramédicaux.
Afdeling I. - (Inschrijving van de verpleegkundigen).
Section I. - (De l'inscription des praticiens de l'art infirmier.)
Art.156. (De houders van een diploma van verpleegkundige, verzorgster of ziekenoppasster moeten de Dienst voor geneeskundige verzorging van het R.I.Z.I.V. om hun inschrijving verzoeken op de in artikel 127, § 1, b, van de gecoördineerde wet bedoelde lijst.) <KB 2001-04-19/50, art. 6; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
Zij voegen bij hun aanvraag het met het origineel eensluidend gewaarmerkt afschrift van hun diploma.
Zij voegen bij hun aanvraag het met het origineel eensluidend gewaarmerkt afschrift van hun diploma.
Art.156. (Les personnes porteuses d'un diplôme de praticien de l'art infirmier, de soigneuse ou de garde-malade, doivent demander leur inscription au Service des soins de santé de l'INAMI sur la liste prévue à l'article 127, § 1er, b, de la loi coordonnée.) <AR 2001-04-19/50, art. 6, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Elles joignent à leur demande la copie, certifiée conforme à l'original, de leur diplôme.
Elles joignent à leur demande la copie, certifiée conforme à l'original, de leur diplôme.
Art.157. De houders van een der in artikel 156 genoemde diploma's die op 31 december 1963 erkend zijn bij toepassing van de bepalingen van het organiek koninklijk besluit van 22 september 1955 van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, zijn vrijgesteld van de in artikel 156 voorgeschreven formaliteit.
Art.157. Les personnes porteuses d'un des diplômes cités à l'article 156, qui au 31 décembre 1963, sont agréées en application des dispositions de l'arrêté royal du 22 septembre 1955 organique de l'assurance maladie-invalidité, sont dispensées de la formalité prescrite à l'article 156.
Art.158. <KB 2001-04-19/50, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000> De Dienst voor geneeskundige verzorging legt de lijst aan van de verpleegkundigen die hij inschrijft onder de in de artikelen 156 en 157 bepaalde voorwaarden.
Art.158. <AR 2001-04-19/50, art. 7, 059; En vigueur : 10-01-2000> Le Service des soins de santé établit la liste des praticiens de l'art infirmier, qu'il inscrit sous les conditions visées aux articles 156 et 157.
Afdeling II. - (Mededeling van de lijsten van de kinesitherapeuten, de verpleegkundigen en de paramedische medewerkers aan de verzekeringsinstellingen.)
Section II. - (De la communication des listes des kinésithérapeutes, des praticiens de l'art infirmier et des auxiliaires paramédicaux aux organismes assureurs.)
Art.159. (De Dienst voor geneeskundige verzorging deelt onverwijld de lijst van de verpleegkundigen alsmede de lijsten bedoel in artikel 215, § 2, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, mee, aan de Verzekeringsinstellingen.) <KB 2001-04-19/50, art. 9, 059; Inwerkingtreding : 10-01-2000>
Die lijsten bevatten de nieuwe inschrijvingen en al de wijzigingen in de vorige lijsten.
Die lijsten bevatten de nieuwe inschrijvingen en al de wijzigingen in de vorige lijsten.
Art.159. (Le Service des soins de santé communique, sans délai, aux organismes assureurs la liste des praticiens de l'art infirmier ainsi que les listes visées à l'article 215, § 2, de la loi coordonnée le 14 juillet 1994 instituant et organisant un régime obligatoire d'assurance soins de santé et indemnités.) <AR 2001-04-19/50, art. 9, 059; En vigueur : 10-01-2000>
Ces listes font mention des nouvelles inscriptions et de toutes modifications aux listes précédentes.
Ces listes font mention des nouvelles inscriptions et de toutes modifications aux listes précédentes.
HOOFDSTUK IVbis. - Betalingsverplichting bij gebruik van de sociale identiteitskaart.
CHAPITRE IVBIS. - Obligation de paiement lors de l'usage de la carte d'identité sociale.
HOOFDSTUK V. - Openbaarmaking van de verzekeringsreglementering, van de lijsten van erkende personen en van personen en van verplegingsinrichtingen die tot een overeenkomst of tot een akkoord zijn toegetreden.
CHAPITRE V. - De la publicité de la réglementation de l'assurance, des listes des personnes agréées et des personnes et établissements hospitaliers ayant adhéré à une convention ou à un accord.
Art.160. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden:
1° in hun plaatselijke, gewestelijke en landelijke zetel ter beschikking van de rechthebbende te houden:
a) een bijgewerkt exemplaar van de gecoördineerde wet, van de uitvoeringsbesluiten en -verordeningen van die gecoördineerde wet en van de omzendbrieven die uitgaan van het Instituut;
b) een volledig en bijgewerkt exemplaar van de in artikel 22, 7°, van de gecoördineerde wet bedoelde lijst;
c) een volledig en bijgewerkt exemplaar van de lijst van personen en van verplegingsinrichtingen die tot een overeenkomst zijn toegetreden, benevens een lijst van de [1 artsen]1 en tandheelkundigen die geacht worden tot het akkoord dat hen betreft te zijn toegetreden.
Vorenbedoelde documentatie moet ter beschikking staan tijdens de uren dat de lokalen open zijn derwijze dat ze gemakkelijk kan geraadpleegd worden; dat ze voorhanden is, moet in de lokalen welke voor het publiek toegankelijk zijn worden medegedeeld met een goed leesbaar bericht dat op een in het oog vallende plaats is uitgehangen;
2° aan de (in artikel 32) van de gecoördineerde wet bedoelde rechthebbenden, behoudens aan de onder (17°) van artikel 32, eerste lid, bedoelde, ten minste eens per jaar een uittreksel uit de onder 1°, c) hiervoren vermelde lijsten te bezorgen. In dat uittreksel moet ten minste voorkomen, eensdeels de naam van de personen die een activiteitscentrum hebben in de gemeente van het domicilie van de rechthebbende of in de aangrenzende gemeenten en anderdeels de benaming van de verplegingsinrichtingen die gelegen zijn in het administratieve arrondissement van de gemeente van de rechthebbende. <KB 1997-12-29/30, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 16, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Dat uittreksel moet binnen twee maanden na de mededeling van de lijsten door de Dienst voor geneeskundige verzorging aan de verzekeringsinstellingen, medegedeeld worden hetzij door individuele afgifte of toezending, hetzij door publikatie in een ziekenfondstijdschrift dat vorengenoemde rechthebbenden wordt toegezonden.
In beide gevallen bevat de mededeling de aanbeveling om bedoeld uittreksel zorgvuldig te bewaren, alsmede de vermelding dat de volledige lijsten voor het ganse land in de lokalen van de verzekeringsinstelling kunnen geraadpleegd worden.
Elke in artikel 311 bedoelde beslissing betreffende een van de personen of inrichtingen die op het aan de rechthebbende gezonden uittreksel voorkomen, wordt deze medegedeeld binnen vijftien dagen nadat de inlichting door de (Dienst voor geneeskundige controle) is medegedeeld. <KB 1997-08-08/90, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 21-10-1997>
1° in hun plaatselijke, gewestelijke en landelijke zetel ter beschikking van de rechthebbende te houden:
a) een bijgewerkt exemplaar van de gecoördineerde wet, van de uitvoeringsbesluiten en -verordeningen van die gecoördineerde wet en van de omzendbrieven die uitgaan van het Instituut;
b) een volledig en bijgewerkt exemplaar van de in artikel 22, 7°, van de gecoördineerde wet bedoelde lijst;
c) een volledig en bijgewerkt exemplaar van de lijst van personen en van verplegingsinrichtingen die tot een overeenkomst zijn toegetreden, benevens een lijst van de [1 artsen]1 en tandheelkundigen die geacht worden tot het akkoord dat hen betreft te zijn toegetreden.
Vorenbedoelde documentatie moet ter beschikking staan tijdens de uren dat de lokalen open zijn derwijze dat ze gemakkelijk kan geraadpleegd worden; dat ze voorhanden is, moet in de lokalen welke voor het publiek toegankelijk zijn worden medegedeeld met een goed leesbaar bericht dat op een in het oog vallende plaats is uitgehangen;
2° aan de (in artikel 32) van de gecoördineerde wet bedoelde rechthebbenden, behoudens aan de onder (17°) van artikel 32, eerste lid, bedoelde, ten minste eens per jaar een uittreksel uit de onder 1°, c) hiervoren vermelde lijsten te bezorgen. In dat uittreksel moet ten minste voorkomen, eensdeels de naam van de personen die een activiteitscentrum hebben in de gemeente van het domicilie van de rechthebbende of in de aangrenzende gemeenten en anderdeels de benaming van de verplegingsinrichtingen die gelegen zijn in het administratieve arrondissement van de gemeente van de rechthebbende. <KB 1997-12-29/30, art. 23, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 16, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Dat uittreksel moet binnen twee maanden na de mededeling van de lijsten door de Dienst voor geneeskundige verzorging aan de verzekeringsinstellingen, medegedeeld worden hetzij door individuele afgifte of toezending, hetzij door publikatie in een ziekenfondstijdschrift dat vorengenoemde rechthebbenden wordt toegezonden.
In beide gevallen bevat de mededeling de aanbeveling om bedoeld uittreksel zorgvuldig te bewaren, alsmede de vermelding dat de volledige lijsten voor het ganse land in de lokalen van de verzekeringsinstelling kunnen geraadpleegd worden.
Elke in artikel 311 bedoelde beslissing betreffende een van de personen of inrichtingen die op het aan de rechthebbende gezonden uittreksel voorkomen, wordt deze medegedeeld binnen vijftien dagen nadat de inlichting door de (Dienst voor geneeskundige controle) is medegedeeld. <KB 1997-08-08/90, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 21-10-1997>
Modifications
Art.160. Les organismes assureurs sont tenus:
1° de tenir à la disposition des bénéficiaires dans leurs sièges locaux, régionaux et nationaux:
a) un exemplaire tenu à jour de la loi coordonnée, des arrêtés et règlements d'exécution de la loi coordonnée et des circulaires émanant de l'Institut;
b) un exemplaire complet et tenu à jour de la liste visée à l'article 22, 7°, de la loi coordonnée;
c) un exemplaire complet et tenu à jour de la liste des personnes et des établissements hospitaliers ayant adhéré à une convention ainsi que des médecins et praticiens de l'art de guérir qui sont réputés avoir adhéré à l'accord que les concerne.
La documentation visée ci-dessus doit être disponible pendant les heures d'ouverture des locaux de manière telle qu'elle puisse être consultée facilement et sa présence doit être signalée dans les locaux accessibles au public par un avis très lisible apposé à un endroit apparent;
2° de faire parvenir, au moins une fois par an, aux bénéficiaires visés (à l'article 32) de la loi coordonnée, sauf ceux visés au (17°) de l'article 32, alinéa 1er, un extrait de la liste visée au 1°, c) ci-dessus. Cet extrait doit au moins comporter d'une part, le nom des personnes qui ont un centre d'activité dans la commune du domicile du bénéficiaire ou dans les communes limitrophes, et d'autre part, la dénomination des établissement hospitaliers situés dans l'arrondissement administratif de la commune du bénéficiaire. <AR 1997-12-29/30, art. 23, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 16, 151; En vigueur : 01-01-2008>
La communication de cet extrait doit se faire dans les deux mois qui suivent la communication des listes par le Service des soins de santé aux organismes assureurs, soit par une remise ou un envoi individuels, soit par publication dans un périodique mutualiste adressé aux bénéficiaires précités.
Dans les deux cas, la communication comporte la recommandation de conserver soigneusement l'extrait en cause et l'indication de la possibilité de consulter les listes complètes pour tout le pays dans les locaux de l'organisme assureur.
Toute décision visée à l'article 311, concernant une des personnes ou établissements repris sur l'extrait adressé au bénéficiaire, lui est communiquée dans les quinze jours à dater de la réception de l'information par le (Service du contrôle médicale). <AR 1997-08-08/90, art. 2, 011; En vigueur : 21-10-1997>
1° de tenir à la disposition des bénéficiaires dans leurs sièges locaux, régionaux et nationaux:
a) un exemplaire tenu à jour de la loi coordonnée, des arrêtés et règlements d'exécution de la loi coordonnée et des circulaires émanant de l'Institut;
b) un exemplaire complet et tenu à jour de la liste visée à l'article 22, 7°, de la loi coordonnée;
c) un exemplaire complet et tenu à jour de la liste des personnes et des établissements hospitaliers ayant adhéré à une convention ainsi que des médecins et praticiens de l'art de guérir qui sont réputés avoir adhéré à l'accord que les concerne.
La documentation visée ci-dessus doit être disponible pendant les heures d'ouverture des locaux de manière telle qu'elle puisse être consultée facilement et sa présence doit être signalée dans les locaux accessibles au public par un avis très lisible apposé à un endroit apparent;
2° de faire parvenir, au moins une fois par an, aux bénéficiaires visés (à l'article 32) de la loi coordonnée, sauf ceux visés au (17°) de l'article 32, alinéa 1er, un extrait de la liste visée au 1°, c) ci-dessus. Cet extrait doit au moins comporter d'une part, le nom des personnes qui ont un centre d'activité dans la commune du domicile du bénéficiaire ou dans les communes limitrophes, et d'autre part, la dénomination des établissement hospitaliers situés dans l'arrondissement administratif de la commune du bénéficiaire. <AR 1997-12-29/30, art. 23, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 16, 151; En vigueur : 01-01-2008>
La communication de cet extrait doit se faire dans les deux mois qui suivent la communication des listes par le Service des soins de santé aux organismes assureurs, soit par une remise ou un envoi individuels, soit par publication dans un périodique mutualiste adressé aux bénéficiaires précités.
Dans les deux cas, la communication comporte la recommandation de conserver soigneusement l'extrait en cause et l'indication de la possibilité de consulter les listes complètes pour tout le pays dans les locaux de l'organisme assureur.
Toute décision visée à l'article 311, concernant une des personnes ou établissements repris sur l'extrait adressé au bénéficiaire, lui est communiquée dans les quinze jours à dater de la réception de l'information par le (Service du contrôle médicale). <AR 1997-08-08/90, art. 2, 011; En vigueur : 21-10-1997>
HOOFDSTUK VI. - (Kennisgevingen en vermeldingen in toepassing van het handvest van de sociaal verzekerde).
CHAPITRE VI. - (Notifications et mentions en exécution de la charte de l'assuré social.)
Art. 160bis. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 160ter is de kennisgeving, bedoeld in artikel 7 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde, niet vereist voor de beslissingen tot toekenning van tegemoetkomingen inzake geneeskundige verzorging. Deze beslissingen worden eveneens vrijgesteld van de verplichtingen van artikel 14.
(Van de betaling van de tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging aan de loketten van de verzekeringsinstellingen wordt een kwijtschrift afgeleverd dat de vermeldingen bevat vastgesteld door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle.
Van de betaling van de tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging die via bank- of postrekening worden gedaan wordt eenmaal per kwartaal een kwijtschrift aan de rechthebbende toegezonden per gewone brief dat de vermeldingen bevat vastgesteld door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle.) <KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 23-12-1997>
(Van de betaling van de tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging aan de loketten van de verzekeringsinstellingen wordt een kwijtschrift afgeleverd dat de vermeldingen bevat vastgesteld door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle.
Van de betaling van de tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging die via bank- of postrekening worden gedaan wordt eenmaal per kwartaal een kwijtschrift aan de rechthebbende toegezonden per gewone brief dat de vermeldingen bevat vastgesteld door de Minister die de Sociale Zaken onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het Comité van de Dienst voor administratieve controle.) <KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 23-12-1997>
Art. 160bis. Sous réserve des dispositions de l'article 160ter, la notification, visée à l'article 7 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la " charte " de l'assuré social, n'est pas requise pour les décisions d'octroi d'interventions en matière de soins de santé. Ces décisions sont également exemptées des obligations prévues à l'article 14.
Pour le paiement des interventions en matière de soins de santé aux guichets des organismes assureurs, une quittance est délivrée, qui contient les mentions fixées par le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, après avis du Comité du Service du Contrôle administratif.
Pour le paiement des interventions en matière de soins de santé, effectué par compte bancaire ou compte chèque postal, une quittance est envoyée une fois par trimestre aux bénéficiaires, par lettre ordinaire, qui contient les mentions fixées par le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, après avis du Comité du Service du Contrôle administratif.
Pour le paiement des interventions en matière de soins de santé aux guichets des organismes assureurs, une quittance est délivrée, qui contient les mentions fixées par le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, après avis du Comité du Service du Contrôle administratif.
Pour le paiement des interventions en matière de soins de santé, effectué par compte bancaire ou compte chèque postal, une quittance est envoyée une fois par trimestre aux bénéficiaires, par lettre ordinaire, qui contient les mentions fixées par le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions, après avis du Comité du Service du Contrôle administratif.
Art. 160ter. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De beslissingen tot toekenning van tegemoetkomingen inzake geneeskundige verzorging genomen door het College van [1 artsen-directeurs]1, door de Technische tandheelkundige raad of door het Nationaal College van adviserend [1 artsen]1 worden door de verzekeringsinstelling ter kennis gebracht van de betrokkene per gewone brief. Deze beslissingen worden gemotiveerd en bevatten de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995.
Modifications
Art. 160ter. Les décisions d'octroi d'interventions en matière de soins de santé, prises par le Collège des Médecins-directeurs, par le Conseil technique dentaire ou par le Collège national des Médecins-conseils, sont notifiées par l'organisme assureur à l'intéressé par lettre ordinaire. Ces décisions sont motivées et contiennent les mentions visées à l'article 14, 5° et 6°, de la loi précitée du 11 avril 1995.
Art 160quater. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Voor de beslissing aangaande de opening van het recht op tegemoetkomingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging of de verlenging van dit recht, zoals bedoeld in de artikelen 122 en 123 van de gecoördineerde wet is de kennisgeving bedoeld in artikel 7 van de wet van 11 april 1995 niet vereist. De beslissing wordt aan de rechthebbende meegedeeld door het toezenden per gewone brief van de verzekeringskaart bedoeld in artikel 253 samen met uitleg over de vermeldingen die op de kaart voorkomen. De mededeling bevat eveneens de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995.
Art. 160quater. La notification, visée à l'article 7 de la loi du 11 avril 1995 n'est pas exigée pour la décision relative à l'ouverture du droit aux interventions de l'assurance soins de santé ou à la prolongation de ce droit, dont il est question aux articles 122 et 123 de la loi coordonnée. La décision est communiquée au bénéficiaire par l'envoi, par lettre ordinaire, de la carte d'assurance visée à l'article 253, conjointement avec des explications à propos des mentions qui figurent sur la carte. La communication contient également les mentions visées à l'article 14, 5° et 6°, de la loi précitée du 11 avril 1995.
Art. 160quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De beslissingen tot weigering of gedeeltelijke weigering van een tegemoetkoming inzake geneeskundige verzorging, gesteund op een door de gecoördineerde wet of haar uitvoeringsbesluiten uitdrukkelijk vereiste medische beoordeling, ingevolge een schriftelijke aanvraag ondertekend door de rechthebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, worden aan de betrokkene ter kennis gebracht bij een gewone brief die de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995.
Van de andere beslissingen tot weigering van een tegemoetkoming inzake geneeskundige verzorging, ingevolge een schriftelijke aanvraag ondertekend door de rechthebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, moet geen kennis worden gegeven zoals bedoeld bij artikel 7 van de voormelde wet van 11 april 1995. Ze worden evenwel aan de betrokkene meegedeeld bij gewone brief die de mogelijkheid vermeldt dat de betrokkene een herziening kan vragen binnen de termijn van twee jaar, overeenkomstig artikel 174 van de gecoördineerde wet, evenals de mogelijkheid om binnen dezelfde termijn beroep in te stellen bij het bevoegde rechtscollege in geval van onenigheid met zijn ziekenfonds. Daarnaast worden in de beslissing eveneens de vermeldingen van artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995 opgenomen.
Van de andere beslissingen tot weigering van een tegemoetkoming inzake geneeskundige verzorging, ingevolge een schriftelijke aanvraag ondertekend door de rechthebbende of zijn wettelijke vertegenwoordiger, moet geen kennis worden gegeven zoals bedoeld bij artikel 7 van de voormelde wet van 11 april 1995. Ze worden evenwel aan de betrokkene meegedeeld bij gewone brief die de mogelijkheid vermeldt dat de betrokkene een herziening kan vragen binnen de termijn van twee jaar, overeenkomstig artikel 174 van de gecoördineerde wet, evenals de mogelijkheid om binnen dezelfde termijn beroep in te stellen bij het bevoegde rechtscollege in geval van onenigheid met zijn ziekenfonds. Daarnaast worden in de beslissing eveneens de vermeldingen van artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995 opgenomen.
Art. 160quinquies. Les décisions de refus ou de refus partiel d'une intervention en matière de soins de santé, basées sur une appréciation médicale requise explicitement par la loi coordonnée ou par ses arrêtés d'exécution, à la suite d'une demande écrite, signée par le bénéficiaire ou son représentant légal, sont notifiées à l'intéressé par lettre ordinaire qui contient les mentions dont question à l'article 14 de la loi précitée du 11 avril 1995.
Il ne faut pas notifier les autres décisions de refus d'une intervention en matière de soins de santé, à la suite d'une demande écrite, signée par le bénéficiaire ou son représentant légal, tel qu'il est prévu à l'article 7 de la loi précitée du 11 avril 1995. Ces décisions sont cependant communiquées à l'intéressé par lettre ordinaire, qui mentionne la faculté pour l'intéressé de demander une révision dans le délai de deux ans, conformément à l'article 174 de la loi coordonnée, ainsi que la faculté d'intenter un recours devant la juridiction compétente dans le même délai en cas de désaccord avec sa mutualité. En outre, les décisions reprennent également les mentions de l'article 14, 5° et 6°, de la loi précitée du 11 avril 1995.
Il ne faut pas notifier les autres décisions de refus d'une intervention en matière de soins de santé, à la suite d'une demande écrite, signée par le bénéficiaire ou son représentant légal, tel qu'il est prévu à l'article 7 de la loi précitée du 11 avril 1995. Ces décisions sont cependant communiquées à l'intéressé par lettre ordinaire, qui mentionne la faculté pour l'intéressé de demander une révision dans le délai de deux ans, conformément à l'article 174 de la loi coordonnée, ainsi que la faculté d'intenter un recours devant la juridiction compétente dans le même délai en cas de désaccord avec sa mutualité. En outre, les décisions reprennent également les mentions de l'article 14, 5° et 6°, de la loi précitée du 11 avril 1995.
Art. 160sexies. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 1; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Het betalingsformulier bij een betaling via financiële weg vermeldt minimaal een identificatiekenmerk van de verrichting.
Art. 160sexies. Lors d'un paiement par la voie financière, le formulaire de paiement mentionne au minimum une caractéristique d'identification de l'opération.
TITEL III. - Uitkerings- en moederschapsverzekering.
TITRE III. - De l'assurance indemnités et de l'assurance maternité.
HOOFDSTUK I. - Organen.
CHAPITRE I. - Organes.
Afdeling I. - Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Section I. - Du Comité de gestion du Service des indemnités.
Art.161. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen is samengesteld uit:
1° een voorzitter en twee ondervoorzitters, die de Koning benoemt uit de 2°, 3° en 4° hierna bedoelde leden;
2° zeven werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
3° zeven werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
4° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. Elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
De leden van het Beheerscomité worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden van elk der vertegenwoordigde groepen.
Het mandaat van de leden werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van Beheerscomité. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
1° een voorzitter en twee ondervoorzitters, die de Koning benoemt uit de 2°, 3° en 4° hierna bedoelde leden;
2° zeven werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
3° zeven werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
4° zes werkende en zes plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. Elke verzekeringsinstelling heeft recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
De leden van het Beheerscomité worden benoemd voor zes jaar. Het mandaat loopt om de drie jaar af voor de helft van de leden van elk der vertegenwoordigde groepen.
Het mandaat van de leden werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen de drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van Beheerscomité. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid van zijn groep.
Art.161. Le Comité de gestion du Service des indemnités est composé:
1° d'un président et de deux vice-présidents, nommés par le Roi parmi les membres visés aux 2°, 3° et 4° ci-dessous;
2° de sept membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° de sept membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer. Chaque organisme assureur a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Les membres du Comité de gestion sont nommés pour un terme de six ans. La validité du mandat expire tous les trois ans pour la moitié des membres de chacun des groupes représentés.
Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membre a eu lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité de gestion avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
1° d'un président et de deux vice-présidents, nommés par le Roi parmi les membres visés aux 2°, 3° et 4° ci-dessous;
2° de sept membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3° de sept membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer;
4° de six membres effectifs et de six membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer. Chaque organisme assureur a droit à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Les membres du Comité de gestion sont nommés pour un terme de six ans. La validité du mandat expire tous les trois ans pour la moitié des membres de chacun des groupes représentés.
Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membre a eu lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité de gestion avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.
Un membre suppléant ne siège qu'en cas d'absence d'un membre effectif de son groupe.
Art.162. Het Beheerscomité wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van de Minister, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Wanneer het Beheerscomité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
Wanneer het Beheerscomité in vergadering wordt bijeengeroepen op verzoek van de Minister, heeft de vergadering plaats binnen acht dagen na het verzoek.
Art.162. Le Comité de gestion se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Ministre, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion, dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Lorsque le Comité de gestion est invité à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
Lorsque le Comité de gestion est invité à se réunir à la requête du Ministre, la réunion a lieu dans les huit jours de la requête.
Art.163. Het Beheerscomité houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Wanneer de leden die eensdeels de werknemers en anderdeels de werkgevers vertegenwoordigen, bij een stemming over de in artikel 80, 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde zaken niet in gelijk aantal aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.
Wanneer een voorstel met betrekking tot een der in het vorige lid bedoelde zaken wordt afgewezen tegen het eenparig advies van de vertegenwoordigers, hetzij van de werknemers, hetzij van de werkgevers, kan de groep die voor het voorstel is, vragen dat het de Minister wordt voorgelegd; die vraag kan tijdens de vergadering, en in de notulen opgetekend, of schriftelijk binnen acht dagen na de vergadering gedaan worden. Ze wordt door de voorzitter geadresseerd aan de Minister.
De Minister beslist en geeft kennis van zijn beslissing binnen dertig dagen na de tot hem gerichte vraag, zoniet is de afwijzing van het voorstel definitief.
De beslissingen worden genomen bij eenvoudige meerderheid van de leden die aan de stemming deelnemen, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onthoudingen. Bij stemmenstaking is het voorstel afgewezen.
Wanneer de leden die eensdeels de werknemers en anderdeels de werkgevers vertegenwoordigen, bij een stemming over de in artikel 80, 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde zaken niet in gelijk aantal aanwezig zijn, onthouden het of de jongste leden van de overtallige partij zich om de pariteit te herstellen.
Wanneer een voorstel met betrekking tot een der in het vorige lid bedoelde zaken wordt afgewezen tegen het eenparig advies van de vertegenwoordigers, hetzij van de werknemers, hetzij van de werkgevers, kan de groep die voor het voorstel is, vragen dat het de Minister wordt voorgelegd; die vraag kan tijdens de vergadering, en in de notulen opgetekend, of schriftelijk binnen acht dagen na de vergadering gedaan worden. Ze wordt door de voorzitter geadresseerd aan de Minister.
De Minister beslist en geeft kennis van zijn beslissing binnen dertig dagen na de tot hem gerichte vraag, zoniet is de afwijzing van het voorstel definitief.
Art.163. Le siège du Comité de gestion est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres ayant voix délibérative et participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix la proposition est rejetée.
Lorsque les membres représentant d'une part, les travailleurs salariés et d'autre part, les employeurs ne sont pas présents en nombre égal au moment d'un vote sur les objets visés à l'article 80, 2°, de la loi coordonnée, le ou les plus jeunes membres de la partie en surnombre sont tenus de s'abstenir pour rétablir la parité.
Lorsqu'une proposition se rapportant à un des objets visés à l'alinéa précédent est rejetée contre l'avis unanime des représentants, soit des travailleurs salariés, soit des employeurs, le groupe favorable à la proposition peut demander que celle-ci soit soumise au Ministre; cette demande peut être formée au cours de la séance et actée au procès-verbal ou faite par écrit dans les huit jours de la séance. Elle est adressée au Ministre par le président du Comité de gestion.
Le Ministre statue et notifie sa décision dans les trente jours de la demande qui lui est faite, faute de quoi le rejet de la proposition est définitif.
Les décisions sont prises à la majorité simple des membres ayant voix délibérative et participant au vote, compte non tenu des abstentions. En cas de parité de voix la proposition est rejetée.
Lorsque les membres représentant d'une part, les travailleurs salariés et d'autre part, les employeurs ne sont pas présents en nombre égal au moment d'un vote sur les objets visés à l'article 80, 2°, de la loi coordonnée, le ou les plus jeunes membres de la partie en surnombre sont tenus de s'abstenir pour rétablir la parité.
Lorsqu'une proposition se rapportant à un des objets visés à l'alinéa précédent est rejetée contre l'avis unanime des représentants, soit des travailleurs salariés, soit des employeurs, le groupe favorable à la proposition peut demander que celle-ci soit soumise au Ministre; cette demande peut être formée au cours de la séance et actée au procès-verbal ou faite par écrit dans les huit jours de la séance. Elle est adressée au Ministre par le président du Comité de gestion.
Le Ministre statue et notifie sa décision dans les trente jours de la demande qui lui est faite, faute de quoi le rejet de la proposition est définitif.
Art.164. De voorzitter en de ondervoorzitter van het Beheerscomité zijn gemachtigd om, de ene of de andere, samen met de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen of zijn plaatsvervanger, de akten te ondertekenen welke, wat de Dienst voor uitkeringen betreft, het Instituut verbinden buiten deze welke betrekking hebben op het dagelijks beheer of uitgaan van bijzondere lasthebbers.
Art.164. Le président et les vice-présidents du Comité de gestion sont habilités à signer l'un ou l'autre, conjointement avec le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités ou son remplaçant, les actes qui engagent l'Institut, en ce qui concerne le Service des indemnités, autres que ceux qui ont trait à la gestion journalière ou qui émanent de mandataires spéciaux.
Art.165. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen brengt binnen drie maanden na de mededeling van de in de artikelen 141, § 1, eerste lid, 13°, a) en 161, eerste lid, 3°, b), van de gecoördineerde wet bedoelde verslagen, bij de Minister verslag uit over de maatregelen waartoe het besloten heeft of welke het hem voorstelt ingevolge de bevindingen van de Dienst voor geneeskundige controle en van de Dienst voor administratieve controle.
Art.165. Le Comité de gestion du Service des indemnités fait, dans les trois mois qui suivent la communication des rapports visés aux articles 141, § 1er, alinéa 1er, 13), a) et 161, alinéa 1er, 3°, b), de la loi coordonnée, rapport au Ministre sur les mesures qu'il a décidé de prendre ou qu'il lui propose, à la suite des constatations faites par le Service du contrôle médical et le Service du contrôle administratif.
Art.166. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen geeft binnen drie maanden na het opmaken van zijn jaarverslag, de Minister kennis van de maatregelen welke het voorstelt of heeft vastgesteld uitgaande van de elementen van dat verslag.
Art.166. Le Comité de gestion du Service des indemnités fait part au Ministre, dans les trois mois qui suivent l'établissement de son rapport annuel, des mesures qu'il propose ou qu'il a arrêtées en fonction des éléments de ce rapport.
Afdeling Ibis.
Section Ibis.
Afdeling II. - Geneeskundige raad voor invaliditeit.
Section II. - Du Conseil médical de l'invalidité.
A. [1 Samenstelling van de Geneeskundige raad voor invaliditeit]1
A. [1 De la composition du Conseil médical de l'invalidité]1
Art.167. [1 De Geneeskundige raad voor invaliditeit omvat een Hoge commissie en twee afdelingen van de Hoge commissie.
De Hoge commissie en de twee afdelingen hebben hun zetel te Brussel.]1
De Hoge commissie en de twee afdelingen hebben hun zetel te Brussel.]1
Modifications
Art.167. [1 Le Conseil médical de l'invalidité comprend une Commission supérieure et deux sections de la Commission supérieure.
La Commission supérieure et les deux sections ont leur siège à Bruxelles.]1
La Commission supérieure et les deux sections ont leur siège à Bruxelles.]1
Modifications
B. Hoge commissie.
B. De la Commission supérieure.
Art.168. [1 De Hoge commissie is samengesteld uit :
1° negen werkende leden [2 en twaalf plaatsvervangende leden]2, doctors in de geneeskunde, vertegenwoordigers van de Dienst voor uitkeringen;
2° negen werkende leden en achttien plaatsvervangende leden, adviserend [3 artsen]3, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
De Koning wijst onder de leden van de Hoge commissie, op haar voordracht, de voorzitter aan.
De Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen woont de zittingen van de Hoge commissie bij en heeft raadgevende stem.]1
1° negen werkende leden [2 en twaalf plaatsvervangende leden]2, doctors in de geneeskunde, vertegenwoordigers van de Dienst voor uitkeringen;
2° negen werkende leden en achttien plaatsvervangende leden, adviserend [3 artsen]3, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat van de toe te wijzen mandaten, door de verzekeringsinstellingen worden voorgedragen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt er rekening gehouden met haar respectieve ledentallen; elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en op één mandaat van plaatsvervangend lid;
De Koning wijst onder de leden van de Hoge commissie, op haar voordracht, de voorzitter aan.
De Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen woont de zittingen van de Hoge commissie bij en heeft raadgevende stem.]1
Art.168. [1 La Commission supérieure est composée :
1° de neuf membres effectifs [2 et de douze membres suppléants]2, docteurs en médecine, représentants du Service des indemnités;
2° de neuf membres effectifs et de dix-huit membres suppléants, médecins-conseils, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
Le Roi désigne le président parmi les membres de la Commission supérieure, sur proposition de celle-ci.
Le Fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités assiste aux séances de la Commission supérieure, avec voix consultative.]1
1° de neuf membres effectifs [2 et de douze membres suppléants]2, docteurs en médecine, représentants du Service des indemnités;
2° de neuf membres effectifs et de dix-huit membres suppléants, médecins-conseils, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant;
Le Roi désigne le président parmi les membres de la Commission supérieure, sur proposition de celle-ci.
Le Fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités assiste aux séances de la Commission supérieure, avec voix consultative.]1
Art.169. Alle leden van de Hoge commissie zijn stemgerechtigd. Wanneer de voorzitter van de Hoge commissie verhinderd is, wijzen de aanwezige leden uit hun midden een voorzitter van de vergadering aan.
Art.169. Tous les membres de la Commission supérieure ont voix délibérative. En cas d'empêchement du président de la Commission supérieure, les membres présents désignent parmi eux un président de séance.
C. [1 De afdelingen van de Hoge commissie]1
C. [1 Des sections de la Commission supérieure]1
Art.170. [1 Elke afdeling van de Hoge commissie is samengesteld uit:
1° de adviserend arts van de verzekeringsinstelling of de medewerker van het multidisciplinaire team van de verzekeringsinstelling die, naargelang het geval, het voorstel bedoeld in artikel 171 heeft opgemaakt.
2° de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die het voorstel van de adviserend arts van de verzekeringsinstelling of van de medewerker van het multidisciplinaire team van de verzekeringsinstelling, bedoeld in artikel 171, heeft onderzocht.
Bij verhindering van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team bedoeld in het eerste lid, 1°, moet de verzekeringsinstelling een andere adviserend arts of een andere medewerker van het multidisciplinaire team in haar instelling aanwijzen om hem te vervangen. Indien de adviserend arts het voorstel bedoeld in artikel 171 heeft opgemaakt, kan hij echter enkel worden vervangen door een andere adviserend arts.
Bij verhindering van de arts bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt die vervangen door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
1° de adviserend arts van de verzekeringsinstelling of de medewerker van het multidisciplinaire team van de verzekeringsinstelling die, naargelang het geval, het voorstel bedoeld in artikel 171 heeft opgemaakt.
2° de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die het voorstel van de adviserend arts van de verzekeringsinstelling of van de medewerker van het multidisciplinaire team van de verzekeringsinstelling, bedoeld in artikel 171, heeft onderzocht.
Bij verhindering van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team bedoeld in het eerste lid, 1°, moet de verzekeringsinstelling een andere adviserend arts of een andere medewerker van het multidisciplinaire team in haar instelling aanwijzen om hem te vervangen. Indien de adviserend arts het voorstel bedoeld in artikel 171 heeft opgemaakt, kan hij echter enkel worden vervangen door een andere adviserend arts.
Bij verhindering van de arts bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt die vervangen door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Modifications
Art.170. [1 Chaque section de la commission supérieure est composée :
1° du médecin-conseil de l'organisme assureur ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire de l'organisme assureur, qui a établi, selon le cas, la proposition visée à l'article 171.
2° du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, qui a examiné la proposition du médecin-conseil de l'organisme assureur ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire de l'organisme assureur visée à l'article 171.
En cas d'empêchement du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire visé à l'alinéa 1er, 1°, l'organisme assureur doit désigner un autre médecin-conseil ou un autre collaborateur de l'équipe multidisciplinaire au sein de son organisme pour le remplacer. Toutefois, si le médecin-conseil a fait la proposition visée à l'article 171, il ne peut être remplacé que par un autre médecin-conseil.
En cas d'empêchement du médecin visé à l'alinéa 1er, 2°, celui-ci est remplacé par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité. ]1
1° du médecin-conseil de l'organisme assureur ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire de l'organisme assureur, qui a établi, selon le cas, la proposition visée à l'article 171.
2° du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, qui a examiné la proposition du médecin-conseil de l'organisme assureur ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire de l'organisme assureur visée à l'article 171.
En cas d'empêchement du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire visé à l'alinéa 1er, 1°, l'organisme assureur doit désigner un autre médecin-conseil ou un autre collaborateur de l'équipe multidisciplinaire au sein de son organisme pour le remplacer. Toutefois, si le médecin-conseil a fait la proposition visée à l'article 171, il ne peut être remplacé que par un autre médecin-conseil.
En cas d'empêchement du médecin visé à l'alinéa 1er, 2°, celui-ci est remplacé par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité. ]1
Modifications
D. [1 De bevoegdheid van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de Hoge commissie en van de afdelingen van de Hoge commissie]1
D. [1 De la compétence des médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité, de la Commission supérieure et des sections de la Commission supérieure]1
Art.171. [1 De arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, neemt een beslissing om de staat van arbeidsongeschiktheid al dan niet te erkennen, en in voorkomend geval de duur ervan te bepalen, op basis van:
1° het voorstel van, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, dat tot doel heeft de staat van arbeidsongeschiktheid, in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet, te erkennen en de duur ervan te bepalen, onverminderd de toepassing van artikel 94, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
2° het voorstel van de adviserend arts dat tot doel heeft de staat van arbeidsongeschiktheid te erkennen van gerechtigden die een werkzaamheid hebben verricht zonder de in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet bedoelde toelating en die zich tijdens het in artikel 101, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde medisch onderzoek in een tijdvak van invaliditeit bevinden.
Als de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich echter in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen, verzoekt hij om een bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie of vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van de gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
1° het voorstel van, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, dat tot doel heeft de staat van arbeidsongeschiktheid, in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet, te erkennen en de duur ervan te bepalen, onverminderd de toepassing van artikel 94, tweede lid, van de gecoördineerde wet;
2° het voorstel van de adviserend arts dat tot doel heeft de staat van arbeidsongeschiktheid te erkennen van gerechtigden die een werkzaamheid hebben verricht zonder de in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet bedoelde toelating en die zich tijdens het in artikel 101, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde medisch onderzoek in een tijdvak van invaliditeit bevinden.
Als de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich echter in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen, verzoekt hij om een bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie of vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van de gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Modifications
Art.171. [1 Le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité décide de reconnaître ou non l'état d'incapacité de travail et, le cas échéant, d'en déterminer la durée, sur la base de :
1° la proposition du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, visant à reconnaitre l'état d'incapacité de travail des titulaires au sens de l'article 100 de la loi coordonnée, et d'en déterminer la durée, sans préjudice de l'application de l'article 94, alinéa 2, de la loi coordonnée;
2° la proposition du médecin-conseil visant à reconnaître l'état d'incapacité de travail des titulaires qui ont exercé un travail sans l'autorisation visée à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée et qui, lors de l'examen médical visé à l'article 101, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée, se trouvent en période d'invalidité.
Toutefois, si le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité se trouve dans l'impossibilité de prendre une décision, il demande une réunion de la section de la Commission supérieure ou un examen médical du titulaire par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité.]1
1° la proposition du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, visant à reconnaitre l'état d'incapacité de travail des titulaires au sens de l'article 100 de la loi coordonnée, et d'en déterminer la durée, sans préjudice de l'application de l'article 94, alinéa 2, de la loi coordonnée;
2° la proposition du médecin-conseil visant à reconnaître l'état d'incapacité de travail des titulaires qui ont exercé un travail sans l'autorisation visée à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée et qui, lors de l'examen médical visé à l'article 101, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée, se trouvent en période d'invalidité.
Toutefois, si le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité se trouve dans l'impossibilité de prendre une décision, il demande une réunion de la section de la Commission supérieure ou un examen médical du titulaire par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité.]1
Modifications
Art.172. [1 In voorkomend geval komt de afdeling van de Hoge commissie bijeen op verzoek van de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit als die zich in de onmogelijkheid bevindt om overeenkomstig artikel 171 een beslissing te nemen.]1
Modifications
Art.172. [1 Le cas échéant, la section de la Commission supérieure se réunit à la demande du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité lorsque celui-ci se trouve dans l'impossibilité de prendre une décision conformément à l'article 171.]1
Modifications
Art.173. [1 In de afdeling van de Hoge commissie bespreken de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, en, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet van de gerechtigde.
Nadat de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie heeft plaatsgevonden, neemt de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, een beslissing over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde.
Indien de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich echter na de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie nog steeds in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde, vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van deze gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Nadat de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie heeft plaatsgevonden, neemt de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, een beslissing over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde.
Indien de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich echter na de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie nog steeds in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde, vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van deze gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Modifications
Art.173. [1 Dans la section de la Commission supérieure, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité et, selon le cas, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, discutent l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 100 de la loi coordonnée du titulaire.
Après que la réunion de la section de la Commission supérieure a eu lieu, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité prend une décision sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité de travail du titulaire.
Toutefois, si après la réunion de la section de la Commission supérieure, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité se trouve toujours dans l'impossibilité de prendre une décision sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité de travail du titulaire, il demande qu'il soit procédé à un examen médical de ce titulaire par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité.]1
Après que la réunion de la section de la Commission supérieure a eu lieu, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité prend une décision sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité de travail du titulaire.
Toutefois, si après la réunion de la section de la Commission supérieure, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité se trouve toujours dans l'impossibilité de prendre une décision sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité de travail du titulaire, il demande qu'il soit procédé à un examen médical de ce titulaire par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité.]1
Modifications
Art.174. [1 In geval van een medisch onderzoek van de gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, overeenkomstig artikel 171, tweede lid, of artikel 173, derde lid, stelt hij een omstandig verslag op dat hij vervolgens bezorgt aan de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die het medisch onderzoek heeft gevraagd zodat die laatste een beslissing over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde kan nemen.
Het medisch onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid voor laatstgenoemden om zich te verplaatsen.
Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het medisch onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.
Wanneer er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek overeenkomstig het eerste lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.]1
Het medisch onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid voor laatstgenoemden om zich te verplaatsen.
Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het medisch onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.
Wanneer er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek overeenkomstig het eerste lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.]1
Modifications
Art.174. [1 En cas d'examen médical du titulaire par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, conformément à l'article 171, alinéa 2, ou à l'article 173, alinéa 3, il établit un rapport circonstancié qu'il remet ensuite au médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité qui a demandé l'examen médical, afin que ce dernier puisse prendre une décision sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité de travail du titulaire.
L'examen médical des titulaires qui ne sont pas domiciliés sur le territoire de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale peut être réalisé dans l'un des sièges provinciaux de l'INAMI, en fonction du domicile de ces titulaires ou selon les possibilités de déplacement de ceux-ci.
Si l'état de santé du titulaire l'exige, l'examen médical peut également être effectué à son domicile.
Lorsqu'il est procédé à un examen médical conformément à l'alinéa 1er, l'état d'incapacité de travail est censé être reconnu jusqu'au moment où sera prise une décision tenant compte du résultat de cet examen.]1
L'examen médical des titulaires qui ne sont pas domiciliés sur le territoire de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale peut être réalisé dans l'un des sièges provinciaux de l'INAMI, en fonction du domicile de ces titulaires ou selon les possibilités de déplacement de ceux-ci.
Si l'état de santé du titulaire l'exige, l'examen médical peut également être effectué à son domicile.
Lorsqu'il est procédé à un examen médical conformément à l'alinéa 1er, l'état d'incapacité de travail est censé être reconnu jusqu'au moment où sera prise une décision tenant compte du résultat de cet examen.]1
Modifications
Art. 174/1. [1 De arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, brengt de volgende beslissingen genomen overeenkomstig artikel 171, eerste lid, artikel 173, tweede lid, of artikel 174, eerste lid, ter kennis van de gerechtigde:
1° de beslissingen tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid die:
a) de intrede in het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet tot gevolg hebben;
b) op basis van een medisch onderzoek bedoeld in artikel 174 een verlenging van een tijdvak van erkende invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet tot gevolg hebben.
2° de beslissingen tot weigering van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid.]1
1° de beslissingen tot erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid die:
a) de intrede in het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet tot gevolg hebben;
b) op basis van een medisch onderzoek bedoeld in artikel 174 een verlenging van een tijdvak van erkende invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet tot gevolg hebben.
2° de beslissingen tot weigering van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid.]1
Art. 174/1. [1 Le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité notifie au titulaire les décisions suivantes, prises conformément à l'article 171, alinéa 1er, l'article 173, alinéa 2, ou l'article 174, alinéa 1er :
1° les décisions de reconnaissance de l'état d'incapacité de travail :
a) entraînant l'entrée dans la période d'invalidité visée à l'article 93 de la loi coordonnée;
b) entraînant une prolongation de la période d'invalidité reconnue visée à l'article 93 de la loi coordonnée sur base d'un examen médical visé à l'article 174.
2° les décisions de refus de reconnaissance de l'état d'incapacité de travail. ]1
1° les décisions de reconnaissance de l'état d'incapacité de travail :
a) entraînant l'entrée dans la période d'invalidité visée à l'article 93 de la loi coordonnée;
b) entraînant une prolongation de la période d'invalidité reconnue visée à l'article 93 de la loi coordonnée sur base d'un examen médical visé à l'article 174.
2° les décisions de refus de reconnaissance de l'état d'incapacité de travail. ]1
Modifications
Art.175. [1 § 1 De Hoge commissie heeft als opdracht :
1° haar huishoudelijk reglement, alsmede dat van haar afdelingen, op te maken;
2° volgens de bij haar huishoudelijk reglement bepaalde modaliteiten een aanwezigheidsrol van haar werkende en plaatsvervangende leden op te maken;
3° te waken over de goede werking van de afdelingen van de Hoge commissie; ter vervulling van die opdracht [4 ...]4;
4° overeenkomstig artikel 82, eerste lid, 5°, van de gecoördineerde wet, een onderzoek te voeren naar de gegevens over de arbeidsongeschiktheid die door de verzekeringsinstellingen zijn doorgegeven volgens de modaliteiten en binnen de termijn bepaald door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
5° [4 ...]4;
6° [2 ...]2;
7° [4 ...]4;
8° op voorstel van de adviserend [3 arts]3 de tenlasteneming door de uitkeringsverzekering van de programma's van beroepsherscholing, bedoeld in artikel 215quater, ten gunste van de rechthebbenden van de uitkeringsverzekering toe te staan;
9° op voorstel van de adviserend [3 arts]3, onder de in artikel 215quinquies bepaalde voorwaarden, de tenlasteneming door de uitkeringsverzekering toe te staan van de kosten die samenhangen met de effectieve integratie van de rechthebbende na een programma van beroepsherscholing;
10° [4 een advies uit te brengen over het verslag van elke thematische controle die wordt uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, om de staat van arbeidsongeschiktheid van een groep van gerechtigden na te gaan]4;
11° de adviserend [3 arts]3 te verzoeken elk verslag dat ze nuttig acht dringend op te maken en haar toe te sturen;
12° overeenkomstig artikel 82 van de gecoördineerde wet te adviseren over de kwesties met betrekking tot het tijdvak van invaliditeit, welke haar hetzij door de Minister, hetzij door het Beheerscomité of door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, hetzij door de verzekeringsinstellingen worden voorgelegd; dit advies moet worden uitgebracht binnen de maand na de datum waarop het wordt ingewonnen;
13° [4 ...]4;
14° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen elk kwartaal verslag uit te brengen over de werking van de Geneeskundige raad voor invaliditeit;
15° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen jaarlijks verslag uit te brengen over haar werkzaamheden bedoeld in 8° en 9°.
§ 2. [4 ...]4
1° haar huishoudelijk reglement, alsmede dat van haar afdelingen, op te maken;
2° volgens de bij haar huishoudelijk reglement bepaalde modaliteiten een aanwezigheidsrol van haar werkende en plaatsvervangende leden op te maken;
3° te waken over de goede werking van de afdelingen van de Hoge commissie; ter vervulling van die opdracht [4 ...]4;
4° overeenkomstig artikel 82, eerste lid, 5°, van de gecoördineerde wet, een onderzoek te voeren naar de gegevens over de arbeidsongeschiktheid die door de verzekeringsinstellingen zijn doorgegeven volgens de modaliteiten en binnen de termijn bepaald door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
5° [4 ...]4;
6° [2 ...]2;
7° [4 ...]4;
8° op voorstel van de adviserend [3 arts]3 de tenlasteneming door de uitkeringsverzekering van de programma's van beroepsherscholing, bedoeld in artikel 215quater, ten gunste van de rechthebbenden van de uitkeringsverzekering toe te staan;
9° op voorstel van de adviserend [3 arts]3, onder de in artikel 215quinquies bepaalde voorwaarden, de tenlasteneming door de uitkeringsverzekering toe te staan van de kosten die samenhangen met de effectieve integratie van de rechthebbende na een programma van beroepsherscholing;
10° [4 een advies uit te brengen over het verslag van elke thematische controle die wordt uitgevoerd door de artsen van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, om de staat van arbeidsongeschiktheid van een groep van gerechtigden na te gaan]4;
11° de adviserend [3 arts]3 te verzoeken elk verslag dat ze nuttig acht dringend op te maken en haar toe te sturen;
12° overeenkomstig artikel 82 van de gecoördineerde wet te adviseren over de kwesties met betrekking tot het tijdvak van invaliditeit, welke haar hetzij door de Minister, hetzij door het Beheerscomité of door de Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, hetzij door de verzekeringsinstellingen worden voorgelegd; dit advies moet worden uitgebracht binnen de maand na de datum waarop het wordt ingewonnen;
13° [4 ...]4;
14° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen elk kwartaal verslag uit te brengen over de werking van de Geneeskundige raad voor invaliditeit;
15° het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen jaarlijks verslag uit te brengen over haar werkzaamheden bedoeld in 8° en 9°.
§ 2. [4 ...]4
Art.175. [1 § 1er La Commission supérieure a pour mission :
1° d'élaborer son règlement d'ordre intérieur et celui de ses sections;
2° d'établir, selon les modalités prévues par son règlement d'ordre intérieur, un rôle de présence de ses membres effectifs et suppléants;
3° de veiller au bon fonctionnement des sections de la commission supérieure; pour accomplir cette mission [3 ...]3;
4° d'examiner conformément à l'article 82, alinéa 1er, 5° de la loi coordonnée les données relatives à l'incapacité de travail transmises par les organismes assureurs selon les modalités et dans le délai fixés par le Comité de gestion du Service des indemnités;
5° [3 ...]3;
6° [2 ...]2;
7° [3 ...]3;
8° d'autoriser, sur proposition du médecin-conseil, la prise en charge par l'assurance indemnités, des programmes de réadaptation professionnelle, visés à l'article 215quater, en faveur des bénéficiaires de l'assurance indemnités;
9° d'autoriser, sur proposition du médecin-conseil, sous les conditions déterminées à l'article 215quinquies, la prise en charge par l'assurance indemnités des coûts relatifs à l'intégration effective du bénéficiaire après un programme de réadaptation professionnelle;
10° [3 d'émettre un avis sur le rapport de chaque contrôle thématique effectué par les médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité, pour vérifier l'état d'incapacité de travail d'un groupe de titulaires]3;
11° de requérir le médecin-conseil d'établir et de lui transmettre d'urgence tout rapport qu'elle estime utile;
12° d'émettre, conformément à l'article 82 de la loi coordonnée un avis au sujet des questions relatives à la période d'invalidité qui lui sont soumises, soit par le Ministre, soit par le Comité de gestion ou le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, soit par des organismes assureurs; cet avis doit être émis dans le mois qui suit la date à laquelle il est sollicité;
13° [3 ...]3;
14° de faire trimestriellement rapport au Comité de gestion du Service des indemnités sur le fonctionnement du Conseil médical de l'invalidité;
15° de faire annuellement rapport au Comité de gestion du Service des indemnités sur ses activités visées aux 8° et 9°.
§ 2. [3 ...]3.
1° d'élaborer son règlement d'ordre intérieur et celui de ses sections;
2° d'établir, selon les modalités prévues par son règlement d'ordre intérieur, un rôle de présence de ses membres effectifs et suppléants;
3° de veiller au bon fonctionnement des sections de la commission supérieure; pour accomplir cette mission [3 ...]3;
4° d'examiner conformément à l'article 82, alinéa 1er, 5° de la loi coordonnée les données relatives à l'incapacité de travail transmises par les organismes assureurs selon les modalités et dans le délai fixés par le Comité de gestion du Service des indemnités;
5° [3 ...]3;
6° [2 ...]2;
7° [3 ...]3;
8° d'autoriser, sur proposition du médecin-conseil, la prise en charge par l'assurance indemnités, des programmes de réadaptation professionnelle, visés à l'article 215quater, en faveur des bénéficiaires de l'assurance indemnités;
9° d'autoriser, sur proposition du médecin-conseil, sous les conditions déterminées à l'article 215quinquies, la prise en charge par l'assurance indemnités des coûts relatifs à l'intégration effective du bénéficiaire après un programme de réadaptation professionnelle;
10° [3 d'émettre un avis sur le rapport de chaque contrôle thématique effectué par les médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité, pour vérifier l'état d'incapacité de travail d'un groupe de titulaires]3;
11° de requérir le médecin-conseil d'établir et de lui transmettre d'urgence tout rapport qu'elle estime utile;
12° d'émettre, conformément à l'article 82 de la loi coordonnée un avis au sujet des questions relatives à la période d'invalidité qui lui sont soumises, soit par le Ministre, soit par le Comité de gestion ou le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, soit par des organismes assureurs; cet avis doit être émis dans le mois qui suit la date à laquelle il est sollicité;
13° [3 ...]3;
14° de faire trimestriellement rapport au Comité de gestion du Service des indemnités sur le fonctionnement du Conseil médical de l'invalidité;
15° de faire annuellement rapport au Comité de gestion du Service des indemnités sur ses activités visées aux 8° et 9°.
§ 2. [3 ...]3.
Art.176. [1 Onverminderd de opdracht inzake de beslissing over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet na ontvangst van het voorstel van, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig artikel 171, kan de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet op elk ogenblik overgaan tot een evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid op basis van de elementen die in het medisch dossier voorkomen en een beslissing over deze staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde nemen.
Als de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich echter in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen, verzoekt hij om een bijeenkomst van de afdeling van de Hoge Commissie of vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van de gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Als de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich echter in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen, verzoekt hij om een bijeenkomst van de afdeling van de Hoge Commissie of vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van de gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Modifications
Art.176. [1 Sans préjudice de la mission concernant la décision de reconnaître ou non l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 100 de la loi coordonnée à la réception de la proposition, selon le cas, du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'article 171, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité peut, à partir du premier jour du septième mois de la période d'incapacité primaire visée à l'article 87 de la loi coordonnée, procéder à tout moment à une évaluation de l'état d'incapacité de travail sur base des éléments figurant au dossier médical et prendre une décision concernant cet état d'incapacité de travail du titulaire.
Toutefois, si le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité se trouve dans l'impossibilité de prendre une décision, il demande une réunion de la section de la Commission supérieure ou un examen médical du titulaire par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité.]1
Toutefois, si le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité se trouve dans l'impossibilité de prendre une décision, il demande une réunion de la section de la Commission supérieure ou un examen médical du titulaire par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité.]1
Modifications
Art. 176/1. [1 In de afdeling van de Hoge commissie zoals bijeengekomen met toepassing van artikel 176, tweede lid, bespreken de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, en, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, de staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet van de gerechtigde.
Nadat de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie heeft plaatsgevonden, neemt de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, een beslissing over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde.
Indien de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich na de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie nog steeds in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde, vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van deze gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Nadat de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie heeft plaatsgevonden, neemt de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, een beslissing over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde.
Indien de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, zich na de bijeenkomst van de afdeling van de Hoge commissie nog steeds in de onmogelijkheid bevindt om een beslissing te nemen over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde, vraagt hij dat er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek van deze gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit.]1
Art. 176/1. [1 Dans la section de la Commission supérieure réunie en application de l'article 176, alinéa 2, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, et, selon le cas, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, discutent de l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 100 de la loi coordonnée du titulaire.
Après que la réunion de la section de la Commission supérieure a eu lieu, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité prend une décision sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité de travail du titulaire.
Si, après la réunion de la section de la Commission supérieure, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité ne peut toujours pas se prononcer sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité du titulaire, il demande qu'un examen médical de ce titulaire soit effectué par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité. ]1
Après que la réunion de la section de la Commission supérieure a eu lieu, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité prend une décision sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité de travail du titulaire.
Si, après la réunion de la section de la Commission supérieure, le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité ne peut toujours pas se prononcer sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité du titulaire, il demande qu'un examen médical de ce titulaire soit effectué par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité. ]1
Modifications
Art. 176/2. [1 In geval van een medisch onderzoek van de gerechtigde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, overeenkomstig artikel 176, tweede lid, of artikel 176/1, derde lid, stelt die laatste een omstandig verslag op dat hij vervolgens bezorgt aan de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die het medisch onderzoek heeft gevraagd zodat die laatste een beslissing over de al dan niet erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde kan nemen.
Het medisch onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid voor laatstgenoemden om zich te verplaatsen.
Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het medisch onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.
Wanneer er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek overeenkomstig het eerste lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.]1
Het medisch onderzoek van de gerechtigden die niet gedomicilieerd zijn op het grondgebied van het tweetalige Brussels Hoofdstedelijk Gewest, kan in een van de provinciale zetels van het RIZIV worden verricht, afhankelijk van de woonplaats van die gerechtigden of van de mogelijkheid voor laatstgenoemden om zich te verplaatsen.
Indien de gezondheidstoestand van de gerechtigde het vereist, kan het medisch onderzoek ook bij hem thuis worden uitgevoerd.
Wanneer er wordt overgegaan tot een medisch onderzoek overeenkomstig het eerste lid, wordt de staat van arbeidsongeschiktheid geacht te zijn erkend tot het ogenblik waarop een beslissing wordt genomen waarin met de uitslag van dat onderzoek wordt rekening gehouden.]1
Art. 176/2. [1 En cas d'examen médical du titulaire par un autre médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, conformément à l'article 176, alinéa 2, ou à l'article 176/1, alinéa 3, ce dernier établit un rapport circonstancié qu'il remet ensuite au médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité qui a demandé l'examen médical, afin que ce dernier puisse prendre une décision sur la reconnaissance ou non de l'état d'incapacité de travail du titulaire.
L'examen médical des titulaires qui ne sont pas domiciliés sur le territoire de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale peut être réalisé dans l'un des sièges provinciaux de l'INAMI, en fonction du domicile de ces titulaires ou selon les possibilités de déplacement de ceux-ci.
Si l'état de santé du titulaire l'exige, l'examen médical peut également être effectué à son domicile.
Lorsqu'il est procédé à un examen médical conformément à l'alinéa 1er, l'état d'incapacité de travail est censé être reconnu jusqu'au moment où sera prise une décision tenant compte du résultat de cet examen. ]1
L'examen médical des titulaires qui ne sont pas domiciliés sur le territoire de la Région bilingue de Bruxelles-Capitale peut être réalisé dans l'un des sièges provinciaux de l'INAMI, en fonction du domicile de ces titulaires ou selon les possibilités de déplacement de ceux-ci.
Si l'état de santé du titulaire l'exige, l'examen médical peut également être effectué à son domicile.
Lorsqu'il est procédé à un examen médical conformément à l'alinéa 1er, l'état d'incapacité de travail est censé être reconnu jusqu'au moment où sera prise une décision tenant compte du résultat de cet examen. ]1
Modifications
Art. 176/3. [1 De arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, brengt de volgende beslissingen genomen overeenkomstig artikel 176, eerste lid, artikel 176/1, tweede lid, en artikel 176/2, eerste lid, ter kennis van de gerechtigde:
1° de beslissingen die op basis van een medisch onderzoek bedoeld in artikel 176/2 een verlenging van een tijdvak van erkende invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet tot gevolg hebben;
2° de beslissingen tot weigering van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid.]1
1° de beslissingen die op basis van een medisch onderzoek bedoeld in artikel 176/2 een verlenging van een tijdvak van erkende invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet tot gevolg hebben;
2° de beslissingen tot weigering van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid.]1
Art. 176/3. [1 Le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité notifie au titulaire les décisions suivantes, prises conformément à l'article 176, alinéa 1er, l'article 176/1, alinéa 2, et l'article 176/2, alinéa 1er :
1° les décisions entraînant une prolongation de la période d'invalidité reconnue visée à l'article 93 de la loi coordonnée sur base d'un examen médical visé à l'article 176/2;
2° les décisions de refus de reconnaissance de l'état d'incapacité de travail. ]1
1° les décisions entraînant une prolongation de la période d'invalidité reconnue visée à l'article 93 de la loi coordonnée sur base d'un examen médical visé à l'article 176/2;
2° les décisions de refus de reconnaissance de l'état d'incapacité de travail. ]1
Modifications
E. [1 Tussenkomsten van de adviserend [2 artsen]2, van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit en van de [2 artsen-inspecteurs]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle met betrekking tot de staat van invaliditeit]1
E. [1 Des interventions des médecins-conseils, des médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité et des médecins-inspecteurs du Service d'évaluation et de contrôle médicaux relatives à l'état d'invalidité]1
Art.177. [1 § 1. 1° [4 Tussen de eerste dag en de laatste dag van de voorlaatste maand voorafgaandelijk de aanvangsdatum van het tijdvak van invaliditeit deelt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team ten behoeve van de Geneeskundige raad voor invaliditeit een voorstel mee waarin alle gegevens voorkomen met betrekking tot de erkenning van de staat van invaliditeit in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet en waarvan de maximale voorgestelde duur van de voorgestelde erkenning afhangt van de precieze situatie waarin de gerechtigde zich bevindt:
a) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/4, vijfde lid, geplaatst in de categorie 2 bedraagt de maximale duur vijf jaar, tenzij zijn letsels of functionele stoornissen al een erkenning van de staat van invaliditeit rechtvaardigen tot het einde van de maand waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Opdat in het voorstel de duur kan lopen tot het einde van de maand waarin de gerechtigde de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, moeten de letsels of functionele stoornissen van de gerechtigde hetzij beantwoorden aan de criteria, vastgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen op advies van de Hoge commissie, hetzij aanleiding geven tot een voorstel dat, vóór de verzending naar de Geneeskundige raad voor invaliditeit met het oog op een beslissing door de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de geneeskundige raad voor invaliditeit, gevalideerd is door een tweede adviserend arts of door een adviserend arts indien het voormelde voorstel door de medewerker van het multidisciplinaire team is opgesteld;
b) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/4, vijfde lid, geplaatst in de categorie 3 bedraagt de maximale duur twee jaar;
c) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/4, vijfde lid, geplaatst in de categorie 4 bedraagt de maximale duur één jaar;
d) [5 onder voorbehoud van f), voor de gerechtigde die zich in een lopend re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk bevindt of die zich in een lopend "Terug Naar Werk-traject" bevindt dat is opgestart hetzij na een doorverwijzing van de gerechtigde door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinair team naar de "Terug Naar Werk-coördinator" overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, hetzij op vraag van de gerechtigde na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, bedraagt de maximale duur één jaar]5;
e) voor de gerechtigde die wordt geacht overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet of overeenkomstig artikel 239 de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken, is de maximale duur gelijk aan de nog resterende duur van deze periode waarin hij geacht wordt de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken, vermeerderd met drie maanden, of, indien de einddatum niet gekend is van de periode waarin hij geacht wordt de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken, bedraagt de maximale duur één jaar.
[5 f) voor de gerechtigde die een toelating heeft om overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet een arbeid te hervatten, is de maximale duur gelijk aan:
- twee jaar wanneer de hervatting van de toegelaten arbeid de volledige re-integratie van de gerechtigde beoogt;
- vijf jaar wanneer de hervatting van de toegelaten arbeid niet of niet langer de volledige re-integratie van de gerechtigde beoogt.]5
De medewerker van het multidisciplinair team kan dit voorstel echter slechts doen als het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/3, eerste lid, met de adviserend arts heeft plaatsgevonden.
De beslissingen worden op grond van dit voorstel uiterlijk binnen de laatste dertig dagen van het tijdvak van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet genomen.]4.
2° [4 Tussen de eerste dag en de laatste dag van de voorlaatste maand voorafgaandelijk het verstrijken van elk tijdvak waarvoor de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, deelt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team ten behoeve van de Geneeskundige raad voor invaliditeit een voorstel mee waarin een omstandig verslag voorkomt over de wenselijkheid om de staat van invaliditeit in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet voor een nieuw tijdvak vast te stellen en waarvan de maximale voorgestelde duur afhangt van de precieze situatie waarin de gerechtigde zich bevindt:
a) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/5, vijfde lid, geplaatst in de categorie 2 bedraagt de maximale duur vijf jaar, tenzij zijn letsels of functionele stoornissen al een erkenning van de staat van invaliditeit rechtvaardigen tot het einde van de maand waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Opdat in het voorstel de duur kan lopen tot het einde van de maand waarin de gerechtigde de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, moeten de letsels of functionele stoornissen van de gerechtigde hetzij beantwoorden aan de criteria, vastgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen op advies van de Hoge commissie, hetzij aanleiding geven tot een voorstel dat, vóór de verzending naar de Geneeskundige raad voor invaliditeit met het oog op een beslissing door de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de geneeskundige raad voor invaliditeit, gevalideerd is door een tweede adviserend arts of door een adviserend arts indien het voormelde voorstel door de medewerker van het multidisciplinaire team is opgesteld;
a) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/5, vijfde lid, geplaatst in de categorie 3 bedraagt de maximale duur twee jaar;
b) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/5, vijfde lid, geplaatst in de categorie 4 bedraagt de maximale duur één jaar;
c) voor de gerechtigde die zich in een lopend re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk bevindt of die na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, op zijn vraag een "Terug Naar Werk-traject" heeft opgestart en dit traject is nog lopende, bedraagt de maximale duur één jaar;
d) [5 onder voorbehoud van f), voor de gerechtigde die zich in een lopend re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk bevindt of die zich in een lopend "Terug Naar Werk-traject" bevindt dat is opgestart hetzij na een doorverwijzing van de gerechtigde door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinair team naar de "Terug Naar Werk-coördinator" overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, hetzij op vraag van de gerechtigde na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, bedraagt de maximale duur één jaar]5.
[5 f) voor de gerechtigde die een toelating heeft om overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet een arbeid te hervatten, is de maximale duur gelijk aan:
- twee jaar wanneer de hervatting van de toegelaten arbeid de volledige re-integratie van de gerechtigde beoogt;
- vijf jaar wanneer de hervatting van de toegelaten arbeid niet of niet langer de volledige re-integratie van de gerechtigde beoogt.]5
Indien het voorstel bedoeld in 1° door de medewerker van het multidisciplinaire team is meegedeeld, kan echter enkel de adviserend arts het eerste voorstel krachtens deze bepaling meedelen.
De beslissingen worden op grond van dit voorstel genomen uiterlijk binnen de laatste dertig dagen voor het verstrijken van het tijdvak waarvoor de staat van invaliditeit werd erkend.]4
3° Wanneer ofwel de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, ofwel de adviserend [3 arts]3 het einde van de staat van invaliditeit vaststelt, bericht deze laatste zulks onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit.
4° Afgezien van de onder 1° tot 3° bepaalde verslagen, neemt de adviserend [3 arts]3 [4 of de medewerker van het multidisciplinaire team]4 in bijkomende verslagen, die hij aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit meedeelt zodra zij zijn opgemaakt, alle opmerkingen op waardoor de prognose kan gewijzigd worden die hij in zijn vorig verslag had opgenomen met betrekking tot de evolutie van de staat van invaliditeit van een gerechtigde.
Voorts stelt de adviserend [3 arts]3 elk verslag op dat door de Geneeskundige raad voor invaliditeit of door één van haar leden nuttig wordt geacht en zendt haar dit dringend door.
5° Ingeval de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen drie maanden na het einde van een tijdvak van invaliditeit, kan de staat van invaliditeit door de adviserend [3 arts]3 voor ten hoogste dertig dagen te rekenen van de dag waarop die staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw is opgetreden, worden erkend.
Indien de adviserend [3 arts]3 oordeelt dat de staat van invaliditeit moet worden erkend voor een periode die dertig dagen niet overschrijdt te rekenen van de dag waarop die staat opnieuw optreedt, stelt zijn beslissing tezelfdertijd het einde van de staat van invaliditeit vast bij het verstrijken van het erkende tijdvak.
Indien de adviserend [3 arts]3 oordeelt dat de periode van arbeidsongeschiktheid dertig dagen kan overschrijden, deelt hij ten behoeve van de Geneeskundige raad voor invaliditeit een voorstel mee dat de staat van invaliditeit voor een nieuw tijdvak vaststelt.
Indien de adviserend [3 arts]3 beslist het wederoptreden van de staat van arbeidsongeschiktheid te ontkennen, bericht hij dit onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit.
Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of op de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die de gerechtigde op aanvraag van de adviserend [3 arts]3 onderzoekt. Deze laatste is ermede belast de voor de Geneeskundige raad voor invaliditeit bestemde documenten mee te delen.
6° De adviserend [3 arts]3 deelt de Geneeskundige raad voor invaliditeit onmiddellijk de namen mede van de gerechtigden in staat van invaliditeit wanneer deze spontaan de arbeid hebben hervat.
Zo ook deelt de verzekeringsinstelling onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit elke gebeurtenis mede die de administratieve toestand van de gerechtigde wijzigt.
7° [2 ...]2.
§ 2. De voorstellen en de beslissingen, bedoeld in § 1, vergezeld van de gegevens waarop ze zijn gebaseerd, worden [4 , naargelang het geval, door de adviserend artsen of de medewerkers van het multidisciplinaire team]4 aan de medische directie van hun verzekeringsinstelling meegedeeld die ze vervolgens langs elektronische weg in het beheersysteem van de gegevens over de arbeidsongeschiktheid aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit zendt.]1
a) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/4, vijfde lid, geplaatst in de categorie 2 bedraagt de maximale duur vijf jaar, tenzij zijn letsels of functionele stoornissen al een erkenning van de staat van invaliditeit rechtvaardigen tot het einde van de maand waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Opdat in het voorstel de duur kan lopen tot het einde van de maand waarin de gerechtigde de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, moeten de letsels of functionele stoornissen van de gerechtigde hetzij beantwoorden aan de criteria, vastgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen op advies van de Hoge commissie, hetzij aanleiding geven tot een voorstel dat, vóór de verzending naar de Geneeskundige raad voor invaliditeit met het oog op een beslissing door de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de geneeskundige raad voor invaliditeit, gevalideerd is door een tweede adviserend arts of door een adviserend arts indien het voormelde voorstel door de medewerker van het multidisciplinaire team is opgesteld;
b) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/4, vijfde lid, geplaatst in de categorie 3 bedraagt de maximale duur twee jaar;
c) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/4, vijfde lid, geplaatst in de categorie 4 bedraagt de maximale duur één jaar;
d) [5 onder voorbehoud van f), voor de gerechtigde die zich in een lopend re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk bevindt of die zich in een lopend "Terug Naar Werk-traject" bevindt dat is opgestart hetzij na een doorverwijzing van de gerechtigde door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinair team naar de "Terug Naar Werk-coördinator" overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, hetzij op vraag van de gerechtigde na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, bedraagt de maximale duur één jaar]5;
e) voor de gerechtigde die wordt geacht overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet of overeenkomstig artikel 239 de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken, is de maximale duur gelijk aan de nog resterende duur van deze periode waarin hij geacht wordt de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken, vermeerderd met drie maanden, of, indien de einddatum niet gekend is van de periode waarin hij geacht wordt de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken, bedraagt de maximale duur één jaar.
[5 f) voor de gerechtigde die een toelating heeft om overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet een arbeid te hervatten, is de maximale duur gelijk aan:
- twee jaar wanneer de hervatting van de toegelaten arbeid de volledige re-integratie van de gerechtigde beoogt;
- vijf jaar wanneer de hervatting van de toegelaten arbeid niet of niet langer de volledige re-integratie van de gerechtigde beoogt.]5
De medewerker van het multidisciplinair team kan dit voorstel echter slechts doen als het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/3, eerste lid, met de adviserend arts heeft plaatsgevonden.
De beslissingen worden op grond van dit voorstel uiterlijk binnen de laatste dertig dagen van het tijdvak van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet genomen.]4.
2° [4 Tussen de eerste dag en de laatste dag van de voorlaatste maand voorafgaandelijk het verstrijken van elk tijdvak waarvoor de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, deelt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team ten behoeve van de Geneeskundige raad voor invaliditeit een voorstel mee waarin een omstandig verslag voorkomt over de wenselijkheid om de staat van invaliditeit in de zin van artikel 100 van de gecoördineerde wet voor een nieuw tijdvak vast te stellen en waarvan de maximale voorgestelde duur afhangt van de precieze situatie waarin de gerechtigde zich bevindt:
a) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/5, vijfde lid, geplaatst in de categorie 2 bedraagt de maximale duur vijf jaar, tenzij zijn letsels of functionele stoornissen al een erkenning van de staat van invaliditeit rechtvaardigen tot het einde van de maand waarin hij de wettelijke pensioenleeftijd bereikt bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Opdat in het voorstel de duur kan lopen tot het einde van de maand waarin de gerechtigde de wettelijke pensioenleeftijd bereikt, moeten de letsels of functionele stoornissen van de gerechtigde hetzij beantwoorden aan de criteria, vastgesteld door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen op advies van de Hoge commissie, hetzij aanleiding geven tot een voorstel dat, vóór de verzending naar de Geneeskundige raad voor invaliditeit met het oog op een beslissing door de arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de geneeskundige raad voor invaliditeit, gevalideerd is door een tweede adviserend arts of door een adviserend arts indien het voormelde voorstel door de medewerker van het multidisciplinaire team is opgesteld;
a) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/5, vijfde lid, geplaatst in de categorie 3 bedraagt de maximale duur twee jaar;
b) voor de gerechtigde overeenkomstig artikel 215decies/5, vijfde lid, geplaatst in de categorie 4 bedraagt de maximale duur één jaar;
c) voor de gerechtigde die zich in een lopend re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk bevindt of die na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, op zijn vraag een "Terug Naar Werk-traject" heeft opgestart en dit traject is nog lopende, bedraagt de maximale duur één jaar;
d) [5 onder voorbehoud van f), voor de gerechtigde die zich in een lopend re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk bevindt of die zich in een lopend "Terug Naar Werk-traject" bevindt dat is opgestart hetzij na een doorverwijzing van de gerechtigde door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinair team naar de "Terug Naar Werk-coördinator" overeenkomstig artikel 215undecies, § 1, hetzij op vraag van de gerechtigde na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, bedraagt de maximale duur één jaar]5.
[5 f) voor de gerechtigde die een toelating heeft om overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet een arbeid te hervatten, is de maximale duur gelijk aan:
- twee jaar wanneer de hervatting van de toegelaten arbeid de volledige re-integratie van de gerechtigde beoogt;
- vijf jaar wanneer de hervatting van de toegelaten arbeid niet of niet langer de volledige re-integratie van de gerechtigde beoogt.]5
Indien het voorstel bedoeld in 1° door de medewerker van het multidisciplinaire team is meegedeeld, kan echter enkel de adviserend arts het eerste voorstel krachtens deze bepaling meedelen.
De beslissingen worden op grond van dit voorstel genomen uiterlijk binnen de laatste dertig dagen voor het verstrijken van het tijdvak waarvoor de staat van invaliditeit werd erkend.]4
3° Wanneer ofwel de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, ofwel de adviserend [3 arts]3 het einde van de staat van invaliditeit vaststelt, bericht deze laatste zulks onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit.
4° Afgezien van de onder 1° tot 3° bepaalde verslagen, neemt de adviserend [3 arts]3 [4 of de medewerker van het multidisciplinaire team]4 in bijkomende verslagen, die hij aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit meedeelt zodra zij zijn opgemaakt, alle opmerkingen op waardoor de prognose kan gewijzigd worden die hij in zijn vorig verslag had opgenomen met betrekking tot de evolutie van de staat van invaliditeit van een gerechtigde.
Voorts stelt de adviserend [3 arts]3 elk verslag op dat door de Geneeskundige raad voor invaliditeit of door één van haar leden nuttig wordt geacht en zendt haar dit dringend door.
5° Ingeval de staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw optreedt binnen drie maanden na het einde van een tijdvak van invaliditeit, kan de staat van invaliditeit door de adviserend [3 arts]3 voor ten hoogste dertig dagen te rekenen van de dag waarop die staat van arbeidsongeschiktheid opnieuw is opgetreden, worden erkend.
Indien de adviserend [3 arts]3 oordeelt dat de staat van invaliditeit moet worden erkend voor een periode die dertig dagen niet overschrijdt te rekenen van de dag waarop die staat opnieuw optreedt, stelt zijn beslissing tezelfdertijd het einde van de staat van invaliditeit vast bij het verstrijken van het erkende tijdvak.
Indien de adviserend [3 arts]3 oordeelt dat de periode van arbeidsongeschiktheid dertig dagen kan overschrijden, deelt hij ten behoeve van de Geneeskundige raad voor invaliditeit een voorstel mee dat de staat van invaliditeit voor een nieuw tijdvak vaststelt.
Indien de adviserend [3 arts]3 beslist het wederoptreden van de staat van arbeidsongeschiktheid te ontkennen, bericht hij dit onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit.
Deze bepalingen zijn eveneens van toepassing op de [3 arts-inspecteur]3 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of op de [3 arts]3 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, die de gerechtigde op aanvraag van de adviserend [3 arts]3 onderzoekt. Deze laatste is ermede belast de voor de Geneeskundige raad voor invaliditeit bestemde documenten mee te delen.
6° De adviserend [3 arts]3 deelt de Geneeskundige raad voor invaliditeit onmiddellijk de namen mede van de gerechtigden in staat van invaliditeit wanneer deze spontaan de arbeid hebben hervat.
Zo ook deelt de verzekeringsinstelling onmiddellijk aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit elke gebeurtenis mede die de administratieve toestand van de gerechtigde wijzigt.
7° [2 ...]2.
§ 2. De voorstellen en de beslissingen, bedoeld in § 1, vergezeld van de gegevens waarop ze zijn gebaseerd, worden [4 , naargelang het geval, door de adviserend artsen of de medewerkers van het multidisciplinaire team]4 aan de medische directie van hun verzekeringsinstelling meegedeeld die ze vervolgens langs elektronische weg in het beheersysteem van de gegevens over de arbeidsongeschiktheid aan de Geneeskundige raad voor invaliditeit zendt.]1
Modifications
Art.177. [1 § 1er. 1° [3 Entre le 1er jour et le dernier jour de l'avant-dernier mois précédant la date de début de la période d'invalidité, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire communique, à l'intention du Conseil médical de l'invalidité, une proposition reprenant tous les éléments relatifs à la reconnaissance de l'état d'invalidité au sens de l'article 100 de la loi coordonnée, dont la durée maximale proposée dépend de la situation précise dans laquelle se trouve le titulaire :
a) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/4, alinéa 5, classé dans la catégorie 2, la durée maximale est de cinq ans, sauf si ses lésions ou troubles fonctionnels justifient déjà la reconnaissance de l'état d'invalidité jusqu'à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions. Pour que la proposition permette de faire courir la durée jusqu'à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge légal de la pension, les lésions ou troubles fonctionnels du titulaire doivent, soit répondre aux critères fixés par le Comité de gestion des indemnités sur avis de la Commission supérieure, soit donner lieu à une proposition qui, avant d'être transmise au Conseil médical de l'invalidité en vue d'une décision par le médecin du Service des indemnités membre du conseil médical de l'invalidité, a été validée par un deuxième médecin-conseil ou par un médecin-conseil si la proposition précitée a été établie par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire;
b) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/4, alinéa 5, classé dans la catégorie 3, la durée maximale est de deux ans;
c) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/4, alinéa 5, classé dans la catégorie 4, la durée maximale est d'un an;
d) [4 sous réserve du f), pour le titulaire qui se trouve dans un trajet de réintégration en cours tel que visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail ou qui se trouve dans un " Trajet Retour Au Travail " en cours entamé soit après un renvoi du titulaire par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire vers le " Coordinateur Retour Au Travail " conformément à l'article 215undecies, § 1er, soit à la demande du titulaire, après autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, la durée maximale est d'un an]4;
e) pour le titulaire qui est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis en vertu de l'article 100, § 1er, alinéa 8, de la loi coordonnée ou de l'article 239, la durée maximale est égale à la durée restante de cette période au cours de laquelle il est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis, augmentée de trois mois, ou, si la date de fin de la période au cours de laquelle il est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis n'est pas connue, la durée maximale est d'un an.
[4 f) pour le titulaire ayant une autorisation pour reprendre le travail conformément à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée, la durée maximale est égale à :
- deux ans si la reprise du travail autorisé envisage la réinsertion complète du titulaire;
- cinq ans si la reprise du travail autorisé n'envisage pas ou plus la réinsertion complète du titulaire. ]4
Toutefois, le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne peut faire cette proposition que si le contact physique visé à l'article 215decies/3, alinéa 1er, a eu lieu avec le médecin-conseil.
Les décisions sont prises au vu de cette proposition, au plus tard dans les trente derniers jours de la période d'incapacité primaire visée à l'article 87 de la loi coordonnée;]3
2° [3 Entre le 1er jour et le dernier jour de l'avant-dernier mois précédant l'expiration de toute période pour laquelle le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité a constaté l'état d'invalidité, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire communique à l'intention du Conseil médical de l'invalidité, une proposition reprenant un rapport circonstancié sur l'opportunité de constater l'état d'invalidité au sens de l'article 100 de la loi coordonnée pour une nouvelle période dont la durée maximale proposée dépend de la situation précise dans laquelle se trouve le titulaire :
a) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/5, alinéa 5, classé dans la catégorie 2, la durée maximale est de cinq ans, sauf si ses lésions ou troubles fonctionnels justifient déjà la reconnaissance de l'état d'invalidité jusqu'à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions. Pour que la proposition permette de faire courir la durée jusqu'à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge légal de la pension, les lésions ou troubles fonctionnels du titulaire doivent, soit répondre aux critères fixés par le Comité de gestion des indemnités sur avis de la Commission supérieure, soit donner lieu à une proposition qui, avant d'être transmise au Conseil médical de l'invalidité en vue d'une décision du médecin du Service des indemnités membre du conseil médical de l'invalidité, a été validée par un deuxième médecin-conseil ou par un médecin-conseil si la proposition précitée a été établie par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire;
b) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/5, alinéa 5, classé dans la catégorie 3, la durée maximale est de deux ans;
c) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/5, alinéa 5, classé dans la catégorie 4, la durée maximale est d'un an;
d) [4 sous réserve du f), pour le titulaire qui se trouve dans un trajet de réintégration en cours tel que visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail ou qui se trouve dans un " Trajet Retour Au Travail " en cours entamé soit après un renvoi du titulaire par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire vers le " Coordinateur Retour Au Travail " conformément à l'article 215undecies, § 1er, soit à la demande du titulaire, après autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, la durée maximale est d'un an]4;
e) pour le titulaire qui est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis en vertu de l'article 100, § 1er, alinéa 8, de la loi coordonnée ou de l'article 239, la durée maximale est égale à la durée restante de cette période au cours de laquelle il est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis, augmentée de trois mois, ou, si la date de fin de la période au cours de laquelle il est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis n'est pas connue, la durée maximale est d'un an.
[4 f) pour le titulaire ayant une autorisation pour reprendre le travail conformément à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée, la durée maximale est égale à :
- deux ans si la reprise du travail autorisé envisage la réinsertion complète du titulaire;
- cinq ans si la reprise du travail autorisé n'envisage pas ou plus la réinsertion complète du titulaire. ]4
Toutefois, si la proposition visée au 1° a été communiquée par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, seul le médecin-conseil peut communiquer la première proposition en vertu de cette disposition.
Les décisions sont prises au vu de cette proposition, au plus tard dans les trente derniers jours précédant l'expiration de la période pour laquelle l'état d'invalidité a été reconnu;]3
3° Au cas où soit le médecin inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux soit le médecin-conseil constate la fin de l'état d'invalidité, ce dernier en avertit immédiatement le Conseil médical de l'invalidité.
4° Indépendamment des rapports visés aux 1° à 3°, le médecin-conseil [3 ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire]3 consigne dans des rapports complémentaires, qu'il communique aussitôt au Conseil médical de l'invalidité, toutes observations susceptibles de modifier le pronostic inclus dans son précédent rapport quant à l'évolution de l'état d'invalidité d'un titulaire.
De plus, le médecin-conseil établit tout rapport estimé utile par le Conseil médical de l'invalidité ou par un de ses membres et le lui transmet d'urgence.
5° Lorsque l'état d'incapacité de travail reprend dans les trois mois qui suivent la fin d'une période d'invalidité, l'état d'invalidité peut être reconnu par le médecin-conseil pour une période maximale de trente jours à compter de la date de reprise dudit état d'incapacité de travail.
Si le médecin-conseil estime qu'il y a lieu de reconnaître l'état d'invalidité pour une période qui n'excède pas trente jours à compter de celui de la reprise de cet état, sa décision fixe simultanément la fin de l'état d'invalidité à l'expiration de la période reconnue.
Si le médecin-conseil estime que la période d'incapacité de travail peut excéder trente jours, il communique à l'intention du Conseil médical de l'invalidité, une proposition constatant l'état d'invalidité pour une nouvelle période.
Si le médecin-conseil décide de dénier la reprise de l'état d'incapacité de travail, il en avertit immédiatement le Conseil médical de l'invalidité.
Les présentes dispositions s'appliquent également au médecin inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou au médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité qui examine le titulaire à la demande du médecin-conseil. Ce dernier est chargé de la communication des documents destinés au Conseil médical de l'invalidité.
6° Le médecin-conseil signale immédiatement au Conseil médical de l'invalidité les noms des titulaires en état d'invalidité, lorsque ceux-ci ont spontanément repris le travail.
De même, l'organisme assureur signale immédiatement au Conseil médical de l'invalidité tout événement de nature à modifier la situation administrative du titulaire.
7° [2 ...]2.
§ 2. Les propositions et les décisions visées au § 1er, accompagnées des éléments qui ont servis de base à celles-ci, sont communiquées par les médecins-conseils [3 ou les collaborateurs de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas,]3 à la direction médicale de leur organisme assureur qui les transmet ensuite, au Conseil médical de l'invalidité par voie électronique dans le système de gestion des données relatives à l'incapacité de travail.]1
a) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/4, alinéa 5, classé dans la catégorie 2, la durée maximale est de cinq ans, sauf si ses lésions ou troubles fonctionnels justifient déjà la reconnaissance de l'état d'invalidité jusqu'à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions. Pour que la proposition permette de faire courir la durée jusqu'à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge légal de la pension, les lésions ou troubles fonctionnels du titulaire doivent, soit répondre aux critères fixés par le Comité de gestion des indemnités sur avis de la Commission supérieure, soit donner lieu à une proposition qui, avant d'être transmise au Conseil médical de l'invalidité en vue d'une décision par le médecin du Service des indemnités membre du conseil médical de l'invalidité, a été validée par un deuxième médecin-conseil ou par un médecin-conseil si la proposition précitée a été établie par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire;
b) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/4, alinéa 5, classé dans la catégorie 3, la durée maximale est de deux ans;
c) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/4, alinéa 5, classé dans la catégorie 4, la durée maximale est d'un an;
d) [4 sous réserve du f), pour le titulaire qui se trouve dans un trajet de réintégration en cours tel que visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail ou qui se trouve dans un " Trajet Retour Au Travail " en cours entamé soit après un renvoi du titulaire par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire vers le " Coordinateur Retour Au Travail " conformément à l'article 215undecies, § 1er, soit à la demande du titulaire, après autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, la durée maximale est d'un an]4;
e) pour le titulaire qui est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis en vertu de l'article 100, § 1er, alinéa 8, de la loi coordonnée ou de l'article 239, la durée maximale est égale à la durée restante de cette période au cours de laquelle il est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis, augmentée de trois mois, ou, si la date de fin de la période au cours de laquelle il est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis n'est pas connue, la durée maximale est d'un an.
[4 f) pour le titulaire ayant une autorisation pour reprendre le travail conformément à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée, la durée maximale est égale à :
- deux ans si la reprise du travail autorisé envisage la réinsertion complète du titulaire;
- cinq ans si la reprise du travail autorisé n'envisage pas ou plus la réinsertion complète du titulaire. ]4
Toutefois, le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne peut faire cette proposition que si le contact physique visé à l'article 215decies/3, alinéa 1er, a eu lieu avec le médecin-conseil.
Les décisions sont prises au vu de cette proposition, au plus tard dans les trente derniers jours de la période d'incapacité primaire visée à l'article 87 de la loi coordonnée;]3
2° [3 Entre le 1er jour et le dernier jour de l'avant-dernier mois précédant l'expiration de toute période pour laquelle le médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité a constaté l'état d'invalidité, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire communique à l'intention du Conseil médical de l'invalidité, une proposition reprenant un rapport circonstancié sur l'opportunité de constater l'état d'invalidité au sens de l'article 100 de la loi coordonnée pour une nouvelle période dont la durée maximale proposée dépend de la situation précise dans laquelle se trouve le titulaire :
a) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/5, alinéa 5, classé dans la catégorie 2, la durée maximale est de cinq ans, sauf si ses lésions ou troubles fonctionnels justifient déjà la reconnaissance de l'état d'invalidité jusqu'à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge légal de la pension visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions. Pour que la proposition permette de faire courir la durée jusqu'à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge légal de la pension, les lésions ou troubles fonctionnels du titulaire doivent, soit répondre aux critères fixés par le Comité de gestion des indemnités sur avis de la Commission supérieure, soit donner lieu à une proposition qui, avant d'être transmise au Conseil médical de l'invalidité en vue d'une décision du médecin du Service des indemnités membre du conseil médical de l'invalidité, a été validée par un deuxième médecin-conseil ou par un médecin-conseil si la proposition précitée a été établie par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire;
b) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/5, alinéa 5, classé dans la catégorie 3, la durée maximale est de deux ans;
c) pour le titulaire, conformément à l'article 215decies/5, alinéa 5, classé dans la catégorie 4, la durée maximale est d'un an;
d) [4 sous réserve du f), pour le titulaire qui se trouve dans un trajet de réintégration en cours tel que visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail ou qui se trouve dans un " Trajet Retour Au Travail " en cours entamé soit après un renvoi du titulaire par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire vers le " Coordinateur Retour Au Travail " conformément à l'article 215undecies, § 1er, soit à la demande du titulaire, après autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, la durée maximale est d'un an]4;
e) pour le titulaire qui est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis en vertu de l'article 100, § 1er, alinéa 8, de la loi coordonnée ou de l'article 239, la durée maximale est égale à la durée restante de cette période au cours de laquelle il est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis, augmentée de trois mois, ou, si la date de fin de la période au cours de laquelle il est réputé avoir atteint le degré d'incapacité de travail requis n'est pas connue, la durée maximale est d'un an.
[4 f) pour le titulaire ayant une autorisation pour reprendre le travail conformément à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée, la durée maximale est égale à :
- deux ans si la reprise du travail autorisé envisage la réinsertion complète du titulaire;
- cinq ans si la reprise du travail autorisé n'envisage pas ou plus la réinsertion complète du titulaire. ]4
Toutefois, si la proposition visée au 1° a été communiquée par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, seul le médecin-conseil peut communiquer la première proposition en vertu de cette disposition.
Les décisions sont prises au vu de cette proposition, au plus tard dans les trente derniers jours précédant l'expiration de la période pour laquelle l'état d'invalidité a été reconnu;]3
3° Au cas où soit le médecin inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux soit le médecin-conseil constate la fin de l'état d'invalidité, ce dernier en avertit immédiatement le Conseil médical de l'invalidité.
4° Indépendamment des rapports visés aux 1° à 3°, le médecin-conseil [3 ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire]3 consigne dans des rapports complémentaires, qu'il communique aussitôt au Conseil médical de l'invalidité, toutes observations susceptibles de modifier le pronostic inclus dans son précédent rapport quant à l'évolution de l'état d'invalidité d'un titulaire.
De plus, le médecin-conseil établit tout rapport estimé utile par le Conseil médical de l'invalidité ou par un de ses membres et le lui transmet d'urgence.
5° Lorsque l'état d'incapacité de travail reprend dans les trois mois qui suivent la fin d'une période d'invalidité, l'état d'invalidité peut être reconnu par le médecin-conseil pour une période maximale de trente jours à compter de la date de reprise dudit état d'incapacité de travail.
Si le médecin-conseil estime qu'il y a lieu de reconnaître l'état d'invalidité pour une période qui n'excède pas trente jours à compter de celui de la reprise de cet état, sa décision fixe simultanément la fin de l'état d'invalidité à l'expiration de la période reconnue.
Si le médecin-conseil estime que la période d'incapacité de travail peut excéder trente jours, il communique à l'intention du Conseil médical de l'invalidité, une proposition constatant l'état d'invalidité pour une nouvelle période.
Si le médecin-conseil décide de dénier la reprise de l'état d'incapacité de travail, il en avertit immédiatement le Conseil médical de l'invalidité.
Les présentes dispositions s'appliquent également au médecin inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou au médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité qui examine le titulaire à la demande du médecin-conseil. Ce dernier est chargé de la communication des documents destinés au Conseil médical de l'invalidité.
6° Le médecin-conseil signale immédiatement au Conseil médical de l'invalidité les noms des titulaires en état d'invalidité, lorsque ceux-ci ont spontanément repris le travail.
De même, l'organisme assureur signale immédiatement au Conseil médical de l'invalidité tout événement de nature à modifier la situation administrative du titulaire.
7° [2 ...]2.
§ 2. Les propositions et les décisions visées au § 1er, accompagnées des éléments qui ont servis de base à celles-ci, sont communiquées par les médecins-conseils [3 ou les collaborateurs de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas,]3 à la direction médicale de leur organisme assureur qui les transmet ensuite, au Conseil médical de l'invalidité par voie électronique dans le système de gestion des données relatives à l'incapacité de travail.]1
F. [1 Gemene bepalingen ter zake van de [2 artsen]2 van de Dienst voor uitkeringen, leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de afdelingen van de Hoge commissie en van de Hoge commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit]1
F. [1 Des dispositions communes aux médecins du Service des indemnités membres du Conseil médical de l'invalidité, aux sections de la Commission supérieure et à la Commission supérieure du Conseil médical de l'invalidité]1
Art.178. Het secretariaat van de Hoge commissie [1 en van de afdelingen van de Hoge commissie]1, wordt waargenomen door personeelsleden die worden aangewezen door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen.
Modifications
Art.178. Le secrétariat de la Commission supérieure [1 et des sections de la Commission supérieure]1, est assumé par des agents désignés par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités.
Modifications
Art.179. [1 Als een lid van de Hoge commissie verhinderd is om zitting te houden, moet het de nodige schikkingen treffen om in zijn vervanging door een plaatsvervangend lid van dezelfde commissie te voorzien.]1
Modifications
Art.179. [1 Lorsqu'un membre de la Commission supérieure est empêché de siéger, il doit prendre toutes dispositions utiles pour pourvoir à son remplacement par un membre suppléant de la même commission.]1
Modifications
Art.180. [1 Een plaatsvervangend lid houdt enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
Het plaatsvervangend lid kan echter wel de zittingen van de Hoge commissie bijwonen, zonder stemgerechtigd te zijn, in geval van aanwezigheid van het werkend lid.]1
Het plaatsvervangend lid kan echter wel de zittingen van de Hoge commissie bijwonen, zonder stemgerechtigd te zijn, in geval van aanwezigheid van het werkend lid.]1
Modifications
Art.180. [1 Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
Le membre suppléant peut toutefois assister aux séances de la Commission supérieure, sans voix délibérative, en cas de présence du membre effectif.]1
Le membre suppléant peut toutefois assister aux séances de la Commission supérieure, sans voix délibérative, en cas de présence du membre effectif.]1
Modifications
Art.181. De Hoge commissie [1 houdt]1 geldig zitting, indien ten minste de helft van de leden aanwezig is.
De beslissingen worden bij eenvoudige meerderheid genomen. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.
De beslissingen worden bij eenvoudige meerderheid genomen. Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter beslissend.
Modifications
Art.181. La Commission supérieure [1 siège]1 valablement si au moins la moitié des membres sont présents.
Les décisions sont prises à la majorité simple. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Les décisions sont prises à la majorité simple. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
Modifications
Art.182. [1 De afdelingen van de Hoge commissie houden geldig zitting als hun twee leden bedoeld in artikel 170 aanwezig zijn.]1
Modifications
Art.182. [1 Les sections de la Commission supérieure siègent valablement lorsque ses deux membres visés à l'article 170 sont présents.]1
Modifications
Art.185. [1 De beslissingen van de Hoge commissie [3 ...]3 en van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, worden gemotiveerd.]1
Art.185. [1 Les décisions de la Commission supérieure [2 ...]2 et du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, sont motivées.]1
Art.186. Ter vervulling van de opdrachten die zij moeten volbrengen kunnen de leden van de Geneeskundige raad voor invaliditeit van de verzekeringsinstellingen en van hun adviserend [1 artsen]1 [2 en medewerkers van het multidisciplinaire team]2 alsook van de erkende controlediensten, bedoeld in artikel 91 van de gecoördineerde wet, alle door hen nuttig geachte inlichtingen eisen.
Art.186. Pour l'accomplissement des missions qui leur incombent, les membres du Conseil médical de l'invalidité peuvent exiger des organismes assureurs et de leurs médecins-conseils [1 et collaborateurs de l'équipe multidisciplinaire]1 ainsi que des services de contrôle agréés visés à l'article 91 de la loi coordonnée, tous renseignements qu'ils jugent utiles.
Modifications
Art.187. De leden van de Hoge commissie [1 ...]1 worden benoemd voor zes jaar.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat niet langer deel uitmaakt van de Hoge commissie [1 ...]1.
Het aldus aangewezen nieuw lid voleindigt het mandaat van het lid dat het vervangt.
De bepalingen van dit artikel gelden niet voor de leden bedoeld in de artikelen [1 168, 1° en 170, 2°]1.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat niet langer deel uitmaakt van de Hoge commissie [1 ...]1.
Het aldus aangewezen nieuw lid voleindigt het mandaat van het lid dat het vervangt.
De bepalingen van dit artikel gelden niet voor de leden bedoeld in de artikelen [1 168, 1° en 170, 2°]1.
Modifications
Art.187. Les membres de la Commission supérieure [1 ...]1 sont nommés pour un terme de six ans.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de la Commission supérieure [1 ...]1 avant la date normale d'expiration de son mandat.
Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Les dispositions du présent article ne concernent pas les membres visés aux articles [1 168, 1° et 170, 2°]1.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie de la Commission supérieure [1 ...]1 avant la date normale d'expiration de son mandat.
Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Les dispositions du présent article ne concernent pas les membres visés aux articles [1 168, 1° et 170, 2°]1.
Modifications
G. [1 Kennisgevingen]1
G. [1 Des notifications]1
Art.188. [1 De beslissing van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, tot vaststelling van de staat van invaliditeit wordt aan de verzekeringsinstelling meegedeeld. Die beslissing wordt eveneens binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing ter kennis van de verzekerde gebracht.]1
Art.188. [1 La décision du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité constatant l'état d'invalidité est communiquée à l'organisme assureur. Cette décision est également notifiée à l'assuré dans les deux jours ouvrables qui suivent le jour de la décision.]1
Modifications
Art.190. [1 De beslissing van de adviserend [2 arts]2, van de [2 arts-inspecteur]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle of van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, tot vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit of die tot ontkenning van het wederoptreden van de staat van arbeidsongeschiktheid binnen drie maanden na het einde van een invaliditeitsperiode, wordt aan de verzekeringsinstelling meegedeeld.
Die beslissing wordt eveneens ter kennis van de gerechtigde gebracht :
1° wanneer het een vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit betreft : binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing;
2° wanneer het gaat om een beslissing bedoeld in artikel 177, § 1, 5°, vierde lid : binnen vijf werkdagen na de dag van de ontvangst van het getuigschrift of van de aangifte van arbeidsongeschiktheid of van de kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, afgeleverd door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.]1
Die beslissing wordt eveneens ter kennis van de gerechtigde gebracht :
1° wanneer het een vaststelling van het einde van de staat van invaliditeit betreft : binnen twee werkdagen na de dag van de beslissing;
2° wanneer het gaat om een beslissing bedoeld in artikel 177, § 1, 5°, vierde lid : binnen vijf werkdagen na de dag van de ontvangst van het getuigschrift of van de aangifte van arbeidsongeschiktheid of van de kennisgeving van arbeidsongeschiktheid, afgeleverd door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.]1
Art.190. [1 La décision du médecin-conseil, du médecin inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux ou du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité constatant la fin de l'état d'invalidité ou celle déniant la reprise de l'état d'incapacité de travail dans les trois mois suivant la fin d'une période d'invalidité, est communiquée à l'organisme assureur.
Cette décision est également notifiée au titulaire :
1° lorsqu'il s'agit d'une constatation de la fin de l'état d'invalidité : dans les deux jours ouvrables qui suivent le jour de la décision;
2° lorsqu'il s'agit d'une décision visée à l'article 177, § 1er, 5°, alinéa 4 : dans les cinq jours ouvrables qui suivent le jour de la réception du certificat ou de la déclaration d'incapacité de travail, ou de la notification d'incapacité de travail délivrée par l'Office national de l'emploi.]1
Cette décision est également notifiée au titulaire :
1° lorsqu'il s'agit d'une constatation de la fin de l'état d'invalidité : dans les deux jours ouvrables qui suivent le jour de la décision;
2° lorsqu'il s'agit d'une décision visée à l'article 177, § 1er, 5°, alinéa 4 : dans les cinq jours ouvrables qui suivent le jour de la réception du certificat ou de la déclaration d'incapacité de travail, ou de la notification d'incapacité de travail délivrée par l'Office national de l'emploi.]1
Modifications
Art.191. [1 De in de artikelen 188, [2 ...]2 en 190 bedoelde kennisgevingen aan de gerechtigden worden bij gewone brief gedaan als het gaat om beslissingen tot erkenning van de staat van invaliditeit die in het kader van de artikelen 100 en 101 van de gecoördineerde wet zijn genomen. Als het gaat om beslissingen tot beëindiging van de erkenning van de staat van invaliditeit, gebeuren zij bij een ter post aangetekende brief en worden zij geacht te zijn genomen de eerste dag na de afgifte ter post; zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen worden evenwel niet meegeteld.]1
Art.191. [1 Les notifications aux titulaires, visées aux articles 188 [2 ...]2 et 190, sont faites par pli ordinaire lorsqu'il s'agit de décisions de reconnaissance de l'état d'invalidité prises dans le cadre des articles 100 et 101 de la loi coordonnée. Lorsqu'il s'agit de décisions qui mettent fin à la reconnaissance de l'état d'invalidité, elles ont lieu par pli recommandé à la poste et sont réputées avoir été faites le premier jour qui suit la remise à la poste; les samedis, dimanches et jours fériés légaux ne sont pas comptés dans ce délai.]1
Art.192. [1 De onder punt G. bedoelde kennisgevingen van de beslissingen [3 ...]3 van de [2 arts]2 van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, van de adviserend [2 arts]2 en van de [2 arts-inspecteur]2 van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, moeten plaatsvinden onder de voorwaarden en volgens de modaliteiten vastgesteld door de Hoge commissie.
De modellen van de kennisgevingen die voor de gerechtigden zijn bestemd en die betrekking hebben op de beslissingen waarbij hun staat van invaliditeit wordt ontkend of tot de vaststelling van het einde van die staat, bevatten de nodige inlichtingen om nuttig een beroep te doen op de in artikel 167 van de gecoördineerde wet bepaalde rechtscolleges.
De beslissingen worden langs elektronische weg aan de verzekeringsinstelling meegedeeld via het beheersysteem van de gegevens over de arbeidsongeschiktheid.
Indien die beslissingen niet langs elektronische weg aan de verzekeringsinstelling kunnen worden verzonden, worden zij op papier meegedeeld.]1
De modellen van de kennisgevingen die voor de gerechtigden zijn bestemd en die betrekking hebben op de beslissingen waarbij hun staat van invaliditeit wordt ontkend of tot de vaststelling van het einde van die staat, bevatten de nodige inlichtingen om nuttig een beroep te doen op de in artikel 167 van de gecoördineerde wet bepaalde rechtscolleges.
De beslissingen worden langs elektronische weg aan de verzekeringsinstelling meegedeeld via het beheersysteem van de gegevens over de arbeidsongeschiktheid.
Indien die beslissingen niet langs elektronische weg aan de verzekeringsinstelling kunnen worden verzonden, worden zij op papier meegedeeld.]1
Art.192. [1 Les notifications, visées sous le point G, des décisions [2 ...]2 du médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, du médecin-conseil et du médecin inspecteur du Service d'évaluation et de contrôle médicaux doivent s'effectuer dans les conditions et selon les modalités fixées par la Commission supérieure.
Les modèles des notifications destinées aux titulaires et se rapportant à des décisions leur déniant l'état d'invalidité ou constatant la fin de cet état, contiennent les indications nécessaires pour faire utilement recours aux juridictions visées à l'article 167 de la loi coordonnée.
Les décisions sont communiquées à l'organisme assureur par voie électronique via le système de gestion des données relatives à l'incapacité de travail.
Dans l'éventualité où ces décisions ne peuvent être transmises à l'organisme assureur par voie électronique, celles-ci sont communiquées par support papier.]1
Les modèles des notifications destinées aux titulaires et se rapportant à des décisions leur déniant l'état d'invalidité ou constatant la fin de cet état, contiennent les indications nécessaires pour faire utilement recours aux juridictions visées à l'article 167 de la loi coordonnée.
Les décisions sont communiquées à l'organisme assureur par voie électronique via le système de gestion des données relatives à l'incapacité de travail.
Dans l'éventualité où ces décisions ne peuvent être transmises à l'organisme assureur par voie électronique, celles-ci sont communiquées par support papier.]1
Afdeling III. - Technische ziekenfondsraad.
Section III. - Du Conseil technique intermutualiste.
Art.193. De krachtens artikel 83 van de gecoördineerde wet bij de Dienst voor uitkeringen ingestelde Technische ziekenfondsraad is samengesteld:
1. uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
2. uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
3. uit acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
De voorzitter wordt door de Koning benoemd uit de leden van de raad.
De leidend ambtenaren van de Dienst voor uitkeringen, van de Dienst voor geneeskundige controle en van de Dienst voor administratieve controle wonen rechtens de vergaderingen van de raad bij.
De voorzitter kan ieder ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen of van de Algemene diensten, wiens aanwezigheid nuttig wordt geacht, ter vergadering oproepen om er voortdurend of bij gelegenheid zitting te hebben.
Het secretariaat van de raad wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor uitkeringen, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
1. uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten worden voorgedragen door de representatieve werkgeversorganisaties;
2. uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve werknemersorganisaties;
3. uit acht werkende en acht plaatsvervangende leden, gekozen uit de kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen, wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, elke verzekeringsinstelling heeft ten minste recht op één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid.
De voorzitter wordt door de Koning benoemd uit de leden van de raad.
De leidend ambtenaren van de Dienst voor uitkeringen, van de Dienst voor geneeskundige controle en van de Dienst voor administratieve controle wonen rechtens de vergaderingen van de raad bij.
De voorzitter kan ieder ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen of van de Algemene diensten, wiens aanwezigheid nuttig wordt geacht, ter vergadering oproepen om er voortdurend of bij gelegenheid zitting te hebben.
Het secretariaat van de raad wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor uitkeringen, aangewezen door de leidend ambtenaar van genoemde dienst.
Art.193. Le Conseil technique intermutualiste institué en vertu de l'article 83 de la loi coordonnée auprès du Service des indemnités est composé:
1. de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2. de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3. de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Le président est désigné par le Roi parmi les membres du conseil.
Assistent de droit aux séances du conseil, les fonctionnaires dirigeants du Service des indemnités, du Service de contrôle médical et du Service du contrôle administratif.
Le président peut appeler en séance, pour y siéger en permanence ou occasionnellement, tout fonctionnaire du Service des indemnités ou des Services généraux dont la présence serait jugée utile.
Le secrétariat du conseil est assumé par un agent du Service des indemnités désigné par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
1. de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs en nombre double de celui des mandats à attribuer;
2. de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à attribuer;
3. de huit membres effectifs et de huit membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à attribuer; pour déterminer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs, chacun ayant droit au moins à un mandat de membre effectif et à un mandat de membre suppléant.
Le président est désigné par le Roi parmi les membres du conseil.
Assistent de droit aux séances du conseil, les fonctionnaires dirigeants du Service des indemnités, du Service de contrôle médical et du Service du contrôle administratif.
Le président peut appeler en séance, pour y siéger en permanence ou occasionnellement, tout fonctionnaire du Service des indemnités ou des Services généraux dont la présence serait jugée utile.
Le secrétariat du conseil est assumé par un agent du Service des indemnités désigné par le fonctionnaire dirigeant dudit service.
Art.194. De leden van de raad worden benoemd voor zes jaar. Hun mandaat kan om de drie jaar per helft worden hernieuwd.
Het mandaat der leden van de Technische ziekenfondsraad werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van de Technische ziekenfondsraad. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Het mandaat der leden van de Technische ziekenfondsraad werd evenwel voor het eerst hernieuwd op 1 januari 1967 en de uittredende leden werden bij loting aangewezen.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van de Technische ziekenfondsraad. Het aldus aangewezen nieuw lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Art.194. Les membres du conseil sont nommés pour un terme de six ans. Leur mandat est renouvelable par moitié, tous les trois ans.
Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres du Conseil technique intermutualiste a eu lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du Conseil technique intermutualiste avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Toutefois, le premier renouvellement du mandat des membres du Conseil technique intermutualiste a eu lieu le 1er janvier 1967, les membres sortants étant désignés par tirage au sort.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au remplacement de tout membre qui a cessé de faire partie du Conseil technique intermutualiste avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat du membre qu'il remplace.
Art.195. Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
Wanneer de voorzitter verhinderd is wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd uit de leden van de raad.
Wanneer de voorzitter verhinderd is wordt hij vervangen door een plaatsvervangend voorzitter die door de Koning wordt benoemd uit de leden van de raad.
Art.195. Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un présidant suppléant nommé par le Roi parmi les membres du conseil.
En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un présidant suppléant nommé par le Roi parmi les membres du conseil.
Art.196. De raad wordt in vergadering bijeengeroepen, hetzij op dezes initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, hetzij op vraag van ten minste drie leden welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
De raad houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
De raad houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van zijn leden aanwezig is.
Art.196. Le conseil se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de gestion du Service des indemnités, soit à la demande de trois membres au moins, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Le siège du conseil est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Le siège du conseil est valablement constitué si au moins la moitié de ses membres sont présents.
Art.197. De door de Technische ziekenfondsraad uitgebrachte adviezen worden door zijn voorzitter medegedeeld aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.197. Les avis émis par le Conseil technique intermutualiste sont communiqués par son président au Comité de gestion du Service des indemnités.
Art.198. De raad stelt zijn huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.198. Le conseil établit son règlement d'ordre intérieur qu'il soumet pour approbation au Comité de gestion du Service des indemnités.
Afdeling IV. [1 - Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid.]1
Section IV. [1 - Centre de connaissances de l'incapacité de travail.]1
Art. 198bis. [1 Het krachtens artikel 85 van de gecoördineerde wet bij de Dienst voor uitkeringen ingestelde Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid is samengesteld :
1° uit vier werkende en vier plaatsvervangende deskundigen werkzaam aan een universitaire instelling met een deskundigheid inzake de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid, waarvan minstens de helft geneesheren zijn;
2° uit vier werkende en vier plaatsvervangende deskundigen werkzaam aan een universitaire instelling met een deskundigheid die verband houdt met de opdrachten van het Kenniscentrum;
3° uit negen werkende en negen plaatsvervangende leden, geneesheren gekozen uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, waarbij elke verzekeringsinstelling recht heeft op ten minste één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
4° uit zes werkende en zes plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de Dienst voor uitkeringen, waarvan minstens de helft geneesheren zijn;
5° uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers;
6° uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers.
Voor wat betreft de taken bepaald in artikel 85, eerste lid, 1° tot en met 2°, hebben de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers en de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers een raadgevende stem.
Voor wat betreft de taken bepaald in artikel 85, eerste lid, 3° tot en met 4°, zijn de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers en de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers stemgerechtigd.
De voorzitter wordt door de Koning benoemd uit de leden van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen woont rechtens de vergaderingen van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid bij.
Het secretariaat van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor uitkeringen aangeduid door de leidend ambtenaar van deze Dienst.]1
1° uit vier werkende en vier plaatsvervangende deskundigen werkzaam aan een universitaire instelling met een deskundigheid inzake de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid, waarvan minstens de helft geneesheren zijn;
2° uit vier werkende en vier plaatsvervangende deskundigen werkzaam aan een universitaire instelling met een deskundigheid die verband houdt met de opdrachten van het Kenniscentrum;
3° uit negen werkende en negen plaatsvervangende leden, geneesheren gekozen uit kandidaten die, in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de verzekeringsinstellingen; om de vertegenwoordiging van de verzekeringsinstellingen vast te stellen wordt rekening gehouden met hun respectieve ledentallen, waarbij elke verzekeringsinstelling recht heeft op ten minste één mandaat van werkend lid en één mandaat van plaatsvervangend lid;
4° uit zes werkende en zes plaatsvervangende leden, vertegenwoordigers van de Dienst voor uitkeringen, waarvan minstens de helft geneesheren zijn;
5° uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers;
6° uit drie werkende en drie plaatsvervangende leden gekozen uit de kandidaten die in dubbel aantal van dat der toe te wijzen mandaten, worden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers.
Voor wat betreft de taken bepaald in artikel 85, eerste lid, 1° tot en met 2°, hebben de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers en de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers een raadgevende stem.
Voor wat betreft de taken bepaald in artikel 85, eerste lid, 3° tot en met 4°, zijn de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werkgevers en de leden voorgedragen door de representatieve organisaties van de werknemers stemgerechtigd.
De voorzitter wordt door de Koning benoemd uit de leden van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen woont rechtens de vergaderingen van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid bij.
Het secretariaat van het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid wordt waargenomen door een personeelslid van de Dienst voor uitkeringen aangeduid door de leidend ambtenaar van deze Dienst.]1
Modifications
Art. 198bis. [1 Le Centre de connaissances de l'incapacité de travail institué auprès du Service des indemnités en vertu de l'article 85 de la loi coordonnée est composé :
1° de quatre experts effectifs et de quatre experts suppléants occupés auprès d'une institution universitaire avec une spécialisation en matière d'évaluation de l'incapacité de travail, dont au moins la moitié sont médecins;
2° de quatre experts effectifs et de quatre experts suppléants occupés auprès d'une institution universitaire avec une spécialisation en liaison avec les missions attribuées au Centre de connaissances;
3° de neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants, médecins choisis parmi des candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à conférer; pour fixer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs et du droit dont dispose chaque organisme assureur à au moins un mandat de membre effectif et un mandat de membre suppléant;
4° de six membres effectifs et de six membres suppléants, représentant le Service des indemnités, dont au moins la moitié sont médecins;
5° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs en nombre double de celui des mandats à conférer;
6° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à conférer.
En ce qui concerne les missions déterminées à l'article 85, alinéa 1er, 1° à 2°, les membres présentés par les organisations représentatives des employeurs et les membres présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés ont voix consultative.
En ce qui concerne les missions déterminées à l'article 85, alinéa 1er, 3° à 4°, les membres présentés par les organisations représentatives des employeurs et les membres présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés ont voix délibérative.
Le président est nommé par le Roi parmi les membres du Centre de connaissances.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des Indemnités assiste de droit aux séances du Centre de connaissances.
Le secrétariat du Centre de connaissances est assumé par un membre du personnel du Service des Indemnités désigné par le fonctionnaire dirigeant dudit service.]1
1° de quatre experts effectifs et de quatre experts suppléants occupés auprès d'une institution universitaire avec une spécialisation en matière d'évaluation de l'incapacité de travail, dont au moins la moitié sont médecins;
2° de quatre experts effectifs et de quatre experts suppléants occupés auprès d'une institution universitaire avec une spécialisation en liaison avec les missions attribuées au Centre de connaissances;
3° de neuf membres effectifs et de neuf membres suppléants, médecins choisis parmi des candidats présentés par les organismes assureurs en nombre double de celui des mandats à conférer; pour fixer la représentation des organismes assureurs, il est tenu compte de leurs effectifs respectifs et du droit dont dispose chaque organisme assureur à au moins un mandat de membre effectif et un mandat de membre suppléant;
4° de six membres effectifs et de six membres suppléants, représentant le Service des indemnités, dont au moins la moitié sont médecins;
5° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants, choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des employeurs en nombre double de celui des mandats à conférer;
6° de trois membres effectifs et de trois membres suppléants choisis parmi les candidats présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés en nombre double de celui des mandats à conférer.
En ce qui concerne les missions déterminées à l'article 85, alinéa 1er, 1° à 2°, les membres présentés par les organisations représentatives des employeurs et les membres présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés ont voix consultative.
En ce qui concerne les missions déterminées à l'article 85, alinéa 1er, 3° à 4°, les membres présentés par les organisations représentatives des employeurs et les membres présentés par les organisations représentatives des travailleurs salariés ont voix délibérative.
Le président est nommé par le Roi parmi les membres du Centre de connaissances.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des Indemnités assiste de droit aux séances du Centre de connaissances.
Le secrétariat du Centre de connaissances est assumé par un membre du personnel du Service des Indemnités désigné par le fonctionnaire dirigeant dudit service.]1
Modifications
Art. 198ter. (Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) De leden van [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 worden benoemd voor zes jaar.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1. Het aldus benoemd nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Het mandaat van de uittredende leden kan worden hernieuwd.
Binnen drie maanden wordt in de vervanging voorzien van ieder lid dat, vóór de normale afloopdatum van zijn mandaat, geen deel meer uitmaakt van [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1. Het aldus benoemd nieuwe lid voltooit het mandaat van het lid dat hij vervangt.
Modifications
Art. 198ter. (Inséré par <AR 1999-04-27/33, art. 1, En vigueur : 21-06-1999>) Les membres [1 du Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1 sont nommés pour un terme de six ans.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au renouvellement de tout membre qui a cessé de faire partie [1 du Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1 avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi nommé achève le mandat du membre qu'il remplace.
Le mandat des membres sortants peut être renouvelé.
Il est pourvu dans les trois mois au renouvellement de tout membre qui a cessé de faire partie [1 du Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1 avant la date normale d'expiration de son mandat. Le nouveau membre ainsi nommé achève le mandat du membre qu'il remplace.
Modifications
Art. 198quater. (Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) Een plaatsvervangend lid heeft enkel zitting bij afwezigheid van een werkend lid.
Wanneer de voorzitter verhindert is, wordt hij vervangen door een ondervoorzitter, die door de Koning wordt benoemd uit de leden van [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1.
[1 Het plaatsvervangend lid kan echter wel de zittingen van het Kenniscentrum bijwonen, zonder stemgerechtigd te zijn, in geval van aanwezigheid van het werkend lid.]1
Wanneer de voorzitter verhindert is, wordt hij vervangen door een ondervoorzitter, die door de Koning wordt benoemd uit de leden van [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1.
[1 Het plaatsvervangend lid kan echter wel de zittingen van het Kenniscentrum bijwonen, zonder stemgerechtigd te zijn, in geval van aanwezigheid van het werkend lid.]1
Modifications
Art. 198quater. (Inséré par <AR 1999-04-27/33, art. 1, En vigueur : 21-06-1999>) Un membre suppléant ne siège qu'en l'absence d'un membre effectif.
En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un vice-président nomme par le Roi parmi les membres [1 du Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1.
[1 Le membre suppléant peut toutefois assister aux séances du Centre de connaissances, sans voix délibérative, en cas de présence du membre effectif.]1
En cas d'empêchement du président, il est remplacé par un vice-président nomme par le Roi parmi les membres [1 du Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1.
[1 Le membre suppléant peut toutefois assister aux séances du Centre de connaissances, sans voix délibérative, en cas de présence du membre effectif.]1
Modifications
Art. 198quinquies. (Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) [1 Het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 wordt in vergadering bijeengeroepen door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van het Beheerscomité van de Dienst voor Uitkeringen, hetzij op vraag van de geneeskundige Raad voor invaliditeit, welke schriftelijk wordt gedaan en het onderwerp van de vergadering vermeldt; de bijeenroeping vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
[1 Het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden, bedoeld in [1 artikel 198bis, eerste lid, 1° tot en met 6°]1, aanwezig zijn.
[1 Het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 houdt deugdelijk zitting indien ten minste de helft van de leden, bedoeld in [1 artikel 198bis, eerste lid, 1° tot en met 6°]1, aanwezig zijn.
Modifications
Art. 198quinquies. (Inséré par <AR 1999-04-27/33, art. 1, En vigueur : 21-06-1999>) [1 Le Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1 se réunit sur convocation de son président, soit à son initiative, soit à la requête du Comité de gestion du Service des Indemnités, soit à la requête du Conseil médical de l'invalidité, formulée par écrit et mentionnant l'objet de la réunion; dans tous les cas, la convocation mentionne l'objet de la réunion.
Le siège du [1 Centre de connaissances]1 est valablement constitué si la moitié au moins des membres visés à [1 l'article 198bis, alinéa 1er, 1° à 6]1 sont présents.
Le siège du [1 Centre de connaissances]1 est valablement constitué si la moitié au moins des membres visés à [1 l'article 198bis, alinéa 1er, 1° à 6]1 sont présents.
Modifications
Art. 198sexies. (Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) De adviezen die door [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 worden uitgebracht, in het raam van de hem in artikel 85, eerste lid, 1° en 3° van de gecoördineerde wet toevertrouwde taken, worden door zijn voorzitter meegedeeld aan het Beheerscomité van de Dienst voor Uitkeringen en aan de geneeskundige Raad voor invaliditeit.
De adviezen die door [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 worden uitgebracht, in het raam van de hem in artikel 85, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wet toevertrouwde taken, worden aan de geneeskundige Raad voor invaliditeit meegedeeld.
[1 De adviezen die door het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid worden uitgebracht, in het raam van de hem in artikel 85, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet toevertrouwde taken, worden aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen meegedeeld.]1
De adviezen die door [1 het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 worden uitgebracht, in het raam van de hem in artikel 85, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wet toevertrouwde taken, worden aan de geneeskundige Raad voor invaliditeit meegedeeld.
[1 De adviezen die door het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid worden uitgebracht, in het raam van de hem in artikel 85, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet toevertrouwde taken, worden aan het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen meegedeeld.]1
Modifications
Art. 198sexies. (Inséré par <AR 1999-04-27/33, art. 1, En vigueur : 21-06-1999>) Les avis émis par [1 le Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1 dans le cadre des missions qui lui sont attribuées par l'article 85, alinéa 1er, 1° et 3° de la loi coordonnée sont communiqués par son président au Comité de gestion du Service des Indemnités et au Conseil médical de invalidité
Les avis émis par [1 le Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1 dans le cadre des missions qui lui sont attribuées par l'article 85, alinéa 1er, 2° de la loi coordonnée, sont communiqués au Conseil médical de l'invalidité.
[1 Les avis émis par le Centre de connaissances de l'incapacité de travail, dans le cadre des missions qui lui sont confiées à l'article 85, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée sont communiqués au Comité de gestion du Service des indemnités.]1
Les avis émis par [1 le Centre de connaissances de l'incapacité de travail]1 dans le cadre des missions qui lui sont attribuées par l'article 85, alinéa 1er, 2° de la loi coordonnée, sont communiqués au Conseil médical de l'invalidité.
[1 Les avis émis par le Centre de connaissances de l'incapacité de travail, dans le cadre des missions qui lui sont confiées à l'article 85, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée sont communiqués au Comité de gestion du Service des indemnités.]1
Modifications
Art. 198septies. (Ingevoegd bij <KB 1999-04-27/33, art. 1, Inwerkingtreding : 21-06-1999>) [1 Het Kenniscentrum arbeidsongeschiktheid]1 stelt zijn huishoudelijk reglement op.
Modifications
Art. 198septies. (Inséré par <AR 1999-04-27/33, art. 1, En vigueur : 21-06-1999>) [1 Le Centre de connaissances]1 établit son règlement d'ordre intérieur.
Modifications
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied.
CHAPITRE II. - Du champ d'application.
In het kader van de uitkeringsverzekering geldende omschrijving van seizoenarbeiders, arbeiders bij tussenpozen en deeltijdse werknemers.
Définition des travailleurs saisonniers, des travailleurs intermittents et des travailleurs à temps partiel, applicable dans le cadre de l'assurance indemnités.
Art.199. Onder seizoenarbeiders wordt verstaan, de werknemers die arbeidstijdvakken vervullen waarvan de duur beperkt is hetzij wegens de seizoengebonden aard van het werk, hetzij omdat de ondernemingen die hen in dienst nemen, op bepaalde tijden van het jaar ertoe genoopt zijn hulppersoneel aan te werven.
Art.199. Il faut entendre par travailleurs saisonniers, les travailleurs qui effectuent des périodes de travail dont la durée est limitée, soit en raison de la nature saisonnière du travail, soit parce que les entreprises qui les engagent sont obligées de recruter du personnel de renfort à certaines époques de l'année.
Art.200. Onder arbeiders bij tussenpozen wordt verstaan:
1° de tijdelijke werknemers en de uitzendkrachten zoals die begrippen zijn omschreven in de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
2° de huisarbeiders als bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juni 1970.
1° de tijdelijke werknemers en de uitzendkrachten zoals die begrippen zijn omschreven in de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers;
2° de huisarbeiders als bedoeld in artikel 3, 4°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 juni 1970.
Art.200. Il faut entendre par travailleurs intermittents:
1° les travailleurs temporaires et intérimaires telles que ces notions sont définies dans la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d 'utilisateurs;
2° les travailleurs à domicile, tels qu'ils sont définis à l'article 3, 4°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié par l'arrêté royal du 15 juin 1970.
1° les travailleurs temporaires et intérimaires telles que ces notions sont définies dans la loi du 24 juillet 1987 sur le travail temporaire, le travail intérimaire et la mise de travailleurs à la disposition d 'utilisateurs;
2° les travailleurs à domicile, tels qu'ils sont définis à l'article 3, 4°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, modifié par l'arrêté royal du 15 juin 1970.
Art.201. (Opgeheven) <KB 2001-06-10/60, art. 33, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.201. (Abrogé) <AR 2001-06-10/60, art. 33, 063; En vigueur : 01-01-2003>
Art.202. Voor de toepassing van de gecoördineerde wet worden als seizoenarbeiders, als arbeiders bij tussenpozen of als deeltijdse werknemers beschouwd (de werknemers bedoeld in de artikelen 199 en 200 van dit besluit en in artikel 10 van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels) die, buiten de in die artikelen bedoelde arbeidstijdvakken, enerzijds noch onderworpen zijn aan de verplichte uitkeringsverzekering krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, noch onder toepassing vallen van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid der mijnwerkers en ermede gelijkgestelden, en anderzijds niet voldoen aan de voorwaarden om recht te hebben op werkloosheidsuitkeringen of die uitkeringen vrijwillig verzaken. <KB 2001-06-10/60, art. 34, 063; Inwerkingtreding : onbepaald >
Art.202. Pour l'application de la loi coordonnée, sont considérés comme travailleurs saisonniers, comme travailleurs intermittents ou comme travailleurs à temps partiel, (les travailleurs visés aux articles 199 et 200 du présent arrêté et à l'article 10 de l'arrêté royal du 10 juin 2001 portant définition uniforme de notions relatives au temps de travail à l'usage de la sécurité sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions) qui, en dehors des périodes de travail visées à ces articles, d'une part, ne sont ni assujettis à l'assurance indemnités obligatoire, en vertu de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté royal du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ni soumis à l'arrêté royal du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés, et d'autre part, ne remplissent pas les conditions d'admission au bénéfice des allocation de chômage ou renoncent volontairement à celles-ci. <AR 2001-06-10/60, art. 34, 063; En vigueur : 01-01-2003>
HOOFDSTUK III. - Voorwaarden tot toekenning van de prestaties.
CHAPITRE III. - Des conditions d'octroi des prestations.
Afdeling I. - Wachttijd voor het recht op uitkeringen.
Section I. - Du [1 stage d'attente]1 pour le droit aux indemnités.
Art.203. Voor de toepassing van artikel 128, § 1, van de gecoördineerde wet moeten de gerechtigden in een tijdvak van [4 twaalf]4 maanden minimum [4 honderdtachtig]4 arbeidsdagen aantonen (...). <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(In afwijking van artikel 9, 2° van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, worden de werknemers tewerkgesteld in uitvoering van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 42, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 2 juni 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen en die een loon ontvangen dat gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen, geacht voltijdse prestaties te leveren.) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[4 In afwijking van de bepalingen van het eerste lid volbrengen de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers hun wachttijd, indien zij over een periode van twaalf maanden achthonderd arbeidsuren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal zesendertig maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun wachttijd te vervullen binnen twaalf maanden.]4
Worden voor de toepassing van hetzelfde artikel met arbeidsdagen gelijkgesteld:
1. de dagen inactiviteit die voortvloeien uit een arbeidsongeval of een beroepsziekte waarmede een arbeidsongeschiktheid gemoeid is, zoals deze is omschreven in artikel 100 van de gecoördineerde wet;
2. de dagen waarover de gerechtigde uitkeringen wegens volledige arbeidsongeschiktheid geniet krachtens de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten;
(3. de dagen wettelijke vakantie;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[3 3bis. de dagen aanvullende vakantie; ]3
4. de in artikel 246 omschreven dagen gecontroleerde werkloosheid;
5. De dagen waarop de werkloze huishoudelijke arbeid verricht, door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, om een einde te maken aan zijn werkloosheid;
(6. de dagen van staking;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(7. de dagen lock-out;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
8. de dagen waarop geen arbeid werd verricht en waarover de werkgever loon moet betalen;
(9. de dagen inhaalrust;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(10. de dagen afwezigheid zonder behoud van loon ingevolge profylactisch verlof;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(10bis. de dagen volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(11. de dagen functie van rechter in sociale zaken;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
12. de dagen gedurende welke het lid van het onderwijzend personeel of ermee gelijkgesteld, die tijdelijk aangeworven is, geacht wordt niet van zijn wedde verstoken te zijn daar zijn maandwedde gelijk was aan het tiende van de jaarwedde die hem zou toegekend zijn indien hij vast aangeworven was;
(13. de dagen verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon. De gelijkstelling blijft evenwel beperkt tot maximaal tien dagen per jaar, ongeacht of zij nu ineens dan wel met gedeelten worden toegekend;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(14. de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 27bis, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;) <KB 2004-04-25/61, art. 1, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 15. de dagen verlof voor pleegzorgen, bedoeld in artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]1
[2 16. de dagen gedekt door de ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]2
Voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers worden de in het vorig lid vermelde inactiviteitsperiodes, voor zover zij samenvallen met dagen of periodes waarop de betrokken werknemers normaal zouden hebben gewerkt, meegerekend ten belope van het aantal arbeidsuren dat zij tijdens deze periodes zouden gepresteerd hebben.
(Voor de voltijdse werknemers wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen volgens de volgende formule :
A/B x C, waarbij
*A overeenstemt met het aantal dagen zoals bepaald in de vorige leden voor de beschouwde tijdvakken;
*B overeenstemt met het aantal dagen tewerkstelling voorzien in de vaste arbeidsregeling of, indien het geen vast aantal dagen per week betreft, het maximaal aantal dagen tewerkstelling van de maatpersoon voor het beschouwde tijdvak;
*C overeenstemt met het maximaal aantal in aanmerking te nemen dagen voor een tewerkstelling in een zesdagenweek voor het beschouwde tijdvak.
Indien het bekomen resultaat een breuk bevat, dan wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Als de arbeidstijdgegevens als bedoeld in dit artikel op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en als de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden de arbeidsprestaties die gelegen zijn in het kwartaal waarin de referteperiode aanvangt en die deze periode voorafgaan, geacht gelegen te zijn in deze referteperiode.) <KB 2001-06-10/61, art. 7, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(In afwijking van artikel 9, 2° van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 tot eenvormige definiëring van begrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens ten behoeve van de sociale zekerheid, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, worden de werknemers tewerkgesteld in uitvoering van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 42, gesloten in de Nationale Arbeidsraad op 2 juni 1987 betreffende de invoering van nieuwe arbeidsregelingen in de ondernemingen en die een loon ontvangen dat gelijk is aan of hoger is dan het bedrag van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen, geacht voltijdse prestaties te leveren.) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[4 In afwijking van de bepalingen van het eerste lid volbrengen de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers hun wachttijd, indien zij over een periode van twaalf maanden achthonderd arbeidsuren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal zesendertig maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun wachttijd te vervullen binnen twaalf maanden.]4
Worden voor de toepassing van hetzelfde artikel met arbeidsdagen gelijkgesteld:
1. de dagen inactiviteit die voortvloeien uit een arbeidsongeval of een beroepsziekte waarmede een arbeidsongeschiktheid gemoeid is, zoals deze is omschreven in artikel 100 van de gecoördineerde wet;
2. de dagen waarover de gerechtigde uitkeringen wegens volledige arbeidsongeschiktheid geniet krachtens de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 of krachtens de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten;
(3. de dagen wettelijke vakantie;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
[3 3bis. de dagen aanvullende vakantie; ]3
4. de in artikel 246 omschreven dagen gecontroleerde werkloosheid;
5. De dagen waarop de werkloze huishoudelijke arbeid verricht, door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, om een einde te maken aan zijn werkloosheid;
(6. de dagen van staking;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(7. de dagen lock-out;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
8. de dagen waarop geen arbeid werd verricht en waarover de werkgever loon moet betalen;
(9. de dagen inhaalrust;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(10. de dagen afwezigheid zonder behoud van loon ingevolge profylactisch verlof;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(10bis. de dagen volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(11. de dagen functie van rechter in sociale zaken;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
12. de dagen gedurende welke het lid van het onderwijzend personeel of ermee gelijkgesteld, die tijdelijk aangeworven is, geacht wordt niet van zijn wedde verstoken te zijn daar zijn maandwedde gelijk was aan het tiende van de jaarwedde die hem zou toegekend zijn indien hij vast aangeworven was;
(13. de dagen verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon. De gelijkstelling blijft evenwel beperkt tot maximaal tien dagen per jaar, ongeacht of zij nu ineens dan wel met gedeelten worden toegekend;) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(14. de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 27bis, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;) <KB 2004-04-25/61, art. 1, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 15. de dagen verlof voor pleegzorgen, bedoeld in artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]1
[2 16. de dagen gedekt door de ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]2
Voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers worden de in het vorig lid vermelde inactiviteitsperiodes, voor zover zij samenvallen met dagen of periodes waarop de betrokken werknemers normaal zouden hebben gewerkt, meegerekend ten belope van het aantal arbeidsuren dat zij tijdens deze periodes zouden gepresteerd hebben.
(Voor de voltijdse werknemers wordt het aantal in aanmerking te nemen dagen bekomen volgens de volgende formule :
A/B x C, waarbij
*A overeenstemt met het aantal dagen zoals bepaald in de vorige leden voor de beschouwde tijdvakken;
*B overeenstemt met het aantal dagen tewerkstelling voorzien in de vaste arbeidsregeling of, indien het geen vast aantal dagen per week betreft, het maximaal aantal dagen tewerkstelling van de maatpersoon voor het beschouwde tijdvak;
*C overeenstemt met het maximaal aantal in aanmerking te nemen dagen voor een tewerkstelling in een zesdagenweek voor het beschouwde tijdvak.
Indien het bekomen resultaat een breuk bevat, dan wordt het resultaat naar de hogere eenheid afgerond.) <KB 2001-06-10/60, art. 35, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Als de arbeidstijdgegevens als bedoeld in dit artikel op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en als de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden de arbeidsprestaties die gelegen zijn in het kwartaal waarin de referteperiode aanvangt en die deze periode voorafgaan, geacht gelegen te zijn in deze referteperiode.) <KB 2001-06-10/61, art. 7, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.203. Pour l'application de l'article 128, § 1er, de la loi coordonnée, les titulaires doivent totaliser, au cours d'une période de [4 douze ]4 mois, au moins [4 cent quatre-vingts]4 jours de travail, (...). <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(Par dérogation à l'article 9, 2° de l'arrêté royal du 10 juin 2001 portant définition uniforme de notions relatives au temps de travail à l'usage de la sécurité sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, les travailleurs occupés en exécution d'une convention collective de travail conclue sur base de la convention collective de travail numéro 42 conclue au sein du Conseil national du travail en date du 2 juin 1987 concernant l'introduction de nouveaux régimes de travail dans les entreprises et qui reçoivent une rémunération égale ou supérieure au montant du revenu mensuel minimum moyen garanti, sont censés effectuer des prestations de travail à temps plein.) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
[4 Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent leur [5 stage d'attente]5 s'ils ont accompli, au cours d'une période de douze mois, huit cents heures de travail. La période de référence est cependant prolongée jusqu'à un maximum de trente-six mois pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur [5 stage d'attente]5 dans les douze mois.]4
Sont assimilés à des jours de travail pour l'application du même article:
1. les jours d'inactivité résultant d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle entraînant une incapacité, telle qu'elle est définie à l'article 100 de la loi coordonnée;
2. les jours pour lesquels le titulaire bénéficie des prestations prévues en cas d'incapacité totale de travail, en vertu de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou en vertu des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970;
(3. les jours de vacances légales;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
[3 3bis. les jours de vacances supplémentaires;]3
4. les jours de chômage involontaire contrôles tels qu'ils sont définis à l'article 246;
5. les jours pendant lesquels le chômeur effectue, à l'intervention de l'Office national de l'emploi, un travail domestique pour mettre un terme à son chômage;
(6. les jours de grève;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(7. les jours de lock-out;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
8. les jours non prestés pour lesquels l'employeur est tenu de payer une rémunération;
(9. les jours de repos compensatoire;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(10.les jours d'absence sans maintien de la rémunération par suite de congé prophylactique;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(10bis. les jours d'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(11. les jours pendant lesquels est exercée la fonction de juge social;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
12. les jours pendant lesquels le membre du personnel enseignant ou assimilé, engagé à titre temporaire, est considéré comme n'étant pas privé de rémunération parce que sa rémunération mensuelle était égale au dixième de la rémunération annuelle qui luit aurait été accordée s'il avait été engagé à titre définitif;
(13. les jours de congé pour raisons impérieuses sans maintien de la rémunération. L'assimilation est toutefois limitée à dix jours par an au maximum, que ceux-ci soient accordés en une ou plusieurs fois;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(14. les jours de vacances et les jours fériés légaux des gardiens et gardiennes d'enfants sans accueil d'enfants, visés à l'article 27bis, § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.) <AR 2004-04-25/61, art. 1, 107; En vigueur : 01-04-2003>
[1 15. les jours de congé pour soins d'accueil, visés à l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]1
[2 16. les jours couverts par l'indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]2
Pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel, les périodes d'inactivité visées à l'alinéa précédent, pour autant qu'elles coïncident avec des journées ou des périodes pendant lesquelles les travailleurs concernés auraient normalement travaillé, sont prises en compte à concurrence du nombre d'heures de travail qu'ils auraient accompli au cours de ces périodes.
(Pour les travailleurs à temps plein le nombre de jours à prendre en considération est obtenu selon la formule suivante :
A/B x C, soit :
*A correspond au nombre de jours tels que visés aux alinéas précédents pour les périodes envisagées;
*B correspond au nombre de jours d'occupation prévu dans le régime de travail fixe ou, s'il ne s'agit pas d'un nombre fixe de jours par semaine, au nombre maximum de jours d'occupation de la personne de référence pour la période considérée;
*C correspond au nombre maximum de jours à prendre en considération pour une occupation de six jours par semaine pour la période considérée.
Si le résultat obtenu comporte une fraction, il est arrondi à l'unité supérieure.) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(Si les données relatives au temps de travail telles que visées au présent article sont communiquées de manière globale par trimestre au service compétent pour la perception des cotisations de sécurité sociale et si les prestations de travail ne peuvent pas être situées dans un trimestre, les prestations de travail qui sont situées dans le trimestre pendant lequel la période de référence prend cours et qui précèdent cette période, sont considérées comme étant situées dans cette période de référence.) <AR 2001-06-10/61, art. 7, 064; En vigueur : 01-01-2003>
(Par dérogation à l'article 9, 2° de l'arrêté royal du 10 juin 2001 portant définition uniforme de notions relatives au temps de travail à l'usage de la sécurité sociale, en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, les travailleurs occupés en exécution d'une convention collective de travail conclue sur base de la convention collective de travail numéro 42 conclue au sein du Conseil national du travail en date du 2 juin 1987 concernant l'introduction de nouveaux régimes de travail dans les entreprises et qui reçoivent une rémunération égale ou supérieure au montant du revenu mensuel minimum moyen garanti, sont censés effectuer des prestations de travail à temps plein.) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
[4 Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent leur [5 stage d'attente]5 s'ils ont accompli, au cours d'une période de douze mois, huit cents heures de travail. La période de référence est cependant prolongée jusqu'à un maximum de trente-six mois pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur [5 stage d'attente]5 dans les douze mois.]4
Sont assimilés à des jours de travail pour l'application du même article:
1. les jours d'inactivité résultant d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle entraînant une incapacité, telle qu'elle est définie à l'article 100 de la loi coordonnée;
2. les jours pour lesquels le titulaire bénéficie des prestations prévues en cas d'incapacité totale de travail, en vertu de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou en vertu des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970;
(3. les jours de vacances légales;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
[3 3bis. les jours de vacances supplémentaires;]3
4. les jours de chômage involontaire contrôles tels qu'ils sont définis à l'article 246;
5. les jours pendant lesquels le chômeur effectue, à l'intervention de l'Office national de l'emploi, un travail domestique pour mettre un terme à son chômage;
(6. les jours de grève;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(7. les jours de lock-out;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
8. les jours non prestés pour lesquels l'employeur est tenu de payer une rémunération;
(9. les jours de repos compensatoire;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(10.les jours d'absence sans maintien de la rémunération par suite de congé prophylactique;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(10bis. les jours d'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(11. les jours pendant lesquels est exercée la fonction de juge social;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
12. les jours pendant lesquels le membre du personnel enseignant ou assimilé, engagé à titre temporaire, est considéré comme n'étant pas privé de rémunération parce que sa rémunération mensuelle était égale au dixième de la rémunération annuelle qui luit aurait été accordée s'il avait été engagé à titre définitif;
(13. les jours de congé pour raisons impérieuses sans maintien de la rémunération. L'assimilation est toutefois limitée à dix jours par an au maximum, que ceux-ci soient accordés en une ou plusieurs fois;) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(14. les jours de vacances et les jours fériés légaux des gardiens et gardiennes d'enfants sans accueil d'enfants, visés à l'article 27bis, § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.) <AR 2004-04-25/61, art. 1, 107; En vigueur : 01-04-2003>
[1 15. les jours de congé pour soins d'accueil, visés à l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]1
[2 16. les jours couverts par l'indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]2
Pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel, les périodes d'inactivité visées à l'alinéa précédent, pour autant qu'elles coïncident avec des journées ou des périodes pendant lesquelles les travailleurs concernés auraient normalement travaillé, sont prises en compte à concurrence du nombre d'heures de travail qu'ils auraient accompli au cours de ces périodes.
(Pour les travailleurs à temps plein le nombre de jours à prendre en considération est obtenu selon la formule suivante :
A/B x C, soit :
*A correspond au nombre de jours tels que visés aux alinéas précédents pour les périodes envisagées;
*B correspond au nombre de jours d'occupation prévu dans le régime de travail fixe ou, s'il ne s'agit pas d'un nombre fixe de jours par semaine, au nombre maximum de jours d'occupation de la personne de référence pour la période considérée;
*C correspond au nombre maximum de jours à prendre en considération pour une occupation de six jours par semaine pour la période considérée.
Si le résultat obtenu comporte une fraction, il est arrondi à l'unité supérieure.) <AR 2001-06-10/60, art. 35, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(Si les données relatives au temps de travail telles que visées au présent article sont communiquées de manière globale par trimestre au service compétent pour la perception des cotisations de sécurité sociale et si les prestations de travail ne peuvent pas être situées dans un trimestre, les prestations de travail qui sont situées dans le trimestre pendant lequel la période de référence prend cours et qui précèdent cette période, sont considérées comme étant situées dans cette période de référence.) <AR 2001-06-10/61, art. 7, 064; En vigueur : 01-01-2003>
Modifications
Art. 203/1. [1 Voor de toepassing van artikel 116/1, § 1, van de gecoördineerde wet moeten de gerechtigden in een tijdvak van zes maanden minimum honderdtwintig arbeidsdagen aantonen.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid volbrengen de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers hun wachttijd, indien zij over een periode van zes maanden vierhonderd arbeidsuren presteren. [2 Zij volbrengen echter hun wachttijd indien zij over een periode van zes maanden honderddrieëndertig arbeidsuren presteren op voorwaarde dat zij zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden om vierhonderd arbeidsuren te presteren tijdens deze zes maanden.]2
De bepalingen van artikel 203, tweede lid en vierde tot zevende lid gelden eveneens voor de toepassing van artikel 116/1, § 1, van de gecoördineerde wet.]1
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid volbrengen de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers hun wachttijd, indien zij over een periode van zes maanden vierhonderd arbeidsuren presteren. [2 Zij volbrengen echter hun wachttijd indien zij over een periode van zes maanden honderddrieëndertig arbeidsuren presteren op voorwaarde dat zij zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden om vierhonderd arbeidsuren te presteren tijdens deze zes maanden.]2
De bepalingen van artikel 203, tweede lid en vierde tot zevende lid gelden eveneens voor de toepassing van artikel 116/1, § 1, van de gecoördineerde wet.]1
Art. 203/1. [1 Pour l'application de l'article 116/1, § 1er, de la loi coordonnée, les titulaires doivent totaliser, au cours d'une période de six mois, au moins cent vingt jours de travail.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent leur stage s'ils ont accompli, au cours d'une période de six mois, quatre cents heures de travail. [2 Toutefois, ils accomplissent leur stage d'attente s'ils ont accompli, au cours d'une période de six mois, cent trente-trois heures de travail, à condition qu'ils se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir quatre cents heures de travail durant ces six mois en raison de leur régime de travail.]2
Les dispositions de l'article 203, alinéa 2 et alinéas 4 à 7, valent également pour l'application de l'article 116/1, § 1er, de la loi coordonnée. ]1
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent leur stage s'ils ont accompli, au cours d'une période de six mois, quatre cents heures de travail. [2 Toutefois, ils accomplissent leur stage d'attente s'ils ont accompli, au cours d'une période de six mois, cent trente-trois heures de travail, à condition qu'ils se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir quatre cents heures de travail durant ces six mois en raison de leur régime de travail.]2
Les dispositions de l'article 203, alinéa 2 et alinéas 4 à 7, valent également pour l'application de l'article 116/1, § 1er, de la loi coordonnée. ]1
Art.204. [1 § 1. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden bedoeld in artikel 128, § 1, en de gerechtigden bedoeld in artikel 128, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 207, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het kwartaal waarin zij de wachttijd hebben volbracht.
§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden bedoeld in de artikelen 116/1, § 1 en 116/1, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 207/1, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het kwartaal na dat waarin zij de wachttijd hebben volbracht.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden die zijn vrijgesteld van wachttijd overeenkomstig artikel 116/1, § 2, eerste lid of artikel 128, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wet, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het tijdvak dat aanvangt de dag waarop zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben verkregen en eindigt op het einde van het daaropvolgende kwartaal.
Zij behouden dit recht :
1° gedurende het eerste kwartaal volgend op het in het eerste lid bedoelde tijdvak, op voorwaarde dat zij over het kwartaal waarin zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben verkregen, voldoen aan de voorwaarden inzake bijdragen, gesteld in afdeling V van hoofdstuk II van titel IV;
2° gedurende het tweede kwartaal volgend op het in het eerste lid bedoeld tijdvak, op voorwaarde dat ze, over ditzelfde tijdvak voldoen aan de voorwaarden inzake bijdragen, gesteld in afdeling V van hoofdstuk II van titel IV. ]1
§ 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden bedoeld in de artikelen 116/1, § 1 en 116/1, § 2, tweede lid van de gecoördineerde wet die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 207/1, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het kwartaal na dat waarin zij de wachttijd hebben volbracht.
§ 3. Onverminderd de bepalingen van artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden de gerechtigden die zijn vrijgesteld van wachttijd overeenkomstig artikel 116/1, § 2, eerste lid of artikel 128, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wet, het recht om prestaties te genieten tot het einde van het tijdvak dat aanvangt de dag waarop zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben verkregen en eindigt op het einde van het daaropvolgende kwartaal.
Zij behouden dit recht :
1° gedurende het eerste kwartaal volgend op het in het eerste lid bedoelde tijdvak, op voorwaarde dat zij over het kwartaal waarin zij de hoedanigheid van gerechtigde hebben verkregen, voldoen aan de voorwaarden inzake bijdragen, gesteld in afdeling V van hoofdstuk II van titel IV;
2° gedurende het tweede kwartaal volgend op het in het eerste lid bedoeld tijdvak, op voorwaarde dat ze, over ditzelfde tijdvak voldoen aan de voorwaarden inzake bijdragen, gesteld in afdeling V van hoofdstuk II van titel IV. ]1
Modifications
Art.204. [1 § 1er. Sans préjudice des dispositions de l'article 131 de la loi coordonnée, les titulaires visés à l'article 128, § 1er et les titulaires visés à l'article 128, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée qui ne remplissent pas les conditions de l'article 207, conservent le droit de bénéficier des prestations jusqu'à la fin du trimestre au cours duquel ils ont terminé le [2 stage d'attente]2.
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 131 de la loi coordonnée, les titulaires visés aux articles 116/1, § 1er et 116/1, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée qui ne remplissent pas les conditions de l'article 207/1, conservent le droit de bénéficier des prestations jusqu'à la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel ils ont terminé le [2 stage d'attente]2.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 131 de la loi coordonnée, les titulaires dispensés de l'accomplissement du [2 stage d'attente]2, conformément à l'article 116/1, § 2, alinéa 1er, ou à l'article 128, § 2, alinéa 1er, de la loi coordonnée, conservent le droit au bénéfice des prestations jusqu'à la fin de la période qui prend cours le jour où ils ont acquis la qualité de titulaire et se termine à la fin du trimestre suivant.
Ce droit leur est maintenu :
1° pendant le premier trimestre qui suit la période définie à l'alinéa 1er, à condition que, pour le trimestre au cours duquel ils ont acquis la qualité de titulaire, ils aient rempli les conditions en matière de cotisation prévues à la section V du chapitre II du titre IV;
2° pendant le deuxième trimestre qui suit la période définie à l'alinéa 1er, à condition que pour cette même période, ils aient rempli les conditions en matière de cotisation prévues à la section V du chapitre II du titre IV. ]1
§ 2. Sans préjudice des dispositions de l'article 131 de la loi coordonnée, les titulaires visés aux articles 116/1, § 1er et 116/1, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée qui ne remplissent pas les conditions de l'article 207/1, conservent le droit de bénéficier des prestations jusqu'à la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel ils ont terminé le [2 stage d'attente]2.
§ 3. Sans préjudice des dispositions de l'article 131 de la loi coordonnée, les titulaires dispensés de l'accomplissement du [2 stage d'attente]2, conformément à l'article 116/1, § 2, alinéa 1er, ou à l'article 128, § 2, alinéa 1er, de la loi coordonnée, conservent le droit au bénéfice des prestations jusqu'à la fin de la période qui prend cours le jour où ils ont acquis la qualité de titulaire et se termine à la fin du trimestre suivant.
Ce droit leur est maintenu :
1° pendant le premier trimestre qui suit la période définie à l'alinéa 1er, à condition que, pour le trimestre au cours duquel ils ont acquis la qualité de titulaire, ils aient rempli les conditions en matière de cotisation prévues à la section V du chapitre II du titre IV;
2° pendant le deuxième trimestre qui suit la période définie à l'alinéa 1er, à condition que pour cette même période, ils aient rempli les conditions en matière de cotisation prévues à la section V du chapitre II du titre IV. ]1
Afdeling II. - Vrijstelling en vermindering van wachttijd voor het recht op uitkeringen.
Section II. - De la dispense et de la réduction du [1 stage d'attente]1 pour le droit aux indemnités
Art.205. § 1. Zijn van de wachttijd vrijgesteld wat het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen [2 ...]2 betreft:
1° de bij de volgende wet en koninklijke besluiten bedoelde personen onder de daarin vastgestelde voorwaarden:
a) wet van 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben;
b) koninklijk besluit van 28 november 1956 tot vaststelling, voor de aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering onderworpen gewezen personeelsleden van de Belgische Spoorwegen of voor hun weduwen, van de voorwaarden van toekenning der verstrekkingen;
c) koninklijk besluit van 11 januari 1958 waarbij voor de oud-leden van de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag, of hun weduwen, onderworpen aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de voorwaarden tot toekenning van de verstrekkingen worden bepaald;
d) koninklijk besluit van 15 april 1958 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verstrekkingen der ziekte- en invaliditeitsverzekering worden toegekend aan de vluchtelingen van Hongaarse nationaliteit;
e) koninklijk besluit van 6 augustus 1962 waarbij sommige categorieën van personen die hun beroepsbedrijvigheid hetzij in Congo, hetzij in Ruanda-Urundi, hebben uitgeoefend, worden vrijgesteld van de voorwaarden van toelating tot de werkloosheidsverzekering en de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
(f) wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen;) <KB 2003-10-03/31, art. 7, 098; Inwerkingtreding : 14-10-2003>
2° de persoon die, binnen de dertig dagen na het einde (van het vervullen van militieverplichtingen) de hoedanigheid krijgt of opnieuw verkrijgt van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet; <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
3° [1 de jongeren die aan de volgende voorwaarden voldoen :
1. a) hetzij studies van de hogere secundaire cyclus, of het derde jaar van studies van het secundair technisch, kunst- of beroepsonderwijs voleindigd hebben in een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap;
b) hetzij voor de studies bedoeld in a) een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap hebben behaald;
c) [4 hetzij een alternerende opleiding voleindigd hebben;]4
d) hetzij voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, f), g), h) of j) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2. de hoedanigheid hebben verkregen van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, uiterlijk de dag na het tijdvak van dertien maanden na het beëindigen van de bovenvermelde studies [5 , alternerende opleiding]5 of leertijd of het behalen van een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap.
Indien de jongere andere studies aanvat nadat hij studies van de hogere secundaire cyclus of het derde jaar van studies van het secundair technisch, kunst- of beroepsonderwijs heeft beëindigd, gaat de in het eerste lid, 2, vastgestelde termijn in, de dag na het einde van de laatst voltooide studies of de dag na het stopzetten van de studies indien daaraan voortijdig een einde werd gemaakt.
De in het eerste lid, 2, bedoelde termijn wordt verlengd met :
a) de duur van de periodes als bedoeld in artikel 36, § 2, 2°, c), d) en e) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
b) de duur van de periode waarin de betrokkene door het vervullen van militieverplichtingen niet in staat is geweest om de hoedanigheid van gerechtigde te verkrijgen als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet;
c) de duur van de periode waarin de betrokkene arbeidsongeschikt is, zich bevindt in een tijdvak van facultatieve moederschapsrust of in [3 omgezet moederschapsverlof]3, als bedoeld in de gecoördineerde wet;
d) de duur van de periode waarin de betrokkene zich bevindt in een tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet.]1
[6 e) de duur van de periode waarin de betrokkene in toepassing van artikel 36, § 1/1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering vóór de leeftijd van 21 jaar niet in staat is geweest om de hoedanigheid van gerechtigde te verkrijgen als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c) van de gecoördineerde wet.]6
4° (de persoon die binnen dertig dagen na het einde van een periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1° van de gecoördineerde wet opnieuw verkrijgt of arbeidsongeschikt wordt in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, voorzover hij de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd vervuld had of daarvan was vrijgesteld en hij bij de aanvang van de periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving voldeed aan de toekenningsvoorwaarden voor het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
5° de persoon die gedurende een tijdvak van [10 twaalf]10 maanden ononderbroken heeft deelgenomen aan de verzekering waarin is voorzien bij de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, de bij de artikelen 17 en 19 van dezelfde wet bepaalde bijdragen heeft gestort en binnen dertig dagen na het einde hetzij van zijn deelneming aan die verzekering, hetzij aan een tijdvak tijdens hetwelk hij de in die wet bepaalde verstrekkingen inzake verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen heeft genoten de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c), van de gecoördineerde wet.
Indien de persoon gedurende een tijdvak van minder dan [10 twaalf]10 maanden ononderbroken heeft deelgenomen aan de verzekering waarin is voorzien bij de wet van 17 juli 1963, wordt het tijdvak dat gedekt is door de krachtens die wet gestorte bijdragen, gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd. Die samentelling mag evenwel slechts geschieden indien niet meer dan dertig dagen zijn verstreken tussen het einde van de deelneming aan de wetgeving waarin hij is voorzien bij de wet van 17 juli 1963, en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c), van de gecoördineerde wet.
(6° de persoon die, binnen het tijdvak van dertig dagen volgend op de datum waarop zijn vrijwillig ontslag als vastbenoemd ambtenaar ingaat, de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, voorzover hij voor een ononderbroken periode van minstens [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest als vastbenoemd ambtenaar. Indien hij voor een periode van minder dan [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest in die hoedanigheid, wordt dat tijdvak gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd.) <KB 2003-02-26/39, art. 1, 091; Inwerkingtreding : 12-04-2003>
[7 7° de persoon die binnen het tijdvak van dertig dagen vanaf de aanvang van zijn verlof zonder wedde om persoonlijke redenen als vastbenoemd ambtenaar, de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, in zoverre hij al voor een ononderbroken periode van minstens [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest als vastbenoemd ambtenaar. Indien hij voor een periode van minder dan [10 twaalf]10 maanden ononderbroken tewerkgesteld is geweest in die hoedanigheid, wordt dat tijdvak gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd.]7
§ 2. (...) <KB 2000-02-04/33, art. 1, C), 046; Inwerkingtreding : 21-03-2000>
§ 3. [8 ...]8.
[9 § 3/1. Van wachttijd vrijgesteld wat het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid betreft, is de persoon die na het einde van de maximale periode die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een overgangsuitkering voorzien in de pensioenwetgeving, de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1° of 4° van de gecoördineerde wet bezit en dit uiterlijk de eerste werkdag na het einde van de voormelde maximale periode.]9
§ 4. [10 ...]10
§ 5. [10 Voor de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, wordt de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot twee maanden die ten minste dertig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, ten gunste van de gerechtigde die, na zich niet langer in één van de toestanden te bevinden als bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet, na de hiervoor beoogde wachttijd te hebben volbracht of daarvan te zijn vrijgesteld, opnieuw onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voor zover de onderbreking, die niet mag verdeeld zijn :
1° tot doel heeft, op grond van een geschreven verklaring van de gerechtigde, hem toe te laten zich te wijden aan de opvoeding van een kind dat met hem onder hetzelfde dak woont en persoon ten laste is hetzij van de gerechtigde zelf, hetzij van de persoon waarbij de gerechtigde gedurende de hierboven vermelde onderbreking als persoon ten laste was ingeschreven met toepassing van de bepalingen van artikel 123, 1 en 2;
2° in de periode valt van drie jaar volgend op de geboortedatum van het kind.
De periode van drie jaar wordt verdubbeld wanneer het een kind betreft dat de bijkomende bijslag voor mindervalide kinderen geniet met toepassing van de wetgeving betreffende de kinderbijslag voor werknemers of van die betreffende de kinderbijslag voor zelfstandigen.
Wanneer een nieuwe geboorte zich voordoet vóór het einde van de onderbreking, kan deze worden verlengd, zonder respectievelijk de drie of de zes jaar volgend op de datum van deze nieuwe geboorte te mogen overschrijden.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vervullen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van twee maanden honderddrieëndertig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal zes maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in twee maanden te volbrengen.]10
§ 6. (Voor de persoon die de hoedanigheid had van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet tot ten minste de dertigste dag voor het vervullen van militieverplichtingen en die, ten laatste binnen de dertig dagen na het einde van het vervullen van militieverplichtingen zich bevindt in staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt de wachttijd als vervuld beschouwd.
Wanneer de in het vorige lid bedoelde persoon, binnen de dertig dagen nadat hij huiswaarts of met onbepaald verlof werd gezonden, zich bevindt in een staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet ter wille van een ongeval overkomen of een aandoening opgedaan tijdens het vervullen van zijn militieverplichtingen, wordt de wachttijd als vervuld beschouwd. Dit geldt ook wanneer die persoon, tijdens het vervullen van zijn militieverplichtingen, om gezondheidsredenen afwezig is uit zijn dienst, in zoverre zijn afwezigheid niet aangerekend wordt op de duur van zijn militieverplichtingen.) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 7. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
1° de bij de volgende wet en koninklijke besluiten bedoelde personen onder de daarin vastgestelde voorwaarden:
a) wet van 28 juni 1960 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de personen die bij het leger tijdelijke diensten volbracht hebben;
b) koninklijk besluit van 28 november 1956 tot vaststelling, voor de aan de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering onderworpen gewezen personeelsleden van de Belgische Spoorwegen of voor hun weduwen, van de voorwaarden van toekenning der verstrekkingen;
c) koninklijk besluit van 11 januari 1958 waarbij voor de oud-leden van de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden onder Belgische vlag, of hun weduwen, onderworpen aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, de voorwaarden tot toekenning van de verstrekkingen worden bepaald;
d) koninklijk besluit van 15 april 1958 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verstrekkingen der ziekte- en invaliditeitsverzekering worden toegekend aan de vluchtelingen van Hongaarse nationaliteit;
e) koninklijk besluit van 6 augustus 1962 waarbij sommige categorieën van personen die hun beroepsbedrijvigheid hetzij in Congo, hetzij in Ruanda-Urundi, hebben uitgeoefend, worden vrijgesteld van de voorwaarden van toelating tot de werkloosheidsverzekering en de ziekte- en invaliditeitsverzekering;
(f) wet van 6 februari 2003 betreffende het vrijwillig ontslag vergezeld van een geïndividualiseerd beroepsomschakelingsprogramma ten behoeve van bepaalde militairen en houdende sociale bepalingen;) <KB 2003-10-03/31, art. 7, 098; Inwerkingtreding : 14-10-2003>
2° de persoon die, binnen de dertig dagen na het einde (van het vervullen van militieverplichtingen) de hoedanigheid krijgt of opnieuw verkrijgt van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet; <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
3° [1 de jongeren die aan de volgende voorwaarden voldoen :
1. a) hetzij studies van de hogere secundaire cyclus, of het derde jaar van studies van het secundair technisch, kunst- of beroepsonderwijs voleindigd hebben in een onderwijsinstelling opgericht, erkend of gesubsidieerd door een Gemeenschap;
b) hetzij voor de studies bedoeld in a) een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap hebben behaald;
c) [4 hetzij een alternerende opleiding voleindigd hebben;]4
d) hetzij voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, § 1, eerste lid, 2°, f), g), h) of j) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
2. de hoedanigheid hebben verkregen van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, uiterlijk de dag na het tijdvak van dertien maanden na het beëindigen van de bovenvermelde studies [5 , alternerende opleiding]5 of leertijd of het behalen van een diploma of studiegetuigschrift voor de bevoegde examencommissie van een Gemeenschap.
Indien de jongere andere studies aanvat nadat hij studies van de hogere secundaire cyclus of het derde jaar van studies van het secundair technisch, kunst- of beroepsonderwijs heeft beëindigd, gaat de in het eerste lid, 2, vastgestelde termijn in, de dag na het einde van de laatst voltooide studies of de dag na het stopzetten van de studies indien daaraan voortijdig een einde werd gemaakt.
De in het eerste lid, 2, bedoelde termijn wordt verlengd met :
a) de duur van de periodes als bedoeld in artikel 36, § 2, 2°, c), d) en e) van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
b) de duur van de periode waarin de betrokkene door het vervullen van militieverplichtingen niet in staat is geweest om de hoedanigheid van gerechtigde te verkrijgen als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet;
c) de duur van de periode waarin de betrokkene arbeidsongeschikt is, zich bevindt in een tijdvak van facultatieve moederschapsrust of in [3 omgezet moederschapsverlof]3, als bedoeld in de gecoördineerde wet;
d) de duur van de periode waarin de betrokkene zich bevindt in een tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet.]1
[6 e) de duur van de periode waarin de betrokkene in toepassing van artikel 36, § 1/1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering vóór de leeftijd van 21 jaar niet in staat is geweest om de hoedanigheid van gerechtigde te verkrijgen als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c) van de gecoördineerde wet.]6
4° (de persoon die binnen dertig dagen na het einde van een periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1° van de gecoördineerde wet opnieuw verkrijgt of arbeidsongeschikt wordt in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, voorzover hij de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd vervuld had of daarvan was vrijgesteld en hij bij de aanvang van de periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving voldeed aan de toekenningsvoorwaarden voor het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen;) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
5° de persoon die gedurende een tijdvak van [10 twaalf]10 maanden ononderbroken heeft deelgenomen aan de verzekering waarin is voorzien bij de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, de bij de artikelen 17 en 19 van dezelfde wet bepaalde bijdragen heeft gestort en binnen dertig dagen na het einde hetzij van zijn deelneming aan die verzekering, hetzij aan een tijdvak tijdens hetwelk hij de in die wet bepaalde verstrekkingen inzake verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen heeft genoten de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c), van de gecoördineerde wet.
Indien de persoon gedurende een tijdvak van minder dan [10 twaalf]10 maanden ononderbroken heeft deelgenomen aan de verzekering waarin is voorzien bij de wet van 17 juli 1963, wordt het tijdvak dat gedekt is door de krachtens die wet gestorte bijdragen, gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd. Die samentelling mag evenwel slechts geschieden indien niet meer dan dertig dagen zijn verstreken tussen het einde van de deelneming aan de wetgeving waarin hij is voorzien bij de wet van 17 juli 1963, en het verkrijgen van de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c), van de gecoördineerde wet.
(6° de persoon die, binnen het tijdvak van dertig dagen volgend op de datum waarop zijn vrijwillig ontslag als vastbenoemd ambtenaar ingaat, de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) of c) van de gecoördineerde wet, voorzover hij voor een ononderbroken periode van minstens [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest als vastbenoemd ambtenaar. Indien hij voor een periode van minder dan [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest in die hoedanigheid, wordt dat tijdvak gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd.) <KB 2003-02-26/39, art. 1, 091; Inwerkingtreding : 12-04-2003>
[7 7° de persoon die binnen het tijdvak van dertig dagen vanaf de aanvang van zijn verlof zonder wedde om persoonlijke redenen als vastbenoemd ambtenaar, de hoedanigheid van gerechtigde verkrijgt als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, in zoverre hij al voor een ononderbroken periode van minstens [10 twaalf]10 maanden tewerkgesteld is geweest als vastbenoemd ambtenaar. Indien hij voor een periode van minder dan [10 twaalf]10 maanden ononderbroken tewerkgesteld is geweest in die hoedanigheid, wordt dat tijdvak gelijkgesteld met een tijdvak dat in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bedoelde wachttijd.]7
§ 2. (...) <KB 2000-02-04/33, art. 1, C), 046; Inwerkingtreding : 21-03-2000>
§ 3. [8 ...]8.
[9 § 3/1. Van wachttijd vrijgesteld wat het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid betreft, is de persoon die na het einde van de maximale periode die aanleiding heeft gegeven tot de betaling van een overgangsuitkering voorzien in de pensioenwetgeving, de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1° of 4° van de gecoördineerde wet bezit en dit uiterlijk de eerste werkdag na het einde van de voormelde maximale periode.]9
§ 4. [10 ...]10
§ 5. [10 Voor de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, wordt de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot twee maanden die ten minste dertig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, ten gunste van de gerechtigde die, na zich niet langer in één van de toestanden te bevinden als bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet, na de hiervoor beoogde wachttijd te hebben volbracht of daarvan te zijn vrijgesteld, opnieuw onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders voor zover de onderbreking, die niet mag verdeeld zijn :
1° tot doel heeft, op grond van een geschreven verklaring van de gerechtigde, hem toe te laten zich te wijden aan de opvoeding van een kind dat met hem onder hetzelfde dak woont en persoon ten laste is hetzij van de gerechtigde zelf, hetzij van de persoon waarbij de gerechtigde gedurende de hierboven vermelde onderbreking als persoon ten laste was ingeschreven met toepassing van de bepalingen van artikel 123, 1 en 2;
2° in de periode valt van drie jaar volgend op de geboortedatum van het kind.
De periode van drie jaar wordt verdubbeld wanneer het een kind betreft dat de bijkomende bijslag voor mindervalide kinderen geniet met toepassing van de wetgeving betreffende de kinderbijslag voor werknemers of van die betreffende de kinderbijslag voor zelfstandigen.
Wanneer een nieuwe geboorte zich voordoet vóór het einde van de onderbreking, kan deze worden verlengd, zonder respectievelijk de drie of de zes jaar volgend op de datum van deze nieuwe geboorte te mogen overschrijden.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vervullen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van twee maanden honderddrieëndertig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal zes maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in twee maanden te volbrengen.]10
§ 6. (Voor de persoon die de hoedanigheid had van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet tot ten minste de dertigste dag voor het vervullen van militieverplichtingen en die, ten laatste binnen de dertig dagen na het einde van het vervullen van militieverplichtingen zich bevindt in staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt de wachttijd als vervuld beschouwd.
Wanneer de in het vorige lid bedoelde persoon, binnen de dertig dagen nadat hij huiswaarts of met onbepaald verlof werd gezonden, zich bevindt in een staat van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet ter wille van een ongeval overkomen of een aandoening opgedaan tijdens het vervullen van zijn militieverplichtingen, wordt de wachttijd als vervuld beschouwd. Dit geldt ook wanneer die persoon, tijdens het vervullen van zijn militieverplichtingen, om gezondheidsredenen afwezig is uit zijn dienst, in zoverre zijn afwezigheid niet aangerekend wordt op de duur van zijn militieverplichtingen.) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 7. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 20, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Modifications
Art.205. § 1er. Sont dispensés du [11 stage d'attente]11 pour le droit aux indemnités d'incapacité de travail [2 ...]2:
1° les personnes visées par la loi et les arrêtés royaux suivants et dans les conditions qui y sont fixées:
a) loi du 28 juin 1960 relative à la sécurité sociale des personnes ayant effectué des services temporaires à l'armée;
b) arrêté royal du 28 novembre 1956 fixant, en ce qui concerne les anciens agents des chemins de fer belges ou leurs veuves, assujettis à l'assurance obligatoire en cas de maladie ou d'invalidité, les conditions d'octroi des prestations;
c) arrêté royal du 11 janvier 1958 fixant, en ce qui concerne les anciens affiliés à la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge ou leurs veuves, assujettis à l'assurance obligatoire en cas de maladie ou d'invalidité, les conditions d'octroi des prestations;
d) arrêté royal du 15 avril 1958 fixant les conditions dans lesquelles les prestations de l'assurance maladie-invalidité sont accordées aux réfugiés de nationalité hongroise;
e) arrêté royal du 6 août 1962, dispensant certaines catégories de personnes ayant exercé leur activité professionnelle soit au Congo, soit au Ruanda-Urundi des conditions d'admission à l'assurance chômage et à l'assurance maladie invalidité;
(f) loi du 6 février 2003 relative à la démission volontaire accompagnée d'un programme personnalisé de reconversion professionnelle au bénéfice de certains militaires et portant des dispositions sociales;) <AR 2003-10-03/31, art. 7, 098; En vigueur : 14-10-2003>
2° la personne qui, dans les trente jours suivant la fin (de l'accomplissement des obligations de milice), acquiert ou retrouve la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée; <AR 2003-03-12/42, art. 20, 090; En vigueur : 01-01-2003>
3° [1 les jeunes qui satisfont aux conditions suivantes :
1.a) soit ont terminé des études du cycle secondaire supérieur ou la troisième année d'études de l'enseignement secondaire technique, artistique ou professionnel, dans un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subventionné par une Communauté;
b) soit ont obtenu, pour les études visées sous a), un diplôme ou un certificat d'études devant le jury compétent d'une Communauté;
c) [4 soit ont terminé une formation en alternance;]4;
d) soit répondent aux conditions de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 2°, f), g), h) ou j) de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2. acquièrent la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, 1° a) ou c) de la loi coordonnée, au plus tard le lendemain de la période de treize mois qui suit la fin des études [5 , de la formation en alternance]5 ou de l'apprentissage susvisés ou l'obtention d'un diplôme ou d'un certificat d'études devant le jury compétent d'une Communauté.
Si, après avoir terminé des études du cycle secondaire supérieur ou la troisième année d'études de l'enseignement secondaire technique, artistique ou professionnel, le jeune entame d'autres études, le délai visé à l'alinéa 1er, 2, prend cours le jour qui suit la fin des études qui ont été accomplies en dernier lieu ou le jour qui suit la cessation des études, lorsqu'il y a été mis fin prématurément.
Le délai, visé à l'alinéa 1er, 2, est prolongé :
a) de la durée des périodes visées à l'article 36, § 2, 2°, c), d) et e) de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
b) de la durée de la période pendant laquelle l'intéressé, du fait de l'accomplissement des obligations de milice, n'a pas été en mesure d'acquérir la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, 1°, a) ou c) de la loi coordonnée;
c) de la durée de la période pendant laquelle l'intéressé est incapable de travailler, se trouve dans une période de repos de maternité facultatif ou en [3 congé de maternité converti ]3 au sens de la loi coordonnée;
d) de la durée de la période pendant laquelle l'intéressée se trouve dans une période de protection de la maternité visée à l'article 114bis de la loi coordonnée.]1
[6 e) de la durée de la période pendant laquelle en application de l'article 36, § 1/1 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, l'intéressé n'a pas été en mesure d'acquérir, avant l'âge de 21 ans, la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, 1°, c) de la loi coordonnée.]6
4° (la personne qui, dans les trente jours suivant la fin d'une période de détention préventive ou de privation de liberté, retrouve la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1° de la loi coordonnée, ou se trouve en incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, pour autant qu'elle ait accompli le [11 stage d'attente]11 prévu à l'article 128 de la loi coordonnée, à moins qu'elle n'en ait été dispensée et qu'elle remplissait les conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail au début de la période de détention préventive ou de privation de liberté;) <AR 2003-03-12/42, art. 20, 090; En vigueur : 01-01-2003>
5° la personne qui, ayant participé d'une façon ininterrompue pendant une période de [10 douze]10 mois à l'assurance prévue par la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre mer, a versé les cotisations prescrites par les articles 17 et 19 de la même loi et qui, dans les trente jours suivant la fin, soit de sa participation à cette assurance, soit de la période pendant laquelle elle a bénéficié des prestations de l'assurance soins de santé et indemnités prévue par cette loi, acquiert la qualité de titulaire définie à l'article 86, § 1er, 1°, a) ou c), de la loi coordonnée.
Si la personne a participé d'une façon ininterrompue pendant une période inférieure à [10 douze]10 mois à l'assurance prévue par la loi du 17 juillet 1963, la période couverte par les cotisation versées en vertu de ladite loi est assimilée à une période intervenant dans le calcul du [11 stage d'attente]11 visé à l'article 128 de la loi coordonnée Toutefois, il n'y a lieu à cette totalisation que dans la mesure où il ne s'est pas écoulé un délai supérieur à trente jours entre la fin de la participation à la législation prévue par la loi du 17 juillet 1963, et l'acquisition de la qualité de titulaire définie à l'article 86, § 1er, 1°, a) ou c), de la loi coordonnée.
(6° la personne qui, dans la période de trente jours suivant la date à laquelle prend effet sa démission volontaire comme agent statutaire, acquiert la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, a) ou c) de la loi coordonnée, pour autant qu'elle ait été employée pendant une période ininterrompue d'au moins [10 douze]10 mois comme agent statutaire. Si elle a été employée pendant une période de moins de [10 douze]10 mois en cette qualité, cette période est assimilée à une période, prise en considération pour le calcul du [11 stage d'attente]11, prévu à l'article 128 de la loi coordonnée.) <AR 2003-02-26/39, art. 1, 091; En vigueur : 12-04-2003>
[7 7° la personne qui acquiert dans la période de trente jours suivant le début de son congé sans solde pour convenance personnelle comme agent statutaire, la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, a), de la loi coordonnée, pour autant qu'elle ait été employée pendant une période ininterrompue d'au moins [10 douze]10 mois comme agent statutaire. Si elle a été employée pendant une période ininterrompue de moins de [10 douze]10 mois en cette qualité, cette période est assimilée à une période qui est prise en compte pour le calcul du [11 stage d'attente]11 prévu à l'article 128 de la loi coordonnée.]7
§ 2. (...) <AR 2000-02-04/33, art. 1, C), 046; En vigueur : 21-03-2000>
§ 3. [8 ...]8.
[9 § 3/1. Est dispensée du [11 stage d'attente]11 pour le droit aux indemnités d'incapacité de travail, la personne qui, au terme de la période maximale donnant lieu au paiement d'une allocation de transition prévue par la législation relative aux pensions, a la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1° ou 4°, de la loi coordonnée et ce, au plus tard le premier jour ouvrable suivant la fin de la période maximale précitée.]9
§ 4. [10 ...]10
§ 5.[10 Pour l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail, le [11 stage d'attente]11 prévu à l'article 128 de la loi coordonnée est réduit à deux mois comprenant au moins trente jours de travail ou assimilés en faveur du titulaire qui, ayant cessé de se trouver dans une des situations visées à l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée, après avoir accompli le [11 stage d'attente]11 visé ci-dessus ou en avoir été dispensé, se trouve à nouveau assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, pour autant que l'interruption qui ne peut être fractionnée :
1° ait pour but, suivant une déclaration écrite du titulaire, de lui permettre de se consacrer à l'éducation d'un enfant vivant sous son toit, personne à charge soit du titulaire lui-même, soit de la personne à charge de laquelle ce titulaire a été inscrit pendant l'interruption susvisée, en application des dispositions de l'article 123, 1 et 2;
2° se situe dans la période de trois ans qui suit la date de la naissance de l'enfant.
La période de trois ans est doublée lorsque il s'agit d'un enfant bénéficiant de l'allocation supplémentaire pour enfants handicapés, octroyée en application de la législation relative aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou de celle relative aux allocations familiales pour travailleurs indépendants.
Lorsqu'une nouvelle naissance survient avant la fin de l'interruption, celle-ci peut être prolongée, sans pouvoir dépasser respectivement les trois ou les six années suivant la date de cette nouvelle naissance.
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le [11 stage d'attente]11 réduit s'ils totalisent, au cours d'une période de deux mois, cent trente-trois heures de travail ou assimilées. La période de référence est toutefois prolongée jusqu'à six mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur [11 stage d'attente]11 réduit en deux mois.]10
§ 6. (Pour la personne qui avait la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée jusqu'au trentième jour au moins avant l'accomplissement des obligations de milice et qui, au plus tard dans les trente jours suivant la fin de l'accomplissement des obligations de milice, se trouve en état d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, le [11 stage d'attente]11 est considéré comme accompli.
Lorsque la personne visée à l'alinéa précédent se trouve, dans les trente jours suivant le renvoi dans les foyers ou l'envoi en congé illimité, en un état d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, causé par un accident survenu ou une affection contractée pendant l'accomplissement des obligations de milice, le [11 stage d'attente]11 est considéré comme accompli. Il en va de même lorsque cette personne, pendant l'accomplissement des obligations de milice, est absente de son service pour raison de santé, pour autant que cette absence ne soit pas imputée sur la durée de ses obligations de milice.) <AR 2003-03-12/42, art. 20, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 7. (abroge) <AR 2003-03-12/42, art. 20, 090; En vigueur : 01-01-2003>
1° les personnes visées par la loi et les arrêtés royaux suivants et dans les conditions qui y sont fixées:
a) loi du 28 juin 1960 relative à la sécurité sociale des personnes ayant effectué des services temporaires à l'armée;
b) arrêté royal du 28 novembre 1956 fixant, en ce qui concerne les anciens agents des chemins de fer belges ou leurs veuves, assujettis à l'assurance obligatoire en cas de maladie ou d'invalidité, les conditions d'octroi des prestations;
c) arrêté royal du 11 janvier 1958 fixant, en ce qui concerne les anciens affiliés à la Caisse de secours et de prévoyance en faveur des marins naviguant sous pavillon belge ou leurs veuves, assujettis à l'assurance obligatoire en cas de maladie ou d'invalidité, les conditions d'octroi des prestations;
d) arrêté royal du 15 avril 1958 fixant les conditions dans lesquelles les prestations de l'assurance maladie-invalidité sont accordées aux réfugiés de nationalité hongroise;
e) arrêté royal du 6 août 1962, dispensant certaines catégories de personnes ayant exercé leur activité professionnelle soit au Congo, soit au Ruanda-Urundi des conditions d'admission à l'assurance chômage et à l'assurance maladie invalidité;
(f) loi du 6 février 2003 relative à la démission volontaire accompagnée d'un programme personnalisé de reconversion professionnelle au bénéfice de certains militaires et portant des dispositions sociales;) <AR 2003-10-03/31, art. 7, 098; En vigueur : 14-10-2003>
2° la personne qui, dans les trente jours suivant la fin (de l'accomplissement des obligations de milice), acquiert ou retrouve la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée; <AR 2003-03-12/42, art. 20, 090; En vigueur : 01-01-2003>
3° [1 les jeunes qui satisfont aux conditions suivantes :
1.a) soit ont terminé des études du cycle secondaire supérieur ou la troisième année d'études de l'enseignement secondaire technique, artistique ou professionnel, dans un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subventionné par une Communauté;
b) soit ont obtenu, pour les études visées sous a), un diplôme ou un certificat d'études devant le jury compétent d'une Communauté;
c) [4 soit ont terminé une formation en alternance;]4;
d) soit répondent aux conditions de l'article 36, § 1er, alinéa 1er, 2°, f), g), h) ou j) de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
2. acquièrent la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, 1° a) ou c) de la loi coordonnée, au plus tard le lendemain de la période de treize mois qui suit la fin des études [5 , de la formation en alternance]5 ou de l'apprentissage susvisés ou l'obtention d'un diplôme ou d'un certificat d'études devant le jury compétent d'une Communauté.
Si, après avoir terminé des études du cycle secondaire supérieur ou la troisième année d'études de l'enseignement secondaire technique, artistique ou professionnel, le jeune entame d'autres études, le délai visé à l'alinéa 1er, 2, prend cours le jour qui suit la fin des études qui ont été accomplies en dernier lieu ou le jour qui suit la cessation des études, lorsqu'il y a été mis fin prématurément.
Le délai, visé à l'alinéa 1er, 2, est prolongé :
a) de la durée des périodes visées à l'article 36, § 2, 2°, c), d) et e) de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
b) de la durée de la période pendant laquelle l'intéressé, du fait de l'accomplissement des obligations de milice, n'a pas été en mesure d'acquérir la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, 1°, a) ou c) de la loi coordonnée;
c) de la durée de la période pendant laquelle l'intéressé est incapable de travailler, se trouve dans une période de repos de maternité facultatif ou en [3 congé de maternité converti ]3 au sens de la loi coordonnée;
d) de la durée de la période pendant laquelle l'intéressée se trouve dans une période de protection de la maternité visée à l'article 114bis de la loi coordonnée.]1
[6 e) de la durée de la période pendant laquelle en application de l'article 36, § 1/1 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, l'intéressé n'a pas été en mesure d'acquérir, avant l'âge de 21 ans, la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, 1°, c) de la loi coordonnée.]6
4° (la personne qui, dans les trente jours suivant la fin d'une période de détention préventive ou de privation de liberté, retrouve la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1° de la loi coordonnée, ou se trouve en incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, pour autant qu'elle ait accompli le [11 stage d'attente]11 prévu à l'article 128 de la loi coordonnée, à moins qu'elle n'en ait été dispensée et qu'elle remplissait les conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail au début de la période de détention préventive ou de privation de liberté;) <AR 2003-03-12/42, art. 20, 090; En vigueur : 01-01-2003>
5° la personne qui, ayant participé d'une façon ininterrompue pendant une période de [10 douze]10 mois à l'assurance prévue par la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre mer, a versé les cotisations prescrites par les articles 17 et 19 de la même loi et qui, dans les trente jours suivant la fin, soit de sa participation à cette assurance, soit de la période pendant laquelle elle a bénéficié des prestations de l'assurance soins de santé et indemnités prévue par cette loi, acquiert la qualité de titulaire définie à l'article 86, § 1er, 1°, a) ou c), de la loi coordonnée.
Si la personne a participé d'une façon ininterrompue pendant une période inférieure à [10 douze]10 mois à l'assurance prévue par la loi du 17 juillet 1963, la période couverte par les cotisation versées en vertu de ladite loi est assimilée à une période intervenant dans le calcul du [11 stage d'attente]11 visé à l'article 128 de la loi coordonnée Toutefois, il n'y a lieu à cette totalisation que dans la mesure où il ne s'est pas écoulé un délai supérieur à trente jours entre la fin de la participation à la législation prévue par la loi du 17 juillet 1963, et l'acquisition de la qualité de titulaire définie à l'article 86, § 1er, 1°, a) ou c), de la loi coordonnée.
(6° la personne qui, dans la période de trente jours suivant la date à laquelle prend effet sa démission volontaire comme agent statutaire, acquiert la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, a) ou c) de la loi coordonnée, pour autant qu'elle ait été employée pendant une période ininterrompue d'au moins [10 douze]10 mois comme agent statutaire. Si elle a été employée pendant une période de moins de [10 douze]10 mois en cette qualité, cette période est assimilée à une période, prise en considération pour le calcul du [11 stage d'attente]11, prévu à l'article 128 de la loi coordonnée.) <AR 2003-02-26/39, art. 1, 091; En vigueur : 12-04-2003>
[7 7° la personne qui acquiert dans la période de trente jours suivant le début de son congé sans solde pour convenance personnelle comme agent statutaire, la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, a), de la loi coordonnée, pour autant qu'elle ait été employée pendant une période ininterrompue d'au moins [10 douze]10 mois comme agent statutaire. Si elle a été employée pendant une période ininterrompue de moins de [10 douze]10 mois en cette qualité, cette période est assimilée à une période qui est prise en compte pour le calcul du [11 stage d'attente]11 prévu à l'article 128 de la loi coordonnée.]7
§ 2. (...) <AR 2000-02-04/33, art. 1, C), 046; En vigueur : 21-03-2000>
§ 3. [8 ...]8.
[9 § 3/1. Est dispensée du [11 stage d'attente]11 pour le droit aux indemnités d'incapacité de travail, la personne qui, au terme de la période maximale donnant lieu au paiement d'une allocation de transition prévue par la législation relative aux pensions, a la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1° ou 4°, de la loi coordonnée et ce, au plus tard le premier jour ouvrable suivant la fin de la période maximale précitée.]9
§ 4. [10 ...]10
§ 5.[10 Pour l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail, le [11 stage d'attente]11 prévu à l'article 128 de la loi coordonnée est réduit à deux mois comprenant au moins trente jours de travail ou assimilés en faveur du titulaire qui, ayant cessé de se trouver dans une des situations visées à l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée, après avoir accompli le [11 stage d'attente]11 visé ci-dessus ou en avoir été dispensé, se trouve à nouveau assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, pour autant que l'interruption qui ne peut être fractionnée :
1° ait pour but, suivant une déclaration écrite du titulaire, de lui permettre de se consacrer à l'éducation d'un enfant vivant sous son toit, personne à charge soit du titulaire lui-même, soit de la personne à charge de laquelle ce titulaire a été inscrit pendant l'interruption susvisée, en application des dispositions de l'article 123, 1 et 2;
2° se situe dans la période de trois ans qui suit la date de la naissance de l'enfant.
La période de trois ans est doublée lorsque il s'agit d'un enfant bénéficiant de l'allocation supplémentaire pour enfants handicapés, octroyée en application de la législation relative aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou de celle relative aux allocations familiales pour travailleurs indépendants.
Lorsqu'une nouvelle naissance survient avant la fin de l'interruption, celle-ci peut être prolongée, sans pouvoir dépasser respectivement les trois ou les six années suivant la date de cette nouvelle naissance.
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le [11 stage d'attente]11 réduit s'ils totalisent, au cours d'une période de deux mois, cent trente-trois heures de travail ou assimilées. La période de référence est toutefois prolongée jusqu'à six mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur [11 stage d'attente]11 réduit en deux mois.]10
§ 6. (Pour la personne qui avait la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée jusqu'au trentième jour au moins avant l'accomplissement des obligations de milice et qui, au plus tard dans les trente jours suivant la fin de l'accomplissement des obligations de milice, se trouve en état d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, le [11 stage d'attente]11 est considéré comme accompli.
Lorsque la personne visée à l'alinéa précédent se trouve, dans les trente jours suivant le renvoi dans les foyers ou l'envoi en congé illimité, en un état d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, causé par un accident survenu ou une affection contractée pendant l'accomplissement des obligations de milice, le [11 stage d'attente]11 est considéré comme accompli. Il en va de même lorsque cette personne, pendant l'accomplissement des obligations de milice, est absente de son service pour raison de santé, pour autant que cette absence ne soit pas imputée sur la durée de ses obligations de milice.) <AR 2003-03-12/42, art. 20, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 7. (abroge) <AR 2003-03-12/42, art. 20, 090; En vigueur : 01-01-2003>
Modifications
Art. 205/1. [1 § 1. Voor de vrijstelling van wachttijd wat het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet betreft, zijn de bepalingen van artikel 205, § 1, § 3/1 en § 6 onder dezelfde voorwaarden van toepassing. Indien de vroegere vervulling van een wachttijd vereist is of overeenkomstig artikel 205, § 1, 5°, 6° en 7° een bepaald tijdvak met het vervullen van de wachttijd wordt gelijkgesteld, wordt met de duur van de wachttijd bedoeld in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet rekening gehouden.
§ 2. Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering, wordt de in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd in de situatie bedoeld in artikel 205, § 5 en onder de voorwaarden die er worden bepaald, verminderd tot een maand die ten minste twintig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvat.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vervullen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van één maand zevenzestig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal drie maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in één maand te volbrengen.
§ 3. Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering wordt de in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot drie maanden die ten minste zestig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, voor de gerechtigde die, wanneer hij zich niet langer in één van de toestanden bevindt bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet, na de hiervoor bedoelde wachttijd te hebben volbracht of daarvan te zijn vrijgesteld, opnieuw onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders indien hij intussen als vrijwillig verzekerde voortdurend effectief lid of persoon ten laste is geweest van een ziekenfonds voor de verstrekkingen inzake moederschap.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van drie maanden tweehonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. [2 Zij volbrengen echter hun wachttijd indien zij over een periode van drie maanden zevenenzestig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren op voorwaarde dat zij zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden om tweehonderd arbeidsuren te presteren tijdens deze drie maanden.]2]1
§ 2. Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering, wordt de in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd in de situatie bedoeld in artikel 205, § 5 en onder de voorwaarden die er worden bepaald, verminderd tot een maand die ten minste twintig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvat.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vervullen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van één maand zevenzestig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal drie maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in één maand te volbrengen.
§ 3. Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering wordt de in artikel 116/1 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot drie maanden die ten minste zestig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, voor de gerechtigde die, wanneer hij zich niet langer in één van de toestanden bevindt bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet, na de hiervoor bedoelde wachttijd te hebben volbracht of daarvan te zijn vrijgesteld, opnieuw onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders indien hij intussen als vrijwillig verzekerde voortdurend effectief lid of persoon ten laste is geweest van een ziekenfonds voor de verstrekkingen inzake moederschap.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van drie maanden tweehonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. [2 Zij volbrengen echter hun wachttijd indien zij over een periode van drie maanden zevenenzestig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren op voorwaarde dat zij zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden om tweehonderd arbeidsuren te presteren tijdens deze drie maanden.]2]1
Art. 205/1. [1 § 1er. Pour la dispense de [3 stage d'attente]3 pour le droit aux indemnités de maternité visées à l'article 113 de la loi coordonnée, les dispositions de l'article 205, § 1er, § 3/1 et § 6, sont également d'application dans les mêmes conditions. Si l'accomplissement préalable d'un [3 stage d'attente]3 est requis ou si, conformément à l'article 205, § 1er, 5°, 6° et 7°, une période déterminée est assimilée pour l'accomplissement du [3 stage d'attente]3, il est tenu compte de la durée du [3 stage d'attente]3 visée à l'article 116/1 de la loi coordonnée.
§ 2. Pour l'octroi de l'indemnité de maternité visée à l'article 113 de la loi coordonnée, le [3 stage d'attente]3 prévu à l'article 116/1 de la loi coordonnée est, dans la situation visée à l'article 205, § 5 et dans les conditions qui y sont fixées, réduit à un mois comprenant au moins vingt jours de travail ou assimilés.
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le [3 stage d'attente]3 réduit s'ils totalisent, au cours d'une période d'un mois, soixante-sept heures de travail ou assimilées. La période de référence est toutefois prolongée jusqu'à trois mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur [3 stage d'attente]3 réduit en un mois.
§ 3. Pour l'octroi de l'indemnité de maternité visée à l'article 113 de la loi coordonnée, le [3 stage d'attente]3 prévu à l'article 116/1 de la loi coordonnée est réduit à trois mois comprenant au moins soixante jours de travail ou assimilés pour le titulaire qui, ayant cessé de se trouver dans une des situations visées à l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée, après avoir accompli le [3 stage d'attente]3 visé ci-dessus ou en avoir été dispensé, se trouve à nouveau assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs si, dans l'intervalle, il a été constamment membre effectif ou personne à charge d'une mutualité, en qualité d'assuré libre, pour les prestations de maternité.
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le [3 stage d'attente]3 réduit s'ils totalisent au cours d'une période de trois mois, deux cents heures de travail ou assimilées. [2 Toutefois, ils accomplissent leur stage d'attente s'ils ont accompli, au cours d'une période de trois mois, soixante-sept heures de travail ou assimilées, à condition qu'ils se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir deux cents heures de travail durant ces trois mois en raison de leur régime de travail.]2]1
§ 2. Pour l'octroi de l'indemnité de maternité visée à l'article 113 de la loi coordonnée, le [3 stage d'attente]3 prévu à l'article 116/1 de la loi coordonnée est, dans la situation visée à l'article 205, § 5 et dans les conditions qui y sont fixées, réduit à un mois comprenant au moins vingt jours de travail ou assimilés.
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le [3 stage d'attente]3 réduit s'ils totalisent, au cours d'une période d'un mois, soixante-sept heures de travail ou assimilées. La période de référence est toutefois prolongée jusqu'à trois mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur [3 stage d'attente]3 réduit en un mois.
§ 3. Pour l'octroi de l'indemnité de maternité visée à l'article 113 de la loi coordonnée, le [3 stage d'attente]3 prévu à l'article 116/1 de la loi coordonnée est réduit à trois mois comprenant au moins soixante jours de travail ou assimilés pour le titulaire qui, ayant cessé de se trouver dans une des situations visées à l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée, après avoir accompli le [3 stage d'attente]3 visé ci-dessus ou en avoir été dispensé, se trouve à nouveau assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs si, dans l'intervalle, il a été constamment membre effectif ou personne à charge d'une mutualité, en qualité d'assuré libre, pour les prestations de maternité.
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le [3 stage d'attente]3 réduit s'ils totalisent au cours d'une période de trois mois, deux cents heures de travail ou assimilées. [2 Toutefois, ils accomplissent leur stage d'attente s'ils ont accompli, au cours d'une période de trois mois, soixante-sept heures de travail ou assimilées, à condition qu'ils se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir deux cents heures de travail durant ces trois mois en raison de leur régime de travail.]2]1
Afdeling III. - Regelen inzake wachttijd in geval van overgang van één sector van de verzekering voor uitkeringen naar een andere.
Section III. - Des modalités de [1 stage d'attente]1 en cas de passage d'un secteur de l'assurance indemnités à un autre.
Art.206. Voor de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid [1 ...]1, wordt de in artikel 128 van de gecoördineerde wet bepaalde wachttijd verminderd tot [2 zes]2 maanden die ten minste [2 negentig]2 (arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen) omvatten, ten gunste van de persoon die de hoedanigheid verkrijgt van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij genoemde hoedanigheid verkrijgt uiterlijk de dertigste dag nadat hij de hoedanigheid van gerechtigde beoogd in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering voor arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen verloor en hij de in die regeling voorgeschreven wachttijd heeft volbracht of ervan was vrijgesteld. <KB 2001-06-10/60, art. 37, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van [2 zes]2 maanden, [2 vierhonderd]2 (arbeidsuren of gelijkgestelde uren) presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal [2 achttien]2 maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in [2 zes]2 maanden te volbrengen. <KB 2001-06-10/60, art. 37, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van [2 zes]2 maanden, [2 vierhonderd]2 (arbeidsuren of gelijkgestelde uren) presteren. De referteperiode wordt evenwel verlengd tot maximaal [2 achttien]2 maanden voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden hun verminderde wachttijd in [2 zes]2 maanden te volbrengen. <KB 2001-06-10/60, art. 37, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.206. Pour l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail [1 ...]1, le [3 stage d'attente]3 prévu à l'article 128 de la loi coordonnée est réduit à [2 six ]2 mois comprenant au moins [2 nonante]2 (jours de travail ou assimilés) en faveur de la personne qui acquiert la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, à condition qu'elle acquiert ladite qualité au plus tard le trentième jour après avoir perdu la qualité de titulaire visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant un régime d'assurance contre l'incapacité de travail en faveur des travailleurs indépendants et qu'elle ait accompli le [3 stage d'attente]3 prévu dans ledit régime ou en a été dispensée. <AR 2001-06-10/60, art. 37, 063; En vigueur : 01-01-2003>
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le [3 stage d'attente]3 réduit s'ils totalisent, au cours d'une période de [2 six]2 mois, [2 quatre cents]2 (heures de travail ou assimilées). La période de référence est toutefois prolongée jusqu'à [2 dix-huit ]2 mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur [3 stage d'attente]3 réduit dans les [2 six]2 mois. <AR 2001-06-10/60, art. 37, 063; En vigueur : 01-01-2003>
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le [3 stage d'attente]3 réduit s'ils totalisent, au cours d'une période de [2 six]2 mois, [2 quatre cents]2 (heures de travail ou assimilées). La période de référence est toutefois prolongée jusqu'à [2 dix-huit ]2 mois au maximum pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui, en raison de leur régime de travail, se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir leur [3 stage d'attente]3 réduit dans les [2 six]2 mois. <AR 2001-06-10/60, art. 37, 063; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 206/1. [1 Voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bedoelde moederschapsuitkering, is een vrijstelling van wachttijd van toepassing voor de persoon die de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet verkrijgt, op voorwaarde dat hij de voormelde hoedanigheid verkrijgt uiterlijk de dertigste dag nadat hij de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten verloor en hij de in die regeling voorgeschreven wachttijd heeft volbracht of ervan was vrijgesteld.]1
Modifications
Art. 206/1. [1 Pour l'octroi de l'indemnité de maternité visée à l'article 113 de la loi coordonnée, une dispense de stage d'attente est d'application pour la personne qui acquiert la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, à condition qu'elle acquière la qualité précitée au plus tard le trentième jour après avoir perdu la qualité de titulaire visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants et qu'elle ait accompli le stage d'attente prévu dans ledit régime ou en ait été dispensée.]1
Modifications
Art. 206/2. [1 Wanneer iemand niet van de vervulling van de wachttijd in het stelsel van de zelfstandigen was vrijgesteld en slechts voor één kalenderkwartaal waarin hij de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten had, de op grond van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen verschuldigde bijdrage heeft betaald, wordt voor de toekenning van de in artikel 113 van de gecoördineerde wet bepaalde moederschapsuitkering de wachttijd verminderd tot drie maanden die ten minste zestig arbeidsdagen of gelijkgestelde dagen omvatten, op voorwaarde dat er geen termijn van meer dan dertig dagen verstreken is tussen het verlies van de voormelde hoedanigheid van gerechtigde in het stelsel van de zelfstandigen en het verwerven van de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van drie maanden, tweehonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. Zij volbrengen echter hun wachttijd indien zij over een periode van drie maanden zevenenzestig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren op voorwaarde dat zij zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden om tweehonderd arbeidsuren te presteren tijdens deze drie maanden.]1
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers volbrengen de verminderde wachttijd indien zij over een periode van drie maanden, tweehonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren. Zij volbrengen echter hun wachttijd indien zij over een periode van drie maanden zevenenzestig arbeidsuren of gelijkgestelde uren presteren op voorwaarde dat zij zich wegens hun arbeidsregeling in de onmogelijkheid bevinden om tweehonderd arbeidsuren te presteren tijdens deze drie maanden.]1
Art. 206/2. [1 Lorsqu'une personne n'a pas été dispensée de l'accomplissement du stage d'attente dans le régime des travailleurs indépendants et n'a payé la cotisation due en vertu de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, que pour un seul trimestre civil dans lequel il avait la qualité de titulaire visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, le stage d'attente est réduit, pour l'octroi de l'indemnité de maternité prévue à l'article 113 de la loi coordonnée, à trois mois comprenant au moins soixante jours de travail ou assimilés, à condition qu'il ne se soit pas écoulé un délai de plus de trente jours entre la perte de la qualité de titulaire précitée dans le régime des travailleurs indépendants et l'acquisition de la qualité de titulaire au sens de l'article 86, § 1er, 1°, de la loi coordonnée.
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le stage d'attente réduit s'ils totalisent au cours d'une période de trois mois, deux cents heures de travail ou assimilées. Toutefois, ils accomplissent leur stage d'attente s'ils ont accompli, au cours d'une période de trois mois, soixante-sept heures de travail ou assimilées, à condition qu'ils se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir deux cents heures de travail durant ces trois mois en raison de leur régime de travail.]1
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel accomplissent le stage d'attente réduit s'ils totalisent au cours d'une période de trois mois, deux cents heures de travail ou assimilées. Toutefois, ils accomplissent leur stage d'attente s'ils ont accompli, au cours d'une période de trois mois, soixante-sept heures de travail ou assimilées, à condition qu'ils se trouvent dans l'impossibilité d'accomplir deux cents heures de travail durant ces trois mois en raison de leur régime de travail.]1
Modifications
Afdeling IV. [1 Afdeling IV. - Behoud van de rechten met toepassing van de artikelen 116/3 en 130 van de gecoördineerde wet]1
Section IV. [1 - Du maintien des droits en application des articles 116/3 et 130 de la loi coordonnée ]1
Art.207. <KB 2001-06-10/61, art. 8, 064; Inwerkingtreding : 01-01-2003> [1 Voor de toepassing van artikel 130, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet moeten de gerechtigden op één of andere wijze voor het tweede en derde kwartaal voorafgaandelijk het kwartaal waarin zij een beroep op prestaties doen de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in artikel 86, § 1 van de gecoördineerde wet gedurende honderdtwintig werkdagen behouden.]1
[1 In afwijking van het eerste lid, behouden de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat waarin ze om prestaties vragen enerzijds vierhonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren zoals bedoeld in artikel 203, vierde lid aantonen en anderzijds voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 130, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet.]1
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden evenwel het recht op uitkeringen voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 130, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet. Indien de arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en indien de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden deze arbeidsprestaties beschouwd niet gescheiden te zijn door een periode van meer dan dertig dagen.
Nochtans geniet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer die op het einde van een kwartaal in het genot is van uitkeringen, verder prestaties tot op het einde van de lopende arbeidsongeschiktheid.
[1 In afwijking van het eerste lid, behouden de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat waarin ze om prestaties vragen enerzijds vierhonderd arbeidsuren of gelijkgestelde uren zoals bedoeld in artikel 203, vierde lid aantonen en anderzijds voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 130, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet.]1
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden evenwel het recht op uitkeringen voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 130, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet. Indien de arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en indien de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden deze arbeidsprestaties beschouwd niet gescheiden te zijn door een periode van meer dan dertig dagen.
Nochtans geniet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer die op het einde van een kwartaal in het genot is van uitkeringen, verder prestaties tot op het einde van de lopende arbeidsongeschiktheid.
Modifications
Art.207. <AR 2001-06-10/61, art. 8, 064; En vigueur : 01-01-2003> [1 Pour l'application de l'article 130, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée, les titulaires doivent conserver, à un titre quelconque, la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée pour les deuxième et troisièmes trimestres précédant celui au cours duquel ils font appel aux prestations, pendant cent vingt jours ouvrables.]1
[1 Par dérogation à l'alinéa premier, les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel maintiennent leur droit aux indemnités d'incapacité de travail à condition que, pour les deuxième et troisième trimestres précédant celui au cours duquel ils sollicitent les prestations, d'une part, ils aient totalisé quatre cents heures de travail ou assimilées visées à l'article 203, alinéa 4, et, d'autre part, ils aient satisfait aux conditions déterminées à l'article 130, alinéa 1er, 2°, de la loi coordonnée.]1
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui ne satisfont pas à ces conditions maintiennent cependant leur droit aux indemnités pour autant qu'au cours des trois trimestres précédant celui au cours duquel ils font appel aux prestations, il ne se soit pas produit d'interruption continue de plus de trente jours dans leur qualité de titulaire telle qu'elle est définie à l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée et pour autant qu'ils aient satisfait aux conditions déterminées à l'article 130, alinéa 1er, 2° de la loi coordonnée. Si les données relatives au temps de travail sont communiquées de manière globale par trimestre au service compétent pour la perception des cotisations de sécurité sociale et si les prestations de travail ne peuvent pas être situées dans un trimestre, ces prestations de travail sont considérées comme n'étant pas séparées par un délai supérieur à trente jours.
Toutefois, le travailleur saisonnier, le travailleur intermittent ou le travailleur à temps partiel qui est au bénéfice d'indemnités à la fin d'un trimestre continue à bénéficier des prestations jusqu'à la fin de l'incapacité en cours.
[1 Par dérogation à l'alinéa premier, les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel maintiennent leur droit aux indemnités d'incapacité de travail à condition que, pour les deuxième et troisième trimestres précédant celui au cours duquel ils sollicitent les prestations, d'une part, ils aient totalisé quatre cents heures de travail ou assimilées visées à l'article 203, alinéa 4, et, d'autre part, ils aient satisfait aux conditions déterminées à l'article 130, alinéa 1er, 2°, de la loi coordonnée.]1
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui ne satisfont pas à ces conditions maintiennent cependant leur droit aux indemnités pour autant qu'au cours des trois trimestres précédant celui au cours duquel ils font appel aux prestations, il ne se soit pas produit d'interruption continue de plus de trente jours dans leur qualité de titulaire telle qu'elle est définie à l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée et pour autant qu'ils aient satisfait aux conditions déterminées à l'article 130, alinéa 1er, 2° de la loi coordonnée. Si les données relatives au temps de travail sont communiquées de manière globale par trimestre au service compétent pour la perception des cotisations de sécurité sociale et si les prestations de travail ne peuvent pas être situées dans un trimestre, ces prestations de travail sont considérées comme n'étant pas séparées par un délai supérieur à trente jours.
Toutefois, le travailleur saisonnier, le travailleur intermittent ou le travailleur à temps partiel qui est au bénéfice d'indemnités à la fin d'un trimestre continue à bénéficier des prestations jusqu'à la fin de l'incapacité en cours.
Modifications
Art. 207/1. [1 De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers behouden het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet op voorwaarde dat zij voor het tweede en derde kwartaal vóór dat waarin ze om prestaties vragen enerzijds het in artikel 203/1, tweede lid, bepaalde aantal arbeidsuren of gelijkgestelde uren hebben gepresteerd, en anderzijds voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 116/3, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet.
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden echter het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 112 van de gecoördineerde wet en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 116/3, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet. Indien de arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en indien de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden deze arbeidsprestaties beschouwd niet gescheiden te zijn door een periode van meer dan dertig dagen.
Nochtans geniet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer die op het einde van een kwartaal in het genot is van uitkeringen, verder prestaties tot op het einde van de lopende periode van moederschapsbescherming. ]1
De seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers die niet voldoen aan deze voorwaarden behouden echter het recht op moederschapsuitkeringen bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet voor zover er zich tijdens de drie kwartalen vóór dat waarin ze om deze prestaties vragen geen doorlopende onderbreking van meer dan dertig dagen heeft voorgedaan in hun hoedanigheid van gerechtigde, zoals deze is omschreven in artikel 112 van de gecoördineerde wet en voor zover zij voldaan hebben aan de voorwaarden bepaald in artikel 116/3, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wet. Indien de arbeidstijdgegevens op globale wijze per kwartaal worden meegedeeld aan de dienst bevoegd voor de inning van de sociale zekerheidsbijdragen en indien de arbeidsprestaties niet gesitueerd kunnen worden in een kwartaal, worden deze arbeidsprestaties beschouwd niet gescheiden te zijn door een periode van meer dan dertig dagen.
Nochtans geniet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer die op het einde van een kwartaal in het genot is van uitkeringen, verder prestaties tot op het einde van de lopende periode van moederschapsbescherming. ]1
Art. 207/1. [1 Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel maintiennent leur droit aux indemnités de maternité visées à l'article 113 de la loi coordonnée à condition que pour les deuxième et troisième trimestres précédant celui au cours duquel ils font appel aux prestations, d'une part, ils aient accompli le nombre d'heures de travail ou assimilées visé à l'article 203/1, alinéa 2, et, d'autre part, ils aient satisfait aux conditions déterminées à l'article 116/3, alinéa 1er, 2°, de la loi coordonnée.
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui ne satisfont pas à ces conditions maintiennent cependant leur droit aux indemnités de maternité visées à l'article 113 de la loi coordonnée pour autant qu'au cours des trois trimestres précédant celui au cours duquel ils font appel à ces prestations, il ne se soit pas produit d'interruption continue de plus de trente jours dans leur qualité de titulaire, telle qu'elle est définie à l'article 112 de la loi coordonnée et pour autant qu'ils aient satisfait aux conditions déterminées à l'article 116/3, alinéa 1er, 2°, de la loi coordonnée. Si les données relatives au temps de travail sont communiquées de manière globale par trimestre au service compétent pour la perception des cotisations de sécurité sociale et si les prestations de travail ne peuvent pas être situées dans un trimestre, ces prestations de travail sont considérées comme n'étant pas séparées par un délai supérieur à trente jours.
Toutefois, le travailleur saisonnier, le travailleur intermittent ou le travailleur à temps partiel qui est au bénéfice d'indemnités à la fin d'un trimestre continue à bénéficier des prestations jusqu'à la fin de la période de protection de la maternité en cours. ]1
Les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel qui ne satisfont pas à ces conditions maintiennent cependant leur droit aux indemnités de maternité visées à l'article 113 de la loi coordonnée pour autant qu'au cours des trois trimestres précédant celui au cours duquel ils font appel à ces prestations, il ne se soit pas produit d'interruption continue de plus de trente jours dans leur qualité de titulaire, telle qu'elle est définie à l'article 112 de la loi coordonnée et pour autant qu'ils aient satisfait aux conditions déterminées à l'article 116/3, alinéa 1er, 2°, de la loi coordonnée. Si les données relatives au temps de travail sont communiquées de manière globale par trimestre au service compétent pour la perception des cotisations de sécurité sociale et si les prestations de travail ne peuvent pas être situées dans un trimestre, ces prestations de travail sont considérées comme n'étant pas séparées par un délai supérieur à trente jours.
Toutefois, le travailleur saisonnier, le travailleur intermittent ou le travailleur à temps partiel qui est au bénéfice d'indemnités à la fin d'un trimestre continue à bénéficier des prestations jusqu'à la fin de la période de protection de la maternité en cours. ]1
Modifications
Afdeling IVbis. - Gemeenschappelijke bepaling voor de afdelingen I tot IV en het artikel 224, § 1.
Section IVbis. - Disposition commune aux sections I à IV et à l'article 224, § 1er.
Art. 207/2.. [1 Voor de toepassing van de artikelen 203, 203/1, 205, § 5, 205/1, § 2 en § 3, 206, 206/1, [2 206/2,]2 207, 207/1 en 224, § 1, wordt verstaan onder arbeidsdagen en arbeidsuren, de dagen en uren normale werkelijke arbeid en meerprestaties zonder inhaalrust. ]1
Art. 207/2. [1 Pour l'application des articles 203, 203/1, 205, § 5, 205/1, § 2 et § 3, 206, 206/1, [2 206/2,]2 207, 207/1 et 224, § 1er, il y a lieu d'entendre par jours et heures de travail, les jours et heures de travail effectif normal et de prestations supplémentaires sans repos compensatoire.]1
Afdeling V. - Rechten van de gerechtigden die aanspraak hebben op een invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, over de laatste zes maanden van de primaire arbeidsongeschiktheid.
Section V. - Des droits des titulaires qui peuvent prétendre à la pension d'invalidité au titre de la législation sur le régime de retraite des ouvriers mineurs pendant les six derniers mois de l'incapacité primaire.
Art.208. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 87, vierde lid, van de gecoördineerde wet loopt het recht op de primaire ongeschiktheidsuitkering af op het einde van de kalendermaand vóór die waarin de zesde maand arbeidsongeschiktheid eindigt indien deze uiterlijk de 15e van de maand afloopt en op het einde van de maand waarin de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid eindigen indien deze na de 15e van de maand aflopen.
Art.208. Pour l'application des dispositions de l'article 87, alinéa 4, de la loi coordonnée, le droit à l'indemnité d'incapacité primaire expire à la fin du mois civil précédant celui au cours duquel prend fin le sixième mois d'incapacité si celui-ci expire au plus tard le 15 du mois et à la fin du mois au cours duquel prennent fin les six premiers mois d'incapacité si ceux-ci expirent après le 15 du mois.
Art.209. De mijnwerker die na het in artikel 208 vastgestelde tijdvak, arbeidsongeschikt is, kan, onder voorbehoud van terugvordering hetzij te zijnen laste, hetzij ten laste van de Voorzorgskas welke het hierna bedoelde pensioen verschuldigd is, primaire ongeschiktheidsuitkeringen genieten op voorwaarde dat hij bij de ter zake bijgevoegde instantie een aanvraag om een invaliditeitspensioen als mijnwerker heeft ingediend en dat hij de verbintenis aangaat het bedrag van de voorgeschoten uitkeringen aan de verzekeringsinstelling terug te betalen ten belope van het bedrag van het verkregen pensioen. Wanneer bedoelde instantie het pensioen heeft geweigerd, stelt zij de verzekeringsinstelling daarvan in kennis; de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt slechts verder toegekend wanneer de staat van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet door de adviserend [1 arts]1 erkend is.
Het eerste lid is daarenboven reeds bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid van toepassing op de mijnwerker die, hoewel hij aan de arbeid was, vorenbedoeld pensioen genoot waarvan het bedrag was verminderd bij toepassing van de bepalingen tot regeling van de cumulatie van een dergelijk pensioen met een loon of een bezoldiging.
Het eerste lid is daarenboven reeds bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid van toepassing op de mijnwerker die, hoewel hij aan de arbeid was, vorenbedoeld pensioen genoot waarvan het bedrag was verminderd bij toepassing van de bepalingen tot regeling van de cumulatie van een dergelijk pensioen met een loon of een bezoldiging.
Modifications
Art.209. L'ouvrier mineur, incapable, de travailler au-delà de la période fixée à l'article 208, peut recevoir, sous réserve de récupération, soit à sa charge, soit à celle de la Caisse de prévoyance débitrice de la pension visée ci-après, l'indemnité d'incapacité primaire, à condition qu'il ait introduit une demande de pension d'invalidité au titre d'ouvrier mineur auprès de l'instance compétente en la matière et qu'il s'engage à rembourser à l'organisme assureur le montant des indemnités avancées à concurrence du montant de la pension obtenue. Lorsque ladite instance a refusé la pension, elle en avertit l'organisme assureur, l'indemnité d'incapacité primaire ne continue à être accordée que si l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 100 de la loi coordonnée est reconnu par le médecin-conseil.
L'alinéa premier s'applique en outre, dès le début de l'incapacité de travail, à l'ouvrier mineur qui, tout en étant au travail, était au bénéfice de la pension susvisée dont le montant était réduit en application des dispositions réglant le cumul de pareille pension avec un salaire ou une rémunération.
L'alinéa premier s'applique en outre, dès le début de l'incapacité de travail, à l'ouvrier mineur qui, tout en étant au travail, était au bénéfice de la pension susvisée dont le montant était réduit en application des dispositions réglant le cumul de pareille pension avec un salaire ou une rémunération.
Art.210. De mijnwerker die bij afloop van het in artikel 208 bepaalde tijdvak recht heeft op een invaliditeitspensioen krachtens de wetgeving op de rustpensioenregeling voor mijnwerkers, heeft, totdat het in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet bepaalde éénjarige tijdvak afloopt, aanspraak op het verschil tussen het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering en het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde invaliditeitspensioen dat hem als mijnwerker wordt toegekend.
De mijnwerkers die zijn aanvraag om invaliditeitspensioen als mijnwerker niet heeft ingediend vóór het einde van de zesde maand van zijn arbeidsongeschiktheid, ontvangt het in het vorig lid bedoelde verschil pas met ingang van de datum waarop zijn pensioen ingaat.
De mijnwerkers die zijn aanvraag om invaliditeitspensioen als mijnwerker niet heeft ingediend vóór het einde van de zesde maand van zijn arbeidsongeschiktheid, ontvangt het in het vorig lid bedoelde verschil pas met ingang van de datum waarop zijn pensioen ingaat.
Art.210. L'ouvrier mineur qui a droit, à l'expiration de la période fixée à l'article 208, à une pension d'invalidité au titre de la législation sur le régime de retraite des ouvriers mineurs peut prétendre, jusqu'à l'expiration de la période d'un an fixée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, à la différence entre le montant de l'indemnité d'incapacité primaire et le montant de la pension d'invalidité, évaluée en jours ouvrables, octroyée au titre d'ouvrier mineur.
L'ouvrier mineur qui n'a pas introduit sa demande de pension d'invalidité au titre d'ouvrier mineur avant la fin du sixième mois de son incapacité ne reçoit la différence visée à l'alinéa précédent qu'à partir de la date à laquelle sa pension prend cours.
L'ouvrier mineur qui n'a pas introduit sa demande de pension d'invalidité au titre d'ouvrier mineur avant la fin du sixième mois de son incapacité ne reçoit la différence visée à l'alinéa précédent qu'à partir de la date à laquelle sa pension prend cours.
Afdeling VI. [1 - Hoegrootheid van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de toeslag op de uitkering, maximum- en minimumbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.]1
Section VI. [1 - Du taux des indemnités d'incapacité de travail et du complément d'indemnité, du montant maximum et du montant minimum de l'indemnité d'incapacité de travail.]1
Art.211. <KB 1997-04-13/50, art. 1, 008; Inwerkingtreding : 15-11-1996> § 1. [1 De hoegrootheid van de primaire ongeschiktheidsuitkering wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.]1
§ 2. (Voor de in artikel 86, § 1, 1°, c ), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, evenals voor de gerechtigde die voormelde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, [2 wordt het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering gedurende de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid gealigneerd op het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden maken indien zij zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden, behalve als het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering]2.
Voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde periode van zes maanden wordt rekening gehouden met de duur van de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid.
De maatregel tot alignering van het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op het bedrag van de in het eerste lid bedoelde werkloosheidsuitkering, is evenwel niet van toepassing op de tijdelijke werkloze. Voor de toepassing van deze bepaling worden met tijdelijke werklozen gelijkgesteld, de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de werknemers die halftijds werken in het kader van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen.) <KB 2003-02-19/40, art. 1, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. (Voor de in artikel 86, § 1, 1°, c ), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, evenals voor de gerechtigde die voormelde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, [2 wordt het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering gedurende de eerste zes maanden arbeidsongeschiktheid gealigneerd op het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop zij aanspraak zouden maken indien zij zich niet in staat van arbeidsongeschiktheid bevonden, behalve als het bedrag van de werkloosheidsuitkering hoger is dan het bedrag van de primaire ongeschiktheidsuitkering]2.
Voor het bepalen van de in het eerste lid genoemde periode van zes maanden wordt rekening gehouden met de duur van de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid.
De maatregel tot alignering van het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op het bedrag van de in het eerste lid bedoelde werkloosheidsuitkering, is evenwel niet van toepassing op de tijdelijke werkloze. Voor de toepassing van deze bepaling worden met tijdelijke werklozen gelijkgesteld, de werknemers bedoeld in artikel 28, § 3, van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de werknemers die halftijds werken in het kader van het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen.) <KB 2003-02-19/40, art. 1, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.211. <AR 1997-04-13/50, art. 1, 008; En vigueur : 15-11-1996> § 1er. [1 Le taux de l'indemnité d'incapacité primaire est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée.]1
§ 2. (Pour le titulaire visé à l'article 86, § 1er, 1°, c ), de la loi coordonnée, ainsi que pour le titulaire qui maintient la qualité précitée, en vertu de l'article 131 de la même loi, le montant de l'indemnité d'incapacité primaire est, pendant les six premiers mois d'incapacité de travail, [2 aligné sur le montant de l'allocation de chômage à laquelle ils auraient pu prétendre s'ils ne s'étaient pas trouvés en état d'incapacité de travail, sauf si le montant de l'allocation de chômage est plus élevé que le montant de l'indemnité d'incapacité primaire]2.
Pour la détermination de la période de six mois visée à l'alinéa premier, il est tenu compte de la durée de la période de protection de la maternité qui précède immédiatement la période d'incapacité de travail.
La mesure d'alignement du montant de l'indemnité d'incapacité de travail sur celui de l'allocation de chômage visée à l'alinéa 1er n'est toutefois pas applicable au chômeur temporaire. Sont assimilés à des chômeurs temporaires, pour l'application de la présente disposition, les travailleurs visés à l'article 28, § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et les travailleurs occupés à mi-temps dans le cadre de l'arrêté royal du 30 juillet 1994 relatif à la prépension à mi-temps.) <AR 2003-02-19/40, art. 1, 087; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. (Pour le titulaire visé à l'article 86, § 1er, 1°, c ), de la loi coordonnée, ainsi que pour le titulaire qui maintient la qualité précitée, en vertu de l'article 131 de la même loi, le montant de l'indemnité d'incapacité primaire est, pendant les six premiers mois d'incapacité de travail, [2 aligné sur le montant de l'allocation de chômage à laquelle ils auraient pu prétendre s'ils ne s'étaient pas trouvés en état d'incapacité de travail, sauf si le montant de l'allocation de chômage est plus élevé que le montant de l'indemnité d'incapacité primaire]2.
Pour la détermination de la période de six mois visée à l'alinéa premier, il est tenu compte de la durée de la période de protection de la maternité qui précède immédiatement la période d'incapacité de travail.
La mesure d'alignement du montant de l'indemnité d'incapacité de travail sur celui de l'allocation de chômage visée à l'alinéa 1er n'est toutefois pas applicable au chômeur temporaire. Sont assimilés à des chômeurs temporaires, pour l'application de la présente disposition, les travailleurs visés à l'article 28, § 3, de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et les travailleurs occupés à mi-temps dans le cadre de l'arrêté royal du 30 juillet 1994 relatif à la prépension à mi-temps.) <AR 2003-02-19/40, art. 1, 087; En vigueur : 01-01-2003>
Art.212. Het maximumbedrag van het loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet wordt vastgelegd op (93,5067 EUR) per dag. <KB 2001-06-14/37, art. 9, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Lid 2 opgeheven) <KB 2001-06-14/37, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2005, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 95,3768 EUR.) <KB 2005-03-04/39, art. 1, 117; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
(Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2007, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 96,3306 euro.) <KB 2007-06-05/44, art. 1, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
[1 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2009, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,1012 euro.]1
[2 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2011, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,7809 EUR.]2
[3 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2013, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 99,7365 euro.]3
[4 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2015, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 100,9832 euro.]4
[5 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2018, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 101,7911 euro.]5
[6 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2020, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 102,9108 euro.]6
[7 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2022, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 104,0428 euro.]7
[8 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2024, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 105,1873 euro.]8
(Lid 2 opgeheven) <KB 2001-06-14/37, art. 1, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2005, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 95,3768 EUR.) <KB 2005-03-04/39, art. 1, 117; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
(Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2007, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 96,3306 euro.) <KB 2007-06-05/44, art. 1, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
[1 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2009, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,1012 euro.]1
[2 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2011, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 97,7809 EUR.]2
[3 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2013, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 99,7365 euro.]3
[4 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 april 2015, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 100,9832 euro.]4
[5 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2018, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 101,7911 euro.]5
[6 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2020, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 102,9108 euro.]6
[7 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2022, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 104,0428 euro.]7
[8 Voor de gerechtigde wiens primaire ongeschiktheid of wiens invaliditeit een aanvang neemt vanaf 1 januari 2024, wordt het maximumbedrag van het loon vastgesteld op 105,1873 euro.]8
Modifications
Art.212. Le montant maximum de la rémunération visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée est fixé à (93,5067 EUR) par jour. <AR 2001-06-14/37, art. 9, 061; En vigueur : 01-01-2002>
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2001-06-14/37, art. 1, 061; En vigueur : 01-01-2002>
(Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2005, le montant maximum de la rémunération est fixé à 95,3768 EUR.) <AR 2005-03-04/39, art. 1, 117; En vigueur : 01-01-2005>
(Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2007, le montant maximum de la rémunération est fixé à 96,3306 euros.) <AR 2007-06-05/44, art. 1, 144; En vigueur : 09-07-2008>
[1 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2009, le montant maximum de la rémunération est fixé à 97,1012 EUR.]1
[2 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2011, le montant maximum de la rémunération est fixé à 97,7809 EUR.]2
[3 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er avril 2013, le montant maximum de la rémunération est fixé à 99,7365 euros.]3
[4 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er avril 2015, le montant maximum de la rémunération est fixé à 100,9832 euros.]4
[5 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2018, le montant maximum de la rémunération est fixé à 101,7911 euros.]5
[6 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2020, le montant maximum de la rémunération est fixé à 102,9108 euros.]6
[7 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2022, le montant maximum de la rémunération est fixé à 104,0428 euros.]7
[8 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2024, le montant maximum de la rémunération est fixé à 105,1873 euros.]8
(Alinéa 2 abrogé) <AR 2001-06-14/37, art. 1, 061; En vigueur : 01-01-2002>
(Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2005, le montant maximum de la rémunération est fixé à 95,3768 EUR.) <AR 2005-03-04/39, art. 1, 117; En vigueur : 01-01-2005>
(Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2007, le montant maximum de la rémunération est fixé à 96,3306 euros.) <AR 2007-06-05/44, art. 1, 144; En vigueur : 09-07-2008>
[1 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2009, le montant maximum de la rémunération est fixé à 97,1012 EUR.]1
[2 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2011, le montant maximum de la rémunération est fixé à 97,7809 EUR.]2
[3 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er avril 2013, le montant maximum de la rémunération est fixé à 99,7365 euros.]3
[4 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er avril 2015, le montant maximum de la rémunération est fixé à 100,9832 euros.]4
[5 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2018, le montant maximum de la rémunération est fixé à 101,7911 euros.]5
[6 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2020, le montant maximum de la rémunération est fixé à 102,9108 euros.]6
[7 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2022, le montant maximum de la rémunération est fixé à 104,0428 euros.]7
[8 Pour le titulaire dont l'incapacité primaire ou l'invalidité prend cours à partir du 1er janvier 2024, le montant maximum de la rémunération est fixé à 105,1873 euros.]8
Modifications
Art.213. De hoegrootheid van de invaliditeitsuitkering wordt vastgesteld op 65 pct. van het in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet bedoelde gederfde loon. Voor de gerechtigden, wier arbeidsongeschiktheid is ingegaan vóór 1 januari 1975, wordt dit loon verhoogd met een bedrag van 29,42 frank, gekoppeld aan het indexcijfer 114,20. Voor de gerechtigde wier arbeidsongeschiktheid van 1 januari 1975 af en uiterlijk op 31 december 1976 is ingegaan, wordt dit loon verhoogd met een bedrag van 15,13 frank gekoppeld aan het indexcijfer 114,20.
Voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemers met persoon ten laste, wordt deze hoegrootheid herleid tot [1 55]1 of 40 pct. van hetzelfde loon, naargelang het al dan niet in artikel 226 bedoelde gerechtigden betreft. <KB 2007-06-05/44, art. 2, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[2 Derde lid opgeheven]2
(Voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid vóór 1 oktober 1974 is aangevangen, wordt het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 1984 vastgesteld op 38,3895 EUR voor de gerechtigde die beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste en op 25,6917 EUR voor de gerechtigde die niet beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste. Voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid ten vroegste op 1 januari 1974 en ten laatste op 30 september 1974 is aangevangen en wier ongeschiktheid op 1 juli 1984 nog altijd voortduurt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de vanaf laatstgenoemde datum te verlenen uitkering gelijk aan het bedrag van het werkelijk loon (zoals bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet), zij het beperkt tot het maximumbedrag waarop de bijdragen voor de uitkeringsverzekering werden geheven. Dat maximumbedrag wordt met 10,24 pct. verhoogd vooraleer het eerste lid wordt toegepast.) <KB 2001-06-14/37, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2001-06-10/62, art. 4, 065; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemers met persoon ten laste, wordt deze hoegrootheid herleid tot [1 55]1 of 40 pct. van hetzelfde loon, naargelang het al dan niet in artikel 226 bedoelde gerechtigden betreft. <KB 2007-06-05/44, art. 2, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[2 Derde lid opgeheven]2
(Voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid vóór 1 oktober 1974 is aangevangen, wordt het maximumbedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 1984 vastgesteld op 38,3895 EUR voor de gerechtigde die beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste en op 25,6917 EUR voor de gerechtigde die niet beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste. Voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid ten vroegste op 1 januari 1974 en ten laatste op 30 september 1974 is aangevangen en wier ongeschiktheid op 1 juli 1984 nog altijd voortduurt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de vanaf laatstgenoemde datum te verlenen uitkering gelijk aan het bedrag van het werkelijk loon (zoals bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet), zij het beperkt tot het maximumbedrag waarop de bijdragen voor de uitkeringsverzekering werden geheven. Dat maximumbedrag wordt met 10,24 pct. verhoogd vooraleer het eerste lid wordt toegepast.) <KB 2001-06-14/37, art. 2, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2001-06-10/62, art. 4, 065; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art.213. Le taux de l'indemnité d'invalidité est fixé à 65 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée. Pour les titulaires dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er janvier 1975, cette rémunération est majorée d'un montant de 29,42 francs, lié à l'indice 114,20. Pour le titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours à partir du 1er janvier 1975 et au plus tard le 31 décembre 1976, cette rémunération est majorée d'un montant de 15,13 francs, lié à l'indice 114,20.
Pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleurs avec personne à charge, ce taux est réduit à [1 55]1 ou 40 p.c. de la même rémunération, selon qu'il s'agit ou non de titulaires visés à l'article 226.
[2 Alinéa 3 abrogé]2
(Pour le titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er octobre 1974, le montant maximum de l'indemnité d'invalidité est fixé à partir du 1er juillet 1984, à 38,3895 EUR, pour le titulaire qui est considéré comme travailleur ayant personne à charge et à 25,6917 EUR, pour le titulaire qui n'est pas considéré comme travailleur ayant personne à charge. Pour les titulaires dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tôt le 1er janvier 1974 et au plus tard le 30 septembre 1974 et dont l'incapacité subsiste au 1er juillet 1984, le montant de la rémunération perdue à prendre en considération pour le calcul de l'indemnité à allouer à partir de cette même date est le montant de la rémunération réelle (visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée), limité toutefois au montant maximum sur lequel étaient prélevées les cotisations pour l'assurance indemnités. Ce montant maximum est augmenté de 10,24 p.c. avant l'application de l'alinéa 1.) <AR 2001-06-14/37, art. 2, 061; En vigueur : 01-01-2002> <KB 2001-06-10/62, art. 4, 065; En vigueur : 01-01-2003>
Pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleurs avec personne à charge, ce taux est réduit à [1 55]1 ou 40 p.c. de la même rémunération, selon qu'il s'agit ou non de titulaires visés à l'article 226.
[2 Alinéa 3 abrogé]2
(Pour le titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er octobre 1974, le montant maximum de l'indemnité d'invalidité est fixé à partir du 1er juillet 1984, à 38,3895 EUR, pour le titulaire qui est considéré comme travailleur ayant personne à charge et à 25,6917 EUR, pour le titulaire qui n'est pas considéré comme travailleur ayant personne à charge. Pour les titulaires dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tôt le 1er janvier 1974 et au plus tard le 30 septembre 1974 et dont l'incapacité subsiste au 1er juillet 1984, le montant de la rémunération perdue à prendre en considération pour le calcul de l'indemnité à allouer à partir de cette même date est le montant de la rémunération réelle (visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée), limité toutefois au montant maximum sur lequel étaient prélevées les cotisations pour l'assurance indemnités. Ce montant maximum est augmenté de 10,24 p.c. avant l'application de l'alinéa 1.) <AR 2001-06-14/37, art. 2, 061; En vigueur : 01-01-2002> <KB 2001-06-10/62, art. 4, 065; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 213/1. [1 [3 Het minimum dagbedrag van de uitkering toe te kennen tijdens de derde maand van primaire ongeschiktheid is gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, a).]3
[2 Het minimum dagbedrag van de uitkering toe te kennen vanaf de vierde tot en met de zesde maand van primaire ongeschiktheid wordt als volgt vastgesteld :
1° voor de gerechtigden die worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag :
a) voor de gerechtigden die de hoedanigheid van regelmatig werknemer hebben, gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 1°;
b) voor de gerechtigden die de hoedanigheid van niet-regelmatig werknemer bedoeld in artikel 214, § 2, vijfde lid hebben, gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 2, tweede lid.
2° voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, a).]2
Indien het minimum dagbedrag van de uitkering, bedoeld in [2 het eerste en tweede lid]2, het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet overschrijdt, wordt dit minimum dagbedrag echter begrensd tot het voormelde gederfde loon. Voor de toepassing van deze begrenzing wordt steeds rekening gehouden met het gederfde loon, in voorkomend geval, aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.
Het minimum dagbedrag van de uitkering bedoeld in het eerste [2 tot derde]2 lid is echter niet verschuldigd voor de periode van arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis.
[3 Voor de bepaling van de duur van primaire ongeschiktheid bedoeld in het eerste en tweede lid wordt rekening gehouden met de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid, indien de periode van moederschapsbescherming een vorige periode van arbeidsongeschiktheid heeft geschorst.]3]1
[2 Het minimum dagbedrag van de uitkering toe te kennen vanaf de vierde tot en met de zesde maand van primaire ongeschiktheid wordt als volgt vastgesteld :
1° voor de gerechtigden die worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag :
a) voor de gerechtigden die de hoedanigheid van regelmatig werknemer hebben, gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 1°;
b) voor de gerechtigden die de hoedanigheid van niet-regelmatig werknemer bedoeld in artikel 214, § 2, vijfde lid hebben, gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 2, tweede lid.
2° voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, a).]2
Indien het minimum dagbedrag van de uitkering, bedoeld in [2 het eerste en tweede lid]2, het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet overschrijdt, wordt dit minimum dagbedrag echter begrensd tot het voormelde gederfde loon. Voor de toepassing van deze begrenzing wordt steeds rekening gehouden met het gederfde loon, in voorkomend geval, aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.
Het minimum dagbedrag van de uitkering bedoeld in het eerste [2 tot derde]2 lid is echter niet verschuldigd voor de periode van arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis.
[3 Voor de bepaling van de duur van primaire ongeschiktheid bedoeld in het eerste en tweede lid wordt rekening gehouden met de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid, indien de periode van moederschapsbescherming een vorige periode van arbeidsongeschiktheid heeft geschorst.]3]1
Art. 213/1. [3 Le montant journalier minimum de l'indemnité accordée durant le troisième mois d'incapacité primaire est égal au montant visé à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 2°, a).]3
[2 Le montant journalier minimum de l'indemnité accordée à partir du quatrième jusqu'au sixième mois d'incapacité primaire est fixé comme suit :
1° pour les titulaires qui sont considérés comme travailleur avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal :
a) pour les titulaires qui ont la qualité de travailleur régulier, au montant visé à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 1°;
b) pour les titulaires qui ont la qualité de travailleur non-régulier visé à l'article 214, § 2, alinéa 5, au montant visé à l'article 214, § 2, alinéa 2.
2° pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleur avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal au montant visé à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 2°, a).]2
Si le montant journalier minimum de l'indemnité, visé [2 aux alinéas 1er et 2]2, dépasse la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, ce montant journalier minimum est toutefois limité à la rémunération perdue précitée. Pour l'application de cette limitation, il est toujours tenu compte de la rémunération perdue, le cas échéant, adaptée aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de l'article 237.
Le montant journalier minimum de l'indemnité, visé aux alinéas 1er [2 à 3]2, n'est toutefois pas dû pour la période d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis.
[3 Pour la détermination de la durée de l'incapacité primaire visée aux alinéas 1er et 2, il est tenu compte de la période de protection de la maternité qui précède immédiatement la période d'incapacité de travail, si la période de protection de la maternité a suspendu une période d'incapacité de travail antérieure.]3]1
[2 Le montant journalier minimum de l'indemnité accordée à partir du quatrième jusqu'au sixième mois d'incapacité primaire est fixé comme suit :
1° pour les titulaires qui sont considérés comme travailleur avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal :
a) pour les titulaires qui ont la qualité de travailleur régulier, au montant visé à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 1°;
b) pour les titulaires qui ont la qualité de travailleur non-régulier visé à l'article 214, § 2, alinéa 5, au montant visé à l'article 214, § 2, alinéa 2.
2° pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleur avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal au montant visé à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 2°, a).]2
Si le montant journalier minimum de l'indemnité, visé [2 aux alinéas 1er et 2]2, dépasse la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, ce montant journalier minimum est toutefois limité à la rémunération perdue précitée. Pour l'application de cette limitation, il est toujours tenu compte de la rémunération perdue, le cas échéant, adaptée aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de l'article 237.
Le montant journalier minimum de l'indemnité, visé aux alinéas 1er [2 à 3]2, n'est toutefois pas dû pour la période d'incapacité de travail avec complément ou avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis.
[3 Pour la détermination de la durée de l'incapacité primaire visée aux alinéas 1er et 2, il est tenu compte de la période de protection de la maternité qui précède immédiatement la période d'incapacité de travail, si la période de protection de la maternité a suspendu une période d'incapacité de travail antérieure.]3]1
Art.214. (§ 1. Het minimum dagbedrag van de uitkering toe te kennen aan de gerechtigden die de hoedanigheid hebben van regelmatig werknemer, wordt als volgt vastgesteld :
1° voor de gerechtigden die worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag gelijk aan [5 [7 45,6685]7 euro]5;
2° voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag :
a) voor de in artikel 226 of 226bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan [5 [7 36,1906]7 euro]5;
b) voor de niet in artikel 226 of 226bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan [7 31,0307]7 euro.
Dit minimum dagbedrag wordt pas toegekend vanaf de datum waarop de in artikel 224 bedoelde gerechtigde die geen personen ten laste heeft, de leeftijd van 21 jaar bereikt.) <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. (Het minimumdagbedrag van de (uitkering) toegekend aan niet-regelmatige werknemers is gelijk aan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het leefloon dat wordt toegekend krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. <KB 2003-02-19/40, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Voor de gerechtigden met persoon ten laste, als bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt toegekend aan [3 een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste]3.
Voor de gerechtigden die geen persoon ten laste hebben, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt toegekend aan een alleenstaande persoon.) <KB 2002-11-11/32, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
(Deze bedragen mogen met ingang van 1 juli 2001 tot 30 september 2004 niet lager zijn dan 28,3957 EUR voor de gerechtigde die beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste, en dan 21,2970 EUR voor de gerechtigde die niet beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste. Met ingang van 1 oktober 2004 tot 30 september 2006 mogen deze bedragen niet lager zijn dan 28,6797 EUR, respectievelijk 21,5100 EUR. Met ingang van 1 oktober 2006 (tot 31 maart 2007) mogen deze bedragen niet lager zijn dan 28,9665 EUR, respectievelijk 21,7251 EUR. (...). De voormelde bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer 103,14.) <W 2004-07-06/31, art. 1, 111; Inwerkingtreding : 01-10-2004> <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008> <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
Onder niet-regelmatige werknemers dient verstaan te worden de gerechtigden aan wie de hoedanigheid van regelmatig werknemer niet kan worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 224.
(§ 3. De voormelde minimumbedragen worden toegekend vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, alsook tijdens het tijdvak van invaliditeit.
Om de eerste dag van de zevende maand van de arbeidsongeschiktheid te bepalen, wordt rekening gehouden met de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid, indien de periode van moederschapsbescherming een vorige periode van arbeidsongeschiktheid heeft geschorst.) <KB 2003-02-19/40, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
1° voor de gerechtigden die worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag gelijk aan [5 [7 45,6685]7 euro]5;
2° voor de gerechtigden die niet worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste, is het minimum dagbedrag :
a) voor de in artikel 226 of 226bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan [5 [7 36,1906]7 euro]5;
b) voor de niet in artikel 226 of 226bis bedoelde gerechtigden, gelijk aan [7 31,0307]7 euro.
Dit minimum dagbedrag wordt pas toegekend vanaf de datum waarop de in artikel 224 bedoelde gerechtigde die geen personen ten laste heeft, de leeftijd van 21 jaar bereikt.) <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
§ 2. (Het minimumdagbedrag van de (uitkering) toegekend aan niet-regelmatige werknemers is gelijk aan het in werkdagen gewaardeerde bedrag van het leefloon dat wordt toegekend krachtens de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. <KB 2003-02-19/40, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Voor de gerechtigden met persoon ten laste, als bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt toegekend aan [3 een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste]3.
Voor de gerechtigden die geen persoon ten laste hebben, stemt dat bedrag overeen met het bedrag dat wordt toegekend aan een alleenstaande persoon.) <KB 2002-11-11/32, art. 2, 083; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
(Deze bedragen mogen met ingang van 1 juli 2001 tot 30 september 2004 niet lager zijn dan 28,3957 EUR voor de gerechtigde die beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste, en dan 21,2970 EUR voor de gerechtigde die niet beschouwd wordt als werknemer met persoon ten laste. Met ingang van 1 oktober 2004 tot 30 september 2006 mogen deze bedragen niet lager zijn dan 28,6797 EUR, respectievelijk 21,5100 EUR. Met ingang van 1 oktober 2006 (tot 31 maart 2007) mogen deze bedragen niet lager zijn dan 28,9665 EUR, respectievelijk 21,7251 EUR. (...). De voormelde bedragen worden gekoppeld aan het indexcijfer 103,14.) <W 2004-07-06/31, art. 1, 111; Inwerkingtreding : 01-10-2004> <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008> <KB 2007-06-05/44, art. 3, 144; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
Onder niet-regelmatige werknemers dient verstaan te worden de gerechtigden aan wie de hoedanigheid van regelmatig werknemer niet kan worden toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 224.
(§ 3. De voormelde minimumbedragen worden toegekend vanaf de eerste dag van de zevende maand van het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid, alsook tijdens het tijdvak van invaliditeit.
Om de eerste dag van de zevende maand van de arbeidsongeschiktheid te bepalen, wordt rekening gehouden met de periode van moederschapsbescherming die onmiddellijk voorafgaat aan de periode van arbeidsongeschiktheid, indien de periode van moederschapsbescherming een vorige periode van arbeidsongeschiktheid heeft geschorst.) <KB 2003-02-19/40, art. 2, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Modifications
Art.214. (§ 1er. Le montant journalier minimum de l'indemnité accordée aux titulaires qui ont la qualité de travailleur régulier est fixé comme suit :
1° pour les titulaires qui sont considérés comme travailleur avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal [5 à [7 45,6685]7 euros]5;
2° pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleur avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal :
a) pour les titulaires visés à l'article 226 ou 226bis, [5 à [7 36,1906]7 euros]5;
b) pour les titulaires non visés à l'article 226 ou 226bis, à [7 31,0307]7 euros.
Ce montant journalier minimum n'est accordé qu'à la date à laquelle le titulaire qui n'a pas de personne à charge, visé à l'article 224, atteint l'âge de 21 ans.) <AR 2007-06-05/44, art. 3, 144; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. (Le montant journalier minimum de (l'indemnité) accordée aux travailleurs non réguliers est égal au montant du revenu d'intégration, évalué en jours ouvrables, octroyé en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. <AR 2003-02-19/40, art. 2, 087; En vigueur : 01-01-2003>
Pour les titulaires ayant personne à charge au sens de l'article 93 de la loi coordonnée, ce montant correspond à celui octroyé à [3 une personne vivant avec une famille à sa charge]3.
Pour les titulaires n'ayant pas de personne à charge, ce montant correspond à celui octroyé à une personne isolée.) <AR 2002-11-11/32, art. 2, 083; En vigueur : 01-10-2002>
(Ces montants ne peuvent du 1er juillet 2001 au 30 septembre 2004 être inférieurs à 28,3957 EUR pour le titulaire qui est considéré comme travailleur ayant personne à charge et à 21,2970 EUR pour le titulaire qui n'est pas considéré comme travailleur ayant personne à charge. Du 1er octobre 2004 au 30 septembre 2006, ces montants ne peuvent être inférieurs respectivement à 28,6797 EUR et à 21,5100 EUR. Du 1er octobre 2006 (au 31 mars 2007), ces montants ne peuvent être inférieurs respectivement à 28,9665 EUR et à 21,7251 EUR. (...). Les montants précités sont liés à l'indice-pivot 103,14.) <L 2004-07-06/31, art. 1, 111; En vigueur : 01-10-2004> <AR 2007-06-05/44, art. 3, 144; En vigueur : 09-07-2008> <AR 2007-06-05/44, art. 3, 144; En vigueur : 01-09-2007>
Il y a lieu d'entendre par travailleurs non réguliers, les titulaires auxquels la qualité de travailleur régulier ne peut être reconnue conformément aux dispositions de l'article 224.
(§ 3. Les montants minima susvisés sont accordés à partir du premier jour du septième mois de la période d'incapacité primaire, ainsi que durant la période d'invalidité.
Pour déterminer le premier jour du septième mois d'incapacité, il est tenu compte de la période de protection de la maternité qui précède immédiatement la période d'incapacité de travail, si la période de protection de la maternité a suspendu une période d'incapacité de travail antérieure.) <AR 2003-02-19/40, art. 2, 087; En vigueur : 01-01-2003>
1° pour les titulaires qui sont considérés comme travailleur avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal [5 à [7 45,6685]7 euros]5;
2° pour les titulaires qui ne sont pas considérés comme travailleur avec personne à charge, le montant journalier minimum est égal :
a) pour les titulaires visés à l'article 226 ou 226bis, [5 à [7 36,1906]7 euros]5;
b) pour les titulaires non visés à l'article 226 ou 226bis, à [7 31,0307]7 euros.
Ce montant journalier minimum n'est accordé qu'à la date à laquelle le titulaire qui n'a pas de personne à charge, visé à l'article 224, atteint l'âge de 21 ans.) <AR 2007-06-05/44, art. 3, 144; En vigueur : 01-01-2007>
§ 2. (Le montant journalier minimum de (l'indemnité) accordée aux travailleurs non réguliers est égal au montant du revenu d'intégration, évalué en jours ouvrables, octroyé en vertu de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. <AR 2003-02-19/40, art. 2, 087; En vigueur : 01-01-2003>
Pour les titulaires ayant personne à charge au sens de l'article 93 de la loi coordonnée, ce montant correspond à celui octroyé à [3 une personne vivant avec une famille à sa charge]3.
Pour les titulaires n'ayant pas de personne à charge, ce montant correspond à celui octroyé à une personne isolée.) <AR 2002-11-11/32, art. 2, 083; En vigueur : 01-10-2002>
(Ces montants ne peuvent du 1er juillet 2001 au 30 septembre 2004 être inférieurs à 28,3957 EUR pour le titulaire qui est considéré comme travailleur ayant personne à charge et à 21,2970 EUR pour le titulaire qui n'est pas considéré comme travailleur ayant personne à charge. Du 1er octobre 2004 au 30 septembre 2006, ces montants ne peuvent être inférieurs respectivement à 28,6797 EUR et à 21,5100 EUR. Du 1er octobre 2006 (au 31 mars 2007), ces montants ne peuvent être inférieurs respectivement à 28,9665 EUR et à 21,7251 EUR. (...). Les montants précités sont liés à l'indice-pivot 103,14.) <L 2004-07-06/31, art. 1, 111; En vigueur : 01-10-2004> <AR 2007-06-05/44, art. 3, 144; En vigueur : 09-07-2008> <AR 2007-06-05/44, art. 3, 144; En vigueur : 01-09-2007>
Il y a lieu d'entendre par travailleurs non réguliers, les titulaires auxquels la qualité de travailleur régulier ne peut être reconnue conformément aux dispositions de l'article 224.
(§ 3. Les montants minima susvisés sont accordés à partir du premier jour du septième mois de la période d'incapacité primaire, ainsi que durant la période d'invalidité.
Pour déterminer le premier jour du septième mois d'incapacité, il est tenu compte de la période de protection de la maternité qui précède immédiatement la période d'incapacité de travail, si la période de protection de la maternité a suspendu une période d'incapacité de travail antérieure.) <AR 2003-02-19/40, art. 2, 087; En vigueur : 01-01-2003>
Modifications
Art. 214/1. [1 Voor de periode vanaf 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 bedraagt de toeslag op de uitkering bedoeld in artikel 96 van de gecoördineerde wet 60% van het gederfde loon bepaald volgens de volgende formule [A x 6 x B] / Q waarbij:
- A het gemiddeld dagloon is dat in aanmerking is genomen om de primaire ongeschiktheidsuitkeringen of de invaliditeitsuitkeringen te berekenen van de periode waarvoor de gerechtigde recht heeft op de toeslag. Dit gemiddeld dagloon wordt, in voorkomend geval, begrensd tot het maximumbedrag bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet en, vervolgens, in voorkomend geval, aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer, zoals bepaald in artikel 237, om de voormelde primaire ongeschiktheidsuitkeringen of invaliditeitsuitkeringen van de periode waarvoor de gerechtigde recht heeft op de toeslag, aan te passen.
- B het aantal uren is waarvoor de gerechtigde recht heeft op de toeslag tijdens de voormelde periode.
- Q het gemiddelde aantal arbeidsuren per week van de tewerkstelling van de gerechtigde is die in aanmerking is genomen om de primaire ongeschiktheidsuitkeringen of de invaliditeitsuitkeringen te berekenen of, indien er geen dergelijke tewerkstelling in aanmerking is genomen, 38 is.
Vanaf 1 juli 2024 bedraagt de toeslag op de uitkering bedoeld in artikel 96 van de gecoördineerde wet 60% van het normale theoretische loon voor de uren van toegelaten arbeid gedekt door de aanvulling toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis. Dit normale theoretische loon wordt, in voorkomend geval, beperkt tot het maximumbedrag bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet zoals in aanmerking genomen bij de berekening van de aanvulling toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis.]1
- A het gemiddeld dagloon is dat in aanmerking is genomen om de primaire ongeschiktheidsuitkeringen of de invaliditeitsuitkeringen te berekenen van de periode waarvoor de gerechtigde recht heeft op de toeslag. Dit gemiddeld dagloon wordt, in voorkomend geval, begrensd tot het maximumbedrag bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet en, vervolgens, in voorkomend geval, aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer, zoals bepaald in artikel 237, om de voormelde primaire ongeschiktheidsuitkeringen of invaliditeitsuitkeringen van de periode waarvoor de gerechtigde recht heeft op de toeslag, aan te passen.
- B het aantal uren is waarvoor de gerechtigde recht heeft op de toeslag tijdens de voormelde periode.
- Q het gemiddelde aantal arbeidsuren per week van de tewerkstelling van de gerechtigde is die in aanmerking is genomen om de primaire ongeschiktheidsuitkeringen of de invaliditeitsuitkeringen te berekenen of, indien er geen dergelijke tewerkstelling in aanmerking is genomen, 38 is.
Vanaf 1 juli 2024 bedraagt de toeslag op de uitkering bedoeld in artikel 96 van de gecoördineerde wet 60% van het normale theoretische loon voor de uren van toegelaten arbeid gedekt door de aanvulling toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis. Dit normale theoretische loon wordt, in voorkomend geval, beperkt tot het maximumbedrag bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet zoals in aanmerking genomen bij de berekening van de aanvulling toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis.]1
Art. 214/1. [1 Pour la période du 1er janvier 2024 au 30 juin 2024, le complément d'indemnité visé à l'article 96 de la loi coordonnée s'élève à 60% de la rémunération perdue déterminée conformément à la formule suivante [A x 6 x B] / Q dans laquelle :
- A est la rémunération journalière moyenne, prise en considération pour calculer les indemnités d'incapacité primaire ou d'invalidité de la période pour laquelle le titulaire a droit au complément. Cette rémunération journalière moyenne est, le cas échéant, limitée au montant maximum visé à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée et, par la suite, adaptée, le cas échéant, aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, comme prévu à l'article 237, pour adapter les indemnités précitées d'incapacité primaire ou d'invalidité de la période pour laquelle le titulaire a droit au complément.
- B est le nombre d'heures pour lequel le titulaire a droit au complément durant la période précitée.
- Q est le nombre moyen d'heures de travail par semaine de l'occupation du titulaire prise en considération pour calculer les indemnités d'incapacité primaire ou les indemnités d'invalidité ou, si une telle occupation n'est pas prise en considération, 38.
A partir du 1er juillet 2024, le complément d'indemnité, visé à l'article 96 de la loi coordonnée, s'élève à 60% de la rémunération théorique normale des heures de travail autorisé, couvertes par le complément accordé en vertu de la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis. Cette rémunération théorique normale est, le cas échéant, limitée au montant maximum visé à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, comme pris en considération pour le calcul du complément accordé en vertu de la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis.]1
- A est la rémunération journalière moyenne, prise en considération pour calculer les indemnités d'incapacité primaire ou d'invalidité de la période pour laquelle le titulaire a droit au complément. Cette rémunération journalière moyenne est, le cas échéant, limitée au montant maximum visé à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée et, par la suite, adaptée, le cas échéant, aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, comme prévu à l'article 237, pour adapter les indemnités précitées d'incapacité primaire ou d'invalidité de la période pour laquelle le titulaire a droit au complément.
- B est le nombre d'heures pour lequel le titulaire a droit au complément durant la période précitée.
- Q est le nombre moyen d'heures de travail par semaine de l'occupation du titulaire prise en considération pour calculer les indemnités d'incapacité primaire ou les indemnités d'invalidité ou, si une telle occupation n'est pas prise en considération, 38.
A partir du 1er juillet 2024, le complément d'indemnité, visé à l'article 96 de la loi coordonnée, s'élève à 60% de la rémunération théorique normale des heures de travail autorisé, couvertes par le complément accordé en vertu de la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis. Cette rémunération théorique normale est, le cas échéant, limitée au montant maximum visé à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, comme pris en considération pour le calcul du complément accordé en vertu de la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis.]1
Modifications
Art.215. Voor de gerechtigden die tussen 2 april 1964 en 30 juni 1970 arbeidsongeschikt werden en wier arbeidsongeschiktheid op 1 juli 1971 voortduurt, is het bedrag van het gederfde loon dat in aanmerking dient te worden genomen voor de berekening van de uitkering te verlenen van deze laatste datum af, gelijk aan het bedrag van het werkelijke loon (zoals bedoeld in artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet), evenwel beperkt tot het maximumbedrag op hetwelk de bijdragen voor de verzekering voor geneeskundige verzorging werden ingehouden en zonder dat het maandbedrag van het loon 14.300 frank mag overschrijden tijdens het eerste kwartaal 1970 en 14.575 frank tijdens het tweede kwartaal 1970. <KB 2001-06-10/62, art. 5, 065; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Vóór toepassing van de artikelen 93, vijfde lid, 98 en 99, van de gecoördineerde wet wordt het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering verhoogd met 25 pct. voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 2 april 1964.
Vóór toepassing van de artikelen 93, vijfde lid, 98 en 99, van de gecoördineerde wet wordt het dagbedrag van de invaliditeitsuitkering verhoogd met 25 pct. voor de gerechtigden wier arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 2 april 1964.
Art.215. Pour les titulaires devenus incapables de travailler entre le 2 avril 1964 et le 30 juin 1970 et dont l'incapacité persiste au 1er juillet 1971, le montant de la rémunération perdu à prendre en considération pour le calcul de l'indemnité à allouer à partir de cette dernière date, est le montant de la rémunération réelle (visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée), limité toutefois au montant maximum sur lequel étaient prélevées les cotisations pour l'assurance soins de santé et sans que le montant mensuel de la rémunération puisse dépasser 14.300 francs pendant le premier trimestre 1970 et 14.575 francs pendant le deuxième trimestre 1970. <KB 2001-06-10/62, art. 5, 065; En vigueur : 01-01-2003>
Avant application des articles 93, alinéa 5, 98 et 99 de la loi coordonnée, le montant journalier de l'indemnité d'invalidité est augmenté de 25 p.c. pour les titulaires dont l'incapacité de travail a débuté avant le 2 avril 1964.
Avant application des articles 93, alinéa 5, 98 et 99 de la loi coordonnée, le montant journalier de l'indemnité d'invalidité est augmenté de 25 p.c. pour les titulaires dont l'incapacité de travail a débuté avant le 2 avril 1964.
Afdeling VIbis. (Ingevoegd bij KB 1998-07-10/36, art. 2, Inwerkingtreding : 01-10-1998) De forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden.
Section VIbis. (inséré par AR 1998-07-10/36, art. 2, En vigueur : 01-10-1998) De l'allocation forfaitaire pour l'aide d'une tierce personne.
Art. 215bis. <KB 2007-01-29/46, art. 2, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007> § 1. De arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die niet ter verpleging opgenomen is, [1 noch in een rust- of verzorgingstehuis, een psychiatrisch verzorgingstehuis of een rustoord voor bejaarden verblijft]1, noch in voorlopige hechtenis is, noch van zijn vrijheid beroofd is, [4 en voor wie andermans hulp door de adviserend [6 arts]6 [12 of door de medewerker van het multidisciplinaire team]12 als onontbeerlijk is erkend]4, doordat hij ten gevolge van zijn lichamelijke of geestestoestand de gewone handelingen van het dagelijks leven niet alleen kan verrichten, kan, vanaf de vierde maand van arbeidsongeschiktheid, aanspraak maken op een forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden.
De graad van de behoefte aan andermans hulp wordt bepaald door het totale aantal punten, toegekend [10 volgens de evaluatieschaal en zijn handleiding opgenomen in bijlage II]10. De gerechtigde moet in het totaal minstens 11 punten behalen. [12 Indien volgens de voormelde evaluatieschaal en zijn handleiding de gerechtigde minder dan 11 punten behaalt, kan enkel de adviserend arts de beslissing tot weigering van de erkenning van het onontbeerlijke karakter van de behoefte aan andermans hulp nemen.]12
De behoefte aan andermans hulp kan slechts worden erkend, als zij noodzakelijk wordt geacht voor een onafgebroken periode van ten minste drie maanden.
[4 De beslissing tot erkenning van de behoefte aan andermans hulp wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de gerechtigde in de zetel van de verzekeringsinstelling geborgen. Deze beslissing tot erkenning wordt door de verzekeringsinstelling meegedeeld aan het RIZIV.]4
[1 Opname ter verpleging van de gerechtigde of zijn opname in een rust- of verzorgingstehuis, in een psychiatrisch verzorgingstehuis of in een rustoord voor bejaarden, schorst de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp vanaf de eerste dag van de derde maand tot het einde van deze opnames, behalve indien de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet tegemoetkomt in de verpleegdagprijs, noch de in artikel 147, § 3, bedoelde tegemoetkoming verleent.]1
Ingeval de gerechtigde in voorlopige hechtenis is of van zijn vrijheid beroofd is, wordt de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp geschorst vanaf de eerste dag van de voorlopige hechtenis of de vrijheidsberoving.
[1 Indien de gerechtigde niet meer ter verpleging opgenomen is, niet meer in een rust- of verzorgingstehuis, in een psychiatrisch verzorgingstehuis of een rustoord voor bejaarden verblijft, niet meer in voorlopige hechtenis is of niet meer van zijn vrijheid beroofd is gedurende een periode van minder dan dertig dagen, dan wordt die periode geacht de voortzetting te zijn van de vorige.]1
§ 2. Het dagbedrag van de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden bedraagt [11 16,8786]11 euro.
§ 2/1. [9 ...]9
§ 3. [2 De invalide gerechtigde die op 31 december 2006 aanspraak kon maken op uitkeringen als gerechtigde met gezinslast op basis van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp, behoudt deze hoedanigheid voor de periode tijdens dewelke de behoefte aan andermans hulp verder erkend wordt, indien het verschil tussen het bedrag van zijn uitkering als gerechtigde met gezinslast en het bedrag van zijn uitkering als gerechtigde zonder gezinslast hoger is dan [8 het bedrag bedoeld in paragraaf 2]8.]2
§ 4.[9 ...]9
De graad van de behoefte aan andermans hulp wordt bepaald door het totale aantal punten, toegekend [10 volgens de evaluatieschaal en zijn handleiding opgenomen in bijlage II]10. De gerechtigde moet in het totaal minstens 11 punten behalen. [12 Indien volgens de voormelde evaluatieschaal en zijn handleiding de gerechtigde minder dan 11 punten behaalt, kan enkel de adviserend arts de beslissing tot weigering van de erkenning van het onontbeerlijke karakter van de behoefte aan andermans hulp nemen.]12
De behoefte aan andermans hulp kan slechts worden erkend, als zij noodzakelijk wordt geacht voor een onafgebroken periode van ten minste drie maanden.
[4 De beslissing tot erkenning van de behoefte aan andermans hulp wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de gerechtigde in de zetel van de verzekeringsinstelling geborgen. Deze beslissing tot erkenning wordt door de verzekeringsinstelling meegedeeld aan het RIZIV.]4
[1 Opname ter verpleging van de gerechtigde of zijn opname in een rust- of verzorgingstehuis, in een psychiatrisch verzorgingstehuis of in een rustoord voor bejaarden, schorst de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp vanaf de eerste dag van de derde maand tot het einde van deze opnames, behalve indien de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet tegemoetkomt in de verpleegdagprijs, noch de in artikel 147, § 3, bedoelde tegemoetkoming verleent.]1
Ingeval de gerechtigde in voorlopige hechtenis is of van zijn vrijheid beroofd is, wordt de uitwerking van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp geschorst vanaf de eerste dag van de voorlopige hechtenis of de vrijheidsberoving.
[1 Indien de gerechtigde niet meer ter verpleging opgenomen is, niet meer in een rust- of verzorgingstehuis, in een psychiatrisch verzorgingstehuis of een rustoord voor bejaarden verblijft, niet meer in voorlopige hechtenis is of niet meer van zijn vrijheid beroofd is gedurende een periode van minder dan dertig dagen, dan wordt die periode geacht de voortzetting te zijn van de vorige.]1
§ 2. Het dagbedrag van de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden bedraagt [11 16,8786]11 euro.
§ 2/1. [9 ...]9
§ 3. [2 De invalide gerechtigde die op 31 december 2006 aanspraak kon maken op uitkeringen als gerechtigde met gezinslast op basis van de erkenning van de behoefte aan andermans hulp, behoudt deze hoedanigheid voor de periode tijdens dewelke de behoefte aan andermans hulp verder erkend wordt, indien het verschil tussen het bedrag van zijn uitkering als gerechtigde met gezinslast en het bedrag van zijn uitkering als gerechtigde zonder gezinslast hoger is dan [8 het bedrag bedoeld in paragraaf 2]8.]2
§ 4.[9 ...]9
Modifications
Art. 215bis. <AR 2007-01-29/46, art. 2, 139; En vigueur : 01-01-2007> § 1er. Le titulaire reconnu incapable de travailler qui n'est pas hospitalisé, [1 ni hébergé dans une maison de repos ou de soins, une maison de soins psychiatriques ou une maison de repos pour personnes âgées]1, ni en situation de détention préventive ou de privation de liberté [4 et pour lequel le médecin-conseil [11 ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire]11 a décidé que l'aide d'une tierce personne est nécessaire]4 du fait que son état physique ou mental ne lui permet pas d'accomplir seul les actes courants de la vie journalière, peut, à partir du quatrième mois d'incapacité de travail, prétendre à une allocation forfaitaire pour l'aide d'une tierce personne.
L'évaluation du degré de nécessité de l'aide d'une tierce personne s'effectue sur base du nombre total de points attribués [9 en fonction de l'échelle d'évaluation et son manuel, tels que repris sous l'annexe II]9. Le titulaire doit obtenir un nombre total d'au moins 11 points. [11 Si, en fonction de l'échelle d'évaluation susmentionnée et son manuel, le titulaire obtient moins de 11 points, le médecin-conseil peut uniquement prendre la décision de refuser la reconnaissance du caractère indispensable du degré de nécessité de l'aide d'une tierce personne.]11
L'aide d'une tierce personne ne peut être reconnue que si elle est estimée indispensable pour une période continue d'au moins trois mois.
[4 La décision de reconnaissance de la nécessité de l'aide d'une tierce personne est consignée dans le dossier médical et administratif du titulaire au siège de l'organisme assureur. Cette décision de reconnaissance est communiquée à l'INAMI par l'organisme assureur.]4
[1 L'hospitalisation du titulaire ou son hébergement dans une maison de repos ou de soins, une maison de soins psychiatriques ou une maison de repos pour personnes âgées, suspend les effets de la reconnaissance de la nécessité de l'aide d'une tierce personne, dès le premier jour du troisième mois d'hospitalisation ou d'hébergement et jusqu'à la fin de ceux-ci, sauf si l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités n'intervient pas dans le prix de la journée d'entretien ou n'octroie pas l'intervention visée à l'article 147, § 3.]1
En cas de détention préventive ou de privation de liberté du titulaire, les effets de la reconnaissance de la nécessité de l'aide d'une tierce personne sont suspendus dès le premier jour de la détention préventive ou de la privation de liberté.
[1 Si le titulaire cesse d'être hospitalisé, hébergé dans une maison de repos ou de soins, une maison de soins psychiatriques ou une maison de repos pour personnes âgées, ou cesse de se trouver en situation de détention préventive ou de privation de liberté pendant une période comptant moins de trente jours, cette période est censée être la prolongation de la précédente.]1
§ 2. Le montant journalier de l'allocation forfaitaire pour l'aide d'une tierce personne s'élève à [10 16,8786]10 euros.
§ 2/1. [8 ...]8.
§ 3. [2 Le titulaire invalide qui, le 31 décembre 2006, pouvait prétendre aux indemnités comme titulaire avec charge de famille sur base de la reconnaissance de la nécessité de l'aide d'une tierce personne, maintient cette qualité pour la période pendant laquelle la nécessité de l'aide d'une tierce personne continue à être reconnue, si la différence entre le montant de son indemnité comme titulaire avec charge de famille et le montant de son indemnité comme titulaire sans charge de famille est supérieure [7 au montant visé au paragraphe 2]7.]2
§ 4.[8 ...]8
L'évaluation du degré de nécessité de l'aide d'une tierce personne s'effectue sur base du nombre total de points attribués [9 en fonction de l'échelle d'évaluation et son manuel, tels que repris sous l'annexe II]9. Le titulaire doit obtenir un nombre total d'au moins 11 points. [11 Si, en fonction de l'échelle d'évaluation susmentionnée et son manuel, le titulaire obtient moins de 11 points, le médecin-conseil peut uniquement prendre la décision de refuser la reconnaissance du caractère indispensable du degré de nécessité de l'aide d'une tierce personne.]11
L'aide d'une tierce personne ne peut être reconnue que si elle est estimée indispensable pour une période continue d'au moins trois mois.
[4 La décision de reconnaissance de la nécessité de l'aide d'une tierce personne est consignée dans le dossier médical et administratif du titulaire au siège de l'organisme assureur. Cette décision de reconnaissance est communiquée à l'INAMI par l'organisme assureur.]4
[1 L'hospitalisation du titulaire ou son hébergement dans une maison de repos ou de soins, une maison de soins psychiatriques ou une maison de repos pour personnes âgées, suspend les effets de la reconnaissance de la nécessité de l'aide d'une tierce personne, dès le premier jour du troisième mois d'hospitalisation ou d'hébergement et jusqu'à la fin de ceux-ci, sauf si l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités n'intervient pas dans le prix de la journée d'entretien ou n'octroie pas l'intervention visée à l'article 147, § 3.]1
En cas de détention préventive ou de privation de liberté du titulaire, les effets de la reconnaissance de la nécessité de l'aide d'une tierce personne sont suspendus dès le premier jour de la détention préventive ou de la privation de liberté.
[1 Si le titulaire cesse d'être hospitalisé, hébergé dans une maison de repos ou de soins, une maison de soins psychiatriques ou une maison de repos pour personnes âgées, ou cesse de se trouver en situation de détention préventive ou de privation de liberté pendant une période comptant moins de trente jours, cette période est censée être la prolongation de la précédente.]1
§ 2. Le montant journalier de l'allocation forfaitaire pour l'aide d'une tierce personne s'élève à [10 16,8786]10 euros.
§ 2/1. [8 ...]8.
§ 3. [2 Le titulaire invalide qui, le 31 décembre 2006, pouvait prétendre aux indemnités comme titulaire avec charge de famille sur base de la reconnaissance de la nécessité de l'aide d'une tierce personne, maintient cette qualité pour la période pendant laquelle la nécessité de l'aide d'une tierce personne continue à être reconnue, si la différence entre le montant de son indemnité comme titulaire avec charge de famille et le montant de son indemnité comme titulaire sans charge de famille est supérieure [7 au montant visé au paragraphe 2]7.]2
§ 4.[8 ...]8
Modifications
Art. 215ter. (opgeheven) <KB 2007-01-29/46, art. 3, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 215ter. (abrogé) <AR 2007-01-29/46, art. 3, 139; En vigueur : 01-01-2007>
Afdeling VIter. - [1 Beroepsherscholing.]1
Section VIter. - [1 Réadaptation professionnelle.]1
Art. 215quater. [1 De tegemoetkomingen inzake beroepsherscholing, bedoeld in artikel 109bis, tweede lid, van de gecoördineerde wet, omvatten alle voorzieningen of diensten, die erop gericht zijn geheel of gedeeltelijk de initiële arbeidsgeschiktheid van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde te herstellen of de potentiële arbeidsgeschiktheid van deze gerechtigde te valoriseren, met het oog op de volledige integratie van de betrokkene in een arbeidsomgeving.
Zij omvatten met name elk onderzoek, zoals een loopbaanoriëntatie-onderzoek dat moet toelaten te bepalen of een beroepsherscholingsprogramma mogelijk en nuttig is, en elke opleiding, begeleiding of scholing die rechtstreeks bijdraagt tot de integratie, bedoeld in het eerste lid.]1
Zij omvatten met name elk onderzoek, zoals een loopbaanoriëntatie-onderzoek dat moet toelaten te bepalen of een beroepsherscholingsprogramma mogelijk en nuttig is, en elke opleiding, begeleiding of scholing die rechtstreeks bijdraagt tot de integratie, bedoeld in het eerste lid.]1
Art. 215quater. [1 Les prestations de réadaptation professionnelle, visées à l'article 109bis, alinéa 2 de la loi coordonnée, comprennent toutes les interventions ou tous les services visant à restaurer tout ou partie de la capacité de travail initiale du titulaire reconnu incapable de travailler ou à valoriser la capacité de travail potentielle de ce titulaire, en vue de son intégration complète dans un milieu de travail.
Elles comprennent notamment tout examen, tel qu'un examen d'orientation professionnelle, visant à déterminer la possibilité d'entreprendre un programme de réadaptation professionnelle et son utilité, et toute formation, encadrement ou apprentissage, qui contribue directement à l'intégration, visée à l'alinéa 1er.]1
Elles comprennent notamment tout examen, tel qu'un examen d'orientation professionnelle, visant à déterminer la possibilité d'entreprendre un programme de réadaptation professionnelle et son utilité, et toute formation, encadrement ou apprentissage, qui contribue directement à l'intégration, visée à l'alinéa 1er.]1
Modifications
Art. 215quinquies. [1 De kosten die verbonden zijn aan de effectieve integratie van een gerechtigde na een programma van beroepsherscholing, bedoeld in artikel 109bis, derde lid, van de gecoördineerde wet, moeten rechtstreeks bijdragen tot de integratie van de betrokkene. Deze kosten moeten bovendien in verhouding zijn met het te bereiken doel.
De tenlasteneming van deze kosten kan maximaal toegestaan worden voor een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de maand volgend op de maand van afronding van het voormeld programma.]1
De tenlasteneming van deze kosten kan maximaal toegestaan worden voor een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de maand volgend op de maand van afronding van het voormeld programma.]1
Art. 215quinquies. [1 Les coûts liés à l'intégration effective du titulaire après un programme de réadaptation professionnelle, visé à l'article 109bis, alinéa 3 de la loi coordonnée, doivent contribuer directement à l'intégration de l'intéressé. Ces coûts doivent en outre être en proportion avec le but à atteindre.
La prise en charge de ces coûts peut être autorisée pour une période maximum de six mois, prenant cours à partir du mois suivant le mois d'achèvement dudit programme.]1
La prise en charge de ces coûts peut être autorisée pour une période maximum de six mois, prenant cours à partir du mois suivant le mois d'achèvement dudit programme.]1
Modifications
Art. 215septies. [1 Pour l'évaluation de l'état d'incapacité de travail, visé à l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée, il est tenu compte des compétences professionnelles acquises lors du programme de réadaptation professionnelle au terme d'une période de six mois prenant cours à l'expiration du mois pendant lequel ledit programme a été achevé.]1
Modifications
Art. 215septies. [1 Voor de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid, bedoeld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet, wordt rekening gehouden met de tijdens het programma van beroepsherscholing verworven beroepscompetenties na afloop van een periode van zes maanden die aanvangt bij het verstrijken van de maand waarin voormeld programma werd doorlopen.]1
Art. 215septies. [1 Pour l'évaluation de l'état d'incapacité de travail, visé à l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée, il est tenu compte des compétences professionnelles acquises lors du programme de réadaptation professionnelle au terme d'une période de six mois prenant cours à l'expiration du mois pendant lequel ledit programme a été achevé.]1
Modifications
Afdeling VIquater. [1 - Fysieke contacten tijdens de arbeidsongeschiktheid, het "Terug Naar Werk-traject" en het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie.]1
Art. 215octies.[1 § 1er. Dans cette section, on entend par :
Art. 215octies. [1 § 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:
1° het "Terug Naar Werk-traject": het "Terug Naar Werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/1 van de gecoördineerde wet;
2° de "Terug Naar Werk-coördinator": de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds bedoeld in artikel 100, § 1/1 van de gecoördineerde wet;
3° het "Terug Naar Werk-dossier": het elektronische dossier van de gerechtigde in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet;
[3 4° de "medewerker van het multidisciplinaire team": de medewerker van het multidisciplinaire team bedoeld in artikel 102 van de gecoördineerde wet.]3
§ 2. Om als "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds te kunnen fungeren, dienen de volgende voorwaarden te zijn vervuld:
1° de betrokkene beschikt minstens over een diploma op grond waarvan hij in aanmerking komt voor de toelating tot de federale overheidsdiensten wat het niveau B betreft overeenkomstig de bijlage van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
2° [2 de betrokkene heeft de door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering georganiseerde opleiding "Disability Management" gevolgd en heeft minstens de helft van de punten behaald op het in het kader van deze opleiding georganiseerde examen "Certified Return to Work Coordinator". Indien de betrokkene bij de opname van de functie als "Terug Naar Werk-coördinator" echter niet zou voldoen aan de voormelde voorwaarden, dienen zij te zijn vervuld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de opname van deze functie;]2
3° [2 de betrokkene neemt na het opnemen van de functie per jaar deel aan twee door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ingerichte intervisiemomenten.]2
§ 3. Met respect voor het beroepsgeheim neemt de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds alle nuttige maatregelen in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" en contacteert hij, in samenspraak met de adviserend arts en met het akkoord van de gerechtigde, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die kan bijdragen tot de sociaalprofessionele re-integratie van deze gerechtigde, evenals ondersteunt hij de gerechtigde in de contacten met voornoemde natuurlijke personen of rechtspersonen. In het bijzonder verricht de "Terug Naar Werk-coördinator" de volgende opdrachten tijdens het "Terug Naar Werk-traject":
1° de organisatie van het eerste contactmoment met de gerechtigde, zowel op vraag van de adviserend arts als op eigen initiatief van de gerechtigde, evenals van de volgende noodzakelijk geachte contactmomenten in het kader van de passende aanpassings- en/of begeleidingsacties;
2° de ondersteuning van de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming, bij de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject door de gerechtigde zelf bij de preventieadviseur-arbeidsarts bedoeld in artikel I.4-73, § 1, 1° van de codex over het welzijn op het werk;
3° de registratie in het "Terug Naar Werk-dossier" en de opvolging, zowel op algemeen vlak als per individueel dossier, van de verschillende ondernomen acties, inclusief het behaalde resultaat van het "Terug Naar Werk-traject".]1
1° het "Terug Naar Werk-traject": het "Terug Naar Werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/1 van de gecoördineerde wet;
2° de "Terug Naar Werk-coördinator": de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds bedoeld in artikel 100, § 1/1 van de gecoördineerde wet;
3° het "Terug Naar Werk-dossier": het elektronische dossier van de gerechtigde in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet;
[3 4° de "medewerker van het multidisciplinaire team": de medewerker van het multidisciplinaire team bedoeld in artikel 102 van de gecoördineerde wet.]3
§ 2. Om als "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds te kunnen fungeren, dienen de volgende voorwaarden te zijn vervuld:
1° de betrokkene beschikt minstens over een diploma op grond waarvan hij in aanmerking komt voor de toelating tot de federale overheidsdiensten wat het niveau B betreft overeenkomstig de bijlage van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel;
2° [2 de betrokkene heeft de door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering georganiseerde opleiding "Disability Management" gevolgd en heeft minstens de helft van de punten behaald op het in het kader van deze opleiding georganiseerde examen "Certified Return to Work Coordinator". Indien de betrokkene bij de opname van de functie als "Terug Naar Werk-coördinator" echter niet zou voldoen aan de voormelde voorwaarden, dienen zij te zijn vervuld binnen een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de opname van deze functie;]2
3° [2 de betrokkene neemt na het opnemen van de functie per jaar deel aan twee door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ingerichte intervisiemomenten.]2
§ 3. Met respect voor het beroepsgeheim neemt de "Terug Naar Werk-coördinator" binnen het ziekenfonds alle nuttige maatregelen in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" en contacteert hij, in samenspraak met de adviserend arts en met het akkoord van de gerechtigde, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die kan bijdragen tot de sociaalprofessionele re-integratie van deze gerechtigde, evenals ondersteunt hij de gerechtigde in de contacten met voornoemde natuurlijke personen of rechtspersonen. In het bijzonder verricht de "Terug Naar Werk-coördinator" de volgende opdrachten tijdens het "Terug Naar Werk-traject":
1° de organisatie van het eerste contactmoment met de gerechtigde, zowel op vraag van de adviserend arts als op eigen initiatief van de gerechtigde, evenals van de volgende noodzakelijk geachte contactmomenten in het kader van de passende aanpassings- en/of begeleidingsacties;
2° de ondersteuning van de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming, bij de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject door de gerechtigde zelf bij de preventieadviseur-arbeidsarts bedoeld in artikel I.4-73, § 1, 1° van de codex over het welzijn op het werk;
3° de registratie in het "Terug Naar Werk-dossier" en de opvolging, zowel op algemeen vlak als per individueel dossier, van de verschillende ondernomen acties, inclusief het behaalde resultaat van het "Terug Naar Werk-traject".]1
Art. 215octies. [1 § 1er. Dans cette section, on entend par :
1° le "Trajet Retour Au Travail " : le "Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 100, § 1er/1 de la loi coordonnée;
2° le "Coordinateur Retour Au Travail " : le "Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité visé à l'article 100, § 1er/1 de la loi coordonnée;
3° le "Dossier Retour Au Travail ": le dossier électronique du titulaire dans le cadre du " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 100, § 1er/2 de la loi coordonnée;
[3 4° le " collaborateur de l'équipe multidisciplinaire " : le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire visé à l'article 102 de la loi coordonnée.]3
§ 2. Pour agir en tant que "Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité, les conditions suivantes doivent être remplies:
1° l'intéressé est au moins titulaire d'un diplôme au titre duquel il remplit les conditions d'admission dans les services publics fédéraux au titre du niveau B conformément à l'annexe de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 sur le statut du personnel de l'Etat;
2° [2 l'intéressé a suivi la formation "Disability Management" organisée par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et a obtenu au moins la moitié des points à l'examen "Certified Return to Work Coordinator" organisé dans le cadre de cette formation. Toutefois, si l'intéressé ne remplit pas les conditions susmentionnées lors de son entrée en fonction, il doit les remplir dans un délai de trois ans à compter de la date de son entrée en fonction;]2
3° [2 après l'entrée en fonction, l'intéressé participe à deux moments d'intervisions par an organisés par l'Institut National d'Assurance Maladie-Invalidité.]2
§ 3. Dans le respect du secret professionnel, le "Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité prend toutes les mesures utiles dans le cadre du "Trajet Retour Au Travail " et contacte, en concertation avec le médecin-conseil et avec l'accord du titulaire, toute personne physique ou morale susceptible de contribuer à la réinsertion professionnelle de ce titulaire, ainsi qu'il accompagne le titulaire dans les contacts avec les personnes physiques ou morales susvisées. En particulier, le "Coordinateur Retour Au Travail " effectue les missions suivantes au cours du "Trajet Retour Au Travail " :
1° l'organisation du premier moment de contact avec le titulaire, que se soit sur demande du médecin-conseil ou de la propre initiative du titulaire, ainsi que les moments de contacts suivants jugés nécessaires dans le cadre d'actions de réadaptation et/ou d'orientation appropriées;
2° le soutien du titulaire lié par un contrat de travail, avec son consentement, à la demande de visite préalable à la reprise du travail visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou le démarrage d'un trajet de réintégration par le titulaire lui-même auprès du conseiller en prévention-médecin du travail visé à l'article I.4-73, § 1er, 1° du code du bien-être au travail;
3° l'enregistrement dans le dossier "Trajet Retour Au Travail" et le suivi, tant au niveau général que par dossier individuel, des différentes actions entreprises, y compris le résultat obtenu du " Trajet Retour Au Travail ".]1
1° le "Trajet Retour Au Travail " : le "Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 100, § 1er/1 de la loi coordonnée;
2° le "Coordinateur Retour Au Travail " : le "Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité visé à l'article 100, § 1er/1 de la loi coordonnée;
3° le "Dossier Retour Au Travail ": le dossier électronique du titulaire dans le cadre du " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 100, § 1er/2 de la loi coordonnée;
[3 4° le " collaborateur de l'équipe multidisciplinaire " : le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire visé à l'article 102 de la loi coordonnée.]3
§ 2. Pour agir en tant que "Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité, les conditions suivantes doivent être remplies:
1° l'intéressé est au moins titulaire d'un diplôme au titre duquel il remplit les conditions d'admission dans les services publics fédéraux au titre du niveau B conformément à l'annexe de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 sur le statut du personnel de l'Etat;
2° [2 l'intéressé a suivi la formation "Disability Management" organisée par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité et a obtenu au moins la moitié des points à l'examen "Certified Return to Work Coordinator" organisé dans le cadre de cette formation. Toutefois, si l'intéressé ne remplit pas les conditions susmentionnées lors de son entrée en fonction, il doit les remplir dans un délai de trois ans à compter de la date de son entrée en fonction;]2
3° [2 après l'entrée en fonction, l'intéressé participe à deux moments d'intervisions par an organisés par l'Institut National d'Assurance Maladie-Invalidité.]2
§ 3. Dans le respect du secret professionnel, le "Coordinateur Retour Au Travail " au sein de la mutualité prend toutes les mesures utiles dans le cadre du "Trajet Retour Au Travail " et contacte, en concertation avec le médecin-conseil et avec l'accord du titulaire, toute personne physique ou morale susceptible de contribuer à la réinsertion professionnelle de ce titulaire, ainsi qu'il accompagne le titulaire dans les contacts avec les personnes physiques ou morales susvisées. En particulier, le "Coordinateur Retour Au Travail " effectue les missions suivantes au cours du "Trajet Retour Au Travail " :
1° l'organisation du premier moment de contact avec le titulaire, que se soit sur demande du médecin-conseil ou de la propre initiative du titulaire, ainsi que les moments de contacts suivants jugés nécessaires dans le cadre d'actions de réadaptation et/ou d'orientation appropriées;
2° le soutien du titulaire lié par un contrat de travail, avec son consentement, à la demande de visite préalable à la reprise du travail visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou le démarrage d'un trajet de réintégration par le titulaire lui-même auprès du conseiller en prévention-médecin du travail visé à l'article I.4-73, § 1er, 1° du code du bien-être au travail;
3° l'enregistrement dans le dossier "Trajet Retour Au Travail" et le suivi, tant au niveau général que par dossier individuel, des différentes actions entreprises, y compris le résultat obtenu du " Trajet Retour Au Travail ".]1
Art. 215novies. [1 Het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in deze afdeling beoogt in het kader van het "Terug Naar Werk-traject" de sociaalprofessionele re-integratie te bevorderen van de gerechtigde die niet meer tewerkgesteld is of niet meer tewerkgesteld kan worden door zijn werkgever, door hem te begeleiden naar een functie bij een andere werkgever of in een andere bedrijfstak.]1
Modifications
Art. 215decies. [1 Dix semaines après le début de l'incapacité de travail, le médecin-conseil adresse au titulaire un questionnaire sur la base duquel il est examiné quels facteurs personnels et environnementaux, selon le cas, peuvent favoriser ou empêcher une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'une profession sur le marché du travail régulier. Le titulaire doit retourner ce questionnaire dûment rempli au médecin-conseil dans un délai de deux semaines. Toutefois, si le médecin-conseil n'a pas reçu le questionnaire dans un délai de deux semaines, il demandera au " Coordinateur Retour Au Travail " de contacter le titulaire et, le cas échéant, il lui sera apporté l'accompagnement nécessaire pour le remplir.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ne procède pas à l'envoi du questionnaire dans les situations suivantes :
1° la gravité de la pathologie du titulaire ne justifie pas l'envoi du questionnaire;
2° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
3° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
4° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
[2 5° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal précité du 23 décembre 1996. ]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ne procède pas à l'envoi du questionnaire dans les situations suivantes :
1° la gravité de la pathologie du titulaire ne justifie pas l'envoi du questionnaire;
2° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
3° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
4° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
[2 5° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal précité du 23 décembre 1996. ]2
Art. 215decies. [1 Tien weken na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid stuurt de adviserend arts een vragenlijst op naar de gerechtigde op grond waarvan wordt nagegaan welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, naargelang het geval, een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld naar de adviserend arts terug te sturen. Indien de adviserend arts de vragenlijst echter niet binnen een termijn van twee weken heeft ontvangen, vraagt hij aan de "Terug Naar Werk-coördinator" dat contact wordt opgenomen met de gerechtigde en, in voorkomend geval, zal hem de nodige ondersteuning bij het invullen worden geboden.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts niet tot het verzenden van de vragenlijst over in de volgende situaties:
1° de ernst van de pathologie van de gerechtigde rechtvaardigt het niet verzenden van de vragenlijst;
2° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
3° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
4° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
[2 5° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.]2
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts niet tot het verzenden van de vragenlijst over in de volgende situaties:
1° de ernst van de pathologie van de gerechtigde rechtvaardigt het niet verzenden van de vragenlijst;
2° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
3° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
4° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
[2 5° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.]2
Art. 215decies. [1 Dix semaines après le début de l'incapacité de travail, le médecin-conseil adresse au titulaire un questionnaire sur la base duquel il est examiné quels facteurs personnels et environnementaux, selon le cas, peuvent favoriser ou empêcher une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'une profession sur le marché du travail régulier. Le titulaire doit retourner ce questionnaire dûment rempli au médecin-conseil dans un délai de deux semaines. Toutefois, si le médecin-conseil n'a pas reçu le questionnaire dans un délai de deux semaines, il demandera au " Coordinateur Retour Au Travail " de contacter le titulaire et, le cas échéant, il lui sera apporté l'accompagnement nécessaire pour le remplir.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ne procède pas à l'envoi du questionnaire dans les situations suivantes :
1° la gravité de la pathologie du titulaire ne justifie pas l'envoi du questionnaire;
2° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
3° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
4° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
[2 5° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal précité du 23 décembre 1996. ]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ne procède pas à l'envoi du questionnaire dans les situations suivantes :
1° la gravité de la pathologie du titulaire ne justifie pas l'envoi du questionnaire;
2° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
3° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
4° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
[2 5° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal précité du 23 décembre 1996. ]2
Art. 215decies /1.[1 Uiterlijk op de laatste dag van de vierde maand van de arbeidsongeschiktheid vindt een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats. Tijdens dit contact wordt de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde geëvalueerd en wordt informatie over de re-integratie verstrekt.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:
a) overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
b) overeenkomstig artikel 239.
2° de adviserend arts oordeelt dat het fysieke contact gelet op de ernst van de pathologie van de gerechtigde niet noodzakelijk is. Deze beslissing wordt in het medisch dossier van de gerechtigde vermeld.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.]1
[2 3° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.]2
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:
a) overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
b) overeenkomstig artikel 239.
2° de adviserend arts oordeelt dat het fysieke contact gelet op de ernst van de pathologie van de gerechtigde niet noodzakelijk is. Deze beslissing wordt in het medisch dossier van de gerechtigde vermeld.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.]1
[2 3° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.]2
Art. 215decies /2.[1 Dans le courant du quatrième mois de l'incapacité de travail, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ", établira, sur base, entre autres, du dossier médical du titulaire et du questionnaire complété par le titulaire, une première estimation de ses capacités restantes. S'il n'était pas possible pour le titulaire, nonobstant l'accompagnement apporté visé à l'article 215decies, alinéa 1er, de remplir le questionnaire envoyé, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire l'invite pour un contact physique dans le cadre de cette estimation des capacités restantes sauf s'il ressort de l'information médicale mise à disposition qu'il n'est pas possible de remplir le questionnaire et qu'un contact physique n'est pas approprié à ce moment-là.
Sur la base de l'estimation effectuée de ses capacités restantes visée à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire classe le titulaire dans l'une des quatre catégories suivantes :
1° catégorie 1 : il peut raisonnablement être présumé que le titulaire reprendra spontanément le travail convenu ou un emploi sur le marché du travail régulier au plus tard à la fin du sixième mois d'incapacité de travail, selon le cas;
2° catégorie 2 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier ne semble pas possible pour des raisons médicales;
3° catégorie 3 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être donnée au diagnostic médical ou au traitement médical;
4° catégorie 4 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier semble possible après une ou plusieurs actions de réadaptation et/ou d'orientation.
Si le titulaire a été classé dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le questionnaire complété par le titulaire, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à la première estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes:
1° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
2° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
[2 4° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal précité du 23 décembre 1996.]2
Sur la base de l'estimation effectuée de ses capacités restantes visée à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire classe le titulaire dans l'une des quatre catégories suivantes :
1° catégorie 1 : il peut raisonnablement être présumé que le titulaire reprendra spontanément le travail convenu ou un emploi sur le marché du travail régulier au plus tard à la fin du sixième mois d'incapacité de travail, selon le cas;
2° catégorie 2 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier ne semble pas possible pour des raisons médicales;
3° catégorie 3 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être donnée au diagnostic médical ou au traitement médical;
4° catégorie 4 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier semble possible après une ou plusieurs actions de réadaptation et/ou d'orientation.
Si le titulaire a été classé dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le questionnaire complété par le titulaire, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à la première estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes:
1° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
2° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
[2 4° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal précité du 23 décembre 1996.]2
Art. 215decies /2.[1 In de loop van de vierde maand van de arbeidsongeschiktheid maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", onder andere op basis van het medisch dossier van de gerechtigde en de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, een eerste inschatting van diens restcapaciteiten op. Indien het voor de gerechtigde, ondanks de geboden ondersteuning bedoeld in artikel 215decies, eerste lid, niet mogelijk is geweest om de verzonden vragenlijst in te vullen, nodigt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team hem in het kader van deze inschatting van de restcapaciteiten voor een fysiek contact uit tenzij uit de ter beschikking gestelde medische informatie blijkt dat het invullen van de vragenlijst niet mogelijk is en een fysiek contact op dat moment niet aangewezen is.
Op grond van de verrichte inschatting van zijn restcapaciteiten bedoeld in het eerste lid plaatst de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën:
1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de arbeidsongeschiktheid spontaan, naargelang het geval, het overeengekomen werk zal hervatten of een beroep op de reguliere arbeidsmarkt zal opnemen;
2° categorie 2: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
3° categorie 3: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
4° categorie 4: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt lijkt mogelijk te zijn na één of meerdere aanpassings- en/of begeleidingsacties.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team is geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van een niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de eerste inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
[2 4° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.]2
Op grond van de verrichte inschatting van zijn restcapaciteiten bedoeld in het eerste lid plaatst de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team de gerechtigde in één van de volgende vier categorieën:
1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de gerechtigde uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de arbeidsongeschiktheid spontaan, naargelang het geval, het overeengekomen werk zal hervatten of een beroep op de reguliere arbeidsmarkt zal opnemen;
2° categorie 2: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
3° categorie 3: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt is voorlopig niet aan de orde omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
4° categorie 4: een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt lijkt mogelijk te zijn na één of meerdere aanpassings- en/of begeleidingsacties.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team is geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van een niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het eerste lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de eerste inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
[2 4° de staat van arbeidsongeschiktheid is aangevat:
a) tijdens de periode van zes maanden voorafgaandelijk de maand na die waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels bereikt;
b) na de maand waarin de gerechtigde de pensioenleeftijd bepaald in artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 23 december 1996 heeft bereikt.]2
Art. 215decies /2.[1 Dans le courant du quatrième mois de l'incapacité de travail, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ", établira, sur base, entre autres, du dossier médical du titulaire et du questionnaire complété par le titulaire, une première estimation de ses capacités restantes. S'il n'était pas possible pour le titulaire, nonobstant l'accompagnement apporté visé à l'article 215decies, alinéa 1er, de remplir le questionnaire envoyé, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire l'invite pour un contact physique dans le cadre de cette estimation des capacités restantes sauf s'il ressort de l'information médicale mise à disposition qu'il n'est pas possible de remplir le questionnaire et qu'un contact physique n'est pas approprié à ce moment-là.
Sur la base de l'estimation effectuée de ses capacités restantes visée à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire classe le titulaire dans l'une des quatre catégories suivantes :
1° catégorie 1 : il peut raisonnablement être présumé que le titulaire reprendra spontanément le travail convenu ou un emploi sur le marché du travail régulier au plus tard à la fin du sixième mois d'incapacité de travail, selon le cas;
2° catégorie 2 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier ne semble pas possible pour des raisons médicales;
3° catégorie 3 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être donnée au diagnostic médical ou au traitement médical;
4° catégorie 4 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier semble possible après une ou plusieurs actions de réadaptation et/ou d'orientation.
Si le titulaire a été classé dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le questionnaire complété par le titulaire, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à la première estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes:
1° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
2° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
[2 4° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal précité du 23 décembre 1996.]2
Sur la base de l'estimation effectuée de ses capacités restantes visée à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire classe le titulaire dans l'une des quatre catégories suivantes :
1° catégorie 1 : il peut raisonnablement être présumé que le titulaire reprendra spontanément le travail convenu ou un emploi sur le marché du travail régulier au plus tard à la fin du sixième mois d'incapacité de travail, selon le cas;
2° catégorie 2 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier ne semble pas possible pour des raisons médicales;
3° catégorie 3 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être donnée au diagnostic médical ou au traitement médical;
4° catégorie 4 : une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier semble possible après une ou plusieurs actions de réadaptation et/ou d'orientation.
Si le titulaire a été classé dans la catégorie 2 par un collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le questionnaire complété par le titulaire, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 1er, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à la première estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes:
1° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
2° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours.]1
[2 4° l'état d'incapacité de travail a débuté :
a) pendant la période de six mois précédant le mois qui suit celui au cours duquel le titulaire atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions;
b) après le mois au cours duquel le titulaire a atteint l'âge de la pension déterminé par l'article 2 de l'arrêté royal précité du 23 décembre 1996.]2
Art. 215decies /3. [1 In de loop van de zevende maand van de arbeidsongeschiktheid vindt met het oog op de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 1 geplaatst;
2° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 3 geplaatst;
3° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 4 geplaatst en hij beslist om niet deel te nemen aan het "Terug Naar Werk-traject" overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling;
4° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, vierde lid, 1° of 2°, niet in een categorie geplaatst.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:
a) overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
b) overeenkomstig artikel 239.
2° de adviserend arts oordeelt dat het fysieke contact gelet op de ernst van de pathologie van de gerechtigde niet noodzakelijk is en deze beslissing wordt in het medisch dossier van de gerechtigde vermeld;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het derde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vierde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
1° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 1 geplaatst;
2° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 3 geplaatst;
3° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 4 geplaatst en hij beslist om niet deel te nemen aan het "Terug Naar Werk-traject" overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling;
4° de gerechtigde is overeenkomstig artikel 215decies/2, vierde lid, 1° of 2°, niet in een categorie geplaatst.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:
a) overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
b) overeenkomstig artikel 239.
2° de adviserend arts oordeelt dat het fysieke contact gelet op de ernst van de pathologie van de gerechtigde niet noodzakelijk is en deze beslissing wordt in het medisch dossier van de gerechtigde vermeld;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het derde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vierde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
Art. 215decies /3. [1 Dans le courant du septième mois d'incapacité de travail, un contact physique entre le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire et le titulaire a lieu en vue d'une évaluation de l'état d'incapacité de travail dans les situations suivantes :
1° le titulaire a été classé dans la catégorie 1 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2;
2° le titulaire a été classé dans la catégorie 3 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2;
3° le titulaire a été classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2, et il décide de ne pas participer au " Trajet Retour Au Travail " conformément aux dispositions de la présente section;
4° le titulaire n'a pas été classé dans une catégorie conformément à l'article 215decies/2, alinéa 4, 1° ou 2°.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° le titulaire est réputé avoir atteint le degré d'incapacité requis :
a) conformément à l'article 100, § 1er, alinéa 8, de la loi coordonnée, sauf s'il est présumé que la cessation de toute activité n'est pas la conséquence directe du début ou de l'aggravation de lésions ou de troubles fonctionnels;
b) conformément à l'article 239.
2° le médecin-conseil estime que le contact physique n'est pas nécessaire compte tenu de la gravité de la pathologie du titulaire et cette décision est consignée dans le dossier médical du titulaire;
3° après l'autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, un " Trajet Retour Au Travail " a été entamé à la demande du titulaire et ce trajet est encore en cours.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 3, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ". Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 215decies/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 4, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
2° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours. ]1
1° le titulaire a été classé dans la catégorie 1 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2;
2° le titulaire a été classé dans la catégorie 3 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2;
3° le titulaire a été classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2, et il décide de ne pas participer au " Trajet Retour Au Travail " conformément aux dispositions de la présente section;
4° le titulaire n'a pas été classé dans une catégorie conformément à l'article 215decies/2, alinéa 4, 1° ou 2°.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° le titulaire est réputé avoir atteint le degré d'incapacité requis :
a) conformément à l'article 100, § 1er, alinéa 8, de la loi coordonnée, sauf s'il est présumé que la cessation de toute activité n'est pas la conséquence directe du début ou de l'aggravation de lésions ou de troubles fonctionnels;
b) conformément à l'article 239.
2° le médecin-conseil estime que le contact physique n'est pas nécessaire compte tenu de la gravité de la pathologie du titulaire et cette décision est consignée dans le dossier médical du titulaire;
3° après l'autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, un " Trajet Retour Au Travail " a été entamé à la demande du titulaire et ce trajet est encore en cours.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 3, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ". Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 215decies/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 4, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
2° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours. ]1
Modifications
Art. 215decies /4. [1 In de loop van de elfde maand van de arbeidsongeschiktheid vindt met het oog op de evaluatie van de staat van arbeidsongeschiktheid en in voorkomend geval de mededeling van het voorstel overeenkomstig artikel 177, § 1, 1°, een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats.
In afwijking van het eerste lid kan het fysieke contact in de loop van de elfde maand van de arbeidsongeschiktheid slechts met de medewerker van het multidisciplinaire team plaatsvinden op voorwaarde dat het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/3, eerste lid, met de adviserend arts heeft plaatsgevonden.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:
a) overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
b) overeenkomstig artikel 239.
2° de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 1°, mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
In afwijking van het eerste lid kan het fysieke contact in de loop van de elfde maand van de arbeidsongeschiktheid slechts met de medewerker van het multidisciplinaire team plaatsvinden op voorwaarde dat het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/3, eerste lid, met de adviserend arts heeft plaatsgevonden.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:
a) overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
b) overeenkomstig artikel 239.
2° de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 1°, mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
Art. 215decies /5. [1 Au cours de l'avant-dernier mois précédant l'expiration de chaque période pour laquelle le Conseil médical de l'invalidité a constaté l'état d'invalidité, un contact physique entre le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire et le titulaire a lieu en vue de l'évaluation de l'état d'invalidité et, le cas échéant, en vue de la communication de la proposition conformément à l'article 177, § 1er, 2°.
Par dérogation à l'alinéa 1er et s'il s'agit du contact physique ayant lieu au cours de l'avant-dernier mois précédant l'expiration de la première période pour laquelle le Conseil médical de l'invalidité a constaté l'état d'invalidité, le contact physique ne peut avoir lieu qu'avec le médecin-conseil si le contact physique visé à l'article 215decies/4, alinéa 1er, a eu lieu avec le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° le titulaire est réputé avoir atteint le degré d'incapacité requis :
a) conformément à l'article 100, § 1er, alinéa 8, de la loi coordonnée, sauf s'il est présumé que la cessation de toute activité n'est pas la conséquence directe du début ou de l'aggravation de lésions ou de troubles fonctionnels;
b) conformément à l'article 239.
2° le médecin-conseil décide que la proposition en application de l'article 177, § 1er, 2°, est possible uniquement sur base des données figurant dans le dossier médical du titulaire.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 4, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ". Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 215decies/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par un membre de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 5, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
2° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours. ]1
Par dérogation à l'alinéa 1er et s'il s'agit du contact physique ayant lieu au cours de l'avant-dernier mois précédant l'expiration de la première période pour laquelle le Conseil médical de l'invalidité a constaté l'état d'invalidité, le contact physique ne peut avoir lieu qu'avec le médecin-conseil si le contact physique visé à l'article 215decies/4, alinéa 1er, a eu lieu avec le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire.
Toutefois, le contact physique visé à l'alinéa 1er n'a pas lieu dans les situations suivantes :
1° le titulaire est réputé avoir atteint le degré d'incapacité requis :
a) conformément à l'article 100, § 1er, alinéa 8, de la loi coordonnée, sauf s'il est présumé que la cessation de toute activité n'est pas la conséquence directe du début ou de l'aggravation de lésions ou de troubles fonctionnels;
b) conformément à l'article 239.
2° le médecin-conseil décide que la proposition en application de l'article 177, § 1er, 2°, est possible uniquement sur base des données figurant dans le dossier médical du titulaire.
Si le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire présume une fin de l'état d'incapacité de travail sur la base des constatations faites lors du contact physique visé à l'alinéa 1er, un examen médical par le médecin-conseil aura lieu dans un délai d'un mois à compter dudit contact physique.
Si, le cas échéant, après le contact physique visé à l'alinéa 1er ou après l'examen médical visé à l'alinéa 4, il apparaît que l'état d'incapacité de travail du titulaire peut encore être reconnu, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire procède à une nouvelle évaluation des capacités restantes du titulaire, le cas échéant en concertation avec le " Coordinateur Retour Au Travail ". Sur la base de cette nouvelle évaluation, le titulaire est classé dans l'une des catégories visées à l'article 215decies/2, alinéa 2.
Si le titulaire a été classé, pour la première fois, dans la catégorie 2 par un membre de l'équipe multidisciplinaire conformément à l'alinéa précédent, le médecin-conseil doit valider cette évaluation des capacités restantes. En cas de désaccord avec ladite évaluation, le médecin-conseil classe le titulaire dans une autre catégorie. Cette catégorisation reposera notamment sur le dossier médical, le rapport établi, le cas échéant après le contact physique, par le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, et, si nécessaire, l'examen médical organisé par le médecin-conseil lui-même.
Par dérogation à l'alinéa 5, le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, ne procèdera pas à l'estimation des capacités restantes du titulaire dans les situations suivantes :
1° le conseiller en prévention-médecin du travail a été sollicité pour démarrer un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre Ier, titre 4, du code du bien-être au travail et ce trajet est encore en cours;
2° le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée;
3° un " Trajet Retour Au Travail " a débuté à la demande du titulaire, après une autorisation du médecin-conseil conformément à l'article 215terdecies, § 1er, et ce trajet est encore en cours. ]1
Modifications
Art. 215decies /5. [1 In de loop van de voorlaatste maand vóór het verstrijken van elk tijdvak waarvoor de Geneeskundige raad voor invaliditeit de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, vindt met het oog op de evaluatie van de staat van invaliditeit en in voorkomend geval de mededeling van het voorstel overeenkomstig artikel 177, § 1, 2°, een fysiek contact tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team en de gerechtigde plaats.
In afwijking van het eerste lid en als het gaat om het fysieke contact dat plaatsvindt tijdens de voorlaatste maand vóór het verstrijken van het eerste tijdvak waarvoor de Geneeskundige raad voor invaliditeit de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, kan het fysieke contact enkel met de adviserend arts plaatsvinden als het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/4, eerste lid, met de medewerker van het multidisciplinaire team heeft plaatsgevonden.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:
a) overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
b) overeenkomstig artikel 239.
2° de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 2°, mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
In afwijking van het eerste lid en als het gaat om het fysieke contact dat plaatsvindt tijdens de voorlaatste maand vóór het verstrijken van het eerste tijdvak waarvoor de Geneeskundige raad voor invaliditeit de staat van invaliditeit heeft vastgesteld, kan het fysieke contact enkel met de adviserend arts plaatsvinden als het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/4, eerste lid, met de medewerker van het multidisciplinaire team heeft plaatsgevonden.
Het fysieke contact bedoeld in het eerste lid vindt echter niet plaats in de volgende situaties:
1° de gerechtigde wordt geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te bereiken:
a) overeenkomstig artikel 100, § 1, achtste lid, van de gecoördineerde wet, tenzij er wordt vermoed dat de onderbreking van alle werkzaamheid niet het rechtstreekse gevolg is van het intreden of het verergeren van letsels of functionele stoornissen;
b) overeenkomstig artikel 239.
2° de adviserend arts beslist dat het voorstel met toepassing van artikel 177, § 1, 2°, mogelijk is louter op grond van de gegevens opgenomen in het medisch dossier van de gerechtigde.
Indien de medewerker van het multidisciplinaire team op basis van de bevindingen tijdens het fysieke contact bedoeld in het eerste lid een einde van de staat van de arbeidsongeschiktheid vermoedt, vindt binnen een maand te rekenen vanaf dit fysieke contact een medisch onderzoek door de adviserend arts plaats.
Indien het, in voorkomend geval, na het fysieke contact bedoeld in het eerste lid of na het medisch onderzoek bedoeld in het vierde lid blijkt dat de staat van arbeidsongeschiktheid van de gerechtigde verder kan worden erkend, maakt de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, in voorkomend geval in samenspraak met de "Terug Naar Werk-coördinator", een nieuwe inschatting van diens restcapaciteiten op. Op grond van deze nieuwe inschatting wordt de gerechtigde in één van de categorieën bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, geplaatst.
Indien de gerechtigde overeenkomstig het vorige lid voor de eerste keer in de categorie 2 door de medewerker van het multidisciplinaire team werd geplaatst, moet de adviserend arts deze inschatting van de restcapaciteiten valideren. In geval van niet instemming met deze inschatting, plaatst de adviserend arts de gerechtigde in een andere categorie. Deze categorisering is onder andere gebaseerd op het medisch dossier, het in voorkomend geval na het fysieke contact door de medewerker van het multidisciplinaire team opgestelde verslag en, indien nodig, het medisch onderzoek georganiseerd door de adviserend arts zelf.
In afwijking van het vijfde lid gaat de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team niet tot de inschatting van de restcapaciteiten van de gerechtigde over in de volgende situaties:
1° de preventieadviseur-arbeidsarts is verzocht geweest om een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4, van de codex over het welzijn op het werk op te starten en dit traject is nog lopende;
2° de gerechtigde verricht een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet;
3° na een toestemming van de adviserend arts overeenkomstig artikel 215terdecies, § 1, is op vraag van de gerechtigde een "Terug Naar Werk-traject" opgestart en dit traject is nog lopende.]1
Art. 215undecies. [1 § 1er. [3 Le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, renvoie le titulaire au " Coordinateur Retour Au Travail " en vue d'un premier moment de contact dans le cadre d'un " Trajet Retour Au Travail " si, à un moment donné au cours de l'incapacité de travail, ce titulaire a été classé dans la catégorie 4 visée à l'article 215decies/2, alinéa 2, 4°.]3
§ 2. [3 Le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire a lieu :
1° au plus tard au cours du sixième mois d'incapacité de travail dans le cas d'un titulaire classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2;
2° dans le mois du renvoi, selon le cas, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, du titulaire classé en catégorie 4 conformément à l'article 215decies/3, alinéas 4 et 5, l'article 215decies/4, alinéas 5 et 6, et l'article 215decies/5, alinéas 5 et 6. ]3
Lors de ce premier moment de contact, il explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet. Le " Coordinateur Retour Au Travail " renvoie le titulaire lié par un contrat de travail, avec son consentement et avec le soutien nécessaire, lors du premier moment de contact au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité.]2
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa précédent, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 100, § 1er/2 de la loi coordonnée.
Le "Coordinateur Retour Au Travail" enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 1er et les actions convenues dans le "Dossier Retour Au Travail" du titulaire.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, un premier moment de contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail " n'a pas lieu si le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée.]2
§ 3. Dès que le médecin-conseil reçoit une copie du plan de réintégration conformément à l'article I.4-74, § 2, alinéa 2, du code du bien-être au travail, et sans préjudice de l'application de l'article 239, § 1er/1, il vérifie si l'exécution du plan de réintégration met fin à l'état d'incapacité visé à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée.
Si le plan de réintégration comprend un travail autorisé auprès de l'employeur concerné visé à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée, le titulaire n'est plus obligé de demander l'autorisation du médecin-conseil. Dans ce cas, il appartient au médecin-conseil de vérifier d'office si le plan de réintégration répond aux conditions posées pour un travail autorisé. Le cas échéant, le médecin-conseil atteste les modalités de son autorisation.
Le médecin-conseil communique le plus rapidement possible ses conclusions quant à l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et sa décision quant au travail autorisé au sens de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée au conseiller en prévention-médecin du travail.
Au cas où le médecin-conseil ne donne aucune réaction dans les trois semaines après la réception de la copie du plan de réintégration, il est supposé que l'exécution du plan de réintégration ne mettra pas fin à l'état d'incapacité de travail visé à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et que la décision du médecin-conseil quant au travail autorisé au sens de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée est positive.]1
§ 2. [3 Le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire a lieu :
1° au plus tard au cours du sixième mois d'incapacité de travail dans le cas d'un titulaire classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2;
2° dans le mois du renvoi, selon le cas, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, du titulaire classé en catégorie 4 conformément à l'article 215decies/3, alinéas 4 et 5, l'article 215decies/4, alinéas 5 et 6, et l'article 215decies/5, alinéas 5 et 6. ]3
Lors de ce premier moment de contact, il explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet. Le " Coordinateur Retour Au Travail " renvoie le titulaire lié par un contrat de travail, avec son consentement et avec le soutien nécessaire, lors du premier moment de contact au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité.]2
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa précédent, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 100, § 1er/2 de la loi coordonnée.
Le "Coordinateur Retour Au Travail" enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 1er et les actions convenues dans le "Dossier Retour Au Travail" du titulaire.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, un premier moment de contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail " n'a pas lieu si le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée.]2
§ 3. Dès que le médecin-conseil reçoit une copie du plan de réintégration conformément à l'article I.4-74, § 2, alinéa 2, du code du bien-être au travail, et sans préjudice de l'application de l'article 239, § 1er/1, il vérifie si l'exécution du plan de réintégration met fin à l'état d'incapacité visé à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée.
Si le plan de réintégration comprend un travail autorisé auprès de l'employeur concerné visé à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée, le titulaire n'est plus obligé de demander l'autorisation du médecin-conseil. Dans ce cas, il appartient au médecin-conseil de vérifier d'office si le plan de réintégration répond aux conditions posées pour un travail autorisé. Le cas échéant, le médecin-conseil atteste les modalités de son autorisation.
Le médecin-conseil communique le plus rapidement possible ses conclusions quant à l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et sa décision quant au travail autorisé au sens de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée au conseiller en prévention-médecin du travail.
Au cas où le médecin-conseil ne donne aucune réaction dans les trois semaines après la réception de la copie du plan de réintégration, il est supposé que l'exécution du plan de réintégration ne mettra pas fin à l'état d'incapacité de travail visé à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et que la décision du médecin-conseil quant au travail autorisé au sens de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée est positive.]1
Art. 215undecies. [1 § 1. [3 De adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, naargelang het geval, verwijst de gerechtigde door naar de "Terug Naar Werk-coördinator" met het oog op een eerste contactmoment in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" als deze gerechtigde op een bepaald moment in de loop van de arbeidsongeschiktheid in de categorie 4 bedoeld in artikel 215decies/2, tweede lid, 4°, is geplaatst.]3
§ 2. [2 [3 Het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde vindt plaats:
1° uiterlijk tijdens de zesde maand van arbeidsongeschiktheid in geval van een gerechtigde die overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 4 wordt geplaatst;
2° binnen één maand na de doorverwijzing, naargelang het geval, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team van de gerechtigde die overeenkomstig artikel 215decies/3 vierde en vijfde lid, artikel 215decies/4, vijfde en zesde lid, en artikel 215decies/5, vijfde en zesde lid, in de categorie 4 wordt geplaatst.]3
Tijdens dit eerste contactmoment licht hij zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na. De "Terug Naar Werk-coördinator" verwijst de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming en met de nodige ondersteuning, tijdens het eerste contactmoment naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de voormelde codex.]2
Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het vorige lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het eerste lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.
[2 In afwijking van het eerste lid vindt er geen eerste contactmoment met de "Terug Naar Werk-coördinator" plaats als de gerechtigde een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet verricht.]2
§ 3. Zodra de adviserend arts een kopie krijgt van het re-integratieplan overeenkomstig artikel I.4-74, § 2, tweede lid, van de codex over het welzijn op het werk en onverminderd de toepassing van artikel 239, § 1/1, gaat hij na of het uitvoeren van het re-integratieplan een einde maakt aan de staat van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet.
Indien het re-integratieplan bestaat uit een toegelaten arbeid bij de desbetreffende werkgever zoals bepaald in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet, is de gerechtigde er niet toe gehouden om de toelating van de adviserend arts te vragen, maar gaat de adviserend arts zelf na of het re-integratieplan overeenstemt met de voorwaarden voor een toegelaten arbeid. In voorkomend geval attesteert de adviserend arts de modaliteiten van zijn toelating.
De adviserend arts deelt zo spoedig mogelijk zijn bevindingen met betrekking tot de staat van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet of zijn beslissing in verband met de toegelaten arbeid in de zin van artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet aan de preventieadviseur-arbeidsarts mee.
Als de adviserend arts geen reactie geeft binnen de drie weken na ontvangst van de kopie van het re-integratieplan, wordt er verondersteld dat het uitvoeren van het re-integratieplan geen einde zal maken aan de staat van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet en dat de beslissing van de adviserend arts in verband met de toegelaten arbeid in de zin van artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet positief is.]1
§ 2. [2 [3 Het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde vindt plaats:
1° uiterlijk tijdens de zesde maand van arbeidsongeschiktheid in geval van een gerechtigde die overeenkomstig artikel 215decies/2, tweede lid, in de categorie 4 wordt geplaatst;
2° binnen één maand na de doorverwijzing, naargelang het geval, door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team van de gerechtigde die overeenkomstig artikel 215decies/3 vierde en vijfde lid, artikel 215decies/4, vijfde en zesde lid, en artikel 215decies/5, vijfde en zesde lid, in de categorie 4 wordt geplaatst.]3
Tijdens dit eerste contactmoment licht hij zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na. De "Terug Naar Werk-coördinator" verwijst de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming en met de nodige ondersteuning, tijdens het eerste contactmoment naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de voormelde codex.]2
Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het vorige lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het eerste lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.
[2 In afwijking van het eerste lid vindt er geen eerste contactmoment met de "Terug Naar Werk-coördinator" plaats als de gerechtigde een toegelaten arbeid overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet verricht.]2
§ 3. Zodra de adviserend arts een kopie krijgt van het re-integratieplan overeenkomstig artikel I.4-74, § 2, tweede lid, van de codex over het welzijn op het werk en onverminderd de toepassing van artikel 239, § 1/1, gaat hij na of het uitvoeren van het re-integratieplan een einde maakt aan de staat van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet.
Indien het re-integratieplan bestaat uit een toegelaten arbeid bij de desbetreffende werkgever zoals bepaald in artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet, is de gerechtigde er niet toe gehouden om de toelating van de adviserend arts te vragen, maar gaat de adviserend arts zelf na of het re-integratieplan overeenstemt met de voorwaarden voor een toegelaten arbeid. In voorkomend geval attesteert de adviserend arts de modaliteiten van zijn toelating.
De adviserend arts deelt zo spoedig mogelijk zijn bevindingen met betrekking tot de staat van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet of zijn beslissing in verband met de toegelaten arbeid in de zin van artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet aan de preventieadviseur-arbeidsarts mee.
Als de adviserend arts geen reactie geeft binnen de drie weken na ontvangst van de kopie van het re-integratieplan, wordt er verondersteld dat het uitvoeren van het re-integratieplan geen einde zal maken aan de staat van arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet en dat de beslissing van de adviserend arts in verband met de toegelaten arbeid in de zin van artikel 100, § 2, van de gecoördineerde wet positief is.]1
Art. 215undecies. [1 § 1er. [3 Le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, renvoie le titulaire au " Coordinateur Retour Au Travail " en vue d'un premier moment de contact dans le cadre d'un " Trajet Retour Au Travail " si, à un moment donné au cours de l'incapacité de travail, ce titulaire a été classé dans la catégorie 4 visée à l'article 215decies/2, alinéa 2, 4°.]3
§ 2. [3 Le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire a lieu :
1° au plus tard au cours du sixième mois d'incapacité de travail dans le cas d'un titulaire classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2;
2° dans le mois du renvoi, selon le cas, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, du titulaire classé en catégorie 4 conformément à l'article 215decies/3, alinéas 4 et 5, l'article 215decies/4, alinéas 5 et 6, et l'article 215decies/5, alinéas 5 et 6. ]3
Lors de ce premier moment de contact, il explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet. Le " Coordinateur Retour Au Travail " renvoie le titulaire lié par un contrat de travail, avec son consentement et avec le soutien nécessaire, lors du premier moment de contact au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité.]2
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa précédent, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 100, § 1er/2 de la loi coordonnée.
Le "Coordinateur Retour Au Travail" enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 1er et les actions convenues dans le "Dossier Retour Au Travail" du titulaire.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, un premier moment de contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail " n'a pas lieu si le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée.]2
§ 3. Dès que le médecin-conseil reçoit une copie du plan de réintégration conformément à l'article I.4-74, § 2, alinéa 2, du code du bien-être au travail, et sans préjudice de l'application de l'article 239, § 1er/1, il vérifie si l'exécution du plan de réintégration met fin à l'état d'incapacité visé à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée.
Si le plan de réintégration comprend un travail autorisé auprès de l'employeur concerné visé à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée, le titulaire n'est plus obligé de demander l'autorisation du médecin-conseil. Dans ce cas, il appartient au médecin-conseil de vérifier d'office si le plan de réintégration répond aux conditions posées pour un travail autorisé. Le cas échéant, le médecin-conseil atteste les modalités de son autorisation.
Le médecin-conseil communique le plus rapidement possible ses conclusions quant à l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et sa décision quant au travail autorisé au sens de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée au conseiller en prévention-médecin du travail.
Au cas où le médecin-conseil ne donne aucune réaction dans les trois semaines après la réception de la copie du plan de réintégration, il est supposé que l'exécution du plan de réintégration ne mettra pas fin à l'état d'incapacité de travail visé à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et que la décision du médecin-conseil quant au travail autorisé au sens de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée est positive.]1
§ 2. [3 Le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire a lieu :
1° au plus tard au cours du sixième mois d'incapacité de travail dans le cas d'un titulaire classé dans la catégorie 4 conformément à l'article 215decies/2, alinéa 2;
2° dans le mois du renvoi, selon le cas, par le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, du titulaire classé en catégorie 4 conformément à l'article 215decies/3, alinéas 4 et 5, l'article 215decies/4, alinéas 5 et 6, et l'article 215decies/5, alinéas 5 et 6. ]3
Lors de ce premier moment de contact, il explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet. Le " Coordinateur Retour Au Travail " renvoie le titulaire lié par un contrat de travail, avec son consentement et avec le soutien nécessaire, lors du premier moment de contact au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité.]2
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa précédent, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 100, § 1er/2 de la loi coordonnée.
Le "Coordinateur Retour Au Travail" enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 1er et les actions convenues dans le "Dossier Retour Au Travail" du titulaire.
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, un premier moment de contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail " n'a pas lieu si le titulaire exerce un travail autorisé conformément à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée.]2
§ 3. Dès que le médecin-conseil reçoit une copie du plan de réintégration conformément à l'article I.4-74, § 2, alinéa 2, du code du bien-être au travail, et sans préjudice de l'application de l'article 239, § 1er/1, il vérifie si l'exécution du plan de réintégration met fin à l'état d'incapacité visé à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée.
Si le plan de réintégration comprend un travail autorisé auprès de l'employeur concerné visé à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée, le titulaire n'est plus obligé de demander l'autorisation du médecin-conseil. Dans ce cas, il appartient au médecin-conseil de vérifier d'office si le plan de réintégration répond aux conditions posées pour un travail autorisé. Le cas échéant, le médecin-conseil atteste les modalités de son autorisation.
Le médecin-conseil communique le plus rapidement possible ses conclusions quant à l'état d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et sa décision quant au travail autorisé au sens de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée au conseiller en prévention-médecin du travail.
Au cas où le médecin-conseil ne donne aucune réaction dans les trois semaines après la réception de la copie du plan de réintégration, il est supposé que l'exécution du plan de réintégration ne mettra pas fin à l'état d'incapacité de travail visé à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et que la décision du médecin-conseil quant au travail autorisé au sens de l'article 100, § 2, de la loi coordonnée est positive.]1
Art. 215duodecies. [1 Onverminderd de toepassing van [3 artikel 215decies/2, eerste lid]3 kan de gerechtigde zelf de "Terug Naar Werk-coördinator" op elk ogenblik tijdens de arbeidsongeschiktheid vragen om een eerste contactmoment in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" te organiseren. De "Terug Naar Werk-coördinator" informeert de adviserend arts over dit verzoek.
Ter voorbereiding van dit eerste contactmoment wordt de gerechtigde uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen die nagaat welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, al naargelang het geval, een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld terug te sturen.
In afwijking van het vorige lid, wordt geen vragenlijst naar de gerechtigde opgestuurd indien deze gerechtigde tijdens de lopende arbeidsongeschiktheid al een vragenlijst heeft ingevuld en er wordt geoordeeld dat een actualisatie van de verstrekte antwoorden niet nodig is.
[2 Binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, vindt het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" plaats.]2 Tijdens dit eerste contactmoment licht hij zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na. De "Terug Naar Werk-coördinator" verwijst de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming en met de nodige ondersteuning, tijdens het eerste contactmoment naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de voormelde codex.
Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het vorige lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het vierde lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Ter voorbereiding van dit eerste contactmoment wordt de gerechtigde uitgenodigd om een vragenlijst in te vullen die nagaat welke persoons- en omgevingsgerelateerde factoren, al naargelang het geval, een werkhervatting bij de werkgever of het opnemen van een beroep op de reguliere arbeidsmarkt kunnen bevorderen of verhinderen. De gerechtigde dient deze vragenlijst binnen een termijn van twee weken behoorlijk ingevuld terug te sturen.
In afwijking van het vorige lid, wordt geen vragenlijst naar de gerechtigde opgestuurd indien deze gerechtigde tijdens de lopende arbeidsongeschiktheid al een vragenlijst heeft ingevuld en er wordt geoordeeld dat een actualisatie van de verstrekte antwoorden niet nodig is.
[2 Binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de ontvangst van de door de gerechtigde ingevulde vragenlijst, vindt het eerste contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde in het kader van een "Terug Naar Werk-traject" plaats.]2 Tijdens dit eerste contactmoment licht hij zijn rol inzake de begeleiding en opvolging van het traject toe en gaat hij samen met de gerechtigde de eerste stap van het traject na. De "Terug Naar Werk-coördinator" verwijst de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde, met zijn instemming en met de nodige ondersteuning, tijdens het eerste contactmoment naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de voormelde codex.
Tijdens het eerste contactmoment bedoeld in het vorige lid vraagt de "Terug Naar Werk-coördinator" aan de gerechtigde uitdrukkelijk zijn schriftelijke toestemming voor de gegevensverwerking bedoeld in artikel 100, § 1/2 van de gecoördineerde wet.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het eerste contactmoment bedoeld in het vierde lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Art. 215duodecies. [1 Sans préjudice de l'application de [3 l'article 215decies/2, alinéa 1er]3, le titulaire peut lui-même demander à tout moment au cours de l'incapacité de travail, au " Coordinateur Retour Au Travail ", d'organiser un premier moment de contact dans le cadre d'un "Trajet Retour Au Travail ". Le "Coordinateur Retour Au Travail " informe le médecin-conseil de cette demande.
En préparation de ce premier moment de contact, le titulaire est invité à remplir un questionnaire qui permet d'examiner quels facteurs personnels et environnementaux, selon le cas, peuvent favoriser ou empêcher une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier. Le titulaire doit retourner ce questionnaire dûment rempli dans un délai de deux semaines.
En dérogation à l'alinéa précédent, aucun questionnaire ne sera envoyé au titulaire si ce titulaire a déjà rempli un questionnaire pendant l'incapacité de travail en cours et qu'il est jugé qu'une mise à jour des réponses fournies n'est pas nécessaire.
[2 Dans un délai d'un mois à compter de la réception du questionnaire rempli par le titulaire, le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire dans le cadre d'un " Trajet Retour Au Travail " a lieu.]2 Lors de ce premier moment de contact, il explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet. Le " Coordinateur Retour Au Travail " renvoie le titulaire lié par un contrat de travail, avec son consentement et avec le soutien nécessaire, lors du premier moment de contact au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité.
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa précédent, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 100, § 1er/2 de la loi coordonnée.
Le " Coordinateur Retour Au Travail" enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 4 et les actions qui y ont été convenues dans le " Dossier Retour Au Travail" du titulaire.]1
En préparation de ce premier moment de contact, le titulaire est invité à remplir un questionnaire qui permet d'examiner quels facteurs personnels et environnementaux, selon le cas, peuvent favoriser ou empêcher une reprise de travail chez l'employeur ou la reprise d'un emploi sur le marché du travail régulier. Le titulaire doit retourner ce questionnaire dûment rempli dans un délai de deux semaines.
En dérogation à l'alinéa précédent, aucun questionnaire ne sera envoyé au titulaire si ce titulaire a déjà rempli un questionnaire pendant l'incapacité de travail en cours et qu'il est jugé qu'une mise à jour des réponses fournies n'est pas nécessaire.
[2 Dans un délai d'un mois à compter de la réception du questionnaire rempli par le titulaire, le premier moment de contact entre le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire dans le cadre d'un " Trajet Retour Au Travail " a lieu.]2 Lors de ce premier moment de contact, il explique son rôle en matière d'accompagnement et de suivi du trajet et, avec le titulaire, vérifie la première étape du trajet. Le " Coordinateur Retour Au Travail " renvoie le titulaire lié par un contrat de travail, avec son consentement et avec le soutien nécessaire, lors du premier moment de contact au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité.
Lors du premier moment de contact visé à l'alinéa précédent, le " Coordinateur Retour Au Travail " demande au titulaire son consentement exprès écrit pour le traitement des données visé à l'article 100, § 1er/2 de la loi coordonnée.
Le " Coordinateur Retour Au Travail" enregistre le premier moment de contact visé à l'alinéa 4 et les actions qui y ont été convenues dans le " Dossier Retour Au Travail" du titulaire.]1
Art. 215terdecies. [1 § 1. Na het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215duodecies informeert de "Terug Naar Werk-coördinator" de adviserend arts over de inhoud ervan en vraagt hem om toestemming om een "Terug Naar Werk-traject" op te starten.
§ 2. [2 Indien de adviserend arts oordeelt dat het opstarten van een "Terug Naar Werk-traject" niet verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand, vindt een nieuw contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde binnen de maand na het vorige contactmoment plaats om de door de adviserend arts verrichte inschatting te bespreken.]2
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het nieuwe contactmoment bedoeld in het vorige lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
§ 2. [2 Indien de adviserend arts oordeelt dat het opstarten van een "Terug Naar Werk-traject" niet verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand, vindt een nieuw contactmoment tussen de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde binnen de maand na het vorige contactmoment plaats om de door de adviserend arts verrichte inschatting te bespreken.]2
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert het nieuwe contactmoment bedoeld in het vorige lid en de daarbinnen afgesproken acties in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Art. 215quaterdecies. [1 Dans les cas suivants, le " Coordinateur Retour Au Travail ", en concertation avec le médecin-conseil et le titulaire, démarre un trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle au sens de l'article 215novies, et les trois parties souscrivent une déclaration positive d'engagement en ce sens :
1° le titulaire qui n'est pas lié par un contrat de travail qui, lors du premier moment de contact visé à l'article 215undecies, § 2, du premier moment de contact visé à l'article 215duodecies avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 215terdecies, § 2, s'est engagé à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
2° le titulaire qui est lié par un contrat de travail et qui n'a pas été renvoyé au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité, s'est engagé lors du premier moment de contact visé à l'article215undecies, § 2, du premier moment de contact visé à l'article 215duodecies avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 215terdecies, § 2, à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
3° le titulaire, lié par un contrat de travail, décide, après la visite préalable à la reprise du travail telle que visée au article I.4-36 du code du bien-être au travail de ne pas demander au conseiller en prévention-médecin du travail un trajet de réintégration tel que visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code du bien-être au travail et que ce titulaire s'est engagé après un contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail" que seront examinées en détail quelles actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
4° le trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code du bien-être au travail, du titulaire [2 ...]2 a définitivement pris fin conformément à l'article I.4-76, § 1er du code du bien-être au travail, et le titulaire s'est engagé à la suite d'un contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail", à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent.
Si le trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle est démarré conformément à l'alinéa précédent, 2° ou 3°, le " Coordinateur Retour Au Travail " informe le conseiller en prévention-médecin du travail.
Toutefois, si le conseiller prévention-médecin du travail informe le médecin-conseil conformément à l'article I.4-73, [2 § 1er, alinéa 2]2 du code du bien-être au travail qu'il a reçu une demande de réintégration de la part de l'employeur, le " Coordinateur Retour Au Travail " suspend la mise en oeuvre du trajet de réintégration visant la réinsertion socio-professionnelle au sens de l'article 215novies. Lorsque le trajet de réintégration du titulaire [2 ...]2 a été définitivement pris fin conformément à l'article I.4-76, § 1er du code du bien-être au travail, le "Coordinateur Retour Au Travail " démarre à nouveau le trajet de réinsertion visant la réinsertion socio-professionnelle.]1
1° le titulaire qui n'est pas lié par un contrat de travail qui, lors du premier moment de contact visé à l'article 215undecies, § 2, du premier moment de contact visé à l'article 215duodecies avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 215terdecies, § 2, s'est engagé à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
2° le titulaire qui est lié par un contrat de travail et qui n'a pas été renvoyé au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité, s'est engagé lors du premier moment de contact visé à l'article215undecies, § 2, du premier moment de contact visé à l'article 215duodecies avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 215terdecies, § 2, à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
3° le titulaire, lié par un contrat de travail, décide, après la visite préalable à la reprise du travail telle que visée au article I.4-36 du code du bien-être au travail de ne pas demander au conseiller en prévention-médecin du travail un trajet de réintégration tel que visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code du bien-être au travail et que ce titulaire s'est engagé après un contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail" que seront examinées en détail quelles actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
4° le trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code du bien-être au travail, du titulaire [2 ...]2 a définitivement pris fin conformément à l'article I.4-76, § 1er du code du bien-être au travail, et le titulaire s'est engagé à la suite d'un contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail", à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent.
Si le trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle est démarré conformément à l'alinéa précédent, 2° ou 3°, le " Coordinateur Retour Au Travail " informe le conseiller en prévention-médecin du travail.
Toutefois, si le conseiller prévention-médecin du travail informe le médecin-conseil conformément à l'article I.4-73, [2 § 1er, alinéa 2]2 du code du bien-être au travail qu'il a reçu une demande de réintégration de la part de l'employeur, le " Coordinateur Retour Au Travail " suspend la mise en oeuvre du trajet de réintégration visant la réinsertion socio-professionnelle au sens de l'article 215novies. Lorsque le trajet de réintégration du titulaire [2 ...]2 a été définitivement pris fin conformément à l'article I.4-76, § 1er du code du bien-être au travail, le "Coordinateur Retour Au Travail " démarre à nouveau le trajet de réinsertion visant la réinsertion socio-professionnelle.]1
Art. 215quaterdecies. [1 In de volgende gevallen start de "Terug Naar Werk-coördinator", in overleg met de adviserend arts en de gerechtigde, een re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie in de zin van artikel 215novies op en onderschrijven de drie partijen een positieve engagementsverklaring:
1° de niet door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde heeft tijdens het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215undecies, § 2, het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215duodecies en mits een goedkeuring van de adviserend arts of tijdens een nieuw contactmoment bedoeld in artikel 215terdecies, § 2, ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;
2° de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde die niet is doorverwezen naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de voormelde codex, heeft tijdens het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215undecies, § 2, het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215duodecies en mits een goedkeuring van de adviserend arts of tijdens een nieuw contactmoment bedoeld in artikel 215terdecies, § 2, ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;
3° de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde beslist om na het bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk niet aan de preventieadviseur-arbeidsarts te vragen een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de codex over het welzijn op het werk op te starten en deze gerechtigde heeft na een contact met de "Terug Naar Werk-coördinator" ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;
4° het re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de codex over het welzijn op het werk van de gerechtigde [2 ...]2 is definitief beëindigd overeenkomstig artikel I.4-76, § 1, van de codex over het welzijn op het werk en de gerechtigde heeft na een contact met de "Terug Naar Werk-coördinator" ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn.
Indien het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie overeenkomstig het vorige lid, 2° of 3° wordt opgestart, licht de "Terug Naar Werk-coördinator" de preventieadviseur-arbeidsarts in.
Indien de preventieadviseur-arbeidsarts evenwel overeenkomstig artikel I.4-73, [2 § 1, tweede lid]2 van de codex over het welzijn op het werk aan de adviserend arts meedeelt dat hij een re-integratieverzoek van de werkgever heeft ontvangen, schort de "Terug Naar Werk-coördinator" de uitvoering van het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie in de zin van artikel 215novies op. Wanneer dat re-integratietraject van de gerechtigde [2 ...]2 definitief is beëindigd overeenkomstig artikel I.4-76, § 1, van de codex over het welzijn op het werk, start de "Terug Naar Werk-coördinator" het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie opnieuw op.]1
1° de niet door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde heeft tijdens het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215undecies, § 2, het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215duodecies en mits een goedkeuring van de adviserend arts of tijdens een nieuw contactmoment bedoeld in artikel 215terdecies, § 2, ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;
2° de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde die niet is doorverwezen naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op de aanvraag tot een bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk of de opstart van een re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de voormelde codex, heeft tijdens het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215undecies, § 2, het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215duodecies en mits een goedkeuring van de adviserend arts of tijdens een nieuw contactmoment bedoeld in artikel 215terdecies, § 2, ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;
3° de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde beslist om na het bezoek voorafgaand aan de werkhervatting bedoeld in artikel I.4-36 van de codex over het welzijn op het werk niet aan de preventieadviseur-arbeidsarts te vragen een re-integratietraject zoals bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de codex over het welzijn op het werk op te starten en deze gerechtigde heeft na een contact met de "Terug Naar Werk-coördinator" ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn;
4° het re-integratietraject bedoeld in hoofdstuk VI van boek I, titel 4 van de codex over het welzijn op het werk van de gerechtigde [2 ...]2 is definitief beëindigd overeenkomstig artikel I.4-76, § 1, van de codex over het welzijn op het werk en de gerechtigde heeft na een contact met de "Terug Naar Werk-coördinator" ingestemd dat nader wordt onderzocht welke aanpassings- en/of begeleidingsacties voor hem passend zijn.
Indien het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie overeenkomstig het vorige lid, 2° of 3° wordt opgestart, licht de "Terug Naar Werk-coördinator" de preventieadviseur-arbeidsarts in.
Indien de preventieadviseur-arbeidsarts evenwel overeenkomstig artikel I.4-73, [2 § 1, tweede lid]2 van de codex over het welzijn op het werk aan de adviserend arts meedeelt dat hij een re-integratieverzoek van de werkgever heeft ontvangen, schort de "Terug Naar Werk-coördinator" de uitvoering van het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie in de zin van artikel 215novies op. Wanneer dat re-integratietraject van de gerechtigde [2 ...]2 definitief is beëindigd overeenkomstig artikel I.4-76, § 1, van de codex over het welzijn op het werk, start de "Terug Naar Werk-coördinator" het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie opnieuw op.]1
Art. 215quaterdecies. [1 Dans les cas suivants, le " Coordinateur Retour Au Travail ", en concertation avec le médecin-conseil et le titulaire, démarre un trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle au sens de l'article 215novies, et les trois parties souscrivent une déclaration positive d'engagement en ce sens :
1° le titulaire qui n'est pas lié par un contrat de travail qui, lors du premier moment de contact visé à l'article 215undecies, § 2, du premier moment de contact visé à l'article 215duodecies avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 215terdecies, § 2, s'est engagé à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
2° le titulaire qui est lié par un contrat de travail et qui n'a pas été renvoyé au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité, s'est engagé lors du premier moment de contact visé à l'article215undecies, § 2, du premier moment de contact visé à l'article 215duodecies avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 215terdecies, § 2, à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
3° le titulaire, lié par un contrat de travail, décide, après la visite préalable à la reprise du travail telle que visée au article I.4-36 du code du bien-être au travail de ne pas demander au conseiller en prévention-médecin du travail un trajet de réintégration tel que visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code du bien-être au travail et que ce titulaire s'est engagé après un contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail" que seront examinées en détail quelles actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
4° le trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code du bien-être au travail, du titulaire [2 ...]2 a définitivement pris fin conformément à l'article I.4-76, § 1er du code du bien-être au travail, et le titulaire s'est engagé à la suite d'un contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail", à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent.
Si le trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle est démarré conformément à l'alinéa précédent, 2° ou 3°, le " Coordinateur Retour Au Travail " informe le conseiller en prévention-médecin du travail.
Toutefois, si le conseiller prévention-médecin du travail informe le médecin-conseil conformément à l'article I.4-73, [2 § 1er, alinéa 2]2 du code du bien-être au travail qu'il a reçu une demande de réintégration de la part de l'employeur, le " Coordinateur Retour Au Travail " suspend la mise en oeuvre du trajet de réintégration visant la réinsertion socio-professionnelle au sens de l'article 215novies. Lorsque le trajet de réintégration du titulaire [2 ...]2 a été définitivement pris fin conformément à l'article I.4-76, § 1er du code du bien-être au travail, le "Coordinateur Retour Au Travail " démarre à nouveau le trajet de réinsertion visant la réinsertion socio-professionnelle.]1
1° le titulaire qui n'est pas lié par un contrat de travail qui, lors du premier moment de contact visé à l'article 215undecies, § 2, du premier moment de contact visé à l'article 215duodecies avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 215terdecies, § 2, s'est engagé à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
2° le titulaire qui est lié par un contrat de travail et qui n'a pas été renvoyé au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de la demande de visite préalable à la reprise du travail telle que visée à l'article I.4-36 du code du bien-être au travail ou du démarrage d'un trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code précité, s'est engagé lors du premier moment de contact visé à l'article215undecies, § 2, du premier moment de contact visé à l'article 215duodecies avec l'accord du médecin-conseil ou lors d'un nouveau moment de contact visé à l'article 215terdecies, § 2, à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
3° le titulaire, lié par un contrat de travail, décide, après la visite préalable à la reprise du travail telle que visée au article I.4-36 du code du bien-être au travail de ne pas demander au conseiller en prévention-médecin du travail un trajet de réintégration tel que visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code du bien-être au travail et que ce titulaire s'est engagé après un contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail" que seront examinées en détail quelles actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent;
4° le trajet de réintégration visé au chapitre VI du livre I, titre 4 du code du bien-être au travail, du titulaire [2 ...]2 a définitivement pris fin conformément à l'article I.4-76, § 1er du code du bien-être au travail, et le titulaire s'est engagé à la suite d'un contact avec le " Coordinateur Retour Au Travail", à examiner en détail les actions de réadaptation et/ou d'orientation qui lui conviennent.
Si le trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle est démarré conformément à l'alinéa précédent, 2° ou 3°, le " Coordinateur Retour Au Travail " informe le conseiller en prévention-médecin du travail.
Toutefois, si le conseiller prévention-médecin du travail informe le médecin-conseil conformément à l'article I.4-73, [2 § 1er, alinéa 2]2 du code du bien-être au travail qu'il a reçu une demande de réintégration de la part de l'employeur, le " Coordinateur Retour Au Travail " suspend la mise en oeuvre du trajet de réintégration visant la réinsertion socio-professionnelle au sens de l'article 215novies. Lorsque le trajet de réintégration du titulaire [2 ...]2 a été définitivement pris fin conformément à l'article I.4-76, § 1er du code du bien-être au travail, le "Coordinateur Retour Au Travail " démarre à nouveau le trajet de réinsertion visant la réinsertion socio-professionnelle.]1
Art. 215quinquiesdecies. [1 In het kader van het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie in de zin van artikel 215novies wordt de gerechtigde uitgenodigd voor een opvolggesprek door de "Terug Naar Werk-coördinator" waarin concreet inhoud wordt gegeven aan het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie dat hem betreft.
Het eerste opvolggesprek vindt plaats binnen de maand nadat de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie hebben opgestart zoals bedoeld in artikel 215quaterdecies. Indien nodig kan een tweede opvolggesprek worden gepland.
De bevindingen van de opvolggesprekken worden in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde geregistreerd.]1
Het eerste opvolggesprek vindt plaats binnen de maand nadat de "Terug Naar Werk-coördinator" en de gerechtigde het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie hebben opgestart zoals bedoeld in artikel 215quaterdecies. Indien nodig kan een tweede opvolggesprek worden gepland.
De bevindingen van de opvolggesprekken worden in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde geregistreerd.]1
Modifications
Art. 215sexiesdecies. [1 Conformément aux dispositions de l'article 215quinquiesdecies, le " Coordinateur Retour Au Travail " établit un plan de réintégration visant à la réinsertion socioprofessionnelle en concertation avec le titulaire et le médecin-conseil. Ce plan contient au moins les objectifs du plan, le résultat final visé, une action concrète et un rendez-vous concret pour une prochaine entretien de suivi.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " et le médecin-conseil peuvent, le cas échéant et avec l'accord du titulaire, consulter d'autres parties impliquées dans le trajet, plus précisément le médecin traitant, le conseiller thérapeutique, l'employeur, le conseiller des services et institutions des Régions et les Communautés participant à la réinsertion socioprofessionnelle ou d'autres prestataires de services.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " inscrit les objectifs, actions et accords dans le cadre du plan de réinsertion dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.
Le médecin-conseil communique, avec le consentement du titulaire, les résultats des entretiens de suivi visés à l'article 215quinquiesdecies et le contenu du plan de réinsertion au médecin traitant de ce titulaire.
Il est possible de déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er d'établir une offre de plan de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle seulement pour des raisons médicales fondées et établies par le médecin-conseil.]1
Le " Coordinateur Retour Au Travail " et le médecin-conseil peuvent, le cas échéant et avec l'accord du titulaire, consulter d'autres parties impliquées dans le trajet, plus précisément le médecin traitant, le conseiller thérapeutique, l'employeur, le conseiller des services et institutions des Régions et les Communautés participant à la réinsertion socioprofessionnelle ou d'autres prestataires de services.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " inscrit les objectifs, actions et accords dans le cadre du plan de réinsertion dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.
Le médecin-conseil communique, avec le consentement du titulaire, les résultats des entretiens de suivi visés à l'article 215quinquiesdecies et le contenu du plan de réinsertion au médecin traitant de ce titulaire.
Il est possible de déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er d'établir une offre de plan de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle seulement pour des raisons médicales fondées et établies par le médecin-conseil.]1
Modifications
Art. 215sexiesdecies. [1 Overeenkomstig de bepalingen van artikel 215quinquiesdecies stelt de "Terug Naar Werk-coördinator" in samenspraak met de gerechtigde en de adviserend arts een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op. Dit plan bevat minstens de doelstellingen van het plan, het eindresultaat dat wordt nagestreefd, één concrete actie en één concrete afspraak voor een volgend opvolggesprek.
De "Terug Naar Werk-coördinator" en de adviserend arts kunnen in voorkomend geval en mits de toestemming van de gerechtigde overleggen met andere bij het traject betrokken partijen, meer bepaald de behandelend arts, de therapeutische begeleider, de werkgever, de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelnemen aan de socioprofessionele re-integratie of andere dienstverleners.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de doelstellingen, de acties en de afspraken in het kader van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.
De adviserend arts deelt, met de toestemming van de gerechtigde, de bevindingen van de opvolggesprekken bedoeld in artikel 215quinquiesdecies en de inhoud van het re-integratieplan mee aan de behandelend arts van deze gerechtigde.
Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op te maken, kan alleen worden afgeweken om gegronde medische redenen vastgesteld door de adviserend arts.]1
De "Terug Naar Werk-coördinator" en de adviserend arts kunnen in voorkomend geval en mits de toestemming van de gerechtigde overleggen met andere bij het traject betrokken partijen, meer bepaald de behandelend arts, de therapeutische begeleider, de werkgever, de begeleider van de diensten en instellingen van de Gewesten en de Gemeenschappen die deelnemen aan de socioprofessionele re-integratie of andere dienstverleners.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de doelstellingen, de acties en de afspraken in het kader van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.
De adviserend arts deelt, met de toestemming van de gerechtigde, de bevindingen van de opvolggesprekken bedoeld in artikel 215quinquiesdecies en de inhoud van het re-integratieplan mee aan de behandelend arts van deze gerechtigde.
Van de in het eerste lid bedoelde verplichting om een re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie op te maken, kan alleen worden afgeweken om gegronde medische redenen vastgesteld door de adviserend arts.]1
Modifications
Art. 215sexiesdecies. [1 Conformément aux dispositions de l'article 215quinquiesdecies, le " Coordinateur Retour Au Travail " établit un plan de réintégration visant à la réinsertion socioprofessionnelle en concertation avec le titulaire et le médecin-conseil. Ce plan contient au moins les objectifs du plan, le résultat final visé, une action concrète et un rendez-vous concret pour une prochaine entretien de suivi.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " et le médecin-conseil peuvent, le cas échéant et avec l'accord du titulaire, consulter d'autres parties impliquées dans le trajet, plus précisément le médecin traitant, le conseiller thérapeutique, l'employeur, le conseiller des services et institutions des Régions et les Communautés participant à la réinsertion socioprofessionnelle ou d'autres prestataires de services.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " inscrit les objectifs, actions et accords dans le cadre du plan de réinsertion dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.
Le médecin-conseil communique, avec le consentement du titulaire, les résultats des entretiens de suivi visés à l'article 215quinquiesdecies et le contenu du plan de réinsertion au médecin traitant de ce titulaire.
Il est possible de déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er d'établir une offre de plan de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle seulement pour des raisons médicales fondées et établies par le médecin-conseil.]1
Le " Coordinateur Retour Au Travail " et le médecin-conseil peuvent, le cas échéant et avec l'accord du titulaire, consulter d'autres parties impliquées dans le trajet, plus précisément le médecin traitant, le conseiller thérapeutique, l'employeur, le conseiller des services et institutions des Régions et les Communautés participant à la réinsertion socioprofessionnelle ou d'autres prestataires de services.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " inscrit les objectifs, actions et accords dans le cadre du plan de réinsertion dans le " Dossier Retour Au Travail " du titulaire.
Le médecin-conseil communique, avec le consentement du titulaire, les résultats des entretiens de suivi visés à l'article 215quinquiesdecies et le contenu du plan de réinsertion au médecin traitant de ce titulaire.
Il est possible de déroger à l'obligation visée à l'alinéa 1er d'établir une offre de plan de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle seulement pour des raisons médicales fondées et établies par le médecin-conseil.]1
Modifications
Art. 215septiesdecies. [1 De "Terug Naar Werk-coördinator" volgt het re-integratieplan gericht op sociaalprofessionele re-integratie via het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde elke drie maanden op, tenzij de elementen van het dossier een andere frequentie of timing rechtvaardigen. In voorkomend geval kan zowel de "Terug Naar Werk-coördinator" als de gerechtigde een nieuw opvolggesprek inplannen om de voortgang van het re-integratieplan te bespreken en de inhoud ervan bij te sturen.
De "Terug Naar Werk-coördinator" verricht deze opvolging in samenwerking met de gerechtigde en, in voorkomend geval, met andere bij het traject betrokken diensten en personen.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de verschillende opvolgingsacties, en eventuele aanpassingen aan de inhoud van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
De "Terug Naar Werk-coördinator" verricht deze opvolging in samenwerking met de gerechtigde en, in voorkomend geval, met andere bij het traject betrokken diensten en personen.
De "Terug Naar Werk-coördinator" registreert de verschillende opvolgingsacties, en eventuele aanpassingen aan de inhoud van het re-integratieplan in het "Terug Naar Werk-dossier" van de gerechtigde.]1
Art. 215septiesdecies. [1 Le "Coordinateur Retour Au Travail " assure un suivi du plan de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle via le "Dossier Retour Au Travail " du titulaire tous les trois mois, sauf si les éléments du dossier justifient une fréquence ou un calendrier différent. Le cas échéant, le " Coordinateur Retour Au Travail " et le titulaire peuvent planifier un nouvel entretien de suivi pour discuter de l'avancement du plan de réinsertion et ajuster son contenu.
Le " Coordinateur Retour Au Travail " effectue ce suivi en collaboration avec le titulaire et, le cas échéant, avec d'autres services et personnes impliqués dans le trajet.
Le "Coordinateur Retour Au Travail " enregistre les différentes actions de suivi et les éventuels ajustements du contenu du plan de réintégration dans le "Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
Le " Coordinateur Retour Au Travail " effectue ce suivi en collaboration avec le titulaire et, le cas échéant, avec d'autres services et personnes impliqués dans le trajet.
Le "Coordinateur Retour Au Travail " enregistre les différentes actions de suivi et les éventuels ajustements du contenu du plan de réintégration dans le "Dossier Retour Au Travail " du titulaire.]1
Modifications
Afdeling VIquinquies. [1 - Responsabilisering van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden.]1
Art. 215octiesdecies.[1 § 1er. [2 En vue du contact physique visé à l'article 215decies/2, alinéa 1er, le titulaire reçoit une invitation dans laquelle il est mentionné qu'en cas d'absence au contact physique susmentionné sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents.
Art. 215octiesdecies. [1 § 1. [2 Met het oog op het fysieke contact bedoeld in artikel 215decies/2, eerste lid, ontvangt de gerechtigde een uitnodiging waarin vermeld wordt dat bij een afwezigheid op het voormelde fysieke contact zonder geldige rechtvaardiging het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd.
De gerechtigde die zich, zonder geldige rechtvaardiging, niet op het fysieke contact aanbiedt, ontvangt een aangetekende zending waarin binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de initieel geplande datum, een nieuwe datum voor dit fysieke contact wordt vastgesteld. Bovendien verwittigt deze aangetekende zending de gerechtigde dat bij een nieuwe afwezigheid op dit fysieke contact zonder geldige rechtvaardiging, het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid.
Als de gerechtigde daadwerkelijk een tweede keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, wordt het dagbedrag van de uitkeringen verminderd met 2,5 procent vanaf de voor dit contact vastgestelde datum tot en met de datum waarop de gerechtigde, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team contacteert met het oog op het vastleggen van een nieuwe datum voor een fysiek contact.
Als de gerechtigde echter een derde keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact vastgesteld overeenkomstig het vorige lid, wordt het dagbedrag van de uitkeringen opnieuw met 2,5 procent verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid tot en met de dag voordat het fysieke contact daadwerkelijk plaatsvindt.]2
§ 2. Met het oog op het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215undecies, § 2, eerste lid, ontvangt de gerechtigde een uitnodiging waarin vermeld wordt dat bij een afwezigheid op het voormelde eerste contactmoment zonder geldige rechtvaardiging het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd.
De gerechtigde die zich, zonder geldige rechtvaardiging, niet op het eerste contactmoment aanbiedt, ontvangt een aangetekende zending waarin binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de initieel geplande datum, een nieuwe datum voor dit contactmoment wordt vastgesteld. Bovendien verwittigt deze aangetekende zending de gerechtigde dat bij een nieuwe afwezigheid op dit contactmoment zonder geldige rechtvaardiging, het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid.
Als de gerechtigde daadwerkelijk een tweede keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment, wordt het dagbedrag van de uitkeringen verminderd met 2,5 procent vanaf de voor dit contactmoment vastgestelde datum tot en met de datum waarop de gerechtigde de "Terug Naar Werk-coördinator" contacteert met het oog op het vastleggen van een nieuwe datum voor een eerste contactmoment.
Als de gerechtigde echter een derde keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment vastgesteld overeenkomstig het vorige lid, wordt het dagbedrag van de uitkeringen opnieuw met 2,5 procent verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid tot en met de dag voordat het eerste contactmoment daadwerkelijk plaatsvindt.
§ 3. Van de beslissing om het dagbedrag van de uitkeringen te verminderen overeenkomstig de voorgaande paragrafen, wordt de gerechtigde op de hoogte gebracht via een aangetekende zending. De kennisgeving bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.
§ 4. De beslissing om het dagbedrag van de uitkeringen te verminderen overeenkomstig paragraaf 1 of 2, is niet van toepassing tijdens de in de artikelen 114 en 114bis van de gecoördineerde wet bedoelde tijdvakken van moederschapsbescherming.]1
De gerechtigde die zich, zonder geldige rechtvaardiging, niet op het fysieke contact aanbiedt, ontvangt een aangetekende zending waarin binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de initieel geplande datum, een nieuwe datum voor dit fysieke contact wordt vastgesteld. Bovendien verwittigt deze aangetekende zending de gerechtigde dat bij een nieuwe afwezigheid op dit fysieke contact zonder geldige rechtvaardiging, het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid.
Als de gerechtigde daadwerkelijk een tweede keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact, wordt het dagbedrag van de uitkeringen verminderd met 2,5 procent vanaf de voor dit contact vastgestelde datum tot en met de datum waarop de gerechtigde, naargelang het geval, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team contacteert met het oog op het vastleggen van een nieuwe datum voor een fysiek contact.
Als de gerechtigde echter een derde keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het fysieke contact vastgesteld overeenkomstig het vorige lid, wordt het dagbedrag van de uitkeringen opnieuw met 2,5 procent verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid tot en met de dag voordat het fysieke contact daadwerkelijk plaatsvindt.]2
§ 2. Met het oog op het eerste contactmoment bedoeld in artikel 215undecies, § 2, eerste lid, ontvangt de gerechtigde een uitnodiging waarin vermeld wordt dat bij een afwezigheid op het voormelde eerste contactmoment zonder geldige rechtvaardiging het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd.
De gerechtigde die zich, zonder geldige rechtvaardiging, niet op het eerste contactmoment aanbiedt, ontvangt een aangetekende zending waarin binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de initieel geplande datum, een nieuwe datum voor dit contactmoment wordt vastgesteld. Bovendien verwittigt deze aangetekende zending de gerechtigde dat bij een nieuwe afwezigheid op dit contactmoment zonder geldige rechtvaardiging, het dagbedrag van de uitkeringen met 2,5 procent zal worden verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid.
Als de gerechtigde daadwerkelijk een tweede keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment, wordt het dagbedrag van de uitkeringen verminderd met 2,5 procent vanaf de voor dit contactmoment vastgestelde datum tot en met de datum waarop de gerechtigde de "Terug Naar Werk-coördinator" contacteert met het oog op het vastleggen van een nieuwe datum voor een eerste contactmoment.
Als de gerechtigde echter een derde keer zonder geldige rechtvaardiging afwezig is op het eerste contactmoment vastgesteld overeenkomstig het vorige lid, wordt het dagbedrag van de uitkeringen opnieuw met 2,5 procent verminderd vanaf de datum van deze nieuwe afwezigheid tot en met de dag voordat het eerste contactmoment daadwerkelijk plaatsvindt.
§ 3. Van de beslissing om het dagbedrag van de uitkeringen te verminderen overeenkomstig de voorgaande paragrafen, wordt de gerechtigde op de hoogte gebracht via een aangetekende zending. De kennisgeving bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.
§ 4. De beslissing om het dagbedrag van de uitkeringen te verminderen overeenkomstig paragraaf 1 of 2, is niet van toepassing tijdens de in de artikelen 114 en 114bis van de gecoördineerde wet bedoelde tijdvakken van moederschapsbescherming.]1
Art. 215octiesdecies. [1 § 1er. [2 En vue du contact physique visé à l'article 215decies/2, alinéa 1er, le titulaire reçoit une invitation dans laquelle il est mentionné qu'en cas d'absence au contact physique susmentionné sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents.
Le titulaire qui ne se présente pas au contact physique sans justification valable, reçoit un envoi recommandé fixant, dans un délai d'un mois à dater de la date initiale planifiée, une nouvelle date pour ce contact physique. Cet envoi recommandé avertit en outre le titulaire qu'en cas de nouvelle absence à ce contact physique sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence.
Si le titulaire est effectivement absent une seconde fois sans justification valable à ce contact physique, le montant journalier des indemnités est réduit de 2,5 pourcents à partir de la date fixée pour ce contact jusqu'à la date à laquelle le titulaire contacte le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, en vue de fixer une nouvelle date pour un contact physique.
Toutefois, si le titulaire est absent une troisième fois sans justification valable à ce contact physique fixé conformément à l'alinéa précédent, le montant journalier des indemnités sera à nouveau réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence jusqu'à la veille du jour où le contact physique aura effectivement lieu. ]2.
§ 2. En vue du premier moment de contact visé à l'article 215undecies, § 2, alinéa 1er, le titulaire reçoit une invitation dans laquelle il est mentionné qu'en cas d'absence au premier moment de contact susmentionné sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents.
Le titulaire qui ne se présente pas au premier moment de contact sans justification valable, reçoit un envoi recommandé fixant, dans un délai d'un mois à dater de la date initiale planifiée, une nouvelle date pour ce moment de contact. Cet envoi recommandé avertit en outre le titulaire qu'en cas de nouvelle absence à ce moment de contact sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence.
Si le titulaire est effectivement absent une seconde fois sans justification valable au premier moment de contact, le montant journalier des indemnités est réduit de 2,5 pourcents à partir de la date fixée pour ce moment de contact jusqu'à la date à laquelle le titulaire contacte le " Coordinateur Retour Au Travail " en vue de fixer une nouvelle date pour un premier moment de contact.
Toutefois, si le titulaire est absent une troisième fois sans justification valable au premier moment de contact, fixé conformément à l'alinéa précédent, le montant journalier des indemnités sera à nouveau réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence jusqu'à la veille du jour où ce premier moment de contact aura effectivement lieu.
§ 3. Le titulaire est averti de la décision de réduire le montant journalier des indemnités, conformément aux paragraphes précédents, par un envoi recommandé. La notification contient les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.
§ 4. La décision de réduire le montant journalier des indemnités conformément au paragraphe 1er ou 2 ne s'applique pas durant les périodes de protection de la maternité visées aux articles 114 et 114bis de la loi coordonnée.]1
Le titulaire qui ne se présente pas au contact physique sans justification valable, reçoit un envoi recommandé fixant, dans un délai d'un mois à dater de la date initiale planifiée, une nouvelle date pour ce contact physique. Cet envoi recommandé avertit en outre le titulaire qu'en cas de nouvelle absence à ce contact physique sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence.
Si le titulaire est effectivement absent une seconde fois sans justification valable à ce contact physique, le montant journalier des indemnités est réduit de 2,5 pourcents à partir de la date fixée pour ce contact jusqu'à la date à laquelle le titulaire contacte le médecin-conseil ou le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire, selon le cas, en vue de fixer une nouvelle date pour un contact physique.
Toutefois, si le titulaire est absent une troisième fois sans justification valable à ce contact physique fixé conformément à l'alinéa précédent, le montant journalier des indemnités sera à nouveau réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence jusqu'à la veille du jour où le contact physique aura effectivement lieu. ]2.
§ 2. En vue du premier moment de contact visé à l'article 215undecies, § 2, alinéa 1er, le titulaire reçoit une invitation dans laquelle il est mentionné qu'en cas d'absence au premier moment de contact susmentionné sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents.
Le titulaire qui ne se présente pas au premier moment de contact sans justification valable, reçoit un envoi recommandé fixant, dans un délai d'un mois à dater de la date initiale planifiée, une nouvelle date pour ce moment de contact. Cet envoi recommandé avertit en outre le titulaire qu'en cas de nouvelle absence à ce moment de contact sans justification valable, le montant journalier des indemnités sera réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence.
Si le titulaire est effectivement absent une seconde fois sans justification valable au premier moment de contact, le montant journalier des indemnités est réduit de 2,5 pourcents à partir de la date fixée pour ce moment de contact jusqu'à la date à laquelle le titulaire contacte le " Coordinateur Retour Au Travail " en vue de fixer une nouvelle date pour un premier moment de contact.
Toutefois, si le titulaire est absent une troisième fois sans justification valable au premier moment de contact, fixé conformément à l'alinéa précédent, le montant journalier des indemnités sera à nouveau réduit de 2,5 pourcents à partir de la date de cette nouvelle absence jusqu'à la veille du jour où ce premier moment de contact aura effectivement lieu.
§ 3. Le titulaire est averti de la décision de réduire le montant journalier des indemnités, conformément aux paragraphes précédents, par un envoi recommandé. La notification contient les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.
§ 4. La décision de réduire le montant journalier des indemnités conformément au paragraphe 1er ou 2 ne s'applique pas durant les périodes de protection de la maternité visées aux articles 114 et 114bis de la loi coordonnée.]1
Afdeling VII. - (Bedragen en toekenningsvoorwaarden van de moederschapsuitkering gedurende de periode van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet.)
Art.216. Le taux de l'indemnité de maternité est fixé à 79,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, pendant les trente premiers jours de la période de repos de maternité telle qu'elle est définie aux articles 114 et 115 de la loi coordonnée, et à 75 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période.
Art.216. Het bedrag van de moederschapsuitkering wordt vastgesteld op 79,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid van de gecoördineerde wet, tijdens de dertig eerste dagen van de periode van (moederschapsbescherming), als bepaald in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet, en op 75 pct. van het gederfde loon, vanaf de eenendertigste dag van deze periode. <KB 1997-04-13/51, art. 5, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
Tijdens de dertig eerste dagen evenwel van de periode van moederschapsrust genieten de gerechtigden, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) en b), van de gecoördineerde wet, een moederschapsuitkering, gelijk aan 82 pct. van voornoemd gederfd loon, zonder toepassing van de loonsbeperking, bepaald in voornoemd artikel 113, derde lid.
Tijdens de dertig eerste dagen evenwel van de periode van moederschapsrust genieten de gerechtigden, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a) en b), van de gecoördineerde wet, een moederschapsuitkering, gelijk aan 82 pct. van voornoemd gederfd loon, zonder toepassing van de loonsbeperking, bepaald in voornoemd artikel 113, derde lid.
Art.217. Les titulaires en chômage complet contrôlé visées à l'article 113, dernier alinéa, de la loi coordonnée, ainsi que les titulaires qui maintiennent la qualité précitée en vertu de l'article 131 de la loi coordonnée, ont droit à une indemnité de base s'élevant à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée; le montant de cette indemnité (est cependant égal) à celui de l'allocation de chômage à laquelle les titulaires précitées auraient pu prétendre si elles ne s'étaient pas trouvées (dans une période de protection de la maternité visée aux articles 114 et 115 de la loi coordonnée). [1 A cet effet, il est toutefois toujours tenu compte de la phase applicable de la période d'indemnisation dans laquelle elles se seraient trouvées, dans le cadre de la réglementation chômage, le premier jour de la période de protection de la maternité. ]1 <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996> <AR 2003-02-19/40, art. 3, 087; En vigueur : 01-01-2003>
La (mesure d'alignement) visée à l'alinéa précédent cesse de s'appliquer dès qu'une période de six mois est écoulée, compte tenu de la durée de la période de (protection de la maternité) et de la période d'incapacité de travail qui la précède immédiatement. <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996> <AR 2003-02-19/40, art. 3, 087; En vigueur : 01-01-2003>
Les titulaires visées à l'alinéa 1er ont droit en outre, à une indemnité complémentaire s'élevant à 19,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, pendant les trente premiers jours de la période de (protection de la maternité) et à 15 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période. <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996>
La (mesure d'alignement) visée à l'alinéa précédent cesse de s'appliquer dès qu'une période de six mois est écoulée, compte tenu de la durée de la période de (protection de la maternité) et de la période d'incapacité de travail qui la précède immédiatement. <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996> <AR 2003-02-19/40, art. 3, 087; En vigueur : 01-01-2003>
Les titulaires visées à l'alinéa 1er ont droit en outre, à une indemnité complémentaire s'élevant à 19,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, pendant les trente premiers jours de la période de (protection de la maternité) et à 15 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période. <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996>
Modifications
Art.217. De gerechtigden in gecontroleerde volledige werkloosheid die worden bedoeld in artikel 113, laatste lid, van de gecoördineerde wet, alsook de gerechtigden die voornoemde hoedanigheid krachtens artikel 131 van de gecoördineerde wet behouden, hebben recht op een basisuitkering, gelijk aan 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet; het bedrag van deze uitkering (is echter gelijk aan) dat van de werkloosheidsuitkering waarop voornoemde gerechtigden aanspraak hadden kunnen maken als zij niet in (in een periode van moederschapsbescherming bedoeld in de artikelen 114 en 115 van de gecoördineerde wet) waren geweest. [1 In dit verband wordt echter steeds rekening gehouden met de toepasselijke fase van de vergoedingsperiode waarin zij zich zouden hebben bevonden in het kader van de werkloosheidsreglementering op de eerste dag van de periode van moederschapsbescherming.]1 <KB 1997-04-13/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> <KB 2003-02-19/40, art. 3, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De (aligneringsmaatregel) van het vorige lid houdt op van toepassing te zijn zodra een periode van zes maanden verstreken is, waarbij rekening gehouden wordt met de duur van de periode van (moederschapsbescherming) en de periode van arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voordien. <KB 1997-04-13/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> <KB 2003-02-19/40, art. 3, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, hebben bovendien recht op een aanvullende uitkering, gelijk aan 19,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet, gedurende de dertig eerste dagen van de periode van (moederschapsbescherming), en gelijk aan 15 pct. van het gederfde loon vanaf de eenendertigste dag van deze periode. <KB 1997-04-13/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
De (aligneringsmaatregel) van het vorige lid houdt op van toepassing te zijn zodra een periode van zes maanden verstreken is, waarbij rekening gehouden wordt met de duur van de periode van (moederschapsbescherming) en de periode van arbeidsongeschiktheid onmiddellijk voordien. <KB 1997-04-13/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> <KB 2003-02-19/40, art. 3, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, hebben bovendien recht op een aanvullende uitkering, gelijk aan 19,5 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet, gedurende de dertig eerste dagen van de periode van (moederschapsbescherming), en gelijk aan 15 pct. van het gederfde loon vanaf de eenendertigste dag van deze periode. <KB 1997-04-13/51, art. 6, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
Modifications
Art. 217. Les titulaires en chômage complet contrôlé visées à l'article 113, dernier alinéa, de la loi coordonnée, ainsi que les titulaires qui maintiennent la qualité précitée en vertu de l'article 131 de la loi coordonnée, ont droit à une indemnité de base s'élevant à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée; le montant de cette indemnité (est cependant égal) à celui de l'allocation de chômage à laquelle les titulaires précitées auraient pu prétendre si elles ne s'étaient pas trouvées (dans une période de protection de la maternité visée aux articles 114 et 115 de la loi coordonnée). [1 A cet effet, il est toutefois toujours tenu compte de la phase applicable de la période d'indemnisation dans laquelle elles se seraient trouvées, dans le cadre de la réglementation chômage, le premier jour de la période de protection de la maternité. ]1 <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996> <AR 2003-02-19/40, art. 3, 087; En vigueur : 01-01-2003>
La (mesure d'alignement) visée à l'alinéa précédent cesse de s'appliquer dès qu'une période de six mois est écoulée, compte tenu de la durée de la période de (protection de la maternité) et de la période d'incapacité de travail qui la précède immédiatement. <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996> <AR 2003-02-19/40, art. 3, 087; En vigueur : 01-01-2003>
Les titulaires visées à l'alinéa 1er ont droit en outre, à une indemnité complémentaire s'élevant à 19,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, pendant les trente premiers jours de la période de (protection de la maternité) et à 15 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période. <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996>
La (mesure d'alignement) visée à l'alinéa précédent cesse de s'appliquer dès qu'une période de six mois est écoulée, compte tenu de la durée de la période de (protection de la maternité) et de la période d'incapacité de travail qui la précède immédiatement. <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996> <AR 2003-02-19/40, art. 3, 087; En vigueur : 01-01-2003>
Les titulaires visées à l'alinéa 1er ont droit en outre, à une indemnité complémentaire s'élevant à 19,5 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, pendant les trente premiers jours de la période de (protection de la maternité) et à 15 p.c. de la même rémunération, à partir du trente et unième jour de cette période. <AR 1997-04-13/51, art. 6, 007; En vigueur : 06-10-1996>
Modifications
Art.218. [1 De werkneemster die, overeenkomstig artikel 114, tweede lid van de gecoördineerde wet, de nabevallingsrust verlengt met de periode waarin zij één of meerdere van haar activiteiten heeft voortgezet tijdens de periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 219ter, § 2, vanaf de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling, kan slechts aanspraak maken op een moederschapsuitkering tijdens de voormelde verlenging van de nabevallingsrust waarin ze één of meerdere van haar andere activiteiten heeft hervat, in functie van de bovenvermelde activiteit of activiteiten die recht geven op de verlenging van de nabevallingsrust.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op de berekening van de moederschapsuitkering tijdens de nabevallingsrust die wordt verlengd met de periode waarin de werkneemster één of meerdere van haar activiteiten heeft hervat tijdens haar arbeidsongeschiktheid onder de voorwaarden bepaald in artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet vanaf de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling.]1
Het eerste lid is eveneens van toepassing op de berekening van de moederschapsuitkering tijdens de nabevallingsrust die wordt verlengd met de periode waarin de werkneemster één of meerdere van haar activiteiten heeft hervat tijdens haar arbeidsongeschiktheid onder de voorwaarden bepaald in artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet vanaf de zesde week of de achtste week in geval van de geboorte van een meerling, tot en met de tweede week voorafgaand aan de bevalling.]1
Art. 218. [1 La travailleuse qui, conformément à l'article 114, alinéa 2 de la loi coordonnée, prolonge le repos postnatal à concurrence de la période pendant laquelle elle a poursuivi une ou plusieurs de ses activités durant la période de protection de la maternité visée à l'article 219ter, § 2, de la sixième semaine ou de la huitième semaine en cas de naissance multiple, à la deuxième semaine y incluse précédant l'accouchement, ne peut prétendre à une indemnité de maternité pendant la prolongation du repos postnatal susvisée durant laquelle elle a repris une ou plusieurs de ses autres activités, qu'en fonction de la ou des activités qui donnent droit à la prolongation du repos postnatal.
L'alinéa 1er est également d'application pour le calcul de l'indemnité de maternité pendant le repos postnatal prolongé à concurrence de la période pendant laquelle la travailleuse a repris une ou plusieurs de ses activités durant son incapacité de travail, dans les conditions fixées à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée, de la sixième semaine ou de la huitième semaine en cas de naissance multiple, à la deuxième semaine y incluse précédant l'accouchement.]1
L'alinéa 1er est également d'application pour le calcul de l'indemnité de maternité pendant le repos postnatal prolongé à concurrence de la période pendant laquelle la travailleuse a repris une ou plusieurs de ses activités durant son incapacité de travail, dans les conditions fixées à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée, de la sixième semaine ou de la huitième semaine en cas de naissance multiple, à la deuxième semaine y incluse précédant l'accouchement.]1
Modifications
Art.219. [1 Voor zover zij ook betrekking op de moederschapsverzekering hebben en hiervan niet afgeweken wordt door deze afdeling en de afdelingen I, II, III, IV, IVbis en VIIbis, zijn de bepalingen van onderhavig besluit die op de uitkeringsverzekering betrekking hebben, van toepassing op de moederschapsverzekering. ]1
Modifications
Art. 219. [1 Dans la mesure où elles concernent également l'assurance maternité et où il n'y est pas dérogé par la présente section ainsi que par les sections I, II, III, IV, IVbis et VIIbis, les dispositions du présent arrêté qui concernent l'assurance indemnités sont applicables à l'assurance maternité. ]1
Modifications
Afdeling VIIbis. - Bedragen en toekenningsvoorwaarden van de moederschapsuitkering gedurende de periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet.
Art. 219bis.[1 § 1er. La titulaire enceinte dont l'exécution du contrat de travail est suspendue ou qui est dispensée du travail en application des articles 42, § 1er, alinéa 1er, 3° ou 43, § 1er, alinéa 2, 2° de la loi du 16 mars 1971 sur le travail peut prétendre à une indemnité de maternité dont le montant est fixé à 78,237 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée. [2 ...]2
Art. 219bis. [1 § 1. De zwangere gerechtigde, voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst of die van arbeid is vrijgesteld krachtens de artikelen 42, § 1 eerste lid, 3° of 43, § 1, tweede lid, 2° van de arbeidswet van 16 maart 1971 kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering waarvan het bedrag vastgesteld is op 78,237 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet. [2 ...]2
[2 ...]2
§ 2. De bevallen gerechtigde, of de gerechtigde die borstvoeding geeft, voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst of die van arbeid is vrijgesteld krachtens de artikelen 42, § 1 eerste lid, 3°, 43, § 1, tweede lid, 2° en 43bis, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering, waarvan het bedrag vastgesteld is op 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet.
Het tijdvak waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft, aanspraak kan maken op de bovenvermelde moederschapsuitkering, mag een periode van vijf maanden vanaf de dag van de bevalling niet overschrijden.
§ 3. De aligneringsmaatregel bepaald in artikel 217 is eveneens van toepassing op de deeltijdse werkneemsters met behoud van rechten, die een inkomensgarantieuitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering [3 , evenals op de vrijwillig deeltijds werkneemsters die halve uitkeringen ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 en op de vrijwillig deeltijds werkneemsters die een inkomensgarantie-uitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1bis, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991]3.]1
[2 ...]2
§ 2. De bevallen gerechtigde, of de gerechtigde die borstvoeding geeft, voor wie de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is geschorst of die van arbeid is vrijgesteld krachtens de artikelen 42, § 1 eerste lid, 3°, 43, § 1, tweede lid, 2° en 43bis, tweede lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971 kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering, waarvan het bedrag vastgesteld is op 60 pct. van het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet.
Het tijdvak waarover de gerechtigde die borstvoeding geeft, aanspraak kan maken op de bovenvermelde moederschapsuitkering, mag een periode van vijf maanden vanaf de dag van de bevalling niet overschrijden.
§ 3. De aligneringsmaatregel bepaald in artikel 217 is eveneens van toepassing op de deeltijdse werkneemsters met behoud van rechten, die een inkomensgarantieuitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering [3 , evenals op de vrijwillig deeltijds werkneemsters die halve uitkeringen ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 en op de vrijwillig deeltijds werkneemsters die een inkomensgarantie-uitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1bis, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991]3.]1
Art. 219ter. § 1er. [2 La titulaire enceinte, accouchée ou allaitante, qui fait l'objet d'une mesure visée aux articles 42, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 2° ou 43, § 1er, alinéa 2, 1°, de la loi du 16 mars 1971 précitée et dont la rémunération perçue à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque soit du changement de poste de travail est inférieure à la rémunération découlant de son activité habituelle, peut prétendre à une indemnité de maternité, dont le montant est fixé à 60 % de la différence entre, d'une part, la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée sans toutefois l'application du montant maximum visé à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, qu'elle percevait avant l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque ou le changement de poste de travail et, d'autre part, le montant du revenu professionnel évalué en jours ouvrables que la titulaire perçoit à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque, soit du changement de poste de travail. Le montant maximum à concurrence duquel cette différence est prise en considération est le montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée.
On entend par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, les rémunérations et autres avantages qui peuvent être pris en considération pour déterminer la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée ainsi que la rémunération garantie deuxième semaine et l'indemnité visée par les conventions collectives de travail n° 12bis et n° 13bis. Toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu est également prise en considération.]2
[5 ...]5
§ 2. La titulaire enceinte, accouchée ou allaitante qui exerce plusieurs activités salariées et dont la suspension de l'exécution du contrat de travail ou la dispense de travail en application des articles 42, § 1er, alinéa 1er, 3°, 43, § 1er, alinéa 2, 2° ou 43bis, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 précitée ne concerne qu'une ou plusieurs mais pas toutes ces activités, peut prétendre à une indemnité de maternité dont le montant est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, découlant de la ou des activité(s) que la titulaire a cessé d'exercer.
[2 ...]2
(Alinéa 3 abrogé). <AR 2006-02-02/38, art. 1, 4°, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 3. La (mesure d'alignement) prévue à l'article 217 est également d'application pour les travailleuses à temps partiel avec maintien des droits qui bénéficient d'une allocation de garantie de revenus conformément aux dispositions de l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage [4 , ainsi que pour les travailleuses à temps partiel volontaires qui bénéficient des demi-allocations conformément aux dispositions de l'article 104, § 1er, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991 et pour les travailleuses à temps partiel volontaires qui bénéficient d'une allocation de garantie de revenus conformément aux dispositions de l'article 104, § 1erbis, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991]4. <AR 2003-07-11/66, art. 3, 097; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. (...) <AR 2006-02-02/38, art. 1, 5°, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 5. (Les indemnités, visées par la présente section, ne sont pas dues aux titulaires enceintes, accouchées ou allaitantes qui entreprennent ou poursuivent une activité qui n'est pas soumise aux dispositions de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les indemnités de maternité peuvent toutefois être accordées à la titulaire qui poursuit pendant la période de protection de la maternité visée à l'article 114bis de la loi coordonnée, l'activité indépendante qu'elle exerçait immédiatement avant la période de protection de la maternité susvisée. A cet effet, elle doit demander l'autorisation préalable au médecin-conseil de son organisme assureur, [1 ...]1. En outre, elle doit produire un certificat médical indiquant que cette activité ne présente pas de risque pour sa santé ni pour celle de son enfant. Elle ne peut pas exercer cette activité pendant les jours ou les heures durant lesquels elle aurait normalement travaillé si une mesure de protection de la maternité n'avait pas été prise.
[1 L'autorisation du médecin-conseil précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de l'activité indépendante. Cette autorisation est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressée au siège de l'organisme assureur. L'autorisation est notifiée à la titulaire.]1
Dans ce cas, le montant de l'indemnité, auquel l'intéressée peut prétendre en application de l'article 219bis ou 219ter, est diminué de 10 p.c.) <AR 2000-02-04/34, art. 1, 047; En vigueur : 2000-04-01>
On entend par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, les rémunérations et autres avantages qui peuvent être pris en considération pour déterminer la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée ainsi que la rémunération garantie deuxième semaine et l'indemnité visée par les conventions collectives de travail n° 12bis et n° 13bis. Toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu est également prise en considération.]2
[5 ...]5
§ 2. La titulaire enceinte, accouchée ou allaitante qui exerce plusieurs activités salariées et dont la suspension de l'exécution du contrat de travail ou la dispense de travail en application des articles 42, § 1er, alinéa 1er, 3°, 43, § 1er, alinéa 2, 2° ou 43bis, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 précitée ne concerne qu'une ou plusieurs mais pas toutes ces activités, peut prétendre à une indemnité de maternité dont le montant est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, découlant de la ou des activité(s) que la titulaire a cessé d'exercer.
[2 ...]2
(Alinéa 3 abrogé). <AR 2006-02-02/38, art. 1, 4°, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 3. La (mesure d'alignement) prévue à l'article 217 est également d'application pour les travailleuses à temps partiel avec maintien des droits qui bénéficient d'une allocation de garantie de revenus conformément aux dispositions de l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage [4 , ainsi que pour les travailleuses à temps partiel volontaires qui bénéficient des demi-allocations conformément aux dispositions de l'article 104, § 1er, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991 et pour les travailleuses à temps partiel volontaires qui bénéficient d'une allocation de garantie de revenus conformément aux dispositions de l'article 104, § 1erbis, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991]4. <AR 2003-07-11/66, art. 3, 097; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. (...) <AR 2006-02-02/38, art. 1, 5°, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 5. (Les indemnités, visées par la présente section, ne sont pas dues aux titulaires enceintes, accouchées ou allaitantes qui entreprennent ou poursuivent une activité qui n'est pas soumise aux dispositions de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les indemnités de maternité peuvent toutefois être accordées à la titulaire qui poursuit pendant la période de protection de la maternité visée à l'article 114bis de la loi coordonnée, l'activité indépendante qu'elle exerçait immédiatement avant la période de protection de la maternité susvisée. A cet effet, elle doit demander l'autorisation préalable au médecin-conseil de son organisme assureur, [1 ...]1. En outre, elle doit produire un certificat médical indiquant que cette activité ne présente pas de risque pour sa santé ni pour celle de son enfant. Elle ne peut pas exercer cette activité pendant les jours ou les heures durant lesquels elle aurait normalement travaillé si une mesure de protection de la maternité n'avait pas été prise.
[1 L'autorisation du médecin-conseil précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de l'activité indépendante. Cette autorisation est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressée au siège de l'organisme assureur. L'autorisation est notifiée à la titulaire.]1
Dans ce cas, le montant de l'indemnité, auquel l'intéressée peut prétendre en application de l'article 219bis ou 219ter, est diminué de 10 p.c.) <AR 2000-02-04/34, art. 1, 047; En vigueur : 2000-04-01>
Modifications
Art. 219ter. <INGEVOEGD bij KB 1997-04-13/51, art. 9, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996> § 1. [2 De zwangere of bevallen gerechtigde of de gerechtigde die borstvoeding geeft, die onder een maatregel valt als bedoeld in de artikelen 42, § 1, eerste lid, 1° of 2° of 43, § 1, tweede lid, 1°, van de voormelde wet van 16 maart 1971 en van wie het loon, ontvangen na de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden of na de verandering van arbeidsplaats, lager ligt dan het loon uit haar gewone activiteit, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld op 60 % van het verschil, tussen, enerzijds, het gederfde loon bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet, zonder echter de toepassing van het maximumbedrag bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet, dat zij verdiende vóór de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden of vóór de verandering van arbeidsplaats en, anderzijds, het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen, dat de gerechtigde ontvangt, hetzij na de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden, hetzij na de verandering van de arbeidsplaats. Het maximumbedrag tot beloop waarvan dat verschil in aanmerking wordt genomen, is het bedrag dat is vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
Onder "beroepsinkomen" als bedoeld in het eerste lid, moet worden verstaan de bezoldigingen en andere voordelen die kunnen in aanmerking genomen worden om het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet te bepalen, evenals het gewaarborgd loon tweede week en de vergoeding bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis en nr. 13bis. Elke uitkering, vergoeding of rente die haar wegens het derven van dat inkomen wordt verleend, wordt eveneens in aanmerking genomen.]2
[6 ...]6
§ 2. De zwangere of bevallen gerechtigde, of de gerechtigde die borstvoeding geeft, die meerdere activiteiten in loondienst uitoefent en voor wie de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vrijstelling van arbeid krachtens de artikelen 42, § 1, eerste lid, 3°, 43, § 1, tweede lid, 2°, of 43bis, tweede lid, van de voormelde wet van 16 maart 1971 slechts betrekking heeft op één of meerdere maar niet op al die activiteiten, heeft aanspraak op een moederschapsuitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfd loon, bedoeld in artikel 113, derde lid van de gecoördineerde wet, dat voortvloeit uit de activiteit of activiteiten die de gerechtigde onderbroken heeft.
[2 ...]2
(Lid 3 opgeheven) <KB 2006-02-02/38, art. 1, 4°, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 3. De (aligneringsmaatregel) bepaald in artikel 217 is eveneens van toepassing voor de deeltijdse werkneemsters met behoud van rechten, die een inkomensgarantieuitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering [5 , evenals op de vrijwillig deeltijds werkneemsters die halve uitkeringen ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 en op de vrijwillig deeltijds werkneemsters die een inkomensgarantie-uitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1bis, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991]5. <KB 2003-07-11/66, art. 3, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. (...) <KB 2006-02-02/38, art. 1, 5°, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 5. (De moederschapsuitkeringen bedoeld in deze afdeling zijn niet verschuldigd aan de zwangere of bevallen gerechtigden, of de gerechtigden die borstvoeding geven, die een activiteit aanvangen of verder zetten die niet onderworpen is aan de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid mogen de moederschapsuitkeringen echter toegekend worden aan de gerechtigde die tijdens het tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet, de zelfstandige activiteit verder zet die zij uitoefende onmiddellijk voorafgaand aan het bedoelde tijdvak van moederschapsbescherming. Hiertoe moet zij de voorafgaandelijke toestemming vragen aan de adviserend [4 arts]4 van haar verzekeringsinstelling [1 ...]1. Bovendien moet zij een geneeskundig attest voorleggen waaruit blijkt dat deze activiteit geen risico inhoudt voor haar gezondheid of deze van haar kind. Zij mag deze activiteit niet uitoefenen op de dagen of uren waarop zij normaal gewerkt zou hebben, indien er geen maatregel inzake moederschapsbescherming was genomen.
[1 De toelating van de adviserend [4 arts]4 geeft de aard, het volume en de voorwaarden van de zelfstandige activiteit nader op. Deze toelating wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling opgenomen. De toelating wordt ter kennis van de gerechtigde gebracht.]1
In dat geval wordt het bedrag van de moederschapsuitkering, waarop betrokkene aanspraak kan maken met toepassing van artikel 219bis of 219ter, verminderd met 10 pct.) <KB 2000-02-04/34, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 2000-04-01>
Onder "beroepsinkomen" als bedoeld in het eerste lid, moet worden verstaan de bezoldigingen en andere voordelen die kunnen in aanmerking genomen worden om het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet te bepalen, evenals het gewaarborgd loon tweede week en de vergoeding bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis en nr. 13bis. Elke uitkering, vergoeding of rente die haar wegens het derven van dat inkomen wordt verleend, wordt eveneens in aanmerking genomen.]2
[6 ...]6
§ 2. De zwangere of bevallen gerechtigde, of de gerechtigde die borstvoeding geeft, die meerdere activiteiten in loondienst uitoefent en voor wie de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vrijstelling van arbeid krachtens de artikelen 42, § 1, eerste lid, 3°, 43, § 1, tweede lid, 2°, of 43bis, tweede lid, van de voormelde wet van 16 maart 1971 slechts betrekking heeft op één of meerdere maar niet op al die activiteiten, heeft aanspraak op een moederschapsuitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfd loon, bedoeld in artikel 113, derde lid van de gecoördineerde wet, dat voortvloeit uit de activiteit of activiteiten die de gerechtigde onderbroken heeft.
[2 ...]2
(Lid 3 opgeheven) <KB 2006-02-02/38, art. 1, 4°, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 3. De (aligneringsmaatregel) bepaald in artikel 217 is eveneens van toepassing voor de deeltijdse werkneemsters met behoud van rechten, die een inkomensgarantieuitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 131bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering [5 , evenals op de vrijwillig deeltijds werkneemsters die halve uitkeringen ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 en op de vrijwillig deeltijds werkneemsters die een inkomensgarantie-uitkering ontvangen overeenkomstig de bepalingen van artikel 104, § 1bis, van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991]5. <KB 2003-07-11/66, art. 3, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. (...) <KB 2006-02-02/38, art. 1, 5°, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 5. (De moederschapsuitkeringen bedoeld in deze afdeling zijn niet verschuldigd aan de zwangere of bevallen gerechtigden, of de gerechtigden die borstvoeding geven, die een activiteit aanvangen of verder zetten die niet onderworpen is aan de bepalingen van de arbeidswet van 16 maart 1971.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid mogen de moederschapsuitkeringen echter toegekend worden aan de gerechtigde die tijdens het tijdvak van moederschapsbescherming als bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet, de zelfstandige activiteit verder zet die zij uitoefende onmiddellijk voorafgaand aan het bedoelde tijdvak van moederschapsbescherming. Hiertoe moet zij de voorafgaandelijke toestemming vragen aan de adviserend [4 arts]4 van haar verzekeringsinstelling [1 ...]1. Bovendien moet zij een geneeskundig attest voorleggen waaruit blijkt dat deze activiteit geen risico inhoudt voor haar gezondheid of deze van haar kind. Zij mag deze activiteit niet uitoefenen op de dagen of uren waarop zij normaal gewerkt zou hebben, indien er geen maatregel inzake moederschapsbescherming was genomen.
[1 De toelating van de adviserend [4 arts]4 geeft de aard, het volume en de voorwaarden van de zelfstandige activiteit nader op. Deze toelating wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling opgenomen. De toelating wordt ter kennis van de gerechtigde gebracht.]1
In dat geval wordt het bedrag van de moederschapsuitkering, waarop betrokkene aanspraak kan maken met toepassing van artikel 219bis of 219ter, verminderd met 10 pct.) <KB 2000-02-04/34, art. 1, 047; Inwerkingtreding : 2000-04-01>
Modifications
Art. 219ter. § 1er. [2 La titulaire enceinte, accouchée ou allaitante, qui fait l'objet d'une mesure visée aux articles 42, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 2° ou 43, § 1er, alinéa 2, 1°, de la loi du 16 mars 1971 précitée et dont la rémunération perçue à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque soit du changement de poste de travail est inférieure à la rémunération découlant de son activité habituelle, peut prétendre à une indemnité de maternité, dont le montant est fixé à 60 % de la différence entre, d'une part, la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée sans toutefois l'application du montant maximum visé à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, qu'elle percevait avant l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque ou le changement de poste de travail et, d'autre part, le montant du revenu professionnel évalué en jours ouvrables que la titulaire perçoit à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque, soit du changement de poste de travail. Le montant maximum à concurrence duquel cette différence est prise en considération est le montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée.
On entend par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, les rémunérations et autres avantages qui peuvent être pris en considération pour déterminer la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée ainsi que la rémunération garantie deuxième semaine et l'indemnité visée par les conventions collectives de travail n° 12bis et n° 13bis. Toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu est également prise en considération.]2
[5 ...]5
§ 2. La titulaire enceinte, accouchée ou allaitante qui exerce plusieurs activités salariées et dont la suspension de l'exécution du contrat de travail ou la dispense de travail en application des articles 42, § 1er, alinéa 1er, 3°, 43, § 1er, alinéa 2, 2° ou 43bis, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 précitée ne concerne qu'une ou plusieurs mais pas toutes ces activités, peut prétendre à une indemnité de maternité dont le montant est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, découlant de la ou des activité(s) que la titulaire a cessé d'exercer.
[2 ...]2
(Alinéa 3 abrogé). <AR 2006-02-02/38, art. 1, 4°, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 3. La (mesure d'alignement) prévue à l'article 217 est également d'application pour les travailleuses à temps partiel avec maintien des droits qui bénéficient d'une allocation de garantie de revenus conformément aux dispositions de l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage [4 , ainsi que pour les travailleuses à temps partiel volontaires qui bénéficient des demi-allocations conformément aux dispositions de l'article 104, § 1er, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991 et pour les travailleuses à temps partiel volontaires qui bénéficient d'une allocation de garantie de revenus conformément aux dispositions de l'article 104, § 1erbis, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991]4. <AR 2003-07-11/66, art. 3, 097; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. (...) <AR 2006-02-02/38, art. 1, 5°, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 5. (Les indemnités, visées par la présente section, ne sont pas dues aux titulaires enceintes, accouchées ou allaitantes qui entreprennent ou poursuivent une activité qui n'est pas soumise aux dispositions de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les indemnités de maternité peuvent toutefois être accordées à la titulaire qui poursuit pendant la période de protection de la maternité visée à l'article 114bis de la loi coordonnée, l'activité indépendante qu'elle exerçait immédiatement avant la période de protection de la maternité susvisée. A cet effet, elle doit demander l'autorisation préalable au médecin-conseil de son organisme assureur, [1 ...]1. En outre, elle doit produire un certificat médical indiquant que cette activité ne présente pas de risque pour sa santé ni pour celle de son enfant. Elle ne peut pas exercer cette activité pendant les jours ou les heures durant lesquels elle aurait normalement travaillé si une mesure de protection de la maternité n'avait pas été prise.
[1 L'autorisation du médecin-conseil précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de l'activité indépendante. Cette autorisation est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressée au siège de l'organisme assureur. L'autorisation est notifiée à la titulaire.]1
Dans ce cas, le montant de l'indemnité, auquel l'intéressée peut prétendre en application de l'article 219bis ou 219ter, est diminué de 10 p.c.) <AR 2000-02-04/34, art. 1, 047; En vigueur : 2000-04-01>
On entend par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, les rémunérations et autres avantages qui peuvent être pris en considération pour déterminer la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée ainsi que la rémunération garantie deuxième semaine et l'indemnité visée par les conventions collectives de travail n° 12bis et n° 13bis. Toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu est également prise en considération.]2
[5 ...]5
§ 2. La titulaire enceinte, accouchée ou allaitante qui exerce plusieurs activités salariées et dont la suspension de l'exécution du contrat de travail ou la dispense de travail en application des articles 42, § 1er, alinéa 1er, 3°, 43, § 1er, alinéa 2, 2° ou 43bis, alinéa 2, de la loi du 16 mars 1971 précitée ne concerne qu'une ou plusieurs mais pas toutes ces activités, peut prétendre à une indemnité de maternité dont le montant est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée, découlant de la ou des activité(s) que la titulaire a cessé d'exercer.
[2 ...]2
(Alinéa 3 abrogé). <AR 2006-02-02/38, art. 1, 4°, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 3. La (mesure d'alignement) prévue à l'article 217 est également d'application pour les travailleuses à temps partiel avec maintien des droits qui bénéficient d'une allocation de garantie de revenus conformément aux dispositions de l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage [4 , ainsi que pour les travailleuses à temps partiel volontaires qui bénéficient des demi-allocations conformément aux dispositions de l'article 104, § 1er, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991 et pour les travailleuses à temps partiel volontaires qui bénéficient d'une allocation de garantie de revenus conformément aux dispositions de l'article 104, § 1erbis, de l'arrêté royal précité du 25 novembre 1991]4. <AR 2003-07-11/66, art. 3, 097; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. (...) <AR 2006-02-02/38, art. 1, 5°, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 5. (Les indemnités, visées par la présente section, ne sont pas dues aux titulaires enceintes, accouchées ou allaitantes qui entreprennent ou poursuivent une activité qui n'est pas soumise aux dispositions de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa premier, les indemnités de maternité peuvent toutefois être accordées à la titulaire qui poursuit pendant la période de protection de la maternité visée à l'article 114bis de la loi coordonnée, l'activité indépendante qu'elle exerçait immédiatement avant la période de protection de la maternité susvisée. A cet effet, elle doit demander l'autorisation préalable au médecin-conseil de son organisme assureur, [1 ...]1. En outre, elle doit produire un certificat médical indiquant que cette activité ne présente pas de risque pour sa santé ni pour celle de son enfant. Elle ne peut pas exercer cette activité pendant les jours ou les heures durant lesquels elle aurait normalement travaillé si une mesure de protection de la maternité n'avait pas été prise.
[1 L'autorisation du médecin-conseil précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de l'activité indépendante. Cette autorisation est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressée au siège de l'organisme assureur. L'autorisation est notifiée à la titulaire.]1
Dans ce cas, le montant de l'indemnité, auquel l'intéressée peut prétendre en application de l'article 219bis ou 219ter, est diminué de 10 p.c.) <AR 2000-02-04/34, art. 1, 047; En vigueur : 2000-04-01>
Modifications
Afdeling VIII. - De verlenging van de nabevallingsrust.
Art.220. Pour la prolongation du repos postnatal en application de l'article 114, alinéa 2, de la loi coordonnée, sont assimilés à une période au cours de laquelle la titulaire a continué à travailler :
Art.220. <KB 2001-06-10/60, art. 40, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003> Voor het verlengen van de nabevallingsrust met toepassing van artikel 114, tweede lid, van de gecoördineerde wet, wordt gelijkgesteld met een periode tijdens welke de gerechtigde is blijven doorwerken :
1° [2 de perioden wettelijke vakantie, waaronder begrepen de periode gedekt door de uitgestelde bezoldiging verleend aan de tijdelijke of interim leerkrachten na het einde van de arbeidsovereenkomst of van de tijdelijke aanwijzing, de perioden vakantie krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, de perioden bijkomende vakantie en de perioden aanvullende vakantie;]2
2° de periode functie van rechter in sociale zaken;
3° de dagen kort verzuim;
4° de dagen dwingende redenen met behoud van loon en de dagen verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon;
5° de dagen afwezigheid met gewaarborgd dagloon;
6° [3 de perioden technische stoornis in de onderneming, tijdelijke werkloosheid ingevolge overmacht, tijdelijke werkloosheid ingevolge technische stoornis, tijdelijke werkloosheid ingevolge slecht weer, tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen, evenals de perioden van schorsing van de uitvoering van de overeenkomst en van gedeeltelijke arbeid bedoeld in de artikelen 77/1 tot 77/8 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]3
7° de periode sluiting van de onderneming ter bescherming van het leefmilieu;
8° de feestdagen tijdens de arbeidsovereenkomst, de vervangingsdagen van een feestdag en de feestdagen of vervangingsdagen tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid;
9° voor de gerechtigde die afwisselend volgens de vijfdagen- en de zesdagenweekregeling arbeidt, de dag in de week van de vijfdaagse arbeidsregeling waarop er normaal zou zijn gearbeid indien die dag in een week van zesdaagse arbeidsregeling was gevallen;
10° de dagen inhaalrust;
(11° de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 203, vierde lid, 14;) <KB 2004-04-25/61, art. 2, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 12° De perioden waarin de werkneemster één of meerdere activiteiten tijdens een periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet heeft uitgeoefend of één of meerdere activiteiten tijdens haar arbeidsongeschiktheid onder de voorwaarden bedoeld in artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet heeft hervat;]1
[3 13° de dagen van arbeidsongeschiktheid zoals omschreven in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet;
14° de periode van volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming.]3
1° [2 de perioden wettelijke vakantie, waaronder begrepen de periode gedekt door de uitgestelde bezoldiging verleend aan de tijdelijke of interim leerkrachten na het einde van de arbeidsovereenkomst of van de tijdelijke aanwijzing, de perioden vakantie krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst, de perioden bijkomende vakantie en de perioden aanvullende vakantie;]2
2° de periode functie van rechter in sociale zaken;
3° de dagen kort verzuim;
4° de dagen dwingende redenen met behoud van loon en de dagen verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon;
5° de dagen afwezigheid met gewaarborgd dagloon;
6° [3 de perioden technische stoornis in de onderneming, tijdelijke werkloosheid ingevolge overmacht, tijdelijke werkloosheid ingevolge technische stoornis, tijdelijke werkloosheid ingevolge slecht weer, tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen, evenals de perioden van schorsing van de uitvoering van de overeenkomst en van gedeeltelijke arbeid bedoeld in de artikelen 77/1 tot 77/8 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;]3
7° de periode sluiting van de onderneming ter bescherming van het leefmilieu;
8° de feestdagen tijdens de arbeidsovereenkomst, de vervangingsdagen van een feestdag en de feestdagen of vervangingsdagen tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid;
9° voor de gerechtigde die afwisselend volgens de vijfdagen- en de zesdagenweekregeling arbeidt, de dag in de week van de vijfdaagse arbeidsregeling waarop er normaal zou zijn gearbeid indien die dag in een week van zesdaagse arbeidsregeling was gevallen;
10° de dagen inhaalrust;
(11° de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 203, vierde lid, 14;) <KB 2004-04-25/61, art. 2, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
[1 12° De perioden waarin de werkneemster één of meerdere activiteiten tijdens een periode van moederschapsbescherming bedoeld in artikel 114bis van de gecoördineerde wet heeft uitgeoefend of één of meerdere activiteiten tijdens haar arbeidsongeschiktheid onder de voorwaarden bedoeld in artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet heeft hervat;]1
[3 13° de dagen van arbeidsongeschiktheid zoals omschreven in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet;
14° de periode van volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming.]3
Art. 220. <AR 2001-06-10/60, art. 40, 063; En vigueur : 01-01-2003> Pour la prolongation du repos postnatal en application de l'article 114, alinéa 2, de la loi coordonnée, sont assimilés à une période au cours de laquelle la titulaire a continué à travailler :
1° [2 les périodes de vacances légales, en ce compris la période couverte par le traitement différé accordé aux enseignantes temporaires ou intérimaires après la fin du contrat de travail ou de la désignation à titre temporaire, les périodes de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, les périodes de vacances complémentaires et les périodes de vacances supplémentaires;]2
2° la période pendant laquelle est exercée la fonction de juge social;
3° les jours de petits chômages;
4° les jours pour raisons impérieuses avec maintien de la rémunération et les jours de congé pour raisons impérieuses sans maintien de la rémunération;
5° les jours d'absence avec rémunération journalière garantie;
6° [3 les périodes d'accident technique se produisant dans l'entreprise, de chômage temporaire par suite de force majeure, de chômage temporaire par suite d'un accident technique, de chômage temporaire par suite d'intempéries et de chômage temporaire par suite de manque de travail résultant de causes économiques, ainsi que les périodes de suspension totale de l'exécution du contrat et de régime de travail à temps réduit visées aux articles 77/1 à 77/8 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]3
7° la période de fermeture de l'entreprise à titre de protection de l'environnement;
8° les jours fériés pendant le contrat de travail, les jours de remplacement d'un jour férié et les jours fériés ou jours de remplacement durant une période de chômage temporaire;
9° pour la titulaire qui travaille alternativement en régime de cinq et de six jours, le jour de la semaine du régime de cinq jours qui aurait normalement été travaillé s'il s'était agi d'une semaine du régime de six jours;
10° les jours de repos compensatoire;
(11° les jours de vacances et les jours fériés légaux des gardiens et gardiennes d'enfants sans accueil d'enfants, visés à l'article 203, alinéa 4, 14;) <AR 2004-04-25/61, art. 2, 107; En vigueur : 01-04-2003>
[1 12° Les périodes pendant lesquelles la travailleuse a exercé une ou plusieurs activités durant une période de protection de la maternité visée à l'article 114bis de la loi coordonnée ou a repris une ou plusieurs activités durant son incapacité de travail, dans les conditions fixées à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée;]1
[3 13° les jours d'incapacité de travail tels que définis à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée;
14° la période d'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité.]3
1° [2 les périodes de vacances légales, en ce compris la période couverte par le traitement différé accordé aux enseignantes temporaires ou intérimaires après la fin du contrat de travail ou de la désignation à titre temporaire, les périodes de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire, les périodes de vacances complémentaires et les périodes de vacances supplémentaires;]2
2° la période pendant laquelle est exercée la fonction de juge social;
3° les jours de petits chômages;
4° les jours pour raisons impérieuses avec maintien de la rémunération et les jours de congé pour raisons impérieuses sans maintien de la rémunération;
5° les jours d'absence avec rémunération journalière garantie;
6° [3 les périodes d'accident technique se produisant dans l'entreprise, de chômage temporaire par suite de force majeure, de chômage temporaire par suite d'un accident technique, de chômage temporaire par suite d'intempéries et de chômage temporaire par suite de manque de travail résultant de causes économiques, ainsi que les périodes de suspension totale de l'exécution du contrat et de régime de travail à temps réduit visées aux articles 77/1 à 77/8 de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;]3
7° la période de fermeture de l'entreprise à titre de protection de l'environnement;
8° les jours fériés pendant le contrat de travail, les jours de remplacement d'un jour férié et les jours fériés ou jours de remplacement durant une période de chômage temporaire;
9° pour la titulaire qui travaille alternativement en régime de cinq et de six jours, le jour de la semaine du régime de cinq jours qui aurait normalement été travaillé s'il s'était agi d'une semaine du régime de six jours;
10° les jours de repos compensatoire;
(11° les jours de vacances et les jours fériés légaux des gardiens et gardiennes d'enfants sans accueil d'enfants, visés à l'article 203, alinéa 4, 14;) <AR 2004-04-25/61, art. 2, 107; En vigueur : 01-04-2003>
[1 12° Les périodes pendant lesquelles la travailleuse a exercé une ou plusieurs activités durant une période de protection de la maternité visée à l'article 114bis de la loi coordonnée ou a repris une ou plusieurs activités durant son incapacité de travail, dans les conditions fixées à l'article 100, § 2 de la loi coordonnée;]1
[3 13° les jours d'incapacité de travail tels que définis à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée;
14° la période d'éloignement complet du travail en tant que mesure de protection de la maternité.]3
Afdeling IX. - [1 Omgezet moederschapsverlof in geval van overlijden of hospitalisatie van de moeder]1
Art.221.[1 § 1er. En cas de décès de la mère, le titulaire peut, conformément à l'article 114, alinéa 7, de la loi coordonnée, bénéficier d'un congé de maternité converti, dont la durée ne peut excéder la partie du repos postnatal visé à l'article 114, alinéas 2 à 5 inclus, de la loi coordonnée, non épuisée par la mère au moment de son décès.
Art.221. [1 § 1. In geval van overlijden van de moeder, kan de gerechtigde, overeenkomstig artikel 114, zevende lid, van de gecoördineerde wet, aanspraak maken op omgezet moederschapsverlof, waarvan de duur het deel van de nabevallingsrust bedoeld in artikel 114, tweede tot en met vijfde lid, van de gecoördineerde wet, nog niet opgenomen door de moeder bij haar overlijden, niet mag overschrijden.
§ 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinstelling, die vermeldt dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft, gevoegd worden.
§ 3. De gerechtigde heeft aanspraak op een uitkering over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak, die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld. Het bedrag van deze uitkering wordt bepaald op basis van het loon van de voornoemde gerechtigde, overeenkomstig de bepalingen van artikel 113 van de gecoördineerde wet en van de artikelen 216 tot 219, in functie van de hoedanigheid van voornoemde gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet en rekening houdend met de reeds verstreken duur van de moederschapsrust.]1Art.222.[1 § 1. In geval van opname van de moeder in een ziekenhuis kan de gerechtigde overeenkomstig artikel 114, zevende lid van de gecoördineerde wet, aanspraak maken op omgezet moederschapsverlof dat ten vroegste een aanvang neemt vanaf de achtste dag te rekenen vanaf de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven dagen bedraagt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
Het omgezet moederschapsverlof verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met de moederschapsrust die door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
§ 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinrichting gevoegd worden die de datum vermeldt waarop de opname van de moeder in het ziekenhuis is aangevangen, en die bevestigt dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer bedraagt dan zeven dagen en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
§ 3. De gerechtigde heeft over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld, aanspraak op een uitkering waarvan de hoegrootheid wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
Voor de gerechtigde in gecontroleerde volledige werkloosheid, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, evenals voor de gerechtigde die voornoemde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, is het bedrag van de uitkering gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden. [2 In dit verband wordt echter steeds rekening gehouden met de toepasselijke fase van de vergoedingsperiode waarin hij zich zou hebben bevonden in het kader van de werkloosheidsreglementering op de eerste dag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1.]2
Voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde mag het bedrag van de uitkering niet lager zijn dan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden.
§ 4. De moeder van het kind behoudt gedurende het omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 een uitkering die berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 216 tot 219.]1
§ 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinstelling, die vermeldt dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft, gevoegd worden.
§ 3. De gerechtigde heeft aanspraak op een uitkering over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak, die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld. Het bedrag van deze uitkering wordt bepaald op basis van het loon van de voornoemde gerechtigde, overeenkomstig de bepalingen van artikel 113 van de gecoördineerde wet en van de artikelen 216 tot 219, in functie van de hoedanigheid van voornoemde gerechtigde in de zin van artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet en rekening houdend met de reeds verstreken duur van de moederschapsrust.]1Art.222.[1 § 1. In geval van opname van de moeder in een ziekenhuis kan de gerechtigde overeenkomstig artikel 114, zevende lid van de gecoördineerde wet, aanspraak maken op omgezet moederschapsverlof dat ten vroegste een aanvang neemt vanaf de achtste dag te rekenen vanaf de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven dagen bedraagt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
Het omgezet moederschapsverlof verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met de moederschapsrust die door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
§ 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinrichting gevoegd worden die de datum vermeldt waarop de opname van de moeder in het ziekenhuis is aangevangen, en die bevestigt dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer bedraagt dan zeven dagen en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
§ 3. De gerechtigde heeft over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld, aanspraak op een uitkering waarvan de hoegrootheid wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
Voor de gerechtigde in gecontroleerde volledige werkloosheid, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, evenals voor de gerechtigde die voornoemde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, is het bedrag van de uitkering gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden. [2 In dit verband wordt echter steeds rekening gehouden met de toepasselijke fase van de vergoedingsperiode waarin hij zich zou hebben bevonden in het kader van de werkloosheidsreglementering op de eerste dag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1.]2
Voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde mag het bedrag van de uitkering niet lager zijn dan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden.
§ 4. De moeder van het kind behoudt gedurende het omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 een uitkering die berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 216 tot 219.]1
Art. 221. [1 § 1er. En cas de décès de la mère, le titulaire peut, conformément à l'article 114, alinéa 7, de la loi coordonnée, bénéficier d'un congé de maternité converti, dont la durée ne peut excéder la partie du repos postnatal visé à l'article 114, alinéas 2 à 5 inclus, de la loi coordonnée, non épuisée par la mère au moment de son décès.
§ 2. Le titulaire qui souhaite bénéficier du congé de maternité converti visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de l'organisme assureur auquel il est affilié. Cette demande doit être accompagnée d'un extrait d'acte de décès de la mère et d'une attestation de l'établissement hospitalier, indiquant que le nouveau-né a quitté l'hôpital.
§ 3. Le titulaire bénéficie d'une indemnité pour chaque jour ouvrable de la période de congé de maternité converti visé au § 1er et pour chaque jour de cette même période assimilé à un jour ouvrable par un règlement du Comité de gestion du Service des indemnités. Le montant de cette indemnité est déterminé sur la base de la rémunération du titulaire précité, conformément aux dispositions de l'article 113 de la loi coordonnée et des articles 216 à 219, en fonction de la qualité du titulaire précité au sens de l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée précitée et compte tenu de la durée déjà écoulée du repos de maternité.]1
§ 2. Le titulaire qui souhaite bénéficier du congé de maternité converti visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de l'organisme assureur auquel il est affilié. Cette demande doit être accompagnée d'un extrait d'acte de décès de la mère et d'une attestation de l'établissement hospitalier, indiquant que le nouveau-né a quitté l'hôpital.
§ 3. Le titulaire bénéficie d'une indemnité pour chaque jour ouvrable de la période de congé de maternité converti visé au § 1er et pour chaque jour de cette même période assimilé à un jour ouvrable par un règlement du Comité de gestion du Service des indemnités. Le montant de cette indemnité est déterminé sur la base de la rémunération du titulaire précité, conformément aux dispositions de l'article 113 de la loi coordonnée et des articles 216 à 219, en fonction de la qualité du titulaire précité au sens de l'article 86, § 1er, de la loi coordonnée précitée et compte tenu de la durée déjà écoulée du repos de maternité.]1
Art. 222. [1 § 1. In geval van opname van de moeder in een ziekenhuis kan de gerechtigde overeenkomstig artikel 114, zevende lid van de gecoördineerde wet, aanspraak maken op omgezet moederschapsverlof dat ten vroegste een aanvang neemt vanaf de achtste dag te rekenen vanaf de geboorte van het kind, op voorwaarde dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer dan zeven dagen bedraagt en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
Het omgezet moederschapsverlof verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met de moederschapsrust die door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
§ 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinrichting gevoegd worden die de datum vermeldt waarop de opname van de moeder in het ziekenhuis is aangevangen, en die bevestigt dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer bedraagt dan zeven dagen en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
§ 3. De gerechtigde heeft over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld, aanspraak op een uitkering waarvan de hoegrootheid wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
Voor de gerechtigde in gecontroleerde volledige werkloosheid, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, evenals voor de gerechtigde die voornoemde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, is het bedrag van de uitkering gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden. [2 In dit verband wordt echter steeds rekening gehouden met de toepasselijke fase van de vergoedingsperiode waarin hij zich zou hebben bevonden in het kader van de werkloosheidsreglementering op de eerste dag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1.]2
Voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde mag het bedrag van de uitkering niet lager zijn dan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden.
§ 4. De moeder van het kind behoudt gedurende het omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 een uitkering die berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 216 tot 219.]1
Het omgezet moederschapsverlof verstrijkt op het moment dat de opname van de moeder in het ziekenhuis een einde neemt en uiterlijk bij het verstrijken van de periode die overeenstemt met de moederschapsrust die door de moeder op het ogenblik van haar opname in het ziekenhuis nog niet was opgenomen.
§ 2. De gerechtigde die aanspraak wenst te maken op omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1, moet een aanvraag hiertoe indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten. Bij deze aanvraag moet een verklaring van de verplegingsinrichting gevoegd worden die de datum vermeldt waarop de opname van de moeder in het ziekenhuis is aangevangen, en die bevestigt dat de opname van de moeder in het ziekenhuis meer bedraagt dan zeven dagen en dat de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
§ 3. De gerechtigde heeft over elke werkdag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 en over iedere dag van datzelfde tijdvak die krachtens een verordening van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen met een werkdag wordt gelijkgesteld, aanspraak op een uitkering waarvan de hoegrootheid wordt vastgesteld op 60 pct. van het gederfde loon bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
Voor de gerechtigde in gecontroleerde volledige werkloosheid, bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, evenals voor de gerechtigde die voornoemde hoedanigheid behoudt krachtens artikel 131 van dezelfde wet, is het bedrag van de uitkering gelijk aan het bedrag van de werkloosheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden. [2 In dit verband wordt echter steeds rekening gehouden met de toepasselijke fase van de vergoedingsperiode waarin hij zich zou hebben bevonden in het kader van de werkloosheidsreglementering op de eerste dag van het tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1.]2
Voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde mag het bedrag van de uitkering niet lager zijn dan het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij aanspraak zou kunnen maken indien hij zich niet in een tijdvak van omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 had bevonden.
§ 4. De moeder van het kind behoudt gedurende het omgezet moederschapsverlof bedoeld in § 1 een uitkering die berekend wordt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 216 tot 219.]1
Art. 222. [1 § 1er. En cas d'hospitalisation de la mère, le titulaire peut, conformément à l'article 114, alinéa 7, de la loi coordonnée, bénéficier d'un congé de maternité converti prenant cours au plus tôt à partir du huitième jour à compter de la naissance de l'enfant, à condition que l'hospitalisation de la mère ait une durée supérieure à sept jours et que le nouveau-né ait quitté l'hôpital.
Le congé de maternité converti expire au moment où l'hospitalisation de la mère prend fin et au plus tard au terme de la période correspondant au repos de maternité non encore épuisé par la mère au moment de son hospitalisation.
§ 2. Le titulaire qui souhaite bénéficier du congé de maternité converti visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de l'organisme assureur auquel il est affilié. Cette demande doit être accompagnée d'une attestation de l'établissement hospitalier indiquant la date à laquelle l'hospitalisation de la mère a pris cours, certifiant que l'hospitalisation de la mère a une durée supérieure à sept jours et que le nouveau-né a quitté l'hôpital.
§ 3. Le titulaire bénéficie, pour chaque jour ouvrable de la période de congé de maternité converti visé au § 1er et pour chaque jour de cette même période assimilé à un jour ouvrable par un règlement du Comité de gestion du Service des indemnités, d'une indemnité dont le taux est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée.
Pour le titulaire en chômage complet contrôlé visé à l'article 86 § 1er, 1°, c), de la loi coordonnée, ainsi que pour le titulaire qui maintient la qualité précitée en vertu de l'article 131 de la même loi, le montant de l'indemnité est égal à celui de l'allocation de chômage à laquelle il aurait pu prétendre, s'il ne s'était pas trouvé dans une période de congé de maternité converti visé au § 1er. [2 A cet effet, il est toutefois toujours tenu compte de la phase applicable de la période d'indemnisation dans laquelle il se serait trouvé, dans le cadre de la règlementation chômage, le premier jour de la période de congé de maternité converti visé au § 1er.]2
Pour le titulaire reconnu incapable de travailler, le montant de l'indemnité ne peut être inférieur au montant de l'indemnité d'incapacité de travail à laquelle il aurait pu prétendre s'il ne s'était pas trouvé dans une période de congé de maternité converti visé au § 1er.
§ 4. La mère de l'enfant conserve, pendant la durée du congé de maternité converti visé au § 1er, une indemnité calculée conformément aux dispositions des articles 216 à 219.]1
Le congé de maternité converti expire au moment où l'hospitalisation de la mère prend fin et au plus tard au terme de la période correspondant au repos de maternité non encore épuisé par la mère au moment de son hospitalisation.
§ 2. Le titulaire qui souhaite bénéficier du congé de maternité converti visé au § 1er, est tenu d'introduire une demande à cet effet, auprès de l'organisme assureur auquel il est affilié. Cette demande doit être accompagnée d'une attestation de l'établissement hospitalier indiquant la date à laquelle l'hospitalisation de la mère a pris cours, certifiant que l'hospitalisation de la mère a une durée supérieure à sept jours et que le nouveau-né a quitté l'hôpital.
§ 3. Le titulaire bénéficie, pour chaque jour ouvrable de la période de congé de maternité converti visé au § 1er et pour chaque jour de cette même période assimilé à un jour ouvrable par un règlement du Comité de gestion du Service des indemnités, d'une indemnité dont le taux est fixé à 60 p.c. de la rémunération perdue visée à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée.
Pour le titulaire en chômage complet contrôlé visé à l'article 86 § 1er, 1°, c), de la loi coordonnée, ainsi que pour le titulaire qui maintient la qualité précitée en vertu de l'article 131 de la même loi, le montant de l'indemnité est égal à celui de l'allocation de chômage à laquelle il aurait pu prétendre, s'il ne s'était pas trouvé dans une période de congé de maternité converti visé au § 1er. [2 A cet effet, il est toutefois toujours tenu compte de la phase applicable de la période d'indemnisation dans laquelle il se serait trouvé, dans le cadre de la règlementation chômage, le premier jour de la période de congé de maternité converti visé au § 1er.]2
Pour le titulaire reconnu incapable de travailler, le montant de l'indemnité ne peut être inférieur au montant de l'indemnité d'incapacité de travail à laquelle il aurait pu prétendre s'il ne s'était pas trouvé dans une période de congé de maternité converti visé au § 1er.
§ 4. La mère de l'enfant conserve, pendant la durée du congé de maternité converti visé au § 1er, une indemnité calculée conformément aux dispositions des articles 216 à 219.]1
Art. 223. [1 De verzekeringsinstelling die belast is met de uitbetaling aan de gerechtigde van de uitkering, bedoeld in artikel 113 van de gecoördineerde wet, in geval van toepassing van artikel 114, zevende lid, van de gecoördineerde wet, is de verzekeringsinstelling waarbij deze gerechtigde is aangesloten.
Deze instelling vraagt bij de verzekeringsinstelling van aansluiting van de moeder alle gegevens op die moeten toelaten het overblijvende gedeelte van het tijdvak van nabevallingsrust te bepalen, te rekenen vanaf het overlijden of de opname van de moeder in het ziekenhuis.]1
Deze instelling vraagt bij de verzekeringsinstelling van aansluiting van de moeder alle gegevens op die moeten toelaten het overblijvende gedeelte van het tijdvak van nabevallingsrust te bepalen, te rekenen vanaf het overlijden of de opname van de moeder in het ziekenhuis.]1
Modifications
Art. 223bis. § 1er. Le travailleur visé à l'article 86, § 1er, 1° a) , de la loi coordonnée, à l'exclusion du travailleur qui bénéficie d'une indemnité pour rupture du contrat de travail visée audit article, a droit à une indemnité pendant les sept derniers jours de congé de paternité [1 ou de naissance ]1 [2 ...]2 [1 ...]1.
[2 Le droit à une indemnité durant les sept derniers jours du congé visé à l'alinéa 1er, est relevé comme suit :
1° jusqu'au douze derniers jours si la naissance a lieu au plus tôt le 1er janvier 2021;
2° jusqu'au dix-sept derniers jours si la naissance a lieu au plus tôt le 1er janvier 2023.]2
L'indemnité visée [2 aux alinéas 1er et 2]2 est allouée pour les jours de congé de paternité [1 ou de naissance]1 coïncidant avec des jours au cours desquels le travailleur aurait normalement travaillé, selon son régime de travail. Le taux de l'indemnité est fixé à 82 % de la rémunération perdue (déterminée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 juin 2001 établissant la notion uniforme de "rémunération journalière moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et harmonisant certaines dispositions légales, et sur base des modalités fixées par le règlement visé à l'[2 article 80, § 1er, 5°]2, de la loi coordonnée). Le montant maximum à concurrence duquel cette rémunération est prise en considération est le montant fixe en vertu de l'article 87, alinéa premier, de la loi coordonnée. <AR 2003-03-12/42, art. 22, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. L'indemnité pour le congé de paternité [1 ou de naissance]1 est allouée dans les mêmes conditions que celles fixées pour l'octroi de l'indemnité de maternité.
§ 3. (abrogé) <AR 2003-03-12/42, art. 22, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. Les jours couverts par une indemnité allouée durant le congé de paternité [1 ou de naissance]1 sont assimilés à des jours de travail, pour l'application des dispositions du présent arrêté.
[2 Le droit à une indemnité durant les sept derniers jours du congé visé à l'alinéa 1er, est relevé comme suit :
1° jusqu'au douze derniers jours si la naissance a lieu au plus tôt le 1er janvier 2021;
2° jusqu'au dix-sept derniers jours si la naissance a lieu au plus tôt le 1er janvier 2023.]2
L'indemnité visée [2 aux alinéas 1er et 2]2 est allouée pour les jours de congé de paternité [1 ou de naissance]1 coïncidant avec des jours au cours desquels le travailleur aurait normalement travaillé, selon son régime de travail. Le taux de l'indemnité est fixé à 82 % de la rémunération perdue (déterminée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 juin 2001 établissant la notion uniforme de "rémunération journalière moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et harmonisant certaines dispositions légales, et sur base des modalités fixées par le règlement visé à l'[2 article 80, § 1er, 5°]2, de la loi coordonnée). Le montant maximum à concurrence duquel cette rémunération est prise en considération est le montant fixe en vertu de l'article 87, alinéa premier, de la loi coordonnée. <AR 2003-03-12/42, art. 22, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. L'indemnité pour le congé de paternité [1 ou de naissance]1 est allouée dans les mêmes conditions que celles fixées pour l'octroi de l'indemnité de maternité.
§ 3. (abrogé) <AR 2003-03-12/42, art. 22, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. Les jours couverts par une indemnité allouée durant le congé de paternité [1 ou de naissance]1 sont assimilés à des jours de travail, pour l'application des dispositions du présent arrêté.
Art. 223bis. § 1. De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1° a) , van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst, als bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering gedurende de laatste zeven dagen van het vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1 [2 ...]2 [1 ...]1.
Section IXbis- Du congé de paternité [1 ou de naissance]1.
Art. 223bis. <INGEVOEGD bij KB 2002-06-11/34, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2002> § 1. De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1° a) , van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst, als bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering gedurende de laatste zeven dagen van het vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1 [2 ...]2 [1 ...]1.
[2 Het recht op een uitkering gedurende de laatste zeven dagen van het verlof bedoeld in het eerste lid, wordt als volgt opgetrokken:
1° tot de laatste twaalf dagen als de geboorte ten vroegste vanaf 1 januari 2021 plaatsvindt;
2° tot de laatste zeventien dagen als de geboorte ten vroegste vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt.]2
De [2 in het eerste en tweede lid]2 bedoelde uitkering wordt toegekend voor de dagen van vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1 die samenvallen met dagen tijdens dewelke de werknemer normaal gewerkt zou hebben, volgens zijn arbeidsregeling. Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, (bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door het reglement bedoeld in [2 artikel 80, § 1, 5°]2, van de gecoördineerde wet). Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet. <KB 2003-03-12/42, art. 22, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. De uitkering voor vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1 wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze, vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
§ 3. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 22, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.
[2 Het recht op een uitkering gedurende de laatste zeven dagen van het verlof bedoeld in het eerste lid, wordt als volgt opgetrokken:
1° tot de laatste twaalf dagen als de geboorte ten vroegste vanaf 1 januari 2021 plaatsvindt;
2° tot de laatste zeventien dagen als de geboorte ten vroegste vanaf 1 januari 2023 plaatsvindt.]2
De [2 in het eerste en tweede lid]2 bedoelde uitkering wordt toegekend voor de dagen van vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1 die samenvallen met dagen tijdens dewelke de werknemer normaal gewerkt zou hebben, volgens zijn arbeidsregeling. Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, (bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door het reglement bedoeld in [2 artikel 80, § 1, 5°]2, van de gecoördineerde wet). Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet. <KB 2003-03-12/42, art. 22, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 2. De uitkering voor vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1 wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze, vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
§ 3. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 22, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het vaderschapsverlof [1 of geboorteverlof]1, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.
Art. 223bis. § 1er. Le travailleur visé à l'article 86, § 1er, 1° a) , de la loi coordonnée, à l'exclusion du travailleur qui bénéficie d'une indemnité pour rupture du contrat de travail visée audit article, a droit à une indemnité pendant les sept derniers jours de congé de paternité [1 ou de naissance ]1 [2 ...]2 [1 ...]1.
[2 Le droit à une indemnité durant les sept derniers jours du congé visé à l'alinéa 1er, est relevé comme suit :
1° jusqu'au douze derniers jours si la naissance a lieu au plus tôt le 1er janvier 2021;
2° jusqu'au dix-sept derniers jours si la naissance a lieu au plus tôt le 1er janvier 2023.]2
L'indemnité visée [2 aux alinéas 1er et 2]2 est allouée pour les jours de congé de paternité [1 ou de naissance]1 coïncidant avec des jours au cours desquels le travailleur aurait normalement travaillé, selon son régime de travail. Le taux de l'indemnité est fixé à 82 % de la rémunération perdue (déterminée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 juin 2001 établissant la notion uniforme de "rémunération journalière moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et harmonisant certaines dispositions légales, et sur base des modalités fixées par le règlement visé à l'[2 article 80, § 1er, 5°]2, de la loi coordonnée). Le montant maximum à concurrence duquel cette rémunération est prise en considération est le montant fixe en vertu de l'article 87, alinéa premier, de la loi coordonnée. <AR 2003-03-12/42, art. 22, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. L'indemnité pour le congé de paternité [1 ou de naissance]1 est allouée dans les mêmes conditions que celles fixées pour l'octroi de l'indemnité de maternité.
§ 3. (abrogé) <AR 2003-03-12/42, art. 22, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. Les jours couverts par une indemnité allouée durant le congé de paternité [1 ou de naissance]1 sont assimilés à des jours de travail, pour l'application des dispositions du présent arrêté.
[2 Le droit à une indemnité durant les sept derniers jours du congé visé à l'alinéa 1er, est relevé comme suit :
1° jusqu'au douze derniers jours si la naissance a lieu au plus tôt le 1er janvier 2021;
2° jusqu'au dix-sept derniers jours si la naissance a lieu au plus tôt le 1er janvier 2023.]2
L'indemnité visée [2 aux alinéas 1er et 2]2 est allouée pour les jours de congé de paternité [1 ou de naissance]1 coïncidant avec des jours au cours desquels le travailleur aurait normalement travaillé, selon son régime de travail. Le taux de l'indemnité est fixé à 82 % de la rémunération perdue (déterminée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 juin 2001 établissant la notion uniforme de "rémunération journalière moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et harmonisant certaines dispositions légales, et sur base des modalités fixées par le règlement visé à l'[2 article 80, § 1er, 5°]2, de la loi coordonnée). Le montant maximum à concurrence duquel cette rémunération est prise en considération est le montant fixe en vertu de l'article 87, alinéa premier, de la loi coordonnée. <AR 2003-03-12/42, art. 22, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 2. L'indemnité pour le congé de paternité [1 ou de naissance]1 est allouée dans les mêmes conditions que celles fixées pour l'octroi de l'indemnité de maternité.
§ 3. (abrogé) <AR 2003-03-12/42, art. 22, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. Les jours couverts par une indemnité allouée durant le congé de paternité [1 ou de naissance]1 sont assimilés à des jours de travail, pour l'application des dispositions du présent arrêté.
Art. 223ter. § 1. (De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking vande arbeidsovereenkomst, bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering voor de werkdagen van het adoptieverlof, bedoeld in artikel 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [1 ...]1.)
Section IXquater. - Pauses d'allaitement.
Art. 223ter. <INGEVOEGD bij KB 2002-06-11/34, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2002 > § 1. (De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking vande arbeidsovereenkomst, bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering voor de werkdagen van het adoptieverlof, bedoeld in artikel 30ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten [1 ...]1.) <KB 2005-11-25/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
(...). Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, (bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door het reglement bedoeld in [1 artikel 80, § 1, 5°]1, van de gecoördineerde wet). Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet. <KB 2003-03-12/42, art. 23, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2005-11-25/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
§ 2. De uitkering voor adoptieverlof wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze, vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
§ 3. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 23, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het adoptieverlof, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.
(...). Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, (bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door het reglement bedoeld in [1 artikel 80, § 1, 5°]1, van de gecoördineerde wet). Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid van de gecoördineerde wet. <KB 2003-03-12/42, art. 23, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2005-11-25/37, art. 1, 002; Inwerkingtreding : 25-07-2004>
§ 2. De uitkering voor adoptieverlof wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze, vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
§ 3. (opgeheven) <KB 2003-03-12/42, art. 23, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 4. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het adoptieverlof, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.
Modifications
Art. 223ter. § 1er. (Le travailleur visé à l'article 86, § 1er, 1°, a), de la loi coordonnée, à l'exclusion du travailleur qui bénéficie d'une indemnité pour rupture du contrat de travail visée audit article, a droit à une indemnité pour les jours ouvrables du congé d'adoption vise à l'article 30ter de la loi du 3 juillet 1978 relative au contrats de travail[1 ...]1.) <AR 2005-11-25/37, art. 1, 002; En vigueur : 25-07-2004>
(...). Le taux de l'indemnité est fixé à 82 % de la rémunération perdue (déterminée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 juin 2001 établissant la notion uniforme de "rémunération journalière moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et harmonisant certaines dispositions légales, et sur base des modalités fixées par le règlement visé à [1 l'article 80, § 1er, 5°]1, de la loi coordonnée). Le montant maximum à concurrence duquel cette rémunération est prise en considération est le montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa premier, de la loi coordonnée). <AR 2003-03-12/42, art. 23, 090; En vigueur : 01-01-2003> <AR 2005-11-25/37, art. 1, 002; En vigueur : 25-07-2004>
§ 2. L'indemnité pour le congé d'adoption est allouée dans les mêmes conditions que celles fixées pour l'octroi de l'indemnité de maternité.
§ 3. (abrogé) <AR 2003-03-12/42, art. 23, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. Les jours couverts par une indemnité allouée durant le congé d'adoption sont assimilés à des jours de travail, pour l'application des dispositions du présent arrêté
(...). Le taux de l'indemnité est fixé à 82 % de la rémunération perdue (déterminée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 juin 2001 établissant la notion uniforme de "rémunération journalière moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et harmonisant certaines dispositions légales, et sur base des modalités fixées par le règlement visé à [1 l'article 80, § 1er, 5°]1, de la loi coordonnée). Le montant maximum à concurrence duquel cette rémunération est prise en considération est le montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa premier, de la loi coordonnée). <AR 2003-03-12/42, art. 23, 090; En vigueur : 01-01-2003> <AR 2005-11-25/37, art. 1, 002; En vigueur : 25-07-2004>
§ 2. L'indemnité pour le congé d'adoption est allouée dans les mêmes conditions que celles fixées pour l'octroi de l'indemnité de maternité.
§ 3. (abrogé) <AR 2003-03-12/42, art. 23, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 4. Les jours couverts par une indemnité allouée durant le congé d'adoption sont assimilés à des jours de travail, pour l'application des dispositions du présent arrêté
Modifications
Art. 223quater. De werkneemster bedoeld in [1 artikel 116/5]1 van de gecoördineerde wet heeft recht op een uitkering voor borstvoedingspauze, gelijk aan 82 pct. van het brutobedrag van het gederfde loon dat verschuldigd zou zijn geweest voor de uren of halve uren van borstvoedingspauze, zonder dat de beperking van het loon, bepaald in artikel 87, eerste lid, van dezelfde wet, toegepast moet worden.
Section IXquinquies. [1 - Du congé parental d'accueil.]1
Art. 223quater. <INGEVOEGD bij KB 2002-11-05/44, art. 1; Inwerkingtreding : 01-07-2002> De werkneemster bedoeld in [1 artikel 116/5]1 van de gecoördineerde wet heeft recht op een uitkering voor borstvoedingspauze, gelijk aan 82 pct. van het brutobedrag van het gederfde loon dat verschuldigd zou zijn geweest voor de uren of halve uren van borstvoedingspauze, zonder dat de beperking van het loon, bepaald in artikel 87, eerste lid, van dezelfde wet, toegepast moet worden.
Modifications
Art. 223quinquies. [1 § 1er. Le travailleur visé à l'article 86, § 1er, 1°, a), de la loi coordonnée, à l'exclusion du travailleur qui bénéficie d'une indemnité pour rupture du contrat de travail visée audit article, a droit à une indemnité pour les jours ouvrables du congé parental d'accueil visé à l'article 30sexies de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Le taux de l'indemnité est fixé à 82 % de la rémunération perdue déterminée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 juin 2001 établissant la notion uniforme de "rémunération journalière moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et harmonisant certaines dispositions légales, et sur base des modalités fixées par le règlement visé à l'article 80, § 1er, 5°, de la loi coordonnée. Le montant maximum à concurrence duquel cette rémunération est prise en considération est le montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa premier, de la loi coordonnée.
§ 2. L'indemnité pour le congé parental d'accueil est allouée dans les mêmes conditions que celles fixées pour l'octroi de l'indemnité de maternité.
§ 3. Les jours couverts par une indemnité allouée durant le congé parental d'accueil sont assimilés à des jours de travail pour l'application des dispositions du présent arrêté.]1
Le taux de l'indemnité est fixé à 82 % de la rémunération perdue déterminée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 10 juin 2001 établissant la notion uniforme de "rémunération journalière moyenne" en application de l'article 39 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et harmonisant certaines dispositions légales, et sur base des modalités fixées par le règlement visé à l'article 80, § 1er, 5°, de la loi coordonnée. Le montant maximum à concurrence duquel cette rémunération est prise en considération est le montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa premier, de la loi coordonnée.
§ 2. L'indemnité pour le congé parental d'accueil est allouée dans les mêmes conditions que celles fixées pour l'octroi de l'indemnité de maternité.
§ 3. Les jours couverts par une indemnité allouée durant le congé parental d'accueil sont assimilés à des jours de travail pour l'application des dispositions du présent arrêté.]1
Modifications
Art. 223quinquies. [1 § 1. De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering voor de werkdagen van het pleegouderverlof bedoeld in artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Section IXquinquies. [1 - Du congé parental d'accueil.]1
Art. 223quinquies. [1 § 1. De werknemer, als bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, met uitzondering van de werknemer die een vergoeding geniet wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst bedoeld in voormeld artikel, heeft recht op een uitkering voor de werkdagen van het pleegouderverlof bedoeld in artikel 30sexies van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door de verordening bedoeld in artikel 80, § 1, 5°, van de gecoördineerde wet. Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
§ 2. De uitkering voor pleegouderverlof wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
§ 3. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het pleegouderverlof, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.]1
Het uitkeringspercentage wordt vastgesteld op 82 % van het gederfde loon, bepaald overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 juni 2001 waarin, met toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht, en op basis van de modaliteiten vastgelegd door de verordening bedoeld in artikel 80, § 1, 5°, van de gecoördineerde wet. Het maximumbedrag ten belope waarvan dit loon in aanmerking wordt genomen, is het bedrag vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
§ 2. De uitkering voor pleegouderverlof wordt toegekend onder dezelfde voorwaarden als deze vastgesteld voor de toekenning van de moederschapsuitkering.
§ 3. De dagen gedekt door een uitkering toegekend tijdens het pleegouderverlof, worden gelijkgesteld met arbeidsdagen voor de toepassing van de bepalingen van dit besluit.]1
Art.224. § 1er. Pour être considéré comme travailleur régulier au sens de l'article 93 de la loi coordonnée, le travailleur visé à l'article 86, § 1er, 1° ou 2°, de la loi coordonnée doit réunir simultanément les conditions ci-dessous:
1° avoir la qualité de titulaire des indemnités depuis six mois au moins au début de l'incapacité de travail (...). <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
(Le titulaire doit en outre totaliser cent vingt jours de travail ou assimilés en application de l'article 203, alinéa 4). Toutefois, les jours énumérés à l'article 203, alinéa 4, 4 ne peuvent être pris en considération pour l'application de la présente disposition. <AR 2001-06-10/60, art. 41, 063; En vigueur : 01-01-2003> <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa qui précède, le travailleur saisonnier, le travailleur intermittent ou le travailleur à temps partiel doit totaliser quatre cents heures de travail (...) ou assimilées en application de l'article 203, alinéa 4, Toutefois, les heures assimilées en application de l'article 203, alinéa 4, 4, ne peuvent être prises en considération pour l'application de la présente disposition; <AR 2001-06-10/60, art. 41, 063; En vigueur : 01-01-2003>
2° totaliser, au cours de la période prenant cours à la date à laquelle il est devenu titulaire et expirant la vieille du début de son incapacité de travail, un nombre de jours de travail ou assimilés correspondant au moins aux trois quarts des jours ouvrables de la période envisagée. Par jours assimilés aux jours de travail, on entend les jours visés aux articles 86, § 1er, 1°, b), 100, 114, (114bis) et 128 de la loi coordonnée. <AR 1997-04-13/51, art. 10, 007; En vigueur : 06-10-1996>
Par jours ouvrables, on entend tous les jours de l'année sauf les dimanches. toutefois, si le travailleur a la qualité de titulaire des indemnités depuis le premier janvier de l'année civile qui précède celle au cours de laquelle a débuté l'incapacité de travail, la période de référence est limitée à cette année civile.
Par année civile au sens de la présente disposition, il y a lieu d'entendre l'année de référence telle qu'elle est définie à l'article 277.
Si le travailleur perd la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, 1° ou 2°, de la loi coordonnée pendant une période inférieure à trois mois, cette période n'interrompt pas le cours de la période de référence.
(Pour l'application de la présente disposition, il est tenu compte du nombre de jours de travail et assimilés, tel que déterminé conformément aux dispositions de l'article 203, alinéa 6.) <AR 2001-06-10/60, art. 41, 063; En vigueur : 01-01-2003>
Par dérogation aux dispositions visées à l'alinéa premier du 2°, le travailleur saisonnier, le travailleur intermittent ou le travailleur à temps partiel doit totaliser au cours de la période de référence définie ci-dessus, un nombre d'heures de travail ou assimilées équivalant à au moins 28 heures de travail par semaine ou à défaut, un nombre d'heures de travail au moins égal aux trois quarts du nombre d'heures de travail accomplies par (la personne de référence). Pour lesdits travailleurs, les périodes d'inactivité visées à l'alinéa premier du 2°, pour autant qu'elles coïncident avec des périodes pendant lesquelles les travailleurs concernés auraient normalement travaillé, sont prises en compte à concurrence du nombre d'heures de travail qu'ils auraient accomplies au cours de ces périodes; <AR 2001-06-10/60, art. 41, 063; En vigueur : 01-01-2003>
3° (...) <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
4° (les titulaires) doivent justifier, pour l'ensemble des jours ouvrables de la période de référence visée au 2°, d'une rémunération journalière moyenne au moins égale à (21,42 EUR), s'ils sont âgés de 21 ans ou plus, (16,06 EUR), s'ils sont âgés de 18 à 20 ans, et (10,71 EUR), s'ils sont âgés de moins de 18 ans. A cet effet, les jours assimilés à des jours de travail sont affectes d'un salaire fictif égal à la rémunération perdue telle qu'elle est définie à l'article 87 de la loi coordonnée, ayant servi de base au calcul de l'indemnité. <AR 2001-06-14/37, art. 9, 061; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
Les travailleurs dont les cotisations sont, en vertu de la législation sur la sécurité sociale, calculées sur la base de salaires forfaitaires, sont considérés comme ayant satisfait à la condition relative à la rémunération journalière fixée à l'alinéa 1er.
Pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel, les heures assimilées à des heures de travail sont affectées d'un salaire fictif, déterminé également sur bas de la rémunération perdue prise en considération pour le calcul de l'indemnité.
§ 2. ( (La période d'accomplissement des obligations de milice), les périodes d'assurance continuée visées à l'article 247, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié d'une allocation pour interruption complète de sa carrière professionnelle, ainsi que les périodes durant lesquelles le titulaire a interrompu le travail pour se consacrer à l'éducation de son enfant dans les conditions visées à l'article 205, § 5 [1 ou 205/1, § 2]1, sont immunisées pour l'application des dispositions du § 1er. <AR 2003-03-12/42, art. 24, 090; En vigueur : 01-01-2003>
La période pendant laquelle le travailleur bénéficie d'une allocation pour interruption partielle de sa carrière, est immunisée pour l'application des dispositions du § 1er, à l'expiration de la période pour laquelle le titulaire reçoit ladite allocation.
L'alinéa précédent n'est toutefois applicable que si la réduction convenue des prestations ne dépasse pas la période pour laquelle le titulaire bénéficie de ladite allocation.) <AR 2002-07-10/35, art. 1, 080; En vigueur : 09-08-2002>
§ 3. Les montants de la rémunération journalière moyenne visés au § 1er, sont, dans le courant du mois de décembre de chaque année, réévalués d'un pourcentage égal au rapport entre le montant minimum de (l'indemnité) prévu pour le travailleur régulier ayant personne à charge, au 1er janvier de l'année en cours et celui du 1er janvier de l'année précédente <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
Les montants ainsi réévalués sont, pour l'application du § 1er, pris en considération à partir du 1er janvier qui suit cette réévaluation.
Toutefois, en cas d'application du § 2, les montants de la rémunération journalière moyenne visés au § 1er, que justifient les jours ouvrables de la période de référence qui précède une période immunisée d'une durée égale ou supérieure à six mois, sont ceux qui ont été fixés conformément au présent paragraphe pour l'année qui suit celle au cours de laquelle a débuté la période immunisée.
(§ 4. Le titulaire qui réunissait les conditions pour l'octroi de la qualité de travailleur régulier, conserve ladite qualité lorsqu'il redevient incapable de travailler dans les douze mois qui suivent la fin de la période d'incapacité de travail pour laquelle la qualité de travailleur régulier lui avait été accordée.) <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
1° avoir la qualité de titulaire des indemnités depuis six mois au moins au début de l'incapacité de travail (...). <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
(Le titulaire doit en outre totaliser cent vingt jours de travail ou assimilés en application de l'article 203, alinéa 4). Toutefois, les jours énumérés à l'article 203, alinéa 4, 4 ne peuvent être pris en considération pour l'application de la présente disposition. <AR 2001-06-10/60, art. 41, 063; En vigueur : 01-01-2003> <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa qui précède, le travailleur saisonnier, le travailleur intermittent ou le travailleur à temps partiel doit totaliser quatre cents heures de travail (...) ou assimilées en application de l'article 203, alinéa 4, Toutefois, les heures assimilées en application de l'article 203, alinéa 4, 4, ne peuvent être prises en considération pour l'application de la présente disposition; <AR 2001-06-10/60, art. 41, 063; En vigueur : 01-01-2003>
2° totaliser, au cours de la période prenant cours à la date à laquelle il est devenu titulaire et expirant la vieille du début de son incapacité de travail, un nombre de jours de travail ou assimilés correspondant au moins aux trois quarts des jours ouvrables de la période envisagée. Par jours assimilés aux jours de travail, on entend les jours visés aux articles 86, § 1er, 1°, b), 100, 114, (114bis) et 128 de la loi coordonnée. <AR 1997-04-13/51, art. 10, 007; En vigueur : 06-10-1996>
Par jours ouvrables, on entend tous les jours de l'année sauf les dimanches. toutefois, si le travailleur a la qualité de titulaire des indemnités depuis le premier janvier de l'année civile qui précède celle au cours de laquelle a débuté l'incapacité de travail, la période de référence est limitée à cette année civile.
Par année civile au sens de la présente disposition, il y a lieu d'entendre l'année de référence telle qu'elle est définie à l'article 277.
Si le travailleur perd la qualité de titulaire visée à l'article 86, § 1er, 1° ou 2°, de la loi coordonnée pendant une période inférieure à trois mois, cette période n'interrompt pas le cours de la période de référence.
(Pour l'application de la présente disposition, il est tenu compte du nombre de jours de travail et assimilés, tel que déterminé conformément aux dispositions de l'article 203, alinéa 6.) <AR 2001-06-10/60, art. 41, 063; En vigueur : 01-01-2003>
Par dérogation aux dispositions visées à l'alinéa premier du 2°, le travailleur saisonnier, le travailleur intermittent ou le travailleur à temps partiel doit totaliser au cours de la période de référence définie ci-dessus, un nombre d'heures de travail ou assimilées équivalant à au moins 28 heures de travail par semaine ou à défaut, un nombre d'heures de travail au moins égal aux trois quarts du nombre d'heures de travail accomplies par (la personne de référence). Pour lesdits travailleurs, les périodes d'inactivité visées à l'alinéa premier du 2°, pour autant qu'elles coïncident avec des périodes pendant lesquelles les travailleurs concernés auraient normalement travaillé, sont prises en compte à concurrence du nombre d'heures de travail qu'ils auraient accomplies au cours de ces périodes; <AR 2001-06-10/60, art. 41, 063; En vigueur : 01-01-2003>
3° (...) <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
4° (les titulaires) doivent justifier, pour l'ensemble des jours ouvrables de la période de référence visée au 2°, d'une rémunération journalière moyenne au moins égale à (21,42 EUR), s'ils sont âgés de 21 ans ou plus, (16,06 EUR), s'ils sont âgés de 18 à 20 ans, et (10,71 EUR), s'ils sont âgés de moins de 18 ans. A cet effet, les jours assimilés à des jours de travail sont affectes d'un salaire fictif égal à la rémunération perdue telle qu'elle est définie à l'article 87 de la loi coordonnée, ayant servi de base au calcul de l'indemnité. <AR 2001-06-14/37, art. 9, 061; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
Les travailleurs dont les cotisations sont, en vertu de la législation sur la sécurité sociale, calculées sur la base de salaires forfaitaires, sont considérés comme ayant satisfait à la condition relative à la rémunération journalière fixée à l'alinéa 1er.
Pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel, les heures assimilées à des heures de travail sont affectées d'un salaire fictif, déterminé également sur bas de la rémunération perdue prise en considération pour le calcul de l'indemnité.
§ 2. ( (La période d'accomplissement des obligations de milice), les périodes d'assurance continuée visées à l'article 247, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié d'une allocation pour interruption complète de sa carrière professionnelle, ainsi que les périodes durant lesquelles le titulaire a interrompu le travail pour se consacrer à l'éducation de son enfant dans les conditions visées à l'article 205, § 5 [1 ou 205/1, § 2]1, sont immunisées pour l'application des dispositions du § 1er. <AR 2003-03-12/42, art. 24, 090; En vigueur : 01-01-2003>
La période pendant laquelle le travailleur bénéficie d'une allocation pour interruption partielle de sa carrière, est immunisée pour l'application des dispositions du § 1er, à l'expiration de la période pour laquelle le titulaire reçoit ladite allocation.
L'alinéa précédent n'est toutefois applicable que si la réduction convenue des prestations ne dépasse pas la période pour laquelle le titulaire bénéficie de ladite allocation.) <AR 2002-07-10/35, art. 1, 080; En vigueur : 09-08-2002>
§ 3. Les montants de la rémunération journalière moyenne visés au § 1er, sont, dans le courant du mois de décembre de chaque année, réévalués d'un pourcentage égal au rapport entre le montant minimum de (l'indemnité) prévu pour le travailleur régulier ayant personne à charge, au 1er janvier de l'année en cours et celui du 1er janvier de l'année précédente <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
Les montants ainsi réévalués sont, pour l'application du § 1er, pris en considération à partir du 1er janvier qui suit cette réévaluation.
Toutefois, en cas d'application du § 2, les montants de la rémunération journalière moyenne visés au § 1er, que justifient les jours ouvrables de la période de référence qui précède une période immunisée d'une durée égale ou supérieure à six mois, sont ceux qui ont été fixés conformément au présent paragraphe pour l'année qui suit celle au cours de laquelle a débuté la période immunisée.
(§ 4. Le titulaire qui réunissait les conditions pour l'octroi de la qualité de travailleur régulier, conserve ladite qualité lorsqu'il redevient incapable de travailler dans les douze mois qui suivent la fin de la période d'incapacité de travail pour laquelle la qualité de travailleur régulier lui avait été accordée.) <AR 2003-07-11/66, art. 5, 097; En vigueur : 01-01-2003>
Modifications
Art.224.§ 1. Om als regelmatig werknemer als bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet te worden beschouwd, moet een in artikel 86, § 1, 1° of 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen:
Section XI. - Du travailleur ayant personne à charge.
Art. 224. § 1. Om als regelmatig werknemer als bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet te worden beschouwd, moet een in artikel 86, § 1, 1° of 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde werknemer gelijktijdig aan de volgende voorwaarden voldoen:
1° bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid (...), sedert ten minste zes maanden de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde hebben. <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(De gerechtigde moet daarenboven honderd twintig arbeidsdagen of met toepassing van artikel 203, vierde lid, gelijkgestelde dagen aantonen.) De dagen opgesomd in artikel 203, vierde lid, 4, worden echter niet meegerekend voor de toepassing van deze bepaling. <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
In afwijking van de bepalingen van het voorgaande lid, moet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer in totaal vierhonderd (...) arbeidsuren of daarmee met toepassing van artikel 203, vierde lid gelijkgestelde uren tellen. De met toepassing van artikel 203, vierde lid, 4, gelijkgestelde uren mogen echter niet in aanmerking genomen worden voor de toepassing van deze bepaling; <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
2° over het tijdvak dat ingaat vanaf de datum dat hij gerechtigde is geworden en loopt tot daags vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, aan een aantal arbeidsdagen of hiermee gelijkgestelde dagen komen van in totaal ten minste driekwart van het aantal werkdagen van het beschouwde tijdvak. Onder met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden de dagen verstaan die zijn bedoeld in de artikelen 86, § 1, 1°, b), 100, 114, (114bis) en 128 van de gecoördineerde wet. <KB 1997-04-13/51, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
Onder werkdagen worden alle dagen van het jaar verstaan, behalve de zondagen. Indien de werknemer de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde heeft sedert de eerste januari van het kalenderjaar vóór dat waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, wordt het refertetijdvak evenwel beperkt tot dat kalenderjaar.
Onder kalenderjaar als bedoeld in deze bepaling moet het refertejaar worden verstaan zoals het is bepaald in artikel 277.
Wanneer de werknemer de in artikel 86, § 1, 1° of 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde hoedanigheid van gerechtigde verliest gedurende een periode van minder dan drie maanden, onderbreekt die periode het refertetijdvak niet.
(Voor de toepassing van deze bepaling wordt rekening gehouden met het aantal werkdagen en gelijkgestelde dagen, zoals bepaald conform de bepalingen van artikel 203, zesde lid.) <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, van punt 2°, moet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de dee1tijdse werknemer over het hiervoren omschreven refertetijdvak een aantal arbeidsuren of hiermee gelijkgestelde uren tellen dat overeenstemt met ten minste 28 arbeidsuren per week of bij gebreke hiervan, een aantal arbeidsuren gelijk aan ten minste driekwart van het aantal arbeidsuren, gepresteerd door (de maatpersoon). Voor die werknemers worden de periodes van inactiviteit, bedoeld in het eerste lid, van punt 2°, voor zover ze samenvallen met periodes tijdens welke de betrokken werknemers normaal wel zouden hebben gewerkt, meegerekend voor het aantal arbeidsuren dat ze tijdens die periodes zouden hebben gepresteerd; <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
3° (...) <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
4° (de gerechtigden) moeten over het totale aantal werkdagen van het onder 2° bedoelde refertetijdvak doen blijken van een gemiddeld dagloon van ten minste (21,42 EUR) als zij 21 jaar of ouder zijn, van ten minste (16,06 EUR) als zij 18 tot 20 jaar zijn en van ten minste (10,71 EUR) als zij jonger dan 18 jaar zijn. Daartoe wordt voor de met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen een fictief loon toegepast, gelijk aan het gederfde loon, zoals dit is bepaald in artikel 87 van de gecoördineerde wet, dat als basis heeft gediend voor de berekening van de uitkering. <KB 2001-06-14/37, art. 9, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De werknemers wier bijdragen krachtens de wetgeving betreffende de sociale zekerheid op forfaitaire loonbedragen worden berekend, worden geacht te hebben voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden inzake dagloon.
Voor de seizoenarbeiders, de arbeiders met tussenpozen en de deeltijdse werknemers voor de met arbeidsuren gelijkgestelde uren een fictief loon toegepast, dat eveneens wordt bepaald op basis van het gederfde loon dat in aanmerking genomen wordt voor het berekenen van de uitkering.
§ 2. (Het tijdvak van het vervullen van militieverplichtingen), de in artikel 247 bedoelde tijdvakken van voortgezette verzekering, het tijdvak tijdens hetwelk de werknemer een uitkering heeft ontvangen voor de volledige onderbreking van zijn beroepsloopbaan, evenals de tijdvakken tijdens welke de gerechtigde de arbeid heeft onderbroken om zich aan de opvoeding van zijn kind te wijden onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 205, § 5 [1 of 205/1, § 2]1, worden geneutraliseerd voor de toepassing van de bepalingen van § 1. <KB 2003-03-12/42, art. 24, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Het tijdvak tijdens hetwelk de werknemer een uitkering ontvangt voor de gedeeltelijke onderbreking van zijn beroepsloopbaan, wordt geneutraliseerd voor de toepassing van de bepalingen van § 1, bij het verstrijken van het tijdvak waarvoor de gerechtigde de voornoemde uitkering ontvangt.
Het voorgaand lid is evenwel alleen van toepassing indien de overeengekomen vermindering van de prestaties het tijdvak waarvoor de gerechtigde de voornoemde uitkering ontvangt, niet overschrijdt.) <KB 2002-07-10/35, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 09-08-2002>
§ 3. De bedragen van het gemiddeld dagloon, die zijn bedoeld in § 1, worden ieder jaar in de loop van de maand december geherwaardeerd met een percentage dat gelijk is aan de verhouding tussen het op 1 januari van het lopende jaar geldende minimumbedrag van de (uitkering) voor een regelmatig werknemer met personen ten laste en hetzelfde bedrag op 1 januari van het vorige jaar. <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De aldus geherwaardeerde bedragen worden voor de toepassing van § 1 in aanmerking genomen vanaf de 1e januari na die herwaardering.
In geval van toepassing van § 2 zijn de in § 1 bedoelde gemiddelde dagloonbedragen ter staving van de werkdagen in het refertetijdvak voor een geneutraliseerd tijdvak van zes maanden of meer, evenwel die welke overeenkomstig deze paragraaf zijn vastgesteld voor het jaar na dat waarin het geneutraliseerde tijdvak een aanvang heeft genomen.
(§ 4. De gerechtigde die voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de hoedanigheid van regelmatig werknemer, behoudt die hoedanigheid als hij opnieuw arbeidsongeschikt wordt binnen twaalf maanden na het einde van het tijdvak van arbeidsongeschiktheid waarover hem de hoedanigheid van regelmatig werknemer was verleend.) <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
1° bij de aanvang van de arbeidsongeschiktheid (...), sedert ten minste zes maanden de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde hebben. <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(De gerechtigde moet daarenboven honderd twintig arbeidsdagen of met toepassing van artikel 203, vierde lid, gelijkgestelde dagen aantonen.) De dagen opgesomd in artikel 203, vierde lid, 4, worden echter niet meegerekend voor de toepassing van deze bepaling. <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
In afwijking van de bepalingen van het voorgaande lid, moet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de deeltijdse werknemer in totaal vierhonderd (...) arbeidsuren of daarmee met toepassing van artikel 203, vierde lid gelijkgestelde uren tellen. De met toepassing van artikel 203, vierde lid, 4, gelijkgestelde uren mogen echter niet in aanmerking genomen worden voor de toepassing van deze bepaling; <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
2° over het tijdvak dat ingaat vanaf de datum dat hij gerechtigde is geworden en loopt tot daags vóór de aanvang van zijn arbeidsongeschiktheid, aan een aantal arbeidsdagen of hiermee gelijkgestelde dagen komen van in totaal ten minste driekwart van het aantal werkdagen van het beschouwde tijdvak. Onder met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen worden de dagen verstaan die zijn bedoeld in de artikelen 86, § 1, 1°, b), 100, 114, (114bis) en 128 van de gecoördineerde wet. <KB 1997-04-13/51, art. 10, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
Onder werkdagen worden alle dagen van het jaar verstaan, behalve de zondagen. Indien de werknemer de hoedanigheid van uitkeringsgerechtigde heeft sedert de eerste januari van het kalenderjaar vóór dat waarin de arbeidsongeschiktheid is aangevangen, wordt het refertetijdvak evenwel beperkt tot dat kalenderjaar.
Onder kalenderjaar als bedoeld in deze bepaling moet het refertejaar worden verstaan zoals het is bepaald in artikel 277.
Wanneer de werknemer de in artikel 86, § 1, 1° of 2°, van de gecoördineerde wet bedoelde hoedanigheid van gerechtigde verliest gedurende een periode van minder dan drie maanden, onderbreekt die periode het refertetijdvak niet.
(Voor de toepassing van deze bepaling wordt rekening gehouden met het aantal werkdagen en gelijkgestelde dagen, zoals bepaald conform de bepalingen van artikel 203, zesde lid.) <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, van punt 2°, moet de seizoenarbeider, de arbeider bij tussenpozen of de dee1tijdse werknemer over het hiervoren omschreven refertetijdvak een aantal arbeidsuren of hiermee gelijkgestelde uren tellen dat overeenstemt met ten minste 28 arbeidsuren per week of bij gebreke hiervan, een aantal arbeidsuren gelijk aan ten minste driekwart van het aantal arbeidsuren, gepresteerd door (de maatpersoon). Voor die werknemers worden de periodes van inactiviteit, bedoeld in het eerste lid, van punt 2°, voor zover ze samenvallen met periodes tijdens welke de betrokken werknemers normaal wel zouden hebben gewerkt, meegerekend voor het aantal arbeidsuren dat ze tijdens die periodes zouden hebben gepresteerd; <KB 2001-06-10/60, art. 41, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
3° (...) <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
4° (de gerechtigden) moeten over het totale aantal werkdagen van het onder 2° bedoelde refertetijdvak doen blijken van een gemiddeld dagloon van ten minste (21,42 EUR) als zij 21 jaar of ouder zijn, van ten minste (16,06 EUR) als zij 18 tot 20 jaar zijn en van ten minste (10,71 EUR) als zij jonger dan 18 jaar zijn. Daartoe wordt voor de met arbeidsdagen gelijkgestelde dagen een fictief loon toegepast, gelijk aan het gederfde loon, zoals dit is bepaald in artikel 87 van de gecoördineerde wet, dat als basis heeft gediend voor de berekening van de uitkering. <KB 2001-06-14/37, art. 9, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De werknemers wier bijdragen krachtens de wetgeving betreffende de sociale zekerheid op forfaitaire loonbedragen worden berekend, worden geacht te hebben voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden inzake dagloon.
Voor de seizoenarbeiders, de arbeiders met tussenpozen en de deeltijdse werknemers voor de met arbeidsuren gelijkgestelde uren een fictief loon toegepast, dat eveneens wordt bepaald op basis van het gederfde loon dat in aanmerking genomen wordt voor het berekenen van de uitkering.
§ 2. (Het tijdvak van het vervullen van militieverplichtingen), de in artikel 247 bedoelde tijdvakken van voortgezette verzekering, het tijdvak tijdens hetwelk de werknemer een uitkering heeft ontvangen voor de volledige onderbreking van zijn beroepsloopbaan, evenals de tijdvakken tijdens welke de gerechtigde de arbeid heeft onderbroken om zich aan de opvoeding van zijn kind te wijden onder de voorwaarden vastgesteld in artikel 205, § 5 [1 of 205/1, § 2]1, worden geneutraliseerd voor de toepassing van de bepalingen van § 1. <KB 2003-03-12/42, art. 24, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Het tijdvak tijdens hetwelk de werknemer een uitkering ontvangt voor de gedeeltelijke onderbreking van zijn beroepsloopbaan, wordt geneutraliseerd voor de toepassing van de bepalingen van § 1, bij het verstrijken van het tijdvak waarvoor de gerechtigde de voornoemde uitkering ontvangt.
Het voorgaand lid is evenwel alleen van toepassing indien de overeengekomen vermindering van de prestaties het tijdvak waarvoor de gerechtigde de voornoemde uitkering ontvangt, niet overschrijdt.) <KB 2002-07-10/35, art. 1, 080; Inwerkingtreding : 09-08-2002>
§ 3. De bedragen van het gemiddeld dagloon, die zijn bedoeld in § 1, worden ieder jaar in de loop van de maand december geherwaardeerd met een percentage dat gelijk is aan de verhouding tussen het op 1 januari van het lopende jaar geldende minimumbedrag van de (uitkering) voor een regelmatig werknemer met personen ten laste en hetzelfde bedrag op 1 januari van het vorige jaar. <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
De aldus geherwaardeerde bedragen worden voor de toepassing van § 1 in aanmerking genomen vanaf de 1e januari na die herwaardering.
In geval van toepassing van § 2 zijn de in § 1 bedoelde gemiddelde dagloonbedragen ter staving van de werkdagen in het refertetijdvak voor een geneutraliseerd tijdvak van zes maanden of meer, evenwel die welke overeenkomstig deze paragraaf zijn vastgesteld voor het jaar na dat waarin het geneutraliseerde tijdvak een aanvang heeft genomen.
(§ 4. De gerechtigde die voldeed aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de hoedanigheid van regelmatig werknemer, behoudt die hoedanigheid als hij opnieuw arbeidsongeschikt wordt binnen twaalf maanden na het einde van het tijdvak van arbeidsongeschiktheid waarover hem de hoedanigheid van regelmatig werknemer was verleend.) <KB 2003-07-11/66, art. 5, 097; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Modifications
Art.225. § 1er. (Sont considérés comme travailleurs ayant personne à charge au sens de l'article 93 de la loi coordonnée :
1° le titulaire cohabitant avec son conjoint;
2° le titulaire cohabitant avec une personne avec laquelle il forme un ménage de fait; cette personne ne peut cependant être un parent ou allié jusqu'au troisième degré du titulaire ni un enfant bénéficiaire d'allocations familiales ou à charge d'un parent tenu à une obligation d'entretien;
3° le titulaire qui cohabite avec un ou des enfants visés à l'article 123, 3, exception faite de la condition d'âge prévue par cette dernière disposition; lorsqu'un enfant peut être inscrit à charge de plusieurs titulaires, il est fait application de l'ordre d'inscription déterminé à l'article 125, § 1er, alinéas 3 à 5 et § 2;
4° le titulaire qui cohabite avec un ou plusieurs parents ou alliés jusqu'au troisième degré inclus;
(5° le titulaire qui paie une pension alimentaire (sur base d'une décision judiciaire ou d'un acte notarié, ou sur base d'un) acte sous seing privé déposé au greffe du tribunal en cas de procédure de divorce ou de séparation de corps et de biens par consentement mutuel et le titulaire dont le conjoint perçoit une partie de ses indemnités au titre de sommes dues par des tiers, en application de l'article 221 ou 223 du code civil; cette disposition n'est cependant applicable qu'au titulaire qui se trouve dans la situation visée à l'article 226 et pour autant que le montant de la pension alimentaire ou de la délégation de sommes soit au moins égal à (111,55 EUR) par mois;) <AR 1999-04-19/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-1999> <AR 2001-06-14/37, art. 9, 061; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2002-04-25/38, art. 1, 076; En vigueur : 27-05-2002>
6° (abrogé) <AR 2007-01-29/46, art. 4, 139; En vigueur : 01-01-2007>
(alinéas 2 à 7 abrogés) <AR 2007-01-29/46, art. 4, 139; En vigueur : 01-01-2007; pour exécuter cette modification, on a supposé que le point 6° du premier alinéa ne comporte lui-même qu'un alinéa; noter pourtant que l'AR 2003-03-12/42, art. 25, 3°, parle de l'alinéa 7 de ce point 6°>
Les personnes visées à l'alinéa premier, 1° à 4° ne peuvent être considérées comme à charge que si elles n'exercent aucune activité professionnelle et ne bénéficient effectivement ni d'une pension ou d'une rente, ni d'une allocation ou d'une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère.) (Elles doivent en outre être financièrement à charge du titulaire lui-même et non d'une autre personne qui appartient au même ménage.) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 1°, 022; En vigueur : 01-01-1998> <AR 1999-10-25/35, art. 1, 042; En vigueur : 05-12-1999>
§ 2. ( (Le titulaire visé au § 1er, 3° et 4°), qui cohabite simultanément avec des personnes autres que celles qui sont énumérées à ce paragraphe, ne peut conserver la qualité de travailleur ayant personne à charge que si ces autres personnes n'exercent aucune activité professionnelle et ne bénéficient effectivement ni d'une pension, ni d'une rente, ni d'une allocation ou d'une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère. Pour l'application de la présente disposition, sont assimilés aux parents ou alliés du titulaire, les parents ou alliés jusqu'au troisième degré y inclus du conjoint du titulaire ou de la personne, visée au § 1er, 2°.) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 2°, 022; En vigueur : 01-01-1998> <AR 1999-04-19/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-1999>
Le titulaire visé au § 1er, 3° et 4°, qui cohabite simultanément avec une personne énumérée au § 1er, 1° ou 2°, peut exclusivement obtenir la qualité de travailleur ayant personne à charge de la manière visée au § 1er, 1° ou 2°.
(La condition de cohabitation n'est pas requise pendant la période au cours de laquelle le titulaire visé au § 1er, 1° à 4°, est hospitalisé ou hébergé dans une institution ou un service visé à l'article 34, 11° et 18°, de la loi coordonnée, (se trouve en situation de détention préventive ou de privation de liberté), sans préjudice des autres conditions à remplir pour la reconnaissance de la qualité de travailleur ayant personne à charge.) <AR 1996-11-25/37, art. 1, 004; En vigueur : 23-02-1997> <AR 2003-03-12/42, art. 25, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Par activité professionnelle au sens des §§ 1er et 2, il faut entendre toute activité professionnelle susceptible de produire des revenus visés, suivant le cas, à l'article 23, § 1er, 1°, 2° ou 4°, ou à l'article 228, § 2, 3° et 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992, même si elle est exercés par personne interposée, et toute activité analogue exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale. (Toutefois, il n'est tenu compte de ces revenus, ainsi que des pensions, rentes ou allocations et indemnités visées ci-dessus que si leur montant total est supérieur à ([4 707,07]4 euros) par mois; ce dernier montant est lié à l'indice-pivot 103,14 en vigueur le 1er juin 1999 (base 1996 = 100) et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix conformément aux dispositions visées à l'article 237.) <AR 2003-02-19/39, art. 1, 086; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-06-05/44, art. 4, 144; En vigueur : 09-07-2008>
Pour l'application de cette disposition, il y a lieu de tenir compte d'un douzième du montant des avantages payés annuellement, tels que les primes, les participations aux bénéfices, le treizième mois, les gratification, le double pécule ou les montants payés aux travailleurs en complément du double pécule, ainsi que le pécule de vacances ou le pécule complémentaire payé aux bénéficiaires d'une pension de retraite ou de survie. Le montant mensuel des revenus des travailleurs non salariés, visés à l'article 23, § 1er, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 est, en outre, fictivement fixé à un douzième de 100/80 de la différence entre les bénéfices ou profits bruts et les charges professionnelles y afférentes. Le montant mensuel des revenus constitués par des indemnités ou allocations visées ci-dessus, dont le montant est journalier et auxquelles le bénéficiaire peut prétendre pour tous les jours indemnisables d'un mois déterminé, est censé correspondre au montant journalier susvisé, multiplié par 26; s'il s'agit d'indemnités d'incapacité temporaire de travail, accordées en vertu des dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, il y a lieu de multiplier le montant journalier précité par 30.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte du complément d'ancienneté octroyé aux chômeurs âgés, ni de l'indemnité complémentaire aux allocations de chômage octroyée en vertu de la convention collective de travail n° 46 conclue au sein du Conseil national du travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 10 mai 1990.
Le chômeur prouve qu'il bénéficie d'un complément d'ancienneté au moyen d'une attestation établie par la caisse de paiement des allocations de chômage; il prouve le bénéfice d'une indemnité complémentaire aux allocations de chômage au moyen d'une attestation établie par l'employeur chargé du paiement de cette indemnité.
Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, de l'allocation complémentaire forfaitaire octroyée au chômeur occupé dans le cadre d'une agence locale pour l'emploi, en vertu de l'article 79 de l'arrête royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage [9 et de l'indemnité par chèque-travail de proximité, reçue pour prestations fournies dans le cadre du travail de proximité visé à l'article 34 du décret de la Communauté flamande du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité et à diverses dispositions dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat]9.
[14 Pour l'application du présent article, il n'est pas davantage tenu compte de l'allocation " mobilité interrégionale " et de l'allocation " métier en pénurie " octroyées en vertu de l'arrêté royal du 24 juin 2022 instaurant une allocation supplémentaire pour les chômeurs de longue durée qui reprennent le travail dans une autre région ou dans un métier en pénurie.]14
(Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, d'une allocation qui est accordée pour compenser la perte ou la réduction d'autonomie.) <AR 2000-11-10-35, art. 1, 054; En vigueur : 08-12-2000>
[5 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de l'augmentation à partir du 1er septembre 2011 du montant journalier de l'indemnité minimum visée à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 2°, b), introduite par l'arrêté royal du 6 juillet 2011.]5
[10 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte des compensations financières allouées par les régions, les communautés, les provinces ou les communes pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à l'application de [12 l'arrêté royal du 28 octobre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 et par tout autre arrêté royal ultérieur portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19]12, ou allouées conformément à une autre réglementation régionale, communautaire, provinciale ou communale pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à la pandémie du COVID-19. Dans ce cadre, il ne peut toutefois s'agir d'une intervention financière, le cas échéant réduite, à laquelle l'intéressé aurait pu prétendre sans l'application de la réglementation précitée fixée suite à la pandémie du COVID-19. En outre, cette disposition ne s'applique que si la règle sur base de laquelle la compensation financière est accordée prévoit expressément que cette compensation est accordée en vue de faire face aux conséquences économiques ou sociales directes ou indirectes de la pandémie de COVID-19.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de l'indemnité d'incapacité primaire supplémentaire octroyée conformément à la loi du 24 juin 2020 octroyant un complément temporaire aux indemnités d'incapacité primaire, ainsi que de l'indemnité de crise supplémentaire octroyée conformément à l'arrêté royal du 15 septembre 2020 portant octroi, suite à la pandémie COVID-19, d'une indemnité de crise supplémentaire à certains travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de la prime temporaire octroyée conformément à l'arrêté royal n° 47 du 26 juin 2020 pris en exécution de l'article 5, § 1er, 3° et 5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 (II) en vue de l'octroi d'une prime temporaire aux bénéficiaires de certaines allocations d'assistance sociale.]10
[13 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte du bonus emploi ou du bonus emploi plus octroyés conformément au décret de la Région flamande du 20 mai 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi ou au décret de la Région flamande et de la Communauté flamande du 15 juillet 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi plus aux indépendants débutants.]13
§ 4. La preuve de chaque situation visée au § 1er doit être établie au moyen d'une attestation officielle figurant au dossier du titulaire lors du paiement des indemnités d'invalidité en tant que titulaire avec personne à charge.
Cette preuve résulte, en ce qui concerne la condition de cohabitation, de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5° de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents probants produits à cet effet que la situation à prendre en considération ne correspond pas ou plus avec l'information susvisée du Registre national.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 3°, 022; En vigueur : 01-01-1998>
(§ 5. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 2, uniquement en raison de l'augmentation du montant des indemnités d'invalidité résultant de l'arrêté royal du 23 décembre 2005 modifiant, en ce qui concerne le montant des indemnités d'invalidité, l'arrête royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidant, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge du 1er janvier 2006 au [2 31 décembre 2011]2, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation pendant cette période transitoire.) <AR 2006-05-19/42, art. 1, 129; En vigueur : 01-01-2006>
(§ 6. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2008 des minima de pension des travailleurs salariés par l'arrêté royal du 12 juin 2008 portant augmentation du montant minimum garanti des pensions de retraite et de survie pour travailleurs salariés, ou uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2008 des minima de pension des travailleurs indépendants par la loi-programme du 8 juin 2008, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.) <AR 2008-08-12/49, art. 1, 153; En vigueur : 01-07-2008>
[1 § 7. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'application d'une mesure de revalorisation prise en exécution du Titre II, Chapitre II de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, ou du Titre V, Chapitre Ier de la même loi, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]1
[3 § 8. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er août 2010 des minima de pension des travailleurs indépendants, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 3 mars 2010 modifiant l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant des mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]3
[6 § 9. Le titulaire considéré comme travailleur ayant personne à charge qui cohabite avec une personne visée au § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension, à partir du 1er avril 2015, résultant de la modification, par l'arrêté royal du 27 mars 2015, de l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]6
[7 § 10. Le titulaire considéré comme travailleur ayant personne à charge qui cohabite avec une personne visée au § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er août 2016, résultant de l'insertion, par la loi-programme du 19 décembre 2014, de l'article 131bis, § 1erocties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]7
[8 § 11. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'octroi d'une prime de rattrapage à certains bénéficiaires d'une pension minimum dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre III de la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à certains bénéficiaires d'une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants, ou de l'augmentation de certaines pensions minima dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre IV de la même loi, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]8
[11 § 12. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation des prestations sociales comme décrite dans ce paragraphe, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il s'agit des augmentations des prestations sociales suivantes :
1° les augmentations des montants de la pension minimum garantie en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 relatif à l'augmentation de la pension minimum garantie;
2° les augmentations des montants de la pension minimum garantie en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 pris en application de l'article 132, § 2, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses;
3° les augmentations des montants de la garantie de revenus aux personnes âgées en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 relatif à l'augmentation de la garantie de revenus aux personnes âgées;
4° les augmentations des montants du revenu d'intégration en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 modifiant l'arrêté royal du 3 septembre 2004 visant l'augmentation des montants du revenu d'intégration, ainsi que les augmentations des montants de l'indemnité minimale accordée aux travailleurs non réguliers visés à l'article 214, § 2, liés aux montants applicables du revenu d'intégration;
5° les augmentations des minima et de certains forfaits dans l'assurance chômage en exécution de l'arrêté royal du 22 décembre 2020 modifiant l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage concernant l'augmentation des minima dans le cadre de la lutte contre la pauvreté;
6° les augmentations des montants de l'allocation de remplacement de revenus en exécution de l'arrêté royal du 14 janvier 2021 portant augmentation du montant des catégories A, B et C de l'allocation de remplacement de revenus en application de l'article 6, § 6 de la loi du 27 février 1987 sur les allocations aux personnes handicapées.]11
1° le titulaire cohabitant avec son conjoint;
2° le titulaire cohabitant avec une personne avec laquelle il forme un ménage de fait; cette personne ne peut cependant être un parent ou allié jusqu'au troisième degré du titulaire ni un enfant bénéficiaire d'allocations familiales ou à charge d'un parent tenu à une obligation d'entretien;
3° le titulaire qui cohabite avec un ou des enfants visés à l'article 123, 3, exception faite de la condition d'âge prévue par cette dernière disposition; lorsqu'un enfant peut être inscrit à charge de plusieurs titulaires, il est fait application de l'ordre d'inscription déterminé à l'article 125, § 1er, alinéas 3 à 5 et § 2;
4° le titulaire qui cohabite avec un ou plusieurs parents ou alliés jusqu'au troisième degré inclus;
(5° le titulaire qui paie une pension alimentaire (sur base d'une décision judiciaire ou d'un acte notarié, ou sur base d'un) acte sous seing privé déposé au greffe du tribunal en cas de procédure de divorce ou de séparation de corps et de biens par consentement mutuel et le titulaire dont le conjoint perçoit une partie de ses indemnités au titre de sommes dues par des tiers, en application de l'article 221 ou 223 du code civil; cette disposition n'est cependant applicable qu'au titulaire qui se trouve dans la situation visée à l'article 226 et pour autant que le montant de la pension alimentaire ou de la délégation de sommes soit au moins égal à (111,55 EUR) par mois;) <AR 1999-04-19/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-1999> <AR 2001-06-14/37, art. 9, 061; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2002-04-25/38, art. 1, 076; En vigueur : 27-05-2002>
6° (abrogé) <AR 2007-01-29/46, art. 4, 139; En vigueur : 01-01-2007>
(alinéas 2 à 7 abrogés) <AR 2007-01-29/46, art. 4, 139; En vigueur : 01-01-2007; pour exécuter cette modification, on a supposé que le point 6° du premier alinéa ne comporte lui-même qu'un alinéa; noter pourtant que l'AR 2003-03-12/42, art. 25, 3°, parle de l'alinéa 7 de ce point 6°>
Les personnes visées à l'alinéa premier, 1° à 4° ne peuvent être considérées comme à charge que si elles n'exercent aucune activité professionnelle et ne bénéficient effectivement ni d'une pension ou d'une rente, ni d'une allocation ou d'une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère.) (Elles doivent en outre être financièrement à charge du titulaire lui-même et non d'une autre personne qui appartient au même ménage.) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 1°, 022; En vigueur : 01-01-1998> <AR 1999-10-25/35, art. 1, 042; En vigueur : 05-12-1999>
§ 2. ( (Le titulaire visé au § 1er, 3° et 4°), qui cohabite simultanément avec des personnes autres que celles qui sont énumérées à ce paragraphe, ne peut conserver la qualité de travailleur ayant personne à charge que si ces autres personnes n'exercent aucune activité professionnelle et ne bénéficient effectivement ni d'une pension, ni d'une rente, ni d'une allocation ou d'une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère. Pour l'application de la présente disposition, sont assimilés aux parents ou alliés du titulaire, les parents ou alliés jusqu'au troisième degré y inclus du conjoint du titulaire ou de la personne, visée au § 1er, 2°.) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 2°, 022; En vigueur : 01-01-1998> <AR 1999-04-19/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-1999>
Le titulaire visé au § 1er, 3° et 4°, qui cohabite simultanément avec une personne énumérée au § 1er, 1° ou 2°, peut exclusivement obtenir la qualité de travailleur ayant personne à charge de la manière visée au § 1er, 1° ou 2°.
(La condition de cohabitation n'est pas requise pendant la période au cours de laquelle le titulaire visé au § 1er, 1° à 4°, est hospitalisé ou hébergé dans une institution ou un service visé à l'article 34, 11° et 18°, de la loi coordonnée, (se trouve en situation de détention préventive ou de privation de liberté), sans préjudice des autres conditions à remplir pour la reconnaissance de la qualité de travailleur ayant personne à charge.) <AR 1996-11-25/37, art. 1, 004; En vigueur : 23-02-1997> <AR 2003-03-12/42, art. 25, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Par activité professionnelle au sens des §§ 1er et 2, il faut entendre toute activité professionnelle susceptible de produire des revenus visés, suivant le cas, à l'article 23, § 1er, 1°, 2° ou 4°, ou à l'article 228, § 2, 3° et 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992, même si elle est exercés par personne interposée, et toute activité analogue exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale. (Toutefois, il n'est tenu compte de ces revenus, ainsi que des pensions, rentes ou allocations et indemnités visées ci-dessus que si leur montant total est supérieur à ([4 707,07]4 euros) par mois; ce dernier montant est lié à l'indice-pivot 103,14 en vigueur le 1er juin 1999 (base 1996 = 100) et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix conformément aux dispositions visées à l'article 237.) <AR 2003-02-19/39, art. 1, 086; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-06-05/44, art. 4, 144; En vigueur : 09-07-2008>
Pour l'application de cette disposition, il y a lieu de tenir compte d'un douzième du montant des avantages payés annuellement, tels que les primes, les participations aux bénéfices, le treizième mois, les gratification, le double pécule ou les montants payés aux travailleurs en complément du double pécule, ainsi que le pécule de vacances ou le pécule complémentaire payé aux bénéficiaires d'une pension de retraite ou de survie. Le montant mensuel des revenus des travailleurs non salariés, visés à l'article 23, § 1er, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 est, en outre, fictivement fixé à un douzième de 100/80 de la différence entre les bénéfices ou profits bruts et les charges professionnelles y afférentes. Le montant mensuel des revenus constitués par des indemnités ou allocations visées ci-dessus, dont le montant est journalier et auxquelles le bénéficiaire peut prétendre pour tous les jours indemnisables d'un mois déterminé, est censé correspondre au montant journalier susvisé, multiplié par 26; s'il s'agit d'indemnités d'incapacité temporaire de travail, accordées en vertu des dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, il y a lieu de multiplier le montant journalier précité par 30.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte du complément d'ancienneté octroyé aux chômeurs âgés, ni de l'indemnité complémentaire aux allocations de chômage octroyée en vertu de la convention collective de travail n° 46 conclue au sein du Conseil national du travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 10 mai 1990.
Le chômeur prouve qu'il bénéficie d'un complément d'ancienneté au moyen d'une attestation établie par la caisse de paiement des allocations de chômage; il prouve le bénéfice d'une indemnité complémentaire aux allocations de chômage au moyen d'une attestation établie par l'employeur chargé du paiement de cette indemnité.
Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, de l'allocation complémentaire forfaitaire octroyée au chômeur occupé dans le cadre d'une agence locale pour l'emploi, en vertu de l'article 79 de l'arrête royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage [9 et de l'indemnité par chèque-travail de proximité, reçue pour prestations fournies dans le cadre du travail de proximité visé à l'article 34 du décret de la Communauté flamande du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité et à diverses dispositions dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat]9.
[14 Pour l'application du présent article, il n'est pas davantage tenu compte de l'allocation " mobilité interrégionale " et de l'allocation " métier en pénurie " octroyées en vertu de l'arrêté royal du 24 juin 2022 instaurant une allocation supplémentaire pour les chômeurs de longue durée qui reprennent le travail dans une autre région ou dans un métier en pénurie.]14
(Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, d'une allocation qui est accordée pour compenser la perte ou la réduction d'autonomie.) <AR 2000-11-10-35, art. 1, 054; En vigueur : 08-12-2000>
[5 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de l'augmentation à partir du 1er septembre 2011 du montant journalier de l'indemnité minimum visée à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 2°, b), introduite par l'arrêté royal du 6 juillet 2011.]5
[10 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte des compensations financières allouées par les régions, les communautés, les provinces ou les communes pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à l'application de [12 l'arrêté royal du 28 octobre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 et par tout autre arrêté royal ultérieur portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19]12, ou allouées conformément à une autre réglementation régionale, communautaire, provinciale ou communale pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à la pandémie du COVID-19. Dans ce cadre, il ne peut toutefois s'agir d'une intervention financière, le cas échéant réduite, à laquelle l'intéressé aurait pu prétendre sans l'application de la réglementation précitée fixée suite à la pandémie du COVID-19. En outre, cette disposition ne s'applique que si la règle sur base de laquelle la compensation financière est accordée prévoit expressément que cette compensation est accordée en vue de faire face aux conséquences économiques ou sociales directes ou indirectes de la pandémie de COVID-19.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de l'indemnité d'incapacité primaire supplémentaire octroyée conformément à la loi du 24 juin 2020 octroyant un complément temporaire aux indemnités d'incapacité primaire, ainsi que de l'indemnité de crise supplémentaire octroyée conformément à l'arrêté royal du 15 septembre 2020 portant octroi, suite à la pandémie COVID-19, d'une indemnité de crise supplémentaire à certains travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de la prime temporaire octroyée conformément à l'arrêté royal n° 47 du 26 juin 2020 pris en exécution de l'article 5, § 1er, 3° et 5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 (II) en vue de l'octroi d'une prime temporaire aux bénéficiaires de certaines allocations d'assistance sociale.]10
[13 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte du bonus emploi ou du bonus emploi plus octroyés conformément au décret de la Région flamande du 20 mai 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi ou au décret de la Région flamande et de la Communauté flamande du 15 juillet 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi plus aux indépendants débutants.]13
§ 4. La preuve de chaque situation visée au § 1er doit être établie au moyen d'une attestation officielle figurant au dossier du titulaire lors du paiement des indemnités d'invalidité en tant que titulaire avec personne à charge.
Cette preuve résulte, en ce qui concerne la condition de cohabitation, de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5° de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents probants produits à cet effet que la situation à prendre en considération ne correspond pas ou plus avec l'information susvisée du Registre national.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 3°, 022; En vigueur : 01-01-1998>
(§ 5. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 2, uniquement en raison de l'augmentation du montant des indemnités d'invalidité résultant de l'arrêté royal du 23 décembre 2005 modifiant, en ce qui concerne le montant des indemnités d'invalidité, l'arrête royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidant, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge du 1er janvier 2006 au [2 31 décembre 2011]2, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation pendant cette période transitoire.) <AR 2006-05-19/42, art. 1, 129; En vigueur : 01-01-2006>
(§ 6. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2008 des minima de pension des travailleurs salariés par l'arrêté royal du 12 juin 2008 portant augmentation du montant minimum garanti des pensions de retraite et de survie pour travailleurs salariés, ou uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2008 des minima de pension des travailleurs indépendants par la loi-programme du 8 juin 2008, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.) <AR 2008-08-12/49, art. 1, 153; En vigueur : 01-07-2008>
[1 § 7. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'application d'une mesure de revalorisation prise en exécution du Titre II, Chapitre II de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, ou du Titre V, Chapitre Ier de la même loi, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]1
[3 § 8. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er août 2010 des minima de pension des travailleurs indépendants, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 3 mars 2010 modifiant l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant des mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]3
[6 § 9. Le titulaire considéré comme travailleur ayant personne à charge qui cohabite avec une personne visée au § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension, à partir du 1er avril 2015, résultant de la modification, par l'arrêté royal du 27 mars 2015, de l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]6
[7 § 10. Le titulaire considéré comme travailleur ayant personne à charge qui cohabite avec une personne visée au § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er août 2016, résultant de l'insertion, par la loi-programme du 19 décembre 2014, de l'article 131bis, § 1erocties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]7
[8 § 11. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'octroi d'une prime de rattrapage à certains bénéficiaires d'une pension minimum dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre III de la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à certains bénéficiaires d'une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants, ou de l'augmentation de certaines pensions minima dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre IV de la même loi, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]8
[11 § 12. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation des prestations sociales comme décrite dans ce paragraphe, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il s'agit des augmentations des prestations sociales suivantes :
1° les augmentations des montants de la pension minimum garantie en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 relatif à l'augmentation de la pension minimum garantie;
2° les augmentations des montants de la pension minimum garantie en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 pris en application de l'article 132, § 2, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses;
3° les augmentations des montants de la garantie de revenus aux personnes âgées en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 relatif à l'augmentation de la garantie de revenus aux personnes âgées;
4° les augmentations des montants du revenu d'intégration en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 modifiant l'arrêté royal du 3 septembre 2004 visant l'augmentation des montants du revenu d'intégration, ainsi que les augmentations des montants de l'indemnité minimale accordée aux travailleurs non réguliers visés à l'article 214, § 2, liés aux montants applicables du revenu d'intégration;
5° les augmentations des minima et de certains forfaits dans l'assurance chômage en exécution de l'arrêté royal du 22 décembre 2020 modifiant l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage concernant l'augmentation des minima dans le cadre de la lutte contre la pauvreté;
6° les augmentations des montants de l'allocation de remplacement de revenus en exécution de l'arrêté royal du 14 janvier 2021 portant augmentation du montant des catégories A, B et C de l'allocation de remplacement de revenus en application de l'article 6, § 6 de la loi du 27 février 1987 sur les allocations aux personnes handicapées.]11
Modifications
Art.225.§ 1. (Worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste in de zin van artikel 93 van de gecoördineerde wet :
Section XII. - Du travailleur sans personne à charge auquel une indemnité plus élevée peut être accordée pour perte de revenu unique.
Art. 225. § 1. (Worden beschouwd als werknemer met persoon ten laste in de zin van artikel 93 van de gecoördineerde wet :
1° de gerechtigde die samenwoont met zijn echtgenoot;
2° de gerechtigde die samenwoont met een persoon waarmee hij een feitelijk gezin vormt; die persoon mag evenwel geen bloed- of aanverwant zijn van de gerechtigde tot de derde graad, noch een kind dat recht geeft op gezinsbijslagen of dat ten laste is van een ouder die een onderhoudsplicht heeft;
3° de gerechtigde die samenwoont met één of meer kinderen bedoeld in artikel 123, 3, behoudens de leeftijdsvoorwaarde voorzien in deze bepaling; wanneer een kind kan worden ingeschreven ten laste van verscheidene gerechtigden, wordt de volgorde van inschrijving toegepast bepaald in artikel 125, § 1, derde tot vijfde lid en § 2;
4° de gerechtigde die samenwoont met één of meerdere bloed- of aanverwanten tot de derde graad;
(5° de gerechtigde die alimentatiegeld betaalt, (op grond van een rechterlijke beslissing of een notariële akte, of op grond van een) onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, en de gerechtigde wiens echtgenoot een deel van zijn uitkeringen ontvangt als sommen verschuldigd door derden, met toepassing van artikel 221 of 223 van het Burgerlijk Wetboek; deze bepaling is evenwel slechts van toepassing voor de gerechtigde die zich in de situatie bevindt bedoeld in artikel 226 en op voorwaarde dat het bedrag van het alimentatiegeld of van de toegekende sommen ten minste (111,55 EUR) per maand bedraagt;) <KB 1999-04-19/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2001-06-14/37, art. 9, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2002-04-25/38, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 27-05-2002>
6° (opgeheven) <KB 2007-01-29/46, art. 4, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(tweede tot zevende lid opgeheven) <KB 2007-01-29/46, art. 4, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007; om deze wijziging uit te voeren heeft men verondersteld dat punt 6° van lid 1 uit een enig lid bestaat; noteer evenwel dat in het KB 2003-03-12/42, art. 25, 3°, sprake is van lid 7 van voornoemd punt 6°>
De personen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4° kunnen slechts als persoon ten laste worden beschouwd als zij geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of een vreemde wetgeving.) (Zij moeten bovendien financieel ten laste zijn van de gerechtigde zelf en niet van een andere persoon die deel uitmaakt van hetzelfde gezin.) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 1°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 1999-10-25/35, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 05-12-1999>
§ 2. ( (De bij § 1, 3° en 4°, bedoelde gerechtigde) die tevens samenwoont met andere dan in die paragraaf opgesomde personen, behoudt slechts de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste wanneer deze andere personen geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving. Voor de toepassing van deze bepaling worden de bloed- of aanverwanten tot de derde graad van de echtgenoot van de gerechtigde of van de persoon, bedoeld in § 1, 2°, gelijkgesteld met bloed- of aanverwanten van de gerechtigde.) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 1999-04-19/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
De in § 1, 3° en 4°, bedoelde gerechtigde die tevens samenwoont met een in § 1, 1° of 2°, opgesomde persoon, kan uitsluitend de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste verkrijgen op de in § 1, 1° of 2°, bepaalde wijze.
(De voorwaarde van samenwoning is niet vereist gedurende het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde bedoeld in § 1, 1° tot 4°, gehospitaliseerd wordt of verblijft in een instelling of een dienst als bedoeld in artikel 34, 11° en 18°, van de gecoördineerde wet, (in voorlopige hechtenis is of van zijn vrijheid beroofd is), onverminderd de andere te vervullen voorwaarden voor het toekennen van de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste.) <KB 1996-11-25/37, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 23-02-1997> <KB 2003-03-12/42, art. 25, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 3. Onder beroepsactiviteit als bedoeld in de §§ 1 en 2 dient te worden verstaan iedere bezigheid die, naargelang van het geval, een inkomen als bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kan opleveren, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie. (Nochtans wordt met dit inkomen, alsook met de hiervoren bedoelde pensioenen, renten, tegemoetkomingen en uitkeringen, slechts rekening gehouden indien het totale bedrag ervan meer is dan ([4 707,07]4 euro) per maand; dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.) <KB 2003-02-19/39, art. 1, 086; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-06-05/44, art. 4, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoren bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.
De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.
Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering [9 en met de vergoeding per wijk-werkcheque, verkregen voor prestaties die geleverd zijn in het kader van het wijk-werken bedoeld in artikel 34 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 juli 2017 betreffende wijk-werken en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming]9.
[14 Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de uitkering "interregionale mobiliteit" en de uitkering "knelpuntberoep" toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2022 tot instelling van een aanvullende uitkering voor langdurig werklozen die het werk hervatten in een ander gewest of in een knelpuntberoep.]14
(Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.) <KB 2000-11-10/35, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 08-12-2000>
[5 Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de verhoging vanaf 1 september 2011 van het dagbedrag van de minimumuitkering bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, b), ingevoerd bij het koninklijk besluit van 6 juli 2011.]5
[10 Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [12 "het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]12, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkering toegekend overeenkomstig de wet van 24 juni 2020 houdende toekenning van een tijdelijke aanvulling op de uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid, evenals met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de tijdelijke premie toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° en 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen.]10
[13 Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de jobbonus of de jobbonus plus toegekend overeenkomstig het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 mei 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus of het decreet van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap van 15 juli 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus plus voor startende zelfstandigen.]13
§ 4. Het bewijs van elke in § 1 bedoelde toestand moet worden geleverd met een officieel getuigschrift dat in het dossier van de gerechtigde voorkomt, bij de uitbetaling van de invaliditeitsuitkeringen als gerechtigde met persoon ten laste.
Dit bewijs volgt, wat de voorwaarde van samenwonen betreft, uit het informatiegegeven bedoeld bij artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen bij het Rijksregister, behoudens de gevallen waarin uit andere, hiertoe overgelegde bewijsstukken blijkt dat de in aanmerking te nemen toestand niet of niet langer overeenstemt met voornoemd informatiegegeven van het Rijksregister.
(Lid 3 opgeheven) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 3°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(§ 5. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, tweede lid, overschrijden, enkel omwille van de verhoging van het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen ingevolge het koninklijk besluit van 23 december 2005 tot wijziging, wat de hoogte van de invaliditeitsuitkeringen betreft, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast van 1 januari 2006 tot [2 31 december 2011]2 , op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt gedurende deze overgangsperiode.) <KB 2006-05-19/42, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
(§ 6. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel omwille van de verhoging vanaf 1 juli 2008 van de minimumpensioenen voor werknemers door het koninklijk besluit van 12 juni 2008 tot verhoging van het gewaarborgd minimumbedrag van het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, of enkel omwille van de verhoging vanaf 1 juli 2008 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen door de programmawet van 8 juni 2008, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.) <KB 2008-08-12/49, art. 1, 153; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
[1 § 7. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]1
[3 § 8. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[6 § 9. De gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste die samenwoont met een persoon bedoeld in § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 § 10. De gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste die samenwoont met een persoon bedoeld in § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 [ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies], van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[8 § 11. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]8
[11 § 12. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties zoals in deze paragraaf omschreven, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Voor de toepassing van het eerste lid gaat het om de verhogingen van de volgende sociale prestaties:
1° de verhogingen van de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 inzake de verhoging van het gewaarborgd minimumpensioen;
2° de verhogingen van de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 genomen met toepassing van artikel 132, § 2, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen;
3° de verhogingen van de bedragen van de inkomensgarantie voor ouderen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 inzake de verhoging van de inkomensgarantie voor ouderen;
4° de verhogingen van de bedragen van het leefloon in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon, evenals de verhogingen van de bedragen van de minimumuitkering toegekend aan de niet-regelmatige werknemers bedoeld in artikel 214, § 2 die gekoppeld zijn aan de toepasselijke bedragen van het leefloon;
5° de verhogingen van de minima en bepaalde forfaits in de werkloosheidsverzekering in uitvoering van het koninklijk besluit van 22 december 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering betreffende het verhogen van de minima in het kader van de strijd tegen de armoede;
6° de verhogingen van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming in uitvoering van het koninklijk besluit van 14 januari 2021 houdende verhoging van het bedrag van categorie A, B en C van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.]11
1° de gerechtigde die samenwoont met zijn echtgenoot;
2° de gerechtigde die samenwoont met een persoon waarmee hij een feitelijk gezin vormt; die persoon mag evenwel geen bloed- of aanverwant zijn van de gerechtigde tot de derde graad, noch een kind dat recht geeft op gezinsbijslagen of dat ten laste is van een ouder die een onderhoudsplicht heeft;
3° de gerechtigde die samenwoont met één of meer kinderen bedoeld in artikel 123, 3, behoudens de leeftijdsvoorwaarde voorzien in deze bepaling; wanneer een kind kan worden ingeschreven ten laste van verscheidene gerechtigden, wordt de volgorde van inschrijving toegepast bepaald in artikel 125, § 1, derde tot vijfde lid en § 2;
4° de gerechtigde die samenwoont met één of meerdere bloed- of aanverwanten tot de derde graad;
(5° de gerechtigde die alimentatiegeld betaalt, (op grond van een rechterlijke beslissing of een notariële akte, of op grond van een) onderhandse akte neergelegd bij de griffie van de rechtbank ingeval van procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed met onderlinge toestemming, en de gerechtigde wiens echtgenoot een deel van zijn uitkeringen ontvangt als sommen verschuldigd door derden, met toepassing van artikel 221 of 223 van het Burgerlijk Wetboek; deze bepaling is evenwel slechts van toepassing voor de gerechtigde die zich in de situatie bevindt bedoeld in artikel 226 en op voorwaarde dat het bedrag van het alimentatiegeld of van de toegekende sommen ten minste (111,55 EUR) per maand bedraagt;) <KB 1999-04-19/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <KB 2001-06-14/37, art. 9, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> <KB 2002-04-25/38, art. 1, 076; Inwerkingtreding : 27-05-2002>
6° (opgeheven) <KB 2007-01-29/46, art. 4, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
(tweede tot zevende lid opgeheven) <KB 2007-01-29/46, art. 4, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007; om deze wijziging uit te voeren heeft men verondersteld dat punt 6° van lid 1 uit een enig lid bestaat; noteer evenwel dat in het KB 2003-03-12/42, art. 25, 3°, sprake is van lid 7 van voornoemd punt 6°>
De personen bedoeld in het eerste lid, 1° tot 4° kunnen slechts als persoon ten laste worden beschouwd als zij geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of een vreemde wetgeving.) (Zij moeten bovendien financieel ten laste zijn van de gerechtigde zelf en niet van een andere persoon die deel uitmaakt van hetzelfde gezin.) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 1°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 1999-10-25/35, art. 1, 042; Inwerkingtreding : 05-12-1999>
§ 2. ( (De bij § 1, 3° en 4°, bedoelde gerechtigde) die tevens samenwoont met andere dan in die paragraaf opgesomde personen, behoudt slechts de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste wanneer deze andere personen geen enkele beroepsactiviteit uitoefenen en niet werkelijk in het genot zijn van een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving. Voor de toepassing van deze bepaling worden de bloed- of aanverwanten tot de derde graad van de echtgenoot van de gerechtigde of van de persoon, bedoeld in § 1, 2°, gelijkgesteld met bloed- of aanverwanten van de gerechtigde.) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 2°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 1999-04-19/33, art. 1, 031; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
De in § 1, 3° en 4°, bedoelde gerechtigde die tevens samenwoont met een in § 1, 1° of 2°, opgesomde persoon, kan uitsluitend de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste verkrijgen op de in § 1, 1° of 2°, bepaalde wijze.
(De voorwaarde van samenwoning is niet vereist gedurende het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde bedoeld in § 1, 1° tot 4°, gehospitaliseerd wordt of verblijft in een instelling of een dienst als bedoeld in artikel 34, 11° en 18°, van de gecoördineerde wet, (in voorlopige hechtenis is of van zijn vrijheid beroofd is), onverminderd de andere te vervullen voorwaarden voor het toekennen van de hoedanigheid van werknemer met persoon ten laste.) <KB 1996-11-25/37, art. 1, 004; Inwerkingtreding : 23-02-1997> <KB 2003-03-12/42, art. 25, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
§ 3. Onder beroepsactiviteit als bedoeld in de §§ 1 en 2 dient te worden verstaan iedere bezigheid die, naargelang van het geval, een inkomen als bedoeld in artikel 23, § 1, 1°, 2° of 4°, of in artikel 228, § 2, 3° en 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 kan opleveren, zelfs indien ze door een tussenpersoon wordt uitgeoefend, en iedere gelijkaardige bezigheid die wordt uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie. (Nochtans wordt met dit inkomen, alsook met de hiervoren bedoelde pensioenen, renten, tegemoetkomingen en uitkeringen, slechts rekening gehouden indien het totale bedrag ervan meer is dan ([4 707,07]4 euro) per maand; dit bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.) <KB 2003-02-19/39, art. 1, 086; Inwerkingtreding : 01-04-2003> <KB 2007-06-05/44, art. 4, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
Voor de toepassing van deze bepaling moet rekening worden gehouden met een twaalfde van het bedrag van de jaarlijks uitbetaalde voordelen, zoals de premies, de aandelen in de winst, de dertiende maand, de gratificaties, het dubbel vakantiegeld of de bedragen aan de werknemers betaald ter aanvulling van het dubbel vakantiegeld, alsmede het vakantiegeld of het aanvullend vakantiegeld uitbetaald aan de rechthebbenden op een rust- of overlevingspensioen. Het maandbedrag van het inkomen van niet in loondienst werkenden dat is bedoeld in artikel 23, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt fictief vastgesteld op een twaalfde van 100/80 van het verschil tussen de brutowinst of -baten en de desbetreffende bedrijfslasten. Het maandbedrag van het inkomen gevormd door uitkeringen of tegemoetkomingen als hiervoren bedoeld, die zijn uitgedrukt in een dagbedrag en waarop de rechthebbende aanspraak heeft over alle uitkeringsdagen van een bepaalde maand, wordt geacht overeen te stemmen met vorenbedoeld dagbedrag, vermenigvuldigd met 26; ingeval het gaat om uitkeringen wegens een tijdelijke arbeidsongeschiktheid, verleend krachtens de bepalingen van de wet van 10 april 1971 op de arbeidsongevallen of van de op 3 juni 1970 gecoördineerde wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, dient het voormelde dagbedrag vermenigvuldigd te worden met 30.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen, noch met de vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen toegekend krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 46 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 mei 1990.
De werkloze levert het bewijs dat hij een anciënniteitstoeslag geniet, met een verklaring opgesteld door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen; het genot van een vergoeding ter aanvulling van de werkloosheidsuitkeringen bewijst hij met een verklaring opgesteld door de werkgever belast met de uitbetaling van deze vergoeding.
Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de forfaitaire uitkeringstoeslag toegekend aan een werkloze die in het kader van een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap tewerkgesteld is krachtens artikel 79 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering [9 en met de vergoeding per wijk-werkcheque, verkregen voor prestaties die geleverd zijn in het kader van het wijk-werken bedoeld in artikel 34 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 juli 2017 betreffende wijk-werken en diverse bepalingen in het kader van de zesde staatshervorming]9.
[14 Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met de uitkering "interregionale mobiliteit" en de uitkering "knelpuntberoep" toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2022 tot instelling van een aanvullende uitkering voor langdurig werklozen die het werk hervatten in een ander gewest of in een knelpuntberoep.]14
(Voor de toepassing van dit artikel wordt evenmin rekening gehouden met een tegemoetkoming die wordt toegekend om het verlies of vermindering van zelfredzaamheid op te vangen.) <KB 2000-11-10/35, art. 1, 054; Inwerkingtreding : 08-12-2000>
[5 Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de verhoging vanaf 1 september 2011 van het dagbedrag van de minimumuitkering bedoeld in artikel 214, § 1, eerste lid, 2°, b), ingevoerd bij het koninklijk besluit van 6 juli 2011.]5
[10 Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [12 "het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]12, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de aanvullende primaire ongeschiktheidsuitkering toegekend overeenkomstig de wet van 24 juni 2020 houdende toekenning van een tijdelijke aanvulling op de uitkeringen voor primaire arbeidsongeschiktheid, evenals met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.
Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de tijdelijke premie toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 47 van 26 juni 2020 tot uitvoering van artikel 5, § 1, 3° en 5°, van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II), met het oog op het toekennen van een tijdelijke premie aan de gerechtigden op bepaalde sociale bijstandsuitkeringen.]10
[13 Voor de toepassing van dit artikel wordt geen rekening gehouden met de jobbonus of de jobbonus plus toegekend overeenkomstig het decreet van het Vlaamse Gewest van 20 mei 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus of het decreet van het Vlaamse Gewest en de Vlaamse Gemeenschap van 15 juli 2022 tot regeling van de toekenning van een jobbonus plus voor startende zelfstandigen.]13
§ 4. Het bewijs van elke in § 1 bedoelde toestand moet worden geleverd met een officieel getuigschrift dat in het dossier van de gerechtigde voorkomt, bij de uitbetaling van de invaliditeitsuitkeringen als gerechtigde met persoon ten laste.
Dit bewijs volgt, wat de voorwaarde van samenwonen betreft, uit het informatiegegeven bedoeld bij artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, verkregen bij het Rijksregister, behoudens de gevallen waarin uit andere, hiertoe overgelegde bewijsstukken blijkt dat de in aanmerking te nemen toestand niet of niet langer overeenstemt met voornoemd informatiegegeven van het Rijksregister.
(Lid 3 opgeheven) <KB 1998-07-05/34, art. 1, 3°, 022; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(§ 5. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, tweede lid, overschrijden, enkel omwille van de verhoging van het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen ingevolge het koninklijk besluit van 23 december 2005 tot wijziging, wat de hoogte van de invaliditeitsuitkeringen betreft, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast van 1 januari 2006 tot [2 31 december 2011]2 , op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt gedurende deze overgangsperiode.) <KB 2006-05-19/42, art. 1, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
(§ 6. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel omwille van de verhoging vanaf 1 juli 2008 van de minimumpensioenen voor werknemers door het koninklijk besluit van 12 juni 2008 tot verhoging van het gewaarborgd minimumbedrag van het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, of enkel omwille van de verhoging vanaf 1 juli 2008 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen door de programmawet van 8 juni 2008, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.) <KB 2008-08-12/49, art. 1, 153; Inwerkingtreding : 01-07-2008>
[1 § 7. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]1
[3 § 8. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[6 § 9. De gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste die samenwoont met een persoon bedoeld in § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 § 10. De gerechtigde die wordt beschouwd als werknemer met persoon ten laste die samenwoont met een persoon bedoeld in § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 [ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies], van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[8 § 11. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag als bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]8
[11 § 12. Wanneer de inkomsten van de persoon ten laste het bedrag bedoeld in § 3, eerste lid, overschrijden enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties zoals in deze paragraaf omschreven, behoudt de gerechtigde de hoedanigheid van gerechtigde met gezinslast, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.
Voor de toepassing van het eerste lid gaat het om de verhogingen van de volgende sociale prestaties:
1° de verhogingen van de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 inzake de verhoging van het gewaarborgd minimumpensioen;
2° de verhogingen van de bedragen van het gewaarborgd minimumpensioen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 genomen met toepassing van artikel 132, § 2, van de wet van 26 juni 1992 houdende sociale en diverse bepalingen;
3° de verhogingen van de bedragen van de inkomensgarantie voor ouderen in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 inzake de verhoging van de inkomensgarantie voor ouderen;
4° de verhogingen van de bedragen van het leefloon in uitvoering van het koninklijk besluit van 20 december 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon, evenals de verhogingen van de bedragen van de minimumuitkering toegekend aan de niet-regelmatige werknemers bedoeld in artikel 214, § 2 die gekoppeld zijn aan de toepasselijke bedragen van het leefloon;
5° de verhogingen van de minima en bepaalde forfaits in de werkloosheidsverzekering in uitvoering van het koninklijk besluit van 22 december 2020 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering betreffende het verhogen van de minima in het kader van de strijd tegen de armoede;
6° de verhogingen van de bedragen van de inkomensvervangende tegemoetkoming in uitvoering van het koninklijk besluit van 14 januari 2021 houdende verhoging van het bedrag van categorie A, B en C van de inkomensvervangende tegemoetkoming met toepassing van artikel 6, § 6, van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.]11
Modifications
Art. 225. § 1er. (Sont considérés comme travailleurs ayant personne à charge au sens de l'article 93 de la loi coordonnée :
1° le titulaire cohabitant avec son conjoint;
2° le titulaire cohabitant avec une personne avec laquelle il forme un ménage de fait; cette personne ne peut cependant être un parent ou allié jusqu'au troisième degré du titulaire ni un enfant bénéficiaire d'allocations familiales ou à charge d'un parent tenu à une obligation d'entretien;
3° le titulaire qui cohabite avec un ou des enfants visés à l'article 123, 3, exception faite de la condition d'âge prévue par cette dernière disposition; lorsqu'un enfant peut être inscrit à charge de plusieurs titulaires, il est fait application de l'ordre d'inscription déterminé à l'article 125, § 1er, alinéas 3 à 5 et § 2;
4° le titulaire qui cohabite avec un ou plusieurs parents ou alliés jusqu'au troisième degré inclus;
(5° le titulaire qui paie une pension alimentaire (sur base d'une décision judiciaire ou d'un acte notarié, ou sur base d'un) acte sous seing privé déposé au greffe du tribunal en cas de procédure de divorce ou de séparation de corps et de biens par consentement mutuel et le titulaire dont le conjoint perçoit une partie de ses indemnités au titre de sommes dues par des tiers, en application de l'article 221 ou 223 du code civil; cette disposition n'est cependant applicable qu'au titulaire qui se trouve dans la situation visée à l'article 226 et pour autant que le montant de la pension alimentaire ou de la délégation de sommes soit au moins égal à (111,55 EUR) par mois;) <AR 1999-04-19/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-1999> <AR 2001-06-14/37, art. 9, 061; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2002-04-25/38, art. 1, 076; En vigueur : 27-05-2002>
6° (abrogé) <AR 2007-01-29/46, art. 4, 139; En vigueur : 01-01-2007>
(alinéas 2 à 7 abrogés) <AR 2007-01-29/46, art. 4, 139; En vigueur : 01-01-2007; pour exécuter cette modification, on a supposé que le point 6° du premier alinéa ne comporte lui-même qu'un alinéa; noter pourtant que l'AR 2003-03-12/42, art. 25, 3°, parle de l'alinéa 7 de ce point 6°>
Les personnes visées à l'alinéa premier, 1° à 4° ne peuvent être considérées comme à charge que si elles n'exercent aucune activité professionnelle et ne bénéficient effectivement ni d'une pension ou d'une rente, ni d'une allocation ou d'une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère.) (Elles doivent en outre être financièrement à charge du titulaire lui-même et non d'une autre personne qui appartient au même ménage.) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 1°, 022; En vigueur : 01-01-1998> <AR 1999-10-25/35, art. 1, 042; En vigueur : 05-12-1999>
§ 2. ( (Le titulaire visé au § 1er, 3° et 4°), qui cohabite simultanément avec des personnes autres que celles qui sont énumérées à ce paragraphe, ne peut conserver la qualité de travailleur ayant personne à charge que si ces autres personnes n'exercent aucune activité professionnelle et ne bénéficient effectivement ni d'une pension, ni d'une rente, ni d'une allocation ou d'une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère. Pour l'application de la présente disposition, sont assimilés aux parents ou alliés du titulaire, les parents ou alliés jusqu'au troisième degré y inclus du conjoint du titulaire ou de la personne, visée au § 1er, 2°.) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 2°, 022; En vigueur : 01-01-1998> <AR 1999-04-19/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-1999>
Le titulaire visé au § 1er, 3° et 4°, qui cohabite simultanément avec une personne énumérée au § 1er, 1° ou 2°, peut exclusivement obtenir la qualité de travailleur ayant personne à charge de la manière visée au § 1er, 1° ou 2°.
(La condition de cohabitation n'est pas requise pendant la période au cours de laquelle le titulaire visé au § 1er, 1° à 4°, est hospitalisé ou hébergé dans une institution ou un service visé à l'article 34, 11° et 18°, de la loi coordonnée, (se trouve en situation de détention préventive ou de privation de liberté), sans préjudice des autres conditions à remplir pour la reconnaissance de la qualité de travailleur ayant personne à charge.) <AR 1996-11-25/37, art. 1, 004; En vigueur : 23-02-1997> <AR 2003-03-12/42, art. 25, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Par activité professionnelle au sens des §§ 1er et 2, il faut entendre toute activité professionnelle susceptible de produire des revenus visés, suivant le cas, à l'article 23, § 1er, 1°, 2° ou 4°, ou à l'article 228, § 2, 3° et 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992, même si elle est exercés par personne interposée, et toute activité analogue exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale. (Toutefois, il n'est tenu compte de ces revenus, ainsi que des pensions, rentes ou allocations et indemnités visées ci-dessus que si leur montant total est supérieur à ([4 707,07]4 euros) par mois; ce dernier montant est lié à l'indice-pivot 103,14 en vigueur le 1er juin 1999 (base 1996 = 100) et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix conformément aux dispositions visées à l'article 237.) <AR 2003-02-19/39, art. 1, 086; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-06-05/44, art. 4, 144; En vigueur : 09-07-2008>
Pour l'application de cette disposition, il y a lieu de tenir compte d'un douzième du montant des avantages payés annuellement, tels que les primes, les participations aux bénéfices, le treizième mois, les gratification, le double pécule ou les montants payés aux travailleurs en complément du double pécule, ainsi que le pécule de vacances ou le pécule complémentaire payé aux bénéficiaires d'une pension de retraite ou de survie. Le montant mensuel des revenus des travailleurs non salariés, visés à l'article 23, § 1er, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 est, en outre, fictivement fixé à un douzième de 100/80 de la différence entre les bénéfices ou profits bruts et les charges professionnelles y afférentes. Le montant mensuel des revenus constitués par des indemnités ou allocations visées ci-dessus, dont le montant est journalier et auxquelles le bénéficiaire peut prétendre pour tous les jours indemnisables d'un mois déterminé, est censé correspondre au montant journalier susvisé, multiplié par 26; s'il s'agit d'indemnités d'incapacité temporaire de travail, accordées en vertu des dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, il y a lieu de multiplier le montant journalier précité par 30.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte du complément d'ancienneté octroyé aux chômeurs âgés, ni de l'indemnité complémentaire aux allocations de chômage octroyée en vertu de la convention collective de travail n° 46 conclue au sein du Conseil national du travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 10 mai 1990.
Le chômeur prouve qu'il bénéficie d'un complément d'ancienneté au moyen d'une attestation établie par la caisse de paiement des allocations de chômage; il prouve le bénéfice d'une indemnité complémentaire aux allocations de chômage au moyen d'une attestation établie par l'employeur chargé du paiement de cette indemnité.
Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, de l'allocation complémentaire forfaitaire octroyée au chômeur occupé dans le cadre d'une agence locale pour l'emploi, en vertu de l'article 79 de l'arrête royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage [9 et de l'indemnité par chèque-travail de proximité, reçue pour prestations fournies dans le cadre du travail de proximité visé à l'article 34 du décret de la Communauté flamande du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité et à diverses dispositions dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat]9.
[14 Pour l'application du présent article, il n'est pas davantage tenu compte de l'allocation " mobilité interrégionale " et de l'allocation " métier en pénurie " octroyées en vertu de l'arrêté royal du 24 juin 2022 instaurant une allocation supplémentaire pour les chômeurs de longue durée qui reprennent le travail dans une autre région ou dans un métier en pénurie.]14
(Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, d'une allocation qui est accordée pour compenser la perte ou la réduction d'autonomie.) <AR 2000-11-10-35, art. 1, 054; En vigueur : 08-12-2000>
[5 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de l'augmentation à partir du 1er septembre 2011 du montant journalier de l'indemnité minimum visée à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 2°, b), introduite par l'arrêté royal du 6 juillet 2011.]5
[10 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte des compensations financières allouées par les régions, les communautés, les provinces ou les communes pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à l'application de [12 l'arrêté royal du 28 octobre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 et par tout autre arrêté royal ultérieur portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19]12, ou allouées conformément à une autre réglementation régionale, communautaire, provinciale ou communale pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à la pandémie du COVID-19. Dans ce cadre, il ne peut toutefois s'agir d'une intervention financière, le cas échéant réduite, à laquelle l'intéressé aurait pu prétendre sans l'application de la réglementation précitée fixée suite à la pandémie du COVID-19. En outre, cette disposition ne s'applique que si la règle sur base de laquelle la compensation financière est accordée prévoit expressément que cette compensation est accordée en vue de faire face aux conséquences économiques ou sociales directes ou indirectes de la pandémie de COVID-19.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de l'indemnité d'incapacité primaire supplémentaire octroyée conformément à la loi du 24 juin 2020 octroyant un complément temporaire aux indemnités d'incapacité primaire, ainsi que de l'indemnité de crise supplémentaire octroyée conformément à l'arrêté royal du 15 septembre 2020 portant octroi, suite à la pandémie COVID-19, d'une indemnité de crise supplémentaire à certains travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de la prime temporaire octroyée conformément à l'arrêté royal n° 47 du 26 juin 2020 pris en exécution de l'article 5, § 1er, 3° et 5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 (II) en vue de l'octroi d'une prime temporaire aux bénéficiaires de certaines allocations d'assistance sociale.]10
[13 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte du bonus emploi ou du bonus emploi plus octroyés conformément au décret de la Région flamande du 20 mai 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi ou au décret de la Région flamande et de la Communauté flamande du 15 juillet 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi plus aux indépendants débutants.]13
§ 4. La preuve de chaque situation visée au § 1er doit être établie au moyen d'une attestation officielle figurant au dossier du titulaire lors du paiement des indemnités d'invalidité en tant que titulaire avec personne à charge.
Cette preuve résulte, en ce qui concerne la condition de cohabitation, de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5° de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents probants produits à cet effet que la situation à prendre en considération ne correspond pas ou plus avec l'information susvisée du Registre national.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 3°, 022; En vigueur : 01-01-1998>
(§ 5. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 2, uniquement en raison de l'augmentation du montant des indemnités d'invalidité résultant de l'arrêté royal du 23 décembre 2005 modifiant, en ce qui concerne le montant des indemnités d'invalidité, l'arrête royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidant, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge du 1er janvier 2006 au [2 31 décembre 2011]2, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation pendant cette période transitoire.) <AR 2006-05-19/42, art. 1, 129; En vigueur : 01-01-2006>
(§ 6. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2008 des minima de pension des travailleurs salariés par l'arrêté royal du 12 juin 2008 portant augmentation du montant minimum garanti des pensions de retraite et de survie pour travailleurs salariés, ou uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2008 des minima de pension des travailleurs indépendants par la loi-programme du 8 juin 2008, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.) <AR 2008-08-12/49, art. 1, 153; En vigueur : 01-07-2008>
[1 § 7. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'application d'une mesure de revalorisation prise en exécution du Titre II, Chapitre II de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, ou du Titre V, Chapitre Ier de la même loi, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]1
[3 § 8. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er août 2010 des minima de pension des travailleurs indépendants, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 3 mars 2010 modifiant l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant des mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]3
[6 § 9. Le titulaire considéré comme travailleur ayant personne à charge qui cohabite avec une personne visée au § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension, à partir du 1er avril 2015, résultant de la modification, par l'arrêté royal du 27 mars 2015, de l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]6
[7 § 10. Le titulaire considéré comme travailleur ayant personne à charge qui cohabite avec une personne visée au § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er août 2016, résultant de l'insertion, par la loi-programme du 19 décembre 2014, de l'article 131bis, § 1erocties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]7
[8 § 11. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'octroi d'une prime de rattrapage à certains bénéficiaires d'une pension minimum dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre III de la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à certains bénéficiaires d'une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants, ou de l'augmentation de certaines pensions minima dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre IV de la même loi, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]8
[11 § 12. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation des prestations sociales comme décrite dans ce paragraphe, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il s'agit des augmentations des prestations sociales suivantes :
1° les augmentations des montants de la pension minimum garantie en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 relatif à l'augmentation de la pension minimum garantie;
2° les augmentations des montants de la pension minimum garantie en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 pris en application de l'article 132, § 2, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses;
3° les augmentations des montants de la garantie de revenus aux personnes âgées en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 relatif à l'augmentation de la garantie de revenus aux personnes âgées;
4° les augmentations des montants du revenu d'intégration en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 modifiant l'arrêté royal du 3 septembre 2004 visant l'augmentation des montants du revenu d'intégration, ainsi que les augmentations des montants de l'indemnité minimale accordée aux travailleurs non réguliers visés à l'article 214, § 2, liés aux montants applicables du revenu d'intégration;
5° les augmentations des minima et de certains forfaits dans l'assurance chômage en exécution de l'arrêté royal du 22 décembre 2020 modifiant l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage concernant l'augmentation des minima dans le cadre de la lutte contre la pauvreté;
6° les augmentations des montants de l'allocation de remplacement de revenus en exécution de l'arrêté royal du 14 janvier 2021 portant augmentation du montant des catégories A, B et C de l'allocation de remplacement de revenus en application de l'article 6, § 6 de la loi du 27 février 1987 sur les allocations aux personnes handicapées.]11
1° le titulaire cohabitant avec son conjoint;
2° le titulaire cohabitant avec une personne avec laquelle il forme un ménage de fait; cette personne ne peut cependant être un parent ou allié jusqu'au troisième degré du titulaire ni un enfant bénéficiaire d'allocations familiales ou à charge d'un parent tenu à une obligation d'entretien;
3° le titulaire qui cohabite avec un ou des enfants visés à l'article 123, 3, exception faite de la condition d'âge prévue par cette dernière disposition; lorsqu'un enfant peut être inscrit à charge de plusieurs titulaires, il est fait application de l'ordre d'inscription déterminé à l'article 125, § 1er, alinéas 3 à 5 et § 2;
4° le titulaire qui cohabite avec un ou plusieurs parents ou alliés jusqu'au troisième degré inclus;
(5° le titulaire qui paie une pension alimentaire (sur base d'une décision judiciaire ou d'un acte notarié, ou sur base d'un) acte sous seing privé déposé au greffe du tribunal en cas de procédure de divorce ou de séparation de corps et de biens par consentement mutuel et le titulaire dont le conjoint perçoit une partie de ses indemnités au titre de sommes dues par des tiers, en application de l'article 221 ou 223 du code civil; cette disposition n'est cependant applicable qu'au titulaire qui se trouve dans la situation visée à l'article 226 et pour autant que le montant de la pension alimentaire ou de la délégation de sommes soit au moins égal à (111,55 EUR) par mois;) <AR 1999-04-19/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-1999> <AR 2001-06-14/37, art. 9, 061; En vigueur : 01-01-2002> <AR 2002-04-25/38, art. 1, 076; En vigueur : 27-05-2002>
6° (abrogé) <AR 2007-01-29/46, art. 4, 139; En vigueur : 01-01-2007>
(alinéas 2 à 7 abrogés) <AR 2007-01-29/46, art. 4, 139; En vigueur : 01-01-2007; pour exécuter cette modification, on a supposé que le point 6° du premier alinéa ne comporte lui-même qu'un alinéa; noter pourtant que l'AR 2003-03-12/42, art. 25, 3°, parle de l'alinéa 7 de ce point 6°>
Les personnes visées à l'alinéa premier, 1° à 4° ne peuvent être considérées comme à charge que si elles n'exercent aucune activité professionnelle et ne bénéficient effectivement ni d'une pension ou d'une rente, ni d'une allocation ou d'une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère.) (Elles doivent en outre être financièrement à charge du titulaire lui-même et non d'une autre personne qui appartient au même ménage.) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 1°, 022; En vigueur : 01-01-1998> <AR 1999-10-25/35, art. 1, 042; En vigueur : 05-12-1999>
§ 2. ( (Le titulaire visé au § 1er, 3° et 4°), qui cohabite simultanément avec des personnes autres que celles qui sont énumérées à ce paragraphe, ne peut conserver la qualité de travailleur ayant personne à charge que si ces autres personnes n'exercent aucune activité professionnelle et ne bénéficient effectivement ni d'une pension, ni d'une rente, ni d'une allocation ou d'une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère. Pour l'application de la présente disposition, sont assimilés aux parents ou alliés du titulaire, les parents ou alliés jusqu'au troisième degré y inclus du conjoint du titulaire ou de la personne, visée au § 1er, 2°.) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 2°, 022; En vigueur : 01-01-1998> <AR 1999-04-19/33, art. 1, 031; En vigueur : 01-01-1999>
Le titulaire visé au § 1er, 3° et 4°, qui cohabite simultanément avec une personne énumérée au § 1er, 1° ou 2°, peut exclusivement obtenir la qualité de travailleur ayant personne à charge de la manière visée au § 1er, 1° ou 2°.
(La condition de cohabitation n'est pas requise pendant la période au cours de laquelle le titulaire visé au § 1er, 1° à 4°, est hospitalisé ou hébergé dans une institution ou un service visé à l'article 34, 11° et 18°, de la loi coordonnée, (se trouve en situation de détention préventive ou de privation de liberté), sans préjudice des autres conditions à remplir pour la reconnaissance de la qualité de travailleur ayant personne à charge.) <AR 1996-11-25/37, art. 1, 004; En vigueur : 23-02-1997> <AR 2003-03-12/42, art. 25, 090; En vigueur : 01-01-2003>
§ 3. Par activité professionnelle au sens des §§ 1er et 2, il faut entendre toute activité professionnelle susceptible de produire des revenus visés, suivant le cas, à l'article 23, § 1er, 1°, 2° ou 4°, ou à l'article 228, § 2, 3° et 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992, même si elle est exercés par personne interposée, et toute activité analogue exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale. (Toutefois, il n'est tenu compte de ces revenus, ainsi que des pensions, rentes ou allocations et indemnités visées ci-dessus que si leur montant total est supérieur à ([4 707,07]4 euros) par mois; ce dernier montant est lié à l'indice-pivot 103,14 en vigueur le 1er juin 1999 (base 1996 = 100) et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix conformément aux dispositions visées à l'article 237.) <AR 2003-02-19/39, art. 1, 086; En vigueur : 01-04-2003> <AR 2007-06-05/44, art. 4, 144; En vigueur : 09-07-2008>
Pour l'application de cette disposition, il y a lieu de tenir compte d'un douzième du montant des avantages payés annuellement, tels que les primes, les participations aux bénéfices, le treizième mois, les gratification, le double pécule ou les montants payés aux travailleurs en complément du double pécule, ainsi que le pécule de vacances ou le pécule complémentaire payé aux bénéficiaires d'une pension de retraite ou de survie. Le montant mensuel des revenus des travailleurs non salariés, visés à l'article 23, § 1er, 1° et 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992 est, en outre, fictivement fixé à un douzième de 100/80 de la différence entre les bénéfices ou profits bruts et les charges professionnelles y afférentes. Le montant mensuel des revenus constitués par des indemnités ou allocations visées ci-dessus, dont le montant est journalier et auxquelles le bénéficiaire peut prétendre pour tous les jours indemnisables d'un mois déterminé, est censé correspondre au montant journalier susvisé, multiplié par 26; s'il s'agit d'indemnités d'incapacité temporaire de travail, accordées en vertu des dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail ou des lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970, il y a lieu de multiplier le montant journalier précité par 30.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte du complément d'ancienneté octroyé aux chômeurs âgés, ni de l'indemnité complémentaire aux allocations de chômage octroyée en vertu de la convention collective de travail n° 46 conclue au sein du Conseil national du travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 10 mai 1990.
Le chômeur prouve qu'il bénéficie d'un complément d'ancienneté au moyen d'une attestation établie par la caisse de paiement des allocations de chômage; il prouve le bénéfice d'une indemnité complémentaire aux allocations de chômage au moyen d'une attestation établie par l'employeur chargé du paiement de cette indemnité.
Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, de l'allocation complémentaire forfaitaire octroyée au chômeur occupé dans le cadre d'une agence locale pour l'emploi, en vertu de l'article 79 de l'arrête royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage [9 et de l'indemnité par chèque-travail de proximité, reçue pour prestations fournies dans le cadre du travail de proximité visé à l'article 34 du décret de la Communauté flamande du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité et à diverses dispositions dans le cadre de la sixième réforme de l'Etat]9.
[14 Pour l'application du présent article, il n'est pas davantage tenu compte de l'allocation " mobilité interrégionale " et de l'allocation " métier en pénurie " octroyées en vertu de l'arrêté royal du 24 juin 2022 instaurant une allocation supplémentaire pour les chômeurs de longue durée qui reprennent le travail dans une autre région ou dans un métier en pénurie.]14
(Il n'est pas davantage tenu compte, pour l'application du présent article, d'une allocation qui est accordée pour compenser la perte ou la réduction d'autonomie.) <AR 2000-11-10-35, art. 1, 054; En vigueur : 08-12-2000>
[5 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de l'augmentation à partir du 1er septembre 2011 du montant journalier de l'indemnité minimum visée à l'article 214, § 1er, alinéa 1er, 2°, b), introduite par l'arrêté royal du 6 juillet 2011.]5
[10 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte des compensations financières allouées par les régions, les communautés, les provinces ou les communes pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à l'application de [12 l'arrêté royal du 28 octobre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 et par tout autre arrêté royal ultérieur portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19]12, ou allouées conformément à une autre réglementation régionale, communautaire, provinciale ou communale pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à la pandémie du COVID-19. Dans ce cadre, il ne peut toutefois s'agir d'une intervention financière, le cas échéant réduite, à laquelle l'intéressé aurait pu prétendre sans l'application de la réglementation précitée fixée suite à la pandémie du COVID-19. En outre, cette disposition ne s'applique que si la règle sur base de laquelle la compensation financière est accordée prévoit expressément que cette compensation est accordée en vue de faire face aux conséquences économiques ou sociales directes ou indirectes de la pandémie de COVID-19.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de l'indemnité d'incapacité primaire supplémentaire octroyée conformément à la loi du 24 juin 2020 octroyant un complément temporaire aux indemnités d'incapacité primaire, ainsi que de l'indemnité de crise supplémentaire octroyée conformément à l'arrêté royal du 15 septembre 2020 portant octroi, suite à la pandémie COVID-19, d'une indemnité de crise supplémentaire à certains travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail.
Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte de la prime temporaire octroyée conformément à l'arrêté royal n° 47 du 26 juin 2020 pris en exécution de l'article 5, § 1er, 3° et 5°, de la loi du 27 mars 2020 accordant des pouvoirs au Roi afin de prendre des mesures dans la lutte contre la propagation du coronavirus COVID-19 (II) en vue de l'octroi d'une prime temporaire aux bénéficiaires de certaines allocations d'assistance sociale.]10
[13 Pour l'application du présent article, il n'est pas tenu compte du bonus emploi ou du bonus emploi plus octroyés conformément au décret de la Région flamande du 20 mai 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi ou au décret de la Région flamande et de la Communauté flamande du 15 juillet 2022 réglant l'octroi d'un bonus emploi plus aux indépendants débutants.]13
§ 4. La preuve de chaque situation visée au § 1er doit être établie au moyen d'une attestation officielle figurant au dossier du titulaire lors du paiement des indemnités d'invalidité en tant que titulaire avec personne à charge.
Cette preuve résulte, en ce qui concerne la condition de cohabitation, de l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 5° de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques, obtenue auprès du Registre national, exception faite des cas dans lesquels il ressort d'autres documents probants produits à cet effet que la situation à prendre en considération ne correspond pas ou plus avec l'information susvisée du Registre national.
(Alinéa 3 abrogé) <AR 1998-07-05/34, art. 1, 3°, 022; En vigueur : 01-01-1998>
(§ 5. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 2, uniquement en raison de l'augmentation du montant des indemnités d'invalidité résultant de l'arrêté royal du 23 décembre 2005 modifiant, en ce qui concerne le montant des indemnités d'invalidité, l'arrête royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidant, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge du 1er janvier 2006 au [2 31 décembre 2011]2, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation pendant cette période transitoire.) <AR 2006-05-19/42, art. 1, 129; En vigueur : 01-01-2006>
(§ 6. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2008 des minima de pension des travailleurs salariés par l'arrêté royal du 12 juin 2008 portant augmentation du montant minimum garanti des pensions de retraite et de survie pour travailleurs salariés, ou uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2008 des minima de pension des travailleurs indépendants par la loi-programme du 8 juin 2008, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.) <AR 2008-08-12/49, art. 1, 153; En vigueur : 01-07-2008>
[1 § 7. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'application d'une mesure de revalorisation prise en exécution du Titre II, Chapitre II de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, ou du Titre V, Chapitre Ier de la même loi, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]1
[3 § 8. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er août 2010 des minima de pension des travailleurs indépendants, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 3 mars 2010 modifiant l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant des mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]3
[6 § 9. Le titulaire considéré comme travailleur ayant personne à charge qui cohabite avec une personne visée au § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension, à partir du 1er avril 2015, résultant de la modification, par l'arrêté royal du 27 mars 2015, de l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]6
[7 § 10. Le titulaire considéré comme travailleur ayant personne à charge qui cohabite avec une personne visée au § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er août 2016, résultant de l'insertion, par la loi-programme du 19 décembre 2014, de l'article 131bis, § 1erocties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]7
[8 § 11. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'octroi d'une prime de rattrapage à certains bénéficiaires d'une pension minimum dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre III de la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à certains bénéficiaires d'une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants, ou de l'augmentation de certaines pensions minima dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre IV de la même loi, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]8
[11 § 12. Lorsque les revenus de la personne à charge dépassent le montant visé au § 3, alinéa 1er, uniquement en raison de l'augmentation des prestations sociales comme décrite dans ce paragraphe, le titulaire maintient la qualité de titulaire avec personne à charge, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.
Pour l'application de l'alinéa 1er, il s'agit des augmentations des prestations sociales suivantes :
1° les augmentations des montants de la pension minimum garantie en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 relatif à l'augmentation de la pension minimum garantie;
2° les augmentations des montants de la pension minimum garantie en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 pris en application de l'article 132, § 2, de la loi du 26 juin 1992 portant des dispositions sociales et diverses;
3° les augmentations des montants de la garantie de revenus aux personnes âgées en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 relatif à l'augmentation de la garantie de revenus aux personnes âgées;
4° les augmentations des montants du revenu d'intégration en exécution de l'arrêté royal du 20 décembre 2020 modifiant l'arrêté royal du 3 septembre 2004 visant l'augmentation des montants du revenu d'intégration, ainsi que les augmentations des montants de l'indemnité minimale accordée aux travailleurs non réguliers visés à l'article 214, § 2, liés aux montants applicables du revenu d'intégration;
5° les augmentations des minima et de certains forfaits dans l'assurance chômage en exécution de l'arrêté royal du 22 décembre 2020 modifiant l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage concernant l'augmentation des minima dans le cadre de la lutte contre la pauvreté;
6° les augmentations des montants de l'allocation de remplacement de revenus en exécution de l'arrêté royal du 14 janvier 2021 portant augmentation du montant des catégories A, B et C de l'allocation de remplacement de revenus en application de l'article 6, § 6 de la loi du 27 février 1987 sur les allocations aux personnes handicapées.]11
Modifications
Art.226. Wordt beschouwd als werknemer zonder persoon ten laste aan wie een hogere uitkering kan worden toegekend wegens verlies van enig inkomen, zoals bedoeld in artikel 93, zesde lid, van de gecoördineerde wet, de gerechtigde die bewijst dat hij, hetzij alleen woont, hetzij uitsluitend samenwoont met personen die geen inkomen genieten en niet beschouwd worden als personen ten laste.
Art. 226bis. [2 § 1.]2 Est assimilé au travailleur visé à l'article 226, le titulaire qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er, 1° à 4°, et § 2, [6 qui perçoit soit seulement des revenus professionnels, soit des revenus professionnels et une pension, une rente, une allocation ou une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère dont le montant total mensuel]6 est supérieur au plafond de revenus visé à l'article 225, § 3, mais inférieur au montant du revenu minimum mensuel moyen visé à l'article 3, alinéa 1er, de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 29 juillet 1988.
Art. 226bis. <INGEVOEGD bij W 2004-07-06/31, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2004> [2 § 1.]1 Wordt gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, [6 die hetzij enkel een beroepsinkomen, hetzij een beroepsinkomen en een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving ontvangt, waarvan het totale maandelijkse bedrag]6 hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag, maar lager dan het bedrag van het gemiddeld minimummaandinkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.
[1 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]1
[3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
[6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde maandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[8 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 juli 2018 van het leefloon toegekend aan een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 2018 tot wijziging van de koninklijke besluiten van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon en tot verhoging van de toelage verleend aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als tegemoetkoming in de personeelskosten zoals bedoeld in artikel 40 van de wet betreffende het recht op de maatschappelijke integratie, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]8
[9 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]9
[2 § 2. Wordt eveneens gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, die een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering ontvangt krachtens een Belgische of vreemde wetgeving, waarvan het maandelijkse bedrag hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag zonder evenwel [4 778,1788]4 EUR per maand te overschrijden; dit laatste bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I, van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]2
[3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt, enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
[6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[9 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]9
[1 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]1
[3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
[6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde maandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[8 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 juli 2018 van het leefloon toegekend aan een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 2018 tot wijziging van de koninklijke besluiten van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon en tot verhoging van de toelage verleend aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als tegemoetkoming in de personeelskosten zoals bedoeld in artikel 40 van de wet betreffende het recht op de maatschappelijke integratie, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]8
[9 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]9
[2 § 2. Wordt eveneens gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, die een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering ontvangt krachtens een Belgische of vreemde wetgeving, waarvan het maandelijkse bedrag hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag zonder evenwel [4 778,1788]4 EUR per maand te overschrijden; dit laatste bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I, van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]2
[3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt, enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
[6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[9 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]9
Modifications
Art. 226. Est considéré comme travailleur sans personne à charge auquel une indemnité plus élevée peut être accordée pour perte de revenu unique, au sens de l'article 93, alinéa 6 de la loi coordonnée, le titulaire qui apporte la preuve, soit qu'il vit seul, soit qu'il cohabite exclusivement avec des personnes qui ne bénéficient d'aucun revenu et ne sont pas considérées comme personnes à charge.
Pour l'application de cet article est considéré comme revenu, tout revenu au sens de l'article 225, § 3, sans tenir compte des plafonds mentionnés à cet article.
La preuve de la situation visée à l'alinéa 1er, doit être apportée conformément aux dispositions de l'article 225, § 4.
Pour l'application de cet article est considéré comme revenu, tout revenu au sens de l'article 225, § 3, sans tenir compte des plafonds mentionnés à cet article.
La preuve de la situation visée à l'alinéa 1er, doit être apportée conformément aux dispositions de l'article 225, § 4.
Art. 226bis. <INGEVOEGD bij W 2004-07-06/31, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-2004> [2 § 1.]1 Wordt gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, [6 die hetzij enkel een beroepsinkomen, hetzij een beroepsinkomen en een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering krachtens een Belgische of vreemde wetgeving ontvangt, waarvan het totale maandelijkse bedrag]6 hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag, maar lager dan het bedrag van het gemiddeld minimummaandinkomen bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimummaandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988.
[1 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]1
[3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
[6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde maandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[8 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 juli 2018 van het leefloon toegekend aan een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 2018 tot wijziging van de koninklijke besluiten van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon en tot verhoging van de toelage verleend aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als tegemoetkoming in de personeelskosten zoals bedoeld in artikel 40 van de wet betreffende het recht op de maatschappelijke integratie, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]8
[9 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]9
[2 § 2. Wordt eveneens gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, die een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering ontvangt krachtens een Belgische of vreemde wetgeving, waarvan het maandelijkse bedrag hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag zonder evenwel [4 778,1788]4 EUR per maand te overschrijden; dit laatste bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I, van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]2
[3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt, enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
[6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[9 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]9
[1 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]1
[3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
[6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde maandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[8 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 juli 2018 van het leefloon toegekend aan een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 juni 2018 tot wijziging van de koninklijke besluiten van 3 september 2004 tot verhoging van de bedragen van het leefloon en tot verhoging van de toelage verleend aan het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als tegemoetkoming in de personeelskosten zoals bedoeld in artikel 40 van de wet betreffende het recht op de maatschappelijke integratie, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]8
[9 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het bedrag van het in hetzelfde lid bedoelde gemiddelde minimummaandinkomen overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]9
[2 § 2. Wordt eveneens gelijkgesteld met de werknemer, bedoeld in artikel 226, de gerechtigde die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1, 1° tot 4°, en § 2, die een pensioen, een rente, een tegemoetkoming of een uitkering ontvangt krachtens een Belgische of vreemde wetgeving, waarvan het maandelijkse bedrag hoger is dan het in artikel 225, § 3, bedoelde drempelbedrag zonder evenwel [4 778,1788]4 EUR per maand te overschrijden; dit laatste bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100) en wordt aan de schommelingen van het prijsindexcijfer aangepast overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 237.
Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toepassing van een revalorisatiemaatregel genomen in uitvoering van Titel II, Hoofdstuk II van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, of Titel V, Hoofdstuk I, van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]2
[3 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt, enkel ingevolge de verhoging vanaf 1 augustus 2010 van de minimumpensioenen voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 3 maart 2010 tot wijziging van het artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]3
[5 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen van zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 april 2015, ingevolge de wijziging van artikel 131bis, § 1septies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij het koninklijk besluit van 27 maart 2015, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]5
[6 De gerechtigde, gelijkgesteld met de werknemer bedoeld in artikel 226, die samenwoont met een persoon bedoeld in artikel 225, § 1 en § 2 die een minimumpensioen als zelfstandige ontvangt, blijft die hoedanigheid behouden ondanks de verhoging van dit pensioen vanaf 1 augustus 2016 ingevolge de invoeging van artikel 131bis, § 1octies, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen bij de programmawet van 19 december 2014, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]6
[7 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de toekenning van een inhaalpremie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk III van de wet van 6 juli 2016 tot toekenning van een premie aan sommige begunstigden van een minimumpensioen en tot verhoging van sommige minimumpensioenen, in het werknemers- en zelfstandigenstelsel, of de verhoging van sommige minimumpensioenen in het werknemers- of het zelfstandigenstelsel in uitvoering van Hoofdstuk IV van dezelfde wet, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]7
[9 Wanneer het maandelijks bedrag van het inkomen van de samenwonende persoon, bedoeld in het eerste lid, het in hetzelfde lid bedoelde drempelbedrag overschrijdt enkel ingevolge de verhoging van de sociale prestaties bedoeld in artikel 225, § 12, tweede lid, behoudt de gerechtigde de gelijkstelling met een werknemer bedoeld in artikel 226, op voorwaarde dat hij zich nog altijd in dezelfde situatie bevindt.]9
Modifications
Art. 226bis. [2 § 1.]2 Est assimilé au travailleur visé à l'article 226, le titulaire qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er, 1° à 4°, et § 2, [6 qui perçoit soit seulement des revenus professionnels, soit des revenus professionnels et une pension, une rente, une allocation ou une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère dont le montant total mensuel]6 est supérieur au plafond de revenus visé à l'article 225, § 3, mais inférieur au montant du revenu minimum mensuel moyen visé à l'article 3, alinéa 1er, de la convention collective de travail n° 43 du 2 mai 1988 portant modification et coordination des conventions collectives de travail n° 21 du 15 mai 1975 et n° 23 du 25 juillet 1975 relatives à la garantie d'un revenu minimum mensuel moyen, rendue obligatoire par l'arrêté royal du 29 juillet 1988.
[1 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'application d'une mesure de revalorisation prise en exécution du Titre II, Chapitre II de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, ou du Titre V, Chapitre Ier de la même loi, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]1
[3 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er août 2010 des minima de pensions des travailleurs indépendants, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 3 mars 2010 modifiant l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant des mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]3
[5 Le titulaire, assimilé au travailleur visé à l'article 226, qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er avril 2015, résultant de la modification, par l'arrêté royal du 27 mars 2015, de l'article 131bis, § 1er septies, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]5
[6 Le titulaire, assimilé au travailleur visé à l'article 226, qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er août 2016, résultant de l'insertion, par la loi-programme du 19 décembre 2014, de l'article 131bis, § 1erocties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]6
[7 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'octroi d'une prime de rattrapage à certains bénéficiaires d'une pension minimum dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre III de la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à certains bénéficiaires d'une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants, ou de l'augmentation de certaines pensions minima dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre IV de la même loi, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]7
[8 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2018 du revenu d'intégration octroyé à une personne vivant avec une famille à sa charge, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 22 juin 2018 modifiant les arrêtés royaux du 3 septembre 2004 visant l'augmentation des montants du revenu d'intégration et visant l'augmentation de la subvention accordée au centre public d'action sociale à titre d'intervention dans les frais de personnel visée à l'article 40 de la loi concernant le droit à l'intégration sociale, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]8
[9 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'augmentation des prestations sociales visée à l'article 225, § 12, alinéa 2, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]9
[2 § 2. Est également assimilé au travailleur visé à l'article 226, le titulaire qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er, 1° à 4°, et § 2, qui perçoit une pension, une rente, une allocation ou une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère dont le montant mensuel est supérieur au plafond de revenus visé à l'article 225, § 3, sans toutefois dépasser [4 778,1788]4 EUR par mois; ce dernier montant est lié à l'indice-pivot 103,14 en vigueur au 1er juin 1999 (base 1996 = 100) et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix conformément aux dispositions de l'article 237.
Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le plafond de revenus visé au même alinéa uniquement en raison de l'application d'une mesure de revalorisation prise en exécution du Titre II, Chapitre II, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, ou du Titre V, Chapitre Ier de la même loi, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]2
[3 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le plafond du revenu visé au même alinéa, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er août 2010 des minima de pensions des travailleurs indépendants, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 3 mars 2010 modifiant l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant des mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]3
[5 Le titulaire, assimilé au travailleur visé à l'article 226, qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er avril 2015, résultant de la modification, par l'arrêté royal du 27 mars 2015, de l'article 131bis, § 1er septies, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]5
[6 Le titulaire, assimilé au travailleur visé à l'article 226, qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er août 2016, résultant de l'insertion, par la loi-programme du 19 décembre 2014, de l'article 131bis, § 1erocties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]6
[7 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le plafond de revenus visé au même alinéa uniquement en raison de l'octroi d'une prime de rattrapage à certains bénéficiaires d'une pension minimum dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre III de la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à certains bénéficiaires d'une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants, ou de l'augmentation de certaines pensions minima dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre IV de la même loi, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]7
[9 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le plafond de revenus visé au même alinéa uniquement en raison de l'augmentation des prestations sociales visée à l'article 225, § 12, alinéa 2, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]9
[1 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'application d'une mesure de revalorisation prise en exécution du Titre II, Chapitre II de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, ou du Titre V, Chapitre Ier de la même loi, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]1
[3 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er août 2010 des minima de pensions des travailleurs indépendants, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 3 mars 2010 modifiant l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant des mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]3
[5 Le titulaire, assimilé au travailleur visé à l'article 226, qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er avril 2015, résultant de la modification, par l'arrêté royal du 27 mars 2015, de l'article 131bis, § 1er septies, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]5
[6 Le titulaire, assimilé au travailleur visé à l'article 226, qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er août 2016, résultant de l'insertion, par la loi-programme du 19 décembre 2014, de l'article 131bis, § 1erocties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]6
[7 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'octroi d'une prime de rattrapage à certains bénéficiaires d'une pension minimum dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre III de la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à certains bénéficiaires d'une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants, ou de l'augmentation de certaines pensions minima dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre IV de la même loi, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]7
[8 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er juillet 2018 du revenu d'intégration octroyé à une personne vivant avec une famille à sa charge, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 22 juin 2018 modifiant les arrêtés royaux du 3 septembre 2004 visant l'augmentation des montants du revenu d'intégration et visant l'augmentation de la subvention accordée au centre public d'action sociale à titre d'intervention dans les frais de personnel visée à l'article 40 de la loi concernant le droit à l'intégration sociale, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]8
[9 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le montant du revenu minimum mensuel moyen visé au même alinéa uniquement en raison de l'augmentation des prestations sociales visée à l'article 225, § 12, alinéa 2, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]9
[2 § 2. Est également assimilé au travailleur visé à l'article 226, le titulaire qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er, 1° à 4°, et § 2, qui perçoit une pension, une rente, une allocation ou une indemnité en vertu d'une législation belge ou étrangère dont le montant mensuel est supérieur au plafond de revenus visé à l'article 225, § 3, sans toutefois dépasser [4 778,1788]4 EUR par mois; ce dernier montant est lié à l'indice-pivot 103,14 en vigueur au 1er juin 1999 (base 1996 = 100) et est adapté aux fluctuations de l'indice des prix conformément aux dispositions de l'article 237.
Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le plafond de revenus visé au même alinéa uniquement en raison de l'application d'une mesure de revalorisation prise en exécution du Titre II, Chapitre II, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, ou du Titre V, Chapitre Ier de la même loi, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]2
[3 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le plafond du revenu visé au même alinéa, uniquement en raison de l'augmentation à partir du 1er août 2010 des minima de pensions des travailleurs indépendants, visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 3 mars 2010 modifiant l'article 131bis, § 1ersepties, de la loi du 15 mai 1984 portant des mesures d'harmonisation dans les régimes de pension, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]3
[5 Le titulaire, assimilé au travailleur visé à l'article 226, qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er avril 2015, résultant de la modification, par l'arrêté royal du 27 mars 2015, de l'article 131bis, § 1er septies, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]5
[6 Le titulaire, assimilé au travailleur visé à l'article 226, qui cohabite avec une personne visée à l'article 225, § 1er et § 2 qui perçoit une pension minimum de travailleur indépendant continue à maintenir cette qualité nonobstant l'augmentation de cette pension à partir du 1er août 2016, résultant de l'insertion, par la loi-programme du 19 décembre 2014, de l'article 131bis, § 1erocties, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]6
[7 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le plafond de revenus visé au même alinéa uniquement en raison de l'octroi d'une prime de rattrapage à certains bénéficiaires d'une pension minimum dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre III de la loi du 6 juillet 2016 accordant une prime à certains bénéficiaires d'une pension minimum et portant augmentation de certaines pensions minima, dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants, ou de l'augmentation de certaines pensions minima dans les régimes des travailleurs salariés et des travailleurs indépendants en exécution du Chapitre IV de la même loi, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]7
[9 Lorsque le montant mensuel du revenu de la personne cohabitant, visé à l'alinéa 1er, dépasse le plafond de revenus visé au même alinéa uniquement en raison de l'augmentation des prestations sociales visée à l'article 225, § 12, alinéa 2, le titulaire maintient l'assimilation avec un travailleur visé à l'article 226, à condition qu'il se trouve toujours dans la même situation.]9
Modifications
Art.227. In afwijking op artikel 225, § 2, eerste lid en artikel 226, eerste lid, behoudt de bij artikel 225, § 1, 1° tot 5°, bedoelde gerechtigde en de bij artikel 226 bedoelde gerechtigde zijn hoedanigheid wanneer hij samenwoont met personen die hem toevertrouwd worden in het kader van een gereglementeerde vorm van gezinsplaatsing. De voormelde gerechtigde behoudt tevens zijn hoedanigheid wanneer hijzelf het voorwerp uitmaakt van zulke vorm van gezinsplaatsing.
Section XIII. - De l'incidence du placement familial sur la qualité de travailleur ayant personne à charge.
Art. 227. <KB 1999-10-25/35, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 05-12-1999> In afwijking op artikel 225, § 2, eerste lid en artikel 226, eerste lid, behoudt de bij artikel 225, § 1, 1° tot 5°, bedoelde gerechtigde en de bij artikel 226 bedoelde gerechtigde zijn hoedanigheid wanneer hij samenwoont met personen die hem toevertrouwd worden in het kader van een gereglementeerde vorm van gezinsplaatsing. De voormelde gerechtigde behoudt tevens zijn hoedanigheid wanneer hijzelf het voorwerp uitmaakt van zulke vorm van gezinsplaatsing.
Art.228. <AR 2003-03-12/42, art. 26, 063; En vigueur : 01-01-2003> § 1er. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on entend la rémunération forfaitaire à charge du Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction, pour les jours de repos compensatoire secteur de la construction.
[2 § 1/1. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on entend l'indemnité qui est payée directement ou indirectement au travailleur visé dans le contrat de travail par l'employeur visé dans le contrat de travail, à la suite d'une convention conclue dans un délai de douze mois après la fin de celui-ci sur la base de laquelle l'ancien travailleur s'engage à ne pas débaucher de personnel ou de cocontractants indépendants auprès de son ancien employeur, soit en son propre nom et pour son propre compte, soit au nom et pour le compte d'un ou plusieurs tiers, et/ou s'engage à ne pas exercer d'activités similaires à celles qu'il exerçait chez son ancien employeur, soit en exploitant lui-même une entreprise, soit en entrant en service auprès d'un employeur concurrent.]2
[3 § 1er/2. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on n'entend pas la rémunération découlant d'une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, effectuée le premier jour de l'incapacité de travail, à condition que cette activité constitue la poursuite pure de l'exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail. ]3
§ 2. [4 ...]4
[2 § 1/1. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on entend l'indemnité qui est payée directement ou indirectement au travailleur visé dans le contrat de travail par l'employeur visé dans le contrat de travail, à la suite d'une convention conclue dans un délai de douze mois après la fin de celui-ci sur la base de laquelle l'ancien travailleur s'engage à ne pas débaucher de personnel ou de cocontractants indépendants auprès de son ancien employeur, soit en son propre nom et pour son propre compte, soit au nom et pour le compte d'un ou plusieurs tiers, et/ou s'engage à ne pas exercer d'activités similaires à celles qu'il exerçait chez son ancien employeur, soit en exploitant lui-même une entreprise, soit en entrant en service auprès d'un employeur concurrent.]2
[3 § 1er/2. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on n'entend pas la rémunération découlant d'une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, effectuée le premier jour de l'incapacité de travail, à condition que cette activité constitue la poursuite pure de l'exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail. ]3
§ 2. [4 ...]4
Art.228. § 1. Onder loon, als bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, wordt verstaan het forfaitaire loon dat ten laste komt van het Fonds voor bestaanszekerheid van de bouwvakkers en wordt verleend voor de dagen inhaalrust bouwbedrijf.
Section XV. - De la réduction des indemnités.
Art. 228. <KB 2003-03-12/42, art. 26, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003> § 1. Onder loon, als bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, wordt verstaan het forfaitaire loon dat ten laste komt van het Fonds voor bestaanszekerheid van de bouwvakkers en wordt verleend voor de dagen inhaalrust bouwbedrijf.
[2 § 1/1. Onder loon, als bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, wordt beschouwd, de vergoeding die rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever in de arbeidsovereenkomst, wordt betaald, aan de werknemer in de arbeidsovereenkomst, ingevolge een binnen een termijn van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomst op grond waarvan de vroegere werknemer zich ertoe verbindt om geen personeel of zelfstandige medecontractanten af te werven van zijn vroegere werkgever, hetzij in eigen naam en voor eigen rekening, hetzij in naam en voor rekening van één of meerdere derden, en/of zich ertoe verbindt om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als dewelke hij uitoefende bij zijn vroegere werkgever, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden van een concurrerende werkgever.]2
[3 § 1/2. Onder loon, als bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, wordt niet verstaan de bezoldiging die voortvloeit uit een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid is verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd.]3
§ 2. [4 ...]4
[2 § 1/1. Onder loon, als bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, wordt beschouwd, de vergoeding die rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever in de arbeidsovereenkomst, wordt betaald, aan de werknemer in de arbeidsovereenkomst, ingevolge een binnen een termijn van twaalf maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst gesloten overeenkomst op grond waarvan de vroegere werknemer zich ertoe verbindt om geen personeel of zelfstandige medecontractanten af te werven van zijn vroegere werkgever, hetzij in eigen naam en voor eigen rekening, hetzij in naam en voor rekening van één of meerdere derden, en/of zich ertoe verbindt om geen soortgelijke activiteiten uit te oefenen als dewelke hij uitoefende bij zijn vroegere werkgever, hetzij door zelf een onderneming uit te baten, hetzij door in dienst te treden van een concurrerende werkgever.]2
[3 § 1/2. Onder loon, als bedoeld in artikel 103, § 1, 1°, van de gecoördineerde wet, wordt niet verstaan de bezoldiging die voortvloeit uit een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die op de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid is verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd.]3
§ 2. [4 ...]4
Art. 228. <AR 2003-03-12/42, art. 26, 063; En vigueur : 01-01-2003> § 1er. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on entend la rémunération forfaitaire à charge du Fonds de sécurité d'existence des ouvriers de la construction, pour les jours de repos compensatoire secteur de la construction.
[2 § 1/1. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on entend l'indemnité qui est payée directement ou indirectement au travailleur visé dans le contrat de travail par l'employeur visé dans le contrat de travail, à la suite d'une convention conclue dans un délai de douze mois après la fin de celui-ci sur la base de laquelle l'ancien travailleur s'engage à ne pas débaucher de personnel ou de cocontractants indépendants auprès de son ancien employeur, soit en son propre nom et pour son propre compte, soit au nom et pour le compte d'un ou plusieurs tiers, et/ou s'engage à ne pas exercer d'activités similaires à celles qu'il exerçait chez son ancien employeur, soit en exploitant lui-même une entreprise, soit en entrant en service auprès d'un employeur concurrent.]2
[3 § 1er/2. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on n'entend pas la rémunération découlant d'une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, effectuée le premier jour de l'incapacité de travail, à condition que cette activité constitue la poursuite pure de l'exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail. ]3
§ 2. [4 ...]4
[2 § 1/1. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on entend l'indemnité qui est payée directement ou indirectement au travailleur visé dans le contrat de travail par l'employeur visé dans le contrat de travail, à la suite d'une convention conclue dans un délai de douze mois après la fin de celui-ci sur la base de laquelle l'ancien travailleur s'engage à ne pas débaucher de personnel ou de cocontractants indépendants auprès de son ancien employeur, soit en son propre nom et pour son propre compte, soit au nom et pour le compte d'un ou plusieurs tiers, et/ou s'engage à ne pas exercer d'activités similaires à celles qu'il exerçait chez son ancien employeur, soit en exploitant lui-même une entreprise, soit en entrant en service auprès d'un employeur concurrent.]2
[3 § 1er/2. Par rémunération au sens de l'article 103, § 1er, 1°, de la loi coordonnée, on n'entend pas la rémunération découlant d'une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, effectuée le premier jour de l'incapacité de travail, à condition que cette activité constitue la poursuite pure de l'exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail. ]3
§ 2. [4 ...]4
Art.229. De gerechtigde die met uitwerking na de aanvang van de arbeidsongeschiktheid, een gewone, bijzondere of aanvullende tegemoetkoming geniet als bepaald in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen, kan respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 150 of 125 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van de gewone, bijzondere of aanvullende tegemoetkoming als bepaald in de wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen, in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
Art.230.§ 1er. [6 Le titulaire bénéficiant d'un revenu professionnel découlant d'un travail autorisé dans les conditions fixées au § 2, par lequel il relève, d'une manière ou d'une autre, du champ d'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ainsi que de toute occupation similaire exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale, peut prétendre :
Art.230. § 1. [6 De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten arbeid onder de in § 2 bepaalde voorwaarden waardoor hij op enerlei wijze valt onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals uit elke gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie, kan aanspraak maken op :
1° hetzij een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, zolang de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid geen 20 % overschrijdt;
2° hetzij een bedrag gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie en, anderzijds, de vermenigvuldiging van hetzelfde dagbedrag met het gedeelte van de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid dat 20 % overschrijdt.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Onder "tewerkstellingsbreuk" bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, de verhouding tussen het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de werknemer geacht wordt de toegelaten arbeid te verrichten en het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de maatpersoon geacht wordt deze arbeid te verrichten.
Onder "beroepsinkomen" bedoeld in eerste lid wordt verstaan, elk inkomen als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° of artikel 23, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend. De premies en gelijkaardige voordelen die worden toegekend onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het kwartaal van hun aangifte aan de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen, worden evenwel niet in aanmerking genomen.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de gerechtigde die, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden, een activiteit van onthaalouder, zoals bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hervat, aanspraak maken op :
1° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 25 %, gedurende het eerste jaar van uitoefening van deze activiteit;
2° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 50 %, vanaf het tweede jaar van uitoefening van deze activiteit.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen de inkomsten die voortvloeien uit een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt.
[16 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de uitkering "interregionale mobiliteit" en de uitkering "knelpuntberoep" toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2022 tot instelling van een aanvullende uitkering voor langdurig werklozen die het werk hervatten in een ander gewest of in een knelpuntberoep.]16
De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de mindervaliden hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée", en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.]6
[6 § 1bis. [19 ...]19]6
[6 § 1ter. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten activiteit onder de in § 2 bepaalde voorwaarden die niet wordt bedoeld in § 1, kan aanspraak maken op een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 10 % zodra het tijdvak dat is gedekt door de toelating van de adviserend arts, een duur van zes maanden bereikt en dit tot en met 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als "beroepsinkomen" beschouwd, elk inkomen bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4° of artikel 90, eerste lid, 1° tot 2° en 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
Na het verstrijken van de periode bedoeld in het eerste lid wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit het drempelbedrag van 18.562,28 euro met ten minste 15 % overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 % wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de inkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder "het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten activiteit en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het tweede lid is van toepassing op het beroepsinkomen verworven in 2018. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Als er tussen twee periodes gedekt door een toelating geen tijdvak ligt dat minstens gelijk is aan een volledig kalenderkwartaal, wordt de tweede periode geacht de onmiddellijke voortzetting te zijn van de eerste periode voor de eventuele vermindering van de uitkering overeenkomstig de vorige leden.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen, de inkomsten die voortvloeien uit:
1° een mandaat van gemeenteraadslid;
2° een mandaat van lid van de raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van het mandaat van voorzitter van die raad;
3° een ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken.]6
[9 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [10 het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]10, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.]9
[11 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de inkomsten die voortvloeien uit een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]11
§ 2. [3 Om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, moet de gerechtigde elke hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en binnen dezelfde termijn bij de adviserend [7 arts]7 van zijn verzekeringsinstelling een aanvraag tot toelating indienen om die activiteit tijdens de ongeschiktheid uit te oefenen. De aangifte van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, evenals de aanvraag tot toelating aan de adviserend [7 arts]7 worden door de gerechtigde via éénzelfde door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen goedgekeurd formulier bij zijn verzekeringsinstelling ingediend.
[17 De in het vorige lid bedoelde formaliteiten worden echter geacht te zijn verricht op de eerste werkdag die de hervatting van de activiteit voorafgaat:
1° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen;
2° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen.]17
De adviserend [7 arts]7 van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid [13 bedoeld in het eerste lid of uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de aangifte en de aanvraag tot toelating bedoeld in het tweede lid]13. Hij kan de toelating verlenen om tijdens de ongeschiktheid een beroepsactiviteit uit te oefenen voor zover die verenigbaar is met de betrokken aandoening.
Het formulier met de toelating wordt uiterlijk binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving over de post toegestuurd. Als de adviserend [7 arts]7 met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier met de toelating na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
[18 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]18
Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. De verzekeringsinstelling draagt de gegevens met betrekking tot die toelating via een elektronisch bericht naar het RIZIV over.]3
[6 Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.]6
[3 § 2bis. Wanneer de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig § 1 [14 of § 1ter]14 berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 pct. die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in § 2, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
[8 Voor de toepassing van het vorige lid wordt de gerechtigde geacht het formulier op de vijfde werkdag voorafgaandelijk de dag van aanbrenging van de poststempel, of op de dag van ondertekening van dit formulier indien die na de voormelde vijfde werkdag ligt, te hebben verzonden. In dit kader worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.]8
De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.
§ 2ter. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de arbeidsongeschiktheid maakt omdat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, geen vermindering van minstens 50 pct. van zijn vermogen behoudt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van § 1 [15 , § 1ter]15 of § 2bis als hij de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.]3
1° hetzij een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, zolang de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid geen 20 % overschrijdt;
2° hetzij een bedrag gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie en, anderzijds, de vermenigvuldiging van hetzelfde dagbedrag met het gedeelte van de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid dat 20 % overschrijdt.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Onder "tewerkstellingsbreuk" bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, de verhouding tussen het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de werknemer geacht wordt de toegelaten arbeid te verrichten en het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de maatpersoon geacht wordt deze arbeid te verrichten.
Onder "beroepsinkomen" bedoeld in eerste lid wordt verstaan, elk inkomen als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° of artikel 23, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend. De premies en gelijkaardige voordelen die worden toegekend onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het kwartaal van hun aangifte aan de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen, worden evenwel niet in aanmerking genomen.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de gerechtigde die, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden, een activiteit van onthaalouder, zoals bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hervat, aanspraak maken op :
1° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 25 %, gedurende het eerste jaar van uitoefening van deze activiteit;
2° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 50 %, vanaf het tweede jaar van uitoefening van deze activiteit.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen de inkomsten die voortvloeien uit een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt.
[16 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de uitkering "interregionale mobiliteit" en de uitkering "knelpuntberoep" toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2022 tot instelling van een aanvullende uitkering voor langdurig werklozen die het werk hervatten in een ander gewest of in een knelpuntberoep.]16
De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de mindervaliden hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée", en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.]6
[6 § 1bis. [19 ...]19]6
[6 § 1ter. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten activiteit onder de in § 2 bepaalde voorwaarden die niet wordt bedoeld in § 1, kan aanspraak maken op een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 10 % zodra het tijdvak dat is gedekt door de toelating van de adviserend arts, een duur van zes maanden bereikt en dit tot en met 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als "beroepsinkomen" beschouwd, elk inkomen bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4° of artikel 90, eerste lid, 1° tot 2° en 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
Na het verstrijken van de periode bedoeld in het eerste lid wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit het drempelbedrag van 18.562,28 euro met ten minste 15 % overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 % wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de inkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder "het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten activiteit en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het tweede lid is van toepassing op het beroepsinkomen verworven in 2018. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Als er tussen twee periodes gedekt door een toelating geen tijdvak ligt dat minstens gelijk is aan een volledig kalenderkwartaal, wordt de tweede periode geacht de onmiddellijke voortzetting te zijn van de eerste periode voor de eventuele vermindering van de uitkering overeenkomstig de vorige leden.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen, de inkomsten die voortvloeien uit:
1° een mandaat van gemeenteraadslid;
2° een mandaat van lid van de raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van het mandaat van voorzitter van die raad;
3° een ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken.]6
[9 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [10 het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]10, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.]9
[11 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de inkomsten die voortvloeien uit een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]11
§ 2. [3 Om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, moet de gerechtigde elke hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en binnen dezelfde termijn bij de adviserend [7 arts]7 van zijn verzekeringsinstelling een aanvraag tot toelating indienen om die activiteit tijdens de ongeschiktheid uit te oefenen. De aangifte van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, evenals de aanvraag tot toelating aan de adviserend [7 arts]7 worden door de gerechtigde via éénzelfde door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen goedgekeurd formulier bij zijn verzekeringsinstelling ingediend.
[17 De in het vorige lid bedoelde formaliteiten worden echter geacht te zijn verricht op de eerste werkdag die de hervatting van de activiteit voorafgaat:
1° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen;
2° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen.]17
De adviserend [7 arts]7 van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid [13 bedoeld in het eerste lid of uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de aangifte en de aanvraag tot toelating bedoeld in het tweede lid]13. Hij kan de toelating verlenen om tijdens de ongeschiktheid een beroepsactiviteit uit te oefenen voor zover die verenigbaar is met de betrokken aandoening.
Het formulier met de toelating wordt uiterlijk binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving over de post toegestuurd. Als de adviserend [7 arts]7 met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier met de toelating na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
[18 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]18
Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. De verzekeringsinstelling draagt de gegevens met betrekking tot die toelating via een elektronisch bericht naar het RIZIV over.]3
[6 Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.]6
[3 § 2bis. Wanneer de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig § 1 [14 of § 1ter]14 berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 pct. die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in § 2, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
[8 Voor de toepassing van het vorige lid wordt de gerechtigde geacht het formulier op de vijfde werkdag voorafgaandelijk de dag van aanbrenging van de poststempel, of op de dag van ondertekening van dit formulier indien die na de voormelde vijfde werkdag ligt, te hebben verzonden. In dit kader worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.]8
De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.
§ 2ter. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de arbeidsongeschiktheid maakt omdat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, geen vermindering van minstens 50 pct. van zijn vermogen behoudt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van § 1 [15 , § 1ter]15 of § 2bis als hij de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.]3
Modifications
Art. 229. Le titulaire bénéficiant, avec effet après le début de l'incapacité de travail, d'une allocation ordinaire, spéciale ou complémentaire prévue par la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapes, peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, un montant égal à la différence entre 150 ou 125 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant de l'allocation ordinaire, spéciale ou complémentaire prévue par la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés, évalué en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul.
Pour l'application du présent arrêté, il n'est pas tenu compte du montant de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne prévu par l'article 2, § 4, de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés.
Le titulaire bénéficiant d'une allocation en vertu de l'arrêté royal du 24 décembre 1974 relatif aux allocations ordinaires et spéciales de handicapés a toutefois droit à indemnité d'incapacité de travail non réduite.
Pour l'application du présent arrêté, il n'est pas tenu compte du montant de l'allocation pour l'aide d'une tierce personne prévu par l'article 2, § 4, de la loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux handicapés.
Le titulaire bénéficiant d'une allocation en vertu de l'arrêté royal du 24 décembre 1974 relatif aux allocations ordinaires et spéciales de handicapés a toutefois droit à indemnité d'incapacité de travail non réduite.
Art. 230. § 1. [6 De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten arbeid onder de in § 2 bepaalde voorwaarden waardoor hij op enerlei wijze valt onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals uit elke gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie, kan aanspraak maken op :
1° hetzij een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, zolang de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid geen 20 % overschrijdt;
2° hetzij een bedrag gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie en, anderzijds, de vermenigvuldiging van hetzelfde dagbedrag met het gedeelte van de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid dat 20 % overschrijdt.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Onder "tewerkstellingsbreuk" bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, de verhouding tussen het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de werknemer geacht wordt de toegelaten arbeid te verrichten en het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de maatpersoon geacht wordt deze arbeid te verrichten.
Onder "beroepsinkomen" bedoeld in eerste lid wordt verstaan, elk inkomen als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° of artikel 23, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend. De premies en gelijkaardige voordelen die worden toegekend onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het kwartaal van hun aangifte aan de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen, worden evenwel niet in aanmerking genomen.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de gerechtigde die, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden, een activiteit van onthaalouder, zoals bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hervat, aanspraak maken op :
1° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 25 %, gedurende het eerste jaar van uitoefening van deze activiteit;
2° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 50 %, vanaf het tweede jaar van uitoefening van deze activiteit.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen de inkomsten die voortvloeien uit een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt.
[16 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de uitkering "interregionale mobiliteit" en de uitkering "knelpuntberoep" toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2022 tot instelling van een aanvullende uitkering voor langdurig werklozen die het werk hervatten in een ander gewest of in een knelpuntberoep.]16
De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de mindervaliden hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée", en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.]6
[6 § 1bis. [19 ...]19]6
[6 § 1ter. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten activiteit onder de in § 2 bepaalde voorwaarden die niet wordt bedoeld in § 1, kan aanspraak maken op een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 10 % zodra het tijdvak dat is gedekt door de toelating van de adviserend arts, een duur van zes maanden bereikt en dit tot en met 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als "beroepsinkomen" beschouwd, elk inkomen bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4° of artikel 90, eerste lid, 1° tot 2° en 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
Na het verstrijken van de periode bedoeld in het eerste lid wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit het drempelbedrag van 18.562,28 euro met ten minste 15 % overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 % wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de inkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder "het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten activiteit en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het tweede lid is van toepassing op het beroepsinkomen verworven in 2018. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Als er tussen twee periodes gedekt door een toelating geen tijdvak ligt dat minstens gelijk is aan een volledig kalenderkwartaal, wordt de tweede periode geacht de onmiddellijke voortzetting te zijn van de eerste periode voor de eventuele vermindering van de uitkering overeenkomstig de vorige leden.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen, de inkomsten die voortvloeien uit:
1° een mandaat van gemeenteraadslid;
2° een mandaat van lid van de raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van het mandaat van voorzitter van die raad;
3° een ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken.]6
[9 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [10 het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]10, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.]9
[11 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de inkomsten die voortvloeien uit een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]11
§ 2. [3 Om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, moet de gerechtigde elke hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en binnen dezelfde termijn bij de adviserend [7 arts]7 van zijn verzekeringsinstelling een aanvraag tot toelating indienen om die activiteit tijdens de ongeschiktheid uit te oefenen. De aangifte van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, evenals de aanvraag tot toelating aan de adviserend [7 arts]7 worden door de gerechtigde via éénzelfde door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen goedgekeurd formulier bij zijn verzekeringsinstelling ingediend.
[17 De in het vorige lid bedoelde formaliteiten worden echter geacht te zijn verricht op de eerste werkdag die de hervatting van de activiteit voorafgaat:
1° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen;
2° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen.]17
De adviserend [7 arts]7 van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid [13 bedoeld in het eerste lid of uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de aangifte en de aanvraag tot toelating bedoeld in het tweede lid]13. Hij kan de toelating verlenen om tijdens de ongeschiktheid een beroepsactiviteit uit te oefenen voor zover die verenigbaar is met de betrokken aandoening.
Het formulier met de toelating wordt uiterlijk binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving over de post toegestuurd. Als de adviserend [7 arts]7 met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier met de toelating na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
[18 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]18
Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. De verzekeringsinstelling draagt de gegevens met betrekking tot die toelating via een elektronisch bericht naar het RIZIV over.]3
[6 Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.]6
[3 § 2bis. Wanneer de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig § 1 [14 of § 1ter]14 berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 pct. die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in § 2, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
[8 Voor de toepassing van het vorige lid wordt de gerechtigde geacht het formulier op de vijfde werkdag voorafgaandelijk de dag van aanbrenging van de poststempel, of op de dag van ondertekening van dit formulier indien die na de voormelde vijfde werkdag ligt, te hebben verzonden. In dit kader worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.]8
De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.
§ 2ter. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de arbeidsongeschiktheid maakt omdat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, geen vermindering van minstens 50 pct. van zijn vermogen behoudt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van § 1 [15 , § 1ter]15 of § 2bis als hij de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.]3
1° hetzij een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, zolang de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid geen 20 % overschrijdt;
2° hetzij een bedrag gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie en, anderzijds, de vermenigvuldiging van hetzelfde dagbedrag met het gedeelte van de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid dat 20 % overschrijdt.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Onder "tewerkstellingsbreuk" bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, de verhouding tussen het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de werknemer geacht wordt de toegelaten arbeid te verrichten en het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de maatpersoon geacht wordt deze arbeid te verrichten.
Onder "beroepsinkomen" bedoeld in eerste lid wordt verstaan, elk inkomen als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° of artikel 23, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend. De premies en gelijkaardige voordelen die worden toegekend onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het kwartaal van hun aangifte aan de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen, worden evenwel niet in aanmerking genomen.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de gerechtigde die, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden, een activiteit van onthaalouder, zoals bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hervat, aanspraak maken op :
1° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 25 %, gedurende het eerste jaar van uitoefening van deze activiteit;
2° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 50 %, vanaf het tweede jaar van uitoefening van deze activiteit.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen de inkomsten die voortvloeien uit een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt.
[16 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de uitkering "interregionale mobiliteit" en de uitkering "knelpuntberoep" toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2022 tot instelling van een aanvullende uitkering voor langdurig werklozen die het werk hervatten in een ander gewest of in een knelpuntberoep.]16
De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de mindervaliden hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée", en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.]6
[6 § 1bis. [19 ...]19]6
[6 § 1ter. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten activiteit onder de in § 2 bepaalde voorwaarden die niet wordt bedoeld in § 1, kan aanspraak maken op een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 10 % zodra het tijdvak dat is gedekt door de toelating van de adviserend arts, een duur van zes maanden bereikt en dit tot en met 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als "beroepsinkomen" beschouwd, elk inkomen bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4° of artikel 90, eerste lid, 1° tot 2° en 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
Na het verstrijken van de periode bedoeld in het eerste lid wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit het drempelbedrag van 18.562,28 euro met ten minste 15 % overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 % wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de inkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder "het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten activiteit en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het tweede lid is van toepassing op het beroepsinkomen verworven in 2018. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Als er tussen twee periodes gedekt door een toelating geen tijdvak ligt dat minstens gelijk is aan een volledig kalenderkwartaal, wordt de tweede periode geacht de onmiddellijke voortzetting te zijn van de eerste periode voor de eventuele vermindering van de uitkering overeenkomstig de vorige leden.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen, de inkomsten die voortvloeien uit:
1° een mandaat van gemeenteraadslid;
2° een mandaat van lid van de raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van het mandaat van voorzitter van die raad;
3° een ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken.]6
[9 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de financiële vergoedingen die door de gewesten, gemeenschappen, provincies of gemeenten worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de toepassing van [10 het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken en elk ander later koninklijk besluit houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken]10, of die overeenkomstig andere gewestelijke, gemeenschaps-, provinciale of gemeentelijke regelgeving worden toegekend voor de economische of sociale gevolgen die worden ondervonden naar aanleiding van de COVID-19-pandemie. In dit kader mag het evenwel niet gaan om een, in voorkomend geval verminderde, financiële vergoeding waarop de betrokkene zonder de toepassing van de voormelde regelgeving bepaald naar aanleiding van de COVID-19-pandemie zou hebben kunnen aanspraak maken. Deze bepaling is bovendien enkel van toepassing als in de regeling op grond waarvan de financiële vergoeding wordt verleend, uitdrukkelijk is bepaald dat deze vergoeding wordt verleend om aan de rechtstreekse of onrechtstreekse economische of sociale gevolgen van de COVID-19-pandemie het hoofd te bieden.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de aanvullende crisisuitkering toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 15 september 2020 houdende toekenning, ingevolge de COVID-19-pandemie, van een aanvullende crisisuitkering aan sommige arbeidsongeschikt erkende zelfstandigen en meewerkende echtgenoten.]9
[11 Voor de toepassing van deze paragraaf wordt evenmin rekening gehouden met de inkomsten die voortvloeien uit een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]11
§ 2. [3 Om de toelating te bekomen tot de uitoefening van een beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, moet de gerechtigde elke hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid uiterlijk op de eerste werkdag die onmiddellijk aan die hervatting voorafgaat bij zijn verzekeringsinstelling aangeven en binnen dezelfde termijn bij de adviserend [7 arts]7 van zijn verzekeringsinstelling een aanvraag tot toelating indienen om die activiteit tijdens de ongeschiktheid uit te oefenen. De aangifte van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid, evenals de aanvraag tot toelating aan de adviserend [7 arts]7 worden door de gerechtigde via éénzelfde door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen goedgekeurd formulier bij zijn verzekeringsinstelling ingediend.
[17 De in het vorige lid bedoelde formaliteiten worden echter geacht te zijn verricht op de eerste werkdag die de hervatting van de activiteit voorafgaat:
1° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit bedoeld in artikel 17, § 1, eerste lid, 1° en 3° tot en met 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen;
2° indien de gerechtigde die, tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid, een activiteit in het kader van niet-rechtstreekse toegankelijke zorg en ondersteuning voor een persoon met een handicap die wordt gefinancierd via een persoonlijk assistentiebudget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap of via een persoonsvolgend budget overeenkomstig het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en ondersteuning voor personen met een handicap heeft verricht in uitvoering van een overeenkomst die reeds vóór de aanvang van de arbeidsongeschiktheid werd gesloten en effectief is uitgevoerd, binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de aangifte van de arbeidsongeschiktheid de uitoefening van deze activiteit bij zijn verzekeringsinstelling aangeeft en een aanvraag tot toelating indient om die activiteit tijdens de arbeidsongeschiktheid uit te oefenen.]17
De adviserend [7 arts]7 van de verzekeringsinstelling moet zijn beslissing nemen uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste dag van de hervatting van de beroepsactiviteit tijdens de ongeschiktheid [13 bedoeld in het eerste lid of uiterlijk de dertigste werkdag te rekenen vanaf de aangifte en de aanvraag tot toelating bedoeld in het tweede lid]13. Hij kan de toelating verlenen om tijdens de ongeschiktheid een beroepsactiviteit uit te oefenen voor zover die verenigbaar is met de betrokken aandoening.
Het formulier met de toelating wordt uiterlijk binnen zeven kalenderdagen vanaf de beslissing aan de gerechtigde als kennisgeving over de post toegestuurd. Als de adviserend [7 arts]7 met het oog op het nemen van zijn beslissing een geneeskundig onderzoek heeft uitgevoerd, kan het formulier met de toelating na afloop van het geneeskundig onderzoek aan de gerechtigde worden overhandigd.
[18 Onverminderd de bevoegdheid van de adviserend arts om overeenkomstig de vorige leden te beslissen over elke door de gerechtigde ingediende aanvraag tot toelating, kan ook de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van deze bepaling de beslissing tot het verlengen van een eerder verstrekte toelating nemen.]18
Die toelating waarin de aard, het volume en de voorwaarden tot uitoefening van die activiteit nader zijn opgegeven, wordt in het geneeskundig en administratief dossier van de betrokkene bij de verzekeringsinstelling geborgen. De verzekeringsinstelling draagt de gegevens met betrekking tot die toelating via een elektronisch bericht naar het RIZIV over.]3
[6 Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.]6
[3 § 2bis. Wanneer de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteit laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, worden de overeenkomstig § 1 [14 of § 1ter]14 berekende uitkeringen toegekend met een vermindering van 10 pct. die op het dagbedrag van de uitkering wordt toegepast tot en met de dag waarop het in § 2, eerste lid bedoelde formulier is verzonden, waarbij de poststempel bewijskracht heeft, of dit formulier aan de verzekeringsinstelling is bezorgd.
[8 Voor de toepassing van het vorige lid wordt de gerechtigde geacht het formulier op de vijfde werkdag voorafgaandelijk de dag van aanbrenging van de poststempel, of op de dag van ondertekening van dit formulier indien die na de voormelde vijfde werkdag ligt, te hebben verzonden. In dit kader worden alle dagen van het jaar, behalve de zondagen en de wettelijke feestdagen, als werkdagen beschouwd.]8
De uitkeringen worden zonder vermindering toegekend vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de in het eerste lid bedoelde formaliteiten zijn vervuld.
Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.
§ 2ter. De gerechtigde aan wie een beslissing tot weigering van de toekenning van de toelating om een activiteit te hervatten ter kennis wordt gebracht of een beslissing ter kennis wordt gebracht die een einde aan de arbeidsongeschiktheid maakt omdat hij, van een geneeskundig oogpunt uit, geen vermindering van minstens 50 pct. van zijn vermogen behoudt, geniet tijdens de periode die de ingangsdatum van de bovenbedoelde beslissingen voorafgaat, uitkeringen die zijn berekend overeenkomstig de bepalingen van § 1 [15 , § 1ter]15 of § 2bis als hij de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten laattijdig, maar binnen een termijn van 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de werkhervatting heeft vervuld.
Als de gerechtigde de in § 2, eerste lid bedoelde formaliteiten binnen een termijn van meer dan 14 kalenderdagen te rekenen vanaf de hervatting van een activiteit heeft vervuld, zijn de bepalingen van artikel 101 van de gecoördineerde wet van toepassing tot de datum waarop de beslissing van de adviserend [7 arts]7 uitwerking heeft.]3
Modifications
Art. 230. § 1er. [6 Le titulaire bénéficiant d'un revenu professionnel découlant d'un travail autorisé dans les conditions fixées au § 2, par lequel il relève, d'une manière ou d'une autre, du champ d'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ainsi que de toute occupation similaire exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale, peut prétendre :
1° soit à un montant égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, tant que la fraction d'occupation de ce travail autorisé ne dépasse pas 20 % ;
2° soit à un montant égal à la différence entre, d'une part, le montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul et, d'autre part, la multiplication de ce même montant journalier par la partie de la fraction d'occupation de ce travail autorisé qui dépasse 20 % .
Pour l'application de l'alinéa précédent, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Par " fraction d'occupation " visée à l'alinéa 1er, on entend le rapport entre le nombre moyen d'heures par semaine durant lesquelles le travailleur est censé effectuer le travail autorisé et le nombre moyen d'heures par semaine pendant lesquelles la personne de référence est censée effectuer ce travail.
Il y lieu d'entendre par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, tout revenu visé à l'article 17, § 1er, 5° ou l'article 23, § 1er, 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire se procure par une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu. Les primes et avantages similaires accordés, indépendamment du nombre de journées de travail prestées effectivement durant le trimestre de leur déclaration à l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, ne sont toutefois pas pris en considération.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, le titulaire qui reprend, dans les conditions fixées au § 2, une activité de gardien d'enfants, visée à l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs peut prétendre :
1° au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 25 %, durant la première année d'exercice de cette activité;
2° au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 50 %, à partir de la deuxième année d'exercice de cette activité.
Pour l'application du présent paragraphe, les revenus provenant d'une occupation exercée, en dehors du circuit normal du travail, dans une entreprise relevant de la commission paritaire 327 pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les " maatwerkbedrijven " ne sont toutefois pas pris en considération.
[15 Pour l'application du présent paragraphe, il n'est pas davantage tenu compte de l'allocation " mobilité interrégionale " et de l'allocation " métier en pénurie " octroyées en vertu de l'arrêté royal du 24 juin 2022 instaurant une allocation supplémentaire pour les chômeurs de longue durée qui reprennent le travail dans une autre région ou dans un métier en pénurie.]15
Les avantages accordés par les organismes ayant pour mission le reclassement social et professionnel des handicapés ou par les entreprises ou institutions publiques contractantes, conformément au décret de la Communauté germanophone du 13 décembre 2016 portant création d'un "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", au décret de la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-capitale du 17 janvier 2014 relatif à l'inclusion de la personne handicapée, et au Code wallon de l'Action sociale et de la Santé du 29 septembre 2011, et à leurs arrêtés d'exécution, ne sont pas pris en considération pour opérer la réduction de l'indemnité d'incapacité de travail conformément aux dispositions de l'alinéa 1er. Le titulaire demande à l'organisme, l'entreprise ou l'institution publique concerné une attestation qui stipule que les avantages sont accordés en conformité avec le décret concerné et ses arrêtés d'exécution. Cette attestation est jointe au dossier du titulaire.]6
[6 § 1erbis. [18 ...]18]6
[6 § 1erter. Le titulaire qui bénéficie d'un revenu professionnel, découlant d'une activité autorisée dans les conditions fixées au § 2, qui n'est pas visé au § 1er, peut prétendre à un montant égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 10 % à partir du moment où la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil atteint une durée de six mois et jusqu'au 31 décembre de la troisième année suivant celle du début de l'activité autorisée.
Pour l'application du présent paragraphe, sont considérés comme " revenu professionnel " tout revenu visé à l'article 17, § 1er, 5°, à l'article 23, § 1er, 1°, 2° et 4°, ou à l'article 90, alinéa 1er, 1° au 2° et 12°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire obtient par l'exercice d'une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente accordée en remplacement de ces revenus.
A l'expiration de la période visée à l'alinéa 1er, le paiement des indemnités est entièrement suspendu si le montant du revenu professionnel découlant de l'activité autorisée dépasse le plafond de 18.562,28 euros à raison de 15 % au moins. Si le dépassement du plafond précité est inférieur à 15 %, le montant de l'indemnité pour l'année civile concernée est suspendu au prorata d'un pourcentage du montant de l'indemnité égal au pourcentage de dépassement dudit plafond.
Pour l'application de l'alinéa 2, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Les revenus pris en considération pour l'application de l'alinéa 2 sont ceux de la troisième année civile complète précédant celle de l'application de celui-ci; la période de référence est fixée de la même manière pour les années subséquentes.
Pour l'application de l'alinéa 2, on entend par " montant du revenu professionnel découlant de l'activité autorisée " le montant net imposable découlant de l'activité autorisée et qui a été pris en compte par l'Administration des contributions directes pour l'imposition de l'année concernée.
Le plafond visé à l'alinéa 2 est applicable au revenu professionnel perçu en 2018. Pour l'application de la règle de cumul aux revenus perçus au cours des années civiles subséquentes, il est tenu compte du plafond indexé au 1er janvier de la période de référence conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor Public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
En l'absence d'interruption d'au moins un trimestre civil complet entre la période couverte par deux autorisations, la deuxième période est considérée comme la poursuite de la première période pour la réduction éventuelle de l'indemnité conformément aux alinéas précédents.
Pour l'application du présent paragraphe, ne sont toutefois pas pris en considération, les revenus provenant:
1° d'un mandat de conseiller communal;
2° d'un mandat de membre du conseil d'un centre public d'action sociale, à l'exclusion du mandat de président de ce conseil;
3° d'une fonction de juge social, de juge consulaire ou de conseiller social.]6
[8 Pour l'application du présent paragraphe, il n'est pas davantage tenu compte des compensations financières allouées par les régions, les communautés, les provinces ou les communes pour des conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à l'application de [9 l'arrêté royal du 28 octobre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 et par tout autre arrêté royal ultérieur portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 ]9, ou allouées conformément à une autre réglementation régionale, communautaire, provinciale ou communale pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à la pandémie du COVID-19. Dans ce cadre, il ne peut toutefois pas s'agir d'une intervention financière, le cas échéant réduite, à laquelle l'intéressé aurait pu prétendre sans l'application de la réglementation précitée fixée suite à la pandémie du COVID-19. En outre, cette disposition ne s'applique que si la règle sur base de laquelle la compensation financière est accordée prévoit expressément que cette compensation est accordée en vue de faire face aux conséquences économiques ou sociales directes ou indirectes de la pandémie de COVID-19.
Pour l'application du présent paragraphe, il n'est davantage pas tenu compte de l'indemnité de crise supplémentaire octroyée conformément à l'arrêté royal du 15 septembre 2020 portant octroi, suite à la pandémie COVID-19, d'une indemnité de crise supplémentaire à certains travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail.]8
[10 Pour l'application du présent paragraphe, il n'est pas davantage tenu compte des revenus découlant d'une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs. ]10
§ 2. [3 Pour obtenir l'autorisation d'exercer une activité professionnelle au cours de l'incapacité, le titulaire doit déclarer à son organisme assureur, toute reprise d'activité professionnelle au cours de l'incapacité, au plus tard le premier jour ouvrable qui précède immédiatement cette reprise et introduire, dans le même délai, auprès du médecin-conseil de son organisme assureur, une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité. La déclaration de reprise de l'activité professionnelle au cours de l'incapacité ainsi que la demande d'autorisation au médecin-conseil sont introduites par le titulaire à son organisme assureur au moyen d'un formulaire unique approuvé par le Comité de gestion du Service des indemnités.
[16 Les formalités visées à l'alinéa précédent sont toutefois réputées avoir été accomplies le premier jour ouvrable avant la reprise de l'activité :
1° si le titulaire qui a, durant la période d'incapacité de travail, exercé une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs en exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail, déclare l'exercice de cette activité à son organisme assureur et introduit une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité de travail, dans un délai d'un mois à compter de la déclaration de l'incapacité de travail;
2° si le titulaire qui a, durant la période d'incapacité de travail, exercé une activité dans le cadre des soins et du soutien non directement accessibles pour une personne handicapée qui est financée par un budget d'assistance personnelle conformément au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" ou par un budget qui suit la personne conformément au décret de la Communauté flamande du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées en exécution d'une convention qui avait déjà été conclue et avait déjà été effectivement exécutée avant le début de l'incapacité de travail, déclare l'exercice de cette activité à son organisme assureur et introduit une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité de travail, dans un délai d'un mois à compter de la déclaration de l'incapacité de travail.]16
Le médecin-conseil de l'organisme assureur doit rendre sa décision au plus tard le trentième jour ouvrable à dater du premier jour de la reprise de l'activité professionnelle au cours de l'incapacité [12 visée à l'alinéa 1er ou au plus tard le trentième jour ouvrable à dater de la déclaration et de la demande d'autorisation visées à l'alinéa 2 ]12. Il peut accorder l'autorisation d'exercer une activité professionnelle au cours de l'incapacité pour autant qu'elle soit compatible avec l'affection en cause.
La formule d'autorisation est notifiée au titulaire, par pli postal, au plus tard dans les sept jours civils à dater de la décision. Si le médecin-conseil a procédé à un examen médical en vue de rendre sa décision, la formule d'autorisation peut être remise au titulaire, à l'issue de l'examen médical.
[17 Sans préjudice de la compétence du médecin-conseil de statuer sur toute demande d'autorisation introduite par le titulaire conformément aux alinéas précédents, le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire peut également, conformément aux modalités de cette disposition, prendre la décision de prolonger une autorisation précédemment accordée.]17
Cette autorisation qui précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de cette activité, est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressé au siège de l'organisme assureur. L'organisme assureur transmet à l'INAMI, par le biais d'un message électronique, les données relatives à cette autorisation.]3
[6 Chaque autorisation est accordée et, si nécessaire, renouvelée pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans.]6
[3 § 2bis. Lorsque le titulaire a accompli tardivement la formalité visée au § 2, alinéa 1er, mais dans un délai de 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les indemnités calculées conformément au § 1er [13 ou § 1erter]13, sont accordées moyennant une réduction de 10 p.c. appliquée au montant journalier de l'indemnité, jusques et y compris le jour de l'envoi du formulaire visé au § 2, alinéa 1er, le cachet postal faisant foi, ou de la remise de ce formulaire à l'organisme assureur.
[7 Pour l'application de l'alinéa précédent, le titulaire est réputé avoir envoyé le formulaire le cinquième jour ouvrable précédant la date à laquelle le cachet postal a été apposé, ou la date à laquelle le formulaire a été signé s'il est postérieur au cinquième jour ouvrable susmentionné. Dans ce cadre, tous les jours de l'année, sauf les dimanches et jours fériés légaux, sont considérés comme des jours ouvrables.]7
Les indemnités sont accordées sans réduction à partir du premier jour ouvrable qui suit celui de l'accomplissement des formalités visées à l'alinéa 1er.
Si le titulaire a accompli les formalités visées au § 2, alinéa 1er dans un délai supérieur aux 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les dispositions de l'article 101 de la loi coordonnée sont applicables jusqu'à la date à laquelle la décision du médecin-conseil sort ses effets.
§ 2ter. Le titulaire qui se voit notifier une décision de refus d'octroi de l'autorisation de reprise d'une activité ou une décision qui met fin à l'incapacité de travail parce qu'il ne conserve pas une réduction de sa capacité d'au moins 50 p.c. sur le plan médical, bénéficie, pour la période qui précède la date de prise d'effet des décisions susvisées, des indemnités calculées conformément aux dispositions du § 1er [14 , du § 1erter]14 ou du § 2bis, s'il a accompli les formalités visées au § 2, alinéa 1er, tardivement mais dans un délai de 14 jours civils à compter de la reprise du travail.
Si le titulaire a accompli les formalités visées au § 2, alinéa 1er, dans un délai supérieur aux 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les dispositions de l'article 101 de la loi coordonnée sont applicables jusqu'à la date à laquelle la décision du médecin-conseil sort ses effets.]3
1° soit à un montant égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, tant que la fraction d'occupation de ce travail autorisé ne dépasse pas 20 % ;
2° soit à un montant égal à la différence entre, d'une part, le montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul et, d'autre part, la multiplication de ce même montant journalier par la partie de la fraction d'occupation de ce travail autorisé qui dépasse 20 % .
Pour l'application de l'alinéa précédent, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Par " fraction d'occupation " visée à l'alinéa 1er, on entend le rapport entre le nombre moyen d'heures par semaine durant lesquelles le travailleur est censé effectuer le travail autorisé et le nombre moyen d'heures par semaine pendant lesquelles la personne de référence est censée effectuer ce travail.
Il y lieu d'entendre par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, tout revenu visé à l'article 17, § 1er, 5° ou l'article 23, § 1er, 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire se procure par une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu. Les primes et avantages similaires accordés, indépendamment du nombre de journées de travail prestées effectivement durant le trimestre de leur déclaration à l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, ne sont toutefois pas pris en considération.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, le titulaire qui reprend, dans les conditions fixées au § 2, une activité de gardien d'enfants, visée à l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs peut prétendre :
1° au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 25 %, durant la première année d'exercice de cette activité;
2° au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 50 %, à partir de la deuxième année d'exercice de cette activité.
Pour l'application du présent paragraphe, les revenus provenant d'une occupation exercée, en dehors du circuit normal du travail, dans une entreprise relevant de la commission paritaire 327 pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les " maatwerkbedrijven " ne sont toutefois pas pris en considération.
[15 Pour l'application du présent paragraphe, il n'est pas davantage tenu compte de l'allocation " mobilité interrégionale " et de l'allocation " métier en pénurie " octroyées en vertu de l'arrêté royal du 24 juin 2022 instaurant une allocation supplémentaire pour les chômeurs de longue durée qui reprennent le travail dans une autre région ou dans un métier en pénurie.]15
Les avantages accordés par les organismes ayant pour mission le reclassement social et professionnel des handicapés ou par les entreprises ou institutions publiques contractantes, conformément au décret de la Communauté germanophone du 13 décembre 2016 portant création d'un "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", au décret de la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-capitale du 17 janvier 2014 relatif à l'inclusion de la personne handicapée, et au Code wallon de l'Action sociale et de la Santé du 29 septembre 2011, et à leurs arrêtés d'exécution, ne sont pas pris en considération pour opérer la réduction de l'indemnité d'incapacité de travail conformément aux dispositions de l'alinéa 1er. Le titulaire demande à l'organisme, l'entreprise ou l'institution publique concerné une attestation qui stipule que les avantages sont accordés en conformité avec le décret concerné et ses arrêtés d'exécution. Cette attestation est jointe au dossier du titulaire.]6
[6 § 1erbis. [18 ...]18]6
[6 § 1erter. Le titulaire qui bénéficie d'un revenu professionnel, découlant d'une activité autorisée dans les conditions fixées au § 2, qui n'est pas visé au § 1er, peut prétendre à un montant égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 10 % à partir du moment où la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil atteint une durée de six mois et jusqu'au 31 décembre de la troisième année suivant celle du début de l'activité autorisée.
Pour l'application du présent paragraphe, sont considérés comme " revenu professionnel " tout revenu visé à l'article 17, § 1er, 5°, à l'article 23, § 1er, 1°, 2° et 4°, ou à l'article 90, alinéa 1er, 1° au 2° et 12°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire obtient par l'exercice d'une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente accordée en remplacement de ces revenus.
A l'expiration de la période visée à l'alinéa 1er, le paiement des indemnités est entièrement suspendu si le montant du revenu professionnel découlant de l'activité autorisée dépasse le plafond de 18.562,28 euros à raison de 15 % au moins. Si le dépassement du plafond précité est inférieur à 15 %, le montant de l'indemnité pour l'année civile concernée est suspendu au prorata d'un pourcentage du montant de l'indemnité égal au pourcentage de dépassement dudit plafond.
Pour l'application de l'alinéa 2, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Les revenus pris en considération pour l'application de l'alinéa 2 sont ceux de la troisième année civile complète précédant celle de l'application de celui-ci; la période de référence est fixée de la même manière pour les années subséquentes.
Pour l'application de l'alinéa 2, on entend par " montant du revenu professionnel découlant de l'activité autorisée " le montant net imposable découlant de l'activité autorisée et qui a été pris en compte par l'Administration des contributions directes pour l'imposition de l'année concernée.
Le plafond visé à l'alinéa 2 est applicable au revenu professionnel perçu en 2018. Pour l'application de la règle de cumul aux revenus perçus au cours des années civiles subséquentes, il est tenu compte du plafond indexé au 1er janvier de la période de référence conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor Public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
En l'absence d'interruption d'au moins un trimestre civil complet entre la période couverte par deux autorisations, la deuxième période est considérée comme la poursuite de la première période pour la réduction éventuelle de l'indemnité conformément aux alinéas précédents.
Pour l'application du présent paragraphe, ne sont toutefois pas pris en considération, les revenus provenant:
1° d'un mandat de conseiller communal;
2° d'un mandat de membre du conseil d'un centre public d'action sociale, à l'exclusion du mandat de président de ce conseil;
3° d'une fonction de juge social, de juge consulaire ou de conseiller social.]6
[8 Pour l'application du présent paragraphe, il n'est pas davantage tenu compte des compensations financières allouées par les régions, les communautés, les provinces ou les communes pour des conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à l'application de [9 l'arrêté royal du 28 octobre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 et par tout autre arrêté royal ultérieur portant les mesures de police administrative nécessaires en vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique de la situation d'urgence épidémique déclarée concernant la pandémie de coronavirus COVID-19 ]9, ou allouées conformément à une autre réglementation régionale, communautaire, provinciale ou communale pour les conséquences économiques ou sociales rencontrées suite à la pandémie du COVID-19. Dans ce cadre, il ne peut toutefois pas s'agir d'une intervention financière, le cas échéant réduite, à laquelle l'intéressé aurait pu prétendre sans l'application de la réglementation précitée fixée suite à la pandémie du COVID-19. En outre, cette disposition ne s'applique que si la règle sur base de laquelle la compensation financière est accordée prévoit expressément que cette compensation est accordée en vue de faire face aux conséquences économiques ou sociales directes ou indirectes de la pandémie de COVID-19.
Pour l'application du présent paragraphe, il n'est davantage pas tenu compte de l'indemnité de crise supplémentaire octroyée conformément à l'arrêté royal du 15 septembre 2020 portant octroi, suite à la pandémie COVID-19, d'une indemnité de crise supplémentaire à certains travailleurs indépendants et conjoints aidants reconnus en incapacité de travail.]8
[10 Pour l'application du présent paragraphe, il n'est pas davantage tenu compte des revenus découlant d'une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs. ]10
§ 2. [3 Pour obtenir l'autorisation d'exercer une activité professionnelle au cours de l'incapacité, le titulaire doit déclarer à son organisme assureur, toute reprise d'activité professionnelle au cours de l'incapacité, au plus tard le premier jour ouvrable qui précède immédiatement cette reprise et introduire, dans le même délai, auprès du médecin-conseil de son organisme assureur, une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité. La déclaration de reprise de l'activité professionnelle au cours de l'incapacité ainsi que la demande d'autorisation au médecin-conseil sont introduites par le titulaire à son organisme assureur au moyen d'un formulaire unique approuvé par le Comité de gestion du Service des indemnités.
[16 Les formalités visées à l'alinéa précédent sont toutefois réputées avoir été accomplies le premier jour ouvrable avant la reprise de l'activité :
1° si le titulaire qui a, durant la période d'incapacité de travail, exercé une activité visée à l'article 17, § 1er, alinéa 1er, 1° et 3° à 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs en exécution d'un contrat qui avait déjà été conclu et avait déjà été effectivement exécuté avant le début de l'incapacité de travail, déclare l'exercice de cette activité à son organisme assureur et introduit une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité de travail, dans un délai d'un mois à compter de la déclaration de l'incapacité de travail;
2° si le titulaire qui a, durant la période d'incapacité de travail, exercé une activité dans le cadre des soins et du soutien non directement accessibles pour une personne handicapée qui est financée par un budget d'assistance personnelle conformément au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée interne dotée de la personnalité juridique "Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap" ou par un budget qui suit la personne conformément au décret de la Communauté flamande du 25 avril 2014 portant le financement qui suit la personne pour des personnes handicapées et portant réforme du mode de financement des soins et du soutien pour des personnes handicapées en exécution d'une convention qui avait déjà été conclue et avait déjà été effectivement exécutée avant le début de l'incapacité de travail, déclare l'exercice de cette activité à son organisme assureur et introduit une demande d'autorisation d'exercer cette activité au cours de l'incapacité de travail, dans un délai d'un mois à compter de la déclaration de l'incapacité de travail.]16
Le médecin-conseil de l'organisme assureur doit rendre sa décision au plus tard le trentième jour ouvrable à dater du premier jour de la reprise de l'activité professionnelle au cours de l'incapacité [12 visée à l'alinéa 1er ou au plus tard le trentième jour ouvrable à dater de la déclaration et de la demande d'autorisation visées à l'alinéa 2 ]12. Il peut accorder l'autorisation d'exercer une activité professionnelle au cours de l'incapacité pour autant qu'elle soit compatible avec l'affection en cause.
La formule d'autorisation est notifiée au titulaire, par pli postal, au plus tard dans les sept jours civils à dater de la décision. Si le médecin-conseil a procédé à un examen médical en vue de rendre sa décision, la formule d'autorisation peut être remise au titulaire, à l'issue de l'examen médical.
[17 Sans préjudice de la compétence du médecin-conseil de statuer sur toute demande d'autorisation introduite par le titulaire conformément aux alinéas précédents, le collaborateur de l'équipe multidisciplinaire peut également, conformément aux modalités de cette disposition, prendre la décision de prolonger une autorisation précédemment accordée.]17
Cette autorisation qui précise la nature, le volume et les conditions d'exercice de cette activité, est consignée dans le dossier médical et administratif de l'intéressé au siège de l'organisme assureur. L'organisme assureur transmet à l'INAMI, par le biais d'un message électronique, les données relatives à cette autorisation.]3
[6 Chaque autorisation est accordée et, si nécessaire, renouvelée pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans.]6
[3 § 2bis. Lorsque le titulaire a accompli tardivement la formalité visée au § 2, alinéa 1er, mais dans un délai de 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les indemnités calculées conformément au § 1er [13 ou § 1erter]13, sont accordées moyennant une réduction de 10 p.c. appliquée au montant journalier de l'indemnité, jusques et y compris le jour de l'envoi du formulaire visé au § 2, alinéa 1er, le cachet postal faisant foi, ou de la remise de ce formulaire à l'organisme assureur.
[7 Pour l'application de l'alinéa précédent, le titulaire est réputé avoir envoyé le formulaire le cinquième jour ouvrable précédant la date à laquelle le cachet postal a été apposé, ou la date à laquelle le formulaire a été signé s'il est postérieur au cinquième jour ouvrable susmentionné. Dans ce cadre, tous les jours de l'année, sauf les dimanches et jours fériés légaux, sont considérés comme des jours ouvrables.]7
Les indemnités sont accordées sans réduction à partir du premier jour ouvrable qui suit celui de l'accomplissement des formalités visées à l'alinéa 1er.
Si le titulaire a accompli les formalités visées au § 2, alinéa 1er dans un délai supérieur aux 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les dispositions de l'article 101 de la loi coordonnée sont applicables jusqu'à la date à laquelle la décision du médecin-conseil sort ses effets.
§ 2ter. Le titulaire qui se voit notifier une décision de refus d'octroi de l'autorisation de reprise d'une activité ou une décision qui met fin à l'incapacité de travail parce qu'il ne conserve pas une réduction de sa capacité d'au moins 50 p.c. sur le plan médical, bénéficie, pour la période qui précède la date de prise d'effet des décisions susvisées, des indemnités calculées conformément aux dispositions du § 1er [14 , du § 1erter]14 ou du § 2bis, s'il a accompli les formalités visées au § 2, alinéa 1er, tardivement mais dans un délai de 14 jours civils à compter de la reprise du travail.
Si le titulaire a accompli les formalités visées au § 2, alinéa 1er, dans un délai supérieur aux 14 jours civils à compter de la reprise d'une activité, les dispositions de l'article 101 de la loi coordonnée sont applicables jusqu'à la date à laquelle la décision du médecin-conseil sort ses effets.]3
Modifications
Art.232. <INGEVOEGD bij KB 2003-02-19/40, art. 5, 087; Inwerkingtreding : 01-01-2003> De gerechtigde die een uitkering geniet wegens gedeeltelijke beroepsloopbaanonderbreking die ingaat na de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid, kan aanspraak maken op een bedrag dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en dat van voormelde uitkering, in werkdagen gewaardeerd.
Art.233. [1 § 1er. L'octroi de l'indemnité est suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire fait l'objet d'une mesure de détention ou d'incarcération, en exécution d'une condamnation pénale, et séjourne de ce fait effectivement en prison ou en maison de transition.
L'octroi de l'indemnité est également suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire se trouve, en exécution d'une décision de l'instance compétente, en dehors de la prison ou de la maison de transition, en raison de l'application de l'une des modalités d'exécution de la peine suivantes :
1° la permission de sortie, visée à l'article 4 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, sauf si, sur base de cette modalité d'exécution de la peine, le titulaire exerce une activité professionnelle avec l'autorisation du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément aux modalités de la loi coordonnée et du présent arrêté;
2° le congé pénitentiaire, visé à l'article 6 de la loi précitée du 17 mai 2006.
§ 2. L'octroi de l'indemnité est limité à la moitié pour le titulaire interné qui n'a pas de personne à charge et qui séjourne dans une institution désignée par l'instance compétente, sous le statut d'un placement. L'indemnité intégrale est toutefois octroyée au titulaire, s'il a obtenu, de la part de l'instance compétente, l'autorisation de quitter l'établissement pour une période ininterrompue d'au moins sept jours, à partir du premier jour de cette dernière période.
§ 3. Pour l'application des paragraphes précédents et en exécution de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 pris en exécution de l'article 7, § 2, de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés, en ce qui concerne le droit de lecture des organismes ou services visés à l'article 7, § 1, 13°, de cette loi, l'organisme assureur, auquel le titulaire est affilié ou inscrit, dispose d'un droit de lecture prenant la forme d'une transmission électronique automatique de toutes les données visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 précité par le Service public fédéral Justice à partir de sa base de données.
Si les données requises ne sont pas disponibles dans la base de données susmentionnée, l'échange de données nécessaire se fait par le biais d'une attestation papier.
Les données reçues conformément au présent paragraphe ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année suivant la clôture du dossier d'incapacité de travail chez l'organisme assureur.]1
L'octroi de l'indemnité est également suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire se trouve, en exécution d'une décision de l'instance compétente, en dehors de la prison ou de la maison de transition, en raison de l'application de l'une des modalités d'exécution de la peine suivantes :
1° la permission de sortie, visée à l'article 4 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, sauf si, sur base de cette modalité d'exécution de la peine, le titulaire exerce une activité professionnelle avec l'autorisation du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément aux modalités de la loi coordonnée et du présent arrêté;
2° le congé pénitentiaire, visé à l'article 6 de la loi précitée du 17 mai 2006.
§ 2. L'octroi de l'indemnité est limité à la moitié pour le titulaire interné qui n'a pas de personne à charge et qui séjourne dans une institution désignée par l'instance compétente, sous le statut d'un placement. L'indemnité intégrale est toutefois octroyée au titulaire, s'il a obtenu, de la part de l'instance compétente, l'autorisation de quitter l'établissement pour une période ininterrompue d'au moins sept jours, à partir du premier jour de cette dernière période.
§ 3. Pour l'application des paragraphes précédents et en exécution de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 pris en exécution de l'article 7, § 2, de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés, en ce qui concerne le droit de lecture des organismes ou services visés à l'article 7, § 1, 13°, de cette loi, l'organisme assureur, auquel le titulaire est affilié ou inscrit, dispose d'un droit de lecture prenant la forme d'une transmission électronique automatique de toutes les données visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 précité par le Service public fédéral Justice à partir de sa base de données.
Si les données requises ne sont pas disponibles dans la base de données susmentionnée, l'échange de données nécessaire se fait par le biais d'une attestation papier.
Les données reçues conformément au présent paragraphe ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année suivant la clôture du dossier d'incapacité de travail chez l'organisme assureur.]1
Modifications
Art.233. [1 § 1. De toekenning van de uitkering wordt geschorst tijdens een periode waarin de gerechtigde het voorwerp vormt van een maatregel van hechtenis of gevangenzetting in uitvoering van een strafrechtelijke veroordeling waardoor hij daadwerkelijk in een gevangenis of in een transitiehuis verblijft.
De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis of het transitiehuis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, behalve als de gerechtigde op grond van deze strafuitvoeringsmodaliteit een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van de gecoördineerde wet en dit besluit verricht;
2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
§ 2. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.
§ 3. Voor de toepassing van de vorige paragrafen en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 2021 tot uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, voor wat het leesrecht van de in artikel 7, § 1, 13°, van die wet bedoelde instellingen of diensten betreft, beschikt de verzekeringsinstelling waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven, over een leesrecht dat de vorm aanneemt van een automatische elektronische doorzending van alle gegevens bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 27 januari 2021 door de Federale Overheidsdienst Justitie uit zijn databank.
Indien de vereiste gegevens niet beschikbaar zijn in de voormelde databank, gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.]1
De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis of het transitiehuis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, behalve als de gerechtigde op grond van deze strafuitvoeringsmodaliteit een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van de gecoördineerde wet en dit besluit verricht;
2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
§ 2. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.
§ 3. Voor de toepassing van de vorige paragrafen en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 2021 tot uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, voor wat het leesrecht van de in artikel 7, § 1, 13°, van die wet bedoelde instellingen of diensten betreft, beschikt de verzekeringsinstelling waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven, over een leesrecht dat de vorm aanneemt van een automatische elektronische doorzending van alle gegevens bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 27 januari 2021 door de Federale Overheidsdienst Justitie uit zijn databank.
Indien de vereiste gegevens niet beschikbaar zijn in de voormelde databank, gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.]1
Modifications
Art. 232. Le titulaire bénéficiant d'une allocation pour une interruption de carrière partielle prenant cours après la date du début de l'incapacité de travail, peut prétendre à un montant égal à la différence entre le montant de l'indemnité d'incapacité de travail et celui de l'allocation précitée, évalué en jours ouvrables.
Art. 233. [1 § 1. De toekenning van de uitkering wordt geschorst tijdens een periode waarin de gerechtigde het voorwerp vormt van een maatregel van hechtenis of gevangenzetting in uitvoering van een strafrechtelijke veroordeling waardoor hij daadwerkelijk in een gevangenis of in een transitiehuis verblijft.
De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis of het transitiehuis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, behalve als de gerechtigde op grond van deze strafuitvoeringsmodaliteit een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van de gecoördineerde wet en dit besluit verricht;
2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
§ 2. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.
§ 3. Voor de toepassing van de vorige paragrafen en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 2021 tot uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, voor wat het leesrecht van de in artikel 7, § 1, 13°, van die wet bedoelde instellingen of diensten betreft, beschikt de verzekeringsinstelling waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven, over een leesrecht dat de vorm aanneemt van een automatische elektronische doorzending van alle gegevens bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 27 januari 2021 door de Federale Overheidsdienst Justitie uit zijn databank.
Indien de vereiste gegevens niet beschikbaar zijn in de voormelde databank, gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.]1
De schorsing van de toekenning van de uitkering geldt ook tijdens het tijdvak waarin de gerechtigde zich in uitvoering van een beslissing van de bevoegde instantie buiten de gevangenis of het transitiehuis bevindt wegens de toepassing van één van de volgende strafuitvoeringsmodaliteiten:
1° de uitgaansvergunning bedoeld in artikel 4 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, behalve als de gerechtigde op grond van deze strafuitvoeringsmodaliteit een beroepsactiviteit met de toelating van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team overeenkomstig de modaliteiten van de gecoördineerde wet en dit besluit verricht;
2° het penitentiair verlof bedoeld in artikel 6 van de voormelde wet van 17 mei 2006.
§ 2. De toekenning van de uitkering wordt beperkt tot de helft voor de geïnterneerde gerechtigde die geen persoon ten laste heeft en die in een door de bevoegde instantie aangewezen inrichting verblijft onder het statuut van een plaatsing. De volledige uitkering wordt evenwel aan deze gerechtigde toegekend als hij vanwege de bevoegde instantie de toelating heeft verkregen om de inrichting te verlaten voor een ononderbroken periode van ten minste zeven dagen, vanaf de eerste dag van deze periode.
§ 3. Voor de toepassing van de vorige paragrafen en in uitvoering van het koninklijk besluit van 27 januari 2021 tot uitvoering van artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie en modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank, voor wat het leesrecht van de in artikel 7, § 1, 13°, van die wet bedoelde instellingen of diensten betreft, beschikt de verzekeringsinstelling waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven, over een leesrecht dat de vorm aanneemt van een automatische elektronische doorzending van alle gegevens bedoeld in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 27 januari 2021 door de Federale Overheidsdienst Justitie uit zijn databank.
Indien de vereiste gegevens niet beschikbaar zijn in de voormelde databank, gebeurt de noodzakelijke gegevensuitwisseling via een papieren attest.
De overeenkomstig deze paragraaf ontvangen gegevens worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de verwezenlijking van het doel van de verwerking ervan, met een maximale bewaartermijn van drie jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de afsluiting van het arbeidsongeschiktheidsdossier in de verzekeringsinstelling.]1
Modifications
Art. 233. [1 § 1er. L'octroi de l'indemnité est suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire fait l'objet d'une mesure de détention ou d'incarcération, en exécution d'une condamnation pénale, et séjourne de ce fait effectivement en prison ou en maison de transition.
L'octroi de l'indemnité est également suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire se trouve, en exécution d'une décision de l'instance compétente, en dehors de la prison ou de la maison de transition, en raison de l'application de l'une des modalités d'exécution de la peine suivantes :
1° la permission de sortie, visée à l'article 4 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, sauf si, sur base de cette modalité d'exécution de la peine, le titulaire exerce une activité professionnelle avec l'autorisation du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément aux modalités de la loi coordonnée et du présent arrêté;
2° le congé pénitentiaire, visé à l'article 6 de la loi précitée du 17 mai 2006.
§ 2. L'octroi de l'indemnité est limité à la moitié pour le titulaire interné qui n'a pas de personne à charge et qui séjourne dans une institution désignée par l'instance compétente, sous le statut d'un placement. L'indemnité intégrale est toutefois octroyée au titulaire, s'il a obtenu, de la part de l'instance compétente, l'autorisation de quitter l'établissement pour une période ininterrompue d'au moins sept jours, à partir du premier jour de cette dernière période.
§ 3. Pour l'application des paragraphes précédents et en exécution de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 pris en exécution de l'article 7, § 2, de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés, en ce qui concerne le droit de lecture des organismes ou services visés à l'article 7, § 1, 13°, de cette loi, l'organisme assureur, auquel le titulaire est affilié ou inscrit, dispose d'un droit de lecture prenant la forme d'une transmission électronique automatique de toutes les données visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 précité par le Service public fédéral Justice à partir de sa base de données.
Si les données requises ne sont pas disponibles dans la base de données susmentionnée, l'échange de données nécessaire se fait par le biais d'une attestation papier.
Les données reçues conformément au présent paragraphe ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année suivant la clôture du dossier d'incapacité de travail chez l'organisme assureur.]1
L'octroi de l'indemnité est également suspendu pendant la période durant laquelle le titulaire se trouve, en exécution d'une décision de l'instance compétente, en dehors de la prison ou de la maison de transition, en raison de l'application de l'une des modalités d'exécution de la peine suivantes :
1° la permission de sortie, visée à l'article 4 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, sauf si, sur base de cette modalité d'exécution de la peine, le titulaire exerce une activité professionnelle avec l'autorisation du médecin-conseil ou du collaborateur de l'équipe multidisciplinaire conformément aux modalités de la loi coordonnée et du présent arrêté;
2° le congé pénitentiaire, visé à l'article 6 de la loi précitée du 17 mai 2006.
§ 2. L'octroi de l'indemnité est limité à la moitié pour le titulaire interné qui n'a pas de personne à charge et qui séjourne dans une institution désignée par l'instance compétente, sous le statut d'un placement. L'indemnité intégrale est toutefois octroyée au titulaire, s'il a obtenu, de la part de l'instance compétente, l'autorisation de quitter l'établissement pour une période ininterrompue d'au moins sept jours, à partir du premier jour de cette dernière période.
§ 3. Pour l'application des paragraphes précédents et en exécution de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 pris en exécution de l'article 7, § 2, de la loi du 5 mai 2019 portant dispositions diverses en matière d'informatisation de la Justice, de modernisation du statut des juges consulaires et relativement à la banque des actes notariés, en ce qui concerne le droit de lecture des organismes ou services visés à l'article 7, § 1, 13°, de cette loi, l'organisme assureur, auquel le titulaire est affilié ou inscrit, dispose d'un droit de lecture prenant la forme d'une transmission électronique automatique de toutes les données visées à l'article 3 de l'arrêté royal du 27 janvier 2021 précité par le Service public fédéral Justice à partir de sa base de données.
Si les données requises ne sont pas disponibles dans la base de données susmentionnée, l'échange de données nécessaire se fait par le biais d'une attestation papier.
Les données reçues conformément au présent paragraphe ne sont pas conservées plus longtemps qu'il n'est nécessaire aux fins de leur traitement, avec une durée de conservation maximale de trois années à compter du 1er janvier de l'année suivant la clôture du dossier d'incapacité de travail chez l'organisme assureur.]1
Modifications
Art.235. § 1. Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die uit welke hoofde ook aanspraken kan doen gelden op een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of op eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 150 of 125 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of van het als dusdanig geldend voordeel in werkdagen gewaardeerd zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
§ 2. (Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die, enerzijds, in het genot is van een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of eender welk als dergelijk geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, en, anderzijds, een tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 170 of 145 pct. van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend in één der hierboven bedoelde toestanden, en de tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, samen in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
Voor de toepassing van het vorig lid wordt geen rekening gehouden met de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 229, derde lid.) <KB 2006-02-02/38, art. 4, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 2. (Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die, enerzijds, in het genot is van een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of eender welk als dergelijk geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, en, anderzijds, een tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 170 of 145 pct. van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend in één der hierboven bedoelde toestanden, en de tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, samen in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
Voor de toepassing van het vorig lid wordt geen rekening gehouden met de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 229, derde lid.) <KB 2006-02-02/38, art. 4, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art.236. Pour évaluer en jours ouvrables, la pension, l'allocation ou le revenu visés aux articles 210, [1 [2 219ter, § 1er, 229]2]1, 232 et 235, il y a lieu d'en diviser le montant hebdomadaire, mensuel, trimestriel ou annuel respectivement par 6, 26, 78 ou 312.
Art. 235. § 1. Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die uit welke hoofde ook aanspraken kan doen gelden op een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of op eender welk als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 150 of 125 pct. van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of van het als dusdanig geldend voordeel in werkdagen gewaardeerd zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
§ 2. (Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die, enerzijds, in het genot is van een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of eender welk als dergelijk geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, en, anderzijds, een tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 170 of 145 pct. van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend in één der hierboven bedoelde toestanden, en de tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, samen in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
Voor de toepassing van het vorig lid wordt geen rekening gehouden met de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 229, derde lid.) <KB 2006-02-02/38, art. 4, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
§ 2. (Onverminderd de bepalingen van de wetgeving inzake rust- en overlevingspensioenen, kan de gerechtigde, die, enerzijds, in het genot is van een ouderdoms-, een rust-, een anciënniteitspensioen of eender welk als dergelijk geldend voordeel, toegekend hetzij door een Belgische of een buitenlandse instelling van sociale zekerheid, hetzij door een openbaar bestuur, een openbare instelling of een instelling van openbaar nut, en, anderzijds, een tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, respectievelijk aanspraak maken, naargelang hij personen ten laste heeft of niet, op een bedrag gelijk aan het verschil tussen 170 of 145 pct. van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, vastgesteld voor de gerechtigde met personen ten laste, en het bedrag van het pensioen of als dergelijk pensioen geldend voordeel, toegekend in één der hierboven bedoelde toestanden, en de tegemoetkoming bedoeld in artikel 229, eerste lid, samen in werkdagen gewaardeerd, zonder het dagbedrag van de uitkering te mogen overschrijden dat hem zou toegekend worden indien er geen cumulatie was.
Voor de toepassing van het vorig lid wordt geen rekening gehouden met de tegemoetkomingen, bedoeld in artikel 229, derde lid.) <KB 2006-02-02/38, art. 4, 125 ; Inwerkingtreding : 01-01-2005>
Art. 235. § 1er. Sans préjudice des dispositions de la législation en matière de pension de retraite et de survie, le titulaire, qui peut faire valoir ses droits à quelque titre que ce soit à une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou à tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, accordée soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique, peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, un montant égal à la différence entre 150 ou 125 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charge, et le montant de la pension ou de l'avantage en tenant lieu, évalué en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul.
§ 2. (Sans préjudice des dispositions de la législation en matière de pension de retraite et de survie, le titulaire bénéficiant d'une part, d'une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, accordée soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique et d'autre part, d'une allocation visée à l'article 229, alinéa 1er, peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, à un montant égal à la différence entre 170 ou 145 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charges, et le montant de la pension ou de l'avantage en tenant lieu, accordé dans une des situations visées ci-dessus, et de l'allocation visée à l'article 229, alinéa 1er, évalues ensemble en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul.
Pour l'application de l'alinéa précédent, il n'est pas tenu compte des allocations visées à l'article 229, alinéa 3.) <AR 2006-02-02/38, art. 4, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
§ 2. (Sans préjudice des dispositions de la législation en matière de pension de retraite et de survie, le titulaire bénéficiant d'une part, d'une pension de vieillesse, de retraite, d'ancienneté ou de tout autre avantage tenant lieu de pareille pension, accordée soit par un organisme de sécurité sociale belge ou étranger, soit par un pouvoir public, par un établissement public ou d'utilité publique et d'autre part, d'une allocation visée à l'article 229, alinéa 1er, peut prétendre respectivement, selon qu'il a ou non des personnes à charge, à un montant égal à la différence entre 170 ou 145 p.c. de l'indemnité d'incapacité de travail, fixée pour le titulaire ayant des personnes à charges, et le montant de la pension ou de l'avantage en tenant lieu, accordé dans une des situations visées ci-dessus, et de l'allocation visée à l'article 229, alinéa 1er, évalues ensemble en jours ouvrables, sans pouvoir dépasser le montant journalier de l'indemnité qui lui serait alloué s'il n'y avait pas de cumul.
Pour l'application de l'alinéa précédent, il n'est pas tenu compte des allocations visées à l'article 229, alinéa 3.) <AR 2006-02-02/38, art. 4, 125 ; En vigueur : 01-01-2005>
Art. 236. Om het pensioen, de tegemoetkoming of het inkomen, bedoeld in de artikelen 210, [1 [2 219ter, § 1, 229]2]1, 232 en 235, in werkdagen te waarderen, moet het bedrag daarvan per week, per maand, per kwartaal of per jaar gedeeld worden door respectievelijk 6, 26, 78 of 312.
Art. 236bis. Un titulaire peut renoncer au droit aux indemnités. A cet effet, il doit adresser une demande à son organisme assureur, dans laquelle il indique la période de la renonciation. La demande doit porter sur une période d'au moins un mois (...). La demande doit être introduite par lettre recommandée à la poste et produit ses effets au plus tôt à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la demande a été introduite auprès de l'organisme assureur, le cachet de la poste faisant foi. (...) ) <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
(La renonciation peut toutefois être admise pour une période antérieure à la date visée à l'alinéa 1er :
a) lorsqu'une autre prestation est accordée avec effet rétroactif,
b) ou moyennant approbation du Fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, lorsque des éléments particuliers le justifient.) <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
La renonciation doit porter sur le montant total des indemnités. La renonciation ne peut toutefois porter préjudice aux droits que des tiers peuvent faire valoir sur tout ou partie des indemnités.
Le titulaire peut annuler la renonciation aux indemnités qui avait été accordée aux mêmes conditions que celles visées (aux alinéas précédents). <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
[1 Le titulaire peut renoncer à la prime de rattrapage annuelle visée à l'article 237quinquies, ainsi qu'annuler cette renonciation, aux mêmes conditions que celles visées aux alinéas précédents. Pour l'application de cette disposition, cette prime de rattrapage est réputée se rapporter au mois de mai.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le titulaire peut renoncer au montant total de la prime de rattrapage visée à l'article 237quinquies, due pour l'année 2022, en adressant cette demande de renonciation par écrit à son organisme assureur. La renonciation ne peut toutefois porter préjudice aux droits que des tiers peuvent faire valoir sur tout ou partie de cette prime de rattrapage.]1
[2 Le titulaire peut, dans les mêmes conditions que celles visées aux alinéas 1 à 3, renoncer au complément d'indemnité visé à l'article 214/1, ainsi qu'annuler cette renonciation.]2
(La renonciation peut toutefois être admise pour une période antérieure à la date visée à l'alinéa 1er :
a) lorsqu'une autre prestation est accordée avec effet rétroactif,
b) ou moyennant approbation du Fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, lorsque des éléments particuliers le justifient.) <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
La renonciation doit porter sur le montant total des indemnités. La renonciation ne peut toutefois porter préjudice aux droits que des tiers peuvent faire valoir sur tout ou partie des indemnités.
Le titulaire peut annuler la renonciation aux indemnités qui avait été accordée aux mêmes conditions que celles visées (aux alinéas précédents). <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
[1 Le titulaire peut renoncer à la prime de rattrapage annuelle visée à l'article 237quinquies, ainsi qu'annuler cette renonciation, aux mêmes conditions que celles visées aux alinéas précédents. Pour l'application de cette disposition, cette prime de rattrapage est réputée se rapporter au mois de mai.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le titulaire peut renoncer au montant total de la prime de rattrapage visée à l'article 237quinquies, due pour l'année 2022, en adressant cette demande de renonciation par écrit à son organisme assureur. La renonciation ne peut toutefois porter préjudice aux droits que des tiers peuvent faire valoir sur tout ou partie de cette prime de rattrapage.]1
[2 Le titulaire peut, dans les mêmes conditions que celles visées aux alinéas 1 à 3, renoncer au complément d'indemnité visé à l'article 214/1, ainsi qu'annuler cette renonciation.]2
Art. 236bis. Een gerechtigde kan het recht op uitkeringen verzaken. Hiertoe moet hij een aanvraag richten aan zijn verzekeringsinstelling, waarin hij de periode opgeeft van verzaking. De aanvraag moet slaan op een periode van minimum één maand (...). De aanvraag moet gebeuren bij aangetekende brief en heeft ten vroegste uitwerking vanaf de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de aanvraag bij de verzekeringsinstelling is toegekomen, waarbij de poststempel bewijskracht heeft. (...).
Section XVbis. - De la renonciation au droit des indemnités [1 , de la prime de rattrapage et du complément d'indemnité]1
Art. 236bis. <INGEVOEGD bij KB 1999-02-28/38, art. 1; Inwerkingtreding : 23-03-1999> Een gerechtigde kan het recht op uitkeringen verzaken. Hiertoe moet hij een aanvraag richten aan zijn verzekeringsinstelling, waarin hij de periode opgeeft van verzaking. De aanvraag moet slaan op een periode van minimum één maand (...). De aanvraag moet gebeuren bij aangetekende brief en heeft ten vroegste uitwerking vanaf de eerste dag van de maand, volgend op de maand waarin de aanvraag bij de verzekeringsinstelling is toegekomen, waarbij de poststempel bewijskracht heeft. (...). <KB 2002-04-15/33, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 13-05-2002>
(De verzaking kan evenwel toegestaan worden voor een periode voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde datum :
a) wanneer een andere prestatie met terugwerkende kracht wordt toegekend,
b) of mits de goedkeuring van de Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, wanneer bijzondere elementen dit verantwoorden.) <KB 2002-04-15/33, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 13-05-2002>
De verzaking dient te slaan op het volledig bedrag van de uitkeringen. De verzaking kan echter geen afbreuk doen aan de rechten die derden kunnen laten gelden op het geheel of op een gedeelte van de uitkeringen.
Onder dezelfde voorwaarden, als bedoeld (in de voorgaande leden,) kan de gerechtigde de verzaking aan de uitkeringen, die werd toegestaan, beëindigen. <KB 2002-04-15/33, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 13-05-2002>
[1 Onder dezelfde voorwaarden, als bedoeld in de voorgaande leden, kan de gerechtigde verzaken aan de jaarlijkse inhaalpremie bedoeld in artikel 237quinquies, evenals deze verzaking beëindigen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt deze inhaalpremie geacht betrekking te hebben op de maand mei.
In afwijking van het voorgaande lid kan de gerechtigde verzaken aan het volledige bedrag van de inhaalpremie bedoeld in artikel 237quinquies verschuldigd voor het jaar 2022 door deze verzakingsaanvraag schriftelijk te versturen naar zijn verzekeringsinstelling. De verzaking kan echter geen afbreuk doen aan de rechten die derden kunnen laten gelden op het geheel of op een gedeelte van de inhaalpremie.]1
[2 Onder dezelfde voorwaarden, als bedoeld in het eerste tot derde lid, kan de gerechtigde verzaken aan de toeslag op de uitkering bedoeld in artikel 214/1, evenals deze verzaking beëindigen.]2
(De verzaking kan evenwel toegestaan worden voor een periode voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde datum :
a) wanneer een andere prestatie met terugwerkende kracht wordt toegekend,
b) of mits de goedkeuring van de Leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, wanneer bijzondere elementen dit verantwoorden.) <KB 2002-04-15/33, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 13-05-2002>
De verzaking dient te slaan op het volledig bedrag van de uitkeringen. De verzaking kan echter geen afbreuk doen aan de rechten die derden kunnen laten gelden op het geheel of op een gedeelte van de uitkeringen.
Onder dezelfde voorwaarden, als bedoeld (in de voorgaande leden,) kan de gerechtigde de verzaking aan de uitkeringen, die werd toegestaan, beëindigen. <KB 2002-04-15/33, art. 2, 075; Inwerkingtreding : 13-05-2002>
[1 Onder dezelfde voorwaarden, als bedoeld in de voorgaande leden, kan de gerechtigde verzaken aan de jaarlijkse inhaalpremie bedoeld in artikel 237quinquies, evenals deze verzaking beëindigen. Voor de toepassing van deze bepaling wordt deze inhaalpremie geacht betrekking te hebben op de maand mei.
In afwijking van het voorgaande lid kan de gerechtigde verzaken aan het volledige bedrag van de inhaalpremie bedoeld in artikel 237quinquies verschuldigd voor het jaar 2022 door deze verzakingsaanvraag schriftelijk te versturen naar zijn verzekeringsinstelling. De verzaking kan echter geen afbreuk doen aan de rechten die derden kunnen laten gelden op het geheel of op een gedeelte van de inhaalpremie.]1
[2 Onder dezelfde voorwaarden, als bedoeld in het eerste tot derde lid, kan de gerechtigde verzaken aan de toeslag op de uitkering bedoeld in artikel 214/1, evenals deze verzaking beëindigen.]2
Art. 236bis. Un titulaire peut renoncer au droit aux indemnités. A cet effet, il doit adresser une demande à son organisme assureur, dans laquelle il indique la période de la renonciation. La demande doit porter sur une période d'au moins un mois (...). La demande doit être introduite par lettre recommandée à la poste et produit ses effets au plus tôt à partir du premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la demande a été introduite auprès de l'organisme assureur, le cachet de la poste faisant foi. (...) ) <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
(La renonciation peut toutefois être admise pour une période antérieure à la date visée à l'alinéa 1er :
a) lorsqu'une autre prestation est accordée avec effet rétroactif,
b) ou moyennant approbation du Fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, lorsque des éléments particuliers le justifient.) <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
La renonciation doit porter sur le montant total des indemnités. La renonciation ne peut toutefois porter préjudice aux droits que des tiers peuvent faire valoir sur tout ou partie des indemnités.
Le titulaire peut annuler la renonciation aux indemnités qui avait été accordée aux mêmes conditions que celles visées (aux alinéas précédents). <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
[1 Le titulaire peut renoncer à la prime de rattrapage annuelle visée à l'article 237quinquies, ainsi qu'annuler cette renonciation, aux mêmes conditions que celles visées aux alinéas précédents. Pour l'application de cette disposition, cette prime de rattrapage est réputée se rapporter au mois de mai.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le titulaire peut renoncer au montant total de la prime de rattrapage visée à l'article 237quinquies, due pour l'année 2022, en adressant cette demande de renonciation par écrit à son organisme assureur. La renonciation ne peut toutefois porter préjudice aux droits que des tiers peuvent faire valoir sur tout ou partie de cette prime de rattrapage.]1
[2 Le titulaire peut, dans les mêmes conditions que celles visées aux alinéas 1 à 3, renoncer au complément d'indemnité visé à l'article 214/1, ainsi qu'annuler cette renonciation.]2
(La renonciation peut toutefois être admise pour une période antérieure à la date visée à l'alinéa 1er :
a) lorsqu'une autre prestation est accordée avec effet rétroactif,
b) ou moyennant approbation du Fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, lorsque des éléments particuliers le justifient.) <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
La renonciation doit porter sur le montant total des indemnités. La renonciation ne peut toutefois porter préjudice aux droits que des tiers peuvent faire valoir sur tout ou partie des indemnités.
Le titulaire peut annuler la renonciation aux indemnités qui avait été accordée aux mêmes conditions que celles visées (aux alinéas précédents). <AR 2002-04-15/33, art. 2, 075; En vigueur : 13-05-2002>
[1 Le titulaire peut renoncer à la prime de rattrapage annuelle visée à l'article 237quinquies, ainsi qu'annuler cette renonciation, aux mêmes conditions que celles visées aux alinéas précédents. Pour l'application de cette disposition, cette prime de rattrapage est réputée se rapporter au mois de mai.
Par dérogation à l'alinéa précédent, le titulaire peut renoncer au montant total de la prime de rattrapage visée à l'article 237quinquies, due pour l'année 2022, en adressant cette demande de renonciation par écrit à son organisme assureur. La renonciation ne peut toutefois porter préjudice aux droits que des tiers peuvent faire valoir sur tout ou partie de cette prime de rattrapage.]1
[2 Le titulaire peut, dans les mêmes conditions que celles visées aux alinéas 1 à 3, renoncer au complément d'indemnité visé à l'article 214/1, ainsi qu'annuler cette renonciation.]2
Art.237. Onverminderd de afwijkingen voorzien in bijzondere bepalingen worden het bedrag bedoeld in artikel 212 en het bedrag van de uitkeringen en de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden bedoeld in dit hoofdstuk gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14, van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), overeenkomstig de bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 betreffende de uniformering van de spilindexen in de sociale materies ter gelegenheid van de invoering van de euro.
Section XVI. - De l'adaptation du montant des indemnités et du montant maximum de la rémunération visé à l'article 212.
Art. 237. <KB 2001-06-14/37, art. 8, 061; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Onverminderd de afwijkingen voorzien in bijzondere bepalingen worden het bedrag bedoeld in artikel 212 en het bedrag van de uitkeringen en de forfaitaire tegemoetkoming voor hulp van derden bedoeld in dit hoofdstuk gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14, van kracht op 1 juni 1999 (basis 1996 = 100), overeenkomstig de bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 20 juli 2000 betreffende de uniformering van de spilindexen in de sociale materies ter gelegenheid van de invoering van de euro.
Deze bedragen worden verhoogd of verminderd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1bis en 4 van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
De verhoging of de vermindering wordt doorgevoerd met ingang van de maand bepaald in artikel 6, 3° van de voormelde wet van 2 augustus 1971.
De verhoging of vermindering van de bedragen bedoeld in de voorgaande leden wordt slechts toegepast voor de gerechtigden voor wie de aanvang van het refertetijdvak voor de berekening van de uitkeringen gesitueerd is vóór de datum waarop de verhoging of vermindering wordt doorgevoerd.
Deze bedragen worden verhoogd of verminderd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 1bis en 4 van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
De verhoging of de vermindering wordt doorgevoerd met ingang van de maand bepaald in artikel 6, 3° van de voormelde wet van 2 augustus 1971.
De verhoging of vermindering van de bedragen bedoeld in de voorgaande leden wordt slechts toegepast voor de gerechtigden voor wie de aanvang van het refertetijdvak voor de berekening van de uitkeringen gesitueerd is vóór de datum waarop de verhoging of vermindering wordt doorgevoerd.
Art. 237bis. Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 août 1997, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2005.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1997 au 31 août 1999, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2006.
(Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1999 au 31 août 2001, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2007. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 août 1987, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2007. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1987 au 31 août 1993, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2008. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.) <AR 2007-06-05/44, art. 5, 144; En vigueur : 09-07-2008>
[1 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1993 au 31 décembre 2002, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 2002 au 31 décembre 2002, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er janvier 2008, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,8 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2009, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,7 p.c. à partir du 1er août 2019 et est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,0993 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Ces revalorisations ne sont toutefois pas applicables aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2005, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,95 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
[4 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2007 est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,95 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]4
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1997 au 31 août 1999, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2006.
(Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1999 au 31 août 2001, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2007. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 août 1987, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2007. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1987 au 31 août 1993, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2008. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.) <AR 2007-06-05/44, art. 5, 144; En vigueur : 09-07-2008>
[1 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1993 au 31 décembre 2002, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 2002 au 31 décembre 2002, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er janvier 2008, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,8 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2009, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,7 p.c. à partir du 1er août 2019 et est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,0993 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Ces revalorisations ne sont toutefois pas applicables aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2005, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,95 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
[4 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2007 est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,95 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]4
Art. 237bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-07-03/70, art. 1 ; Inwerkingtreding : 30-09-2005> Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 augustus 1997, wordt met ingang van 1 september 2005 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1997 tot 31 augustus 1999, wordt met ingang van 1 september 2006 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct.
(Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1999 tot 31 augustus 2001, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 augustus 1987, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1987 tot 31 augustus 1993, wordt met ingang van 1 september 2008 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.) <KB 2007-06-05/44, art. 5, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
[1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1993 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 2002 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 1 januari 2008, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,8 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
[2 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2009, wordt met ingang van 1 augustus 2019 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,7 pct. en wordt met ingang van 1 januari 2020 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,0993 pct. Deze herwaarderingen zijn evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
[3 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2005, wordt met ingang van 1 juli 2021 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,95 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
[4 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2007, wordt met ingang van 1 juli 2023 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,95 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]4
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1997 tot 31 augustus 1999, wordt met ingang van 1 september 2006 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct.
(Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1999 tot 31 augustus 2001, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 augustus 1987, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1987 tot 31 augustus 1993, wordt met ingang van 1 september 2008 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.) <KB 2007-06-05/44, art. 5, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
[1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1993 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 2002 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 1 januari 2008, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,8 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
[2 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2009, wordt met ingang van 1 augustus 2019 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,7 pct. en wordt met ingang van 1 januari 2020 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,0993 pct. Deze herwaarderingen zijn evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
[3 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2005, wordt met ingang van 1 juli 2021 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,95 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
[4 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2007, wordt met ingang van 1 juli 2023 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,95 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]4
Art. 237bis /1.[1 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre d'une année déterminée, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre de cette année. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2020, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2021, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2022, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2022. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2023, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2024, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2024. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2020, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2021, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2022, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2022. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2023, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2024, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2024. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
Art. 237bis. <INGEVOEGD bij KB 2005-07-03/70, art. 1 ; Inwerkingtreding : 30-09-2005> Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 augustus 1997, wordt met ingang van 1 september 2005 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1997 tot 31 augustus 1999, wordt met ingang van 1 september 2006 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct.
(Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1999 tot 31 augustus 2001, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 augustus 1987, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1987 tot 31 augustus 1993, wordt met ingang van 1 september 2008 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.) <KB 2007-06-05/44, art. 5, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
[1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1993 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 2002 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 1 januari 2008, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,8 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
[2 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2009, wordt met ingang van 1 augustus 2019 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,7 pct. en wordt met ingang van 1 januari 2020 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,0993 pct. Deze herwaarderingen zijn evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
[3 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2005, wordt met ingang van 1 juli 2021 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,95 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
[4 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2007, wordt met ingang van 1 juli 2023 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,95 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]4
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1997 tot 31 augustus 1999, wordt met ingang van 1 september 2006 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct.
(Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1999 tot 31 augustus 2001, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 augustus 1987, wordt met ingang van 1 september 2007 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1987 tot 31 augustus 1993, wordt met ingang van 1 september 2008 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.) <KB 2007-06-05/44, art. 5, 144; Inwerkingtreding : 09-07-2008>
[1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 1993 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen in de periode van 1 september 2002 tot 31 december 2002, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen vóór 1 januari 2008, wordt met ingang van 1 september 2009 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,8 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
[2 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2009, wordt met ingang van 1 augustus 2019 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,7 pct. en wordt met ingang van 1 januari 2020 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,0993 pct. Deze herwaarderingen zijn evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
[3 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2005, wordt met ingang van 1 juli 2021 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,95 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
[4 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid is aangevangen uiterlijk op 31 december 2007, wordt met ingang van 1 juli 2023 verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 0,95 pct. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]4
Art. 237bis. Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 août 1997, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2005.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1997 au 31 août 1999, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2006.
(Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1999 au 31 août 2001, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2007. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 août 1987, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2007. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1987 au 31 août 1993, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2008. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.) <AR 2007-06-05/44, art. 5, 144; En vigueur : 09-07-2008>
[1 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1993 au 31 décembre 2002, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 2002 au 31 décembre 2002, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er janvier 2008, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,8 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2009, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,7 p.c. à partir du 1er août 2019 et est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,0993 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Ces revalorisations ne sont toutefois pas applicables aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2005, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,95 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
[4 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2007 est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,95 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]4
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1997 au 31 août 1999, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2006.
(Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1999 au 31 août 2001, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2007. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 août 1987, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2007. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1987 au 31 août 1993, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2008. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.) <AR 2007-06-05/44, art. 5, 144; En vigueur : 09-07-2008>
[1 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 1993 au 31 décembre 2002, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours dans la période du 1er septembre 2002 au 31 décembre 2002, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours avant le 1er janvier 2008, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,8 p.c. à partir du 1er septembre 2009. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2009, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,7 p.c. à partir du 1er août 2019 et est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,0993 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Ces revalorisations ne sont toutefois pas applicables aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2005, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,95 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
[4 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail a pris cours au plus tard le 31 décembre 2007 est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 0,95 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]4
Art. 237bis /1 TOEKOMSTIG RECHT. [1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur van vijf jaar bereikt uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar, wordt verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. vanaf 1 september van dat jaar. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het vorige lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2020 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering evenwel vanaf 1 januari 2020 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
[2 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2021 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 2021 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2022 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 januari 2022 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
[3 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2023 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 2023 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2024 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 januari 2024 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
[4 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid gedurende de periode vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 de duur van vijf jaar bereikt, een herwaarderingscoëfficiënt van 0 pct. toegepast op het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 september van het betrokken jaar.]4
In afwijking van het vorige lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2020 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering evenwel vanaf 1 januari 2020 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
[2 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2021 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 2021 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2022 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 januari 2022 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
[3 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2023 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 2023 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2024 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 januari 2024 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
[4 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid gedurende de periode vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 de duur van vijf jaar bereikt, een herwaarderingscoëfficiënt van 0 pct. toegepast op het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 september van het betrokken jaar.]4
Art. 237bis /1.[1 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre d'une année déterminée, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre de cette année. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2020, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2021, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2022, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2022. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2023, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2024, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2024. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2020, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2021, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2022, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2022. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2023, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2024, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2024. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
Art. 237bis /1 TOEKOMSTIG RECHT.
[1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur van vijf jaar bereikt uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar, wordt verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. vanaf 1 september van dat jaar. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het vorige lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2020 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering evenwel vanaf 1 januari 2020 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
[2 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2021 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 2021 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2022 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 januari 2022 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
[3 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2023 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 2023 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2024 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 januari 2024 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
[4 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid gedurende de periode vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 de duur van vijf jaar bereikt, een herwaarderingscoëfficiënt van 0 pct. toegepast op het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 september van het betrokken jaar.]4
[1 Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur van vijf jaar bereikt uiterlijk op 31 december van het betrokken jaar, wordt verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. vanaf 1 september van dat jaar. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het vorige lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2020 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering evenwel vanaf 1 januari 2020 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]1
[2 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2021 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 2021 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2022 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 januari 2022 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]2
[3 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2023 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 juli 2023 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid uiterlijk op 31 december 2024 de duur van vijf jaar bereikt, het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 januari 2024 met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. verhoogd. Deze herwaardering is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214.]3
[4 In afwijking van het eerste lid wordt voor de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid gedurende de periode vanaf 1 januari 2025 tot en met 31 december 2029 de duur van vijf jaar bereikt, een herwaarderingscoëfficiënt van 0 pct. toegepast op het bedrag van de invaliditeitsuitkering vanaf 1 september van het betrokken jaar.]4
Art.237bis /1 DROIT FUTUR.
[1 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre d'une année déterminée, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre de cette année. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2020, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2021, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2022, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2022. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2023, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2024, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2024. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
[4 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au cours de la période du 1er janvier 2025 au 31 décembre 2029, un coefficient de revalorisation de 0 p.c. est appliqué au montant de l'indemnité d'invalidité à partir du 1er septembre de l'année concernée.]4
[1 Le montant de l'indemnité d'invalidité du titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre d'une année déterminée, est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er septembre de cette année. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2020, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2020. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]1
[2 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2021, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2021. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2022, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2022. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]2
[3 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2023, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er juillet 2023. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.
Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au plus tard le 31 décembre 2024, le montant de l'indemnité d'invalidité est augmenté d'un coefficient de revalorisation de 2 p.c. à partir du 1er janvier 2024. Cette revalorisation n'est toutefois pas applicable aux titulaires bénéficiant d'un montant minimum visé à l'article 214.]3
[4 Par dérogation à l'alinéa 1er, pour le titulaire dont l'incapacité de travail atteint la durée de cinq ans au cours de la période du 1er janvier 2025 au 31 décembre 2029, un coefficient de revalorisation de 0 p.c. est appliqué au montant de l'indemnité d'invalidité à partir du 1er septembre de l'année concernée.]4
Art. 237quater. <INGEVOEGD bij KB 2007-06-05/44, art. 7; Inwerkingtreding : 01-09-2009> Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur bereikt van vijftien jaar uiterlijk op 31 augustus van het betrokken jaar, wordt verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. vanaf 1 september van dat jaar. Indien de duur van 15 jaar arbeidsongeschiktheid bereikt wordt na 31 augustus, wordt de herwaarderingscoëfficiënt toegepast vanaf 1 september van het volgende jaar. Zij is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214. (NOTA : Artikel 237quater is niet van toepassing in 2009 en 2010; KB 2009-02-12/43, art. 7, 160)
Section XVIter. [1 - De l'octroi d'une prime de rattrapage.]1
Modifications
Art. 237quater. <INGEVOEGD bij KB 2007-06-05/44, art. 7; Inwerkingtreding : 01-09-2009> Het bedrag van de invaliditeitsuitkering van de gerechtigde wiens arbeidsongeschiktheid de duur bereikt van vijftien jaar uiterlijk op 31 augustus van het betrokken jaar, wordt verhoogd met een herwaarderingscoëfficiënt van 2 pct. vanaf 1 september van dat jaar. Indien de duur van 15 jaar arbeidsongeschiktheid bereikt wordt na 31 augustus, wordt de herwaarderingscoëfficiënt toegepast vanaf 1 september van het volgende jaar. Zij is evenwel niet van toepassing op de gerechtigden die een minimumuitkering ontvangen, bedoeld in artikel 214. (NOTA : Artikel 237quater is niet van toepassing in 2009 en 2010; KB 2009-02-12/43, art. 7, 160)
Art. 237quinquies. [1 § 1er. Une prime de rattrapage annuelle est allouée aux titulaires invalides qui, au 31 décembre de l'année précédant l'année de son octroi, sont reconnus incapables de travailler depuis une durée minimum d'un an et sont encore reconnus invalides au mois de mai de l'année d'octroi durant au moins un jour calendrier. Cette prime de rattrapage est payée avec les indemnités du mois de mai.
[3 Pour l'année 2023, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 409,6857 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 311,3985 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.
A partir de l'année 2024, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 409,6857 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 314,4462 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.]3
Ces montants sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, une prime de rattrapage annuelle est allouée aux titulaires invalides qui, au 31 décembre de l'année précédant l'année de son octroi, sont reconnus incapables de travailler depuis une durée minimum de deux ans et sont encore reconnus invalides au mois de mai de l'année d'octroi durant au moins un jour calendrier. Cette prime de rattrapage est payée avec les indemnités du mois de mai.
[3 Pour l'année 2023, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 616,2443 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 499,8596 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.
A partir de l'année 2024, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 616,2443 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 502,9073 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.]3
Ces montants sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237.]1
[3 Pour l'année 2023, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 409,6857 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 311,3985 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.
A partir de l'année 2024, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 409,6857 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 314,4462 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.]3
Ces montants sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, une prime de rattrapage annuelle est allouée aux titulaires invalides qui, au 31 décembre de l'année précédant l'année de son octroi, sont reconnus incapables de travailler depuis une durée minimum de deux ans et sont encore reconnus invalides au mois de mai de l'année d'octroi durant au moins un jour calendrier. Cette prime de rattrapage est payée avec les indemnités du mois de mai.
[3 Pour l'année 2023, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 616,2443 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 499,8596 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.
A partir de l'année 2024, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 616,2443 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 502,9073 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.]3
Ces montants sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237.]1
Art. 237quinquies.[1 § 1. Een jaarlijkse inhaalpremie wordt toegekend aan de invalide gerechtigden, die, op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de toekenning, minstens één jaar arbeidsongeschikt zijn erkend en in de maand mei van het jaar van de toekenning nog minstens één kalenderdag invalide zijn erkend. Deze inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei.
Section XVIter. [1 - De l'octroi d'une prime de rattrapage.]1
Art. 237quinquies. [1 § 1. Een jaarlijkse inhaalpremie wordt toegekend aan de invalide gerechtigden, die, op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de toekenning, minstens één jaar arbeidsongeschikt zijn erkend en in de maand mei van het jaar van de toekenning nog minstens één kalenderdag invalide zijn erkend. Deze inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei.
[3 Voor het jaar 2023 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
1° 409,6857 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
2° 311,3985 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.
Vanaf het jaar 2024 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
1° 409,6857 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
2° 314,4462 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.]3
Deze bedragen worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt een jaarlijkse inhaalpremie toegekend aan de invalide gerechtigden, die, op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de toekenning, minstens twee jaar arbeidsongeschikt zijn erkend en in de maand mei van het jaar van de toekenning nog minstens één kalenderdag invalide zijn erkend. Deze inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei.
[3 Voor het jaar 2023 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
1° 616,2443 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
2° 499,8596 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.
Vanaf het jaar 2024 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
1° 616,2443 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
2° 502,9073 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.]3
Deze bedragen worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.]1
[3 Voor het jaar 2023 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
1° 409,6857 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
2° 311,3985 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.
Vanaf het jaar 2024 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
1° 409,6857 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
2° 314,4462 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.]3
Deze bedragen worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt een jaarlijkse inhaalpremie toegekend aan de invalide gerechtigden, die, op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van de toekenning, minstens twee jaar arbeidsongeschikt zijn erkend en in de maand mei van het jaar van de toekenning nog minstens één kalenderdag invalide zijn erkend. Deze inhaalpremie wordt betaald samen met de uitkeringen van de maand mei.
[3 Voor het jaar 2023 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
1° 616,2443 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
2° 499,8596 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.
Vanaf het jaar 2024 is het bedrag van de inhaalpremie die wordt verleend aan de invalide gerechtigden, bedoeld in het eerste lid, gelijk aan :
1° 616,2443 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste;
2° 502,9073 euro aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) als zij op de voormelde 31 december niet werden beschouwd als werknemer met persoon ten laste.]3
Deze bedragen worden aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de bepalingen van artikel 237.]1
Art. 237quinquies. [1 § 1er. Une prime de rattrapage annuelle est allouée aux titulaires invalides qui, au 31 décembre de l'année précédant l'année de son octroi, sont reconnus incapables de travailler depuis une durée minimum d'un an et sont encore reconnus invalides au mois de mai de l'année d'octroi durant au moins un jour calendrier. Cette prime de rattrapage est payée avec les indemnités du mois de mai.
[3 Pour l'année 2023, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 409,6857 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 311,3985 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.
A partir de l'année 2024, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 409,6857 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 314,4462 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.]3
Ces montants sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, une prime de rattrapage annuelle est allouée aux titulaires invalides qui, au 31 décembre de l'année précédant l'année de son octroi, sont reconnus incapables de travailler depuis une durée minimum de deux ans et sont encore reconnus invalides au mois de mai de l'année d'octroi durant au moins un jour calendrier. Cette prime de rattrapage est payée avec les indemnités du mois de mai.
[3 Pour l'année 2023, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 616,2443 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 499,8596 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.
A partir de l'année 2024, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 616,2443 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 502,9073 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.]3
Ces montants sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237.]1
[3 Pour l'année 2023, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 409,6857 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 311,3985 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.
A partir de l'année 2024, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 409,6857 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 314,4462 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.]3
Ces montants sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, une prime de rattrapage annuelle est allouée aux titulaires invalides qui, au 31 décembre de l'année précédant l'année de son octroi, sont reconnus incapables de travailler depuis une durée minimum de deux ans et sont encore reconnus invalides au mois de mai de l'année d'octroi durant au moins un jour calendrier. Cette prime de rattrapage est payée avec les indemnités du mois de mai.
[3 Pour l'année 2023, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 616,2443 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 499,8596 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.
A partir de l'année 2024, le montant de la prime de rattrapage allouée aux titulaires invalides, visés à l'alinéa 1er, est égal à:
1° 616,2443 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui étaient considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité;
2° 502,9073 euros à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) pour ceux qui n'étaient pas considérés comme travailleur avec personne à charge au 31 décembre précité.]3
Ces montants sont adaptés aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237.]1
Afdeling XVII.
Section XVIII. - Des conditions particulières d'ouverture du droit aux indemnités incapacité de travail.
Afdeling XVIII. - Bijzondere voorwaarden inzake verkrijgen van het recht op de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid.
Art.239. § 1er. Sont censés atteindre le degré d'incapacité de travail requis, comme prévu à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée:
(numérotation 1° supprimée) le titulaire à qui il est interdit de se rendre à son travail pendant la période ci-après indiquée, parce qu'il a été en contact avec une personne atteinte d'une des maladies contagieuses suivantes: <AR 1997-04-13/51, art. 12, 007; En vigueur : 06-10-1996>
(numérotation 1° supprimée) le titulaire à qui il est interdit de se rendre à son travail pendant la période ci-après indiquée, parce qu'il a été en contact avec une personne atteinte d'une des maladies contagieuses suivantes: <AR 1997-04-13/51, art. 12, 007; En vigueur : 06-10-1996>
-
| Diphtérie (pouvant être prolonges si l`intéressé est porteur de germes) | 7 jours |
| Encéphalite epidemique | 17 jours |
| Fièvre typhoïde et paratyphoide | 12 jours |
| Méningite cerebrospinale | 9 jours |
| Morve | 12 jours |
| Poliomyelite | 17 jours |
| Scarlatine | 10 jours |
| Variole | 18 jours |
Ces périodes prennent cours le jour où le titulaire a été en contact avec le malade, et non pas le jour de l'envoi ou de la remise de l'avis d'arrêt de travail.
(2° abrogé) <AR 1997-04-13/51, art. 12, 007; En vigueur : 06-10-1996>
[2 § 1er/1. Sont réputés maintenir l'état d'incapacité de travail pendant la période suivante qui ne peut être suspendue :
1° le titulaire lié par un contrat de travail pendant la période qui débute le jour où il a signé le plan de réintégration proposé par son employeur conformément à l'article I.4-75, § 1er, 1° du code du bien-être au travail, et qui se termine la veille de la reprise du travail chez l'employeur concerné en exécution de ce plan de réintégration.
2° le titulaire qui n'est pas lié par un contrat de travail ou qui est lié par un contrat de travail et pour qui un trajet de réintégration auprès de l'employeur n'a pu débuter ni aboutir, pendant la période où il suit le trajet de réintégration visant à la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 215novies. Cette période débute le jour où [3 la déclaration positive d'engagement visée à l'article 215quaterdecies, alinéa 1er a été signée par le titulaire]3 et se termine
a) soit la veille de la reprise d'un travail rémunéré;
b) soit la veille du début du programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil Médical de l'invalidité;
[4 b/1) soit la veille de la date de début de la période pendant laquelle le titulaire bénéficie d'un bon valable pour des services spécialisés adaptés visé à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 6;]4
c) soit le dernier jour du trajet de réintégration précité tel que déterminé par le " Coordinateur Retour Au Travail ".
En dérogation à l'alinéa 1er, la présomption d'incapacité de travail visée au présent paragraphe prend fin de plein droit après six mois :
a) soit à compter du jour de la signature du plan de réintégration visé à l'alinéa 1er, 1°;
b) soit à compter du jour où [3 la déclaration positive d'engagement a été signée par le titulaire]3 visé à l'alinéa 1er, 2°,
si, à ce moment, l'événement décrit à l'alinéa 1er sur la base de laquelle la période couverte par la présomption prend fin, n'a pas encore eu lieu.]2
[4 § 1/2. Sont réputés maintenir le degré d'incapacité de travail requis, les titulaires reconnus en état d'incapacité de travail, pendant la période au cours de laquelle ils peuvent bénéficier des services spécialisés adaptés par le biais d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail " visé à l'article 110/2 de la loi coordonnée. Cette période maximale de six mois, qui ne peut être suspendue, débute à la date visée à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 7, et se termine à la date de fin des services spécialisés adaptés fournis communiquée par le prestataire de service agréé.]4
§ 2. [2 Sont réputés maintenir le degré d'incapacité de travail requis, les titulaires en état d'incapacité de travail, pendant la période au cours de laquelle ils suivent un programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil Médical de l'Invalidité.]2
Art.239.§ 1. Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid als bedoeld bij artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet te bereiken:
Section XVIII. - Des conditions particulières d'ouverture du droit aux indemnités incapacité de travail.
Art. 239. § 1. Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid als bedoeld bij artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet te bereiken:
(nummering 1° afgeschaft) de gerechtigde wie het verboden is naar zijn werk te gaan gedurende de hierna vermelde periode omdat hij in contact is gekomen met iemand die aangetast is door één van de volgende besmettelijke ziekten: <KB 1997-04-13/51, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
(nummering 1° afgeschaft) de gerechtigde wie het verboden is naar zijn werk te gaan gedurende de hierna vermelde periode omdat hij in contact is gekomen met iemand die aangetast is door één van de volgende besmettelijke ziekten: <KB 1997-04-13/51, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
Art. 239. § 1er. Sont censés atteindre le degré d'incapacité de travail requis, comme prévu à l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée:
(numérotation 1° supprimée) le titulaire à qui il est interdit de se rendre à son travail pendant la période ci-après indiquée, parce qu'il a été en contact avec une personne atteinte d'une des maladies contagieuses suivantes: <AR 1997-04-13/51, art. 12, 007; En vigueur : 06-10-1996>
(numérotation 1° supprimée) le titulaire à qui il est interdit de se rendre à son travail pendant la période ci-après indiquée, parce qu'il a été en contact avec une personne atteinte d'une des maladies contagieuses suivantes: <AR 1997-04-13/51, art. 12, 007; En vigueur : 06-10-1996>
| Difterie (met mogelijke verlenging indien de betrokkene kiemdrager is) | 7 dagen |
| Epidemische encephalitis | 17 dagen |
| Typhus en paratyphus | 12 dagen |
| Meningitis cerebrospinalis | 9 dagen |
| Malleus | 12 dagen |
| Poliomyelitis | 17 dagen |
| Roodvonk | 10 dagen |
| Pokken | 18 dagen |
| Diphtérie (pouvant être prolonges si l`intéressé est porteur de germes) | 7 jours |
| Encéphalite epidemique | 17 jours |
| Fièvre typhoïde et paratyphoide | 12 jours |
| Méningite cerebrospinale | 9 jours |
| Morve | 12 jours |
| Poliomyelite | 17 jours |
| Scarlatine | 10 jours |
| Variole | 18 jours |
Deze perioden gaan in op de dag dat de gerechtigde met de zieke in contact is gekomen en niet op de dag waarop de kennisgeving van arbeidsonderbreking werd verzonden of afgegeven.
2° (opgeheven) <KB 1997-04-13/51, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
[3 § 1/1. Worden geacht de staat van arbeidsongeschiktheid te behouden gedurende het hiernavolgende tijdvak dat niet kan worden geschorst:
1° de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde tijdens de periode die aanvat op de dag waarop hij het door zijn werkgever voorgestelde re-integratieplan heeft ondertekend overeenkomstig artikel I.4-75, § 1, 1° van de codex over het welzijn op het werk en die eindigt daags voor de hervatting van de werkzaamheid bij de betrokken werkgever in uitvoering van dit re-integratieplan.
2° de gerechtigde die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst of die verbonden is door een arbeidsovereenkomst en voor wie een re-integratietraject bij deze werkgever niet is kunnen aanvatten of slagen, tijdens de periode waarin hij het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 215novies doorloopt. Deze periode gaat in op de dag waarop [4 de positieve engagementsverklaring bedoeld in artikel 215quaterdecies, eerste lid door de gerechtigde is ondertekend]4 en eindigt
a) hetzij daags voor het aanvangen van een bezoldigde werkzaamheid;
b) hetzij daags voor het aanvangen van het programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit;
[5 b/1) hetzij daags voor de begindatum van de periode waarin de gerechtigde geniet van een bon geldig voor gespecialiseerde dienstverlening op maat bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 2, zesde lid;]5
c) hetzij op de laatste dag van het voormelde re-integratietraject zoals vastgesteld door de "Terug Naar Werk-coördinator".
In afwijking van het eerste lid, eindigt het in deze paragraaf bedoelde vermoeden van arbeidsongeschiktheid van rechtswege na zes maanden:
a) hetzij te rekenen vanaf de dag van de ondertekening van het re-integratieplan bedoeld in het eerste lid, 1°;
b) hetzij te rekenen vanaf de dag waarop [4 de positieve engagementsverklaring door de gerechtigde is ondertekend]4 bedoeld in het eerste lid, 2°,
indien op dat ogenblik de in het eerste lid omschreven gebeurtenis op grond waarvan de periode gedekt door het vermoeden eindigt, zich nog niet heeft voorgedaan.]3
[5 § 1/2. Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te behouden, de arbeidsongeschikte erkende gerechtigden tijdens de periode waarin zij de gespecialiseerde dienstverlening op maat kunnen genieten via een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de gecoördineerde wet. Deze periode van maximum zes maanden die niet kan worden geschorst, gaat in op de datum bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 2, zevende lid, en eindigt op de einddatum van de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat die door de erkende dienstverlener is meegedeeld.]5
§ 2. [3 Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te behouden, de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden tijdens de periode waarin zij een programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit, volgen.]3
2° (opgeheven) <KB 1997-04-13/51, art. 12, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
[3 § 1/1. Worden geacht de staat van arbeidsongeschiktheid te behouden gedurende het hiernavolgende tijdvak dat niet kan worden geschorst:
1° de door een arbeidsovereenkomst verbonden gerechtigde tijdens de periode die aanvat op de dag waarop hij het door zijn werkgever voorgestelde re-integratieplan heeft ondertekend overeenkomstig artikel I.4-75, § 1, 1° van de codex over het welzijn op het werk en die eindigt daags voor de hervatting van de werkzaamheid bij de betrokken werkgever in uitvoering van dit re-integratieplan.
2° de gerechtigde die niet verbonden is door een arbeidsovereenkomst of die verbonden is door een arbeidsovereenkomst en voor wie een re-integratietraject bij deze werkgever niet is kunnen aanvatten of slagen, tijdens de periode waarin hij het re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 215novies doorloopt. Deze periode gaat in op de dag waarop [4 de positieve engagementsverklaring bedoeld in artikel 215quaterdecies, eerste lid door de gerechtigde is ondertekend]4 en eindigt
a) hetzij daags voor het aanvangen van een bezoldigde werkzaamheid;
b) hetzij daags voor het aanvangen van het programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit;
[5 b/1) hetzij daags voor de begindatum van de periode waarin de gerechtigde geniet van een bon geldig voor gespecialiseerde dienstverlening op maat bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 2, zesde lid;]5
c) hetzij op de laatste dag van het voormelde re-integratietraject zoals vastgesteld door de "Terug Naar Werk-coördinator".
In afwijking van het eerste lid, eindigt het in deze paragraaf bedoelde vermoeden van arbeidsongeschiktheid van rechtswege na zes maanden:
a) hetzij te rekenen vanaf de dag van de ondertekening van het re-integratieplan bedoeld in het eerste lid, 1°;
b) hetzij te rekenen vanaf de dag waarop [4 de positieve engagementsverklaring door de gerechtigde is ondertekend]4 bedoeld in het eerste lid, 2°,
indien op dat ogenblik de in het eerste lid omschreven gebeurtenis op grond waarvan de periode gedekt door het vermoeden eindigt, zich nog niet heeft voorgedaan.]3
[5 § 1/2. Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te behouden, de arbeidsongeschikte erkende gerechtigden tijdens de periode waarin zij de gespecialiseerde dienstverlening op maat kunnen genieten via een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de gecoördineerde wet. Deze periode van maximum zes maanden die niet kan worden geschorst, gaat in op de datum bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 2, zevende lid, en eindigt op de einddatum van de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat die door de erkende dienstverlener is meegedeeld.]5
§ 2. [3 Worden geacht de vereiste graad van arbeidsongeschiktheid te behouden, de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden tijdens de periode waarin zij een programma van beroepsherscholing, goedgekeurd door de Hoge Commissie van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit, volgen.]3
Modifications
Ces périodes prennent cours le jour où le titulaire a été en contact avec le malade, et non pas le jour de l'envoi ou de la remise de l'avis d'arrêt de travail.
(2° abrogé) <AR 1997-04-13/51, art. 12, 007; En vigueur : 06-10-1996>
[2 § 1er/1. Sont réputés maintenir l'état d'incapacité de travail pendant la période suivante qui ne peut être suspendue :
1° le titulaire lié par un contrat de travail pendant la période qui débute le jour où il a signé le plan de réintégration proposé par son employeur conformément à l'article I.4-75, § 1er, 1° du code du bien-être au travail, et qui se termine la veille de la reprise du travail chez l'employeur concerné en exécution de ce plan de réintégration.
2° le titulaire qui n'est pas lié par un contrat de travail ou qui est lié par un contrat de travail et pour qui un trajet de réintégration auprès de l'employeur n'a pu débuter ni aboutir, pendant la période où il suit le trajet de réintégration visant à la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 215novies. Cette période débute le jour où [3 la déclaration positive d'engagement visée à l'article 215quaterdecies, alinéa 1er a été signée par le titulaire]3 et se termine
a) soit la veille de la reprise d'un travail rémunéré;
b) soit la veille du début du programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil Médical de l'invalidité;
[4 b/1) soit la veille de la date de début de la période pendant laquelle le titulaire bénéficie d'un bon valable pour des services spécialisés adaptés visé à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 6;]4
c) soit le dernier jour du trajet de réintégration précité tel que déterminé par le " Coordinateur Retour Au Travail ".
En dérogation à l'alinéa 1er, la présomption d'incapacité de travail visée au présent paragraphe prend fin de plein droit après six mois :
a) soit à compter du jour de la signature du plan de réintégration visé à l'alinéa 1er, 1°;
b) soit à compter du jour où [3 la déclaration positive d'engagement a été signée par le titulaire]3 visé à l'alinéa 1er, 2°,
si, à ce moment, l'événement décrit à l'alinéa 1er sur la base de laquelle la période couverte par la présomption prend fin, n'a pas encore eu lieu.]2
[4 § 1/2. Sont réputés maintenir le degré d'incapacité de travail requis, les titulaires reconnus en état d'incapacité de travail, pendant la période au cours de laquelle ils peuvent bénéficier des services spécialisés adaptés par le biais d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail " visé à l'article 110/2 de la loi coordonnée. Cette période maximale de six mois, qui ne peut être suspendue, débute à la date visée à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 7, et se termine à la date de fin des services spécialisés adaptés fournis communiquée par le prestataire de service agréé.]4
§ 2. [2 Sont réputés maintenir le degré d'incapacité de travail requis, les titulaires en état d'incapacité de travail, pendant la période au cours de laquelle ils suivent un programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil Médical de l'Invalidité.]2
(2° abrogé) <AR 1997-04-13/51, art. 12, 007; En vigueur : 06-10-1996>
[2 § 1er/1. Sont réputés maintenir l'état d'incapacité de travail pendant la période suivante qui ne peut être suspendue :
1° le titulaire lié par un contrat de travail pendant la période qui débute le jour où il a signé le plan de réintégration proposé par son employeur conformément à l'article I.4-75, § 1er, 1° du code du bien-être au travail, et qui se termine la veille de la reprise du travail chez l'employeur concerné en exécution de ce plan de réintégration.
2° le titulaire qui n'est pas lié par un contrat de travail ou qui est lié par un contrat de travail et pour qui un trajet de réintégration auprès de l'employeur n'a pu débuter ni aboutir, pendant la période où il suit le trajet de réintégration visant à la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 215novies. Cette période débute le jour où [3 la déclaration positive d'engagement visée à l'article 215quaterdecies, alinéa 1er a été signée par le titulaire]3 et se termine
a) soit la veille de la reprise d'un travail rémunéré;
b) soit la veille du début du programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil Médical de l'invalidité;
[4 b/1) soit la veille de la date de début de la période pendant laquelle le titulaire bénéficie d'un bon valable pour des services spécialisés adaptés visé à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 6;]4
c) soit le dernier jour du trajet de réintégration précité tel que déterminé par le " Coordinateur Retour Au Travail ".
En dérogation à l'alinéa 1er, la présomption d'incapacité de travail visée au présent paragraphe prend fin de plein droit après six mois :
a) soit à compter du jour de la signature du plan de réintégration visé à l'alinéa 1er, 1°;
b) soit à compter du jour où [3 la déclaration positive d'engagement a été signée par le titulaire]3 visé à l'alinéa 1er, 2°,
si, à ce moment, l'événement décrit à l'alinéa 1er sur la base de laquelle la période couverte par la présomption prend fin, n'a pas encore eu lieu.]2
[4 § 1/2. Sont réputés maintenir le degré d'incapacité de travail requis, les titulaires reconnus en état d'incapacité de travail, pendant la période au cours de laquelle ils peuvent bénéficier des services spécialisés adaptés par le biais d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail " visé à l'article 110/2 de la loi coordonnée. Cette période maximale de six mois, qui ne peut être suspendue, débute à la date visée à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 7, et se termine à la date de fin des services spécialisés adaptés fournis communiquée par le prestataire de service agréé.]4
§ 2. [2 Sont réputés maintenir le degré d'incapacité de travail requis, les titulaires en état d'incapacité de travail, pendant la période au cours de laquelle ils suivent un programme de réadaptation professionnelle approuvé par la Commission supérieure du Conseil Médical de l'Invalidité.]2
Art.241. De gerechtigde kan aanspraak maken op de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, wanneer hij recht heeft op één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet opgesomde verdelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt, op voorwaarde dat hij zijn verzekeringsinstelling inlicht over:
1° elk gegeven waardoor zijn recht kan worden uitgemaakt;
2° elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging van het voordeel.
1° elk gegeven waardoor zijn recht kan worden uitgemaakt;
2° elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging van het voordeel.
Art.242. § 1er. Le titulaire occupé par plus d'un employeur et qui, en raison d'une ou de plusieurs, mais pas de toutes ces occupations, se trouve dans une des périodes prévues à l'article 103, § 1er, de la loi coordonnée, ne peut prétendre à une indemnité d'incapacité de travail qu'en fonction d'une occupation qui ne donne pas lieu à l'octroi d'une rémunération ou d'un avantage pécuniaire, au sens du même article 103, § 1er, de la loi coordonnée.
Pour l'application du présent paragraphe, il y a lieu d'assimiler à une période d'occupation, la période visée à l'article 86, § 1er, 1°, a) de la loi coordonnée pour laquelle le titulaire peut prétendre à une indemnité due pour rupture du contrat de travail.
§ 2. [2 Le travailleur à temps partiel volontaire, visé à l'article 104, § 1bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et le travailleur à temps partiel avec maintien des droits visé à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité qui, en raison de leur occupation se trouvent dans une période prévue à l'article 103, § 1er, 2° ou 3°, de la loi coordonnée, ne peuvent prétendre à une indemnité d'incapacité de travail pendant ladite période qu'en fonction du montant de l'allocation de garantie de revenus qui n'a pas été allouée par la caisse de paiement des allocations de chômage du fait de leur incapacité de travail.
Les titulaires visés à l'alinéa premier peuvent prétendre à une indemnité calculée sur base de la seule rémunération découlant de leur activité, durant les périodes de congé visées aux [3 articles 223bis, 223ter et 223quinquies]3, au cours desquelles ils conservent le droit à l'allocation de garantie de revenus.
Les titulaires visées à l'alinéa premier peuvent prétendre à une indemnité pour pause d'allaitement calculée sur base de la seule rémunération découlant de leur activité, pour la période pendant laquelle elles conservent le droit à l'allocation de garantie de revenus.]2
[1 § 3. La travailleuse qui fait usage de la faculté de convertir une partie de la période de repos de maternité en jours de congé dans les conditions fixées à l'article 39, alinéa 3 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, peut bénéficier d'une indemnité de maternité pour les jours de congé de repos postnatal pris dans les conditions susvisées. Le montant des indemnités ne peut toutefois excéder le montant qui aurait été octroyé si la travailleuse n'avait pas fait usage de cette faculté.]1
Pour l'application du présent paragraphe, il y a lieu d'assimiler à une période d'occupation, la période visée à l'article 86, § 1er, 1°, a) de la loi coordonnée pour laquelle le titulaire peut prétendre à une indemnité due pour rupture du contrat de travail.
§ 2. [2 Le travailleur à temps partiel volontaire, visé à l'article 104, § 1bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et le travailleur à temps partiel avec maintien des droits visé à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité qui, en raison de leur occupation se trouvent dans une période prévue à l'article 103, § 1er, 2° ou 3°, de la loi coordonnée, ne peuvent prétendre à une indemnité d'incapacité de travail pendant ladite période qu'en fonction du montant de l'allocation de garantie de revenus qui n'a pas été allouée par la caisse de paiement des allocations de chômage du fait de leur incapacité de travail.
Les titulaires visés à l'alinéa premier peuvent prétendre à une indemnité calculée sur base de la seule rémunération découlant de leur activité, durant les périodes de congé visées aux [3 articles 223bis, 223ter et 223quinquies]3, au cours desquelles ils conservent le droit à l'allocation de garantie de revenus.
Les titulaires visées à l'alinéa premier peuvent prétendre à une indemnité pour pause d'allaitement calculée sur base de la seule rémunération découlant de leur activité, pour la période pendant laquelle elles conservent le droit à l'allocation de garantie de revenus.]2
[1 § 3. La travailleuse qui fait usage de la faculté de convertir une partie de la période de repos de maternité en jours de congé dans les conditions fixées à l'article 39, alinéa 3 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, peut bénéficier d'une indemnité de maternité pour les jours de congé de repos postnatal pris dans les conditions susvisées. Le montant des indemnités ne peut toutefois excéder le montant qui aurait été octroyé si la travailleuse n'avait pas fait usage de cette faculté.]1
Art.242. § 1. De gerechtigde die door meer dan één werkgever is tewerkgesteld en die, uit hoofde van één of meer, maar niet van alle tewerkstellingen, zich in één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde tijdvakken bevindt, kan slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van één tewerkstelling die geen aanleiding geeft tot het toekennen van een loon of een geldelijk voordeel, als bedoeld in hetzelfde artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet.
Voor de toepassing van deze paragraaf dient het in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, bedoelde tijdvak voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld.
§ 2. [2 De vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de deeltijds werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 131bis van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, die zich uit hoofde van hun werkzaamheid bevinden in een tijdvak als bedoeld in artikel 103, § 1, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet, kunnen gedurende dat tijdvak slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in functie van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering die niet werd verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op hun arbeidsongeschiktheid.
De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen tijdens de tijdvakken van verlof, bedoeld in de [3 artikelen 223bis, 223ter en 223quinquies]3, waarover zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden, enkel aanspraak maken op een uitkering berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit.
De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen aanspraak maken op een uitkering voor borstvoedingspauze enkel berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit voor de periode waarin zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden.]2
[1 § 3. De werkneemster die gebruikt maakt van de mogelijkheid om een deel van het tijdvak van moederschapsrust om te zetten in verlofdagen onder de voorwaarden bepaald in artikel 39, derde lid van de arbeidswet van 16 maart 1971, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering voor de verlofdagen van postnatale rust genomen onder de voormelde voorwaarden. Het bedrag van de uitkeringen mag evenwel het bedrag niet overschrijden dat zou zijn toegekend indien de werkneemster geen gebruik had gemaakt van deze mogelijkheid.]1
Voor de toepassing van deze paragraaf dient het in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, bedoelde tijdvak voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld.
§ 2. [2 De vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de deeltijds werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 131bis van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, die zich uit hoofde van hun werkzaamheid bevinden in een tijdvak als bedoeld in artikel 103, § 1, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet, kunnen gedurende dat tijdvak slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in functie van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering die niet werd verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op hun arbeidsongeschiktheid.
De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen tijdens de tijdvakken van verlof, bedoeld in de [3 artikelen 223bis, 223ter en 223quinquies]3, waarover zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden, enkel aanspraak maken op een uitkering berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit.
De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen aanspraak maken op een uitkering voor borstvoedingspauze enkel berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit voor de periode waarin zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden.]2
[1 § 3. De werkneemster die gebruikt maakt van de mogelijkheid om een deel van het tijdvak van moederschapsrust om te zetten in verlofdagen onder de voorwaarden bepaald in artikel 39, derde lid van de arbeidswet van 16 maart 1971, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering voor de verlofdagen van postnatale rust genomen onder de voormelde voorwaarden. Het bedrag van de uitkeringen mag evenwel het bedrag niet overschrijden dat zou zijn toegekend indien de werkneemster geen gebruik had gemaakt van deze mogelijkheid.]1
Art.243. Le titulaire qui a réduit ses prestations de travail de moitié et qui bénéficie d'allocations de chômage conformément à l'arrêté royal du 30 juillet 1994 relatif à la prépension à mi-temps, peut prétendre à une indemnité d'incapacité de travail calculée en fonction de son activité à temps partiel, pendant la période au cours de laquelle il conserve le droit aux allocations de chômage en vertu de l'article 10, alinéa 3, de l'arrêté royal du 30 juillet 1994 précité, sans bénéficier de la rémunération garantie visée à l'article 52, § 1er ou § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
Art. 242. § 1. De gerechtigde die door meer dan één werkgever is tewerkgesteld en die, uit hoofde van één of meer, maar niet van alle tewerkstellingen, zich in één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde tijdvakken bevindt, kan slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van één tewerkstelling die geen aanleiding geeft tot het toekennen van een loon of een geldelijk voordeel, als bedoeld in hetzelfde artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet.
Voor de toepassing van deze paragraaf dient het in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, bedoelde tijdvak voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld.
§ 2. [2 De vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de deeltijds werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 131bis van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, die zich uit hoofde van hun werkzaamheid bevinden in een tijdvak als bedoeld in artikel 103, § 1, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet, kunnen gedurende dat tijdvak slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in functie van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering die niet werd verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op hun arbeidsongeschiktheid.
De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen tijdens de tijdvakken van verlof, bedoeld in de [3 artikelen 223bis, 223ter en 223quinquies]3, waarover zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden, enkel aanspraak maken op een uitkering berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit.
De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen aanspraak maken op een uitkering voor borstvoedingspauze enkel berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit voor de periode waarin zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden.]2
[1 § 3. De werkneemster die gebruikt maakt van de mogelijkheid om een deel van het tijdvak van moederschapsrust om te zetten in verlofdagen onder de voorwaarden bepaald in artikel 39, derde lid van de arbeidswet van 16 maart 1971, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering voor de verlofdagen van postnatale rust genomen onder de voormelde voorwaarden. Het bedrag van de uitkeringen mag evenwel het bedrag niet overschrijden dat zou zijn toegekend indien de werkneemster geen gebruik had gemaakt van deze mogelijkheid.]1
Voor de toepassing van deze paragraaf dient het in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, bedoelde tijdvak voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld.
§ 2. [2 De vrijwillig deeltijds werknemer bedoeld in artikel 104, § 1bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en de deeltijds werknemer met behoud van rechten bedoeld in artikel 131bis van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991, die zich uit hoofde van hun werkzaamheid bevinden in een tijdvak als bedoeld in artikel 103, § 1, 2° of 3°, van de gecoördineerde wet, kunnen gedurende dat tijdvak slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in functie van het bedrag van de inkomensgarantie-uitkering die niet werd verleend door de uitbetalingsinstelling van de werkloosheidsuitkeringen gelet op hun arbeidsongeschiktheid.
De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen tijdens de tijdvakken van verlof, bedoeld in de [3 artikelen 223bis, 223ter en 223quinquies]3, waarover zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden, enkel aanspraak maken op een uitkering berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit.
De gerechtigden bedoeld in het eerste lid kunnen aanspraak maken op een uitkering voor borstvoedingspauze enkel berekend op het loon voortvloeiend uit hun activiteit voor de periode waarin zij het recht op de inkomensgarantie-uitkering behouden.]2
[1 § 3. De werkneemster die gebruikt maakt van de mogelijkheid om een deel van het tijdvak van moederschapsrust om te zetten in verlofdagen onder de voorwaarden bepaald in artikel 39, derde lid van de arbeidswet van 16 maart 1971, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering voor de verlofdagen van postnatale rust genomen onder de voormelde voorwaarden. Het bedrag van de uitkeringen mag evenwel het bedrag niet overschrijden dat zou zijn toegekend indien de werkneemster geen gebruik had gemaakt van deze mogelijkheid.]1
Art. 242. § 1er. Le titulaire occupé par plus d'un employeur et qui, en raison d'une ou de plusieurs, mais pas de toutes ces occupations, se trouve dans une des périodes prévues à l'article 103, § 1er, de la loi coordonnée, ne peut prétendre à une indemnité d'incapacité de travail qu'en fonction d'une occupation qui ne donne pas lieu à l'octroi d'une rémunération ou d'un avantage pécuniaire, au sens du même article 103, § 1er, de la loi coordonnée.
Pour l'application du présent paragraphe, il y a lieu d'assimiler à une période d'occupation, la période visée à l'article 86, § 1er, 1°, a) de la loi coordonnée pour laquelle le titulaire peut prétendre à une indemnité due pour rupture du contrat de travail.
§ 2. [2 Le travailleur à temps partiel volontaire, visé à l'article 104, § 1bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et le travailleur à temps partiel avec maintien des droits visé à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité qui, en raison de leur occupation se trouvent dans une période prévue à l'article 103, § 1er, 2° ou 3°, de la loi coordonnée, ne peuvent prétendre à une indemnité d'incapacité de travail pendant ladite période qu'en fonction du montant de l'allocation de garantie de revenus qui n'a pas été allouée par la caisse de paiement des allocations de chômage du fait de leur incapacité de travail.
Les titulaires visés à l'alinéa premier peuvent prétendre à une indemnité calculée sur base de la seule rémunération découlant de leur activité, durant les périodes de congé visées aux [3 articles 223bis, 223ter et 223quinquies]3, au cours desquelles ils conservent le droit à l'allocation de garantie de revenus.
Les titulaires visées à l'alinéa premier peuvent prétendre à une indemnité pour pause d'allaitement calculée sur base de la seule rémunération découlant de leur activité, pour la période pendant laquelle elles conservent le droit à l'allocation de garantie de revenus.]2
[1 § 3. La travailleuse qui fait usage de la faculté de convertir une partie de la période de repos de maternité en jours de congé dans les conditions fixées à l'article 39, alinéa 3 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, peut bénéficier d'une indemnité de maternité pour les jours de congé de repos postnatal pris dans les conditions susvisées. Le montant des indemnités ne peut toutefois excéder le montant qui aurait été octroyé si la travailleuse n'avait pas fait usage de cette faculté.]1
Pour l'application du présent paragraphe, il y a lieu d'assimiler à une période d'occupation, la période visée à l'article 86, § 1er, 1°, a) de la loi coordonnée pour laquelle le titulaire peut prétendre à une indemnité due pour rupture du contrat de travail.
§ 2. [2 Le travailleur à temps partiel volontaire, visé à l'article 104, § 1bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage et le travailleur à temps partiel avec maintien des droits visé à l'article 131bis de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 précité qui, en raison de leur occupation se trouvent dans une période prévue à l'article 103, § 1er, 2° ou 3°, de la loi coordonnée, ne peuvent prétendre à une indemnité d'incapacité de travail pendant ladite période qu'en fonction du montant de l'allocation de garantie de revenus qui n'a pas été allouée par la caisse de paiement des allocations de chômage du fait de leur incapacité de travail.
Les titulaires visés à l'alinéa premier peuvent prétendre à une indemnité calculée sur base de la seule rémunération découlant de leur activité, durant les périodes de congé visées aux [3 articles 223bis, 223ter et 223quinquies]3, au cours desquelles ils conservent le droit à l'allocation de garantie de revenus.
Les titulaires visées à l'alinéa premier peuvent prétendre à une indemnité pour pause d'allaitement calculée sur base de la seule rémunération découlant de leur activité, pour la période pendant laquelle elles conservent le droit à l'allocation de garantie de revenus.]2
[1 § 3. La travailleuse qui fait usage de la faculté de convertir une partie de la période de repos de maternité en jours de congé dans les conditions fixées à l'article 39, alinéa 3 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, peut bénéficier d'une indemnité de maternité pour les jours de congé de repos postnatal pris dans les conditions susvisées. Le montant des indemnités ne peut toutefois excéder le montant qui aurait été octroyé si la travailleuse n'avait pas fait usage de cette faculté.]1
Art. 243. De gerechtigde die zijn arbeidsprestaties heeft gehalveerd en werkloosheidsuitkeringen geniet overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 juli 1994 betreffende het halftijds brugpensioen, kan aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die berekend wordt in functie van zijn deeltijdse activiteit, gedurende de periode tijdens dewelke hij krachtens artikel 10, derde lid, van vorengenoemd koninklijk besluit van 30 juli 1994, het recht op werkloosheidsuitkeringen behoudt zonder dat hij het gewaarborgd loon geniet, als bedoeld in artikel 52, § 1 of § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
Art.244. <AR 2001-12-13/30, art. 1, 069; En vigueur : 01-01-2002> § 1er. Lorsqu'en application de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée et des articles 230 et 235, le montant de l'indemnité d'incapacité de travail est susceptible d'être modifié parce que le bénéficiaire perçoit une prestation attribuée par une législation étrangère ou un revenu professionnel acquis par l'exercice d'une activité autorisée par le médecin-conseil sur le territoire d'un autre pays, le montant de cette prestation ou de ce revenu est, pour le calcul de l'indemnité d'incapacité de travail, converti en euro au taux de change moyen communiqué par la Banque centrale européenne.
Les taux de change communiqués par la Banque centrale européenne sont publiés par l'Institut avant le début du premier jour de la période pour laquelle ils sont applicables.
La période de référence est :
1° le mois de janvier pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e avril suivant;
2° le mois d'avril pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e juillet suivant;
3° le mois de juillet pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e octobre suivant;
4° le mois d'octobre pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e janvier suivant.
Lors du calcul du montant de l'indemnité, le cours de change à prendre en considération est :
1° pour l'application de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée et de l'article 235, le taux de change valable pour la période au cours de laquelle se situe le premier jour de l'incapacité de travail ou éventuellement la date de prise de cours de la prestation étrangère, si elle est accordée postérieurement à la date de prise de cours de l'incapacité de travail;
2° pour l'application de l'article 230, le taux de change valable pour la période où se situe le jour de la reprise du travail.
§ 2. Si l'article 136, § 2, de la loi coordonnée ou l'article 235 sont applicables, le calcul visé au § 1e est revu :
1° Lorsque le mode de fixation ou les règles de calcul de la prestation étrangère subissent des modifications ou lorsqu'en application de l'article 225 ou de l'article 226, le taux de l'indemnité varie. Lors de la révision, le taux de change pris en compte est celui qui vaut pour la période au cours de laquelle le changement susmentionné est intervenu.
2° Lorsque le taux de conversion varie de 10 % par rapport à celui pris en considération lors du calcul initial ou précédent. La révision s'effectue à la demande de l'intéressé et prend effet à partir du premier jour de la période au cours de laquelle la fluctuation du taux de change atteint 10 %.
Une demande de révision n'est pas recevable lorsque l'indemnité pour incapacité de travail a été calculée en application du Règlement (CEE) n° 1408/71 du Conseil, du 14 juin 1971, relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salaries et aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté.
§ 3. Si l'article 230 est applicable, le calcul visé au § 1e est soumis à révision lorsque le montant du revenu professionnel change par rapport à celui pris en considération lors du calcul initial ou précédent.
Lors de la révision, le taux de change pris en considération est celui qui vaut pour la période au cours de laquelle le changement susmentionné est intervenu.
Les taux de change communiqués par la Banque centrale européenne sont publiés par l'Institut avant le début du premier jour de la période pour laquelle ils sont applicables.
La période de référence est :
1° le mois de janvier pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e avril suivant;
2° le mois d'avril pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e juillet suivant;
3° le mois de juillet pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e octobre suivant;
4° le mois d'octobre pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e janvier suivant.
Lors du calcul du montant de l'indemnité, le cours de change à prendre en considération est :
1° pour l'application de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée et de l'article 235, le taux de change valable pour la période au cours de laquelle se situe le premier jour de l'incapacité de travail ou éventuellement la date de prise de cours de la prestation étrangère, si elle est accordée postérieurement à la date de prise de cours de l'incapacité de travail;
2° pour l'application de l'article 230, le taux de change valable pour la période où se situe le jour de la reprise du travail.
§ 2. Si l'article 136, § 2, de la loi coordonnée ou l'article 235 sont applicables, le calcul visé au § 1e est revu :
1° Lorsque le mode de fixation ou les règles de calcul de la prestation étrangère subissent des modifications ou lorsqu'en application de l'article 225 ou de l'article 226, le taux de l'indemnité varie. Lors de la révision, le taux de change pris en compte est celui qui vaut pour la période au cours de laquelle le changement susmentionné est intervenu.
2° Lorsque le taux de conversion varie de 10 % par rapport à celui pris en considération lors du calcul initial ou précédent. La révision s'effectue à la demande de l'intéressé et prend effet à partir du premier jour de la période au cours de laquelle la fluctuation du taux de change atteint 10 %.
Une demande de révision n'est pas recevable lorsque l'indemnité pour incapacité de travail a été calculée en application du Règlement (CEE) n° 1408/71 du Conseil, du 14 juin 1971, relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salaries et aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté.
§ 3. Si l'article 230 est applicable, le calcul visé au § 1e est soumis à révision lorsque le montant du revenu professionnel change par rapport à celui pris en considération lors du calcul initial ou précédent.
Lors de la révision, le taux de change pris en considération est celui qui vaut pour la période au cours de laquelle le changement susmentionné est intervenu.
Art.244. § 1. Indien, bij toepassing van artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet en van de artikelen 230 en 235, het bedrag van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid kan worden gewijzigd omdat de rechthebbende een krachtens een buitenlandse wettelijke regeling toegekende uitkering geniet of een beroepsinkomen verkregen door de uitoefening van een door de adviserend [1 arts]1 toegelaten activiteit op het grondgebied van een ander land, wordt het bedrag van die uitkering of van dat inkomen voor de berekening van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid omgerekend in euro tegen de gemiddelde maandkoers die door de Europese Centrale Bank is opgegeven.
Art.245. Lorsque les arrérages reçus d'un organisme étranger exprimés ou convertis en euro, ne couvrent pas le montant des avances ou des indemnités payées à titre provisionnel, la différence n'est pas récupérée lorsque cette différence est due soit au taux de change utilisé pour calculer le montant des sommes dues par l'organisme étranger ou au taux de change applicable au moment du versement des arrérages précités, soit à l'adaptation conjoncturelle des indemnités.
Art. 244. <KB 2001-12-13/30, art. 1, 069; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Indien, bij toepassing van artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet en van de artikelen 230 en 235, het bedrag van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid kan worden gewijzigd omdat de rechthebbende een krachtens een buitenlandse wettelijke regeling toegekende uitkering geniet of een beroepsinkomen verkregen door de uitoefening van een door de adviserend [1 arts]1 toegelaten activiteit op het grondgebied van een ander land, wordt het bedrag van die uitkering of van dat inkomen voor de berekening van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid omgerekend in euro tegen de gemiddelde maandkoers die door de Europese Centrale Bank is opgegeven.
De wisselkoersen die door de Europese Centrale Bank zijn opgegeven, worden door het Instituut bekendgemaakt vóór het begin van de eerste dag van het tijdvak waarover zij van toepassing zijn.
De referentieperiode is :
1° de maand januari voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 april daaropvolgend moeten worden toegepast;
2° de maand april voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 juli daaropvolgend moeten worden toegepast;
3° de maand juli voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 oktober daaropvolgend moeten worden toegepast;
4° de maand oktober voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 januari daaropvolgend moeten worden toegepast.
Bij de berekening van het bedrag van de uitkering moet de volgende wisselkoers in aanmerking worden genomen :
1° voor de toepassing van artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet en van artikel 235, de wisselkoers die gelding heeft over het tijdvak waarin de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid gelegen is of, in voorkomend geval, de datum van ingang van de buitenlandse uitkering indien deze na de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid is toegekend;
2° voor de toepassing van artikel 230 de wisselkoers die gelding heeft over het tijdvak waarin de datum van de arbeidshervatting gelegen is.
§ 2. Ingeval artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet of artikel 235 van toepassing zijn wordt de in § 1 bedoelde berekening herzien :
1° Wanneer de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de buitenlandse uitkering wijzigingen ondergaan of wanneer met toepassing van artikel 225 of artikel 226 de hoegrootheid van de uitkering wijzigt. Bij de herziening wordt de wisselkoers in aanmerking genomen die geldt over het tijdvak waarin bovenvermelde wijziging is opgetreden.
2° Wanneer het bedrag van de omrekeningskoers met 10 % verandert ten overstaan van de omrekeningskoers die bij de eerste of een vorige berekening in aanmerking is genomen. De herziening geschiedt op verzoek van de rechthebbende en heeft uitwerking vanaf de eerste dag van het tijdvak waarin de wijziging van de wisselkoers met 10 % wordt bereikt.
Een aanvraag om herziening is niet ontvankelijk wanneer de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid werd berekend met toepassing van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
§ 3. Ingeval artikel 230 van toepassing is wordt de in § 1 bedoelde berekening herzien wanneer het bedrag van het beroepsinkomen verandert ten overstaan van het bedrag dat bij de eerste of een vorige berekening in aanmerking werd genomen.
Bij de herziening wordt de wisselkoers in aanmerking genomen die geldt over het tijdvak waarin bovenvermelde wijziging is opgetreden.
De wisselkoersen die door de Europese Centrale Bank zijn opgegeven, worden door het Instituut bekendgemaakt vóór het begin van de eerste dag van het tijdvak waarover zij van toepassing zijn.
De referentieperiode is :
1° de maand januari voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 april daaropvolgend moeten worden toegepast;
2° de maand april voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 juli daaropvolgend moeten worden toegepast;
3° de maand juli voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 oktober daaropvolgend moeten worden toegepast;
4° de maand oktober voor de omrekeningskoersen die met ingang van 1 januari daaropvolgend moeten worden toegepast.
Bij de berekening van het bedrag van de uitkering moet de volgende wisselkoers in aanmerking worden genomen :
1° voor de toepassing van artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet en van artikel 235, de wisselkoers die gelding heeft over het tijdvak waarin de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid gelegen is of, in voorkomend geval, de datum van ingang van de buitenlandse uitkering indien deze na de aanvangsdatum van de arbeidsongeschiktheid is toegekend;
2° voor de toepassing van artikel 230 de wisselkoers die gelding heeft over het tijdvak waarin de datum van de arbeidshervatting gelegen is.
§ 2. Ingeval artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet of artikel 235 van toepassing zijn wordt de in § 1 bedoelde berekening herzien :
1° Wanneer de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de buitenlandse uitkering wijzigingen ondergaan of wanneer met toepassing van artikel 225 of artikel 226 de hoegrootheid van de uitkering wijzigt. Bij de herziening wordt de wisselkoers in aanmerking genomen die geldt over het tijdvak waarin bovenvermelde wijziging is opgetreden.
2° Wanneer het bedrag van de omrekeningskoers met 10 % verandert ten overstaan van de omrekeningskoers die bij de eerste of een vorige berekening in aanmerking is genomen. De herziening geschiedt op verzoek van de rechthebbende en heeft uitwerking vanaf de eerste dag van het tijdvak waarin de wijziging van de wisselkoers met 10 % wordt bereikt.
Een aanvraag om herziening is niet ontvankelijk wanneer de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid werd berekend met toepassing van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.
§ 3. Ingeval artikel 230 van toepassing is wordt de in § 1 bedoelde berekening herzien wanneer het bedrag van het beroepsinkomen verandert ten overstaan van het bedrag dat bij de eerste of een vorige berekening in aanmerking werd genomen.
Bij de herziening wordt de wisselkoers in aanmerking genomen die geldt over het tijdvak waarin bovenvermelde wijziging is opgetreden.
Modifications
Art. 244. <AR 2001-12-13/30, art. 1, 069; En vigueur : 01-01-2002> § 1er. Lorsqu'en application de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée et des articles 230 et 235, le montant de l'indemnité d'incapacité de travail est susceptible d'être modifié parce que le bénéficiaire perçoit une prestation attribuée par une législation étrangère ou un revenu professionnel acquis par l'exercice d'une activité autorisée par le médecin-conseil sur le territoire d'un autre pays, le montant de cette prestation ou de ce revenu est, pour le calcul de l'indemnité d'incapacité de travail, converti en euro au taux de change moyen communiqué par la Banque centrale européenne.
Les taux de change communiqués par la Banque centrale européenne sont publiés par l'Institut avant le début du premier jour de la période pour laquelle ils sont applicables.
La période de référence est :
1° le mois de janvier pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e avril suivant;
2° le mois d'avril pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e juillet suivant;
3° le mois de juillet pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e octobre suivant;
4° le mois d'octobre pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e janvier suivant.
Lors du calcul du montant de l'indemnité, le cours de change à prendre en considération est :
1° pour l'application de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée et de l'article 235, le taux de change valable pour la période au cours de laquelle se situe le premier jour de l'incapacité de travail ou éventuellement la date de prise de cours de la prestation étrangère, si elle est accordée postérieurement à la date de prise de cours de l'incapacité de travail;
2° pour l'application de l'article 230, le taux de change valable pour la période où se situe le jour de la reprise du travail.
§ 2. Si l'article 136, § 2, de la loi coordonnée ou l'article 235 sont applicables, le calcul visé au § 1e est revu :
1° Lorsque le mode de fixation ou les règles de calcul de la prestation étrangère subissent des modifications ou lorsqu'en application de l'article 225 ou de l'article 226, le taux de l'indemnité varie. Lors de la révision, le taux de change pris en compte est celui qui vaut pour la période au cours de laquelle le changement susmentionné est intervenu.
2° Lorsque le taux de conversion varie de 10 % par rapport à celui pris en considération lors du calcul initial ou précédent. La révision s'effectue à la demande de l'intéressé et prend effet à partir du premier jour de la période au cours de laquelle la fluctuation du taux de change atteint 10 %.
Une demande de révision n'est pas recevable lorsque l'indemnité pour incapacité de travail a été calculée en application du Règlement (CEE) n° 1408/71 du Conseil, du 14 juin 1971, relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salaries et aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté.
§ 3. Si l'article 230 est applicable, le calcul visé au § 1e est soumis à révision lorsque le montant du revenu professionnel change par rapport à celui pris en considération lors du calcul initial ou précédent.
Lors de la révision, le taux de change pris en considération est celui qui vaut pour la période au cours de laquelle le changement susmentionné est intervenu.
Les taux de change communiqués par la Banque centrale européenne sont publiés par l'Institut avant le début du premier jour de la période pour laquelle ils sont applicables.
La période de référence est :
1° le mois de janvier pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e avril suivant;
2° le mois d'avril pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e juillet suivant;
3° le mois de juillet pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e octobre suivant;
4° le mois d'octobre pour les taux de conversion qui doivent être appliqués à partir du 1e janvier suivant.
Lors du calcul du montant de l'indemnité, le cours de change à prendre en considération est :
1° pour l'application de l'article 136, § 2, de la loi coordonnée et de l'article 235, le taux de change valable pour la période au cours de laquelle se situe le premier jour de l'incapacité de travail ou éventuellement la date de prise de cours de la prestation étrangère, si elle est accordée postérieurement à la date de prise de cours de l'incapacité de travail;
2° pour l'application de l'article 230, le taux de change valable pour la période où se situe le jour de la reprise du travail.
§ 2. Si l'article 136, § 2, de la loi coordonnée ou l'article 235 sont applicables, le calcul visé au § 1e est revu :
1° Lorsque le mode de fixation ou les règles de calcul de la prestation étrangère subissent des modifications ou lorsqu'en application de l'article 225 ou de l'article 226, le taux de l'indemnité varie. Lors de la révision, le taux de change pris en compte est celui qui vaut pour la période au cours de laquelle le changement susmentionné est intervenu.
2° Lorsque le taux de conversion varie de 10 % par rapport à celui pris en considération lors du calcul initial ou précédent. La révision s'effectue à la demande de l'intéressé et prend effet à partir du premier jour de la période au cours de laquelle la fluctuation du taux de change atteint 10 %.
Une demande de révision n'est pas recevable lorsque l'indemnité pour incapacité de travail a été calculée en application du Règlement (CEE) n° 1408/71 du Conseil, du 14 juin 1971, relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salaries et aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté.
§ 3. Si l'article 230 est applicable, le calcul visé au § 1e est soumis à révision lorsque le montant du revenu professionnel change par rapport à celui pris en considération lors du calcul initial ou précédent.
Lors de la révision, le taux de change pris en considération est celui qui vaut pour la période au cours de laquelle le changement susmentionné est intervenu.
Art. 245. <KB 2001-12-13/30, art. 2, 069; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Wanneer de van een buitenlandse instelling ontvangen achterstallen, uitgedrukt of omgerekend in euro, het bedrag van de voorschotten of provisionele uitkeringen niet dekken, wordt het verschil niet teruggevorderd wanneer dit verschil te wijten is hetzij aan de wisselkoers die werd gebruikt om het bedrag van de door de buitenlandse instelling verschuldigde sommen te berekenen of aan de wisselkoers toepasselijk op het ogenblik van de storting van bovengenoemde achterstallen, hetzij aan de conjuncturele aanpassing van de uitkeringen.
Art. 245. <AR 2001-12-13/30, art. 2, 069; En vigueur : 01-01-2002> Lorsque les arrérages reçus d'un organisme étranger exprimés ou convertis en euro, ne couvrent pas le montant des avances ou des indemnités payées à titre provisionnel, la différence n'est pas récupérée lorsque cette différence est due soit au taux de change utilisé pour calculer le montant des sommes dues par l'organisme étranger ou au taux de change applicable au moment du versement des arrérages précités, soit à l'adaptation conjoncturelle des indemnités.
HOOFDSTUK IV. - (Kennisgeving of mededeling van de beslissingen genomen in uitvoering van het handvest van de sociaal verzekerde.)
Art. 245bis. Toute décision médicale prise dans le cadre de l'application des articles 100 à 102 de la loi coordonnée, ainsi que toute décision médicale prise (en application de l'article 215bis, § 1er), est notifiée au titulaire ou à son représentant par lettre recommandée à la poste avec les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.
Art. 245bis. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Elke geneeskundige beslissing genomen in het kader van de toepassing van de artikelen 100 tot 102 van de gecoördineerde wet, evenals elke geneeskundige beslissing genomen (krachtens artikel 215bis, § 1), wordt aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger betekend per aangetekende brief, die de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. <KB 2007-01-29/46, art. 5, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Van de beslissing kan eveneens kennis worden gegeven door de overhandiging aan de betrokkene, met bewijs van ontvangst, van het document dat de inhoud ervan uiteenzet en de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995. In geval van weigering, door de betrokkene of door de persoon die hem vertegenwoordigt, om het ontvangstbewijs te tekenen, wordt de beslissing per aangetekende zending verstuurd, binnen de termijn bepaald in het volgende lid.
Van de beslissing wordt kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen volgend op de datum van ontvangst van elk document betreffende de toepassing van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, dat door de gerechtigde of door elke daartoe gemachtigde persoon wordt verstuurd of overhandigd. Die termijn wordt op een maand gebracht, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag of van het document, voor alle beslissingen betreffende de toepassing van de artikelen 100, § 2, 101 en 102, van de gecoördineerde wet. In alle andere gevallen wordt van de beslissing kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen na de datum waarop de beslissing genomen werd.
Van de beslissing kan eveneens kennis worden gegeven door de overhandiging aan de betrokkene, met bewijs van ontvangst, van het document dat de inhoud ervan uiteenzet en de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995. In geval van weigering, door de betrokkene of door de persoon die hem vertegenwoordigt, om het ontvangstbewijs te tekenen, wordt de beslissing per aangetekende zending verstuurd, binnen de termijn bepaald in het volgende lid.
Van de beslissing wordt kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen volgend op de datum van ontvangst van elk document betreffende de toepassing van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, dat door de gerechtigde of door elke daartoe gemachtigde persoon wordt verstuurd of overhandigd. Die termijn wordt op een maand gebracht, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag of van het document, voor alle beslissingen betreffende de toepassing van de artikelen 100, § 2, 101 en 102, van de gecoördineerde wet. In alle andere gevallen wordt van de beslissing kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen na de datum waarop de beslissing genomen werd.
Art. 245ter. La décision qui met fin à l'incapacité de travail parce que le titulaire ne présente plus le degré requis de réduction de capacité de gain ne peut avoir effet au plus tôt qu'à partir du lendemain de la date de l'envoi ou de la remise de la décision au titulaire ou à son représentant. Cette restriction ne s'applique pas aux décisions constatant la fin de l'incapacité de travail suite à la reprise du travail ou du chômage contrôlé ou pour tout autre cause administrative.
Art. 245bis. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Elke geneeskundige beslissing genomen in het kader van de toepassing van de artikelen 100 tot 102 van de gecoördineerde wet, evenals elke geneeskundige beslissing genomen (krachtens artikel 215bis, § 1), wordt aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger betekend per aangetekende brief, die de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde. <KB 2007-01-29/46, art. 5, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Van de beslissing kan eveneens kennis worden gegeven door de overhandiging aan de betrokkene, met bewijs van ontvangst, van het document dat de inhoud ervan uiteenzet en de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995. In geval van weigering, door de betrokkene of door de persoon die hem vertegenwoordigt, om het ontvangstbewijs te tekenen, wordt de beslissing per aangetekende zending verstuurd, binnen de termijn bepaald in het volgende lid.
Van de beslissing wordt kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen volgend op de datum van ontvangst van elk document betreffende de toepassing van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, dat door de gerechtigde of door elke daartoe gemachtigde persoon wordt verstuurd of overhandigd. Die termijn wordt op een maand gebracht, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag of van het document, voor alle beslissingen betreffende de toepassing van de artikelen 100, § 2, 101 en 102, van de gecoördineerde wet. In alle andere gevallen wordt van de beslissing kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen na de datum waarop de beslissing genomen werd.
Van de beslissing kan eveneens kennis worden gegeven door de overhandiging aan de betrokkene, met bewijs van ontvangst, van het document dat de inhoud ervan uiteenzet en de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995. In geval van weigering, door de betrokkene of door de persoon die hem vertegenwoordigt, om het ontvangstbewijs te tekenen, wordt de beslissing per aangetekende zending verstuurd, binnen de termijn bepaald in het volgende lid.
Van de beslissing wordt kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen volgend op de datum van ontvangst van elk document betreffende de toepassing van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, dat door de gerechtigde of door elke daartoe gemachtigde persoon wordt verstuurd of overhandigd. Die termijn wordt op een maand gebracht, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag of van het document, voor alle beslissingen betreffende de toepassing van de artikelen 100, § 2, 101 en 102, van de gecoördineerde wet. In alle andere gevallen wordt van de beslissing kennis gegeven binnen de termijn van zeven kalenderdagen na de datum waarop de beslissing genomen werd.
Art. 245bis. Toute décision médicale prise dans le cadre de l'application des articles 100 à 102 de la loi coordonnée, ainsi que toute décision médicale prise (en application de l'article 215bis, § 1er), est notifiée au titulaire ou à son représentant par lettre recommandée à la poste avec les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social. <AR 2007-01-29/46, art. 5, 139; En vigueur : 01-01-2007>
La décision peut également être notifiée par la remise à intéressé avec accusé de réception, du document qui en expose la teneur et qui comporte les mentions visées à l'article 14 de la loi précitée du 11 avril 1995. En cas de refus de signer pour accusé de réception opposé par l'intéresse ou son représentant, la décision est envoyée par lettre recommandée à la poste dans le délai défini à l'alinéa suivant.
La décision est notifiée dans le délai de sept jours civils suivant la date de réception de tout document relatif à l'application de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, envoyé ou remis par le titulaire ou par toute personne habilitée à cet effet. Ce délai est porté à un mois à compter de la réception de la demande ou du document, pour toutes les décisions relatives à l'application des articles 100, § 2, 101 et 102 de la loi coordonnée. Dans tous les autres cas, la décision est notifiée dans le délai de sept jours civils suivant la date à laquelle la décision a été prise.
La décision peut également être notifiée par la remise à intéressé avec accusé de réception, du document qui en expose la teneur et qui comporte les mentions visées à l'article 14 de la loi précitée du 11 avril 1995. En cas de refus de signer pour accusé de réception opposé par l'intéresse ou son représentant, la décision est envoyée par lettre recommandée à la poste dans le délai défini à l'alinéa suivant.
La décision est notifiée dans le délai de sept jours civils suivant la date de réception de tout document relatif à l'application de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, envoyé ou remis par le titulaire ou par toute personne habilitée à cet effet. Ce délai est porté à un mois à compter de la réception de la demande ou du document, pour toutes les décisions relatives à l'application des articles 100, § 2, 101 et 102 de la loi coordonnée. Dans tous les autres cas, la décision est notifiée dans le délai de sept jours civils suivant la date à laquelle la décision a été prise.
Art. 245quater. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> In afwijking van de bepalingen van artikel 245bis, wordt de beslissing tot erkenning van de arbeidsongeschiktheid of van de op geneeskundig vlak vereiste ongeschiktheidsgraad, genomen in het kader van de artikelen 100 tot 102 van de gecoördineerde wet, alsmede de beslissing genomen (krachtens artikel 215bis, § 1), die geen enkel element bevat dat door de gerechtigde kan worden betwist, aan deze laatste of aan de persoon die hem vertegenwoordigt medegedeeld per gewone brief of door het overhandigen van een geschreven document binnen de termijn bedoeld in artikel 245bis, derde lid; het document bezorgd aan de betrokkene bevat de vermeldingen bepaald in artikel 14, 5° en 6°, van de bovenbedoelde wet van 11 april 1995. <KB 2007-01-29/46, art. 6, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 245ter. La décision qui met fin à l'incapacité de travail parce que le titulaire ne présente plus le degré requis de réduction de capacité de gain ne peut avoir effet au plus tôt qu'à partir du lendemain de la date de l'envoi ou de la remise de la décision au titulaire ou à son représentant. Cette restriction ne s'applique pas aux décisions constatant la fin de l'incapacité de travail suite à la reprise du travail ou du chômage contrôlé ou pour tout autre cause administrative.
Art. 245quater. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> In afwijking van de bepalingen van artikel 245bis, wordt de beslissing tot erkenning van de arbeidsongeschiktheid of van de op geneeskundig vlak vereiste ongeschiktheidsgraad, genomen in het kader van de artikelen 100 tot 102 van de gecoördineerde wet, alsmede de beslissing genomen (krachtens artikel 215bis, § 1), die geen enkel element bevat dat door de gerechtigde kan worden betwist, aan deze laatste of aan de persoon die hem vertegenwoordigt medegedeeld per gewone brief of door het overhandigen van een geschreven document binnen de termijn bedoeld in artikel 245bis, derde lid; het document bezorgd aan de betrokkene bevat de vermeldingen bepaald in artikel 14, 5° en 6°, van de bovenbedoelde wet van 11 april 1995. <KB 2007-01-29/46, art. 6, 139; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Art. 245quater. Par dérogation aux dispositions de l'article 245bis, la décision de reconnaissance de l'incapacité de travail ou du degré d'incapacité requis sur le plan médical, prise dans le cadre des articles 100 à 102 de la loi coordonnée, ainsi que la décision prise (en vertu de l'article 215bis, § 1er), qui ne comporte aucun élément susceptible d'être contesté par le titulaire, est communiquée à celui-ci ou à son représentant par lettre ordinaire ou par la remise d'un écrit dans le délai visé à l'article 245bis, alinéa 3; le document transmis à l'intéressé comporte les mentions visées à l'article 14, 5° et 6°, de la loi susvisée du 11 avril 1995. <AR 2007-01-29/46, art. 6, 139; En vigueur : 01-01-2007>
Art. 245quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Elke beslissing van bestuurlijke aard inzake het recht op uitkeringen wordt medegedeeld aan de gerechtigde of aan de persoon die hem vertegenwoordigt per gewone brief, binnen de termijn van zeven kalenderdagen na de datum waarop de beslissing werd genomen, en bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995.
De mededeling van een beslissing overeenkomstig deze afdeling vormt geen kennisgeving als bedoeld in artikel 7 van de voormelde wet van 11 april 1995.
De mededeling van een beslissing overeenkomstig deze afdeling vormt geen kennisgeving als bedoeld in artikel 7 van de voormelde wet van 11 april 1995.
Art. 245sexies. Si la décision administrative comporte un calcul d'indemnités, celui-ci fait l'objet d'une note explicative qui est adressée par lettre ordinaire au bénéficiaire lors de la première mise en paiement des indemnités et ultérieurement à chaque modification du mode de calcul, exception faite des adaptations résultant de la seule indexation du montant des indemnités ou des modifications du mode de calcul qui ont déjà fait l'objet d'une précédente communication.
Art. 245quinquies. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Elke beslissing van bestuurlijke aard inzake het recht op uitkeringen wordt medegedeeld aan de gerechtigde of aan de persoon die hem vertegenwoordigt per gewone brief, binnen de termijn van zeven kalenderdagen na de datum waarop de beslissing werd genomen, en bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995.
De mededeling van een beslissing overeenkomstig deze afdeling vormt geen kennisgeving als bedoeld in artikel 7 van de voormelde wet van 11 april 1995.
De mededeling van een beslissing overeenkomstig deze afdeling vormt geen kennisgeving als bedoeld in artikel 7 van de voormelde wet van 11 april 1995.
Art. 245quinquies. Toute décision de nature administrative sur le droit aux indemnités est communiquée au titulaire ou à son représentant par lettre ordinaire, dans le délai de sept jours civils suivant la date à laquelle la décision a été prise, et comporte les mentions visées à l'article 14, 5° et 6°, de la loi précitée du 11 avril 1995.
La communication d'une décision conformément à la présente section ne constitue pas une notification au sens de l'article 7 de la loi précitée du 11 avril 1995.
La communication d'une décision conformément à la présente section ne constitue pas une notification au sens de l'article 7 de la loi précitée du 11 avril 1995.
Art. 245sexies. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Indien de administratieve beslissing een berekening van uitkeringen inhoudt, wordt deze opgenomen in een verklarende nota die per gewone brief naar de rechthebbende gestuurd wordt, bij de eerste uitbetaling van de uitkeringen en later bij elke wijziging van de berekeningswijze, behoudens de aanpassingen die voortvloeien uit de loutere indexering van het bedrag van de uitkering en of de veranderingen van de berekeningswijze die al het voorwerp uitmaakten van een vorige mededeling.
Art. 245octies. Lorsqu'une décision de nature administrative constitue un refus des prestations, s'écarte de ce qui avait été demandé par le titulaire ou comporte une diminution des indemnités qui n'était pas d'application antérieurement, elle mentionne, outre les indications visées à l'article 14, 5° et 6°, de la loi précitée du 11 avril 1995, la faculté pour le titulaire de demander à sa mutualité une révision ou régularisation dans le délai de deux ans, conformément à l'article 174 de la loi coordonnée, ainsi que la faculté d'intenter un recours devant la juridiction compétente dans le même délai en cas de désaccord avec sa mutualité.
Art. 245octies. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Wanneer een beslissing van bestuurlijke aard een weigering van prestaties inhoudt, of afwijkt van wat door de gerechtigde gevraagd werd of een vermindering van uitkeringen inhoudt, die voordien niet van toepassing was, bevat zij, naast de vermeldingen bedoeld in artikel 14, 5° en 6°, van de voormelde wet van 11 april 1995, de mogelijkheid voor de gerechtigde om aan zijn ziekenfonds een herziening of regularisatie te vragen binnen de termijn van twee jaar, overeenkomstig artikel 174 van de gecoördineerde wet, evenals de mogelijkheid om binnen dezelfde termijn beroep in te stellen bij het bevoegde rechtscollege in geval van onenigheid met zijn ziekenfonds.
Art. 245nonies. Par dérogation aux dispositions de l'article 245quinquies, les décisions suivantes sont notifiées au titulaire ou à son représentant par lettre recommandée à la poste, avec les mentions visées à l'article 14 de la loi précitée du 11 avril 1995, dans le mois suivant la date à laquelle la décision a été prise :
- les décisions négatives prises par la mutualité sur avis du fonctionnaire dirigeant en exécution de l'article 88, alinéa 3, de la loi coordonnée;
- les décisions prises par le Comité de gestion en application des articles 101 et 102 de la loi coordonnée et de l'article 22 de la loi susvisée du 11 avril 1995.
- les décisions négatives prises par la mutualité sur avis du fonctionnaire dirigeant en exécution de l'article 88, alinéa 3, de la loi coordonnée;
- les décisions prises par le Comité de gestion en application des articles 101 et 102 de la loi coordonnée et de l'article 22 de la loi susvisée du 11 avril 1995.
Art 245nonies. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> In afwijking van de bepalingen van artikel 245quinquies worden de volgende beslissingen aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger ter kennis gebracht met een ter post aangetekende brief, die de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995 binnen de maand na de datum waarop de beslissing werd genomen :
- de negatieve beslissingen, genomen door het ziekenfonds, op advies van de Leidend ambtenaar, in uitvoering van artikel 88, derde lid, van de gecoördineerde wet;
- de beslissingen genomen door het Beheerscomité in toepassing van de artikelen 101 en 102 van de gecoördineerde wet en van artikel 22 van de voormelde wet van 11 april 1995.
- de negatieve beslissingen, genomen door het ziekenfonds, op advies van de Leidend ambtenaar, in uitvoering van artikel 88, derde lid, van de gecoördineerde wet;
- de beslissingen genomen door het Beheerscomité in toepassing van de artikelen 101 en 102 van de gecoördineerde wet en van artikel 22 van de voormelde wet van 11 april 1995.
Art. 245octies. Lorsqu'une décision de nature administrative constitue un refus des prestations, s'écarte de ce qui avait été demandé par le titulaire ou comporte une diminution des indemnités qui n'était pas d'application antérieurement, elle mentionne, outre les indications visées à l'article 14, 5° et 6°, de la loi précitée du 11 avril 1995, la faculté pour le titulaire de demander à sa mutualité une révision ou régularisation dans le délai de deux ans, conformément à l'article 174 de la loi coordonnée, ainsi que la faculté d'intenter un recours devant la juridiction compétente dans le même délai en cas de désaccord avec sa mutualité.
Art 245nonies. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-1997> In afwijking van de bepalingen van artikel 245quinquies worden de volgende beslissingen aan de gerechtigde of aan zijn vertegenwoordiger ter kennis gebracht met een ter post aangetekende brief, die de vermeldingen bevat bedoeld in artikel 14 van de voormelde wet van 11 april 1995 binnen de maand na de datum waarop de beslissing werd genomen :
- de negatieve beslissingen, genomen door het ziekenfonds, op advies van de Leidend ambtenaar, in uitvoering van artikel 88, derde lid, van de gecoördineerde wet;
- de beslissingen genomen door het Beheerscomité in toepassing van de artikelen 101 en 102 van de gecoördineerde wet en van artikel 22 van de voormelde wet van 11 april 1995.
- de negatieve beslissingen, genomen door het ziekenfonds, op advies van de Leidend ambtenaar, in uitvoering van artikel 88, derde lid, van de gecoördineerde wet;
- de beslissingen genomen door het Beheerscomité in toepassing van de artikelen 101 en 102 van de gecoördineerde wet en van artikel 22 van de voormelde wet van 11 april 1995.
Art. 245nonies. Par dérogation aux dispositions de l'article 245quinquies, les décisions suivantes sont notifiées au titulaire ou à son représentant par lettre recommandée à la poste, avec les mentions visées à l'article 14 de la loi précitée du 11 avril 1995, dans le mois suivant la date à laquelle la décision a été prise :
- les décisions négatives prises par la mutualité sur avis du fonctionnaire dirigeant en exécution de l'article 88, alinéa 3, de la loi coordonnée;
- les décisions prises par le Comité de gestion en application des articles 101 et 102 de la loi coordonnée et de l'article 22 de la loi susvisée du 11 avril 1995.
- les décisions négatives prises par la mutualité sur avis du fonctionnaire dirigeant en exécution de l'article 88, alinéa 3, de la loi coordonnée;
- les décisions prises par le Comité de gestion en application des articles 101 et 102 de la loi coordonnée et de l'article 22 de la loi susvisée du 11 avril 1995.
Art. 245decies. [1 Het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 101, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt uitgevoerd binnen een termijn van dertig werkdagen te rekenen vanaf de vaststelling van de niet toegelaten activiteit door de verzekeringsinstelling of van de mededeling ervan aan de verzekeringsinstelling.]1
Art. 245undecies. [1 S'il est constaté, à la date de l'examen médical, visé à l'article 101, § 1er, de la loi coordonnée, que le titulaire ne satisfait plus aux conditions pour être reconnu incapable de travailler, la décision de fin de reconnaissance est notifiée au titulaire dans le délai visé à l'article 17 du Règlement du 16 avril 1997 portant exécution de l'article 80, 5°, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, si le titulaire se trouve en période d'incapacité primaire et dans le délai visé aux articles 189, alinéa 2, [2 189/1, alinéa 2,]2 et 190, alinéa 2, 1°, si le titulaire se trouve en période d'invalidité.]1
Art. 245undecies. [1 Indien op de datum van het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 101, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt vastgesteld dat de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden om arbeidsongeschikt te worden erkend, wordt de beslissing van einde van erkenning betekend aan de gerechtigde binnen de termijn bedoeld in artikel 17 van de Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bevindt en binnen de termijn bedoeld in de artikelen 189, tweede lid, [2 189/1, tweede lid]2 en 190, tweede lid, 1°, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van invaliditeit bevindt.]1
Art. 245decies. [1 L'examen médical, visé à l'article 101, § 1er, de la loi coordonnée, est effectué dans un délai de trente jours ouvrables à compter de la constatation, par l'organisme assureur, de l'activité non autorisée ou de la communication de celle-ci à l'organisme assureur.]1
Modifications
Art. 245undecies. [1 Indien op de datum van het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 101, § 1, van de gecoördineerde wet, wordt vastgesteld dat de gerechtigde niet meer voldoet aan de voorwaarden om arbeidsongeschikt te worden erkend, wordt de beslissing van einde van erkenning betekend aan de gerechtigde binnen de termijn bedoeld in artikel 17 van de Verordening van 16 april 1997 tot uitvoering van artikel 80, 5°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bevindt en binnen de termijn bedoeld in de artikelen 189, tweede lid, [2 189/1, tweede lid]2 en 190, tweede lid, 1°, indien de gerechtigde zich in een tijdvak van invaliditeit bevindt.]1
Art. 245duodecies. [1 Dans le cadre d'un travail autorisé par un titulaire reconnu incapable de travailler conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée, la prime de reprise du travail visée à l'article 110/1 de la loi coordonnée est accordée à l'employeur si les conditions suivantes sont remplies:
1° aussi bien la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil que la reprise du travail chez cet employeur sur base de cette autorisation débutent durant la période d'invalidité visée à l'article 93 de la loi coordonnée [2 à partir du 1er avril 2023]2
[3 Toutefois, si le travail autorisé est précédé d'une période de travail non autorisé tel que visé à l'article 101 de la loi coordonnée chez le même employeur, c'est la date de début de la reprise du travail chez cet employeur, pendant la période d'incapacité de travail reconnue, qui est prise en compte pour vérifier si cette condition est remplie]3;
2° le titulaire bénéficie, via l'exercice du travail autorisé, d'une rémunération et relève, d'une manière ou d'une autre, du champ d'application de la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs ou exerce une activité similaire donnant lieu à un assujettissement à une législation de sécurité sociale d'un pays étranger auquel la Belgique est liée par un instrument international ou supranational de coordination en matière de sécurité sociale ou exerce une activité similaire au service d'une organisation internationale ou supranationale;
3° le titulaire exerce le travail autorisé chez cet employeur sur base :
a) d'un contrat de travail à durée indéterminée;
b) d'un contrat de travail à durée déterminée qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date;
c) d'un contrat dans le cadre d'une formation en alternance visée à l'article 1bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relative à la sécurité sociale des travailleurs qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date;
d) d'une désignation temporaire à durée déterminée qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date ou une désignation temporaire à durée indéterminée dans un établissement d'enseignement des Communautés, des provinces, des institutions subordonnées aux provinces, aux communes, aux associations de communes et des institutions d'utilité publique;
e) d'une nomination statutaire;
f) d'un stage en vue d'une nomination statutaire dans le secteur public.
4° le titulaire exerce le travail autorisé durant au moins trois mois [4 ...]4. Si le titulaire n'a, durant la période précitée de trois mois, exercé aucune heure de travail autorisé durant un ou plusieurs mois civils, cette période de trois mois est prolongée du nombre de mois qui correspond au nombre de mois civils durant lesquels aucune heure de travail autorisé n'a été exercée. Les heures durant lesquelles le titulaire n'a exercé aucune activité et pour lesquelles l'employeur doit payer une rémunération, le pécule de vacances ou le complément ou l'avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis ainsi que les heures de vacances légales et les heures de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire prises par le titulaire et payées en vertu du régime des vacances annuelles des travailleurs salariés, sont toutefois assimilées à cet effet à des heures de travail autorisé effectivement exercé;
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, la prime de reprise du travail n'est pas accordée à l'employeur qui occupe un titulaire dans un des cas suivants :
1° une occupation exercée, en dehors du circuit du travail, dans une entreprise qui relève de la commission paritaire 327 pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les " maatwerkbedrijven ";
2° une occupation comme travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant dispositions diverses en matière sociale;
3° une occupation comme travailleur occasionnel visée [5 à l'article 8bis ou 31ter de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'article]5 ou 2/4 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs;
4° une occupation qui est déjà en cours au début de la période d'incapacité primaire visée à l'article 87 de la loi coordonnée et pour laquelle l'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relative à la sécurité sociale des travailleurs est limitée au secteur des soins de santé en ce qui concerne le régime d'assurance obligatoire d'assurance maladie-invalidité;
5° une occupation comme pompier volontaire, ambulancier volontaire ou volontaire de la protection civile.]1
1° aussi bien la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil que la reprise du travail chez cet employeur sur base de cette autorisation débutent durant la période d'invalidité visée à l'article 93 de la loi coordonnée [2 à partir du 1er avril 2023]2
[3 Toutefois, si le travail autorisé est précédé d'une période de travail non autorisé tel que visé à l'article 101 de la loi coordonnée chez le même employeur, c'est la date de début de la reprise du travail chez cet employeur, pendant la période d'incapacité de travail reconnue, qui est prise en compte pour vérifier si cette condition est remplie]3;
2° le titulaire bénéficie, via l'exercice du travail autorisé, d'une rémunération et relève, d'une manière ou d'une autre, du champ d'application de la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs ou exerce une activité similaire donnant lieu à un assujettissement à une législation de sécurité sociale d'un pays étranger auquel la Belgique est liée par un instrument international ou supranational de coordination en matière de sécurité sociale ou exerce une activité similaire au service d'une organisation internationale ou supranationale;
3° le titulaire exerce le travail autorisé chez cet employeur sur base :
a) d'un contrat de travail à durée indéterminée;
b) d'un contrat de travail à durée déterminée qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date;
c) d'un contrat dans le cadre d'une formation en alternance visée à l'article 1bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relative à la sécurité sociale des travailleurs qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date;
d) d'une désignation temporaire à durée déterminée qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date ou une désignation temporaire à durée indéterminée dans un établissement d'enseignement des Communautés, des provinces, des institutions subordonnées aux provinces, aux communes, aux associations de communes et des institutions d'utilité publique;
e) d'une nomination statutaire;
f) d'un stage en vue d'une nomination statutaire dans le secteur public.
4° le titulaire exerce le travail autorisé durant au moins trois mois [4 ...]4. Si le titulaire n'a, durant la période précitée de trois mois, exercé aucune heure de travail autorisé durant un ou plusieurs mois civils, cette période de trois mois est prolongée du nombre de mois qui correspond au nombre de mois civils durant lesquels aucune heure de travail autorisé n'a été exercée. Les heures durant lesquelles le titulaire n'a exercé aucune activité et pour lesquelles l'employeur doit payer une rémunération, le pécule de vacances ou le complément ou l'avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis ainsi que les heures de vacances légales et les heures de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire prises par le titulaire et payées en vertu du régime des vacances annuelles des travailleurs salariés, sont toutefois assimilées à cet effet à des heures de travail autorisé effectivement exercé;
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, la prime de reprise du travail n'est pas accordée à l'employeur qui occupe un titulaire dans un des cas suivants :
1° une occupation exercée, en dehors du circuit du travail, dans une entreprise qui relève de la commission paritaire 327 pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les " maatwerkbedrijven ";
2° une occupation comme travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant dispositions diverses en matière sociale;
3° une occupation comme travailleur occasionnel visée [5 à l'article 8bis ou 31ter de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'article]5 ou 2/4 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs;
4° une occupation qui est déjà en cours au début de la période d'incapacité primaire visée à l'article 87 de la loi coordonnée et pour laquelle l'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relative à la sécurité sociale des travailleurs est limitée au secteur des soins de santé en ce qui concerne le régime d'assurance obligatoire d'assurance maladie-invalidité;
5° une occupation comme pompier volontaire, ambulancier volontaire ou volontaire de la protection civile.]1
Modifications
Art. 245duodecies. [1 In het kader van een toegelaten arbeid door een arbeidsongeschikt erkende gerechtigde overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet wordt een werkhervattingspremie bedoeld in artikel 110/1 van de gecoördineerde wet toegekend aan de werkgever als de hiernavolgende voorwaarden zijn vervuld:
1° zowel de periode gedekt door de toelating van de adviserend arts als de werkhervatting bij deze werkgever op grond van deze toelating vatten aan tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet vanaf 1 april 2023 [2 ...]2
[3 Indien de toegelaten arbeid evenwel wordt voorafgegaan door een periode van niet toegelaten arbeid bedoeld in artikel 101 van de gecoördineerde wet bij dezelfde werkgever, wordt de begindatum van de werkhervatting bij deze werkgever tijdens de periode van erkende arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen om na te gaan of deze voorwaarde is vervuld]3;
2° de gerechtigde geniet via het verrichten van de toegelaten arbeid een bezoldiging en valt op enerlei wijze onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of oefent een gelijkaardige bezigheid uit die aanleiding geeft tot een onderwerping aan een wetgeving inzake sociale zekerheid van een vreemd land waarmee België verbonden is door een internationaal of supranationaal instrument inzake coördinatie van sociale zekerheid of oefent een gelijkaardige bezigheid uit in dienst van een internationale of supranationale organisatie;
3° de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid bij deze werkgever op grond van:
a) een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
b) een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
c) een overeenkomst in het kader van een alternerende opleiding bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
d) een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft of een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een onderwijsinstelling van de Gemeenschappen, de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies, de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut;
e) een benoeming in vast verband;
f) een stage met het oog op een benoeming in vast verband in de openbare sector.
4° de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid gedurende minstens drie maanden [4 ...]4. Indien de gerechtigde tijdens de voormelde periode van drie maanden één of meerdere kalendermaanden geen enkel uur toegelaten arbeid heeft verricht, wordt deze periode van drie maanden verlengd met het aantal maanden dat overeenstemt met het aantal kalendermaanden waarin geen enkel uur toegelaten arbeid is verricht. De uren waarin de gerechtigde geen arbeid verricht en waarvoor de werkgever loon, het vakantiegeld of de aanvulling of het voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis betaalt, evenals de uren wettelijke vakantie en de uren vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die zijn opgenomen door de gerechtigde en die worden betaald krachtens de regeling van de jaarlijkse vakantie van de werknemers, worden echter in dit opzicht gelijkgesteld met uren van effectief verrichte toegelaten arbeid;
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt de werkhervattingspremie niet toegekend aan de werkgever die een gerechtigde tewerkstelt in één van de volgende gevallen:
1° een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt;
2° een tewerkstelling als flexi-jobwerknemer, bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
3° een tewerkstelling als gelegenheidswerknemer bedoeld in [5 artikel 8bis of 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of artikel]5 2/4 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
4° een tewerkstelling die al bij de aanvang van de periode van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet lopende is en waarbij de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging wat de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit betreft;
5° een tewerkstelling als vrijwillig brandweerman, vrijwillig ambulancier of vrijwilliger van de civiele bescherming.]1
1° zowel de periode gedekt door de toelating van de adviserend arts als de werkhervatting bij deze werkgever op grond van deze toelating vatten aan tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet vanaf 1 april 2023 [2 ...]2
[3 Indien de toegelaten arbeid evenwel wordt voorafgegaan door een periode van niet toegelaten arbeid bedoeld in artikel 101 van de gecoördineerde wet bij dezelfde werkgever, wordt de begindatum van de werkhervatting bij deze werkgever tijdens de periode van erkende arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen om na te gaan of deze voorwaarde is vervuld]3;
2° de gerechtigde geniet via het verrichten van de toegelaten arbeid een bezoldiging en valt op enerlei wijze onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of oefent een gelijkaardige bezigheid uit die aanleiding geeft tot een onderwerping aan een wetgeving inzake sociale zekerheid van een vreemd land waarmee België verbonden is door een internationaal of supranationaal instrument inzake coördinatie van sociale zekerheid of oefent een gelijkaardige bezigheid uit in dienst van een internationale of supranationale organisatie;
3° de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid bij deze werkgever op grond van:
a) een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
b) een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
c) een overeenkomst in het kader van een alternerende opleiding bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
d) een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft of een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een onderwijsinstelling van de Gemeenschappen, de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies, de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut;
e) een benoeming in vast verband;
f) een stage met het oog op een benoeming in vast verband in de openbare sector.
4° de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid gedurende minstens drie maanden [4 ...]4. Indien de gerechtigde tijdens de voormelde periode van drie maanden één of meerdere kalendermaanden geen enkel uur toegelaten arbeid heeft verricht, wordt deze periode van drie maanden verlengd met het aantal maanden dat overeenstemt met het aantal kalendermaanden waarin geen enkel uur toegelaten arbeid is verricht. De uren waarin de gerechtigde geen arbeid verricht en waarvoor de werkgever loon, het vakantiegeld of de aanvulling of het voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis betaalt, evenals de uren wettelijke vakantie en de uren vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die zijn opgenomen door de gerechtigde en die worden betaald krachtens de regeling van de jaarlijkse vakantie van de werknemers, worden echter in dit opzicht gelijkgesteld met uren van effectief verrichte toegelaten arbeid;
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt de werkhervattingspremie niet toegekend aan de werkgever die een gerechtigde tewerkstelt in één van de volgende gevallen:
1° een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt;
2° een tewerkstelling als flexi-jobwerknemer, bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
3° een tewerkstelling als gelegenheidswerknemer bedoeld in [5 artikel 8bis of 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of artikel]5 2/4 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
4° een tewerkstelling die al bij de aanvang van de periode van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet lopende is en waarbij de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging wat de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit betreft;
5° een tewerkstelling als vrijwillig brandweerman, vrijwillig ambulancier of vrijwilliger van de civiele bescherming.]1
Modifications
Art. 245terdecies. [1 L'employeur qui a déjà reçu une prime de reprise du travail, en exécution des dispositions de l'article 110/1 de la loi coordonnée, ne peut plus en bénéficier une nouvelle fois pour le même travailleur.]1
Modifications
Art. 245duodecies. [1 In het kader van een toegelaten arbeid door een arbeidsongeschikt erkende gerechtigde overeenkomstig artikel 100, § 2 van de gecoördineerde wet wordt een werkhervattingspremie bedoeld in artikel 110/1 van de gecoördineerde wet toegekend aan de werkgever als de hiernavolgende voorwaarden zijn vervuld:
1° zowel de periode gedekt door de toelating van de adviserend arts als de werkhervatting bij deze werkgever op grond van deze toelating vatten aan tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet vanaf 1 april 2023 [2 ...]2
[3 Indien de toegelaten arbeid evenwel wordt voorafgegaan door een periode van niet toegelaten arbeid bedoeld in artikel 101 van de gecoördineerde wet bij dezelfde werkgever, wordt de begindatum van de werkhervatting bij deze werkgever tijdens de periode van erkende arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen om na te gaan of deze voorwaarde is vervuld]3;
2° de gerechtigde geniet via het verrichten van de toegelaten arbeid een bezoldiging en valt op enerlei wijze onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of oefent een gelijkaardige bezigheid uit die aanleiding geeft tot een onderwerping aan een wetgeving inzake sociale zekerheid van een vreemd land waarmee België verbonden is door een internationaal of supranationaal instrument inzake coördinatie van sociale zekerheid of oefent een gelijkaardige bezigheid uit in dienst van een internationale of supranationale organisatie;
3° de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid bij deze werkgever op grond van:
a) een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
b) een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
c) een overeenkomst in het kader van een alternerende opleiding bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
d) een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft of een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een onderwijsinstelling van de Gemeenschappen, de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies, de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut;
e) een benoeming in vast verband;
f) een stage met het oog op een benoeming in vast verband in de openbare sector.
4° de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid gedurende minstens drie maanden [4 ...]4. Indien de gerechtigde tijdens de voormelde periode van drie maanden één of meerdere kalendermaanden geen enkel uur toegelaten arbeid heeft verricht, wordt deze periode van drie maanden verlengd met het aantal maanden dat overeenstemt met het aantal kalendermaanden waarin geen enkel uur toegelaten arbeid is verricht. De uren waarin de gerechtigde geen arbeid verricht en waarvoor de werkgever loon, het vakantiegeld of de aanvulling of het voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis betaalt, evenals de uren wettelijke vakantie en de uren vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die zijn opgenomen door de gerechtigde en die worden betaald krachtens de regeling van de jaarlijkse vakantie van de werknemers, worden echter in dit opzicht gelijkgesteld met uren van effectief verrichte toegelaten arbeid;
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt de werkhervattingspremie niet toegekend aan de werkgever die een gerechtigde tewerkstelt in één van de volgende gevallen:
1° een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt;
2° een tewerkstelling als flexi-jobwerknemer, bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
3° een tewerkstelling als gelegenheidswerknemer bedoeld in [5 artikel 8bis of 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of artikel]5 2/4 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
4° een tewerkstelling die al bij de aanvang van de periode van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet lopende is en waarbij de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging wat de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit betreft;
5° een tewerkstelling als vrijwillig brandweerman, vrijwillig ambulancier of vrijwilliger van de civiele bescherming.]1
1° zowel de periode gedekt door de toelating van de adviserend arts als de werkhervatting bij deze werkgever op grond van deze toelating vatten aan tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet vanaf 1 april 2023 [2 ...]2
[3 Indien de toegelaten arbeid evenwel wordt voorafgegaan door een periode van niet toegelaten arbeid bedoeld in artikel 101 van de gecoördineerde wet bij dezelfde werkgever, wordt de begindatum van de werkhervatting bij deze werkgever tijdens de periode van erkende arbeidsongeschiktheid in aanmerking genomen om na te gaan of deze voorwaarde is vervuld]3;
2° de gerechtigde geniet via het verrichten van de toegelaten arbeid een bezoldiging en valt op enerlei wijze onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, of oefent een gelijkaardige bezigheid uit die aanleiding geeft tot een onderwerping aan een wetgeving inzake sociale zekerheid van een vreemd land waarmee België verbonden is door een internationaal of supranationaal instrument inzake coördinatie van sociale zekerheid of oefent een gelijkaardige bezigheid uit in dienst van een internationale of supranationale organisatie;
3° de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid bij deze werkgever op grond van:
a) een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur;
b) een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
c) een overeenkomst in het kader van een alternerende opleiding bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft;
d) een tijdelijke aanstelling van bepaalde duur die bij het begin van de toegelaten arbeid een voorziene duur van minstens drie maanden, gerekend van datum tot datum, heeft of een tijdelijke aanstelling van doorlopende duur in een onderwijsinstelling van de Gemeenschappen, de provincies, de instellingen ondergeschikt aan de provincies, de gemeenten, de instellingen ondergeschikt aan de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de instellingen van openbaar nut;
e) een benoeming in vast verband;
f) een stage met het oog op een benoeming in vast verband in de openbare sector.
4° de gerechtigde verricht de toegelaten arbeid gedurende minstens drie maanden [4 ...]4. Indien de gerechtigde tijdens de voormelde periode van drie maanden één of meerdere kalendermaanden geen enkel uur toegelaten arbeid heeft verricht, wordt deze periode van drie maanden verlengd met het aantal maanden dat overeenstemt met het aantal kalendermaanden waarin geen enkel uur toegelaten arbeid is verricht. De uren waarin de gerechtigde geen arbeid verricht en waarvoor de werkgever loon, het vakantiegeld of de aanvulling of het voorschot overeenkomstig de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 12bis of nr. 13bis betaalt, evenals de uren wettelijke vakantie en de uren vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst die zijn opgenomen door de gerechtigde en die worden betaald krachtens de regeling van de jaarlijkse vakantie van de werknemers, worden echter in dit opzicht gelijkgesteld met uren van effectief verrichte toegelaten arbeid;
In afwijking van het eerste lid, 2°, wordt de werkhervattingspremie niet toegekend aan de werkgever die een gerechtigde tewerkstelt in één van de volgende gevallen:
1° een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt;
2° een tewerkstelling als flexi-jobwerknemer, bedoeld in artikel 3, 3°, van de wet van 16 november 2015 houdende diverse bepalingen inzake sociale zaken;
3° een tewerkstelling als gelegenheidswerknemer bedoeld in [5 artikel 8bis of 31ter van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of artikel]5 2/4 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
4° een tewerkstelling die al bij de aanvang van de periode van primaire ongeschiktheid bedoeld in artikel 87 van de gecoördineerde wet lopende is en waarbij de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging wat de regeling inzake verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit betreft;
5° een tewerkstelling als vrijwillig brandweerman, vrijwillig ambulancier of vrijwilliger van de civiele bescherming.]1
Modifications
Art. 245duodecies. [1 Dans le cadre d'un travail autorisé par un titulaire reconnu incapable de travailler conformément à l'article 100, § 2, de la loi coordonnée, la prime de reprise du travail visée à l'article 110/1 de la loi coordonnée est accordée à l'employeur si les conditions suivantes sont remplies:
1° aussi bien la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil que la reprise du travail chez cet employeur sur base de cette autorisation débutent durant la période d'invalidité visée à l'article 93 de la loi coordonnée [2 à partir du 1er avril 2023]2
[3 Toutefois, si le travail autorisé est précédé d'une période de travail non autorisé tel que visé à l'article 101 de la loi coordonnée chez le même employeur, c'est la date de début de la reprise du travail chez cet employeur, pendant la période d'incapacité de travail reconnue, qui est prise en compte pour vérifier si cette condition est remplie]3;
2° le titulaire bénéficie, via l'exercice du travail autorisé, d'une rémunération et relève, d'une manière ou d'une autre, du champ d'application de la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs ou exerce une activité similaire donnant lieu à un assujettissement à une législation de sécurité sociale d'un pays étranger auquel la Belgique est liée par un instrument international ou supranational de coordination en matière de sécurité sociale ou exerce une activité similaire au service d'une organisation internationale ou supranationale;
3° le titulaire exerce le travail autorisé chez cet employeur sur base :
a) d'un contrat de travail à durée indéterminée;
b) d'un contrat de travail à durée déterminée qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date;
c) d'un contrat dans le cadre d'une formation en alternance visée à l'article 1bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relative à la sécurité sociale des travailleurs qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date;
d) d'une désignation temporaire à durée déterminée qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date ou une désignation temporaire à durée indéterminée dans un établissement d'enseignement des Communautés, des provinces, des institutions subordonnées aux provinces, aux communes, aux associations de communes et des institutions d'utilité publique;
e) d'une nomination statutaire;
f) d'un stage en vue d'une nomination statutaire dans le secteur public.
4° le titulaire exerce le travail autorisé durant au moins trois mois [4 ...]4. Si le titulaire n'a, durant la période précitée de trois mois, exercé aucune heure de travail autorisé durant un ou plusieurs mois civils, cette période de trois mois est prolongée du nombre de mois qui correspond au nombre de mois civils durant lesquels aucune heure de travail autorisé n'a été exercée. Les heures durant lesquelles le titulaire n'a exercé aucune activité et pour lesquelles l'employeur doit payer une rémunération, le pécule de vacances ou le complément ou l'avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis ainsi que les heures de vacances légales et les heures de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire prises par le titulaire et payées en vertu du régime des vacances annuelles des travailleurs salariés, sont toutefois assimilées à cet effet à des heures de travail autorisé effectivement exercé;
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, la prime de reprise du travail n'est pas accordée à l'employeur qui occupe un titulaire dans un des cas suivants :
1° une occupation exercée, en dehors du circuit du travail, dans une entreprise qui relève de la commission paritaire 327 pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les " maatwerkbedrijven ";
2° une occupation comme travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant dispositions diverses en matière sociale;
3° une occupation comme travailleur occasionnel visée [5 à l'article 8bis ou 31ter de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'article]5 ou 2/4 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs;
4° une occupation qui est déjà en cours au début de la période d'incapacité primaire visée à l'article 87 de la loi coordonnée et pour laquelle l'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relative à la sécurité sociale des travailleurs est limitée au secteur des soins de santé en ce qui concerne le régime d'assurance obligatoire d'assurance maladie-invalidité;
5° une occupation comme pompier volontaire, ambulancier volontaire ou volontaire de la protection civile.]1
1° aussi bien la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil que la reprise du travail chez cet employeur sur base de cette autorisation débutent durant la période d'invalidité visée à l'article 93 de la loi coordonnée [2 à partir du 1er avril 2023]2
[3 Toutefois, si le travail autorisé est précédé d'une période de travail non autorisé tel que visé à l'article 101 de la loi coordonnée chez le même employeur, c'est la date de début de la reprise du travail chez cet employeur, pendant la période d'incapacité de travail reconnue, qui est prise en compte pour vérifier si cette condition est remplie]3;
2° le titulaire bénéficie, via l'exercice du travail autorisé, d'une rémunération et relève, d'une manière ou d'une autre, du champ d'application de la loi du 27 juin 1969 portant révision de l'arrêté loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs ou exerce une activité similaire donnant lieu à un assujettissement à une législation de sécurité sociale d'un pays étranger auquel la Belgique est liée par un instrument international ou supranational de coordination en matière de sécurité sociale ou exerce une activité similaire au service d'une organisation internationale ou supranationale;
3° le titulaire exerce le travail autorisé chez cet employeur sur base :
a) d'un contrat de travail à durée indéterminée;
b) d'un contrat de travail à durée déterminée qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date;
c) d'un contrat dans le cadre d'une formation en alternance visée à l'article 1bis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relative à la sécurité sociale des travailleurs qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date;
d) d'une désignation temporaire à durée déterminée qui a, au début du travail autorisé, une durée prévue d'au moins trois mois calculés de date à date ou une désignation temporaire à durée indéterminée dans un établissement d'enseignement des Communautés, des provinces, des institutions subordonnées aux provinces, aux communes, aux associations de communes et des institutions d'utilité publique;
e) d'une nomination statutaire;
f) d'un stage en vue d'une nomination statutaire dans le secteur public.
4° le titulaire exerce le travail autorisé durant au moins trois mois [4 ...]4. Si le titulaire n'a, durant la période précitée de trois mois, exercé aucune heure de travail autorisé durant un ou plusieurs mois civils, cette période de trois mois est prolongée du nombre de mois qui correspond au nombre de mois civils durant lesquels aucune heure de travail autorisé n'a été exercée. Les heures durant lesquelles le titulaire n'a exercé aucune activité et pour lesquelles l'employeur doit payer une rémunération, le pécule de vacances ou le complément ou l'avance conformément à la convention collective de travail n° 12bis ou n° 13bis ainsi que les heures de vacances légales et les heures de vacances en vertu d'une convention collective de travail rendue obligatoire prises par le titulaire et payées en vertu du régime des vacances annuelles des travailleurs salariés, sont toutefois assimilées à cet effet à des heures de travail autorisé effectivement exercé;
Par dérogation à l'alinéa 1er, 2°, la prime de reprise du travail n'est pas accordée à l'employeur qui occupe un titulaire dans un des cas suivants :
1° une occupation exercée, en dehors du circuit du travail, dans une entreprise qui relève de la commission paritaire 327 pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les " maatwerkbedrijven ";
2° une occupation comme travailleur exerçant un flexi-job, visé à l'article 3, 3°, de la loi du 16 novembre 2015 portant dispositions diverses en matière sociale;
3° une occupation comme travailleur occasionnel visée [5 à l'article 8bis ou 31ter de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'article]5 ou 2/4 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relatif à la sécurité sociale des travailleurs;
4° une occupation qui est déjà en cours au début de la période d'incapacité primaire visée à l'article 87 de la loi coordonnée et pour laquelle l'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 relative à la sécurité sociale des travailleurs est limitée au secteur des soins de santé en ce qui concerne le régime d'assurance obligatoire d'assurance maladie-invalidité;
5° une occupation comme pompier volontaire, ambulancier volontaire ou volontaire de la protection civile.]1
Modifications
Art. 245quaterdecies. [1 § 1. Om aanspraak te kunnen maken op de werkhervattingspremie, dient de werkgever na het verstrijken van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, via elektronische weg een ondertekende aanvraag in die wordt bezorgd aan de verzekeringsinstelling die bevoegd is voor haar betaling. Indien de indiening van een dergelijke aanvraag niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de werkgever een papieren formulier om zijn ondertekende aanvraag over te maken.
De aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt, op straffe van verval, ingediend uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de kalendermaand waarin de derde maand toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° is verricht geweest.
§ 2. De verzekeringsinstelling waarbij de werknemer aangesloten of ingeschreven is op het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, onderzoekt de door de werkgever ingediende aanvraag en brengt hem zijn beslissing ter kennis. Deze verzekeringsinstelling gaat in dit opzicht na of de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden zijn vervuld op basis van de informatie die de werkgever hem rechtstreeks of via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid heeft verstrekt.
De verzekeringstelling bedoeld in het eerste lid betaalt de werkhervattingspremie aan de werkgever na te hebben vastgesteld dat de aanvraag van de werkgever volledig is en dat alle voorwaarden zijn vervuld om aanspraak te maken op deze werkhervattingspremie. Zij verricht deze betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt. Als de werkgever echter slechts een volledige aanvraag indient na de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt, verricht de verzekeringsinstelling de betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de werkgever de voormelde aanvraag heeft ingediend.]1
De aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt, op straffe van verval, ingediend uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de kalendermaand waarin de derde maand toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° is verricht geweest.
§ 2. De verzekeringsinstelling waarbij de werknemer aangesloten of ingeschreven is op het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, onderzoekt de door de werkgever ingediende aanvraag en brengt hem zijn beslissing ter kennis. Deze verzekeringsinstelling gaat in dit opzicht na of de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden zijn vervuld op basis van de informatie die de werkgever hem rechtstreeks of via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid heeft verstrekt.
De verzekeringstelling bedoeld in het eerste lid betaalt de werkhervattingspremie aan de werkgever na te hebben vastgesteld dat de aanvraag van de werkgever volledig is en dat alle voorwaarden zijn vervuld om aanspraak te maken op deze werkhervattingspremie. Zij verricht deze betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt. Als de werkgever echter slechts een volledige aanvraag indient na de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt, verricht de verzekeringsinstelling de betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de werkgever de voormelde aanvraag heeft ingediend.]1
Art.245quaterdecies DROIT FUTUR. [1 § 1er. Pour pouvoir prétendre à la prime de reprise du travail, l'employeur introduit après l'expiration de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, par voie électronique, une demande signée qui est transmise à l'organisme assureur compétent pour son paiement. [2 ...]2.
La demande, visée à l'alinéa 1er, est, sous peine de déchéance, introduite au plus tard deux ans après l'expiration du mois civil au cours duquel a été exercé le troisième mois de travail autorisé, visé à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°.
§ 2. L'organisme assureur, auquel le travailleur est affilié ou inscrit à la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, examine la demande introduite par l'employeur et lui notifie sa décision. Cet organisme assureur vérifie à cet effet si les conditions déterminées dans le présent chapitre sont satisfaites sur base des informations qui lui ont été transmises par l'employeur directement ou par l'intermédiaire de la Banque carrefour de la sécurité sociale.
L'organisme assureur visé à l'alinéa 1er paie la prime de reprise du travail à l'employeur après avoir constaté que la demande de l'employeur est complète et que toutes les conditions pour prétendre à ladite prime de reprise du travail sont satisfaites. Il procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil au cours duquel se situe la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4°. Si l'employeur n'introduit toutefois une demande complète qu'après le mois civil durant lequel la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4° se situe, l'organisme assureur procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil durant lequel l'employeur a introduit la demande précitée.]1
La demande, visée à l'alinéa 1er, est, sous peine de déchéance, introduite au plus tard deux ans après l'expiration du mois civil au cours duquel a été exercé le troisième mois de travail autorisé, visé à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°.
§ 2. L'organisme assureur, auquel le travailleur est affilié ou inscrit à la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, examine la demande introduite par l'employeur et lui notifie sa décision. Cet organisme assureur vérifie à cet effet si les conditions déterminées dans le présent chapitre sont satisfaites sur base des informations qui lui ont été transmises par l'employeur directement ou par l'intermédiaire de la Banque carrefour de la sécurité sociale.
L'organisme assureur visé à l'alinéa 1er paie la prime de reprise du travail à l'employeur après avoir constaté que la demande de l'employeur est complète et que toutes les conditions pour prétendre à ladite prime de reprise du travail sont satisfaites. Il procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil au cours duquel se situe la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4°. Si l'employeur n'introduit toutefois une demande complète qu'après le mois civil durant lequel la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4° se situe, l'organisme assureur procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil durant lequel l'employeur a introduit la demande précitée.]1
Art. 245quaterdecies. [1 § 1. Om aanspraak te kunnen maken op de werkhervattingspremie, dient de werkgever na het verstrijken van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, via elektronische weg een ondertekende aanvraag in die wordt bezorgd aan de verzekeringsinstelling die bevoegd is voor haar betaling. Indien de indiening van een dergelijke aanvraag niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de werkgever een papieren formulier om zijn ondertekende aanvraag over te maken.
De aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt, op straffe van verval, ingediend uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de kalendermaand waarin de derde maand toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° is verricht geweest.
§ 2. De verzekeringsinstelling waarbij de werknemer aangesloten of ingeschreven is op het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, onderzoekt de door de werkgever ingediende aanvraag en brengt hem zijn beslissing ter kennis. Deze verzekeringsinstelling gaat in dit opzicht na of de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden zijn vervuld op basis van de informatie die de werkgever hem rechtstreeks of via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid heeft verstrekt.
De verzekeringstelling bedoeld in het eerste lid betaalt de werkhervattingspremie aan de werkgever na te hebben vastgesteld dat de aanvraag van de werkgever volledig is en dat alle voorwaarden zijn vervuld om aanspraak te maken op deze werkhervattingspremie. Zij verricht deze betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt. Als de werkgever echter slechts een volledige aanvraag indient na de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt, verricht de verzekeringsinstelling de betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de werkgever de voormelde aanvraag heeft ingediend.]1
De aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt, op straffe van verval, ingediend uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de kalendermaand waarin de derde maand toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° is verricht geweest.
§ 2. De verzekeringsinstelling waarbij de werknemer aangesloten of ingeschreven is op het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, onderzoekt de door de werkgever ingediende aanvraag en brengt hem zijn beslissing ter kennis. Deze verzekeringsinstelling gaat in dit opzicht na of de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden zijn vervuld op basis van de informatie die de werkgever hem rechtstreeks of via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid heeft verstrekt.
De verzekeringstelling bedoeld in het eerste lid betaalt de werkhervattingspremie aan de werkgever na te hebben vastgesteld dat de aanvraag van de werkgever volledig is en dat alle voorwaarden zijn vervuld om aanspraak te maken op deze werkhervattingspremie. Zij verricht deze betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt. Als de werkgever echter slechts een volledige aanvraag indient na de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt, verricht de verzekeringsinstelling de betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de werkgever de voormelde aanvraag heeft ingediend.]1
Art. 245quaterdecies. [1 § 1er. Pour pouvoir prétendre à la prime de reprise du travail, l'employeur introduit après l'expiration de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, par voie électronique, une demande signée qui est transmise à l'organisme assureur compétent pour son paiement. Si l'introduction par voie électronique d'une telle demande n'est pas possible, l'employeur utilise un formulaire papier pour transmettre la demande signée.
La demande, visée à l'alinéa 1er, est, sous peine de déchéance, introduite au plus tard deux ans après l'expiration du mois civil au cours duquel a été exercé le troisième mois de travail autorisé, visé à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°.
§ 2. L'organisme assureur, auquel le travailleur est affilié ou inscrit à la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, examine la demande introduite par l'employeur et lui notifie sa décision. Cet organisme assureur vérifie à cet effet si les conditions déterminées dans le présent chapitre sont satisfaites sur base des informations qui lui ont été transmises par l'employeur directement ou par l'intermédiaire de la Banque carrefour de la sécurité sociale.
L'organisme assureur visé à l'alinéa 1er paie la prime de reprise du travail à l'employeur après avoir constaté que la demande de l'employeur est complète et que toutes les conditions pour prétendre à ladite prime de reprise du travail sont satisfaites. Il procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil au cours duquel se situe la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4°. Si l'employeur n'introduit toutefois une demande complète qu'après le mois civil durant lequel la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4° se situe, l'organisme assureur procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil durant lequel l'employeur a introduit la demande précitée.]1
La demande, visée à l'alinéa 1er, est, sous peine de déchéance, introduite au plus tard deux ans après l'expiration du mois civil au cours duquel a été exercé le troisième mois de travail autorisé, visé à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°.
§ 2. L'organisme assureur, auquel le travailleur est affilié ou inscrit à la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, examine la demande introduite par l'employeur et lui notifie sa décision. Cet organisme assureur vérifie à cet effet si les conditions déterminées dans le présent chapitre sont satisfaites sur base des informations qui lui ont été transmises par l'employeur directement ou par l'intermédiaire de la Banque carrefour de la sécurité sociale.
L'organisme assureur visé à l'alinéa 1er paie la prime de reprise du travail à l'employeur après avoir constaté que la demande de l'employeur est complète et que toutes les conditions pour prétendre à ladite prime de reprise du travail sont satisfaites. Il procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil au cours duquel se situe la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4°. Si l'employeur n'introduit toutefois une demande complète qu'après le mois civil durant lequel la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4° se situe, l'organisme assureur procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil durant lequel l'employeur a introduit la demande précitée.]1
Modifications
Art. 245quaterdecies TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. Om aanspraak te kunnen maken op de werkhervattingspremie, dient de werkgever na het verstrijken van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, via elektronische weg een ondertekende aanvraag in die wordt bezorgd aan de verzekeringsinstelling die bevoegd is voor haar betaling. [2 ...]2.
De aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt, op straffe van verval, ingediend uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de kalendermaand waarin de derde maand toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° is verricht geweest.
§ 2. De verzekeringsinstelling waarbij de werknemer aangesloten of ingeschreven is op het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, onderzoekt de door de werkgever ingediende aanvraag en brengt hem zijn beslissing ter kennis. Deze verzekeringsinstelling gaat in dit opzicht na of de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden zijn vervuld op basis van de informatie die de werkgever hem rechtstreeks of via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid heeft verstrekt.
De verzekeringstelling bedoeld in het eerste lid betaalt de werkhervattingspremie aan de werkgever na te hebben vastgesteld dat de aanvraag van de werkgever volledig is en dat alle voorwaarden zijn vervuld om aanspraak te maken op deze werkhervattingspremie. Zij verricht deze betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt. Als de werkgever echter slechts een volledige aanvraag indient na de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt, verricht de verzekeringsinstelling de betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de werkgever de voormelde aanvraag heeft ingediend.]1
De aanvraag bedoeld in het eerste lid wordt, op straffe van verval, ingediend uiterlijk twee jaar na het verstrijken van de kalendermaand waarin de derde maand toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° is verricht geweest.
§ 2. De verzekeringsinstelling waarbij de werknemer aangesloten of ingeschreven is op het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4°, onderzoekt de door de werkgever ingediende aanvraag en brengt hem zijn beslissing ter kennis. Deze verzekeringsinstelling gaat in dit opzicht na of de in dit hoofdstuk bepaalde voorwaarden zijn vervuld op basis van de informatie die de werkgever hem rechtstreeks of via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid heeft verstrekt.
De verzekeringstelling bedoeld in het eerste lid betaalt de werkhervattingspremie aan de werkgever na te hebben vastgesteld dat de aanvraag van de werkgever volledig is en dat alle voorwaarden zijn vervuld om aanspraak te maken op deze werkhervattingspremie. Zij verricht deze betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt. Als de werkgever echter slechts een volledige aanvraag indient na de kalendermaand waarin het einde van de periode van drie maanden van toegelaten arbeid bedoeld in artikel 245duodecies, eerste lid, 4° zich bevindt, verricht de verzekeringsinstelling de betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de werkgever de voormelde aanvraag heeft ingediend.]1
Art.245quaterdecies DROIT FUTUR. [1 § 1er. Pour pouvoir prétendre à la prime de reprise du travail, l'employeur introduit après l'expiration de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, par voie électronique, une demande signée qui est transmise à l'organisme assureur compétent pour son paiement. [2 ...]2.
La demande, visée à l'alinéa 1er, est, sous peine de déchéance, introduite au plus tard deux ans après l'expiration du mois civil au cours duquel a été exercé le troisième mois de travail autorisé, visé à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°.
§ 2. L'organisme assureur, auquel le travailleur est affilié ou inscrit à la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, examine la demande introduite par l'employeur et lui notifie sa décision. Cet organisme assureur vérifie à cet effet si les conditions déterminées dans le présent chapitre sont satisfaites sur base des informations qui lui ont été transmises par l'employeur directement ou par l'intermédiaire de la Banque carrefour de la sécurité sociale.
L'organisme assureur visé à l'alinéa 1er paie la prime de reprise du travail à l'employeur après avoir constaté que la demande de l'employeur est complète et que toutes les conditions pour prétendre à ladite prime de reprise du travail sont satisfaites. Il procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil au cours duquel se situe la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4°. Si l'employeur n'introduit toutefois une demande complète qu'après le mois civil durant lequel la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4° se situe, l'organisme assureur procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil durant lequel l'employeur a introduit la demande précitée.]1
La demande, visée à l'alinéa 1er, est, sous peine de déchéance, introduite au plus tard deux ans après l'expiration du mois civil au cours duquel a été exercé le troisième mois de travail autorisé, visé à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°.
§ 2. L'organisme assureur, auquel le travailleur est affilié ou inscrit à la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245duodecies, alinéa 1er, 4°, examine la demande introduite par l'employeur et lui notifie sa décision. Cet organisme assureur vérifie à cet effet si les conditions déterminées dans le présent chapitre sont satisfaites sur base des informations qui lui ont été transmises par l'employeur directement ou par l'intermédiaire de la Banque carrefour de la sécurité sociale.
L'organisme assureur visé à l'alinéa 1er paie la prime de reprise du travail à l'employeur après avoir constaté que la demande de l'employeur est complète et que toutes les conditions pour prétendre à ladite prime de reprise du travail sont satisfaites. Il procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil au cours duquel se situe la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4°. Si l'employeur n'introduit toutefois une demande complète qu'après le mois civil durant lequel la fin de la période de trois mois de travail autorisé visée à l'article 245 duodecies, alinéa 1er, 4° se situe, l'organisme assureur procède à ce paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil qui suit le mois civil durant lequel l'employeur a introduit la demande précitée.]1
Afdeling I. [1 Kennisgeving en betaling van de bijdrage aan het "Terug Naar Werk-fonds" door de werkgever]1
Art. 245quinquiesdecies. [1 La notification par l'employeur des données visées à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs se fait par voie électronique à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Si cette notification n'est pas possible par voie électronique, l'employeur utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
Art. 245quinquiesdecies. [1 De kennisgeving door de werkgever van de gegevens bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers gebeurt via elektronische weg aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Indien deze kennisgeving niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de werkgever een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Section II. [1 Services spécialisés adaptés et agrément du prestataire de services afin de fournir des services spécialisés adaptés]1
Art. 245quinquiesdecies. [1 De kennisgeving door de werkgever van de gegevens bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers gebeurt via elektronische weg aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Indien deze kennisgeving niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de werkgever een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Na de ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ontvangt de werkgever een uitnodiging om overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers de bijdrage van 1.800 euro aan het "Terug Naar Werk-fonds" te betalen.]1
Na de ontvangst van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering ontvangt de werkgever een uitnodiging om overeenkomstig artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers de bijdrage van 1.800 euro aan het "Terug Naar Werk-fonds" te betalen.]1
Art. 245quinquiesdecies. [1 La notification par l'employeur des données visées à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 1°, de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs se fait par voie électronique à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Si cette notification n'est pas possible par voie électronique, l'employeur utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
Dès réception par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité de la notification visée à l'alinéa 1er, l'employeur reçoit une invitation à verser la contribution de 1.800 euros au " Fonds Retour Au Travail " conformément à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 2°, de la loi du 5 septembre 2001 relative à l'amélioration du taux d'emploi des travailleurs salariés.]1
Dès réception par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité de la notification visée à l'alinéa 1er, l'employeur reçoit une invitation à verser la contribution de 1.800 euros au " Fonds Retour Au Travail " conformément à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 2°, de la loi du 5 septembre 2001 relative à l'amélioration du taux d'emploi des travailleurs salariés.]1
Modifications
Art. 245sexiesdecies. [1 De gespecialiseerde dienstverlening op maat bedoeld in artikel 110/2, § 2, van de gecoördineerde wet en geleverd via een erkende dienstverlener beoogt de sociaalprofessionele re-integratie van de arbeidsongeschikt erkende gerechtigde die niet meer tewerkgesteld is of niet meer tewerkgesteld kan worden door zijn werkgever, door hem te begeleiden naar een functie bij een andere werkgever of in een andere bedrijfstak. Deze dienstverlening moet begeleidingssessies omvatten die fysiek of online kunnen worden gehouden en op een individuele wijze of in groep kunnen worden georganiseerd.]1
Art. 245septiesdecies. [1 Pour qu'un prestataire de services soit agréé par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités et puisse offrir des services spécialisés adaptés financés par le " Fonds Retour Au Travail " visé à l'article 110/2 de la loi coordonnée, les conditions suivantes doivent être remplies :
1° le prestataire de services doit disposer d'un des labels de qualité suivants :
a) Brand Compliance 9022 label de qualité;
b) Het Blik op Werk Keurmerk dienst 13 SEQF;
c) Belgian Quality Association Label;
d) EFQM (EFQM modèle version 2013 à partir du niveau " Recognised for Excellence 3* " ou EFQM modèle version 2020 à partir du niveau " Recognised by EFQM 3* ");
e) Federgon Accompagnement de carrière;
f) Federgon Recruitment, Search and Selection;
g) Federgon Certo-label (Outplacement);
h) ISO 29990 ou ISO 29993;
i) ISO 9001;
j) JCI (Joint Commission International);
k) K2a et K2b;
l) Qfor ProcessScan;
n) Qfor WSE;
a) Qualicor Europe accréditation;
n) SUREPLUS (au minimum un niveau B).
2° le prestataire de services déclare qu'il est tenu, dans le cadre, selon le cas, de l'organisation générale des services spécialisés adaptés ou de la fourniture individuelle concrète de services spécialisés adaptés au cours de la période d'agrément :
a) de publier clairement l'offre aux titulaires reconnus en incapacité de travail et le nombre d'heures de services spécialisés adaptés qui peuvent être fournis dans le cadre de cette offre pour un maximum de 1.800 euros, ainsi que les conditions à remplir par ces titulaires;
b) d'avaliser le fait que son offre envisage des démarches effectives vers l'emploi en vue d'un retour au circuit normal du travail;
c) de définir les accords concernant les services spécialisés adaptés entre le prestataire de services et le titulaire dans une feuille de route;
d) de répondre à toute demande du titulaire souhaitant bénéficier de services spécialisés adaptés. Toutefois, il peut limiter son offre à certains groupes cibles. Dans ce cas il doit l'indiquer clairement lors de la demande d'agrément;
e) de partager en toute sécurité et dans le strict respect du secret professionnel les données nécessaires avec les parties prenantes concernées par le trajet envisagé;
f) de garantir que les services spécialisés adaptés ne soit dispensés que par des professionnels possédant les connaissances nécessaires. Les connaissances nécessaires sont démontrées si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
i. avoir suivi un programme de formation d'au moins 15 heures de contact axé sur la réintégration des titulaires reconnus en incapacité de travail. Le programme de cette formation comprend au moins une explication de la réglementation applicable concernant les " Trajets Retour Au Travail " telle que prévue par la loi coordonnée et le présent arrêté;
ii. avoir au moins trois ans d'expérience dans l'accompagnement des personnes vulnérables vers le marché du travail.
g) de communiquer au fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, endéans un délai de quatorze jours à partir de la date concernée, la date de début et la date de fin des services spécialisés adaptés fournis à chaque titulaire.
En vue de l'agrément par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le prestataire de services doit introduire une demande au moyen du formulaire électronique mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Pour que la demande soit recevable, le formulaire doit être entièrement rempli et les pièces justificatives demandées relatives aux critères précités doivent être jointes. Si cette demande n'est pas possible par voie électronique, le prestaire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le prestataire de services doit communiquer toutes les données supplémentaires nécessaires afin qu'il puisse prendre une décision d'agrément ou évaluer les services spécialisés adaptés fournis.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités prend une décision ou, le cas échéant, demande la communication de données supplémentaires nécessaires dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant le jour de l'introduction de la demande. Le délai précité est à nouveau d'application à partir du jour suivant le jour de la réception des données supplémentaires nécessaires demandées.
L'agrément est accordé pour une durée de deux ans, prolongeable sur base de l'introduction d'une nouvelle demande via le formulaire électronique mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. La demande de prolongation de l'agrément est introduite par le prestataire de services au plus tard 60 jours avant l'expiration de l'agrément octroyé. Si cette demande de prolongation n'est pas possible par voie électronique, le prestataire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
Lorsque les conditions visées à l'alinéa 1er ne sont pas remplies, le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités refuse d'agréer le prestataire de services ou refuse de prolonger l'agrément, ou lui retire son agrément. La notification de cette décision est communiquée au prestataire de services. Dans ce cas, le prestataire de services conserve le droit d'introduire une nouvelle demande en utilisant le formulaire mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Toutefois, lorsque le titulaire a déjà entamé le service spécialisé adapté, le refus de prolonger l'agrément ou le retrait de l'agrément ne porte pas atteinte à la décision positive visée à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 6, et il peut poursuivre ledit service. En revanche, si le titulaire n'a pas encore entamé le service spécialisé adapté, il reçoit une invitation afin de se faire fournir ledit service par un prestataire de services agréé.]1
1° le prestataire de services doit disposer d'un des labels de qualité suivants :
a) Brand Compliance 9022 label de qualité;
b) Het Blik op Werk Keurmerk dienst 13 SEQF;
c) Belgian Quality Association Label;
d) EFQM (EFQM modèle version 2013 à partir du niveau " Recognised for Excellence 3* " ou EFQM modèle version 2020 à partir du niveau " Recognised by EFQM 3* ");
e) Federgon Accompagnement de carrière;
f) Federgon Recruitment, Search and Selection;
g) Federgon Certo-label (Outplacement);
h) ISO 29990 ou ISO 29993;
i) ISO 9001;
j) JCI (Joint Commission International);
k) K2a et K2b;
l) Qfor ProcessScan;
n) Qfor WSE;
a) Qualicor Europe accréditation;
n) SUREPLUS (au minimum un niveau B).
2° le prestataire de services déclare qu'il est tenu, dans le cadre, selon le cas, de l'organisation générale des services spécialisés adaptés ou de la fourniture individuelle concrète de services spécialisés adaptés au cours de la période d'agrément :
a) de publier clairement l'offre aux titulaires reconnus en incapacité de travail et le nombre d'heures de services spécialisés adaptés qui peuvent être fournis dans le cadre de cette offre pour un maximum de 1.800 euros, ainsi que les conditions à remplir par ces titulaires;
b) d'avaliser le fait que son offre envisage des démarches effectives vers l'emploi en vue d'un retour au circuit normal du travail;
c) de définir les accords concernant les services spécialisés adaptés entre le prestataire de services et le titulaire dans une feuille de route;
d) de répondre à toute demande du titulaire souhaitant bénéficier de services spécialisés adaptés. Toutefois, il peut limiter son offre à certains groupes cibles. Dans ce cas il doit l'indiquer clairement lors de la demande d'agrément;
e) de partager en toute sécurité et dans le strict respect du secret professionnel les données nécessaires avec les parties prenantes concernées par le trajet envisagé;
f) de garantir que les services spécialisés adaptés ne soit dispensés que par des professionnels possédant les connaissances nécessaires. Les connaissances nécessaires sont démontrées si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
i. avoir suivi un programme de formation d'au moins 15 heures de contact axé sur la réintégration des titulaires reconnus en incapacité de travail. Le programme de cette formation comprend au moins une explication de la réglementation applicable concernant les " Trajets Retour Au Travail " telle que prévue par la loi coordonnée et le présent arrêté;
ii. avoir au moins trois ans d'expérience dans l'accompagnement des personnes vulnérables vers le marché du travail.
g) de communiquer au fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, endéans un délai de quatorze jours à partir de la date concernée, la date de début et la date de fin des services spécialisés adaptés fournis à chaque titulaire.
En vue de l'agrément par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le prestataire de services doit introduire une demande au moyen du formulaire électronique mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Pour que la demande soit recevable, le formulaire doit être entièrement rempli et les pièces justificatives demandées relatives aux critères précités doivent être jointes. Si cette demande n'est pas possible par voie électronique, le prestaire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le prestataire de services doit communiquer toutes les données supplémentaires nécessaires afin qu'il puisse prendre une décision d'agrément ou évaluer les services spécialisés adaptés fournis.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités prend une décision ou, le cas échéant, demande la communication de données supplémentaires nécessaires dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant le jour de l'introduction de la demande. Le délai précité est à nouveau d'application à partir du jour suivant le jour de la réception des données supplémentaires nécessaires demandées.
L'agrément est accordé pour une durée de deux ans, prolongeable sur base de l'introduction d'une nouvelle demande via le formulaire électronique mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. La demande de prolongation de l'agrément est introduite par le prestataire de services au plus tard 60 jours avant l'expiration de l'agrément octroyé. Si cette demande de prolongation n'est pas possible par voie électronique, le prestataire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
Lorsque les conditions visées à l'alinéa 1er ne sont pas remplies, le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités refuse d'agréer le prestataire de services ou refuse de prolonger l'agrément, ou lui retire son agrément. La notification de cette décision est communiquée au prestataire de services. Dans ce cas, le prestataire de services conserve le droit d'introduire une nouvelle demande en utilisant le formulaire mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Toutefois, lorsque le titulaire a déjà entamé le service spécialisé adapté, le refus de prolonger l'agrément ou le retrait de l'agrément ne porte pas atteinte à la décision positive visée à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 6, et il peut poursuivre ledit service. En revanche, si le titulaire n'a pas encore entamé le service spécialisé adapté, il reçoit une invitation afin de se faire fournir ledit service par un prestataire de services agréé.]1
Modifications
Art. 245septiesdecies. [1 Opdat een dienstverlener door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen wordt erkend en gespecialiseerde dienstverlening op maat kan aanbieden die wordt gefinancierd door het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de gecoördineerde wet, dienen de volgende voorwaarden te zijn vervuld:
1° de dienstverlener moet over één van de volgende kwaliteitslabels beschikken:
a) Brand Compliance 9022 kwaliteitslabel;
b) Het Blik op Werk Keurmerk dienst 13 SEQF;
c) Belgian Quality Association Label;
d) EFQM (EFQM model versie 2013 vanaf niveau "Recognised for Excellence 3*" of EFQM model versie 2020 vanaf niveau "Recognised by EFQM 3*");
e) Federgon Loopbaanbegeleiding;
f) Federgon Recruitment, Search and Selection;
g) Federgon Certo-label (Outplacement);
h) ISO 29990 of ISO 29993;
i) ISO 9001;
j) JCI (Joint Commission International);
k) K2a en K2b;
l) Qfor ProcessScan;
n) Qfor WSE;
a) Qualicor Europe accreditatie;
n) SUREPLUS (minstens een niveau B).
2° de dienstverlener verklaart dat hij in het kader van, naargelang het geval, de algemene organisatie van de gespecialiseerde dienstverlening op maat of de concrete individuele verstrekking van de gespecialiseerde dienstverlening op maat tijdens de periode van erkenning ertoe is gehouden:
a) het aanbod voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden en het aantal uren gespecialiseerde dienstverlening op maat dat in het kader van dit aanbod voor maximum 1.800 euro kan worden verstrekt, evenals de door deze gerechtigden te vervullen voorwaarden duidelijk openbaar te publiceren;
b) te onderschrijven dat zijn aanbod effectieve stappen naar werk beoogt met als doel een terugkeer naar het normale arbeidscircuit;
c) de afspraken over de gespecialiseerde dienstverlening op maat tussen de dienstverlener en de gerechtigde in een stappenplan vast te leggen;
d) te antwoorden op elke vraag van de gerechtigde die gespecialiseerde dienstverlening op maat wil genieten. Indien hij zich echter beperkt tot bepaalde doelgroepen, dient hij dit bij de aanvraag tot erkenning duidelijk te vermelden;
e) op een beveiligde wijze en met strikte inachtneming van het beroepsgeheim de noodzakelijke gegevens te delen met de betrokken belanghebbende partijen in het beoogde traject;
f) te waarborgen dat voor de gespecialiseerde dienstverlening op maat enkel begeleiders ingezet zullen worden die beschikken over de nodige kennis. De nodige kennis wordt aangetoond als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:
i. het gevolgd hebben van een opleidingsprogramma van minimaal 15 contacturen met als focus de re-integratie van gerechtigden die arbeidsongeschikt erkend zijn. Het programma van deze opleiding omvat minstens een toelichting over de van toepassing zijnde reglementering inzake de "Terug Naar Werk-trajecten" zoals bepaald in de gecoördineerde wet en dit besluit;
ii. minstens drie jaar ervaring hebben in de begeleiding van kwetsbare personen naar de arbeidsmarkt.
g) aan de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, binnen een termijn van veertien dagen vanaf de betrokken datum, de begindatum en de einddatum van de aan elke gerechtigde verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat mee te delen.
Met het oog op de erkenning door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de dienstverlener een aanvraag indienen via het elektronisch formulier dat ter beschikking is gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Opdat de aanvraag ontvankelijk is, dient het formulier volledig te zijn ingevuld en dienen de gevraagde bewijsstukken met betrekking tot de voormelde criteria te zijn toegevoegd. Indien deze aanvraag niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Op vraag van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de dienstverlener alle noodzakelijke bijkomende gegevens meedelen opdat hij een beslissing tot erkenning kan nemen of de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat kan evalueren.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen neemt een beslissing of, in voorkomend geval, vraagt de mededeling van noodzakelijke bijkomende gegevens binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanvraag. De voormelde termijn is opnieuw van toepassing vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de gevraagde noodzakelijke bijkomende gegevens.
De erkenning wordt toegekend voor een duur van twee jaar die verlengbaar is op basis van de indiening van een nieuwe aanvraag via het elektronisch formulier dat ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De aanvraag tot verlenging van de erkenning wordt door de dienstverlener ingediend uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van de toegekende erkenning. Indien deze vraag tot verlenging niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Als de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet zijn vervuld, weigert de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen om de dienstverlener te erkennen of de erkenning te verlengen, of trekt zijn erkenning in. De kennisgeving van deze beslissing wordt meegedeeld aan de dienstverlener. In dat geval behoudt de dienstverlener het recht om een nieuwe aanvraag in te dienen door het formulier te gebruiken dat ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Als de gerechtigde echter de gespecialiseerde dienstverlening op maat al heeft aangevat, doet de weigering tot verlenging van de erkenning of de intrekking van de erkenning geen afbreuk aan de positieve beslissing bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 2, zesde lid, en kan hij deze dienstverlening voortzetten. Als de gerechtigde de gespecialiseerde dienstverlening op maat nog niet heeft aangevat, ontvangt hij daarentegen een uitnodiging om deze dienstverlening door een erkende dienstverlener te laten verstrekken.]1
1° de dienstverlener moet over één van de volgende kwaliteitslabels beschikken:
a) Brand Compliance 9022 kwaliteitslabel;
b) Het Blik op Werk Keurmerk dienst 13 SEQF;
c) Belgian Quality Association Label;
d) EFQM (EFQM model versie 2013 vanaf niveau "Recognised for Excellence 3*" of EFQM model versie 2020 vanaf niveau "Recognised by EFQM 3*");
e) Federgon Loopbaanbegeleiding;
f) Federgon Recruitment, Search and Selection;
g) Federgon Certo-label (Outplacement);
h) ISO 29990 of ISO 29993;
i) ISO 9001;
j) JCI (Joint Commission International);
k) K2a en K2b;
l) Qfor ProcessScan;
n) Qfor WSE;
a) Qualicor Europe accreditatie;
n) SUREPLUS (minstens een niveau B).
2° de dienstverlener verklaart dat hij in het kader van, naargelang het geval, de algemene organisatie van de gespecialiseerde dienstverlening op maat of de concrete individuele verstrekking van de gespecialiseerde dienstverlening op maat tijdens de periode van erkenning ertoe is gehouden:
a) het aanbod voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden en het aantal uren gespecialiseerde dienstverlening op maat dat in het kader van dit aanbod voor maximum 1.800 euro kan worden verstrekt, evenals de door deze gerechtigden te vervullen voorwaarden duidelijk openbaar te publiceren;
b) te onderschrijven dat zijn aanbod effectieve stappen naar werk beoogt met als doel een terugkeer naar het normale arbeidscircuit;
c) de afspraken over de gespecialiseerde dienstverlening op maat tussen de dienstverlener en de gerechtigde in een stappenplan vast te leggen;
d) te antwoorden op elke vraag van de gerechtigde die gespecialiseerde dienstverlening op maat wil genieten. Indien hij zich echter beperkt tot bepaalde doelgroepen, dient hij dit bij de aanvraag tot erkenning duidelijk te vermelden;
e) op een beveiligde wijze en met strikte inachtneming van het beroepsgeheim de noodzakelijke gegevens te delen met de betrokken belanghebbende partijen in het beoogde traject;
f) te waarborgen dat voor de gespecialiseerde dienstverlening op maat enkel begeleiders ingezet zullen worden die beschikken over de nodige kennis. De nodige kennis wordt aangetoond als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:
i. het gevolgd hebben van een opleidingsprogramma van minimaal 15 contacturen met als focus de re-integratie van gerechtigden die arbeidsongeschikt erkend zijn. Het programma van deze opleiding omvat minstens een toelichting over de van toepassing zijnde reglementering inzake de "Terug Naar Werk-trajecten" zoals bepaald in de gecoördineerde wet en dit besluit;
ii. minstens drie jaar ervaring hebben in de begeleiding van kwetsbare personen naar de arbeidsmarkt.
g) aan de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, binnen een termijn van veertien dagen vanaf de betrokken datum, de begindatum en de einddatum van de aan elke gerechtigde verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat mee te delen.
Met het oog op de erkenning door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de dienstverlener een aanvraag indienen via het elektronisch formulier dat ter beschikking is gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Opdat de aanvraag ontvankelijk is, dient het formulier volledig te zijn ingevuld en dienen de gevraagde bewijsstukken met betrekking tot de voormelde criteria te zijn toegevoegd. Indien deze aanvraag niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Op vraag van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de dienstverlener alle noodzakelijke bijkomende gegevens meedelen opdat hij een beslissing tot erkenning kan nemen of de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat kan evalueren.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen neemt een beslissing of, in voorkomend geval, vraagt de mededeling van noodzakelijke bijkomende gegevens binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanvraag. De voormelde termijn is opnieuw van toepassing vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de gevraagde noodzakelijke bijkomende gegevens.
De erkenning wordt toegekend voor een duur van twee jaar die verlengbaar is op basis van de indiening van een nieuwe aanvraag via het elektronisch formulier dat ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De aanvraag tot verlenging van de erkenning wordt door de dienstverlener ingediend uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van de toegekende erkenning. Indien deze vraag tot verlenging niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Als de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet zijn vervuld, weigert de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen om de dienstverlener te erkennen of de erkenning te verlengen, of trekt zijn erkenning in. De kennisgeving van deze beslissing wordt meegedeeld aan de dienstverlener. In dat geval behoudt de dienstverlener het recht om een nieuwe aanvraag in te dienen door het formulier te gebruiken dat ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Als de gerechtigde echter de gespecialiseerde dienstverlening op maat al heeft aangevat, doet de weigering tot verlenging van de erkenning of de intrekking van de erkenning geen afbreuk aan de positieve beslissing bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 2, zesde lid, en kan hij deze dienstverlening voortzetten. Als de gerechtigde de gespecialiseerde dienstverlening op maat nog niet heeft aangevat, ontvangt hij daarentegen een uitnodiging om deze dienstverlening door een erkende dienstverlener te laten verstrekken.]1
Art. 245sexiesdecies. [1 Les services spécialisés adaptés visés à l'article 110/2, § 2, de la loi coordonnée et fournis par l'intermédiaire d'un prestataire de services agréé ont pour objectif la réintégration socioprofessionnelle du titulaire reconnu en incapacité de travail qui n'est plus ou ne peut plus être employé par son employeur en l'accompagnant vers une fonction auprès d'un autre employeur ou dans une autre branche d'activité. Ces services doivent inclure des séances d'accompagnement qui peuvent se tenir en présentiel ou en ligne et être organisées de manière individuelle ou en groupe.]1
Modifications
Art. 245septiesdecies. [1 Opdat een dienstverlener door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen wordt erkend en gespecialiseerde dienstverlening op maat kan aanbieden die wordt gefinancierd door het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de gecoördineerde wet, dienen de volgende voorwaarden te zijn vervuld:
1° de dienstverlener moet over één van de volgende kwaliteitslabels beschikken:
a) Brand Compliance 9022 kwaliteitslabel;
b) Het Blik op Werk Keurmerk dienst 13 SEQF;
c) Belgian Quality Association Label;
d) EFQM (EFQM model versie 2013 vanaf niveau "Recognised for Excellence 3*" of EFQM model versie 2020 vanaf niveau "Recognised by EFQM 3*");
e) Federgon Loopbaanbegeleiding;
f) Federgon Recruitment, Search and Selection;
g) Federgon Certo-label (Outplacement);
h) ISO 29990 of ISO 29993;
i) ISO 9001;
j) JCI (Joint Commission International);
k) K2a en K2b;
l) Qfor ProcessScan;
n) Qfor WSE;
a) Qualicor Europe accreditatie;
n) SUREPLUS (minstens een niveau B).
2° de dienstverlener verklaart dat hij in het kader van, naargelang het geval, de algemene organisatie van de gespecialiseerde dienstverlening op maat of de concrete individuele verstrekking van de gespecialiseerde dienstverlening op maat tijdens de periode van erkenning ertoe is gehouden:
a) het aanbod voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden en het aantal uren gespecialiseerde dienstverlening op maat dat in het kader van dit aanbod voor maximum 1.800 euro kan worden verstrekt, evenals de door deze gerechtigden te vervullen voorwaarden duidelijk openbaar te publiceren;
b) te onderschrijven dat zijn aanbod effectieve stappen naar werk beoogt met als doel een terugkeer naar het normale arbeidscircuit;
c) de afspraken over de gespecialiseerde dienstverlening op maat tussen de dienstverlener en de gerechtigde in een stappenplan vast te leggen;
d) te antwoorden op elke vraag van de gerechtigde die gespecialiseerde dienstverlening op maat wil genieten. Indien hij zich echter beperkt tot bepaalde doelgroepen, dient hij dit bij de aanvraag tot erkenning duidelijk te vermelden;
e) op een beveiligde wijze en met strikte inachtneming van het beroepsgeheim de noodzakelijke gegevens te delen met de betrokken belanghebbende partijen in het beoogde traject;
f) te waarborgen dat voor de gespecialiseerde dienstverlening op maat enkel begeleiders ingezet zullen worden die beschikken over de nodige kennis. De nodige kennis wordt aangetoond als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:
i. het gevolgd hebben van een opleidingsprogramma van minimaal 15 contacturen met als focus de re-integratie van gerechtigden die arbeidsongeschikt erkend zijn. Het programma van deze opleiding omvat minstens een toelichting over de van toepassing zijnde reglementering inzake de "Terug Naar Werk-trajecten" zoals bepaald in de gecoördineerde wet en dit besluit;
ii. minstens drie jaar ervaring hebben in de begeleiding van kwetsbare personen naar de arbeidsmarkt.
g) aan de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, binnen een termijn van veertien dagen vanaf de betrokken datum, de begindatum en de einddatum van de aan elke gerechtigde verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat mee te delen.
Met het oog op de erkenning door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de dienstverlener een aanvraag indienen via het elektronisch formulier dat ter beschikking is gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Opdat de aanvraag ontvankelijk is, dient het formulier volledig te zijn ingevuld en dienen de gevraagde bewijsstukken met betrekking tot de voormelde criteria te zijn toegevoegd. Indien deze aanvraag niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Op vraag van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de dienstverlener alle noodzakelijke bijkomende gegevens meedelen opdat hij een beslissing tot erkenning kan nemen of de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat kan evalueren.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen neemt een beslissing of, in voorkomend geval, vraagt de mededeling van noodzakelijke bijkomende gegevens binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanvraag. De voormelde termijn is opnieuw van toepassing vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de gevraagde noodzakelijke bijkomende gegevens.
De erkenning wordt toegekend voor een duur van twee jaar die verlengbaar is op basis van de indiening van een nieuwe aanvraag via het elektronisch formulier dat ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De aanvraag tot verlenging van de erkenning wordt door de dienstverlener ingediend uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van de toegekende erkenning. Indien deze vraag tot verlenging niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Als de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet zijn vervuld, weigert de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen om de dienstverlener te erkennen of de erkenning te verlengen, of trekt zijn erkenning in. De kennisgeving van deze beslissing wordt meegedeeld aan de dienstverlener. In dat geval behoudt de dienstverlener het recht om een nieuwe aanvraag in te dienen door het formulier te gebruiken dat ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Als de gerechtigde echter de gespecialiseerde dienstverlening op maat al heeft aangevat, doet de weigering tot verlenging van de erkenning of de intrekking van de erkenning geen afbreuk aan de positieve beslissing bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 2, zesde lid, en kan hij deze dienstverlening voortzetten. Als de gerechtigde de gespecialiseerde dienstverlening op maat nog niet heeft aangevat, ontvangt hij daarentegen een uitnodiging om deze dienstverlening door een erkende dienstverlener te laten verstrekken.]1
1° de dienstverlener moet over één van de volgende kwaliteitslabels beschikken:
a) Brand Compliance 9022 kwaliteitslabel;
b) Het Blik op Werk Keurmerk dienst 13 SEQF;
c) Belgian Quality Association Label;
d) EFQM (EFQM model versie 2013 vanaf niveau "Recognised for Excellence 3*" of EFQM model versie 2020 vanaf niveau "Recognised by EFQM 3*");
e) Federgon Loopbaanbegeleiding;
f) Federgon Recruitment, Search and Selection;
g) Federgon Certo-label (Outplacement);
h) ISO 29990 of ISO 29993;
i) ISO 9001;
j) JCI (Joint Commission International);
k) K2a en K2b;
l) Qfor ProcessScan;
n) Qfor WSE;
a) Qualicor Europe accreditatie;
n) SUREPLUS (minstens een niveau B).
2° de dienstverlener verklaart dat hij in het kader van, naargelang het geval, de algemene organisatie van de gespecialiseerde dienstverlening op maat of de concrete individuele verstrekking van de gespecialiseerde dienstverlening op maat tijdens de periode van erkenning ertoe is gehouden:
a) het aanbod voor de arbeidsongeschikt erkende gerechtigden en het aantal uren gespecialiseerde dienstverlening op maat dat in het kader van dit aanbod voor maximum 1.800 euro kan worden verstrekt, evenals de door deze gerechtigden te vervullen voorwaarden duidelijk openbaar te publiceren;
b) te onderschrijven dat zijn aanbod effectieve stappen naar werk beoogt met als doel een terugkeer naar het normale arbeidscircuit;
c) de afspraken over de gespecialiseerde dienstverlening op maat tussen de dienstverlener en de gerechtigde in een stappenplan vast te leggen;
d) te antwoorden op elke vraag van de gerechtigde die gespecialiseerde dienstverlening op maat wil genieten. Indien hij zich echter beperkt tot bepaalde doelgroepen, dient hij dit bij de aanvraag tot erkenning duidelijk te vermelden;
e) op een beveiligde wijze en met strikte inachtneming van het beroepsgeheim de noodzakelijke gegevens te delen met de betrokken belanghebbende partijen in het beoogde traject;
f) te waarborgen dat voor de gespecialiseerde dienstverlening op maat enkel begeleiders ingezet zullen worden die beschikken over de nodige kennis. De nodige kennis wordt aangetoond als de volgende voorwaarden cumulatief zijn vervuld:
i. het gevolgd hebben van een opleidingsprogramma van minimaal 15 contacturen met als focus de re-integratie van gerechtigden die arbeidsongeschikt erkend zijn. Het programma van deze opleiding omvat minstens een toelichting over de van toepassing zijnde reglementering inzake de "Terug Naar Werk-trajecten" zoals bepaald in de gecoördineerde wet en dit besluit;
ii. minstens drie jaar ervaring hebben in de begeleiding van kwetsbare personen naar de arbeidsmarkt.
g) aan de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, binnen een termijn van veertien dagen vanaf de betrokken datum, de begindatum en de einddatum van de aan elke gerechtigde verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat mee te delen.
Met het oog op de erkenning door de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de dienstverlener een aanvraag indienen via het elektronisch formulier dat ter beschikking is gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Opdat de aanvraag ontvankelijk is, dient het formulier volledig te zijn ingevuld en dienen de gevraagde bewijsstukken met betrekking tot de voormelde criteria te zijn toegevoegd. Indien deze aanvraag niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Op vraag van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de dienstverlener alle noodzakelijke bijkomende gegevens meedelen opdat hij een beslissing tot erkenning kan nemen of de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat kan evalueren.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen neemt een beslissing of, in voorkomend geval, vraagt de mededeling van noodzakelijke bijkomende gegevens binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanvraag. De voormelde termijn is opnieuw van toepassing vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de gevraagde noodzakelijke bijkomende gegevens.
De erkenning wordt toegekend voor een duur van twee jaar die verlengbaar is op basis van de indiening van een nieuwe aanvraag via het elektronisch formulier dat ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. De aanvraag tot verlenging van de erkenning wordt door de dienstverlener ingediend uiterlijk 60 dagen voor het verstrijken van de toegekende erkenning. Indien deze vraag tot verlenging niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het voormelde Instituut.
Als de voorwaarden bedoeld in het eerste lid niet zijn vervuld, weigert de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen om de dienstverlener te erkennen of de erkenning te verlengen, of trekt zijn erkenning in. De kennisgeving van deze beslissing wordt meegedeeld aan de dienstverlener. In dat geval behoudt de dienstverlener het recht om een nieuwe aanvraag in te dienen door het formulier te gebruiken dat ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Als de gerechtigde echter de gespecialiseerde dienstverlening op maat al heeft aangevat, doet de weigering tot verlenging van de erkenning of de intrekking van de erkenning geen afbreuk aan de positieve beslissing bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 2, zesde lid, en kan hij deze dienstverlening voortzetten. Als de gerechtigde de gespecialiseerde dienstverlening op maat nog niet heeft aangevat, ontvangt hij daarentegen een uitnodiging om deze dienstverlening door een erkende dienstverlener te laten verstrekken.]1
Art. 245septiesdecies. [1 Pour qu'un prestataire de services soit agréé par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités et puisse offrir des services spécialisés adaptés financés par le " Fonds Retour Au Travail " visé à l'article 110/2 de la loi coordonnée, les conditions suivantes doivent être remplies :
1° le prestataire de services doit disposer d'un des labels de qualité suivants :
a) Brand Compliance 9022 label de qualité;
b) Het Blik op Werk Keurmerk dienst 13 SEQF;
c) Belgian Quality Association Label;
d) EFQM (EFQM modèle version 2013 à partir du niveau " Recognised for Excellence 3* " ou EFQM modèle version 2020 à partir du niveau " Recognised by EFQM 3* ");
e) Federgon Accompagnement de carrière;
f) Federgon Recruitment, Search and Selection;
g) Federgon Certo-label (Outplacement);
h) ISO 29990 ou ISO 29993;
i) ISO 9001;
j) JCI (Joint Commission International);
k) K2a et K2b;
l) Qfor ProcessScan;
n) Qfor WSE;
a) Qualicor Europe accréditation;
n) SUREPLUS (au minimum un niveau B).
2° le prestataire de services déclare qu'il est tenu, dans le cadre, selon le cas, de l'organisation générale des services spécialisés adaptés ou de la fourniture individuelle concrète de services spécialisés adaptés au cours de la période d'agrément :
a) de publier clairement l'offre aux titulaires reconnus en incapacité de travail et le nombre d'heures de services spécialisés adaptés qui peuvent être fournis dans le cadre de cette offre pour un maximum de 1.800 euros, ainsi que les conditions à remplir par ces titulaires;
b) d'avaliser le fait que son offre envisage des démarches effectives vers l'emploi en vue d'un retour au circuit normal du travail;
c) de définir les accords concernant les services spécialisés adaptés entre le prestataire de services et le titulaire dans une feuille de route;
d) de répondre à toute demande du titulaire souhaitant bénéficier de services spécialisés adaptés. Toutefois, il peut limiter son offre à certains groupes cibles. Dans ce cas il doit l'indiquer clairement lors de la demande d'agrément;
e) de partager en toute sécurité et dans le strict respect du secret professionnel les données nécessaires avec les parties prenantes concernées par le trajet envisagé;
f) de garantir que les services spécialisés adaptés ne soit dispensés que par des professionnels possédant les connaissances nécessaires. Les connaissances nécessaires sont démontrées si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
i. avoir suivi un programme de formation d'au moins 15 heures de contact axé sur la réintégration des titulaires reconnus en incapacité de travail. Le programme de cette formation comprend au moins une explication de la réglementation applicable concernant les " Trajets Retour Au Travail " telle que prévue par la loi coordonnée et le présent arrêté;
ii. avoir au moins trois ans d'expérience dans l'accompagnement des personnes vulnérables vers le marché du travail.
g) de communiquer au fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, endéans un délai de quatorze jours à partir de la date concernée, la date de début et la date de fin des services spécialisés adaptés fournis à chaque titulaire.
En vue de l'agrément par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le prestataire de services doit introduire une demande au moyen du formulaire électronique mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Pour que la demande soit recevable, le formulaire doit être entièrement rempli et les pièces justificatives demandées relatives aux critères précités doivent être jointes. Si cette demande n'est pas possible par voie électronique, le prestaire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le prestataire de services doit communiquer toutes les données supplémentaires nécessaires afin qu'il puisse prendre une décision d'agrément ou évaluer les services spécialisés adaptés fournis.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités prend une décision ou, le cas échéant, demande la communication de données supplémentaires nécessaires dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant le jour de l'introduction de la demande. Le délai précité est à nouveau d'application à partir du jour suivant le jour de la réception des données supplémentaires nécessaires demandées.
L'agrément est accordé pour une durée de deux ans, prolongeable sur base de l'introduction d'une nouvelle demande via le formulaire électronique mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. La demande de prolongation de l'agrément est introduite par le prestataire de services au plus tard 60 jours avant l'expiration de l'agrément octroyé. Si cette demande de prolongation n'est pas possible par voie électronique, le prestataire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
Lorsque les conditions visées à l'alinéa 1er ne sont pas remplies, le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités refuse d'agréer le prestataire de services ou refuse de prolonger l'agrément, ou lui retire son agrément. La notification de cette décision est communiquée au prestataire de services. Dans ce cas, le prestataire de services conserve le droit d'introduire une nouvelle demande en utilisant le formulaire mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Toutefois, lorsque le titulaire a déjà entamé le service spécialisé adapté, le refus de prolonger l'agrément ou le retrait de l'agrément ne porte pas atteinte à la décision positive visée à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 6, et il peut poursuivre ledit service. En revanche, si le titulaire n'a pas encore entamé le service spécialisé adapté, il reçoit une invitation afin de se faire fournir ledit service par un prestataire de services agréé.]1
1° le prestataire de services doit disposer d'un des labels de qualité suivants :
a) Brand Compliance 9022 label de qualité;
b) Het Blik op Werk Keurmerk dienst 13 SEQF;
c) Belgian Quality Association Label;
d) EFQM (EFQM modèle version 2013 à partir du niveau " Recognised for Excellence 3* " ou EFQM modèle version 2020 à partir du niveau " Recognised by EFQM 3* ");
e) Federgon Accompagnement de carrière;
f) Federgon Recruitment, Search and Selection;
g) Federgon Certo-label (Outplacement);
h) ISO 29990 ou ISO 29993;
i) ISO 9001;
j) JCI (Joint Commission International);
k) K2a et K2b;
l) Qfor ProcessScan;
n) Qfor WSE;
a) Qualicor Europe accréditation;
n) SUREPLUS (au minimum un niveau B).
2° le prestataire de services déclare qu'il est tenu, dans le cadre, selon le cas, de l'organisation générale des services spécialisés adaptés ou de la fourniture individuelle concrète de services spécialisés adaptés au cours de la période d'agrément :
a) de publier clairement l'offre aux titulaires reconnus en incapacité de travail et le nombre d'heures de services spécialisés adaptés qui peuvent être fournis dans le cadre de cette offre pour un maximum de 1.800 euros, ainsi que les conditions à remplir par ces titulaires;
b) d'avaliser le fait que son offre envisage des démarches effectives vers l'emploi en vue d'un retour au circuit normal du travail;
c) de définir les accords concernant les services spécialisés adaptés entre le prestataire de services et le titulaire dans une feuille de route;
d) de répondre à toute demande du titulaire souhaitant bénéficier de services spécialisés adaptés. Toutefois, il peut limiter son offre à certains groupes cibles. Dans ce cas il doit l'indiquer clairement lors de la demande d'agrément;
e) de partager en toute sécurité et dans le strict respect du secret professionnel les données nécessaires avec les parties prenantes concernées par le trajet envisagé;
f) de garantir que les services spécialisés adaptés ne soit dispensés que par des professionnels possédant les connaissances nécessaires. Les connaissances nécessaires sont démontrées si les conditions suivantes sont cumulativement remplies :
i. avoir suivi un programme de formation d'au moins 15 heures de contact axé sur la réintégration des titulaires reconnus en incapacité de travail. Le programme de cette formation comprend au moins une explication de la réglementation applicable concernant les " Trajets Retour Au Travail " telle que prévue par la loi coordonnée et le présent arrêté;
ii. avoir au moins trois ans d'expérience dans l'accompagnement des personnes vulnérables vers le marché du travail.
g) de communiquer au fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, endéans un délai de quatorze jours à partir de la date concernée, la date de début et la date de fin des services spécialisés adaptés fournis à chaque titulaire.
En vue de l'agrément par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le prestataire de services doit introduire une demande au moyen du formulaire électronique mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Pour que la demande soit recevable, le formulaire doit être entièrement rempli et les pièces justificatives demandées relatives aux critères précités doivent être jointes. Si cette demande n'est pas possible par voie électronique, le prestaire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le prestataire de services doit communiquer toutes les données supplémentaires nécessaires afin qu'il puisse prendre une décision d'agrément ou évaluer les services spécialisés adaptés fournis.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités prend une décision ou, le cas échéant, demande la communication de données supplémentaires nécessaires dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant le jour de l'introduction de la demande. Le délai précité est à nouveau d'application à partir du jour suivant le jour de la réception des données supplémentaires nécessaires demandées.
L'agrément est accordé pour une durée de deux ans, prolongeable sur base de l'introduction d'une nouvelle demande via le formulaire électronique mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. La demande de prolongation de l'agrément est introduite par le prestataire de services au plus tard 60 jours avant l'expiration de l'agrément octroyé. Si cette demande de prolongation n'est pas possible par voie électronique, le prestataire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut précité.
Lorsque les conditions visées à l'alinéa 1er ne sont pas remplies, le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités refuse d'agréer le prestataire de services ou refuse de prolonger l'agrément, ou lui retire son agrément. La notification de cette décision est communiquée au prestataire de services. Dans ce cas, le prestataire de services conserve le droit d'introduire une nouvelle demande en utilisant le formulaire mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité. Toutefois, lorsque le titulaire a déjà entamé le service spécialisé adapté, le refus de prolonger l'agrément ou le retrait de l'agrément ne porte pas atteinte à la décision positive visée à l'article 245noniesdecies, § 2, alinéa 6, et il peut poursuivre ledit service. En revanche, si le titulaire n'a pas encore entamé le service spécialisé adapté, il reçoit une invitation afin de se faire fournir ledit service par un prestataire de services agréé.]1
Modifications
Art. 245octiesdecies. [1 De volgende overeenkomstig artikel 100 van de gecoördineerde wet arbeidsongeschikte erkende gerechtigden kunnen aanspraak maken op een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de gecoördineerde wet voor een bedrag dat geen 1.800 euro mag overschrijden:
1° de gerechtigde wiens arbeidsovereenkomst maximaal zes maanden vóór de datum van de aanvraag bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 1, is beëindigd wegens overmacht bedoeld in artikel 34, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en waarvoor de werkgever de bijdrage bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers moet betalen;
2° de gerechtigde die zich op het ogenblik van de aanvraag bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 1, in het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet bevindt.
De tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" aan de gerechtigde bedoeld in het eerste lid, 2°, is echter slechts mogelijk vanaf 1 april 2025 en dit op grond van het eventuele saldo van het bedrag van de bijdragen die niet hebben gediend om het bedrag van de tussenkomsten te financieren die zijn toegekend aan de gerechtigden bedoeld in het eerste lid, 1°.
De gerechtigde bedoeld in het eerste lid, 2°, die al tijdens de lopende periode van erkenning van de arbeidsongeschiktheid een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" heeft ontvangen, kan geen nieuwe tussenkomst genieten.]1
1° de gerechtigde wiens arbeidsovereenkomst maximaal zes maanden vóór de datum van de aanvraag bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 1, is beëindigd wegens overmacht bedoeld in artikel 34, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en waarvoor de werkgever de bijdrage bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 5 september 2001 tot de verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers moet betalen;
2° de gerechtigde die zich op het ogenblik van de aanvraag bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 1, in het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 93 van de gecoördineerde wet bevindt.
De tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" aan de gerechtigde bedoeld in het eerste lid, 2°, is echter slechts mogelijk vanaf 1 april 2025 en dit op grond van het eventuele saldo van het bedrag van de bijdragen die niet hebben gediend om het bedrag van de tussenkomsten te financieren die zijn toegekend aan de gerechtigden bedoeld in het eerste lid, 1°.
De gerechtigde bedoeld in het eerste lid, 2°, die al tijdens de lopende periode van erkenning van de arbeidsongeschiktheid een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" heeft ontvangen, kan geen nieuwe tussenkomst genieten.]1
Art. 245noviesdecies. [1 § 1er. Pour prétendre à une intervention du " Fonds Retour Au Travail ", le titulaire visé à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, doit introduire une demande auprès du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités. Cette demande peut être faite au moyen d'un formulaire électronique ou d'un formulaire papier, dont le modèle est mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités examine la demande introduite par le titulaire visée au paragraphe 1er.
Toutefois, si les ressources financières du " Fonds Retour Au Travail " sont insuffisantes au moment de la demande effectuée par le titulaire visé à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, il lui est envoyé une notification l'informant de son inscription ainsi que de sa place exacte sur une liste d'attente et mentionnant que sa demande sera examinée dès que les ressources financières seront à nouveau suffisantes. Sur cette liste d'attente, les titulaires visés à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 1°, sont toujours positionnés avant les titulaires visés à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 2°. Le cas échéant, ce titulaire sera informé tous les trois mois de sa place exacte sur la liste d'attente susmentionnée. Au moment où les ressources financières sont à nouveau suffisantes, le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités demande au titulaire de confirmer son souhait de bénéficier d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail ".
Sauf dans le cas de l'exécution d'un trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 215novies faisant partie d'un " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 100, § 1er/1, de la loi coordonnée et sans préjudice des autres conditions à remplir, une intervention du " Fonds Retour Au Travail " n'est possible que si un médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, a jugé que le service spécialisé adapté souhaité est compatible avec l'état de santé général du titulaire.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le titulaire doit communiquer toutes les données supplémentaires nécessaires afin qu'il puisse prendre une décision.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités prend une décision ou, le cas échéant, demande la communication de données supplémentaires nécessaires dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant le jour de l'introduction de la demande. Le délai précité est à nouveau d'application à partir du jour suivant le jour de la réception des données supplémentaires nécessaires demandées.
En cas de décision positive du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le titulaire recevra, en même temps que la notification de cette décision, un bon unique d'une valeur de 1.800 euros à faire valoir auprès du prestataire de services agréé concerné pour l'achat des services spécialisés adaptés.
Le bon visé à l'alinéa 6 a une validité maximale de six mois. Ce délai de six mois commence :
1° à la date prévue pour le début des services spécialisés adaptés, telle qu'indiquée par le titulaire dans sa demande. Toutefois, cette date de début ne doit pas être postérieure de plus de deux mois à partir de la date de la demande.
2° à la date de la décision positive rendue par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités lorsque la date prévue pour le début des services spécialisés adaptés n'a pas été communiquée par le titulaire ou lorsque cette date prévue est déjà expirée étant donné l'application de l'alinéa 2.
Si la demande du titulaire est refusée, il en est informé par lettre recommandée. Cette notification contient les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.]1
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités examine la demande introduite par le titulaire visée au paragraphe 1er.
Toutefois, si les ressources financières du " Fonds Retour Au Travail " sont insuffisantes au moment de la demande effectuée par le titulaire visé à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, il lui est envoyé une notification l'informant de son inscription ainsi que de sa place exacte sur une liste d'attente et mentionnant que sa demande sera examinée dès que les ressources financières seront à nouveau suffisantes. Sur cette liste d'attente, les titulaires visés à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 1°, sont toujours positionnés avant les titulaires visés à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 2°. Le cas échéant, ce titulaire sera informé tous les trois mois de sa place exacte sur la liste d'attente susmentionnée. Au moment où les ressources financières sont à nouveau suffisantes, le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités demande au titulaire de confirmer son souhait de bénéficier d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail ".
Sauf dans le cas de l'exécution d'un trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 215novies faisant partie d'un " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 100, § 1er/1, de la loi coordonnée et sans préjudice des autres conditions à remplir, une intervention du " Fonds Retour Au Travail " n'est possible que si un médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, a jugé que le service spécialisé adapté souhaité est compatible avec l'état de santé général du titulaire.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le titulaire doit communiquer toutes les données supplémentaires nécessaires afin qu'il puisse prendre une décision.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités prend une décision ou, le cas échéant, demande la communication de données supplémentaires nécessaires dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant le jour de l'introduction de la demande. Le délai précité est à nouveau d'application à partir du jour suivant le jour de la réception des données supplémentaires nécessaires demandées.
En cas de décision positive du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le titulaire recevra, en même temps que la notification de cette décision, un bon unique d'une valeur de 1.800 euros à faire valoir auprès du prestataire de services agréé concerné pour l'achat des services spécialisés adaptés.
Le bon visé à l'alinéa 6 a une validité maximale de six mois. Ce délai de six mois commence :
1° à la date prévue pour le début des services spécialisés adaptés, telle qu'indiquée par le titulaire dans sa demande. Toutefois, cette date de début ne doit pas être postérieure de plus de deux mois à partir de la date de la demande.
2° à la date de la décision positive rendue par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités lorsque la date prévue pour le début des services spécialisés adaptés n'a pas été communiquée par le titulaire ou lorsque cette date prévue est déjà expirée étant donné l'application de l'alinéa 2.
Si la demande du titulaire est refusée, il en est informé par lettre recommandée. Cette notification contient les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.]1
Modifications
Art. 245noviesdecies. [1 § 1. Om aanspraak te kunnen maken op een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds", moet de gerechtigde bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, een aanvraag indienen bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen. Deze aanvraag kan worden verricht via een elektronisch formulier of via een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
§ 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen onderzoekt de door de gerechtigde ingediende aanvraag bedoeld in paragraaf 1.
Indien de financiële middelen van het "Terug Naar Werk-fonds" op het ogenblik van de aanvraag verricht door de gerechtigde bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, echter ontoereikend zijn, wordt naar hem een kennisgeving gestuurd die hem over zijn inschrijving, evenals zijn exacte plaats op een wachtlijst informeert en vermeldt dat zijn aanvraag zal worden onderzocht zodra de financiële middelen opnieuw toereikend zijn. Op deze wachtlijst worden de gerechtigden bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 1°, steeds voor de gerechtigden bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 2°, geplaatst. In voorkomend geval wordt deze gerechtigde elke drie maanden geïnformeerd over zijn precieze plaats op de voormelde wachtlijst. Op het ogenblik dat de financiële middelen opnieuw toereikend zijn, vraagt de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen aan de gerechtigde om zijn wens te bevestigen om een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" te genieten.
Behalve in geval van de uitvoering van een re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 215novies als onderdeel van een "Terug Naar werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/1, van de gecoördineerde wet en onverminderd de andere te vervullen voorwaarden, is een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" slechts mogelijk als een arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, heeft geoordeeld dat de gewenste gespecialiseerde dienstverlening op maat verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand van de gerechtigde.
Op vraag van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de gerechtigde alle noodzakelijke bijkomende gegevens meedelen opdat hij een beslissing kan nemen.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen neemt een beslissing of, in voorkomend geval, vraagt de mededeling van noodzakelijke bijkomende gegevens binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanvraag. De voormelde termijn is opnieuw van toepassing vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de gevraagde noodzakelijke bijkomende gegevens.
In geval van een positieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, ontvangt de gerechtigde, samen met de kennisgeving van deze beslissing, een unieke bon met een waarde van 1.800 euro om in te wisselen bij de betrokken erkende dienstverlener met het oog op het inkopen van de gespecialiseerde dienstverlening op maat.
De bon bedoeld in het zesde lid heeft een maximale geldigheid van zes maanden. Deze termijn van zes maanden vat aan op:
1° de verwachte datum van de aanvang van de gespecialiseerde dienstverlening op maat, zoals vermeld door de gerechtigde in zijn aanvraag. Deze aanvangsdatum mag zich evenwel niet meer dan twee maanden te rekenen vanaf de datum van de aanvraag bevinden.
2° de datum van de positieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, indien de verwachte datum van de aanvang van de gespecialiseerde dienstverlening op maat door de gerechtigde niet is meegedeeld of als deze voorziene datum al verstreken is gelet op de toepassing van het tweede lid.
Indien de aanvraag van de gerechtigde wordt geweigerd, wordt hij op de hoogte gebracht via een aangetekende zending. Deze kennisgeving bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.]1
§ 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen onderzoekt de door de gerechtigde ingediende aanvraag bedoeld in paragraaf 1.
Indien de financiële middelen van het "Terug Naar Werk-fonds" op het ogenblik van de aanvraag verricht door de gerechtigde bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, echter ontoereikend zijn, wordt naar hem een kennisgeving gestuurd die hem over zijn inschrijving, evenals zijn exacte plaats op een wachtlijst informeert en vermeldt dat zijn aanvraag zal worden onderzocht zodra de financiële middelen opnieuw toereikend zijn. Op deze wachtlijst worden de gerechtigden bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 1°, steeds voor de gerechtigden bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 2°, geplaatst. In voorkomend geval wordt deze gerechtigde elke drie maanden geïnformeerd over zijn precieze plaats op de voormelde wachtlijst. Op het ogenblik dat de financiële middelen opnieuw toereikend zijn, vraagt de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen aan de gerechtigde om zijn wens te bevestigen om een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" te genieten.
Behalve in geval van de uitvoering van een re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 215novies als onderdeel van een "Terug Naar werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/1, van de gecoördineerde wet en onverminderd de andere te vervullen voorwaarden, is een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" slechts mogelijk als een arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, heeft geoordeeld dat de gewenste gespecialiseerde dienstverlening op maat verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand van de gerechtigde.
Op vraag van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de gerechtigde alle noodzakelijke bijkomende gegevens meedelen opdat hij een beslissing kan nemen.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen neemt een beslissing of, in voorkomend geval, vraagt de mededeling van noodzakelijke bijkomende gegevens binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanvraag. De voormelde termijn is opnieuw van toepassing vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de gevraagde noodzakelijke bijkomende gegevens.
In geval van een positieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, ontvangt de gerechtigde, samen met de kennisgeving van deze beslissing, een unieke bon met een waarde van 1.800 euro om in te wisselen bij de betrokken erkende dienstverlener met het oog op het inkopen van de gespecialiseerde dienstverlening op maat.
De bon bedoeld in het zesde lid heeft een maximale geldigheid van zes maanden. Deze termijn van zes maanden vat aan op:
1° de verwachte datum van de aanvang van de gespecialiseerde dienstverlening op maat, zoals vermeld door de gerechtigde in zijn aanvraag. Deze aanvangsdatum mag zich evenwel niet meer dan twee maanden te rekenen vanaf de datum van de aanvraag bevinden.
2° de datum van de positieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, indien de verwachte datum van de aanvang van de gespecialiseerde dienstverlening op maat door de gerechtigde niet is meegedeeld of als deze voorziene datum al verstreken is gelet op de toepassing van het tweede lid.
Indien de aanvraag van de gerechtigde wordt geweigerd, wordt hij op de hoogte gebracht via een aangetekende zending. Deze kennisgeving bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.]1
Art. 245octiesdecies. [1 Les titulaires suivants, reconnus en incapacité de travail conformément à l'article 100 de la loi coordonnée, peuvent prétendre à une intervention du " Fonds Retour Au Travail " visé à l'article 110/2 de la loi coordonnée pour un montant ne pouvant excéder 1.800 euros :
1° le titulaire dont le contrat de travail a pris fin au maximum six mois avant la date de la demande visée à l'article 245noniesdecies, § 1er, pour cause de force majeure telle que visée à l'article 34, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, et pour lequel l'employeur est tenu de payer la contribution visée à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 2°, de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs;
2° le titulaire qui, au moment de la demande visée à l'article 245noniesdecies, § 1er, se trouve dans la période d'invalidité visée à l'article 93 de la loi coordonnée.
Toutefois, l'intervention du " Fonds Retour Au Travail " en faveur du titulaire visé à l'alinéa 1er, 2°, n'est possible qu'à partir du 1er avril 2025 et ce sur base de l'éventuel solde du montant des contributions qui n'ont pas servi à financer le montant des interventions accordées aux titulaires visés à l'alinéa 1er, 1°.
Le titulaire visé à l'alinéa 1er, 2°, qui a déjà bénéficié d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail " pendant la période de reconnaissance de l'incapacité de travail en cours ne peut pas bénéficier d'une nouvelle intervention.]1
1° le titulaire dont le contrat de travail a pris fin au maximum six mois avant la date de la demande visée à l'article 245noniesdecies, § 1er, pour cause de force majeure telle que visée à l'article 34, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, et pour lequel l'employeur est tenu de payer la contribution visée à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 2°, de la loi du 5 septembre 2001 visant à améliorer le taux d'emploi des travailleurs;
2° le titulaire qui, au moment de la demande visée à l'article 245noniesdecies, § 1er, se trouve dans la période d'invalidité visée à l'article 93 de la loi coordonnée.
Toutefois, l'intervention du " Fonds Retour Au Travail " en faveur du titulaire visé à l'alinéa 1er, 2°, n'est possible qu'à partir du 1er avril 2025 et ce sur base de l'éventuel solde du montant des contributions qui n'ont pas servi à financer le montant des interventions accordées aux titulaires visés à l'alinéa 1er, 1°.
Le titulaire visé à l'alinéa 1er, 2°, qui a déjà bénéficié d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail " pendant la période de reconnaissance de l'incapacité de travail en cours ne peut pas bénéficier d'une nouvelle intervention.]1
Modifications
Art. 245noviesdecies. [1 § 1. Om aanspraak te kunnen maken op een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds", moet de gerechtigde bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, een aanvraag indienen bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen. Deze aanvraag kan worden verricht via een elektronisch formulier of via een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
§ 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen onderzoekt de door de gerechtigde ingediende aanvraag bedoeld in paragraaf 1.
Indien de financiële middelen van het "Terug Naar Werk-fonds" op het ogenblik van de aanvraag verricht door de gerechtigde bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, echter ontoereikend zijn, wordt naar hem een kennisgeving gestuurd die hem over zijn inschrijving, evenals zijn exacte plaats op een wachtlijst informeert en vermeldt dat zijn aanvraag zal worden onderzocht zodra de financiële middelen opnieuw toereikend zijn. Op deze wachtlijst worden de gerechtigden bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 1°, steeds voor de gerechtigden bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 2°, geplaatst. In voorkomend geval wordt deze gerechtigde elke drie maanden geïnformeerd over zijn precieze plaats op de voormelde wachtlijst. Op het ogenblik dat de financiële middelen opnieuw toereikend zijn, vraagt de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen aan de gerechtigde om zijn wens te bevestigen om een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" te genieten.
Behalve in geval van de uitvoering van een re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 215novies als onderdeel van een "Terug Naar werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/1, van de gecoördineerde wet en onverminderd de andere te vervullen voorwaarden, is een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" slechts mogelijk als een arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, heeft geoordeeld dat de gewenste gespecialiseerde dienstverlening op maat verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand van de gerechtigde.
Op vraag van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de gerechtigde alle noodzakelijke bijkomende gegevens meedelen opdat hij een beslissing kan nemen.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen neemt een beslissing of, in voorkomend geval, vraagt de mededeling van noodzakelijke bijkomende gegevens binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanvraag. De voormelde termijn is opnieuw van toepassing vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de gevraagde noodzakelijke bijkomende gegevens.
In geval van een positieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, ontvangt de gerechtigde, samen met de kennisgeving van deze beslissing, een unieke bon met een waarde van 1.800 euro om in te wisselen bij de betrokken erkende dienstverlener met het oog op het inkopen van de gespecialiseerde dienstverlening op maat.
De bon bedoeld in het zesde lid heeft een maximale geldigheid van zes maanden. Deze termijn van zes maanden vat aan op:
1° de verwachte datum van de aanvang van de gespecialiseerde dienstverlening op maat, zoals vermeld door de gerechtigde in zijn aanvraag. Deze aanvangsdatum mag zich evenwel niet meer dan twee maanden te rekenen vanaf de datum van de aanvraag bevinden.
2° de datum van de positieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, indien de verwachte datum van de aanvang van de gespecialiseerde dienstverlening op maat door de gerechtigde niet is meegedeeld of als deze voorziene datum al verstreken is gelet op de toepassing van het tweede lid.
Indien de aanvraag van de gerechtigde wordt geweigerd, wordt hij op de hoogte gebracht via een aangetekende zending. Deze kennisgeving bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.]1
§ 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen onderzoekt de door de gerechtigde ingediende aanvraag bedoeld in paragraaf 1.
Indien de financiële middelen van het "Terug Naar Werk-fonds" op het ogenblik van de aanvraag verricht door de gerechtigde bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, echter ontoereikend zijn, wordt naar hem een kennisgeving gestuurd die hem over zijn inschrijving, evenals zijn exacte plaats op een wachtlijst informeert en vermeldt dat zijn aanvraag zal worden onderzocht zodra de financiële middelen opnieuw toereikend zijn. Op deze wachtlijst worden de gerechtigden bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 1°, steeds voor de gerechtigden bedoeld in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 2°, geplaatst. In voorkomend geval wordt deze gerechtigde elke drie maanden geïnformeerd over zijn precieze plaats op de voormelde wachtlijst. Op het ogenblik dat de financiële middelen opnieuw toereikend zijn, vraagt de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen aan de gerechtigde om zijn wens te bevestigen om een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" te genieten.
Behalve in geval van de uitvoering van een re-integratietraject gericht op sociaalprofessionele re-integratie bedoeld in artikel 215novies als onderdeel van een "Terug Naar werk-traject" bedoeld in artikel 100, § 1/1, van de gecoördineerde wet en onverminderd de andere te vervullen voorwaarden, is een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" slechts mogelijk als een arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige raad voor invaliditeit, heeft geoordeeld dat de gewenste gespecialiseerde dienstverlening op maat verenigbaar is met de algemene gezondheidstoestand van de gerechtigde.
Op vraag van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen moet de gerechtigde alle noodzakelijke bijkomende gegevens meedelen opdat hij een beslissing kan nemen.
De leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen neemt een beslissing of, in voorkomend geval, vraagt de mededeling van noodzakelijke bijkomende gegevens binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de dag van de indiening van de aanvraag. De voormelde termijn is opnieuw van toepassing vanaf de dag volgend op de dag van de ontvangst van de gevraagde noodzakelijke bijkomende gegevens.
In geval van een positieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, ontvangt de gerechtigde, samen met de kennisgeving van deze beslissing, een unieke bon met een waarde van 1.800 euro om in te wisselen bij de betrokken erkende dienstverlener met het oog op het inkopen van de gespecialiseerde dienstverlening op maat.
De bon bedoeld in het zesde lid heeft een maximale geldigheid van zes maanden. Deze termijn van zes maanden vat aan op:
1° de verwachte datum van de aanvang van de gespecialiseerde dienstverlening op maat, zoals vermeld door de gerechtigde in zijn aanvraag. Deze aanvangsdatum mag zich evenwel niet meer dan twee maanden te rekenen vanaf de datum van de aanvraag bevinden.
2° de datum van de positieve beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen, indien de verwachte datum van de aanvang van de gespecialiseerde dienstverlening op maat door de gerechtigde niet is meegedeeld of als deze voorziene datum al verstreken is gelet op de toepassing van het tweede lid.
Indien de aanvraag van de gerechtigde wordt geweigerd, wordt hij op de hoogte gebracht via een aangetekende zending. Deze kennisgeving bevat de vermeldingen bedoeld in artikel 14 van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het "handvest" van de sociaal verzekerde.]1
Art. 245noviesdecies. [1 § 1er. Pour prétendre à une intervention du " Fonds Retour Au Travail ", le titulaire visé à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, doit introduire une demande auprès du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités. Cette demande peut être faite au moyen d'un formulaire électronique ou d'un formulaire papier, dont le modèle est mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités examine la demande introduite par le titulaire visée au paragraphe 1er.
Toutefois, si les ressources financières du " Fonds Retour Au Travail " sont insuffisantes au moment de la demande effectuée par le titulaire visé à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, il lui est envoyé une notification l'informant de son inscription ainsi que de sa place exacte sur une liste d'attente et mentionnant que sa demande sera examinée dès que les ressources financières seront à nouveau suffisantes. Sur cette liste d'attente, les titulaires visés à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 1°, sont toujours positionnés avant les titulaires visés à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 2°. Le cas échéant, ce titulaire sera informé tous les trois mois de sa place exacte sur la liste d'attente susmentionnée. Au moment où les ressources financières sont à nouveau suffisantes, le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités demande au titulaire de confirmer son souhait de bénéficier d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail ".
Sauf dans le cas de l'exécution d'un trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 215novies faisant partie d'un " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 100, § 1er/1, de la loi coordonnée et sans préjudice des autres conditions à remplir, une intervention du " Fonds Retour Au Travail " n'est possible que si un médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, a jugé que le service spécialisé adapté souhaité est compatible avec l'état de santé général du titulaire.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le titulaire doit communiquer toutes les données supplémentaires nécessaires afin qu'il puisse prendre une décision.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités prend une décision ou, le cas échéant, demande la communication de données supplémentaires nécessaires dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant le jour de l'introduction de la demande. Le délai précité est à nouveau d'application à partir du jour suivant le jour de la réception des données supplémentaires nécessaires demandées.
En cas de décision positive du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le titulaire recevra, en même temps que la notification de cette décision, un bon unique d'une valeur de 1.800 euros à faire valoir auprès du prestataire de services agréé concerné pour l'achat des services spécialisés adaptés.
Le bon visé à l'alinéa 6 a une validité maximale de six mois. Ce délai de six mois commence :
1° à la date prévue pour le début des services spécialisés adaptés, telle qu'indiquée par le titulaire dans sa demande. Toutefois, cette date de début ne doit pas être postérieure de plus de deux mois à partir de la date de la demande.
2° à la date de la décision positive rendue par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités lorsque la date prévue pour le début des services spécialisés adaptés n'a pas été communiquée par le titulaire ou lorsque cette date prévue est déjà expirée étant donné l'application de l'alinéa 2.
Si la demande du titulaire est refusée, il en est informé par lettre recommandée. Cette notification contient les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.]1
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités examine la demande introduite par le titulaire visée au paragraphe 1er.
Toutefois, si les ressources financières du " Fonds Retour Au Travail " sont insuffisantes au moment de la demande effectuée par le titulaire visé à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, il lui est envoyé une notification l'informant de son inscription ainsi que de sa place exacte sur une liste d'attente et mentionnant que sa demande sera examinée dès que les ressources financières seront à nouveau suffisantes. Sur cette liste d'attente, les titulaires visés à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 1°, sont toujours positionnés avant les titulaires visés à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 2°. Le cas échéant, ce titulaire sera informé tous les trois mois de sa place exacte sur la liste d'attente susmentionnée. Au moment où les ressources financières sont à nouveau suffisantes, le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités demande au titulaire de confirmer son souhait de bénéficier d'une intervention du " Fonds Retour Au Travail ".
Sauf dans le cas de l'exécution d'un trajet de réintégration visant la réinsertion socioprofessionnelle visé à l'article 215novies faisant partie d'un " Trajet Retour Au Travail " visé à l'article 100, § 1er/1, de la loi coordonnée et sans préjudice des autres conditions à remplir, une intervention du " Fonds Retour Au Travail " n'est possible que si un médecin du Service des indemnités membre du Conseil médical de l'invalidité, a jugé que le service spécialisé adapté souhaité est compatible avec l'état de santé général du titulaire.
A la demande du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le titulaire doit communiquer toutes les données supplémentaires nécessaires afin qu'il puisse prendre une décision.
Le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités prend une décision ou, le cas échéant, demande la communication de données supplémentaires nécessaires dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant le jour de l'introduction de la demande. Le délai précité est à nouveau d'application à partir du jour suivant le jour de la réception des données supplémentaires nécessaires demandées.
En cas de décision positive du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités, le titulaire recevra, en même temps que la notification de cette décision, un bon unique d'une valeur de 1.800 euros à faire valoir auprès du prestataire de services agréé concerné pour l'achat des services spécialisés adaptés.
Le bon visé à l'alinéa 6 a une validité maximale de six mois. Ce délai de six mois commence :
1° à la date prévue pour le début des services spécialisés adaptés, telle qu'indiquée par le titulaire dans sa demande. Toutefois, cette date de début ne doit pas être postérieure de plus de deux mois à partir de la date de la demande.
2° à la date de la décision positive rendue par le fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités lorsque la date prévue pour le début des services spécialisés adaptés n'a pas été communiquée par le titulaire ou lorsque cette date prévue est déjà expirée étant donné l'application de l'alinéa 2.
Si la demande du titulaire est refusée, il en est informé par lettre recommandée. Cette notification contient les mentions visées à l'article 14 de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer " la charte " de l'assuré social.]1
Modifications
Art. 245vicies. [1 Opdat de erkende dienstverlener de betaling voor de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat kan ontvangen, moet hij een aanvraag bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen indienen binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de datum waarop deze verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat is beëindigd. Deze aanvraag wordt gestaafd door een overzicht van de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat mee te delen en de bon ontvangen van de gerechtigde te bezorgen. Indien deze aanvraag niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Section IV. [1 Demande par le prestataire de services agréé de recevoir le paiement pour le service spécialisé adapté fourni et délai de paiement]1
Art. 245vicies. [1 Opdat de erkende dienstverlener de betaling voor de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat kan ontvangen, moet hij een aanvraag bij de leidend ambtenaar van de Dienst voor uitkeringen indienen binnen een termijn van 45 dagen vanaf de dag volgend op de datum waarop deze verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat is beëindigd. Deze aanvraag wordt gestaafd door een overzicht van de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat mee te delen en de bon ontvangen van de gerechtigde te bezorgen. Indien deze aanvraag niet op elektronische wijze mogelijk is, gebruikt de dienstverlener een papieren formulier waarvan het model ter beschikking wordt gesteld door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Op voorwaarde dat de aanvraag van de erkende dienstverlener volledig is en dat alle voorwaarden zijn vervuld om de betaling voor de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat te ontvangen, verricht het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de erkende dienstverlener deze aanvraag heeft ingediend.]1
Op voorwaarde dat de aanvraag van de erkende dienstverlener volledig is en dat alle voorwaarden zijn vervuld om de betaling voor de verstrekte gespecialiseerde dienstverlening op maat te ontvangen, verricht het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de betaling uiterlijk de laatste dag van de tweede kalendermaand die volgt op de kalendermaand waarin de erkende dienstverlener deze aanvraag heeft ingediend.]1
Art. 245vicies. [1 Pour que le prestataire de services agréé reçoive le paiement des services spécialisés adaptés fournis, il doit introduire une demande dans un délai de 45 jours à partir du jour suivant la date à laquelle ont pris fin ces services spécialisés adaptés fournis auprès du fonctionnaire dirigeant du Service des indemnités. Cette demande est appuyée par la communication d'un résumé des services spécialisés adaptés fournis et par la fourniture du bon reçu du titulaire. Si cette demande n'est pas possible par voie électronique, le prestataire de services utilise un formulaire papier dont le modèle est mis à disposition par l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.
Pour autant que la demande du prestataire de service agréé soit complète et que toutes les conditions soient remplies pour recevoir le paiement du service spécialisé adapté fourni, l'Institut national d'assurance maladie-invalidité effectue le paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil suivant le mois civil au cours duquel le prestataire de services agréé a introduit cette demande.]1
Pour autant que la demande du prestataire de service agréé soit complète et que toutes les conditions soient remplies pour recevoir le paiement du service spécialisé adapté fourni, l'Institut national d'assurance maladie-invalidité effectue le paiement au plus tard le dernier jour du deuxième mois civil suivant le mois civil au cours duquel le prestataire de services agréé a introduit cette demande.]1
Modifications
Art. 245unvicies. [1 In afwijking van de termijn van zes maanden bedoed in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 1°, kan de gerechtigde wiens arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens overmacht bedoeld in artikel 34, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten tijdens de periode vanaf 1 april 2024 tot en met 1 juli 2024 aanspraak maken op een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de gecoördineerde wet indien de aanvraag bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 1, uiterlijk op 2 januari 2025 is ingediend.]1
Section V. [1 Disposition transitoire]1
Art. 245unvicies. [1 In afwijking van de termijn van zes maanden bedoed in artikel 245octiesdecies, eerste lid, 1°, kan de gerechtigde wiens arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens overmacht bedoeld in artikel 34, § 1, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten tijdens de periode vanaf 1 april 2024 tot en met 1 juli 2024 aanspraak maken op een tussenkomst van het "Terug Naar Werk-fonds" bedoeld in artikel 110/2 van de gecoördineerde wet indien de aanvraag bedoeld in artikel 245noniesdecies, § 1, uiterlijk op 2 januari 2025 is ingediend.]1
Art. 245unvicies. [1 Par dérogation au délai de six mois visé à l'article 245octiesdecies, alinéa 1er, 1°, le titulaire dont le contrat de travail a pris fin pour cause de force majeure visée à l'article 34, § 1er, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail pendant la période du 1er avril 2024 au 1er juillet 2024 inclus peut prétendre à une intervention du " Fonds Retour Au Travail " visé à l'article 110/2 de la loi coordonnée, si la demande visée à l'article 245noniesdecies, § 1er, est introduite au plus tard le 2 janvier 2025.]1
Modifications
TITEL IV. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Section I. - Du chômage contrôlé.
Afdeling I. - Gecontroleerde werkloosheid.
Art.246.Par chômage contrôle visé à l'article 32, alinéa 1er, 3°, de la loi coordonnée, il y a lieu d'entendre toute journée de chômage pour laquelle le travailleur a rempli ses obligations en matière de contrôle des chômeurs ou en a été dispensé régulièrement et pour laquelle en application de la réglementation en matière de chômage:
Art.246.Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt verstaan, elke werkloosheidsdag, dat de werknemer zijn verplichtingen inzake werklozencontrole heeft vervuld of daarvan regelmatig was vrijgesteld en waarover in uitvoering van de reglementering inzake werkloosheid:
Section II. - De l'assurance continuée.
Art. 246. Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt verstaan, elke werkloosheidsdag, dat de werknemer zijn verplichtingen inzake werklozencontrole heeft vervuld of daarvan regelmatig was vrijgesteld en waarover in uitvoering van de reglementering inzake werkloosheid:
1° een werkloosheidsuitkering werd uitbetaald [5 , met uitzondering van de uitkering "interregionale mobiliteit" en de uitkering "knelpuntberoep" toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2022 tot instelling van een aanvullende uitkering voor langdurig werklozen die het werk hervatten in een ander gewest of in een knelpuntberoep]5;
2° (Het recht op een werkloosheiduitkering voor een beperkte duur werd ontzegd wegens een administratieve sanctie, opgelegd met toepassing van de artikelen 70 of 153 tot 156 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; in geval van toepassing van voormeld artikel 70 is de duur beperkt tot een tijdvak van drie maanden;) <KB 2006-02-13/45, art. 1, 127; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
3° het recht op werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd geweigerd of ontzegd met toepassing van de artikelen 52 tot 54 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werknemer werkloos is of wordt wegens omstandigheden die afhankelijk zijn van zijn wil;
4° [2 het recht op een werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd ontzegd met toepassing van artikel 56, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werkloze voor zijn wedertewerkstelling voorwaarden stelt die niet gerechtvaardigd zijn, of met toepassing van artikel 59quater/3 of artikel 59quinquies van hetzelfde besluit, omdat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren in de arbeidsmarkt; in geval van toepassing van voornoemd artikel 59quater/3 is de duur beperkt tot een tijdvak van zes maanden;]2
5° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer zich niet als werkzoekende had laten inschrijven, terwijl hij daarvan niet regelmatig was vrijgesteld;
6° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd:
a) met toepassing van artikel 55, 1°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;
b) met toepassing van [1 artikel 104, § 1bis of]1 artikel 131bis, van hetzelfde besluit, wegens deeltijdse arbeid;
7° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer de aanvraag om uitkeringen of het administratief dossier buiten de reglementaire termijnen heeft ingediend;
8° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer op zondag, een wettelijke feestdag of een gewone dag inactiviteit gearbeid heeft;
9° het recht op werkloosheidsuitkering aan de huisarbeider met toepassing van artikel 75 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 werd ontzegd, behoudens het geval, bepaald in het tweede lid, 1°, van genoemd artikel 75;
10° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent of die met een zelfstandige samenwoont, nagelaten heeft hiervan aangifte te doen, zoals bepaald in artikel 48, respectievelijk artikel 50 van het koninklijk besluit van 25 november 1991;
11° de gerechtigde vrijwillig heeft verzaakt aan het op werkloosheidsuitkeringen onder de voorwaarden van artikel 42, § 2, 9°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;
[3 12° het recht op een werkloosheidsuitkering werd ontzegd, met toepassing van artikel 48bis, § 2, zesde tot twaalfde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991 [4 , zoals ze van kracht waren op 30 september 2022, of met toepassing van artikel 188, § 2, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991]4.]3
Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende welke de in artikel 32, eerste lid, 1°, van die gecoördineerde wet bedoelde werknemer (een onderbrekingsuitkering geniet in geval van volledige beroepsloopbaanonderbreking) waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 281, § 3; voor de werknemer die voor de onderbreking van zijn beroepsloopbaan niet beschouwd werd als een in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde uitkeringsgerechtigde, blijft de werkingssfeer van deze bepaling evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging. Die gelijkstelling wordt bovendien niet in aanmerking genomen voor het verlengen van de nabevallingsrust met toepassing van artikel 114, tweede lid, van de gecoördineerde wet. <KB 2001-06-10/60, art. 43, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Onder gecontroleerde werkloosheid bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3 °, van de gecoördineerde wet, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende dewelke de in artikel 32, eerste lid, 1° van die gecoördineerde wet bedoelde werknemer, zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken in toepassing van artikel 14, 1°, van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medisch dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, artikel 16, 1°, van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst en artikel 10, 1°, van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilligers van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst en een onderbrekingstoelage geniet waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 281, § 4; de werkingssfeer van deze bepaling blijft evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging.) <KB 1998-04-16/49, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 20-08-1997>
Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan de periode gedurende welke de zelfstandige die zijn activiteit definitief heeft stopgezet, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen, in toepassing van artikel 44 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 en van artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1983 tot instelling van een tegemoetkoming in de achtergestelde leningen toegekend door het Participatiefonds dat bij de Nationale Kas voor Beroepskrediet is opgericht, aan de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen die zich als zelfstandige wensen te vestigen of een onderneming wensen op te richten.
Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan het tijdvak tijdens hetwelk het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten wordt verleend aan de gerechtigde overeenkomstig het bepaalde in artikel 29, § 2, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991.
(Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan de dagen overeenstemmend met het aantal opvanguitkeringen, waarop de onthaalouder voor een betrokken maand aanspraak heeft, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 maart 2003 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders.) <KB 2004-04-25/61, art. 3, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
1° een werkloosheidsuitkering werd uitbetaald [5 , met uitzondering van de uitkering "interregionale mobiliteit" en de uitkering "knelpuntberoep" toegekend krachtens het koninklijk besluit van 24 juni 2022 tot instelling van een aanvullende uitkering voor langdurig werklozen die het werk hervatten in een ander gewest of in een knelpuntberoep]5;
2° (Het recht op een werkloosheiduitkering voor een beperkte duur werd ontzegd wegens een administratieve sanctie, opgelegd met toepassing van de artikelen 70 of 153 tot 156 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering; in geval van toepassing van voormeld artikel 70 is de duur beperkt tot een tijdvak van drie maanden;) <KB 2006-02-13/45, art. 1, 127; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
3° het recht op werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd geweigerd of ontzegd met toepassing van de artikelen 52 tot 54 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werknemer werkloos is of wordt wegens omstandigheden die afhankelijk zijn van zijn wil;
4° [2 het recht op een werkloosheidsuitkering voor een beperkte duur werd ontzegd met toepassing van artikel 56, § 2, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991, omdat de werkloze voor zijn wedertewerkstelling voorwaarden stelt die niet gerechtvaardigd zijn, of met toepassing van artikel 59quater/3 of artikel 59quinquies van hetzelfde besluit, omdat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren in de arbeidsmarkt; in geval van toepassing van voornoemd artikel 59quater/3 is de duur beperkt tot een tijdvak van zes maanden;]2
5° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer zich niet als werkzoekende had laten inschrijven, terwijl hij daarvan niet regelmatig was vrijgesteld;
6° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd:
a) met toepassing van artikel 55, 1°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;
b) met toepassing van [1 artikel 104, § 1bis of]1 artikel 131bis, van hetzelfde besluit, wegens deeltijdse arbeid;
7° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer de aanvraag om uitkeringen of het administratief dossier buiten de reglementaire termijnen heeft ingediend;
8° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werknemer op zondag, een wettelijke feestdag of een gewone dag inactiviteit gearbeid heeft;
9° het recht op werkloosheidsuitkering aan de huisarbeider met toepassing van artikel 75 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 werd ontzegd, behoudens het geval, bepaald in het tweede lid, 1°, van genoemd artikel 75;
10° het recht op werkloosheidsuitkering werd ontzegd, omdat de werkloze die op bijkomstige wijze een activiteit uitoefent of die met een zelfstandige samenwoont, nagelaten heeft hiervan aangifte te doen, zoals bepaald in artikel 48, respectievelijk artikel 50 van het koninklijk besluit van 25 november 1991;
11° de gerechtigde vrijwillig heeft verzaakt aan het op werkloosheidsuitkeringen onder de voorwaarden van artikel 42, § 2, 9°, van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991;
[3 12° het recht op een werkloosheidsuitkering werd ontzegd, met toepassing van artikel 48bis, § 2, zesde tot twaalfde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991 [4 , zoals ze van kracht waren op 30 september 2022, of met toepassing van artikel 188, § 2, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991]4.]3
Onder gecontroleerde werkloosheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende welke de in artikel 32, eerste lid, 1°, van die gecoördineerde wet bedoelde werknemer (een onderbrekingsuitkering geniet in geval van volledige beroepsloopbaanonderbreking) waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 281, § 3; voor de werknemer die voor de onderbreking van zijn beroepsloopbaan niet beschouwd werd als een in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde uitkeringsgerechtigde, blijft de werkingssfeer van deze bepaling evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging. Die gelijkstelling wordt bovendien niet in aanmerking genomen voor het verlengen van de nabevallingsrust met toepassing van artikel 114, tweede lid, van de gecoördineerde wet. <KB 2001-06-10/60, art. 43, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(Onder gecontroleerde werkloosheid bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3 °, van de gecoördineerde wet, wordt eveneens verstaan, de periode gedurende dewelke de in artikel 32, eerste lid, 1° van die gecoördineerde wet bedoelde werknemer, zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken in toepassing van artikel 14, 1°, van de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de lucht-, de zeemacht en de medisch dienst en der reserveofficieren van alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, artikel 16, 1°, van de wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst en artikel 10, 1°, van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilligers van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst en een onderbrekingstoelage geniet waarvoor hem een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering wordt uitgereikt als bedoeld in artikel 281, § 4; de werkingssfeer van deze bepaling blijft evenwel beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging.) <KB 1998-04-16/49, art. 1, 020; Inwerkingtreding : 20-08-1997>
Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan de periode gedurende welke de zelfstandige die zijn activiteit definitief heeft stopgezet, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen, in toepassing van artikel 44 van voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991 en van artikel 4 van het koninklijk besluit van 22 augustus 1983 tot instelling van een tegemoetkoming in de achtergestelde leningen toegekend door het Participatiefonds dat bij de Nationale Kas voor Beroepskrediet is opgericht, aan de uitkeringsgerechtigde volledig werklozen die zich als zelfstandige wensen te vestigen of een onderneming wensen op te richten.
Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan het tijdvak tijdens hetwelk het statuut van deeltijds werknemer met behoud van rechten wordt verleend aan de gerechtigde overeenkomstig het bepaalde in artikel 29, § 2, van het voornoemd koninklijk besluit van 25 november 1991.
(Onder gecontroleerde werkloosheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wet wordt eveneens verstaan de dagen overeenstemmend met het aantal opvanguitkeringen, waarop de onthaalouder voor een betrokken maand aanspraak heeft, overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 26 maart 2003 tot uitvoering van artikel 7, § 1, derde lid, q, van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, betreffende de onthaalouders.) <KB 2004-04-25/61, art. 3, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
Modifications
Art.247. § 1er. Est considéré comme se trouvant dans une situation sociale digne d'intérêt au sens de l'article 32, alinéa 1er, 6°, de la loi coordonnée, et peut, s'il a satisfait aux conditions prévues à l'article 121 ou à l'article 128 de la loi coordonnée, obtenir le bénéfice de l'assurance continuée pendant les périodes fixées ci-après:
(1° le titulaire en état de chômage, auquel le bénéfice des allocations de chômage est refusé en application des articles suivants de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage :
a) les articles 30 à 34, 37, 38 [3 , 85, 182 et 195, § 2, alinéa 2]3, du fait qu'il ne remplit pas les conditions d'admissibilité requises;
b) [3 les articles 44 et 188, § 1er]3, du fait qu'il n'est pas privé de travail et de rémunération;
c) les articles 52, § 3, 52bis, § 2, 56, § 1er, alinéa 1er et 155, alinéa 2;
d) (l'article 81, du fait que la durée de son chômage dépasse la limité fixée en vertu de cette disposition, ou l'article 59sexies, du fait que le chômeur n'a pas fourni d'efforts suffisants pour s'insérer dans le marché du travail;) <AR 2006-02-13/45, art. 2, 127; En vigueur : 01-07-2004>
e) l'article 71, du fait qu'il ne remplit pas les obligations en matière de contrôle.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieur à un mois et qui ne peut dépasser douze mois; dans les cas visés aux points b) et e), l'assurance continuée ne peut être accordée lorsque l'activité exercée est de nature frauduleuse, eu égard aux obligations imposées par la législation sociale;) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
(2° le titulaire en état de chômage, qui remplit les conditions pour bénéficie des allocations de chômage, mais qui renonce volontairement à celles-ci, sans remplir cependant les conditions visées à l'article 246, alinéa 1er, 11°.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieure à un mois et qui ne peut dépasser trois mois;) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
3° (...) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
4° [1 le titulaire qui après l'expiration de la période de six mois, visée à l'article 215septies, n'est plus incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et qui exerce une profession par laquelle il est assujetti au statut social des indépendants ou qui exerce une profession non assujettie à l'une des législations en matière de sécurité sociale.
L'assurance continuée peut être admise pour une période maximum de deux ans à compter de l'expiration du délai de six mois, visé à l'alinéa précédent; cette période peut être renouvelée;]1
5° (le titulaire en congé sans solde.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser trois mois par année civile;) <AR 2003-02-19/39, art. 2, 086; En vigueur : 01-01-2003>
6° La femme titulaire, qui allaite son enfant.
L'assurance continuée est admise pour une période maximum de cinq mois prenant cours le jour de l'accouchement;
7° (le titulaire qui se trouve dans une période de détention préventive ou de privation de liberté. Toutefois, si, à la date de début de la période de détention préventive ou de privation de liberté, il se trouve en état d'incapacité de travail, au sens de l'article 100 de la loi coordonnée, la période d'assurance continuée ne prend cours qu'à la date à laquelle cet état d'incapacité de travail prend fin.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser la période de détention préventive ou de privation de liberté.) <AR 2003-03-12/42, art. 28, 090; En vigueur : 01-01-2003>
8° Le titulaire qui cesse, temporairement ou définitivement, de travailler au cours d'une période de cinq ans se terminant à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge visé à l'article 108, 1°, de la loi coordonnée.
L'assurance continuée est admise pour une durée expirant à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge fixé audit article lorsqu'il s'agit d'une cessation définitive et pour la durée indiquée par le titulaire lors de sa demande d'entrée en assurance continuée lorsqu'il s'agit d'une cessation temporaire;
9° l'homme ou la femme titulaire qui renonce au travail pour permettre à son conjoint titulaire de bénéficier du montant maximum de sa pension de vieillesse.
L'assurance continuée est admise pour une durée expirant à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge de 65 ou de 60 ans selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme;
10° Le titulaire qui, après sa période normale de service militaire, est maintenu ou rappelé sous les drapeaux par une mesure disciplinaire.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieure ni supérieure à celle du maintien ou du rappel sous les drapeaux;
11° Le titulaire exerçant temporairement à l'étranger la même profession que celle qu'il exerçait en Belgique, lorsqu'il n'est pas assujettissable à la législation en matière de sécurité sociale de son nouveau lieu de travail.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de l'occupation à l'étranger;
12° (le titulaire en chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out et qui, à défaut d'une autorisation du Comité de gestion de l'Office national de l'Emploi, ne peut être admis au bénéfice des allocations de chômage.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de la grève ou du lock-out;) <AR 2003-02-19/39, art. 2, 086; En vigueur : 01-01-2003>
13° Le titulaire qui, dans un cas de force majeure, est absent du travail.
Le Service du contrôle administratif se prononce, à la demande de l'organisme assureur, sur les cas de force majeure que celui-ci reconnaît.
L'assurance continué est admise pour la durée déterminée par ce service;
14° Le titulaire qui, en vertu de l'arrêté royal du 11 mars 1954, portant statut du Corps de protection civile, suit les cours de l'école de protection civile.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de la session à laquelle participe le titulaire;
15° Le titulaire bénéficiant d'une pension à charge des pouvoirs publics, ou d'une pension dont le paiement est garanti par l'Etat belge, qui cesse de travailler temporairement à la suite d'une incapacité de travail reconnue au sens de l'article 100 de la loi coordonnée et pour laquelle les prestations en espèces sont refusées en vertu de l'article 108, 3° de la loi coordonnée.
L'assurance continuée est admise pour la durée de l'incapacité de travail;
16° Le titulaire qui, ne se livrant à aucun travail lucratif quelconque, suit régulièrement des cours d'enseignement moyen, supérieur, professionnel ou technique à condition que ces cours soient donnés pendant le jour, abstraction faite des vacances, dimanches et jours féries.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle des cours suivis par le titulaire;
17° Le ou la titulaire qui suit les cours d'une école reconnue pour aides familiaux ou familiales. L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle des cours suivis par le ou la titulaire;
18° Le titulaire qui ayant atteint l'âge légal de la mise à la pension continue à travailler ou qui reprend le travail passé cet âge, lorsqu'il cesse temporairement de travailler et ne sollicite pas le bénéfice de la pension.
L'assurance continuée est admise pour une durée indiqué par le titulaire lors de sa demande; elle cesse néanmoins dès le moment où la pension prend cours;
19° Le titulaire qui est mis à la pension prématurée pour incapacité physique lorsqu'il ne réunit pas les conditions prévues à l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée, en ce qu'il vise le taux de l'incapacité de travail, pendant une période qui ne peut dépasser l'âge légal de la mise à la pension en vertu de la législation relative aux pensions de retraite et de survie des ouvriers et des employés.
L'assurance continuée est admise à partir du jour où le titulaire n'atteint plus 66 p.c. d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée;
20° Le titulaire dont l'assujettissement pour le régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités est limité au seul secteur des soins de santé et qui:
a) est dispensé de fournir des prestations, soit pour des motifs de convenance personnelle, soit à la suite d'une mesure disciplinaire.
L'assurance continuée est admise pour une durée égale à celle de la période durant laquelle le titulaire est dispensé de fournir des prestations.
b) remplit ses fonctions à l'étranger et y a sa résidence administrative.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période pendant laquelle le titulaire remplit ses fonctions à l'étranger et y a sa résidence administrative;
c) est reconnu définitivement inapte au travail par [2 l'Administration de l'expertise médicale]2 pour autant qu'il ne soit pas incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, et qui ne compte pas le minimum requis d'années de service pour bénéficier d'une pension prématurée.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période qui expire à l'âge de la mise à la retraite en vertu du statut administratif et pécuniaire qui lui est applicable;
21° Le titulaire qui cesse d'être occupé dans les liens d'un contrat de travail domestique comportant principalement des travaux ménagers d'ordre manuel pour les besoins du ménage de l'employeur ou de sa famille.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser trois mois par année civile;
22° Le titulaire, ouvrier mineur licencié pour fermeture de charbonnage, qui bénéficie de l'allocation d'attente aux travailleurs âgés de l'industrie charbonnière, en application de l'article 56, § 2 du Traité de Paris, instituant la Communauté européenne du Charbon et de l'Acier.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période pendant laquelle l'indemnité d'attente est allouée.
§ 2. La période d'assurance continuée expire soit à la fin de la période pour laquelle elle a été admise, soit à la date à laquelle prend fin la situation qui l'a fait admettre, soit dans les seuls cas visés au § 1er, 2° et 4°, dès que le titulaire se trouve en état d'incapacité de travail au sens de l'article 100 de la loi coordonnée.
(1° le titulaire en état de chômage, auquel le bénéfice des allocations de chômage est refusé en application des articles suivants de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage :
a) les articles 30 à 34, 37, 38 [3 , 85, 182 et 195, § 2, alinéa 2]3, du fait qu'il ne remplit pas les conditions d'admissibilité requises;
b) [3 les articles 44 et 188, § 1er]3, du fait qu'il n'est pas privé de travail et de rémunération;
c) les articles 52, § 3, 52bis, § 2, 56, § 1er, alinéa 1er et 155, alinéa 2;
d) (l'article 81, du fait que la durée de son chômage dépasse la limité fixée en vertu de cette disposition, ou l'article 59sexies, du fait que le chômeur n'a pas fourni d'efforts suffisants pour s'insérer dans le marché du travail;) <AR 2006-02-13/45, art. 2, 127; En vigueur : 01-07-2004>
e) l'article 71, du fait qu'il ne remplit pas les obligations en matière de contrôle.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieur à un mois et qui ne peut dépasser douze mois; dans les cas visés aux points b) et e), l'assurance continuée ne peut être accordée lorsque l'activité exercée est de nature frauduleuse, eu égard aux obligations imposées par la législation sociale;) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
(2° le titulaire en état de chômage, qui remplit les conditions pour bénéficie des allocations de chômage, mais qui renonce volontairement à celles-ci, sans remplir cependant les conditions visées à l'article 246, alinéa 1er, 11°.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieure à un mois et qui ne peut dépasser trois mois;) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
3° (...) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
4° [1 le titulaire qui après l'expiration de la période de six mois, visée à l'article 215septies, n'est plus incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et qui exerce une profession par laquelle il est assujetti au statut social des indépendants ou qui exerce une profession non assujettie à l'une des législations en matière de sécurité sociale.
L'assurance continuée peut être admise pour une période maximum de deux ans à compter de l'expiration du délai de six mois, visé à l'alinéa précédent; cette période peut être renouvelée;]1
5° (le titulaire en congé sans solde.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser trois mois par année civile;) <AR 2003-02-19/39, art. 2, 086; En vigueur : 01-01-2003>
6° La femme titulaire, qui allaite son enfant.
L'assurance continuée est admise pour une période maximum de cinq mois prenant cours le jour de l'accouchement;
7° (le titulaire qui se trouve dans une période de détention préventive ou de privation de liberté. Toutefois, si, à la date de début de la période de détention préventive ou de privation de liberté, il se trouve en état d'incapacité de travail, au sens de l'article 100 de la loi coordonnée, la période d'assurance continuée ne prend cours qu'à la date à laquelle cet état d'incapacité de travail prend fin.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser la période de détention préventive ou de privation de liberté.) <AR 2003-03-12/42, art. 28, 090; En vigueur : 01-01-2003>
8° Le titulaire qui cesse, temporairement ou définitivement, de travailler au cours d'une période de cinq ans se terminant à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge visé à l'article 108, 1°, de la loi coordonnée.
L'assurance continuée est admise pour une durée expirant à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge fixé audit article lorsqu'il s'agit d'une cessation définitive et pour la durée indiquée par le titulaire lors de sa demande d'entrée en assurance continuée lorsqu'il s'agit d'une cessation temporaire;
9° l'homme ou la femme titulaire qui renonce au travail pour permettre à son conjoint titulaire de bénéficier du montant maximum de sa pension de vieillesse.
L'assurance continuée est admise pour une durée expirant à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge de 65 ou de 60 ans selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme;
10° Le titulaire qui, après sa période normale de service militaire, est maintenu ou rappelé sous les drapeaux par une mesure disciplinaire.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieure ni supérieure à celle du maintien ou du rappel sous les drapeaux;
11° Le titulaire exerçant temporairement à l'étranger la même profession que celle qu'il exerçait en Belgique, lorsqu'il n'est pas assujettissable à la législation en matière de sécurité sociale de son nouveau lieu de travail.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de l'occupation à l'étranger;
12° (le titulaire en chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out et qui, à défaut d'une autorisation du Comité de gestion de l'Office national de l'Emploi, ne peut être admis au bénéfice des allocations de chômage.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de la grève ou du lock-out;) <AR 2003-02-19/39, art. 2, 086; En vigueur : 01-01-2003>
13° Le titulaire qui, dans un cas de force majeure, est absent du travail.
Le Service du contrôle administratif se prononce, à la demande de l'organisme assureur, sur les cas de force majeure que celui-ci reconnaît.
L'assurance continué est admise pour la durée déterminée par ce service;
14° Le titulaire qui, en vertu de l'arrêté royal du 11 mars 1954, portant statut du Corps de protection civile, suit les cours de l'école de protection civile.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de la session à laquelle participe le titulaire;
15° Le titulaire bénéficiant d'une pension à charge des pouvoirs publics, ou d'une pension dont le paiement est garanti par l'Etat belge, qui cesse de travailler temporairement à la suite d'une incapacité de travail reconnue au sens de l'article 100 de la loi coordonnée et pour laquelle les prestations en espèces sont refusées en vertu de l'article 108, 3° de la loi coordonnée.
L'assurance continuée est admise pour la durée de l'incapacité de travail;
16° Le titulaire qui, ne se livrant à aucun travail lucratif quelconque, suit régulièrement des cours d'enseignement moyen, supérieur, professionnel ou technique à condition que ces cours soient donnés pendant le jour, abstraction faite des vacances, dimanches et jours féries.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle des cours suivis par le titulaire;
17° Le ou la titulaire qui suit les cours d'une école reconnue pour aides familiaux ou familiales. L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle des cours suivis par le ou la titulaire;
18° Le titulaire qui ayant atteint l'âge légal de la mise à la pension continue à travailler ou qui reprend le travail passé cet âge, lorsqu'il cesse temporairement de travailler et ne sollicite pas le bénéfice de la pension.
L'assurance continuée est admise pour une durée indiqué par le titulaire lors de sa demande; elle cesse néanmoins dès le moment où la pension prend cours;
19° Le titulaire qui est mis à la pension prématurée pour incapacité physique lorsqu'il ne réunit pas les conditions prévues à l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée, en ce qu'il vise le taux de l'incapacité de travail, pendant une période qui ne peut dépasser l'âge légal de la mise à la pension en vertu de la législation relative aux pensions de retraite et de survie des ouvriers et des employés.
L'assurance continuée est admise à partir du jour où le titulaire n'atteint plus 66 p.c. d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée;
20° Le titulaire dont l'assujettissement pour le régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités est limité au seul secteur des soins de santé et qui:
a) est dispensé de fournir des prestations, soit pour des motifs de convenance personnelle, soit à la suite d'une mesure disciplinaire.
L'assurance continuée est admise pour une durée égale à celle de la période durant laquelle le titulaire est dispensé de fournir des prestations.
b) remplit ses fonctions à l'étranger et y a sa résidence administrative.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période pendant laquelle le titulaire remplit ses fonctions à l'étranger et y a sa résidence administrative;
c) est reconnu définitivement inapte au travail par [2 l'Administration de l'expertise médicale]2 pour autant qu'il ne soit pas incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, et qui ne compte pas le minimum requis d'années de service pour bénéficier d'une pension prématurée.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période qui expire à l'âge de la mise à la retraite en vertu du statut administratif et pécuniaire qui lui est applicable;
21° Le titulaire qui cesse d'être occupé dans les liens d'un contrat de travail domestique comportant principalement des travaux ménagers d'ordre manuel pour les besoins du ménage de l'employeur ou de sa famille.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser trois mois par année civile;
22° Le titulaire, ouvrier mineur licencié pour fermeture de charbonnage, qui bénéficie de l'allocation d'attente aux travailleurs âgés de l'industrie charbonnière, en application de l'article 56, § 2 du Traité de Paris, instituant la Communauté européenne du Charbon et de l'Acier.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période pendant laquelle l'indemnité d'attente est allouée.
§ 2. La période d'assurance continuée expire soit à la fin de la période pour laquelle elle a été admise, soit à la date à laquelle prend fin la situation qui l'a fait admettre, soit dans les seuls cas visés au § 1er, 2° et 4°, dès que le titulaire se trouve en état d'incapacité de travail au sens de l'article 100 de la loi coordonnée.
Art.247.§ 1. Wordt beschouwd in een behartigenswaardige maatschappelijke toestand te verkeren als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet en kan, indien hij aan de in artikel 121 of artikel 128 van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden heeft voldaan, in voortgezette verzekering treden tijdens de hierna vastgestelde tijdvakken:
Art.248.Pour être admis en assurance continuée, le titulaire doit en faire la demande à son organisme assureur en lui remettre les pièces justificatives suivantes:
Art. 247. § 1. Wordt beschouwd in een behartigenswaardige maatschappelijke toestand te verkeren als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet en kan, indien hij aan de in artikel 121 of artikel 128 van de gecoördineerde wet gestelde voorwaarden heeft voldaan, in voortgezette verzekering treden tijdens de hierna vastgestelde tijdvakken:
(1° de werkloze gerechtigde wie werkloosheidsuitkeringen ontzegd zijn met toepassing van de volgende artikelen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering :
a) de artikelen 30 tot 34, 37, 38 [3 , 85, 182 en 195, § 2, tweede lid]3, omdat hij de gestelde toelaatbaarheidsvoorwaarden niet vervult;
b) [3 de artikelen 44 en 188, § 1]3, omdat hij niet zonder arbeid en zonder loon is;
c) de artikelen 52, § 3, 52bis, § 2, 56, § 1, eerste lid, en 155, tweede lid;
d) (artikel 81, omdat de duur van zijn werkloosheid het in deze bepaling gestelde maximum overschrijdt, of artikel 59sexies, omdat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren in de arbeidsmarkt;) <KB 2006-02-13/45, art. 2, 127; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
e) artikel 71, omdat hij de verplichtingen inzake controle niet vervult.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan twaalf maanden; in de gevallen bedoeld onder punten b) en e) kan de voortgezette verzekering niet toegestaan worden, wanneer de uitgeoefende activiteit van bedrieglijke aard is, gelet op de verplichtingen opgelegd door de sociale wetgeving;) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
(2° de werkloze gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op werkloosheidsuitkeringen, doch daarvan vrijwillig afziet, zonder dat hij evenwel de voorwaarden vervult, bepaald in artikel 246, eerste lid, 11°
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welk niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan drie maanden;) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
3° (...) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
4° [1 de gerechtigde die na afloop van de termijn van zes maanden, als bedoeld in artikel 215septies, niet langer arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet en die een beroep uitoefent waardoor hij onderworpen wordt aan het sociaal statuut der zelfstandigen of die een beroep uitoefent waarop geen verzekeringsplicht staat krachtens één der wetgevingen inzake sociale zekerheid.
De voortgezette verzekering kan worden toegestaan voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van zes maanden, als bedoeld in het vorige lid; dit tijdvak kan worden hernieuwd;]1
5° (de gerechtigde in verlof zonder wedde.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan drie maanden per kalenderjaar;) <KB 2003-02-19/39, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
6° de gerechtigde die haar kind zoogt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een tijdvak van maximaal vijf maand vanaf de dag van de bevalling;
7° (de gerechtigde die verkeert in een periode van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving. Indien hij echter bij de aanvang van de periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet gaat het tijdvak van voortgezette verzekering pas in de dag dat die staat van arbeidsongeschiktheid afloopt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan de periode van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving.) <KB 2003-03-12/42, art. 28, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
8° de gerechtigde die tijdelijk of definitief niet meer arbeidt in de loop van een periode van vijf jaar welke afloopt op het einde van de maand waarin hij de in artikel 108, 1°, van de gecoördineerde wet bedoelde leeftijd bereikt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde de in genoemd artikel vastgestelde leeftijd bereikt wanneer het gaat om een definitieve stopzetting en voor de duur aangegeven door de gerechtigde bij zijn aanvraag om in voortgezette verzekering te treden, wanneer het gaat om een tijdelijke stopzetting;
9° de gerechtigde man of vrouw die de arbeid verzaakt opdat zijn gerechtigde echtgenote of haar gerechtigde - echtgenoot het maximale bedrag van haar of zijn ouderdomspensioen zou kunnen genieten.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde 65 of 60 jaar wordt naargelang het een man of een vrouw betreft;
10° de gerechtigde die na zijn normale legerdienst bij tuchtmaatregel onder de wapens gehouden of teruggeroepen wordt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet korter noch langer mag zijn dan die van het behoud of van de terugroeping onder de wapens;
11° de gerechtigde die in het buitenland tijdelijk hetzelfde beroep uitoefent als hetgeen hij in België uitoefende, wanneer hij niet verzekeringsplichtig is krachtens de wetgeving inzake de sociale zekerheid van zijn nieuwe arbeidsplaats.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de tewerkstelling in het buitenland;
12° (de gerechtigde in tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out en die bij ontstentenis van een toelating van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de staking of het lock-out;) <KB 2003-02-19/39, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
13° de gerechtigde die wegens een geval van overmacht de arbeid verzuimt.
De Dienst voor administratieve controle doet op verzoek van de verzekeringsinstelling uitspraak over de gevallen van overmacht die zij erkent.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur welke door die Dienst wordt vastgesteld;
14° de gerechtigde die krachtens het koninklijk besluit van 11 maart 1954, houdende statuut van het Korps voor burgerlijke bescherming, de cursussen volgt van de School voor burgerlijke bescherming.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan deze van de zittijd waaraan de gerechtigde deelneemt;
15° de gerechtigde die een pensioen geniet ten laste van een openbaar bestuur of een pensioen waarvan de betaling door de Belgische Staat is gewaarborgd en die tijdelijk niet meer arbeidt ingevolge een erkende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet waarover uitkeringen worden ontzegd krachtens artikel 108, 3°, van de gecoördineerde wet.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van de arbeidsongeschiktheid;
16° de gerechtigde die generlei arbeid ter verkrijging van inkomen verricht en regelmatig leergangen van het hoger middelbaar vak- of technisch onderwijs volgt, op voorwaarde dat die leergangen gegeven worden gedurende de dag, de vakantie, de zondagen en de feestdagen daargelaten.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;
17° de gerechtigde die de leergangen van een erkende school voor gezinshelp(st)ers volgt. De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;
18° de gerechtigde die, nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voort arbeidt of die na die leeftijd de arbeid hervat, wanneer hij de arbeid tijdelijk onderbreekt en geen pensioen aanvraagt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke door de gerechtigde bij zijn aanvraag wordt opgeheven; zij eindigt evenwel zodra het pensioen ingaat;
19° de gerechtigde die wegens lichamelijke ongeschiktheid voortijdig gepensioneerd is, wanneer hij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet, waar het de arbeidsongeschiktheidsgraad beoogt, gedurende een tijdvak dat niet verder mag gaan dan de pensioengerechtigde leeftijd, krachtens de wetgeving inzake de rust- en overlevingspensioenen van de arbeiders en de bedienden.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan vanaf de dag waarop de gerechtigde niet langer dan 66 pct. arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet;
20° de gerechtigde waarvan de onderwerping voor het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, beperkt is tot de geneeskundige verzorging en die:
a) geen arbeidsplaats moet verrichten, hetzij op grond van persoonlijke aangelegenheden, hetzij ingevolge tuchtmaatregelen.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke gelijk is aan die van het tijdvak waarin de gerechtigde geen arbeidsprestaties moet verrichten;
b) zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak waarin de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft;
c) door [2 het Bestuur van de medische expertise]2 definitief arbeidsongeschikt wordt geacht voor zover hij niet werkongeschikt is in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, en niet het vereist aantal jaren dienst om een vervroegd pensioen te genieten.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak dat afloopt op de pensioengerechtigde leeftijd krachtens het administratief en geldelijk statuut dat op hem toepasselijk is;
21° de gerechtigde die ophoudt tewerkgesteld te zijn volgens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden hoofdzakelijk bestaande uit huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoefde van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
22° de gerechtigde die als mijnwerker wegens sluiting van een kolenmijn is ontslagen en die de wachtvergoeding voor bejaarde werknemers uit de kolenindustrie geniet in toepassing van artikel 56, § 2 van het Verdrag van Parijs tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak tijdens hetwelk de wachtvergoeding wordt toegekend.
§ 2. Het tijdvak van voortgezette verzekering loopt af hetzij op het einde van de periode waarover het is toegestaan, hetzij op de datum waarop de toestand een einde neemt op grond waarvan het is toegestaan, hetzij, alleen in de onder § 1, 2° en 4°, bedoelde gevallen, zodra de gerechtigde in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet.
(1° de werkloze gerechtigde wie werkloosheidsuitkeringen ontzegd zijn met toepassing van de volgende artikelen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering :
a) de artikelen 30 tot 34, 37, 38 [3 , 85, 182 en 195, § 2, tweede lid]3, omdat hij de gestelde toelaatbaarheidsvoorwaarden niet vervult;
b) [3 de artikelen 44 en 188, § 1]3, omdat hij niet zonder arbeid en zonder loon is;
c) de artikelen 52, § 3, 52bis, § 2, 56, § 1, eerste lid, en 155, tweede lid;
d) (artikel 81, omdat de duur van zijn werkloosheid het in deze bepaling gestelde maximum overschrijdt, of artikel 59sexies, omdat de werkloze geen voldoende inspanningen heeft geleverd om zich te integreren in de arbeidsmarkt;) <KB 2006-02-13/45, art. 2, 127; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
e) artikel 71, omdat hij de verplichtingen inzake controle niet vervult.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan twaalf maanden; in de gevallen bedoeld onder punten b) en e) kan de voortgezette verzekering niet toegestaan worden, wanneer de uitgeoefende activiteit van bedrieglijke aard is, gelet op de verplichtingen opgelegd door de sociale wetgeving;) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
(2° de werkloze gerechtigde die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op werkloosheidsuitkeringen, doch daarvan vrijwillig afziet, zonder dat hij evenwel de voorwaarden vervult, bepaald in artikel 246, eerste lid, 11°
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welk niet korter mag zijn dan één maand en niet langer dan drie maanden;) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
3° (...) <KB 2001-07-10/34, art. 1, 066; Inwerkingtreding : 10-08-2001>
4° [1 de gerechtigde die na afloop van de termijn van zes maanden, als bedoeld in artikel 215septies, niet langer arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet en die een beroep uitoefent waardoor hij onderworpen wordt aan het sociaal statuut der zelfstandigen of die een beroep uitoefent waarop geen verzekeringsplicht staat krachtens één der wetgevingen inzake sociale zekerheid.
De voortgezette verzekering kan worden toegestaan voor een periode van twee jaar, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van zes maanden, als bedoeld in het vorige lid; dit tijdvak kan worden hernieuwd;]1
5° (de gerechtigde in verlof zonder wedde.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan drie maanden per kalenderjaar;) <KB 2003-02-19/39, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
6° de gerechtigde die haar kind zoogt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een tijdvak van maximaal vijf maand vanaf de dag van de bevalling;
7° (de gerechtigde die verkeert in een periode van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving. Indien hij echter bij de aanvang van de periode van voorlopige hechtenis of van vrijheidsberoving in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet gaat het tijdvak van voortgezette verzekering pas in de dag dat die staat van arbeidsongeschiktheid afloopt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan de periode van voorlopige hechtenis of vrijheidsberoving.) <KB 2003-03-12/42, art. 28, 090; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
8° de gerechtigde die tijdelijk of definitief niet meer arbeidt in de loop van een periode van vijf jaar welke afloopt op het einde van de maand waarin hij de in artikel 108, 1°, van de gecoördineerde wet bedoelde leeftijd bereikt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde de in genoemd artikel vastgestelde leeftijd bereikt wanneer het gaat om een definitieve stopzetting en voor de duur aangegeven door de gerechtigde bij zijn aanvraag om in voortgezette verzekering te treden, wanneer het gaat om een tijdelijke stopzetting;
9° de gerechtigde man of vrouw die de arbeid verzaakt opdat zijn gerechtigde echtgenote of haar gerechtigde - echtgenoot het maximale bedrag van haar of zijn ouderdomspensioen zou kunnen genieten.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke afloopt op het einde van de maand waarin de gerechtigde 65 of 60 jaar wordt naargelang het een man of een vrouw betreft;
10° de gerechtigde die na zijn normale legerdienst bij tuchtmaatregel onder de wapens gehouden of teruggeroepen wordt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet korter noch langer mag zijn dan die van het behoud of van de terugroeping onder de wapens;
11° de gerechtigde die in het buitenland tijdelijk hetzelfde beroep uitoefent als hetgeen hij in België uitoefende, wanneer hij niet verzekeringsplichtig is krachtens de wetgeving inzake de sociale zekerheid van zijn nieuwe arbeidsplaats.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de tewerkstelling in het buitenland;
12° (de gerechtigde in tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out en die bij ontstentenis van een toelating van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, geen aanspraak heeft op werkloosheidsuitkeringen.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke niet langer mag zijn dan die van de staking of het lock-out;) <KB 2003-02-19/39, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
13° de gerechtigde die wegens een geval van overmacht de arbeid verzuimt.
De Dienst voor administratieve controle doet op verzoek van de verzekeringsinstelling uitspraak over de gevallen van overmacht die zij erkent.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur welke door die Dienst wordt vastgesteld;
14° de gerechtigde die krachtens het koninklijk besluit van 11 maart 1954, houdende statuut van het Korps voor burgerlijke bescherming, de cursussen volgt van de School voor burgerlijke bescherming.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan deze van de zittijd waaraan de gerechtigde deelneemt;
15° de gerechtigde die een pensioen geniet ten laste van een openbaar bestuur of een pensioen waarvan de betaling door de Belgische Staat is gewaarborgd en die tijdelijk niet meer arbeidt ingevolge een erkende arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet waarover uitkeringen worden ontzegd krachtens artikel 108, 3°, van de gecoördineerde wet.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van de arbeidsongeschiktheid;
16° de gerechtigde die generlei arbeid ter verkrijging van inkomen verricht en regelmatig leergangen van het hoger middelbaar vak- of technisch onderwijs volgt, op voorwaarde dat die leergangen gegeven worden gedurende de dag, de vakantie, de zondagen en de feestdagen daargelaten.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;
17° de gerechtigde die de leergangen van een erkende school voor gezinshelp(st)ers volgt. De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur die niet langer mag zijn dan die waarover de gerechtigde de leergangen volgt;
18° de gerechtigde die, nadat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, voort arbeidt of die na die leeftijd de arbeid hervat, wanneer hij de arbeid tijdelijk onderbreekt en geen pensioen aanvraagt.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke door de gerechtigde bij zijn aanvraag wordt opgeheven; zij eindigt evenwel zodra het pensioen ingaat;
19° de gerechtigde die wegens lichamelijke ongeschiktheid voortijdig gepensioneerd is, wanneer hij niet voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet, waar het de arbeidsongeschiktheidsgraad beoogt, gedurende een tijdvak dat niet verder mag gaan dan de pensioengerechtigde leeftijd, krachtens de wetgeving inzake de rust- en overlevingspensioenen van de arbeiders en de bedienden.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan vanaf de dag waarop de gerechtigde niet langer dan 66 pct. arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 100, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wet;
20° de gerechtigde waarvan de onderwerping voor het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, beperkt is tot de geneeskundige verzorging en die:
a) geen arbeidsplaats moet verrichten, hetzij op grond van persoonlijke aangelegenheden, hetzij ingevolge tuchtmaatregelen.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur welke gelijk is aan die van het tijdvak waarin de gerechtigde geen arbeidsprestaties moet verrichten;
b) zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak waarin de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent en aldaar zijn administratieve standplaats heeft;
c) door [2 het Bestuur van de medische expertise]2 definitief arbeidsongeschikt wordt geacht voor zover hij niet werkongeschikt is in de zin van artikel 100, § 1, van de gecoördineerde wet, en niet het vereist aantal jaren dienst om een vervroegd pensioen te genieten.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak dat afloopt op de pensioengerechtigde leeftijd krachtens het administratief en geldelijk statuut dat op hem toepasselijk is;
21° de gerechtigde die ophoudt tewerkgesteld te zijn volgens een arbeidsovereenkomst voor dienstboden hoofdzakelijk bestaande uit huishoudelijke arbeid van lichamelijke aard voor de behoefde van de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor een duur van ten hoogste drie maanden per kalenderjaar;
22° de gerechtigde die als mijnwerker wegens sluiting van een kolenmijn is ontslagen en die de wachtvergoeding voor bejaarde werknemers uit de kolenindustrie geniet in toepassing van artikel 56, § 2 van het Verdrag van Parijs tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal.
De voortgezette verzekering wordt toegestaan voor de duur van het tijdvak tijdens hetwelk de wachtvergoeding wordt toegekend.
§ 2. Het tijdvak van voortgezette verzekering loopt af hetzij op het einde van de periode waarover het is toegestaan, hetzij op de datum waarop de toestand een einde neemt op grond waarvan het is toegestaan, hetzij, alleen in de onder § 1, 2° en 4°, bedoelde gevallen, zodra de gerechtigde in staat van arbeidsongeschiktheid is als bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet.
Art. 247. § 1er. Est considéré comme se trouvant dans une situation sociale digne d'intérêt au sens de l'article 32, alinéa 1er, 6°, de la loi coordonnée, et peut, s'il a satisfait aux conditions prévues à l'article 121 ou à l'article 128 de la loi coordonnée, obtenir le bénéfice de l'assurance continuée pendant les périodes fixées ci-après:
(1° le titulaire en état de chômage, auquel le bénéfice des allocations de chômage est refusé en application des articles suivants de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage :
a) les articles 30 à 34, 37, 38 [3 , 85, 182 et 195, § 2, alinéa 2]3, du fait qu'il ne remplit pas les conditions d'admissibilité requises;
b) [3 les articles 44 et 188, § 1er]3, du fait qu'il n'est pas privé de travail et de rémunération;
c) les articles 52, § 3, 52bis, § 2, 56, § 1er, alinéa 1er et 155, alinéa 2;
d) (l'article 81, du fait que la durée de son chômage dépasse la limité fixée en vertu de cette disposition, ou l'article 59sexies, du fait que le chômeur n'a pas fourni d'efforts suffisants pour s'insérer dans le marché du travail;) <AR 2006-02-13/45, art. 2, 127; En vigueur : 01-07-2004>
e) l'article 71, du fait qu'il ne remplit pas les obligations en matière de contrôle.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieur à un mois et qui ne peut dépasser douze mois; dans les cas visés aux points b) et e), l'assurance continuée ne peut être accordée lorsque l'activité exercée est de nature frauduleuse, eu égard aux obligations imposées par la législation sociale;) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
(2° le titulaire en état de chômage, qui remplit les conditions pour bénéficie des allocations de chômage, mais qui renonce volontairement à celles-ci, sans remplir cependant les conditions visées à l'article 246, alinéa 1er, 11°.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieure à un mois et qui ne peut dépasser trois mois;) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
3° (...) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
4° [1 le titulaire qui après l'expiration de la période de six mois, visée à l'article 215septies, n'est plus incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et qui exerce une profession par laquelle il est assujetti au statut social des indépendants ou qui exerce une profession non assujettie à l'une des législations en matière de sécurité sociale.
L'assurance continuée peut être admise pour une période maximum de deux ans à compter de l'expiration du délai de six mois, visé à l'alinéa précédent; cette période peut être renouvelée;]1
5° (le titulaire en congé sans solde.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser trois mois par année civile;) <AR 2003-02-19/39, art. 2, 086; En vigueur : 01-01-2003>
6° La femme titulaire, qui allaite son enfant.
L'assurance continuée est admise pour une période maximum de cinq mois prenant cours le jour de l'accouchement;
7° (le titulaire qui se trouve dans une période de détention préventive ou de privation de liberté. Toutefois, si, à la date de début de la période de détention préventive ou de privation de liberté, il se trouve en état d'incapacité de travail, au sens de l'article 100 de la loi coordonnée, la période d'assurance continuée ne prend cours qu'à la date à laquelle cet état d'incapacité de travail prend fin.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser la période de détention préventive ou de privation de liberté.) <AR 2003-03-12/42, art. 28, 090; En vigueur : 01-01-2003>
8° Le titulaire qui cesse, temporairement ou définitivement, de travailler au cours d'une période de cinq ans se terminant à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge visé à l'article 108, 1°, de la loi coordonnée.
L'assurance continuée est admise pour une durée expirant à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge fixé audit article lorsqu'il s'agit d'une cessation définitive et pour la durée indiquée par le titulaire lors de sa demande d'entrée en assurance continuée lorsqu'il s'agit d'une cessation temporaire;
9° l'homme ou la femme titulaire qui renonce au travail pour permettre à son conjoint titulaire de bénéficier du montant maximum de sa pension de vieillesse.
L'assurance continuée est admise pour une durée expirant à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge de 65 ou de 60 ans selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme;
10° Le titulaire qui, après sa période normale de service militaire, est maintenu ou rappelé sous les drapeaux par une mesure disciplinaire.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieure ni supérieure à celle du maintien ou du rappel sous les drapeaux;
11° Le titulaire exerçant temporairement à l'étranger la même profession que celle qu'il exerçait en Belgique, lorsqu'il n'est pas assujettissable à la législation en matière de sécurité sociale de son nouveau lieu de travail.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de l'occupation à l'étranger;
12° (le titulaire en chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out et qui, à défaut d'une autorisation du Comité de gestion de l'Office national de l'Emploi, ne peut être admis au bénéfice des allocations de chômage.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de la grève ou du lock-out;) <AR 2003-02-19/39, art. 2, 086; En vigueur : 01-01-2003>
13° Le titulaire qui, dans un cas de force majeure, est absent du travail.
Le Service du contrôle administratif se prononce, à la demande de l'organisme assureur, sur les cas de force majeure que celui-ci reconnaît.
L'assurance continué est admise pour la durée déterminée par ce service;
14° Le titulaire qui, en vertu de l'arrêté royal du 11 mars 1954, portant statut du Corps de protection civile, suit les cours de l'école de protection civile.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de la session à laquelle participe le titulaire;
15° Le titulaire bénéficiant d'une pension à charge des pouvoirs publics, ou d'une pension dont le paiement est garanti par l'Etat belge, qui cesse de travailler temporairement à la suite d'une incapacité de travail reconnue au sens de l'article 100 de la loi coordonnée et pour laquelle les prestations en espèces sont refusées en vertu de l'article 108, 3° de la loi coordonnée.
L'assurance continuée est admise pour la durée de l'incapacité de travail;
16° Le titulaire qui, ne se livrant à aucun travail lucratif quelconque, suit régulièrement des cours d'enseignement moyen, supérieur, professionnel ou technique à condition que ces cours soient donnés pendant le jour, abstraction faite des vacances, dimanches et jours féries.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle des cours suivis par le titulaire;
17° Le ou la titulaire qui suit les cours d'une école reconnue pour aides familiaux ou familiales. L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle des cours suivis par le ou la titulaire;
18° Le titulaire qui ayant atteint l'âge légal de la mise à la pension continue à travailler ou qui reprend le travail passé cet âge, lorsqu'il cesse temporairement de travailler et ne sollicite pas le bénéfice de la pension.
L'assurance continuée est admise pour une durée indiqué par le titulaire lors de sa demande; elle cesse néanmoins dès le moment où la pension prend cours;
19° Le titulaire qui est mis à la pension prématurée pour incapacité physique lorsqu'il ne réunit pas les conditions prévues à l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée, en ce qu'il vise le taux de l'incapacité de travail, pendant une période qui ne peut dépasser l'âge légal de la mise à la pension en vertu de la législation relative aux pensions de retraite et de survie des ouvriers et des employés.
L'assurance continuée est admise à partir du jour où le titulaire n'atteint plus 66 p.c. d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée;
20° Le titulaire dont l'assujettissement pour le régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités est limité au seul secteur des soins de santé et qui:
a) est dispensé de fournir des prestations, soit pour des motifs de convenance personnelle, soit à la suite d'une mesure disciplinaire.
L'assurance continuée est admise pour une durée égale à celle de la période durant laquelle le titulaire est dispensé de fournir des prestations.
b) remplit ses fonctions à l'étranger et y a sa résidence administrative.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période pendant laquelle le titulaire remplit ses fonctions à l'étranger et y a sa résidence administrative;
c) est reconnu définitivement inapte au travail par [2 l'Administration de l'expertise médicale]2 pour autant qu'il ne soit pas incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, et qui ne compte pas le minimum requis d'années de service pour bénéficier d'une pension prématurée.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période qui expire à l'âge de la mise à la retraite en vertu du statut administratif et pécuniaire qui lui est applicable;
21° Le titulaire qui cesse d'être occupé dans les liens d'un contrat de travail domestique comportant principalement des travaux ménagers d'ordre manuel pour les besoins du ménage de l'employeur ou de sa famille.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser trois mois par année civile;
22° Le titulaire, ouvrier mineur licencié pour fermeture de charbonnage, qui bénéficie de l'allocation d'attente aux travailleurs âgés de l'industrie charbonnière, en application de l'article 56, § 2 du Traité de Paris, instituant la Communauté européenne du Charbon et de l'Acier.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période pendant laquelle l'indemnité d'attente est allouée.
§ 2. La période d'assurance continuée expire soit à la fin de la période pour laquelle elle a été admise, soit à la date à laquelle prend fin la situation qui l'a fait admettre, soit dans les seuls cas visés au § 1er, 2° et 4°, dès que le titulaire se trouve en état d'incapacité de travail au sens de l'article 100 de la loi coordonnée.
(1° le titulaire en état de chômage, auquel le bénéfice des allocations de chômage est refusé en application des articles suivants de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage :
a) les articles 30 à 34, 37, 38 [3 , 85, 182 et 195, § 2, alinéa 2]3, du fait qu'il ne remplit pas les conditions d'admissibilité requises;
b) [3 les articles 44 et 188, § 1er]3, du fait qu'il n'est pas privé de travail et de rémunération;
c) les articles 52, § 3, 52bis, § 2, 56, § 1er, alinéa 1er et 155, alinéa 2;
d) (l'article 81, du fait que la durée de son chômage dépasse la limité fixée en vertu de cette disposition, ou l'article 59sexies, du fait que le chômeur n'a pas fourni d'efforts suffisants pour s'insérer dans le marché du travail;) <AR 2006-02-13/45, art. 2, 127; En vigueur : 01-07-2004>
e) l'article 71, du fait qu'il ne remplit pas les obligations en matière de contrôle.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieur à un mois et qui ne peut dépasser douze mois; dans les cas visés aux points b) et e), l'assurance continuée ne peut être accordée lorsque l'activité exercée est de nature frauduleuse, eu égard aux obligations imposées par la législation sociale;) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
(2° le titulaire en état de chômage, qui remplit les conditions pour bénéficie des allocations de chômage, mais qui renonce volontairement à celles-ci, sans remplir cependant les conditions visées à l'article 246, alinéa 1er, 11°.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieure à un mois et qui ne peut dépasser trois mois;) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
3° (...) <AR 2001-07-10/34, art. 1, 066; En vigueur : 10-08-2001>
4° [1 le titulaire qui après l'expiration de la période de six mois, visée à l'article 215septies, n'est plus incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée et qui exerce une profession par laquelle il est assujetti au statut social des indépendants ou qui exerce une profession non assujettie à l'une des législations en matière de sécurité sociale.
L'assurance continuée peut être admise pour une période maximum de deux ans à compter de l'expiration du délai de six mois, visé à l'alinéa précédent; cette période peut être renouvelée;]1
5° (le titulaire en congé sans solde.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser trois mois par année civile;) <AR 2003-02-19/39, art. 2, 086; En vigueur : 01-01-2003>
6° La femme titulaire, qui allaite son enfant.
L'assurance continuée est admise pour une période maximum de cinq mois prenant cours le jour de l'accouchement;
7° (le titulaire qui se trouve dans une période de détention préventive ou de privation de liberté. Toutefois, si, à la date de début de la période de détention préventive ou de privation de liberté, il se trouve en état d'incapacité de travail, au sens de l'article 100 de la loi coordonnée, la période d'assurance continuée ne prend cours qu'à la date à laquelle cet état d'incapacité de travail prend fin.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser la période de détention préventive ou de privation de liberté.) <AR 2003-03-12/42, art. 28, 090; En vigueur : 01-01-2003>
8° Le titulaire qui cesse, temporairement ou définitivement, de travailler au cours d'une période de cinq ans se terminant à la fin du mois au cours duquel il atteint l'âge visé à l'article 108, 1°, de la loi coordonnée.
L'assurance continuée est admise pour une durée expirant à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge fixé audit article lorsqu'il s'agit d'une cessation définitive et pour la durée indiquée par le titulaire lors de sa demande d'entrée en assurance continuée lorsqu'il s'agit d'une cessation temporaire;
9° l'homme ou la femme titulaire qui renonce au travail pour permettre à son conjoint titulaire de bénéficier du montant maximum de sa pension de vieillesse.
L'assurance continuée est admise pour une durée expirant à la fin du mois au cours duquel le titulaire atteint l'âge de 65 ou de 60 ans selon qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme;
10° Le titulaire qui, après sa période normale de service militaire, est maintenu ou rappelé sous les drapeaux par une mesure disciplinaire.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut être inférieure ni supérieure à celle du maintien ou du rappel sous les drapeaux;
11° Le titulaire exerçant temporairement à l'étranger la même profession que celle qu'il exerçait en Belgique, lorsqu'il n'est pas assujettissable à la législation en matière de sécurité sociale de son nouveau lieu de travail.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de l'occupation à l'étranger;
12° (le titulaire en chômage temporaire par suite de grève ou de lock-out et qui, à défaut d'une autorisation du Comité de gestion de l'Office national de l'Emploi, ne peut être admis au bénéfice des allocations de chômage.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de la grève ou du lock-out;) <AR 2003-02-19/39, art. 2, 086; En vigueur : 01-01-2003>
13° Le titulaire qui, dans un cas de force majeure, est absent du travail.
Le Service du contrôle administratif se prononce, à la demande de l'organisme assureur, sur les cas de force majeure que celui-ci reconnaît.
L'assurance continué est admise pour la durée déterminée par ce service;
14° Le titulaire qui, en vertu de l'arrêté royal du 11 mars 1954, portant statut du Corps de protection civile, suit les cours de l'école de protection civile.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle de la session à laquelle participe le titulaire;
15° Le titulaire bénéficiant d'une pension à charge des pouvoirs publics, ou d'une pension dont le paiement est garanti par l'Etat belge, qui cesse de travailler temporairement à la suite d'une incapacité de travail reconnue au sens de l'article 100 de la loi coordonnée et pour laquelle les prestations en espèces sont refusées en vertu de l'article 108, 3° de la loi coordonnée.
L'assurance continuée est admise pour la durée de l'incapacité de travail;
16° Le titulaire qui, ne se livrant à aucun travail lucratif quelconque, suit régulièrement des cours d'enseignement moyen, supérieur, professionnel ou technique à condition que ces cours soient donnés pendant le jour, abstraction faite des vacances, dimanches et jours féries.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle des cours suivis par le titulaire;
17° Le ou la titulaire qui suit les cours d'une école reconnue pour aides familiaux ou familiales. L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser celle des cours suivis par le ou la titulaire;
18° Le titulaire qui ayant atteint l'âge légal de la mise à la pension continue à travailler ou qui reprend le travail passé cet âge, lorsqu'il cesse temporairement de travailler et ne sollicite pas le bénéfice de la pension.
L'assurance continuée est admise pour une durée indiqué par le titulaire lors de sa demande; elle cesse néanmoins dès le moment où la pension prend cours;
19° Le titulaire qui est mis à la pension prématurée pour incapacité physique lorsqu'il ne réunit pas les conditions prévues à l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée, en ce qu'il vise le taux de l'incapacité de travail, pendant une période qui ne peut dépasser l'âge légal de la mise à la pension en vertu de la législation relative aux pensions de retraite et de survie des ouvriers et des employés.
L'assurance continuée est admise à partir du jour où le titulaire n'atteint plus 66 p.c. d'incapacité de travail au sens de l'article 100, § 1er, alinéa 1er, de la loi coordonnée;
20° Le titulaire dont l'assujettissement pour le régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités est limité au seul secteur des soins de santé et qui:
a) est dispensé de fournir des prestations, soit pour des motifs de convenance personnelle, soit à la suite d'une mesure disciplinaire.
L'assurance continuée est admise pour une durée égale à celle de la période durant laquelle le titulaire est dispensé de fournir des prestations.
b) remplit ses fonctions à l'étranger et y a sa résidence administrative.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période pendant laquelle le titulaire remplit ses fonctions à l'étranger et y a sa résidence administrative;
c) est reconnu définitivement inapte au travail par [2 l'Administration de l'expertise médicale]2 pour autant qu'il ne soit pas incapable de travailler au sens de l'article 100, § 1er, de la loi coordonnée, et qui ne compte pas le minimum requis d'années de service pour bénéficier d'une pension prématurée.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période qui expire à l'âge de la mise à la retraite en vertu du statut administratif et pécuniaire qui lui est applicable;
21° Le titulaire qui cesse d'être occupé dans les liens d'un contrat de travail domestique comportant principalement des travaux ménagers d'ordre manuel pour les besoins du ménage de l'employeur ou de sa famille.
L'assurance continuée est admise pour une durée qui ne peut dépasser trois mois par année civile;
22° Le titulaire, ouvrier mineur licencié pour fermeture de charbonnage, qui bénéficie de l'allocation d'attente aux travailleurs âgés de l'industrie charbonnière, en application de l'article 56, § 2 du Traité de Paris, instituant la Communauté européenne du Charbon et de l'Acier.
L'assurance continuée est admise pour la durée de la période pendant laquelle l'indemnité d'attente est allouée.
§ 2. La période d'assurance continuée expire soit à la fin de la période pour laquelle elle a été admise, soit à la date à laquelle prend fin la situation qui l'a fait admettre, soit dans les seuls cas visés au § 1er, 2° et 4°, dès que le titulaire se trouve en état d'incapacité de travail au sens de l'article 100 de la loi coordonnée.
Art. 248. Om tot de voortgezette verzekering te worden toegelaten moet de gerechtigde een aanvraag indienen bij zijn verzekeringsinstelling en haar de volgende bewijsstukken afgeven:
a) voor de in artikel 247, § 1, 2° en 3°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening met nadere opgave van de reden waarom en het tijdvak waarover de werkloosheidsuitkeringen zijn ontzegd.
Voor de in artikel 247, § 1, 3°, bedoelde toestand mag die verklaring vervangen worden door een verklaring van zijn laatste werkgever;
b) [1 voor de in artikel 247, § 1, 4°, bedoelde toestand, een bewijs van hervatting van een in dat artikel bedoeld beroep;]1
c) voor de in artikel 247, § 1, 5°, 20° en 21°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de werkgever of desgevallend door de geestelijke overheid hetzij met opgave van de juiste periode van de schorsing van de overeenkomst of de tewerkstelling of van het tijdvak dat de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent, hetzij met vermelding van de datum van de beslissing van [2 het Bestuur van de medische expertise]2 volgens welke geen vervroegd pensioen kan worden toegekend, hetzij met opgave van de datum van stopzetting van de huishoudelijke arbeid;
d) voor de in artikel 247, § 1, 6°, 8°, 9° en 18°, bedoelde toestanden, een verklaring op erewoord van de gerechtigde;
e) voor de in artikel 247, § 1, 11° bedoelde toestand, een verklaring van de werkgever;
f) voor de in artikel 247, § 1, 7°, bedoelde toestand, een verklaring van de Directeur van de inrichting met opgave van de periode van detinering of internering;
g) voor de in artikel 247, § 1, 10°, bedoelde toestand, een verklaring van de militaire overheid met opgave van de periode van behoud of terugroeping onder de wapens;
h) voor de in artikel 247, § 1, 12°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door een vakorganisatie of door de werkgever. In dit laatste geval moet die verklaring medeondertekend zijn door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
i) voor de in artikel 247, § 1, 14°, 16° en 17°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de directeur van de school met opgave van de periode tijdens welke de gerechtigde de leergangen heeft gevolgd;
j) voor de in artikel 247, § 1, 19°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de adviserend [3 arts]3 van het ziekenfonds waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven;
k) voor de in artikel 247, § 1, 22°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de diensten van de Administratie van het mijnwezen van het Ministerie van Economische Zaken.
In de in artikel 247, § 1, 13°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de kennisgeving van de Dienst voor administratieve controle aan de verzekeringsinstelling.
In de in artikel 247, § 1, 15°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid;
a) voor de in artikel 247, § 1, 2° en 3°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening met nadere opgave van de reden waarom en het tijdvak waarover de werkloosheidsuitkeringen zijn ontzegd.
Voor de in artikel 247, § 1, 3°, bedoelde toestand mag die verklaring vervangen worden door een verklaring van zijn laatste werkgever;
b) [1 voor de in artikel 247, § 1, 4°, bedoelde toestand, een bewijs van hervatting van een in dat artikel bedoeld beroep;]1
c) voor de in artikel 247, § 1, 5°, 20° en 21°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de werkgever of desgevallend door de geestelijke overheid hetzij met opgave van de juiste periode van de schorsing van de overeenkomst of de tewerkstelling of van het tijdvak dat de gerechtigde zijn ambt in het buitenland uitoefent, hetzij met vermelding van de datum van de beslissing van [2 het Bestuur van de medische expertise]2 volgens welke geen vervroegd pensioen kan worden toegekend, hetzij met opgave van de datum van stopzetting van de huishoudelijke arbeid;
d) voor de in artikel 247, § 1, 6°, 8°, 9° en 18°, bedoelde toestanden, een verklaring op erewoord van de gerechtigde;
e) voor de in artikel 247, § 1, 11° bedoelde toestand, een verklaring van de werkgever;
f) voor de in artikel 247, § 1, 7°, bedoelde toestand, een verklaring van de Directeur van de inrichting met opgave van de periode van detinering of internering;
g) voor de in artikel 247, § 1, 10°, bedoelde toestand, een verklaring van de militaire overheid met opgave van de periode van behoud of terugroeping onder de wapens;
h) voor de in artikel 247, § 1, 12°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door een vakorganisatie of door de werkgever. In dit laatste geval moet die verklaring medeondertekend zijn door de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
i) voor de in artikel 247, § 1, 14°, 16° en 17°, bedoelde toestanden, een verklaring uitgereikt door de directeur van de school met opgave van de periode tijdens welke de gerechtigde de leergangen heeft gevolgd;
j) voor de in artikel 247, § 1, 19°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de adviserend [3 arts]3 van het ziekenfonds waarbij de gerechtigde is aangesloten of ingeschreven;
k) voor de in artikel 247, § 1, 22°, bedoelde toestand, een verklaring uitgereikt door de diensten van de Administratie van het mijnwezen van het Ministerie van Economische Zaken.
In de in artikel 247, § 1, 13°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de kennisgeving van de Dienst voor administratieve controle aan de verzekeringsinstelling.
In de in artikel 247, § 1, 15°, bedoelde toestand, wordt de voortgezette verzekering toegestaan op grond van de erkenning van de staat van arbeidsongeschiktheid;
Art. 248. Pour être admis en assurance continuée, le titulaire doit en faire la demande à son organisme assureur en lui remettre les pièces justificatives suivantes:
a)pour les situations visées à l'article 247, § 1er, 1°, 2° et 3°, une attestation délivrée par l'Office national de l'Emploi précisant le motif et la période pour lesquels les allocation de chômage sont refusées;
Pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 3°, cette attestation peut être remplacée par une déclaration de son dernier employeur;
b) [1 pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 4°, une preuve de la reprise d'une profession visée audit article;]1
c) pour les situations visées à l'article 247, § 1er, 5°, 20° et 21°, une attestation délivrée par l'employeur ou, le cas échéant, par l'autorité religieuse, précisant soit la période exacte de la suspension du contrat ou de l'occupation ou de la période pendant laquelle le titulaire remplit ses fonctions à l'étranger, soit la date de la décision [2 de l'Administration de l'expertise médicale]2, portant qu'une pension prématurée ne peut être accordée, soit la date de la cessation du travail domestique;
d) pour les situations visées à l'article 247, § 1er, 6°, 8°, 9° et 18° une attestation sur l'honneur du titulaire;
e) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 11°, une attestation de l'employeur;
f) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 7°, une attestation du directeur de l'établissement précisant la période de détention ou d'internement;
g) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 10°, une attestation de l'autorité militaire précisant la période du maintien ou du rappel sous les armes;
h) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 12°, une attestation délivrée par une organisation syndicale ou par l'employeur. Dans cette dernière hypothèse, cette attestation doit être contresignée par l'Office nationale de l'Emploi;
i) pour les situations visées à l'article 247, § 1er, 14°, 16° et 17°, une attestation délivrée par le directeur de l'école précisant la période des cours suivis par le titulaire;
j) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 19°, une attestation délivrée par le médecin-conseil de la mutualité à laquelle le titulaire est affilié ou inscrit;
k) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 22°, une attestation délivrée par les services de l'Administration des Mines du Ministère des Affaires économiques.
Dans la situation visée à l'article 247, § 1er, 13°, l'assurance continuée est admise sur base de la notification du Service du contrôle administratif à l'organisme assureur;
Dans la situation visée à l'article 247, § 1er, 15°, l'assurance continuée est admise sur base de la reconnaissance de l'état d'incapacité de travail.
a)pour les situations visées à l'article 247, § 1er, 1°, 2° et 3°, une attestation délivrée par l'Office national de l'Emploi précisant le motif et la période pour lesquels les allocation de chômage sont refusées;
Pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 3°, cette attestation peut être remplacée par une déclaration de son dernier employeur;
b) [1 pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 4°, une preuve de la reprise d'une profession visée audit article;]1
c) pour les situations visées à l'article 247, § 1er, 5°, 20° et 21°, une attestation délivrée par l'employeur ou, le cas échéant, par l'autorité religieuse, précisant soit la période exacte de la suspension du contrat ou de l'occupation ou de la période pendant laquelle le titulaire remplit ses fonctions à l'étranger, soit la date de la décision [2 de l'Administration de l'expertise médicale]2, portant qu'une pension prématurée ne peut être accordée, soit la date de la cessation du travail domestique;
d) pour les situations visées à l'article 247, § 1er, 6°, 8°, 9° et 18° une attestation sur l'honneur du titulaire;
e) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 11°, une attestation de l'employeur;
f) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 7°, une attestation du directeur de l'établissement précisant la période de détention ou d'internement;
g) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 10°, une attestation de l'autorité militaire précisant la période du maintien ou du rappel sous les armes;
h) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 12°, une attestation délivrée par une organisation syndicale ou par l'employeur. Dans cette dernière hypothèse, cette attestation doit être contresignée par l'Office nationale de l'Emploi;
i) pour les situations visées à l'article 247, § 1er, 14°, 16° et 17°, une attestation délivrée par le directeur de l'école précisant la période des cours suivis par le titulaire;
j) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 19°, une attestation délivrée par le médecin-conseil de la mutualité à laquelle le titulaire est affilié ou inscrit;
k) pour la situation visée à l'article 247, § 1er, 22°, une attestation délivrée par les services de l'Administration des Mines du Ministère des Affaires économiques.
Dans la situation visée à l'article 247, § 1er, 13°, l'assurance continuée est admise sur base de la notification du Service du contrôle administratif à l'organisme assureur;
Dans la situation visée à l'article 247, § 1er, 15°, l'assurance continuée est admise sur base de la reconnaissance de l'état d'incapacité de travail.
Art.250. § 1. Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering moet de gerechtigde een bijdrage betalen, die per werkdag als volgt wordt vastgesteld:
Art. 249. Sur base des pièces prévues à l'article 248, l'organisme assureur établit un certificat d'assurance continuée et réclame au titulaire la cotisation y afférente.
Les certificats d'assurance continuée qui doivent, en application de l'article 247, comporter une durée minimum, peuvent être renouvelés; toutefois, la durée des périodes cumulées ne peut dépasser la période maximum fixée par la disposition de l'article 247 en vertu de laquelle le ou les certificats sont délivrés.
Les certificats d'assurance continuée qui doivent, en application de l'article 247, comporter une durée minimum, peuvent être renouvelés; toutefois, la durée des périodes cumulées ne peut dépasser la période maximum fixée par la disposition de l'article 247 en vertu de laquelle le ou les certificats sont délivrés.
| 21 jaar en meer | 18 tot 21 jaar | 14 tot 18 jaar |
| [1,24 EUR | 0,94 EUR | 0,62 EUR] |
| <KB 2001-12-11/45, art. 16, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002> | ||
Worden als werkdagen beschouwd, alle dagen van het jaar behoudens de zondagen.
Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering of ieder gedeelte van zulk tijdvak, dat een volledige kalendermaand beslaat, wordt de bijdrage als volgt vastgesteld:
-
| 21 jaar en meer | 18 tot 21 jaar | 14 tot 18 jaar |
| [31,00 EUR] | [23,50 EUR] | [15,50 EUR] |
| <KB 2001-12-11/44 , art. 6, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2002> | ||
§ 2. Nochtans wordt de gerechtigde die voor het kalenderjaar bijdragebescheiden heeft afgegeven, waarvan de waarde het in artikel 286 bepaalde jaarlijkse minimum bereikt, voor dat kalenderjaar van de betaling van voornoemde bijdrage vrijgesteld.
§ 3. De in § 1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het (indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen, bereikt op 31 oktober 1999). Ze worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. <KB 2001-12-11/45, art. 16, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
-
Art. 250. § 1. Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering moet de gerechtigde een bijdrage betalen, die per werkdag als volgt wordt vastgesteld:
Art. 250. § 1er. Pour chaque période d'assurance continuée, le titulaire doit payer une cotisation qui est fixée comme suit par jour ouvrable:
| 21 jaar en meer | 18 tot 21 jaar | 14 tot 18 jaar |
| [1,24 EUR | 0,94 EUR | 0,62 EUR] |
| <KB 2001-12-11/45, art. 16, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002> | ||
| 21 ans et plus | 18 à 21 ans | 14 à 18 ans |
| [1,24 EUR | 0,94 EUR | 0,62 EUR] |
| <AR 2001-12-11/4 5, art. 16, 07 1; En vigueur : 01-01-2002> | ||
Worden als werkdagen beschouwd, alle dagen van het jaar behoudens de zondagen.
Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering of ieder gedeelte van zulk tijdvak, dat een volledige kalendermaand beslaat, wordt de bijdrage als volgt vastgesteld:
Voor ieder tijdvak van voortgezette verzekering of ieder gedeelte van zulk tijdvak, dat een volledige kalendermaand beslaat, wordt de bijdrage als volgt vastgesteld:
Sont considérés comme jours ouvrables, tous les jours de l'année, sauf les dimanches.
Pour chaque période d'assurance continuée ou chaque partie d'une telle période qui couvre un mois civil complet, la cotisation est fixée comme suit:
Pour chaque période d'assurance continuée ou chaque partie d'une telle période qui couvre un mois civil complet, la cotisation est fixée comme suit:
| 21 jaar en meer | 18 tot 21 jaar | 14 tot 18 jaar |
| [31,00 EUR] | [23,50 EUR] | [15,50 EUR] |
| <KB 2001-12-11/44 , art. 6, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2002> | ||
| 21 ans et plus | 18 à 21 ans | 14 à 18 ans |
| [31,00 EUR] | [23,50 EUR] | [15,50 EUR] |
| <AR 2001-12-11/4 4, art. 6, 072 ; En vigueur : 01-01-2002> | ||
§ 2. Nochtans wordt de gerechtigde die voor het kalenderjaar bijdragebescheiden heeft afgegeven, waarvan de waarde het in artikel 286 bepaalde jaarlijkse minimum bereikt, voor dat kalenderjaar van de betaling van voornoemde bijdrage vrijgesteld.
§ 3. De in § 1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het (indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen, bereikt op 31 oktober 1999). Ze worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. <KB 2001-12-11/45, art. 16, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 3. De in § 1 bedoelde bedragen zijn gekoppeld aan het (indexcijfer 104,06 (basis 1996 = 100) van de consumptieprijzen, bereikt op 31 oktober 1999). Ze worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan de hoegrootheid van het op 31 oktober van het voorgaande jaar bereikte indexcijfer van de consumptieprijzen. <KB 2001-12-11/45, art. 16, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
§ 2. Toutefois, le titulaire qui pour l'année civile a remis des documents de cotisation dont la valeur atteint le minimum annuel fixé à l'article 286 est dispensé du paiement de la cotisation précitée pour cette année civile.
§ 3. Les montants visés au § 1er sont liés à (indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint au 31 octobre 1999.). Ils sont adaptés, au 1er janvier de chaque année, au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente. <AR 2001-12-11/45, art. 16, 071; En vigueur : 01-01-2002>
§ 3. Les montants visés au § 1er sont liés à (indice 104,06 (base 1996 = 100) des prix à la consommation atteint au 31 octobre 1999.). Ils sont adaptés, au 1er janvier de chaque année, au taux atteint par l'indice des prix à la consommation le 31 octobre de l'année précédente. <AR 2001-12-11/45, art. 16, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Art. 251. (opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 24, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Section I. - Des modalités d'inscription et d'affiliation à un organisme assureur.
Afdeling I. - Regelen ter zake van inschrijving en aansluiting bij een verzekeringsinstelling.
Art.252. Pour choisir un organisme assureur, les bénéficiaires, repris sous l'article 32, alinéa 1er, (1° à 16°, 18°, 20° à 22°) [7 et 24°]7, de la loi coordonnée, remettent, à une mutualité, à un Office régional de la Caisse auxiliaire d'Assurance maladie-invalidité ou a la [2 [3 Caisse des soins de santé de HR Rail]3]2, une demande d'inscription comportant un bulletin de composition de ménage, conforme au modèle en annexe II de cet arrêté. L'authenticité des renseignements y repris est vérifiée par le délégué de l'organisme assureur.
Art.252. Om een verzekeringsinstelling te kiezen, geven de in artikel 32, eerste lid, (1° tot 16°, 18°, 20° tot 22°) [7 en 24°]7 van de gecoördineerde wet vermelde rechthebbenden, aan een ziekenfonds, aan een Gewestelijke dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of aan de [2 [3 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]3]2 een aanvraag om inschrijving naar model in bijlage II bij dit besluit af welke een bulletin bevat met de samenstelling van het gezin. De authenticiteit van de daarop vermelde inlichtingen wordt nagegaan door de afgevaardigde van de verzekeringsinstelling.
Section I. - Des modalités d'inscription et d'affiliation à un organisme assureur.
Art. 252. <KB 1997-12-29/30, art. 25, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> Om een verzekeringsinstelling te kiezen, geven de in artikel 32, eerste lid, (1° tot 16°, 18°, 20° tot 22°) [7 en 24°]7 van de gecoördineerde wet vermelde rechthebbenden, aan een ziekenfonds, aan een Gewestelijke dienst van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering of aan de [2 [3 Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail]3]2 een aanvraag om inschrijving naar model in bijlage II bij dit besluit af welke een bulletin bevat met de samenstelling van het gezin. De authenticiteit van de daarop vermelde inlichtingen wordt nagegaan door de afgevaardigde van de verzekeringsinstelling. <KB 2007-08-03/36, art. 7, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008> <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[6 In afwijking op het vorig lid, wanneer een kind zoals bedoeld in het artikel 123, eerste lid, 3, a), in een ziekenhuis geboren wordt, niet ingeschreven is bij een verzekeringsinstelling 45 dagen na zijn geboorte, schrijft het ziekenfonds uiterlijk binnen een termijn van 20 dagen na ontvangst van het formulier, waarvan het model vervat is in bijlage III, opgesteld en meegedeeld door het ziekenhuis aan het ziekenfonds van de persoon die het kind ter wereld bracht, het kind ambtshalve in ten laste van de persoon aangeduid in het formulier. Het ziekenfonds schrijft het kind in na verificatie van de afstamming volgens de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 16° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en mits de gerechtigde effectief recht heeft op geneeskundige verzorging.]6
De verzekeringsinstelling moet de rechthebbende ontvangst berichten van elke aanvraag om inschrijving en hem binnen één maand kennis geven van haar afwijzing of haar aanvaarding. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 255 tot 274, moet de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering iedere rechthebbende inschrijven die erom verzoekt. [7 Gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die niet zijn ingeschreven bij een ziekenfonds of als vreemdeling niet zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, zijn van rechtswege ingeschreven bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.]7
De rechthebbenden van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen die geen andere hoedanigheid kunnen inroepen, zijn van rechtswege ingeschreven bij de [2 Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding]2.
De rechthebbenden die echter nog een andere hoedanigheid hebben, kiezen bij welke verzekeringsinstelling zij willen ingeschreven of aangesloten worden.
(Zo de verzekeringsinstelling aanvaardt, heeft de inschrijving van de gerechtigde uitwerking op de eerste dag van het kwartaal waarin de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid van de gecoördineerde wet verworven werd, en heeft de inschrijving van de persoon ten laste uitwerking op de dag dat de hoedanigheid van persoon ten laste verworven werd.) De aanvaarding heeft evenwel slechts uitwerking op voorwaarde dat de gerechtigde één der in artikel 276, §2, bedoelde documenten afgeeft of op voorwaarde dat de in die dokumenten bedoelde gegevens op electronische wijze aan de verzekeringsinstelling werden meegedeeld; de persoon ten laste dient te voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 123 tot 126. <KB 2003-04-08/65, art. 4, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
In afwijking op het vorige lid, heeft de inschrijving van de in (artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21° en 22°) van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, echter slechts uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag om inschrijving wordt gedaan. De Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle of een door hem gedelegeerde ambtenaar kan op voorstel van de verzekeringsinstelling en voor de behartigenswaardige gevallen welke door hem en door die instelling als zodanig worden erkend, beslissen dat de gerechtigde zich met terugwerkende kracht mag laten inschrijven of zich met terugwerkende kracht mag laten aansluiten, en de datum bepalen waarop die inschrijving of aansluiting uitwerking heeft. Eveneens in afwijking op het vorige lid, heeft de inschrijving van de in artikel 32, eerste lid, 13° van de voormelde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, ten vroegste uitwerking op de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag ingediend werd bedoeld bij artikel 128ter, bedoeld bij artikel 8, §1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, of bedoeld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies, 62, §3 en 63 van de samengeordende wetten op de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen. <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
De inschrijving van de in (artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15° en 21°) bedoelde gerechtigden, is slechts geldig, indien uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal, volgend op het kwartaal waarin de inschrijving werd gevraagd, het bedrag van een trimestriële bijdrage wordt betaald. [7 De inschrijving van de gerechtigde die is opgesloten in de gevangenis of geplaatst in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) en d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, en waarvoor de aanvraag niet wordt gedaan tijdens het kwartaal waarin de opsluiting of plaatsing aanvangt, heeft uitwerking vanaf de dag van de opsluiting of plaatsing.]7 <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[1 In afwijking van het vijfde lid heeft, voor de sector geneeskundige verzorging, de inschrijving van de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° bis, van de gecoördineerde wet, uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal waarin de hoedanigheid werd verworven, onder de opschortende voorwaarde van hetzij de betaling van de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is krachtens artikel 13bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hetzij de verkrijging van een vrijstelling van bijdrage voor die eerste sociale kwartaalbijdrage, in toepassing van artikel 17 van hetzelfde besluit.]1
[7 In afwijking van het vijfde lid heeft de inschrijving van de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet, uitwerking vanaf de eerste dag waarin de hoedanigheid werd verworven.]7
[5 Wanneer een rechthebbende reeds ingeschreven is in de hoedanigheid van persoon ten laste bij een verzekeringsinstelling en deze over de in het vijfde lid bedoelde gegevens beschikt, wordt zijn instemming om daar als gerechtigde te worden ingeschreven verondersteld indien hij niet uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op het verzoek van zijn verzekeringsinstelling zijn weigering meedeelt om als gerechtigde te worden ingeschreven. Het verzoek van de verzekeringsinstelling wordt binnen 60 kalenderdagen na ontvangst van de gegevens bedoeld in het vijfde lid naar de rechthebbende gestuurd. Dit lid is eveneens van toepassing op de personen in behoud van recht bedoeld in artikel 127. Dit lid is niet van toepassing op de werknemers en de rechthebbenden van de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail. Het is evenmin van toepassing op de situaties die binnen het toepassingsgebied vallen van de rechtstreeks toepasselijke regels van Europees recht ter zake.]5
Zowel voor de inschrijving als voor de latere wijzigingen in de samenstelling van het gezin is de gerechtigde verplicht de bewijzen te leveren op grond waarvan kan worden verantwoord dat de personen ten laste voldoen aan de in de artikelen 123 en 124 gestelde voorwaarden. Ingeval van wijzigingen in de samenstelling van het gezin is de gerechtigde evenwel vrijgesteld van het voorleggen van het attest uitgaande van de gemeente.
De overgelegde bewijsstukken worden bewaard in het dossier voorgeschreven in artikel 254.
(Een rechthebbende mag slechts aangesloten zijn bij één ziekenfonds of ingeschreven zijn bij één gewestelijke dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering of bij de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding.) <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
De Dienst voor administratieve controle kan, in geval van dubbele inschrijving, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van een verzekeringsinstelling, uitspraak doen over de regelmatigheid van de inschrijving.
De in dit artikel bedoelde inschrijving of aansluiting blijft behouden voor een termijn die loopt tot het einde van het tweede jaar dat verstreken is na het laatste jaar waarover de gerechtigde nog recht op geneeskundige verstrekkingen had. Tijdens de geldigheidsduur van de inschrijving of aansluiting, heeft het verwerven van een andere hoedanigheid van gerechtigde, geen nieuwe inschrijving of aansluiting tot gevolg. [7 De inschrijving bij de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die als vreemdeling niet zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, verliest zijn geldigheid op de dag dat de hoedanigheid bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet wordt verloren.]7
Ingeval de gerechtigde een aanvraag om inschrijving indient nadat de geldigheid van de vorige inschrijving is vervallen, in toepassing van het vorige lid, zal deze nieuwe inschrijving, indien ze wordt aanvaard, beschouwd worden als een herinschrijving of heraansluiting. De herinschrijving of heraansluiting kan ten vroegste uitwerking hebben op de dag na de einddatum van de geldigheid van de vorige inschrijving. Op de herinschrijving of heraansluiting zijn voor het overige dezelfde regels van toepassing, als die welke gelden voor de inschrijving of aansluiting.
[6 In afwijking op het vorig lid, wanneer een kind zoals bedoeld in het artikel 123, eerste lid, 3, a), in een ziekenhuis geboren wordt, niet ingeschreven is bij een verzekeringsinstelling 45 dagen na zijn geboorte, schrijft het ziekenfonds uiterlijk binnen een termijn van 20 dagen na ontvangst van het formulier, waarvan het model vervat is in bijlage III, opgesteld en meegedeeld door het ziekenhuis aan het ziekenfonds van de persoon die het kind ter wereld bracht, het kind ambtshalve in ten laste van de persoon aangeduid in het formulier. Het ziekenfonds schrijft het kind in na verificatie van de afstamming volgens de informatie bedoeld in artikel 3, eerste lid, 16° van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en mits de gerechtigde effectief recht heeft op geneeskundige verzorging.]6
De verzekeringsinstelling moet de rechthebbende ontvangst berichten van elke aanvraag om inschrijving en hem binnen één maand kennis geven van haar afwijzing of haar aanvaarding. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 255 tot 274, moet de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering iedere rechthebbende inschrijven die erom verzoekt. [7 Gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die niet zijn ingeschreven bij een ziekenfonds of als vreemdeling niet zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, zijn van rechtswege ingeschreven bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.]7
De rechthebbenden van de sociale werken van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen die geen andere hoedanigheid kunnen inroepen, zijn van rechtswege ingeschreven bij de [2 Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding]2.
De rechthebbenden die echter nog een andere hoedanigheid hebben, kiezen bij welke verzekeringsinstelling zij willen ingeschreven of aangesloten worden.
(Zo de verzekeringsinstelling aanvaardt, heeft de inschrijving van de gerechtigde uitwerking op de eerste dag van het kwartaal waarin de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid van de gecoördineerde wet verworven werd, en heeft de inschrijving van de persoon ten laste uitwerking op de dag dat de hoedanigheid van persoon ten laste verworven werd.) De aanvaarding heeft evenwel slechts uitwerking op voorwaarde dat de gerechtigde één der in artikel 276, §2, bedoelde documenten afgeeft of op voorwaarde dat de in die dokumenten bedoelde gegevens op electronische wijze aan de verzekeringsinstelling werden meegedeeld; de persoon ten laste dient te voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 123 tot 126. <KB 2003-04-08/65, art. 4, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
In afwijking op het vorige lid, heeft de inschrijving van de in (artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15°, 21° en 22°) van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, echter slechts uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag om inschrijving wordt gedaan. De Leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle of een door hem gedelegeerde ambtenaar kan op voorstel van de verzekeringsinstelling en voor de behartigenswaardige gevallen welke door hem en door die instelling als zodanig worden erkend, beslissen dat de gerechtigde zich met terugwerkende kracht mag laten inschrijven of zich met terugwerkende kracht mag laten aansluiten, en de datum bepalen waarop die inschrijving of aansluiting uitwerking heeft. Eveneens in afwijking op het vorige lid, heeft de inschrijving van de in artikel 32, eerste lid, 13° van de voormelde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde, ten vroegste uitwerking op de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag ingediend werd bedoeld bij artikel 128ter, bedoeld bij artikel 8, §1 van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, of bedoeld bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies, 62, §3 en 63 van de samengeordende wetten op de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen. <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
De inschrijving van de in (artikel 32, eerste lid, 12°, 14°, 15° en 21°) bedoelde gerechtigden, is slechts geldig, indien uiterlijk op de laatste dag van het kwartaal, volgend op het kwartaal waarin de inschrijving werd gevraagd, het bedrag van een trimestriële bijdrage wordt betaald. [7 De inschrijving van de gerechtigde die is opgesloten in de gevangenis of geplaatst in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) en d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering, en waarvoor de aanvraag niet wordt gedaan tijdens het kwartaal waarin de opsluiting of plaatsing aanvangt, heeft uitwerking vanaf de dag van de opsluiting of plaatsing.]7 <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[1 In afwijking van het vijfde lid heeft, voor de sector geneeskundige verzorging, de inschrijving van de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° bis, van de gecoördineerde wet, uitwerking vanaf de eerste dag van het kwartaal waarin de hoedanigheid werd verworven, onder de opschortende voorwaarde van hetzij de betaling van de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is krachtens artikel 13bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hetzij de verkrijging van een vrijstelling van bijdrage voor die eerste sociale kwartaalbijdrage, in toepassing van artikel 17 van hetzelfde besluit.]1
[7 In afwijking van het vijfde lid heeft de inschrijving van de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet, uitwerking vanaf de eerste dag waarin de hoedanigheid werd verworven.]7
[5 Wanneer een rechthebbende reeds ingeschreven is in de hoedanigheid van persoon ten laste bij een verzekeringsinstelling en deze over de in het vijfde lid bedoelde gegevens beschikt, wordt zijn instemming om daar als gerechtigde te worden ingeschreven verondersteld indien hij niet uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op het verzoek van zijn verzekeringsinstelling zijn weigering meedeelt om als gerechtigde te worden ingeschreven. Het verzoek van de verzekeringsinstelling wordt binnen 60 kalenderdagen na ontvangst van de gegevens bedoeld in het vijfde lid naar de rechthebbende gestuurd. Dit lid is eveneens van toepassing op de personen in behoud van recht bedoeld in artikel 127. Dit lid is niet van toepassing op de werknemers en de rechthebbenden van de Kas der geneeskundige verzorging van HR Rail. Het is evenmin van toepassing op de situaties die binnen het toepassingsgebied vallen van de rechtstreeks toepasselijke regels van Europees recht ter zake.]5
Zowel voor de inschrijving als voor de latere wijzigingen in de samenstelling van het gezin is de gerechtigde verplicht de bewijzen te leveren op grond waarvan kan worden verantwoord dat de personen ten laste voldoen aan de in de artikelen 123 en 124 gestelde voorwaarden. Ingeval van wijzigingen in de samenstelling van het gezin is de gerechtigde evenwel vrijgesteld van het voorleggen van het attest uitgaande van de gemeente.
De overgelegde bewijsstukken worden bewaard in het dossier voorgeschreven in artikel 254.
(Een rechthebbende mag slechts aangesloten zijn bij één ziekenfonds of ingeschreven zijn bij één gewestelijke dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering of bij de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding.) <KB 2008-07-01/34, art. 17, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
De Dienst voor administratieve controle kan, in geval van dubbele inschrijving, hetzij uit eigen beweging, hetzij op verzoek van een verzekeringsinstelling, uitspraak doen over de regelmatigheid van de inschrijving.
De in dit artikel bedoelde inschrijving of aansluiting blijft behouden voor een termijn die loopt tot het einde van het tweede jaar dat verstreken is na het laatste jaar waarover de gerechtigde nog recht op geneeskundige verstrekkingen had. Tijdens de geldigheidsduur van de inschrijving of aansluiting, heeft het verwerven van een andere hoedanigheid van gerechtigde, geen nieuwe inschrijving of aansluiting tot gevolg. [7 De inschrijving bij de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering van de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die als vreemdeling niet zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, verliest zijn geldigheid op de dag dat de hoedanigheid bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet wordt verloren.]7
Ingeval de gerechtigde een aanvraag om inschrijving indient nadat de geldigheid van de vorige inschrijving is vervallen, in toepassing van het vorige lid, zal deze nieuwe inschrijving, indien ze wordt aanvaard, beschouwd worden als een herinschrijving of heraansluiting. De herinschrijving of heraansluiting kan ten vroegste uitwerking hebben op de dag na de einddatum van de geldigheid van de vorige inschrijving. Op de herinschrijving of heraansluiting zijn voor het overige dezelfde regels van toepassing, als die welke gelden voor de inschrijving of aansluiting.
Modifications
Art. 252. <AR 1997-12-29/30, art. 25, 017; En vigueur : 01-01-1998> Pour choisir un organisme assureur, les bénéficiaires, repris sous l'article 32, alinéa 1er, (1° à 16°, 18°, 20° à 22°) [7 et 24°]7, de la loi coordonnée, remettent, à une mutualité, à un Office régional de la Caisse auxiliaire d'Assurance maladie-invalidité ou a la [2 [3 Caisse des soins de santé de HR Rail]3]2, une demande d'inscription comportant un bulletin de composition de ménage, conforme au modèle en annexe II de cet arrêté. L'authenticité des renseignements y repris est vérifiée par le délégué de l'organisme assureur. <AR 2008-07-01/34, art. 17, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[6 Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsqu'un enfant visé à l'article 123, alinéa 1er, 3, a), né dans un hôpital, n'est inscrit auprès d'aucun organisme assureur 45 jours après sa naissance, la mutualité l'inscrit d'office, au plus tard dans un délai de 20 jours après réception du formulaire, conforme au modèle figurant à l'annexe III, établi et communiqué par l'hôpital à la mutualité de la personne qui a mis l'enfant au monde, à charge de la personne désignée dans le formulaire. La mutualité inscrit l'enfant après avoir vérifié la filiation selon l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 16°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques et à condition que le titulaire ait effectivement droit aux soins de santé.]6
L'organisme assureur est tenu d'accuser réception au bénéficiaire de toute demande d'inscription et de lui notifier, dans un délai d'un mois, son refus ou son acceptation. Sans préjudice des dispositions des articles 255 à 274, la Caisse auxiliaire d'Assurance maladie-invalidité est tenue d'inscrire tout bénéficiaire qui lui adresse la demande. [7 Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui ne sont pas inscrits auprès d'une mutualité ou en tant qu'étrangers ne sont pas admis ou autorisés à séjourner plus de trois mois dans le Royaume sont inscrits de plein droit à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité.]7
Les bénéficiaires des oeuvres sociales de la Société nationale des Chemins de fer belges, qui ne peuvent pas invoquer une autre qualité, sont inscrits de plein droit à la [2 [3 Caisse des soins de santé de HR Rail]3]2.
Toutefois, les bénéficiaires, qui ont encore une autre qualité, choisissent auprès de quel organisme assureur ils veulent être inscrits ou affiliés.
(Lorsque l'organisme assureur accepte, l'inscription du titulaire porte ses effets le premier jour du trimestre au cours duquel la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, de la loi coordonnée est acquise et l'inscription de la personne à charge porte ses effets le jour de l'acquisition de la qualité de personne à charge.) Toutefois, l'acceptation n'a d'effet qu'à la condition que le titulaire remette un des documents visés à l'article 276, § 2, ou à condition que les données visées dans ces calculs soient communiques électroniquement aux organismes assureurs; la personne à charge doit satisfaire aux conditions déterminées par les articles 123 à 126. <AR 2003-04-08/65, art. 4, 088; En vigueur : 01-01-2003>
Par dérogation à l'alinéa précédent, l'inscription des titulaires visés à (l'article 32, alinéa 1er, 12°, 14°, 15°, 21° et 22°) de la loi coordonnée n'a cependant effet qu'à partir du premier jour du trimestre au cours duquel la demande d'inscription est faite. Le fonctionnaire dirigeant du Service du Contrôle administratif ou un fonctionnaire délégué par lui peut, sur proposition de l'organisme assureur et pour les cas dignes d'intérêt reconnus comme tels, par lui et par cet organisme, décider si le titulaire peut se faire inscrire avec effet rétroactif ou s'affilier avec effet rétroactif et fixer la date d'effet de cette inscription ou affiliation. De même, par dérogation à l'alinéa précédent, l'inscription du titulaire visé à l'article 32, alinéa premier, 13°, de la loi coordonnée précitée porte ses effets au plus tôt le premier jour du trimestre au cours duquel a été introduite la demande visée à l'article 128ter, à l'article 8, § 1er, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés ou à l'article 5 de l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, 62, § 3, et 63 des lois coordonnées sur les allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales. <AR 2008-07-01/34, art. 17, 151; En vigueur : 01-01-2008>
L'inscription des titulaires visés à (l'article 32, alinéa 1er, 12°, 14°, 15° et 21°), n'est valable que si le montant d'une cotisation trimestrielle est payée, au plus tard le dernier jour du trimestre suivant le trimestre au cours duquel l'inscription a été demandée. [7 L'inscription du titulaire qui est détenu en prison ou placé dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) et d) de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement, et pour laquelle la demande n'est pas faite au cours du trimestre pendant lequel la détention ou le placement a débuté, prend effet à compter du jour de la détention ou du placement]7. <AR 2008-07-01/34, art. 17, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[1 Par dérogation à l'alinéa 5, pour le secteur des soins de santé, l'inscription des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1° bis, de la loi coordonnée, porte ses effets à partir du premier jour du trimestre au cours duquel la qualité est acquise, sous la condition suspensive soit du paiement de la première cotisation sociale trimestrielle due en vertu de l'article 13bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit de l'obtention de la dispense de cotisation pour cette première cotisation sociale trimestrielle, en application de l'article 17 du même arrêté.]1
[7 Par dérogation à l'alinéa 5, l'inscription des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, prend effet à compter du premier jour où la qualité a été acquise.]7
[5 Lorsqu'un bénéficiaire est déjà inscrit en qualité de personne à charge dans un organisme assureur et que celui-ci dispose des données visées à l'alinéa 5, son accord d'y être inscrit en qualité de titulaire est présumé s'il ne notifie pas au plus tard le dernier jour du mois suivant la demande de son organisme assureur son refus d'y être inscrit en tant que titulaire. La demande de l'organisme assureur est adressée au bénéficiaire dans les 60 jours calendrier de la réception des données visées à l'alinéa 5. Le présent alinéa s'applique également aux personnes en maintien de droit visées à l'article 127. Le présent alinéa ne s'applique pas aux travailleurs et bénéficiaires de la Caisse des soins de santé de HR Rail. Il ne s'applique pas non plus aux situations entrant dans le champ d'application des règles du droit européen directement applicables en la matière.]5
Tant pour l'inscription que pour les modifications ultérieures dans la composition du ménage, le titulaire est tenu de fournir les preuves permettant de justifier que les personnes à charge remplissent les conditions prévues aux articles 123 et 124. Toutefois, en cas de modifications dans la composition du ménage, le titulaire est dispensé de fournir l'attestation de la commune.
Les pièces justificatives produites sont conservées au dossier prévu à l'article 254.
(Un bénéficiaire ne peut être affilié qu'à une seule mutualité ou inscrit qu'à un seul office régional de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité ou à la Caisse des soins de santé de la SNCB Holding.) <AR 2008-07-01/34, art. 17, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Le Service du Contrôle administratif peut se prononcer sur la régularité de l'affiliation en cas de double inscription, soit d'initiative, soit à la demande d'un organisme assureur.
L'inscription ou l'affiliation, visées dans le présent article, est maintenu pour un délai allant au plus tard jusqu'à la fin de la deuxième année écoulée après la dernière année où le titulaire avait encore droit à des prestations de santé. Pendant la durée de validité de l'inscription ou de l'affiliation, l'acquisition d'une autre qualité de titulaire n'entraîne pas de nouvelle inscription ou affiliation. [7 L'inscription à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui en tant qu'étrangers ne sont pas admis ou autorisés à séjourner plus de trois mois dans le Royaume, perd sa validité le jour de la perte de la qualité visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée.]7
Au cas où le titulaire introduit une demande d'inscription après que soit expirée la validité de la précédente inscription, en application de l'alinéa précédent, cette nouvelle inscription, si elle est acceptée, sera considérée comme une réinscription ou une réaffiliation. La réinscription ou la réaffiliation ne peut avoir d'effet au plus tôt que le jour après l'expiration de la validité de la précédente inscription. Les mêmes règles, que celles qui sont en vigueur pour l'inscription ou l'affiliation, sont par ailleurs d'application pour la réinscription ou la réaffiliation.
[6 Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsqu'un enfant visé à l'article 123, alinéa 1er, 3, a), né dans un hôpital, n'est inscrit auprès d'aucun organisme assureur 45 jours après sa naissance, la mutualité l'inscrit d'office, au plus tard dans un délai de 20 jours après réception du formulaire, conforme au modèle figurant à l'annexe III, établi et communiqué par l'hôpital à la mutualité de la personne qui a mis l'enfant au monde, à charge de la personne désignée dans le formulaire. La mutualité inscrit l'enfant après avoir vérifié la filiation selon l'information visée à l'article 3, alinéa 1er, 16°, de la loi du 8 août 1983 organisant un Registre national des personnes physiques et à condition que le titulaire ait effectivement droit aux soins de santé.]6
L'organisme assureur est tenu d'accuser réception au bénéficiaire de toute demande d'inscription et de lui notifier, dans un délai d'un mois, son refus ou son acceptation. Sans préjudice des dispositions des articles 255 à 274, la Caisse auxiliaire d'Assurance maladie-invalidité est tenue d'inscrire tout bénéficiaire qui lui adresse la demande. [7 Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui ne sont pas inscrits auprès d'une mutualité ou en tant qu'étrangers ne sont pas admis ou autorisés à séjourner plus de trois mois dans le Royaume sont inscrits de plein droit à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité.]7
Les bénéficiaires des oeuvres sociales de la Société nationale des Chemins de fer belges, qui ne peuvent pas invoquer une autre qualité, sont inscrits de plein droit à la [2 [3 Caisse des soins de santé de HR Rail]3]2.
Toutefois, les bénéficiaires, qui ont encore une autre qualité, choisissent auprès de quel organisme assureur ils veulent être inscrits ou affiliés.
(Lorsque l'organisme assureur accepte, l'inscription du titulaire porte ses effets le premier jour du trimestre au cours duquel la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, de la loi coordonnée est acquise et l'inscription de la personne à charge porte ses effets le jour de l'acquisition de la qualité de personne à charge.) Toutefois, l'acceptation n'a d'effet qu'à la condition que le titulaire remette un des documents visés à l'article 276, § 2, ou à condition que les données visées dans ces calculs soient communiques électroniquement aux organismes assureurs; la personne à charge doit satisfaire aux conditions déterminées par les articles 123 à 126. <AR 2003-04-08/65, art. 4, 088; En vigueur : 01-01-2003>
Par dérogation à l'alinéa précédent, l'inscription des titulaires visés à (l'article 32, alinéa 1er, 12°, 14°, 15°, 21° et 22°) de la loi coordonnée n'a cependant effet qu'à partir du premier jour du trimestre au cours duquel la demande d'inscription est faite. Le fonctionnaire dirigeant du Service du Contrôle administratif ou un fonctionnaire délégué par lui peut, sur proposition de l'organisme assureur et pour les cas dignes d'intérêt reconnus comme tels, par lui et par cet organisme, décider si le titulaire peut se faire inscrire avec effet rétroactif ou s'affilier avec effet rétroactif et fixer la date d'effet de cette inscription ou affiliation. De même, par dérogation à l'alinéa précédent, l'inscription du titulaire visé à l'article 32, alinéa premier, 13°, de la loi coordonnée précitée porte ses effets au plus tôt le premier jour du trimestre au cours duquel a été introduite la demande visée à l'article 128ter, à l'article 8, § 1er, de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés ou à l'article 5 de l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution des articles 47, 56septies, 62, § 3, et 63 des lois coordonnées sur les allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales. <AR 2008-07-01/34, art. 17, 151; En vigueur : 01-01-2008>
L'inscription des titulaires visés à (l'article 32, alinéa 1er, 12°, 14°, 15° et 21°), n'est valable que si le montant d'une cotisation trimestrielle est payée, au plus tard le dernier jour du trimestre suivant le trimestre au cours duquel l'inscription a été demandée. [7 L'inscription du titulaire qui est détenu en prison ou placé dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) et d) de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement, et pour laquelle la demande n'est pas faite au cours du trimestre pendant lequel la détention ou le placement a débuté, prend effet à compter du jour de la détention ou du placement]7. <AR 2008-07-01/34, art. 17, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[1 Par dérogation à l'alinéa 5, pour le secteur des soins de santé, l'inscription des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1° bis, de la loi coordonnée, porte ses effets à partir du premier jour du trimestre au cours duquel la qualité est acquise, sous la condition suspensive soit du paiement de la première cotisation sociale trimestrielle due en vertu de l'article 13bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit de l'obtention de la dispense de cotisation pour cette première cotisation sociale trimestrielle, en application de l'article 17 du même arrêté.]1
[7 Par dérogation à l'alinéa 5, l'inscription des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, prend effet à compter du premier jour où la qualité a été acquise.]7
[5 Lorsqu'un bénéficiaire est déjà inscrit en qualité de personne à charge dans un organisme assureur et que celui-ci dispose des données visées à l'alinéa 5, son accord d'y être inscrit en qualité de titulaire est présumé s'il ne notifie pas au plus tard le dernier jour du mois suivant la demande de son organisme assureur son refus d'y être inscrit en tant que titulaire. La demande de l'organisme assureur est adressée au bénéficiaire dans les 60 jours calendrier de la réception des données visées à l'alinéa 5. Le présent alinéa s'applique également aux personnes en maintien de droit visées à l'article 127. Le présent alinéa ne s'applique pas aux travailleurs et bénéficiaires de la Caisse des soins de santé de HR Rail. Il ne s'applique pas non plus aux situations entrant dans le champ d'application des règles du droit européen directement applicables en la matière.]5
Tant pour l'inscription que pour les modifications ultérieures dans la composition du ménage, le titulaire est tenu de fournir les preuves permettant de justifier que les personnes à charge remplissent les conditions prévues aux articles 123 et 124. Toutefois, en cas de modifications dans la composition du ménage, le titulaire est dispensé de fournir l'attestation de la commune.
Les pièces justificatives produites sont conservées au dossier prévu à l'article 254.
(Un bénéficiaire ne peut être affilié qu'à une seule mutualité ou inscrit qu'à un seul office régional de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité ou à la Caisse des soins de santé de la SNCB Holding.) <AR 2008-07-01/34, art. 17, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Le Service du Contrôle administratif peut se prononcer sur la régularité de l'affiliation en cas de double inscription, soit d'initiative, soit à la demande d'un organisme assureur.
L'inscription ou l'affiliation, visées dans le présent article, est maintenu pour un délai allant au plus tard jusqu'à la fin de la deuxième année écoulée après la dernière année où le titulaire avait encore droit à des prestations de santé. Pendant la durée de validité de l'inscription ou de l'affiliation, l'acquisition d'une autre qualité de titulaire n'entraîne pas de nouvelle inscription ou affiliation. [7 L'inscription à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui en tant qu'étrangers ne sont pas admis ou autorisés à séjourner plus de trois mois dans le Royaume, perd sa validité le jour de la perte de la qualité visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée.]7
Au cas où le titulaire introduit une demande d'inscription après que soit expirée la validité de la précédente inscription, en application de l'alinéa précédent, cette nouvelle inscription, si elle est acceptée, sera considérée comme une réinscription ou une réaffiliation. La réinscription ou la réaffiliation ne peut avoir d'effet au plus tôt que le jour après l'expiration de la validité de la précédente inscription. Les mêmes règles, que celles qui sont en vigueur pour l'inscription ou l'affiliation, sont par ailleurs d'application pour la réinscription ou la réaffiliation.
Modifications
Art.254. De verzekeringsinstelling legt op naam van ieder gerechtigde een dossier aan dat de aanvraag om inschrijving bevat alsook een kaart met volgende gegevens:
1. inschrijvingsdatum en -nummer van de gerechtigde, zijn identiteit en die van de personen te zijnen laste en hun adres alsmede hun identificatienummer in het Rijksregister;
2. elke wijziging van aantal en hoedanigheid van de personen ten laste;
3. de aard van de bijdragebescheiden, het type van gegevensoverdracht en de gegevens die erop voorkomen die de verzekerbaarheid aanbelangen.
4. bedrag en aard van de persoonlijke en aanvullende bijdragen, datum van de betaling ervan en tijdvak waarop zij betrekking hebben;
5. een opgave van de sancties die de gerechtigde en de personen te zijnen laste hebben opgelopen.
Dat dossier bevat ook alle bescheiden betreffende de hoedanigheid van rechthebbende van de gerechtigheid en van de personen ten zijnen laste. Het dossier wordt bewaard in het ziekenfonds of in de gewestelijke dienst.
Alle geneeskundige inlichtingen met betrekking tot de gerechtigde en personen te zijnen laste worden door de adviserend [1 arts]1 in een bijzonder dossier bewaard.
De verzekeringsinstelling moet uiterlijk op (1 december) van elk jaar, aan de gerechtigden die niet voldoen aan de bepalingen om vanaf (1 januari) verder recht te hebben op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, een formulier richten waarop melding wordt gemaakt van de ontbrekende bijdragebescheiden en/of de achterstallige persoonlijke bijdragen. <KB 1997-12-29/30, art. 26, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Een kopie van dit formulier wordt bewaard in het dossier van de gerechtigde.
1. inschrijvingsdatum en -nummer van de gerechtigde, zijn identiteit en die van de personen te zijnen laste en hun adres alsmede hun identificatienummer in het Rijksregister;
2. elke wijziging van aantal en hoedanigheid van de personen ten laste;
3. de aard van de bijdragebescheiden, het type van gegevensoverdracht en de gegevens die erop voorkomen die de verzekerbaarheid aanbelangen.
4. bedrag en aard van de persoonlijke en aanvullende bijdragen, datum van de betaling ervan en tijdvak waarop zij betrekking hebben;
5. een opgave van de sancties die de gerechtigde en de personen te zijnen laste hebben opgelopen.
Dat dossier bevat ook alle bescheiden betreffende de hoedanigheid van rechthebbende van de gerechtigheid en van de personen ten zijnen laste. Het dossier wordt bewaard in het ziekenfonds of in de gewestelijke dienst.
Alle geneeskundige inlichtingen met betrekking tot de gerechtigde en personen te zijnen laste worden door de adviserend [1 arts]1 in een bijzonder dossier bewaard.
De verzekeringsinstelling moet uiterlijk op (1 december) van elk jaar, aan de gerechtigden die niet voldoen aan de bepalingen om vanaf (1 januari) verder recht te hebben op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, een formulier richten waarop melding wordt gemaakt van de ontbrekende bijdragebescheiden en/of de achterstallige persoonlijke bijdragen. <KB 1997-12-29/30, art. 26, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Een kopie van dit formulier wordt bewaard in het dossier van de gerechtigde.
Modifications
Art. 254. De verzekeringsinstelling legt op naam van ieder gerechtigde een dossier aan dat de aanvraag om inschrijving bevat alsook een kaart met volgende gegevens:
1. inschrijvingsdatum en -nummer van de gerechtigde, zijn identiteit en die van de personen te zijnen laste en hun adres alsmede hun identificatienummer in het Rijksregister;
2. elke wijziging van aantal en hoedanigheid van de personen ten laste;
3. de aard van de bijdragebescheiden, het type van gegevensoverdracht en de gegevens die erop voorkomen die de verzekerbaarheid aanbelangen.
4. bedrag en aard van de persoonlijke en aanvullende bijdragen, datum van de betaling ervan en tijdvak waarop zij betrekking hebben;
5. een opgave van de sancties die de gerechtigde en de personen te zijnen laste hebben opgelopen.
Dat dossier bevat ook alle bescheiden betreffende de hoedanigheid van rechthebbende van de gerechtigheid en van de personen ten zijnen laste. Het dossier wordt bewaard in het ziekenfonds of in de gewestelijke dienst.
Alle geneeskundige inlichtingen met betrekking tot de gerechtigde en personen te zijnen laste worden door de adviserend [1 arts]1 in een bijzonder dossier bewaard.
De verzekeringsinstelling moet uiterlijk op (1 december) van elk jaar, aan de gerechtigden die niet voldoen aan de bepalingen om vanaf (1 januari) verder recht te hebben op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, een formulier richten waarop melding wordt gemaakt van de ontbrekende bijdragebescheiden en/of de achterstallige persoonlijke bijdragen. <KB 1997-12-29/30, art. 26, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Een kopie van dit formulier wordt bewaard in het dossier van de gerechtigde.
1. inschrijvingsdatum en -nummer van de gerechtigde, zijn identiteit en die van de personen te zijnen laste en hun adres alsmede hun identificatienummer in het Rijksregister;
2. elke wijziging van aantal en hoedanigheid van de personen ten laste;
3. de aard van de bijdragebescheiden, het type van gegevensoverdracht en de gegevens die erop voorkomen die de verzekerbaarheid aanbelangen.
4. bedrag en aard van de persoonlijke en aanvullende bijdragen, datum van de betaling ervan en tijdvak waarop zij betrekking hebben;
5. een opgave van de sancties die de gerechtigde en de personen te zijnen laste hebben opgelopen.
Dat dossier bevat ook alle bescheiden betreffende de hoedanigheid van rechthebbende van de gerechtigheid en van de personen ten zijnen laste. Het dossier wordt bewaard in het ziekenfonds of in de gewestelijke dienst.
Alle geneeskundige inlichtingen met betrekking tot de gerechtigde en personen te zijnen laste worden door de adviserend [1 arts]1 in een bijzonder dossier bewaard.
De verzekeringsinstelling moet uiterlijk op (1 december) van elk jaar, aan de gerechtigden die niet voldoen aan de bepalingen om vanaf (1 januari) verder recht te hebben op de prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging, een formulier richten waarop melding wordt gemaakt van de ontbrekende bijdragebescheiden en/of de achterstallige persoonlijke bijdragen. <KB 1997-12-29/30, art. 26, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Een kopie van dit formulier wordt bewaard in het dossier van de gerechtigde.
Modifications
Art. 254. L'organisme assureur établit au nom de chaque titulaire, un dossier contenant la demande d'inscription, ainsi qu'une fiche qui reproduit les données suivantes:
1. la date et le numéro d'inscription du titulaire, son identité ainsi que celle des personnes à charge et leur adresse ainsi que leur numéro d'identification dans le Registre national;
2. tout modification dans le nombre et la qualité de personnes à charge;
3. la nature des documents de cotisation, le type de transmission de données et les données y figurant relatives à l'assurabilité;
4. le montant et la nature des cotisation personnelles et des compléments de cotisation, la date de leur paiement et la période à laquelle elle se rapportent;
5. un relevé des sanctions qui ont été infligées au titulaire ainsi qu'aux personnes à sa charge.
Ce dossier contient également tous les documents relatifs à la qualité de bénéficiaire du titulaire et des personnes à charge. Le dossier est conservé au niveau de la mutualité ou de l'office régional.
Tous les renseignements d'ordre médical relatifs au titulaire et aux personnes à sa charge sont conservés par le médecin-conseil dans un dossier spécial.
L'organisme assureur doit adresser, au plus tard le (1er décembre) de chaque année aux titulaires qui ne répondent pas aux critères permettant d'avoir droit à partir du (1er janvier) aux prestations de l'assurance soins de santé, une formule sur laquelle il est fait mention des documents de cotisation manquants et/ou des cotisations personnelles en retard. <AR 1997-12-29/30, art. 26, 017; En vigueur : 01-01-1998>
Une copie de cette formule est conservée dans le dossier du titulaire.
1. la date et le numéro d'inscription du titulaire, son identité ainsi que celle des personnes à charge et leur adresse ainsi que leur numéro d'identification dans le Registre national;
2. tout modification dans le nombre et la qualité de personnes à charge;
3. la nature des documents de cotisation, le type de transmission de données et les données y figurant relatives à l'assurabilité;
4. le montant et la nature des cotisation personnelles et des compléments de cotisation, la date de leur paiement et la période à laquelle elle se rapportent;
5. un relevé des sanctions qui ont été infligées au titulaire ainsi qu'aux personnes à sa charge.
Ce dossier contient également tous les documents relatifs à la qualité de bénéficiaire du titulaire et des personnes à charge. Le dossier est conservé au niveau de la mutualité ou de l'office régional.
Tous les renseignements d'ordre médical relatifs au titulaire et aux personnes à sa charge sont conservés par le médecin-conseil dans un dossier spécial.
L'organisme assureur doit adresser, au plus tard le (1er décembre) de chaque année aux titulaires qui ne répondent pas aux critères permettant d'avoir droit à partir du (1er janvier) aux prestations de l'assurance soins de santé, une formule sur laquelle il est fait mention des documents de cotisation manquants et/ou des cotisations personnelles en retard. <AR 1997-12-29/30, art. 26, 017; En vigueur : 01-01-1998>
Une copie de cette formule est conservée dans le dossier du titulaire.
Art.255.De individuele mutatie bestaat in het overgaan van een gerechtigde naar een andere verzekeringsinstelling dan die waarbij hij was ingeschreven.
Art.256.L'article 255, alinéa 1er n'est pas applicable aux titulaires qui acquièrent ou perdent la qualité de bénéficiaire des oeuvres sociales de la Société nationale des Chemins de fer belges et qui, en cette qualité, doivent être ou sont inscrits auprès de la Caisse des soins de santé de [1 SNCB holding]1. [2 Il en est de même des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui, en tant qu'étrangers sans autorisation ou admission à séjourner plus de trois mois dans le Royaume, sont inscrits de plein droit à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité et acquièrent une qualité visée à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 23° de la loi coordonnée.]2 Dans ces cas, l'inscription auprès de l'organisme assureur prend cours à la date à laquelle lesdits titulaires obtiennent leur nouvelle qualité.
Art.256. Artikel 255, eerste lid, is niet van toepassing op de gerechtigden die de hoedanigheid van rechthebbende van de sociale werken van [1 NMBS holding]1 verkrijgen of verliezen en die in deze hoedanigheid moeten ingeschreven worden of ingeschreven zijn bij de [2 Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding]2. [3 Hetzelfde geldt voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die, als vreemdeling zonder toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, van rechtswege ingeschreven zijn bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en een hoedanigheid verwerven zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 23° van de gecoördineerde wet.]3 In deze gevallen geldt de inschrijving bij de verzekeringsinstelling vanaf de datum waarop de voornoemde gerechtigden hun nieuwe hoedanigheid bekomen.
[3 Artikel 255, eerste lid, is evenmin van toepassing op de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die zijn toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk verliest en van rechtswege ingeschreven moet worden bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In dit geval geldt de inschrijving bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vanaf de datum van verlies van de toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk.]3
De nodige inlichtingen voor de samenstelling van het dossier dienen nochtans aan de nieuwe verzekeringsinstelling te worden toegezonden overeenkomstig artikel 261, tweede lid.
[3 Artikel 255, eerste lid, is evenmin van toepassing op de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die zijn toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk verliest en van rechtswege ingeschreven moet worden bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In dit geval geldt de inschrijving bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vanaf de datum van verlies van de toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk.]3
De nodige inlichtingen voor de samenstelling van het dossier dienen nochtans aan de nieuwe verzekeringsinstelling te worden toegezonden overeenkomstig artikel 261, tweede lid.
Art.257. [1 Le titulaire qui désire changer d'organisme assureur doit en faire la demande à l'organisme assureur auquel il désire s'inscrire ou s'affilier. A cette fin, il remplit un formulaire de demande de mutation qui lui est remis par le nouvel organisme assureur.
L'assuré doit être informé de manière claire et explicite qu'il peut retirer la demande de mutation auprès de son ancien organisme assureur jusqu'au dernier jour ouvrable précédant la date de mutation.
L'ancien organisme assureur communique le retrait de la demande de mutation de l'assuré au nouvel organisme assureur dans les 10 jours ouvrables et le communique également au Service du contrôle administratif.]1
L'assuré doit être informé de manière claire et explicite qu'il peut retirer la demande de mutation auprès de son ancien organisme assureur jusqu'au dernier jour ouvrable précédant la date de mutation.
L'ancien organisme assureur communique le retrait de la demande de mutation de l'assuré au nouvel organisme assureur dans les 10 jours ouvrables et le communique également au Service du contrôle administratif.]1
Modifications
Art. 256. Artikel 255, eerste lid, is niet van toepassing op de gerechtigden die de hoedanigheid van rechthebbende van de sociale werken van [1 NMBS holding]1 verkrijgen of verliezen en die in deze hoedanigheid moeten ingeschreven worden of ingeschreven zijn bij de [2 Kas der geneeskundige verzorging van N.M.B.S. Holding]2. [3 Hetzelfde geldt voor de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die, als vreemdeling zonder toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, van rechtswege ingeschreven zijn bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en een hoedanigheid verwerven zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 23° van de gecoördineerde wet.]3 In deze gevallen geldt de inschrijving bij de verzekeringsinstelling vanaf de datum waarop de voornoemde gerechtigden hun nieuwe hoedanigheid bekomen.
[3 Artikel 255, eerste lid, is evenmin van toepassing op de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die zijn toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk verliest en van rechtswege ingeschreven moet worden bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In dit geval geldt de inschrijving bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vanaf de datum van verlies van de toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk.]3
De nodige inlichtingen voor de samenstelling van het dossier dienen nochtans aan de nieuwe verzekeringsinstelling te worden toegezonden overeenkomstig artikel 261, tweede lid.
[3 Artikel 255, eerste lid, is evenmin van toepassing op de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die zijn toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk verliest en van rechtswege ingeschreven moet worden bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. In dit geval geldt de inschrijving bij de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering vanaf de datum van verlies van de toelating of machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk.]3
De nodige inlichtingen voor de samenstelling van het dossier dienen nochtans aan de nieuwe verzekeringsinstelling te worden toegezonden overeenkomstig artikel 261, tweede lid.
Art. 256. L'article 255, alinéa 1er n'est pas applicable aux titulaires qui acquièrent ou perdent la qualité de bénéficiaire des oeuvres sociales de la Société nationale des Chemins de fer belges et qui, en cette qualité, doivent être ou sont inscrits auprès de la Caisse des soins de santé de [1 SNCB holding]1. [2 Il en est de même des titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui, en tant qu'étrangers sans autorisation ou admission à séjourner plus de trois mois dans le Royaume, sont inscrits de plein droit à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité et acquièrent une qualité visée à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 23° de la loi coordonnée.]2 Dans ces cas, l'inscription auprès de l'organisme assureur prend cours à la date à laquelle lesdits titulaires obtiennent leur nouvelle qualité.
[2 L'article 255, alinéa 1er, n'est pas non plus applicable au titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui perd son admission ou autorisation à séjourner plus de trois mois dans le Royaume et doit être inscrit de plein droit à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. Dans ce cas, l'inscription auprès de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité prend cours à la date de perte de l'admission ou autorisation de séjourner plus de trois mois dans le Royaume.]2
Les renseignements nécessaires à la constitution du dossier doivent néanmoins être envoyés au nouvel organisme assureur conformément à l'article 261, alinéa 2.
[2 L'article 255, alinéa 1er, n'est pas non plus applicable au titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui perd son admission ou autorisation à séjourner plus de trois mois dans le Royaume et doit être inscrit de plein droit à la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité. Dans ce cas, l'inscription auprès de la Caisse auxiliaire d'assurance maladie-invalidité prend cours à la date de perte de l'admission ou autorisation de séjourner plus de trois mois dans le Royaume.]2
Les renseignements nécessaires à la constitution du dossier doivent néanmoins être envoyés au nouvel organisme assureur conformément à l'article 261, alinéa 2.
Art. 257. [1 De gerechtigde die naar een andere verzekeringsinstelling wenst over te gaan, moet daartoe een aanvraag om mutatie indienen bij de verzekeringsinstelling waarbij hij wenst zich te laten inschrijven of aansluiten. Daarvoor vult hij een formulier aanvraag om mutatie in dat hem door de nieuwe verzekeringsinstelling wordt uitgereikt.
De verzekerde moet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze worden geïnformeerd dat hij de aanvraag om mutatie kan intrekken bij zijn vroegere verzekeringsinstelling tot op de laatste werkdag voor de mutatiedatum.
De intrekking van de aanvraag om mutatie van de verzekerde wordt binnen de 10 werkdagen door de vroegere verzekeringsinstelling medegedeeld aan de nieuwe verzekeringsinstelling en wordt tevens meegedeeld aan de Dienst voor administratieve controle.]1
De verzekerde moet op duidelijke en ondubbelzinnige wijze worden geïnformeerd dat hij de aanvraag om mutatie kan intrekken bij zijn vroegere verzekeringsinstelling tot op de laatste werkdag voor de mutatiedatum.
De intrekking van de aanvraag om mutatie van de verzekerde wordt binnen de 10 werkdagen door de vroegere verzekeringsinstelling medegedeeld aan de nieuwe verzekeringsinstelling en wordt tevens meegedeeld aan de Dienst voor administratieve controle.]1
Modifications
Art.259. [1 L'ancien organisme assureur a la faculté de refuser la demande de mutation dans les cas visés sous a) à e). Ce dernier a l'obligation de refuser la demande de mutation dans les cas visés sous f) à h) :
a) si, à la date pour laquelle la mutation est demandée, douze mois ne se sont pas écoulés depuis la date de l'inscription ou de l'affiliation comme titulaire dans l'organisme assureur qu'il désire quitter, la date d'inscription ou la date d'affiliation est fixée en application de l'article 252 ou de l'article 255, alinéa 2. [2 Toutefois, en cas d'inscription visée à l'article 252, alinéa 9, le délai de douze mois ne s'applique pas et la mutation s'opère le premier jour du trimestre civil qui suit la demande]2. [3 Il en est de même en cas d'inscription visée à l'article 252, alinéa 3, d'un titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui n'est pas inscrit auprès d'une mutualité.]3;
b) si, à la date pour laquelle la mutation est demandée, le titulaire subit une sanction en vertu de l'article 168quinquies, § 2, de la loi coordonnée précitée ou si une sanction est prononcée avant cette date, celle-ci ne pourra sortir ses effets qu'après cette date.
Toutefois, cette disposition ne s'applique pas aux sanctions prononcées avec sursis;
c) si un des renseignements suivants fait défaut dans la demande de mutation : nom, prénom, numéro d'identification de la sécurité sociale ou à défaut de numéro, la date de naissance, dénomination du nouvel organisme assureur et date de mutation;
d) si la demande de mutation n'a pas été envoyée dans le délai prévu à l'article 258;
e) si le titulaire a, à la date pour laquelle la mutation est demandée, une dette vis-à-vis de son ancien organisme assureur, dette résultant de l'application des dispositions de la loi coordonnée précitée.
Le montant de la dette et sa description sont indiqués sur la notification visée à l'article 260.
Cependant, la mutation doit être accordée, si le nouvel organisme assureur paie l'intégralité de la somme due à l'ancien organisme assureur au plus tard le jour de la mutation et qu'il fournit à l'ancien organisme assureur la preuve que l'assuré lui a remboursé cette somme, dans un délai de 20 jours ouvrables à partir de la date de mutation;
f) si le titulaire a sollicité sa mutation pour la même date auprès de plusieurs organismes assureurs;
g) lorsque l'organisme assureur constate que la demande de mutation n'est pas signée par le titulaire concerné.
La demande de mutation ne doit cependant pas être refusée si le titulaire de la demande confirme celle-ci par écrit;
h) si la personne qui a introduit la demande de mutation est inscrite comme personne à charge auprès de l'ancien organisme assureur.]1
a) si, à la date pour laquelle la mutation est demandée, douze mois ne se sont pas écoulés depuis la date de l'inscription ou de l'affiliation comme titulaire dans l'organisme assureur qu'il désire quitter, la date d'inscription ou la date d'affiliation est fixée en application de l'article 252 ou de l'article 255, alinéa 2. [2 Toutefois, en cas d'inscription visée à l'article 252, alinéa 9, le délai de douze mois ne s'applique pas et la mutation s'opère le premier jour du trimestre civil qui suit la demande]2. [3 Il en est de même en cas d'inscription visée à l'article 252, alinéa 3, d'un titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui n'est pas inscrit auprès d'une mutualité.]3;
b) si, à la date pour laquelle la mutation est demandée, le titulaire subit une sanction en vertu de l'article 168quinquies, § 2, de la loi coordonnée précitée ou si une sanction est prononcée avant cette date, celle-ci ne pourra sortir ses effets qu'après cette date.
Toutefois, cette disposition ne s'applique pas aux sanctions prononcées avec sursis;
c) si un des renseignements suivants fait défaut dans la demande de mutation : nom, prénom, numéro d'identification de la sécurité sociale ou à défaut de numéro, la date de naissance, dénomination du nouvel organisme assureur et date de mutation;
d) si la demande de mutation n'a pas été envoyée dans le délai prévu à l'article 258;
e) si le titulaire a, à la date pour laquelle la mutation est demandée, une dette vis-à-vis de son ancien organisme assureur, dette résultant de l'application des dispositions de la loi coordonnée précitée.
Le montant de la dette et sa description sont indiqués sur la notification visée à l'article 260.
Cependant, la mutation doit être accordée, si le nouvel organisme assureur paie l'intégralité de la somme due à l'ancien organisme assureur au plus tard le jour de la mutation et qu'il fournit à l'ancien organisme assureur la preuve que l'assuré lui a remboursé cette somme, dans un délai de 20 jours ouvrables à partir de la date de mutation;
f) si le titulaire a sollicité sa mutation pour la même date auprès de plusieurs organismes assureurs;
g) lorsque l'organisme assureur constate que la demande de mutation n'est pas signée par le titulaire concerné.
La demande de mutation ne doit cependant pas être refusée si le titulaire de la demande confirme celle-ci par écrit;
h) si la personne qui a introduit la demande de mutation est inscrite comme personne à charge auprès de l'ancien organisme assureur.]1
Art.259. [1 De vroegere verzekeringsinstelling mag de aanvraag om mutatie weigeren in de gevallen a) tot en met e). Deze laatste is verplicht om de aanvraag om mutatie te weigeren in de gevallen bedoeld onder f) tot en met h) :
a) indien op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, geen twaalf maanden verlopen zijn sedert de datum van de inschrijving of aansluiting als gerechtigde bij de verzekeringsinstelling die hij wenst te verlaten waarbij de inschrijvingsdatum of aansluitingsdatum wordt vastgesteld met toepassing van artikel 252 of artikel 255, tweede lid. [2 Bij een inschrijving als bedoeld in artikel 252, negende lid, geldt de termijn van twaalf maanden evenwel niet en vindt de mutatie plaats op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de aanvraag]2. [3 Hetzelfde geldt bij een inschrijving als bedoeld in artikel 252, derde lid, van een gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die niet is ingeschreven bij een ziekenfonds]3;
b) indien de gerechtigde op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, een sanctie ondergaat overeenkomstig artikel 168quinquies, § 2, van de voormelde gecoördineerde wet of indien vóór die datum te zijnen opzichte een sanctie is getroffen welke pas na die datum zal kunnen worden toegepast.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de sancties waarvoor bij de uitspraak uitstel is verleend;
c) indien op de aanvraag om mutatie één van volgende inlichtingen ontbreekt : naam, voornaam, identificatienummer sociale zekerheid of bij gebreke hieraan de geboortedatum, benaming van de nieuwe verzekeringsinstelling en mutatiedatum;
d) indien de aanvraag om mutatie niet is gezonden binnen de in artikel 258 gestelde termijn;
e) indien de gerechtigde op de datum waarvoor de mutatie werd gevraagd, bij zijn vroegere verzekeringsinstelling een schuld heeft voortvloeiend uit de bepalingen van de voormelde gecoördineerde wet.
Het bedrag van de schuld en de omschrijving ervan, wordt vermeld op de in artikel 260 bedoelde kennisgeving.
De mutatie moet evenwel worden toegestaan indien de nieuwe verzekeringsinstelling het volle verschuldigde bedrag aan de vroegere verzekeringsinstelling betaalt uiterlijk de dag van de mutatie en binnen een termijn van twintig werkdagen te rekenen vanaf de mutatiedatum aan de vroegere verzekeringsinstelling het bewijs levert dat de verzekerde het bedrag terugbetaald heeft;
f) indien de gerechtigde bij verscheidene verzekeringsinstellingen tegen dezelfde datum om mutatie heeft gevraagd;
g) indien de verzekeringsinstelling vaststelt dat de aanvraag om mutatie niet door de betrokken gerechtigde ondertekend is.
De aanvraag om mutatie dient evenwel niet geweigerd te worden indien de gerechtigde van de aanvraag deze schriftelijk bevestigt;
h) indien de persoon die de aanvraag om mutatie heeft aangevraagd ingeschreven is als persoon ten laste bij de vroegere verzekeringsinstelling.]1
a) indien op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, geen twaalf maanden verlopen zijn sedert de datum van de inschrijving of aansluiting als gerechtigde bij de verzekeringsinstelling die hij wenst te verlaten waarbij de inschrijvingsdatum of aansluitingsdatum wordt vastgesteld met toepassing van artikel 252 of artikel 255, tweede lid. [2 Bij een inschrijving als bedoeld in artikel 252, negende lid, geldt de termijn van twaalf maanden evenwel niet en vindt de mutatie plaats op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de aanvraag]2. [3 Hetzelfde geldt bij een inschrijving als bedoeld in artikel 252, derde lid, van een gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die niet is ingeschreven bij een ziekenfonds]3;
b) indien de gerechtigde op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, een sanctie ondergaat overeenkomstig artikel 168quinquies, § 2, van de voormelde gecoördineerde wet of indien vóór die datum te zijnen opzichte een sanctie is getroffen welke pas na die datum zal kunnen worden toegepast.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de sancties waarvoor bij de uitspraak uitstel is verleend;
c) indien op de aanvraag om mutatie één van volgende inlichtingen ontbreekt : naam, voornaam, identificatienummer sociale zekerheid of bij gebreke hieraan de geboortedatum, benaming van de nieuwe verzekeringsinstelling en mutatiedatum;
d) indien de aanvraag om mutatie niet is gezonden binnen de in artikel 258 gestelde termijn;
e) indien de gerechtigde op de datum waarvoor de mutatie werd gevraagd, bij zijn vroegere verzekeringsinstelling een schuld heeft voortvloeiend uit de bepalingen van de voormelde gecoördineerde wet.
Het bedrag van de schuld en de omschrijving ervan, wordt vermeld op de in artikel 260 bedoelde kennisgeving.
De mutatie moet evenwel worden toegestaan indien de nieuwe verzekeringsinstelling het volle verschuldigde bedrag aan de vroegere verzekeringsinstelling betaalt uiterlijk de dag van de mutatie en binnen een termijn van twintig werkdagen te rekenen vanaf de mutatiedatum aan de vroegere verzekeringsinstelling het bewijs levert dat de verzekerde het bedrag terugbetaald heeft;
f) indien de gerechtigde bij verscheidene verzekeringsinstellingen tegen dezelfde datum om mutatie heeft gevraagd;
g) indien de verzekeringsinstelling vaststelt dat de aanvraag om mutatie niet door de betrokken gerechtigde ondertekend is.
De aanvraag om mutatie dient evenwel niet geweigerd te worden indien de gerechtigde van de aanvraag deze schriftelijk bevestigt;
h) indien de persoon die de aanvraag om mutatie heeft aangevraagd ingeschreven is als persoon ten laste bij de vroegere verzekeringsinstelling.]1
Art.260. [1 Dans les cas visés à l'article 259, sous a) à h), le refus motivé doit être notifié au titulaire et au nouvel organisme assureur dans un délai de vingt jours courant à dater du premier jour ouvrable qui suit la date fixée à l'article 258. Cependant, si le formulaire de demande de mutation est envoyé à l'ancien organisme assureur après la date fixée à l'article 258, ce délai courra à dater de la date de la notification de la demande de mutation.
La décision motivée de refus visée à l'alinéa précédent peut être donnée au plus tôt à partir de la date de la mutation.
La décision de refus de la demande de mutation est également transmise au Service du contrôle administratif.
Lorsque l'ancien organisme assureur omet de notifier le refus dans le délai fixé, la demande de mutation est considérée comme acceptée.]1
La décision motivée de refus visée à l'alinéa précédent peut être donnée au plus tôt à partir de la date de la mutation.
La décision de refus de la demande de mutation est également transmise au Service du contrôle administratif.
Lorsque l'ancien organisme assureur omet de notifier le refus dans le délai fixé, la demande de mutation est considérée comme acceptée.]1
Modifications
Art. 259. [1 De vroegere verzekeringsinstelling mag de aanvraag om mutatie weigeren in de gevallen a) tot en met e). Deze laatste is verplicht om de aanvraag om mutatie te weigeren in de gevallen bedoeld onder f) tot en met h) :
a) indien op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, geen twaalf maanden verlopen zijn sedert de datum van de inschrijving of aansluiting als gerechtigde bij de verzekeringsinstelling die hij wenst te verlaten waarbij de inschrijvingsdatum of aansluitingsdatum wordt vastgesteld met toepassing van artikel 252 of artikel 255, tweede lid. [2 Bij een inschrijving als bedoeld in artikel 252, negende lid, geldt de termijn van twaalf maanden evenwel niet en vindt de mutatie plaats op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de aanvraag]2. [3 Hetzelfde geldt bij een inschrijving als bedoeld in artikel 252, derde lid, van een gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die niet is ingeschreven bij een ziekenfonds]3;
b) indien de gerechtigde op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, een sanctie ondergaat overeenkomstig artikel 168quinquies, § 2, van de voormelde gecoördineerde wet of indien vóór die datum te zijnen opzichte een sanctie is getroffen welke pas na die datum zal kunnen worden toegepast.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de sancties waarvoor bij de uitspraak uitstel is verleend;
c) indien op de aanvraag om mutatie één van volgende inlichtingen ontbreekt : naam, voornaam, identificatienummer sociale zekerheid of bij gebreke hieraan de geboortedatum, benaming van de nieuwe verzekeringsinstelling en mutatiedatum;
d) indien de aanvraag om mutatie niet is gezonden binnen de in artikel 258 gestelde termijn;
e) indien de gerechtigde op de datum waarvoor de mutatie werd gevraagd, bij zijn vroegere verzekeringsinstelling een schuld heeft voortvloeiend uit de bepalingen van de voormelde gecoördineerde wet.
Het bedrag van de schuld en de omschrijving ervan, wordt vermeld op de in artikel 260 bedoelde kennisgeving.
De mutatie moet evenwel worden toegestaan indien de nieuwe verzekeringsinstelling het volle verschuldigde bedrag aan de vroegere verzekeringsinstelling betaalt uiterlijk de dag van de mutatie en binnen een termijn van twintig werkdagen te rekenen vanaf de mutatiedatum aan de vroegere verzekeringsinstelling het bewijs levert dat de verzekerde het bedrag terugbetaald heeft;
f) indien de gerechtigde bij verscheidene verzekeringsinstellingen tegen dezelfde datum om mutatie heeft gevraagd;
g) indien de verzekeringsinstelling vaststelt dat de aanvraag om mutatie niet door de betrokken gerechtigde ondertekend is.
De aanvraag om mutatie dient evenwel niet geweigerd te worden indien de gerechtigde van de aanvraag deze schriftelijk bevestigt;
h) indien de persoon die de aanvraag om mutatie heeft aangevraagd ingeschreven is als persoon ten laste bij de vroegere verzekeringsinstelling.]1
a) indien op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, geen twaalf maanden verlopen zijn sedert de datum van de inschrijving of aansluiting als gerechtigde bij de verzekeringsinstelling die hij wenst te verlaten waarbij de inschrijvingsdatum of aansluitingsdatum wordt vastgesteld met toepassing van artikel 252 of artikel 255, tweede lid. [2 Bij een inschrijving als bedoeld in artikel 252, negende lid, geldt de termijn van twaalf maanden evenwel niet en vindt de mutatie plaats op de eerste dag van het kalenderkwartaal volgend op de aanvraag]2. [3 Hetzelfde geldt bij een inschrijving als bedoeld in artikel 252, derde lid, van een gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24°, van de gecoördineerde wet die niet is ingeschreven bij een ziekenfonds]3;
b) indien de gerechtigde op de datum tegen welke de mutatie wordt gevraagd, een sanctie ondergaat overeenkomstig artikel 168quinquies, § 2, van de voormelde gecoördineerde wet of indien vóór die datum te zijnen opzichte een sanctie is getroffen welke pas na die datum zal kunnen worden toegepast.
Deze bepaling is evenwel niet van toepassing op de sancties waarvoor bij de uitspraak uitstel is verleend;
c) indien op de aanvraag om mutatie één van volgende inlichtingen ontbreekt : naam, voornaam, identificatienummer sociale zekerheid of bij gebreke hieraan de geboortedatum, benaming van de nieuwe verzekeringsinstelling en mutatiedatum;
d) indien de aanvraag om mutatie niet is gezonden binnen de in artikel 258 gestelde termijn;
e) indien de gerechtigde op de datum waarvoor de mutatie werd gevraagd, bij zijn vroegere verzekeringsinstelling een schuld heeft voortvloeiend uit de bepalingen van de voormelde gecoördineerde wet.
Het bedrag van de schuld en de omschrijving ervan, wordt vermeld op de in artikel 260 bedoelde kennisgeving.
De mutatie moet evenwel worden toegestaan indien de nieuwe verzekeringsinstelling het volle verschuldigde bedrag aan de vroegere verzekeringsinstelling betaalt uiterlijk de dag van de mutatie en binnen een termijn van twintig werkdagen te rekenen vanaf de mutatiedatum aan de vroegere verzekeringsinstelling het bewijs levert dat de verzekerde het bedrag terugbetaald heeft;
f) indien de gerechtigde bij verscheidene verzekeringsinstellingen tegen dezelfde datum om mutatie heeft gevraagd;
g) indien de verzekeringsinstelling vaststelt dat de aanvraag om mutatie niet door de betrokken gerechtigde ondertekend is.
De aanvraag om mutatie dient evenwel niet geweigerd te worden indien de gerechtigde van de aanvraag deze schriftelijk bevestigt;
h) indien de persoon die de aanvraag om mutatie heeft aangevraagd ingeschreven is als persoon ten laste bij de vroegere verzekeringsinstelling.]1
Art. 259. [1 L'ancien organisme assureur a la faculté de refuser la demande de mutation dans les cas visés sous a) à e). Ce dernier a l'obligation de refuser la demande de mutation dans les cas visés sous f) à h) :
a) si, à la date pour laquelle la mutation est demandée, douze mois ne se sont pas écoulés depuis la date de l'inscription ou de l'affiliation comme titulaire dans l'organisme assureur qu'il désire quitter, la date d'inscription ou la date d'affiliation est fixée en application de l'article 252 ou de l'article 255, alinéa 2. [2 Toutefois, en cas d'inscription visée à l'article 252, alinéa 9, le délai de douze mois ne s'applique pas et la mutation s'opère le premier jour du trimestre civil qui suit la demande]2. [3 Il en est de même en cas d'inscription visée à l'article 252, alinéa 3, d'un titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui n'est pas inscrit auprès d'une mutualité.]3;
b) si, à la date pour laquelle la mutation est demandée, le titulaire subit une sanction en vertu de l'article 168quinquies, § 2, de la loi coordonnée précitée ou si une sanction est prononcée avant cette date, celle-ci ne pourra sortir ses effets qu'après cette date.
Toutefois, cette disposition ne s'applique pas aux sanctions prononcées avec sursis;
c) si un des renseignements suivants fait défaut dans la demande de mutation : nom, prénom, numéro d'identification de la sécurité sociale ou à défaut de numéro, la date de naissance, dénomination du nouvel organisme assureur et date de mutation;
d) si la demande de mutation n'a pas été envoyée dans le délai prévu à l'article 258;
e) si le titulaire a, à la date pour laquelle la mutation est demandée, une dette vis-à-vis de son ancien organisme assureur, dette résultant de l'application des dispositions de la loi coordonnée précitée.
Le montant de la dette et sa description sont indiqués sur la notification visée à l'article 260.
Cependant, la mutation doit être accordée, si le nouvel organisme assureur paie l'intégralité de la somme due à l'ancien organisme assureur au plus tard le jour de la mutation et qu'il fournit à l'ancien organisme assureur la preuve que l'assuré lui a remboursé cette somme, dans un délai de 20 jours ouvrables à partir de la date de mutation;
f) si le titulaire a sollicité sa mutation pour la même date auprès de plusieurs organismes assureurs;
g) lorsque l'organisme assureur constate que la demande de mutation n'est pas signée par le titulaire concerné.
La demande de mutation ne doit cependant pas être refusée si le titulaire de la demande confirme celle-ci par écrit;
h) si la personne qui a introduit la demande de mutation est inscrite comme personne à charge auprès de l'ancien organisme assureur.]1
a) si, à la date pour laquelle la mutation est demandée, douze mois ne se sont pas écoulés depuis la date de l'inscription ou de l'affiliation comme titulaire dans l'organisme assureur qu'il désire quitter, la date d'inscription ou la date d'affiliation est fixée en application de l'article 252 ou de l'article 255, alinéa 2. [2 Toutefois, en cas d'inscription visée à l'article 252, alinéa 9, le délai de douze mois ne s'applique pas et la mutation s'opère le premier jour du trimestre civil qui suit la demande]2. [3 Il en est de même en cas d'inscription visée à l'article 252, alinéa 3, d'un titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée qui n'est pas inscrit auprès d'une mutualité.]3;
b) si, à la date pour laquelle la mutation est demandée, le titulaire subit une sanction en vertu de l'article 168quinquies, § 2, de la loi coordonnée précitée ou si une sanction est prononcée avant cette date, celle-ci ne pourra sortir ses effets qu'après cette date.
Toutefois, cette disposition ne s'applique pas aux sanctions prononcées avec sursis;
c) si un des renseignements suivants fait défaut dans la demande de mutation : nom, prénom, numéro d'identification de la sécurité sociale ou à défaut de numéro, la date de naissance, dénomination du nouvel organisme assureur et date de mutation;
d) si la demande de mutation n'a pas été envoyée dans le délai prévu à l'article 258;
e) si le titulaire a, à la date pour laquelle la mutation est demandée, une dette vis-à-vis de son ancien organisme assureur, dette résultant de l'application des dispositions de la loi coordonnée précitée.
Le montant de la dette et sa description sont indiqués sur la notification visée à l'article 260.
Cependant, la mutation doit être accordée, si le nouvel organisme assureur paie l'intégralité de la somme due à l'ancien organisme assureur au plus tard le jour de la mutation et qu'il fournit à l'ancien organisme assureur la preuve que l'assuré lui a remboursé cette somme, dans un délai de 20 jours ouvrables à partir de la date de mutation;
f) si le titulaire a sollicité sa mutation pour la même date auprès de plusieurs organismes assureurs;
g) lorsque l'organisme assureur constate que la demande de mutation n'est pas signée par le titulaire concerné.
La demande de mutation ne doit cependant pas être refusée si le titulaire de la demande confirme celle-ci par écrit;
h) si la personne qui a introduit la demande de mutation est inscrite comme personne à charge auprès de l'ancien organisme assureur.]1
Art. 260. [1 In de bij artikel 259, onder a) tot h) bedoelde gevallen moet de gerechtigde en de nieuwe verzekeringsinstelling van de gemotiveerde afwijzing kennis worden gegeven binnen een termijn van twintig dagen vanaf de eerste werkdag na de in artikel 258 vastgestelde datum. Die termijn wordt evenwel gerekend vanaf de datum van kennisgeving van de aanvraag om mutatie ingeval het formulier aanvraag om mutatie aan de vroegere verzekeringsinstelling wordt verzonden na de in artikel 258 vastgestelde datum.
De gemotiveerde beslissing tot afwijzing bedoeld in het vorige lid kan ten vroegste gegeven worden vanaf de mutatiedatum.
De beslissing tot afwijzing van de aanvraag om mutatie wordt tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.
Verzuimt de vroegere verzekeringsinstelling binnen de vastgestelde termijn kennis te geven van de afwijzing, dan wordt de aanvraag om mutatie beschouwd te zijn ingewilligd.]1
De gemotiveerde beslissing tot afwijzing bedoeld in het vorige lid kan ten vroegste gegeven worden vanaf de mutatiedatum.
De beslissing tot afwijzing van de aanvraag om mutatie wordt tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.
Verzuimt de vroegere verzekeringsinstelling binnen de vastgestelde termijn kennis te geven van de afwijzing, dan wordt de aanvraag om mutatie beschouwd te zijn ingewilligd.]1
Modifications
Art. 260. [1 Dans les cas visés à l'article 259, sous a) à h), le refus motivé doit être notifié au titulaire et au nouvel organisme assureur dans un délai de vingt jours courant à dater du premier jour ouvrable qui suit la date fixée à l'article 258. Cependant, si le formulaire de demande de mutation est envoyé à l'ancien organisme assureur après la date fixée à l'article 258, ce délai courra à dater de la date de la notification de la demande de mutation.
La décision motivée de refus visée à l'alinéa précédent peut être donnée au plus tôt à partir de la date de la mutation.
La décision de refus de la demande de mutation est également transmise au Service du contrôle administratif.
Lorsque l'ancien organisme assureur omet de notifier le refus dans le délai fixé, la demande de mutation est considérée comme acceptée.]1
La décision motivée de refus visée à l'alinéa précédent peut être donnée au plus tôt à partir de la date de la mutation.
La décision de refus de la demande de mutation est également transmise au Service du contrôle administratif.
Lorsque l'ancien organisme assureur omet de notifier le refus dans le délai fixé, la demande de mutation est considérée comme acceptée.]1
Modifications
Art. 261. Wordt de [1 aanvraag om mutatie]1 ingewilligd, dan wordt hiervan aan de nieuwe verzekeringsinstelling kennis gegeven binnen dezelfde termijn als die welke is bepaald in artikel 260, eerste lid.
Die kennisgeving geschiedt door toezending van de inlichtingen die nodig zijn voor het aanleggen van het in artikel 254 bedoelde dossier, en met name van het deugdelijk ingevulde formulier dat is bedoeld in artikel 264, samen met de bijlagen erbij.
Die kennisgeving geschiedt door toezending van de inlichtingen die nodig zijn voor het aanleggen van het in artikel 254 bedoelde dossier, en met name van het deugdelijk ingevulde formulier dat is bedoeld in artikel 264, samen met de bijlagen erbij.
Modifications
Art. 261. En cas de [1 demande de mutation]1 acceptée, celle-ci est notifiée au nouvel organisme assureur dans le même délai que celui prévu à l'article 260, alinéa 1er.
Cette notification s'effectue par l'envoi des renseignements nécessaires à la constitution du dossier visé à l'article 254 et notamment du document visé à l'article 264, dûment complété et accompagné de ses annexes.
Cette notification s'effectue par l'envoi des renseignements nécessaires à la constitution du dossier visé à l'article 254 et notamment du document visé à l'article 264, dûment complété et accompagné de ses annexes.
Modifications
Art.263. [1 Bij inwilliging van de aanvraag om mutatie zal de nieuwe verzekeringsinstelling de sociale identiteitskaart actualiseren overeenkomstig artikel 253.]1
Modifications
Art.264. [1 Pour les mutations acceptées, l'ancien organisme assureur indique sur le formulaire " demande de mutation " tous les renseignements demandés qui ont trait à la situation du titulaire vis-à-vis de l'assurance soins de santé et indemnités, y compris la mention d'une sanction avec sursis dont il est l'objet.
Le formulaire ainsi rempli et signé est envoyé au nouvel organisme assureur dans le délai fixé à l'article 260, alinéa 1er.
Les données relatives aux mutations acceptées sont également transmises au Service du contrôle administratif.]1
Le formulaire ainsi rempli et signé est envoyé au nouvel organisme assureur dans le délai fixé à l'article 260, alinéa 1er.
Les données relatives aux mutations acceptées sont également transmises au Service du contrôle administratif.]1
Modifications
Art.264. [1 Voor de ingewilligde mutaties, tekent de vroegere verzekeringsinstelling op het formulier " aanvraag om mutatie " alle gevraagde inlichtingen op met betrekking tot de toestand van de gerechtigde ten aanzien van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen met inbegrip van de vermelding van een sanctie met uitstel welke tegen hem is uitgesproken.
Het aldus ingevulde en ondertekende formulier wordt binnen de in artikel 260, eerste lid, bepaalde termijn aan de nieuwe verzekeringsinstelling gezonden.
De gegevens in verband met de ingewilligde mutaties worden tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.]1
Het aldus ingevulde en ondertekende formulier wordt binnen de in artikel 260, eerste lid, bepaalde termijn aan de nieuwe verzekeringsinstelling gezonden.
De gegevens in verband met de ingewilligde mutaties worden tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.]1
Modifications
Art. 263. [1 Dès l'acceptation de la demande de mutation, le nouvel organisme assureur actualisera la carte d'identité sociale en vertu de l'article 253.]1
Modifications
Art. 264. [1 Voor de ingewilligde mutaties, tekent de vroegere verzekeringsinstelling op het formulier " aanvraag om mutatie " alle gevraagde inlichtingen op met betrekking tot de toestand van de gerechtigde ten aanzien van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen met inbegrip van de vermelding van een sanctie met uitstel welke tegen hem is uitgesproken.
Het aldus ingevulde en ondertekende formulier wordt binnen de in artikel 260, eerste lid, bepaalde termijn aan de nieuwe verzekeringsinstelling gezonden.
De gegevens in verband met de ingewilligde mutaties worden tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.]1
Het aldus ingevulde en ondertekende formulier wordt binnen de in artikel 260, eerste lid, bepaalde termijn aan de nieuwe verzekeringsinstelling gezonden.
De gegevens in verband met de ingewilligde mutaties worden tevens aan de Dienst voor administratieve controle overgemaakt.]1
Modifications
Art. 264. [1 Pour les mutations acceptées, l'ancien organisme assureur indique sur le formulaire " demande de mutation " tous les renseignements demandés qui ont trait à la situation du titulaire vis-à-vis de l'assurance soins de santé et indemnités, y compris la mention d'une sanction avec sursis dont il est l'objet.
Le formulaire ainsi rempli et signé est envoyé au nouvel organisme assureur dans le délai fixé à l'article 260, alinéa 1er.
Les données relatives aux mutations acceptées sont également transmises au Service du contrôle administratif.]1
Le formulaire ainsi rempli et signé est envoyé au nouvel organisme assureur dans le délai fixé à l'article 260, alinéa 1er.
Les données relatives aux mutations acceptées sont également transmises au Service du contrôle administratif.]1
Modifications
Art.268. [1 Lorsqu'un organisme assureur a connaissance d'une mutation éventuellement irrégulière, à savoir toute mutation qui ne semble pas avoir eu lieu conformément aux dispositions de cette section, il en avertit le Service du contrôle administratif qui est compétent pour se prononcer sur l'irrégularité de la mutation.]1
Si cet avertissement est donné dans le délai d'un an à partir de la date de la mutation irrégulière, le Service du contrôle administratif informe le bénéficiaire et les deux organismes assureurs intéressés, [1 soit sous pli recommandé à la poste, soit par un envoi électronique suivant l'article 4/2 de la loi du 24 février 2003 relative à la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et relative à la communication électronique entre entreprises et l'administration fédérale]1, que l'[1 affiliation ou inscription]1 au nouvel organisme assureur n'est pas valable.
Le versement des cotisations afférentes aux documents visés à l'article 276 qu'il a remis au nouvel organisme assureur auquel le bénéficiaire s'était irrégulièrement inscrit, ainsi que les cotisation personnelles qu'il lui a payées, reste acquis à cet organisme. Les prestations accordées durant la période d'inscription irrégulière restent à la charge de l'organisme assureur qui les a octroyées. Sont nuls tous engagements de cet organisme relatifs à des prestations non encore effectuées à la date de la notification visée à l'alinéa 2.
Tout document visé à l'article 276 remis et toute cotisation personnelle versée postérieurement à la date de la notification sont transférés à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire reste régulièrement inscrit. Les prestations accordées après cette date restent à charge de l'organisme assureur qui les a octroyées.
Si cet avertissement est donné dans le délai d'un an à partir de la date de la mutation irrégulière, le Service du contrôle administratif informe le bénéficiaire et les deux organismes assureurs intéressés, [1 soit sous pli recommandé à la poste, soit par un envoi électronique suivant l'article 4/2 de la loi du 24 février 2003 relative à la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et relative à la communication électronique entre entreprises et l'administration fédérale]1, que l'[1 affiliation ou inscription]1 au nouvel organisme assureur n'est pas valable.
Le versement des cotisations afférentes aux documents visés à l'article 276 qu'il a remis au nouvel organisme assureur auquel le bénéficiaire s'était irrégulièrement inscrit, ainsi que les cotisation personnelles qu'il lui a payées, reste acquis à cet organisme. Les prestations accordées durant la période d'inscription irrégulière restent à la charge de l'organisme assureur qui les a octroyées. Sont nuls tous engagements de cet organisme relatifs à des prestations non encore effectuées à la date de la notification visée à l'alinéa 2.
Tout document visé à l'article 276 remis et toute cotisation personnelle versée postérieurement à la date de la notification sont transférés à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire reste régulièrement inscrit. Les prestations accordées après cette date restent à charge de l'organisme assureur qui les a octroyées.
Modifications
Art.268. [1 Wanneer een verzekeringsinstelling kennis heeft van een mogelijke onregelmatige mutatie, waaronder elke mutatie moet worden verstaan die niet geschied lijkt te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, deelt ze zulks mede aan de Dienst voor administratieve controle, die bevoegd is om zich uit te spreken over de onregelmatigheid van de mutatie.]1
Wordt die mededeling gedaan binnen de termijn van een jaar na de datum van de onregelmatige mutatie, dan stelt de Dienst voor administratieve controle de rechthebbende en de twee betrokken verzekeringsinstellingen [1 ofwel ter post aangetekend, ofwel met een elektronische aangetekende zending overeenkomstig artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid,]1 ervan in kennis dat de [1 aansluiting of inschrijving]1 bij de nieuwe verzekeringsinstelling niet geldig is.
De storting van de bijdragen met betrekking tot de in artikel 276 bedoelde bescheiden welke de rechthebbende heeft afgegeven bij de nieuwe verzekeringsinstelling waarbij hij zich onregelmatig had ingeschreven, alsmede de persoonlijke bijdragen welke hij haar heeft betaald, blijven ten bate van die instelling. De gedurende het tijdvak van onregelmatige inschrijving toegekende prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend. Alle verbintenissen van die instelling met betrekking tot prestaties welke nog niet zijn uitgevoerd op de datum van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving, zijn nietig.
Alle na de datum van de kennisgeving in artikel 276 bedoelde afgegeven bescheiden en betaalde persoonlijke bijdragen worden overgedragen aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende regelmatig ingschreven blijft. De na die datum toegekend prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend.
Wordt die mededeling gedaan binnen de termijn van een jaar na de datum van de onregelmatige mutatie, dan stelt de Dienst voor administratieve controle de rechthebbende en de twee betrokken verzekeringsinstellingen [1 ofwel ter post aangetekend, ofwel met een elektronische aangetekende zending overeenkomstig artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid,]1 ervan in kennis dat de [1 aansluiting of inschrijving]1 bij de nieuwe verzekeringsinstelling niet geldig is.
De storting van de bijdragen met betrekking tot de in artikel 276 bedoelde bescheiden welke de rechthebbende heeft afgegeven bij de nieuwe verzekeringsinstelling waarbij hij zich onregelmatig had ingeschreven, alsmede de persoonlijke bijdragen welke hij haar heeft betaald, blijven ten bate van die instelling. De gedurende het tijdvak van onregelmatige inschrijving toegekende prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend. Alle verbintenissen van die instelling met betrekking tot prestaties welke nog niet zijn uitgevoerd op de datum van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving, zijn nietig.
Alle na de datum van de kennisgeving in artikel 276 bedoelde afgegeven bescheiden en betaalde persoonlijke bijdragen worden overgedragen aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende regelmatig ingschreven blijft. De na die datum toegekend prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend.
Modifications
Art.269. [1 La charge de la preuve de l'envoi des documents ou des données, qui en vertu de cette section doivent être envoyés par l'organisme assureur, incombe à l'organisme assureur chargé de cet envoi.]1
Modifications
Art. 268. [1 Wanneer een verzekeringsinstelling kennis heeft van een mogelijke onregelmatige mutatie, waaronder elke mutatie moet worden verstaan die niet geschied lijkt te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling, deelt ze zulks mede aan de Dienst voor administratieve controle, die bevoegd is om zich uit te spreken over de onregelmatigheid van de mutatie.]1
Wordt die mededeling gedaan binnen de termijn van een jaar na de datum van de onregelmatige mutatie, dan stelt de Dienst voor administratieve controle de rechthebbende en de twee betrokken verzekeringsinstellingen [1 ofwel ter post aangetekend, ofwel met een elektronische aangetekende zending overeenkomstig artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid,]1 ervan in kennis dat de [1 aansluiting of inschrijving]1 bij de nieuwe verzekeringsinstelling niet geldig is.
De storting van de bijdragen met betrekking tot de in artikel 276 bedoelde bescheiden welke de rechthebbende heeft afgegeven bij de nieuwe verzekeringsinstelling waarbij hij zich onregelmatig had ingeschreven, alsmede de persoonlijke bijdragen welke hij haar heeft betaald, blijven ten bate van die instelling. De gedurende het tijdvak van onregelmatige inschrijving toegekende prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend. Alle verbintenissen van die instelling met betrekking tot prestaties welke nog niet zijn uitgevoerd op de datum van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving, zijn nietig.
Alle na de datum van de kennisgeving in artikel 276 bedoelde afgegeven bescheiden en betaalde persoonlijke bijdragen worden overgedragen aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende regelmatig ingschreven blijft. De na die datum toegekend prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend.
Wordt die mededeling gedaan binnen de termijn van een jaar na de datum van de onregelmatige mutatie, dan stelt de Dienst voor administratieve controle de rechthebbende en de twee betrokken verzekeringsinstellingen [1 ofwel ter post aangetekend, ofwel met een elektronische aangetekende zending overeenkomstig artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid,]1 ervan in kennis dat de [1 aansluiting of inschrijving]1 bij de nieuwe verzekeringsinstelling niet geldig is.
De storting van de bijdragen met betrekking tot de in artikel 276 bedoelde bescheiden welke de rechthebbende heeft afgegeven bij de nieuwe verzekeringsinstelling waarbij hij zich onregelmatig had ingeschreven, alsmede de persoonlijke bijdragen welke hij haar heeft betaald, blijven ten bate van die instelling. De gedurende het tijdvak van onregelmatige inschrijving toegekende prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend. Alle verbintenissen van die instelling met betrekking tot prestaties welke nog niet zijn uitgevoerd op de datum van de in het tweede lid bedoelde kennisgeving, zijn nietig.
Alle na de datum van de kennisgeving in artikel 276 bedoelde afgegeven bescheiden en betaalde persoonlijke bijdragen worden overgedragen aan de verzekeringsinstelling waarbij de rechthebbende regelmatig ingschreven blijft. De na die datum toegekend prestaties blijven ten laste van de verzekeringsinstelling die ze heeft toegekend.
Modifications
Art. 268. [1 Lorsqu'un organisme assureur a connaissance d'une mutation éventuellement irrégulière, à savoir toute mutation qui ne semble pas avoir eu lieu conformément aux dispositions de cette section, il en avertit le Service du contrôle administratif qui est compétent pour se prononcer sur l'irrégularité de la mutation.]1
Si cet avertissement est donné dans le délai d'un an à partir de la date de la mutation irrégulière, le Service du contrôle administratif informe le bénéficiaire et les deux organismes assureurs intéressés, [1 soit sous pli recommandé à la poste, soit par un envoi électronique suivant l'article 4/2 de la loi du 24 février 2003 relative à la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et relative à la communication électronique entre entreprises et l'administration fédérale]1, que l'[1 affiliation ou inscription]1 au nouvel organisme assureur n'est pas valable.
Le versement des cotisations afférentes aux documents visés à l'article 276 qu'il a remis au nouvel organisme assureur auquel le bénéficiaire s'était irrégulièrement inscrit, ainsi que les cotisation personnelles qu'il lui a payées, reste acquis à cet organisme. Les prestations accordées durant la période d'inscription irrégulière restent à la charge de l'organisme assureur qui les a octroyées. Sont nuls tous engagements de cet organisme relatifs à des prestations non encore effectuées à la date de la notification visée à l'alinéa 2.
Tout document visé à l'article 276 remis et toute cotisation personnelle versée postérieurement à la date de la notification sont transférés à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire reste régulièrement inscrit. Les prestations accordées après cette date restent à charge de l'organisme assureur qui les a octroyées.
Si cet avertissement est donné dans le délai d'un an à partir de la date de la mutation irrégulière, le Service du contrôle administratif informe le bénéficiaire et les deux organismes assureurs intéressés, [1 soit sous pli recommandé à la poste, soit par un envoi électronique suivant l'article 4/2 de la loi du 24 février 2003 relative à la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et relative à la communication électronique entre entreprises et l'administration fédérale]1, que l'[1 affiliation ou inscription]1 au nouvel organisme assureur n'est pas valable.
Le versement des cotisations afférentes aux documents visés à l'article 276 qu'il a remis au nouvel organisme assureur auquel le bénéficiaire s'était irrégulièrement inscrit, ainsi que les cotisation personnelles qu'il lui a payées, reste acquis à cet organisme. Les prestations accordées durant la période d'inscription irrégulière restent à la charge de l'organisme assureur qui les a octroyées. Sont nuls tous engagements de cet organisme relatifs à des prestations non encore effectuées à la date de la notification visée à l'alinéa 2.
Tout document visé à l'article 276 remis et toute cotisation personnelle versée postérieurement à la date de la notification sont transférés à l'organisme assureur auquel le bénéficiaire reste régulièrement inscrit. Les prestations accordées après cette date restent à charge de l'organisme assureur qui les a octroyées.
Modifications
Art. 269. [1 De bewijslast van de verzending van die bescheiden of gegevens, die overeenkomstig deze afdeling door de verzekeringsinstelling moeten worden verzonden, wordt gedragen door de verzekeringsinstelling die met die verzending gelast is.]1
Modifications
Art. 269. [1 La charge de la preuve de l'envoi des documents ou des données, qui en vertu de cette section doivent être envoyés par l'organisme assureur, incombe à l'organisme assureur chargé de cet envoi.]1
Modifications
Art.271. In geval van mutatie komen de geneeskundige verstrekkingen waarvoor de adviserend [1 arts]1 vooraf toestemming heeft verleend, doch welke op de datum van de mutatie nog niet zijn verricht, voor rekening van de nieuwe verzekeringsinstelling die geen nieuwe voorafgaande toestemming mag eisen.
Modifications
Art.272. Lors du passage du titulaire d'une mutualité à une autre au sein de la même Union nationale ou d'un Office régional à un autre, les dispositions des articles 255 à 271 ne sont pas d'application, mais tous les renseignements nécessaires à la constitution du dossier visé à l'article 254 doivent être transmis à la nouvelle mutualité ou au nouvel Office régional.
Art.272. De overgang van een gerechtigde van een ziekenfonds naar een andere van dezelfde landsbond of van een gewestelijke dienst naar een andere, valt niet onder toepassing van het bepaalde in de artikelen 255 tot 271, doch alle inlichtingen vereist voor het aanleggen van het in artikel 254 bedoelde dossier moeten aan het nieuwe ziekenfonds of aan de nieuwe gewestelijke dienst worden verstrekt.
Art.273. Les dispositions relatives aux mutations individuelles sont également applicables aux bénéficiaires d'une pension ou d'une rente d'une législation étrangère, aux saisonniers et frontaliers ayant leur résidence principale en Belgique et occupés à l'étranger et qui ouvrent droit aux prestations de santé en vertu des dispositions d'une convention ou d'un règlement de sécurité sociale.
Art.273. De bepalingen betreffende de individuele mutaties zijn eveneens van toepassing op de rechthebbende op een pensioen of een rente krachtens een buitenlandse wetgeving, op de seizoenarbeiders en de grensarbeiders die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en in het buitenland arbeiden en die krachtens het bepaalde in een verdrag of verordening inzake sociale zekerheid recht hebben op geneeskundige verstrekkingen.
Art. 272. Lors du passage du titulaire d'une mutualité à une autre au sein de la même Union nationale ou d'un Office régional à un autre, les dispositions des articles 255 à 271 ne sont pas d'application, mais tous les renseignements nécessaires à la constitution du dossier visé à l'article 254 doivent être transmis à la nouvelle mutualité ou au nouvel Office régional.
Art. 273. De bepalingen betreffende de individuele mutaties zijn eveneens van toepassing op de rechthebbende op een pensioen of een rente krachtens een buitenlandse wetgeving, op de seizoenarbeiders en de grensarbeiders die hun hoofdverblijfplaats in België hebben en in het buitenland arbeiden en die krachtens het bepaalde in een verdrag of verordening inzake sociale zekerheid recht hebben op geneeskundige verstrekkingen.
Art.275. En cas de mutation collective, de dissolution ou de fusion de mutualités intervenant en vertu des dispositions de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, leurs affiliés peuvent individuellement demander leur inscription à un autre organisme assureur sans que doivent être respectées les conditions fixées par les articles 255 à 274. Toutefois, les renseignements nécessaires à la constitution du dossier visé à l'article 254 doivent être transmis par l'ancien organisme assureur au nouveau.
Art.275. In geval van gezamenlijke mutatie, ontbinding of samensmelting van ziekenfondsen in toepassing van de bepalingen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, mogen hun aangeslotenen individueel om hun inschrijving bij een andere verzekeringsinstelling verzoeken waarbij de in de artikelen 255 tot 274 gestelde voorwaarden niet in acht moeten worden genomen. De inlichtingen nodig voor het aanleggen van het in artikel 254 bedoelde dossier, moeten evenwel door de vroegere verzekeringsinstelling aan de nieuwe worden verstrekt.
Art. 274. [1 Le Service du contrôle administratif détermine de quelle manière et à quels moments les échanges de données découlant des dispositions de cette section ont lieu.]1
Modifications
Art. 275. In geval van gezamenlijke mutatie, ontbinding of samensmelting van ziekenfondsen in toepassing van de bepalingen van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, mogen hun aangeslotenen individueel om hun inschrijving bij een andere verzekeringsinstelling verzoeken waarbij de in de artikelen 255 tot 274 gestelde voorwaarden niet in acht moeten worden genomen. De inlichtingen nodig voor het aanleggen van het in artikel 254 bedoelde dossier, moeten evenwel door de vroegere verzekeringsinstelling aan de nieuwe worden verstrekt.
Art.276. § 1er. Sont considérés comme documents de cotisation pour l'application de la loi coordonnée:
1. le bon de cotisation et l'attestation de contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés;
2. le bon de cotisation "accident du travail";
3. le bon de cotisation "maladie professionnelle";
4. l'attestation de chômage;
5. l'attestation de travail domestique;
6. les pièces justificatives visées à l'article 248, à condition que la cotisation afférente à la période d'assurance continuée ait été payée;
7. l'attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption;
[2 8. l'attestation d'ayant droit à une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]2
Sont assimilées à des documents de cotisation, l'attestation de milicien assuré social et l'attestation d'objecteur de conscience assuré social visées à l'article 282.
La déclaration visée à l'article 282 selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie d'allocations familiales et l'attestation selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère bénéficiant du droit à l'allocation de remplacement de revenus, sont assimilées à un document de cotisation.
Ceci vaut également pour l'attestation visée à l'article 282 sur laquelle le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement pour les titulaires visées à l'article 32, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée ainsi que pour le document de stage visé à l'article (130, § 1er). <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Les documents visés aux §§ 3 à 8 sont assimilés à des documents de cotisation.) <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
§ 2. La qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, 3°, 5° et 6° de la loi coordonnée, est établie sur base de documents de cotisation visés au § 1er.
Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 7°, 8° et 9° de la loi coordonnée, établissent leur qualité de titulaire en fournissant la preuve qu'ils bénéficient des avantages visés dans ces dispositions. La preuve est établie par l'autorité chargés du paiement de ces avantages.
Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, 3°, (16° et 20°) de la loi coordonnée, (, à l'exception des personnes visées aux §§ 5 ou 6) et qui, le cas échéant en cette qualité, reçoivent des documents de cotisation qui sont établis annuellement, ainsi que les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 86, § 1er de la loi coordonnée, prouvent leur qualité de titulaire en produisant un des documents suivants: <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°, ainsi que pour ceux visés à l'article 86, § 1er, 1°, a) de la loi coordonnée, une déclaration de l'employeur selon laquelle le titulaire est un travailleur salarié assujetti à un ou aux deux secteurs de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités en vertu de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou un travailleur salarié assujetti à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs ou assimilés;
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 3°, ainsi que pour ceux visés à l'article 86, § 1er, 1°, c), de la loi coordonnée, une déclaration de l'Office National de l'Emploi établissant que le titulaire est en chômage contrôlé;
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, (16°), de la loi coordonnée, (à l'exception des personnes visées aux §§ 5 ou 6,) un extrait de l'acte de décès ou une attestation qui prouve que l'intéressé est titulaire d'une pension de survie, établie par l'instance chargée du paiement de la pension de survie, pour le titulaire visé ici qui s'affilie en cette qualité à un autre organisme assureur, une attestation de l'ancien organisme assureur relative à la dernière qualité du conjoint décédé; <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, (20°), de la loi coordonnée, une attestation délivrée par l'instance qui paye les allocations familiales, selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie du droit aux allocations familiales ou une attestation délivrée par le Ministère des Affaires sociales établissant que l'intéressé est un handicapé, orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus au sens de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations (aux personnes handicapées). <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(Sur proposition du Service du Contrôle administratif, le Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions fixe les modalités selon lesquelles doit être prouvée la qualité de titulaire, telle qu'elle est fixée à l'article 32, alinéa premier, 12° à 15°, de la loi coordonnée et précisée aux articles 128bis à 128quinquies.) <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[5 Le Service du contrôle administratif détermine les modalités selon lesquelles la qualité de titulaire, visée à l'article 32, alinéa 1er, 24° de la loi coordonnée, est prouvée.]5
[4 § 2/1. Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 11°quinquies et 11°sexies, de la loi coordonnée, prouvent leur qualité de titulaire par une attestation qui est délivrée par la Sécurité sociale d'outre-mer de l'Office National de Sécurité Sociale.
Pour les orphelins qui bénéficient de l'assurance différée des soins de santé de la Sécurité sociale d'outre-mer, visés à l'article 32, alinéa 1er, 11°sexies, de la loi coordonnée, la qualité de titulaire est, pour chaque année civile écoulée, attestée par une attestation délivrée par la Sécurité sociale d'outre-mer de l'Office National de Sécurité Sociale.]4
(§ 3. Pour les travailleurs indépendants visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis, de la loi coordonnée, la qualité de titulaire est établie par la communication à leur organisme assureur des données concernant l'accomplissement de l'obligation de cotisation afférente à chaque année civile écoulée par la caisse libre d'assurances sociales ou par la Caisse nationale auxiliaire à laquelle ils sont affiliés en application de l'arrêté royal n° 38 précité.
Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité précitée de titulaire, prouvent leur qualité de titulaire au moyen des données qui sont communiquées par les caisses susvisées dans le mois suivant l'affiliation et qui attestent que ces personnes sont soumises à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en application de arrêté royal n° 38 précité. [3 Toutefois, pour le secteur des soins de santé, ces données sont communiquées par les caisses susvisées dans le mois suivant soit le paiement de la première cotisation sociale trimestrielle due en vertu de l'article 13bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit l'obtention d'une dispense de cotisation pour cette première cotisation sociale trimestrielle, en application de l'article 17 du même arrêté, et attestent que ces personnes sont soumises à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en application du même arrêté, et qu'elles ont payé ou ont été dispensées de payer la première cotisation sociale trimestrielle due.]3
Si le titulaire cesse son activité de travailleur indépendant, les caisses précitées communiquent ce fait et les données relatives à l'accomplissement de l'obligation de cotisation à l'organisme assureur dans le mois qui suit le dernier trimestre d'assujettissement à l'arrêté royal n° 38 précité.
Lorsqu'un titulaire a obtenu l'exonération complète de cotisations en application de l'article 22 de l'arrêté royal n° 38 précité, cette donnée est mentionnée dans les données communiquées par les caisses d'assurances sociales.
§ 4. Les dispositions du § 3 sont applicables aux titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis, 6°ter et 11°quater, de la loi coordonnée. Toutefois, les personnes qui bénéficient des dispositions de l'article 32, alinéa 1er, 6°ter sont censées avoir accompli leur obligation de cotisation pendant la période qui y est déterminée.
§ 5. [1 Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 11° bis et 11° ter de la loi coordonnée, et les personnes qui sont titulaires en vertu de l'article 32, alinéa 1er, 16° parce qu'elles sont veufs ou veuves d'un travailleur indépendant, établissent qu'ils ont la qualité de titulaire par une attestation qui leur est délivrée par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.]1
§ 6. Pour les travailleurs indépendants qui, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, ont interrompu leur activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et qui, en cette qualité, maintiennent leurs droits en application de la même législation, la qualité de titulaire est établie par la communication de la possession de celle-ci par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à leur organisme assureur.
[1 Pour les travailleurs indépendants qui bénéficient d'une assimilation en vertu de l'article 37bis de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, la qualité de titulaire est établie par la communication de la possession de celle-ci par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à leur organisme assureur.]1
§ 7. [1
]1.
§ 8. Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 21°, de la loi coordonnée, établissent qu'ils ont la qualité de titulaire par la remise d'une attestation qui leur est fournie par leur autorité religieuse.
Cette attestation est remise par le titulaire à son organisme assureur.
La personne qui ne possède plus la qualité de titulaire susvisée remet à l'organisme assureur auprès duquel elle est affiliée ou inscrite un document attestant la perte de cette qualité et fourni par l'autorité religieuse dont elle dépendait.
§ 9. Les Ministres ayant le statut social des travailleurs indépendants et les Affaires sociales dans leurs attributions fixent conjointement la manière dont les données visées aux §§ 3 à 6 sont établies et transmises et déterminent également le délai de transmission de ces données. Lorsque les travailleurs indépendants visés aux §§ 3 à 6 ne sont pas affiliés à un organisme assureur ou que la transmission de données en dehors du titulaire ne s'avère pas possible, les données dont il est question dans les dispositions précitées sont transmises aux travailleurs indépendants concernés, qui les transmettent dans le mois qui suit leur réception, à l'organisme assureur auquel ils s'affilient.) <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
1. le bon de cotisation et l'attestation de contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés;
2. le bon de cotisation "accident du travail";
3. le bon de cotisation "maladie professionnelle";
4. l'attestation de chômage;
5. l'attestation de travail domestique;
6. les pièces justificatives visées à l'article 248, à condition que la cotisation afférente à la période d'assurance continuée ait été payée;
7. l'attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption;
[2 8. l'attestation d'ayant droit à une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]2
Sont assimilées à des documents de cotisation, l'attestation de milicien assuré social et l'attestation d'objecteur de conscience assuré social visées à l'article 282.
La déclaration visée à l'article 282 selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie d'allocations familiales et l'attestation selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère bénéficiant du droit à l'allocation de remplacement de revenus, sont assimilées à un document de cotisation.
Ceci vaut également pour l'attestation visée à l'article 282 sur laquelle le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement pour les titulaires visées à l'article 32, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée ainsi que pour le document de stage visé à l'article (130, § 1er). <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Les documents visés aux §§ 3 à 8 sont assimilés à des documents de cotisation.) <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
§ 2. La qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, 3°, 5° et 6° de la loi coordonnée, est établie sur base de documents de cotisation visés au § 1er.
Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 7°, 8° et 9° de la loi coordonnée, établissent leur qualité de titulaire en fournissant la preuve qu'ils bénéficient des avantages visés dans ces dispositions. La preuve est établie par l'autorité chargés du paiement de ces avantages.
Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, 3°, (16° et 20°) de la loi coordonnée, (, à l'exception des personnes visées aux §§ 5 ou 6) et qui, le cas échéant en cette qualité, reçoivent des documents de cotisation qui sont établis annuellement, ainsi que les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 86, § 1er de la loi coordonnée, prouvent leur qualité de titulaire en produisant un des documents suivants: <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°, ainsi que pour ceux visés à l'article 86, § 1er, 1°, a) de la loi coordonnée, une déclaration de l'employeur selon laquelle le titulaire est un travailleur salarié assujetti à un ou aux deux secteurs de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités en vertu de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou un travailleur salarié assujetti à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs ou assimilés;
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 3°, ainsi que pour ceux visés à l'article 86, § 1er, 1°, c), de la loi coordonnée, une déclaration de l'Office National de l'Emploi établissant que le titulaire est en chômage contrôlé;
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, (16°), de la loi coordonnée, (à l'exception des personnes visées aux §§ 5 ou 6,) un extrait de l'acte de décès ou une attestation qui prouve que l'intéressé est titulaire d'une pension de survie, établie par l'instance chargée du paiement de la pension de survie, pour le titulaire visé ici qui s'affilie en cette qualité à un autre organisme assureur, une attestation de l'ancien organisme assureur relative à la dernière qualité du conjoint décédé; <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, (20°), de la loi coordonnée, une attestation délivrée par l'instance qui paye les allocations familiales, selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie du droit aux allocations familiales ou une attestation délivrée par le Ministère des Affaires sociales établissant que l'intéressé est un handicapé, orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus au sens de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations (aux personnes handicapées). <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(Sur proposition du Service du Contrôle administratif, le Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions fixe les modalités selon lesquelles doit être prouvée la qualité de titulaire, telle qu'elle est fixée à l'article 32, alinéa premier, 12° à 15°, de la loi coordonnée et précisée aux articles 128bis à 128quinquies.) <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[5 Le Service du contrôle administratif détermine les modalités selon lesquelles la qualité de titulaire, visée à l'article 32, alinéa 1er, 24° de la loi coordonnée, est prouvée.]5
[4 § 2/1. Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 11°quinquies et 11°sexies, de la loi coordonnée, prouvent leur qualité de titulaire par une attestation qui est délivrée par la Sécurité sociale d'outre-mer de l'Office National de Sécurité Sociale.
Pour les orphelins qui bénéficient de l'assurance différée des soins de santé de la Sécurité sociale d'outre-mer, visés à l'article 32, alinéa 1er, 11°sexies, de la loi coordonnée, la qualité de titulaire est, pour chaque année civile écoulée, attestée par une attestation délivrée par la Sécurité sociale d'outre-mer de l'Office National de Sécurité Sociale.]4
(§ 3. Pour les travailleurs indépendants visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis, de la loi coordonnée, la qualité de titulaire est établie par la communication à leur organisme assureur des données concernant l'accomplissement de l'obligation de cotisation afférente à chaque année civile écoulée par la caisse libre d'assurances sociales ou par la Caisse nationale auxiliaire à laquelle ils sont affiliés en application de l'arrêté royal n° 38 précité.
Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité précitée de titulaire, prouvent leur qualité de titulaire au moyen des données qui sont communiquées par les caisses susvisées dans le mois suivant l'affiliation et qui attestent que ces personnes sont soumises à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en application de arrêté royal n° 38 précité. [3 Toutefois, pour le secteur des soins de santé, ces données sont communiquées par les caisses susvisées dans le mois suivant soit le paiement de la première cotisation sociale trimestrielle due en vertu de l'article 13bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit l'obtention d'une dispense de cotisation pour cette première cotisation sociale trimestrielle, en application de l'article 17 du même arrêté, et attestent que ces personnes sont soumises à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en application du même arrêté, et qu'elles ont payé ou ont été dispensées de payer la première cotisation sociale trimestrielle due.]3
Si le titulaire cesse son activité de travailleur indépendant, les caisses précitées communiquent ce fait et les données relatives à l'accomplissement de l'obligation de cotisation à l'organisme assureur dans le mois qui suit le dernier trimestre d'assujettissement à l'arrêté royal n° 38 précité.
Lorsqu'un titulaire a obtenu l'exonération complète de cotisations en application de l'article 22 de l'arrêté royal n° 38 précité, cette donnée est mentionnée dans les données communiquées par les caisses d'assurances sociales.
§ 4. Les dispositions du § 3 sont applicables aux titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis, 6°ter et 11°quater, de la loi coordonnée. Toutefois, les personnes qui bénéficient des dispositions de l'article 32, alinéa 1er, 6°ter sont censées avoir accompli leur obligation de cotisation pendant la période qui y est déterminée.
§ 5. [1 Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 11° bis et 11° ter de la loi coordonnée, et les personnes qui sont titulaires en vertu de l'article 32, alinéa 1er, 16° parce qu'elles sont veufs ou veuves d'un travailleur indépendant, établissent qu'ils ont la qualité de titulaire par une attestation qui leur est délivrée par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.]1
§ 6. Pour les travailleurs indépendants qui, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, ont interrompu leur activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et qui, en cette qualité, maintiennent leurs droits en application de la même législation, la qualité de titulaire est établie par la communication de la possession de celle-ci par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à leur organisme assureur.
[1 Pour les travailleurs indépendants qui bénéficient d'une assimilation en vertu de l'article 37bis de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, la qualité de titulaire est établie par la communication de la possession de celle-ci par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à leur organisme assureur.]1
§ 7. [1
]1.
§ 8. Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 21°, de la loi coordonnée, établissent qu'ils ont la qualité de titulaire par la remise d'une attestation qui leur est fournie par leur autorité religieuse.
Cette attestation est remise par le titulaire à son organisme assureur.
La personne qui ne possède plus la qualité de titulaire susvisée remet à l'organisme assureur auprès duquel elle est affiliée ou inscrite un document attestant la perte de cette qualité et fourni par l'autorité religieuse dont elle dépendait.
§ 9. Les Ministres ayant le statut social des travailleurs indépendants et les Affaires sociales dans leurs attributions fixent conjointement la manière dont les données visées aux §§ 3 à 6 sont établies et transmises et déterminent également le délai de transmission de ces données. Lorsque les travailleurs indépendants visés aux §§ 3 à 6 ne sont pas affiliés à un organisme assureur ou que la transmission de données en dehors du titulaire ne s'avère pas possible, les données dont il est question dans les dispositions précitées sont transmises aux travailleurs indépendants concernés, qui les transmettent dans le mois qui suit leur réception, à l'organisme assureur auquel ils s'affilient.) <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Modifications
Art.276.§ 1. Worden voor de toepassing van de gecoördineerde wet als bijdragebescheiden beschouwd:
Art.277.§ 1er. (1° L'Office national de sécurité sociale et l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales communiquent aux organismes assureurs, pour les employeurs affiliés chez eux, les données d'identification du travailleur et les données d'assurabilité, visées au § 3, 1°, pour chaque année de référence.
Art. 276. § 1. Worden voor de toepassing van de gecoördineerde wet als bijdragebescheiden beschouwd:
1. de bijdragebon en het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst;
2. de bijdragebon "arbeidsongeval";
3. de bijdragebon "beroepsziekte";
4. het bewijs van werkloosheid;
5. het bewijs van huishoudelijke arbeid;
6. de in artikel 248 bedoelde bewijsstukken op voorwaarde dat de bijdrage met betrekking tot de periode van voortgezette verzekering betaald is;
7. het bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering;
[2 8. het bewijs van rechthebbende op een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]2
De in artikel 282 bedoelde bewijzen van sociaal verzekerde milicien en van sociaal verzekerde gewetensbezwaarde worden met een bijdragebescheid gelijkgesteld.
De in artikel 282 bedoelde verklaring dat betrokkene een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag en de verklaring dat betrokkene een volle wees is die recht heeft op de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt gelijkgesteld met een bijdragebescheid.
Dit geldt eveneens voor de in artikel 282 bedoelde verklaring waarop de behandelende [4 arts]4 de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt voor de in artikel 32, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde alsmede voor het in artikel (130), § 1, bedoelde document met betrekking tot de wachttijd. <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(De documenten bedoeld in §§ 3 tot 8 worden gelijkgesteld met de bijdragebescheiden.) <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
§ 2. De hoedanigheid van gerechtigheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, 3°, 5° en 6° van de gecoördineerde wet wordt vastgesteld aan de hand van de in § 1 bedoelde bijdragebescheiden.
De in artikel 32, eerste lid, 7°, 8° en 9 van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een bewijs van rechthebbende op de in die bepalingen bedoelde voordelen. Het bewijs wordt opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van die voordelen.
De personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, 3°, (16° en 20°) van de gecoördineerde wet verkrijgen (met uitzondering van de personen bedoeld in §§ 5 of 6,) en in voorkomend geval in die hoedanigheid bijdragebescheiden ontvangen die jaarlijks worden opgemaakt, alsmede de personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet verkrijgen, doen van hun hoedanigheid van gerechtigde blijken door overlegging van één van de volgende documenten: <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
- voor de in artikel 32, eerste lid, 1°, bedoelde gerechtigden alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, een verklaring van de werkgever dat de gerechtigde een werknemer is, onderworpen aan één of beide sectoren van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of een werknemer onderworpen aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers of ermee gelijkgestelden;
- voor de in artikel 32, eerste lid, 3°, bedoelde gerechtigden, alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, een verklaring uitgaande van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, dat de gerechtigde zich in gecontroleerde werkloosheid bevindt;
- voor de in artikel 32, eerste lid, (16°), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, (met uitzondering van de personen bedoeld in §§ 5 of 6,) een uittreksel van de overlijdensakte of een attest dat betrokkene gerechtigd is op een overlevingspensioen opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van het overlevingspensioen; voor de hier bedoelde gerechtigde die zich in die hoedanigheid bij een andere verzekeringsinstelling aansluit, een verklaring van de vroegere verzekeringsinstelling omtrent de laatste hoedanigheid van de overleden echtgenoot of echtgenote; <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
- voor de in artikel 32, eerste lid, (20°), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, een verklaring afgeleverd door de instantie die de kinderbijslag uitbetaalt, dat betrokkenen een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag of een attest afgeleverd door het Ministerie van Sociale zaken dat betrokkene een minder-valide volle wees is die in het genot is van een inkomensvervangende tegemoetkoming als bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming (aan personen met een handicap). <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(Op voorstel van de Dienst voor administratieve controle stelt de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, de modaliteiten vast waaronder de hoedanigheid van gerechtigde, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° tot 15° van de gecoördineerde wet, en zoals nader omschreven in de artikelen 128bis tot 128quinquies, moet bewezen worden.) <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
[6 De Dienst voor administratieve controle stelt de modaliteiten vast waaronder de hoedanigheid van gerechtigde, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet, moet bewezen worden.]6
[5 § 2/1. De personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°quinquies, en 11°sexies van de gecoördineerde wet, verkrijgen, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een attest dat uitgereikt wordt door de Overzeese Sociale Zekerheid van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Voor de wezen die genieten van de uitgestelde verzekering voor geneeskundige verzorging van de overzeese sociale zekerheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°sexies van de gecoördineerde wet, wordt de hoedanigheid van gerechtigde met betrekking tot elk verstreken kalenderjaar bewezen door een attest dat uitgereikt wordt door de Overzeese Sociale Zekerheid van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.]5
(§ 3. Voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis, van de gecoördineerde wet, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling aan hun verzekeringsinstelling van de gegevens betreffende de vervulling van de bijdrageplicht met betrekking tot elk verstreken kalenderjaar door de Vrije Sociale Verzekeringskas of door de Nationale Hulpkas waarbij zij met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 zijn aangesloten.
De personen die voor het eerst de voormelde hoedanigheid van gerechtigde verkrijgen, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door middel van de gegevens die worden meegedeeld door de voormelde kassen binnen de maand na de aansluiting en waaruit blijkt dat deze personen met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 onderworpen zijn aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit. [3 Voor de sector geneeskundige verzorging worden die gegevens echter meegedeeld door de voornoemde kassen binnen de maand die volgt op hetzij de betaling van de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is krachtens artikel 13bis van het koninklijk besluit nr.38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hetzij de verkrijging van een vrijstelling van bijdrage voor die eerste sociale kwartaalbijdrage, in toepassing van artikel 17 van hetzelfde besluit, en er blijkt uit dat deze personen met toepassing van hetzelfde besluit onderworpen zijn aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, en dat ze de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is hebben betaald of daarvan werden vrijgesteld.]3
Ingeval de gerechtigde zijn zelfstandige activiteit beëindigt, delen de voormelde kassen dit feit en de gegevens betreffende de vervulling van de bijdrageplicht mee aan de verzekeringsinstelling binnen de maand na het laatste kwartaal waarin het voormelde koninklijk besluit nr. 38 op hem van toepassing was.
Wanneer een gerechtigde met toepassing van artikel 22 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 volledige vrijstelling van bijdragebetaling heeft gekregen, wordt dit gegeven vermeld als één van de gegevens die door de Sociale Verzekeringskassen worden meegedeeld.
§ 4. De bepalingen van § 3 zijn van toepassing op de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis, 6°ter en 11°quater van de gecoördineerde wet. De personen die de bepalingen van artikel 32, eerste lid, 6°ter genieten, worden echter geacht hun bijdrageplicht te hebben vervuld tijdens de daarin vastgestelde periode.
§ 5. [1 De gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11° bis en 11° ter van de gecoördineerde wet, en de personen die gerechtigden zijn krachtens artikel 32, eerste lid, 16°, omdat zij weduwen of weduwnaars zijn van een zelfstandige, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een verklaring die hun wordt afgeleverd door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.]1
§ 6. Voor de zelfstandigen die onder de voorwaarden, vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van zelfstandigen, hun beroepsbezigheid hebben onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en die in die hoedanigheid hun rechten vrijwaren met toepassing van dezelfde wetgeving, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling van het bezit ervan door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan hun verzekeringsinstelling.
[1 Voor de zelfstandigen die genieten van een gelijkstelling krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling van het bezit ervan door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan hun verzekeringsinstelling.]1.
§ 7. [1
]1.
§ 8. De gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, van de gecoördineerde wet, bewijzen dat ze de hoedanigheid van gerechtigde bezitten door de afgifte van een getuigschrift dat hun door hun geestelijke overheid wordt bezorgd.
Dat getuigschrift wordt door de gerechtigde aan zijn verzekeringsinstelling bezorgd.
De persoon die de voormelde hoedanigheid van gerechtigde niet meer bezit, bezorgt aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, een document dat het verlies van die hoedanigheid bevestigt en dat wordt afgeleverd door de geestelijke overheid waarvan hij afhing.
§ 9. De Ministers, bevoegd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen en sociale zaken, stellen gezamenlijk de wijze vast waarop de gegevens, bedoeld in §§ 3 tot 6, worden opgemaakt en overgezonden, en stellen eveneens de termijn vast voor de overzending van deze gegevens. Ingeval de zelfstandigen, bedoeld in §§ 3 tot 6, niet zijn aangesloten bij een verzekeringsinstelling of indien de gegevensoverdracht buiten de gerechtigde om niet mogelijk blijkt, worden de gegevens, bedoeld in de voormelde bepalingen, aan de betrokken zelfstandigen bezorgd, die ze binnen één maand na ontvangst ervan aan de verzekeringsinstelling bezorgen waarbij ze zich aansluiten.) <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
1. de bijdragebon en het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door arbeiders in loondienst;
2. de bijdragebon "arbeidsongeval";
3. de bijdragebon "beroepsziekte";
4. het bewijs van werkloosheid;
5. het bewijs van huishoudelijke arbeid;
6. de in artikel 248 bedoelde bewijsstukken op voorwaarde dat de bijdrage met betrekking tot de periode van voortgezette verzekering betaald is;
7. het bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering;
[2 8. het bewijs van rechthebbende op een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.]2
De in artikel 282 bedoelde bewijzen van sociaal verzekerde milicien en van sociaal verzekerde gewetensbezwaarde worden met een bijdragebescheid gelijkgesteld.
De in artikel 282 bedoelde verklaring dat betrokkene een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag en de verklaring dat betrokkene een volle wees is die recht heeft op de inkomensvervangende tegemoetkoming wordt gelijkgesteld met een bijdragebescheid.
Dit geldt eveneens voor de in artikel 282 bedoelde verklaring waarop de behandelende [4 arts]4 de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt voor de in artikel 32, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde alsmede voor het in artikel (130), § 1, bedoelde document met betrekking tot de wachttijd. <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(De documenten bedoeld in §§ 3 tot 8 worden gelijkgesteld met de bijdragebescheiden.) <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
§ 2. De hoedanigheid van gerechtigheid als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, 3°, 5° en 6° van de gecoördineerde wet wordt vastgesteld aan de hand van de in § 1 bedoelde bijdragebescheiden.
De in artikel 32, eerste lid, 7°, 8° en 9 van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een bewijs van rechthebbende op de in die bepalingen bedoelde voordelen. Het bewijs wordt opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van die voordelen.
De personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, 3°, (16° en 20°) van de gecoördineerde wet verkrijgen (met uitzondering van de personen bedoeld in §§ 5 of 6,) en in voorkomend geval in die hoedanigheid bijdragebescheiden ontvangen die jaarlijks worden opgemaakt, alsmede de personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 86, § 1, van de gecoördineerde wet verkrijgen, doen van hun hoedanigheid van gerechtigde blijken door overlegging van één van de volgende documenten: <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
- voor de in artikel 32, eerste lid, 1°, bedoelde gerechtigden alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, een verklaring van de werkgever dat de gerechtigde een werknemer is, onderworpen aan één of beide sectoren van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen krachtens de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of een werknemer onderworpen aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers of ermee gelijkgestelden;
- voor de in artikel 32, eerste lid, 3°, bedoelde gerechtigden, alsmede voor diegenen bedoeld in artikel 86, § 1, 1°, c), van de gecoördineerde wet, een verklaring uitgaande van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, dat de gerechtigde zich in gecontroleerde werkloosheid bevindt;
- voor de in artikel 32, eerste lid, (16°), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, (met uitzondering van de personen bedoeld in §§ 5 of 6,) een uittreksel van de overlijdensakte of een attest dat betrokkene gerechtigd is op een overlevingspensioen opgemaakt door de instantie belast met de uitbetaling van het overlevingspensioen; voor de hier bedoelde gerechtigde die zich in die hoedanigheid bij een andere verzekeringsinstelling aansluit, een verklaring van de vroegere verzekeringsinstelling omtrent de laatste hoedanigheid van de overleden echtgenoot of echtgenote; <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
- voor de in artikel 32, eerste lid, (20°), van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden, een verklaring afgeleverd door de instantie die de kinderbijslag uitbetaalt, dat betrokkenen een volle wees is en recht geeft op kinderbijslag of een attest afgeleverd door het Ministerie van Sociale zaken dat betrokkene een minder-valide volle wees is die in het genot is van een inkomensvervangende tegemoetkoming als bedoeld in de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkoming (aan personen met een handicap). <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(Op voorstel van de Dienst voor administratieve controle stelt de Minister die de Sociale Voorzorg onder zijn bevoegdheid heeft, de modaliteiten vast waaronder de hoedanigheid van gerechtigde, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 12° tot 15° van de gecoördineerde wet, en zoals nader omschreven in de artikelen 128bis tot 128quinquies, moet bewezen worden.) <KB 1997-12-29/30, art. 27, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
[6 De Dienst voor administratieve controle stelt de modaliteiten vast waaronder de hoedanigheid van gerechtigde, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet, moet bewezen worden.]6
[5 § 2/1. De personen die voor het eerst de hoedanigheid van gerechtigde, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°quinquies, en 11°sexies van de gecoördineerde wet, verkrijgen, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een attest dat uitgereikt wordt door de Overzeese Sociale Zekerheid van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.
Voor de wezen die genieten van de uitgestelde verzekering voor geneeskundige verzorging van de overzeese sociale zekerheid, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°sexies van de gecoördineerde wet, wordt de hoedanigheid van gerechtigde met betrekking tot elk verstreken kalenderjaar bewezen door een attest dat uitgereikt wordt door de Overzeese Sociale Zekerheid van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.]5
(§ 3. Voor de zelfstandigen, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis, van de gecoördineerde wet, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling aan hun verzekeringsinstelling van de gegevens betreffende de vervulling van de bijdrageplicht met betrekking tot elk verstreken kalenderjaar door de Vrije Sociale Verzekeringskas of door de Nationale Hulpkas waarbij zij met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 zijn aangesloten.
De personen die voor het eerst de voormelde hoedanigheid van gerechtigde verkrijgen, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door middel van de gegevens die worden meegedeeld door de voormelde kassen binnen de maand na de aansluiting en waaruit blijkt dat deze personen met toepassing van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 onderworpen zijn aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit. [3 Voor de sector geneeskundige verzorging worden die gegevens echter meegedeeld door de voornoemde kassen binnen de maand die volgt op hetzij de betaling van de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is krachtens artikel 13bis van het koninklijk besluit nr.38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, hetzij de verkrijging van een vrijstelling van bijdrage voor die eerste sociale kwartaalbijdrage, in toepassing van artikel 17 van hetzelfde besluit, en er blijkt uit dat deze personen met toepassing van hetzelfde besluit onderworpen zijn aan de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit, en dat ze de eerste sociale kwartaalbijdrage die verschuldigd is hebben betaald of daarvan werden vrijgesteld.]3
Ingeval de gerechtigde zijn zelfstandige activiteit beëindigt, delen de voormelde kassen dit feit en de gegevens betreffende de vervulling van de bijdrageplicht mee aan de verzekeringsinstelling binnen de maand na het laatste kwartaal waarin het voormelde koninklijk besluit nr. 38 op hem van toepassing was.
Wanneer een gerechtigde met toepassing van artikel 22 van het voormelde koninklijk besluit nr. 38 volledige vrijstelling van bijdragebetaling heeft gekregen, wordt dit gegeven vermeld als één van de gegevens die door de Sociale Verzekeringskassen worden meegedeeld.
§ 4. De bepalingen van § 3 zijn van toepassing op de gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis, 6°ter en 11°quater van de gecoördineerde wet. De personen die de bepalingen van artikel 32, eerste lid, 6°ter genieten, worden echter geacht hun bijdrageplicht te hebben vervuld tijdens de daarin vastgestelde periode.
§ 5. [1 De gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11° bis en 11° ter van de gecoördineerde wet, en de personen die gerechtigden zijn krachtens artikel 32, eerste lid, 16°, omdat zij weduwen of weduwnaars zijn van een zelfstandige, bewijzen hun hoedanigheid van gerechtigde door een verklaring die hun wordt afgeleverd door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen.]1
§ 6. Voor de zelfstandigen die onder de voorwaarden, vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van zelfstandigen, hun beroepsbezigheid hebben onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en die in die hoedanigheid hun rechten vrijwaren met toepassing van dezelfde wetgeving, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling van het bezit ervan door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan hun verzekeringsinstelling.
[1 Voor de zelfstandigen die genieten van een gelijkstelling krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, wordt de hoedanigheid van gerechtigde bewezen door de mededeling van het bezit ervan door het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen aan hun verzekeringsinstelling.]1.
§ 7. [1
]1.
§ 8. De gerechtigden, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, van de gecoördineerde wet, bewijzen dat ze de hoedanigheid van gerechtigde bezitten door de afgifte van een getuigschrift dat hun door hun geestelijke overheid wordt bezorgd.
Dat getuigschrift wordt door de gerechtigde aan zijn verzekeringsinstelling bezorgd.
De persoon die de voormelde hoedanigheid van gerechtigde niet meer bezit, bezorgt aan de verzekeringsinstelling waarbij hij is aangesloten of ingeschreven, een document dat het verlies van die hoedanigheid bevestigt en dat wordt afgeleverd door de geestelijke overheid waarvan hij afhing.
§ 9. De Ministers, bevoegd voor het sociaal statuut van de zelfstandigen en sociale zaken, stellen gezamenlijk de wijze vast waarop de gegevens, bedoeld in §§ 3 tot 6, worden opgemaakt en overgezonden, en stellen eveneens de termijn vast voor de overzending van deze gegevens. Ingeval de zelfstandigen, bedoeld in §§ 3 tot 6, niet zijn aangesloten bij een verzekeringsinstelling of indien de gegevensoverdracht buiten de gerechtigde om niet mogelijk blijkt, worden de gegevens, bedoeld in de voormelde bepalingen, aan de betrokken zelfstandigen bezorgd, die ze binnen één maand na ontvangst ervan aan de verzekeringsinstelling bezorgen waarbij ze zich aansluiten.) <KB 2008-07-01/34, art. 19, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
Modifications
Art. 276. § 1er. Sont considérés comme documents de cotisation pour l'application de la loi coordonnée:
1. le bon de cotisation et l'attestation de contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés;
2. le bon de cotisation "accident du travail";
3. le bon de cotisation "maladie professionnelle";
4. l'attestation de chômage;
5. l'attestation de travail domestique;
6. les pièces justificatives visées à l'article 248, à condition que la cotisation afférente à la période d'assurance continuée ait été payée;
7. l'attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption;
[2 8. l'attestation d'ayant droit à une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]2
Sont assimilées à des documents de cotisation, l'attestation de milicien assuré social et l'attestation d'objecteur de conscience assuré social visées à l'article 282.
La déclaration visée à l'article 282 selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie d'allocations familiales et l'attestation selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère bénéficiant du droit à l'allocation de remplacement de revenus, sont assimilées à un document de cotisation.
Ceci vaut également pour l'attestation visée à l'article 282 sur laquelle le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement pour les titulaires visées à l'article 32, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée ainsi que pour le document de stage visé à l'article (130, § 1er). <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Les documents visés aux §§ 3 à 8 sont assimilés à des documents de cotisation.) <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
§ 2. La qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, 3°, 5° et 6° de la loi coordonnée, est établie sur base de documents de cotisation visés au § 1er.
Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 7°, 8° et 9° de la loi coordonnée, établissent leur qualité de titulaire en fournissant la preuve qu'ils bénéficient des avantages visés dans ces dispositions. La preuve est établie par l'autorité chargés du paiement de ces avantages.
Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, 3°, (16° et 20°) de la loi coordonnée, (, à l'exception des personnes visées aux §§ 5 ou 6) et qui, le cas échéant en cette qualité, reçoivent des documents de cotisation qui sont établis annuellement, ainsi que les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 86, § 1er de la loi coordonnée, prouvent leur qualité de titulaire en produisant un des documents suivants: <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°, ainsi que pour ceux visés à l'article 86, § 1er, 1°, a) de la loi coordonnée, une déclaration de l'employeur selon laquelle le titulaire est un travailleur salarié assujetti à un ou aux deux secteurs de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités en vertu de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou un travailleur salarié assujetti à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs ou assimilés;
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 3°, ainsi que pour ceux visés à l'article 86, § 1er, 1°, c), de la loi coordonnée, une déclaration de l'Office National de l'Emploi établissant que le titulaire est en chômage contrôlé;
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, (16°), de la loi coordonnée, (à l'exception des personnes visées aux §§ 5 ou 6,) un extrait de l'acte de décès ou une attestation qui prouve que l'intéressé est titulaire d'une pension de survie, établie par l'instance chargée du paiement de la pension de survie, pour le titulaire visé ici qui s'affilie en cette qualité à un autre organisme assureur, une attestation de l'ancien organisme assureur relative à la dernière qualité du conjoint décédé; <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, (20°), de la loi coordonnée, une attestation délivrée par l'instance qui paye les allocations familiales, selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie du droit aux allocations familiales ou une attestation délivrée par le Ministère des Affaires sociales établissant que l'intéressé est un handicapé, orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus au sens de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations (aux personnes handicapées). <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(Sur proposition du Service du Contrôle administratif, le Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions fixe les modalités selon lesquelles doit être prouvée la qualité de titulaire, telle qu'elle est fixée à l'article 32, alinéa premier, 12° à 15°, de la loi coordonnée et précisée aux articles 128bis à 128quinquies.) <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[5 Le Service du contrôle administratif détermine les modalités selon lesquelles la qualité de titulaire, visée à l'article 32, alinéa 1er, 24° de la loi coordonnée, est prouvée.]5
[4 § 2/1. Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 11°quinquies et 11°sexies, de la loi coordonnée, prouvent leur qualité de titulaire par une attestation qui est délivrée par la Sécurité sociale d'outre-mer de l'Office National de Sécurité Sociale.
Pour les orphelins qui bénéficient de l'assurance différée des soins de santé de la Sécurité sociale d'outre-mer, visés à l'article 32, alinéa 1er, 11°sexies, de la loi coordonnée, la qualité de titulaire est, pour chaque année civile écoulée, attestée par une attestation délivrée par la Sécurité sociale d'outre-mer de l'Office National de Sécurité Sociale.]4
(§ 3. Pour les travailleurs indépendants visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis, de la loi coordonnée, la qualité de titulaire est établie par la communication à leur organisme assureur des données concernant l'accomplissement de l'obligation de cotisation afférente à chaque année civile écoulée par la caisse libre d'assurances sociales ou par la Caisse nationale auxiliaire à laquelle ils sont affiliés en application de l'arrêté royal n° 38 précité.
Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité précitée de titulaire, prouvent leur qualité de titulaire au moyen des données qui sont communiquées par les caisses susvisées dans le mois suivant l'affiliation et qui attestent que ces personnes sont soumises à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en application de arrêté royal n° 38 précité. [3 Toutefois, pour le secteur des soins de santé, ces données sont communiquées par les caisses susvisées dans le mois suivant soit le paiement de la première cotisation sociale trimestrielle due en vertu de l'article 13bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit l'obtention d'une dispense de cotisation pour cette première cotisation sociale trimestrielle, en application de l'article 17 du même arrêté, et attestent que ces personnes sont soumises à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en application du même arrêté, et qu'elles ont payé ou ont été dispensées de payer la première cotisation sociale trimestrielle due.]3
Si le titulaire cesse son activité de travailleur indépendant, les caisses précitées communiquent ce fait et les données relatives à l'accomplissement de l'obligation de cotisation à l'organisme assureur dans le mois qui suit le dernier trimestre d'assujettissement à l'arrêté royal n° 38 précité.
Lorsqu'un titulaire a obtenu l'exonération complète de cotisations en application de l'article 22 de l'arrêté royal n° 38 précité, cette donnée est mentionnée dans les données communiquées par les caisses d'assurances sociales.
§ 4. Les dispositions du § 3 sont applicables aux titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis, 6°ter et 11°quater, de la loi coordonnée. Toutefois, les personnes qui bénéficient des dispositions de l'article 32, alinéa 1er, 6°ter sont censées avoir accompli leur obligation de cotisation pendant la période qui y est déterminée.
§ 5. [1 Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 11° bis et 11° ter de la loi coordonnée, et les personnes qui sont titulaires en vertu de l'article 32, alinéa 1er, 16° parce qu'elles sont veufs ou veuves d'un travailleur indépendant, établissent qu'ils ont la qualité de titulaire par une attestation qui leur est délivrée par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.]1
§ 6. Pour les travailleurs indépendants qui, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, ont interrompu leur activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et qui, en cette qualité, maintiennent leurs droits en application de la même législation, la qualité de titulaire est établie par la communication de la possession de celle-ci par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à leur organisme assureur.
[1 Pour les travailleurs indépendants qui bénéficient d'une assimilation en vertu de l'article 37bis de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, la qualité de titulaire est établie par la communication de la possession de celle-ci par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à leur organisme assureur.]1
§ 7. [1
]1.
§ 8. Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 21°, de la loi coordonnée, établissent qu'ils ont la qualité de titulaire par la remise d'une attestation qui leur est fournie par leur autorité religieuse.
Cette attestation est remise par le titulaire à son organisme assureur.
La personne qui ne possède plus la qualité de titulaire susvisée remet à l'organisme assureur auprès duquel elle est affiliée ou inscrite un document attestant la perte de cette qualité et fourni par l'autorité religieuse dont elle dépendait.
§ 9. Les Ministres ayant le statut social des travailleurs indépendants et les Affaires sociales dans leurs attributions fixent conjointement la manière dont les données visées aux §§ 3 à 6 sont établies et transmises et déterminent également le délai de transmission de ces données. Lorsque les travailleurs indépendants visés aux §§ 3 à 6 ne sont pas affiliés à un organisme assureur ou que la transmission de données en dehors du titulaire ne s'avère pas possible, les données dont il est question dans les dispositions précitées sont transmises aux travailleurs indépendants concernés, qui les transmettent dans le mois qui suit leur réception, à l'organisme assureur auquel ils s'affilient.) <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
1. le bon de cotisation et l'attestation de contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés;
2. le bon de cotisation "accident du travail";
3. le bon de cotisation "maladie professionnelle";
4. l'attestation de chômage;
5. l'attestation de travail domestique;
6. les pièces justificatives visées à l'article 248, à condition que la cotisation afférente à la période d'assurance continuée ait été payée;
7. l'attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption;
[2 8. l'attestation d'ayant droit à une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]2
Sont assimilées à des documents de cotisation, l'attestation de milicien assuré social et l'attestation d'objecteur de conscience assuré social visées à l'article 282.
La déclaration visée à l'article 282 selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie d'allocations familiales et l'attestation selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère bénéficiant du droit à l'allocation de remplacement de revenus, sont assimilées à un document de cotisation.
Ceci vaut également pour l'attestation visée à l'article 282 sur laquelle le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement pour les titulaires visées à l'article 32, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée ainsi que pour le document de stage visé à l'article (130, § 1er). <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Les documents visés aux §§ 3 à 8 sont assimilés à des documents de cotisation.) <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
§ 2. La qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, 3°, 5° et 6° de la loi coordonnée, est établie sur base de documents de cotisation visés au § 1er.
Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 7°, 8° et 9° de la loi coordonnée, établissent leur qualité de titulaire en fournissant la preuve qu'ils bénéficient des avantages visés dans ces dispositions. La preuve est établie par l'autorité chargés du paiement de ces avantages.
Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°, 3°, (16° et 20°) de la loi coordonnée, (, à l'exception des personnes visées aux §§ 5 ou 6) et qui, le cas échéant en cette qualité, reçoivent des documents de cotisation qui sont établis annuellement, ainsi que les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire telle qu'elle est visée à l'article 86, § 1er de la loi coordonnée, prouvent leur qualité de titulaire en produisant un des documents suivants: <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°, ainsi que pour ceux visés à l'article 86, § 1er, 1°, a) de la loi coordonnée, une déclaration de l'employeur selon laquelle le titulaire est un travailleur salarié assujetti à un ou aux deux secteurs de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités en vertu de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou un travailleur salarié assujetti à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs ou assimilés;
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 3°, ainsi que pour ceux visés à l'article 86, § 1er, 1°, c), de la loi coordonnée, une déclaration de l'Office National de l'Emploi établissant que le titulaire est en chômage contrôlé;
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, (16°), de la loi coordonnée, (à l'exception des personnes visées aux §§ 5 ou 6,) un extrait de l'acte de décès ou une attestation qui prouve que l'intéressé est titulaire d'une pension de survie, établie par l'instance chargée du paiement de la pension de survie, pour le titulaire visé ici qui s'affilie en cette qualité à un autre organisme assureur, une attestation de l'ancien organisme assureur relative à la dernière qualité du conjoint décédé; <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
- pour les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, (20°), de la loi coordonnée, une attestation délivrée par l'instance qui paye les allocations familiales, selon laquelle l'intéressé est orphelin de père et de mère et bénéficie du droit aux allocations familiales ou une attestation délivrée par le Ministère des Affaires sociales établissant que l'intéressé est un handicapé, orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus au sens de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations (aux personnes handicapées). <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(Sur proposition du Service du Contrôle administratif, le Ministre ayant la Prévoyance sociale dans ses attributions fixe les modalités selon lesquelles doit être prouvée la qualité de titulaire, telle qu'elle est fixée à l'article 32, alinéa premier, 12° à 15°, de la loi coordonnée et précisée aux articles 128bis à 128quinquies.) <AR 1997-12-29/30, art. 27, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[5 Le Service du contrôle administratif détermine les modalités selon lesquelles la qualité de titulaire, visée à l'article 32, alinéa 1er, 24° de la loi coordonnée, est prouvée.]5
[4 § 2/1. Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 11°quinquies et 11°sexies, de la loi coordonnée, prouvent leur qualité de titulaire par une attestation qui est délivrée par la Sécurité sociale d'outre-mer de l'Office National de Sécurité Sociale.
Pour les orphelins qui bénéficient de l'assurance différée des soins de santé de la Sécurité sociale d'outre-mer, visés à l'article 32, alinéa 1er, 11°sexies, de la loi coordonnée, la qualité de titulaire est, pour chaque année civile écoulée, attestée par une attestation délivrée par la Sécurité sociale d'outre-mer de l'Office National de Sécurité Sociale.]4
(§ 3. Pour les travailleurs indépendants visés à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis, de la loi coordonnée, la qualité de titulaire est établie par la communication à leur organisme assureur des données concernant l'accomplissement de l'obligation de cotisation afférente à chaque année civile écoulée par la caisse libre d'assurances sociales ou par la Caisse nationale auxiliaire à laquelle ils sont affiliés en application de l'arrêté royal n° 38 précité.
Les personnes qui obtiennent pour la première fois la qualité précitée de titulaire, prouvent leur qualité de titulaire au moyen des données qui sont communiquées par les caisses susvisées dans le mois suivant l'affiliation et qui attestent que ces personnes sont soumises à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en application de arrêté royal n° 38 précité. [3 Toutefois, pour le secteur des soins de santé, ces données sont communiquées par les caisses susvisées dans le mois suivant soit le paiement de la première cotisation sociale trimestrielle due en vertu de l'article 13bis de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit l'obtention d'une dispense de cotisation pour cette première cotisation sociale trimestrielle, en application de l'article 17 du même arrêté, et attestent que ces personnes sont soumises à l'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité en application du même arrêté, et qu'elles ont payé ou ont été dispensées de payer la première cotisation sociale trimestrielle due.]3
Si le titulaire cesse son activité de travailleur indépendant, les caisses précitées communiquent ce fait et les données relatives à l'accomplissement de l'obligation de cotisation à l'organisme assureur dans le mois qui suit le dernier trimestre d'assujettissement à l'arrêté royal n° 38 précité.
Lorsqu'un titulaire a obtenu l'exonération complète de cotisations en application de l'article 22 de l'arrêté royal n° 38 précité, cette donnée est mentionnée dans les données communiquées par les caisses d'assurances sociales.
§ 4. Les dispositions du § 3 sont applicables aux titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis, 6°ter et 11°quater, de la loi coordonnée. Toutefois, les personnes qui bénéficient des dispositions de l'article 32, alinéa 1er, 6°ter sont censées avoir accompli leur obligation de cotisation pendant la période qui y est déterminée.
§ 5. [1 Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 11° bis et 11° ter de la loi coordonnée, et les personnes qui sont titulaires en vertu de l'article 32, alinéa 1er, 16° parce qu'elles sont veufs ou veuves d'un travailleur indépendant, établissent qu'ils ont la qualité de titulaire par une attestation qui leur est délivrée par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants.]1
§ 6. Pour les travailleurs indépendants qui, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, ont interrompu leur activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et qui, en cette qualité, maintiennent leurs droits en application de la même législation, la qualité de titulaire est établie par la communication de la possession de celle-ci par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à leur organisme assureur.
[1 Pour les travailleurs indépendants qui bénéficient d'une assimilation en vertu de l'article 37bis de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, la qualité de titulaire est établie par la communication de la possession de celle-ci par l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants à leur organisme assureur.]1
§ 7. [1
]1.
§ 8. Les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 21°, de la loi coordonnée, établissent qu'ils ont la qualité de titulaire par la remise d'une attestation qui leur est fournie par leur autorité religieuse.
Cette attestation est remise par le titulaire à son organisme assureur.
La personne qui ne possède plus la qualité de titulaire susvisée remet à l'organisme assureur auprès duquel elle est affiliée ou inscrite un document attestant la perte de cette qualité et fourni par l'autorité religieuse dont elle dépendait.
§ 9. Les Ministres ayant le statut social des travailleurs indépendants et les Affaires sociales dans leurs attributions fixent conjointement la manière dont les données visées aux §§ 3 à 6 sont établies et transmises et déterminent également le délai de transmission de ces données. Lorsque les travailleurs indépendants visés aux §§ 3 à 6 ne sont pas affiliés à un organisme assureur ou que la transmission de données en dehors du titulaire ne s'avère pas possible, les données dont il est question dans les dispositions précitées sont transmises aux travailleurs indépendants concernés, qui les transmettent dans le mois qui suit leur réception, à l'organisme assureur auquel ils s'affilient.) <AR 2008-07-01/34, art. 19, 151; En vigueur : 01-01-2008>
Modifications
Art. 277. § 1. (1° De Rijksdienst voor sociale zekerheid en de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten delen voor elk refertejaar voor de bij hen aangesloten werkgevers aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de werknemer en de verzekerbaarheidsgegevens, bedoeld bij § 3, 1°, mede.
2° De Rijksdienst voor sociale zekerheid deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens mede van de persoon aan wie een vergoeding, bijslag, rente of kapitaal verschuldigd is krachtens de wetgeving betreffende de vergoeding van de schade voortspruitende uit arbeidsongevallen en die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, evenals de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld bij § 3, 2°.
3° De Rijksdienst voor sociale zekerheid deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens mede van de persoon aan wie een vergoeding, tegemoetkoming of rente verschuldigd is krachtens de wetgeving op schadeloosstelling inzake beroepsziekten en die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 18 januari 1964 tot regeling van de wijze van inning en verdeling van de sociale verzekeringsbijdragen verschuldigd door de door beroepsziekten getroffenen die gerechtigd zijn op de wet van 24 december 1963 betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten, evenals de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld bij § 3, 2°.
Indien de elektronische gegevensoverdracht bedoeld in de punten 1° tot 3° niet mogelijk blijkt of indien de werknemer, het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte niet aangesloten of ingeschreven is bij een verzekeringsinstelling, stuurt de Rijksdienst voor sociale zekerheid of de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten binnen de twee weken nadat de onmogelijkheid werd vastgesteld om de bijdragebon op electronische wijze te versturen, een papieren bijdragebon hetzij aan de werkgever, [1 hetzij aan Fedris,]1 hetzij aan de verzekeringsonderneming gemachtigd inzake de arbeidsongevallen die op hun beurt de bijdragebon binnen de twee weken aan de werknemer, het slachtoffer van het arbeidsongeval of aan het slachtoffer van de beroepsziekte bezorgen.) <KB 1998-06-04/38, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 2. (Opgeheven) <KB 2001-07-10/35, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
§ 3. (1° De bijdragebon bedoeld in § 1, 1° vermeldt voor elk kwartaal van het refertejaar het loon waarop de bijdrage voor de uitkeringsverzekering en/of de bijdrage voor de geneeskundige verzorgingsverzekering wordt ingehouden, alsook het tijdvak waarop dit loon betrekking heeft zoals die begrippen respectievelijk in de reglementering inzake sociale zekerheid voor werknemers en in de reglementering inzake sociale zekerheid voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden omschreven zijn. Voor het opmaken van de bijdragebon wordt het loon beperkt tot de uitkomst van de vermenigvuldiging van het maximum dagloon met het aantal arbeidsdagen. Het maximum dagloon is vastgesteld op (143,43 EUR) voor de voltijds tewerkgestelde werknemers die volgens de vijfdagenweekregeling zijn tewerkgesteld en op (119,52 EUR) voor de voltijdse werknemers tewerkgesteld in een andere regeling, de deeltijds tewerkgestelden, de seizoenarbeiders en de arbeiders bij tussenpozen; die bedragen zijn gekoppeld (aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)) en worden vanaf 1987 jaarlijks op 1 januari aangepast aan het spilindexcijfer dat is bereikt op 1 juli van het voorgaande jaar. <KB 2001-12-11/45, art. 17, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
De bijdragebon vermeldt voor elk kwartaal van het refertejaar eveneens het aantal arbeidsdagen, zoals omschreven in artikel 203 en het aantal dagen gedekt door de vergoeding betaald tijdens de tweede week van het gewaarborgd loon; voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vermeldt de bijdragebon voor elk kwartaal bovendien het aantal arbeidsuren.
De bijdragebon vermeldt eveneens voor de vier kwartalen, van het refertejaar de totale som van het loon, het totale aantal arbeidsdagen, het totale aantal dagen gedekt door de vergoeding betaald tijdens de tweede week van het gewaarborgd loon en, in voorkomend geval, het totale aantal arbeidsuren.
Het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst wordt door de werkgever uitgereikt binnen de twee maanden na het einde van het refertejaar of binnen de twee maanden na het einde van de leerovereenkomst. Dit bewijs vermeldt, voor elk kwartaal van het refertejaar het aantal arbeidsdagen en -uren. Het vermeldt tevens het totale aantal arbeidsdagen en -uren voor de vier kwartalen samen van het refertejaar.
2° De bijdragebon bedoeld in § 1, 2° en 3° vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, de aard van de schadeloosstelling, het bedrag van die schadeloosstelling waarop de bijdrage voor geneeskundige verzorging en uitkeringen moet worden ingehouden, het tijdvak waarop ze betrekking heeft, alsmede de graad van ongeschiktheid.
Die bijdragebon vermeldt tevens het bedrag van de schadeloosstelling voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.) <KB 1998-06-04/38, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
2° De Rijksdienst voor sociale zekerheid deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens mede van de persoon aan wie een vergoeding, bijslag, rente of kapitaal verschuldigd is krachtens de wetgeving betreffende de vergoeding van de schade voortspruitende uit arbeidsongevallen en die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 21 december 1971 houdende uitvoering van sommige bepalingen van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, evenals de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld bij § 3, 2°.
3° De Rijksdienst voor sociale zekerheid deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens mede van de persoon aan wie een vergoeding, tegemoetkoming of rente verschuldigd is krachtens de wetgeving op schadeloosstelling inzake beroepsziekten en die onder toepassing valt van het koninklijk besluit van 18 januari 1964 tot regeling van de wijze van inning en verdeling van de sociale verzekeringsbijdragen verschuldigd door de door beroepsziekten getroffenen die gerechtigd zijn op de wet van 24 december 1963 betreffende de schadeloosstelling voor en de voorkoming van beroepsziekten, evenals de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld bij § 3, 2°.
Indien de elektronische gegevensoverdracht bedoeld in de punten 1° tot 3° niet mogelijk blijkt of indien de werknemer, het slachtoffer van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte niet aangesloten of ingeschreven is bij een verzekeringsinstelling, stuurt de Rijksdienst voor sociale zekerheid of de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten binnen de twee weken nadat de onmogelijkheid werd vastgesteld om de bijdragebon op electronische wijze te versturen, een papieren bijdragebon hetzij aan de werkgever, [1 hetzij aan Fedris,]1 hetzij aan de verzekeringsonderneming gemachtigd inzake de arbeidsongevallen die op hun beurt de bijdragebon binnen de twee weken aan de werknemer, het slachtoffer van het arbeidsongeval of aan het slachtoffer van de beroepsziekte bezorgen.) <KB 1998-06-04/38, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 2. (Opgeheven) <KB 2001-07-10/35, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
§ 3. (1° De bijdragebon bedoeld in § 1, 1° vermeldt voor elk kwartaal van het refertejaar het loon waarop de bijdrage voor de uitkeringsverzekering en/of de bijdrage voor de geneeskundige verzorgingsverzekering wordt ingehouden, alsook het tijdvak waarop dit loon betrekking heeft zoals die begrippen respectievelijk in de reglementering inzake sociale zekerheid voor werknemers en in de reglementering inzake sociale zekerheid voor mijnwerkers en ermee gelijkgestelden omschreven zijn. Voor het opmaken van de bijdragebon wordt het loon beperkt tot de uitkomst van de vermenigvuldiging van het maximum dagloon met het aantal arbeidsdagen. Het maximum dagloon is vastgesteld op (143,43 EUR) voor de voltijds tewerkgestelde werknemers die volgens de vijfdagenweekregeling zijn tewerkgesteld en op (119,52 EUR) voor de voltijdse werknemers tewerkgesteld in een andere regeling, de deeltijds tewerkgestelden, de seizoenarbeiders en de arbeiders bij tussenpozen; die bedragen zijn gekoppeld (aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100)) en worden vanaf 1987 jaarlijks op 1 januari aangepast aan het spilindexcijfer dat is bereikt op 1 juli van het voorgaande jaar. <KB 2001-12-11/45, art. 17, 071; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
De bijdragebon vermeldt voor elk kwartaal van het refertejaar eveneens het aantal arbeidsdagen, zoals omschreven in artikel 203 en het aantal dagen gedekt door de vergoeding betaald tijdens de tweede week van het gewaarborgd loon; voor de seizoenarbeiders, de arbeiders bij tussenpozen en de deeltijdse werknemers vermeldt de bijdragebon voor elk kwartaal bovendien het aantal arbeidsuren.
De bijdragebon vermeldt eveneens voor de vier kwartalen, van het refertejaar de totale som van het loon, het totale aantal arbeidsdagen, het totale aantal dagen gedekt door de vergoeding betaald tijdens de tweede week van het gewaarborgd loon en, in voorkomend geval, het totale aantal arbeidsuren.
Het bewijs van leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst wordt door de werkgever uitgereikt binnen de twee maanden na het einde van het refertejaar of binnen de twee maanden na het einde van de leerovereenkomst. Dit bewijs vermeldt, voor elk kwartaal van het refertejaar het aantal arbeidsdagen en -uren. Het vermeldt tevens het totale aantal arbeidsdagen en -uren voor de vier kwartalen samen van het refertejaar.
2° De bijdragebon bedoeld in § 1, 2° en 3° vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, de aard van de schadeloosstelling, het bedrag van die schadeloosstelling waarop de bijdrage voor geneeskundige verzorging en uitkeringen moet worden ingehouden, het tijdvak waarop ze betrekking heeft, alsmede de graad van ongeschiktheid.
Die bijdragebon vermeldt tevens het bedrag van de schadeloosstelling voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.) <KB 1998-06-04/38, art. 1, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Modifications
Art. 277. § 1er. (1° L'Office national de sécurité sociale et l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales communiquent aux organismes assureurs, pour les employeurs affiliés chez eux, les données d'identification du travailleur et les données d'assurabilité, visées au § 3, 1°, pour chaque année de référence.
2° L'Office national de sécurité sociale communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification ainsi que les données d'assurabilité, visées au § 3, 2°, de la personne à laquelle une indemnité, un supplément, une rente ou un capital est dû en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant d'accidents du travail et qui tombe sous l'application des dispositions de l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
3° L'Office national de sécurité sociale communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification ainsi que les données d'assurabilité, visées au § 3, 2°, de la personne à laquelle une indemnité, allocation ou rente est due en vertu de la législation sur la réparation des dommages causés par des maladies professionnelles et qui tombe sous l'application des dispositions de l'arrêté royal du 18 janvier 1964 réglant les modalités de perception et de répartition des cotisations de sécurité sociale dues par les victimes des maladies professionnelles, bénéficiaires de la loi du 24 décembre 1963 relative à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles et à la prévention de celles-ci.
Lorsque la transmission électronique de données visée au point 1° à 3° s'avère être impossible ou lorsque le travailleur, la victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'Office national de sécurité sociale ou l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales fournissent, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre un bon de cotisation électronique, un bon de cotisation papier à l'employeur [1 ou à Fedris]1 [1 ...]1 ou à l'entreprise d'assurances habilitée à traiter les accidents du travail qui à leur tour remettent le bon de cotisation au travailleur, à la victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, dans un délai de deux semaines.) <AR 1998-06-04/38, art. 1, 024; En vigueur : 01-01-1998>
§ 2. (Abrogé) <AR 2001-07-10/35, art. 1, 062; En vigueur : 01-01-1999>
§ 3. (1° Le bon de cotisation visé au §1, 1° mentionne, pour chaque trimestre de l'année de référence, la rémunération sur laquelle est retenue la cotisation pour l'assurance indemnités et/ou la cotisation pour l'assurance soins de santé, ainsi que la période à laquelle se rapporte cette rémunération, telles que ces notions sont respectivement définies dans la réglementation en matière de sécurité sociale des travailleurs et dans la réglementation en matière de sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés. Pour l'établissement du bon de cotisation, la rémunération est limitée au montant obtenu en multipliant le plafond de rémunération journalier par le nombre de jours de travail. Le plafond de rémunération journalier est fixé à (143,43 EUR) pour les travailleurs occupés à temps plein en régime de cinq jours par semaine, et à (119,52 EUR) pour les travailleurs occupés à temps plein dans un autre régime de travail, les travailleurs à temps partiel, les travailleurs saisonniers et les travailleurs intermittents; ces montants sont liés (à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)) et sont, à partir de 1987, adaptés au 1er janvier de chaque année à l'indice-pivot atteint au 1er juillet de l'année précédente. <AR 2001-12-11/45, art. 17, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Le bon de cotisation mentionne également pour chaque trimestre de l'année de référence, le nombre de jours de travail, tel qu'il est défini à l'article 203, et le nombre de jours couverts par l'indemnité payée au cours de la deuxième semaine de salaire garanti; pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel, le bon de cotisation mentionne en outre, pour chaque trimestre, le nombre d'heures de travail.
Le bon de cotisation comporte également une mention qui totalise pour les quatre trimestres de l'année de référence, le montant de la rémunération, le nombre de jours de travail, le nombre de jours couverts par l'indemnité payée au cours de la deuxième semaine de salaire garanti et, le cas échéant, le nombre d'heures de travail.
L'attestation de contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés est remise par l'employeur dans les deux mois qui suivent la fin de l'année de référence ou la fin du contrat d'apprentissage. Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année de référence, le nombre de jours et d'heures de travail. Elle comporte également une mention qui totalise pour les quatre trimestres de l'année de référence, le nombre de jours et d'heures de travail.
2° Le bon de cotisation visé au § 1, 2° et 3° indique, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment la nature du dédommagement, le montant de ce dédommagement sur lequel est retenue la cotisation pour l'assurance soins de santé et indemnités, la période à laquelle il se rapporte ainsi que le degré d'incapacité.
Ce bon de cotisation mentionne également le montant du dédommagement, totalisé pour les quatre trimestres de l'année civile.) <AR 1998-06-04/38, art. 1, 024; En vigueur : 01-01-1998>
2° L'Office national de sécurité sociale communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification ainsi que les données d'assurabilité, visées au § 3, 2°, de la personne à laquelle une indemnité, un supplément, une rente ou un capital est dû en vertu de la législation sur la réparation des dommages résultant d'accidents du travail et qui tombe sous l'application des dispositions de l'arrêté royal du 21 décembre 1971 portant exécution de certaines dispositions de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail.
3° L'Office national de sécurité sociale communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification ainsi que les données d'assurabilité, visées au § 3, 2°, de la personne à laquelle une indemnité, allocation ou rente est due en vertu de la législation sur la réparation des dommages causés par des maladies professionnelles et qui tombe sous l'application des dispositions de l'arrêté royal du 18 janvier 1964 réglant les modalités de perception et de répartition des cotisations de sécurité sociale dues par les victimes des maladies professionnelles, bénéficiaires de la loi du 24 décembre 1963 relative à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles et à la prévention de celles-ci.
Lorsque la transmission électronique de données visée au point 1° à 3° s'avère être impossible ou lorsque le travailleur, la victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'Office national de sécurité sociale ou l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales fournissent, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre un bon de cotisation électronique, un bon de cotisation papier à l'employeur [1 ou à Fedris]1 [1 ...]1 ou à l'entreprise d'assurances habilitée à traiter les accidents du travail qui à leur tour remettent le bon de cotisation au travailleur, à la victime d'un accident du travail ou d'une maladie professionnelle, dans un délai de deux semaines.) <AR 1998-06-04/38, art. 1, 024; En vigueur : 01-01-1998>
§ 2. (Abrogé) <AR 2001-07-10/35, art. 1, 062; En vigueur : 01-01-1999>
§ 3. (1° Le bon de cotisation visé au §1, 1° mentionne, pour chaque trimestre de l'année de référence, la rémunération sur laquelle est retenue la cotisation pour l'assurance indemnités et/ou la cotisation pour l'assurance soins de santé, ainsi que la période à laquelle se rapporte cette rémunération, telles que ces notions sont respectivement définies dans la réglementation en matière de sécurité sociale des travailleurs et dans la réglementation en matière de sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés. Pour l'établissement du bon de cotisation, la rémunération est limitée au montant obtenu en multipliant le plafond de rémunération journalier par le nombre de jours de travail. Le plafond de rémunération journalier est fixé à (143,43 EUR) pour les travailleurs occupés à temps plein en régime de cinq jours par semaine, et à (119,52 EUR) pour les travailleurs occupés à temps plein dans un autre régime de travail, les travailleurs à temps partiel, les travailleurs saisonniers et les travailleurs intermittents; ces montants sont liés (à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100)) et sont, à partir de 1987, adaptés au 1er janvier de chaque année à l'indice-pivot atteint au 1er juillet de l'année précédente. <AR 2001-12-11/45, art. 17, 071; En vigueur : 01-01-2002>
Le bon de cotisation mentionne également pour chaque trimestre de l'année de référence, le nombre de jours de travail, tel qu'il est défini à l'article 203, et le nombre de jours couverts par l'indemnité payée au cours de la deuxième semaine de salaire garanti; pour les travailleurs saisonniers, les travailleurs intermittents et les travailleurs à temps partiel, le bon de cotisation mentionne en outre, pour chaque trimestre, le nombre d'heures de travail.
Le bon de cotisation comporte également une mention qui totalise pour les quatre trimestres de l'année de référence, le montant de la rémunération, le nombre de jours de travail, le nombre de jours couverts par l'indemnité payée au cours de la deuxième semaine de salaire garanti et, le cas échéant, le nombre d'heures de travail.
L'attestation de contrat d'apprentissage de professions exercées par des travailleurs salariés est remise par l'employeur dans les deux mois qui suivent la fin de l'année de référence ou la fin du contrat d'apprentissage. Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année de référence, le nombre de jours et d'heures de travail. Elle comporte également une mention qui totalise pour les quatre trimestres de l'année de référence, le nombre de jours et d'heures de travail.
2° Le bon de cotisation visé au § 1, 2° et 3° indique, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment la nature du dédommagement, le montant de ce dédommagement sur lequel est retenue la cotisation pour l'assurance soins de santé et indemnités, la période à laquelle il se rapporte ainsi que le degré d'incapacité.
Ce bon de cotisation mentionne également le montant du dédommagement, totalisé pour les quatre trimestres de l'année civile.) <AR 1998-06-04/38, art. 1, 024; En vigueur : 01-01-1998>
Modifications
Art. 278. (...) (Opgeheven) <KB 2001-07-10/35, art. 1, 062; Inwerkingtreding : 01-01-1999>
(Indien de procedure voorzien bij artikel 277, § 1, niet kan worden toegepast, maakt de Dienst voor administratieve controle, op verzoek van de verzekeringsinstellingen en op voorwaarde dat voldoende bewijsmateriaal wordt voorgelegd, de ontbrekende gegevens over aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid of aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, die deze gegevens volgens de in artikel 277, § 1, bepaalde procedure aan de verzekeringsinstellingen overzenden.) <KB 1997-06-12/36, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
(De Dienst voor administratieve controle kan daarenboven aan de verzekeringsinstelling een verklaring sturen die geldt als voorlopige bijdragebon. Aan de hand van deze verklaring en rekening houdend met de andere verzekerbaarheidsgegevens, mag de verzekeringsinstelling aan de betrokken werknemer een voorlopige verzekerbaarheid toekennen waarvan de geldigheidsduur bepaald is door de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2001-07-10/35, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(lid 4 opgeheven) <KB 1998-06-04/38, art. 2, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(Indien de procedure voorzien bij artikel 277, § 1, niet kan worden toegepast, maakt de Dienst voor administratieve controle, op verzoek van de verzekeringsinstellingen en op voorwaarde dat voldoende bewijsmateriaal wordt voorgelegd, de ontbrekende gegevens over aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid of aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, die deze gegevens volgens de in artikel 277, § 1, bepaalde procedure aan de verzekeringsinstellingen overzenden.) <KB 1997-06-12/36, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
(De Dienst voor administratieve controle kan daarenboven aan de verzekeringsinstelling een verklaring sturen die geldt als voorlopige bijdragebon. Aan de hand van deze verklaring en rekening houdend met de andere verzekerbaarheidsgegevens, mag de verzekeringsinstelling aan de betrokken werknemer een voorlopige verzekerbaarheid toekennen waarvan de geldigheidsduur bepaald is door de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2001-07-10/35, art. 2, 062; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(lid 4 opgeheven) <KB 1998-06-04/38, art. 2, 2°, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Art. 278. (...) (Abrogé) <AR 2001-07-10/35, art. 1, 062; En vigueur : 01-01-1999>
(Si la procédure prévue à l'article 277, § 1er, ne peut être appliquée, le Service du contrôle administratif, à la demande des organismes assureurs et pour autant que des preuves suffisantes soient produites, transmet les données manquantes à l'Office national de sécurité sociale ou à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales, qui font parvenir ces données aux organismes assureurs conformément à la procédure prévue à l'article 277, § 1er.) <AR 1997-06-12/36, art. 2, 006; En vigueur : 01-01-1997>
(Le Service du contrôle administratif peut en outre envoyer à l'organisme assureur une attestation tenant lieu de bon de cotisation provisoire. Sur base de cette attestation et compte tenu des autres données d'assurabilité, l'organisme assureur peut octroyer au travailleur concerné une assurabilité provisoire dont la durée de validité est fixée par le Service du contrôle administratif.) <AR 2001-07-10/35, art. 2, 062; En vigueur : 01-01-2002>
(Alinéa 4 abrogé) <AR 1998-06-04/38, art. 2, 2°, 024; En vigueur : 01-01-1998>
(Si la procédure prévue à l'article 277, § 1er, ne peut être appliquée, le Service du contrôle administratif, à la demande des organismes assureurs et pour autant que des preuves suffisantes soient produites, transmet les données manquantes à l'Office national de sécurité sociale ou à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales, qui font parvenir ces données aux organismes assureurs conformément à la procédure prévue à l'article 277, § 1er.) <AR 1997-06-12/36, art. 2, 006; En vigueur : 01-01-1997>
(Le Service du contrôle administratif peut en outre envoyer à l'organisme assureur une attestation tenant lieu de bon de cotisation provisoire. Sur base de cette attestation et compte tenu des autres données d'assurabilité, l'organisme assureur peut octroyer au travailleur concerné une assurabilité provisoire dont la durée de validité est fixée par le Service du contrôle administratif.) <AR 2001-07-10/35, art. 2, 062; En vigueur : 01-01-2002>
(Alinéa 4 abrogé) <AR 1998-06-04/38, art. 2, 2°, 024; En vigueur : 01-01-1998>
Art.280. (Opgeheven) <KB 1998-06-04/38, art. 3, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Art.281. § 1er. L'Office national de l'emploi communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification des chômeurs et les données d'assurabilité visées aux alinéas 3 et 4.
Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le chômeur n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'organisme de paiement des allocations de chômage remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives au chômage par voie électronique, une attestation de chômage papier au chômeur.
L'attestation de chômage mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de journées de chômage contrôlé, le nombre de jours de vacances légales et la période à laquelle ces journées se rapportent.
Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de journées de chômage contrôlé et le nombre de jours de vacances légales.
§ 2. Au chômeur qui met un terme à son chômage, en acceptant d'effectuer à l'intervention de l'Office national de l'Emploi, un travail domestique, cet office remet, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile, éventuellement par l'intermédiaire de l'employeur l'attestation de travail domestique.
Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de jours de travail domestique et la période à laquelle ces jours se rapportent.
Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de jours de travail domestique.
§ 3. (Pour les travailleurs bénéficiant d'une allocation d'interruption visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 28 février 1991 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans les administrations et autres services des ministères, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, ou l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 27 novembre 1985 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle pour les membres du personnel administratif, du personnel spécialisé, du personnel de maîtrise et des gens de métier ou de service des institutions universitaires, l'Office national de l'emploi communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification des travailleurs concernés et la période au cours de laquelle ceux-ci ont bénéficié d'une allocation d'interruption.
Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le travailleur bénéficiant d'une allocation d'interruption n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'Office national de l'emploi remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives à l'interruption de carrière par voie électronique, une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption au travailleur.
Cette attestation mentionne, pour l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1997-06-12/36, art. 3, 006; En vigueur : 01-01-1997>
(§ 4. Au militaire bénéficiant d'une allocation d'interruption visé à l'article 3, § 3bis, de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires, le Ministère de la Défense nationale délivre une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile au cours de laquelle le travailleur a bénéficié d'une allocation d'interruption.
Cette attestation mentionne, pour l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1998-04-16/49, art. 2, 020; En vigueur : 20-08-1997>
[1 § 5. Pour les travailleurs qui bénéficient d'une indemnité en compensation du licenciement, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleur, l'Office national de l'Emploi communique aux organismes assureurs les données d'identification des travailleurs concernés ainsi que la période au cours de laquelle ils bénéficient de l'indemnité en compensation du licenciement et le montant de cette indemnité.]1
Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le chômeur n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'organisme de paiement des allocations de chômage remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives au chômage par voie électronique, une attestation de chômage papier au chômeur.
L'attestation de chômage mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de journées de chômage contrôlé, le nombre de jours de vacances légales et la période à laquelle ces journées se rapportent.
Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de journées de chômage contrôlé et le nombre de jours de vacances légales.
§ 2. Au chômeur qui met un terme à son chômage, en acceptant d'effectuer à l'intervention de l'Office national de l'Emploi, un travail domestique, cet office remet, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile, éventuellement par l'intermédiaire de l'employeur l'attestation de travail domestique.
Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de jours de travail domestique et la période à laquelle ces jours se rapportent.
Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de jours de travail domestique.
§ 3. (Pour les travailleurs bénéficiant d'une allocation d'interruption visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 28 février 1991 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans les administrations et autres services des ministères, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, ou l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 27 novembre 1985 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle pour les membres du personnel administratif, du personnel spécialisé, du personnel de maîtrise et des gens de métier ou de service des institutions universitaires, l'Office national de l'emploi communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification des travailleurs concernés et la période au cours de laquelle ceux-ci ont bénéficié d'une allocation d'interruption.
Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le travailleur bénéficiant d'une allocation d'interruption n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'Office national de l'emploi remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives à l'interruption de carrière par voie électronique, une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption au travailleur.
Cette attestation mentionne, pour l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1997-06-12/36, art. 3, 006; En vigueur : 01-01-1997>
(§ 4. Au militaire bénéficiant d'une allocation d'interruption visé à l'article 3, § 3bis, de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires, le Ministère de la Défense nationale délivre une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile au cours de laquelle le travailleur a bénéficié d'une allocation d'interruption.
Cette attestation mentionne, pour l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1998-04-16/49, art. 2, 020; En vigueur : 20-08-1997>
[1 § 5. Pour les travailleurs qui bénéficient d'une indemnité en compensation du licenciement, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleur, l'Office national de l'Emploi communique aux organismes assureurs les données d'identification des travailleurs concernés ainsi que la période au cours de laquelle ils bénéficient de l'indemnité en compensation du licenciement et le montant de cette indemnité.]1
Modifications
Art.281. § 1. De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de werklozen en de verzekerbaarheidsgegevens mee bedoeld in derde en vierde lid.
Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werkloze niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instelling binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de werkloosheid langs electronische weg door te sturen, een papieren bewijs van werkloosheid aan de werkloze.
Het bewijs van werkloosheid vermeldt met name voor elk kwartaal van het kalenderjaar het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid, het aantal wettelijke vakantiedagen en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid en het aantal wettelijke vakantiedagen voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
§ 2. Aan de werkloze die een einde maakt aan zijn werkloosheid en door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening huishoudelijke arbeid aanvaardt, reikt die dienst binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar, eventueel via de werkgever, het bewijs van huishoudelijke arbeid uit.
Dat bewijs vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, het aantal dagen huishoudelijke arbeid en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen huishoudelijke arbeid voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
§ 3. (Voor de werknemers die een onderbrekingsuitkering genieten bedoeld bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en de andere diensten van de ministeries, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psychomedisch-sociale centra, of bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 27 november 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan voor de leden van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de universitaire instellingen, deelt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers en het tijdvak waarvoor zij een onderbrekingsuitkering genoten hebben, mee.
Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werknemer die een onderbrekingsuitkering geniet niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de loopbaanonderbreking langs electronische weg door te sturen, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering aan de werknemer.
Dit bewijs vermeldt voor het kalenderjaar het tijdvak waarover de werknemer de in het 1e lid bedoelde onderbrekingsuitkering ontvangen heeft.) <KB 1997-06-12/36, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
(§ 4. Aan de militair die een onderbrekingsuitkering geniet, bedoeld bij artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, reikt het Ministerie van Landsverdediging binnen twee maanden na het einde van elk kalenderjaar gedurende hetwelk hij een onderbrekingsuitkering heeft genoten, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering uit.
Dat bewijs vermeldt, voor het kalenderjaar, het tijdvak waarover de werknemer de in het eerste lid bedoelde onderbrekingsuitkering heeft genoten.) <KB 1998-04-16/49, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 20-08-1997>
[1 § 5. Voor de werknemers die een ontslagcompensatievergoeding genieten, als bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, deelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers mee, evenals het tijdvak waarover zij de ontslagcompensatievergoeding genieten en het bedrag van die vergoeding.]1
Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werkloze niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instelling binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de werkloosheid langs electronische weg door te sturen, een papieren bewijs van werkloosheid aan de werkloze.
Het bewijs van werkloosheid vermeldt met name voor elk kwartaal van het kalenderjaar het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid, het aantal wettelijke vakantiedagen en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid en het aantal wettelijke vakantiedagen voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
§ 2. Aan de werkloze die een einde maakt aan zijn werkloosheid en door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening huishoudelijke arbeid aanvaardt, reikt die dienst binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar, eventueel via de werkgever, het bewijs van huishoudelijke arbeid uit.
Dat bewijs vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, het aantal dagen huishoudelijke arbeid en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen huishoudelijke arbeid voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
§ 3. (Voor de werknemers die een onderbrekingsuitkering genieten bedoeld bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en de andere diensten van de ministeries, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psychomedisch-sociale centra, of bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 27 november 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan voor de leden van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de universitaire instellingen, deelt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers en het tijdvak waarvoor zij een onderbrekingsuitkering genoten hebben, mee.
Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werknemer die een onderbrekingsuitkering geniet niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de loopbaanonderbreking langs electronische weg door te sturen, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering aan de werknemer.
Dit bewijs vermeldt voor het kalenderjaar het tijdvak waarover de werknemer de in het 1e lid bedoelde onderbrekingsuitkering ontvangen heeft.) <KB 1997-06-12/36, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
(§ 4. Aan de militair die een onderbrekingsuitkering geniet, bedoeld bij artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, reikt het Ministerie van Landsverdediging binnen twee maanden na het einde van elk kalenderjaar gedurende hetwelk hij een onderbrekingsuitkering heeft genoten, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering uit.
Dat bewijs vermeldt, voor het kalenderjaar, het tijdvak waarover de werknemer de in het eerste lid bedoelde onderbrekingsuitkering heeft genoten.) <KB 1998-04-16/49, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 20-08-1997>
[1 § 5. Voor de werknemers die een ontslagcompensatievergoeding genieten, als bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, deelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers mee, evenals het tijdvak waarover zij de ontslagcompensatievergoeding genieten en het bedrag van die vergoeding.]1
Modifications
Art.282. (quatre alinéas abrogés) <AR 1997-12-29/30, art. 28, 017; En vigueur : 01-01-1998>
L'instance qui paie les allocations familiales délivre à l'orphelin de père et de mère dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant du droit aux allocations familiales. L'attestation mentionne la période de l'année civile considérée pour laquelle les allocation familiales ont été payées.
Le handicapé, orphelin de père et de mère, bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés est assimilé à l'orphelin de père et de mère bénéficiant d'allocations familiales.
Le Ministère des Affaires sociales délivre dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile à l'orphelin de père et de mère susvisé une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus.
Sur cette attestation figure la période de l'année civile considérée durant laquelle une allocation de remplacement de revenus a été octroyée.
Ces attestations doivent être remises à l'organisme assureur dans les trois mois suivant l'année civile à laquelle elles se rapportent.
La titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée est tenue de produire, à titre de preuve de sa situation, un certificat dans lequel le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement. Ce certificat doit être remis à l'organisme assureur dans les trente jours suivant la date de début du repos d'accouchement visé à l'article 32, alinéa 1er, 4°, précité.
L'instance qui paie les allocations familiales délivre à l'orphelin de père et de mère dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant du droit aux allocations familiales. L'attestation mentionne la période de l'année civile considérée pour laquelle les allocation familiales ont été payées.
Le handicapé, orphelin de père et de mère, bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés est assimilé à l'orphelin de père et de mère bénéficiant d'allocations familiales.
Le Ministère des Affaires sociales délivre dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile à l'orphelin de père et de mère susvisé une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus.
Sur cette attestation figure la période de l'année civile considérée durant laquelle une allocation de remplacement de revenus a été octroyée.
Ces attestations doivent être remises à l'organisme assureur dans les trois mois suivant l'année civile à laquelle elles se rapportent.
La titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée est tenue de produire, à titre de preuve de sa situation, un certificat dans lequel le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement. Ce certificat doit être remis à l'organisme assureur dans les trente jours suivant la date de début du repos d'accouchement visé à l'article 32, alinéa 1er, 4°, précité.
Art. 281. § 1. De Rijksdienst voor arbeidsvoorziening deelt voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de werklozen en de verzekerbaarheidsgegevens mee bedoeld in derde en vierde lid.
Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werkloze niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instelling binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de werkloosheid langs electronische weg door te sturen, een papieren bewijs van werkloosheid aan de werkloze.
Het bewijs van werkloosheid vermeldt met name voor elk kwartaal van het kalenderjaar het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid, het aantal wettelijke vakantiedagen en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid en het aantal wettelijke vakantiedagen voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
§ 2. Aan de werkloze die een einde maakt aan zijn werkloosheid en door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening huishoudelijke arbeid aanvaardt, reikt die dienst binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar, eventueel via de werkgever, het bewijs van huishoudelijke arbeid uit.
Dat bewijs vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, het aantal dagen huishoudelijke arbeid en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen huishoudelijke arbeid voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
§ 3. (Voor de werknemers die een onderbrekingsuitkering genieten bedoeld bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en de andere diensten van de ministeries, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psychomedisch-sociale centra, of bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 27 november 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan voor de leden van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de universitaire instellingen, deelt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers en het tijdvak waarvoor zij een onderbrekingsuitkering genoten hebben, mee.
Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werknemer die een onderbrekingsuitkering geniet niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de loopbaanonderbreking langs electronische weg door te sturen, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering aan de werknemer.
Dit bewijs vermeldt voor het kalenderjaar het tijdvak waarover de werknemer de in het 1e lid bedoelde onderbrekingsuitkering ontvangen heeft.) <KB 1997-06-12/36, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
(§ 4. Aan de militair die een onderbrekingsuitkering geniet, bedoeld bij artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, reikt het Ministerie van Landsverdediging binnen twee maanden na het einde van elk kalenderjaar gedurende hetwelk hij een onderbrekingsuitkering heeft genoten, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering uit.
Dat bewijs vermeldt, voor het kalenderjaar, het tijdvak waarover de werknemer de in het eerste lid bedoelde onderbrekingsuitkering heeft genoten.) <KB 1998-04-16/49, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 20-08-1997>
[1 § 5. Voor de werknemers die een ontslagcompensatievergoeding genieten, als bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, deelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers mee, evenals het tijdvak waarover zij de ontslagcompensatievergoeding genieten en het bedrag van die vergoeding.]1
Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werkloze niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instelling binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de werkloosheid langs electronische weg door te sturen, een papieren bewijs van werkloosheid aan de werkloze.
Het bewijs van werkloosheid vermeldt met name voor elk kwartaal van het kalenderjaar het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid, het aantal wettelijke vakantiedagen en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen gecontroleerde werkloosheid en het aantal wettelijke vakantiedagen voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
§ 2. Aan de werkloze die een einde maakt aan zijn werkloosheid en door toedoen van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening huishoudelijke arbeid aanvaardt, reikt die dienst binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar, eventueel via de werkgever, het bewijs van huishoudelijke arbeid uit.
Dat bewijs vermeldt met name, voor elk kwartaal van het kalenderjaar, het aantal dagen huishoudelijke arbeid en het tijdvak waarop die dagen betrekking hebben.
Dat bewijs vermeldt tevens het aantal dagen huishoudelijke arbeid voor de vier kwartalen samen van het kalenderjaar.
§ 3. (Voor de werknemers die een onderbrekingsuitkering genieten bedoeld bij artikel 6 van het koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 28 februari 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan in de besturen en de andere diensten van de ministeries, of bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 12 augustus 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen aan de personeelsleden van het onderwijs en de psychomedisch-sociale centra, of bij artikel 4, § 3, van het koninklijk besluit van 27 november 1985 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan voor de leden van het administratief, gespecialiseerd, meesters-, vak- en dienstpersoneel van de universitaire instellingen, deelt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening voor elk refertejaar aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers en het tijdvak waarvoor zij een onderbrekingsuitkering genoten hebben, mee.
Wanneer het electronisch doorsturen van de gegevens onmogelijk blijkt of wanneer de werknemer die een onderbrekingsuitkering geniet niet bij een verzekeringsinstelling aangesloten of ingeschreven is, bezorgt de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening binnen twee weken na de vaststelling van de onmogelijkheid om de gegevens inzake de loopbaanonderbreking langs electronische weg door te sturen, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering aan de werknemer.
Dit bewijs vermeldt voor het kalenderjaar het tijdvak waarover de werknemer de in het 1e lid bedoelde onderbrekingsuitkering ontvangen heeft.) <KB 1997-06-12/36, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
(§ 4. Aan de militair die een onderbrekingsuitkering geniet, bedoeld bij artikel 3, § 3bis, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de geldelijke rechten van de militairen, reikt het Ministerie van Landsverdediging binnen twee maanden na het einde van elk kalenderjaar gedurende hetwelk hij een onderbrekingsuitkering heeft genoten, een bewijs van rechthebbende op een onderbrekingsuitkering uit.
Dat bewijs vermeldt, voor het kalenderjaar, het tijdvak waarover de werknemer de in het eerste lid bedoelde onderbrekingsuitkering heeft genoten.) <KB 1998-04-16/49, art. 2, 020; Inwerkingtreding : 20-08-1997>
[1 § 5. Voor de werknemers die een ontslagcompensatievergoeding genieten, als bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, deelt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening aan de verzekeringsinstellingen de identificatiegegevens van de betrokken werknemers mee, evenals het tijdvak waarover zij de ontslagcompensatievergoeding genieten en het bedrag van die vergoeding.]1
Modifications
Art. 281. § 1er. L'Office national de l'emploi communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification des chômeurs et les données d'assurabilité visées aux alinéas 3 et 4.
Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le chômeur n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'organisme de paiement des allocations de chômage remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives au chômage par voie électronique, une attestation de chômage papier au chômeur.
L'attestation de chômage mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de journées de chômage contrôlé, le nombre de jours de vacances légales et la période à laquelle ces journées se rapportent.
Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de journées de chômage contrôlé et le nombre de jours de vacances légales.
§ 2. Au chômeur qui met un terme à son chômage, en acceptant d'effectuer à l'intervention de l'Office national de l'Emploi, un travail domestique, cet office remet, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile, éventuellement par l'intermédiaire de l'employeur l'attestation de travail domestique.
Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de jours de travail domestique et la période à laquelle ces jours se rapportent.
Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de jours de travail domestique.
§ 3. (Pour les travailleurs bénéficiant d'une allocation d'interruption visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 28 février 1991 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans les administrations et autres services des ministères, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, ou l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 27 novembre 1985 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle pour les membres du personnel administratif, du personnel spécialisé, du personnel de maîtrise et des gens de métier ou de service des institutions universitaires, l'Office national de l'emploi communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification des travailleurs concernés et la période au cours de laquelle ceux-ci ont bénéficié d'une allocation d'interruption.
Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le travailleur bénéficiant d'une allocation d'interruption n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'Office national de l'emploi remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives à l'interruption de carrière par voie électronique, une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption au travailleur.
Cette attestation mentionne, pour l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1997-06-12/36, art. 3, 006; En vigueur : 01-01-1997>
(§ 4. Au militaire bénéficiant d'une allocation d'interruption visé à l'article 3, § 3bis, de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires, le Ministère de la Défense nationale délivre une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile au cours de laquelle le travailleur a bénéficié d'une allocation d'interruption.
Cette attestation mentionne, pour l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1998-04-16/49, art. 2, 020; En vigueur : 20-08-1997>
[1 § 5. Pour les travailleurs qui bénéficient d'une indemnité en compensation du licenciement, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleur, l'Office national de l'Emploi communique aux organismes assureurs les données d'identification des travailleurs concernés ainsi que la période au cours de laquelle ils bénéficient de l'indemnité en compensation du licenciement et le montant de cette indemnité.]1
Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le chômeur n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'organisme de paiement des allocations de chômage remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives au chômage par voie électronique, une attestation de chômage papier au chômeur.
L'attestation de chômage mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de journées de chômage contrôlé, le nombre de jours de vacances légales et la période à laquelle ces journées se rapportent.
Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de journées de chômage contrôlé et le nombre de jours de vacances légales.
§ 2. Au chômeur qui met un terme à son chômage, en acceptant d'effectuer à l'intervention de l'Office national de l'Emploi, un travail domestique, cet office remet, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile, éventuellement par l'intermédiaire de l'employeur l'attestation de travail domestique.
Cette attestation mentionne, pour chaque trimestre de l'année civile, notamment le nombre de jours de travail domestique et la période à laquelle ces jours se rapportent.
Cette attestation comporte également une mention qui totalise, pour les quatre trimestres de l'année civile, le nombre de jours de travail domestique.
§ 3. (Pour les travailleurs bénéficiant d'une allocation d'interruption visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 2 janvier 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 28 février 1991 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle dans les administrations et autres services des ministères, ou à l'article 4 de l'arrêté royal du 12 août 1991 relatif à l'octroi d'allocations d'interruption aux membres du personnel de l'enseignement et des centres psycho-médico-sociaux, ou l'article 4, § 3, de l'arrêté royal du 27 novembre 1985 relatif à l'interruption de la carrière professionnelle pour les membres du personnel administratif, du personnel spécialisé, du personnel de maîtrise et des gens de métier ou de service des institutions universitaires, l'Office national de l'emploi communique aux organismes assureurs, pour chaque année de référence, les données d'identification des travailleurs concernés et la période au cours de laquelle ceux-ci ont bénéficié d'une allocation d'interruption.
Lorsque la transmission électronique de données s'avère être impossible ou lorsque le travailleur bénéficiant d'une allocation d'interruption n'est pas affilié ou inscrit auprès d'un organisme assureur, l'Office national de l'emploi remet, dans les deux semaines qui suivent la constatation de l'impossibilité de transmettre les données relatives à l'interruption de carrière par voie électronique, une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption au travailleur.
Cette attestation mentionne, pour l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1997-06-12/36, art. 3, 006; En vigueur : 01-01-1997>
(§ 4. Au militaire bénéficiant d'une allocation d'interruption visé à l'article 3, § 3bis, de la loi du 20 mai 1994 relative aux droits pécuniaires des militaires, le Ministère de la Défense nationale délivre une attestation d'ayant droit à une allocation d'interruption, dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile au cours de laquelle le travailleur a bénéficié d'une allocation d'interruption.
Cette attestation mentionne, pour l'année civile, la période au cours de laquelle le travailleur a bénéficié de l'allocation d'interruption visée à l'alinéa 1er.) <AR 1998-04-16/49, art. 2, 020; En vigueur : 20-08-1997>
[1 § 5. Pour les travailleurs qui bénéficient d'une indemnité en compensation du licenciement, visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleur, l'Office national de l'Emploi communique aux organismes assureurs les données d'identification des travailleurs concernés ainsi que la période au cours de laquelle ils bénéficient de l'indemnité en compensation du licenciement et le montant de cette indemnité.]1
Modifications
Art. 282. (vier leden opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 28, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
De instantie die de kinderbijslag uitbetaalt reikt de volle wees binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar een verklaring uit dat de gerechtigde een volle wees is die gerechtigd is op kinderbijslag. De verklaring vermeldt de periode uit het beschouwde kalenderjaar waarvoor de kinderbijslag werd betaald.
De minder-valide volle wees die een inkomensvervangende tegemoetkoming geniet in toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, wordt gelijkgesteld met de volle wees die kinderbijslag geniet.
Het Ministerie van Sociale zaken reikt de hiervoor bedoelde mindervalide volle wees. binnen de tabee maanden na het einde van elk kalenderjaar een verklaring uit dat de gerechtigde een volle wees is die gerechtigd is op een inkomensvervangende tegemoetkoming.
Die verklaring vermeldt de periode uit het beschouwde kalenderjaar waarover de inkomensvervangende tegemoetkoming werd verleend.
Die verklaringen moeten bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de drie maanden na het kalenderjaar waarop ze betrekking hebben.
De in artikel 32, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is ertoe gehouden ten bewijze van haar toestand een verklaring over te leggen waarop haar behandelende [1 arts]1 de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt. Deze verklaring moet bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de dertig dagen na de aanvangsdatum van de in het voormelde artikel 32, eerste lid, 4°, bedoelde rust wegens zwangerschap.
De instantie die de kinderbijslag uitbetaalt reikt de volle wees binnen de twee maanden na het einde van elk kalenderjaar een verklaring uit dat de gerechtigde een volle wees is die gerechtigd is op kinderbijslag. De verklaring vermeldt de periode uit het beschouwde kalenderjaar waarvoor de kinderbijslag werd betaald.
De minder-valide volle wees die een inkomensvervangende tegemoetkoming geniet in toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten, wordt gelijkgesteld met de volle wees die kinderbijslag geniet.
Het Ministerie van Sociale zaken reikt de hiervoor bedoelde mindervalide volle wees. binnen de tabee maanden na het einde van elk kalenderjaar een verklaring uit dat de gerechtigde een volle wees is die gerechtigd is op een inkomensvervangende tegemoetkoming.
Die verklaring vermeldt de periode uit het beschouwde kalenderjaar waarover de inkomensvervangende tegemoetkoming werd verleend.
Die verklaringen moeten bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de drie maanden na het kalenderjaar waarop ze betrekking hebben.
De in artikel 32, eerste lid, 4°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigde is ertoe gehouden ten bewijze van haar toestand een verklaring over te leggen waarop haar behandelende [1 arts]1 de vermoedelijke bevallingsdatum vermeldt. Deze verklaring moet bij de verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de dertig dagen na de aanvangsdatum van de in het voormelde artikel 32, eerste lid, 4°, bedoelde rust wegens zwangerschap.
Modifications
Art. 282. (quatre alinéas abrogés) <AR 1997-12-29/30, art. 28, 017; En vigueur : 01-01-1998>
L'instance qui paie les allocations familiales délivre à l'orphelin de père et de mère dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant du droit aux allocations familiales. L'attestation mentionne la période de l'année civile considérée pour laquelle les allocation familiales ont été payées.
Le handicapé, orphelin de père et de mère, bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés est assimilé à l'orphelin de père et de mère bénéficiant d'allocations familiales.
Le Ministère des Affaires sociales délivre dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile à l'orphelin de père et de mère susvisé une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus.
Sur cette attestation figure la période de l'année civile considérée durant laquelle une allocation de remplacement de revenus a été octroyée.
Ces attestations doivent être remises à l'organisme assureur dans les trois mois suivant l'année civile à laquelle elles se rapportent.
La titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée est tenue de produire, à titre de preuve de sa situation, un certificat dans lequel le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement. Ce certificat doit être remis à l'organisme assureur dans les trente jours suivant la date de début du repos d'accouchement visé à l'article 32, alinéa 1er, 4°, précité.
L'instance qui paie les allocations familiales délivre à l'orphelin de père et de mère dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant du droit aux allocations familiales. L'attestation mentionne la période de l'année civile considérée pour laquelle les allocation familiales ont été payées.
Le handicapé, orphelin de père et de mère, bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux handicapés est assimilé à l'orphelin de père et de mère bénéficiant d'allocations familiales.
Le Ministère des Affaires sociales délivre dans les deux mois suivant la fin de chaque année civile à l'orphelin de père et de mère susvisé une attestation établissant que le titulaire est un orphelin de père et de mère bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus.
Sur cette attestation figure la période de l'année civile considérée durant laquelle une allocation de remplacement de revenus a été octroyée.
Ces attestations doivent être remises à l'organisme assureur dans les trois mois suivant l'année civile à laquelle elles se rapportent.
La titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 4°, de la loi coordonnée est tenue de produire, à titre de preuve de sa situation, un certificat dans lequel le médecin traitant mentionne la date présumée de l'accouchement. Ce certificat doit être remis à l'organisme assureur dans les trente jours suivant la date de début du repos d'accouchement visé à l'article 32, alinéa 1er, 4°, précité.
Art. 283. Bij de aanvang van elk in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet bedoeld tijdvak van voortgezette verzekering, maakt de verzekeringsinstelling een getuigschrift van voortgezette verzekering op, op basis van de door de betrokkene overgelegde bewijzen tot staving dat hij in de in artikel 247 gestelde voorwaarden verkeert.
Art.284. <AR 1998-06-04/38, art. 4, 024; En vigueur : 01-01-1998> Par dérogation aux alinéas 2 et 3, les documents de cotisation visés à l'article 276, § 1er, 1 à 5 et 7, doivent être remis par les titulaires à leur organisme assureur dans les trente jours qui suivent la délivrance de ces documents.
Les données d'assurabilité déduites des déclarations trimestrielles des employeurs, [1 de Fedris]1, de l'entreprise d'assurances habilitée à traiter les accidents du travail [1 ...]1, faites à l'Office national de sécurité sociale et les déclarations trimestrielles des employeurs faites à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales et les données d'assurabilité visées à l'article 281, §§ 1er et 3 sont transmises aux organismes assureurs, par voie électronique, par les institutions précitées, au plus tard le 20 mars de l'année qui suit celle à laquelle les données se rapportent.
Les travailleurs qui ont reçu un bon de cotisation papier de l'Office national de sécurité sociale ou de l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou de l'Office national de l'emploi ou des organismes de paiement des allocations de chômage doivent remettre ce document de cotisation à leur organisme assureur dans le mois qui suit la réception.
Les données d'assurabilité déduites des déclarations trimestrielles des employeurs, [1 de Fedris]1, de l'entreprise d'assurances habilitée à traiter les accidents du travail [1 ...]1, faites à l'Office national de sécurité sociale et les déclarations trimestrielles des employeurs faites à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales et les données d'assurabilité visées à l'article 281, §§ 1er et 3 sont transmises aux organismes assureurs, par voie électronique, par les institutions précitées, au plus tard le 20 mars de l'année qui suit celle à laquelle les données se rapportent.
Les travailleurs qui ont reçu un bon de cotisation papier de l'Office national de sécurité sociale ou de l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou de l'Office national de l'emploi ou des organismes de paiement des allocations de chômage doivent remettre ce document de cotisation à leur organisme assureur dans le mois qui suit la réception.
Modifications
Art.284. In afwijking van het tweede en derde lid moeten de bijdragebescheiden bedoeld bij artikel 276, § 1, 1 tot en met 5 en 7, door de gerechtigden aan hun verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de dertig dagen na uitreiking van die documenten.
Art.285. Sans préjudice des dispositions de l'article 284, l'organisme assureur est tenu d'accepter les documents de cotisation présentés en dehors du délai prévu audit article.
Art. 284. <KB 1998-06-04/38, art. 4, 024; Inwerkingtreding : 01-01-1998> In afwijking van het tweede en derde lid moeten de bijdragebescheiden bedoeld bij artikel 276, § 1, 1 tot en met 5 en 7, door de gerechtigden aan hun verzekeringsinstelling worden afgegeven binnen de dertig dagen na uitreiking van die documenten.
De verzekerbaarheidsgegevens afgeleid uit de driemaandelijkse aangiften van de werkgevers, [1 van Fedris en van]1 de verzekeringsonderneming gemachtigd inzake de arbeidsongevallen [1 ...]1 aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de driemaandelijkse aangiften van de werkgevers aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld in artikel 281, § 1 en § 3, worden elektronisch naar de verzekeringsinstellingen doorgestuurd, door de voormelde instellingen uiterlijk op 20 maart van het jaar na dat waarop de gegevens betrekking hebben.
De werknemers die een papieren bijdragebon hebben ontvangen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instellingen, moeten dit bijdrage- bescheid binnen de maand na ontvangst aan hun verzekeringsinstelling afgeven.
De verzekerbaarheidsgegevens afgeleid uit de driemaandelijkse aangiften van de werkgevers, [1 van Fedris en van]1 de verzekeringsonderneming gemachtigd inzake de arbeidsongevallen [1 ...]1 aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de driemaandelijkse aangiften van de werkgevers aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en de verzekerbaarheidsgegevens bedoeld in artikel 281, § 1 en § 3, worden elektronisch naar de verzekeringsinstellingen doorgestuurd, door de voormelde instellingen uiterlijk op 20 maart van het jaar na dat waarop de gegevens betrekking hebben.
De werknemers die een papieren bijdragebon hebben ontvangen van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening of de met de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen belaste instellingen, moeten dit bijdrage- bescheid binnen de maand na ontvangst aan hun verzekeringsinstelling afgeven.
Modifications
Art. 284. <AR 1998-06-04/38, art. 4, 024; En vigueur : 01-01-1998> Par dérogation aux alinéas 2 et 3, les documents de cotisation visés à l'article 276, § 1er, 1 à 5 et 7, doivent être remis par les titulaires à leur organisme assureur dans les trente jours qui suivent la délivrance de ces documents.
Les données d'assurabilité déduites des déclarations trimestrielles des employeurs, [1 de Fedris]1, de l'entreprise d'assurances habilitée à traiter les accidents du travail [1 ...]1, faites à l'Office national de sécurité sociale et les déclarations trimestrielles des employeurs faites à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales et les données d'assurabilité visées à l'article 281, §§ 1er et 3 sont transmises aux organismes assureurs, par voie électronique, par les institutions précitées, au plus tard le 20 mars de l'année qui suit celle à laquelle les données se rapportent.
Les travailleurs qui ont reçu un bon de cotisation papier de l'Office national de sécurité sociale ou de l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou de l'Office national de l'emploi ou des organismes de paiement des allocations de chômage doivent remettre ce document de cotisation à leur organisme assureur dans le mois qui suit la réception.
Les données d'assurabilité déduites des déclarations trimestrielles des employeurs, [1 de Fedris]1, de l'entreprise d'assurances habilitée à traiter les accidents du travail [1 ...]1, faites à l'Office national de sécurité sociale et les déclarations trimestrielles des employeurs faites à l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales et les données d'assurabilité visées à l'article 281, §§ 1er et 3 sont transmises aux organismes assureurs, par voie électronique, par les institutions précitées, au plus tard le 20 mars de l'année qui suit celle à laquelle les données se rapportent.
Les travailleurs qui ont reçu un bon de cotisation papier de l'Office national de sécurité sociale ou de l'Office national de sécurité sociale des administrations provinciales et locales ou de l'Office national de l'emploi ou des organismes de paiement des allocations de chômage doivent remettre ce document de cotisation à leur organisme assureur dans le mois qui suit la réception.
Modifications
Art. 285. Onverminderd de bepalingen van artikel 284 is de verzekeringsinstelling gehouden tot aanvaarding van de buiten de in bedoeld artikel gestelde termijn overgelegde bijdragebescheiden.
Art.286. (La valeur minimum, que les documents de cotisation doivent atteindre, est égale au produit de la multiplication des rémunérations annuelles fixées ci-dessous par la somme des taux des cotisations de sécurité sociale destinées au secteur des soins de santé et, le cas échéant, au secteur indemnités, de l'assurance soins de santé et indemnités, respectivement pour les travailleurs manuels, les travailleurs intellectuels et les ouvriers mineurs :
21 ans et plus ...
quatre fois le montant du revenu mensuel minimum moyen garanti par la convention collective de travail n° 43, conclue au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 29 juillet 1988;
moins de 21 ans ...
trois-quarts du montant qui doit être pris en considération pour la tranche d'âge au-delà de 21 ans.) <AR 1997-12-29/30, art. 30, 017; En vigueur : 01-01-1998>
La valeur minimale que le titulaire doit prouver est celle liée à la catégorie d'âge à laquelle il appartient au début de l'année civile ou celle à laquelle il appartient au moment de son inscription. L'adaptation du revenu mensuel minimum moyen garanti à l'indice des prix dans le courant d'une année civile ne prote ses effets, pour la détermination de la valeur minimale qui doit être atteinte, qu'au 1er janvier qui suit son application.
Toutefois pour les handicapés mis au travail dans les ateliers protégés, les rémunérations annuelles à prendre en considération sont fixées comme suit:
21 ans et plus ...
quatre fois le montant du revenu mensuel minimum moyen garanti par la convention collective de travail n° 43, conclue au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 29 juillet 1988;
moins de 21 ans ...
trois-quarts du montant qui doit être pris en considération pour la tranche d'âge au-delà de 21 ans.) <AR 1997-12-29/30, art. 30, 017; En vigueur : 01-01-1998>
La valeur minimale que le titulaire doit prouver est celle liée à la catégorie d'âge à laquelle il appartient au début de l'année civile ou celle à laquelle il appartient au moment de son inscription. L'adaptation du revenu mensuel minimum moyen garanti à l'indice des prix dans le courant d'une année civile ne prote ses effets, pour la détermination de la valeur minimale qui doit être atteinte, qu'au 1er janvier qui suit son application.
Toutefois pour les handicapés mis au travail dans les ateliers protégés, les rémunérations annuelles à prendre en considération sont fixées comme suit:
-
| 21 ans et plus | 80 400 |
| 19 et 20 ans | 64 800 |
| 17 et 18 ans | 48 000 |
| moins de 17 ans | 40 800 |
La valeur minimum à atteindre pour la période visée à l'article [1 à l'article 116/1, § 1er ou à l'article 121, § 2,]1 de la loi coordonnée est égale à la moitié de la valeur minimum susmentionnée.
Cette valeur minimum est adaptée de la même manière, proportionnellement à la période de référence à prendre en considération, lorsque celle-ci est réduite à une période plus courte ou est supérieure à un an.
Modifications
Art.286.(De minimumwaarde welke de bijdragebescheiden moeten bereiken is gelijk aan het produkt van de vermenigvuldiging van de hierna vastgestelde jaarlijkse lonen met de som van de hoegrootheden der bijdragen voor sociale zekerheid, bestemd voor de sector geneeskundige verzorging en, desgevallend, voor de sector uitkeringen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, respectievelijk voor de handarbeiders, de hoofdarbeiders en de mijnwerkers :
Art.287. Le titulaire pour lequel l'organisme assureur a reçu un ou des documents de cotisation, représentant ensemble pour une année une valeur de cotisation inférieure aux minimums fixés à l'article 286, n'a droit pour lui et les personnes à sa charge aux prestations prévues par la loi coordonnée, qu'à la condition d'avoir versé à l'organisme assureur pour l'année de référence visée à l'article 123 de la loi coordonnée, toutes les cotisations, dites compléments de cotisation, destinées à combler la différence.
Art. 286. (De minimumwaarde welke de bijdragebescheiden moeten bereiken is gelijk aan het produkt van de vermenigvuldiging van de hierna vastgestelde jaarlijkse lonen met de som van de hoegrootheden der bijdragen voor sociale zekerheid, bestemd voor de sector geneeskundige verzorging en, desgevallend, voor de sector uitkeringen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, respectievelijk voor de handarbeiders, de hoofdarbeiders en de mijnwerkers :
21 jaar en ouder...
vier maal het bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen dat wordt gewaarborgd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988;
jonger dan 21 jaar...
drie vierden van het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de leeftijdsschijf boven de 21 jaar.) <KB 1997-12-29/30, art. 30, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
De minimumwaarde die de gerechtigde dient te bewijzen is deze voor de leeftijdscategorie waartoe hij behoort bij het begin van het kalenderjaar of deze waaraan hij beantwoordt op het ogenblik van zijn inschrijving. De aanpassing van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen aan het prijsindexcijfer in de loop van een kalenderjaar heeft, voor het bepalen van de minimumwaarde die moet bewezen worden, slechts uitwerking op 1 januari die volgt op de toepassing ervan.
Nochtans worden voor de minder-validen die in de beschutte werkplaatsen zijn tewerkgesteld de in aanmerking te nemen jaarlijkse lonen aldus vastgesteld :
21 jaar en ouder...
vier maal het bedrag van het gemiddeld minimum maandinkomen dat wordt gewaarborgd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 die is gesloten in de Nationale Arbeidsraad en algemeen bindend verklaard bij koninklijk besluit van 29 juli 1988;
jonger dan 21 jaar...
drie vierden van het bedrag dat in aanmerking moet worden genomen voor de leeftijdsschijf boven de 21 jaar.) <KB 1997-12-29/30, art. 30, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
De minimumwaarde die de gerechtigde dient te bewijzen is deze voor de leeftijdscategorie waartoe hij behoort bij het begin van het kalenderjaar of deze waaraan hij beantwoordt op het ogenblik van zijn inschrijving. De aanpassing van het gewaarborgd gemiddelde minimum maandinkomen aan het prijsindexcijfer in de loop van een kalenderjaar heeft, voor het bepalen van de minimumwaarde die moet bewezen worden, slechts uitwerking op 1 januari die volgt op de toepassing ervan.
Nochtans worden voor de minder-validen die in de beschutte werkplaatsen zijn tewerkgesteld de in aanmerking te nemen jaarlijkse lonen aldus vastgesteld :
Art. 286. (La valeur minimum, que les documents de cotisation doivent atteindre, est égale au produit de la multiplication des rémunérations annuelles fixées ci-dessous par la somme des taux des cotisations de sécurité sociale destinées au secteur des soins de santé et, le cas échéant, au secteur indemnités, de l'assurance soins de santé et indemnités, respectivement pour les travailleurs manuels, les travailleurs intellectuels et les ouvriers mineurs :
21 ans et plus ...
quatre fois le montant du revenu mensuel minimum moyen garanti par la convention collective de travail n° 43, conclue au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 29 juillet 1988;
moins de 21 ans ...
trois-quarts du montant qui doit être pris en considération pour la tranche d'âge au-delà de 21 ans.) <AR 1997-12-29/30, art. 30, 017; En vigueur : 01-01-1998>
La valeur minimale que le titulaire doit prouver est celle liée à la catégorie d'âge à laquelle il appartient au début de l'année civile ou celle à laquelle il appartient au moment de son inscription. L'adaptation du revenu mensuel minimum moyen garanti à l'indice des prix dans le courant d'une année civile ne prote ses effets, pour la détermination de la valeur minimale qui doit être atteinte, qu'au 1er janvier qui suit son application.
Toutefois pour les handicapés mis au travail dans les ateliers protégés, les rémunérations annuelles à prendre en considération sont fixées comme suit:
21 ans et plus ...
quatre fois le montant du revenu mensuel minimum moyen garanti par la convention collective de travail n° 43, conclue au sein du Conseil national du Travail et rendue obligatoire par l'arrêté royal du 29 juillet 1988;
moins de 21 ans ...
trois-quarts du montant qui doit être pris en considération pour la tranche d'âge au-delà de 21 ans.) <AR 1997-12-29/30, art. 30, 017; En vigueur : 01-01-1998>
La valeur minimale que le titulaire doit prouver est celle liée à la catégorie d'âge à laquelle il appartient au début de l'année civile ou celle à laquelle il appartient au moment de son inscription. L'adaptation du revenu mensuel minimum moyen garanti à l'indice des prix dans le courant d'une année civile ne prote ses effets, pour la détermination de la valeur minimale qui doit être atteinte, qu'au 1er janvier qui suit son application.
Toutefois pour les handicapés mis au travail dans les ateliers protégés, les rémunérations annuelles à prendre en considération sont fixées comme suit:
| 21 jaar en ouder | 80 400 |
| 19 en 20 jaar | 64 800 |
| 17 en 18 jaar | 48 000 |
| jonger dan 17 jaar | 40 800 |
| 21 ans et plus | 80 400 |
| 19 et 20 ans | 64 800 |
| 17 et 18 ans | 48 000 |
| moins de 17 ans | 40 800 |
De minimumwaarde die moet bereikt worden voor het tijdvak bedoeld bij [1 artikel 116/1, § 1, of artikel 121, § 2,]1 van de gecoördineerde wet is gelijk aan de helft van de hierboven vermelde minimumwaarde.
Deze minimumwaarde wordt op dezelfde wijze aangepast in verhouding tot de referteperiode die in aanmerking moet worden genomen wanneer deze referteperiode is teruggebracht tot een kortere periode of langer is dan één jaar.
Deze minimumwaarde wordt op dezelfde wijze aangepast in verhouding tot de referteperiode die in aanmerking moet worden genomen wanneer deze referteperiode is teruggebracht tot een kortere periode of langer is dan één jaar.
Modifications
La valeur minimum à atteindre pour la période visée à l'article [1 à l'article 116/1, § 1er ou à l'article 121, § 2,]1 de la loi coordonnée est égale à la moitié de la valeur minimum susmentionnée.
Cette valeur minimum est adaptée de la même manière, proportionnellement à la période de référence à prendre en considération, lorsque celle-ci est réduite à une période plus courte ou est supérieure à un an.
Cette valeur minimum est adaptée de la même manière, proportionnellement à la période de référence à prendre en considération, lorsque celle-ci est réduite à une période plus courte ou est supérieure à un an.
Modifications
Art.288. (lid opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
De betaling van de uitkeringen waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken vanaf (1 januari van het tweede jaar) dat volgt op het voornoemde refertejaar, wordt eveneens geschorst zolang de gerechtigde de aanvullende bijdrage niet heeft betaald die vereist is in het kader van de uitkeringsverzekering voor het voormelde refertejaar, indien de gerechtigde wegens het ontbreken van deze aanvullende bijdrage de vereiste verzekeringsvoorwaarden niet vervult die gesteld worden voor de toekenning van de uitkeringen in toepassing van de artikelen [1 116/1 tot 116/3 of]1 128 tot 130 van de gecoördineerde wet; in dergelijke geval vordert de verzekeringsinstelling bovendien de uitkeringen terug die ten onrechte aan de gerechtigde werden betaald. <KB 1997-12-29/30, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
De betaling van de uitkeringen waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken vanaf (1 januari van het tweede jaar) dat volgt op het voornoemde refertejaar, wordt eveneens geschorst zolang de gerechtigde de aanvullende bijdrage niet heeft betaald die vereist is in het kader van de uitkeringsverzekering voor het voormelde refertejaar, indien de gerechtigde wegens het ontbreken van deze aanvullende bijdrage de vereiste verzekeringsvoorwaarden niet vervult die gesteld worden voor de toekenning van de uitkeringen in toepassing van de artikelen [1 116/1 tot 116/3 of]1 128 tot 130 van de gecoördineerde wet; in dergelijke geval vordert de verzekeringsinstelling bovendien de uitkeringen terug die ten onrechte aan de gerechtigde werden betaald. <KB 1997-12-29/30, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Modifications
Art. 287. Le titulaire pour lequel l'organisme assureur a reçu un ou des documents de cotisation, représentant ensemble pour une année une valeur de cotisation inférieure aux minimums fixés à l'article 286, n'a droit pour lui et les personnes à sa charge aux prestations prévues par la loi coordonnée, qu'à la condition d'avoir versé à l'organisme assureur pour l'année de référence visée à l'article 123 de la loi coordonnée, toutes les cotisations, dites compléments de cotisation, destinées à combler la différence.
Art. 288. (lid opgeheven) <KB 1997-12-29/30, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
De betaling van de uitkeringen waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken vanaf (1 januari van het tweede jaar) dat volgt op het voornoemde refertejaar, wordt eveneens geschorst zolang de gerechtigde de aanvullende bijdrage niet heeft betaald die vereist is in het kader van de uitkeringsverzekering voor het voormelde refertejaar, indien de gerechtigde wegens het ontbreken van deze aanvullende bijdrage de vereiste verzekeringsvoorwaarden niet vervult die gesteld worden voor de toekenning van de uitkeringen in toepassing van de artikelen [1 116/1 tot 116/3 of]1 128 tot 130 van de gecoördineerde wet; in dergelijke geval vordert de verzekeringsinstelling bovendien de uitkeringen terug die ten onrechte aan de gerechtigde werden betaald. <KB 1997-12-29/30, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
De betaling van de uitkeringen waarop de gerechtigde aanspraak zou kunnen maken vanaf (1 januari van het tweede jaar) dat volgt op het voornoemde refertejaar, wordt eveneens geschorst zolang de gerechtigde de aanvullende bijdrage niet heeft betaald die vereist is in het kader van de uitkeringsverzekering voor het voormelde refertejaar, indien de gerechtigde wegens het ontbreken van deze aanvullende bijdrage de vereiste verzekeringsvoorwaarden niet vervult die gesteld worden voor de toekenning van de uitkeringen in toepassing van de artikelen [1 116/1 tot 116/3 of]1 128 tot 130 van de gecoördineerde wet; in dergelijke geval vordert de verzekeringsinstelling bovendien de uitkeringen terug die ten onrechte aan de gerechtigde werden betaald. <KB 1997-12-29/30, art. 31, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
Modifications
Art.290. Le complément de cotisation se calcule comme suit:
A. De la rémunération annuelle fixée à l'article 286 sont déduits:
1. Le montant indiqué sur les bons de cotisation;
2. Pour chacune des périodes de l'année de référence énumérées ci-après, telles qu'elles sont le cas échéant mentionnées sur les bons de cotisation respectifs, le montant obtenu en multipliant la rémunération annuelle fixée à l'article 286 par une fraction dont le numérateur est constitué par le nombre de jours ouvrables de la période et dont le dénominateur est 240:
1° (la période au cours de laquelle le titulaire s'est trouvé dans une période de protection de la maternité au sens de la loi coordonnée ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée a été reconnu incapable de travailler;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
2° la période au cours de laquelle le titulaire a épuisé le reste du repos postnatal, à la place de la mère, conformément à (l'article 114, alinéa 5), de la loi coordonnée; <AR 2005-05-04/35, art. 4, 119; En vigueur : 01-07-2004>
3° la période se composant des jours au cours desquels le titulaire était en chômage contrôlé;
4° la période au cours de laquelle la travailleuse avait cessé le travail ou interrompu une période de chômage contrôlé pour se reposer au plus tôt à partir du cinquième mois de grossesse;
5° la période au cours de laquelle le titulaire a, pour mettre un terme à son chômage, effectué un travail domestique tout en conservant, pour l'application de la réglementation de l'assurance chômage, la qualité de salarié habituel;
6° [4 la période pendant laquelle le titulaire était lié par un contrat d'apprentissage visé à l'article 1erbis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]4
7° (la période d'assurance continuée (visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°, de la loi coordonnée); cette période ne peut toutefois être prise en considération qu'à la condition que l'obligation de cotisation, prévue à l'article 250, ait été remplie pour cette période;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(8° la période pendant laquelle le titulaire est envoyé à l'étranger par son employeur ou son autorité religieuse pour y accomplir une mission, de même que la période pendant laquelle le titulaire accomplit son service militaire à l'étranger [2 et la période d'engagement volontaire militaire pendant laquelle le titulaire perçoit une solde]2;
9° la période au cours de laquelle l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à [6 l'article 32, alinéa 1er, 7° à 11°sexies]6 et 16°, de la loi coordonnée; (pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années de référence 2006 et 2007, la période susvisée est prise en considération si les cotisations personnelles dues par les titulaires susvisés et par les titulaires visés à l'article 4, 7°, 8° et 9° de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 susvisé, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, ont été payées;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
10° la période au cours de laquelle le titulaire était personne à charge au sens de l'article 32, alinéa 1er, 17° à 19°, de la loi coordonnée (...) ou continuait à bénéficier des prestations en vertu de l'article 127, ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire avait la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 20°, de la loi coordonnée; <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
11° la période pendant laquelle existait le droit aux interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges en dehors des régimes d'assurance obligatoire relevant de l'institut, ou pendant laquelle le droit aux interventions existait en application d'un régime d'assurance obligatoire d'un pays étranger avec lequel une convention de sécurité sociale est intervenue ou en vertu d'un régime d'assurance obligatoire organisé par un des pays de l'Espace économique européen ou en vertu du statut d'une institution de droit international ou européen, établie en Belgique ou dans laquelle le titulaire était occupé en Belgique;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998>
12° (pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années 2008 et suivantes, la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis, de la loi coordonnée, à condition, soit qu'il ait payé une cotisation sociale au moins égale à la cotisation minimum due en application de l'article 12, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit qu'il ait payé les cotisations dues en application de l'article 12, § 1erbis ou § 1erter, du même arrêté, soit enfin qu'il ait obtenu une dispense de cotisation en application de l'article 22 du même arrête.) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(12°bis pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années 2006 et 2007, la période se composant des jours ouvrables d'assujettissement au régime d'assurance soins de santé instauré par l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, pour autant que le titulaire ait rempli ses obligations de cotisation imposées par le même arrêté pour obtenir le droit aux prestations énumérées par son article 1er.) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(13° la période de vacances légales;
[5 13°bis la période de vacances supplémentaires;]5
14° la période de devoirs civiques sans maintien de la rémunération, de mandat public ou de mission syndicale;
15° la période de promotion sociale;
16° la période de grève ou de lock-out;) <AR 2001-06-10/60, art. 45, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(17° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire, telle que visée à l'[7 article 32, alinéa 1er, 12° à 15°, 22° et 24°]7, cette période ne peut cependant être prise en considération qu'à la condition que l'obligation de paiement d'une cotisation a été remplie dans la qualité précitée [7 et à l'égard des personnes ayant la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, si elles sont belges ou ont été admises ou autorisées à séjourner plus de trois mois dans le Royaume]7. La période, pendant laquelle une des qualités susvisées de titulaire existait, ne peut, en outre, être prise en considération pour une partie seulement;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2007-08-03/36, art. 8, 147; En vigueur : 01-01-2008>
(18° les jours de vacances et les jours fériés légaux des gardiens et gardiennes d'enfants sans accueil d'enfants, visés à l'article 203, alinéa 4, 14.) <AR 2004-04-25/61, art. 4, 107; En vigueur : 01-04-2003>
(19° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis et 11°quater, de la loi coordonnée, à condition qu'il ait rempli les obligations visées respectivement à l'article 136ter et 136quater ;
20° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°ter, de la loi coordonnée;
21° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels le travailleur indépendant a, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, interrompu son activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et qui, en cette qualité, maintient ses droits en application de la même législation [1 et la période durant laquelle le travailleur indépendant bénéficie d'une assimilation en vertu de l'article 37bis de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants]1;
22° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 21°, à condition qu'il ait rempli les obligations visées à l'article 136bis;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[3 23° la période pendant laquelle le titulaire perçoit une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]3
(Si une même période de l'année de référence est couverte ou peut être couverte par plusieurs périodes mentionnées sous le littéra A ou si une période de l'année de référence est ou peut tout aussi bien être couverte par une période pour laquelle un bon de cotisation a été délivré comme une des périodes précitées, la période à laquelle est liée l'obligation de cotisation la moins élevée, pour l'intéresse, est prise en compte prioritairement.) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998>
B. § 1er. Le montant du complément de cotisation s'obtient en multipliant le montant résultant de l'application du littéra A arrondi à la centaine supérieure, par la somme des taux de cotisation dus pour le secteur des soins de santé et le cas échéant, le secteur indemnités de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Toutefois, si ce montant est inférieur à (10 EUR), il n'y a pas lieu de réclamer de complément de cotisation. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
(Si l'année de référence ne se compose que de périodes au sens du littéra A, 2, 17°, il y a lieu de payer comme cotisation complémentaire, un montant égal au montant des cotisations personnelles encore dues pour les périodes en question.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 2. (Si, au cours de l'année de référence concernée, un ou plusieurs mois de stage, visé à l'article 130, apparaissent et si ce stage a été accompli, il convient, pour le calcul du complément de cotisation afférent à l'année de référence, de diminuer la valeur minimum, visée à l'article 286, proportionnellement à cette période constituée de mois de stage dans l'année de référence.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 3. (Lorsqu'il faut contrôler si une cotisation complémentaire est due pour une année de référence, où apparaît une période qui ne peut pas faire partie des périodes énumérées sous A, 2, de cette disposition, et qui se situe avant la date à laquelle l'inscription ou la réinscription, au sens de l'article 252 sortit ses effets, [7 et à l'égard des personnes ayant la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, si elles sont belges ou ont été admises ou autorisées à séjourner plus de trois mois dans le Royaume]7 il convient, pour le calcul de la cotisation complémentaire, de diminuer la valeur minimum, visée dans l'article 286, proportionnellement à cette période.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Lorsqu'il faut contrôler si une cotisation complémentaire est due pour une année de référence, au cours de laquelle apparaît une période qui ne peut pas faire partie des périodes énumérées sous A, 2, de cette disposition et pendant laquelle le titulaire se trouvait en séjour à l'étranger, il convient, pour le calcul de la cotisation complémentaire, de diminuer la valeur minimum visée à l'article 286 proportionnellement à cette période. Le séjour à l'étranger susmentionné est établi par les moyens de preuve reconnus comme tels par le Service du contrôle administratif.) <AR 2007-06-20/39, art. 1, 146; En vigueur : 01-01-2007>
A. De la rémunération annuelle fixée à l'article 286 sont déduits:
1. Le montant indiqué sur les bons de cotisation;
2. Pour chacune des périodes de l'année de référence énumérées ci-après, telles qu'elles sont le cas échéant mentionnées sur les bons de cotisation respectifs, le montant obtenu en multipliant la rémunération annuelle fixée à l'article 286 par une fraction dont le numérateur est constitué par le nombre de jours ouvrables de la période et dont le dénominateur est 240:
1° (la période au cours de laquelle le titulaire s'est trouvé dans une période de protection de la maternité au sens de la loi coordonnée ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée a été reconnu incapable de travailler;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
2° la période au cours de laquelle le titulaire a épuisé le reste du repos postnatal, à la place de la mère, conformément à (l'article 114, alinéa 5), de la loi coordonnée; <AR 2005-05-04/35, art. 4, 119; En vigueur : 01-07-2004>
3° la période se composant des jours au cours desquels le titulaire était en chômage contrôlé;
4° la période au cours de laquelle la travailleuse avait cessé le travail ou interrompu une période de chômage contrôlé pour se reposer au plus tôt à partir du cinquième mois de grossesse;
5° la période au cours de laquelle le titulaire a, pour mettre un terme à son chômage, effectué un travail domestique tout en conservant, pour l'application de la réglementation de l'assurance chômage, la qualité de salarié habituel;
6° [4 la période pendant laquelle le titulaire était lié par un contrat d'apprentissage visé à l'article 1erbis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]4
7° (la période d'assurance continuée (visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°, de la loi coordonnée); cette période ne peut toutefois être prise en considération qu'à la condition que l'obligation de cotisation, prévue à l'article 250, ait été remplie pour cette période;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(8° la période pendant laquelle le titulaire est envoyé à l'étranger par son employeur ou son autorité religieuse pour y accomplir une mission, de même que la période pendant laquelle le titulaire accomplit son service militaire à l'étranger [2 et la période d'engagement volontaire militaire pendant laquelle le titulaire perçoit une solde]2;
9° la période au cours de laquelle l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à [6 l'article 32, alinéa 1er, 7° à 11°sexies]6 et 16°, de la loi coordonnée; (pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années de référence 2006 et 2007, la période susvisée est prise en considération si les cotisations personnelles dues par les titulaires susvisés et par les titulaires visés à l'article 4, 7°, 8° et 9° de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 susvisé, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, ont été payées;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
10° la période au cours de laquelle le titulaire était personne à charge au sens de l'article 32, alinéa 1er, 17° à 19°, de la loi coordonnée (...) ou continuait à bénéficier des prestations en vertu de l'article 127, ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire avait la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 20°, de la loi coordonnée; <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
11° la période pendant laquelle existait le droit aux interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges en dehors des régimes d'assurance obligatoire relevant de l'institut, ou pendant laquelle le droit aux interventions existait en application d'un régime d'assurance obligatoire d'un pays étranger avec lequel une convention de sécurité sociale est intervenue ou en vertu d'un régime d'assurance obligatoire organisé par un des pays de l'Espace économique européen ou en vertu du statut d'une institution de droit international ou européen, établie en Belgique ou dans laquelle le titulaire était occupé en Belgique;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998>
12° (pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années 2008 et suivantes, la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis, de la loi coordonnée, à condition, soit qu'il ait payé une cotisation sociale au moins égale à la cotisation minimum due en application de l'article 12, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit qu'il ait payé les cotisations dues en application de l'article 12, § 1erbis ou § 1erter, du même arrêté, soit enfin qu'il ait obtenu une dispense de cotisation en application de l'article 22 du même arrête.) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(12°bis pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années 2006 et 2007, la période se composant des jours ouvrables d'assujettissement au régime d'assurance soins de santé instauré par l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, pour autant que le titulaire ait rempli ses obligations de cotisation imposées par le même arrêté pour obtenir le droit aux prestations énumérées par son article 1er.) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(13° la période de vacances légales;
[5 13°bis la période de vacances supplémentaires;]5
14° la période de devoirs civiques sans maintien de la rémunération, de mandat public ou de mission syndicale;
15° la période de promotion sociale;
16° la période de grève ou de lock-out;) <AR 2001-06-10/60, art. 45, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(17° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire, telle que visée à l'[7 article 32, alinéa 1er, 12° à 15°, 22° et 24°]7, cette période ne peut cependant être prise en considération qu'à la condition que l'obligation de paiement d'une cotisation a été remplie dans la qualité précitée [7 et à l'égard des personnes ayant la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, si elles sont belges ou ont été admises ou autorisées à séjourner plus de trois mois dans le Royaume]7. La période, pendant laquelle une des qualités susvisées de titulaire existait, ne peut, en outre, être prise en considération pour une partie seulement;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2007-08-03/36, art. 8, 147; En vigueur : 01-01-2008>
(18° les jours de vacances et les jours fériés légaux des gardiens et gardiennes d'enfants sans accueil d'enfants, visés à l'article 203, alinéa 4, 14.) <AR 2004-04-25/61, art. 4, 107; En vigueur : 01-04-2003>
(19° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis et 11°quater, de la loi coordonnée, à condition qu'il ait rempli les obligations visées respectivement à l'article 136ter et 136quater ;
20° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°ter, de la loi coordonnée;
21° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels le travailleur indépendant a, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, interrompu son activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et qui, en cette qualité, maintient ses droits en application de la même législation [1 et la période durant laquelle le travailleur indépendant bénéficie d'une assimilation en vertu de l'article 37bis de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants]1;
22° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 21°, à condition qu'il ait rempli les obligations visées à l'article 136bis;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[3 23° la période pendant laquelle le titulaire perçoit une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]3
(Si une même période de l'année de référence est couverte ou peut être couverte par plusieurs périodes mentionnées sous le littéra A ou si une période de l'année de référence est ou peut tout aussi bien être couverte par une période pour laquelle un bon de cotisation a été délivré comme une des périodes précitées, la période à laquelle est liée l'obligation de cotisation la moins élevée, pour l'intéresse, est prise en compte prioritairement.) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998>
B. § 1er. Le montant du complément de cotisation s'obtient en multipliant le montant résultant de l'application du littéra A arrondi à la centaine supérieure, par la somme des taux de cotisation dus pour le secteur des soins de santé et le cas échéant, le secteur indemnités de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Toutefois, si ce montant est inférieur à (10 EUR), il n'y a pas lieu de réclamer de complément de cotisation. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
(Si l'année de référence ne se compose que de périodes au sens du littéra A, 2, 17°, il y a lieu de payer comme cotisation complémentaire, un montant égal au montant des cotisations personnelles encore dues pour les périodes en question.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 2. (Si, au cours de l'année de référence concernée, un ou plusieurs mois de stage, visé à l'article 130, apparaissent et si ce stage a été accompli, il convient, pour le calcul du complément de cotisation afférent à l'année de référence, de diminuer la valeur minimum, visée à l'article 286, proportionnellement à cette période constituée de mois de stage dans l'année de référence.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 3. (Lorsqu'il faut contrôler si une cotisation complémentaire est due pour une année de référence, où apparaît une période qui ne peut pas faire partie des périodes énumérées sous A, 2, de cette disposition, et qui se situe avant la date à laquelle l'inscription ou la réinscription, au sens de l'article 252 sortit ses effets, [7 et à l'égard des personnes ayant la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, si elles sont belges ou ont été admises ou autorisées à séjourner plus de trois mois dans le Royaume]7 il convient, pour le calcul de la cotisation complémentaire, de diminuer la valeur minimum, visée dans l'article 286, proportionnellement à cette période.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Lorsqu'il faut contrôler si une cotisation complémentaire est due pour une année de référence, au cours de laquelle apparaît une période qui ne peut pas faire partie des périodes énumérées sous A, 2, de cette disposition et pendant laquelle le titulaire se trouvait en séjour à l'étranger, il convient, pour le calcul de la cotisation complémentaire, de diminuer la valeur minimum visée à l'article 286 proportionnellement à cette période. Le séjour à l'étranger susmentionné est établi par les moyens de preuve reconnus comme tels par le Service du contrôle administratif.) <AR 2007-06-20/39, art. 1, 146; En vigueur : 01-01-2007>
Modifications
Art.290. De aanvullende bijdrage wordt als volgt berekend:
A. Van het jaarloon vastgesteld in artikel 286 worden afgetrokken:
1. Het bedrag vermeld op de bijdragebons;
2. Voor elk van de hierna opgesomde tijdvakken uit het refertejaar, zoals die in voorkomend geval zijn vermeld op de respectievelijke bijdragebescheiden, het bedrag dat bekomen wordt door het jaarloon vastgesteld in artikel 286 te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het aantal werkdagen van het tijdvak en waarvan de noemer 240 bedraagt:
1° (het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde zich in een periode van moederschapsbescherming bevindt, in de zin van de gecoördineerde wet, alsook het tijdvak waarin de gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet als arbeidsongeschikt werd erkend;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
2° het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde in de plaats van de moeder de rest van de nabevallingsrust heeft opgenomen, overeenkomstig (artikel 114, vijfde lid), van de gecoördineerde wet; <KB 2005-05-04/35, art. 4, 119; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
3° het tijdvak, bestaande uit de dagen tijdens welke de gerechtigde gecontroleerd werkloze was;
4° het tijdvak in de loop waarvan de werkneemster de arbeid of een tijdvak van gecontroleerde werkloosheid had onderbroken om ten vroegste vanaf de 5e maand van de zwangerschap te rusten;
5° het tijdvak in de loop waarvan de gerechtigde, om een einde te maken aan zijn werkloosheid, huishoudelijke arbeid heeft verricht en toch, voor de toepassing van de reglementering inzake werkloosheidsverzekering, de hoedanigheid van gewoon werknemer in loondienst heeft behouden;
6° [4 6° het tijdvak waarvoor de gerechtigde door een leerovereenkomst als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verbonden was;]4
7° (het tijdvak van voortgezette verzekering (, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet); dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de in artikel 250 bedoelde bijdrageplicht nagekomen werd voor dat tijdvak;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(8° het tijdvak waarover de gerechtigde door zijn werkgever of door zijn geestelijke overheid naar het buitenland gezonden wordt om aldaar een zending te vervullen, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde zijn legerdienst in het buitenland vervult [2 en het tijdvak van vrijwillige militaire inzet tijdens hetwelk de gerechtigde een soldij ontvangt]2;
9° het tijdvak waarover betrokkene de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in [6 artikel 32, eerste lid, 7° tot 11°sexies]6 en 16° van de gecoördineerde wet; (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die voor de refertejaren 2006 en 2007 is verschuldigd, wordt het voormelde tijdvak in aanmerking genomen indien de persoonlijke bijdragen die zijn verschuldigd door de voormelde gerechtigden en de gerechtigden, bedoeld in artikel 4, 7°, 8° en 9° van het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, werden betaald;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
10° het tijdvak waarover de gerechtigde persoon ten laste was in de zin van artikel 32, eerste lid, 17° tot 19°, van de gecoördineerde wet (...) of verder recht had op verstrekkingen in toepassing van artikel 127, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 20°, van de gecoördineerde wet; <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
11° het tijdvak waarover aanspraak op tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid bestond buiten de regelingen voor verplichte verzekering welke onder het Instituut ressorteren, of waarover recht op tegemoetkomingen bestond krachtens een regeling voor verplichte verzekering van een vreemd land waarmede een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten of krachtens een regeling voor verplichte verzekering georganiseerd door één van de landen van de Europese Economische Ruimte of krachtens het statuut van een instelling van internationaal of Europees recht, gevestigd in België of waarbij de gerechtigde in België tewerkgesteld was;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
12° (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2008 en de volgende jaren, het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij, ofwel een sociale bijdrage heeft betaald die minstens gelijk is aan de minimumbijdrage die, met toepassing van artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is verschuldigd, ofwel de bijdragen die zijn verschuldigd met toepassing van artikel 12, § 1bis of § 1ter van hetzelfde besluit, heeft betaald, ofwel ten slotte een vrijstelling van bijdrage met toepassing van artikel 22 van hetzelfde besluit heeft verkregen.) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(12°bis voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2006 en 2007, het tijdvak gevormd door de werkdagen van onderwerping aan de regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen, wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, voor zover de gerechtigde zijn bijdrageplicht, opgelegd bij hetzelfde besluit, heeft vervuld, om het recht te verwerven op de verstrekkingen die in artikel 1 ervan zijn opgesomd.) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(13° het tijdvak van wettelijke vakantie;
[5 13°bis het tijdvak van aanvullende vakantie;]5
14° het tijdvak van burgerplichten zonder behoud van loon, van openbaar mandaat of van syndicale opdracht;
15° het tijdvak van sociale promotie;
16° het tijdvak van staking of van lock-out;) <KB 2001-06-10/60, art. 45, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(17° het tijdvak gevormd door de werkdagen waarover betrokkene een hoedanigheid van gerechtigde had, als bedoeld in [7 artikel 32, eerste lid, 12° tot 15°, 22° en 24°]7; dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen in zoverre de bijdrageplicht in de voormelde hoedanigheid werd nagekomen [7 en, voor wat de personen betreft met de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet, als ze Belg zijn of zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk]7. Het tijdvak, waarover één van de zoëven genoemde hoedanigheden van gerechtigde bestond, kan bovendien niet slechts voor een gedeelte ervan in aanmerking genomen worden;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2007-08-03/36, art. 8, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(18° de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 203, vierde lid, 14.) <KB 2004-04-25/61, art. 4, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(19° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 136ter en 136quater, heeft nageleefd;
20° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°ter, van de gecoördineerde wet;
21° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de zelfstandige onder de voorwaarden die zijn vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van de zelfstandigen, zijn beroepsbezigheid heeft onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en in die hoedanigheid zijn rechten vrijwaart met toepassing van dezelfde wetgeving [1 en het tijdvak tijdens welke de zelfstandige van een gelijkstelling geniet krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen]1;
22° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 136bis, heeft nageleefd;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[3 23° het tijdvak waarover de gerechtigde een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ontvangt.]3
(Indien éénzelfde periode uit het refertejaar gedekt wordt of gedekt kan worden door meerdere van de onder littera A vermelde tijdvakken of indien eenzelfde periode uit het refertejaar zowel gedekt is of kan zijn door zowel een tijdvak waarvoor een bijdragebon werd afgeleverd als één van de zoëven genoemde tijdvakken, wordt bij voorrang het tijdvak in aanmerking genomen waaraan de minst zware bijdrageplicht voor betrokkene verbonden is.) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
B. § 1. Het bedrag der aanvullende bijdrage wordt verkregen door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van littera A, afgerond tot het naasthogerige honderdtal. te vermenigvuldigen met de som van de hoegrootheid van de verschuldigde bijdragen voor de sector geneeskundige verzorging en desgevallend voor de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Ligt dit bedrag echter lager dan (10 EUR), dan hoeft geen aanvullende bijdrage te worden gevorderd. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Indien het refertejaar slechts bestaat uit tijdvakken zoals bedoeld in littera A., 2., 17°, dient als aanvullende bijdrage een bedrag betaald te worden, dat gelijk is aan het bedrag van de nog verschuldigde persoonlijke bijdragen voor de betrokken tijdvakken.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 2. (Indien in het beschouwde refertejaar één of meer maanden voorkomen van de wachttijd, bedoeld in artikel 130, en deze wachttijd werd vervuld, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage voor het refertejaar, de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot het tijdvak, gevormd door de maanden van de wachttijd in het refertejaar.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 3. (Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in A.2., van deze bepaling en dat zich situeert voor de datum waarop de inschrijving of herinschrijving, zoals bedoeld in artikel 252, uitwerking heeft [7 of dat zich situeert voor de datum waarop een beroep wordt gedaan op de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet,]7, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in littera A, 2, van deze bepaling en gedurende hetwelk de gerechtigde zich in het buitenland bevond, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak. Het voormelde verblijf in het buitenland wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig zijn erkend door de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2007-06-20/39, art. 1, 146; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
A. Van het jaarloon vastgesteld in artikel 286 worden afgetrokken:
1. Het bedrag vermeld op de bijdragebons;
2. Voor elk van de hierna opgesomde tijdvakken uit het refertejaar, zoals die in voorkomend geval zijn vermeld op de respectievelijke bijdragebescheiden, het bedrag dat bekomen wordt door het jaarloon vastgesteld in artikel 286 te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het aantal werkdagen van het tijdvak en waarvan de noemer 240 bedraagt:
1° (het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde zich in een periode van moederschapsbescherming bevindt, in de zin van de gecoördineerde wet, alsook het tijdvak waarin de gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet als arbeidsongeschikt werd erkend;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
2° het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde in de plaats van de moeder de rest van de nabevallingsrust heeft opgenomen, overeenkomstig (artikel 114, vijfde lid), van de gecoördineerde wet; <KB 2005-05-04/35, art. 4, 119; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
3° het tijdvak, bestaande uit de dagen tijdens welke de gerechtigde gecontroleerd werkloze was;
4° het tijdvak in de loop waarvan de werkneemster de arbeid of een tijdvak van gecontroleerde werkloosheid had onderbroken om ten vroegste vanaf de 5e maand van de zwangerschap te rusten;
5° het tijdvak in de loop waarvan de gerechtigde, om een einde te maken aan zijn werkloosheid, huishoudelijke arbeid heeft verricht en toch, voor de toepassing van de reglementering inzake werkloosheidsverzekering, de hoedanigheid van gewoon werknemer in loondienst heeft behouden;
6° [4 6° het tijdvak waarvoor de gerechtigde door een leerovereenkomst als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verbonden was;]4
7° (het tijdvak van voortgezette verzekering (, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet); dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de in artikel 250 bedoelde bijdrageplicht nagekomen werd voor dat tijdvak;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(8° het tijdvak waarover de gerechtigde door zijn werkgever of door zijn geestelijke overheid naar het buitenland gezonden wordt om aldaar een zending te vervullen, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde zijn legerdienst in het buitenland vervult [2 en het tijdvak van vrijwillige militaire inzet tijdens hetwelk de gerechtigde een soldij ontvangt]2;
9° het tijdvak waarover betrokkene de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in [6 artikel 32, eerste lid, 7° tot 11°sexies]6 en 16° van de gecoördineerde wet; (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die voor de refertejaren 2006 en 2007 is verschuldigd, wordt het voormelde tijdvak in aanmerking genomen indien de persoonlijke bijdragen die zijn verschuldigd door de voormelde gerechtigden en de gerechtigden, bedoeld in artikel 4, 7°, 8° en 9° van het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, werden betaald;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
10° het tijdvak waarover de gerechtigde persoon ten laste was in de zin van artikel 32, eerste lid, 17° tot 19°, van de gecoördineerde wet (...) of verder recht had op verstrekkingen in toepassing van artikel 127, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 20°, van de gecoördineerde wet; <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
11° het tijdvak waarover aanspraak op tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid bestond buiten de regelingen voor verplichte verzekering welke onder het Instituut ressorteren, of waarover recht op tegemoetkomingen bestond krachtens een regeling voor verplichte verzekering van een vreemd land waarmede een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten of krachtens een regeling voor verplichte verzekering georganiseerd door één van de landen van de Europese Economische Ruimte of krachtens het statuut van een instelling van internationaal of Europees recht, gevestigd in België of waarbij de gerechtigde in België tewerkgesteld was;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
12° (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2008 en de volgende jaren, het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij, ofwel een sociale bijdrage heeft betaald die minstens gelijk is aan de minimumbijdrage die, met toepassing van artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is verschuldigd, ofwel de bijdragen die zijn verschuldigd met toepassing van artikel 12, § 1bis of § 1ter van hetzelfde besluit, heeft betaald, ofwel ten slotte een vrijstelling van bijdrage met toepassing van artikel 22 van hetzelfde besluit heeft verkregen.) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(12°bis voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2006 en 2007, het tijdvak gevormd door de werkdagen van onderwerping aan de regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen, wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, voor zover de gerechtigde zijn bijdrageplicht, opgelegd bij hetzelfde besluit, heeft vervuld, om het recht te verwerven op de verstrekkingen die in artikel 1 ervan zijn opgesomd.) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(13° het tijdvak van wettelijke vakantie;
[5 13°bis het tijdvak van aanvullende vakantie;]5
14° het tijdvak van burgerplichten zonder behoud van loon, van openbaar mandaat of van syndicale opdracht;
15° het tijdvak van sociale promotie;
16° het tijdvak van staking of van lock-out;) <KB 2001-06-10/60, art. 45, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(17° het tijdvak gevormd door de werkdagen waarover betrokkene een hoedanigheid van gerechtigde had, als bedoeld in [7 artikel 32, eerste lid, 12° tot 15°, 22° en 24°]7; dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen in zoverre de bijdrageplicht in de voormelde hoedanigheid werd nagekomen [7 en, voor wat de personen betreft met de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet, als ze Belg zijn of zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk]7. Het tijdvak, waarover één van de zoëven genoemde hoedanigheden van gerechtigde bestond, kan bovendien niet slechts voor een gedeelte ervan in aanmerking genomen worden;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2007-08-03/36, art. 8, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(18° de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 203, vierde lid, 14.) <KB 2004-04-25/61, art. 4, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(19° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 136ter en 136quater, heeft nageleefd;
20° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°ter, van de gecoördineerde wet;
21° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de zelfstandige onder de voorwaarden die zijn vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van de zelfstandigen, zijn beroepsbezigheid heeft onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en in die hoedanigheid zijn rechten vrijwaart met toepassing van dezelfde wetgeving [1 en het tijdvak tijdens welke de zelfstandige van een gelijkstelling geniet krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen]1;
22° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 136bis, heeft nageleefd;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[3 23° het tijdvak waarover de gerechtigde een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ontvangt.]3
(Indien éénzelfde periode uit het refertejaar gedekt wordt of gedekt kan worden door meerdere van de onder littera A vermelde tijdvakken of indien eenzelfde periode uit het refertejaar zowel gedekt is of kan zijn door zowel een tijdvak waarvoor een bijdragebon werd afgeleverd als één van de zoëven genoemde tijdvakken, wordt bij voorrang het tijdvak in aanmerking genomen waaraan de minst zware bijdrageplicht voor betrokkene verbonden is.) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
B. § 1. Het bedrag der aanvullende bijdrage wordt verkregen door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van littera A, afgerond tot het naasthogerige honderdtal. te vermenigvuldigen met de som van de hoegrootheid van de verschuldigde bijdragen voor de sector geneeskundige verzorging en desgevallend voor de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Ligt dit bedrag echter lager dan (10 EUR), dan hoeft geen aanvullende bijdrage te worden gevorderd. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Indien het refertejaar slechts bestaat uit tijdvakken zoals bedoeld in littera A., 2., 17°, dient als aanvullende bijdrage een bedrag betaald te worden, dat gelijk is aan het bedrag van de nog verschuldigde persoonlijke bijdragen voor de betrokken tijdvakken.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 2. (Indien in het beschouwde refertejaar één of meer maanden voorkomen van de wachttijd, bedoeld in artikel 130, en deze wachttijd werd vervuld, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage voor het refertejaar, de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot het tijdvak, gevormd door de maanden van de wachttijd in het refertejaar.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 3. (Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in A.2., van deze bepaling en dat zich situeert voor de datum waarop de inschrijving of herinschrijving, zoals bedoeld in artikel 252, uitwerking heeft [7 of dat zich situeert voor de datum waarop een beroep wordt gedaan op de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet,]7, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in littera A, 2, van deze bepaling en gedurende hetwelk de gerechtigde zich in het buitenland bevond, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak. Het voormelde verblijf in het buitenland wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig zijn erkend door de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2007-06-20/39, art. 1, 146; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Modifications
Art.291. Pour les personnes assujetties, d'une part, soit à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, pour le régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, secteurs des soins de santé et des indemnités, soit à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et, d'autre part, à la loi du 27 juin 1969 précitée pour le régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, limité au seul secteur des soins de santé, il y a lieu d'appliquer les dispositions de l'article 290, A et B séparément en ce qui concerne le secteur des soins de santé et le secteur des indemnités.
Art. 290. De aanvullende bijdrage wordt als volgt berekend:
A. Van het jaarloon vastgesteld in artikel 286 worden afgetrokken:
1. Het bedrag vermeld op de bijdragebons;
2. Voor elk van de hierna opgesomde tijdvakken uit het refertejaar, zoals die in voorkomend geval zijn vermeld op de respectievelijke bijdragebescheiden, het bedrag dat bekomen wordt door het jaarloon vastgesteld in artikel 286 te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het aantal werkdagen van het tijdvak en waarvan de noemer 240 bedraagt:
1° (het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde zich in een periode van moederschapsbescherming bevindt, in de zin van de gecoördineerde wet, alsook het tijdvak waarin de gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet als arbeidsongeschikt werd erkend;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
2° het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde in de plaats van de moeder de rest van de nabevallingsrust heeft opgenomen, overeenkomstig (artikel 114, vijfde lid), van de gecoördineerde wet; <KB 2005-05-04/35, art. 4, 119; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
3° het tijdvak, bestaande uit de dagen tijdens welke de gerechtigde gecontroleerd werkloze was;
4° het tijdvak in de loop waarvan de werkneemster de arbeid of een tijdvak van gecontroleerde werkloosheid had onderbroken om ten vroegste vanaf de 5e maand van de zwangerschap te rusten;
5° het tijdvak in de loop waarvan de gerechtigde, om een einde te maken aan zijn werkloosheid, huishoudelijke arbeid heeft verricht en toch, voor de toepassing van de reglementering inzake werkloosheidsverzekering, de hoedanigheid van gewoon werknemer in loondienst heeft behouden;
6° [4 6° het tijdvak waarvoor de gerechtigde door een leerovereenkomst als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verbonden was;]4
7° (het tijdvak van voortgezette verzekering (, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet); dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de in artikel 250 bedoelde bijdrageplicht nagekomen werd voor dat tijdvak;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(8° het tijdvak waarover de gerechtigde door zijn werkgever of door zijn geestelijke overheid naar het buitenland gezonden wordt om aldaar een zending te vervullen, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde zijn legerdienst in het buitenland vervult [2 en het tijdvak van vrijwillige militaire inzet tijdens hetwelk de gerechtigde een soldij ontvangt]2;
9° het tijdvak waarover betrokkene de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in [6 artikel 32, eerste lid, 7° tot 11°sexies]6 en 16° van de gecoördineerde wet; (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die voor de refertejaren 2006 en 2007 is verschuldigd, wordt het voormelde tijdvak in aanmerking genomen indien de persoonlijke bijdragen die zijn verschuldigd door de voormelde gerechtigden en de gerechtigden, bedoeld in artikel 4, 7°, 8° en 9° van het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, werden betaald;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
10° het tijdvak waarover de gerechtigde persoon ten laste was in de zin van artikel 32, eerste lid, 17° tot 19°, van de gecoördineerde wet (...) of verder recht had op verstrekkingen in toepassing van artikel 127, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 20°, van de gecoördineerde wet; <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
11° het tijdvak waarover aanspraak op tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid bestond buiten de regelingen voor verplichte verzekering welke onder het Instituut ressorteren, of waarover recht op tegemoetkomingen bestond krachtens een regeling voor verplichte verzekering van een vreemd land waarmede een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten of krachtens een regeling voor verplichte verzekering georganiseerd door één van de landen van de Europese Economische Ruimte of krachtens het statuut van een instelling van internationaal of Europees recht, gevestigd in België of waarbij de gerechtigde in België tewerkgesteld was;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
12° (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2008 en de volgende jaren, het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij, ofwel een sociale bijdrage heeft betaald die minstens gelijk is aan de minimumbijdrage die, met toepassing van artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is verschuldigd, ofwel de bijdragen die zijn verschuldigd met toepassing van artikel 12, § 1bis of § 1ter van hetzelfde besluit, heeft betaald, ofwel ten slotte een vrijstelling van bijdrage met toepassing van artikel 22 van hetzelfde besluit heeft verkregen.) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(12°bis voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2006 en 2007, het tijdvak gevormd door de werkdagen van onderwerping aan de regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen, wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, voor zover de gerechtigde zijn bijdrageplicht, opgelegd bij hetzelfde besluit, heeft vervuld, om het recht te verwerven op de verstrekkingen die in artikel 1 ervan zijn opgesomd.) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(13° het tijdvak van wettelijke vakantie;
[5 13°bis het tijdvak van aanvullende vakantie;]5
14° het tijdvak van burgerplichten zonder behoud van loon, van openbaar mandaat of van syndicale opdracht;
15° het tijdvak van sociale promotie;
16° het tijdvak van staking of van lock-out;) <KB 2001-06-10/60, art. 45, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(17° het tijdvak gevormd door de werkdagen waarover betrokkene een hoedanigheid van gerechtigde had, als bedoeld in [7 artikel 32, eerste lid, 12° tot 15°, 22° en 24°]7; dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen in zoverre de bijdrageplicht in de voormelde hoedanigheid werd nagekomen [7 en, voor wat de personen betreft met de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet, als ze Belg zijn of zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk]7. Het tijdvak, waarover één van de zoëven genoemde hoedanigheden van gerechtigde bestond, kan bovendien niet slechts voor een gedeelte ervan in aanmerking genomen worden;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2007-08-03/36, art. 8, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(18° de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 203, vierde lid, 14.) <KB 2004-04-25/61, art. 4, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(19° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 136ter en 136quater, heeft nageleefd;
20° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°ter, van de gecoördineerde wet;
21° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de zelfstandige onder de voorwaarden die zijn vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van de zelfstandigen, zijn beroepsbezigheid heeft onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en in die hoedanigheid zijn rechten vrijwaart met toepassing van dezelfde wetgeving [1 en het tijdvak tijdens welke de zelfstandige van een gelijkstelling geniet krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen]1;
22° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 136bis, heeft nageleefd;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[3 23° het tijdvak waarover de gerechtigde een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ontvangt.]3
(Indien éénzelfde periode uit het refertejaar gedekt wordt of gedekt kan worden door meerdere van de onder littera A vermelde tijdvakken of indien eenzelfde periode uit het refertejaar zowel gedekt is of kan zijn door zowel een tijdvak waarvoor een bijdragebon werd afgeleverd als één van de zoëven genoemde tijdvakken, wordt bij voorrang het tijdvak in aanmerking genomen waaraan de minst zware bijdrageplicht voor betrokkene verbonden is.) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
B. § 1. Het bedrag der aanvullende bijdrage wordt verkregen door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van littera A, afgerond tot het naasthogerige honderdtal. te vermenigvuldigen met de som van de hoegrootheid van de verschuldigde bijdragen voor de sector geneeskundige verzorging en desgevallend voor de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Ligt dit bedrag echter lager dan (10 EUR), dan hoeft geen aanvullende bijdrage te worden gevorderd. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Indien het refertejaar slechts bestaat uit tijdvakken zoals bedoeld in littera A., 2., 17°, dient als aanvullende bijdrage een bedrag betaald te worden, dat gelijk is aan het bedrag van de nog verschuldigde persoonlijke bijdragen voor de betrokken tijdvakken.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 2. (Indien in het beschouwde refertejaar één of meer maanden voorkomen van de wachttijd, bedoeld in artikel 130, en deze wachttijd werd vervuld, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage voor het refertejaar, de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot het tijdvak, gevormd door de maanden van de wachttijd in het refertejaar.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 3. (Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in A.2., van deze bepaling en dat zich situeert voor de datum waarop de inschrijving of herinschrijving, zoals bedoeld in artikel 252, uitwerking heeft [7 of dat zich situeert voor de datum waarop een beroep wordt gedaan op de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet,]7, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in littera A, 2, van deze bepaling en gedurende hetwelk de gerechtigde zich in het buitenland bevond, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak. Het voormelde verblijf in het buitenland wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig zijn erkend door de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2007-06-20/39, art. 1, 146; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
A. Van het jaarloon vastgesteld in artikel 286 worden afgetrokken:
1. Het bedrag vermeld op de bijdragebons;
2. Voor elk van de hierna opgesomde tijdvakken uit het refertejaar, zoals die in voorkomend geval zijn vermeld op de respectievelijke bijdragebescheiden, het bedrag dat bekomen wordt door het jaarloon vastgesteld in artikel 286 te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gevormd wordt door het aantal werkdagen van het tijdvak en waarvan de noemer 240 bedraagt:
1° (het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde zich in een periode van moederschapsbescherming bevindt, in de zin van de gecoördineerde wet, alsook het tijdvak waarin de gerechtigde, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet als arbeidsongeschikt werd erkend;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
2° het tijdvak tijdens hetwelk de gerechtigde in de plaats van de moeder de rest van de nabevallingsrust heeft opgenomen, overeenkomstig (artikel 114, vijfde lid), van de gecoördineerde wet; <KB 2005-05-04/35, art. 4, 119; Inwerkingtreding : 01-07-2004>
3° het tijdvak, bestaande uit de dagen tijdens welke de gerechtigde gecontroleerd werkloze was;
4° het tijdvak in de loop waarvan de werkneemster de arbeid of een tijdvak van gecontroleerde werkloosheid had onderbroken om ten vroegste vanaf de 5e maand van de zwangerschap te rusten;
5° het tijdvak in de loop waarvan de gerechtigde, om een einde te maken aan zijn werkloosheid, huishoudelijke arbeid heeft verricht en toch, voor de toepassing van de reglementering inzake werkloosheidsverzekering, de hoedanigheid van gewoon werknemer in loondienst heeft behouden;
6° [4 6° het tijdvak waarvoor de gerechtigde door een leerovereenkomst als bedoeld in artikel 1bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders verbonden was;]4
7° (het tijdvak van voortgezette verzekering (, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°, van de gecoördineerde wet); dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen op voorwaarde dat de in artikel 250 bedoelde bijdrageplicht nagekomen werd voor dat tijdvak;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(8° het tijdvak waarover de gerechtigde door zijn werkgever of door zijn geestelijke overheid naar het buitenland gezonden wordt om aldaar een zending te vervullen, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde zijn legerdienst in het buitenland vervult [2 en het tijdvak van vrijwillige militaire inzet tijdens hetwelk de gerechtigde een soldij ontvangt]2;
9° het tijdvak waarover betrokkene de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in [6 artikel 32, eerste lid, 7° tot 11°sexies]6 en 16° van de gecoördineerde wet; (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die voor de refertejaren 2006 en 2007 is verschuldigd, wordt het voormelde tijdvak in aanmerking genomen indien de persoonlijke bijdragen die zijn verschuldigd door de voormelde gerechtigden en de gerechtigden, bedoeld in artikel 4, 7°, 8° en 9° van het voormelde koninklijk besluit van 29 december 1997, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, werden betaald;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
10° het tijdvak waarover de gerechtigde persoon ten laste was in de zin van artikel 32, eerste lid, 17° tot 19°, van de gecoördineerde wet (...) of verder recht had op verstrekkingen in toepassing van artikel 127, alsmede het tijdvak waarover de gerechtigde de hoedanigheid had van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 20°, van de gecoördineerde wet; <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
11° het tijdvak waarover aanspraak op tegemoetkomingen voor geneeskundige verzorging ten laste van een Belgische overheid bestond buiten de regelingen voor verplichte verzekering welke onder het Instituut ressorteren, of waarover recht op tegemoetkomingen bestond krachtens een regeling voor verplichte verzekering van een vreemd land waarmede een verdrag inzake sociale zekerheid is gesloten of krachtens een regeling voor verplichte verzekering georganiseerd door één van de landen van de Europese Economische Ruimte of krachtens het statuut van een instelling van internationaal of Europees recht, gevestigd in België of waarbij de gerechtigde in België tewerkgesteld was;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
12° (voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2008 en de volgende jaren, het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1°bis van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij, ofwel een sociale bijdrage heeft betaald die minstens gelijk is aan de minimumbijdrage die, met toepassing van artikel 12, § 1, van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, is verschuldigd, ofwel de bijdragen die zijn verschuldigd met toepassing van artikel 12, § 1bis of § 1ter van hetzelfde besluit, heeft betaald, ofwel ten slotte een vrijstelling van bijdrage met toepassing van artikel 22 van hetzelfde besluit heeft verkregen.) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(12°bis voor de berekening van de aanvullende bijdrage die verschuldigd is voor 2006 en 2007, het tijdvak gevormd door de werkdagen van onderwerping aan de regeling van verzekering voor geneeskundige verzorging, ingesteld bij het koninklijk besluit van 29 december 1997 houdende de voorwaarden waaronder de toepassing van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, tot de zelfstandigen en de leden van de kloostergemeenschappen, wordt verruimd, zoals het op 31 december 2007 van toepassing was, voor zover de gerechtigde zijn bijdrageplicht, opgelegd bij hetzelfde besluit, heeft vervuld, om het recht te verwerven op de verstrekkingen die in artikel 1 ervan zijn opgesomd.) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(13° het tijdvak van wettelijke vakantie;
[5 13°bis het tijdvak van aanvullende vakantie;]5
14° het tijdvak van burgerplichten zonder behoud van loon, van openbaar mandaat of van syndicale opdracht;
15° het tijdvak van sociale promotie;
16° het tijdvak van staking of van lock-out;) <KB 2001-06-10/60, art. 45, 063; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
(17° het tijdvak gevormd door de werkdagen waarover betrokkene een hoedanigheid van gerechtigde had, als bedoeld in [7 artikel 32, eerste lid, 12° tot 15°, 22° en 24°]7; dit tijdvak mag echter slechts in aanmerking worden genomen in zoverre de bijdrageplicht in de voormelde hoedanigheid werd nagekomen [7 en, voor wat de personen betreft met de hoedanigheid van gerechtigde als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet, als ze Belg zijn of zijn toegelaten of gemachtigd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk]7. Het tijdvak, waarover één van de zoëven genoemde hoedanigheden van gerechtigde bestond, kan bovendien niet slechts voor een gedeelte ervan in aanmerking genomen worden;) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> <KB 2007-08-03/36, art. 8, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
(18° de vakantiedagen en wettelijke feestdagen van de onthaalouders zonder opvang van kinderen, bedoeld in artikel 203, vierde lid, 14.) <KB 2004-04-25/61, art. 4, 107; Inwerkingtreding : 01-04-2003>
(19° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°bis en 11°quater, van de gecoördineerde wet, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in respectievelijk artikel 136ter en 136quater, heeft nageleefd;
20° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 6°ter, van de gecoördineerde wet;
21° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de zelfstandige onder de voorwaarden die zijn vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van de zelfstandigen, zijn beroepsbezigheid heeft onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en in die hoedanigheid zijn rechten vrijwaart met toepassing van dezelfde wetgeving [1 en het tijdvak tijdens welke de zelfstandige van een gelijkstelling geniet krachtens artikel 37bis van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen]1;
22° het tijdvak gevormd door de werkdagen tijdens welke de betrokkene de hoedanigheid van gerechtigde bezat, zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 21°, op voorwaarde dat hij de verplichtingen, bedoeld in artikel 136bis, heeft nageleefd;) <KB 2008-07-01/34, art. 20, 151; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
[3 23° het tijdvak waarover de gerechtigde een ontslagcompensatievergoeding bedoeld in artikel 7, § 1, derde lid, zf), van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ontvangt.]3
(Indien éénzelfde periode uit het refertejaar gedekt wordt of gedekt kan worden door meerdere van de onder littera A vermelde tijdvakken of indien eenzelfde periode uit het refertejaar zowel gedekt is of kan zijn door zowel een tijdvak waarvoor een bijdragebon werd afgeleverd als één van de zoëven genoemde tijdvakken, wordt bij voorrang het tijdvak in aanmerking genomen waaraan de minst zware bijdrageplicht voor betrokkene verbonden is.) <KB 1997-12-29/30, art. 32, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
B. § 1. Het bedrag der aanvullende bijdrage wordt verkregen door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van littera A, afgerond tot het naasthogerige honderdtal. te vermenigvuldigen met de som van de hoegrootheid van de verschuldigde bijdragen voor de sector geneeskundige verzorging en desgevallend voor de sector uitkeringen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Ligt dit bedrag echter lager dan (10 EUR), dan hoeft geen aanvullende bijdrage te worden gevorderd. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
(Indien het refertejaar slechts bestaat uit tijdvakken zoals bedoeld in littera A., 2., 17°, dient als aanvullende bijdrage een bedrag betaald te worden, dat gelijk is aan het bedrag van de nog verschuldigde persoonlijke bijdragen voor de betrokken tijdvakken.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 2. (Indien in het beschouwde refertejaar één of meer maanden voorkomen van de wachttijd, bedoeld in artikel 130, en deze wachttijd werd vervuld, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage voor het refertejaar, de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot het tijdvak, gevormd door de maanden van de wachttijd in het refertejaar.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
§ 3. (Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in A.2., van deze bepaling en dat zich situeert voor de datum waarop de inschrijving of herinschrijving, zoals bedoeld in artikel 252, uitwerking heeft [7 of dat zich situeert voor de datum waarop een beroep wordt gedaan op de hoedanigheid zoals bedoeld in artikel 32, eerste lid, 24° van de gecoördineerde wet,]7, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak.) <KB 1997-12-29/30, art. 33, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
(Indien moet worden nagegaan of een aanvullende bijdrage verschuldigd is voor een refertejaar, waarin een tijdvak voorkomt dat geen deel kan uitmaken van de tijdvakken opgesomd in littera A, 2, van deze bepaling en gedurende hetwelk de gerechtigde zich in het buitenland bevond, dan dient voor de berekening van de aanvullende bijdrage de minimumwaarde bedoeld in artikel 286 te worden verminderd in verhouding tot dit tijdvak. Het voormelde verblijf in het buitenland wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig zijn erkend door de Dienst voor administratieve controle.) <KB 2007-06-20/39, art. 1, 146; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
Modifications
Art. 290. Le complément de cotisation se calcule comme suit:
A. De la rémunération annuelle fixée à l'article 286 sont déduits:
1. Le montant indiqué sur les bons de cotisation;
2. Pour chacune des périodes de l'année de référence énumérées ci-après, telles qu'elles sont le cas échéant mentionnées sur les bons de cotisation respectifs, le montant obtenu en multipliant la rémunération annuelle fixée à l'article 286 par une fraction dont le numérateur est constitué par le nombre de jours ouvrables de la période et dont le dénominateur est 240:
1° (la période au cours de laquelle le titulaire s'est trouvé dans une période de protection de la maternité au sens de la loi coordonnée ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée a été reconnu incapable de travailler;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
2° la période au cours de laquelle le titulaire a épuisé le reste du repos postnatal, à la place de la mère, conformément à (l'article 114, alinéa 5), de la loi coordonnée; <AR 2005-05-04/35, art. 4, 119; En vigueur : 01-07-2004>
3° la période se composant des jours au cours desquels le titulaire était en chômage contrôlé;
4° la période au cours de laquelle la travailleuse avait cessé le travail ou interrompu une période de chômage contrôlé pour se reposer au plus tôt à partir du cinquième mois de grossesse;
5° la période au cours de laquelle le titulaire a, pour mettre un terme à son chômage, effectué un travail domestique tout en conservant, pour l'application de la réglementation de l'assurance chômage, la qualité de salarié habituel;
6° [4 la période pendant laquelle le titulaire était lié par un contrat d'apprentissage visé à l'article 1erbis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]4
7° (la période d'assurance continuée (visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°, de la loi coordonnée); cette période ne peut toutefois être prise en considération qu'à la condition que l'obligation de cotisation, prévue à l'article 250, ait été remplie pour cette période;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(8° la période pendant laquelle le titulaire est envoyé à l'étranger par son employeur ou son autorité religieuse pour y accomplir une mission, de même que la période pendant laquelle le titulaire accomplit son service militaire à l'étranger [2 et la période d'engagement volontaire militaire pendant laquelle le titulaire perçoit une solde]2;
9° la période au cours de laquelle l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à [6 l'article 32, alinéa 1er, 7° à 11°sexies]6 et 16°, de la loi coordonnée; (pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années de référence 2006 et 2007, la période susvisée est prise en considération si les cotisations personnelles dues par les titulaires susvisés et par les titulaires visés à l'article 4, 7°, 8° et 9° de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 susvisé, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, ont été payées;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
10° la période au cours de laquelle le titulaire était personne à charge au sens de l'article 32, alinéa 1er, 17° à 19°, de la loi coordonnée (...) ou continuait à bénéficier des prestations en vertu de l'article 127, ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire avait la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 20°, de la loi coordonnée; <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
11° la période pendant laquelle existait le droit aux interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges en dehors des régimes d'assurance obligatoire relevant de l'institut, ou pendant laquelle le droit aux interventions existait en application d'un régime d'assurance obligatoire d'un pays étranger avec lequel une convention de sécurité sociale est intervenue ou en vertu d'un régime d'assurance obligatoire organisé par un des pays de l'Espace économique européen ou en vertu du statut d'une institution de droit international ou européen, établie en Belgique ou dans laquelle le titulaire était occupé en Belgique;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998>
12° (pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années 2008 et suivantes, la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis, de la loi coordonnée, à condition, soit qu'il ait payé une cotisation sociale au moins égale à la cotisation minimum due en application de l'article 12, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit qu'il ait payé les cotisations dues en application de l'article 12, § 1erbis ou § 1erter, du même arrêté, soit enfin qu'il ait obtenu une dispense de cotisation en application de l'article 22 du même arrête.) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(12°bis pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années 2006 et 2007, la période se composant des jours ouvrables d'assujettissement au régime d'assurance soins de santé instauré par l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, pour autant que le titulaire ait rempli ses obligations de cotisation imposées par le même arrêté pour obtenir le droit aux prestations énumérées par son article 1er.) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(13° la période de vacances légales;
[5 13°bis la période de vacances supplémentaires;]5
14° la période de devoirs civiques sans maintien de la rémunération, de mandat public ou de mission syndicale;
15° la période de promotion sociale;
16° la période de grève ou de lock-out;) <AR 2001-06-10/60, art. 45, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(17° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire, telle que visée à l'[7 article 32, alinéa 1er, 12° à 15°, 22° et 24°]7, cette période ne peut cependant être prise en considération qu'à la condition que l'obligation de paiement d'une cotisation a été remplie dans la qualité précitée [7 et à l'égard des personnes ayant la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, si elles sont belges ou ont été admises ou autorisées à séjourner plus de trois mois dans le Royaume]7. La période, pendant laquelle une des qualités susvisées de titulaire existait, ne peut, en outre, être prise en considération pour une partie seulement;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2007-08-03/36, art. 8, 147; En vigueur : 01-01-2008>
(18° les jours de vacances et les jours fériés légaux des gardiens et gardiennes d'enfants sans accueil d'enfants, visés à l'article 203, alinéa 4, 14.) <AR 2004-04-25/61, art. 4, 107; En vigueur : 01-04-2003>
(19° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis et 11°quater, de la loi coordonnée, à condition qu'il ait rempli les obligations visées respectivement à l'article 136ter et 136quater ;
20° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°ter, de la loi coordonnée;
21° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels le travailleur indépendant a, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, interrompu son activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et qui, en cette qualité, maintient ses droits en application de la même législation [1 et la période durant laquelle le travailleur indépendant bénéficie d'une assimilation en vertu de l'article 37bis de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants]1;
22° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 21°, à condition qu'il ait rempli les obligations visées à l'article 136bis;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[3 23° la période pendant laquelle le titulaire perçoit une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]3
(Si une même période de l'année de référence est couverte ou peut être couverte par plusieurs périodes mentionnées sous le littéra A ou si une période de l'année de référence est ou peut tout aussi bien être couverte par une période pour laquelle un bon de cotisation a été délivré comme une des périodes précitées, la période à laquelle est liée l'obligation de cotisation la moins élevée, pour l'intéresse, est prise en compte prioritairement.) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998>
B. § 1er. Le montant du complément de cotisation s'obtient en multipliant le montant résultant de l'application du littéra A arrondi à la centaine supérieure, par la somme des taux de cotisation dus pour le secteur des soins de santé et le cas échéant, le secteur indemnités de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Toutefois, si ce montant est inférieur à (10 EUR), il n'y a pas lieu de réclamer de complément de cotisation. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
(Si l'année de référence ne se compose que de périodes au sens du littéra A, 2, 17°, il y a lieu de payer comme cotisation complémentaire, un montant égal au montant des cotisations personnelles encore dues pour les périodes en question.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 2. (Si, au cours de l'année de référence concernée, un ou plusieurs mois de stage, visé à l'article 130, apparaissent et si ce stage a été accompli, il convient, pour le calcul du complément de cotisation afférent à l'année de référence, de diminuer la valeur minimum, visée à l'article 286, proportionnellement à cette période constituée de mois de stage dans l'année de référence.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 3. (Lorsqu'il faut contrôler si une cotisation complémentaire est due pour une année de référence, où apparaît une période qui ne peut pas faire partie des périodes énumérées sous A, 2, de cette disposition, et qui se situe avant la date à laquelle l'inscription ou la réinscription, au sens de l'article 252 sortit ses effets, [7 et à l'égard des personnes ayant la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, si elles sont belges ou ont été admises ou autorisées à séjourner plus de trois mois dans le Royaume]7 il convient, pour le calcul de la cotisation complémentaire, de diminuer la valeur minimum, visée dans l'article 286, proportionnellement à cette période.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Lorsqu'il faut contrôler si une cotisation complémentaire est due pour une année de référence, au cours de laquelle apparaît une période qui ne peut pas faire partie des périodes énumérées sous A, 2, de cette disposition et pendant laquelle le titulaire se trouvait en séjour à l'étranger, il convient, pour le calcul de la cotisation complémentaire, de diminuer la valeur minimum visée à l'article 286 proportionnellement à cette période. Le séjour à l'étranger susmentionné est établi par les moyens de preuve reconnus comme tels par le Service du contrôle administratif.) <AR 2007-06-20/39, art. 1, 146; En vigueur : 01-01-2007>
A. De la rémunération annuelle fixée à l'article 286 sont déduits:
1. Le montant indiqué sur les bons de cotisation;
2. Pour chacune des périodes de l'année de référence énumérées ci-après, telles qu'elles sont le cas échéant mentionnées sur les bons de cotisation respectifs, le montant obtenu en multipliant la rémunération annuelle fixée à l'article 286 par une fraction dont le numérateur est constitué par le nombre de jours ouvrables de la période et dont le dénominateur est 240:
1° (la période au cours de laquelle le titulaire s'est trouvé dans une période de protection de la maternité au sens de la loi coordonnée ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 1°, de la loi coordonnée a été reconnu incapable de travailler;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
2° la période au cours de laquelle le titulaire a épuisé le reste du repos postnatal, à la place de la mère, conformément à (l'article 114, alinéa 5), de la loi coordonnée; <AR 2005-05-04/35, art. 4, 119; En vigueur : 01-07-2004>
3° la période se composant des jours au cours desquels le titulaire était en chômage contrôlé;
4° la période au cours de laquelle la travailleuse avait cessé le travail ou interrompu une période de chômage contrôlé pour se reposer au plus tôt à partir du cinquième mois de grossesse;
5° la période au cours de laquelle le titulaire a, pour mettre un terme à son chômage, effectué un travail domestique tout en conservant, pour l'application de la réglementation de l'assurance chômage, la qualité de salarié habituel;
6° [4 la période pendant laquelle le titulaire était lié par un contrat d'apprentissage visé à l'article 1erbis de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;]4
7° (la période d'assurance continuée (visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°, de la loi coordonnée); cette période ne peut toutefois être prise en considération qu'à la condition que l'obligation de cotisation, prévue à l'article 250, ait été remplie pour cette période;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(8° la période pendant laquelle le titulaire est envoyé à l'étranger par son employeur ou son autorité religieuse pour y accomplir une mission, de même que la période pendant laquelle le titulaire accomplit son service militaire à l'étranger [2 et la période d'engagement volontaire militaire pendant laquelle le titulaire perçoit une solde]2;
9° la période au cours de laquelle l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à [6 l'article 32, alinéa 1er, 7° à 11°sexies]6 et 16°, de la loi coordonnée; (pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années de référence 2006 et 2007, la période susvisée est prise en considération si les cotisations personnelles dues par les titulaires susvisés et par les titulaires visés à l'article 4, 7°, 8° et 9° de l'arrêté royal du 29 décembre 1997 susvisé, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, ont été payées;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
10° la période au cours de laquelle le titulaire était personne à charge au sens de l'article 32, alinéa 1er, 17° à 19°, de la loi coordonnée (...) ou continuait à bénéficier des prestations en vertu de l'article 127, ainsi que la période au cours de laquelle le titulaire avait la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 20°, de la loi coordonnée; <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
11° la période pendant laquelle existait le droit aux interventions pour soins de santé à charge des pouvoirs publics belges en dehors des régimes d'assurance obligatoire relevant de l'institut, ou pendant laquelle le droit aux interventions existait en application d'un régime d'assurance obligatoire d'un pays étranger avec lequel une convention de sécurité sociale est intervenue ou en vertu d'un régime d'assurance obligatoire organisé par un des pays de l'Espace économique européen ou en vertu du statut d'une institution de droit international ou européen, établie en Belgique ou dans laquelle le titulaire était occupé en Belgique;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998>
12° (pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années 2008 et suivantes, la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 1°bis, de la loi coordonnée, à condition, soit qu'il ait payé une cotisation sociale au moins égale à la cotisation minimum due en application de l'article 12, § 1er, de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, soit qu'il ait payé les cotisations dues en application de l'article 12, § 1erbis ou § 1erter, du même arrêté, soit enfin qu'il ait obtenu une dispense de cotisation en application de l'article 22 du même arrête.) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(12°bis pour le calcul du complément de cotisation dû pour les années 2006 et 2007, la période se composant des jours ouvrables d'assujettissement au régime d'assurance soins de santé instauré par l'arrêté royal du 29 décembre 1997 portant les conditions dans lesquelles l'application de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, est étendue aux travailleurs indépendants et aux membres des communautés religieuses, tel qu'il était d'application au 31 décembre 2007, pour autant que le titulaire ait rempli ses obligations de cotisation imposées par le même arrêté pour obtenir le droit aux prestations énumérées par son article 1er.) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
(13° la période de vacances légales;
[5 13°bis la période de vacances supplémentaires;]5
14° la période de devoirs civiques sans maintien de la rémunération, de mandat public ou de mission syndicale;
15° la période de promotion sociale;
16° la période de grève ou de lock-out;) <AR 2001-06-10/60, art. 45, 063; En vigueur : 01-01-2003>
(17° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire, telle que visée à l'[7 article 32, alinéa 1er, 12° à 15°, 22° et 24°]7, cette période ne peut cependant être prise en considération qu'à la condition que l'obligation de paiement d'une cotisation a été remplie dans la qualité précitée [7 et à l'égard des personnes ayant la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, si elles sont belges ou ont été admises ou autorisées à séjourner plus de trois mois dans le Royaume]7. La période, pendant laquelle une des qualités susvisées de titulaire existait, ne peut, en outre, être prise en considération pour une partie seulement;) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998> <AR 2007-08-03/36, art. 8, 147; En vigueur : 01-01-2008>
(18° les jours de vacances et les jours fériés légaux des gardiens et gardiennes d'enfants sans accueil d'enfants, visés à l'article 203, alinéa 4, 14.) <AR 2004-04-25/61, art. 4, 107; En vigueur : 01-04-2003>
(19° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°bis et 11°quater, de la loi coordonnée, à condition qu'il ait rempli les obligations visées respectivement à l'article 136ter et 136quater ;
20° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 6°ter, de la loi coordonnée;
21° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels le travailleur indépendant a, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, interrompu son activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et qui, en cette qualité, maintient ses droits en application de la même législation [1 et la période durant laquelle le travailleur indépendant bénéficie d'une assimilation en vertu de l'article 37bis de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants]1;
22° la période se composant des jours ouvrables pendant lesquels l'intéressé avait la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 21°, à condition qu'il ait rempli les obligations visées à l'article 136bis;) <AR 2008-07-01/34, art. 20, 151; En vigueur : 01-01-2008>
[3 23° la période pendant laquelle le titulaire perçoit une indemnité en compensation du licenciement visée à l'article 7, § 1er, alinéa 3, zf), de l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.]3
(Si une même période de l'année de référence est couverte ou peut être couverte par plusieurs périodes mentionnées sous le littéra A ou si une période de l'année de référence est ou peut tout aussi bien être couverte par une période pour laquelle un bon de cotisation a été délivré comme une des périodes précitées, la période à laquelle est liée l'obligation de cotisation la moins élevée, pour l'intéresse, est prise en compte prioritairement.) <AR 1997-12-29/30, art. 32, 017; En vigueur : 01-01-1998>
B. § 1er. Le montant du complément de cotisation s'obtient en multipliant le montant résultant de l'application du littéra A arrondi à la centaine supérieure, par la somme des taux de cotisation dus pour le secteur des soins de santé et le cas échéant, le secteur indemnités de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Toutefois, si ce montant est inférieur à (10 EUR), il n'y a pas lieu de réclamer de complément de cotisation. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
(Si l'année de référence ne se compose que de périodes au sens du littéra A, 2, 17°, il y a lieu de payer comme cotisation complémentaire, un montant égal au montant des cotisations personnelles encore dues pour les périodes en question.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 2. (Si, au cours de l'année de référence concernée, un ou plusieurs mois de stage, visé à l'article 130, apparaissent et si ce stage a été accompli, il convient, pour le calcul du complément de cotisation afférent à l'année de référence, de diminuer la valeur minimum, visée à l'article 286, proportionnellement à cette période constituée de mois de stage dans l'année de référence.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
§ 3. (Lorsqu'il faut contrôler si une cotisation complémentaire est due pour une année de référence, où apparaît une période qui ne peut pas faire partie des périodes énumérées sous A, 2, de cette disposition, et qui se situe avant la date à laquelle l'inscription ou la réinscription, au sens de l'article 252 sortit ses effets, [7 et à l'égard des personnes ayant la qualité de titulaire visée à l'article 32, alinéa 1er, 24°, de la loi coordonnée, si elles sont belges ou ont été admises ou autorisées à séjourner plus de trois mois dans le Royaume]7 il convient, pour le calcul de la cotisation complémentaire, de diminuer la valeur minimum, visée dans l'article 286, proportionnellement à cette période.) <AR 1997-12-29/30, art. 33, 017; En vigueur : 01-01-1998>
(Lorsqu'il faut contrôler si une cotisation complémentaire est due pour une année de référence, au cours de laquelle apparaît une période qui ne peut pas faire partie des périodes énumérées sous A, 2, de cette disposition et pendant laquelle le titulaire se trouvait en séjour à l'étranger, il convient, pour le calcul de la cotisation complémentaire, de diminuer la valeur minimum visée à l'article 286 proportionnellement à cette période. Le séjour à l'étranger susmentionné est établi par les moyens de preuve reconnus comme tels par le Service du contrôle administratif.) <AR 2007-06-20/39, art. 1, 146; En vigueur : 01-01-2007>
Modifications
Art. 291. Voor de personen die onderworpen zijn, enerzijds, hetzij aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, voor het stelsel van verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, sectoren van de geneeskundige verzorging en van de uitkeringen, hetzij aan de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, en anderzijds aan de voornoemde wet van 27 juni 1969 voor het stelsel van verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, beperkt tot de sector van de geneeskundige verzorging, moeten de bepalingen van artikel 290, A en B, afzonderlijk worden toegepast voor de sector geneeskundige verzorging en de sector uitkeringen.
Art. 291. Pour les personnes assujetties, d'une part, soit à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, pour le régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, secteurs des soins de santé et des indemnités, soit à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés et, d'autre part, à la loi du 27 juin 1969 précitée pour le régime d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, limité au seul secteur des soins de santé, il y a lieu d'appliquer les dispositions de l'article 290, A et B séparément en ce qui concerne le secteur des soins de santé et le secteur des indemnités.
Art. 292. Voor de arbeiders bij tussenpozen, de seizoenarbeiders en de deeltijds tewerkgestelde werknemers, die niet vrijgesteld zijn van wachttijd, wordt de tijdens de wachttijd voor het recht op uitkeringen verschuldigde aanvullende bijdrage berekend als bepaald in artikel 290; nochtans dient voor de toepassing van punt A.2 van dit artikel, het aantal werkdagen gelegen tussen de opeenvolgende perioden van onderwerping in mindering te worden gebracht.
Art. 292. Pour les travailleurs intermittents, les travailleurs saisonniers et les travailleurs à temps partiel, non dispensés du [1 stage d'attente]1, le complément de cotisation dû pendant la période de [1 stage d'attente]1 pour le droit aux indemnités se calcule comme prévu à l'article 290; toutefois pour l'application du point A.2 dudit article, il y a également lieu de déduire le nombre de jours ouvrables situés entre les périodes successives d'assujettissement.
Modifications
Art. 293. Wanneer de aanvullende bijdrage die krachtens artikel 288 is gevorderd ontoereikend is, worden de prestaties van de verzekering pas verkregen nadat het juiste bedrag is betaald.
Art. 293bis. (inséré par AR 1998-11-18/34, art. 1, En vigueur : 01-01-1999>) Dans les formulaires dont le modèle est déterminé par un arrêté d'exécution de la loi coordonnée susvisée, les montants y mentionnés sont libellés en francs belges jusqu'au 31 décembre 2001, à l'exception des formulaires pour lesquels l'indication ou l'utilisation de l'EURO ou le choix d'une monnaie est prévu.
Art. 293bis. (Ingevoegd bij ) In de formulieren waarvan het model door de uitvoeringsbesluiten van de voormelde gecoördineerde wet is vastgelegd, worden de daarin vermelde bedragen in Belgische frank uitgedrukt tot 31 december 2001, met uitzondering van de formulieren waarin de vermelding of het gebruik van de EURO of de keuze van een munt is voorzien.
Section Vbis. - (insérée par AR 1998-11-18/34, art. 1, En vigueur : 01-01-1999>) Des règles relatives à l'EURO.
Art. 293bis. (Ingevoegd bij <KB 1998-11-18/34, art. 1, Inwerkingtreding : 01-01-1999>) In de formulieren waarvan het model door de uitvoeringsbesluiten van de voormelde gecoördineerde wet is vastgelegd, worden de daarin vermelde bedragen in Belgische frank uitgedrukt tot 31 december 2001, met uitzondering van de formulieren waarin de vermelding of het gebruik van de EURO of de keuze van een munt is voorzien.
Art.294. § 1. En application de l'article 136, § 1er, de la loi coordonnée, les prestations de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées:
1° pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique.
(Le médecin-conseil peut, pour une période maximale de deux mois, autoriser un séjour temporaire après le début des délais prévus dans l'article 177, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont vises.) <AR 2004-04-01/57, art. 1, 106; En vigueur : 16-05-2004>
[6 L'autorisation préalable du médecin-conseil n'est pas requise pour les personnes qui tombent sous le champ d'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, en ce qui concerne un séjour temporaire dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen ou la Suisse.]6
2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil;
3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour [2 dans un pays qui n'appartient pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen]2, être hospitalisé d'urgence;
4° pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé;
6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une [1 sage-femme]1 étrangère, autorisés à pratiquer en Belgique;
7° pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché;
8° [4 pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle à l'étranger a été autorisée par le Collège conformément à l'article 138, 1° ou dont la rééducation professionnelle s'effectue à l'étranger;]4
9° a) pour lé bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juséret, Witry et Anlier;
b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton.
Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que:
- la médecine spéciale;
- l'obstétrique;
- l'hospitalisation;
- les soins dentaires;
- les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus;
10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique.
Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier.
11° (aux titulaires et à leurs personnes à charge, visés dans l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée précitée, lorsqu'ils séjournent sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale comprenant les soins de santé.) <AR 1997-12-29/30, art. 34, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[2 12° au bénéficiaire pendant un séjour dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Les prestations de santé comprennent les prestations qui s'avèrent nécessaires du point de vue médical au cours du séjour, compte tenu de la nature des prestations et de la durée prévue du séjour;
13° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Dans les cas prévus au 14°, une autorisation préalable reste requise;
14° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, pour lesquelles le médecin-conseil a accordé une autorisation préalable.
L'autorisation préalable du médecin-conseil est requise pour les prestations de santé qui :
a) font partie d'une politique de programmation qui vise à garantir un accès suffisant et permanent à une offre équilibrée de traitements de haute qualité en Belgique ou qui s'appuie sur la volonté de maîtriser les coûts et d'éviter, dans toute la mesure du possible, tout gaspillage de ressources financières, techniques et humaines, et
(i) qui requièrent une hospitalisation d'une nuit au minimum, ou
(ii) l'utilisation des infrastructures ou des équipements médicaux hautement spécialisés et onéreux;
b) impliquent un risque particulier pour le patient ou la population;
c) sont dispensées par un dispensateur de soins qui, en l'espèce, pourrait susciter des inquiétudes graves ou spécifiques sur la qualité ou la sécurité des soins, à l`exception des soins de santé qui relèvent de la législation de l'Union qui garantit un niveau de sécurité et de qualité minimal sur tout le territoire de l'Union.
Les prestations de santé visées sous le a) du précédent alinéa sont fixées par le Ministre. La liste de ces prestations de santé est publiée sur le site web de l'Institut national d'assurance maladie invalidité.
Sans préjudice des situations mentionnées sous les litteras a) à c) inclus du deuxième alinéa, l'autorisation préalable ne peut pas être refusée si le traitement ne peut pas être dispensé dans un délai qui, vu l'état de santé du bénéficiaire à ce moment-là, ses antécédents et l'évolution probable de sa maladie, est médicalement acceptable lorsque la demande d'autorisation préalable est introduite ou réintroduite.
L'autorisation préalable est refusée :
a) si un examen clinique montre avec une certitude suffisante que le patient sera exposé à un risque de sécurité qui ne peut être considéré comme acceptable, compte tenu de l'avantage potentiel pour le patient des prestations de santé transfrontaliers recherchés;
b) s'il existe des raisons valables de penser que la population sera exposée à un risque de sécurité considérable, du fait des prestations de santé en question;
c) si ces prestations de santé doivent être fournis par un dispensateur de soins de santé qui suscite des inquiétudes graves et spécifiques liées au respect des normes et des orientations en matière de qualité des soins et de sécurité des patients, y compris des dispositions sur la surveillance, que ces normes et orientations soient fixées par des dispositions législatives et réglementaires ou par des systèmes d'agrément établis par l'Etat membre de traitement;
d) si le traitement peut être dispensé sur le territoire national dans un délai acceptable sur le plan médical, compte tenu de l'état de santé du moment du bénéficiaire et de l'évolution probable de sa maladie.]2
[2 § 1er/1. [4 Les autorisations visées au § 1er, 2°, 8° et 14°]4, ne peuvent pas être accordées pour des prestations de santé qui ne sont pas remboursées par l'assurance maladie obligatoire soins de santé ou pour lesquelles les conditions de remboursement n'ont pas été remplies.]2
§ 2. [2 Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition :
- qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est agréé par les autorités du pays où il est situé, et
- que le bénéficiaire ait déjà payé les frais au moment de la demande de remboursement. La preuve est faite par des pièces justificatives qui ont été reconnues comme telles par le Service du contrôle administratif.
Les autorisations visées au § 1er, 1°, 2°, 5° et 14°, sont immédiatement notifiées à l'intéressé par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 254, alinéa 1er. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service d'évaluation et de contrôle médical.
Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée au § 1er, 2°, 3°, 12° et 14°, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Le remboursement des prestations de santé ne peut jamais dépasser le montant des frais réellement engagés.]2
[2 § 2/1. La demande écrite d'autorisation préalable pour des prestations de santé à l'étranger est introduite par le bénéficiaire auprès du médecin-conseil de son organisme assureur par lettre recommandée à la poste ou par tout autre moyen permettant de déterminer avec certitude la date d'introduction de la demande. La demande est signée par le bénéficiaire lui-même ou par son représentant légal.
A la demande est joint le rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé légalement à exercer l'art de guérir dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, et qui doit permettre au médecin-conseil de se faire une opinion. Le médecin-conseil peut, le cas échéant, demander un avis supplémentaire d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé à exercer l'art de guérir en Belgique.
§ 2/2. Lors de l'examen de la demande d'autorisation préalable, le médecin-conseil tient compte :
a) de l'état de santé spécifique du bénéficiaire,
b) de l'urgence et des circonstances individuelles.
Le médecin-conseil réagit dans les 45 jours civils à la demande introduite et en informe l'assuré par écrit. Sa réaction peut contenir les décisions suivantes :
- la demande est approuvée;
- la demande fait l'objet d'un refus justifié par une motivation circonstanciée;
- la demande est incomplète ou nécessite des informations supplémentaires. Dans ce cas, le médecin-conseil en informe le bénéficiaire et lui demande des informations supplémentaires. Au besoin, le médecin-conseil peut convoquer le bénéficiaire à un examen médical.
Le délai fixé à l'alinéa précédent commence le jour suivant le jour de la réception de la demande écrite. Dans le cas où le médecin-conseil demande des informations supplémentaires, le délai dans lequel le médecin-conseil doit réagir est suspendu. Le délai commence de nouveau à courir le jour suivant le jour auquel les informations supplémentaires ont été reçues.
A défaut de réponse du médecin-conseil dans le délai mentionné au présent paragraphe, l'autorisation est réputée avoir été accordée.]2
§ 3. En application de l'article 136, § 1er de la loi coordonnée, les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 100 de la loi coordonnée.
§ 4. [5 En application des articles 117 et 136, § 1er, de la loi coordonnée, les indemnités pour le congé d'adoption sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire belge, en cas d'adoption internationale conformément à l'article 30 ter, § 1er/1, alinéa 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et pour autant qu'il remplisse les conditions d'octroi des indemnités de congé d'adoption.]5
1° pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique.
(Le médecin-conseil peut, pour une période maximale de deux mois, autoriser un séjour temporaire après le début des délais prévus dans l'article 177, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont vises.) <AR 2004-04-01/57, art. 1, 106; En vigueur : 16-05-2004>
[6 L'autorisation préalable du médecin-conseil n'est pas requise pour les personnes qui tombent sous le champ d'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, en ce qui concerne un séjour temporaire dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen ou la Suisse.]6
2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil;
3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour [2 dans un pays qui n'appartient pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen]2, être hospitalisé d'urgence;
4° pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé;
6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une [1 sage-femme]1 étrangère, autorisés à pratiquer en Belgique;
7° pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché;
8° [4 pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle à l'étranger a été autorisée par le Collège conformément à l'article 138, 1° ou dont la rééducation professionnelle s'effectue à l'étranger;]4
9° a) pour lé bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juséret, Witry et Anlier;
b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton.
Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que:
- la médecine spéciale;
- l'obstétrique;
- l'hospitalisation;
- les soins dentaires;
- les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus;
10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique.
Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier.
11° (aux titulaires et à leurs personnes à charge, visés dans l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée précitée, lorsqu'ils séjournent sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale comprenant les soins de santé.) <AR 1997-12-29/30, art. 34, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[2 12° au bénéficiaire pendant un séjour dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Les prestations de santé comprennent les prestations qui s'avèrent nécessaires du point de vue médical au cours du séjour, compte tenu de la nature des prestations et de la durée prévue du séjour;
13° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Dans les cas prévus au 14°, une autorisation préalable reste requise;
14° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, pour lesquelles le médecin-conseil a accordé une autorisation préalable.
L'autorisation préalable du médecin-conseil est requise pour les prestations de santé qui :
a) font partie d'une politique de programmation qui vise à garantir un accès suffisant et permanent à une offre équilibrée de traitements de haute qualité en Belgique ou qui s'appuie sur la volonté de maîtriser les coûts et d'éviter, dans toute la mesure du possible, tout gaspillage de ressources financières, techniques et humaines, et
(i) qui requièrent une hospitalisation d'une nuit au minimum, ou
(ii) l'utilisation des infrastructures ou des équipements médicaux hautement spécialisés et onéreux;
b) impliquent un risque particulier pour le patient ou la population;
c) sont dispensées par un dispensateur de soins qui, en l'espèce, pourrait susciter des inquiétudes graves ou spécifiques sur la qualité ou la sécurité des soins, à l`exception des soins de santé qui relèvent de la législation de l'Union qui garantit un niveau de sécurité et de qualité minimal sur tout le territoire de l'Union.
Les prestations de santé visées sous le a) du précédent alinéa sont fixées par le Ministre. La liste de ces prestations de santé est publiée sur le site web de l'Institut national d'assurance maladie invalidité.
Sans préjudice des situations mentionnées sous les litteras a) à c) inclus du deuxième alinéa, l'autorisation préalable ne peut pas être refusée si le traitement ne peut pas être dispensé dans un délai qui, vu l'état de santé du bénéficiaire à ce moment-là, ses antécédents et l'évolution probable de sa maladie, est médicalement acceptable lorsque la demande d'autorisation préalable est introduite ou réintroduite.
L'autorisation préalable est refusée :
a) si un examen clinique montre avec une certitude suffisante que le patient sera exposé à un risque de sécurité qui ne peut être considéré comme acceptable, compte tenu de l'avantage potentiel pour le patient des prestations de santé transfrontaliers recherchés;
b) s'il existe des raisons valables de penser que la population sera exposée à un risque de sécurité considérable, du fait des prestations de santé en question;
c) si ces prestations de santé doivent être fournis par un dispensateur de soins de santé qui suscite des inquiétudes graves et spécifiques liées au respect des normes et des orientations en matière de qualité des soins et de sécurité des patients, y compris des dispositions sur la surveillance, que ces normes et orientations soient fixées par des dispositions législatives et réglementaires ou par des systèmes d'agrément établis par l'Etat membre de traitement;
d) si le traitement peut être dispensé sur le territoire national dans un délai acceptable sur le plan médical, compte tenu de l'état de santé du moment du bénéficiaire et de l'évolution probable de sa maladie.]2
[2 § 1er/1. [4 Les autorisations visées au § 1er, 2°, 8° et 14°]4, ne peuvent pas être accordées pour des prestations de santé qui ne sont pas remboursées par l'assurance maladie obligatoire soins de santé ou pour lesquelles les conditions de remboursement n'ont pas été remplies.]2
§ 2. [2 Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition :
- qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est agréé par les autorités du pays où il est situé, et
- que le bénéficiaire ait déjà payé les frais au moment de la demande de remboursement. La preuve est faite par des pièces justificatives qui ont été reconnues comme telles par le Service du contrôle administratif.
Les autorisations visées au § 1er, 1°, 2°, 5° et 14°, sont immédiatement notifiées à l'intéressé par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 254, alinéa 1er. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service d'évaluation et de contrôle médical.
Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée au § 1er, 2°, 3°, 12° et 14°, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Le remboursement des prestations de santé ne peut jamais dépasser le montant des frais réellement engagés.]2
[2 § 2/1. La demande écrite d'autorisation préalable pour des prestations de santé à l'étranger est introduite par le bénéficiaire auprès du médecin-conseil de son organisme assureur par lettre recommandée à la poste ou par tout autre moyen permettant de déterminer avec certitude la date d'introduction de la demande. La demande est signée par le bénéficiaire lui-même ou par son représentant légal.
A la demande est joint le rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé légalement à exercer l'art de guérir dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, et qui doit permettre au médecin-conseil de se faire une opinion. Le médecin-conseil peut, le cas échéant, demander un avis supplémentaire d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé à exercer l'art de guérir en Belgique.
§ 2/2. Lors de l'examen de la demande d'autorisation préalable, le médecin-conseil tient compte :
a) de l'état de santé spécifique du bénéficiaire,
b) de l'urgence et des circonstances individuelles.
Le médecin-conseil réagit dans les 45 jours civils à la demande introduite et en informe l'assuré par écrit. Sa réaction peut contenir les décisions suivantes :
- la demande est approuvée;
- la demande fait l'objet d'un refus justifié par une motivation circonstanciée;
- la demande est incomplète ou nécessite des informations supplémentaires. Dans ce cas, le médecin-conseil en informe le bénéficiaire et lui demande des informations supplémentaires. Au besoin, le médecin-conseil peut convoquer le bénéficiaire à un examen médical.
Le délai fixé à l'alinéa précédent commence le jour suivant le jour de la réception de la demande écrite. Dans le cas où le médecin-conseil demande des informations supplémentaires, le délai dans lequel le médecin-conseil doit réagir est suspendu. Le délai commence de nouveau à courir le jour suivant le jour auquel les informations supplémentaires ont été reçues.
A défaut de réponse du médecin-conseil dans le délai mentionné au présent paragraphe, l'autorisation est réputée avoir été accordée.]2
§ 3. En application de l'article 136, § 1er de la loi coordonnée, les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 100 de la loi coordonnée.
§ 4. [5 En application des articles 117 et 136, § 1er, de la loi coordonnée, les indemnités pour le congé d'adoption sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire belge, en cas d'adoption internationale conformément à l'article 30 ter, § 1er/1, alinéa 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et pour autant qu'il remplisse les conditions d'octroi des indemnités de congé d'adoption.]5
Modifications
Art.294.§ 1. Bij toepassing van artikel 136, § 1, van de gecoördineerde wet worden de buitenlandse verleende geneeskundige verstrekkingen toegekend:
Art. 294_COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. § 1. En application de l'article 136, § 1er, de la loi coordonnée, les prestations de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées: 1° pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique. (Le médecin-conseil peut, pour une période maximale de deux mois, autoriser un séjour temporaire après le début des délais prévus dans l'article 177, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont vises.) [7 L'autorisation préalable du médecin-conseil n'est pas requise pour les personnes qui tombent sous le champ d'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, en ce qui concerne un séjour temporaire dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen ou la Suisse.]7 2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil; 3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour [2 dans un pays qui n'appartient pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen]2, être hospitalisé d'urgence; 4° pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés; 5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé; 6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une [1 sage-femme]1 étrangère, autorisés à pratiquer en Belgique; 7° pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché; 8° [4 pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle à l'étranger a été autorisée par le Collège conformément à l'article 138, 1° [6 , ou, s'il s'agit d'une matière communautaire, par le Ministre de la Communauté germanophone compétent en matière de Santé en application de l'arrêté du Gouvernement du 19 décembre 2019 réglant de manière transitoire la procédure à suivre pour obtenir une autorisation préalable ou un accord aux fins de prise en charge des frais ou de participation aux frais engagés pour une revalidation long term care à l'étranger]6 ou dont la rééducation professionnelle s'effectue à l'étranger;]4 9° a) pour lé bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juséret, Witry et Anlier; b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton. Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que: - la médecine spéciale; - l'obstétrique; - l'hospitalisation; - les soins dentaires; - les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus; 10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique. Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier. 11° (aux titulaires et à leurs personnes à charge, visés dans l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée précitée, lorsqu'ils séjournent sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale comprenant les soins de santé.) [2 12° au bénéficiaire pendant un séjour dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen. Les prestations de santé comprennent les prestations qui s'avèrent nécessaires du point de vue médical au cours du séjour, compte tenu de la nature des prestations et de la durée prévue du séjour; 13° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen. Dans les cas prévus au 14°, une autorisation préalable reste requise; 14° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, pour lesquelles le médecin-conseil a accordé une autorisation préalable. L'autorisation préalable du médecin-conseil est requise pour les prestations de santé qui : a) font partie d'une politique de programmation qui vise à garantir un accès suffisant et permanent à une offre équilibrée de traitements de haute qualité en Belgique ou qui s'appuie sur la volonté de maîtriser les coûts et d'éviter, dans toute la mesure du possible, tout gaspillage de ressources financières, techniques et humaines, et (i) qui requièrent une hospitalisation d'une nuit au minimum, ou (ii) l'utilisation des infrastructures ou des équipements médicaux hautement spécialisés et onéreux; b) impliquent un risque particulier pour le patient ou la population; c) sont dispensées par un dispensateur de soins qui, en l'espèce, pourrait susciter des inquiétudes graves ou spécifiques sur la qualité ou la sécurité des soins, à l`exception des soins de santé qui relèvent de la législation de l'Union qui garantit un niveau de sécurité et de qualité minimal sur tout le territoire de l'Union. Les prestations de santé visées sous le a) du précédent alinéa sont fixées par le Ministre. La liste de ces prestations de santé est publiée sur le site web de l'Institut national d'assurance maladie invalidité. Sans préjudice des situations mentionnées sous les litteras a) à c) inclus du deuxième alinéa, l'autorisation préalable ne peut pas être refusée si le traitement ne peut pas être dispensé dans un délai qui, vu l'état de santé du bénéficiaire à ce moment-là, ses antécédents et l'évolution probable de sa maladie, est médicalement acceptable lorsque la demande d'autorisation préalable est introduite ou réintroduite. L'autorisation préalable est refusée : a) si un examen clinique montre avec une certitude suffisante que le patient sera exposé à un risque de sécurité qui ne peut être considéré comme acceptable, compte tenu de l'avantage potentiel pour le patient des prestations de santé transfrontaliers recherchés; b) s'il existe des raisons valables de penser que la population sera exposée à un risque de sécurité considérable, du fait des prestations de santé en question; c) si ces prestations de santé doivent être fournis par un dispensateur de soins de santé qui suscite des inquiétudes graves et spécifiques liées au respect des normes et des orientations en matière de qualité des soins et de sécurité des patients, y compris des dispositions sur la surveillance, que ces normes et orientations soient fixées par des dispositions législatives et réglementaires ou par des systèmes d'agrément établis par l'Etat membre de traitement; d) si le traitement peut être dispensé sur le territoire national dans un délai acceptable sur le plan médical, compte tenu de l'état de santé du moment du bénéficiaire et de l'évolution probable de sa maladie.]2 [2 § 1er/1. [4 Les autorisations visées au § 1er, 2°, 8° et 14°]4, ne peuvent pas être accordées pour des prestations de santé qui ne sont pas remboursées par l'assurance maladie obligatoire soins de santé [6 ou, le cas échéant, conformément à l'arrêté du Gouvernement du 19 décembre 2019 réglant de manière transitoire la procédure à suivre pour obtenir une autorisation préalable ou un accord aux fins de prise en charge des frais ou de participation aux frais engagés pour une revalidation long term care à l'étranger,]6 ou pour lesquelles les conditions de remboursement n'ont pas été remplies.]2 § 2. [2 Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition : - qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est agréé par les autorités du pays où il est situé, et - que le bénéficiaire ait déjà payé les frais au moment de la demande de remboursement. La preuve est faite par des pièces justificatives qui ont été reconnues comme telles par le Service du contrôle administratif. Les autorisations visées au § 1er, 1°, 2°, 5° et 14°, sont immédiatement notifiées à l'intéressé par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 254, alinéa 1er. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service d'évaluation et de contrôle médical. Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée au § 1er, 2°, 3°, 12° et 14°, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités. Le remboursement des prestations de santé ne peut jamais dépasser le montant des frais réellement engagés.]2 [2 § 2/1. La demande écrite d'autorisation préalable pour des prestations de santé à l'étranger est introduite par le bénéficiaire auprès du médecin-conseil de son organisme assureur par lettre recommandée à la poste ou par tout autre moyen permettant de déterminer avec certitude la date d'introduction de la demande. La demande est signée par le bénéficiaire lui-même ou par son représentant légal. A la demande est joint le rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé légalement à exercer l'art de guérir dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, et qui doit permettre au médecin-conseil de se faire une opinion. Le médecin-conseil peut, le cas échéant, demander un avis supplémentaire d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé à exercer l'art de guérir en Belgique. § 2/2. Lors de l'examen de la demande d'autorisation préalable, le médecin-conseil tient compte : a) de l'état de santé spécifique du bénéficiaire, b) de l'urgence et des circonstances individuelles. Le médecin-conseil réagit dans les 45 jours civils à la demande introduite et en informe l'assuré par écrit. Sa réaction peut contenir les décisions suivantes : - la demande est approuvée; - la demande fait l'objet d'un refus justifié par une motivation circonstanciée; - la demande est incomplète ou nécessite des informations supplémentaires. Dans ce cas, le médecin-conseil en informe le bénéficiaire et lui demande des informations supplémentaires. Au besoin, le médecin-conseil peut convoquer le bénéficiaire à un examen médical. Le délai fixé à l'alinéa précédent commence le jour suivant le jour de la réception de la demande écrite. Dans le cas où le médecin-conseil demande des informations supplémentaires, le délai dans lequel le médecin-conseil doit réagir est suspendu. Le délai commence de nouveau à courir le jour suivant le jour auquel les informations supplémentaires ont été reçues. A défaut de réponse du médecin-conseil dans le délai mentionné au présent paragraphe, l'autorisation est réputée avoir été accordée.]2 § 3. En application de l'article 136, § 1er de la loi coordonnée, les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 100 de la loi coordonnée. § 4. [5 En application des articles 117 et 136, § 1er, de la loi coordonnée, les indemnités pour le congé d'adoption sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire belge, en cas d'adoption internationale conformément à l'article 30 ter, § 1er/1, alinéa 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et pour autant qu'il remplisse les conditions d'octroi des indemnités de congé d'adoption.]5
Art. 294 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. § 1. Bij toepassing van artikel 136, § 1, van de gecoördineerde wet worden de buitenlandse verleende geneeskundige verstrekkingen toegekend: 1° voor hem persoonlijk en voor de personen te zijnen laste die er met hem verblijven, aan de gerechtigde die in een tijdvak van arbeidsongeschiktheid is en van de adviserend [4 arts]4 vooraf toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven hoewel hij zijn hoofdverblijfplaats in België behoudt. (De adviserend [4 arts]4 kan, voor een maximumtermijn van twee maanden, zijn toestemming geven voor een tijdelijk verblijf na het begin van de termijnen, vastgesteld in artikel 177, § 1, 1° en 2°, voor het opmaken van de daarin bedoelde verslagen.) <KB 2004-04-01/57, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 16-05-2004> [7 De voorafgaande toestemming van de adviserend arts is niet vereist voor de personen die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, voor wat betreft een tijdelijk verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.]7 2° aan de rechthebbende, wanneer het herstel van zijn gezondheid een opneming in een verplegingsinrichting vereist welke in gunstiger geneeskundige voorwaarden in het buitenland kan geschieden en door de adviserend [4 arts]4 vooraf onontbeerlijk wordt geacht; 3° aan de rechthebbende die tijdens een verblijf in [1 een land dat niet behoort tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte]1 dringend in een verplegingsinrichting moet worden opgenomen; 4° aan de gerechtigde en aan de personen te zijnen laste die met hem op het grondgebied van een ander land verblijven, wanneer de gerechtigde op dat grondgebied is tewerkgesteld en blijft vallen onder de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden; 5° aan de rechthebbende die aan tuberculose lijdt en voor wie de adviserend [4 arts]4 een sanatoriumkuur in het buitenland in een door de Dienst voor geneeskundige verzorging erkende inrichting als noodzakelijk erkent; 6° aan de rechthebbende die buiten s'lands grenzen een beroep doet op een buitenlands [4 arts]4 of vroedvrouw, die gemachtigd zijn in België te praktizeren; 7° aan de rechthebbende die zijn hoofdverblijfplaats in een grensgebied heeft en zich laat verzorgen in een buiten s'lands grenzen doch binnen een straal van maximum 25 kilometer van zijn hoofdverblijfplaats gelegen verplegingsinrichting, mits er in België, dichterbij, geen gelijkaardige inrichting is; 8° [3 aan de rechthebbende wiens revalidatie in het buitenland werd toegestaan door het College overeenkomstig artikel 138, 1° [6 of, als het gaat om een gemeenschapsmaterie, door de minister van de Duitstalige Gemeenschap die bevoegd is voor Gezondheid met toepassing van het besluit van de Regering van 19 december 2019 tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland]6 of wiens herscholing in het buitenland geschiedt;]3 9° a) aan de rechthebbende die zich in het Groothertogdom Luxemburg laat verzorgen, indien hij zijn hoofdverblijfplaats heeft in één van de kantons Aarlen en Messancy, de administratieve arrondissementen Virton en Bastenaken of de gemeenten Mellier, Léglise, Ebly, Juseret, Witry en Anlier; b) aan de rechthebbende die zich laat verzorgen in Frankrijk, binnen een straal van 50 km van zijn hoofdverblijfplaats, indien ze ligt in een van de kantons Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne en Virton. Nochtans beoogt deze afwijking wat de geneeskundige verstrekkingen betreft, enkel: - de speciale geneeskunde; - de verloskunde; - de ziekenhuisverpleging; - de tandheelkundige hulp; - de farmaceutische verstrekkingen, voorgeschreven naar aanleiding van de hiervoren bedoelde verzorging; 10° aan de rechthebbende die bij een ongeval op s'lands grondgebied verwondingen oploopt zodat zijn toestand dringend verzorging behoeft en die naar een verplegingsinrichting in het buitenland wordt vervoerd welke dichterbij ligt of beter te bereiken is dan een gelijkaardige inrichting in België. Hetzelfde geldt voor de rechthebbende die schielijk in een toestand komt te verkeren welke dringend verzorging in een verplegingsinrichting vergt; 11° (aan de in artikel 32, eerste lid, 12° van de voornoemde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en hun personen ten laste, als ze verblijven op het grondgebied van een land waarmee België niet verbonden is door een internationaal instrument inzake sociale zekerheid, dat de geneeskundige verzorging omvat.) <KB 1997-12-29/30, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998> [1 12° aan de rechthebbende gedurende een verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte. De geneeskundige verstrekkingen omvatten de verstrekkingen die tijdens dat verblijf medisch noodzakelijk worden, met inachtneming van de aard van de verstrekkingen en de verwachte duur van het verblijf; 13° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt. In de gevallen voorzien in 14° blijft een voorafgaande toestemming vereist; 14° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt waarvoor de adviserend [4 arts]4 een voorafgaande toestemming heeft verleend. De voorafgaande toestemming van de adviserend [4 arts]4 is vereist voor geneeskundige verstrekkingen die : a) deel uitmaken van een planningsbeleid dat tot doel heeft een toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van hoogwaardige behandelingen in België te waarborgen of berust op het streven om de kosten te beheersen en elke verspilling van financiële, technische en menselijke middelen zoveel mogelijk te voorkomen, en (i) een opname van minimum één nacht in een verplegingsinrichting vereisen, of (ii) het gebruik van zeer gespecialiseerde en kostenintensieve medische infrastructuur of apparatuur vereisen; b) een bijzonder risico voor de patiënt of de bevolking inhouden; c) worden verstrekt door een zorgverlener die in het bepaalde geval aanleiding zou kunnen geven tot ernstige en specifieke bezorgdheid over de kwaliteit of veiligheid van de zorg, met uitzondering van gezondheidszorg die valt onder uniale wetgeving waarbij een minimaal veiligheids- en kwaliteitsniveau in de gehele Unie wordt gewaarborgd. De onder a) van het vorige lid bedoelde geneeskundige verstrekkingen worden door de Minister vastgesteld. De lijst met deze geneeskundige verstrekkingen wordt bekendgemaakt op de website van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. Onverminderd de situaties, vermeld onder a) tot en met c) van het tweede lid, mag de voorafgaande toestemming niet geweigerd worden als de behandeling niet kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment, de voorgeschiedenis en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is op het tijdstip waarop het verzoek om een voorafgaande toestemming is ingediend of opnieuw is ingediend. De voorafgaande toestemming wordt geweigerd : a) indien uit een klinische beoordeling met redelijke zekerheid blijkt dat de rechthebbende zal worden blootgesteld aan een veiligheidsrisico dat, gelet op de mogelijke baten van de gewenste grensoverschrijdende geneeskundige verstrekkingen, niet als aanvaardbaar kan worden aangemerkt; b) indien met redelijke zekerheid vaststaat dat de bevolking zal worden blootgesteld aan een aanzienlijk veiligheidsrisico als gevolg van de betrokken geneeskundige verstrekkingen; c) indien die geneeskundige verstrekkingen worden verstrekt door een zorgverlener die aanleiding geeft tot ernstige en specifieke bezorgdheid in verband met de inachtneming van normen en richtsnoeren inzake zorgkwaliteit en veiligheid van de patiënt, met inbegrip van normen inzake toezicht, ongeacht of die normen en richtsnoeren bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn vastgesteld dan wel door middel van erkenningsystemen in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt; d) indien de behandeling op 's lands grondgebied kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is.]1 [1 § 1/1. [3 De in § 1, 2°, 8° en 14°, bedoelde toestemmingen]3 mogen niet worden verleend voor geneeskundige verstrekkingen die door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging [6 of, in voorkomend geval, overeenkomstig het besluit van de Regering van 19 december 2019 tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland]6 niet worden vergoed of waarvoor de voorwaarden voor vergoeding niet zijn vervuld.]1 § 2. [1 De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen is afhankelijk van de voorwaarde dat : - ze zijn verleend door een persoon die wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen in het land waar ze zijn verleend, of in een verplegingsinrichting die voldoende geneeskundige waarborgen biedt of erkend is door de overheid van het land waar zij zich bevindt, en - de rechthebbende, op het moment van de aanvraag om vergoeding, de kosten al heeft betaald. Het bewijs wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig door de Dienst voor administratieve controle zijn erkend. Van de in § 1, 1°, 2°, 5° en 14°, bedoelde toestemmingen wordt de belanghebbende onmiddellijk kennis gegeven door de adviserend [4 arts]4 die een afschrift van de kennisgeving bij het in artikel 254, eerste lid, bedoelde dossier voegt. Wanneer zij betrekking hebben op gerechtigden wordt een afschrift van de kennisgeving gezonden aan het provinciaal bureau van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle. De verstrekkingen inzake klinische biologie verleend naar aanleiding van een opneming in een verplegingsinrichting zoals bedoeld in § 1, 2°, 3°, 12° en 14°, worden vergoed volgens de tarieven geldig voor een niet-in een ziekenhuis opgenomen patiënt, overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen mag het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten nooit overschrijden.]1 [1 § 2/1. De schriftelijke aanvraag voor een voorafgaande toestemming voor geneeskundige verstrekkingen in het buitenland wordt door de rechthebbende bij de adviserend [4 arts]4 van zijn verzekeringsinstelling ingediend met een ter post aangetekende brief of op gelijk welke andere manier die toelaat de datum van indiening met zekerheid vast te stellen. De aanvraag is ondertekend door de rechthebbende zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger. Bij de aanvraag wordt een omstandig medisch verslag gevoegd van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte uit te oefenen, en dat de adviserend [4 arts]4 moet toelaten zich een oordeel te vormen. De adviserend [4 arts]4 kan desgevallend een bijkomend advies vragen van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en gemachtigd is om de geneeskunde in België uit te oefenen. § 2/2. Bij de behandeling van de aanvraag voor een voorafgaande toestemming houdt de adviserend [4 arts]4 rekening met : a) de specifieke gezondheidstoestand van de rechthebbende, b) de dringendheid en individuele omstandigheden. De adviserend [4 arts]4 reageert binnen de 45 kalenderdagen op de ingediende aanvraag en brengt de verzekerde hiervan schriftelijk op de hoogte. Die reactie kan de volgende beslissingen inhouden : - de aanvraag wordt goedgekeurd; - de aanvraag wordt afgekeurd met opgave van een grondige motivering; - de aanvraag is onvolledig of vergt bijkomende informatie. In dit geval brengt de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende hiervan op de hoogte en vraagt hij om bijkomende informatie. Indien nodig kan de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende oproepen voor een medisch onderzoek. De in de het vorige lid bepaalde termijn gaat in de dag volgend op de dag van ontvangst van de schriftelijke aanvraag. In geval de adviserend [4 arts]4 om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn waarbinnen de adviserend [4 arts]4 dient te reageren, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de dag volgend op de dag waarop de bijkomende informatie werd ontvangen. Bij ontstentenis van een antwoord van de adviserend [4 arts]4 binnen de in deze paragraaf vermelde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.]1 § 3. Bij toepassing van artikel 136, § 1 van de gecoördineerde wet, worden uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid toegekend wanneer de gerechtigde zich buiten het Belgisch grondgebied bevindt, voor zover hij een der in § 1 bedoelde toestanden verkeert en voldoet aan de andere voorwaarden inzake toekenning van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, met name deze bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet. § 4. [5 Bij toepassing van de artikelen 117 en 136, § 1, van de gecoördineerde wet, worden de uitkeringen voor adoptieverlof toegekend wanneer de gerechtigde zich in geval van een interlandelijke adoptie buiten het Belgische grondgebied bevindt overeenkomstig artikel 30ter, § 1/1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en voor zover hij de toekenningsvoorwaarden van de uitkeringen voor adoptieverlof vervult.]5
Modifications
Art. 294 _REGION_FLAMANDE. § 1. En application de l'article 136, § 1er, de la loi coordonnée, les prestations de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées: 1° pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique. (Le médecin-conseil peut, pour une période maximale de deux mois, autoriser un séjour temporaire après le début des délais prévus dans l'article 177, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont vises.) <AR 2004-04-01/57, art. 1, 106; En vigueur : 16-05-2004> [7 L'autorisation préalable du médecin-conseil n'est pas requise pour les personnes qui tombent sous le champ d'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, en ce qui concerne un séjour temporaire dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen ou la Suisse.]7 2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil; 3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour [2 dans un pays qui n'appartient pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen]2, être hospitalisé d'urgence; 4° pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés; 5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé; 6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une [1 sage-femme]1 étrangère, autorisés à pratiquer en Belgique; 7° pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché; 8° [4 pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle à l'étranger a été autorisée par le Collège [6 ,]6 conformément à l'article 138, 1° [6 , ou, s'il s'agit d'une compétence communautaire, par l'organisme assureur, conformément à l'article 33 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant exécution du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, ]6 ou dont la rééducation professionnelle s'effectue à l'étranger;]4 9° a) pour lé bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juséret, Witry et Anlier; b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton. Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que: - la médecine spéciale; - l'obstétrique; - l'hospitalisation; - les soins dentaires; - les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus; 10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique. Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier. 11° (aux titulaires et à leurs personnes à charge, visés dans l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée précitée, lorsqu'ils séjournent sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale comprenant les soins de santé.) <AR 1997-12-29/30, art. 34, 017; En vigueur : 01-01-1998> [2 12° au bénéficiaire pendant un séjour dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen. Les prestations de santé comprennent les prestations qui s'avèrent nécessaires du point de vue médical au cours du séjour, compte tenu de la nature des prestations et de la durée prévue du séjour; 13° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen. Dans les cas prévus au 14°, une autorisation préalable reste requise; 14° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, pour lesquelles le médecin-conseil a accordé une autorisation préalable. L'autorisation préalable du médecin-conseil est requise pour les prestations de santé qui : a) font partie d'une politique de programmation qui vise à garantir un accès suffisant et permanent à une offre équilibrée de traitements de haute qualité en Belgique ou qui s'appuie sur la volonté de maîtriser les coûts et d'éviter, dans toute la mesure du possible, tout gaspillage de ressources financières, techniques et humaines, et (i) qui requièrent une hospitalisation d'une nuit au minimum, ou (ii) l'utilisation des infrastructures ou des équipements médicaux hautement spécialisés et onéreux; b) impliquent un risque particulier pour le patient ou la population; c) sont dispensées par un dispensateur de soins qui, en l'espèce, pourrait susciter des inquiétudes graves ou spécifiques sur la qualité ou la sécurité des soins, à l`exception des soins de santé qui relèvent de la législation de l'Union qui garantit un niveau de sécurité et de qualité minimal sur tout le territoire de l'Union. Les prestations de santé visées sous le a) du précédent alinéa sont fixées par le Ministre. La liste de ces prestations de santé est publiée sur le site web de l'Institut national d'assurance maladie invalidité. Sans préjudice des situations mentionnées sous les litteras a) à c) inclus du deuxième alinéa, l'autorisation préalable ne peut pas être refusée si le traitement ne peut pas être dispensé dans un délai qui, vu l'état de santé du bénéficiaire à ce moment-là, ses antécédents et l'évolution probable de sa maladie, est médicalement acceptable lorsque la demande d'autorisation préalable est introduite ou réintroduite. L'autorisation préalable est refusée : a) si un examen clinique montre avec une certitude suffisante que le patient sera exposé à un risque de sécurité qui ne peut être considéré comme acceptable, compte tenu de l'avantage potentiel pour le patient des prestations de santé transfrontaliers recherchés; b) s'il existe des raisons valables de penser que la population sera exposée à un risque de sécurité considérable, du fait des prestations de santé en question; c) si ces prestations de santé doivent être fournis par un dispensateur de soins de santé qui suscite des inquiétudes graves et spécifiques liées au respect des normes et des orientations en matière de qualité des soins et de sécurité des patients, y compris des dispositions sur la surveillance, que ces normes et orientations soient fixées par des dispositions législatives et réglementaires ou par des systèmes d'agrément établis par l'Etat membre de traitement; d) si le traitement peut être dispensé sur le territoire national dans un délai acceptable sur le plan médical, compte tenu de l'état de santé du moment du bénéficiaire et de l'évolution probable de sa maladie.]2 [2 § 1er/1. [4 Les autorisations visées au § 1er, 2°, 8° et 14°]4, ne peuvent pas être accordées pour des prestations de santé qui ne sont pas remboursées par l'assurance maladie obligatoire soins de santé [6 ou, le cas échéant, par le décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs et ses arrêtés d'exécution,]6 ou pour lesquelles les conditions de remboursement n'ont pas été remplies.]2 § 2. [2 Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition : - qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est agréé par les autorités du pays où il est situé, et - que le bénéficiaire ait déjà payé les frais au moment de la demande de remboursement. La preuve est faite par des pièces justificatives qui ont été reconnues comme telles par le Service du contrôle administratif. Les autorisations visées au § 1er, 1°, 2°, 5° et 14°, sont immédiatement notifiées à l'intéressé par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 254, alinéa 1er. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service d'évaluation et de contrôle médical. Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée au § 1er, 2°, 3°, 12° et 14°, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités. Le remboursement des prestations de santé ne peut jamais dépasser le montant des frais réellement engagés.]2 [2 § 2/1. La demande écrite d'autorisation préalable pour des prestations de santé à l'étranger est introduite par le bénéficiaire auprès du médecin-conseil de son organisme assureur par lettre recommandée à la poste ou par tout autre moyen permettant de déterminer avec certitude la date d'introduction de la demande. La demande est signée par le bénéficiaire lui-même ou par son représentant légal. A la demande est joint le rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé légalement à exercer l'art de guérir dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, et qui doit permettre au médecin-conseil de se faire une opinion. Le médecin-conseil peut, le cas échéant, demander un avis supplémentaire d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé à exercer l'art de guérir en Belgique. § 2/2. Lors de l'examen de la demande d'autorisation préalable, le médecin-conseil tient compte : a) de l'état de santé spécifique du bénéficiaire, b) de l'urgence et des circonstances individuelles. Le médecin-conseil réagit dans les 45 jours civils à la demande introduite et en informe l'assuré par écrit. Sa réaction peut contenir les décisions suivantes : - la demande est approuvée; - la demande fait l'objet d'un refus justifié par une motivation circonstanciée; - la demande est incomplète ou nécessite des informations supplémentaires. Dans ce cas, le médecin-conseil en informe le bénéficiaire et lui demande des informations supplémentaires. Au besoin, le médecin-conseil peut convoquer le bénéficiaire à un examen médical. Le délai fixé à l'alinéa précédent commence le jour suivant le jour de la réception de la demande écrite. Dans le cas où le médecin-conseil demande des informations supplémentaires, le délai dans lequel le médecin-conseil doit réagir est suspendu. Le délai commence de nouveau à courir le jour suivant le jour auquel les informations supplémentaires ont été reçues. A défaut de réponse du médecin-conseil dans le délai mentionné au présent paragraphe, l'autorisation est réputée avoir été accordée.]2 § 3. En application de l'article 136, § 1er de la loi coordonnée, les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 100 de la loi coordonnée. [6 § 4. Les paragraphes 2, 2/1 et 2/2 ne s'appliquent pas aux structures de revalidation visées à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs.]6
Modifications
Art. 294 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
§ 1. Bij toepassing van artikel 136, § 1, van de gecoördineerde wet worden de buitenlandse verleende geneeskundige verstrekkingen toegekend:
1° voor hem persoonlijk en voor de personen te zijnen laste die er met hem verblijven, aan de gerechtigde die in een tijdvak van arbeidsongeschiktheid is en van de adviserend [4 arts]4 vooraf toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven hoewel hij zijn hoofdverblijfplaats in België behoudt.
(De adviserend [4 arts]4 kan, voor een maximumtermijn van twee maanden, zijn toestemming geven voor een tijdelijk verblijf na het begin van de termijnen, vastgesteld in artikel 177, § 1, 1° en 2°, voor het opmaken van de daarin bedoelde verslagen.) <KB 2004-04-01/57, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 16-05-2004>
[7 De voorafgaande toestemming van de adviserend arts is niet vereist voor de personen die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, voor wat betreft een tijdelijk verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.]7
2° aan de rechthebbende, wanneer het herstel van zijn gezondheid een opneming in een verplegingsinrichting vereist welke in gunstiger geneeskundige voorwaarden in het buitenland kan geschieden en door de adviserend [4 arts]4 vooraf onontbeerlijk wordt geacht;
3° aan de rechthebbende die tijdens een verblijf in [1 een land dat niet behoort tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte]1 dringend in een verplegingsinrichting moet worden opgenomen;
4° aan de gerechtigde en aan de personen te zijnen laste die met hem op het grondgebied van een ander land verblijven, wanneer de gerechtigde op dat grondgebied is tewerkgesteld en blijft vallen onder de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
5° aan de rechthebbende die aan tuberculose lijdt en voor wie de adviserend [4 arts]4 een sanatoriumkuur in het buitenland in een door de Dienst voor geneeskundige verzorging erkende inrichting als noodzakelijk erkent;
6° aan de rechthebbende die buiten s'lands grenzen een beroep doet op een buitenlands [4 arts]4 of vroedvrouw, die gemachtigd zijn in België te praktizeren;
7° aan de rechthebbende die zijn hoofdverblijfplaats in een grensgebied heeft en zich laat verzorgen in een buiten s'lands grenzen doch binnen een straal van maximum 25 kilometer van zijn hoofdverblijfplaats gelegen verplegingsinrichting, mits er in België, dichterbij, geen gelijkaardige inrichting is;
8° [3 aan de rechthebbende wiens revalidatie in het buitenland werd toegestaan door het College overeenkomstig artikel 138, 1° [6 of, als het gaat om een gemeenschapsmaterie, door de minister van de Duitstalige Gemeenschap die bevoegd is voor Gezondheid met toepassing van het besluit van de Regering van 19 december 2019 tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland]6 of wiens herscholing in het buitenland geschiedt;]3
9° a) aan de rechthebbende die zich in het Groothertogdom Luxemburg laat verzorgen, indien hij zijn hoofdverblijfplaats heeft in één van de kantons Aarlen en Messancy, de administratieve arrondissementen Virton en Bastenaken of de gemeenten Mellier, Léglise, Ebly, Juseret, Witry en Anlier;
b) aan de rechthebbende die zich laat verzorgen in Frankrijk, binnen een straal van 50 km van zijn hoofdverblijfplaats, indien ze ligt in een van de kantons Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne en Virton.
Nochtans beoogt deze afwijking wat de geneeskundige verstrekkingen betreft, enkel:
- de speciale geneeskunde;
- de verloskunde;
- de ziekenhuisverpleging;
- de tandheelkundige hulp;
- de farmaceutische verstrekkingen, voorgeschreven naar aanleiding van de hiervoren bedoelde verzorging;
10° aan de rechthebbende die bij een ongeval op s'lands grondgebied verwondingen oploopt zodat zijn toestand dringend verzorging behoeft en die naar een verplegingsinrichting in het buitenland wordt vervoerd welke dichterbij ligt of beter te bereiken is dan een gelijkaardige inrichting in België.
Hetzelfde geldt voor de rechthebbende die schielijk in een toestand komt te verkeren welke dringend verzorging in een verplegingsinrichting vergt;
11° (aan de in artikel 32, eerste lid, 12° van de voornoemde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en hun personen ten laste, als ze verblijven op het grondgebied van een land waarmee België niet verbonden is door een internationaal instrument inzake sociale zekerheid, dat de geneeskundige verzorging omvat.) <KB 1997-12-29/30, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
[1 12° aan de rechthebbende gedurende een verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte.
De geneeskundige verstrekkingen omvatten de verstrekkingen die tijdens dat verblijf medisch noodzakelijk worden, met inachtneming van de aard van de verstrekkingen en de verwachte duur van het verblijf;
13° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt.
In de gevallen voorzien in 14° blijft een voorafgaande toestemming vereist;
14° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt waarvoor de adviserend [4 arts]4 een voorafgaande toestemming heeft verleend.
De voorafgaande toestemming van de adviserend [4 arts]4 is vereist voor geneeskundige verstrekkingen die :
a) deel uitmaken van een planningsbeleid dat tot doel heeft een toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van hoogwaardige behandelingen in België te waarborgen of berust op het streven om de kosten te beheersen en elke verspilling van financiële, technische en menselijke middelen zoveel mogelijk te voorkomen, en
(i) een opname van minimum één nacht in een verplegingsinrichting vereisen, of
(ii) het gebruik van zeer gespecialiseerde en kostenintensieve medische infrastructuur of apparatuur vereisen;
b) een bijzonder risico voor de patiënt of de bevolking inhouden;
c) worden verstrekt door een zorgverlener die in het bepaalde geval aanleiding zou kunnen geven tot ernstige en specifieke bezorgdheid over de kwaliteit of veiligheid van de zorg, met uitzondering van gezondheidszorg die valt onder uniale wetgeving waarbij een minimaal veiligheids- en kwaliteitsniveau in de gehele Unie wordt gewaarborgd.
De onder a) van het vorige lid bedoelde geneeskundige verstrekkingen worden door de Minister vastgesteld. De lijst met deze geneeskundige verstrekkingen wordt bekendgemaakt op de website van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Onverminderd de situaties, vermeld onder a) tot en met c) van het tweede lid, mag de voorafgaande toestemming niet geweigerd worden als de behandeling niet kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment, de voorgeschiedenis en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is op het tijdstip waarop het verzoek om een voorafgaande toestemming is ingediend of opnieuw is ingediend.
De voorafgaande toestemming wordt geweigerd :
a) indien uit een klinische beoordeling met redelijke zekerheid blijkt dat de rechthebbende zal worden blootgesteld aan een veiligheidsrisico dat, gelet op de mogelijke baten van de gewenste grensoverschrijdende geneeskundige verstrekkingen, niet als aanvaardbaar kan worden aangemerkt;
b) indien met redelijke zekerheid vaststaat dat de bevolking zal worden blootgesteld aan een aanzienlijk veiligheidsrisico als gevolg van de betrokken geneeskundige verstrekkingen;
c) indien die geneeskundige verstrekkingen worden verstrekt door een zorgverlener die aanleiding geeft tot ernstige en specifieke bezorgdheid in verband met de inachtneming van normen en richtsnoeren inzake zorgkwaliteit en veiligheid van de patiënt, met inbegrip van normen inzake toezicht, ongeacht of die normen en richtsnoeren bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn vastgesteld dan wel door middel van erkenningsystemen in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt;
d) indien de behandeling op 's lands grondgebied kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is.]1
[1 § 1/1. [3 De in § 1, 2°, 8° en 14°, bedoelde toestemmingen]3 mogen niet worden verleend voor geneeskundige verstrekkingen die door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging [6 of, in voorkomend geval, overeenkomstig het besluit van de Regering van 19 december 2019 tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland]6 niet worden vergoed of waarvoor de voorwaarden voor vergoeding niet zijn vervuld.]1
§ 2. [1 De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen is afhankelijk van de voorwaarde dat :
- ze zijn verleend door een persoon die wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen in het land waar ze zijn verleend, of in een verplegingsinrichting die voldoende geneeskundige waarborgen biedt of erkend is door de overheid van het land waar zij zich bevindt, en
- de rechthebbende, op het moment van de aanvraag om vergoeding, de kosten al heeft betaald. Het bewijs wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig door de Dienst voor administratieve controle zijn erkend.
Van de in § 1, 1°, 2°, 5° en 14°, bedoelde toestemmingen wordt de belanghebbende onmiddellijk kennis gegeven door de adviserend [4 arts]4 die een afschrift van de kennisgeving bij het in artikel 254, eerste lid, bedoelde dossier voegt. Wanneer zij betrekking hebben op gerechtigden wordt een afschrift van de kennisgeving gezonden aan het provinciaal bureau van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle.
De verstrekkingen inzake klinische biologie verleend naar aanleiding van een opneming in een verplegingsinrichting zoals bedoeld in § 1, 2°, 3°, 12° en 14°, worden vergoed volgens de tarieven geldig voor een niet-in een ziekenhuis opgenomen patiënt, overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen mag het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten nooit overschrijden.]1
[1 § 2/1. De schriftelijke aanvraag voor een voorafgaande toestemming voor geneeskundige verstrekkingen in het buitenland wordt door de rechthebbende bij de adviserend [4 arts]4 van zijn verzekeringsinstelling ingediend met een ter post aangetekende brief of op gelijk welke andere manier die toelaat de datum van indiening met zekerheid vast te stellen. De aanvraag is ondertekend door de rechthebbende zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Bij de aanvraag wordt een omstandig medisch verslag gevoegd van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte uit te oefenen, en dat de adviserend [4 arts]4 moet toelaten zich een oordeel te vormen. De adviserend [4 arts]4 kan desgevallend een bijkomend advies vragen van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en gemachtigd is om de geneeskunde in België uit te oefenen.
§ 2/2. Bij de behandeling van de aanvraag voor een voorafgaande toestemming houdt de adviserend [4 arts]4 rekening met :
a) de specifieke gezondheidstoestand van de rechthebbende,
b) de dringendheid en individuele omstandigheden.
De adviserend [4 arts]4 reageert binnen de 45 kalenderdagen op de ingediende aanvraag en brengt de verzekerde hiervan schriftelijk op de hoogte. Die reactie kan de volgende beslissingen inhouden :
- de aanvraag wordt goedgekeurd;
- de aanvraag wordt afgekeurd met opgave van een grondige motivering;
- de aanvraag is onvolledig of vergt bijkomende informatie. In dit geval brengt de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende hiervan op de hoogte en vraagt hij om bijkomende informatie. Indien nodig kan de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende oproepen voor een medisch onderzoek.
De in de het vorige lid bepaalde termijn gaat in de dag volgend op de dag van ontvangst van de schriftelijke aanvraag. In geval de adviserend [4 arts]4 om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn waarbinnen de adviserend [4 arts]4 dient te reageren, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de dag volgend op de dag waarop de bijkomende informatie werd ontvangen.
Bij ontstentenis van een antwoord van de adviserend [4 arts]4 binnen de in deze paragraaf vermelde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.]1
§ 3. Bij toepassing van artikel 136, § 1 van de gecoördineerde wet, worden uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid toegekend wanneer de gerechtigde zich buiten het Belgisch grondgebied bevindt, voor zover hij een der in § 1 bedoelde toestanden verkeert en voldoet aan de andere voorwaarden inzake toekenning van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, met name deze bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet.
§ 4. [5 Bij toepassing van de artikelen 117 en 136, § 1, van de gecoördineerde wet, worden de uitkeringen voor adoptieverlof toegekend wanneer de gerechtigde zich in geval van een interlandelijke adoptie buiten het Belgische grondgebied bevindt overeenkomstig artikel 30ter, § 1/1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en voor zover hij de toekenningsvoorwaarden van de uitkeringen voor adoptieverlof vervult.]5
§ 1. Bij toepassing van artikel 136, § 1, van de gecoördineerde wet worden de buitenlandse verleende geneeskundige verstrekkingen toegekend:
1° voor hem persoonlijk en voor de personen te zijnen laste die er met hem verblijven, aan de gerechtigde die in een tijdvak van arbeidsongeschiktheid is en van de adviserend [4 arts]4 vooraf toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven hoewel hij zijn hoofdverblijfplaats in België behoudt.
(De adviserend [4 arts]4 kan, voor een maximumtermijn van twee maanden, zijn toestemming geven voor een tijdelijk verblijf na het begin van de termijnen, vastgesteld in artikel 177, § 1, 1° en 2°, voor het opmaken van de daarin bedoelde verslagen.) <KB 2004-04-01/57, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 16-05-2004>
[7 De voorafgaande toestemming van de adviserend arts is niet vereist voor de personen die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, voor wat betreft een tijdelijk verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.]7
2° aan de rechthebbende, wanneer het herstel van zijn gezondheid een opneming in een verplegingsinrichting vereist welke in gunstiger geneeskundige voorwaarden in het buitenland kan geschieden en door de adviserend [4 arts]4 vooraf onontbeerlijk wordt geacht;
3° aan de rechthebbende die tijdens een verblijf in [1 een land dat niet behoort tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte]1 dringend in een verplegingsinrichting moet worden opgenomen;
4° aan de gerechtigde en aan de personen te zijnen laste die met hem op het grondgebied van een ander land verblijven, wanneer de gerechtigde op dat grondgebied is tewerkgesteld en blijft vallen onder de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
5° aan de rechthebbende die aan tuberculose lijdt en voor wie de adviserend [4 arts]4 een sanatoriumkuur in het buitenland in een door de Dienst voor geneeskundige verzorging erkende inrichting als noodzakelijk erkent;
6° aan de rechthebbende die buiten s'lands grenzen een beroep doet op een buitenlands [4 arts]4 of vroedvrouw, die gemachtigd zijn in België te praktizeren;
7° aan de rechthebbende die zijn hoofdverblijfplaats in een grensgebied heeft en zich laat verzorgen in een buiten s'lands grenzen doch binnen een straal van maximum 25 kilometer van zijn hoofdverblijfplaats gelegen verplegingsinrichting, mits er in België, dichterbij, geen gelijkaardige inrichting is;
8° [3 aan de rechthebbende wiens revalidatie in het buitenland werd toegestaan door het College overeenkomstig artikel 138, 1° [6 of, als het gaat om een gemeenschapsmaterie, door de minister van de Duitstalige Gemeenschap die bevoegd is voor Gezondheid met toepassing van het besluit van de Regering van 19 december 2019 tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland]6 of wiens herscholing in het buitenland geschiedt;]3
9° a) aan de rechthebbende die zich in het Groothertogdom Luxemburg laat verzorgen, indien hij zijn hoofdverblijfplaats heeft in één van de kantons Aarlen en Messancy, de administratieve arrondissementen Virton en Bastenaken of de gemeenten Mellier, Léglise, Ebly, Juseret, Witry en Anlier;
b) aan de rechthebbende die zich laat verzorgen in Frankrijk, binnen een straal van 50 km van zijn hoofdverblijfplaats, indien ze ligt in een van de kantons Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne en Virton.
Nochtans beoogt deze afwijking wat de geneeskundige verstrekkingen betreft, enkel:
- de speciale geneeskunde;
- de verloskunde;
- de ziekenhuisverpleging;
- de tandheelkundige hulp;
- de farmaceutische verstrekkingen, voorgeschreven naar aanleiding van de hiervoren bedoelde verzorging;
10° aan de rechthebbende die bij een ongeval op s'lands grondgebied verwondingen oploopt zodat zijn toestand dringend verzorging behoeft en die naar een verplegingsinrichting in het buitenland wordt vervoerd welke dichterbij ligt of beter te bereiken is dan een gelijkaardige inrichting in België.
Hetzelfde geldt voor de rechthebbende die schielijk in een toestand komt te verkeren welke dringend verzorging in een verplegingsinrichting vergt;
11° (aan de in artikel 32, eerste lid, 12° van de voornoemde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en hun personen ten laste, als ze verblijven op het grondgebied van een land waarmee België niet verbonden is door een internationaal instrument inzake sociale zekerheid, dat de geneeskundige verzorging omvat.) <KB 1997-12-29/30, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
[1 12° aan de rechthebbende gedurende een verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte.
De geneeskundige verstrekkingen omvatten de verstrekkingen die tijdens dat verblijf medisch noodzakelijk worden, met inachtneming van de aard van de verstrekkingen en de verwachte duur van het verblijf;
13° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt.
In de gevallen voorzien in 14° blijft een voorafgaande toestemming vereist;
14° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt waarvoor de adviserend [4 arts]4 een voorafgaande toestemming heeft verleend.
De voorafgaande toestemming van de adviserend [4 arts]4 is vereist voor geneeskundige verstrekkingen die :
a) deel uitmaken van een planningsbeleid dat tot doel heeft een toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van hoogwaardige behandelingen in België te waarborgen of berust op het streven om de kosten te beheersen en elke verspilling van financiële, technische en menselijke middelen zoveel mogelijk te voorkomen, en
(i) een opname van minimum één nacht in een verplegingsinrichting vereisen, of
(ii) het gebruik van zeer gespecialiseerde en kostenintensieve medische infrastructuur of apparatuur vereisen;
b) een bijzonder risico voor de patiënt of de bevolking inhouden;
c) worden verstrekt door een zorgverlener die in het bepaalde geval aanleiding zou kunnen geven tot ernstige en specifieke bezorgdheid over de kwaliteit of veiligheid van de zorg, met uitzondering van gezondheidszorg die valt onder uniale wetgeving waarbij een minimaal veiligheids- en kwaliteitsniveau in de gehele Unie wordt gewaarborgd.
De onder a) van het vorige lid bedoelde geneeskundige verstrekkingen worden door de Minister vastgesteld. De lijst met deze geneeskundige verstrekkingen wordt bekendgemaakt op de website van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Onverminderd de situaties, vermeld onder a) tot en met c) van het tweede lid, mag de voorafgaande toestemming niet geweigerd worden als de behandeling niet kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment, de voorgeschiedenis en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is op het tijdstip waarop het verzoek om een voorafgaande toestemming is ingediend of opnieuw is ingediend.
De voorafgaande toestemming wordt geweigerd :
a) indien uit een klinische beoordeling met redelijke zekerheid blijkt dat de rechthebbende zal worden blootgesteld aan een veiligheidsrisico dat, gelet op de mogelijke baten van de gewenste grensoverschrijdende geneeskundige verstrekkingen, niet als aanvaardbaar kan worden aangemerkt;
b) indien met redelijke zekerheid vaststaat dat de bevolking zal worden blootgesteld aan een aanzienlijk veiligheidsrisico als gevolg van de betrokken geneeskundige verstrekkingen;
c) indien die geneeskundige verstrekkingen worden verstrekt door een zorgverlener die aanleiding geeft tot ernstige en specifieke bezorgdheid in verband met de inachtneming van normen en richtsnoeren inzake zorgkwaliteit en veiligheid van de patiënt, met inbegrip van normen inzake toezicht, ongeacht of die normen en richtsnoeren bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn vastgesteld dan wel door middel van erkenningsystemen in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt;
d) indien de behandeling op 's lands grondgebied kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is.]1
[1 § 1/1. [3 De in § 1, 2°, 8° en 14°, bedoelde toestemmingen]3 mogen niet worden verleend voor geneeskundige verstrekkingen die door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging [6 of, in voorkomend geval, overeenkomstig het besluit van de Regering van 19 december 2019 tot invoering van een overgangsregeling voor de procedure om een voorafgaande toestemming voor een kostenovername of een instemming met een tegemoetkoming in de kosten te verkrijgen in het kader van een longtermcare-revalidatie in het buitenland]6 niet worden vergoed of waarvoor de voorwaarden voor vergoeding niet zijn vervuld.]1
§ 2. [1 De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen is afhankelijk van de voorwaarde dat :
- ze zijn verleend door een persoon die wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen in het land waar ze zijn verleend, of in een verplegingsinrichting die voldoende geneeskundige waarborgen biedt of erkend is door de overheid van het land waar zij zich bevindt, en
- de rechthebbende, op het moment van de aanvraag om vergoeding, de kosten al heeft betaald. Het bewijs wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig door de Dienst voor administratieve controle zijn erkend.
Van de in § 1, 1°, 2°, 5° en 14°, bedoelde toestemmingen wordt de belanghebbende onmiddellijk kennis gegeven door de adviserend [4 arts]4 die een afschrift van de kennisgeving bij het in artikel 254, eerste lid, bedoelde dossier voegt. Wanneer zij betrekking hebben op gerechtigden wordt een afschrift van de kennisgeving gezonden aan het provinciaal bureau van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle.
De verstrekkingen inzake klinische biologie verleend naar aanleiding van een opneming in een verplegingsinrichting zoals bedoeld in § 1, 2°, 3°, 12° en 14°, worden vergoed volgens de tarieven geldig voor een niet-in een ziekenhuis opgenomen patiënt, overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen mag het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten nooit overschrijden.]1
[1 § 2/1. De schriftelijke aanvraag voor een voorafgaande toestemming voor geneeskundige verstrekkingen in het buitenland wordt door de rechthebbende bij de adviserend [4 arts]4 van zijn verzekeringsinstelling ingediend met een ter post aangetekende brief of op gelijk welke andere manier die toelaat de datum van indiening met zekerheid vast te stellen. De aanvraag is ondertekend door de rechthebbende zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Bij de aanvraag wordt een omstandig medisch verslag gevoegd van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte uit te oefenen, en dat de adviserend [4 arts]4 moet toelaten zich een oordeel te vormen. De adviserend [4 arts]4 kan desgevallend een bijkomend advies vragen van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en gemachtigd is om de geneeskunde in België uit te oefenen.
§ 2/2. Bij de behandeling van de aanvraag voor een voorafgaande toestemming houdt de adviserend [4 arts]4 rekening met :
a) de specifieke gezondheidstoestand van de rechthebbende,
b) de dringendheid en individuele omstandigheden.
De adviserend [4 arts]4 reageert binnen de 45 kalenderdagen op de ingediende aanvraag en brengt de verzekerde hiervan schriftelijk op de hoogte. Die reactie kan de volgende beslissingen inhouden :
- de aanvraag wordt goedgekeurd;
- de aanvraag wordt afgekeurd met opgave van een grondige motivering;
- de aanvraag is onvolledig of vergt bijkomende informatie. In dit geval brengt de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende hiervan op de hoogte en vraagt hij om bijkomende informatie. Indien nodig kan de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende oproepen voor een medisch onderzoek.
De in de het vorige lid bepaalde termijn gaat in de dag volgend op de dag van ontvangst van de schriftelijke aanvraag. In geval de adviserend [4 arts]4 om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn waarbinnen de adviserend [4 arts]4 dient te reageren, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de dag volgend op de dag waarop de bijkomende informatie werd ontvangen.
Bij ontstentenis van een antwoord van de adviserend [4 arts]4 binnen de in deze paragraaf vermelde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.]1
§ 3. Bij toepassing van artikel 136, § 1 van de gecoördineerde wet, worden uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid toegekend wanneer de gerechtigde zich buiten het Belgisch grondgebied bevindt, voor zover hij een der in § 1 bedoelde toestanden verkeert en voldoet aan de andere voorwaarden inzake toekenning van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, met name deze bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet.
§ 4. [5 Bij toepassing van de artikelen 117 en 136, § 1, van de gecoördineerde wet, worden de uitkeringen voor adoptieverlof toegekend wanneer de gerechtigde zich in geval van een interlandelijke adoptie buiten het Belgische grondgebied bevindt overeenkomstig artikel 30ter, § 1/1, tweede lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en voor zover hij de toekenningsvoorwaarden van de uitkeringen voor adoptieverlof vervult.]5
Modifications
Art. 294 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
§ 1. En application de l'article 136, § 1er, de la loi coordonnée, les prestations de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées:
1° pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique.
(Le médecin-conseil peut, pour une période maximale de deux mois, autoriser un séjour temporaire après le début des délais prévus dans l'article 177, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont vises.) <AR 2004-04-01/57, art. 1, 106; En vigueur : 16-05-2004>
[7 L'autorisation préalable du médecin-conseil n'est pas requise pour les personnes qui tombent sous le champ d'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, en ce qui concerne un séjour temporaire dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen ou la Suisse.]7
2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil;
3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour [2 dans un pays qui n'appartient pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen]2, être hospitalisé d'urgence;
4° pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé;
6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une [1 sage-femme]1 étrangère, autorisés à pratiquer en Belgique;
7° pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché;
8° [4 pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle à l'étranger a été autorisée par le Collège conformément à l'article 138, 1° [6 , ou, s'il s'agit d'une matière communautaire, par le Ministre de la Communauté germanophone compétent en matière de Santé en application de l'arrêté du Gouvernement du 19 décembre 2019 réglant de manière transitoire la procédure à suivre pour obtenir une autorisation préalable ou un accord aux fins de prise en charge des frais ou de participation aux frais engagés pour une revalidation long term care à l'étranger]6 ou dont la rééducation professionnelle s'effectue à l'étranger;]4
9° a) pour lé bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juséret, Witry et Anlier;
b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton.
Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que:
- la médecine spéciale;
- l'obstétrique;
- l'hospitalisation;
- les soins dentaires;
- les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus;
10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique.
Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier.
11° (aux titulaires et à leurs personnes à charge, visés dans l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée précitée, lorsqu'ils séjournent sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale comprenant les soins de santé.) <AR 1997-12-29/30, art. 34, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[2 12° au bénéficiaire pendant un séjour dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Les prestations de santé comprennent les prestations qui s'avèrent nécessaires du point de vue médical au cours du séjour, compte tenu de la nature des prestations et de la durée prévue du séjour;
13° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Dans les cas prévus au 14°, une autorisation préalable reste requise;
14° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, pour lesquelles le médecin-conseil a accordé une autorisation préalable.
L'autorisation préalable du médecin-conseil est requise pour les prestations de santé qui :
a) font partie d'une politique de programmation qui vise à garantir un accès suffisant et permanent à une offre équilibrée de traitements de haute qualité en Belgique ou qui s'appuie sur la volonté de maîtriser les coûts et d'éviter, dans toute la mesure du possible, tout gaspillage de ressources financières, techniques et humaines, et
(i) qui requièrent une hospitalisation d'une nuit au minimum, ou
(ii) l'utilisation des infrastructures ou des équipements médicaux hautement spécialisés et onéreux;
b) impliquent un risque particulier pour le patient ou la population;
c) sont dispensées par un dispensateur de soins qui, en l'espèce, pourrait susciter des inquiétudes graves ou spécifiques sur la qualité ou la sécurité des soins, à l`exception des soins de santé qui relèvent de la législation de l'Union qui garantit un niveau de sécurité et de qualité minimal sur tout le territoire de l'Union.
Les prestations de santé visées sous le a) du précédent alinéa sont fixées par le Ministre. La liste de ces prestations de santé est publiée sur le site web de l'Institut national d'assurance maladie invalidité.
Sans préjudice des situations mentionnées sous les litteras a) à c) inclus du deuxième alinéa, l'autorisation préalable ne peut pas être refusée si le traitement ne peut pas être dispensé dans un délai qui, vu l'état de santé du bénéficiaire à ce moment-là, ses antécédents et l'évolution probable de sa maladie, est médicalement acceptable lorsque la demande d'autorisation préalable est introduite ou réintroduite.
L'autorisation préalable est refusée :
a) si un examen clinique montre avec une certitude suffisante que le patient sera exposé à un risque de sécurité qui ne peut être considéré comme acceptable, compte tenu de l'avantage potentiel pour le patient des prestations de santé transfrontaliers recherchés;
b) s'il existe des raisons valables de penser que la population sera exposée à un risque de sécurité considérable, du fait des prestations de santé en question;
c) si ces prestations de santé doivent être fournis par un dispensateur de soins de santé qui suscite des inquiétudes graves et spécifiques liées au respect des normes et des orientations en matière de qualité des soins et de sécurité des patients, y compris des dispositions sur la surveillance, que ces normes et orientations soient fixées par des dispositions législatives et réglementaires ou par des systèmes d'agrément établis par l'Etat membre de traitement;
d) si le traitement peut être dispensé sur le territoire national dans un délai acceptable sur le plan médical, compte tenu de l'état de santé du moment du bénéficiaire et de l'évolution probable de sa maladie.]2
[2 § 1er/1. [4 Les autorisations visées au § 1er, 2°, 8° et 14°]4, ne peuvent pas être accordées pour des prestations de santé qui ne sont pas remboursées par l'assurance maladie obligatoire soins de santé [6 ou, le cas échéant, conformément à l'arrêté du Gouvernement du 19 décembre 2019 réglant de manière transitoire la procédure à suivre pour obtenir une autorisation préalable ou un accord aux fins de prise en charge des frais ou de participation aux frais engagés pour une revalidation long term care à l'étranger,]6 ou pour lesquelles les conditions de remboursement n'ont pas été remplies.]2
§ 2. [2 Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition :
- qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est agréé par les autorités du pays où il est situé, et
- que le bénéficiaire ait déjà payé les frais au moment de la demande de remboursement. La preuve est faite par des pièces justificatives qui ont été reconnues comme telles par le Service du contrôle administratif.
Les autorisations visées au § 1er, 1°, 2°, 5° et 14°, sont immédiatement notifiées à l'intéressé par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 254, alinéa 1er. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service d'évaluation et de contrôle médical.
Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée au § 1er, 2°, 3°, 12° et 14°, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Le remboursement des prestations de santé ne peut jamais dépasser le montant des frais réellement engagés.]2
[2 § 2/1. La demande écrite d'autorisation préalable pour des prestations de santé à l'étranger est introduite par le bénéficiaire auprès du médecin-conseil de son organisme assureur par lettre recommandée à la poste ou par tout autre moyen permettant de déterminer avec certitude la date d'introduction de la demande. La demande est signée par le bénéficiaire lui-même ou par son représentant légal.
A la demande est joint le rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé légalement à exercer l'art de guérir dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, et qui doit permettre au médecin-conseil de se faire une opinion. Le médecin-conseil peut, le cas échéant, demander un avis supplémentaire d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé à exercer l'art de guérir en Belgique.
§ 2/2. Lors de l'examen de la demande d'autorisation préalable, le médecin-conseil tient compte :
a) de l'état de santé spécifique du bénéficiaire,
b) de l'urgence et des circonstances individuelles.
Le médecin-conseil réagit dans les 45 jours civils à la demande introduite et en informe l'assuré par écrit. Sa réaction peut contenir les décisions suivantes :
- la demande est approuvée;
- la demande fait l'objet d'un refus justifié par une motivation circonstanciée;
- la demande est incomplète ou nécessite des informations supplémentaires. Dans ce cas, le médecin-conseil en informe le bénéficiaire et lui demande des informations supplémentaires. Au besoin, le médecin-conseil peut convoquer le bénéficiaire à un examen médical.
Le délai fixé à l'alinéa précédent commence le jour suivant le jour de la réception de la demande écrite. Dans le cas où le médecin-conseil demande des informations supplémentaires, le délai dans lequel le médecin-conseil doit réagir est suspendu. Le délai commence de nouveau à courir le jour suivant le jour auquel les informations supplémentaires ont été reçues.
A défaut de réponse du médecin-conseil dans le délai mentionné au présent paragraphe, l'autorisation est réputée avoir été accordée.]2
§ 3. En application de l'article 136, § 1er de la loi coordonnée, les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 100 de la loi coordonnée.
§ 4. [5 En application des articles 117 et 136, § 1er, de la loi coordonnée, les indemnités pour le congé d'adoption sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire belge, en cas d'adoption internationale conformément à l'article 30 ter, § 1er/1, alinéa 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et pour autant qu'il remplisse les conditions d'octroi des indemnités de congé d'adoption.]5
§ 1. En application de l'article 136, § 1er, de la loi coordonnée, les prestations de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées:
1° pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique.
(Le médecin-conseil peut, pour une période maximale de deux mois, autoriser un séjour temporaire après le début des délais prévus dans l'article 177, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont vises.) <AR 2004-04-01/57, art. 1, 106; En vigueur : 16-05-2004>
[7 L'autorisation préalable du médecin-conseil n'est pas requise pour les personnes qui tombent sous le champ d'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, en ce qui concerne un séjour temporaire dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen ou la Suisse.]7
2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil;
3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour [2 dans un pays qui n'appartient pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen]2, être hospitalisé d'urgence;
4° pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé;
6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une [1 sage-femme]1 étrangère, autorisés à pratiquer en Belgique;
7° pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché;
8° [4 pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle à l'étranger a été autorisée par le Collège conformément à l'article 138, 1° [6 , ou, s'il s'agit d'une matière communautaire, par le Ministre de la Communauté germanophone compétent en matière de Santé en application de l'arrêté du Gouvernement du 19 décembre 2019 réglant de manière transitoire la procédure à suivre pour obtenir une autorisation préalable ou un accord aux fins de prise en charge des frais ou de participation aux frais engagés pour une revalidation long term care à l'étranger]6 ou dont la rééducation professionnelle s'effectue à l'étranger;]4
9° a) pour lé bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juséret, Witry et Anlier;
b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton.
Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que:
- la médecine spéciale;
- l'obstétrique;
- l'hospitalisation;
- les soins dentaires;
- les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus;
10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique.
Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier.
11° (aux titulaires et à leurs personnes à charge, visés dans l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée précitée, lorsqu'ils séjournent sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale comprenant les soins de santé.) <AR 1997-12-29/30, art. 34, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[2 12° au bénéficiaire pendant un séjour dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Les prestations de santé comprennent les prestations qui s'avèrent nécessaires du point de vue médical au cours du séjour, compte tenu de la nature des prestations et de la durée prévue du séjour;
13° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Dans les cas prévus au 14°, une autorisation préalable reste requise;
14° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, pour lesquelles le médecin-conseil a accordé une autorisation préalable.
L'autorisation préalable du médecin-conseil est requise pour les prestations de santé qui :
a) font partie d'une politique de programmation qui vise à garantir un accès suffisant et permanent à une offre équilibrée de traitements de haute qualité en Belgique ou qui s'appuie sur la volonté de maîtriser les coûts et d'éviter, dans toute la mesure du possible, tout gaspillage de ressources financières, techniques et humaines, et
(i) qui requièrent une hospitalisation d'une nuit au minimum, ou
(ii) l'utilisation des infrastructures ou des équipements médicaux hautement spécialisés et onéreux;
b) impliquent un risque particulier pour le patient ou la population;
c) sont dispensées par un dispensateur de soins qui, en l'espèce, pourrait susciter des inquiétudes graves ou spécifiques sur la qualité ou la sécurité des soins, à l`exception des soins de santé qui relèvent de la législation de l'Union qui garantit un niveau de sécurité et de qualité minimal sur tout le territoire de l'Union.
Les prestations de santé visées sous le a) du précédent alinéa sont fixées par le Ministre. La liste de ces prestations de santé est publiée sur le site web de l'Institut national d'assurance maladie invalidité.
Sans préjudice des situations mentionnées sous les litteras a) à c) inclus du deuxième alinéa, l'autorisation préalable ne peut pas être refusée si le traitement ne peut pas être dispensé dans un délai qui, vu l'état de santé du bénéficiaire à ce moment-là, ses antécédents et l'évolution probable de sa maladie, est médicalement acceptable lorsque la demande d'autorisation préalable est introduite ou réintroduite.
L'autorisation préalable est refusée :
a) si un examen clinique montre avec une certitude suffisante que le patient sera exposé à un risque de sécurité qui ne peut être considéré comme acceptable, compte tenu de l'avantage potentiel pour le patient des prestations de santé transfrontaliers recherchés;
b) s'il existe des raisons valables de penser que la population sera exposée à un risque de sécurité considérable, du fait des prestations de santé en question;
c) si ces prestations de santé doivent être fournis par un dispensateur de soins de santé qui suscite des inquiétudes graves et spécifiques liées au respect des normes et des orientations en matière de qualité des soins et de sécurité des patients, y compris des dispositions sur la surveillance, que ces normes et orientations soient fixées par des dispositions législatives et réglementaires ou par des systèmes d'agrément établis par l'Etat membre de traitement;
d) si le traitement peut être dispensé sur le territoire national dans un délai acceptable sur le plan médical, compte tenu de l'état de santé du moment du bénéficiaire et de l'évolution probable de sa maladie.]2
[2 § 1er/1. [4 Les autorisations visées au § 1er, 2°, 8° et 14°]4, ne peuvent pas être accordées pour des prestations de santé qui ne sont pas remboursées par l'assurance maladie obligatoire soins de santé [6 ou, le cas échéant, conformément à l'arrêté du Gouvernement du 19 décembre 2019 réglant de manière transitoire la procédure à suivre pour obtenir une autorisation préalable ou un accord aux fins de prise en charge des frais ou de participation aux frais engagés pour une revalidation long term care à l'étranger,]6 ou pour lesquelles les conditions de remboursement n'ont pas été remplies.]2
§ 2. [2 Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition :
- qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est agréé par les autorités du pays où il est situé, et
- que le bénéficiaire ait déjà payé les frais au moment de la demande de remboursement. La preuve est faite par des pièces justificatives qui ont été reconnues comme telles par le Service du contrôle administratif.
Les autorisations visées au § 1er, 1°, 2°, 5° et 14°, sont immédiatement notifiées à l'intéressé par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 254, alinéa 1er. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service d'évaluation et de contrôle médical.
Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée au § 1er, 2°, 3°, 12° et 14°, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Le remboursement des prestations de santé ne peut jamais dépasser le montant des frais réellement engagés.]2
[2 § 2/1. La demande écrite d'autorisation préalable pour des prestations de santé à l'étranger est introduite par le bénéficiaire auprès du médecin-conseil de son organisme assureur par lettre recommandée à la poste ou par tout autre moyen permettant de déterminer avec certitude la date d'introduction de la demande. La demande est signée par le bénéficiaire lui-même ou par son représentant légal.
A la demande est joint le rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé légalement à exercer l'art de guérir dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, et qui doit permettre au médecin-conseil de se faire une opinion. Le médecin-conseil peut, le cas échéant, demander un avis supplémentaire d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé à exercer l'art de guérir en Belgique.
§ 2/2. Lors de l'examen de la demande d'autorisation préalable, le médecin-conseil tient compte :
a) de l'état de santé spécifique du bénéficiaire,
b) de l'urgence et des circonstances individuelles.
Le médecin-conseil réagit dans les 45 jours civils à la demande introduite et en informe l'assuré par écrit. Sa réaction peut contenir les décisions suivantes :
- la demande est approuvée;
- la demande fait l'objet d'un refus justifié par une motivation circonstanciée;
- la demande est incomplète ou nécessite des informations supplémentaires. Dans ce cas, le médecin-conseil en informe le bénéficiaire et lui demande des informations supplémentaires. Au besoin, le médecin-conseil peut convoquer le bénéficiaire à un examen médical.
Le délai fixé à l'alinéa précédent commence le jour suivant le jour de la réception de la demande écrite. Dans le cas où le médecin-conseil demande des informations supplémentaires, le délai dans lequel le médecin-conseil doit réagir est suspendu. Le délai commence de nouveau à courir le jour suivant le jour auquel les informations supplémentaires ont été reçues.
A défaut de réponse du médecin-conseil dans le délai mentionné au présent paragraphe, l'autorisation est réputée avoir été accordée.]2
§ 3. En application de l'article 136, § 1er de la loi coordonnée, les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 100 de la loi coordonnée.
§ 4. [5 En application des articles 117 et 136, § 1er, de la loi coordonnée, les indemnités pour le congé d'adoption sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire belge, en cas d'adoption internationale conformément à l'article 30 ter, § 1er/1, alinéa 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail et pour autant qu'il remplisse les conditions d'octroi des indemnités de congé d'adoption.]5
Modifications
Art. 294_VLAAMS_GEWEST. § 1. Bij toepassing van artikel 136, § 1, van de gecoördineerde wet worden de buitenlandse verleende geneeskundige verstrekkingen toegekend:
1° voor hem persoonlijk en voor de personen te zijnen laste die er met hem verblijven, aan de gerechtigde die in een tijdvak van arbeidsongeschiktheid is en van de adviserend [4 arts]4 vooraf toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven hoewel hij zijn hoofdverblijfplaats in België behoudt.
(De adviserend [4 arts]4 kan, voor een maximumtermijn van twee maanden, zijn toestemming geven voor een tijdelijk verblijf na het begin van de termijnen, vastgesteld in artikel 177, § 1, 1° en 2°, voor het opmaken van de daarin bedoelde verslagen.) <KB 2004-04-01/57, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 16-05-2004>
[7 De voorafgaande toestemming van de adviserend arts is niet vereist voor de personen die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, voor wat betreft een tijdelijk verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.]7
2° aan de rechthebbende, wanneer het herstel van zijn gezondheid een opneming in een verplegingsinrichting vereist welke in gunstiger geneeskundige voorwaarden in het buitenland kan geschieden en door de adviserend [4 arts]4 vooraf onontbeerlijk wordt geacht;
3° aan de rechthebbende die tijdens een verblijf in [1 een land dat niet behoort tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte]1 dringend in een verplegingsinrichting moet worden opgenomen;
4° aan de gerechtigde en aan de personen te zijnen laste die met hem op het grondgebied van een ander land verblijven, wanneer de gerechtigde op dat grondgebied is tewerkgesteld en blijft vallen onder de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
5° aan de rechthebbende die aan tuberculose lijdt en voor wie de adviserend [4 arts]4 een sanatoriumkuur in het buitenland in een door de Dienst voor geneeskundige verzorging erkende inrichting als noodzakelijk erkent;
6° aan de rechthebbende die buiten s'lands grenzen een beroep doet op een buitenlands [4 arts]4 of vroedvrouw, die gemachtigd zijn in België te praktizeren;
7° aan de rechthebbende die zijn hoofdverblijfplaats in een grensgebied heeft en zich laat verzorgen in een buiten s'lands grenzen doch binnen een straal van maximum 25 kilometer van zijn hoofdverblijfplaats gelegen verplegingsinrichting, mits er in België, dichterbij, geen gelijkaardige inrichting is;
8° [3 aan de rechthebbende wiens revalidatie in het buitenland werd toegestaan door het College overeenkomstig artikel 138, 1° [6 of, als het om een gemeenschapsbevoegdheid gaat, door de verzekeringsinstelling, conform artikel 33 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging]6 of wiens herscholing in het buitenland geschiedt;]3
9° a) aan de rechthebbende die zich in het Groothertogdom Luxemburg laat verzorgen, indien hij zijn hoofdverblijfplaats heeft in één van de kantons Aarlen en Messancy, de administratieve arrondissementen Virton en Bastenaken of de gemeenten Mellier, Léglise, Ebly, Juseret, Witry en Anlier;
b) aan de rechthebbende die zich laat verzorgen in Frankrijk, binnen een straal van 50 km van zijn hoofdverblijfplaats, indien ze ligt in een van de kantons Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne en Virton.
Nochtans beoogt deze afwijking wat de geneeskundige verstrekkingen betreft, enkel:
- de speciale geneeskunde;
- de verloskunde;
- de ziekenhuisverpleging;
- de tandheelkundige hulp;
- de farmaceutische verstrekkingen, voorgeschreven naar aanleiding van de hiervoren bedoelde verzorging;
10° aan de rechthebbende die bij een ongeval op s'lands grondgebied verwondingen oploopt zodat zijn toestand dringend verzorging behoeft en die naar een verplegingsinrichting in het buitenland wordt vervoerd welke dichterbij ligt of beter te bereiken is dan een gelijkaardige inrichting in België.
Hetzelfde geldt voor de rechthebbende die schielijk in een toestand komt te verkeren welke dringend verzorging in een verplegingsinrichting vergt;
11° (aan de in artikel 32, eerste lid, 12° van de voornoemde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en hun personen ten laste, als ze verblijven op het grondgebied van een land waarmee België niet verbonden is door een internationaal instrument inzake sociale zekerheid, dat de geneeskundige verzorging omvat.) <KB 1997-12-29/30, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
[1 12° aan de rechthebbende gedurende een verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte.
De geneeskundige verstrekkingen omvatten de verstrekkingen die tijdens dat verblijf medisch noodzakelijk worden, met inachtneming van de aard van de verstrekkingen en de verwachte duur van het verblijf;
13° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt.
In de gevallen voorzien in 14° blijft een voorafgaande toestemming vereist;
14° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt waarvoor de adviserend [4 arts]4 een voorafgaande toestemming heeft verleend.
De voorafgaande toestemming van de adviserend [4 arts]4 is vereist voor geneeskundige verstrekkingen die :
a) deel uitmaken van een planningsbeleid dat tot doel heeft een toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van hoogwaardige behandelingen in België te waarborgen of berust op het streven om de kosten te beheersen en elke verspilling van financiële, technische en menselijke middelen zoveel mogelijk te voorkomen, en
(i) een opname van minimum één nacht in een verplegingsinrichting vereisen, of
(ii) het gebruik van zeer gespecialiseerde en kostenintensieve medische infrastructuur of apparatuur vereisen;
b) een bijzonder risico voor de patiënt of de bevolking inhouden;
c) worden verstrekt door een zorgverlener die in het bepaalde geval aanleiding zou kunnen geven tot ernstige en specifieke bezorgdheid over de kwaliteit of veiligheid van de zorg, met uitzondering van gezondheidszorg die valt onder uniale wetgeving waarbij een minimaal veiligheids- en kwaliteitsniveau in de gehele Unie wordt gewaarborgd.
De onder a) van het vorige lid bedoelde geneeskundige verstrekkingen worden door de Minister vastgesteld. De lijst met deze geneeskundige verstrekkingen wordt bekendgemaakt op de website van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Onverminderd de situaties, vermeld onder a) tot en met c) van het tweede lid, mag de voorafgaande toestemming niet geweigerd worden als de behandeling niet kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment, de voorgeschiedenis en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is op het tijdstip waarop het verzoek om een voorafgaande toestemming is ingediend of opnieuw is ingediend.
De voorafgaande toestemming wordt geweigerd :
a) indien uit een klinische beoordeling met redelijke zekerheid blijkt dat de rechthebbende zal worden blootgesteld aan een veiligheidsrisico dat, gelet op de mogelijke baten van de gewenste grensoverschrijdende geneeskundige verstrekkingen, niet als aanvaardbaar kan worden aangemerkt;
b) indien met redelijke zekerheid vaststaat dat de bevolking zal worden blootgesteld aan een aanzienlijk veiligheidsrisico als gevolg van de betrokken geneeskundige verstrekkingen;
c) indien die geneeskundige verstrekkingen worden verstrekt door een zorgverlener die aanleiding geeft tot ernstige en specifieke bezorgdheid in verband met de inachtneming van normen en richtsnoeren inzake zorgkwaliteit en veiligheid van de patiënt, met inbegrip van normen inzake toezicht, ongeacht of die normen en richtsnoeren bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn vastgesteld dan wel door middel van erkenningsystemen in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt;
d) indien de behandeling op 's lands grondgebied kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is.]1
[1 § 1/1. [3 De in § 1, 2°, 8° en 14°, bedoelde toestemmingen]3 mogen niet worden verleend voor geneeskundige verstrekkingen die door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging [6 of, in voorkomend geval, het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging en de uitvoeringsbesluiten ervan,]6 niet worden vergoed of waarvoor de voorwaarden voor vergoeding niet zijn vervuld.]1
§ 2. [1 De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen is afhankelijk van de voorwaarde dat :
- ze zijn verleend door een persoon die wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen in het land waar ze zijn verleend, of in een verplegingsinrichting die voldoende geneeskundige waarborgen biedt of erkend is door de overheid van het land waar zij zich bevindt, en
- de rechthebbende, op het moment van de aanvraag om vergoeding, de kosten al heeft betaald. Het bewijs wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig door de Dienst voor administratieve controle zijn erkend.
Van de in § 1, 1°, 2°, 5° en 14°, bedoelde toestemmingen wordt de belanghebbende onmiddellijk kennis gegeven door de adviserend [4 arts]4 die een afschrift van de kennisgeving bij het in artikel 254, eerste lid, bedoelde dossier voegt. Wanneer zij betrekking hebben op gerechtigden wordt een afschrift van de kennisgeving gezonden aan het provinciaal bureau van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle.
De verstrekkingen inzake klinische biologie verleend naar aanleiding van een opneming in een verplegingsinrichting zoals bedoeld in § 1, 2°, 3°, 12° en 14°, worden vergoed volgens de tarieven geldig voor een niet-in een ziekenhuis opgenomen patiënt, overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen mag het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten nooit overschrijden.]1
[1 § 2/1. De schriftelijke aanvraag voor een voorafgaande toestemming voor geneeskundige verstrekkingen in het buitenland wordt door de rechthebbende bij de adviserend [4 arts]4 van zijn verzekeringsinstelling ingediend met een ter post aangetekende brief of op gelijk welke andere manier die toelaat de datum van indiening met zekerheid vast te stellen. De aanvraag is ondertekend door de rechthebbende zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Bij de aanvraag wordt een omstandig medisch verslag gevoegd van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte uit te oefenen, en dat de adviserend [4 arts]4 moet toelaten zich een oordeel te vormen. De adviserend [4 arts]4 kan desgevallend een bijkomend advies vragen van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en gemachtigd is om de geneeskunde in België uit te oefenen.
§ 2/2. Bij de behandeling van de aanvraag voor een voorafgaande toestemming houdt de adviserend [4 arts]4 rekening met :
a) de specifieke gezondheidstoestand van de rechthebbende,
b) de dringendheid en individuele omstandigheden.
De adviserend [4 arts]4 reageert binnen de 45 kalenderdagen op de ingediende aanvraag en brengt de verzekerde hiervan schriftelijk op de hoogte. Die reactie kan de volgende beslissingen inhouden :
- de aanvraag wordt goedgekeurd;
- de aanvraag wordt afgekeurd met opgave van een grondige motivering;
- de aanvraag is onvolledig of vergt bijkomende informatie. In dit geval brengt de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende hiervan op de hoogte en vraagt hij om bijkomende informatie. Indien nodig kan de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende oproepen voor een medisch onderzoek.
De in de het vorige lid bepaalde termijn gaat in de dag volgend op de dag van ontvangst van de schriftelijke aanvraag. In geval de adviserend [4 arts]4 om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn waarbinnen de adviserend [4 arts]4 dient te reageren, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de dag volgend op de dag waarop de bijkomende informatie werd ontvangen.
Bij ontstentenis van een antwoord van de adviserend [4 arts]4 binnen de in deze paragraaf vermelde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.]1
§ 3. Bij toepassing van artikel 136, § 1 van de gecoördineerde wet, worden uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid toegekend wanneer de gerechtigde zich buiten het Belgisch grondgebied bevindt, voor zover hij een der in § 1 bedoelde toestanden verkeert en voldoet aan de andere voorwaarden inzake toekenning van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, met name deze bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet.
[6 § 4. De paragrafen 2, 2/1 en 2/2 gelden niet voor de revalidatievoorzieningen, vermeld in artikel 2, 16°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging.]6
1° voor hem persoonlijk en voor de personen te zijnen laste die er met hem verblijven, aan de gerechtigde die in een tijdvak van arbeidsongeschiktheid is en van de adviserend [4 arts]4 vooraf toestemming heeft gekregen om tijdelijk in het buitenland te verblijven hoewel hij zijn hoofdverblijfplaats in België behoudt.
(De adviserend [4 arts]4 kan, voor een maximumtermijn van twee maanden, zijn toestemming geven voor een tijdelijk verblijf na het begin van de termijnen, vastgesteld in artikel 177, § 1, 1° en 2°, voor het opmaken van de daarin bedoelde verslagen.) <KB 2004-04-01/57, art. 1, 106; Inwerkingtreding : 16-05-2004>
[7 De voorafgaande toestemming van de adviserend arts is niet vereist voor de personen die onder het toepassingsgebied vallen van de Verordening (EG) 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, voor wat betreft een tijdelijk verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte of Zwitserland.]7
2° aan de rechthebbende, wanneer het herstel van zijn gezondheid een opneming in een verplegingsinrichting vereist welke in gunstiger geneeskundige voorwaarden in het buitenland kan geschieden en door de adviserend [4 arts]4 vooraf onontbeerlijk wordt geacht;
3° aan de rechthebbende die tijdens een verblijf in [1 een land dat niet behoort tot de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte]1 dringend in een verplegingsinrichting moet worden opgenomen;
4° aan de gerechtigde en aan de personen te zijnen laste die met hem op het grondgebied van een ander land verblijven, wanneer de gerechtigde op dat grondgebied is tewerkgesteld en blijft vallen onder de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of onder de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden;
5° aan de rechthebbende die aan tuberculose lijdt en voor wie de adviserend [4 arts]4 een sanatoriumkuur in het buitenland in een door de Dienst voor geneeskundige verzorging erkende inrichting als noodzakelijk erkent;
6° aan de rechthebbende die buiten s'lands grenzen een beroep doet op een buitenlands [4 arts]4 of vroedvrouw, die gemachtigd zijn in België te praktizeren;
7° aan de rechthebbende die zijn hoofdverblijfplaats in een grensgebied heeft en zich laat verzorgen in een buiten s'lands grenzen doch binnen een straal van maximum 25 kilometer van zijn hoofdverblijfplaats gelegen verplegingsinrichting, mits er in België, dichterbij, geen gelijkaardige inrichting is;
8° [3 aan de rechthebbende wiens revalidatie in het buitenland werd toegestaan door het College overeenkomstig artikel 138, 1° [6 of, als het om een gemeenschapsbevoegdheid gaat, door de verzekeringsinstelling, conform artikel 33 van het besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging]6 of wiens herscholing in het buitenland geschiedt;]3
9° a) aan de rechthebbende die zich in het Groothertogdom Luxemburg laat verzorgen, indien hij zijn hoofdverblijfplaats heeft in één van de kantons Aarlen en Messancy, de administratieve arrondissementen Virton en Bastenaken of de gemeenten Mellier, Léglise, Ebly, Juseret, Witry en Anlier;
b) aan de rechthebbende die zich laat verzorgen in Frankrijk, binnen een straal van 50 km van zijn hoofdverblijfplaats, indien ze ligt in een van de kantons Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne en Virton.
Nochtans beoogt deze afwijking wat de geneeskundige verstrekkingen betreft, enkel:
- de speciale geneeskunde;
- de verloskunde;
- de ziekenhuisverpleging;
- de tandheelkundige hulp;
- de farmaceutische verstrekkingen, voorgeschreven naar aanleiding van de hiervoren bedoelde verzorging;
10° aan de rechthebbende die bij een ongeval op s'lands grondgebied verwondingen oploopt zodat zijn toestand dringend verzorging behoeft en die naar een verplegingsinrichting in het buitenland wordt vervoerd welke dichterbij ligt of beter te bereiken is dan een gelijkaardige inrichting in België.
Hetzelfde geldt voor de rechthebbende die schielijk in een toestand komt te verkeren welke dringend verzorging in een verplegingsinrichting vergt;
11° (aan de in artikel 32, eerste lid, 12° van de voornoemde gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en hun personen ten laste, als ze verblijven op het grondgebied van een land waarmee België niet verbonden is door een internationaal instrument inzake sociale zekerheid, dat de geneeskundige verzorging omvat.) <KB 1997-12-29/30, art. 34, 017; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
[1 12° aan de rechthebbende gedurende een verblijf in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte.
De geneeskundige verstrekkingen omvatten de verstrekkingen die tijdens dat verblijf medisch noodzakelijk worden, met inachtneming van de aard van de verstrekkingen en de verwachte duur van het verblijf;
13° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt.
In de gevallen voorzien in 14° blijft een voorafgaande toestemming vereist;
14° aan de rechthebbende die in een andere lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte geplande geneeskundige verstrekkingen ontvangt waarvoor de adviserend [4 arts]4 een voorafgaande toestemming heeft verleend.
De voorafgaande toestemming van de adviserend [4 arts]4 is vereist voor geneeskundige verstrekkingen die :
a) deel uitmaken van een planningsbeleid dat tot doel heeft een toereikende en permanente toegang tot een evenwichtig aanbod van hoogwaardige behandelingen in België te waarborgen of berust op het streven om de kosten te beheersen en elke verspilling van financiële, technische en menselijke middelen zoveel mogelijk te voorkomen, en
(i) een opname van minimum één nacht in een verplegingsinrichting vereisen, of
(ii) het gebruik van zeer gespecialiseerde en kostenintensieve medische infrastructuur of apparatuur vereisen;
b) een bijzonder risico voor de patiënt of de bevolking inhouden;
c) worden verstrekt door een zorgverlener die in het bepaalde geval aanleiding zou kunnen geven tot ernstige en specifieke bezorgdheid over de kwaliteit of veiligheid van de zorg, met uitzondering van gezondheidszorg die valt onder uniale wetgeving waarbij een minimaal veiligheids- en kwaliteitsniveau in de gehele Unie wordt gewaarborgd.
De onder a) van het vorige lid bedoelde geneeskundige verstrekkingen worden door de Minister vastgesteld. De lijst met deze geneeskundige verstrekkingen wordt bekendgemaakt op de website van het Rijkinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Onverminderd de situaties, vermeld onder a) tot en met c) van het tweede lid, mag de voorafgaande toestemming niet geweigerd worden als de behandeling niet kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment, de voorgeschiedenis en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is op het tijdstip waarop het verzoek om een voorafgaande toestemming is ingediend of opnieuw is ingediend.
De voorafgaande toestemming wordt geweigerd :
a) indien uit een klinische beoordeling met redelijke zekerheid blijkt dat de rechthebbende zal worden blootgesteld aan een veiligheidsrisico dat, gelet op de mogelijke baten van de gewenste grensoverschrijdende geneeskundige verstrekkingen, niet als aanvaardbaar kan worden aangemerkt;
b) indien met redelijke zekerheid vaststaat dat de bevolking zal worden blootgesteld aan een aanzienlijk veiligheidsrisico als gevolg van de betrokken geneeskundige verstrekkingen;
c) indien die geneeskundige verstrekkingen worden verstrekt door een zorgverlener die aanleiding geeft tot ernstige en specifieke bezorgdheid in verband met de inachtneming van normen en richtsnoeren inzake zorgkwaliteit en veiligheid van de patiënt, met inbegrip van normen inzake toezicht, ongeacht of die normen en richtsnoeren bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling zijn vastgesteld dan wel door middel van erkenningsystemen in de lidstaat waar de behandeling plaatsvindt;
d) indien de behandeling op 's lands grondgebied kan worden verleend binnen een termijn die, gelet op de gezondheidstoestand van de rechthebbende op dat moment en het te verwachten ziekteverloop, medisch verantwoord is.]1
[1 § 1/1. [3 De in § 1, 2°, 8° en 14°, bedoelde toestemmingen]3 mogen niet worden verleend voor geneeskundige verstrekkingen die door de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging [6 of, in voorkomend geval, het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging en de uitvoeringsbesluiten ervan,]6 niet worden vergoed of waarvoor de voorwaarden voor vergoeding niet zijn vervuld.]1
§ 2. [1 De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen is afhankelijk van de voorwaarde dat :
- ze zijn verleend door een persoon die wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde uit te oefenen in het land waar ze zijn verleend, of in een verplegingsinrichting die voldoende geneeskundige waarborgen biedt of erkend is door de overheid van het land waar zij zich bevindt, en
- de rechthebbende, op het moment van de aanvraag om vergoeding, de kosten al heeft betaald. Het bewijs wordt aangetoond door bewijsmiddelen die als dusdanig door de Dienst voor administratieve controle zijn erkend.
Van de in § 1, 1°, 2°, 5° en 14°, bedoelde toestemmingen wordt de belanghebbende onmiddellijk kennis gegeven door de adviserend [4 arts]4 die een afschrift van de kennisgeving bij het in artikel 254, eerste lid, bedoelde dossier voegt. Wanneer zij betrekking hebben op gerechtigden wordt een afschrift van de kennisgeving gezonden aan het provinciaal bureau van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle.
De verstrekkingen inzake klinische biologie verleend naar aanleiding van een opneming in een verplegingsinrichting zoals bedoeld in § 1, 2°, 3°, 12° en 14°, worden vergoed volgens de tarieven geldig voor een niet-in een ziekenhuis opgenomen patiënt, overeenkomstig het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
De vergoeding van de geneeskundige verstrekkingen mag het bedrag van de werkelijk gemaakte kosten nooit overschrijden.]1
[1 § 2/1. De schriftelijke aanvraag voor een voorafgaande toestemming voor geneeskundige verstrekkingen in het buitenland wordt door de rechthebbende bij de adviserend [4 arts]4 van zijn verzekeringsinstelling ingediend met een ter post aangetekende brief of op gelijk welke andere manier die toelaat de datum van indiening met zekerheid vast te stellen. De aanvraag is ondertekend door de rechthebbende zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger.
Bij de aanvraag wordt een omstandig medisch verslag gevoegd van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en wettelijk gemachtigd is om de geneeskunde in een lidstaat van de Europese Unie of een Staat behorend tot de Europese Economische Ruimte uit te oefenen, en dat de adviserend [4 arts]4 moet toelaten zich een oordeel te vormen. De adviserend [4 arts]4 kan desgevallend een bijkomend advies vragen van een [4 arts-specialist]4, die gespecialiseerd is in de behandeling van de desbetreffende aandoening en gemachtigd is om de geneeskunde in België uit te oefenen.
§ 2/2. Bij de behandeling van de aanvraag voor een voorafgaande toestemming houdt de adviserend [4 arts]4 rekening met :
a) de specifieke gezondheidstoestand van de rechthebbende,
b) de dringendheid en individuele omstandigheden.
De adviserend [4 arts]4 reageert binnen de 45 kalenderdagen op de ingediende aanvraag en brengt de verzekerde hiervan schriftelijk op de hoogte. Die reactie kan de volgende beslissingen inhouden :
- de aanvraag wordt goedgekeurd;
- de aanvraag wordt afgekeurd met opgave van een grondige motivering;
- de aanvraag is onvolledig of vergt bijkomende informatie. In dit geval brengt de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende hiervan op de hoogte en vraagt hij om bijkomende informatie. Indien nodig kan de adviserend [4 arts]4 de rechthebbende oproepen voor een medisch onderzoek.
De in de het vorige lid bepaalde termijn gaat in de dag volgend op de dag van ontvangst van de schriftelijke aanvraag. In geval de adviserend [4 arts]4 om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn waarbinnen de adviserend [4 arts]4 dient te reageren, geschorst. De termijn begint opnieuw te lopen op de dag volgend op de dag waarop de bijkomende informatie werd ontvangen.
Bij ontstentenis van een antwoord van de adviserend [4 arts]4 binnen de in deze paragraaf vermelde termijn, wordt de toestemming geacht te zijn verleend.]1
§ 3. Bij toepassing van artikel 136, § 1 van de gecoördineerde wet, worden uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid toegekend wanneer de gerechtigde zich buiten het Belgisch grondgebied bevindt, voor zover hij een der in § 1 bedoelde toestanden verkeert en voldoet aan de andere voorwaarden inzake toekenning van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, met name deze bedoeld in artikel 100 van de gecoördineerde wet.
[6 § 4. De paragrafen 2, 2/1 en 2/2 gelden niet voor de revalidatievoorzieningen, vermeld in artikel 2, 16°, van het decreet van 6 juli 2018 betreffende de overname van de sectoren psychiatrische verzorgingstehuizen, initiatieven van beschut wonen, revalidatieovereenkomsten, revalidatieziekenhuizen en multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging.]6
Modifications
Art. 294 _REGION_FLAMANDE.
§ 1. En application de l'article 136, § 1er, de la loi coordonnée, les prestations de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées:
1° pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique.
(Le médecin-conseil peut, pour une période maximale de deux mois, autoriser un séjour temporaire après le début des délais prévus dans l'article 177, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont vises.) <AR 2004-04-01/57, art. 1, 106; En vigueur : 16-05-2004>
[7 L'autorisation préalable du médecin-conseil n'est pas requise pour les personnes qui tombent sous le champ d'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, en ce qui concerne un séjour temporaire dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen ou la Suisse.]7
2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil;
3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour [2 dans un pays qui n'appartient pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen]2, être hospitalisé d'urgence;
4° pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé;
6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une [1 sage-femme]1 étrangère, autorisés à pratiquer en Belgique;
7° pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché;
8° [4 pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle à l'étranger a été autorisée par le Collège [6 ,]6 conformément à l'article 138, 1° [6 , ou, s'il s'agit d'une compétence communautaire, par l'organisme assureur, conformément à l'article 33 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant exécution du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, ]6 ou dont la rééducation professionnelle s'effectue à l'étranger;]4
9° a) pour lé bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juséret, Witry et Anlier;
b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton.
Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que:
- la médecine spéciale;
- l'obstétrique;
- l'hospitalisation;
- les soins dentaires;
- les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus;
10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique.
Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier.
11° (aux titulaires et à leurs personnes à charge, visés dans l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée précitée, lorsqu'ils séjournent sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale comprenant les soins de santé.) <AR 1997-12-29/30, art. 34, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[2 12° au bénéficiaire pendant un séjour dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Les prestations de santé comprennent les prestations qui s'avèrent nécessaires du point de vue médical au cours du séjour, compte tenu de la nature des prestations et de la durée prévue du séjour;
13° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Dans les cas prévus au 14°, une autorisation préalable reste requise;
14° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, pour lesquelles le médecin-conseil a accordé une autorisation préalable.
L'autorisation préalable du médecin-conseil est requise pour les prestations de santé qui :
a) font partie d'une politique de programmation qui vise à garantir un accès suffisant et permanent à une offre équilibrée de traitements de haute qualité en Belgique ou qui s'appuie sur la volonté de maîtriser les coûts et d'éviter, dans toute la mesure du possible, tout gaspillage de ressources financières, techniques et humaines, et
(i) qui requièrent une hospitalisation d'une nuit au minimum, ou
(ii) l'utilisation des infrastructures ou des équipements médicaux hautement spécialisés et onéreux;
b) impliquent un risque particulier pour le patient ou la population;
c) sont dispensées par un dispensateur de soins qui, en l'espèce, pourrait susciter des inquiétudes graves ou spécifiques sur la qualité ou la sécurité des soins, à l`exception des soins de santé qui relèvent de la législation de l'Union qui garantit un niveau de sécurité et de qualité minimal sur tout le territoire de l'Union.
Les prestations de santé visées sous le a) du précédent alinéa sont fixées par le Ministre. La liste de ces prestations de santé est publiée sur le site web de l'Institut national d'assurance maladie invalidité.
Sans préjudice des situations mentionnées sous les litteras a) à c) inclus du deuxième alinéa, l'autorisation préalable ne peut pas être refusée si le traitement ne peut pas être dispensé dans un délai qui, vu l'état de santé du bénéficiaire à ce moment-là, ses antécédents et l'évolution probable de sa maladie, est médicalement acceptable lorsque la demande d'autorisation préalable est introduite ou réintroduite.
L'autorisation préalable est refusée :
a) si un examen clinique montre avec une certitude suffisante que le patient sera exposé à un risque de sécurité qui ne peut être considéré comme acceptable, compte tenu de l'avantage potentiel pour le patient des prestations de santé transfrontaliers recherchés;
b) s'il existe des raisons valables de penser que la population sera exposée à un risque de sécurité considérable, du fait des prestations de santé en question;
c) si ces prestations de santé doivent être fournis par un dispensateur de soins de santé qui suscite des inquiétudes graves et spécifiques liées au respect des normes et des orientations en matière de qualité des soins et de sécurité des patients, y compris des dispositions sur la surveillance, que ces normes et orientations soient fixées par des dispositions législatives et réglementaires ou par des systèmes d'agrément établis par l'Etat membre de traitement;
d) si le traitement peut être dispensé sur le territoire national dans un délai acceptable sur le plan médical, compte tenu de l'état de santé du moment du bénéficiaire et de l'évolution probable de sa maladie.]2
[2 § 1er/1. [4 Les autorisations visées au § 1er, 2°, 8° et 14°]4, ne peuvent pas être accordées pour des prestations de santé qui ne sont pas remboursées par l'assurance maladie obligatoire soins de santé [6 ou, le cas échéant, par le décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs et ses arrêtés d'exécution,]6 ou pour lesquelles les conditions de remboursement n'ont pas été remplies.]2
§ 2. [2 Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition :
- qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est agréé par les autorités du pays où il est situé, et
- que le bénéficiaire ait déjà payé les frais au moment de la demande de remboursement. La preuve est faite par des pièces justificatives qui ont été reconnues comme telles par le Service du contrôle administratif.
Les autorisations visées au § 1er, 1°, 2°, 5° et 14°, sont immédiatement notifiées à l'intéressé par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 254, alinéa 1er. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service d'évaluation et de contrôle médical.
Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée au § 1er, 2°, 3°, 12° et 14°, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Le remboursement des prestations de santé ne peut jamais dépasser le montant des frais réellement engagés.]2
[2 § 2/1. La demande écrite d'autorisation préalable pour des prestations de santé à l'étranger est introduite par le bénéficiaire auprès du médecin-conseil de son organisme assureur par lettre recommandée à la poste ou par tout autre moyen permettant de déterminer avec certitude la date d'introduction de la demande. La demande est signée par le bénéficiaire lui-même ou par son représentant légal.
A la demande est joint le rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé légalement à exercer l'art de guérir dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, et qui doit permettre au médecin-conseil de se faire une opinion. Le médecin-conseil peut, le cas échéant, demander un avis supplémentaire d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé à exercer l'art de guérir en Belgique.
§ 2/2. Lors de l'examen de la demande d'autorisation préalable, le médecin-conseil tient compte :
a) de l'état de santé spécifique du bénéficiaire,
b) de l'urgence et des circonstances individuelles.
Le médecin-conseil réagit dans les 45 jours civils à la demande introduite et en informe l'assuré par écrit. Sa réaction peut contenir les décisions suivantes :
- la demande est approuvée;
- la demande fait l'objet d'un refus justifié par une motivation circonstanciée;
- la demande est incomplète ou nécessite des informations supplémentaires. Dans ce cas, le médecin-conseil en informe le bénéficiaire et lui demande des informations supplémentaires. Au besoin, le médecin-conseil peut convoquer le bénéficiaire à un examen médical.
Le délai fixé à l'alinéa précédent commence le jour suivant le jour de la réception de la demande écrite. Dans le cas où le médecin-conseil demande des informations supplémentaires, le délai dans lequel le médecin-conseil doit réagir est suspendu. Le délai commence de nouveau à courir le jour suivant le jour auquel les informations supplémentaires ont été reçues.
A défaut de réponse du médecin-conseil dans le délai mentionné au présent paragraphe, l'autorisation est réputée avoir été accordée.]2
§ 3. En application de l'article 136, § 1er de la loi coordonnée, les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 100 de la loi coordonnée.
[6 § 4. Les paragraphes 2, 2/1 et 2/2 ne s'appliquent pas aux structures de revalidation visées à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs.]6
§ 1. En application de l'article 136, § 1er, de la loi coordonnée, les prestations de santé fournies en dehors du territoire national sont accordées:
1° pour lui-même et pour les personnes à sa charge qui y séjournent avec lui, au titulaire qui se trouve en période d'incapacité de travail et a été autorisé préalablement par le médecin-conseil à séjourner temporairement à l'étranger tout en gardant sa résidence principale en Belgique.
(Le médecin-conseil peut, pour une période maximale de deux mois, autoriser un séjour temporaire après le début des délais prévus dans l'article 177, § 1er, 1° et 2°, pour l'établissement des rapports qui y sont vises.) <AR 2004-04-01/57, art. 1, 106; En vigueur : 16-05-2004>
[7 L'autorisation préalable du médecin-conseil n'est pas requise pour les personnes qui tombent sous le champ d'application du règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, en ce qui concerne un séjour temporaire dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen ou la Suisse.]7
2° pour le bénéficiaire, lorsque le rétablissement de sa santé nécessite une hospitalisation qui peut être donnée dans de meilleures conditions médicales à l'étranger et qui est préalablement jugée indispensable par le médecin-conseil;
3° pour le bénéficiaire qui doit, au cours d'un séjour [2 dans un pays qui n'appartient pas à l'Union européenne ou à l'Espace économique européen]2, être hospitalisé d'urgence;
4° pour le titulaire et pour les personnes à sa charge qui résident avec lui sur le territoire d'un autre pays, lorsque le titulaire est occupé sur ce territoire et reste assujetti à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs ou à l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés;
5° pour le bénéficiaire atteint de tuberculose et pour lequel le médecin-conseil reconnaît la nécessité d'une cure sanatoriale à l'étranger, dans un établissement agréé par le Service des soins de santé;
6° pour le bénéficiaire qui a recours, en dehors du territoire national, à un médecin ou à une [1 sage-femme]1 étrangère, autorisés à pratiquer en Belgique;
7° pour le bénéficiaire ayant sa résidence principale dans une région frontière qui se fait soigner dans un établissement hospitalier, situé en dehors du territoire national dans un rayon de vingt-cinq kilomètres maximum de sa résidence principale, à condition qu'il n'y ait en Belgique, aucun établissement similaire plus rapproché;
8° [4 pour le bénéficiaire dont la rééducation fonctionnelle à l'étranger a été autorisée par le Collège [6 ,]6 conformément à l'article 138, 1° [6 , ou, s'il s'agit d'une compétence communautaire, par l'organisme assureur, conformément à l'article 33 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 7 décembre 2018 portant exécution du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs, ]6 ou dont la rééducation professionnelle s'effectue à l'étranger;]4
9° a) pour lé bénéficiaire qui se fait soigner au Grand-Duché du Luxembourg, s'il a sa résidence principale dans un des cantons d'Arlon et de Messancy, arrondissements administratifs de Virton et de Bastogne, ou communes de Mellier, Léglise, Ebly, Juséret, Witry et Anlier;
b) pour le bénéficiaire qui se fait soigner en France dans un rayon de 50 kilomètres de sa résidence principale, si elle se situe dans un des cantons de Bouillon, Chimay, Couvin, Florenville, Gedinne et Virton.
Toutefois, cette dérogation ne vise, en ce qui concerne les prestations de santé, que:
- la médecine spéciale;
- l'obstétrique;
- l'hospitalisation;
- les soins dentaires;
- les fournitures pharmaceutiques, prescrites à l'occasion des soins visés ci-dessus;
10° pour le bénéficiaire blessé au cours d'un accident sur le territoire national, dont l'état requiert des soins urgents et qui est transporté vers un établissement hospitalier situé à l'étranger, plus proche ou mieux accessible que tout établissement similaire situé en Belgique.
Il en est de même du bénéficiaire qui se trouve inopinément dans un état requérant des soins urgents dans un établissement hospitalier.
11° (aux titulaires et à leurs personnes à charge, visés dans l'article 32, alinéa premier, 12°, de la loi coordonnée précitée, lorsqu'ils séjournent sur le territoire d'un pays avec lequel la Belgique n'est pas liée par un instrument international en matière de sécurité sociale comprenant les soins de santé.) <AR 1997-12-29/30, art. 34, 017; En vigueur : 01-01-1998>
[2 12° au bénéficiaire pendant un séjour dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Les prestations de santé comprennent les prestations qui s'avèrent nécessaires du point de vue médical au cours du séjour, compte tenu de la nature des prestations et de la durée prévue du séjour;
13° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen.
Dans les cas prévus au 14°, une autorisation préalable reste requise;
14° au bénéficiaire qui reçoit des prestations de santé programmées dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, pour lesquelles le médecin-conseil a accordé une autorisation préalable.
L'autorisation préalable du médecin-conseil est requise pour les prestations de santé qui :
a) font partie d'une politique de programmation qui vise à garantir un accès suffisant et permanent à une offre équilibrée de traitements de haute qualité en Belgique ou qui s'appuie sur la volonté de maîtriser les coûts et d'éviter, dans toute la mesure du possible, tout gaspillage de ressources financières, techniques et humaines, et
(i) qui requièrent une hospitalisation d'une nuit au minimum, ou
(ii) l'utilisation des infrastructures ou des équipements médicaux hautement spécialisés et onéreux;
b) impliquent un risque particulier pour le patient ou la population;
c) sont dispensées par un dispensateur de soins qui, en l'espèce, pourrait susciter des inquiétudes graves ou spécifiques sur la qualité ou la sécurité des soins, à l`exception des soins de santé qui relèvent de la législation de l'Union qui garantit un niveau de sécurité et de qualité minimal sur tout le territoire de l'Union.
Les prestations de santé visées sous le a) du précédent alinéa sont fixées par le Ministre. La liste de ces prestations de santé est publiée sur le site web de l'Institut national d'assurance maladie invalidité.
Sans préjudice des situations mentionnées sous les litteras a) à c) inclus du deuxième alinéa, l'autorisation préalable ne peut pas être refusée si le traitement ne peut pas être dispensé dans un délai qui, vu l'état de santé du bénéficiaire à ce moment-là, ses antécédents et l'évolution probable de sa maladie, est médicalement acceptable lorsque la demande d'autorisation préalable est introduite ou réintroduite.
L'autorisation préalable est refusée :
a) si un examen clinique montre avec une certitude suffisante que le patient sera exposé à un risque de sécurité qui ne peut être considéré comme acceptable, compte tenu de l'avantage potentiel pour le patient des prestations de santé transfrontaliers recherchés;
b) s'il existe des raisons valables de penser que la population sera exposée à un risque de sécurité considérable, du fait des prestations de santé en question;
c) si ces prestations de santé doivent être fournis par un dispensateur de soins de santé qui suscite des inquiétudes graves et spécifiques liées au respect des normes et des orientations en matière de qualité des soins et de sécurité des patients, y compris des dispositions sur la surveillance, que ces normes et orientations soient fixées par des dispositions législatives et réglementaires ou par des systèmes d'agrément établis par l'Etat membre de traitement;
d) si le traitement peut être dispensé sur le territoire national dans un délai acceptable sur le plan médical, compte tenu de l'état de santé du moment du bénéficiaire et de l'évolution probable de sa maladie.]2
[2 § 1er/1. [4 Les autorisations visées au § 1er, 2°, 8° et 14°]4, ne peuvent pas être accordées pour des prestations de santé qui ne sont pas remboursées par l'assurance maladie obligatoire soins de santé [6 ou, le cas échéant, par le décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs et ses arrêtés d'exécution,]6 ou pour lesquelles les conditions de remboursement n'ont pas été remplies.]2
§ 2. [2 Le remboursement des prestations de santé est subordonné à la condition :
- qu'elles aient été données soit par une personne autorisée légalement à exercer l'art de guérir dans le pays où elles ont été données, soit dans un établissement hospitalier présentant les garanties médicales suffisantes ou qui est agréé par les autorités du pays où il est situé, et
- que le bénéficiaire ait déjà payé les frais au moment de la demande de remboursement. La preuve est faite par des pièces justificatives qui ont été reconnues comme telles par le Service du contrôle administratif.
Les autorisations visées au § 1er, 1°, 2°, 5° et 14°, sont immédiatement notifiées à l'intéressé par le médecin-conseil qui verse une copie de la notification au dossier visé à l'article 254, alinéa 1er. Lorsqu'elles concernent des titulaires, une copie de la notification est adressée au bureau provincial du Service d'évaluation et de contrôle médical.
Les prestations de biologie clinique fournies à l'occasion d'une hospitalisation visée au § 1er, 2°, 3°, 12° et 14°, sont remboursées aux tarifs applicables pour un patient non hospitalisé, conformément à l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Le remboursement des prestations de santé ne peut jamais dépasser le montant des frais réellement engagés.]2
[2 § 2/1. La demande écrite d'autorisation préalable pour des prestations de santé à l'étranger est introduite par le bénéficiaire auprès du médecin-conseil de son organisme assureur par lettre recommandée à la poste ou par tout autre moyen permettant de déterminer avec certitude la date d'introduction de la demande. La demande est signée par le bénéficiaire lui-même ou par son représentant légal.
A la demande est joint le rapport médical circonstancié d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé légalement à exercer l'art de guérir dans un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat appartenant à l'Espace économique européen, et qui doit permettre au médecin-conseil de se faire une opinion. Le médecin-conseil peut, le cas échéant, demander un avis supplémentaire d'un médecin spécialiste, spécialisé dans le traitement de l'affection en question et autorisé à exercer l'art de guérir en Belgique.
§ 2/2. Lors de l'examen de la demande d'autorisation préalable, le médecin-conseil tient compte :
a) de l'état de santé spécifique du bénéficiaire,
b) de l'urgence et des circonstances individuelles.
Le médecin-conseil réagit dans les 45 jours civils à la demande introduite et en informe l'assuré par écrit. Sa réaction peut contenir les décisions suivantes :
- la demande est approuvée;
- la demande fait l'objet d'un refus justifié par une motivation circonstanciée;
- la demande est incomplète ou nécessite des informations supplémentaires. Dans ce cas, le médecin-conseil en informe le bénéficiaire et lui demande des informations supplémentaires. Au besoin, le médecin-conseil peut convoquer le bénéficiaire à un examen médical.
Le délai fixé à l'alinéa précédent commence le jour suivant le jour de la réception de la demande écrite. Dans le cas où le médecin-conseil demande des informations supplémentaires, le délai dans lequel le médecin-conseil doit réagir est suspendu. Le délai commence de nouveau à courir le jour suivant le jour auquel les informations supplémentaires ont été reçues.
A défaut de réponse du médecin-conseil dans le délai mentionné au présent paragraphe, l'autorisation est réputée avoir été accordée.]2
§ 3. En application de l'article 136, § 1er de la loi coordonnée, les indemnités d'incapacité de travail sont accordées lorsque le titulaire se trouve en dehors du territoire national pour autant qu'il soit dans une des situations visées au § 1er et qu'il remplisse les autres conditions d'octroi des indemnités d'incapacité de travail et notamment celles qui sont visées par l'article 100 de la loi coordonnée.
[6 § 4. Les paragraphes 2, 2/1 et 2/2 ne s'appliquent pas aux structures de revalidation visées à l'article 2, 16°, du décret du 6 juillet 2018 relatif à la reprise des secteurs des maisons de soins psychiatriques, des initiatives d'habitation protégée, des conventions de revalidation, des hôpitaux de revalidation et des équipes d'accompagnement multidisciplinaires de soins palliatifs.]6
Modifications
Art.295.§ 1. De in artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet bedoelde toekenning van prestaties is afhankelijk van de voorwaarden dat degene die, voor hem persoonlijk of voor de personen te zijnen laste, om verzekeringsprestaties verzoekt, zijn verzekeringsinstelling in de mogelijkheid stelt het in dat artikel bedoelde recht uit te oefenen en haar het volgende mededeelt:
CHAPITRE III. - (Notification et communication des décisions en exécution de la charte de l'assuré social.)
Art. 295. § 1. De in artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet bedoelde toekenning van prestaties is afhankelijk van de voorwaarden dat degene die, voor hem persoonlijk of voor de personen te zijnen laste, om verzekeringsprestaties verzoekt, zijn verzekeringsinstelling in de mogelijkheid stelt het in dat artikel bedoelde recht uit te oefenen en haar het volgende mededeelt:
1° dat de schade waarvoor dat verzoek wordt gedaan, kan gedekt worden door het gemeen recht of door een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;
2° alle gegevens of omstandigheden waardoor kan worden uitgemaakt of de schadeloosstelling moet geschieden krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving, met inbegrip van de gerechtelijke informaties of handelingen waarvan hijzelf of de personen te zijnen laste in verband met de schade het voorwerp zouden zijn;
3° elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging voor hem persoonlijk of voor de personen te zijnen laste, van de schadeloosstelling krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving.
§ 2. De in § 1, 1°, bedoelde mededeling kan geschieden met het in artikel 88 van de gecoördineerde wet bedoelde document wanneer het verzoek om prestaties met name betrekking heeft op de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.
De in § 1, 2°, bedoelde mededeling kan geschieden met het formulier dat de verzekeringsinstelling aan de gerechtigde uitreikt zodra ze van deze de in § 1, 1°, bedoelde mededeling heeft ontvangen.
Het model van dat formulier wordt vastgesteld door de Dienst voor administratieve controle.
§ 3. [1 ...]1
1° dat de schade waarvoor dat verzoek wordt gedaan, kan gedekt worden door het gemeen recht of door een andere Belgische of buitenlandse wetgeving;
2° alle gegevens of omstandigheden waardoor kan worden uitgemaakt of de schadeloosstelling moet geschieden krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving, met inbegrip van de gerechtelijke informaties of handelingen waarvan hijzelf of de personen te zijnen laste in verband met de schade het voorwerp zouden zijn;
3° elke ingestelde vordering of andere procedure ter verkrijging voor hem persoonlijk of voor de personen te zijnen laste, van de schadeloosstelling krachtens het gemeen recht of een andere wetgeving.
§ 2. De in § 1, 1°, bedoelde mededeling kan geschieden met het in artikel 88 van de gecoördineerde wet bedoelde document wanneer het verzoek om prestaties met name betrekking heeft op de toekenning van de uitkering wegens arbeidsongeschiktheid.
De in § 1, 2°, bedoelde mededeling kan geschieden met het formulier dat de verzekeringsinstelling aan de gerechtigde uitreikt zodra ze van deze de in § 1, 1°, bedoelde mededeling heeft ontvangen.
Het model van dat formulier wordt vastgesteld door de Dienst voor administratieve controle.
§ 3. [1 ...]1
Modifications
Art. 295. § 1. L'octroi des prestations prévu à l'article 136, § 2 de la loi coordonnée est subordonné aux conditions que celui qui, pour lui-même ou pour les personnes à sa charge, fait appel aux prestations de l'assurance, mette son organisme assureur dans la possibilité d'exercer le droit visé à cet article et l'informe:
1° de ce qui le dommage qui motive cet appel est susceptible d'être couvert par le droit commun ou par une autre législation belge ou étrangère;
2° de tous les éléments ou circonstances de nature à établir si le dommage doit être réparé en vertu du droit commun ou d'une autre législation, y compris les informations ou actes judiciaires dont lui-même ou les personnes à sa charge seraient l'objet à propos du dommage;
3° de toute action ou autre procédure engagée en vue d'obtenir, pour lui-même ou pour les personnes à sa charge, la réparation du dommage en vertu du droit commun ou d'une autre législation.
§ 2. L'information visée au § 1er, 1°, peut être donnée au moyen du document visé à l'article 88 de la loi coordonnée, lorsque l'appel aux prestations porte notamment sur l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail.
L'information visée au § 1er, 2°, peut être donnée au moyen du formulaire que l'organisme assureur fournit au titulaire aussitôt qu'il a reçu de celui-ci l'information visée au § 1er, 1°.
Le modèle de ce formulaire est établi par le Service du contrôle administratif.
§ 3. [1 ...]1
1° de ce qui le dommage qui motive cet appel est susceptible d'être couvert par le droit commun ou par une autre législation belge ou étrangère;
2° de tous les éléments ou circonstances de nature à établir si le dommage doit être réparé en vertu du droit commun ou d'une autre législation, y compris les informations ou actes judiciaires dont lui-même ou les personnes à sa charge seraient l'objet à propos du dommage;
3° de toute action ou autre procédure engagée en vue d'obtenir, pour lui-même ou pour les personnes à sa charge, la réparation du dommage en vertu du droit commun ou d'une autre législation.
§ 2. L'information visée au § 1er, 1°, peut être donnée au moyen du document visé à l'article 88 de la loi coordonnée, lorsque l'appel aux prestations porte notamment sur l'octroi de l'indemnité d'incapacité de travail.
L'information visée au § 1er, 2°, peut être donnée au moyen du formulaire que l'organisme assureur fournit au titulaire aussitôt qu'il a reçu de celui-ci l'information visée au § 1er, 1°.
Le modèle de ce formulaire est établi par le Service du contrôle administratif.
§ 3. [1 ...]1
Modifications
Art. 295bis. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-1997> Elke beslissing inzake geneeskundige verzorging en/of uitkeringen die de toepassing meebrengt van de cumulatieregel omschreven in artikel 136, § 2, van de gecoördineerde wet wordt aan de gerechtigde of zijn vertegenwoordiger meegedeeld bij gewone brief.
Deze bevat, naast de vermeldingen van artikel 14, 5° en 6°, van de voornoemde wet van 11 april 1995, de mogelijkheid voor de rechthebbende om een herziening te vragen aan zijn ziekenfonds binnen de termijn van twee jaar, overeenkomstig artikel 174 van de gecoördineerde wet, alsook de mogelijkheid om binnen dezelfde termijn beroep in te stellen bij het bevoegde rechtscollege ingeval van onenigheid met zijn ziekenfonds.
Deze bevat, naast de vermeldingen van artikel 14, 5° en 6°, van de voornoemde wet van 11 april 1995, de mogelijkheid voor de rechthebbende om een herziening te vragen aan zijn ziekenfonds binnen de termijn van twee jaar, overeenkomstig artikel 174 van de gecoördineerde wet, alsook de mogelijkheid om binnen dezelfde termijn beroep in te stellen bij het bevoegde rechtscollege ingeval van onenigheid met zijn ziekenfonds.
Art. 295ter. Les décisions de récupération des prestations à charge du bénéficiaire, visées à l'article 164 de la loi coordonnée, sont notifiées au bénéficiaire par lettre recommandée à la poste.
La notification peut être effectuée par lettre ordinaire lorsque le montant de l'indu est inférieur ou égal à (150 EUR), exception faite des cas dans lesquels il convient d'interrompre la prescription visée à l'article 174 de la loi coordonnée. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
Ces décisions comportent les mentions suivantes :
1° la constatation de l'indu;
2° le montant total de l'indu, ainsi que le mode de calcul;
3° le texte et les références des dispositions en infraction desquelles les paiements ont été effectués;
4° le délai de prescription pris en considération;
5° le cas échéant, la possibilité pour l'institution de sécurité sociale de renoncer à la répétition de l'indu et la procédure à suivre afin d'obtenir cette renonciation;
6° la possibilité de soumettre une proposition motivée en vue d'un remboursement étalé;
7° la possibilité d'intenter un recours devant la juridiction compétente dans les trois mois à dater de la notification de la décision de récupération ainsi que les modalités pour intenter un tel recours;
8° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire, ainsi que la liste comportant les adresses des tribunaux de travail;
9° les références du dossier, ainsi que le nom et le numéro de téléphone de la personne ou du service qui gère le dossier et qui peut fournir des informations à propos de celui-ci.
La notification peut être effectuée par lettre ordinaire lorsque le montant de l'indu est inférieur ou égal à (150 EUR), exception faite des cas dans lesquels il convient d'interrompre la prescription visée à l'article 174 de la loi coordonnée. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
Ces décisions comportent les mentions suivantes :
1° la constatation de l'indu;
2° le montant total de l'indu, ainsi que le mode de calcul;
3° le texte et les références des dispositions en infraction desquelles les paiements ont été effectués;
4° le délai de prescription pris en considération;
5° le cas échéant, la possibilité pour l'institution de sécurité sociale de renoncer à la répétition de l'indu et la procédure à suivre afin d'obtenir cette renonciation;
6° la possibilité de soumettre une proposition motivée en vue d'un remboursement étalé;
7° la possibilité d'intenter un recours devant la juridiction compétente dans les trois mois à dater de la notification de la décision de récupération ainsi que les modalités pour intenter un tel recours;
8° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire, ainsi que la liste comportant les adresses des tribunaux de travail;
9° les références du dossier, ainsi que le nom et le numéro de téléphone de la personne ou du service qui gère le dossier et qui peut fournir des informations à propos de celui-ci.
Art. 295ter. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De beslissingen tot terugvordering van prestaties, bedoeld in artikel 164 van de gecoördineerde wet, ten laste van de rechthebbende, worden aan betrokkene ter kennis gebracht bij een ter post aangetekende brief.
De kennisgeving mag gebeuren per gewone brief wanneer het onverschuldigde bedrag gelijk is aan of lager is dan (150 EUR), met uitzondering van de gevallen waarin het nodig is de verjaring bedoeld in artikel 174 van de gecoördineerde wet te stuiten. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Deze beslissingen bevatten de volgende vermeldingen :
1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald;
2° het totale bedrag van wat onverschuldigd is betaald, alsmede de berekeningswijze ervan;
3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan;
4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn;
5° in voorkomend geval, de mogelijkheid voor de instelling van sociale zekerheid om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd;
6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen;
7° de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank binnen de drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering alsook de wijze waarop dit beroep moet worden ingesteld;
8° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek alsook een lijst met de adressen van de arbeidsrechtbanken;
9° de refertes van het dossier en de naam en het telefoonnummer van de persoon of de dienst die het dossier beheert en die er inlichtingen over kan verstrekken.
De kennisgeving mag gebeuren per gewone brief wanneer het onverschuldigde bedrag gelijk is aan of lager is dan (150 EUR), met uitzondering van de gevallen waarin het nodig is de verjaring bedoeld in artikel 174 van de gecoördineerde wet te stuiten. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Deze beslissingen bevatten de volgende vermeldingen :
1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald;
2° het totale bedrag van wat onverschuldigd is betaald, alsmede de berekeningswijze ervan;
3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan;
4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn;
5° in voorkomend geval, de mogelijkheid voor de instelling van sociale zekerheid om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd;
6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen;
7° de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank binnen de drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering alsook de wijze waarop dit beroep moet worden ingesteld;
8° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek alsook een lijst met de adressen van de arbeidsrechtbanken;
9° de refertes van het dossier en de naam en het telefoonnummer van de persoon of de dienst die het dossier beheert en die er inlichtingen over kan verstrekken.
Art. 295quater. L'Institut et les organismes assureurs fournissent à tout assuré social qui en fait la demande écrite les informations utiles concernant ses droits et obligations dans le cadre de la législation relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités. Lorsque cette législation présente des points communs avec d'autres secteurs de la sécurité sociale, les informations peuvent aussi concerner les droits et obligations dans ces autres secteurs.
On entend par informations utiles toute information qui éclaire l'assuré social sur sa situation personnelle, dans le domaine concerné par sa demande. Ces informations portent notamment sur les conditions d'octroi des prestations, sur les éléments pris en considération pour déterminer le montant des prestations et sur les raisons de réduction, de suspension ou de refus des prestations.
Ces informations sont fournies dans un délai de quarante-cinq jours au maximum. Ce délai prend cours à la réception de la demande d'informations par l'Institut ou les organismes assureurs.
On entend par informations utiles toute information qui éclaire l'assuré social sur sa situation personnelle, dans le domaine concerné par sa demande. Ces informations portent notamment sur les conditions d'octroi des prestations, sur les éléments pris en considération pour déterminer le montant des prestations et sur les raisons de réduction, de suspension ou de refus des prestations.
Ces informations sont fournies dans un délai de quarante-cinq jours au maximum. Ce délai prend cours à la réception de la demande d'informations par l'Institut ou les organismes assureurs.
Art. 295ter. <INGEVOEGD bij KB 1997-11-24/43, art. 4; Inwerkingtreding : 01-01-1997> De beslissingen tot terugvordering van prestaties, bedoeld in artikel 164 van de gecoördineerde wet, ten laste van de rechthebbende, worden aan betrokkene ter kennis gebracht bij een ter post aangetekende brief.
De kennisgeving mag gebeuren per gewone brief wanneer het onverschuldigde bedrag gelijk is aan of lager is dan (150 EUR), met uitzondering van de gevallen waarin het nodig is de verjaring bedoeld in artikel 174 van de gecoördineerde wet te stuiten. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Deze beslissingen bevatten de volgende vermeldingen :
1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald;
2° het totale bedrag van wat onverschuldigd is betaald, alsmede de berekeningswijze ervan;
3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan;
4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn;
5° in voorkomend geval, de mogelijkheid voor de instelling van sociale zekerheid om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd;
6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen;
7° de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank binnen de drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering alsook de wijze waarop dit beroep moet worden ingesteld;
8° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek alsook een lijst met de adressen van de arbeidsrechtbanken;
9° de refertes van het dossier en de naam en het telefoonnummer van de persoon of de dienst die het dossier beheert en die er inlichtingen over kan verstrekken.
De kennisgeving mag gebeuren per gewone brief wanneer het onverschuldigde bedrag gelijk is aan of lager is dan (150 EUR), met uitzondering van de gevallen waarin het nodig is de verjaring bedoeld in artikel 174 van de gecoördineerde wet te stuiten. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Deze beslissingen bevatten de volgende vermeldingen :
1° de vaststelling dat er onverschuldigde bedragen zijn betaald;
2° het totale bedrag van wat onverschuldigd is betaald, alsmede de berekeningswijze ervan;
3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen zijn gedaan;
4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn;
5° in voorkomend geval, de mogelijkheid voor de instelling van sociale zekerheid om van de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen af te zien en de procedure die hiervoor moet worden gevolgd;
6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel tot terugbetaling in schijven voor te leggen;
7° de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank binnen de drie maanden na de kennisgeving van de beslissing tot terugvordering alsook de wijze waarop dit beroep moet worden ingesteld;
8° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek alsook een lijst met de adressen van de arbeidsrechtbanken;
9° de refertes van het dossier en de naam en het telefoonnummer van de persoon of de dienst die het dossier beheert en die er inlichtingen over kan verstrekken.
Art. 295ter. Les décisions de récupération des prestations à charge du bénéficiaire, visées à l'article 164 de la loi coordonnée, sont notifiées au bénéficiaire par lettre recommandée à la poste.
La notification peut être effectuée par lettre ordinaire lorsque le montant de l'indu est inférieur ou égal à (150 EUR), exception faite des cas dans lesquels il convient d'interrompre la prescription visée à l'article 174 de la loi coordonnée. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
Ces décisions comportent les mentions suivantes :
1° la constatation de l'indu;
2° le montant total de l'indu, ainsi que le mode de calcul;
3° le texte et les références des dispositions en infraction desquelles les paiements ont été effectués;
4° le délai de prescription pris en considération;
5° le cas échéant, la possibilité pour l'institution de sécurité sociale de renoncer à la répétition de l'indu et la procédure à suivre afin d'obtenir cette renonciation;
6° la possibilité de soumettre une proposition motivée en vue d'un remboursement étalé;
7° la possibilité d'intenter un recours devant la juridiction compétente dans les trois mois à dater de la notification de la décision de récupération ainsi que les modalités pour intenter un tel recours;
8° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire, ainsi que la liste comportant les adresses des tribunaux de travail;
9° les références du dossier, ainsi que le nom et le numéro de téléphone de la personne ou du service qui gère le dossier et qui peut fournir des informations à propos de celui-ci.
La notification peut être effectuée par lettre ordinaire lorsque le montant de l'indu est inférieur ou égal à (150 EUR), exception faite des cas dans lesquels il convient d'interrompre la prescription visée à l'article 174 de la loi coordonnée. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
Ces décisions comportent les mentions suivantes :
1° la constatation de l'indu;
2° le montant total de l'indu, ainsi que le mode de calcul;
3° le texte et les références des dispositions en infraction desquelles les paiements ont été effectués;
4° le délai de prescription pris en considération;
5° le cas échéant, la possibilité pour l'institution de sécurité sociale de renoncer à la répétition de l'indu et la procédure à suivre afin d'obtenir cette renonciation;
6° la possibilité de soumettre une proposition motivée en vue d'un remboursement étalé;
7° la possibilité d'intenter un recours devant la juridiction compétente dans les trois mois à dater de la notification de la décision de récupération ainsi que les modalités pour intenter un tel recours;
8° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire, ainsi que la liste comportant les adresses des tribunaux de travail;
9° les références du dossier, ainsi que le nom et le numéro de téléphone de la personne ou du service qui gère le dossier et qui peut fournir des informations à propos de celui-ci.
Art. 295quater. <INGEVOEGD bij KB 2002-03-11/37, art. 6; Inwerkingtreding : 08-04-2002> Het Instituut en de verzekeringsinstellingen verstrekken aan elke sociaal verzekerde die daar schriftelijk om verzoekt de dienstige inlichtingen betreffende zijn rechten en verplichtingen in het kader van de wetgeving betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Wanneer deze wetgeving raakpunten vertoont met andere sectoren van de sociale zekerheid kunnen de inlichtingen ook betrekking hebben op rechten en verplichtingen in die andere sectoren.
Onder dienstige inlichtingen wordt verstaan, elke inlichting die aan de sociaal verzekerde, op het gebied waarop zijn verzoek betrekking heeft, duidelijkheid verschaft over zijn persoonlijke toestand. Die inlichtingen hebben inzonderheid betrekking op de toekenningsvoorwaarden van de prestaties, op de elementen die voor de vaststelling van het bedrag van de prestaties in aanmerking worden genomen en op de redenen voor vermindering, schorsing of weigering van de prestaties.
Die inlichtingen worden verstrekt binnen een termijn van ten hoogste vijfenveertig dagen. Die termijn neemt een aanvang bij de ontvangst van het verzoek om inlichtingen door het Instituut of de verzekeringsinstellingen.
Onder dienstige inlichtingen wordt verstaan, elke inlichting die aan de sociaal verzekerde, op het gebied waarop zijn verzoek betrekking heeft, duidelijkheid verschaft over zijn persoonlijke toestand. Die inlichtingen hebben inzonderheid betrekking op de toekenningsvoorwaarden van de prestaties, op de elementen die voor de vaststelling van het bedrag van de prestaties in aanmerking worden genomen en op de redenen voor vermindering, schorsing of weigering van de prestaties.
Die inlichtingen worden verstrekt binnen een termijn van ten hoogste vijfenveertig dagen. Die termijn neemt een aanvang bij de ontvangst van het verzoek om inlichtingen door het Instituut of de verzekeringsinstellingen.
Art. 295quinquies /1. [1 Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 1° de la loi coordonnée, de même que le président et le vice-président sont nommés, sur présentation du Conseil des Ministres.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 2° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 3° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 4° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 5° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives de prestataires de soins.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 6° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives des institutions de soins.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 7° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives de patient.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 8° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les personnes qui ont adressé une candidature individuelle.]1
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 2° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 3° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 4° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 5° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives de prestataires de soins.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 6° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives des institutions de soins.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 7° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives de patient.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 8° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les personnes qui ont adressé une candidature individuelle.]1
Modifications
Art. 295quinquies /1. [1 De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet, evenals de voorzitter en de ondervoorzitter worden benoemd, op voordracht van de Ministerraad.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van alle werkgevers en door de representatieve organisaties van de zelfstandigen, in dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van alle werknemers, in dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 4° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen, in dubbel zo veel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 5° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve verenigingen van zorgverleners.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 6° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve verenigingen van verzorgingsinstellingen.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 7° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve patiëntenverenigingen.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 8° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de personen die zich individueel kandidaat stelden.]1
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van alle werkgevers en door de representatieve organisaties van de zelfstandigen, in dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van alle werknemers, in dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 4° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen, in dubbel zo veel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 5° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve verenigingen van zorgverleners.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 6° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve verenigingen van verzorgingsinstellingen.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 7° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve patiëntenverenigingen.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 8° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de personen die zich individueel kandidaat stelden.]1
Art. 295quinquies /2. [1 Pour chaque membre effectif, il est nommé un membre suppléant.]1
Modifications
Art. 295quinquies /1. [1 De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wet, evenals de voorzitter en de ondervoorzitter worden benoemd, op voordracht van de Ministerraad.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van alle werkgevers en door de representatieve organisaties van de zelfstandigen, in dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van alle werknemers, in dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 4° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen, in dubbel zo veel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 5° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve verenigingen van zorgverleners.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 6° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve verenigingen van verzorgingsinstellingen.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 7° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve patiëntenverenigingen.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 8° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de personen die zich individueel kandidaat stelden.]1
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van alle werkgevers en door de representatieve organisaties van de zelfstandigen, in dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 3° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve organisaties van alle werknemers, in dubbel zoveel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 4° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen, in dubbel zo veel als toe te wijzen mandaten.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 5° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve verenigingen van zorgverleners.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 6° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve verenigingen van verzorgingsinstellingen.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 7° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de kandidaten voorgedragen door de representatieve patiëntenverenigingen.
De leden bedoeld in artikel 137quater, § 2, eerste lid, 8° van de gecoördineerde wet, worden benoemd onder de personen die zich individueel kandidaat stelden.]1
Art. 295quinquies /1. [1 Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 1° de la loi coordonnée, de même que le président et le vice-président sont nommés, sur présentation du Conseil des Ministres.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 2° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 3° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 4° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 5° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives de prestataires de soins.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 6° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives des institutions de soins.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 7° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives de patient.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 8° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les personnes qui ont adressé une candidature individuelle.]1
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 2° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des employeurs et par les organisations représentatives des travailleurs indépendants en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 3° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organisations représentatives de l'ensemble des travailleurs salariés, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 4° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les organismes assureurs, en nombre double de celui des mandats à attribuer.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 5° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives de prestataires de soins.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 6° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives des institutions de soins.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 7° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les candidats présentés par les associations représentatives de patient.
Les membres visés à l'article 137quater, § 2, alinéa 1er, 8° de la loi coordonnée, sont nommés parmi les personnes qui ont adressé une candidature individuelle.]1
Modifications
Art. 295quinquies /3. [1 Er wordt onmiddellijk voorzien in de vervanging van elk lid dat geen deel meer zal uitmaken van het Beheerscomité voor de normale datum vervaldatum van diens mandaat.
Het nieuwe lid dat zodoende zal aangewezen worden, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.]1
Het nieuwe lid dat zodoende zal aangewezen worden, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.]1
Art. 295quinquies /4. [1 Le membre dont le mandat a expiré continue de siéger valablement jusqu'à la nomination de son remplaçant.]1
Modifications
Art. 295quinquies /3. [1 Er wordt onmiddellijk voorzien in de vervanging van elk lid dat geen deel meer zal uitmaken van het Beheerscomité voor de normale datum vervaldatum van diens mandaat.
Het nieuwe lid dat zodoende zal aangewezen worden, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.]1
Het nieuwe lid dat zodoende zal aangewezen worden, voltooit het mandaat van degene die hij vervangt.]1
Art. 295quinquies /3. [1 Il est pourvu immédiatement au remplacement de tout membre qui aura cessé de faire partie du Comité de gestion avant la date normale d'expiration de son mandat.
Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.]1
Le nouveau membre ainsi désigné achève le mandat de celui qu'il remplace.]1
Modifications
Art. 295quinquies /4. [1 Het lid wiens mandaat verstreken is blijft verder geldig zitting houden tot zijn vervanger benoemd is.]1
Art. 295quinquies /4. [1 Le membre dont le mandat a expiré continue de siéger valablement jusqu'à la nomination de son remplaçant.]1
Modifications
HOOFDSTUK I. - Geneeskundige controle.
Section I. - Du Comité du (Service d'évaluation et de contrôle médicaux).
Afdeling I. - Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle).
Art.296. La convocation aux réunions du Comité du (Service d'évaluation et de contrôle médicaux) mentionne dans tous les cas l'objet de la réunion.
Art.296. De bijeenroeping van de vergaderingen van het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle) vermeldt in elk geval het onderwerp van de vergadering.
Art.297. Les rapports visés à l'article 141, § 1er, alinéa 1er, 13°, de la loi coordonnée, établis par le Comité sont trimestriels. Ils sont transmis conformément à l'article 141, § 1er, alinéa 1er, 14°, de la loi coordonnée, accompagnés des suggestions visées par ce littéra, dans le courant du trimestre qui suit celui au cours duquel les constatations ont été faites.
Art.297. De in artikel 141, § 1, eerste lid, 13°, van de gecoördineerde wet bedoelde verslagen worden om het kwartaal door het Comité opgemaakt. Ze worden overeenkomstig artikel 141, § 1, eerste lid, 14°, van de gecoördineerde wet, samen met de in die littera bedoelde aanbevelingen bezorgd in het kwartaal na dat waarin de bevindingen zijn gedaan.
Het Comité kan evenwel te allen tijde omstandige bijzondere verslagen opmaken wanneer de gedane bevindingen naar zijn mening onverwijld ter kennis moeten worden gebracht van de Minister, van het Algemeen comité, van de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Het Comité kan evenwel te allen tijde omstandige bijzondere verslagen opmaken wanneer de gedane bevindingen naar zijn mening onverwijld ter kennis moeten worden gebracht van de Minister, van het Algemeen comité, van de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.298. <AR 2004-05-18/34, art. 3, 110; En vigueur : 15-02-2003> Le mandat des membres du Comité prend cours le 15 février 2003. Les mandats en cours prennent fin de plein droit à la même date.
Le mandat est quadriennal et renouvelable. Toutefois, pour les membres de groupements concernés par les élections visées à l'article 211 de la loi coordonnée, le premier renouvellement a lieu le premier jour du mois suivant le dépouillement.
Le mandat des membres décédés ou démissionnaires est achevé par leurs successeurs.
Le mandat est quadriennal et renouvelable. Toutefois, pour les membres de groupements concernés par les élections visées à l'article 211 de la loi coordonnée, le premier renouvellement a lieu le premier jour du mois suivant le dépouillement.
Le mandat des membres décédés ou démissionnaires est achevé par leurs successeurs.
Art. 297. De in artikel 141, § 1, eerste lid, 13°, van de gecoördineerde wet bedoelde verslagen worden om het kwartaal door het Comité opgemaakt. Ze worden overeenkomstig artikel 141, § 1, eerste lid, 14°, van de gecoördineerde wet, samen met de in die littera bedoelde aanbevelingen bezorgd in het kwartaal na dat waarin de bevindingen zijn gedaan.
Het Comité kan evenwel te allen tijde omstandige bijzondere verslagen opmaken wanneer de gedane bevindingen naar zijn mening onverwijld ter kennis moeten worden gebracht van de Minister, van het Algemeen comité, van de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Het Comité kan evenwel te allen tijde omstandige bijzondere verslagen opmaken wanneer de gedane bevindingen naar zijn mening onverwijld ter kennis moeten worden gebracht van de Minister, van het Algemeen comité, van de Algemene raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art. 297. Les rapports visés à l'article 141, § 1er, alinéa 1er, 13°, de la loi coordonnée, établis par le Comité sont trimestriels. Ils sont transmis conformément à l'article 141, § 1er, alinéa 1er, 14°, de la loi coordonnée, accompagnés des suggestions visées par ce littéra, dans le courant du trimestre qui suit celui au cours duquel les constatations ont été faites.
Le Comité peut toutefois établir à tout moment des rapports spéciaux circonstanciés lorsqu'il estime que les constatations faites doivent être portées sans délai à la connaissance du Ministre, du Comité général, du Conseil général de l'assurance soins de santé ou du Comité de gestion du Service des indemnités.
Le Comité peut toutefois établir à tout moment des rapports spéciaux circonstanciés lorsqu'il estime que les constatations faites doivent être portées sans délai à la connaissance du Ministre, du Comité général, du Conseil général de l'assurance soins de santé ou du Comité de gestion du Service des indemnités.
Art. 298. <KB 2004-05-18/34, art. 3, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003> Het mandaat van de leden van het Comité vangt aan op 15 februari 2003. De lopende mandaten worden op diezelfde datum van rechtswege beëindigd.
Het mandaat is vierjarig en hernieuwbaar. Voor de leden van de groepen voor wie de in artikel 211 van de gecoördineerde wet bedoelde verkiezingen worden georganiseerd, vindt de eerste hernieuwing echter plaats de eerste dag van de maand die volgt op de telling.
Het mandaat van de overleden of ontslagnemende leden wordt beëindigd door hun opvolgers.
Het mandaat is vierjarig en hernieuwbaar. Voor de leden van de groepen voor wie de in artikel 211 van de gecoördineerde wet bedoelde verkiezingen worden georganiseerd, vindt de eerste hernieuwing echter plaats de eerste dag van de maand die volgt op de telling.
Het mandaat van de overleden of ontslagnemende leden wordt beëindigd door hun opvolgers.
Art. 298. <AR 2004-05-18/34, art. 3, 110; En vigueur : 15-02-2003> Le mandat des membres du Comité prend cours le 15 février 2003. Les mandats en cours prennent fin de plein droit à la même date.
Le mandat est quadriennal et renouvelable. Toutefois, pour les membres de groupements concernés par les élections visées à l'article 211 de la loi coordonnée, le premier renouvellement a lieu le premier jour du mois suivant le dépouillement.
Le mandat des membres décédés ou démissionnaires est achevé par leurs successeurs.
Le mandat est quadriennal et renouvelable. Toutefois, pour les membres de groupements concernés par les élections visées à l'article 211 de la loi coordonnée, le premier renouvellement a lieu le premier jour du mois suivant le dépouillement.
Le mandat des membres décédés ou démissionnaires est achevé par leurs successeurs.
Afdeling II. - Geschillen tussen de adviserend [1 artsen]1 en de [1 artsen-inspecteurs]1.
Modifications
Art.300. § 1. Les contestations visées à l'article 152 de la loi coordonnée sont soumises en première instance au (médecin-inspecteur-directeur) de la province ou de la région bilingue de Bruxelles Capitale dans laquelle le médecin-conseil à sa résidence administrative. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Le (medecin-inspecteur-directeur) est saisi de la contestation par la voie d'une requête motivée et signée, qui lui est adressée sous la formalité de la recommandation à la poste, au plus tard dans les quarante-huit heures après la notification à la partie demanderesse de la décision qu'elle conteste. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
§ 2. Le (médecin-inspecteur-directeur) requiert immédiatement la production par les parties des documents afférents à la contestation. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Sa décision est motivée; il la prend dans les cinq jours de la réception de la requête visée au § 1er, et la notifie aux parties dans les cinq jours suivants, par lettre recommandée à la poste.
Le (medecin-inspecteur-directeur) est saisi de la contestation par la voie d'une requête motivée et signée, qui lui est adressée sous la formalité de la recommandation à la poste, au plus tard dans les quarante-huit heures après la notification à la partie demanderesse de la décision qu'elle conteste. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
§ 2. Le (médecin-inspecteur-directeur) requiert immédiatement la production par les parties des documents afférents à la contestation. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Sa décision est motivée; il la prend dans les cinq jours de la réception de la requête visée au § 1er, et la notifie aux parties dans les cinq jours suivants, par lettre recommandée à la poste.
Art.300.§ 1. De in artikel 152 van de gecoördineerde wet bedoelde geschillen worden in eerste aanleg voorgelegd aan de ([1 arts-inspecteur-directeur]1) van de provincie of van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad waarin de adviserend [1 arts]1 zijn administratieve standplaats heeft.
Art.301. § 1. L'appel des décisions du (médecin-inspecteur-directeur), prévu à l'article 152 de la loi coordonnée, est formé par acte motivé et signé, adressé sous la formalité de la recommandation à la poste, au président du Comité du (Service d'évaluation et de contrôle médicaux), au plus tard le troisième jour à partir de la notification visée au § 2 de l'article 300.
Art.301. § 1. Het beroep tegen de beslissingen van de ([1 arts-inspecteur-directeur]1), bedoeld in artikel 152 van de gecoördineerde wet, wordt ingesteld met een gemotiveerde en ondertekende akte welke, uiterlijk de derde dag na de in artikel 300, § 2, bedoelde kennisgeving, ter post aangetekend gezonden wordt aan de voorzitter van het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle) <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>.
Het beroep werkt schorsend.
§ 2. Bij ontvangst van de in § 1 bedoelde akte van beroep wordt voor de partijen een dag vastgesteld om alle nieuwe inlichtingengegevens over te leggen en te verschijnen voor het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle). <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Die mededeling wordt ter post aangetekend aan de partijen gedaan.
Het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle) doet uitspraak binnen vijftien dagen na ontvangst van de akte van beroep. <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Zijn beslissing wordt gemotiveerd; er wordt de partijen kennis van gegeven bij ter post aangetekend schrijven binnen twintig dagen na ontvangst van de akte van beroep.
Het beroep werkt schorsend.
§ 2. Bij ontvangst van de in § 1 bedoelde akte van beroep wordt voor de partijen een dag vastgesteld om alle nieuwe inlichtingengegevens over te leggen en te verschijnen voor het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle). <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Die mededeling wordt ter post aangetekend aan de partijen gedaan.
Het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle) doet uitspraak binnen vijftien dagen na ontvangst van de akte van beroep. <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Zijn beslissing wordt gemotiveerd; er wordt de partijen kennis van gegeven bij ter post aangetekend schrijven binnen twintig dagen na ontvangst van de akte van beroep.
Modifications
Art. 300. § 1. Les contestations visées à l'article 152 de la loi coordonnée sont soumises en première instance au (médecin-inspecteur-directeur) de la province ou de la région bilingue de Bruxelles Capitale dans laquelle le médecin-conseil à sa résidence administrative. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Le (medecin-inspecteur-directeur) est saisi de la contestation par la voie d'une requête motivée et signée, qui lui est adressée sous la formalité de la recommandation à la poste, au plus tard dans les quarante-huit heures après la notification à la partie demanderesse de la décision qu'elle conteste. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
§ 2. Le (médecin-inspecteur-directeur) requiert immédiatement la production par les parties des documents afférents à la contestation. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Sa décision est motivée; il la prend dans les cinq jours de la réception de la requête visée au § 1er, et la notifie aux parties dans les cinq jours suivants, par lettre recommandée à la poste.
Le (medecin-inspecteur-directeur) est saisi de la contestation par la voie d'une requête motivée et signée, qui lui est adressée sous la formalité de la recommandation à la poste, au plus tard dans les quarante-huit heures après la notification à la partie demanderesse de la décision qu'elle conteste. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
§ 2. Le (médecin-inspecteur-directeur) requiert immédiatement la production par les parties des documents afférents à la contestation. <AR 2004-05-18/34, art. 4, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Sa décision est motivée; il la prend dans les cinq jours de la réception de la requête visée au § 1er, et la notifie aux parties dans les cinq jours suivants, par lettre recommandée à la poste.
Art. 301. § 1. Het beroep tegen de beslissingen van de ([1 arts-inspecteur-directeur]1), bedoeld in artikel 152 van de gecoördineerde wet, wordt ingesteld met een gemotiveerde en ondertekende akte welke, uiterlijk de derde dag na de in artikel 300, § 2, bedoelde kennisgeving, ter post aangetekend gezonden wordt aan de voorzitter van het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle) <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>.
Het beroep werkt schorsend.
§ 2. Bij ontvangst van de in § 1 bedoelde akte van beroep wordt voor de partijen een dag vastgesteld om alle nieuwe inlichtingengegevens over te leggen en te verschijnen voor het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle). <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Die mededeling wordt ter post aangetekend aan de partijen gedaan.
Het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle) doet uitspraak binnen vijftien dagen na ontvangst van de akte van beroep. <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Zijn beslissing wordt gemotiveerd; er wordt de partijen kennis van gegeven bij ter post aangetekend schrijven binnen twintig dagen na ontvangst van de akte van beroep.
Het beroep werkt schorsend.
§ 2. Bij ontvangst van de in § 1 bedoelde akte van beroep wordt voor de partijen een dag vastgesteld om alle nieuwe inlichtingengegevens over te leggen en te verschijnen voor het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle). <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Die mededeling wordt ter post aangetekend aan de partijen gedaan.
Het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle) doet uitspraak binnen vijftien dagen na ontvangst van de akte van beroep. <KB 2004-05-18/34, art. 5, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Zijn beslissing wordt gemotiveerd; er wordt de partijen kennis van gegeven bij ter post aangetekend schrijven binnen twintig dagen na ontvangst van de akte van beroep.
Modifications
Art. 301. § 1. L'appel des décisions du (médecin-inspecteur-directeur), prévu à l'article 152 de la loi coordonnée, est formé par acte motivé et signé, adressé sous la formalité de la recommandation à la poste, au président du Comité du (Service d'évaluation et de contrôle médicaux), au plus tard le troisième jour à partir de la notification visée au § 2 de l'article 300.
L'appel est suspensif. <AR 2004-05-18/34, art. 5, 110; En vigueur : 15-02-2003>
§ 2. Dès réception de l'acte d'appel visé au § 1er, il est fixé jour aux parties pour produire tous éléments d'information nouveaux et comparaître devant le Comité du (Service d'évaluation et de contrôle médicaux). <AR 2004-05-18/34, art. 5, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Cette communication est donnée aux parties sous la formalité de la recommandation à la poste.
Le Comité du Service du contrôle médical statue dans les quinze jours de la réception de l'acte d'appel.
Sa décision est motivée; elle est notifiée aux parties par lettre recommandée à la poste, dans les vingt jours de la réception de l'acte d'appel.
L'appel est suspensif. <AR 2004-05-18/34, art. 5, 110; En vigueur : 15-02-2003>
§ 2. Dès réception de l'acte d'appel visé au § 1er, il est fixé jour aux parties pour produire tous éléments d'information nouveaux et comparaître devant le Comité du (Service d'évaluation et de contrôle médicaux). <AR 2004-05-18/34, art. 5, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Cette communication est donnée aux parties sous la formalité de la recommandation à la poste.
Le Comité du Service du contrôle médical statue dans les quinze jours de la réception de l'acte d'appel.
Sa décision est motivée; elle est notifiée aux parties par lettre recommandée à la poste, dans les vingt jours de la réception de l'acte d'appel.
Art. 302. Wanneer de ([1 arts-inspecteur-directeur]1) of het Comité van de (Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle) een bijkomende informatie hebben moeten gelasten, worden de hun bij de artikelen 300 en 301 toegemeten termijnen om hun beslissingen te nemen en er kennis van te geven, met zes dagen verlengd. <KB 2004-05-18/34, art. 6, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Modifications
Art. 302. Lorsque le (médecin-inspecteur-directeur) ou le Comite du (Service d'évaluation et de contrôle médicaux) ont été amenés à ordonner un complément d'information, les délais qui leur sont impartis par les articles 300 et 301 pour prendre et notifier leurs décisions, sont prolongés de six jours. <AR 2004-05-18/34, art. 6, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Art. 303. De dag waarop een termijn ingaat wordt daarin niet, de dag van afloop ervan wel medegerekend.
Wanneer de laatste dag van de termijn een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt die termijn tot de daaropvolgende werkdag verlengd.
Wanneer de laatste dag van de termijn een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, wordt die termijn tot de daaropvolgende werkdag verlengd.
Art. 303. Le jour qui est le point de départ d'un délai n'y est pas compris; le jour de son échéance y est compris.
Lorsque le dernier jour du délai est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, ce délai est prolongé jusqu'au plus prochain jour ouvrable.
Lorsque le dernier jour du délai est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, ce délai est prolongé jusqu'au plus prochain jour ouvrable.
Afdeling III. - Commissies van beroep.
Section III. - Des commissions d'appel.
Art.305. (Opgeheven) <KB 2004-05-18/34, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Art.306. (Abrogé) <AR 2004-05-18/34, art. 7, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Art.306. (Opgeheven) <KB 2004-05-18/34, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Art.307. (Abrogé) <AR 2004-05-18/34, art. 7, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Art.307. (Opgeheven) <KB 2004-05-18/34, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Art.308. (Abrogé) <AR 2004-05-18/34, art. 7, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Art.308. (Opgeheven) <KB 2004-05-18/34, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Art.309. (Abrogé) <AR 2004-05-18/34, art. 7, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Art.309. (Opgeheven) <KB 2004-05-18/34, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Art.310. (Abrogé) <AR 2004-05-18/34, art. 7, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Art.310. (Opgeheven) <KB 2004-05-18/34, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Section IIIbis- Chambres de recours.
Afdeling IIIbis- Kamers van beroep. <INGEVOEGD bij KB 2004-05-18/34, art. 8 ; Inwerkingtreding : 18-06-2004>
Art. 310bis. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Afdeling IIIbis- Kamers van beroep.
Section IIIbis- Chambres de recours.
Art. 310ter. (opgeheven) <KB 2008-05-09/72, art. 22, 149; Inwerkingtreding : 30-06-2008>
Art. 310quater. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Art. 310quater. (opgeheven) <KB 2008-05-09/72, art. 22, 149; Inwerkingtreding : 30-06-2008>
Art. 310quinquies. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Art. 310quinquies. (opgeheven) <KB 2008-05-09/72, art. 22, 149; Inwerkingtreding : 30-06-2008>
Art. 310sexies. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Art. 310quinquies. (opgeheven) <KB 2008-05-09/72, art. 22, 149; Inwerkingtreding : 30-06-2008>
Art. 310quinquies. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Art. 310septies. (opgeheven) <KB 2008-05-09/72, art. 22, 149; Inwerkingtreding : 30-06-2008>
Art. 310octies. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Art. 310octies. (opgeheven) <KB 2008-05-09/72, art. 22, 149; Inwerkingtreding : 30-06-2008>
Art. 310novies. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Art. 310novies. (opgeheven) <KB 2008-05-09/72, art. 22, 149; Inwerkingtreding : 30-06-2008>
Art. 310decies. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Art. 310decies. (opgeheven) <KB 2008-05-09/72, art. 22, 149; Inwerkingtreding : 30-06-2008>
Section IV. - De la publicité des décisions d'interdiction d'intervention de l'assurance.
Afdeling IV. - Openbaarmaking van de beslissingen tot verbod van verzekeringstegemoetkoming.
Art. 310decies. (abrogé) <AR 2008-05-09/72, art. 22, 149; En vigueur : 30-06-2008>
Afdeling IV. - Openbaarmaking van de beslissingen tot verbod van verzekeringstegemoetkoming.
Section IV. - De la publicité des décisions d'interdiction d'intervention de l'assurance.
Art. 311. (Opgeheven) <KB 2004-05-18/34, art. 7, 110; Inwerkingtreding : 15-02-2003>
Art. 311. (Abrogé) <AR 2004-05-18/34, art. 7, 110; En vigueur : 15-02-2003>
Afdeling I. - Comité van de Dienst voor administratieve controle.
Art.312.
Art.312.
Art.313.
Section II. - Des sanctions applicables aux organismes assureurs et aux offices de tarification.
Afdeling II. - Straffen die toepasselijk zijn op de verzekeringsinstellingen en op de tariferingsdiensten.
Afdeling II. - Straffen die toepasselijk zijn op de verzekeringsinstellingen en op de tariferingsdiensten.
Section II. - Des sanctions applicables aux organismes assureurs et aux offices de tarification.
Art.322. En vue de l'application de l'article 164 de la loi coordonnée, l'Institut informe les organismes assureurs, dans les quinze jours, lorsqu'il a déposé plainte en justice ou transmis un dossier au procureur du Roi concernant des erreurs ou des fraudes commises par un dispensateur de soins.
L'Institut communique à cette fin l'identité du dispensateur, la nature des erreurs ou des fraudes constatées et la période sur laquelle portent les constatations faites. Il communique, dès qu'il en est informé, la suite y réservée par le procureur du Roi et éventuellement la copie du dossier répressif et la date à laquelle l'affaire sera appelée.
L'Institut communique à cette fin l'identité du dispensateur, la nature des erreurs ou des fraudes constatées et la période sur laquelle portent les constatations faites. Il communique, dès qu'il en est informé, la suite y réservée par le procureur du Roi et éventuellement la copie du dossier répressif et la date à laquelle l'affaire sera appelée.
Art.322. Met het oog op de toepassing van artikel 164 van de gecoördineerde wet, verwittigt het Instituut de verzekeringsinstellingen, binnen de vijftien dagen als het klacht heeft ingediend bij het gerecht of een dossier aan de procureur des Konings heeft gezonden in verband met vergissingen of bedrog vanwege een zorgverlener.
Art.323. (Abrogé)
Art. 322. Met het oog op de toepassing van artikel 164 van de gecoördineerde wet, verwittigt het Instituut de verzekeringsinstellingen, binnen de vijftien dagen als het klacht heeft ingediend bij het gerecht of een dossier aan de procureur des Konings heeft gezonden in verband met vergissingen of bedrog vanwege een zorgverlener.
Daartoe deelt het Instituut de volgende gegevens mee: identiteit van de zorgverlener, aard van de vergissingen die werden of van het bedrog dat werd vastgesteld, benevens het tijdvak waarop de vaststellingen slaan. Zodra het daarover is ingelicht, deelt het mede het gevolg dat de procureur des Konings aan de zaak heeft gegeven en, in voorkomend geval, een afschrift van het strafdossier en de datum waarop de zaak zal voorkomen.
Daartoe deelt het Instituut de volgende gegevens mee: identiteit van de zorgverlener, aard van de vergissingen die werden of van het bedrog dat werd vastgesteld, benevens het tijdvak waarop de vaststellingen slaan. Zodra het daarover is ingelicht, deelt het mede het gevolg dat de procureur des Konings aan de zaak heeft gegeven en, in voorkomend geval, een afschrift van het strafdossier en de datum waarop de zaak zal voorkomen.
Art. 322. En vue de l'application de l'article 164 de la loi coordonnée, l'Institut informe les organismes assureurs, dans les quinze jours, lorsqu'il a déposé plainte en justice ou transmis un dossier au procureur du Roi concernant des erreurs ou des fraudes commises par un dispensateur de soins.
L'Institut communique à cette fin l'identité du dispensateur, la nature des erreurs ou des fraudes constatées et la période sur laquelle portent les constatations faites. Il communique, dès qu'il en est informé, la suite y réservée par le procureur du Roi et éventuellement la copie du dossier répressif et la date à laquelle l'affaire sera appelée.
L'Institut communique à cette fin l'identité du dispensateur, la nature des erreurs ou des fraudes constatées et la période sur laquelle portent les constatations faites. Il communique, dès qu'il en est informé, la suite y réservée par le procureur du Roi et éventuellement la copie du dossier répressif et la date à laquelle l'affaire sera appelée.
Art.324. Wanneer een zorgverlener gerechtelijk veroordeeld is wegens bedrog inzake verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, moet de benadeelde verzekeringsinstelling binnen zes maanden, te rekenen vanaf de datum waarop ze van het vonnis kennis heeft gekregen, alle ter harer beschikking staande middelen, rechtsmiddelen inbegrepen, aanwenden om schadeloos te worden gesteld.
Art.325. L'organisme assureur inscrit le montant des prestations payées indûment dans un compte spécial:
a) avant la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel l'organisme assureur a lui-même constaté le paiement indu;
b) dans les deux mois qui suivent la notification de la constatation par le Service du contrôle administratif lorsque cette constatation n'est pas contestée par l'organisme assureur devant le tribunal du travail;
c) dès qu'il a connaissance de la décision judiciaire définitive prononcée suite à la contestation par l'organisme assureur de la constatation d'un paiement indu par le Service du contrôle administratif;
d) des qu'il a connaissance de la décision judiciaire définitive par laquelle un remboursement ou dédommagement définitif ou à titre provisionnel lui est accordé.
a) avant la fin du trimestre qui suit celui au cours duquel l'organisme assureur a lui-même constaté le paiement indu;
b) dans les deux mois qui suivent la notification de la constatation par le Service du contrôle administratif lorsque cette constatation n'est pas contestée par l'organisme assureur devant le tribunal du travail;
c) dès qu'il a connaissance de la décision judiciaire définitive prononcée suite à la contestation par l'organisme assureur de la constatation d'un paiement indu par le Service du contrôle administratif;
d) des qu'il a connaissance de la décision judiciaire définitive par laquelle un remboursement ou dédommagement définitif ou à titre provisionnel lui est accordé.
Art.325. De verzekeringsinstelling boekt het bedrag der ten onrechte betaalde prestaties op een bijzondere rekening:
a) vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarin de verzekeringsinstelling zelf de onverschuldigde betaling heeft vastgesteld;
b) binnen de twee maanden die volgen op de kennisgeving van de vaststelling door de Dienst voor administratieve controle, indien deze vaststelling niet door de verzekeringsinstelling voor de arbeidsrechtbank betwist wordt;
c) zodra zij kennis heeft van de gerechtelijke eindbeslissing die gewezen is ingevolge het betwisten, door de verzekeringsinstelling, van de vaststelling van een onregelmatige betaling door de Dienst voor administratieve controle;
d) zodra ze kennis heeft van de gewezen gerechtelijke eindbeslissing waarbij ze een definitieve of voorlopige terugbetaling of schadeloosstelling toegewezen krijgt.
a) vóór het einde van het kwartaal volgend op dat waarin de verzekeringsinstelling zelf de onverschuldigde betaling heeft vastgesteld;
b) binnen de twee maanden die volgen op de kennisgeving van de vaststelling door de Dienst voor administratieve controle, indien deze vaststelling niet door de verzekeringsinstelling voor de arbeidsrechtbank betwist wordt;
c) zodra zij kennis heeft van de gerechtelijke eindbeslissing die gewezen is ingevolge het betwisten, door de verzekeringsinstelling, van de vaststelling van een onregelmatige betaling door de Dienst voor administratieve controle;
d) zodra ze kennis heeft van de gewezen gerechtelijke eindbeslissing waarbij ze een definitieve of voorlopige terugbetaling of schadeloosstelling toegewezen krijgt.
Art.326. <AR 1999-05-07/34, art. 2, 034; En vigueur : 08-06-1999> § 1er. La récupération des prestations payée indûment est effectuée par l'organisme assureur dans un délai de deux ans à partir de la date :
a) de la constatation pour les cas visés à l'article 325, a);
b) de la notification du Service du contrôle administratif pour les cas visés à l'article 325, b);
c) du prononcé de la décisions judiciaire définitive pour les cas visés à l'article 325, c) et d).
§ 2. [2 ...]2.
[2 § 2.]2 (ancien § 3) [2 Le délai visé au § 1er est suspendu :
a) à partir de la date de l'acte introductif d'instance visant à obtenir une décision judiciaire définitive, jusqu'à la date de la décision judiciaire définitive ou jusqu'au désistement d'instance;
b) à partir de la date de la décision judiciaire définitive qui octroie des termes et délais au débiteur, jusqu'à l'échéance fixée par le juge.
La suspension prend fin si le débiteur ne respecte pas les termes et délais octroyés par le juge;
c) à partir du premier paiement effectué en exécution de la convention établie entre l'organisme assureur et le débiteur pour le remboursement des prestations indues, jusqu'à l'échéance fixée par cette convention.
La suspension prend fin si le débiteur ne respecte pas les termes de la convention.
La convention visée au premier alinéa, doit être approuvée par le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, s'il s'agit d'indemnités d'incapacité de travail et si elle est conclue pour une durée qui excède de cinq ans le délai visé au § 1er;
d) à partir de la date de la première retenue opérée d'office sur des revenus de remplacement ou la pension de retraite, en application de l'article 1410, § 4, du code judiciaire, jusqu'au moment où cessent les retenues;
e) à partir de la date à laquelle l'huissier démarre la procédure de recouvrement, jusqu'à la clôture de la procédure;
f) à partir de la date d'introduction de la demande de renonciation à la récupération de l'indu en application de l'article 101, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, jusqu'à la décision du Comité de gestion du Service des indemnités;
g) à partir de la date d'introduction de la demande de renonciation à la récupération de montants payés indûment en application de l'article 22, § 2, a), de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social, jusqu'à la décision du Comité de l'assurance du Service des soins de santé ou du Comité de gestion du Service des indemnités;
h) pour une période de deux ans à partir de la date du décès de l'assuré.
Si la succession est acceptée sous bénéfice d'inventaire endéans ce délai de deux ans, la suspension prend fin le jour de la clôture de l'inventaire, même si celui-ci se produit avant la fin des deux ans. Si la clôture se produit après la fin des deux ans, la période de suspension sera prolongée jusqu'à cette date.
Si la succession est déclarée vacante et qu'un curateur à succession vacante a été désigné endéans ce délai de deux ans, la suspension prend fin lors de la clôture de la succession par le curateur à succession vacante, même si celle-ci a lieu avant la fin des deux ans. Si la succession se clôture après la fin des deux ans, la période de suspension sera prolongée jusqu'à la date de la clôture;
[4 Les paiements dont le caractère indu est la conséquence du décès de l'assuré social sont restitués par les organismes financiers des bénéficiaires des prestations de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités aux organismes assureurs selon les modalités à déterminer dans une convention.
Cette convention est conclue entre les organismes assureurs et les établissements de crédit dont l'activité est reconnue en Belgique en application de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse.
L'assuré social autorise l'organisme financier choisi à rembourser à l'organisme assureur, par débit de son compte bancaire et dans les limites fixées par la convention visée au paragraphe 2, toutes les sommes payées indûment.
Cette autorisation reste en vigueur après le décès de l'assuré social;]4
i) à partir de la date d'ouverture de la procédure de réorganisation judiciaire ou de faillite jusqu'à la clôture de la décision de la réorganisation judiciaire ou de la faillite;
j) à partir de la date de la décision d'admissibilité de la requête en règlement collectif de dettes, jusqu' au rejet, au terme ou à la révocation du plan de règlement amiable visé à l'article 1675/10 du Code judiciaire ou du plan de règlement judiciaire visé à l'article 1675/11 du Code judiciaire;
k) à partir de la date de l'introduction de la demande d'exequatur jusqu'à la date de la décision dont l'exequatur est demandé.]2
[2 § 3.]2 (ancien § 4) Lorsque le montant total des prestations payées indûment à un assuré social est inférieur à [1 25 EUR]1, pour les soins de santé, ou à (25 EUR), pour les indemnités d'incapacité de travail, l'organisme assureur est dispensé de récupérer ce montant. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
[1 Le montant pour les soins de santé est, le 1er janvier de chaque année et pour la première fois le 1er janvier 2011, adapté à l'évolution de la valeur de l'indice santé visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 8 décembre 1997 fixant les modalités d'application pour l'indexation des prestations dans le régime de l'assurance obligatoire soins de santé, entre le 30 juin de la deuxième année antérieure et le 30 juin de l'année antérieure.]1
a) de la constatation pour les cas visés à l'article 325, a);
b) de la notification du Service du contrôle administratif pour les cas visés à l'article 325, b);
c) du prononcé de la décisions judiciaire définitive pour les cas visés à l'article 325, c) et d).
§ 2. [2 ...]2.
[2 § 2.]2 (ancien § 3) [2 Le délai visé au § 1er est suspendu :
a) à partir de la date de l'acte introductif d'instance visant à obtenir une décision judiciaire définitive, jusqu'à la date de la décision judiciaire définitive ou jusqu'au désistement d'instance;
b) à partir de la date de la décision judiciaire définitive qui octroie des termes et délais au débiteur, jusqu'à l'échéance fixée par le juge.
La suspension prend fin si le débiteur ne respecte pas les termes et délais octroyés par le juge;
c) à partir du premier paiement effectué en exécution de la convention établie entre l'organisme assureur et le débiteur pour le remboursement des prestations indues, jusqu'à l'échéance fixée par cette convention.
La suspension prend fin si le débiteur ne respecte pas les termes de la convention.
La convention visée au premier alinéa, doit être approuvée par le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, s'il s'agit d'indemnités d'incapacité de travail et si elle est conclue pour une durée qui excède de cinq ans le délai visé au § 1er;
d) à partir de la date de la première retenue opérée d'office sur des revenus de remplacement ou la pension de retraite, en application de l'article 1410, § 4, du code judiciaire, jusqu'au moment où cessent les retenues;
e) à partir de la date à laquelle l'huissier démarre la procédure de recouvrement, jusqu'à la clôture de la procédure;
f) à partir de la date d'introduction de la demande de renonciation à la récupération de l'indu en application de l'article 101, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, jusqu'à la décision du Comité de gestion du Service des indemnités;
g) à partir de la date d'introduction de la demande de renonciation à la récupération de montants payés indûment en application de l'article 22, § 2, a), de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social, jusqu'à la décision du Comité de l'assurance du Service des soins de santé ou du Comité de gestion du Service des indemnités;
h) pour une période de deux ans à partir de la date du décès de l'assuré.
Si la succession est acceptée sous bénéfice d'inventaire endéans ce délai de deux ans, la suspension prend fin le jour de la clôture de l'inventaire, même si celui-ci se produit avant la fin des deux ans. Si la clôture se produit après la fin des deux ans, la période de suspension sera prolongée jusqu'à cette date.
Si la succession est déclarée vacante et qu'un curateur à succession vacante a été désigné endéans ce délai de deux ans, la suspension prend fin lors de la clôture de la succession par le curateur à succession vacante, même si celle-ci a lieu avant la fin des deux ans. Si la succession se clôture après la fin des deux ans, la période de suspension sera prolongée jusqu'à la date de la clôture;
[4 Les paiements dont le caractère indu est la conséquence du décès de l'assuré social sont restitués par les organismes financiers des bénéficiaires des prestations de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités aux organismes assureurs selon les modalités à déterminer dans une convention.
Cette convention est conclue entre les organismes assureurs et les établissements de crédit dont l'activité est reconnue en Belgique en application de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse.
L'assuré social autorise l'organisme financier choisi à rembourser à l'organisme assureur, par débit de son compte bancaire et dans les limites fixées par la convention visée au paragraphe 2, toutes les sommes payées indûment.
Cette autorisation reste en vigueur après le décès de l'assuré social;]4
i) à partir de la date d'ouverture de la procédure de réorganisation judiciaire ou de faillite jusqu'à la clôture de la décision de la réorganisation judiciaire ou de la faillite;
j) à partir de la date de la décision d'admissibilité de la requête en règlement collectif de dettes, jusqu' au rejet, au terme ou à la révocation du plan de règlement amiable visé à l'article 1675/10 du Code judiciaire ou du plan de règlement judiciaire visé à l'article 1675/11 du Code judiciaire;
k) à partir de la date de l'introduction de la demande d'exequatur jusqu'à la date de la décision dont l'exequatur est demandé.]2
[2 § 3.]2 (ancien § 4) Lorsque le montant total des prestations payées indûment à un assuré social est inférieur à [1 25 EUR]1, pour les soins de santé, ou à (25 EUR), pour les indemnités d'incapacité de travail, l'organisme assureur est dispensé de récupérer ce montant. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
[1 Le montant pour les soins de santé est, le 1er janvier de chaque année et pour la première fois le 1er janvier 2011, adapté à l'évolution de la valeur de l'indice santé visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 8 décembre 1997 fixant les modalités d'application pour l'indexation des prestations dans le régime de l'assurance obligatoire soins de santé, entre le 30 juin de la deuxième année antérieure et le 30 juin de l'année antérieure.]1
Modifications
Art.326. <KB 1999-05-07/34, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 08-06-1999> § 1. De terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties wordt door de verzekeringsinstelling gedaan binnen een termijn van twee jaar, met ingang van de datum van :
a) de vaststelling voor de gevallen bedoeld in artikel 325, a);
b) de kennisgeving door de Dienst voor administratieve controle voor de gevallen bedoeld in artikel 325, b);
c) de uitspraak van de gerechtelijke eindbeslissing voor de gevallen bedoeld in artikel 325, c) en d).
§ 2. [2 ...]2.
[2 § 2.]2 (oude § 3) [2 De termijn bedoeld in § 1 wordt opgeschort :
a) vanaf de datum van de gedinginleidende akte tot het bekomen van de gerechtelijke eindbeslissing, tot aan de datum van de gerechtelijke eindbeslissing of tot aan de afstand van geding;
b) vanaf de datum van de gerechtelijke eindbeslissing, die voorwaarden en termijnen aan de schuldenaar oplegt, tot de vervaldatum die door de rechter is vastgesteld.
De opschorting neemt een einde als de schuldenaar de door de rechter opgelegde voorwaarden en termijnen niet naleeft;
c) vanaf de datum waarop de eerste betaling is geschied in uitvoering van de overeenkomst tot terugbetaling van de onverschuldigde prestaties die is gesloten tussen de verzekeringsinstelling en de schuldenaar, tot de vervaldatum die in die overeenkomst is bepaald.
De opschorting neemt een einde indien de schuldenaar de voorwaarden van de overeenkomst niet naleeft.
De in het eerste lid bedoelde overeenkomst moet worden goedgekeurd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle indien het arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betreft en indien zij is gesloten voor een duur die de termijn bedoeld in § 1 met vijf jaar overschrijdt;
d) vanaf de datum van de eerste inhouding die overeenkomstig artikel 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve wordt verricht op vervangingsinkomens of pensioenen, tot op het ogenblik dat de inhoudingen worden beëindigd;
e) vanaf de datum waarop de gerechtsdeurwaarder de invorderingsprocedure aanvat, tot de beëindiging van die procedure;
f) vanaf de datum van indiening van de aanvraag om te verzaken aan de terugvordering in toepassing van artikel 101, § 2, lid 2, van de gecoördineerde wet, tot de beslissing van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
g) vanaf de datum van indiening van de aanvraag om te verzaken aan de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen, overeenkomstig artikel 22, § 2, a), van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde, tot de beslissing van het Verzekeringscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
h) gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van overlijden van betrokkene.
Indien de nalatenschap binnen de twee jaar wordt aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan eindigt de opschorting op de dag van de afsluiting van de boedelbeschrijving, zelfs indien dit gebeurt voor het einde van de twee jaar. Indien de afsluiting gebeurt na het einde van de twee jaar wordt de periode verlengd tot aan deze datum.
Indien de nalatenschap onbeheerd wordt verklaard en een curator over de onbeheerde nalatenschap wordt aangesteld binnen deze termijn van twee jaar, dan eindigt de opschorting op het ogenblik waarop de curator de nalatenschap afsluit, zelfs al wordt de nalatenschap afgesloten voor het einde van de twee jaar. Indien de nalatenschap wordt afgesloten na het einde van de twee jaar, dan wordt de periode verder opgeschort tot de datum van de afsluiting;
[3 De betalingen waarvan het onverschuldigd karakter het gevolg is van het overlijden van de sociaal verzekerde, worden door de financiële instellingen, die de begunstigden zijn van de prestaties van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, terugbetaald aan de verzekeringsinstellingen, overeenkomstig de modaliteiten te bepalen in een overeenkomst.
Deze overeenkomst wordt gesloten tussen de verzekeringsinstellingen en de kredietinstellingen waarvan de activiteit in België erkend is in toepassing van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen.
De sociaal verzekerde laat de gekozen financiële instelling toe, alle onverschuldigde uitbetaalde bedragen aan de verzekeringsinstelling terug te betalen, door debitering van zijn bankrekening en binnen de grenzen vastgelegd in de conventie bedoeld in paragraaf 2.
Deze machtiging blijft van kracht na het overlijden van de sociaal verzekerde;]3
i) vanaf de aanvangsdatum van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie of van faillissement tot aan de beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie of van het faillissement;
j) vanaf de datum van de beslissing over de toelaatbaarheid van het verzoekschrift voor een collectieve schuldenregeling van de schulden tot aan de verwerping, het einde of de herroeping van de regeling van het plan voor minnelijke aanzuiveringsregeling zoals bedoeld in artikel 1675/10 van het Gerechtelijk Wetboek of van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling zoals bedoeld in artikel 1675/11 van het Gerechtelijk Wetboek;
k) vanaf de datum van de inleiding van de aanvraag van een exequatur tot aan de datum van de beslissing waarvan de exequatur gevraagd wordt.]2
[2 § 3.]2 (oude § 4) Wanneer het totaal bedrag van de ten onrechte aan een sociaal verzekerde betaalde prestaties voor de geneeskundige verzorging kleiner is dan [1 25 EUR]1 of voor de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid kleiner is dan (25 EUR), wordt de verzekeringsinstelling van de terugvordering van dat bedrag vrijgesteld. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
[1 Het bedrag voor de geneeskundige verzorging wordt op 1 januari van elk jaar en voor de eerste keer op 1 januari 2011, aangepast aan de evolutie van de waarde van het gezondheidsindexcijfer bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 december 1997 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten voor de indexering van de prestaties in de regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, tussen 30 juni van het tweede jaar ervoor en 30 juni van het jaar ervoor.]1
a) de vaststelling voor de gevallen bedoeld in artikel 325, a);
b) de kennisgeving door de Dienst voor administratieve controle voor de gevallen bedoeld in artikel 325, b);
c) de uitspraak van de gerechtelijke eindbeslissing voor de gevallen bedoeld in artikel 325, c) en d).
§ 2. [2 ...]2.
[2 § 2.]2 (oude § 3) [2 De termijn bedoeld in § 1 wordt opgeschort :
a) vanaf de datum van de gedinginleidende akte tot het bekomen van de gerechtelijke eindbeslissing, tot aan de datum van de gerechtelijke eindbeslissing of tot aan de afstand van geding;
b) vanaf de datum van de gerechtelijke eindbeslissing, die voorwaarden en termijnen aan de schuldenaar oplegt, tot de vervaldatum die door de rechter is vastgesteld.
De opschorting neemt een einde als de schuldenaar de door de rechter opgelegde voorwaarden en termijnen niet naleeft;
c) vanaf de datum waarop de eerste betaling is geschied in uitvoering van de overeenkomst tot terugbetaling van de onverschuldigde prestaties die is gesloten tussen de verzekeringsinstelling en de schuldenaar, tot de vervaldatum die in die overeenkomst is bepaald.
De opschorting neemt een einde indien de schuldenaar de voorwaarden van de overeenkomst niet naleeft.
De in het eerste lid bedoelde overeenkomst moet worden goedgekeurd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle indien het arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betreft en indien zij is gesloten voor een duur die de termijn bedoeld in § 1 met vijf jaar overschrijdt;
d) vanaf de datum van de eerste inhouding die overeenkomstig artikel 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve wordt verricht op vervangingsinkomens of pensioenen, tot op het ogenblik dat de inhoudingen worden beëindigd;
e) vanaf de datum waarop de gerechtsdeurwaarder de invorderingsprocedure aanvat, tot de beëindiging van die procedure;
f) vanaf de datum van indiening van de aanvraag om te verzaken aan de terugvordering in toepassing van artikel 101, § 2, lid 2, van de gecoördineerde wet, tot de beslissing van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
g) vanaf de datum van indiening van de aanvraag om te verzaken aan de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen, overeenkomstig artikel 22, § 2, a), van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde, tot de beslissing van het Verzekeringscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
h) gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van overlijden van betrokkene.
Indien de nalatenschap binnen de twee jaar wordt aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan eindigt de opschorting op de dag van de afsluiting van de boedelbeschrijving, zelfs indien dit gebeurt voor het einde van de twee jaar. Indien de afsluiting gebeurt na het einde van de twee jaar wordt de periode verlengd tot aan deze datum.
Indien de nalatenschap onbeheerd wordt verklaard en een curator over de onbeheerde nalatenschap wordt aangesteld binnen deze termijn van twee jaar, dan eindigt de opschorting op het ogenblik waarop de curator de nalatenschap afsluit, zelfs al wordt de nalatenschap afgesloten voor het einde van de twee jaar. Indien de nalatenschap wordt afgesloten na het einde van de twee jaar, dan wordt de periode verder opgeschort tot de datum van de afsluiting;
[3 De betalingen waarvan het onverschuldigd karakter het gevolg is van het overlijden van de sociaal verzekerde, worden door de financiële instellingen, die de begunstigden zijn van de prestaties van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, terugbetaald aan de verzekeringsinstellingen, overeenkomstig de modaliteiten te bepalen in een overeenkomst.
Deze overeenkomst wordt gesloten tussen de verzekeringsinstellingen en de kredietinstellingen waarvan de activiteit in België erkend is in toepassing van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen.
De sociaal verzekerde laat de gekozen financiële instelling toe, alle onverschuldigde uitbetaalde bedragen aan de verzekeringsinstelling terug te betalen, door debitering van zijn bankrekening en binnen de grenzen vastgelegd in de conventie bedoeld in paragraaf 2.
Deze machtiging blijft van kracht na het overlijden van de sociaal verzekerde;]3
i) vanaf de aanvangsdatum van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie of van faillissement tot aan de beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie of van het faillissement;
j) vanaf de datum van de beslissing over de toelaatbaarheid van het verzoekschrift voor een collectieve schuldenregeling van de schulden tot aan de verwerping, het einde of de herroeping van de regeling van het plan voor minnelijke aanzuiveringsregeling zoals bedoeld in artikel 1675/10 van het Gerechtelijk Wetboek of van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling zoals bedoeld in artikel 1675/11 van het Gerechtelijk Wetboek;
k) vanaf de datum van de inleiding van de aanvraag van een exequatur tot aan de datum van de beslissing waarvan de exequatur gevraagd wordt.]2
[2 § 3.]2 (oude § 4) Wanneer het totaal bedrag van de ten onrechte aan een sociaal verzekerde betaalde prestaties voor de geneeskundige verzorging kleiner is dan [1 25 EUR]1 of voor de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid kleiner is dan (25 EUR), wordt de verzekeringsinstelling van de terugvordering van dat bedrag vrijgesteld. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
[1 Het bedrag voor de geneeskundige verzorging wordt op 1 januari van elk jaar en voor de eerste keer op 1 januari 2011, aangepast aan de evolutie van de waarde van het gezondheidsindexcijfer bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 december 1997 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten voor de indexering van de prestaties in de regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, tussen 30 juni van het tweede jaar ervoor en 30 juni van het jaar ervoor.]1
Art.327. [1 § 1er. A l'exception des cas prévus au § 2, les montants des prestations payées indûment non encore récupérés sont amortis par leur inscription en frais d'administration dans les six mois qui suivent l'expiration des délais fixés à l'article 326.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif peut dispenser l'organisme assureur d'inscrire le montant en frais d'administration lorsque :
a) le paiement indu ne résulte pas d'une faute, d'une erreur ou d'une négligence de l'organisme assureur;
b) l'organisme assureur en a poursuivi le recouvrement par toutes voies de droit, y compris la voie judiciaire, étant entendu que l'organisme assureur n'est pas obligé d'utiliser les voies de droit dont le coût dépasserait le montant à récupérer.
Cette condition est réputée remplie lorsque le recouvrement des prestations indues est considéré comme aléatoire ou lorsque les frais afférents à l'exécution de la décision judiciaire définitive dépassent le montant à récupérer.
c) La demande porte sur un montant de 600 euros au moins.
§ 3. Le fonctionnaire dirigeant doit être mis en possession de toutes les pièces utiles au contrôle.
§ 4. Sous peine d'irrecevabilité de la demande, l'organisme assureur doit introduire la demande par lettre recommandée à la poste, avant la fin du délai fixé au § 1er.
§ 5. Est prématurée, la demande envoyée avant la fin du délai de récupération fixé à l'[2 article 326]2 .
Cette demande est cependant considérée comme recevable lorsque l'organisme assureur démontre que l'indu ne peut plus être récupéré.
§ 6. La décision du fonctionnaire dirigeant est notifiée à l'organisme assureur par lettre recommandée qui est considérée comme reçue le troisième jour ouvrable qui suit la remise du pli à la poste.
Jusqu'à cette date, le montant qui fait l'objet de la demande reste inscrit au compte spécial.]1
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif peut dispenser l'organisme assureur d'inscrire le montant en frais d'administration lorsque :
a) le paiement indu ne résulte pas d'une faute, d'une erreur ou d'une négligence de l'organisme assureur;
b) l'organisme assureur en a poursuivi le recouvrement par toutes voies de droit, y compris la voie judiciaire, étant entendu que l'organisme assureur n'est pas obligé d'utiliser les voies de droit dont le coût dépasserait le montant à récupérer.
Cette condition est réputée remplie lorsque le recouvrement des prestations indues est considéré comme aléatoire ou lorsque les frais afférents à l'exécution de la décision judiciaire définitive dépassent le montant à récupérer.
c) La demande porte sur un montant de 600 euros au moins.
§ 3. Le fonctionnaire dirigeant doit être mis en possession de toutes les pièces utiles au contrôle.
§ 4. Sous peine d'irrecevabilité de la demande, l'organisme assureur doit introduire la demande par lettre recommandée à la poste, avant la fin du délai fixé au § 1er.
§ 5. Est prématurée, la demande envoyée avant la fin du délai de récupération fixé à l'[2 article 326]2 .
Cette demande est cependant considérée comme recevable lorsque l'organisme assureur démontre que l'indu ne peut plus être récupéré.
§ 6. La décision du fonctionnaire dirigeant est notifiée à l'organisme assureur par lettre recommandée qui est considérée comme reçue le troisième jour ouvrable qui suit la remise du pli à la poste.
Jusqu'à cette date, le montant qui fait l'objet de la demande reste inscrit au compte spécial.]1
Art. 326. <KB 1999-05-07/34, art. 2, 034; Inwerkingtreding : 08-06-1999> § 1. De terugvordering van de ten onrechte betaalde prestaties wordt door de verzekeringsinstelling gedaan binnen een termijn van twee jaar, met ingang van de datum van :
a) de vaststelling voor de gevallen bedoeld in artikel 325, a);
b) de kennisgeving door de Dienst voor administratieve controle voor de gevallen bedoeld in artikel 325, b);
c) de uitspraak van de gerechtelijke eindbeslissing voor de gevallen bedoeld in artikel 325, c) en d).
§ 2. [2 ...]2.
[2 § 2.]2 (oude § 3) [2 De termijn bedoeld in § 1 wordt opgeschort :
a) vanaf de datum van de gedinginleidende akte tot het bekomen van de gerechtelijke eindbeslissing, tot aan de datum van de gerechtelijke eindbeslissing of tot aan de afstand van geding;
b) vanaf de datum van de gerechtelijke eindbeslissing, die voorwaarden en termijnen aan de schuldenaar oplegt, tot de vervaldatum die door de rechter is vastgesteld.
De opschorting neemt een einde als de schuldenaar de door de rechter opgelegde voorwaarden en termijnen niet naleeft;
c) vanaf de datum waarop de eerste betaling is geschied in uitvoering van de overeenkomst tot terugbetaling van de onverschuldigde prestaties die is gesloten tussen de verzekeringsinstelling en de schuldenaar, tot de vervaldatum die in die overeenkomst is bepaald.
De opschorting neemt een einde indien de schuldenaar de voorwaarden van de overeenkomst niet naleeft.
De in het eerste lid bedoelde overeenkomst moet worden goedgekeurd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle indien het arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betreft en indien zij is gesloten voor een duur die de termijn bedoeld in § 1 met vijf jaar overschrijdt;
d) vanaf de datum van de eerste inhouding die overeenkomstig artikel 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve wordt verricht op vervangingsinkomens of pensioenen, tot op het ogenblik dat de inhoudingen worden beëindigd;
e) vanaf de datum waarop de gerechtsdeurwaarder de invorderingsprocedure aanvat, tot de beëindiging van die procedure;
f) vanaf de datum van indiening van de aanvraag om te verzaken aan de terugvordering in toepassing van artikel 101, § 2, lid 2, van de gecoördineerde wet, tot de beslissing van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
g) vanaf de datum van indiening van de aanvraag om te verzaken aan de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen, overeenkomstig artikel 22, § 2, a), van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde, tot de beslissing van het Verzekeringscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
h) gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van overlijden van betrokkene.
Indien de nalatenschap binnen de twee jaar wordt aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan eindigt de opschorting op de dag van de afsluiting van de boedelbeschrijving, zelfs indien dit gebeurt voor het einde van de twee jaar. Indien de afsluiting gebeurt na het einde van de twee jaar wordt de periode verlengd tot aan deze datum.
Indien de nalatenschap onbeheerd wordt verklaard en een curator over de onbeheerde nalatenschap wordt aangesteld binnen deze termijn van twee jaar, dan eindigt de opschorting op het ogenblik waarop de curator de nalatenschap afsluit, zelfs al wordt de nalatenschap afgesloten voor het einde van de twee jaar. Indien de nalatenschap wordt afgesloten na het einde van de twee jaar, dan wordt de periode verder opgeschort tot de datum van de afsluiting;
[3 De betalingen waarvan het onverschuldigd karakter het gevolg is van het overlijden van de sociaal verzekerde, worden door de financiële instellingen, die de begunstigden zijn van de prestaties van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, terugbetaald aan de verzekeringsinstellingen, overeenkomstig de modaliteiten te bepalen in een overeenkomst.
Deze overeenkomst wordt gesloten tussen de verzekeringsinstellingen en de kredietinstellingen waarvan de activiteit in België erkend is in toepassing van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen.
De sociaal verzekerde laat de gekozen financiële instelling toe, alle onverschuldigde uitbetaalde bedragen aan de verzekeringsinstelling terug te betalen, door debitering van zijn bankrekening en binnen de grenzen vastgelegd in de conventie bedoeld in paragraaf 2.
Deze machtiging blijft van kracht na het overlijden van de sociaal verzekerde;]3
i) vanaf de aanvangsdatum van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie of van faillissement tot aan de beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie of van het faillissement;
j) vanaf de datum van de beslissing over de toelaatbaarheid van het verzoekschrift voor een collectieve schuldenregeling van de schulden tot aan de verwerping, het einde of de herroeping van de regeling van het plan voor minnelijke aanzuiveringsregeling zoals bedoeld in artikel 1675/10 van het Gerechtelijk Wetboek of van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling zoals bedoeld in artikel 1675/11 van het Gerechtelijk Wetboek;
k) vanaf de datum van de inleiding van de aanvraag van een exequatur tot aan de datum van de beslissing waarvan de exequatur gevraagd wordt.]2
[2 § 3.]2 (oude § 4) Wanneer het totaal bedrag van de ten onrechte aan een sociaal verzekerde betaalde prestaties voor de geneeskundige verzorging kleiner is dan [1 25 EUR]1 of voor de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid kleiner is dan (25 EUR), wordt de verzekeringsinstelling van de terugvordering van dat bedrag vrijgesteld. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
[1 Het bedrag voor de geneeskundige verzorging wordt op 1 januari van elk jaar en voor de eerste keer op 1 januari 2011, aangepast aan de evolutie van de waarde van het gezondheidsindexcijfer bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 december 1997 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten voor de indexering van de prestaties in de regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, tussen 30 juni van het tweede jaar ervoor en 30 juni van het jaar ervoor.]1
a) de vaststelling voor de gevallen bedoeld in artikel 325, a);
b) de kennisgeving door de Dienst voor administratieve controle voor de gevallen bedoeld in artikel 325, b);
c) de uitspraak van de gerechtelijke eindbeslissing voor de gevallen bedoeld in artikel 325, c) en d).
§ 2. [2 ...]2.
[2 § 2.]2 (oude § 3) [2 De termijn bedoeld in § 1 wordt opgeschort :
a) vanaf de datum van de gedinginleidende akte tot het bekomen van de gerechtelijke eindbeslissing, tot aan de datum van de gerechtelijke eindbeslissing of tot aan de afstand van geding;
b) vanaf de datum van de gerechtelijke eindbeslissing, die voorwaarden en termijnen aan de schuldenaar oplegt, tot de vervaldatum die door de rechter is vastgesteld.
De opschorting neemt een einde als de schuldenaar de door de rechter opgelegde voorwaarden en termijnen niet naleeft;
c) vanaf de datum waarop de eerste betaling is geschied in uitvoering van de overeenkomst tot terugbetaling van de onverschuldigde prestaties die is gesloten tussen de verzekeringsinstelling en de schuldenaar, tot de vervaldatum die in die overeenkomst is bepaald.
De opschorting neemt een einde indien de schuldenaar de voorwaarden van de overeenkomst niet naleeft.
De in het eerste lid bedoelde overeenkomst moet worden goedgekeurd door de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle indien het arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betreft en indien zij is gesloten voor een duur die de termijn bedoeld in § 1 met vijf jaar overschrijdt;
d) vanaf de datum van de eerste inhouding die overeenkomstig artikel 1410, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek ambtshalve wordt verricht op vervangingsinkomens of pensioenen, tot op het ogenblik dat de inhoudingen worden beëindigd;
e) vanaf de datum waarop de gerechtsdeurwaarder de invorderingsprocedure aanvat, tot de beëindiging van die procedure;
f) vanaf de datum van indiening van de aanvraag om te verzaken aan de terugvordering in toepassing van artikel 101, § 2, lid 2, van de gecoördineerde wet, tot de beslissing van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
g) vanaf de datum van indiening van de aanvraag om te verzaken aan de terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen, overeenkomstig artikel 22, § 2, a), van de wet van 11 april 1995 tot invoering van het Handvest van de sociaal verzekerde, tot de beslissing van het Verzekeringscomité van de Dienst voor geneeskundige verzorging of van het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen;
h) gedurende een periode van twee jaar vanaf de datum van overlijden van betrokkene.
Indien de nalatenschap binnen de twee jaar wordt aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan eindigt de opschorting op de dag van de afsluiting van de boedelbeschrijving, zelfs indien dit gebeurt voor het einde van de twee jaar. Indien de afsluiting gebeurt na het einde van de twee jaar wordt de periode verlengd tot aan deze datum.
Indien de nalatenschap onbeheerd wordt verklaard en een curator over de onbeheerde nalatenschap wordt aangesteld binnen deze termijn van twee jaar, dan eindigt de opschorting op het ogenblik waarop de curator de nalatenschap afsluit, zelfs al wordt de nalatenschap afgesloten voor het einde van de twee jaar. Indien de nalatenschap wordt afgesloten na het einde van de twee jaar, dan wordt de periode verder opgeschort tot de datum van de afsluiting;
[3 De betalingen waarvan het onverschuldigd karakter het gevolg is van het overlijden van de sociaal verzekerde, worden door de financiële instellingen, die de begunstigden zijn van de prestaties van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, terugbetaald aan de verzekeringsinstellingen, overeenkomstig de modaliteiten te bepalen in een overeenkomst.
Deze overeenkomst wordt gesloten tussen de verzekeringsinstellingen en de kredietinstellingen waarvan de activiteit in België erkend is in toepassing van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen.
De sociaal verzekerde laat de gekozen financiële instelling toe, alle onverschuldigde uitbetaalde bedragen aan de verzekeringsinstelling terug te betalen, door debitering van zijn bankrekening en binnen de grenzen vastgelegd in de conventie bedoeld in paragraaf 2.
Deze machtiging blijft van kracht na het overlijden van de sociaal verzekerde;]3
i) vanaf de aanvangsdatum van de procedure tot gerechtelijke reorganisatie of van faillissement tot aan de beëindiging van de gerechtelijke reorganisatie of van het faillissement;
j) vanaf de datum van de beslissing over de toelaatbaarheid van het verzoekschrift voor een collectieve schuldenregeling van de schulden tot aan de verwerping, het einde of de herroeping van de regeling van het plan voor minnelijke aanzuiveringsregeling zoals bedoeld in artikel 1675/10 van het Gerechtelijk Wetboek of van de gerechtelijke aanzuiveringsregeling zoals bedoeld in artikel 1675/11 van het Gerechtelijk Wetboek;
k) vanaf de datum van de inleiding van de aanvraag van een exequatur tot aan de datum van de beslissing waarvan de exequatur gevraagd wordt.]2
[2 § 3.]2 (oude § 4) Wanneer het totaal bedrag van de ten onrechte aan een sociaal verzekerde betaalde prestaties voor de geneeskundige verzorging kleiner is dan [1 25 EUR]1 of voor de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid kleiner is dan (25 EUR), wordt de verzekeringsinstelling van de terugvordering van dat bedrag vrijgesteld. <KB 2000-07-20/68, art. 4, 057; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
[1 Het bedrag voor de geneeskundige verzorging wordt op 1 januari van elk jaar en voor de eerste keer op 1 januari 2011, aangepast aan de evolutie van de waarde van het gezondheidsindexcijfer bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 december 1997 tot bepaling van de toepassingsmodaliteiten voor de indexering van de prestaties in de regeling van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, tussen 30 juni van het tweede jaar ervoor en 30 juni van het jaar ervoor.]1
Art. 326. <AR 1999-05-07/34, art. 2, 034; En vigueur : 08-06-1999> § 1er. La récupération des prestations payée indûment est effectuée par l'organisme assureur dans un délai de deux ans à partir de la date :
a) de la constatation pour les cas visés à l'article 325, a);
b) de la notification du Service du contrôle administratif pour les cas visés à l'article 325, b);
c) du prononcé de la décisions judiciaire définitive pour les cas visés à l'article 325, c) et d).
§ 2. [2 ...]2.
[2 § 2.]2 (ancien § 3) [2 Le délai visé au § 1er est suspendu :
a) à partir de la date de l'acte introductif d'instance visant à obtenir une décision judiciaire définitive, jusqu'à la date de la décision judiciaire définitive ou jusqu'au désistement d'instance;
b) à partir de la date de la décision judiciaire définitive qui octroie des termes et délais au débiteur, jusqu'à l'échéance fixée par le juge.
La suspension prend fin si le débiteur ne respecte pas les termes et délais octroyés par le juge;
c) à partir du premier paiement effectué en exécution de la convention établie entre l'organisme assureur et le débiteur pour le remboursement des prestations indues, jusqu'à l'échéance fixée par cette convention.
La suspension prend fin si le débiteur ne respecte pas les termes de la convention.
La convention visée au premier alinéa, doit être approuvée par le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, s'il s'agit d'indemnités d'incapacité de travail et si elle est conclue pour une durée qui excède de cinq ans le délai visé au § 1er;
d) à partir de la date de la première retenue opérée d'office sur des revenus de remplacement ou la pension de retraite, en application de l'article 1410, § 4, du code judiciaire, jusqu'au moment où cessent les retenues;
e) à partir de la date à laquelle l'huissier démarre la procédure de recouvrement, jusqu'à la clôture de la procédure;
f) à partir de la date d'introduction de la demande de renonciation à la récupération de l'indu en application de l'article 101, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, jusqu'à la décision du Comité de gestion du Service des indemnités;
g) à partir de la date d'introduction de la demande de renonciation à la récupération de montants payés indûment en application de l'article 22, § 2, a), de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social, jusqu'à la décision du Comité de l'assurance du Service des soins de santé ou du Comité de gestion du Service des indemnités;
h) pour une période de deux ans à partir de la date du décès de l'assuré.
Si la succession est acceptée sous bénéfice d'inventaire endéans ce délai de deux ans, la suspension prend fin le jour de la clôture de l'inventaire, même si celui-ci se produit avant la fin des deux ans. Si la clôture se produit après la fin des deux ans, la période de suspension sera prolongée jusqu'à cette date.
Si la succession est déclarée vacante et qu'un curateur à succession vacante a été désigné endéans ce délai de deux ans, la suspension prend fin lors de la clôture de la succession par le curateur à succession vacante, même si celle-ci a lieu avant la fin des deux ans. Si la succession se clôture après la fin des deux ans, la période de suspension sera prolongée jusqu'à la date de la clôture;
[4 Les paiements dont le caractère indu est la conséquence du décès de l'assuré social sont restitués par les organismes financiers des bénéficiaires des prestations de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités aux organismes assureurs selon les modalités à déterminer dans une convention.
Cette convention est conclue entre les organismes assureurs et les établissements de crédit dont l'activité est reconnue en Belgique en application de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse.
L'assuré social autorise l'organisme financier choisi à rembourser à l'organisme assureur, par débit de son compte bancaire et dans les limites fixées par la convention visée au paragraphe 2, toutes les sommes payées indûment.
Cette autorisation reste en vigueur après le décès de l'assuré social;]4
i) à partir de la date d'ouverture de la procédure de réorganisation judiciaire ou de faillite jusqu'à la clôture de la décision de la réorganisation judiciaire ou de la faillite;
j) à partir de la date de la décision d'admissibilité de la requête en règlement collectif de dettes, jusqu' au rejet, au terme ou à la révocation du plan de règlement amiable visé à l'article 1675/10 du Code judiciaire ou du plan de règlement judiciaire visé à l'article 1675/11 du Code judiciaire;
k) à partir de la date de l'introduction de la demande d'exequatur jusqu'à la date de la décision dont l'exequatur est demandé.]2
[2 § 3.]2 (ancien § 4) Lorsque le montant total des prestations payées indûment à un assuré social est inférieur à [1 25 EUR]1, pour les soins de santé, ou à (25 EUR), pour les indemnités d'incapacité de travail, l'organisme assureur est dispensé de récupérer ce montant. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
[1 Le montant pour les soins de santé est, le 1er janvier de chaque année et pour la première fois le 1er janvier 2011, adapté à l'évolution de la valeur de l'indice santé visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 8 décembre 1997 fixant les modalités d'application pour l'indexation des prestations dans le régime de l'assurance obligatoire soins de santé, entre le 30 juin de la deuxième année antérieure et le 30 juin de l'année antérieure.]1
a) de la constatation pour les cas visés à l'article 325, a);
b) de la notification du Service du contrôle administratif pour les cas visés à l'article 325, b);
c) du prononcé de la décisions judiciaire définitive pour les cas visés à l'article 325, c) et d).
§ 2. [2 ...]2.
[2 § 2.]2 (ancien § 3) [2 Le délai visé au § 1er est suspendu :
a) à partir de la date de l'acte introductif d'instance visant à obtenir une décision judiciaire définitive, jusqu'à la date de la décision judiciaire définitive ou jusqu'au désistement d'instance;
b) à partir de la date de la décision judiciaire définitive qui octroie des termes et délais au débiteur, jusqu'à l'échéance fixée par le juge.
La suspension prend fin si le débiteur ne respecte pas les termes et délais octroyés par le juge;
c) à partir du premier paiement effectué en exécution de la convention établie entre l'organisme assureur et le débiteur pour le remboursement des prestations indues, jusqu'à l'échéance fixée par cette convention.
La suspension prend fin si le débiteur ne respecte pas les termes de la convention.
La convention visée au premier alinéa, doit être approuvée par le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, s'il s'agit d'indemnités d'incapacité de travail et si elle est conclue pour une durée qui excède de cinq ans le délai visé au § 1er;
d) à partir de la date de la première retenue opérée d'office sur des revenus de remplacement ou la pension de retraite, en application de l'article 1410, § 4, du code judiciaire, jusqu'au moment où cessent les retenues;
e) à partir de la date à laquelle l'huissier démarre la procédure de recouvrement, jusqu'à la clôture de la procédure;
f) à partir de la date d'introduction de la demande de renonciation à la récupération de l'indu en application de l'article 101, § 2, alinéa 2, de la loi coordonnée, jusqu'à la décision du Comité de gestion du Service des indemnités;
g) à partir de la date d'introduction de la demande de renonciation à la récupération de montants payés indûment en application de l'article 22, § 2, a), de la loi du 11 avril 1995 visant à instituer la charte de l'assuré social, jusqu'à la décision du Comité de l'assurance du Service des soins de santé ou du Comité de gestion du Service des indemnités;
h) pour une période de deux ans à partir de la date du décès de l'assuré.
Si la succession est acceptée sous bénéfice d'inventaire endéans ce délai de deux ans, la suspension prend fin le jour de la clôture de l'inventaire, même si celui-ci se produit avant la fin des deux ans. Si la clôture se produit après la fin des deux ans, la période de suspension sera prolongée jusqu'à cette date.
Si la succession est déclarée vacante et qu'un curateur à succession vacante a été désigné endéans ce délai de deux ans, la suspension prend fin lors de la clôture de la succession par le curateur à succession vacante, même si celle-ci a lieu avant la fin des deux ans. Si la succession se clôture après la fin des deux ans, la période de suspension sera prolongée jusqu'à la date de la clôture;
[4 Les paiements dont le caractère indu est la conséquence du décès de l'assuré social sont restitués par les organismes financiers des bénéficiaires des prestations de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités aux organismes assureurs selon les modalités à déterminer dans une convention.
Cette convention est conclue entre les organismes assureurs et les établissements de crédit dont l'activité est reconnue en Belgique en application de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse.
L'assuré social autorise l'organisme financier choisi à rembourser à l'organisme assureur, par débit de son compte bancaire et dans les limites fixées par la convention visée au paragraphe 2, toutes les sommes payées indûment.
Cette autorisation reste en vigueur après le décès de l'assuré social;]4
i) à partir de la date d'ouverture de la procédure de réorganisation judiciaire ou de faillite jusqu'à la clôture de la décision de la réorganisation judiciaire ou de la faillite;
j) à partir de la date de la décision d'admissibilité de la requête en règlement collectif de dettes, jusqu' au rejet, au terme ou à la révocation du plan de règlement amiable visé à l'article 1675/10 du Code judiciaire ou du plan de règlement judiciaire visé à l'article 1675/11 du Code judiciaire;
k) à partir de la date de l'introduction de la demande d'exequatur jusqu'à la date de la décision dont l'exequatur est demandé.]2
[2 § 3.]2 (ancien § 4) Lorsque le montant total des prestations payées indûment à un assuré social est inférieur à [1 25 EUR]1, pour les soins de santé, ou à (25 EUR), pour les indemnités d'incapacité de travail, l'organisme assureur est dispensé de récupérer ce montant. <AR 2000-07-20/68, art. 4, 057; En vigueur : 01-01-2002>
[1 Le montant pour les soins de santé est, le 1er janvier de chaque année et pour la première fois le 1er janvier 2011, adapté à l'évolution de la valeur de l'indice santé visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 8 décembre 1997 fixant les modalités d'application pour l'indexation des prestations dans le régime de l'assurance obligatoire soins de santé, entre le 30 juin de la deuxième année antérieure et le 30 juin de l'année antérieure.]1
Modifications
Art. 327. [1 § 1. Behoudens de gevallen bepaald in § 2 worden de bedragen van de ten onrechte betaalde prestaties die nog niet zijn teruggevorderd binnen zes maanden na het aflopen van de termijnen bepaald in artikel 326, afgeschreven door ze als administratiekosten te boeken.
§ 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle kan de verzekeringsinstelling vrijstellen van de boeking als administratiekosten indien :
a) de onverschuldigde betaling niet voortvloeit uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstelling;
b) de verzekeringsinstelling alle te harer beschikking staande middelen, rechtsmiddelen inbegrepen, heeft aangewend om de terugbetaling te vorderen, evenwel is de verzekeringsinstelling niet verplicht om rechtsmiddelen aan te wenden indien de kosten het terug te vorderen bedrag overschrijden.
Die voorwaarde wordt als vervuld beschouwd wanneer de terugvordering van de onverschuldigde prestaties als onzeker wordt beschouwd of wanneer de kosten verbonden aan de uitvoering van de gerechtelijke eindbeslissing het terug te vorderen bedrag overschrijden.
c) De aanvraag betrekking heeft op een bedrag van ten minste van 600 euro.
§ 3. De leidend ambtenaar dient in het bezit gesteld te worden van alle nuttige stukken voor de controle.
§ 4. Op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag dient de verzekeringsinstelling de aanvraag per aangetekende brief in te dienen vóór het einde van de in § 1 bepaalde termijn.
§ 5. De aanvraag ingediend voor het einde van de terugvorderingstermijn voorzien in [2 artikel 326]2 , is voorbarig.
De aanvraag is niettemin ontvankelijk indien de verzekeringsinstelling aantoont dat het onverschuldigd bedrag niet kan worden teruggevorderd.
§ 6. De beslissing van de leidend ambtenaar wordt per aangetekende brief, die als ontvangen wordt beschouwd op de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post, ter kennis van de verzekeringsinstelling gebracht.
Tot die datum blijft het bedrag waarop de aanvraag betrekking heeft op de bijzondere rekening geboekt.]1
§ 2. De leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle kan de verzekeringsinstelling vrijstellen van de boeking als administratiekosten indien :
a) de onverschuldigde betaling niet voortvloeit uit een fout, een vergissing of een nalatigheid van de verzekeringsinstelling;
b) de verzekeringsinstelling alle te harer beschikking staande middelen, rechtsmiddelen inbegrepen, heeft aangewend om de terugbetaling te vorderen, evenwel is de verzekeringsinstelling niet verplicht om rechtsmiddelen aan te wenden indien de kosten het terug te vorderen bedrag overschrijden.
Die voorwaarde wordt als vervuld beschouwd wanneer de terugvordering van de onverschuldigde prestaties als onzeker wordt beschouwd of wanneer de kosten verbonden aan de uitvoering van de gerechtelijke eindbeslissing het terug te vorderen bedrag overschrijden.
c) De aanvraag betrekking heeft op een bedrag van ten minste van 600 euro.
§ 3. De leidend ambtenaar dient in het bezit gesteld te worden van alle nuttige stukken voor de controle.
§ 4. Op straffe van onontvankelijkheid van de aanvraag dient de verzekeringsinstelling de aanvraag per aangetekende brief in te dienen vóór het einde van de in § 1 bepaalde termijn.
§ 5. De aanvraag ingediend voor het einde van de terugvorderingstermijn voorzien in [2 artikel 326]2 , is voorbarig.
De aanvraag is niettemin ontvankelijk indien de verzekeringsinstelling aantoont dat het onverschuldigd bedrag niet kan worden teruggevorderd.
§ 6. De beslissing van de leidend ambtenaar wordt per aangetekende brief, die als ontvangen wordt beschouwd op de derde werkdag na de afgifte van de brief aan de post, ter kennis van de verzekeringsinstelling gebracht.
Tot die datum blijft het bedrag waarop de aanvraag betrekking heeft op de bijzondere rekening geboekt.]1
Art. 327. [1 § 1er. A l'exception des cas prévus au § 2, les montants des prestations payées indûment non encore récupérés sont amortis par leur inscription en frais d'administration dans les six mois qui suivent l'expiration des délais fixés à l'article 326.
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif peut dispenser l'organisme assureur d'inscrire le montant en frais d'administration lorsque :
a) le paiement indu ne résulte pas d'une faute, d'une erreur ou d'une négligence de l'organisme assureur;
b) l'organisme assureur en a poursuivi le recouvrement par toutes voies de droit, y compris la voie judiciaire, étant entendu que l'organisme assureur n'est pas obligé d'utiliser les voies de droit dont le coût dépasserait le montant à récupérer.
Cette condition est réputée remplie lorsque le recouvrement des prestations indues est considéré comme aléatoire ou lorsque les frais afférents à l'exécution de la décision judiciaire définitive dépassent le montant à récupérer.
c) La demande porte sur un montant de 600 euros au moins.
§ 3. Le fonctionnaire dirigeant doit être mis en possession de toutes les pièces utiles au contrôle.
§ 4. Sous peine d'irrecevabilité de la demande, l'organisme assureur doit introduire la demande par lettre recommandée à la poste, avant la fin du délai fixé au § 1er.
§ 5. Est prématurée, la demande envoyée avant la fin du délai de récupération fixé à l'[2 article 326]2 .
Cette demande est cependant considérée comme recevable lorsque l'organisme assureur démontre que l'indu ne peut plus être récupéré.
§ 6. La décision du fonctionnaire dirigeant est notifiée à l'organisme assureur par lettre recommandée qui est considérée comme reçue le troisième jour ouvrable qui suit la remise du pli à la poste.
Jusqu'à cette date, le montant qui fait l'objet de la demande reste inscrit au compte spécial.]1
§ 2. Le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif peut dispenser l'organisme assureur d'inscrire le montant en frais d'administration lorsque :
a) le paiement indu ne résulte pas d'une faute, d'une erreur ou d'une négligence de l'organisme assureur;
b) l'organisme assureur en a poursuivi le recouvrement par toutes voies de droit, y compris la voie judiciaire, étant entendu que l'organisme assureur n'est pas obligé d'utiliser les voies de droit dont le coût dépasserait le montant à récupérer.
Cette condition est réputée remplie lorsque le recouvrement des prestations indues est considéré comme aléatoire ou lorsque les frais afférents à l'exécution de la décision judiciaire définitive dépassent le montant à récupérer.
c) La demande porte sur un montant de 600 euros au moins.
§ 3. Le fonctionnaire dirigeant doit être mis en possession de toutes les pièces utiles au contrôle.
§ 4. Sous peine d'irrecevabilité de la demande, l'organisme assureur doit introduire la demande par lettre recommandée à la poste, avant la fin du délai fixé au § 1er.
§ 5. Est prématurée, la demande envoyée avant la fin du délai de récupération fixé à l'[2 article 326]2 .
Cette demande est cependant considérée comme recevable lorsque l'organisme assureur démontre que l'indu ne peut plus être récupéré.
§ 6. La décision du fonctionnaire dirigeant est notifiée à l'organisme assureur par lettre recommandée qui est considérée comme reçue le troisième jour ouvrable qui suit la remise du pli à la poste.
Jusqu'à cette date, le montant qui fait l'objet de la demande reste inscrit au compte spécial.]1
Art.328. De leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle oordeelt, voor elk geval afzonderlijk waarin die wordt ingeroepen, over het bestaan van de overmacht, die krachtens artikel 174, vijfde lid, van de gecoördineerde wet de verjaring schorst.
Art.329. § 1er. La décision du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif est notifiée au bénéficiaire par lettre recommandée à la poste.
Art.329. § 1. De beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle wordt, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van de rechthebbende.
De beslissing wordt eveneens meegedeeld aan de verzekeringsinstelling.
§ 2. De beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, die het bestaan van de overmacht afwijst, wordt met redenen omkleed.
De kennisgeving aan de rechthebbende vermeldt dat tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank, alsmede de vormen waarin en de termijnen waarbinnen het beroep dient te worden ingesteld.
De beslissing wordt eveneens meegedeeld aan de verzekeringsinstelling.
§ 2. De beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, die het bestaan van de overmacht afwijst, wordt met redenen omkleed.
De kennisgeving aan de rechthebbende vermeldt dat tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank, alsmede de vormen waarin en de termijnen waarbinnen het beroep dient te worden ingesteld.
Art. 328. Le fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif statue pour chaque cas individuel où elle est invoquée, sur l'existence de la force majeure, qui suspend la prescription en vertu de l'article 174, alinéa 5, de la loi coordonnée.
Art. 329. § 1. De beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle wordt, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van de rechthebbende.
De beslissing wordt eveneens meegedeeld aan de verzekeringsinstelling.
§ 2. De beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, die het bestaan van de overmacht afwijst, wordt met redenen omkleed.
De kennisgeving aan de rechthebbende vermeldt dat tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank, alsmede de vormen waarin en de termijnen waarbinnen het beroep dient te worden ingesteld.
De beslissing wordt eveneens meegedeeld aan de verzekeringsinstelling.
§ 2. De beslissing van de leidend ambtenaar van de Dienst voor administratieve controle, die het bestaan van de overmacht afwijst, wordt met redenen omkleed.
De kennisgeving aan de rechthebbende vermeldt dat tegen de beslissing beroep kan worden ingesteld bij de arbeidsrechtbank, alsmede de vormen waarin en de termijnen waarbinnen het beroep dient te worden ingesteld.
Art. 329. § 1er. La décision du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif est notifiée au bénéficiaire par lettre recommandée à la poste.
La décision est également notifiée à l'organisme assureur.
§ 2. La décision du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, qui rejette l'existence de la force majeure, est motivée.
La notification au bénéficiaire mentionne qu'appel peut être interjeté contre la décision auprès du tribunal du travail, ainsi que les formes dans lesquelles et les délais endéans lesquels l'appel doit être interjeté.
La décision est également notifiée à l'organisme assureur.
§ 2. La décision du fonctionnaire dirigeant du Service du contrôle administratif, qui rejette l'existence de la force majeure, est motivée.
La notification au bénéficiaire mentionne qu'appel peut être interjeté contre la décision auprès du tribunal du travail, ainsi que les formes dans lesquelles et les délais endéans lesquels l'appel doit être interjeté.
Art. 329bis. [1 Na advies van de Technische commissie, stelt de Dienst voor administratieve controle de lijst vast van de stukken, bescheiden of gegevens, die door de verzekeringsinstellingen moeten bewaard worden krachtens de door de voormelde gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten voorgeschreven termijnen of voorwaarden. De aanvangsdatum van de termijnen van bewaring van de voormelde stukken, bescheiden of gegevens, is vastgesteld op 1 januari van het jaar na de gebeurtenis naar aanleiding waarvan die termijnen ingaan.]1
Art. 329ter. [1 Les documents et données concernant des cas pour lesquels un litige est pendant, doivent être conservés au minimum jusqu'à la date de décision définitive concernant le litige.
Le délai de conservation de documents et données concernant des cas qui font l'objet d'une constatation d'un des services de contrôle peut être prolongé à la demande expresse de ces services de contrôle.]1
Le délai de conservation de documents et données concernant des cas qui font l'objet d'une constatation d'un des services de contrôle peut être prolongé à la demande expresse de ces services de contrôle.]1
Modifications
Art. 329bis. [1 Na advies van de Technische commissie, stelt de Dienst voor administratieve controle de lijst vast van de stukken, bescheiden of gegevens, die door de verzekeringsinstellingen moeten bewaard worden krachtens de door de voormelde gecoördineerde wet en haar uitvoeringsbesluiten voorgeschreven termijnen of voorwaarden. De aanvangsdatum van de termijnen van bewaring van de voormelde stukken, bescheiden of gegevens, is vastgesteld op 1 januari van het jaar na de gebeurtenis naar aanleiding waarvan die termijnen ingaan.]1
Art. 329bis. [1 Après avis de la Commission technique, le Service du contrôle administratif fixe la liste des pièces, documents ou données qui doivent être conservés par les organismes assureurs conformément aux délais ou conditions prescrits par la loi coordonnée susvisée et ses arrêtés d'exécution. La date de début des délais de conservation des pièces, documents ou données susvisés est fixée au 1er janvier de l'année suivant l'événement qui a donné lieu à ces délais.]1
Modifications
Art. 329quater. [1 De in toepassing van artikel 329bis te bewaren stukken, bescheiden en gegevens, die oorspronkelijk op papier werden bewaard, kunnen op een andere dan papieren drager worden bewaard of weergegeven, door middel van fotografische, optische, elektronische of elke andere techniek, onder de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 7 december 2016 over de bewijskracht van de gegevens die door de instellingen van sociale zekerheid worden verwerkt.]1
Art. 329ter. [1 Les documents et données concernant des cas pour lesquels un litige est pendant, doivent être conservés au minimum jusqu'à la date de décision définitive concernant le litige.
Le délai de conservation de documents et données concernant des cas qui font l'objet d'une constatation d'un des services de contrôle peut être prolongé à la demande expresse de ces services de contrôle.]1
Le délai de conservation de documents et données concernant des cas qui font l'objet d'une constatation d'un des services de contrôle peut être prolongé à la demande expresse de ces services de contrôle.]1
Modifications
Art. 329quater. [1 De in toepassing van artikel 329bis te bewaren stukken, bescheiden en gegevens, die oorspronkelijk op papier werden bewaard, kunnen op een andere dan papieren drager worden bewaard of weergegeven, door middel van fotografische, optische, elektronische of elke andere techniek, onder de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 7 december 2016 over de bewijskracht van de gegevens die door de instellingen van sociale zekerheid worden verwerkt.]1
Art. 329quater. [1 Les pièces, documents et données à conserver en application de l'article 329bis, qui étaient à l'origine conservés sur support papier, peuvent être conservés ou reproduits sur un autre support, au moyen d'une technique photographique, optique, électronique ou autre, aux conditions fixées par l'arrêté royal du 7 décembre 2016 relatif à la force probante des données traitées par les institutions de sécurité sociale.]1
Modifications
Art.330. De in artikel 175 van de gecoördineerde wet, bedoelde eedformule luidt:
TITRE VI. - Des dispositions financières et statistiques.
Art. 330. De in artikel 175 van de gecoördineerde wet, bedoelde eedformule luidt:
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk."
"Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk."
Art. 330. La formule des serments visés à l'article 175 de la loi coordonnée est la suivante:
"Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge".
"Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge".
TITEL VI. - Financiën en statistische bepalingen.
Art.331.Les organismes assureurs adressent à l'Institut, dans les formes et délais prescrits [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1, les documents de cotisation visés à l'article 276, § 1er, 1 à 6.
Art.331.De verzekeringsinstellingen zenden het Instituut de in artikel 276, § 1, 1 tot 6 bedoelde bijdragebescheiden in de [1 door het Algemeen beheerscomité na advies van de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 voorgeschreven vormen en termijnen.
Art.332.Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement les listes nominatives de leurs bénéficiaires affiliés ou inscrits au 30 juin, en ventilant les cotisants des non-cotisants. Des mises à jour sont établies pour chaque trimestre.
Art.332. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden jaarlijks de naamlijsten op te stellen van de bij hen per 30 juni, aangesloten of ingeschreven rechthebbenden, met onderscheid tussen de bijdrageplichtigen en de niet-bijdrageplichtigen. Voor elk kwartaal worden bijwerkingen opgesteld.
De in het eerste lid bedoelde lijsten stroken met de modellen die [1 door het Algemeen beheerscomité na advies van de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 zijn vastgesteld en worden binnen drie maanden na het einde van de periode waarop zij betrekking hebben overgezonden [1 aan het Instituut]1.
De in het eerste lid bedoelde lijsten stroken met de modellen die [1 door het Algemeen beheerscomité na advies van de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 zijn vastgesteld en worden binnen drie maanden na het einde van de periode waarop zij betrekking hebben overgezonden [1 aan het Instituut]1.
Modifications
Art.333. Les organismes assureurs sont tenus d'établir trimestriellement les listes nominatives des titulaires et des ascendants qui ont payé une cotisation personnelle en application des articles 287, 130, 131 et 250.
Les listes visées à l'alinéa 1er sont conformes aux modèles fixés [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 et transmises [1 à l'Institut]1 dans les trois mois suivant la fin du trimestre auquel elles se rapportent.
Les listes visées à l'alinéa 1er sont conformes aux modèles fixés [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 et transmises [1 à l'Institut]1 dans les trois mois suivant la fin du trimestre auquel elles se rapportent.
Modifications
Art. 332. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden jaarlijks de naamlijsten op te stellen van de bij hen per 30 juni, aangesloten of ingeschreven rechthebbenden, met onderscheid tussen de bijdrageplichtigen en de niet-bijdrageplichtigen. Voor elk kwartaal worden bijwerkingen opgesteld.
De in het eerste lid bedoelde lijsten stroken met de modellen die [1 door het Algemeen beheerscomité na advies van de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 zijn vastgesteld en worden binnen drie maanden na het einde van de periode waarop zij betrekking hebben overgezonden [1 aan het Instituut]1.
De in het eerste lid bedoelde lijsten stroken met de modellen die [1 door het Algemeen beheerscomité na advies van de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 zijn vastgesteld en worden binnen drie maanden na het einde van de periode waarop zij betrekking hebben overgezonden [1 aan het Instituut]1.
Modifications
Art. 332. Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement les listes nominatives de leurs bénéficiaires affiliés ou inscrits au 30 juin, en ventilant les cotisants des non-cotisants. Des mises à jour sont établies pour chaque trimestre.
Les listes visées à l'alinéa 1er sont conformes aux modèles fixés [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 et transmises [1 à l'Institut]1 dans les trois mois suivant la fin de la période à laquelle elles se rapportent.
Les listes visées à l'alinéa 1er sont conformes aux modèles fixés [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 et transmises [1 à l'Institut]1 dans les trois mois suivant la fin de la période à laquelle elles se rapportent.
Modifications
Art. 333. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden driemaandelijks de naamlijsten van de gerechtigden en de ascendenten op te stellen die een persoonlijke bijdrage hebben betaald in toepassing van de artikelen 287, 130, 131 en 250.
De in het eerste lid bedoelde lijsten stroken met de modellen vastgesteld [1 door het Algemeen beheerscomité na advies van de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 en worden overgezonden [1 aan het Instituut]1 binnen de drie maanden volgend op de periode waarop zij betrekking hebben.
De in het eerste lid bedoelde lijsten stroken met de modellen vastgesteld [1 door het Algemeen beheerscomité na advies van de Technische commissie van de Dienst voor administratieve controle]1 en worden overgezonden [1 aan het Instituut]1 binnen de drie maanden volgend op de periode waarop zij betrekking hebben.
Modifications
Art. 333. Les organismes assureurs sont tenus d'établir trimestriellement les listes nominatives des titulaires et des ascendants qui ont payé une cotisation personnelle en application des articles 287, 130, 131 et 250.
Les listes visées à l'alinéa 1er sont conformes aux modèles fixés [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 et transmises [1 à l'Institut]1 dans les trois mois suivant la fin du trimestre auquel elles se rapportent.
Les listes visées à l'alinéa 1er sont conformes aux modèles fixés [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 et transmises [1 à l'Institut]1 dans les trois mois suivant la fin du trimestre auquel elles se rapportent.
Modifications
Art. 334. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden jaarlijks de bescheiden op te stellen waarin de ontvangsten uit de door de rechthebbenden gestorte bijdragen en de gerechtelijke interesten, zijn opgenomen.
Deze bescheiden stroken met de door het Algemeen comité opgemaakte modellen en worden [1 aan het Instituut]1 overgemaakt binnen de drie maanden volgend op het einde van het jaar waarop zij betrekking hebben.
Deze bescheiden stroken met de door het Algemeen comité opgemaakte modellen en worden [1 aan het Instituut]1 overgemaakt binnen de drie maanden volgend op het einde van het jaar waarop zij betrekking hebben.
Modifications
Art.335. Afin de permettre aux services de l'Institut de clôturer les comptes de l'assurance soins de santé et indemnités, les organismes assureurs sont tenus, conformément aux modalités reprises dans le présente section, d'établir, d'une part, des documents mensuels comprenant toutes les dépenses comptabilisées au cours du mois concerné, visées au titre III, chapitre III, de la loi coordonnée et d'autre part, des documents trimestriels comprenant toutes les dépenses comptabilisées au cours du trimestre concerné, visées au titre IV, chapitre III, et au titre V, chapitre III, de la loi coordonnée. Ces documents de dépenses sont respectivement cumulatifs pour les mois et les trimestres d'un même exercice, à l'exception des documents visés aux articles 339 et 340.
Ils sont établis, tant au niveau de l'organisme assureur qu'au niveau de chaque mutualité ou de chaque office régional, conformément aux modèles fixés par le Comité de l'assurance ou par le Comité de gestion du Service des indemnités, selon qu'il s'agit respectivement de dépenses visées au titre III, chapitre III ou de dépenses visées au titre IV, chapitre III, et au titre V, chapitre III de la loi coordonnée.
Les documents de dépenses "établis par les organismes assureurs le sont sur base de la synthèse des documents de dépenses des mutualités ou offices régionaux, ces derniers documents ayant préalablement fait l'objet d'un contrôle et d'une tarification au niveau de l'organisme assureur.
Les documents de dépenses établis au niveau des mutualités ou des offices régionaux sont transmis en double exemplaire par les organismes assureurs à l'Institut dans les trois mois qui suivent le trimestre auquel ils se rapportent.
Les documents de dépenses établis au niveau des organismes assureurs sont transmis en double exemplaire par les organismes assureurs à l'Institut dans les trois mois qui suivent respectivement la fin du mois auquel ils se rapportent.
Ils sont établis, tant au niveau de l'organisme assureur qu'au niveau de chaque mutualité ou de chaque office régional, conformément aux modèles fixés par le Comité de l'assurance ou par le Comité de gestion du Service des indemnités, selon qu'il s'agit respectivement de dépenses visées au titre III, chapitre III ou de dépenses visées au titre IV, chapitre III, et au titre V, chapitre III de la loi coordonnée.
Les documents de dépenses "établis par les organismes assureurs le sont sur base de la synthèse des documents de dépenses des mutualités ou offices régionaux, ces derniers documents ayant préalablement fait l'objet d'un contrôle et d'une tarification au niveau de l'organisme assureur.
Les documents de dépenses établis au niveau des mutualités ou des offices régionaux sont transmis en double exemplaire par les organismes assureurs à l'Institut dans les trois mois qui suivent le trimestre auquel ils se rapportent.
Les documents de dépenses établis au niveau des organismes assureurs sont transmis en double exemplaire par les organismes assureurs à l'Institut dans les trois mois qui suivent respectivement la fin du mois auquel ils se rapportent.
Art.335. Ten einde de diensten van het Instituut toe te laten de rekeningen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen af te sluiten, zijn de verzekeringsinstellingen verplicht, overeenkomstig de in deze afdeling vermelde modaliteiten, enerzijds maandelijkse bescheiden op te maken die alle tijdens de betrokken maand geboekte uitgaven bedoeld in titel III, hoofdstuk III van de gecoördineerde wet omvatten en anderzijds trimestriële bescheiden op te maken die alle tijdens het betrokken trimester geboekte uitgaven bedoeld in titel IV, hoofdstuk III en in titel V, hoofdstuk III van de gecoördineerde wet omvatten. Deze uitgavenbescheiden zijn cumulatief voor de maanden respectievelijk de trimesters van eenzelfde dienstjaar, met uitzondering van de bescheiden bedoeld in de artikelen 339 en 340.
Art.336.Afin de permettre au Service du contrôle administratif de comparer les documents de dépenses avec la comptabilité des mutualités, des offices régionaux ou des organismes assureurs, des documents récapitulatifs séparés sont, pour chaque catégorie de dépenses visée à l'article 335, alinéa 1er, établis trimestriellement au niveau de chaque point de contrôle. Ils sont transmis [1 à l'Institut]1 dans les délais visés à l'article 335, alinéa 4.
Art. 335. Ten einde de diensten van het Instituut toe te laten de rekeningen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen af te sluiten, zijn de verzekeringsinstellingen verplicht, overeenkomstig de in deze afdeling vermelde modaliteiten, enerzijds maandelijkse bescheiden op te maken die alle tijdens de betrokken maand geboekte uitgaven bedoeld in titel III, hoofdstuk III van de gecoördineerde wet omvatten en anderzijds trimestriële bescheiden op te maken die alle tijdens het betrokken trimester geboekte uitgaven bedoeld in titel IV, hoofdstuk III en in titel V, hoofdstuk III van de gecoördineerde wet omvatten. Deze uitgavenbescheiden zijn cumulatief voor de maanden respectievelijk de trimesters van eenzelfde dienstjaar, met uitzondering van de bescheiden bedoeld in de artikelen 339 en 340.
Zij worden zowel op het niveau van de verzekeringsinstelling als op het niveau van elk ziekenfonds of elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig de modellen die worden vastgesteld door het Verzekeringscomité of het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, naargelang het respectievelijk uitgaven bedoeld in titel III, hoofdstuk III of uitgaven bedoeld in titel IV, hoofdstuk III en in titel V, hoofdstuk III van de gecoördineerde wet betreft.
De door de verzekeringsinstellingen opgemaakte uitgavenbescheiden worden opgesteld aan de hand van de verzamelde uitgavenbescheiden van de ziekenfondsen of gewestelijke diensten, die voorafgaandelijk het voorwerp moeten hebben uitgemaakt van controle en tarificatie op het niveau van de verzekeringsinstelling.
De op het niveau van de ziekenfondsen of gewestelijke diensten opgemaakte uitgavenbescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Instituut binnen drie maanden na het einde van het trimester waarop ze betrekking hebben.
De op het niveau van de verzekeringsinstellingen opgemaakte uitgavenbescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Instituut, binnen drie maanden na het einde van de maand, waarop ze betrekking hebben.
Zij worden zowel op het niveau van de verzekeringsinstelling als op het niveau van elk ziekenfonds of elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig de modellen die worden vastgesteld door het Verzekeringscomité of het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen, naargelang het respectievelijk uitgaven bedoeld in titel III, hoofdstuk III of uitgaven bedoeld in titel IV, hoofdstuk III en in titel V, hoofdstuk III van de gecoördineerde wet betreft.
De door de verzekeringsinstellingen opgemaakte uitgavenbescheiden worden opgesteld aan de hand van de verzamelde uitgavenbescheiden van de ziekenfondsen of gewestelijke diensten, die voorafgaandelijk het voorwerp moeten hebben uitgemaakt van controle en tarificatie op het niveau van de verzekeringsinstelling.
De op het niveau van de ziekenfondsen of gewestelijke diensten opgemaakte uitgavenbescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Instituut binnen drie maanden na het einde van het trimester waarop ze betrekking hebben.
De op het niveau van de verzekeringsinstellingen opgemaakte uitgavenbescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Instituut, binnen drie maanden na het einde van de maand, waarop ze betrekking hebben.
Art.337. Les relevés relatifs aux soins de santé dont le modèle est établi par le Comité de l'assurance, comportent au moins les renseignements ci-après:
- le montant des dépenses;
- le nombre de prestations;
- le nombre de jours d'hospitalisation dans un établissement visé aux articles 23 et 34, 6°, 9°, 11° et 12° de la loi coordonnée.
Ces données doivent tenir compte des ventilations suivantes:
a) 1. à l'exclusion des bénéficiaires visés sous 2., les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 6° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge répartis selon l'état social du titulaire, ainsi que les bénéficiaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 14°, 15° et 16° de la loi coordonnée;
2. les titulaires en état d'invalidité et les personnes à leur charge;
3. les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 7°, 8° et 9° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge;
4. les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 12° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge, ainsi que les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 16° de la loi coordonnée.
En outre, les relevés relatifs aux groupes visés sous 2, 3 et 4 doivent être établis séparément selon que leurs revenus, tels qu'ils ont été fixés par le Roi, dépassent ou non le montant annuel déterminé par Lui;
[1 5. Les personnes qui sont détenues en prison ou placées dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) ou d), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]1
b) les groupes de prestations prévues à l'article 34 de la loi coordonnée et, dans ces groupes, une distribution suivant les principaux types de prestations ou les principales catégories des tarifs de remboursement, tels qu'ils sont définis par le Comité de l'assurance.
c) une ventilation selon que la prestation a été effectuée dans le courant de l'exercice en cours ou dans le courant d'un exercice précédent.
Les dispositions du présent article ne sont pas applicables aux dépenses résultant de la refacturation du prix de la journée d'entretien effectuée dans le cadre de l'article 97 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
- le montant des dépenses;
- le nombre de prestations;
- le nombre de jours d'hospitalisation dans un établissement visé aux articles 23 et 34, 6°, 9°, 11° et 12° de la loi coordonnée.
Ces données doivent tenir compte des ventilations suivantes:
a) 1. à l'exclusion des bénéficiaires visés sous 2., les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 6° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge répartis selon l'état social du titulaire, ainsi que les bénéficiaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 14°, 15° et 16° de la loi coordonnée;
2. les titulaires en état d'invalidité et les personnes à leur charge;
3. les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 7°, 8° et 9° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge;
4. les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 12° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge, ainsi que les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 16° de la loi coordonnée.
En outre, les relevés relatifs aux groupes visés sous 2, 3 et 4 doivent être établis séparément selon que leurs revenus, tels qu'ils ont été fixés par le Roi, dépassent ou non le montant annuel déterminé par Lui;
[1 5. Les personnes qui sont détenues en prison ou placées dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) ou d), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]1
b) les groupes de prestations prévues à l'article 34 de la loi coordonnée et, dans ces groupes, une distribution suivant les principaux types de prestations ou les principales catégories des tarifs de remboursement, tels qu'ils sont définis par le Comité de l'assurance.
c) une ventilation selon que la prestation a été effectuée dans le courant de l'exercice en cours ou dans le courant d'un exercice précédent.
Les dispositions du présent article ne sont pas applicables aux dépenses résultant de la refacturation du prix de la journée d'entretien effectuée dans le cadre de l'article 97 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
Modifications
Art.337. De staten betreffende de geneeskundige verzorging waarvan het model wordt opgemaakt door het Verzekeringscomité bevatten ten minste volgende inlichtingen:
- het bedrag van de uitgaven;
- het aantal verstrekkingen;
- het aantal dagen ziekenhuisverpleging in een inrichting bedoeld in de artikelen 23 en 34, 6°, 9°, 11° en 12° van de gecoördineerde wet.
Deze gegevens moeten rekening houden met de volgende schiftingen:
a) 1. met uitsluiting van de onder 2 bedoelde rechthebbenden, de in artikel 32, eerste lid, 1° tot 6°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, ingedeeld naar de stand van de gerechtigde, alsmede de in artikel 32, eerste lid, 14°, 15° en 16°, van de gecoördineerde wet bedoelde rechthebbenden;
2. de gerechtigden in staat van invaliditeit en de personen te hunnen laste;
3. de in artikel 32, eerste lid, 7°, 8° en 9 van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste;
4. de in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, alsmede de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 16°, van de gecoördineerde wet;
De staten betreffende de onder 2, 3 en 4 bedoelde groepen, dienen daarenboven afzonderlijk te worden opgesteld naargelang hun inkomens zoals ze door de Koning zijn vastgesteld, al of niet meer bedragen dan het door Hem bepaalde jaarbedrag;
[1 5. de personen die zijn opgesloten in een gevangenis of geplaatst in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]1
b) de groepen van de in artikel 34 van de gecoördineerde wet bepaalde verstrekkingen en, in die groepen, een indeling volgens de voornaamste soorten van verstrekkingen of de voornaamste klassen van vergoedingstarieven, die zijn omschreven door het Verzekeringscomité.
c) een schifting naargelang de verstrekking in het lopend boekjaar werd verricht, dan wel in een vorig boekjaar.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de uitgaven ingevolge herfacturering van de ligdagprijs, doorgevoerd in het raam van artikel 97 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
- het bedrag van de uitgaven;
- het aantal verstrekkingen;
- het aantal dagen ziekenhuisverpleging in een inrichting bedoeld in de artikelen 23 en 34, 6°, 9°, 11° en 12° van de gecoördineerde wet.
Deze gegevens moeten rekening houden met de volgende schiftingen:
a) 1. met uitsluiting van de onder 2 bedoelde rechthebbenden, de in artikel 32, eerste lid, 1° tot 6°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, ingedeeld naar de stand van de gerechtigde, alsmede de in artikel 32, eerste lid, 14°, 15° en 16°, van de gecoördineerde wet bedoelde rechthebbenden;
2. de gerechtigden in staat van invaliditeit en de personen te hunnen laste;
3. de in artikel 32, eerste lid, 7°, 8° en 9 van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste;
4. de in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, alsmede de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 16°, van de gecoördineerde wet;
De staten betreffende de onder 2, 3 en 4 bedoelde groepen, dienen daarenboven afzonderlijk te worden opgesteld naargelang hun inkomens zoals ze door de Koning zijn vastgesteld, al of niet meer bedragen dan het door Hem bepaalde jaarbedrag;
[1 5. de personen die zijn opgesloten in een gevangenis of geplaatst in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]1
b) de groepen van de in artikel 34 van de gecoördineerde wet bepaalde verstrekkingen en, in die groepen, een indeling volgens de voornaamste soorten van verstrekkingen of de voornaamste klassen van vergoedingstarieven, die zijn omschreven door het Verzekeringscomité.
c) een schifting naargelang de verstrekking in het lopend boekjaar werd verricht, dan wel in een vorig boekjaar.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de uitgaven ingevolge herfacturering van de ligdagprijs, doorgevoerd in het raam van artikel 97 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
Modifications
Art. 336. Afin de permettre au Service du contrôle administratif de comparer les documents de dépenses avec la comptabilité des mutualités, des offices régionaux ou des organismes assureurs, des documents récapitulatifs séparés sont, pour chaque catégorie de dépenses visée à l'article 335, alinéa 1er, établis trimestriellement au niveau de chaque point de contrôle. Ils sont transmis [1 à l'Institut]1 dans les délais visés à l'article 335, alinéa 4.
Ils sont établis conformément au modèle fixé [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 et comprennent au moins les ventilations suivantes:
1° le montant inscrit dans la comptabilité pendant le trimestre concerné des prestations payées au comptant et des factures vérifiées et tarifées pendant le trimestre concerné;
2° le montant des opérations mentionnées au 1° qui à la suite du contrôle de validité visé à l'article 335 n'ont pas été retenues pour l'inscription aux documents de dépenses;
3° le montant de toutes les opérations mentionnées au 2° pendant le trimestre concerné ou un trimestre précédent, qui après régularisation ont été inscrites sur les documents de dépenses du trimestre concerné;
4° le montant des dépenses reprises aux documents de dépenses visés à l'article 335 pendant le trimestre concerné ou les trimestres précédents, qui ont été rejetées pendant le trimestre concerné.
Ils sont établis conformément au modèle fixé [1 par le Comité général de gestion après avis de la Commission technique du Service du contrôle administratif]1 et comprennent au moins les ventilations suivantes:
1° le montant inscrit dans la comptabilité pendant le trimestre concerné des prestations payées au comptant et des factures vérifiées et tarifées pendant le trimestre concerné;
2° le montant des opérations mentionnées au 1° qui à la suite du contrôle de validité visé à l'article 335 n'ont pas été retenues pour l'inscription aux documents de dépenses;
3° le montant de toutes les opérations mentionnées au 2° pendant le trimestre concerné ou un trimestre précédent, qui après régularisation ont été inscrites sur les documents de dépenses du trimestre concerné;
4° le montant des dépenses reprises aux documents de dépenses visés à l'article 335 pendant le trimestre concerné ou les trimestres précédents, qui ont été rejetées pendant le trimestre concerné.
Modifications
Art. 337. De staten betreffende de geneeskundige verzorging waarvan het model wordt opgemaakt door het Verzekeringscomité bevatten ten minste volgende inlichtingen:
- het bedrag van de uitgaven;
- het aantal verstrekkingen;
- het aantal dagen ziekenhuisverpleging in een inrichting bedoeld in de artikelen 23 en 34, 6°, 9°, 11° en 12° van de gecoördineerde wet.
Deze gegevens moeten rekening houden met de volgende schiftingen:
a) 1. met uitsluiting van de onder 2 bedoelde rechthebbenden, de in artikel 32, eerste lid, 1° tot 6°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, ingedeeld naar de stand van de gerechtigde, alsmede de in artikel 32, eerste lid, 14°, 15° en 16°, van de gecoördineerde wet bedoelde rechthebbenden;
2. de gerechtigden in staat van invaliditeit en de personen te hunnen laste;
3. de in artikel 32, eerste lid, 7°, 8° en 9 van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste;
4. de in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, alsmede de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 16°, van de gecoördineerde wet;
De staten betreffende de onder 2, 3 en 4 bedoelde groepen, dienen daarenboven afzonderlijk te worden opgesteld naargelang hun inkomens zoals ze door de Koning zijn vastgesteld, al of niet meer bedragen dan het door Hem bepaalde jaarbedrag;
[1 5. de personen die zijn opgesloten in een gevangenis of geplaatst in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]1
b) de groepen van de in artikel 34 van de gecoördineerde wet bepaalde verstrekkingen en, in die groepen, een indeling volgens de voornaamste soorten van verstrekkingen of de voornaamste klassen van vergoedingstarieven, die zijn omschreven door het Verzekeringscomité.
c) een schifting naargelang de verstrekking in het lopend boekjaar werd verricht, dan wel in een vorig boekjaar.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de uitgaven ingevolge herfacturering van de ligdagprijs, doorgevoerd in het raam van artikel 97 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
- het bedrag van de uitgaven;
- het aantal verstrekkingen;
- het aantal dagen ziekenhuisverpleging in een inrichting bedoeld in de artikelen 23 en 34, 6°, 9°, 11° en 12° van de gecoördineerde wet.
Deze gegevens moeten rekening houden met de volgende schiftingen:
a) 1. met uitsluiting van de onder 2 bedoelde rechthebbenden, de in artikel 32, eerste lid, 1° tot 6°, van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, ingedeeld naar de stand van de gerechtigde, alsmede de in artikel 32, eerste lid, 14°, 15° en 16°, van de gecoördineerde wet bedoelde rechthebbenden;
2. de gerechtigden in staat van invaliditeit en de personen te hunnen laste;
3. de in artikel 32, eerste lid, 7°, 8° en 9 van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste;
4. de in artikel 32, eerste lid, 12° van de gecoördineerde wet bedoelde gerechtigden en de personen te hunnen laste, alsmede de gerechtigden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 16°, van de gecoördineerde wet;
De staten betreffende de onder 2, 3 en 4 bedoelde groepen, dienen daarenboven afzonderlijk te worden opgesteld naargelang hun inkomens zoals ze door de Koning zijn vastgesteld, al of niet meer bedragen dan het door Hem bepaalde jaarbedrag;
[1 5. de personen die zijn opgesloten in een gevangenis of geplaatst in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, a), b) of d) van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering.]1
b) de groepen van de in artikel 34 van de gecoördineerde wet bepaalde verstrekkingen en, in die groepen, een indeling volgens de voornaamste soorten van verstrekkingen of de voornaamste klassen van vergoedingstarieven, die zijn omschreven door het Verzekeringscomité.
c) een schifting naargelang de verstrekking in het lopend boekjaar werd verricht, dan wel in een vorig boekjaar.
De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op de uitgaven ingevolge herfacturering van de ligdagprijs, doorgevoerd in het raam van artikel 97 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987.
Modifications
Art. 337. Les relevés relatifs aux soins de santé dont le modèle est établi par le Comité de l'assurance, comportent au moins les renseignements ci-après:
- le montant des dépenses;
- le nombre de prestations;
- le nombre de jours d'hospitalisation dans un établissement visé aux articles 23 et 34, 6°, 9°, 11° et 12° de la loi coordonnée.
Ces données doivent tenir compte des ventilations suivantes:
a) 1. à l'exclusion des bénéficiaires visés sous 2., les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 6° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge répartis selon l'état social du titulaire, ainsi que les bénéficiaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 14°, 15° et 16° de la loi coordonnée;
2. les titulaires en état d'invalidité et les personnes à leur charge;
3. les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 7°, 8° et 9° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge;
4. les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 12° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge, ainsi que les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 16° de la loi coordonnée.
En outre, les relevés relatifs aux groupes visés sous 2, 3 et 4 doivent être établis séparément selon que leurs revenus, tels qu'ils ont été fixés par le Roi, dépassent ou non le montant annuel déterminé par Lui;
[1 5. Les personnes qui sont détenues en prison ou placées dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) ou d), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]1
b) les groupes de prestations prévues à l'article 34 de la loi coordonnée et, dans ces groupes, une distribution suivant les principaux types de prestations ou les principales catégories des tarifs de remboursement, tels qu'ils sont définis par le Comité de l'assurance.
c) une ventilation selon que la prestation a été effectuée dans le courant de l'exercice en cours ou dans le courant d'un exercice précédent.
Les dispositions du présent article ne sont pas applicables aux dépenses résultant de la refacturation du prix de la journée d'entretien effectuée dans le cadre de l'article 97 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
- le montant des dépenses;
- le nombre de prestations;
- le nombre de jours d'hospitalisation dans un établissement visé aux articles 23 et 34, 6°, 9°, 11° et 12° de la loi coordonnée.
Ces données doivent tenir compte des ventilations suivantes:
a) 1. à l'exclusion des bénéficiaires visés sous 2., les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 6° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge répartis selon l'état social du titulaire, ainsi que les bénéficiaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 14°, 15° et 16° de la loi coordonnée;
2. les titulaires en état d'invalidité et les personnes à leur charge;
3. les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 7°, 8° et 9° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge;
4. les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 12° de la loi coordonnée, et les personnes à leur charge, ainsi que les titulaires visés à l'article 32, alinéa 1er, 16° de la loi coordonnée.
En outre, les relevés relatifs aux groupes visés sous 2, 3 et 4 doivent être établis séparément selon que leurs revenus, tels qu'ils ont été fixés par le Roi, dépassent ou non le montant annuel déterminé par Lui;
[1 5. Les personnes qui sont détenues en prison ou placées dans un établissement visé à l'article 3, 4°, a), b) ou d), de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement.]1
b) les groupes de prestations prévues à l'article 34 de la loi coordonnée et, dans ces groupes, une distribution suivant les principaux types de prestations ou les principales catégories des tarifs de remboursement, tels qu'ils sont définis par le Comité de l'assurance.
c) une ventilation selon que la prestation a été effectuée dans le courant de l'exercice en cours ou dans le courant d'un exercice précédent.
Les dispositions du présent article ne sont pas applicables aux dépenses résultant de la refacturation du prix de la journée d'entretien effectuée dans le cadre de l'article 97 de la loi sur les hôpitaux, coordonnée le 7 août 1987.
Modifications
Art.339. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen stelt het model vast:
1° van de kwartaalstaten op naam betreffende de invaliditeit;
2° van de kwartaalstaten op naam betreffende de moederschapsverzekering voor invalide gerechtigden.
Deze staten bevatten ten minste de volgende inlichtingen:
- identificering van de gerechtigde, inzonderheid zijn statistische aanwijzer, alsmede het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
- het betaalde bedrag;
- het aantal uitkeringsdagen.
1° van de kwartaalstaten op naam betreffende de invaliditeit;
2° van de kwartaalstaten op naam betreffende de moederschapsverzekering voor invalide gerechtigden.
Deze staten bevatten ten minste de volgende inlichtingen:
- identificering van de gerechtigde, inzonderheid zijn statistische aanwijzer, alsmede het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
- het betaalde bedrag;
- het aantal uitkeringsdagen.
Art. 338. Le Comité de gestion du Service des indemnités établit les modèles:
1° des relevés relatifs à l'incapacité primaire;
2° des relevés relatifs à l'assurance maternité où les titulaires en invalidité ne sont pas prises en compte.
Ces relevés comportent au moins les renseignements suivants:
- le montant des dépenses;
- le nombre de journées indemnisées, en observant la ventilation selon état social des titulaires.
1° des relevés relatifs à l'incapacité primaire;
2° des relevés relatifs à l'assurance maternité où les titulaires en invalidité ne sont pas prises en compte.
Ces relevés comportent au moins les renseignements suivants:
- le montant des dépenses;
- le nombre de journées indemnisées, en observant la ventilation selon état social des titulaires.
Art. 339. Het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen stelt het model vast:
1° van de kwartaalstaten op naam betreffende de invaliditeit;
2° van de kwartaalstaten op naam betreffende de moederschapsverzekering voor invalide gerechtigden.
Deze staten bevatten ten minste de volgende inlichtingen:
- identificering van de gerechtigde, inzonderheid zijn statistische aanwijzer, alsmede het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
- het betaalde bedrag;
- het aantal uitkeringsdagen.
1° van de kwartaalstaten op naam betreffende de invaliditeit;
2° van de kwartaalstaten op naam betreffende de moederschapsverzekering voor invalide gerechtigden.
Deze staten bevatten ten minste de volgende inlichtingen:
- identificering van de gerechtigde, inzonderheid zijn statistische aanwijzer, alsmede het nummer dat hem door de Dienst voor uitkeringen is toegewezen;
- het betaalde bedrag;
- het aantal uitkeringsdagen.
Art. 339. Le Comité de gestion du Service des indemnités établit les modèles:
1° des relevés nominatifs trimestriels relatifs à l'invalidité;
2° des relevés nominatifs trimestriels relatifs à l'assurance maternité pour les titulaires en invalidité.
Ces relevés comportent au moins les renseignements suivants:
- l'identification du titulaire et notamment son indice statistique ainsi que le numéro qui lui est attribué par le Service des indemnités;
- le montant payé;
- le nombre de jours indemnisés.
1° des relevés nominatifs trimestriels relatifs à l'invalidité;
2° des relevés nominatifs trimestriels relatifs à l'assurance maternité pour les titulaires en invalidité.
Ces relevés comportent au moins les renseignements suivants:
- l'identification du titulaire et notamment son indice statistique ainsi que le numéro qui lui est attribué par le Service des indemnités;
- le montant payé;
- le nombre de jours indemnisés.
Art.341. Lorsque les dépenses reprises au tableau visé à l'article 348 sont inférieures aux dépenses correspondantes reprises au document de dépenses visé à l'article 337, la différence est en outre déduite du montant qui apparaît sur le document de dépenses. La comparaison nécessaire à cet effet est effectuée pour l'ensemble des disciplines pour lesquelles est établi le relevé visé à l'article 348. Elle n'est effectuée qu'à partir de la deuxième année complète pour laquelle est établi le relevé visé à l'article 348, et pour la première fois lors de la clôture des comptes relatifs à 1986.
Art.341. Indien de uitgaven vermeld op de in artikel 348 bedoelde tabel minder bedragen dan de overeenkomstige uitgaven vermeld op het in artikel 337 bedoelde uitgavenbescheid, wordt bovendien het verschil in mindering gebracht van het bedrag dat voorkomt op het uitgavenbescheid. De hiervoor noodzakelijk zijnde vergelijking word uitgevoerd voor het geheel van alle disciplines samen waarvoor de in artikel 348 bedoelde staat wordt opgesteld. Ze wordt slechts uitgevoerd vanaf het tweede volledig jaar waarvoor de in artikel 348 bedoelde staat wordt opgesteld, en voor het eerst bij de afsluiting van de rekeningen met betrekking tot 1986.
CHAPITRE III. - De la diminution des montants mentionnes aux documents de dépenses.
Art. 341. Indien de uitgaven vermeld op de in artikel 348 bedoelde tabel minder bedragen dan de overeenkomstige uitgaven vermeld op het in artikel 337 bedoelde uitgavenbescheid, wordt bovendien het verschil in mindering gebracht van het bedrag dat voorkomt op het uitgavenbescheid. De hiervoor noodzakelijk zijnde vergelijking word uitgevoerd voor het geheel van alle disciplines samen waarvoor de in artikel 348 bedoelde staat wordt opgesteld. Ze wordt slechts uitgevoerd vanaf het tweede volledig jaar waarvoor de in artikel 348 bedoelde staat wordt opgesteld, en voor het eerst bij de afsluiting van de rekeningen met betrekking tot 1986.
Art.342. Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement des documents récapitulatifs de toutes les dépenses visées à l'article 194 de la loi coordonnée, comptabilisées pendant l'exercice concerné.
Ces documents récapitulatifs sont établis au niveau de l'organisme assureur, conformément à un modèle fixé par le Comité général et comportent au moins les renseignements concernant les frais de personnel, les frais d'infrastructure, les frais de bureau, les amortissements, les paiements indus et les sanctions.
Ces documents récapitulatifs, sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'Institut dans les quatre mois suivant la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Ces documents récapitulatifs sont établis au niveau de l'organisme assureur, conformément à un modèle fixé par le Comité général et comportent au moins les renseignements concernant les frais de personnel, les frais d'infrastructure, les frais de bureau, les amortissements, les paiements indus et les sanctions.
Ces documents récapitulatifs, sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'Institut dans les quatre mois suivant la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Art.342. De verzekeringsinstellingen zijn verplicht jaarlijks verzamelbescheiden op te maken van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte uitgaven bedoeld in artikel 194 van de gecoördineerde wet.
Art.343.Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement des documents récapitulatifs globaux de toutes les recettes et dépenses comptabilisées au cours de l'exercice considéré, se rapportant à la gestion du régime de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, ainsi qu'un document récapitulatif se rapportant à la situation active et passive.
Art.343. De verzekeringsinstellingen zijn verplicht jaarlijks globale verzamelbescheiden op te maken van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte ontvangsten en uitgaven met betrekking tot het beheer van het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, alsmede een verzamelbescheid betreffende de stand van activa en passiva.
Zij worden zowel op het niveau van de verzekeringsinstelling als op het niveau van elk ziekenfonds of elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig modellen vastgesteld door het Algemeen comité.
[1 Deze globale verzamelbescheiden van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte ontvangsten en uitgaven worden door de verzekeringsinstellingen overgemaakt aan het Instituut vóór 30 juni van het jaar dat volgt op het betrokken boekjaar.]1
[1 Verzamelbescheiden betreffende de stand van activa en passiva worden door de verzekeringsinstellingen overgemaakt aan het Instituut vóór het einde van de maand na het opmaken van de jaarlijkse beheersrekeningen voor de verschillende takken van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen door het Algemeen comité.]1
Zij worden zowel op het niveau van de verzekeringsinstelling als op het niveau van elk ziekenfonds of elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig modellen vastgesteld door het Algemeen comité.
[1 Deze globale verzamelbescheiden van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte ontvangsten en uitgaven worden door de verzekeringsinstellingen overgemaakt aan het Instituut vóór 30 juni van het jaar dat volgt op het betrokken boekjaar.]1
[1 Verzamelbescheiden betreffende de stand van activa en passiva worden door de verzekeringsinstellingen overgemaakt aan het Instituut vóór het einde van de maand na het opmaken van de jaarlijkse beheersrekeningen voor de verschillende takken van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen door het Algemeen comité.]1
Modifications
Art.344. Les organismes assureurs sont tenus d'établir mensuellement des documents concernant la situation financière de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Ces documents sont établis tant au niveau de l'organisme assureur qu'au niveau de chaque mutualité ou de chaque office régional, conformément aux modèles fixés par le Comité général et comportent au moins les renseignements concernant les fonds disponibles au début et à la fin du mois concerné, les recettes et les dépenses au cours du mois concerné, l'état des emprunts et des factures impayées.
Ces documents financiers sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'Institut avant le [1 vingt-neuvième]1 jour du mois qui suit celui auquel ces documents se rapportent.
Ces documents sont établis tant au niveau de l'organisme assureur qu'au niveau de chaque mutualité ou de chaque office régional, conformément aux modèles fixés par le Comité général et comportent au moins les renseignements concernant les fonds disponibles au début et à la fin du mois concerné, les recettes et les dépenses au cours du mois concerné, l'état des emprunts et des factures impayées.
Ces documents financiers sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'Institut avant le [1 vingt-neuvième]1 jour du mois qui suit celui auquel ces documents se rapportent.
Modifications
Art. 343. De verzekeringsinstellingen zijn verplicht jaarlijks globale verzamelbescheiden op te maken van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte ontvangsten en uitgaven met betrekking tot het beheer van het stelsel van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, alsmede een verzamelbescheid betreffende de stand van activa en passiva.
Zij worden zowel op het niveau van de verzekeringsinstelling als op het niveau van elk ziekenfonds of elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig modellen vastgesteld door het Algemeen comité.
[1 Deze globale verzamelbescheiden van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte ontvangsten en uitgaven worden door de verzekeringsinstellingen overgemaakt aan het Instituut vóór 30 juni van het jaar dat volgt op het betrokken boekjaar.]1
[1 Verzamelbescheiden betreffende de stand van activa en passiva worden door de verzekeringsinstellingen overgemaakt aan het Instituut vóór het einde van de maand na het opmaken van de jaarlijkse beheersrekeningen voor de verschillende takken van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen door het Algemeen comité.]1
Zij worden zowel op het niveau van de verzekeringsinstelling als op het niveau van elk ziekenfonds of elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig modellen vastgesteld door het Algemeen comité.
[1 Deze globale verzamelbescheiden van alle tijdens het betrokken dienstjaar geboekte ontvangsten en uitgaven worden door de verzekeringsinstellingen overgemaakt aan het Instituut vóór 30 juni van het jaar dat volgt op het betrokken boekjaar.]1
[1 Verzamelbescheiden betreffende de stand van activa en passiva worden door de verzekeringsinstellingen overgemaakt aan het Instituut vóór het einde van de maand na het opmaken van de jaarlijkse beheersrekeningen voor de verschillende takken van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen door het Algemeen comité.]1
Modifications
Art. 343. Les organismes assureurs sont tenus d'établir annuellement des documents récapitulatifs globaux de toutes les recettes et dépenses comptabilisées au cours de l'exercice considéré, se rapportant à la gestion du régime de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, ainsi qu'un document récapitulatif se rapportant à la situation active et passive.
Ils sont établis tant au niveau des organismes assureurs qu'au niveau de chaque mutualité ou de chaque office régional, conformément à des modèles fixés par le Comité général.
[1 Les documents récapitulatifs globaux de toutes les recettes et dépenses comptabilisées au cours de l'exercice considéré sont transmis par les organismes assureurs à l'Institut avant le 30 juin de l'année qui suit l'exercice comptable considéré.]1
[1 Les documents récapitulatifs se rapportant à la situation active et passive sont transmis par les organismes assureurs à l'Institut avant la fin du mois suivant l'établissement par le Comité général des comptes annuels de gestion des différents secteurs de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.]1
Ils sont établis tant au niveau des organismes assureurs qu'au niveau de chaque mutualité ou de chaque office régional, conformément à des modèles fixés par le Comité général.
[1 Les documents récapitulatifs globaux de toutes les recettes et dépenses comptabilisées au cours de l'exercice considéré sont transmis par les organismes assureurs à l'Institut avant le 30 juin de l'année qui suit l'exercice comptable considéré.]1
[1 Les documents récapitulatifs se rapportant à la situation active et passive sont transmis par les organismes assureurs à l'Institut avant la fin du mois suivant l'établissement par le Comité général des comptes annuels de gestion des différents secteurs de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.]1
Modifications
Art. 344. De verzekeringsinstellingen zijn verplicht maandelijks bescheiden op te maken betreffende de financiële stand van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.
Deze financiële bescheiden worden zowel op het niveau, van de verzekeringsinstellingen als op het niveau van elk ziekenfonds of van elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig modellen die worden vastgesteld door het Algemeen comité, en bevatten tenminste inlichtingen omtrent de beschikbare fondsen bij het begin en het einde van de betrokken maand, de ontvangsten en de uitgaven tijdens de betrokken maand, de stand van de leningen en de onvereffende facturen.
Deze financiële bescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Instituut vóór de [1 negenentwintigste]1 dag van de maand die volgt op de maand waarop deze stukken betrekking hebben.
Deze financiële bescheiden worden zowel op het niveau, van de verzekeringsinstellingen als op het niveau van elk ziekenfonds of van elke gewestelijke dienst opgemaakt, overeenkomstig modellen die worden vastgesteld door het Algemeen comité, en bevatten tenminste inlichtingen omtrent de beschikbare fondsen bij het begin en het einde van de betrokken maand, de ontvangsten en de uitgaven tijdens de betrokken maand, de stand van de leningen en de onvereffende facturen.
Deze financiële bescheiden worden door de verzekeringsinstellingen in tweevoud overgemaakt aan het Instituut vóór de [1 negenentwintigste]1 dag van de maand die volgt op de maand waarop deze stukken betrekking hebben.
Modifications
Art. 344. Les organismes assureurs sont tenus d'établir mensuellement des documents concernant la situation financière de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités.
Ces documents sont établis tant au niveau de l'organisme assureur qu'au niveau de chaque mutualité ou de chaque office régional, conformément aux modèles fixés par le Comité général et comportent au moins les renseignements concernant les fonds disponibles au début et à la fin du mois concerné, les recettes et les dépenses au cours du mois concerné, l'état des emprunts et des factures impayées.
Ces documents financiers sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'Institut avant le [1 vingt-neuvième]1 jour du mois qui suit celui auquel ces documents se rapportent.
Ces documents sont établis tant au niveau de l'organisme assureur qu'au niveau de chaque mutualité ou de chaque office régional, conformément aux modèles fixés par le Comité général et comportent au moins les renseignements concernant les fonds disponibles au début et à la fin du mois concerné, les recettes et les dépenses au cours du mois concerné, l'état des emprunts et des factures impayées.
Ces documents financiers sont transmis par les organismes assureurs, en double exemplaire, à l'Institut avant le [1 vingt-neuvième]1 jour du mois qui suit celui auquel ces documents se rapportent.
Modifications
Art.345. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden driemaandelijks voor elk ziekenfonds of gewestelijke dienst de getalsterktestaten op te stellen op basis van de op de laatste dag van het betrokken trimester bekende effectieven.
CHAPITRE VI. - Des cadres statistiques.
Art. 345. De verzekeringsinstellingen zijn ertoe gehouden driemaandelijks voor elk ziekenfonds of gewestelijke dienst de getalsterktestaten op te stellen op basis van de op de laatste dag van het betrokken trimester bekende effectieven.
Deze staten stroken met de modellen vastgesteld door de diensten van het Instituut en worden binnen de twee maanden volgend op het trimester waarop zij betrekking hebben aan de genoemde diensten overgezonden.
Deze staten stroken met de modellen vastgesteld door de diensten van het Instituut en worden binnen de twee maanden volgend op het trimester waarop zij betrekking hebben aan de genoemde diensten overgezonden.
Art.346. Les organismes assureurs sont tenus, en considération des modalités de la présente section, d'établir des cadres statistiques conformément aux modèles fixés par la comité de l'assurance en ce qui concerne les cadres visés aux articles 347 à (351bis), et par le Comité de gestion du service des indemnités en ce qui concerne les cadres visés aux articles 352 et 353. <AR 1999-09-21/34, art. 2, 039; En vigueur : 19-10-1999>
Art.346. De verzekeringsinstellingen zijn verplicht, met inachtneming van de in deze afdeling vermelde modaliteiten, statistische tabellen op te maken, overeenkomstig modellen die, voor wat de in de artikelen 347 tot (351bis), bedoelde tabellen betreft, worden vastgesteld door het Verzekeringscomité en voor wat de in de artikelen 352 en 353, bedoelde tabellen betreft, werden opgemaakt door het Beheerscomité van de Dienst voor uitkeringen.
Art.347. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques mensuels cumulatifs sont établis par numéro de code de la nomenclature ou pseudo-numéro de code de la nomenclature, pour les disciplines médicales et paramédicales, déterminées par le Comité de l'assurance. Ces cadres comportent les montants des dépenses, le nombre de prestations et le nombre de journées d'hospitalisation pour l'ensemble du régime général et du régime des travailleurs indépendants, sans distinction selon la mutualité ou l'office régional. Les dépenses y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données figurant sur les documents de dépenses visés à l'article 337.
Art.347. Met betrekking, tot de geneeskundige verstrekkingen worden maandelijkse cumulatieve statistische tabellen opgesteld per nomenclatuurcode of pseudonomenclatuurcode, voor de medische en paramedische disciplines, bepaald door het Verzekeringscomité. Deze tabellen bevatten de bedragen van de uitgaven, het aantal verstrekkingen en het aantal verpleegdagen voor het geheel van de algemene regeling en de regeling der zelfstandigen samen, zonder onderscheid van ziekenfonds of gewestelijke dienst. De desbetreffende uitgaven dienen minstens het niveau te bereiken van de gegevens opgenomen op de in artikel 337 bedoelde uitgaven bescheiden.
De verzekeringsinstellingen zenden hun tabellen aan de diensten van het Instituut, binnen drie maanden na de maand waarop ze betrekking hebben.
De verzekeringsinstellingen zenden hun tabellen aan de diensten van het Instituut, binnen drie maanden na de maand waarop ze betrekking hebben.
Art.348. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par dispensateur, par médecin prescripteur ou par établissement hospitalier, pour les disciplines et selon les modalités déterminées par le Comité de l'assurance. Les dépenses et les prestations y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données reprises dans les documents de dépenses visés à l'article 337.
Les organismes assureurs transmettent leurs cadres au Service des soins de santé dans les quatre mois suivant le semestre auquel ils se rapportent.
Les organismes assureurs transmettent leurs cadres au Service des soins de santé dans les quatre mois suivant le semestre auquel ils se rapportent.
Art. 347. Met betrekking, tot de geneeskundige verstrekkingen worden maandelijkse cumulatieve statistische tabellen opgesteld per nomenclatuurcode of pseudonomenclatuurcode, voor de medische en paramedische disciplines, bepaald door het Verzekeringscomité. Deze tabellen bevatten de bedragen van de uitgaven, het aantal verstrekkingen en het aantal verpleegdagen voor het geheel van de algemene regeling en de regeling der zelfstandigen samen, zonder onderscheid van ziekenfonds of gewestelijke dienst. De desbetreffende uitgaven dienen minstens het niveau te bereiken van de gegevens opgenomen op de in artikel 337 bedoelde uitgaven bescheiden.
De verzekeringsinstellingen zenden hun tabellen aan de diensten van het Instituut, binnen drie maanden na de maand waarop ze betrekking hebben.
De verzekeringsinstellingen zenden hun tabellen aan de diensten van het Instituut, binnen drie maanden na de maand waarop ze betrekking hebben.
Art. 347. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques mensuels cumulatifs sont établis par numéro de code de la nomenclature ou pseudo-numéro de code de la nomenclature, pour les disciplines médicales et paramédicales, déterminées par le Comité de l'assurance. Ces cadres comportent les montants des dépenses, le nombre de prestations et le nombre de journées d'hospitalisation pour l'ensemble du régime général et du régime des travailleurs indépendants, sans distinction selon la mutualité ou l'office régional. Les dépenses y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données figurant sur les documents de dépenses visés à l'article 337.
Les organismes assureurs transmettent leurs cadres aux services de l'Institut dans les trois mois qui suivent le mois auquel ils se rapportent.
Les organismes assureurs transmettent leurs cadres aux services de l'Institut dans les trois mois qui suivent le mois auquel ils se rapportent.
Art. 348. Met betrekking tot de geneeskundige verstrekkingen worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per zorgverlener, per voorschrijvend [1 arts]1 of per verplegingsinrichting, voor de disciplines en volgens de modaliteiten, bepaald door het Verzekeringscomité. De desbetreffende uitgaven en verstrekkingen dienen minstens het niveau te bereiken van de gegevens opgenomen op de in artikel 337 bedoelde uitgavenbescheiden.
De verzekeringsinstellingen zenden hun tabellen aan de Dienst voor geneeskundige verzorging binnen vier maanden na het semester waarop ze betrekking hebben.
De verzekeringsinstellingen zenden hun tabellen aan de Dienst voor geneeskundige verzorging binnen vier maanden na het semester waarop ze betrekking hebben.
Modifications
Art.350. § 1er. En ce qui concerne les journées d'hospitalisation indemnisées, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par établissement hospitalier et par service.
§ 2. En ce qui concerne les journées d'hospitalisation forfaitaires indemnisées en vertu d'une convention conclue avec les établissement hospitaliers, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs mentionnant également la prestation de base qui a entraîné lesdits forfaits sont établis par établissement hospitalier.
§ 3. En ce qui concerne les produits pharmaceutiques délivrés au sein des établissements hospitaliers, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par catégorie, par produit, par établissement et par service.
§ 4. En ce qui concerne les interventions forfaitaires payées par journée, par mois, par demande ou par séance, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par centre de rééducation, par maison de repos et de soins, par maison de repos pour personnes âgées, par maison de soins psychiatriques et par initiative d'habitation protégée.
§ 5. Le Comité de l'assurance détermine les modalités selon lesquelles les organismes assureurs transmettent au Service des soins de santé, dans les quatre mois suivant le semestre auquel ils se rapportent, les cadres statistiques visés aux paragraphes précédents. Les dépenses y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données reprises dans les documents de dépense visés à l'article 337.
§ 2. En ce qui concerne les journées d'hospitalisation forfaitaires indemnisées en vertu d'une convention conclue avec les établissement hospitaliers, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs mentionnant également la prestation de base qui a entraîné lesdits forfaits sont établis par établissement hospitalier.
§ 3. En ce qui concerne les produits pharmaceutiques délivrés au sein des établissements hospitaliers, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par catégorie, par produit, par établissement et par service.
§ 4. En ce qui concerne les interventions forfaitaires payées par journée, par mois, par demande ou par séance, des cadres statistiques semestriels non cumulatifs sont établis par centre de rééducation, par maison de repos et de soins, par maison de repos pour personnes âgées, par maison de soins psychiatriques et par initiative d'habitation protégée.
§ 5. Le Comité de l'assurance détermine les modalités selon lesquelles les organismes assureurs transmettent au Service des soins de santé, dans les quatre mois suivant le semestre auquel ils se rapportent, les cadres statistiques visés aux paragraphes précédents. Les dépenses y afférentes doivent au moins atteindre le niveau des données reprises dans les documents de dépense visés à l'article 337.
Art.350. § 1. Met betrekking tot de vergode verpleegdagen worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per verpleeginrichting en per dienst.
§ 2. Met betrekking tot de forfaitaire verpleegdagen vergoed krachtens een overeenkomst met de verpleeginrichtingen, worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per verpleeginrichting waarin eveneens de basisverstrekking wordt vermeld die tot de vermelde forfaits heeft geleid.
§ 3. Met betrekking tot de farmaceutische produkten die in verpleeginrichtingen worden afgeleverd, worden semestriële nietcumulatieve statistische tabellen opgesteld per categorie, per produkt, per inrichting en per dienst.
§ 4. Met betrekking tot de forfaitaire vergoedingen die per dag, per maand, per aanvraag of per zitting worden betaald, worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per revalidatiecentrum, per rust- en verzorgingstehuis, per rustoord voor bejaarden, per psychiatrisch verzorgingstehuis en per initiatief voor beschut wonen.
§ 5. Het Verzekeringscomité legt de modaliteiten vast volgens welke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in de voorgaande paragrafen, aan de Dienst voor geneeskundige verzorging bezorgen binnen vier maanden na het semester waarop ze betrekking hebben. De uitgaven moeten op zijn minst het niveau bereiken van de gegevens welke opgenomen zijn in de in artikel 337 bedoelde uitgavenbescheiden.
§ 2. Met betrekking tot de forfaitaire verpleegdagen vergoed krachtens een overeenkomst met de verpleeginrichtingen, worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per verpleeginrichting waarin eveneens de basisverstrekking wordt vermeld die tot de vermelde forfaits heeft geleid.
§ 3. Met betrekking tot de farmaceutische produkten die in verpleeginrichtingen worden afgeleverd, worden semestriële nietcumulatieve statistische tabellen opgesteld per categorie, per produkt, per inrichting en per dienst.
§ 4. Met betrekking tot de forfaitaire vergoedingen die per dag, per maand, per aanvraag of per zitting worden betaald, worden semestriële niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per revalidatiecentrum, per rust- en verzorgingstehuis, per rustoord voor bejaarden, per psychiatrisch verzorgingstehuis en per initiatief voor beschut wonen.
§ 5. Het Verzekeringscomité legt de modaliteiten vast volgens welke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in de voorgaande paragrafen, aan de Dienst voor geneeskundige verzorging bezorgen binnen vier maanden na het semester waarop ze betrekking hebben. De uitgaven moeten op zijn minst het niveau bereiken van de gegevens welke opgenomen zijn in de in artikel 337 bedoelde uitgavenbescheiden.
Art.351. <AR 2007-12-20/49, art. 1, 148; En vigueur : 28-01-2008> § 1er. En ce qui concerne les dépenses relatives aux bénéficiaires hospitalisés, des cadres statistiques par séjour hospitalier sont établis annuellement sur base des données comptabilisées pendant une période de huit trimestres. Ces cadres statistiques comportent les données suivantes :
1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel le séjour a eu lieu, le numéro codé du séjour et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission [1 ainsi que l'année, le mois et le jour de sortie]1;
2° des caractéristiques du séjour et du patient :
a) le service d'admission;
b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
c) [1 l'année de naissance du patient]1;
d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
e) [1 l'année, le mois et le jour d'admission ou de réadmission;]1
f) le sexe du patient;
3° le nombre de journées d'hospitalisation et le montant facturé par date et lieu de prestation;
4° des données détaillées relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin, par code produit et par date et lieu de prestation;
5° des données détaillées des prestations médicales, par numéro de code de la nomenclature, par numéro d'identification du dispensateur et par date et lieu de prestation;
6° des données [1 détaillées]1 relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro, par date et lieu de prestation.
Le Comité de l'assurance détermine les règles plus précises selon lesquelles les organismes assureurs fournissent à l'Institut les cadres statistiques visés au premier alinéa dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
§ 2. En ce qui concerne les dépenses relatives aux bénéficiaires pris en charge dans le cadre des journées pour lesquelles ont été accordés les montants fixés par l'article 4, §§ 3 à 7 inclus de la Convention nationale du 12 décembre 2005 entre les établissements hospitaliers et les organismes assureurs ainsi que dans le cadre des jours pour lesquels le montant par jour d'hospitalisation est dû en cas d'admission en hôpital chirurgical de jour, des cadres statistiques sont établis annuellement sur base des données comptabilisées pendant une période de six trimestres. Ces cadres statistiques comportent les données suivantes :
1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel ont eu lieu les prestations médicales dans le cadre des journées et jours susvisés, le numéro codé des journées et jours susvisés et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission [1 ainsi que l'année, le mois et le jour de sortie]1;
2° des caractéristiques des journées et jours susvisés et du patient :
a) le pseudo-code en ce qui concerne le service où ont lieu les journées et jours susvisés;
b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
c) [1 l'année de naissance du patient]1;
d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
e) l'année et le mois d'admission pour les journées et jours susvisés;
f) le sexe du patient.
3° le type de journées et jours susvisés et le montant facturé;
4° des données détaillées par code-produit relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin;
5° des données détaillées par numéro de code de la nomenclature des prestations médicales et la mention du numéro d'identification du dispensateur;
6° des données [1 détaillées]1 relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro.
Le Comité de l'assurance détermine les règles plus précises selon lesquelles les organismes assureurs fournissent à l'Institut les cadres statistiques visés au premier alinéa dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel le séjour a eu lieu, le numéro codé du séjour et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission [1 ainsi que l'année, le mois et le jour de sortie]1;
2° des caractéristiques du séjour et du patient :
a) le service d'admission;
b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
c) [1 l'année de naissance du patient]1;
d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
e) [1 l'année, le mois et le jour d'admission ou de réadmission;]1
f) le sexe du patient;
3° le nombre de journées d'hospitalisation et le montant facturé par date et lieu de prestation;
4° des données détaillées relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin, par code produit et par date et lieu de prestation;
5° des données détaillées des prestations médicales, par numéro de code de la nomenclature, par numéro d'identification du dispensateur et par date et lieu de prestation;
6° des données [1 détaillées]1 relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro, par date et lieu de prestation.
Le Comité de l'assurance détermine les règles plus précises selon lesquelles les organismes assureurs fournissent à l'Institut les cadres statistiques visés au premier alinéa dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
§ 2. En ce qui concerne les dépenses relatives aux bénéficiaires pris en charge dans le cadre des journées pour lesquelles ont été accordés les montants fixés par l'article 4, §§ 3 à 7 inclus de la Convention nationale du 12 décembre 2005 entre les établissements hospitaliers et les organismes assureurs ainsi que dans le cadre des jours pour lesquels le montant par jour d'hospitalisation est dû en cas d'admission en hôpital chirurgical de jour, des cadres statistiques sont établis annuellement sur base des données comptabilisées pendant une période de six trimestres. Ces cadres statistiques comportent les données suivantes :
1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel ont eu lieu les prestations médicales dans le cadre des journées et jours susvisés, le numéro codé des journées et jours susvisés et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission [1 ainsi que l'année, le mois et le jour de sortie]1;
2° des caractéristiques des journées et jours susvisés et du patient :
a) le pseudo-code en ce qui concerne le service où ont lieu les journées et jours susvisés;
b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
c) [1 l'année de naissance du patient]1;
d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
e) l'année et le mois d'admission pour les journées et jours susvisés;
f) le sexe du patient.
3° le type de journées et jours susvisés et le montant facturé;
4° des données détaillées par code-produit relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin;
5° des données détaillées par numéro de code de la nomenclature des prestations médicales et la mention du numéro d'identification du dispensateur;
6° des données [1 détaillées]1 relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro.
Le Comité de l'assurance détermine les règles plus précises selon lesquelles les organismes assureurs fournissent à l'Institut les cadres statistiques visés au premier alinéa dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
Modifications
Art.351. <KB 2007-12-20/49, art. 1, 148; Inwerkingtreding : 28-01-2008> § 1. Met betrekking tot de relatieve uitgaven die vergoed worden voor de in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, worden er jaarlijks per verblijf in een ziekenhuis statistische tabellen opgesteld op basis van de uitgaven geboekt over acht trimesters. Deze statistische tabellen bevatten volgende gegevens :
1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting waar het verblijf heeft plaatsgevonden, het gecodeerd nummer van het verblijf en de vermelding of het gaat om een opneming of heropneming, bevat [1 alsook het jaar, de maand en de dag van ontslag]1;
2° kenmerken van het verblijf en van de patiënt :
a) de dienst van opname;
b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
c) [1 het geboortejaar van de patiënt]1;
d) het interval tussen twee opnames in dagen;
e) [1 het jaar, de maand en de dag van opneming of heropneming]1
f) het geslacht van de patiënt;
3° het aantal verpleegdagen en het gefactureerd bedrag per datum en plaats van verstrekking;
4° de gedetailleerde gegevens betreffende de farmaceutische producten, bloed en bloedplasma, per productcode en per datum en plaats van aflevering;
5° de gedetailleerde gegevens van de geneeskundige verstrekkingen per nomenclatuurcodenummer, per identificatienummer van de zorgverlener en per datum en plaats van verstrekking;
6° de [1 gedetailleerde]1 gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro, per datum en plaats van verstrekking.
Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in het eerste lid, bezorgen aan het Instituut, binnen zes maanden volgend op de boekingsperiode van deze statistische tabellen.
§ 2. Met betrekking tot de relatieve uitgaven voor rechthebbenden ten laste genomen in het kader van de dagen waarvoor de bedragen werden toegekend, bepaald in artikel 4, §§ 3 tot 7 inbegrepen, van de Nationale overeenkomst van 12 december 2005 tussen de verpleeginrichtingen en de verzekeringsinstellingen, alsook in het kader van de dagen waarvoor het bedrag per verpleegdag is verschuldigd in geval van opname in de chirurgische daghospitalisatie, worden jaarlijks statistische tabellen opgesteld op basis van de uitgaven geboekt over een periode van zes trimesters. Deze statistische tabellen bevatten volgende gegevens :
1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting bevat waar de geneeskundige verstrekkingen hebben plaatsgevonden in het kader van de vorenbedoelde dagen, het gecodeerd nummer van de vorenbedoelde dagen en de vermelding of het gaat om een opneming of een heropneming [1 alsook het jaar, de maand en de dag van ontslag]1;
2° kenmerken van de vorenbedoelde dagen en van de patiënt :
a) de pseudocode met betrekking tot de dienst waar de vorenbedoelde dagen plaatsvonden;
b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
c) [1 het geboortejaar van de patiënt]1;
d) het interval tussen twee opnames in dagen;
e) het jaar en de maand van opneming voor de vorenbedoelde dagen;
f) het geslacht van de patiënt.
3° het type vorenbedoelde dagen en het gefactureerd bedrag;
4° de gedetailleerde gegevens per productcode betreffende de farmaceutische producten, bloed en bloedplasma;
5° de gedetailleerde gegevens per nomenclatuurcodenummer van de geneeskundige verstrekkingen en de vermelding van het identificatienummer van de zorgverlener;
6° de [1 gedetailleerde]1 gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro.
Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in het eerste lid, bezorgen aan het Instituut, binnen zes maanden volgend op de boekingsperiode waarop deze tabellen betrekking hebben.
1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting waar het verblijf heeft plaatsgevonden, het gecodeerd nummer van het verblijf en de vermelding of het gaat om een opneming of heropneming, bevat [1 alsook het jaar, de maand en de dag van ontslag]1;
2° kenmerken van het verblijf en van de patiënt :
a) de dienst van opname;
b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
c) [1 het geboortejaar van de patiënt]1;
d) het interval tussen twee opnames in dagen;
e) [1 het jaar, de maand en de dag van opneming of heropneming]1
f) het geslacht van de patiënt;
3° het aantal verpleegdagen en het gefactureerd bedrag per datum en plaats van verstrekking;
4° de gedetailleerde gegevens betreffende de farmaceutische producten, bloed en bloedplasma, per productcode en per datum en plaats van aflevering;
5° de gedetailleerde gegevens van de geneeskundige verstrekkingen per nomenclatuurcodenummer, per identificatienummer van de zorgverlener en per datum en plaats van verstrekking;
6° de [1 gedetailleerde]1 gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro, per datum en plaats van verstrekking.
Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in het eerste lid, bezorgen aan het Instituut, binnen zes maanden volgend op de boekingsperiode van deze statistische tabellen.
§ 2. Met betrekking tot de relatieve uitgaven voor rechthebbenden ten laste genomen in het kader van de dagen waarvoor de bedragen werden toegekend, bepaald in artikel 4, §§ 3 tot 7 inbegrepen, van de Nationale overeenkomst van 12 december 2005 tussen de verpleeginrichtingen en de verzekeringsinstellingen, alsook in het kader van de dagen waarvoor het bedrag per verpleegdag is verschuldigd in geval van opname in de chirurgische daghospitalisatie, worden jaarlijks statistische tabellen opgesteld op basis van de uitgaven geboekt over een periode van zes trimesters. Deze statistische tabellen bevatten volgende gegevens :
1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting bevat waar de geneeskundige verstrekkingen hebben plaatsgevonden in het kader van de vorenbedoelde dagen, het gecodeerd nummer van de vorenbedoelde dagen en de vermelding of het gaat om een opneming of een heropneming [1 alsook het jaar, de maand en de dag van ontslag]1;
2° kenmerken van de vorenbedoelde dagen en van de patiënt :
a) de pseudocode met betrekking tot de dienst waar de vorenbedoelde dagen plaatsvonden;
b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
c) [1 het geboortejaar van de patiënt]1;
d) het interval tussen twee opnames in dagen;
e) het jaar en de maand van opneming voor de vorenbedoelde dagen;
f) het geslacht van de patiënt.
3° het type vorenbedoelde dagen en het gefactureerd bedrag;
4° de gedetailleerde gegevens per productcode betreffende de farmaceutische producten, bloed en bloedplasma;
5° de gedetailleerde gegevens per nomenclatuurcodenummer van de geneeskundige verstrekkingen en de vermelding van het identificatienummer van de zorgverlener;
6° de [1 gedetailleerde]1 gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro.
Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in het eerste lid, bezorgen aan het Instituut, binnen zes maanden volgend op de boekingsperiode waarop deze tabellen betrekking hebben.
Modifications
Art. 351bis. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° " consultations et visites du médecin généraliste " : les prestations qui figurent dans l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités qui correspondent aux numéros de codes relatifs aux consultations et visites des médecins généralistes repris à l'article 2A de ladite nomenclature, à l'exclusion des suppléments pour consultations et visites, des honoraires complémentaires pour la gestion du dossier médical global et à l'utilisation d'un passeport diabète;
2° " la méthode majoritaire " : pour chaque affilié, les organismes assureurs relèvent l'ensemble des consultations et visites du médecin généraliste durant l'année comptable concernée. Trois situations peuvent se présenter :
a) l'affilié ne consomme pas de soins de médecine générale durant toute l'année comptable : aucun médecin généraliste ne peut lui être attribué; il n'est pas considéré comme " patient ";
b) l'affilié consulte durant toute l'année comptable le même médecin généraliste : cet affilié est considéré comme le " patient " de ce médecin;
c) l'affilié consulte plusieurs médecins généralistes sur l'année : dans ce cas, les organismes assureurs sélectionnent le médecin le plus souvent consulté. L'affilié sera considéré uniquement comme un " patient " du médecin majoritairement consulté. En cas d'égalité du nombre de consultations du patient auprès de différents généralistes, ce patient est attribué au médecin généraliste qui a été consulté en premier au cours de l'année;
3° " la patientèle " : pour chaque médecin généraliste, les organismes assureurs déterminent, sur base de la méthode majoritaire, le nombre de patients traités. Ce nombre est ventilé selon certaines caractéristiques : le sexe, la gestion du dossier médical global, les trajets de soins, le bénéfice du maximum à facturer, la catégorie sociale du patient, l'année de naissance. Ce nombre constitue la patientèle de ce médecin généraliste.
§ 2. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques annuels non cumulatifs sont établis par médecin généraliste en déterminant sa patientèle. Ces cadres statistiques reprennent les données suivantes :
1° l'identification de l'organisme assureur;
2° l'année comptable;
3° le numéro d'identification INAMI du médecin généraliste;
4° le sexe du patient;
5° la tenue ou non d'un dossier médical global;
6° la pathologie traitée dans le cadre du trajet de soins tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 21 janvier 2009;
7° le bénéfice du maximum à facturer;
8° la catégorie sociale du patient;
9° l'année de naissance;
10° le nombre de patients, déterminé en application de la méthode majoritaire visée au § 1er, 2°.
§ 3. Le Comité de l'assurance détermine les modalités selon lesquelles les organismes assureurs transmettent au Service des soins de santé les cadres statistiques visés au § 2 dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
§ 4. La première période comptable pour les cadres statistiques déterminant la patientèle des médecins généralistes concerne l'année 2008. La transmission du premier fichier est prévue pour la fin du mois qui suit la date de publication du présent arrêté.]1
1° " consultations et visites du médecin généraliste " : les prestations qui figurent dans l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités qui correspondent aux numéros de codes relatifs aux consultations et visites des médecins généralistes repris à l'article 2A de ladite nomenclature, à l'exclusion des suppléments pour consultations et visites, des honoraires complémentaires pour la gestion du dossier médical global et à l'utilisation d'un passeport diabète;
2° " la méthode majoritaire " : pour chaque affilié, les organismes assureurs relèvent l'ensemble des consultations et visites du médecin généraliste durant l'année comptable concernée. Trois situations peuvent se présenter :
a) l'affilié ne consomme pas de soins de médecine générale durant toute l'année comptable : aucun médecin généraliste ne peut lui être attribué; il n'est pas considéré comme " patient ";
b) l'affilié consulte durant toute l'année comptable le même médecin généraliste : cet affilié est considéré comme le " patient " de ce médecin;
c) l'affilié consulte plusieurs médecins généralistes sur l'année : dans ce cas, les organismes assureurs sélectionnent le médecin le plus souvent consulté. L'affilié sera considéré uniquement comme un " patient " du médecin majoritairement consulté. En cas d'égalité du nombre de consultations du patient auprès de différents généralistes, ce patient est attribué au médecin généraliste qui a été consulté en premier au cours de l'année;
3° " la patientèle " : pour chaque médecin généraliste, les organismes assureurs déterminent, sur base de la méthode majoritaire, le nombre de patients traités. Ce nombre est ventilé selon certaines caractéristiques : le sexe, la gestion du dossier médical global, les trajets de soins, le bénéfice du maximum à facturer, la catégorie sociale du patient, l'année de naissance. Ce nombre constitue la patientèle de ce médecin généraliste.
§ 2. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques annuels non cumulatifs sont établis par médecin généraliste en déterminant sa patientèle. Ces cadres statistiques reprennent les données suivantes :
1° l'identification de l'organisme assureur;
2° l'année comptable;
3° le numéro d'identification INAMI du médecin généraliste;
4° le sexe du patient;
5° la tenue ou non d'un dossier médical global;
6° la pathologie traitée dans le cadre du trajet de soins tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 21 janvier 2009;
7° le bénéfice du maximum à facturer;
8° la catégorie sociale du patient;
9° l'année de naissance;
10° le nombre de patients, déterminé en application de la méthode majoritaire visée au § 1er, 2°.
§ 3. Le Comité de l'assurance détermine les modalités selon lesquelles les organismes assureurs transmettent au Service des soins de santé les cadres statistiques visés au § 2 dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
§ 4. La première période comptable pour les cadres statistiques déterminant la patientèle des médecins généralistes concerne l'année 2008. La transmission du premier fichier est prévue pour la fin du mois qui suit la date de publication du présent arrêté.]1
Modifications
Art. 351. <KB 2007-12-20/49, art. 1, 148; Inwerkingtreding : 28-01-2008> § 1. Met betrekking tot de relatieve uitgaven die vergoed worden voor de in een ziekenhuis opgenomen rechthebbenden, worden er jaarlijks per verblijf in een ziekenhuis statistische tabellen opgesteld op basis van de uitgaven geboekt over acht trimesters. Deze statistische tabellen bevatten volgende gegevens :
1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting waar het verblijf heeft plaatsgevonden, het gecodeerd nummer van het verblijf en de vermelding of het gaat om een opneming of heropneming, bevat [1 alsook het jaar, de maand en de dag van ontslag]1;
2° kenmerken van het verblijf en van de patiënt :
a) de dienst van opname;
b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
c) [1 het geboortejaar van de patiënt]1;
d) het interval tussen twee opnames in dagen;
e) [1 het jaar, de maand en de dag van opneming of heropneming]1
f) het geslacht van de patiënt;
3° het aantal verpleegdagen en het gefactureerd bedrag per datum en plaats van verstrekking;
4° de gedetailleerde gegevens betreffende de farmaceutische producten, bloed en bloedplasma, per productcode en per datum en plaats van aflevering;
5° de gedetailleerde gegevens van de geneeskundige verstrekkingen per nomenclatuurcodenummer, per identificatienummer van de zorgverlener en per datum en plaats van verstrekking;
6° de [1 gedetailleerde]1 gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro, per datum en plaats van verstrekking.
Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in het eerste lid, bezorgen aan het Instituut, binnen zes maanden volgend op de boekingsperiode van deze statistische tabellen.
§ 2. Met betrekking tot de relatieve uitgaven voor rechthebbenden ten laste genomen in het kader van de dagen waarvoor de bedragen werden toegekend, bepaald in artikel 4, §§ 3 tot 7 inbegrepen, van de Nationale overeenkomst van 12 december 2005 tussen de verpleeginrichtingen en de verzekeringsinstellingen, alsook in het kader van de dagen waarvoor het bedrag per verpleegdag is verschuldigd in geval van opname in de chirurgische daghospitalisatie, worden jaarlijks statistische tabellen opgesteld op basis van de uitgaven geboekt over een periode van zes trimesters. Deze statistische tabellen bevatten volgende gegevens :
1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting bevat waar de geneeskundige verstrekkingen hebben plaatsgevonden in het kader van de vorenbedoelde dagen, het gecodeerd nummer van de vorenbedoelde dagen en de vermelding of het gaat om een opneming of een heropneming [1 alsook het jaar, de maand en de dag van ontslag]1;
2° kenmerken van de vorenbedoelde dagen en van de patiënt :
a) de pseudocode met betrekking tot de dienst waar de vorenbedoelde dagen plaatsvonden;
b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
c) [1 het geboortejaar van de patiënt]1;
d) het interval tussen twee opnames in dagen;
e) het jaar en de maand van opneming voor de vorenbedoelde dagen;
f) het geslacht van de patiënt.
3° het type vorenbedoelde dagen en het gefactureerd bedrag;
4° de gedetailleerde gegevens per productcode betreffende de farmaceutische producten, bloed en bloedplasma;
5° de gedetailleerde gegevens per nomenclatuurcodenummer van de geneeskundige verstrekkingen en de vermelding van het identificatienummer van de zorgverlener;
6° de [1 gedetailleerde]1 gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro.
Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in het eerste lid, bezorgen aan het Instituut, binnen zes maanden volgend op de boekingsperiode waarop deze tabellen betrekking hebben.
1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting waar het verblijf heeft plaatsgevonden, het gecodeerd nummer van het verblijf en de vermelding of het gaat om een opneming of heropneming, bevat [1 alsook het jaar, de maand en de dag van ontslag]1;
2° kenmerken van het verblijf en van de patiënt :
a) de dienst van opname;
b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
c) [1 het geboortejaar van de patiënt]1;
d) het interval tussen twee opnames in dagen;
e) [1 het jaar, de maand en de dag van opneming of heropneming]1
f) het geslacht van de patiënt;
3° het aantal verpleegdagen en het gefactureerd bedrag per datum en plaats van verstrekking;
4° de gedetailleerde gegevens betreffende de farmaceutische producten, bloed en bloedplasma, per productcode en per datum en plaats van aflevering;
5° de gedetailleerde gegevens van de geneeskundige verstrekkingen per nomenclatuurcodenummer, per identificatienummer van de zorgverlener en per datum en plaats van verstrekking;
6° de [1 gedetailleerde]1 gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro, per datum en plaats van verstrekking.
Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in het eerste lid, bezorgen aan het Instituut, binnen zes maanden volgend op de boekingsperiode van deze statistische tabellen.
§ 2. Met betrekking tot de relatieve uitgaven voor rechthebbenden ten laste genomen in het kader van de dagen waarvoor de bedragen werden toegekend, bepaald in artikel 4, §§ 3 tot 7 inbegrepen, van de Nationale overeenkomst van 12 december 2005 tussen de verpleeginrichtingen en de verzekeringsinstellingen, alsook in het kader van de dagen waarvoor het bedrag per verpleegdag is verschuldigd in geval van opname in de chirurgische daghospitalisatie, worden jaarlijks statistische tabellen opgesteld op basis van de uitgaven geboekt over een periode van zes trimesters. Deze statistische tabellen bevatten volgende gegevens :
1° een index die de identificatie van de verpleeginrichting bevat waar de geneeskundige verstrekkingen hebben plaatsgevonden in het kader van de vorenbedoelde dagen, het gecodeerd nummer van de vorenbedoelde dagen en de vermelding of het gaat om een opneming of een heropneming [1 alsook het jaar, de maand en de dag van ontslag]1;
2° kenmerken van de vorenbedoelde dagen en van de patiënt :
a) de pseudocode met betrekking tot de dienst waar de vorenbedoelde dagen plaatsvonden;
b) de code gerechtigde die het verzekeringsregime en de categorie van verzekerde aanduidt;
c) [1 het geboortejaar van de patiënt]1;
d) het interval tussen twee opnames in dagen;
e) het jaar en de maand van opneming voor de vorenbedoelde dagen;
f) het geslacht van de patiënt.
3° het type vorenbedoelde dagen en het gefactureerd bedrag;
4° de gedetailleerde gegevens per productcode betreffende de farmaceutische producten, bloed en bloedplasma;
5° de gedetailleerde gegevens per nomenclatuurcodenummer van de geneeskundige verstrekkingen en de vermelding van het identificatienummer van de zorgverlener;
6° de [1 gedetailleerde]1 gegevens betreffende de klinische biologie en nucleaire geneeskunde in vitro.
Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in het eerste lid, bezorgen aan het Instituut, binnen zes maanden volgend op de boekingsperiode waarop deze tabellen betrekking hebben.
Modifications
Art. 351. <AR 2007-12-20/49, art. 1, 148; En vigueur : 28-01-2008> § 1er. En ce qui concerne les dépenses relatives aux bénéficiaires hospitalisés, des cadres statistiques par séjour hospitalier sont établis annuellement sur base des données comptabilisées pendant une période de huit trimestres. Ces cadres statistiques comportent les données suivantes :
1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel le séjour a eu lieu, le numéro codé du séjour et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission [1 ainsi que l'année, le mois et le jour de sortie]1;
2° des caractéristiques du séjour et du patient :
a) le service d'admission;
b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
c) [1 l'année de naissance du patient]1;
d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
e) [1 l'année, le mois et le jour d'admission ou de réadmission;]1
f) le sexe du patient;
3° le nombre de journées d'hospitalisation et le montant facturé par date et lieu de prestation;
4° des données détaillées relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin, par code produit et par date et lieu de prestation;
5° des données détaillées des prestations médicales, par numéro de code de la nomenclature, par numéro d'identification du dispensateur et par date et lieu de prestation;
6° des données [1 détaillées]1 relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro, par date et lieu de prestation.
Le Comité de l'assurance détermine les règles plus précises selon lesquelles les organismes assureurs fournissent à l'Institut les cadres statistiques visés au premier alinéa dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
§ 2. En ce qui concerne les dépenses relatives aux bénéficiaires pris en charge dans le cadre des journées pour lesquelles ont été accordés les montants fixés par l'article 4, §§ 3 à 7 inclus de la Convention nationale du 12 décembre 2005 entre les établissements hospitaliers et les organismes assureurs ainsi que dans le cadre des jours pour lesquels le montant par jour d'hospitalisation est dû en cas d'admission en hôpital chirurgical de jour, des cadres statistiques sont établis annuellement sur base des données comptabilisées pendant une période de six trimestres. Ces cadres statistiques comportent les données suivantes :
1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel ont eu lieu les prestations médicales dans le cadre des journées et jours susvisés, le numéro codé des journées et jours susvisés et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission [1 ainsi que l'année, le mois et le jour de sortie]1;
2° des caractéristiques des journées et jours susvisés et du patient :
a) le pseudo-code en ce qui concerne le service où ont lieu les journées et jours susvisés;
b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
c) [1 l'année de naissance du patient]1;
d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
e) l'année et le mois d'admission pour les journées et jours susvisés;
f) le sexe du patient.
3° le type de journées et jours susvisés et le montant facturé;
4° des données détaillées par code-produit relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin;
5° des données détaillées par numéro de code de la nomenclature des prestations médicales et la mention du numéro d'identification du dispensateur;
6° des données [1 détaillées]1 relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro.
Le Comité de l'assurance détermine les règles plus précises selon lesquelles les organismes assureurs fournissent à l'Institut les cadres statistiques visés au premier alinéa dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel le séjour a eu lieu, le numéro codé du séjour et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission [1 ainsi que l'année, le mois et le jour de sortie]1;
2° des caractéristiques du séjour et du patient :
a) le service d'admission;
b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
c) [1 l'année de naissance du patient]1;
d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
e) [1 l'année, le mois et le jour d'admission ou de réadmission;]1
f) le sexe du patient;
3° le nombre de journées d'hospitalisation et le montant facturé par date et lieu de prestation;
4° des données détaillées relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin, par code produit et par date et lieu de prestation;
5° des données détaillées des prestations médicales, par numéro de code de la nomenclature, par numéro d'identification du dispensateur et par date et lieu de prestation;
6° des données [1 détaillées]1 relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro, par date et lieu de prestation.
Le Comité de l'assurance détermine les règles plus précises selon lesquelles les organismes assureurs fournissent à l'Institut les cadres statistiques visés au premier alinéa dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
§ 2. En ce qui concerne les dépenses relatives aux bénéficiaires pris en charge dans le cadre des journées pour lesquelles ont été accordés les montants fixés par l'article 4, §§ 3 à 7 inclus de la Convention nationale du 12 décembre 2005 entre les établissements hospitaliers et les organismes assureurs ainsi que dans le cadre des jours pour lesquels le montant par jour d'hospitalisation est dû en cas d'admission en hôpital chirurgical de jour, des cadres statistiques sont établis annuellement sur base des données comptabilisées pendant une période de six trimestres. Ces cadres statistiques comportent les données suivantes :
1° un index qui reprend l'identification de l'établissement hospitalier au sein duquel ont eu lieu les prestations médicales dans le cadre des journées et jours susvisés, le numéro codé des journées et jours susvisés et la mention s'il s'agit d'une admission ou d'une réadmission [1 ainsi que l'année, le mois et le jour de sortie]1;
2° des caractéristiques des journées et jours susvisés et du patient :
a) le pseudo-code en ce qui concerne le service où ont lieu les journées et jours susvisés;
b) le code titulaire indiquant le régime d'assurance et la catégorie d'assurés;
c) [1 l'année de naissance du patient]1;
d) l'intervalle de jours entre deux admissions;
e) l'année et le mois d'admission pour les journées et jours susvisés;
f) le sexe du patient.
3° le type de journées et jours susvisés et le montant facturé;
4° des données détaillées par code-produit relatives aux produits pharmaceutiques, au sang et au plasma sanguin;
5° des données détaillées par numéro de code de la nomenclature des prestations médicales et la mention du numéro d'identification du dispensateur;
6° des données [1 détaillées]1 relatives à la biologie clinique et la médecine nucléaire in vitro.
Le Comité de l'assurance détermine les règles plus précises selon lesquelles les organismes assureurs fournissent à l'Institut les cadres statistiques visés au premier alinéa dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
Modifications
Art. 351bis. [1 § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder :
1° " raadplegingen en bezoeken bij de algemeen geneeskundige " : de verstrekkingen die voorkomen in de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor de geneeskundige verzorging en uitkeringen die overeenkomen met de codenummers inzake raadplegingen en bezoeken van de algemeen geneeskundigen, opgenomen onder artikel 2A van deze nomenclatuur met uitzondering van de bijkomende honoraria voor raadplegingen en bezoeken, van het bijkomend honorarium voor het beheer van het globaal medisch dossier en van het gebruik van een diabetespas;
2° " meerderheidsmethode " : de verzekeringsinstellingen bepalen voor elk lid het totaal aantal raadplegingen en bezoeken bij de algemeen geneeskundige in de loop van het betrokken boekjaar. Hierbij kunnen zich drie situaties voordoen :
a) het lid consumeert geen geneeskundige verzorging zoals gedefinieerd in 1° : er kan hem geen algemeen geneeskundige worden toegewezen; hij wordt niet als " patiënt " beschouwd;
b) het lid raadpleegt gedurende het hele boekjaar dezelfde algemeen geneeskundige : dit lid wordt beschouwd als een " patiënt " van deze arts;
c) het lid heeft verschillende algemeen geneeskundigen geraadpleegd gedurende het boekjaar : in dit geval selecteren de verzekeringsinstellingen de arts die het vaakst werd geraadpleegd. Het lid wordt enkel beschouwd als een " patiënt " van de arts die het vaakst werd geraadpleegd. Bij gelijkheid van het aantal raadplegingen van een patiënt bij verschillende huisartsen, wordt deze patiënt toegewezen aan de algemeen geneeskundige die het eerst werd geraadpleegd tijdens het jaar;
3° " het patiënteel " : voor elke algemeen geneeskundige, bepalen de verzekeringsinstellingen, op basis van de meerderheidsmethode, het aantal behandelde patiënten. Dit aantal wordt opgedeeld volgens bepaalde karakteristieken : geslacht, beheer van het globaal medisch dossier, de zorgtrajecten, het genot van de maximumfactuur, de sociale categorie van de patiënt, het geboortejaar. Dit aantal vormt het patiënteel van deze algemeen geneeskundige.
§ 2. Met betrekking tot de geneeskundige verstrekkingen worden jaarlijkse niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per algemeen geneeskundige ter bepaling van zijn patiënteel. Deze statistische tabellen bevatten de volgende gegevens :
1° de identificatie van de verzekeringsinstelling;
2° het boekhoudkundig jaar;
3° het RIZIV identificatienummer van de algemeen geneeskundige;
4° het geslacht van de patiënt;
5° het bijhouden of niet van een globaal medisch dossier;
6° de behandelde pathologie in het kader van de zorgtraject zoals gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 januari 2009;
7° het genot van de maximumfactuur;
8° de sociale categorie van de patiënt;
9° het geboortejaar;
10° het aantal patiënten, bepaald door de toepassing van de meerderheidsmethode bedoeld in § 1, 2°.
§ 3. Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in § 2 doorsturen naar de Dienst voor geneeskundige verzorging, binnen de zes maanden volgend op de boekingsperiode waarop deze statistische tabellen betrekking hebben.
§ 4. De eerste boekingsperiode van de statistische tabellen ter bepaling van het patiënteel van de algemeen geneeskundigen betreft het boekjaar 2008. Het doorsturen van dit eerste bestand wordt voorzien voor het einde van de maand die volgt op de datum van bekendmaking van dit besluit.]1
1° " raadplegingen en bezoeken bij de algemeen geneeskundige " : de verstrekkingen die voorkomen in de bijlage van het koninklijk besluit van 14 september 1984 tot vaststelling van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte verzekering voor de geneeskundige verzorging en uitkeringen die overeenkomen met de codenummers inzake raadplegingen en bezoeken van de algemeen geneeskundigen, opgenomen onder artikel 2A van deze nomenclatuur met uitzondering van de bijkomende honoraria voor raadplegingen en bezoeken, van het bijkomend honorarium voor het beheer van het globaal medisch dossier en van het gebruik van een diabetespas;
2° " meerderheidsmethode " : de verzekeringsinstellingen bepalen voor elk lid het totaal aantal raadplegingen en bezoeken bij de algemeen geneeskundige in de loop van het betrokken boekjaar. Hierbij kunnen zich drie situaties voordoen :
a) het lid consumeert geen geneeskundige verzorging zoals gedefinieerd in 1° : er kan hem geen algemeen geneeskundige worden toegewezen; hij wordt niet als " patiënt " beschouwd;
b) het lid raadpleegt gedurende het hele boekjaar dezelfde algemeen geneeskundige : dit lid wordt beschouwd als een " patiënt " van deze arts;
c) het lid heeft verschillende algemeen geneeskundigen geraadpleegd gedurende het boekjaar : in dit geval selecteren de verzekeringsinstellingen de arts die het vaakst werd geraadpleegd. Het lid wordt enkel beschouwd als een " patiënt " van de arts die het vaakst werd geraadpleegd. Bij gelijkheid van het aantal raadplegingen van een patiënt bij verschillende huisartsen, wordt deze patiënt toegewezen aan de algemeen geneeskundige die het eerst werd geraadpleegd tijdens het jaar;
3° " het patiënteel " : voor elke algemeen geneeskundige, bepalen de verzekeringsinstellingen, op basis van de meerderheidsmethode, het aantal behandelde patiënten. Dit aantal wordt opgedeeld volgens bepaalde karakteristieken : geslacht, beheer van het globaal medisch dossier, de zorgtrajecten, het genot van de maximumfactuur, de sociale categorie van de patiënt, het geboortejaar. Dit aantal vormt het patiënteel van deze algemeen geneeskundige.
§ 2. Met betrekking tot de geneeskundige verstrekkingen worden jaarlijkse niet-cumulatieve statistische tabellen opgesteld per algemeen geneeskundige ter bepaling van zijn patiënteel. Deze statistische tabellen bevatten de volgende gegevens :
1° de identificatie van de verzekeringsinstelling;
2° het boekhoudkundig jaar;
3° het RIZIV identificatienummer van de algemeen geneeskundige;
4° het geslacht van de patiënt;
5° het bijhouden of niet van een globaal medisch dossier;
6° de behandelde pathologie in het kader van de zorgtraject zoals gedefinieerd in artikel 2 van het koninklijk besluit van 21 januari 2009;
7° het genot van de maximumfactuur;
8° de sociale categorie van de patiënt;
9° het geboortejaar;
10° het aantal patiënten, bepaald door de toepassing van de meerderheidsmethode bedoeld in § 1, 2°.
§ 3. Het Verzekeringscomité bepaalt de nadere regels volgens dewelke de verzekeringsinstellingen de statistische tabellen, bedoeld in § 2 doorsturen naar de Dienst voor geneeskundige verzorging, binnen de zes maanden volgend op de boekingsperiode waarop deze statistische tabellen betrekking hebben.
§ 4. De eerste boekingsperiode van de statistische tabellen ter bepaling van het patiënteel van de algemeen geneeskundigen betreft het boekjaar 2008. Het doorsturen van dit eerste bestand wordt voorzien voor het einde van de maand die volgt op de datum van bekendmaking van dit besluit.]1
Modifications
Art. 351bis. [1 § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° " consultations et visites du médecin généraliste " : les prestations qui figurent dans l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités qui correspondent aux numéros de codes relatifs aux consultations et visites des médecins généralistes repris à l'article 2A de ladite nomenclature, à l'exclusion des suppléments pour consultations et visites, des honoraires complémentaires pour la gestion du dossier médical global et à l'utilisation d'un passeport diabète;
2° " la méthode majoritaire " : pour chaque affilié, les organismes assureurs relèvent l'ensemble des consultations et visites du médecin généraliste durant l'année comptable concernée. Trois situations peuvent se présenter :
a) l'affilié ne consomme pas de soins de médecine générale durant toute l'année comptable : aucun médecin généraliste ne peut lui être attribué; il n'est pas considéré comme " patient ";
b) l'affilié consulte durant toute l'année comptable le même médecin généraliste : cet affilié est considéré comme le " patient " de ce médecin;
c) l'affilié consulte plusieurs médecins généralistes sur l'année : dans ce cas, les organismes assureurs sélectionnent le médecin le plus souvent consulté. L'affilié sera considéré uniquement comme un " patient " du médecin majoritairement consulté. En cas d'égalité du nombre de consultations du patient auprès de différents généralistes, ce patient est attribué au médecin généraliste qui a été consulté en premier au cours de l'année;
3° " la patientèle " : pour chaque médecin généraliste, les organismes assureurs déterminent, sur base de la méthode majoritaire, le nombre de patients traités. Ce nombre est ventilé selon certaines caractéristiques : le sexe, la gestion du dossier médical global, les trajets de soins, le bénéfice du maximum à facturer, la catégorie sociale du patient, l'année de naissance. Ce nombre constitue la patientèle de ce médecin généraliste.
§ 2. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques annuels non cumulatifs sont établis par médecin généraliste en déterminant sa patientèle. Ces cadres statistiques reprennent les données suivantes :
1° l'identification de l'organisme assureur;
2° l'année comptable;
3° le numéro d'identification INAMI du médecin généraliste;
4° le sexe du patient;
5° la tenue ou non d'un dossier médical global;
6° la pathologie traitée dans le cadre du trajet de soins tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 21 janvier 2009;
7° le bénéfice du maximum à facturer;
8° la catégorie sociale du patient;
9° l'année de naissance;
10° le nombre de patients, déterminé en application de la méthode majoritaire visée au § 1er, 2°.
§ 3. Le Comité de l'assurance détermine les modalités selon lesquelles les organismes assureurs transmettent au Service des soins de santé les cadres statistiques visés au § 2 dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
§ 4. La première période comptable pour les cadres statistiques déterminant la patientèle des médecins généralistes concerne l'année 2008. La transmission du premier fichier est prévue pour la fin du mois qui suit la date de publication du présent arrêté.]1
1° " consultations et visites du médecin généraliste " : les prestations qui figurent dans l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984 établissant la nomenclature des prestations de santé en matière d'assurance obligatoire soins de santé et indemnités qui correspondent aux numéros de codes relatifs aux consultations et visites des médecins généralistes repris à l'article 2A de ladite nomenclature, à l'exclusion des suppléments pour consultations et visites, des honoraires complémentaires pour la gestion du dossier médical global et à l'utilisation d'un passeport diabète;
2° " la méthode majoritaire " : pour chaque affilié, les organismes assureurs relèvent l'ensemble des consultations et visites du médecin généraliste durant l'année comptable concernée. Trois situations peuvent se présenter :
a) l'affilié ne consomme pas de soins de médecine générale durant toute l'année comptable : aucun médecin généraliste ne peut lui être attribué; il n'est pas considéré comme " patient ";
b) l'affilié consulte durant toute l'année comptable le même médecin généraliste : cet affilié est considéré comme le " patient " de ce médecin;
c) l'affilié consulte plusieurs médecins généralistes sur l'année : dans ce cas, les organismes assureurs sélectionnent le médecin le plus souvent consulté. L'affilié sera considéré uniquement comme un " patient " du médecin majoritairement consulté. En cas d'égalité du nombre de consultations du patient auprès de différents généralistes, ce patient est attribué au médecin généraliste qui a été consulté en premier au cours de l'année;
3° " la patientèle " : pour chaque médecin généraliste, les organismes assureurs déterminent, sur base de la méthode majoritaire, le nombre de patients traités. Ce nombre est ventilé selon certaines caractéristiques : le sexe, la gestion du dossier médical global, les trajets de soins, le bénéfice du maximum à facturer, la catégorie sociale du patient, l'année de naissance. Ce nombre constitue la patientèle de ce médecin généraliste.
§ 2. En ce qui concerne les prestations de santé, des cadres statistiques annuels non cumulatifs sont établis par médecin généraliste en déterminant sa patientèle. Ces cadres statistiques reprennent les données suivantes :
1° l'identification de l'organisme assureur;
2° l'année comptable;
3° le numéro d'identification INAMI du médecin généraliste;
4° le sexe du patient;
5° la tenue ou non d'un dossier médical global;
6° la pathologie traitée dans le cadre du trajet de soins tel que défini à l'article 2 de l'arrêté royal du 21 janvier 2009;
7° le bénéfice du maximum à facturer;
8° la catégorie sociale du patient;
9° l'année de naissance;
10° le nombre de patients, déterminé en application de la méthode majoritaire visée au § 1er, 2°.
§ 3. Le Comité de l'assurance détermine les modalités selon lesquelles les organismes assureurs transmettent au Service des soins de santé les cadres statistiques visés au § 2 dans les six mois suivant la période comptable à laquelle ils se rapportent.
§ 4. La première période comptable pour les cadres statistiques déterminant la patientèle des médecins généralistes concerne l'année 2008. La transmission du premier fichier est prévue pour la fin du mois qui suit la date de publication du présent arrêté.]1
Modifications
Art.353. De statistische tabellen betreffende de uitgaven in de moederschapsverzekering voor gerechtigden die niet in een periode van invaliditeit zijn, bevatten de volgende gegevens:
a) (aantal gerechtigden in een periode van moederschapsbescherming als bepaald in de artikelen 114 en 114bis van de gecoördineerde wet); <KB 1997-04-13/51, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
b) aantal vergoede dagen;
c) bedrag van de uitkeringen.
Deze gegevens worden voor de werknemers en werklozen afzonderlijk opgemaakt en ondermeer gesplitst naar sociale stand en vijfjarige leeftijdsgroepen.
Deze statistische tabellen worden jaarlijks opgesteld per ziekenfonds of per gewestelijke dienst en worden overgezonden aan de Dienst voor uitkeringen binnen vijf maanden volgend op het einde van het dienstjaar waarop zij betrekking hebben.
a) (aantal gerechtigden in een periode van moederschapsbescherming als bepaald in de artikelen 114 en 114bis van de gecoördineerde wet); <KB 1997-04-13/51, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
b) aantal vergoede dagen;
c) bedrag van de uitkeringen.
Deze gegevens worden voor de werknemers en werklozen afzonderlijk opgemaakt en ondermeer gesplitst naar sociale stand en vijfjarige leeftijdsgroepen.
Deze statistische tabellen worden jaarlijks opgesteld per ziekenfonds of per gewestelijke dienst en worden overgezonden aan de Dienst voor uitkeringen binnen vijf maanden volgend op het einde van het dienstjaar waarop zij betrekking hebben.
Art. 352. Les cadres statistiques relatifs aux indemnités d'incapacité primaire comportent les renseignements suivants:
a) le nombre de cas d'incapacité de travail;
b) le nombre de jours calendrier;
c) le nombre de jours indemnisés;
d) le montant des indemnités.
Ces renseignements établis séparément pour les travailleurs et les chômeurs sont notamment ventilés par état social, sexe, groupes quinquennaux d'âge et durée d'incapacité de travail reconnue.
Ces cadres statistiques sont établis annuellement par mutualité ou par office régional et sont transmis au Service des indemnités dans les cinq mois qui suivent la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
a) le nombre de cas d'incapacité de travail;
b) le nombre de jours calendrier;
c) le nombre de jours indemnisés;
d) le montant des indemnités.
Ces renseignements établis séparément pour les travailleurs et les chômeurs sont notamment ventilés par état social, sexe, groupes quinquennaux d'âge et durée d'incapacité de travail reconnue.
Ces cadres statistiques sont établis annuellement par mutualité ou par office régional et sont transmis au Service des indemnités dans les cinq mois qui suivent la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Art. 353. De statistische tabellen betreffende de uitgaven in de moederschapsverzekering voor gerechtigden die niet in een periode van invaliditeit zijn, bevatten de volgende gegevens:
a) (aantal gerechtigden in een periode van moederschapsbescherming als bepaald in de artikelen 114 en 114bis van de gecoördineerde wet); <KB 1997-04-13/51, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
b) aantal vergoede dagen;
c) bedrag van de uitkeringen.
Deze gegevens worden voor de werknemers en werklozen afzonderlijk opgemaakt en ondermeer gesplitst naar sociale stand en vijfjarige leeftijdsgroepen.
Deze statistische tabellen worden jaarlijks opgesteld per ziekenfonds of per gewestelijke dienst en worden overgezonden aan de Dienst voor uitkeringen binnen vijf maanden volgend op het einde van het dienstjaar waarop zij betrekking hebben.
a) (aantal gerechtigden in een periode van moederschapsbescherming als bepaald in de artikelen 114 en 114bis van de gecoördineerde wet); <KB 1997-04-13/51, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 06-10-1996>
b) aantal vergoede dagen;
c) bedrag van de uitkeringen.
Deze gegevens worden voor de werknemers en werklozen afzonderlijk opgemaakt en ondermeer gesplitst naar sociale stand en vijfjarige leeftijdsgroepen.
Deze statistische tabellen worden jaarlijks opgesteld per ziekenfonds of per gewestelijke dienst en worden overgezonden aan de Dienst voor uitkeringen binnen vijf maanden volgend op het einde van het dienstjaar waarop zij betrekking hebben.
Art. 353. Les cadres statistiques relatifs aux dépenses en assurance maternité effectuées pour des titulaires qui ne sont pas en période d'invalidité comportent les renseignements suivants:
a) le nombre (de titulaires se trouvant dans une période de protection de la maternité telle que définie aux articles 114 et 114bis de la loi coordonnée); <AR 1997-04-13/51, art. 15, 007; En vigueur : 06-10-1996>
b) le nombre de jours indemnisés;
c) le montant des indemnités.
Ces renseignements, établis séparément pour les travailleurs et les chômeuses, sont notamment ventilés par état social et groupes quinquennaux d'âge.
Ces cadres statistiques sont établis annuellement par mutualité ou par office régional et sont transmis au Service des indemnités dans les cinq mois qui suivent la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
a) le nombre (de titulaires se trouvant dans une période de protection de la maternité telle que définie aux articles 114 et 114bis de la loi coordonnée); <AR 1997-04-13/51, art. 15, 007; En vigueur : 06-10-1996>
b) le nombre de jours indemnisés;
c) le montant des indemnités.
Ces renseignements, établis séparément pour les travailleurs et les chômeuses, sont notamment ventilés par état social et groupes quinquennaux d'âge.
Ces cadres statistiques sont établis annuellement par mutualité ou par office régional et sont transmis au Service des indemnités dans les cinq mois qui suivent la fin de l'exercice auquel ils se rapportent.
Art.354. De begrotingen en rekeningen met betrekking tot de toepassing van de internationale verdragen staan los van die van de algemene regeling voor verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, bepaald in de artikelen 16 en 80 van de gecoördineerde wet.
Art.355. Par dérogation aux dispositions des articles 331 à 353, les recettes, les dépenses et les relevés relatifs à des personnes qui bénéficient des prestations de l'assurance soins de santé et indemnités en vertu des dispositions d'une convention internationale font l'objet de documents et de relevés distincts de ceux prévus auxdits articles.
Art.355. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 331 tot 353, worden voor de ontvangsten, de uitgaven en de staten met betrekking tot personen die krachtens de bepalingen van een internationaal verdrag prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen genieten, bescheiden en staten opgemaakt welke los staan van die bepaald in de genoemde artikelen.
De bescheiden en staten, afzonderlijk opgemaakt voor elk internationaal verdrag en elke categorie van rechthebbenden, bevatten alle inlichtingen welke voor de diensten van het Instituut nodig zijn ter uitvoering van de bij de gecoördineerde wet en genoemde internationale verdragen voorgeschreven verplichtingen.
De bescheiden en staten, afzonderlijk opgemaakt voor elk internationaal verdrag en elke categorie van rechthebbenden, bevatten alle inlichtingen welke voor de diensten van het Instituut nodig zijn ter uitvoering van de bij de gecoördineerde wet en genoemde internationale verdragen voorgeschreven verplichtingen.
Art. 354. Les budgets et les comptes relatifs à l'application des conventions internationales sont distincts de ceux du régime général d'assurance soins de santé et indemnités prévus par les articles 16 et 80 de la loi coordonnée.
Art. 355. In afwijking van het bepaalde in de artikelen 331 tot 353, worden voor de ontvangsten, de uitgaven en de staten met betrekking tot personen die krachtens de bepalingen van een internationaal verdrag prestaties van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen genieten, bescheiden en staten opgemaakt welke los staan van die bepaald in de genoemde artikelen.
De bescheiden en staten, afzonderlijk opgemaakt voor elk internationaal verdrag en elke categorie van rechthebbenden, bevatten alle inlichtingen welke voor de diensten van het Instituut nodig zijn ter uitvoering van de bij de gecoördineerde wet en genoemde internationale verdragen voorgeschreven verplichtingen.
De bescheiden en staten, afzonderlijk opgemaakt voor elk internationaal verdrag en elke categorie van rechthebbenden, bevatten alle inlichtingen welke voor de diensten van het Instituut nodig zijn ter uitvoering van de bij de gecoördineerde wet en genoemde internationale verdragen voorgeschreven verplichtingen.
Art. 355. Par dérogation aux dispositions des articles 331 à 353, les recettes, les dépenses et les relevés relatifs à des personnes qui bénéficient des prestations de l'assurance soins de santé et indemnités en vertu des dispositions d'une convention internationale font l'objet de documents et de relevés distincts de ceux prévus auxdits articles.
Les documents et relevés, établi séparément pour chaque convention internationale et chaque catégorie de bénéficiaires, contiennent tous les renseignements nécessaires aux Service de l'Institut pour l'exécution des obligations prévues par les dispositions de la loi coordonnée et desdites conventions internationales.
Les documents et relevés, établi séparément pour chaque convention internationale et chaque catégorie de bénéficiaires, contiennent tous les renseignements nécessaires aux Service de l'Institut pour l'exécution des obligations prévues par les dispositions de la loi coordonnée et desdites conventions internationales.
BIJLAGE. Bijlage I van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
(Formulier niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 04-08-2014, p. 56843-56848)
(Formulier niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 04-08-2014, p. 56843-56848)
N2. [1 Annexe II]1
-
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 11-07-2022, p. 55346)
Modifications
BIJLAGE. Bijlage I van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
Art. N3.[1 Annexe III
N3. [1 Bijlage III
N2. [1 Annexe II]1
N3. [1 Bijlage III
Art. N3.[1 Annexe III