Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
1 SEPTEMBER 1995. - Koninklijk besluit tot wijziging, inzonderheid op het vlak van het lange termijnsparen, van het KB/WIB 92.
Titre
1 SEPTEMBRE 1995. - Arrêté royal modifiant, notamment en matière d'épargne à long terme, l'AR/CIR 92.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (22)
Texte (22)
Artikel 1. In artikel 6 van het KB/WIB 92, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 1° wordt door de volgende bepaling vervangen : "de bijdragen bedoeld in artikel 52, 7° en 9°, van hetzelfde Wetboek, ingehouden door de schuldenaar van de beroepsinkomsten en de sommen bedoeld in artikel 52, 8°, van hetzelfde Wetboek, gestort door de belastingplichtige;";
  2° in 2°, worden de woorden "en sommen" ingevoegd tussen de woorden "bijdragen" en ", die".
Article 1. A l'article 6 de l'AR/CIR 92, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le 1° est remplacé par la disposition suivante : "les cotisations visées à l'article 52, 7° et 9°, du même Code, retenues par le débiteur des revenus professionnels et les sommes visées à l'article 52, 8°, du même Code, versées par le contribuable;";
  2° au 2°, les mots "et les sommes" sont insérés entre les mots "cotisations" et "visées".
Art.2. In artikel 6 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de inleidende zin wordt vervangen door de volgende bepaling :
  "De aftrekken bedoeld in de artikelen 23, § 2, en 68 tot 80 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden verricht volgens de in de artikelen 7 tot 10 vastgestelde wijze en in de hierna vermelde volgorde :";
  2° in 1°, vervangen door artikel 1, 1°, van dit besluit, worden de woorden "en 9°" geschrapt;
  3° het 6° wordt opgeheven.
Art.2. A l'article 6 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° la phrase liminaire est remplacée par la disposition suivante :
  "Les déductions prévues par les articles 23, § 2, et 68 à 80 du Code des impôts sur les revenus 1992, s'opèrent suivant les modalités fixées aux articles 7 à 10 dans l'ordre indiqué ci-après :";
  2° au 1°, remplacé par l'article 1er, 1°, du présent arrêté, les mots "et 9°" sont supprimés;
  3° le 6° est abrogé.
Art.3. In artikel 7 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1°
  § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling : "§ 1. De bijdragen en sommen vermeld in artikel 6, 1°, worden afgetrokken van de inkomsten waarop zij betrekking hebben.";
  2° in § 6, worden de woorden "in artikel 23, § 1," vervangen door de woorden "in de artikelen 27 en 31 tot 33,";
  3° in § 8, worden de woorden "in artikel 6, 1°, vermelde", vervangen door "in artikel 52, 7°, van hetzelfde Wetboek vermelde sociale".
Art.3. A l'article 7 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est remplacé par la disposition suivante : "§ 1er. Les cotisations et sommes visées à l'article 6, 1°, sont déduites des revenus auxquels elles se rapportent.";
  2° au § 6, les mots "à l'article 23, § 1er," sont remplacés par les mots "aux articles 27 et 31 à 33,";
  3° au § 8, les mots "visées à l'article 6, 1°," sont remplacés par les mots "sociales visées à l'article 52, 7°, du même Code".
Art.4. Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.4. L'article 11 du même arrêté est abrogé.
Art.5. Het opschrift van afdeling XIII van hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt vervangen door het volgende opschrift :
  "Werkgeversbijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 59, tweede en vierde lid)".
Art.5. L'intitulé de la section XIII du chapitre premier du même arrêté est remplacé par l'intitulé suivant :
  "Cotisations patronales d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré (Code des impôts sur les revenus 1992, article 59, alinéas 2 et 4).".
Art.6. In de inleidende zin van artikel 34 van hetzelfde besluit, worden de woorden "de artikelen 52, 3°, b, 5° en 9°, en 59," vervangen door de woorden "de artikelen 52, 3°, b en 5°, en 59,".
Art.6. Dans la phrase liminaire de l'article 34 du même arrêté, les mots "des articles 52, 3°, b, 5° et 9°, et 59," sont remplacés par les mots "des articles 52, 3°, b et 5°, et 59,".
Art.7. In artikel 35 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin van § 1 wordt het woord "bijdragen" vervangen door het woord "werkgeversbijdragen" en worden de woorden "in artikel 52, 3°, b, en 9°," vervangen door de woorden "in artikel 52, 3°, b,";
  2° in § 1, 2°, worden de woorden "de bijdragen die overeenkomstig artikel 52, 9°, van hetzelfde Wetboek op de bezoldigingen zijn ingehouden" vervangen door de woorden "de persoonlijke bijdragen vermeld in artikel 145/1, 1°, van hetzelfde Wetboek die door de werkgever op de bezoldigingen van de werknemer zijn ingehouden,";
  3° in § 2, wordt de inleidende zin vervangen door de volgende bepaling :
  "De bijdragen vermeld in § 1 mogen slechts van de belastbare inkomsten worden afgetrokken gedurende de normale duur van de beroepswerkzaamheid van elke werknemer en in zover, per werknemer, de genoemde bijdragen, verhoogd met de persoonlijke bijdragen vermeld in artikel 145/1, 1°, van hetzelfde Wetboek :";
  4° in de Franse tekst van § 2, 1° en 2°, eerste lid, wordt het woord "elles" telkens geschrapt.
Art.7. A l'article 35 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la phrase liminaire du § 1er, le mot "patronales" est inséré entre les mots "cotisations" et "d'assurance" et les mots "à l'article 52, 3°, b, et 9°," sont remplacés par les mots "à l'article 52, 3°, b,";
  2° dans le § 1er, 2°, les mots "les cotisations retenues sur les rémunérations conformément à l'article 52, 9°, du même Code," sont remplacés par les mots "les cotisations personnelles visées à l'article 145/1, 1°, du même Code que l'employeur a retenues sur les rémunérations du travailleur,";
  3° dans le § 2, la phrase liminaire est remplacée par la disposition suivante :
  "Les cotisations patronales visées au § 1er ne sont admises en déduction des revenus imposables que pendant la durée normale d'activité professionnelle de chaque travailleur et dans la mesure où, par travailleur, lesdites cotisations, majorées des cotisations personnelles visées à l'article 145/1, 1°, du même Code :";
  4° dans le texte français du § 2, 1° et 2°, alinéa 1er, le mot "elles" est chaque fois supprimé.
Art.8. Afdeling XVII van hoofdstuk I van hetzelfde besluit, die de artikelen 50 tot 52 bevat, wordt opgeheven.
Art.8. La section XVII du chapitre premier du même arrêté, comprenant les articles 50 à 52, est abrogée.
Art.9. In hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt, onmiddellijk na artikel 63, een afdeling XXVbis, die artikel 63/1 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
  "Afdeling XXVbis. - Persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145/3, derde lid).
  Art. 63/1. De persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood bedoeld in artikel 145/3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden voor de vermindering van het lange termijnsparen in aanmerking genomen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 34 en 35."
Art.9. Dans le chapitre premier du même arrêté, immédiatement après l'article 63, il est inséré une section XXVbis, comprenant l'article 63/1, rédigée comme suit :
  "Section XXVbis. - Cotisations personnelles d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré (Code des impôts sur les revenus 1992, article 145/3, alinéa 3).
  Art. 63/1. Les cotisations personnelles d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré visées à l'article 145/3, du Code des impôts sur les revenus 1992 sont prises en considération pour la réduction pour épargne à long terme conformément aux dispositions des articles 34 et 35."
  .
Art.10. In hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt, onmiddellijk na artikel 63/1, ingevoegd door artikel 9 van dit besluit, een afdeling XXVter, die de artikelen 63/2 tot 63/4 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
  "Afdeling XXVter. - Voorwaarden en wijze waarop de vermindering voor het lange termijnsparen wordt toegepast met betrekking tot premies van individuele levensverzekeringen en betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145/6, derde lid).
  Art. 63/2. Eenmalige premies of termijnpremies die de belastingplichtige heeft betaald ter uitvoering van levensverzekeringscontracten die hij individueel heeft gesloten, worden, binnen de grenzen gesteld in de artikelen 145/4 en 145/6, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, slechts in aanmerking genomen voor de vermindering voor het lange termijnsparen indien :
  1° de contracten zijn onderschreven bij Belgische ondernemingen of Belgische inrichtingen van buitenlandse ondernemingen die verbintenissen aangaan waarvan de uitvoering afhankelijk is van de duur van het menselijk leven, of bij openbare of private voorzorgsinstellingen waarvoor bijzondere wetten gelden;
  2° de verzekerde het bewijs van betaling van de premie overlegt, zomede een attest waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, waarbij de verzekeraar :
  a) bevestigt dat het contract aan al de in artikel 145/4 van hetzelfde Wetboek gestelde voorwaarden voldoet;
  b) er zich toe verbindt de taxatiedienst van het ambtsgebied van de verzekerde in kennis te stellen van alle wijzigingen die aan het contract worden aangebracht.
  Art. 63/3. Betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en gewaarborgd is door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal, worden, binnen de grenzen gesteld in artikel 145/6, eerste en tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, slechts in aanmerking genomen voor de vermindering voor het lange termijnsparen indien de belastingplichtige het bewijs van die betalingen overlegt, zomede een attest waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wordt vastgesteld, waarbij de verzekeraar :
  a) bevestigt dat het verzekeringscontract en het leningscontract aan de in artikel 145/5 van hetzelfde Wetboek gestelde voorwaarden voldoen;
  b) er zich toe verbindt de taxatiedienst van het ambtsgebied van de belastingplichtige in kennis te stellen van alle wijzigingen die aan de contracten worden aangebracht.
  Art. 63/4. Premies betreffende een contract met kosteloze of betalende deelneming in de winst, worden tot hun nominale bedrag in aanmerking genomen voor de vermindering voor het lange termijnsparen.".
Art.10. Dans le chapitre premier du même arrêté, immédiatement après l'article 63/1, inséré par l'article 9 du présent arrêté, il est inséré une section XXVter , comprenant les articles 63/2 à 63/4, rédigée comme suit :
  "Section XXVter. - Conditions et modalités d'application de la réduction pour épargne à long terme en ce qui concerne les primes d'assurances-vie individuelles et les sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'emprunts hypothécaires (Code des impôts sur les revenus 1992, article 145/6, alinéa 3).
  Art. 63/2. Les primes uniques ou périodiques payées par le contribuable en exécution de contrats d'assurances-vie qu'il a conclus individuellement ne sont, dans les limites prévues aux articles 145/4 et 145/6, alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992, prises en considération pour la réduction pour épargne à long terme que si :
  1° les contrats sont souscrits auprès d'entreprises belges ou d'établissements belges d'entreprises étrangères, qui contractent des obligations dont l'exécution dépend de la durée de la vie humaine, ou auprès d'institutions publiques ou privées de prévoyance régies par des lois spéciales;
  2° l'assuré produit la preuve du paiement de la prime et une attestation du modèle arrêté par le Ministre des Finances ou son délégué par laquelle l'assureur :
  a) certifie que le contrat réunit toutes les conditions prévues à l'article 145/4 du même Code;
  b) s'engage à informer le service de taxation du ressort de l'assuré de toute modification quelconque qui serait apportée au contrat.
  Art. 63/3. Les sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'un emprunt hypothécaire contracté en vue de construire, acquérir ou transformer une habitation située en Belgique et garanti par une assurance temporaire au décès à capital décroissant, ne sont prises en considération pour la réduction pour épargne à long terme, dans les limites prévues à l'article 145/6, alinéas 1er et 2, du Code des impôts sur les revenus 1992, que si le contribuable produit la preuve du paiement desdites sommes et une attestation du modèle arrêté par le Ministre des Finances ou son délégué par laquelle l'assureur :
  a) certifie que le contrat d'assurance et le contrat d'emprunt réunissent les conditions prévues à l'article 145/5 du même Code;
  b) s'engage à informer le service de taxation du ressort du contribuable de toute modification quelconque qui serait apportée aux contrats.
  Art. 63/4. La prime relative à un contrat souscrit avec participation gratuite ou payante aux bénéfices, est prise en considération pour la réduction pour épargne à long terme à concurrence de son montant nominal."
Art.11. In hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt, onmiddellijk na artikel 63/4, ingevoegd door artikel 10 van dit besluit, een afdeling XXVquater, die artikel 63/5 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
  "Afdeling XXVquater. - Inlichtingen te verstrekken betreffende betalingen voor pensioensparen (artikelen 21, 8°, 145/10, tweede lid, 145/12, zesde lid, en 263, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).
  Art. 63/5. § 1. Binnen de twee maanden na het einde van ieder kalenderjaar waarin betalingen voor pensioensparen zijn verricht, moeten de instellingen en ondernemingen bedoeld in artikel 145/15 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aan de administratie van de directe belastingen een afschrift bezorgen van het attest dat zij aan iedere houder van een spaarrekening of ondertekenaar van een spaarverzekeringscontract hebben uitgereikt en waarvan het model door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde is vastgelegd ter uitvoering van artikel 145/9, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek.
  § 2. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan vergunning verlenen om de in § 1 bedoelde afschriften te vervangen door een magnetische informatiedrager.
  De vergunning vermeldt de na te leven voorwaarden en kan steeds worden ingetrokken.".
Art.11. Dans le chapitre premier du même arrêté, immédiatement après l'article 63/4, inséré par l'article 10 du présent arrêté, il est inséré une section XXVquater, comprenant l'article 63/5, rédigée comme suit :
  "Section XXVquater. - Informations à fournir en matière de paiements pour épargne-pension (articles 21, 8°, 145/10, alinéa 2, 145/12, alinéa 6, et 263, alinéa 2, Code des impôts sur les revenus 1992).
  Art. 63/5.
  § 1er. Dans les deux mois qui suivent chaque année civile pendant laquelle des paiements pour épargne-pension ont été effectués, les institutions et entreprises visées à l'article 145/15 du Code des impôts sur les revenus 1992 doivent fournir à l'administration des contributions directes une copie de l'attestation qu'ils ont remise à chaque titulaire de compte-épargne ou souscripteur de contrat d'assurance-épargne et dont le modèle est déterminé par le Ministre des Finances ou son délégué en exécution de l'article 145/9, alinéa 1er, 3°, du même Code.
  § 2. Le Ministre des Finances ou son délégué peut autoriser le remplacement des copies visées au § 1er par un support magnétique.
  L'autorisation fixe les conditions à observer et peut toujours être retirée."
Art.12. In hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt, onmiddellijk na artikel 63/5, ingevoegd door artikel 11 van dit besluit, een afdeling XXVquinquies, die de artikelen 63/6 tot 63/9 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
  "Afdeling XXVquinquies. - Voorwaarden tot toekenning en behoud van de erkenning van pensioenspaarfondsen (artikel 145/16, 1°, Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).
  Art. 63/6. § 1. Tot staving van de aanvraag die de beheersvennootschap indient om voor de toepassing van artikel 145/16, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 een Belgisch beleggingsfonds als pensioenspaarfonds te erkennen, moet die vennootschap verstrekken :
  1° een attest uitgereikt door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen volgens hetwelk dit fonds is ingeschreven op de lijst van de Belgische beleggingsinstellingen overeenkomstig artikel 120 van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten en afdeling I van hoofdstuk I van titel I van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging;
  2° de, eventueel gecoördineerde, tekst van de statuten van de beheersvennootschap;
  3° de lijst van de aandeelhouders van de beheersvennootschap en van ieders deelneming in het maatschappelijk kapitaal;
  4° indien zij bestaan, de drie laatste jaarrekeningen van de beheersvennootschap;
  5° de naam, voornamen, woonplaats en nationaliteit van de bestuurders, directeurs of andere personen die met het dagelijks bestuur van de beheersvennootschap zijn belast;
  6° de verbintenis van de beheersvennootschap de activa van het fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de lasten, te beleggen overeenkomstig boek III van voormelde wet van 4 december 1990 en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en met inachtneming van de verplichtingen van artikel 145/11 van hetzelfde Wetboek;
  7° de naam, voornamen en woonplaats van een commissaris-revisor die volledige toegang heeft tot om het even welke bescheiden en geschriften van de beheersvennootschap zomede tot die van de bewaarnemer die betrekking hebben op de bewaargevingen van effecten en waarden van het fonds, waarbij de bewaarnemer zich akkoord verklaart met die vrije toegang;
  8° een attest van de bewaarnemer van het fonds waarbij :
  - hij zich ertoe verbindt aan alle verplichtingen overeenkomstig artikel 11 van voormeld koninklijk besluit van 4 maart 1991 te voldoen;
  - hij de eventuele waarborgen omschrijft die hij aanvaard heeft aan de deelnemers te geven;
  - hij de met de beheersvennootschap afgesloten overeenkomsten omschrijft;
  - hij de verbintenis aangaat aan de Minister van Financiën alle wijzigingen die ter zake zouden intreden mede te delen.
  § 2. Om het erkenningsdossier doorlopend te kunnen bijwerken, licht de beheersvennootschap de Minister van Financiën onverwijld in over de wijzigingen die moeten worden aangebracht in de tot staving van de aanvraag medegedeelde stukken en zendt hem de jaarrekening zodra die door de algemene vergadering is goedgekeurd.
  Art. 63/7.
  § 1. Het naleven van de verplichtingen bedoeld in artikel 145/11, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt nagegaan op grond van de in § 2 bedoelde bescheiden die door de beheersvennootschap bij de Minister van Financiën worden ingediend uiterlijk één maand na het einde van ieder volledig kalenderkwartaal sedert de erkenning van het fonds, ondertekend door de twee bestuurders bedoeld in artikel 3, § 1, 8°, van het koninklijk besluit van 4 maart 1991 met betrekking tot bepaalde instellingen voor collectieve belegging en zonder enig voorbehoud gewaarmerkt door de in artikel 63/6, § 1, 7°, bedoelde commissaris-revisor.
  § 2. De in § 1 bedoelde bescheiden worden gevormd door de gedetailleerde toestand van het fonds zoals die is opgesteld op het einde van de laatste bankwerkdag van iedere maand die deel uitmaakt van ieder kalenderkwartaal.
  Die bescheiden geven de gedetailleerde samenstelling van het fonds op het einde van de maand, de waardering van respectievelijk elk element van het patrimonium en van het geheel van dit laatste overeenkomstig de in § 3 vermelde regels, enerzijds in kapitaal, anderzijds in inkomsten, evenals de netto inschrijvingen in kapitaal bij het fonds voor ieder van de drie voorgaande maanden.
  § 3. De methodes tot waardering van het patrimonium van het fonds moeten beantwoorden aan de voorwaarden vermeld in artikel 68, § 1, van voormeld koninklijk besluit van 4 maart 1991 en moeten overeenstemmen met de voorwaarden gesteld in het koninklijk besluit van 8 maart 1994 op de boekhouding en de jaarrekening van bepaalde instellingen voor collectieve belegging met een veranderlijk aantal rechten van deelneming.
  Wanneer er voor een element van het patrimonium geen gereglementeerde liquide markt bestaat, moeten de in het eerste lid bedoelde methodes tot waardering in het bijzonder door een commissaris-revisor zijn aanvaard.
  § 4. De voorwaarden bedoeld in artikel 145/11, van hetzelfde Wetboek worden beschouwd als nageleefd indien uit de in §§ 1 en 2 bedoelde bescheiden blijkt :
  a) dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal van de aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van vennootschappen naar Belgisch recht vertegenwoordigen hoger is dan 30 pct. van de refertewaarde van het fonds;
  b) dat de op grond van de toestand op het einde van iedere maand van het kalenderkwartaal berekende totale gemiddelde waarde in kapitaal, enerzijds, van de buitenlandse op een Belgische beurs genoteerde effecten of de delen van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen ingeschreven zijn op de lijst van de Belgische beleggingsinstellingen, en anderzijds, van de tegoeden op rekening in Belgische frank bij één van de in artikel 145/15, eerste lid, van hetzelfde Wetboek vermelde instellingen of ondernemingen, niet hoger is dan 10 pct. van de refertewaarde van het fonds;
  c) dat de refertewaarde van het fonds die dient om de in a en b van deze paragraaf bedoelde coëfficiënten te meten, voor ieder kalenderkwartaal wordt bepaald door de gemiddelde waarde in kapitaal van het fonds te verminderen met een derde van de waarde in kapitaal van de netto inschrijvingen bij het fonds tijdens de derde maand die voorafgaat aan het kalenderkwartaal waarvoor de refertewaarde wordt berekend, met twee derde van de netto inschrijvingen tijdens de tweede maand die het betrokken kwartaal voorafgaat en met het totaal van dezelfde inschrijvingen tijdens de maand die hetzelfde kalenderkwartaal voorafgaat.
  Art. 63/8.
  § 1. De erkenning van het fonds wordt ingetrokken :
  1° wanneer de Commissie voor het Bank- en Financiewezen de inschrijving van het pensioenspaarfonds op de lijst van de Belgische beleggingsinstellingen herroept;
  2° wanneer de Commissie voor het Bank- en Financiewezen de vereffening van het fonds vaststelt;
  3° wanneer de beheersvennootschap de in artikel 63/6, § 2, bedoelde bescheiden en inlichtingen niet meedeelt;
  4° indien uit de in artikel 63/7 bedoelde bescheiden blijkt dat de beheersvennootschap of de bewaarnemer de aangegane verbintenissen niet naleeft.
  De Minister van Financiën kan evenwel op gemotiveerd verzoekschrift van de beheersvennootschap een uitstel van ten hoogste drie maanden verlenen om de vastgestelde ontoereikendheid recht te zetten.
  § 2. Van de intrekking van de erkenning en van de toekenning van het in § 1, tweede lid, bedoelde uitstel, wordt kennis gegeven aan de beheermaatschappij, aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, aan de bewaarnemer en aan de in artikel 63/6, § 1, 7°, bedoelde commissaris-revisor.
  § 3. De Commissie voor het Bank- en Financiewezen geeft de Minister van Financiën onverwijld kennis van de in § 1, eerste lid, 1°, vermelde herroeping of van de in § 1, eerste lid, 2° versnelde vaststelling.
  Art. 63/9. De toekenning en de intrekking van de erkenning worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.".
Art.12. Dans le chapitre premier du même arrêté, immédiatement après l'article 63/5, inséré par l'article 11 du présent arrêté, il est inséré une section XXVquinquies, comprenant les articles 63/6 à 63/9, rédigée comme suit :
  .
  "Section XXVquinquies. - Conditions d'octroi et de maintien de l'agrément des fonds d'épargne-pension (article 145/16, 1°, Code des impôts sur les revenus 1992).
  Art. 63/6.
  § 1er. A l'appui de la demande que la société de gestion introduit en vue d'agréer un fonds de placement belge en qualité de fonds d'épargne-pension pour l'application de l'article 145/16, 1°, du Code des impôts sur les revenus 1992, cette société doit produire :
  1° une attestation délivrée par la Commission bancaire et financière aux termes de laquelle ce fonds est inscrit sur la liste des organismes de placement belges conformément à l'article 120 de la loi du 4 décembre 1990 relative aux opérations financières et aux marchés financiers et à la section première du chapitre premier du titre premier de l'arrêté royal du 4 mars 1991 relatif à certains organismes de placement collectif;
  2° le texte, éventuellement coordonné, des statuts de la société de gestion;
  3° la liste des actionnaires de la société de gestion et la participation de chacun d'eux dans le capital social;
  4° s'ils existent, les trois derniers comptes annuels de la société de gestion;
  5° les nom, prénoms, domicile et nationalité des administrateurs, directeurs ou autres personnes chargées de la gestion journalière de la société de gestion;
  6° l'engagement de la société de gestion d'affecter les actifs du fonds et les revenus de ces actifs, sous déduction des charges, conformément au livre III de la loi du 4 décembre 1990 précitée et aux arrêtés pris pour son exécution, et dans le respect des conditions prévues à l'article 145/11 du même Code;
  7° les nom, prénoms et domicile d'un commissaire-reviseur ayant plein accès aux documents et écritures quelconques de la société de gestion, ainsi qu'à ceux du dépositaire qui se rapportent aux dépôts de titres et valeurs du fonds, accompagnés de l'accord du dépositaire à cette liberté d'accès;
  8° une attestation du dépositaire du fonds dans laquelle :
  - il s'engage à remplir toutes ses obligations conformément à l'article 11, de l'arrêté royal du 4 mars 1991 précité;
  - il décrit les éventuelles garanties qu'il a accepté de donner aux participants;
  - il décrit les conventions conclues avec la société de gestion;
  - il s'engage à communiquer au Ministre des Finances toutes modifications qui surviendraient en ces matières.
  § 2. Afin de permettre la tenue à jour permanente du dossier d'agrément, la société de gestion informe sans délai le Ministre des Finances des modifications qui doivent être apportées aux documents produits à l'appui de la demande et lui communique les comptes annuels dès approbation par l'assemblée générale.
  Art. 63/7.
  § 1er. Le respect des conditions visées à l'article 145/11, du Code des impôts sur les revenus 1992, se constate sur base de la production au Ministre des Finances par la société de gestion, au plus tard un mois après la fin de chaque trimestre calendrier complet depuis l'agrément du fonds, des documents visés au § 2, signés par les deux administrateurs visés à l'article 3, § 1er, 8°, de l'arrêté royal du 4 mars 1991 relatif à certains organismes de placement collectif et attestés sans aucune réserve par le commissaire-reviseur visé à l'article 63/6, § 1er, 7°.
  § 2. Les documents visés au § 1er sont constitués par des situations détaillées du fonds établies à la fin du dernier jour bancaire ouvrable de chaque mois faisant partie de chaque trimestre calendrier.
  Ces documents font apparaître de manière détaillée la composition du fonds en fin de mois, l'évaluation respectivement de chaque élément du patrimoine et de l'ensemble de ce dernier conformément aux règles rappelées au § 3, en capital d'une part, en revenus d'autre part, ainsi que les souscriptions nettes en capital au fonds pour chacun des trois mois précédents.
  § 3. Les méthodes d'évaluation du patrimoine du fonds doivent respecter les conditions prévues à l'article 68, § 1er, de l'arrêté royal du 4 mars 1991 précité et être conformes aux règles édictées à l'arrêté royal du 8 mars 1994 relatif à la comptabilité et aux comptes annuels de certains organismes de placement collectif à nombre variable de parts.
  .
  Toutefois, lorsqu'il n'existe pas de marché réglementé liquide pour un élément du patrimoine, les méthodes d'évaluation visées à l'alinéa 1er doivent être spécialement admises par un commissaire-reviseur.
  § 4. Les conditions visées à l'article 145/11 du même Code, sont considérées comme respectées s'il résulte des documents visés aux §§ 1er et 2 du présent article :
  a) que la valeur moyenne globale en capital, calculée sur base des situations à la fin de chaque mois faisant partie d'un trimestre calendrier, des actions ou parts représentatives d'une fraction du capital social dans des sociétés de droit belge, dépasse 30 p.c. de la valeur de référence du fonds;
  b) que la valeur moyenne globale en capital calculée sur base des situations à la fin de chaque mois faisant partie d'un trimestre calendrier, d'une part, des valeurs mobilières étrangères cotées à une bourse belge ou des parts de fonds communs de placement belges inscrits par la Commission bancaire et financière sur la liste des organismes de placement belges et, d'autre part, des avoirs en compte en francs belges auprès d'une des institutions ou entreprises visées à l'article 145/15, alinéa 1er, du même Code, n'excède pas 10 p.c. de la valeur de référence du fonds;
  c) que la valeur de référence du fonds servant à mesurer les coefficients indiqués aux a et b du présent paragraphe est fixée, pour chaque trimestre calendrier, en diminuant la valeur moyenne en capital du fonds d'un tiers de la valeur en capital des souscriptions nettes au fonds pendant le troisième mois précédant le trimestre calendrier pour lequel est calculée la valeur de référence, deux tiers des souscriptions nettes pendant le deuxième mois précédant le trimestre en cause et de la totalité des mêmes souscriptions pendant le mois précédant le même trimestre calendrier.
  Art. 63/8.
  § 1er. L'agrément du fonds est retiré :
  1° si la Commission bancaire et financière révoque l'inscription du fonds d'épargne-pension sur la liste des organismes de placement belges;
  2° si la Commission bancaire et financière constate la mise en liquidation du fonds;
  3° si la société de gestion ne communique pas les documents et renseignements visés à l'article 63/6, § 2;
  4° si les documents visés à l'article 63/7 font apparaître que la société de gestion ou le dépositaire ne respecte pas les engagements qu'ils ont souscrits.
  Toutefois, sur requête motivée de la société de gestion, le Ministre des Finances peut accorder un délai de trois mois maximum pour redresser l'insuffisance constatée.
  § 2. Le retrait de l'agrément et l'octroi du délai visé au § 1er, alinéa 2, sont notifiés à la société de gestion, à la Commission bancaire et financière, au dépositaire et au commissaire-reviseur visé à l'article 63/6, § 1er, 7°.
  § 3. La Commission bancaire et financière notifie sans délai au Ministre des Finances la révocation visée au § 1er, alinéa 1er, 1° ou la constatation visée au § 1er, alinéa 1er, 2°.
  Art. 63/9. L'octroi et le retrait de l'agrément sont publiés au Moniteur belge."
Art.13. In hoofdstuk I van hetzelfde besluit wordt, onmiddellijk na artikel 63/9, ingevoegd door artikel 12 van dit besluit, een afdeling XXVsexies, die artikel 63/10 bevat, ingevoegd, luidend als volgt :
  "Afdeling XXVsexies. - Vermindering voor uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145/22).
  Art. 63/10. De in artikel 145/21 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde uitgaven komen slechts voor belastingvermindering in aanmerking :
  1° ten belope van de nominale waarde van de PWA-cheques die op naam van de belastingplichtige zijn uitgegeven en die hij tijdens het belastbaar tijdperk bij de uitgever heeft aangekocht, verminderd met de nominale waarde van die PWA-cheques die in de loop van datzelfde belastbaar tijdperk aan de uitgever zijn terugbezorgd;
  2° op voorwaarde dat de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte in de inkomstenbelastingen het attest overlegt vermeld in de reglementering betreffende de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en uitgereikt door de uitgever van de PWA-cheques.".
Art.13. Dans le chapitre premier du même arrêté, immédiatement après l'article 63/9, inséré par l'article 12 du présent arrêté, il est inséré une section XXVsexies, comprenant l'article 63/10, rédigée comme suit :
  "Section XXVsexies. - Réduction pour dépenses payées pour des prestations dans le cadre des agences locales pour l'emploi (Code des impôts sur les revenus 1992, article 145/22).
  Art. 63/10. Les dépenses visées à l'article 145/21 du Code des impôts sur les revenus 1992 ne sont prises en considération pour la réduction d'impôt :
  1° qu'à concurrence de la valeur nominale des chèques-ALE édités au nom du contribuable et que celui-ci a achetés auprès de l'émetteur au cours de la période imposable, diminuée de la valeur nominale de ces chèques-ALE qui ont été retournés à l'émetteur au cours de la même période imposable;
  .
  2° qu'à la condition que le contribuable produise à l'appui de sa déclaration aux impôts sur les revenus l'attestation prévue par la réglementation relative aux agences locales pour l'emploi et délivrée par l'émetteur des chèques-ALE.".
Art.14. In artikel 115 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, worden de woorden "ter uitvoering van artikel 125, 1°, van hetzelfde Wetboek erkende beleggingsfondsen" vervangen door de woorden "ter uitvoering van artikel 145/16, 1°, van hetzelfde Wetboek erkende pensioenspaarfondsen";
  2° in § 2, worden de woorden "artikel 125, 2°," vervangen door de woorden "artikel 145/16, 2°,".
Art.14. A l'article 115 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, les mots "fonds de placement agréés en exécution de l'article 125, 1°, du même Code" sont remplacés par les mots "fonds d'épargne-pension agréés en exécution de l'article 145/16, 1°, du même Code";
  2° au § 2, les mots "l'article 125, 2°," sont remplacés par les mots "l'article 145/16, 2°,".
Art.15. In artikel 117 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 7, worden de woorden "beleggingsfonds" en de woorden "artikel 125, 1°," respectievelijk vervangen door de woorden "pensioenspaarfonds" en "artikel 145/16, 1°,";
  2° in § 8, worden de woorden "artikel 125, 2°," vervangen door de woorden "artikel 145/16, 2°,".
Art.15. A l'article 117 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 7, les mots "fonds de placement" et les mots "l'article 125, 1°," sont remplacés respectivement par les mots "fonds d'épargne-pension" et "l'article 145/16, 1°,";
  2° au § 8, les mots "l'article 125, 2°," sont remplacés par les mots "l'article 145/16, 2°,".
Art.16. In artikel 118 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 oktober 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 4°, tweede streepje, wordt het woord "beleggingsfonds" vervangen door het woord "pensioenspaarfonds";
  2° in § 1, 4°, derde streepje, worden de woorden "artikel 124, eerste lid," vervangen door de woorden "artikel 145/15, eerste lid,";
  3° in § 1, 5°, derde streepje, worden de woorden "artikel 124, eerste lid," vervangen door de woorden "artikel 145/15, eerste lid,";
  4° in § 2, wordt het woord "beleggingsfonds" vervangen door het woord "pensioenspaarfonds".
Art.16. A l'article 118 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 22 octobre 1993, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, 4°, 2e tiret, les mots "fonds de placement" sont remplacés par les mots "fonds d'épargne-pension";
  2° au § 1er, 4°, 3e tiret, les mots "l'article 124, alinéa 1er," sont remplacés par les mots "l'article 145/15, alinéa 1er,";
  3° au § 1er, 5°, 3e tiret, les mots "l'article 124, alinéa 1er," sont remplacés par les mots "l'article 145/15, alinéa 1er,";
  4° au § 2, les mots "fonds de placement" sont remplacés par les mots "fonds d'épargne-pension".
Art.17. In artikel 119, § 1, 3°, wordt het woord "beleggingsfondsen" vervangen door het woord "pensioenspaarfondsen".
Art.17. A l'article 119, § 1er, 3°, les mots "fonds de placement" sont remplacés par les mots "fonds d'épargne-pension".
Art.18. In artikel 124 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in 1°, worden de woorden "de artikelen 130 tot 170, 178, 517 en 518" vervangen door de woorden "de artikelen 130 tot 170, 178, 515bis, vierde lid, 516, 517 en 518";
  2° in 2°, worden de woorden "de artikelen 171 tot 174 van hetzelfde Wetboek" vervangen door de woorden "de artikelen 171 tot 174 en 519, van hetzelfde Wetboek";
  3° in 2°, gewijzigd bij het 2° van dit artikel, worden de woorden "de artikelen 171 tot 174 en 519 van hetzelfde Wetboek" vervangen door de woorden "de artikelen 171 tot 174, 515bis, vijfde lid, 515ter en 519 van hetzelfde Wetboek".
Art.18. A l'article 124 du même arrêté, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au 1°, les mots "aux articles 130 à 170, 178, 517 et 518" sont remplacés par les mots "aux articles 130 à 170, 178, 515bis, alinéa 4, 516, 517 et 518";
  2° au 2°, les mots "aux articles 171 à 174 du même Code" sont remplacés par les mots "aux articles 171 à 174 et 519, du même Code";
  3° au 2°, modifié par le 2° du présent article, les mots "aux articles 171 à 174 et 519 du même Code" sont remplacés par les mots "aux articles 171 à 174, 515bis, alinéa 5, 515ter et 519 du même Code".
Art.19. Artikel 205, 3°, van hetzelfde besluit wordt opgeheven.
Art.19. L'article 205, 3°, du même arrêté est abrogé.
Art.20. Ingetrokken worden :
  1° het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de belastingvermindering voor uitgaven betaald aan een plaatselijk werkgelegenheidsagentschap;
  2° het koninklijk besluit van 24 augustus 1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van belastingvermindering voor uitgaven betaald voor in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen te verrichten prestaties.
Art.20. Sont rapportés :
  1° l'arrêté royal du 12 août 1994 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses payées à une agence locale pour l'emploi, l'AR/CIR 92;
  2° l'arrêté royal du 24 août 1994 modifiant, en matière de réduction d'impôt pour les dépenses payées pour les prestations à fournir dans le cadre des agences locales pour l'emploi, l'AR/CIR 92.
Art.21. § 1. De artikelen 1, 3 en 18, 2° hebben uitwerking met ingang van aanslagjaar 1992.
  § 2. De artikelen 2, 1° en 3°, 4, 8, 10 tot 12 en 14 tot 18, 1° en 3°, zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 1993.
  § 3. De artikelen 2, 2°, 5 tot 7 en 9 zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 1994.
  § 4. Artikel 19 treedt in werking op 1 januari 1993.
  § 5. Artikel 13 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1995.
  § 6. Artikel 20 treedt in werking de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art.21. § 1er. Les articles 1er, 3 et 18, 2° produisent leurs effets à partir de l'exercice d'imposition 1992.
  § 2. Les articles 2, 1° et 3°, 4, 8, 10 à 12 et 14 à 18, 1° et 3°, sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 1993.
  § 3. Les articles 2, 2°, 5 à 7 et 9 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 1994.
  § 4. L'article 19 entre en vigueur le 1er janvier 1993.
  § 5. L'article 13 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 1995.
  § 6. L'article 20 entre en vigueur le jour de la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 22. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.
  Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 1 september 1995.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Financiën,
  Ph. MAYSTADT
Art. 22. Notre Ministre des Finances est chargé de l'exécution du présent arrêté.
  Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 1er septembre 1995.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre des Finances,
  Ph. MAYSTADT