Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
9 AUGUSTUS 1995. - Omzendbrief B.A./11 betreffende de gemeentebegrotingen voor 1996. - Onderrichtingen ten behoeve van de gemeenten in het Vlaamse Gewest.
Titre
9 AOUT 1995. - Circulaire B.A./11 concernant les budgets communaux pour 1996. - Instructions pour les communes de la Région flamande. (TRADUCTION)
Tekst (4)
Texte (1)
Artikel M. (Om technische redenen werd deze omzendbrief onderverdeeld in de volgende fictieve artikelen : art. M1 - M3).
Article M. (Pour cette circulaire, voir version néerlandaise).
Art. M1. I. ONDERRICHTINGEN VAN ALGEMENE AARD.
  1.1. Indienen van de gemeentebegroting 1996.
  Om het gebruik van voorlopige kredieten (twaalfden) tot een strikt minimum te beperken is het nodig de begroting tijdig op te maken en in te dienen bij de toezichthoudende overheid.
  Ik verzoek de provinciale overheid om de gemeentebegrotingen te onderzoeken in volgorde van binnenkomst.
  1.2. De Nieuwe Gemeentelijke Boekhouding.
  1.2.1. Samenvattingstabellen.
  Ter zake verwijs ik naar mijn omzendbrief van 16 juni 1995 in verband met het model voor de begroting 1996.
  1.2.2. De begrotingsrekening.
  Het model en de nodige richtlijnen ter zake zullen in het najaar aan de gemeenten worden verstrekt.
  1.3. De begrotingswijzigingen.
  Ingevolge de nieuwe gemeentelijke boekhouding mogen de gemeenten reeds voor 1 juli een begrotingswijziging doorvoeren. Daarom dring ik erop aan om het aantal wijzigingen tot twee te beperken en slechts bij uitzondering een derde begrotingswijziging in te dienen. Veelvuldige en/of omvangrijke begrotingswijzigingen duiden op een onzorgvuldige opmaak van de begrotingsramingen.
  1.4. Administratief toezicht.
  Krachtens de bepalingen van het decreet inzake het administratief toezicht beschikt de Bestendige Deputatie over een termijn van honderd dagen, ingaande de dag na het inkomen van de begroting op het provinciaal gouvernement, om de ingediende begroting goed te keuren.
  Het verstrijken van deze termijn geeft een stilzwijgende goedkeuring aan de begroting hetgeen niet strookt met de bedoelingen van de decreetgever.
  Ik verzoek het provinciaal college derhalve ervoor te zorgen dat het bijzonder goedkeuringstoezicht efficiënt wordt uitgeoefend en in ieder geval binnen de bij decreet bepaalde termijn.
  1.5. Het beroep door de gouverneur.
  Ik verzoek de heer gouverneur beroep aan te tekenen tegen de uitdrukkelijke of stilzwijgende goedkeuring door de Bestendige Deputatie telkens als :
  - de begroting wordt vastgesteld met een algemeen tekort van de gewone of de buitengewone dienst;
  - het begrotingsevenwicht slechts bereikt wordt door de overschatting van sommige ontvangsten en/of de onderraming van sommige uitgaven;
  - het financieel beleidsplan in één of meer jaren een algemeen tekort vertoont, of wanneer het beleidsplan onvoldoende nauwkeurig is ingevuld of toegelicht.
  Tevens verzoek ik de heer gouverneur om met mijn ambt te overleggen over het eventueel instellen van beroep, indien de Bestendige Deputatie begrotingen zou goedkeuren die ernstige tekortkomingen vertonen in bepaalde begrotingsartikels.
  1.6. De meerjarenplanning.
  De meerjarenplanning die bij de begroting voor 1996 wordt gevoegd bestrijkt de periode 1996 tot 1999. Met betrekking tot het model van meerjarenplanning verwijs ik naar mijn omzendbrief van 16 juni 1995 betreffende het begrotingsmodel.
-
Art. M2. II. ONDERRICHTINGEN VAN BIJZONDERE AARD.
  2.1. De fondsen.
  2.1.1. Het gemeentefonds.
  In de begroting voor 1996 en in de meerjarenplanning schrijven de gemeenten de bedragen in die hen door de administratie Binnenlandse Aangelegenheden individueel worden meegedeeld.
  De gemeenten die verder plannen dan 1999 passen vanaf 2000 een jaarlijkse verhoging met 3 % toe.
  2.1.2. Het Vlaams Fonds voor de Integratie van Kansarmen.
  De gemeenten die een dotatie uit het VFIK. ontvangen schrijven het gemeentelijk aandeel in op artikel 022/466/07.
  Het beheer en de verdeling van het VFIK. behoren administratief tot de bevoegdheid van de Afdeling Welzijnsbevordering. De gemeenten kunnen het bedrag van hun aandeel bekomen bij :
  Afdeling Welzijnsbevordering
  Team Gelijke Kansenbeleid
  Markiesstraat 1
  1000 Brussel
  2.1.3. De bijzondere dotatie.
  De gemeenten die geen dotatie uit het VFIK. ontvangen schrijven als aandeel in de Bijzondere Dotatie het bedrag in dat hen door de administratie Binnenlandse Aangelegenheden wordt meegedeeld.
  Dit geldt ook voor de meerjarenplanning.
  2.1.4. Het investeringsfonds.
  In de begroting voor 1996 en in de meerjarenplanning schrijven de gemeenten de bedragen in die door de administratie Binnenlandse Aangelegenheden individueel wordt meegedeeld.
  2.1.5. De compensatie voor de derving van opcentiemen op de onroerende voorheffing.
  Deze compensatie is afhankelijk van de aard van de vrijgestelde eigendommen die op het grondgebied van de gemeente zijn gelegen. Indien de gemeenten de compensatie kennen die hen voor 1995 is toegekend, dan schrijven zij hetzelfde bedrag in voor 1996. Is dat niet het geval dan behouden zij het voor 1994 ingeschreven bedrag.
  2.2. Fiscaliteit.
  De gemeentebesturen hebben er alle belang bij om de besluiten betreffende de aanvullende personenbelasting en de opcentiemen op de onroerende voorheffing zo vlug mogelijk naar de provinciegouverneur te zenden, zodat de administratie der Directe Belastingen de inkohieringen zonder verwijl kan aanvatten.
  2.2.1. De aanvullende belasting op de personenbelasting.
  Tot op heden schreven de gemeenten in hun begroting steeds de door het Ministerie van Financiën meegedeelde bedragen in. Deze bedragen bleken in het verleden in vele gevallen gevoelig boven de werkelijke ontvangsten te liggen.
  Ik verzoek de gemeenten dan ook deze ramingen met de grootste voorzichtigheid te hanteren. In geval de afwijking tussen de begrotingsraming en de reële ontvangst systematisch in belangrijke mate afwijkt, is het aan te bevelen dat de gemeenten een lager bedrag inschrijven dan het Ministerie van Financiën voor 1996 meedeelt.
  In de meerjarenplanning raamt men de jaarlijkse meeropbrengst van de aanvullende belasting op de personenbelasting in principe op 2 %.
  2.2.2. De opcentiemen op de onroerende voorheffing.
  De opbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing voor 1996 dient als volgt geraamd :
-
                       K.I. 1994
                       

Modifications

x inkohieringen 1994 x 1, 05
K.I. 1993
-
  Als het aantal opcentiemen voor 1996 gewijzigd wordt ten opzichte van het aantal in 1994 geheven opcentiemen, dan moet de hierboven bekomen uitkomst nog vermenigvuldigd worden met het resultaat van de breuk :
-
                       aantal opcentiemen 1996
                       

Modifications

aantal opcentiemen 1994
-
  In de meerjarenplanning raamt men de jaarlijkse meeropbrengst van de opcentiemen op de onroerende voorheffing in principe op 3 %.
  2.3. De uitgaven van de gewone dienst.
  2.3.1. De personeelsuitgaven.
  Gelet op de verschillende data waarop de gemeenten de sectorale akkoorden toepassen en gelet op de mogelijke spreiding in de tijd kan geen algemeen stijgingspercentage van de personeelsuitgaven worden meegedeeld.
  Bijgevolg kan ik enkel de basisinformatie verschaffen die de gemeenten nodig hebben om zelf hun personeelsuitgaven voor 1996 te ramen.
  De gemeenten dienen rekening te houden met de volgende factoren :
  - de reële of de waarschijnlijke stijging of daling van het aantal personeelsleden;
  - de evolutie van het indexcijfer der consumptie prijzen (gezondheidsindex);
  - de toekenning van de periodieke verhogingen, rekening houdend met het tijdstip waarop deze worden toegekend;
  - de evolutie in de bijdragen voor de sociale zekerheid;
  - de CAO-bepalingen en meer in het bijzonder de algemene weddeschaalherziening, uiteraard met inbegrip van de inschakelingsmodaliteiten naar het nieuwe stelsel.
  2.3.1.1. het indexcijfer der consumptieprijzen.
  Ingevolge de toepassing van de gezondheidsindex voor de berekening van de weddeaanpassingen, wordt de eerstvolgende indexsprong pas op 1 maart 1996 verwacht.
  Ten opzichte van de personeelsuitgaven voor 1995 stijgen de personeelskosten in 1996 met 1,6666 %, namelijk :
  doorrekening indexverhoging op 1 maart 1996 =
  2 % x 0,08333 x 10 maanden = 1,6666 %.
  Afgerond : + 1,7 % t.o.v. 1995
  2.3.1.2. de toepassing van de algemene weddeschaalherziening Omdat de algemene weddeschaalherziening geen lineaire verhoging inhoudt van alle wedden, maar een totaal nieuw baremastelsel invoert voor de lokale besturen, moeten de gemeenten individueel de financiële gevolgen van de toepassing van de sectorale akkoorden berekenen.
  Bij de raming zal men rekening houden met de datum van inschakeling en met het eventueel toepassen van een verkorte evaluatieperiode.
  De besturen die reeds in 1995 inschakelden, dienen te onderzoeken welke weddeverhogingen in 1996, als gevolg van een verkorte evaluatieperiode, worden doorgevoerd.
  De besturen die in 1996 zullen inschakelen doen dit op basis van de inschakelingstabel, waarbij tevens wordt onderzocht of, ingevolge een verkorte evaluatieperiode, nog bijkomende weddeverhogingen in 1996 worden toegekend.
  De gemeenten dienen de financiële weerslag van de weddeschaalherziening zo nauwkeurig mogelijk in de begroting te verwerken, gelet op de uitermate belangrijke gevolgen ervan voor de meerjarenplanning.
  Als algemene regel kan in de meerjarenplanning een groeivoet van 4 % worden gehanteerd. Gelet op het grote belang van de weddeschaalherziening in die raming moet steeds de nodige toelichting worden verstrekt.
  2.3.2. De werkingskosten.
  Bij gelijkblijvend beleid wordt de normale stijging van de werkingskosten op 3 % per jaar geraamd.
  Uiteraard mogen de gemeenten hiervan afwijkende bedragen in hun begroting en meerjarenplanning inschrijven. In voorkomend geval moeten de nodige toelichtingen worden verstrekt.
  2.3.3. De overdrachten.
  2.3.3 1. het OCMW.
  De werkingstoelage aan het OCMW. is verplicht gelijk aan het in de goedgekeurde begroting van het OCMW. ingeschreven bedrag.
  Ik vestig er de aandacht op dat, gelet op de motiveringsplicht, de gemeenteraad de besluiten tot niet goedkeuring of tot wijziging van de OCMW.-begroting degelijk moet motiveren.
  2.3.3.2. de ziekenhuistekorten.
  Het voor 1996 in te schrijven bedrag wordt gevormd door het tekort of de tekorten die waarschijnlijk in 1996 ambtshalve van de rekening van de gemeente worden afgehouden.
  De raming gebeurt op basis van de gegevens verstrekt door het openbaar ziekenhuis.
  De gemeenten die nog belangrijke ziekenhuistekorten van vorige jaren moeten vereffenen, mogen een voorschot van 80 % op het exploitatietekort toestaan en dat voorschot als een vastgelegde uitgave in de rekening boeken.
  2.3.4. De schulduitgaven.
  2.3.4.1. de intrestvoeten.
  Voor de leningen die in 1996 worden afgesloten evenals voor de leningen waarvan de rentevoet in 1996 wordt aangepast ingevolge contractuele bepalingen, gelden de volgende rentevoeten :
-
    -leningen meteen looptijd tot maximum 5 jaar                  6,50 %
    - leningen met een looptijd  tot maximum 10 jaar              6,75 %
    -leningen met een looptijd tot maximum 20 jaar                7,00 %
    - leningen met een looptijd tot maximum 30 jaar               7,50 %
-
  In de begroting 1996 schrijft men voor de nieuwe leningen een intrestlast in gelijk aan zes maanden intrest.
  Voor de nieuwe leningen wordt geen krediet uitgetrokken voor de terugbetaling van kapitaal.
  2.3.4.2. beheersing van de gemeenteschuld.
  Ik vestig nogmaals de aandacht op de noodzaak om de gemeentelijke schuld binnen aanvaardbare perken te houden. Ik herhaal dan ook mijn aanbevelingen betreffende de schuldratio vervat in de omzendbrief van 22 juli 1993.
  schuldsratio kleiner dan 1
  Aanbeveling : de schuld niet sneller laten stijgen dan de gemiddelde of de te verwachten stijging van de ontvangsten van de gewone dienst.
  schuldratio > 1 maar < 1,5
  Aanbeveling : de schuld niet sneller laten stijgen dan de gemiddelde evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen of de evolutie van de ontvangsten indien die trager is dan de stijging van de consumptieprijzen.
  schuldratio > 1,5
  Aanbeveling : de totale schuld mag niet verhogen tot de ratio kleiner wordt dan 1,5.
  De evolutie van de schuld en de schuldratio moet over meer dan één jaar worden gevolgd en beoordeeld. Een periode van vijf jaar lijkt minimaal te zijn om een degelijke planning inzake schuldbeheer op te stellen. De hierboven vermelde aanbevelingen moeten dan ook in dat perspectief geplaatst worden.
-
Art. M3. III. DE BEGROTINGSBIJLAGEN.
  Buiten het meerjarig financieel beleidsplan en het bij artikel 96 van de Nieuwe Gemeentewet bedoeld verslag, dient voortaan als afzonderlijke bijlage ook het advies van de begrotingscommissie, waarvan sprake in artikel 12 van het koninklijk besluit van 2 augustus 1990 houdende algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit, gevoegd.
  Hierna volgen een paar verduidelijkingen aangaande bovenvermelde commissie :
  Samenstelling : een lid van het schepencollege, de gemeentesecretaris en de gemeenteontvanger.
  Dit is de minimale samenstelling; niets belet de commissie beroep te doen op andere personen om haar advies te kunnen geven.
  Advies: dit slaat uitsluitend op de wettelijkheid en de te verwachtten financiële weerslag. Deze termen moeten ruim geïnterpreteerd worden; de commissie moet zich niet enkel uitspreken over de vraag of het voorgelegde ontwerp van begroting wettelijk is en de financiële weerslag draaglijk, maar moet ook de mogelijkheid hebben om alternatieven voor te stellen.
  Advies als deel van de begroting : daar dit advies verplicht dient uitgebracht door de commissie dient dit advies als een vormvereiste beschouwd. Het advies maakt derhalve deel uit van de bijlagen van de begroting en dient samen met het ontwerp van begroting aan de raadsleden meegedeeld te worden.
  Begrotingen die niet vergezeld zijn van dit advies kunnen derhalve niet aan de goedkeuring van de bevoegde overheid voorgelegd worden.
  Om moeilijkheden te vermijden in verband met de werking van deze commissie is het aangewezen een huishoudelijk reglement op te stellen waarin eventueel de volgende elementen kunnen in opgenomen worden :
  - wie zit de commissie voor?!
  - op wiens initiatief komt de commissie samen ?!
  - wie stelt de notulen op ?!
  - wat wordt minimaal in het advies opgenomen ?!
  - enz...
  * * * *
  Mijn administratie voor Binnenlandse Aangelegenheden alsmede de diensten van de provinciale gouvernementen staan ter beschikking voor verdere toelichting in verband met deze omzendbrief.
  Ik verzoek u, mijnheer de gouverneur, de gemeentebesturen kennis te geven van deze omzendbrief door een spoedige publicatie in het bestuursmemoriaal.
  Volledigheidshalve zend ik aan alle gemeentebesturen rechtstreeks een afschrift van deze omzendbrief toe.
  De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting,
  L. Peeters
-