Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
28 DECEMBER 1992. - Wet houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 26-07-1993 en tekstbijwerking tot 28-12-2015)
Titre
28 DECEMBRE 1992. - Loi portant des dispositions fiscales, financières et diverses. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 26-07-1993 et mise à jour au 28-12-2015)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (153)
Texte (153)
HOOFDSTUK I. - Directe belastingen.
CHAPITRE I. - Fiscalité directe.
Afdeling 1. - Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Section 1. - Code des impôts sur les revenus 1992.
Artikel 1. In artikel 21, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 worden de woorden " als bedoeld in de artikelen 114 en 118 " vervangen door de woorden " als bedoeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies ".
Article 1. Dans l'article 21, 2°, du Code des impôts sur les revenus 1992, les mots " visées aux articles 114 et 118 " sont remplacés par les mots " visées aux articles 114, 118 et 119quinquies ".
Art.2. Artikel 64 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Het bedrag van de degressieve afschrijvingsannuïteit mag in geen geval meer bedragen dan 40 pct. van de aanschaffings- of beleggingswaarde. ".
Art.2. L'article 64 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
  " Le montant de l'annuité d'amortissement dégressif ne peut en aucun cas dépasser 40 p.c. de la valeur d'investissement ou de revient. ".
Art.3. Artikel 75, 3°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 12 van de wet van 28 juli 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 3° vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt. ".
Art.3. L'article 75, 3°, du même Code, modifié par l'article 12 de la loi du 28 juillet 1992, est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° aux immobilisations dont le droit d'usage a été cédé à un autre contribuable, selon des modalités différentes de celles visées au 2°, à moins que cette cession n'ait été effectuée à une personne physique qui affecte ces immobilisations en Belgique à la réalisation de bénéfices ou de profits et qui n'en cède pas l'usage à une tierce personne en tout ou en partie. ".
Art.4. In artikel 171, 1°, c, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door artikel 15, 1°, van de wet van 28 juli 1992, worden in de Nederlandse tekst de woorden " in de vier jaren vóór de stopzetting " vervangen door de woorden " in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de stopzetting. ".
Art.4. Dans le texte néerlandais de l'article 171, 1°, c, du même Code, inséré par l'article 15, 1°, de la loi du 28 juillet 1992, les mots " in de vier jaren vóór de stopzetting " sont remplacés par les mots " in de vier jaren voorafgaand aan het jaar van de stopzetting. ".
Art.5. In artikel 178 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt aangevuld met de woorden " onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 3 ";
  2° in de plaats van § 3, die § 4 wordt, wordt een nieuwe § 3 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 3. In afwijking van § 2, eerste lid, wordt, behoudens wat de in de artikelen 131 tot 134 en 148 vermelde belastingvrije sommen, eventueel verhoogd, en de grenzen van de in de artikelen 136 en 140 tot 142 vermelde bestaansmiddelen betreft, de aanpassing verwezenlijkt :
  1° voor de aanslagjaren 1994 tot 1997 met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1991 te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988;
  2° voor de aanslagjaren 1998 en volgende met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 1988 vermenigvuldigd met de verhouding tussen de gemiddelden van de indexcijfers van de jaren 1995 en 1991. ".
Art.5. A l'article 178 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 1er est complété par les mots " sans préjudice toutefois de l'application des dispositions du § 3 ";
  2° à la place du § 3, qui devient le § 4, est inséré un nouveau § 3 libellé comme suit :
  " § 3. Par dérogation du § 2, alinéa 1er, sauf en ce qui concerne la quotité du revenu exemptée d'impôt, éventuellement majorée, visée aux articles 131 à 134 et 148 et les limites du montant des ressources visées aux articles 136 et 140 à 142, l'adaptation est réalisée :
  1° pour les exercices d'imposition 1994 à 1997, au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année 1991 par la moyenne des indices des prix de l'année 1988;
  2° pour les exercices d'imposition 1998 et suivants, au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année qui précède celle des revenus par la moyenne des indices des prix de l'année 1988 multipliée par le rapport entre les moyennes des indices des prix des années 1995 et 1991. ".
Art.6. De Koning kan bij in Ministerraad overlegd besluit, de toepassing van het artikel 178, § 3, van hetzelfde Wetboek, beperken tot de aanslagjaren 1994 en 1995 of 1994 tot 1996 en bijgevolg § 3, 2°, van hetzelfde artikel wijzigen.
  De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van het ter uitvoering van deze bepaling genomen besluit.
Art.6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, limiter l'application de l'article 178, § 3, du même Code, aux exercices d'imposition 1994 et 1995 ou 1994 à 1996, et modifier en conséquence le § 3, 2°, dudit article.
  Le Roi saisira les Chambres législatives, immédiatement si elles sont réunies, sinon dès l'ouverture de leur plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation de l'arrêté pris en exécution de la présente disposition.
Art.7. Artikel 180 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 82 van de wet van 28 juli 1992, wordt aangevuld met een 10°, luidend als volgt :
  " 10° Effectenbeursvennootschappen als vermeld in artikel 7 van de wet van 4 december 1990. ".
Art.7. L'article 180 du même Code, modifié par l'article 82 de la loi du 28 juillet 1992, est complété par un 10° libellé comme suit :
  " 10° les Sociétés des Bourses de valeurs mobilières visées à l'article 7 de la loi du 4 décembre 1990. ".
Art.8. Artikel 192, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Volledig vrijgesteld zijn eveneens de meerwaarden verwezenlijkt op aandelen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203, eerste lid, 1°, tweede, vierde en vijfde lid van de winst te worden afgetrokken. ".
Art.8. L'article 192, alinéa 1er, du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Sont aussi intégralement exonérées les plus-values réalisées sur des actions ou parts dont les revenus éventuels sont susceptibles d'être déduits des bénéfices en vertu des articles 202 et 203, alinéa 1er, 1°, alinéas 2, 4 et 5. ".
Art.9. In artikel 203 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De in artikel 202, 1° en 2°, vermelde inkomsten zijn slechts aftrekbaar :
  1° indien ze worden verleend of toegekend door binnenlandse vennootschappen of door buitenlandse vennootschappen die aan een belasting van gelijke aard als de vennootschapsbelasting zijn onderworpen;
  2° en in zoverre ze op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van de dividenden, de verkrijgende vennootschap in het kapitaal van de vennootschap die de inkomsten uitkeert een deelneming bezit van ten minste 5 pct. of met een aanschaffingswaarde van ten minste 50 miljoen frank; "
  2° tussen het tweede en het derde lid wordt het volgende lid ingevoegd :
  " Het eerste lid, 2°, is niet van toepassing op de inkomsten die worden verkregen :
  1° door kredietinstellingen vermeld in artikel 56, § 1;
  2° door verzekeringsondernemingen vermeld in artikel 56, § 2, 2°, h;
  3° door beursvennootschappen vermeld in artikel 35 van de wet van 4 december 1990. ".
Art.9. A l'article 203 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par la disposition suivante :
  " Les revenus visés à l'article 202, 1° et 2°, ne sont déductibles :
  1° que s'ils sont alloués ou attribués par des sociétés résidentes ou par des sociétés étrangères assujetties à un impôt analogue à l'impôt des sociétés;
  2° et pour autant qu'à la date d'attribution ou de mise en paiement des dividendes, la société bénéficiaire détienne dans le capital de la société distributrice des revenus une participation de 5 p.c. au moins ou dont la valeur d'investissement est de 50 millions de francs au moins. ";
  2° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " L'alinéa 1er, 2°, ne s'applique pas aux revenus recueillis :
  1° par des établissements de crédit visés à l'article 56, § 1er;
  2° par des entreprises d'assurances visés à l'article 56, § 2, 2°, h;
  3° par des sociétés de bourse visées à l'article 35 de la loi du 4 décembre 1990. ".
Art.10. In artikel 215 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 22 van de wet van 28 juli 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het derde lid wordt aangevuld als volgt :
  " 4° op vennootschappen, andere dan door de Nationale Raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen, die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk niet aan ten minste één bestuurder of werkend vennoot een bezoldiging van ten minste 1 000 000 frank hebben toegekend;
  5° op vennootschappen die deel uitmaken van een groep waartoe een coördinatiecentrum behoort als vermeld in het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra; "
  2° een als volgt luidend vierde lid wordt ingevoegd :
  " Wat betreft de vennootschappen waarvan het belastbare inkomen minder dan 1 000 000 frank bedraagt, is het derde lid, 4°, niet van toepassing wanneer dat inkomen, verhoogd met de hoogste bezoldiging die ten laste van het resultaat van het belastbare tijdperk aan één bestuurder of werkend vennoot wordt toegekend, ten minste 1 000 000 frank bedraagt en in zover deze bezoldiging hoger is dan (of gelijk is aan) dat belastbare inkomen. ".
Art.10. A l'article 215 du même Code, modifié par l'article 22 de la loi du 28 juillet 1992, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 3 est complété comme suit :
  " 4° aux sociétés, autres que les sociétés coopératives agréées par le Conseil national de la coopération, qui n'allouent pas à au moins un administrateur ou un associé actif, une rémunération d'au moins 1 000 000 francs à charge du résultat de la période imposable;
  5° aux sociétés qui font partie d'un groupe auquel appartient un centre de coordination visé à l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination; "
  2° il est inséré un alinéa 4, libellé comme suit :
  " En ce qui concerne les sociétés dont le revenu imposable est inférieur à (1 000 000 de francs), l'alinéa 3, 4°, n'est pas applicable lorsque ce revenu, majoré de la rémunération la plus élevée allouée à charge du résultat de la période imposable à un administrateur ou un associé actif, atteint au moins (1 000 000 de francs) et pour autant que cette rémunération soit supérieure ou égale audit revenu imposable. ".
Art.11. Artikel 242, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door het volgende lid :
  " Het eerste lid is eveneens van toepassing op de niet-inwoners die geen tehuis in België hebben behouden en gedurende ten minste 9 volle maanden van het belastbare tijdperk in België een beroepswerkzaamheid hebben uitgeoefend waaruit bezoldigingen als vermeld in artikel 228, § 2, 6° of 7°, voortvloeien of over dezelfde periode pensioenen als vermeld in artikel 228, § 2, 6°, hebben verkregen en in zoverre die inkomsten ten minste 75 pct. bedragen van het geheel van hun binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten. ".
Art.11. L'article 242, § 1er, alinéa 2, du même Code est remplacé par l'alinéa suivant :
  L'alinéa 1er est également applicable aux contribuables non résidents qui n'ont pas maintenu un foyer d'habitation en Belgique et qui ont exercé en Belgique pendant au moins 9 mois entiers au cours de la période imposable une activité professionnelle dont ils tirent des rémunérations visées à l'article 228, § 2, 6° ou 7°, ou qui, pendant le même laps de temps, ont recueilli des pensions visées à l'article 228, § 2, 6°, pour autant que ces revenus s'élèvent à 75 p.c. au moins du total des revenus professionnels de sources belge et étrangère. ".
Art.12. Artikel 244, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 244. In afwijking van artikel 243 wordt de belasting berekend volgens de regels bepaald in titel II, hoofdstuk III en met inachtneming van de artikelen 86 tot 89 en 126 tot 129, wanneer de belastingplichtige gedurende het volledige belastbare tijdperk in België een tehuis heeft behouden, met dien verstande dat voor de toepassing van de artikelen 86 tot 89 en 146 tot 154 het geheel van de binnenlandse en buitenlandse inkomsten in aanmerking wordt genomen.
  Het eerste lid is eveneens van toepassing op de niet-inwoners die geen tehuis in België hebben behouden en gedurende ten minste 9 volle maanden van het belastbare tijdperk in België een beroepswerkzaamheid hebben uitgeoefend waaruit bezoldigingen als vermeld in artikel 228, § 2, 6° of 7°, voortvloeien of over dezelfde periode pensioenen als vermeld in artikel 228, § 2, 6°, hebben verkregen en in zoverre die inkomsten ten minste 75 pct. bedragen van het geheel van hun binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten. ".
Art.12. L'article 244 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 244. Par dérogation à l'article 243, l'impôt est calculé suivant les règles prévues au titre II, chapitre III, et en prenant en considération les articles 86 à 89 et 126 à 129, lorsque le contribuable a maintenu un foyer d'habitation en Belgique durant toute la période imposable, étant entendu que le total des revenus de sources belge et étrangère entrent en ligne de compte pour l'application des articles 86 à 89 et 146 à 154.
  L'alinéa 1er est également applicable aux contribuables non résidents qui n'ont pas maintenu un foyer d'habitation en Belgique et qui ont exercé en Belgique pendant au moins 9 mois entiers au cours de la période imposable une activité professionnelle dont ils tirent des rémunérations visées à l'article 228, § 2, 6° ou 7°, ou qui, pendant le même laps de temps, ont recueilli des pensions visées à l'article 228, § 2, 6°, pour autant que ces revenus s'élèvent à 75 p.c. au moins du total des revenus professionnels de sources belge et étrangère. ".
Art.13. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 244bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Artikel 244bis. Voor de toepassing van de artikelen 243 en 244 worden gehuwde personen niet als echtgenoten maar als alleenstaanden aangemerkt wanneer slechts één van de echtgenoten in België aan de belasting onderworpen inkomsten verkrijgt en de andere echtgenoot bij overeenkomst vrijgestelde binnenlandse beroepsinkomsten of buitenlandse beroepsinkomsten heeft van meer dan 270 000 frank.
  De toeslagen voor personen ten laste die vermeld zijn in de artikelen 132 en 133, worden slechts verleend wanneer de aan de belasting onderworpen echtgenoot de meeste beroepsinkomsten heeft. ".
Art.13. Dans le même Code, il est inséré un article 244bis, rédigé comme suit :
  " Article 244bis. Pour l'application des articles 243 et 244, les personnes mariées sont considérées non comme des conjoints mais comme des isolés, lorsqu'un seul des conjoints recueille en Belgique des revenus soumis à l'impôt et que l'autre conjoint a des revenus professionnels de sources belge ou étrangère qui sont exonérés conventionnellement, d'un montant supérieur à 270 000 francs.
  Les suppléments pour personnes à charge visés aux articles 132 et 133 ne sont accordés que lorsque le conjoint soumis à l'impôt est celui des conjoints qui a le plus de revenus professionnels. ".
Art.14. Artikel 270 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 33 van de wet van 28 juli 1992, wordt aangevuld met een 5°, luidend als volgt :
  " 5° degenen die krachtens artikel 35 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten verplicht zijn de akten of verklaringen ter registratie aan te bieden wanneer het akten of verklaringen betreft waarbij de overdracht onder bezwarende titel is vastgesteld van in België gelegen onroerende goederen of zakelijke rechten met betrekking tot die goederen door een in artikel 227, 1° of 2°, vermelde belastingplichtige. ".
Art.14. L'article 270 du même Code, modifié par l'article 33 de la loi du 28 juillet 1992 est complété par un 5°, libellé comme suit :
  " 5° ceux qui ont l'obligation de faire enregistrer les actes et déclarations en vertu de l'article 35 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, lorsqu'il s'agit d'actes ou de déclarations constatant la cession, à titre onéreux, de biens immobiliers situés en Belgique ou de droits réels portant sur ces biens, par un contribuable visé à l'article 227, 1° ou 2°. ".
Art.15. Artikel 272 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt :
  " Ondanks elk strijdig beding moeten de in artikel 270, 5°, vermelde belastingschuldigen de desbetreffende voorheffing inhouden op de meerwaarden die begrepen zijn in de in artikel 228, § 2, 3°, a en 4° vermelde winst of baten. ".
Art.15. L'article 272 du même Code est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Nonobstant toute convention contraire, les redevables désignés à l'article 270, 5°, doivent retenir sur les plus-values comprises dans les bénéfices ou profits visés à l'article 228, § 2, 3°, a et 4°, le précompte y afférent. ".
Art.16. Artikel 273 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 273. De bedrijfsvoorheffing is verschuldigd uit hoofde van :
  1° het betalen of toekennen van belastbare bezoldigingen;
  2° de verwezenlijking van in artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden. ".
Art.16. L'article 273 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 273. Le précompte professionnel est dû en raison :
  1° du paiement ou de l'attribution des rémunérations imposables;
  2° de la réalisation de plus-values visées à l'article 272, alinéa 2. ".
Art.17. Artikel 306 van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 306. Volgens de regels en onder de voorwaarden die Hij bepaalt, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, bepaalde categorieën van belastingplichtigen vrijstellen van de in artikel 305 vermelde aangifteplicht in de personenbelasting. ".
Art.17. L'article 306 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 306. D'après les modalités et aux conditions qu'il détermine, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, dispenser certaines catégories de contribuables de l'obligation de déclaration à l'impôt des personnes physiques visées à l'article 305. ".
Art.18. Artikel 314, § 6, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een als volgt luidend lid :
  " De Koning kan, in de door Hem bepaalde gevallen, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de verplichting tot het vermelden van het fiscaal identificatienummer uitbreiden tot de natuurlijke personen en rechtspersonen en de feitelijke verenigingen die zich in de in § 3, eerste lid, 3°, vermelde omstandigheden bevinden. ".
Art.18. L'article 314, § 6, du même Code est complété par l'alinéa suivant :
  " Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, étendre aux personnes physiques et morales et aux associations de fait, se trouvant dans la situation prévue au § 3, alinéa 1er, 3°, l'obligation de reproduire le numéro fiscal d'identification des personnes physiques, dans les cas qu'Il détermine. ".
Art.19. Artikel 345, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 36 van de wet van 28 juli 1992, wordt met een als volgt luidend lid aangevuld :
  " Ontstentenis van antwoord vanwege de Administratie der directe belastingen binnen een door de Koning gestelde termijn, wordt gelijkgesteld met een voorafgaand akkoord. ".
Art.19. L'article 345, § 1er, du même Code, modifié par l'article 36 de la loi du 28 juillet 1992, est complété par un alinéa libellé comme suit :
  " Le défaut de réponse de l'administration des contributions directes dans le délai déterminé par le Roi équivaut à un accord préalable. ".
Art.20. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 412bis ingevoegd luidend als volgt :
  " Artikel 412bis. In afwijking van artikel 412, tweede lid, is de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot de in artikel 272, tweede lid, vermelde meerwaarden betaalbaar bij de registratie van de in artikel 270, 5°, vermelde akten of verklaringen.
  De Koning bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel. ".
Art.20. Dans le même Code, il est inséré un article 412bis, rédigé comme suit :
  " Article 412bis. Par dérogation à l'article 412, alinéa 2, le précompte professionnel afférent aux plus-values visées à l'article 272, alinéa 2, est payable lors de l'enregistrement des actes et déclarations visés à l'article 270, 5°.
  Le Roi fixe les modalités d'application du présent article. ".
Art.21. Artikel 414, § 1, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen door het volgende lid :
  " De nalatigheidsinterest is niet verschuldigd wanneer hij geen 200 frank per maand bedraagt. ".
Art.21. L'article 414, § 1er, alinéa 5, du même Code, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " L'intérêt de retard n'est pas dû lorsque son montant n'atteint pas 200 francs par mois. ".
Art.22. In artikel 415 van hetzelfde Wetboek, waarvan de tegenwoordige tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 2. Wanneer een in de artikelen 444 en 445 vermelde belastingverhoging of administratieve boete samen met de voorheffing waarop de verhoging of de boete betrekking heeft in het kohier wordt opgenomen, is de nalatigheidsinterest betreffende die verhoging of die boete verschuldigd vanaf het verstrijken van de in artikel 412 vermelde betalingstermijn. ".
Art.22. A l'article 415 du même Code, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Lorsqu'un accroissement d'impôt ou une amende administrative visés aux articles 444 et 445 est porté au rôle conjointement avec le précompte auquel l'accroissement ou l'amende se rapporte, l'intérêt de retard relatif audit accroissement ou amende est dû à partir de l'expiration des délais de paiement fixés à l'article 412. ".
Art.23. Artikel 419, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen door het volgende lid :
  " Evenmin wordt moratoriuminterest toegekend wanneer hij geen 200 frank per maand bedraagt. ".
Art.23. L'article 419, alinéa 2, du même Code, est remplacé par l'alinéa suivant :
  " Aucun intérêt moratoire n'est non plus alloué lorsque son montant n'atteint pas 200 francs par mois. ".
Art.24. Artikel 461 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 461. Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, en indien hij een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, kan hij het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur der directe belastingen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.
  In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering. ".
Art.24. L'article 461 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 461. A moins que sa connaissance des faits ne résulte d'une plainte déposée ou d'une dénonciation faite par les fonctionnaires des administrations fiscales du Ministère des Finances, dûment autorisés, et qu'il engage des poursuites pour des faits pénalement punissables aux termes du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, le procureur du Roi peut demander l'avis du directeur régional des contributions directes comptent. Le procureur du Roi joint à sa demande d'avis les éléments de fait dont il dispose; le directeur régional doit, dans les quatre mois de la date de sa réception, répondre à la demande qui lui a été adressée.
  En aucun cas, la demande d'avis n'est suspensive de l'action publique. ".
Art.25. Artikel 463 van hetzelfde Wetboek, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Het eerste lid is niet van toepassing op de krachtens artikel 71 van de wet van 28 december 1992 bij het parket gedetacheerde ambtenaren van die administraties. ".
Art.25. L'article 463 du même Code est complété par l'alinéa suivant :
  " L'alinéa 1er n'est pas applicable aux fonctionnaires de ces administrations détachés auprès du parquet en vertu de l'article 71 de la loi du 28 décembre 1992. ".
Art.26. Artikel 520 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 520. De artikelen 36, 40, § 2, tweede lid, 105, eerste lid, 124, § 3, tweede lid en 306bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen zoals ze bestonden voordat ze werden opgeheven of gewijzigd door artikel 260 van de wet van 22 december 1989 en door artikel 3, A tot C, F en K, van de wet van 23 oktober 1991, blijven van toepassing op de meerwaarden die waren vrijgesteld overeenkomstig de hiervoren vermelde artikelen 36 en 105. ".
Art.26. L'article 520 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 520. Les articles 36, 40, § 2, alinéa 2, 105, alinéa 1er, 124, § 3, alinéa 2 et 306bis du Code des impôts sur les revenus, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés ou modifiés par l'article 260 de la loi du 22 décembre 1989 et par l'article 3, A à C, F et K, de la loi du 23 octobre 1991, continuent à s'appliquer aux plus-values exonérées en application des articles 36 et 105 précités. ".
Art.27. § 1. In afwijking van artikel 149 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen worden de van het totaal van de netto-inkomsten aftrekbare uitgaven voor niet-verblijfhouders die natuurlijke personen zijn, voor het aanslagjaar 1991 overeenkomstig de §§ 2 en 3 bepaald.
  § 2. Van het totaal van de in artikel 143 bedoelde netto-inkomsten zijn alleen aftrekbaar :
  1° de tachtig honderdsten van de in artikel 71, § 1, 3°, vermelde uitkeringen tot onderhoud of als zodanig geldende kapitalen, voor zover de verkrijger van de uitkering een rijksinwoner is;
  2° de giften betaald aan de Belgische instellingen vermeld in artikel 71, § 1, 4°, a tot h, 5° en 10°;
  3° de in artikel 71, § 1, 6°, vermelde termijnen en de waarde van ermee gelijkgestelde lasten, voor zover de sommen betrekking hebben op een in het land gelegen onroerend goed.
  § 3. Wanneer een in artikel 139, 1°, vermelde belastingplichtige in België een tehuis heeft behouden gedurende het volledige belastbare tijdperk, zijn de uitgaven bedoeld in titel II, hoofdstuk II, afdeling VI, in afwijking (van het bepaalde onder § 2), aftrekbaar, met uitzondering van die vermeld : <W 1994-07-06/33, art. 86, 003; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  a) in artikel 71, § 1, 3°, wanneer de verkrijger van de uitkering geen rijksinwoner is;
  b) in artikel 71, § 1, 6°, wanneer het recht van erfpacht of van opstal of enig ander gelijkaardig onroerend recht betrekking heeft op in het buitenland gelegen onroerende goederen.
  (Het eerste lid is eveneens van toepassing op de niet-inwonende belastingplichtigen die geen tehuis in België hebben behouden en die in België belastbare beroepsinkomsten als vermeld in artikel 140, § 2, 3°, a, b en e, en 4° tot 7°, hebben behaald of verkregen, in zoverre die inkomsten ten minste 75 pct. bedragen van het geheel van hun binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten.) <W 1996-01-30/41, art. 8, 005; Inwerkingtreding : 09-04-1996>
  § 4. De in dit artikel vermelde artikelen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen zijn de artikelen zoals zij van toepassing waren voor het aanslagjaar 1991.
Art.27. § 1. Pour l'exercice d'imposition 1991 et par dérogation à l'article 149 du Code des impôts sur les revenus, les dépenses déductibles de l'ensemble des revenus nets sont déterminées conformément aux §§ 2 et 3 pour les non-résidents qui sont des personnes physiques.
  § 2. De l'ensemble des revenus nets visés à l'article 143 sont uniquement déductibles :
  1° les quatre-vingts centièmes des rentes alimentaires ou des capitaux en tenant lieu visés à l'article 71, § 1er, 3°, pour autant que le bénéficiaire de la rente soit un habitant du royaume;
  2° les libéralités payées aux institutions belges visées à l'article 71, § 1er, 4°, a à h, 5° et 10°;
  3° les redevances et la valeur de charges y assimilées visées à l'article 71, § 1er, 6°, pour autant que lesdites sommes se rapportent à un immeuble sis en Belgique.
  § 3. (Par dérogation au § 2), sont déductibles dans le chef d'un contribuable visé à l'article 139, 1°, qui a maintenu un foyer d'habitation en Belgique durant toute la période imposable, les dépenses visées au titre II, chapitre II, section VI, à l'exception de celles visées : <L 1994-07-06/33, art. 86, 003; En vigueur : 26-07-1994>
  a) à l'article 71, § 1er, 3°, lorsque le bénéficiaire de la rente n'est pas un habitant du royaume;
  b) à l'article 71, § 1er, 6°, lorsque le droit d'emphytéose ou de superficie ou tout autre droit immobilier similaire porte sur des propriétés foncières sasses à l'étranger.
  (L'alinéa 1er est également applicable aux contribuables non résidents qui n'ont pas maintenu un foyer d'habitation en Belgique et qui ont obtenu ou recueilli des revenus professionnels imposables en Belgique visés à l'article 140, § 2, 3°, a, b et e, et 4° à 7°, pour autant que ces revenus s'élèvent au moins à 75 p.c. du total de leurs revenus professionnels de sources belge et étrangère.) <L 1996-01-30/41, art. 8, 005; En vigueur : 09-04-1996>
  § 4. Sont visés par le présent article les articles du Code des impôts sur les revenus, tels qu'ils étaient applicables pour l'exercice d'imposition 1991.
Art.28. § 1. In afwijking van artikel 150 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt de belasting der niet-verblijfhouders voor natuurlijke personen voor het aanslagjaar 1991 overeenkomstig de §§ 2 tot 5 berekend.
  § 2. In gevallen als vermeld in artikel 143 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt de belasting berekend volgens de belastingschaal vermeld in de artikelen 7, § 1, en 8 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen.
  Op de aldus berekende belasting worden de in artikel 87ter van hetzelfde Wetboek vermelde verminderingen toegestaan binnen de perken en onder de voorwaarden gesteld in deze bepaling, met dien verstande dat de ermede verband houdende belasting eveneens overeenkomstig het eerste lid wordt berekend.
  Die verminderingen worden voor beide echtgenoten slechts éénmaal verleend en worden vastgesteld met inachtneming van het geheel van de inkomsten, met inbegrip van de buitenlandse inkomsten.
  De artikelen 73, 75, 92 en 93 van hetzelfde Wetboek en de artikelen 1 en 2 van de wet van 7 december 1988 zijn eveneens van toepassing.
  § 3. In afwijking van de bepalingen van § 2, wordt de belasting berekend volgens de regels bepaald in de artikelen 73 tot 76 in titel II, hoofdstuk III, van hetzelfde Wetboek en in de artikelen 1 tot 8 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, wanneer de belastingplichtige gedurende het volledige belastbare tijdperk in België een tehuis heeft behouden (, met dien verstande dat voor de toepassing van artikel 87ter van hetzelfde Wetboek en van de artikelen 3 tot 5 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de inkomstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen, het geheel van de binnenlandse en buitenlandse inkomsten in aanmerking wordt genomen). <W 1994-07-06/33, art. 87, 003; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  (Die regels zijn eveneens van toepassing op de niet-inwonende belastingplichtigen die geen tehuis in België hebben behouden en die in België belastbare beroepsinkomsten als vermeld in artikel 140, § 2, 3°, a, b en e, en 4° tot 7°, hebben behaald of verkregen, in zoverre die inkomsten ten minste 75 pct. bedragen van het geheel van hun binnenlandse en buitenlandse beroepsinkomsten.) <W 1996-01-30/41, art. 9, 005; Inwerkingtreding : 09-04-1996>
  § 4. Voor de toepassing van de §§ 2 en 3 worden gehuwde personen niet als echtgenoten maar als alleenstaanden aangemerkt wanneer slechts één van de echtgenoten in België aan de belasting onderworpen inkomsten verkrijgt en de andere echtgenoot (binnenlandse beroepsinkomsten die bij overeenkomst zijn vrijgesteld of buitenlandse beroepsinkomsten) heeft van meer dan 270 000 frank. <W 1994-07-06/33, art. 87, 003; Inwerkingtreding : 26-07-1994>
  De toeslagen voor personen ten laste die vermeld zijn in artikel 6, § 1, 3° en § 2 van de wet van 7 december 1988, worden slechts verleend wanneer de aan de belasting onderworpen echtgenoot de meeste beroepsinkomsten heeft.
  § 5. De belasting gevestigd ingevolge de §§ 2 tot 4 wordt verhoogd met zes opcentiemen ten bate van de Staat, berekend op de wijze als bepaald in artikel 353 van hetzelfde Wetboek.
  § 6. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ontheffing van de aanslagen die in strijd met de bepalingen van § 1 zijn gevestigd, hetzij ambtshalve wanneer de overbelastingen door de administratie zijn vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie zijn bekendgemaakt binnen een termijn van één jaar vanaf de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, hetzij ingevolge een gemotiveerd bezwaarschrift ingediend binnen dezelfde termijn bij de directeur der belastingen van de provincie of het gewest in wiens ambtsgebied de aanslag is gevestigd.
  Geen moratoriuminteresten worden toegekend bij teruggave van belasting overeenkomstig het eerste lid.
  § 7. De in dit artikel vermelde artikelen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen zijn de artikelen zoals zij van toepassing waren voor het aanslagjaar 1991.
Art.28. § 1. Par dérogation à l'article 150 du Code des impôts sur les revenus, l'impôt des non-résident est calculé pour l'exercice d'imposition 1991, en ce qui concerne les personnes physiques, conformément aux §§ 2 à 5.
  § 2. Dans les cas visés à l'article 143 du Code des impôts sur les revenus, l'impôt est calculé suivant le barème visé aux articles 7, § 1er, et 8 de la loi du 7 décembre 1988 portant réforme de l'impôt sur les revenus et modification des taxes assimilées au timbre.
  Sur l'impôt ainsi calculé, les réductions prévues à l'article 87ter du même Code sont accordées, dans les limites et aux conditions fixées par cette disposition, étant entendu que l'impôt auquel elles correspondent est également calculé conformément à l'alinéa 1er.
  Ces réductions ne sont accordées qu'une fois pour les deux conjoints et sont déterminées en tenant compte de l'ensemble des revenus, y compris les revenus étrangers.
  Les articles 73, 75, 92 et 93 du même Code et les articles 1er et 2 de la loi du 7 décembre 1988 sont également applicables.
  § 3. Par dérogation au § 2, l'impôt est calculé suivant les règles prévues aux articles 73 à 76, au titre II, chapitre III, du même Code, et aux articles 1er à 8 de la loi du 7 décembre 1988 portant réforme de l'impôt sur les revenus et modification des taxes assimilées au timbre, lorsque le contribuable a maintenu un foyer d'habitation en Belgique durant toute la période imposable (, étant entendu que pour l'application de l'article 87ter du même Code et des articles 3 à 5 de la loi du 7 décembre 1988 portant réforme de l'impôt sur les revenus et modification des taxes assimilées au timbre, il y a lieu de prendre en considération le total des revenus de sources belge et étrangère). <L 1994-07-06/33, art. 87, 003; En vigueur : 26-07-1994>
  (Ces règles sont également applicables aux contribuables non résidents qui n'ont pas maintenu un foyer d'habitation en Belgique et qui ont obtenu ou recueilli des revenus professionnels imposables en Belgique visés à l'article 140, § 2, 3°, a, b et e, et 4° à 7°, pour autant que ces revenus s'élèvent au moins à 75 p.c. du total de leurs revenus professionnels de sources belge et étrangère.) <L 1996-01-30/41, art. 9, 005; En vigueur : 09-04-1996>
  § 4. Pour l'application des §§ 2 et 3, les personnes mariées sont considérées non comme des conjoints mais comme des isolés, lorsqu'un seul des conjoints recueille en Belgique des revenus soumis à l'impôt et que l'autre conjoint a (des revenus professionnels de source belge qui sont exonérés conventionnellement ou des revenus professionnels de source étrangère), d'un montant supérieur à 270 000 francs. <L 1994-07-06/33, art. 87, 003; En vigueur : 26-07-1994>
  Les suppléments pour personnes à charge visées à l'article 6, § 1er, 3°, et § 2, de la loi du 7 décembre 1988, ne sont accordés que lorsque le conjoint soumis à l'impôt est celui des conjoints qui a le plus de revenus.
  § 5. L'impôt établi conformément aux §§ 2 à 4 est augmenté de six centimes additionnels au profit de l'Etat, qui sont calculés suivant les modalités fixées à l'article 353 du même Code.
  § 6. Le dégrèvement des impositions établies en contravention aux dispositions du § 1er, est accordé par le directeur des contributions ou le fonctionnaire délégué par lui, soit d'office lorsque les surtaxes ont été constatées par l'administration ou signalées par le redevable à celle-ci dans le délai d'un an à compter de la publication de la présente loi au Moniteur belge, soit ensuite d'une réclamation motivée présentée dans le même délai auprès du directeur des contributions de la province ou de la région dans le ressort duquel l'imposition a été établie.
  Aucun intérêt moratoire n'est alloué en cas de restitution d'impôt accordée en application de l'alinéa 1er.
  § 7. Sont visés par le présent article, les articles du Code des impôts sur les revenus, tels qu'ils étaient applicables pour l'exercice d'imposition 1991.
Art.29. In afwijking van artikel 243 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt de belasting van niet-inwoners voor natuurlijke personen die in België geen tehuis hebben behouden gedurende het volledige belastbare tijdperk, voor het aanslagjaar 1992 overeenkomstig het tweede tot het vierde lid berekend.
  In gevallen vermeld in artikel 232 vinden de artikelen 86 tot 89 geen toepassing en wordt de belasting berekend volgens de belastingschaal vermeld in artikel 130.
  Op de overeenkomstig het vorige lid berekende belasting worden de verminderingen ingevolge de artikelen 146 tot 154 verleend binnen de perken en onder de voorwaarden bepaald in die artikelen en met inachtneming van het geheel van de binnenlandse en de buitenlandse inkomsten, met dien verstande dat de ermee overeenstemmende belasting eveneens overeenkomstig het vorige lid wordt vastgesteld. Die verminderingen worden voor beide echtgenoten slechts éénmaal verleend.
  De artikelen 126 tot 129, 169, 171 tot 174 en 178 zijn eveneens van toepassing.
Art.29. Par dérogation à l'article 243 du Code des impôts sur les revenus 1992, l'impôt des non-résidents dû pour l'exercice d'imposition 1992 est calculé conformément aux alinéas 2 à 4, en ce qui concerne les personnes physiques qui n'ont pas maintenu un foyer d'habitation en Belgique durant toute la période imposable.
  Dans les cas visés à l'article 232, les articles 86 à 89 ne sont pas applicables et l'impôt est calculé suivant le barème visé à l'article 130.
  Sur l'impôt calculé conformément à l'alinéa précédent, sont accordées les réductions prévues aux articles 146 à 154 dans les limites et aux conditions fixées par ces articles et en tenant compte de l'ensemble des revenus belges et étrangers, étant entendu que l'impôt auquel ces réductions correspondent est également calculé conformément à l'alinéa précédent. Ces réductions ne sont accordées qu'une seule fois pour les deux conjoints.
  Les articles 126 à 129, 169, 171 à 174 et 178 sont également applicables.
Art.30. § 1. De artikelen 4, 7, 11, 12 en 13 zijn van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1992.
  § 2. De artikelen 21 en 23 treden in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, voor het tijdperk dat op dezelfde dag een aanvang neemt.
  § 3. Artikel 22 is van toepassing op de kohieren die uitvoerbaar worden verklaard met ingang van de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
  § 4. Artikel 24 treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
  § 5. Artikel 26 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1993.
  § 6. De artikelen 14 tot 16 en 20 zijn van toepassing op de vanaf 1 januari 1993 verwezenlijkte meerwaarden.
  § 7. Artikel 1 heeft uitwerking met ingang van 19 september 1992.
  § 8. De artikelen 8 tot 10 zijn van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1994.
  § 9. De artikelen 2 en 3 zijn van toepassing op vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht met ingang van 1 januari 1992.
  § 10. Elke wijziging die vanaf 4 augustus 1992 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht is zonder uitwerking voor de toepassing van de artikelen 3 en 8 tot 10.
  § 11. Artikel 19 treedt in werking op de datum vermeld in artikel 41, § 2, van de wet van 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen.
Art.30. § 1. Les articles 4, 7, 12 et 13 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 1992.
  § 2. Les articles 21 et 23 entrent en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge, pour la période prenant cours à compter du même jour.
  § 3. L'article 22 est applicable aux rôles qui sont rendus exécutoires à partir du premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge.
  § 4. L'article 24 entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge.
  § 5. L'article 26 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 1993.
  § 6. Les articles 14 à 16 et 20 sont applicables aux plus-values réalisées à partir du 1er janvier 1993.
  § 7. L'article 1er produit ses effets à partir du 19 septembre 1992.
  § 8. Les articles 8 à 10 sont applicables à partir de l'exercice d'imposition 1994.
  § 9. (Les articles 2 et 3) sont applicables aux immobilisations acquises ou constituées à partir du 1er janvier 1992. <L 1994-07-06/33, art. 88, 003; En vigueur : 26-07-1994>
  § 10. Toute modification apportée à partir du 4 août 1992 à la date de clôture des comptes annuels reste sans incidence pour l'application des articles 3 et 8 à 10.
  § 11. L'article 19 entre en vigueur à la date visée à l'article 41, § 2, de la loi du 20 juillet 1991 portant des dispositions budgétaires.
Afdeling 2. - Wijzigingen van verschillende aard.
Section 2. - Modifications diverses.
Art.31.
Art.31.
Art.32. <Wijzigingsbepaling van artikel 143 van de W 1990-12-04/32>
Art.32.
Art.33. <Wijzigingsbepaling van artikel 35, § 1 van de W 1990-12-28/32>
Art.33.
Art.34. <Wijzigingsbepaling van artikel 212 van de W 1991-06-17/30>
Art.34.
Art.35. <Wijzigingsbepaling van artikel 213 van de W 1991-06-17/30>
Art.35.
Art.36. <Wijzigingsbepaling van artikel 243 van de W 1991-06-17/30>
Art.36.
Art.37. <Wijzigingsbepaling van artikel 47, § 2 van de W 1992-07-28/30>
Art.37.
Art.38. § 1. Artikel 33 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1994.
  Elke wijziging die vanaf 4 augustus 1992 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.
  § 2. De artikelen 34 tot 36 treden respectievelijk in werking op de datum waarop de artikelen 212, 213 en 243 van de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en harmonisering van de controle en de werkingsvoorwaarden van de kredietinstellingen overeenkomstig artikel 277 van dezelfde wet in werking treden.
  § 3. Artikel 32, 2°, treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 1992.
  § 4. Artikel 32, 1°, heeft uitwerking met ingang van 19 september 1992.
Art.38. § 1. L'article 33 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 1994.
  Toute modification apportée à partir du 4 août 1992 à la date de clôture des comptes annuels reste sans incidence pour l'application de cet article.
  § 2. Les articles 34 à 36 entrent en vigueur respectivement à la date où les articles 212, 213 et 243 de la loi du 17 juin 1991 portant organisation du secteur public du crédit et harmonisation du contrôle et des conditions de fonctionnement des établissements de crédit entrent en vigueur conformément à l'article 277 de la même loi.
  § 3. L'article 32, 2°, entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1992.
  § 4. L'article 32, 1°, produit ses effets le 19 septembre 1992.
Art.39. Opgeheven worden :
  1° artikel 4, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 augustus 1926 betreffende de toepassing van een verhogingscoëfficiënt op de te laat betaalde rechtstreekse belastingen en daarmede gelijkgestelde taksen;
  2° artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 4 van 22 augustus 1934 houdende wijziging van de wetsbepalingen inzake rechtstreekse en daarmede gelijkgestelde belastingen.
Art.39. Sont abrogés :
  1° l'article 4, alinéa 3, de l'arrêté royal du 28 août 1926 relatif à l'application d'un coefficient de majoration aux impôts directs et taxes y assimilées payées tardivement;
  2° l'article 11 de l'arrêté royal n° 4 du 22 août 1934 modifiant les dispositions légales en matières d'impôts directs et taxes y assimilées.
Art.40. In het koninklijk besluit nr. 15 van 9 maart 1982 tot aanmoediging van de inschrijving op of de aankoop van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid in Belgische vennootschappen, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 150 van 30 december 1982 en bij de wetten van 31 juli 1984, 22 februari 1990, 20 juli 1990 en 28 december 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 2, § 2, eerste lid, worden de woorden " niet meer bedragen dan 8 pct. " vervangen door de woorden " niet meer bedragen dan 5 pct. ";
  2° artikel 2, § 3, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 3. In afwijking van § 2 wordt de termijn van vijf boekjaren verlengd met zoveel boekjaren als er nodig zijn opdat de totale vrijstelling die de betrokken vennootschap zou kunnen verkrijgen indien ze tijdens ieder boekjaar op de maximale vrijstelling aanspraak zou kunnen maken, overeenstemt met 130 pct. of met 117 pct. van het in aanmerking komende kapitaal, naargelang de verrichting plaats had in 1982 of in 1983, indien de vennootschap zich tegenover de inschrijvers verbindt de belastingbesparing die uit de vrijstelling voortvloeit volledig over te dragen op de aan de nieuwe aandelen of deelbewijzen uitgekeerde inkomsten en zij die verbintenis nakomt. In voorkomend geval wordt de vrijstelling tijdens het laatste boekjaar op passende wijze beperkt.
  Voor vennootschappen die zelf geen belasting besparen op de aan hun nieuwe aandelen of deelbewijzen uitgekeerde inkomsten, is de vrijstelling evenzeer van toepassing voor de overeenkomstig het eerste lid vastgestelde verlengde vrijstellingstermijn, voor zover zij zich verbinden het eventueel aanvullend inkomen dat voortvloeit uit de vrijstelling die de vennootschappen, in de oprichting of kapitaalsverhoging waaraan zij rechtstreeks of onrechtstreeks hebben deelgenomen, in voorkomend geval hebben verkregen, door te geven aan de nieuwe aandelen of deelbewijzen en dat werkelijk ook doen; die doorgeving is slechts verplicht als de betrokken vennootschappen inkomsten uitkeren aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen.
  De verbintenis die de vennootschap aangaat tegenover de inschrijvers om de belastingbesparing over te dragen of om het aanvullende inkomen door te geven, moet formeel worden uitgedrukt in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van kapitaalsverhoging, naargelang er al dan niet publiek beroep wordt gedaan op de geldbeleggers.
  Behoudens andersluidende beslissing ten gevolge van een akte die onderworpen is aan de voorschriften betreffende de openbaarmaking, heeft de in de prospectus van uitgifte van de nieuwe aandelen of deelbewijzen of in de akte van oprichting of van kapitaalsverhoging formeel uitgedrukte verbintenis ambtshalve betrekking op de overeenkomstig het eerste lid vastgestelde vrijstellingstermijn die het in § 2, derde lid, vermelde vrijstellingstijdperk verlengt. ".
Art.40. A l'arrêté royal n° 15 du 9 mars 1982 portant encouragement à la souscription ou à l'achat d'actions ou parts représentatives de droits sociaux dans des sociétés belges, modifié par l'arrêté royal n° 150 du 30 décembre 1982 et par les lois des 31 juillet 1984, 22 février 1990, 20 juillet 1990 et 28 décembre 1990, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'article 2, § 2, alinéa 1er, les mots " n'excèdent pas, par exercice social, 8 p.c. " sont remplacés par les mots " n'excèdent pas, par exercice social, 5 p.c. ";
  2° l'article 2, § 3, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. Par dérogation au § 2, la période de cinq exercices sociaux est prolongée d'autant d'exercices sociaux dont la société a besoin pour que l'immunité totale dont elle aurait bénéficié si elle avait pu prétendre à l'immunité maximale pour chaque exercice social corresponde à 130 p.c. ou 117 p.c. du capital à prendre en considération, selon que l'opération a eu lieu en 1982 ou en 1983, lorsque la société en cause s'engage à l'égard des souscripteurs à reporter totalement, sur les revenus distribués aux actions ou parts nouvelles, l'économie d'impôt résultant de l'immunité et pour autant qu'elle respecte cet engagement. Dans ce cas, l'immunité accordée pour le dernier exercice sociale est limitée à due concurrence.
  Pour les sociétés qui ne réalisent pas elle-mêmes une économie d'impôt en raison des revenus distribués à leurs actions ou parts nouvelles, l'immunité est également applicable pour la période d'immunité qui est prolongée conformément à l'alinéa 1er, pour autant qu'elles s'engagent à redistribuer et qu'elles redistribuent effectivement à leurs actions ou parts nouvelles le complément éventuel de revenus résultant de l'immunité dont ont bénéficié, le cas échéant, les sociétés à la constitution ou à l'augmentation du capital desquelles elles ont directement ou indirectement participé; cette redistribution n'est obligatoire que si les sociétés en question distribuent des revenus aux actions ou parts de capitaux investis.
  L'engagement de report de l'économie d'impôt ou de redistribution du complément éventuel de revenus, que la société prend à l'égard des souscripteurs, doit être formellement exprimé dans le prospectus d'émission des actions ou parts nouvelles ou dans l'acte d'augmentation du capital, suivant qu'il a ou non appel public à l'épargne.
  Sauf décision contraire résultant d'un acte soumis aux formalités de publicité, l'engagement formellement exprimé dans le prospectus d'émission des actions ou parts nouvelles ou dans l'acte de constitution ou d'augmentation du capital porte d'office sur la période d'immunité fixée, conformément à l'alinéa 1er, (prolongeant la période d'immunité) visée au § 1, alinéa 3. ".
Art.41. In artikel 3, § 2, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit, gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 150 van 30 december 1982 en bij artikel 9 van de wet van 22 december 1990, worden de woorden " twaalf jaar " vervangen door de woorden " dertien jaar ".
Art.41. Dans l'article 3, § 2, alinéa 1er du même arrêté royal, modifié par l'article 2 de l'arrêté royal n° 150 du 30 décembre 1982 et par l'article 9 de la loi du 22 décembre 1990, les mots " douze ans " sont remplacés par les mots " treize ans ".
Art.42. Artikel 40 is van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1994.
  Elke wijziging die vanaf 4 augustus 1992 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van dit artikel.
Art.42. L'article 40 est applicable à partir de l'exercice d'imposition 1994.
  Toute modification apportée à partir du 4 août 1992 à la date de clôture des comptes annuels est sans incidence pour l'application de cet article.
Afdeling 3. - Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen.
Section 3. - Code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus.
Art.43. In de Franse tekst van artikel 96, 3°, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 1 juni 1992, worden de woorden " voitures utilisées " vervangen door de woorden " véhicules utilisés ".
Art.43. Dans le texte français de l'article 96, 3°, du code des taxes assimilées aux impôts sur les revenus, inséré par l'article 1er de la loi du 1er juin 1992, les mots " voitures utilisées " sont remplacés par les mots " véhicules utilisés ".
Art.44. Artikel 96 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 1 juni 1992, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " De Koning kan de voorwaarden en de regels voor de toepassing van dit artikel vaststellen. ".
Art.44. L'article 96 du même Code, inséré par l'article 1er de la loi du 1er juin 1992, est complété par l'alinéa suivant :
  " Le Roi peut définir les conditions et modalités d'application du présent article. ".
Art.45. Artikel 103 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 1 juni 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 103. De belasting is verbonden aan een aanslagjaar dat begint op de eerste dag van de maand waarin de belasting verschuldigd is. Deze aanslagjaren worden genoemd naar het jaar waarin de belasting verschuldigd is. ".
Art.45. L'article 103 du même Code, inséré par l'article 1er de la loi du 1er juin 1992, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 103. La taxe est rattachée à un exercice d'imposition commençant le premier jour du mois au cours duquel la taxe est due. Ces exercices d'imposition sont désignés par le millésime de l'année au cours de laquelle la taxe est due. ".
Art.46. In de Franse tekst van artikel 104 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 1 juni 1992, worden de woorden " premier jour du mois au cours duquel la taxe est due " vervangen door de woorden " premier jour de l'exercice d'imposition pour lequel elle est due. ".
Art.46. Dans le texte français de l'article 104 du même Code, inséré par l'article 1er de la loi du 1er juin 1992, les mots " premier jour du mois au cours duquel la taxe est due " sont remplacés par les mots " mosts " premier jour de l'exercice d'imposition pour lequel elle est due. ".
Art.47. De artikelen 43 tot 46 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 1992.
Art.47. Les articles 43 à 46 produisent leurs effets le 1er juin 1992.
Afdeling 4. - Bekrachtiging van koninklijke besluiten.
Section 4. - Confirmation d'arrêtés royaux.
Art.48. Met uitwerking op de datum van hun inwerkingtreding zijn bekrachtigd :
  1° het koninklijk besluit van 12 juni 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, op het stuk van de bedrijfsvoorheffing;
  2° het koninklijk besluit van 2 september 1992 tot vaststelling van de bedrijfsvoorheffing op kapitalen en afkoopwaarden niet verleend in het kader van het pensioensparen;
  3° het koninklijk besluit van 1 oktober 1992 tot vaststelling van de bedrijfsvoorheffing op inkomsten van podiumkunstenaars en sportbeoefenaars die niet rijksinwoners zijn;
  4° het koninklijk besluit van 9 november 1992 tot oprichting van een commissie voor voorafgaande fiscale akkoorden.
Art.48. Sont confirmés avec effet à la date de leur entrée en vigueur.
  1° l'arrêté royal du 12 juin 1992 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'arrêté royal du 4 mars 1965 d'exécution du Code des impôts sur les revenus;
  2° l'arrêté royal du 2 septembre 1992 déterminant le précompte professionnel dû sur les capitaux et les valeurs de rachat qui ne sont pas octroyés dans le cadre de l'épargne-pension;
  3° l'arrêté royal du 1er octobre 1992 déterminant le précompte professionnel dû sur les revenus des artistes du spectacle et des sportifs non résidents;
  4° l'arrêté royal du 9 novembre 1992 portant création d'une commission des accords fiscaux préalables.
HOOFDSTUK II. - Indirecte fiscaliteit.
CHAPITRE II. - Fiscalité indirecte.
Afdeling 1. - Belasting over de toegevoegde waarde.
Section 1. - Taxe sur la valeur ajoutée.
Art.49. In artikel 74 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, vervangen door artikel 71 van de wet van 4 augustus 1986, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 3. Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klracht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, en indien hij een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, kan hij het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.
  In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering; "
  2° paragraaf 5 wordt opgeheven.
Art.49. A l'article 74 du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, remplacé par l'article 71 de la loi du 4 août 1986, sont apportées les modifications suivante :
  1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. A moins que sa connaissance des faits ne résulte d'une plainte déposée ou d'une dénonciation faite par les fonctionnaires des administrations fiscales du Ministère des Finances, dûment autorisés, et s'il engage des poursuites pour des faits pénalement punissables aux termes du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, le procureur du Roi peut demander l'avis du directeur régional de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines compétent. Le procureur du Roi joint à sa demande d'avis les éléments de fait dont il dispose; le directeur régional doit, dans les quatre mois de la date de sa réception, répondre à la demande qui lui a été adressée.
  En aucun cas, la demande d'avis n'est suspensive de l'action publique; "
  2° le § 5 est abrogé.
Art.50. Artikel 74bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 72 van de wet van 4 augustus 1986, wordt aangevuld met het volgend lid :
  " Het eerste lid is niet van toepassing op de krachtens artikel 71 van de wet van 28 december 1992 bij het parket gedetacheerde ambtenaren van die administraties. ".
Art.50. L'article 74bis du même Code, inséré par l'article 72 de la loi du 4 août 1986, est complété par l'alinéa suivant :
  " L'alinéa 1er n'est pas applicable aux fonctionnaires de ces administrations détachés auprès du parquet en vertu de l'article 71 de la loi du 28 décembre 1992. ".
Art.51. Met gevolg vanaf de dag van hun inwerkingtreding zijn bekrachtigd :
  1° het koninklijk besluit van 29 juni 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
  2° het koninklijk besluit van 30 september 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.
Art.51. Sont confirmés avec effet à la date de leur entrée en vigueur :
  1° l'arrêté royal du 29 juin 1992 modifiant l'arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux;
  2° l'arrêté royal du 30 septembre 1992 modifiant l'arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970 fixant les taux de la taxe sur la valeur ajoutée et déterminant la répartition des biens et des services selon ces taux.
Afdeling 2. - Accijnzen.
Section 2. - Accises.
Onderafdeling 1. - Bepalingen tot bekrachtiging van accijnzen en definitief maken van voorlopige heffingen van accijnzen.
Sous-section 1. - Dispositions confirmant des droits d'accise et rendant définitives les perceptions provisoires de droits d'accise.
Art.52. In artikel 1 van de op 20 november 1963 gecoördineerde wetsbepalingen betreffende het accijnsregime van minerale olie, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, worden de bedragen " 524 frank " en " 749 frank " respectievelijk vervangen door de bedragen " 624 frank " en " 919 frank ".
Art.52. A l'article 1er des dispositions légales relatives au régime d'accise des huiles minérales coordonnées le 20 novembre 1963, modifié par la loi du 28 juillet 1992, les montants de " 524 francs " et " 749 francs " sont remplacés respectivement par les montants de " 624 francs " et " 919 francs ".
Art.53. In artikel 1, § 1, van de wet van 7 februari 1961 betreffende het accijnsregime van benzol en van soortgelijke produkten, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, wordt het bedrag van " 749 frank " vervangen door het bedrag " 919 frank ".
Art.53. A l'article 1er, § 1er de la loi du 7 février 1961 concernant le régime d'accise des benzols et des produits analogues, modifié par la loi du 28 juillet 1992, le montant de " 749 francs " est remplacé par le montant de " 919 francs ".
Art.54. De bijzondere accijnzen die voorlopig zijn vastgesteld bij het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 tot wijziging van het accijnsstelsel van minerale olie alsmede van het accijnsstelsel van benzol en van soortgelijke produkten worden definitief voor de periode waarin dat besluit van kracht is geweest.
  Voor dezelfde periode worden eveneens definitief de aanvullende bijzondere accijnzen zoals zij voorlopig zijn vastgesteld bij hetzelfde koninklijk besluit.
Art.54. Les taux des droits d'accise spéciaux établis provisoirement par l'arrêté royal du 19 août 1992 modifiant le régime d'accise des huiles minérales ainsi que le régime d'accise des benzols et des produits analogues sont rendus définitifs pour la période pendant laquelle cet arrêté a été en vigueur.
  Sont également rendus définitifs pour la même période, les droits d'accise spéciaux complémentaires fixés provisoirement par le même arrêté royal.
Onderafdeling 2. - Opheffingsbepaling.
Sous-section 2. - Disposition abrogatoire.
Art.55. Opgeheven worden :
  1° het koninklijk besluit van 19 augustus 1992 tot wijziging van het accijnsstelsel van minerale olie alsmede van het accijnsstelsel van benzol en van soortgelijke produkten;
  2° op 1 januari 1993, de wet van 21 augustus 1903 betreffende het vervaardigen en de invoer van suiker, gewijzigd bij de wet van 13 juli 1930, het koninklijk besluit nr. 83 van 16 januari 1935 en de wetten van 10 oktober 1967 en 6 juli 1978;
  3° op 1 januari 1993, hoofdstuk IV en de artikelen 27 tot 35 van de wet van 19 maart 1951 inzake accijnzen, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1978.
Art.55. Sont abrogés :
  1° l'arrêté royal du 19 août 1992 modifiant le régime d'accise des huiles minérales ainsi que le régime d'accise des benzols et des produits analogues;
  2° au 1er janvier 1993, la loi du 21 août 1903 relative à la fabrication et à l'importation des sucres, modifiée par la loi du 13 juillet 1930, l'arrêté royal n° 83 du 16 janvier 1935 et les lois du 10 octobre 1967 et du 6 juillet 1978;
  3° au 1er janvier 1993, le chapitre IV et les articles 27 à 35 de la loi du 19 mars 1951 concernant les accises, modifiés par la loi du 6 juillet 1978.
Onderafdeling 3. - Instellen van een controleretributie.
Sous-section 3. - Instauration d'une redevance de contrôle.
Art.56. In artikel 1 van de op 23 november 1963 gecoördineerde wetsbepalingen betreffende het accijnsregime van minerale olie, gewijzigd bij de wet van 28 juli 1992, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt een § 2 toegevoegd, luidend als volgt :
  " § 2. De ingevoerde of voor het verbruik uitgeslagen huisbrandolie is onderworpen aan een controleretributie van 21 frank per hectoliter bij 15 graden Celcius. ".
Art.56. A l'article 1er des dispositions légales relatives au régime d'accise des huiles minérales, coordonnées le 20 novembre 1963, modifie par la loi du 28 juillet 1992, dont le texte actuel formera le § 1er, il est inséré un paragraphe 2 rédigé comme suit :
  " § 2. Le fuel domestique, importé ou enlevé pour la consommation, est soumis à une redevance de contrôle de 21 francs par hectolitre à 15 degrés Celsius. ".
Afdeling 3. - Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.
Section 3. - Code des taxes assimilées au timbre.
Art.57. In artikel 207nonies van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 3. Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtid zijn, en indien hij een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, kan hij het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.
  In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering; "
  2° § 5 wordt opgeheven.
Art.57. A l'article 207nonies du Code des taxes assimilées au timbre sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. A moins que sa connaissance des faits ne résulte d'une plainte déposée ou d'une dénonciation faite par les fonctionnaires des administrations fiscales du Ministère des Finances, dûment autorisés, et s'il engage des poursuites pour des faits pénalement punissables aux termes du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, le procureur du Roi peut demander l'avis du directeur régional de la taxe sur (la valeur ajoutée, de l'enregistrement) et des domaines compétent. Le procureur du Roi joint à sa demande d'avis, les éléments de fait dont il dispose; le directeur régional doit, dans les quatre mois de la date de sa réception, répondre à la demande qui lui a été adressée.
  En aucun cas, la demande d'avis n'est suspensive de l'action publique; "
  2° le § 5 est abrogé.
Art.58. Artikel 207decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 82 van de wet van 4 augustus 1986, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Het eerste lid is niet van toepassing op de krachtens artikel 71 van de wet van 28 december 1992 bij het parket gedetacheerde ambtenaren van die administraties. ".
Art.58. L'article 207décies du même Code, inséré par l'article 82 de la loi du 4 août 1986, est complété par l'alinéa suivant :
  " L'alinéa 1er n'est pas applicable aux fonctionnaires de ces administrations détachés auprès du parquet en vertu de l'article 71 de la loi du 28 décembre 1992. ".
Afdeling 4. - Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.
Section 4. - Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe.
Art.59. In artikel 122 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gewijzigd bij de wetten van 14 april 1965, 22 juli 1970, 22 december 1989 en 4 december 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, 4°, worden de woorden " als bedoeld in de artikelen 114, 118 en 119bis " vervangen door de woorden " als vermeld in de artikelen 114, 118 en 119quinquies ";
  2° er wordt een als volgt luidend lid ingevoegd :
  " Het evenredig recht, zonder aftrek van het reeds geïnde algemeen vast recht, wordt echter opeisbaar wanneer de in het eerste lid, 4°, bedoelde beleggingsvennootschap de erkenning bepaald bij artikel 120, § 2, van voornoemde wet van 4 december 1990 niet verkrijgt of verliest, al naar het geval, zulks vanaf de datum van de beslissing tot weigering of tot intrekking van de erkenning. ".
Art.59. Dans l'article 122 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe, modifié par les lois des 14 avril 1965, 22 juillet 1970, 22 décembre 1989 et 4 décembre 1990, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, 4°, les mots " visées aux articles 114, 118 et 119bis " sont remplacés par les mots " visées aux articles 114, 118 et 119quinquies ";
  2° il est inséré un alinéa rédigé comme suit :
  " Toutefois, le droit proportionnel, sans déduction du droit fixe général déjà percu, devient exigible lorsque la société d'investissement, visée à l'alinéa 1er, 4°, n'obtient pas ou perd, selon le cas, l'agrément prévu à l'article 120, § 2, de la loi du 4 décembre 1990 précitée, et ce compter de la date de la décision de refus ou de retrait de l'agrément. ".
Art.60. In artikel 207septies van hetzelfde Wetboek, vervangen door artikel 87 van de wet van 4 augustus 1986, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 3. Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, en indien hij een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, kan hij het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.
  In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering; "
  2° § 5 wordt opgeheven.
Art.60. A l'article 207septies du même Code, remplacé par l'article 87 de la loi du 4 août 1986, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. A moins que sa connaissance des faits ne résulte d'une plainte déposée ou d'une dénonciation faite par les fonctionnaires des administrations fiscales du Ministère des Finances, dûment autorisés, et s'il engage des poursuites pour des faits pénalement punissables aux termes du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, le procureur du Roi peut demander l'avis du directeur régional de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines compétent. Le procureur du Roi joint à sa demande d'avis les éléments de fait dont il dispose; le directeur régional doit, dans les quatre mois de la date de sa réception, répondre à la demande qui lui a été adressée.
  En aucun cas, la demande d'avis n'est suspensive de l'action publique; "
  2° le § 5 est abrogé.
Art.61. Artikel 207octies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 88 van de wet van 4 augustus 1986, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Het eerste lid is niet van toepassing op de krachtens artikel 71 van de wet van 28 december 1992 bij het parket gedetacheerde ambtenaren van die administraties. ".
Art.61. L'article 207octies du même Code, inséré par l'article 88 de la loi du 4 août 1986, est complété par l'alinéa suivant :
  " L'alinéa 1er n'est pas applicable aux fonctionnaires de ces administrations, détachés auprès du parquet en vertu de l'article 71 de la loi du 29 décembre 1992. ".
Art.62. Artikel 212 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 13 augustus 1947 en gewijzigd bij de wetten van 17 juli 1985, 4 augustus 1986 en 22 december 1989, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 212. In geval van wederverkoop van een onroerend goed, door de verkoper of zijn rechtsvoorgangers verkregen bij een akte waarop het bij artikel 44 vastgestelde recht is voldaan, wordt drie vijfde van dat recht aan de wederverkoper teruggegeven indien de wederverkoop bij authentieke akte vastgesteld is binnen twee jaar na de datum van de authentieke akte van verkrijging.
  Wanneer de verkrijging of de wederverkoop heeft plaatsgehad onder een opschortende voorwaarde, wordt de termijn van wederverkoop berekend op basis van de datum waarop deze voorwaarde is vervuld.
  Niet teruggegeven wordt het recht dat betrekking heeft op het gedeelte van de prijs en de lasten van de verkrijging, dat hoger is dan het bedrag dat tot grondslag heeft gediend voor de heffing van de belasting op de akte van wederverkoop.
  In geval van gedeeltelijke wederverkoop wordt in het verzoek tot teruggave het deel van de aanschaffingsprijs dat betrekking heeft op het wederverkochte gedeelte nader aangegeven onder controle van het bestuur.
  Een door de wederverkoper en de instrumenterende notaris ondertekend verzoek tot teruggave, onderaan op de akte gesteld voor de registratie, heeft dezelfde gevolgen als het met redenen omkleed verzoek ingevolge artikel 217.2. Dit verzoek moet een afschrift van het registratierelaas van de authentieke akte van verkrijging bevatten, alsook de naam van de begunstigde van de teruggave en, in voorkomend geval, het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten moet worden gestort. ".
Art.62. L'article 212 du même Code, rétabli par la loi du 13 août 1947 et modifié par les lois des 17 juillet 1985, 4 août 1986 et 22 décembre 1989, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 212. En cas de revente d'un immeuble que le vendeur ou ses auteurs ont acquis par un acte ayant subi le droit fixé par l'article 44, ce droit est restitué au revendeur à concurrence des trois cinquièmes si la revente est constatée par un acte authentique passé dans les deux ans de la date de l'acte authentique d'acquisition.
  Lorsque l'acquisition ou la revente a eu lieu sous une condition suspensive, le délai de revente se calcule en fonction de la date de la réalisation de cette condition.
  La restitution n'est toutefois pas applicable au droit afférent à la partie du prix et des charges de l'acquisition qui excède la somme ayant servi de base à la perception de l'impôt sur l'acte de revente.
  Si la revente n'est que partielle, la demande en restitution détermine, par une ventilation contrôlée par l'administration, la portion du prix d'acquisition afférente à la partie revendue.
  Une demande en restitution faite au pied de l'acte, signée par le revendeur et le notaire instrumentant, avant l'enregistrement, produit les mêmes effets que la demande motivée prévue à l'article 217.2. Cette demande doit contenir la copie de la relation de l'enregistrement de l'acte authentique d'acquisition, ainsi que le nom du bénéficiaire de la restitution et, le cas échéant, le numéro du compte sur lequel doit être versé le montant des droits à restituer. ".
Art.63. In artikel 214, 1°, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 186 van de wet van 22 december 1989, worden de woorden " het visa van de repertoriums " vervangen door de woorden " het visum van de repertoria van de notarissen ".
Art.63. Dans l'article 214, 1°, alinéa 2, du même Code, modifié par l'article 186 de la loi du 22 décembre 1989, les mots " des notaires " sont insérés entre les mots " répertoires " et ", dont ".
Afdeling 5. - Wetboek der successierechten.
Section 5. - Code des droits de succession.
Art.64. In artikel 133nonies van het Wetboek der successierechten, vervangen door artikel 94 van de wet van 4 augustus 1986, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 3. Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, en indien hij een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, kan hij het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.
  In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering; "
  2° § 5 wordt opgeheven.
Art.64. A l'article 133nonies du Code des droits de succession, remplacé par l'article 94 de la loi du 4 août 1986, sont apportées les modifications suivantes :
  1° le § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. A moins que sa connaissance des faits ne résulte d'une plainte déposée ou d'une dénonciation faite par les fonctionnaires des administration fiscales du Ministère des Finances, dûment autorisés, et s'il engage des poursuites pour des faits pénalement punissables aux termes du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, le procureur du Roi peut demander l'avis du directeur régional de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines compétent. Le procureur du Roi joint à sa demande d'avis les éléments de fait dont il dispose; le directeur régional doit, dans les quatre mois de la date de sa réception, répondre à la demande qui lui a été adressée.
  En aucun cas, la demande d'avis n'est suspensive de l'action publique; "
  2° le § 5 est abrogé.
Art.65. Artikel 133decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 95 van de wet van 4 augustus 1986, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Het eerste lid is niet van toepassing op de krachtens artikel 71 van de wet van 28 december 1992 bij het parket gedetacheerde ambtenaren van die administraties. ".
Art.65. L'article 133decies du même Code, inséré par l'article 95 de la loi du 4 août 1986, est complété par l'alinéa suivant :
  " L'alinéa 1er n'est pas applicable aux fonctionnaires de ces administrations, détachés auprès du parquet en vertu de l'article 71 de la loi du 28 décembre 1992. ".
Art.66. In hetzelfde Wetboek wordt een derde boek ingevoegd, luidend als volgt :
  " DERDE BOEK. - JAARLIJKSE TAKS OP DE COORDINATIECENTRA.
  Artikel 162bis. De coördinatiecentra worden op 1 januari van elk jaar aan een jaarlijkse taks onderworpen.
  Het bedrag van de taks bedraagt 400 000 frank per voltijdse werknemer van het coördinatiecentrum, in de zin van artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra.
  Het totale bedrag van de taks mag niet hoger zijn dan 4 000 000 frank ten laste van éénzelfde coördinatiecentrum.
  De taks is eisbaar vanaf 1 januari van het eerste jaar dat volgt op de datum van oprichting.
  De in aanmerking te nemen personeelsbezetting is die op 1 januari van elk belastingjaar.
  Artikel 162ter. De taks moet ten laatste op 31 maart van elk jaar gekweten worden.
  De taks wordt gekweten door storting of overschrijving op de postrekening-courant van het bevoegde kantoor.
  Wanneer echter het coördinatiecentrum niet in de loop van het burgerlijk jaar van zijn oprichting bij koninklijk besluit erkend werd, zijn de vóór de datum (...) van de erkenning opeisbare taksen, betaalbaar binnen drie maanden na deze datum.
  Wordt de taks niet binnen de termijn betaald, dan is de wettelijke interest, tegen de rentevoet bepaald in burgerlijke zaken, van rechtswege eisbaar vanaf de dag, waarop de betaling had moeten geschieden.
  De gedeelten van een maand worden voor een volle maand gerekend.
  Artikel 162quater. Op de dag van de betaling dient de belastingplichtige op het bevoegde kantoor een opgave in met vermelding van het aanslagjaar, de oprichtingsdatum van het centrum, de datum van het koninklijk besluit tot erkenning, het aantal voltijdse werknemers in dienst en het bedrag van de taks.
  Wanneer de opgave niet binnen de in voorgaand artikel gestelde termijn wordt ingediend, wordt een boete verbeurd van 10 000 frank per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week gerekend.
  Artikel 162quinquies. De Koning bepaalt het kantoor dat bevoegd is voor de inning van de taks, de interesten en de boeten. Hij kan regels voor de betaling vaststellen.
  Artikel 162sexies. In geval de taks niet binnen de vastgestelde termijn betaald werd, is een boete verschuldigd die gaat van één twintigste tot één vijfde van de taks, volgens een bij koninklijk besluit vastgestelde schaal.
  Artikel 162septies. Elke onnauwkeurigheid of weglating vastgesteld in de in artikel 162quater vermelde opgave wordt gestraft met een boete gelijk aan vijfmaal het ontdoken recht te verminderen volgens een schaal die wordt vastgesteld bij koninklijk besluit.
  Artikel 162octies. Wanneer het coördinatiecentrum zijn erkenning verliest of eraan verzaakt, met uitwerking op een datum vóór 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de belasting is betaald, worden de belasting en, in voorkomend geval, de interesten teruggegeven.
  Artikel 162novies. De vervolgingen en gedingen door de administratie of de belastingplichtige in te spannen tot verkrijging van de betaling of van de teruggave van de taks, de interesten en de boeten, geschieden op de wijze en volgens de vormen vastgesteld inzake registratierechten.
  Artikel 162decies. Er is verjaring voor de eis tot invordering of teruggave van de taks, de interesten en de boeten na vijf jaar (...) vanaf 1 januari van het jaar waarin de vordering ontstaan is.
  De verjaringen inzake invordering en teruggave van de belastingen, interesten en boeten worden geschorst overeenkomstig de artikelen 140.1. en 140.2. van dit Wetboek. ".
Art.66. Dans le même Code, il est inséré un livre III, rédigé comme suit :
  " LIVRE III. - TAXE ANNUELLE SUR LES CENTRES DE COORDINATION.
  Article 162bis. Les centres de coordination sont assujettis à une taxes annuelle au 1er janvier de chaque année.
  Le montant de la taxe est fixé à 400 000 francs par membre du personnel occupé à temps plein du centre de coordination, au sens de l'article 3, 2°, de l'arrêté royal n° 187 du 30 décembre 1982 relatif à la création de centres de coordination.
  Le montant total de la taxe ne peut excéder 4 000 000 de francs à charge d'un même centre de coordination.
  La taxe est exigible dès le 1er janvier de la première année qui suit la date de la constitution.
  La situation du personnel à prendre en considération est celle en cours au 1er janvier de chaque année d'imposition.
  Article 162ter. La taxe doit être acquittée au plus tard le 31 mars de chaque année.
  La taxe est acquittée par versement ou virement au compte courant postal du bureau compétent.
  Toutefois, lorsque le centre de coordination n'a pas obtenu son agrément par arrêté royal dans l'année civile de sa constitution, les taxes exigibles avant la date (...) de l'agrément sont payables dans les trois mois de cette date.
  Si la taxe n'est pas payée dans le délai, l'intérêt légal au taux fixé en matière civile est exigible de plein droit à compter du jour où le paiement aurait dû être effectué.
  Toute fraction de mois est comptée pour un mois entier.
  Article 162quater. Le jour du paiement, le contribuable dépose au bureau compétent une déclaration indiquant l'année d'imposition, la date de constitution du centre, la date de l'arrêté royal d'agrément, le nombre de membres du personnel occupés à temps plein et le montant de la taxe.
  Si la déclaration n'est pas déposée dans le délai fixé à l'article précédent, il est encouru une amende de 10 000 francs par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme complète.
  Article 162quinquies. _ Le Roi détermine le bureau comptent pour le recouvrement de la taxe, des intérêts et des amendes. Il peut fixer des modalités de paiement.
  Article 162sexies. En cas de non-paiement de la taxe dans le délai prévu, il est encouru une amende allant de un vingtième à un cinquième de la taxe, selon une échelle déterminée par arrêté royal.
  Article 162septies. Toute inexactitude ou omission constatée dans la déclaration, dont il est question à l'article 162quater, est punie d'une amende égale à cinq fois le droit éludé, à réduire selon une échelle déterminée par arrêté royal.
  Article 162octies. Lorsque le centre de coordination perd son agrément ou renonce à celui-ci, avec effet à une date antérieure au 1er janvier de l'année d'imposition pour laquelle le paiement de la taxe a eu lieu, la taxe et, le cas échéant, les intérêts sont sujets à restitution.
  Article 162novies. Les poursuites et instances à intenter par l'administration ou par le contribuable pour obtenir le paiement ou la restitution de la taxe, des intérêts et des amendes se font de la manière et selon les formes établies en matière de droits d'enregistrement.
  Article 162decies. Il y a prescription pour la demande en recouvrement ou en restitution de la taxe, des intérêts et des amendes, après cinq ans a compter du 1er janvier de l'année au cours de laquelle l'action est née.
  Les prescriptions pour le recouvrement et pour la restitution des taxes, intérêts et amendes sont interrompues conformément aux articles 140.1. et 140.2. du présent Code. ".
Afdeling 6. - Wetboek der zegelrechten.
Section 6. - Code des droits de timbre.
Art.67. In artikel 67nonies van het Wetboek der zegelrechten, vervangen door artikel 102 van de wet van 4 augustus 1986, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " § 3. Tenzij de procureur des Konings met de feiten bekend is geraakt ingevolge een klacht die is ingediend of een aangifte die is gedaan door ambtenaren van de belastingbesturen van het Ministerie van Financiën die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn, en indien hij een vervolging instelt wegens feiten die naar luid van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten strafrechtelijk strafbaar zijn, kan hij het advies vragen van de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen. De procureur des Konings voegt het feitenmateriaal waarover hij beschikt bij zijn verzoek om advies; de gewestelijke directeur dient binnen vier maanden na de ontvangst van het aan hem gerichte verzoek hierop te antwoorden.
  In geen geval schorst het verzoek om advies de strafvordering; "
  2° § 5 wordt opgeheven.
Art.67. A l'article 67nonies du Code des droits de timbre, remplacé par l'article 102 de la loi du 4 août 1986, sont apportées les modifications suivante :
  1° § 3 est remplacé par la disposition suivante :
  " § 3. A moins que sa connaissance des faits ne résulte d'une plainte déposée ou d'une dénonciation faite par les fonctionnaires des administrations fiscales du Ministère des Finances, (dûment autorisés, et s'il engage) des poursuites pour des faits pénalement punissables aux termes du présent Code ou des arrêtés pris pour son exécution, le procureur du Roi peut demander l'avis du directeur régional de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines compétent. Le procureur du Roi joint à sa demande d'avis les éléments de fait dont il dispose; le directeur régional doit, dans les quatre mois de la date de la réception, répondre à la demande qui lui a été adressée.
  En aucun cas, la demande d'avis n'est suspensive de l'action publique; "
  2° le § 5 est abrogé.
Art.68. Artikel 67decies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 103 van de wet van 4 augustus 1986, wordt aangevuld met het volgende lid :
  " Het eerste lid is niet van toepassing op de krachtens artikel 71 van de wet van 28 december 1992 bij het parket gedetacheerde ambtenaren van die administraties. ".
Art.68. L'article 67decies du même Code, inséré par l'article 103 de la loi du 4 août 1986, est complété par l'alinéa suivant :
  " L'alinéa 1er n'est pas applicable aux fonctionnaires de ces administrations, détachés auprès du parquet en vertu de l'article 71 de la loi du 28 décembre 1992. ".
Art.69. De artikelen 49, 57, 60, 64 en 67 treden in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  De artikelen 56 en 66 treden in werking met ingang van 1 januari 1993.
  Artikel 59, 1°, heeft uitwerking met ingang van 19 september 1992.
  Artikel 62 treedt in werking op de eerste dag van de vijfde maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Dit artikel is van toepassing in alle gevallen waarin de opschortende voorwaarde vervuld wordt na de inwerkingtreding van deze wet.
Art.69. Les articles 49, 57, 60, 64 et 67 entrent en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge.
  Les articles 56 et 66 entrent en vigueur le 1er janvier 1993.
  L'article 59, 1°, produit ses effets le 19 septembre 1992.
  L'article 62 entre en vigueur le premier jour du cinquième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge. Cet article s'applique dans tous les cas où la condition suspensive se réalise après l'entrée en vigueur de la présente loi.
HOOFDSTUK III. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions diverses.
Art.70. <Wijzigingsbepaling van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering>
Art.70.
Art.71. Ambtenaren van de fiscale administraties, die door de Minister van Financiën zijn aangewezen, worden ter beschikking van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur gesteld teneinde hen bij te staan in de uitvoering van hun taken. (Te dien einde hebben ze gedurende de terbeschikkingstelling de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur.) <W 1997-06-10/41, art. 2, 1°, 006; Inwerkingtreding : 28-07-1997>
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit te nadere regels van die terbeschikkingstelling.
  (Om hun bevoegdheden te kunnen uitoefenen, leggen ze in handen van de procureur-generaal van het rechtsgebied van hun woonplaats de eed af in de volgende bewoordingen : " Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk en het mij opgedragen ambt trouw waar te nemen ". Zij kunnen hun bevoegdheden nochtans ook buiten dit rechtsgebied uitoefenen. Bij verandering van woonplaats wordt de akte van eedaflegging overgeschreven en geviseerd op de griffie van het hof van beroep waaronder de nieuwe woonplaats ressorteert.) <W 1997-06-10/41, art. 2, 2°, 006; Inwerkingtreding : 28-07-1997>
Art.71. Des fonctionnaires des administrations fiscales, désignés par le Ministre des Finances, sont mis à la disposition du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, aux fins de les assister dans l'exercice de leurs missions. (A cet effet, ils ont, durant la mise à disposition, la qualite d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi et de l'auditeur du travail.) <L 1997-06-10/41, art. 2, 1°, 006; En vigueur : 28-07-1997>
  Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres les modalités de cette mise à disposition.
  (Pour pouvoir exercer leurs attributions, ils prêtent serment devant le procureur général du ressort de leur domicile, dans les termes suivants : " Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et de remplir fidèlement les fonctions qui me sont conférées ". Néanmoins, ils peuvent également exercer leurs attributions en dehors de ce ressort. En cas de changement de domicile, l'acte de prestation de serment sera transcrit et visé au greffe de la cour d'appel à laquelle ressortit le lieu du nouveau domicile.) <L 1997-06-10/41, art. 2, 2°, 006; En vigueur : 28-07-1997>
Art.72. Artikel 70 treedt in werking op de eerste dag van de derde maand die volgt op de maand waarin deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art.72. L'article 70 entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui au cours duquel la présente loi est publiée au Moniteur belge.
HOOFDSTUK IV. - Lange termijnsparen.
CHAPITRE IV. - Epargne à long terme.
Afdeling 1. - Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Section 1. - Code des impôts sur les revenus 1992.
Art.73. In artikel 23, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt het 4° opgeheven.
Art.73. A l'article 23, § 2, du Code des impôts sur les revenus 1992, le 4° est abrogé.
Art.74. Artikel 31, derde lid, van hetzelfde Wetboek, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Wanneer de in artikel 145.1., 4°, vermelde aandelen anders dan bij overlijden worden overgedragen binnen vijf jaar na de aanschaffing ervan, wordt als bezoldiging van werknemer aangemerkt een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de bedragen die voor belastingvermindering in aanmerking zijn gekomen, als er volle maanden overblijven tot het einde van de termijn van vijf jaar. ".
Art.74. L'article 31, alinéa 3, du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Lorsque les actions ou parts visées à l'article 145.1., 4°, font l'objet d'une mutation, autre qu'une mutation par décès, au cours des cinq ans suivant leur acquisition, un montant correspondant à autant de fois un soixantième des sommes prises en considération pour la réduction d'impôt qu'il reste de mois jusqu'à l'expiration du délai de cinq ans est considéré comme la rémunération d'un travailleur. ".
Art.75. In artikel 34 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, 2°, worden de woorden " artikel 52, 9°, en artikel 81, 1° en 2° " vervangen door de woorden " artikel 145.1., 1°, of door middel van bijdragen of betalingen als vermeld in de artikelen 145.1., 2° en 3° en 145.17., 1° en 2° ";
  2° in § 1, 3°, worden de woorden " artikel 117 " vervangen door de woorden " artikel 145.8. ";
  3° § 3, eerste lid, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Het belastbare bedrag van de in § 2, 1°, vermelde spaartegoeden is gelijk aan het bedrag dat overeenstemt met de kapitalisatie, tegen een rentevoet van 4,75 pct. per jaar, van het totale bedrag van de op de spaarrekening ingeschreven nettosommen die als belastingvermindering in aanmerking zijn genomen. ".
Art.75. A l'article 34 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, 2°, les mots " à l'article 52, 9° et à l'article 81, 1° et 2° " sont remplacés par les mots " à l'article 145.1., 1°, ou au moyen de cotisations ou sommes visées aux articles 145.1., 2° et 3° et 145.17., 1° et 2° ";
  2° au § 1er, 3°, les mots " l'article 117 " sont remplacés par les mots " l'article 145.8. ";
  3° le § 3, alinéa 1er, est remplacé par la disposition suivante :
  " Le montant imposable de l'épargne visée au § 2, 1°, est égal au montant correspondant à la capitalisation, au taux de 4,75 p.c. l'an, du montant total des sommes nettes portées au compte-épargne qui sont prises en considération pour la réduction d'impôt. ".
Art.76. In artikel 39 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 2°, a, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " a) geen vrijstelling is toegepast overeenkomstig bepalingen die vóór het aanslagjaar 1993 van toepassing waren en de in de artikelen 145.1., 2° en 3° en 145.17,, 1° en 2°, vermelde verminderingen niet zijn verleend; "
  2° het 3° wordt vervangen door volgende bepaling :
  " 3° indien zij voortkomen uit een spaarrekening of uit een spaarverzekeringscontract waarvoor geen vermindering werd verleend ingevolge artikel 145.1., 5°; "
  3° het wordt aangevuld met een als volgt luidend 4° :
  " 4° indien er in zoverre zij het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen als bepaald in titel XIII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen of in artikel 119 van de wet van 28 december 1992. ".
Art.76. A l'article 39 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° le 2°, a, est remplacé par la disposition suivante :
  " a) aucune exonération n'a été opérée en vertu de dispositions applicables antérieurement à l'exercice d'imposition 1993 et les réductions prévues aux articles 145.1., 2° et 3° et 145.17., 1° et 2°, n'ont pas été accordées; "
  2° le 3° est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° dans l'éventualité où ils résultent d'un compte-épargne ou d'un contrat d'assurance-épargne pour lesquels la réduction prévue à l'article 145.1., 5°, n'a pas été accordée; "
  3° il est complété par un 4° rédige comme suit :
  " 4° dans l'éventualité et la mesure ou ils ont été soumis à une taxe sur l'épargne à long terme visée au titre XIII du Code des taxes assimilées au timbre ou à l'article 119 de la loi du 28 décembre 1992. ".
Art.77. In artikel 51 van hetzelfde Wetboek worden de woorden " en bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood " opgeheven.
Art.77. Dans l'article 51 du même Code, les mots " et les cotisations d'assurance complémentaire contre le vieillesse et le décès prématuré " sont supprimés.
Art.78. Artikel 52, 9°, van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art.78. L'article 52, 9°, du même Code est abrogé.
Art.79. In artikel 59 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " Persoonlijke, door bemiddeling van de werkgever betaalde bijdragen en " opgeheven;
  2° in het derde lid worden tussen de woorden " of persoonlijke bijdragen " en de woorden " zijn gevormd " de woorden " als bedoeld in artikel 145.3. " ingevoegd.
Art.79. A l'article 59 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " Les cotisations d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré, tant patronales que personnelles versées à l'intervention de l'employeur " sont remplacés par les mots " Les cotisations patronales d'assurance complémentaire contre la vieillesse et de décès prématuré ";
  2° à l'alinéa 3 les mots " visées à l'article 145.3. " sont insérés entre les mots " et personnelles " et les mots " ou attribués ".
Art.80. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, van hetzelfde Wetboek, wordt het gedeelte " D. Aftrekken van het totale beroepsinkomen " dat de artikelen 81 tot 85 bevat, opgeheven.
Art.80. Au titre II, chapitre II, section IV, sous-section III, du même Code, la partie " D. Déductions du montant total du revenu professionnel " comprenant les articles 81 à 85 est abrogée.
Art.81. In artikel 104, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin worden de woorden " artikelen 107 tot 125 " vervangen door de woorden " artikelen 107 tot 116 ";
  2° onderdeel 10°, wordt opgeheven.
Art.81. _ A l'article 104, alinéa 1er, du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la phrase introductive, les mots " articles 107 à 125 " sont remplaces par les mots " articles 107 à 116 ";
  2° le 10° est abrogé.
Art.82. In artikel 105 van hetzelfde Wetboek worden de woorden " de in het eerste lid, 1°, 2° en 10° van dat artikel " vervangen door de woorden " de in het eerste lid, 1° en 2° van dat artikel ".
Art.82. A l'article 105 du même Code, les mots " visées à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 10° de cet article " sont remplacés par les mots " visées à l'alinéa 1er, 1° et 2° de cet article ".
Art.83. In artikel 115, 1°, b, van hetzelfde Wetboek worden de woorden " op het tijdstip van de verwerving een goed is als vermeld in artikel 9, § 3, van het Wetboek over de toegevoegde waarde, dat door de verkoper met toepassing van die belasting is vervreemd " vervangen door de woorden " door de verkoper met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde aan de belastingplichtige is vervreemd ".
Art.83. Dans l'article 115, 1°, b, du même Code, les mots " cette condition est remplie si au moment de l'acquisition, l'habitation est un bien visé à l'article 9, § 3, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée que le vendeur cède avec application de cette taxe " sont remplacés par les mots " cette condition est remplie lorsque le vendeur cède l'habitation au contribuable avec application de la taxe sur la valeur ajoutée ".
Art.84. Artikel 116, eerste lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De interest die overblijft na toepassing van de in artikel 14 vermelde aftrek is maar aftrekbaar in zoverre hij betrekking heeft op de eerste 2 000 000 frank, 2 100 000 frank, 2 200 000 frank, 2 400 000 frank of 2 600 000 frank van het aanvangsbedrag van de leningen ingeval het een te bouwen of in nieuwe staat te verwerven woning betreft of op de eerste 1 000 000 frank, 1 050 000 frank, 1 100 000 frank, 1 200 000 frank of 1 300 000 frank ingeval het een te vernieuwen woning betreft, naargelang de belastingplichtige geen, één, twee, drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract is gesloten. ".
Art.84. L'article 116, alinéa 1er, du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Les intérêts qui subsistent après application de la déduction visée à l'article 14, ne sont déductible que dans la mesure où ils se rapportent à la première tranche de 2 000 000 de francs, 2 100 000 francs, 2 200 000 francs, 2 400 000 francs ou 2 600 000 francs du montant initial des emprunts lorsqu'il s'agit de la construction ou de l'acquisition à l'état neuf d'une habitation ou à la première tranche de 1 000 000 de francs, 1 050 000 francs, 1 100 000 francs, 1 200 000 francs ou 1 300 000 francs lorsqu'il s'agit de la rénovation d'une habitation, selon que le contribuable n'a pas d'enfant à charge ou qu'il en a un, deux, trois ou plus de trois à charge au 1er janvier de l'année qui suit celle de la conclusion du contrat d'emprunt. ".
Art.85. In titel II, hoofdstuk II, afdeling VI van hetzelfde Wetboek, wordt het deel " F. Pensioensparen " dat de artikelen 117 tot 125 omvat, opgeheven.
Art.85. Au titre II, chapitre II, section Vi du même Code, la partie " F. Epargne-Pension " comprenant les articles 117 à 125, est abrogée.
Art.86. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling IIbis ingevoegd luidend als volgt :
  " Onderafdeling IIbis. - Vermindering voor het lange termijnsparen.
  A. Algemeen.
  Artikel 145.1. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145.2. tot 145.16. wordt een belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald :
  1° als persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood met het oog op het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden en die door de werkgever op de bezoldigingen zijn ingehouden;
  2° als bijdragen van een aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood die de belastingplichtige tot uitvoering van een individueel gesloten levensverzekeringscontract definitief in België heeft betaald voor het vestigen van een rente of van een kapitaal bij leven of bij overlijden;
  3° als betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen en gewaarborgd is door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal;
  4° als betalingen in geld voor aandelen waarop de belastingplichtige als werknemer heeft ingeschreven en die een fractie vertegenwoordigen van het maatschappelijk kapitaal van de binnenlandse vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt of waarvan de vennootschap - werkgeefster in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen onweerlegbaar wordt geacht een dochter- of kleindochteronderneming te zijn;
  5° als betalingen voor het pensioensparen.
  Artikel 145.2. De vermindering wordt berekend tegen een bijzondere gemiddelde aanslagvoet die overeenstemt met de belasting die op het geheel van de belastbare inkomsten, daaronder niet begrepen de inkomsten die ingevolge artikel 171 afzonderlijk worden belast, wordt berekend overeenkomstig de artikelen 130, 131 en 134, eerste en derde lid.
  De aanslagvoet die van toepassing is op de uitgaven die ten name van elke echtgenoot voor belastingvermindering in aanmerking komen, wordt voor elke echtgenoot afzonderlijk vastgesteld met inachtneming van de bepalingen van artikel 127.
  De aldus berekende aanslagvoet mag niet minder dan 30 pct., noch meer dan 40 pct. bedragen.
  B. Persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood.
  Artikel 145.3. De in artikel 145.1., 1°, vermelde persoonlijke bijdragen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat ze definitief zijn gestort aan een in België gevestigde verzekeringsonderneming of instelling voor sociale voorzieningen en dat de wettelijke en extra-wettelijke toekenningen naar aanleiding van de pensionering, uitgedrukt in jaarlijkse renten, niet meer bedragen dan 80 pct. van de laatste normale bruto-jaarbezoldiging en worden berekend naar de normale duur van een beroepswerkzaamheid. Een indexering van de rente is toegelaten.
  De grens van 80 pct. wordt overeenkomstig artikel 59, derde lid, beoordeeld.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze van toepassing van deze bepaling, inzonderheid wat de voorschotten op contracten en de inpandgevingen van contracten betreft.
  C. Premies van individuele levensverzekeringen.
  Artikel 145.4. De in artikel 145.1., 2°, vermelde bijdragen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat :
  1° het levensverzekeringscontract is aangegaan :
  a) door de belastingplichtige die daarbij alleen zichzelf heeft verzekerd;
  b) vóór de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft; contracten die tot na de oorspronkelijk bepaalde termijn verlengd, opnieuw van kracht gemaakt, gewijzigd of verhoogd worden wanneer de verzekerde de leeftijd van 65 of van 60 jaar heeft bereikt, worden geacht niet vóór die leeftijd te zijn aangegaan;
  c) voor een minimumlooptijd van 10 jaar wanneer het in voordelen bij leven voorziet;
  2° de voordelen van het contract bedongen zijn :
  a) bij leven, ten gunste van de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 65 jaar of 60 jaar, naargelang het een man of een vrouw betreft;
  b) bij overlijden, ten gunste van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige.
  D. Aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen.
  Artikel 145.5. De in artikel 145.1., 3°, vermelde betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypotheekleningen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat :
  1° het leningscontract en het verzekeringscontract een looptijd van ten minste 10 jaar hebben en de verzekerde kapitalen bij het sluiten van het verzekeringscontract ten minste gelijk zijn aan de geleende kapitalen;
  2° de voordelen van het verzekeringscontract bedongen zijn ten gunste van de schuldeiser, van de echtgenoot of van bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige.
  Wanneer de voor vermindering in aanmerking komende uitgave beperkt wordt ingevolge artikel 145.6., tweede lid, mag het verzekerde kapitaal, in afwijking van het eerste lid, 1°, verminderd worden tot het in aanmerking komende aanvangsbedrag van de leningen.
  Artikel 145.6. De bijdragen en betalingen als vermeld in artikel 145.1., 2° en 3°, komen voor vermindering in aanmerking voor zover die uitgaven niet meer bedragen dan 15 pct. van de eerste schijf van 50 000 frank van het totale beroepsinkomen en 6 pct. van het overige, met een maximum van 60 000 frank.
  Bovendien komen betalingen als vermeld in artikel 145.1., 3°, slechts voor vermindering in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2 000 000 frank van het aanvangsbedrag van de voor die woning aangegane leningen.
  De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop de vermindering ingevolge artikel 145.1., 2° en 3°, wordt toegepast.
  E. Verwerving van werkgeversaandelen.
  Artikel 145.7. De in artikel 145.1., 4°, vermelde betalingen in geld voor aandelen komen voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat de belastingplichtige :
  1° tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting van het belastbare tijdperk waarin de betaling is gedaan, de stukken overlegt waaruit blijkt dat hij de aandelen heeft aangeschaft en deze op het einde van dat tijdperk nog in zijn bezit heeft;
  2° voor hetzelfde belastbare tijdperk geen enkele vermindering geniet voor het pensioensparen.
  De vermindering wordt slechts behouden op voorwaarde dat de belastingplichtige tot staving van zijn aangiften in de personenbelasting van de volgende vijf belastbare tijdperken het bewijs levert dat hij de betrokken aandelen nog in zijn bezit heeft.
  Aan de voorwaarde vermeld in het tweede lid moet niet worden voldaan met ingang van het belastbare tijdperk waarin de werknemer-aandeelhouder is overleden.
  De betalingen voor aandelen komen voor vermindering in aanmerking tot een bedrag van 20 000 frank per belastbaar tijdperk. De Koning kan dit bedrag bij een in Ministerraad overlegd besluit tot ten hoogste 40 000 frank verhogen.
  F. Betalingen voor het pensioensparen.
  Artikel 145.8. De bedragen die ingevolge artikel 145.1., 5°, in het kader van het pensioensparen in aanmerking komen voor vermindering, zijn die welke in België definitief worden betaald :
  1° ofwel voor het aanleggen van een collectieve spaarrekening;
  2° ofwel voor het aanleggen van een individuele spaarrekening;
  3° ofwel als premie van een spaarverzekering.
  Het bedrag dat voor vermindering in aanmerking komt is beperkt tot 20 000 frank per belastbaar tijdperk. Elke echtgenoot is gerechtigd op de vermindering indien hij persoonlijk houder is van een spaarrekening of een spaarverzekering. Het voormelde bedrag kan bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit tot ten hoogste 40 000 frank worden verhoogd.
  De betalingen in een belastbaar tijdperk mogen slechts worden verricht voor één enkele collectieve spaarrekening of één enkele individuele spaarrekening of één enkele spaarverzekering.
  Artikel 145.9. De betalingen komen slechts voor vermindering in aanmerking op voorwaarde dat :
  1° de collectieve spaarrekening of de individuele spaarrekening is geopend of de spaarverzekering is aangegaan :
  a) door een rijksinwoner vanaf de leeftijd van 18 jaar en vóór de leeftijd van 65 jaar;
  b) voor een looptijd van ten minste 10 jaar;
  2° de voordelen bij het aangaan van het contract bedongen zijn :
  a) bij leven, ten bate van de belastingplichtige zelf;
  b) bij overlijden, ten bate van de echtgenoot of van de bloedverwanten tot de tweede graad van de belastingplichtige;
  3° de belastingplichtige tot staving van zijn aangifte een attest voorlegt waarvan de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde het model vastlegt.
  De vermindering wordt niet meer verleend met ingang van het belastbare tijdperk waarin de spaartegoeden, kapitalen of afkoopwaarden zijn uitgekeerd die afzonderlijk belastbaar zijn ingevolge artikel 171, 2°, e, behoudens indien de uitkering het gevolg is van het overlijden van de belastingplichtige, of waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft.
  Artikel 145.10. De in artikel 145.15. vermelde instellingen en ondernemingen mogen, naar het geval, per belastingplichtige slechts één enkele collectieve of één enkele spaarrekening openen of slechts één enkele spaarverzekering afsluiten. Zij mogen geen betalingen in ontvangst nemen die hoger zijn dan het in artikel 145.8., tweede lid, vastgestelde maximumbedrag. Deze instellingen en ondernemingen stellen de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde in kennis :
  1° van het openen van een spaarrekening of het aangaan van een spaarverzekering;
  2° van het jaarbedrag van de betalingen van elke houder.
  Artikel 145.11. De beheermaatschappij van de ingevolge artikel 145.16. erkende instellingen voor collectieve belegging belegt de activa van dat fonds en de inkomsten van die activa, na aftrek van de kosten, uitsluitend op de volgende wijze :
  1° voor ten minste 30 pct. in aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal van vennootschappen naar Belgisch recht vertegenwoordigen;
  2° in obligaties in Belgische frank uitgegeven of onvoorwaardelijk gewaarborgd, in hoofdsom en in interest, door de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de gemeenten en andere openbare lichamen of instellingen;
  3° in obligaties of kasbons in Belgische frank, met een looptijd van meer dan één jaar, uitgegeven door Belgische publiek- of privaatrechtelijke vennootschappen of in gelddeposito's in Belgische frank met een looptijd van meer dan één jaar;
  4° in vastgoedcertificaten of in hypothecaire leningen met betrekking tot in België gelegen onroerende goederen;
  5° tot ten hoogste 10 pct. in buitenlandse op een Belgische beurs genoteerde effecten of rechten van deelneming van Belgische gemeenschappelijke beleggingsfondsen die erkend zijn door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen;
  6° tot ten hoogste 10 pct. in tegoeden op rekening in Belgische frank bij één van de instellingen of ondernemingen die zijn vermeld in artikel 145.15., eerste lid.
  De voorgeschreven percentages worden berekend op de dag waarop de beleggingen worden gedaan.
  Artikel 145.12. Bij de opening van een individuele spaarrekening moet de belastingplichtige aan de instelling of onderneming, waarbij die rekening wordt geopend, de schriftelijke verbintenis overleggen om de op zijn rekening geboekte sommen, alsmede de terugbetalingen en de opbrengsten van de verkoop van roerende waarden, te beleggen op de wijze en in de verhoudingen als omschreven in artikel 145.11. De belegging moet geschieden binnen twee maanden na de betaling of de terbeschikkingstelling van de bedragen.
  Het naleven van die verbintenis moet ten laatste op de dag van de betaling blijken uit de overlegging van een schriftelijke beleggingsopdracht aan de instelling of onderneming waaraan de betaling is verricht.
  De houder van een individuele spaarrekening mag evenwel aan de instelling of onderneming waarbij die rekening is geopend volmacht geven om de op zijn rekening geboekte sommen te beleggen op de wijze en volgens de verhoudingen als omschreven in artikel 145.11.
  Wanneer geen schriftelijke beleggingsopdracht wordt overgelegd of de in de opdracht vermelde belegging niet overeenstemt met het bepaalde in artikel 145.11. of wanneer de in het vorige lid vermelde volmacht niet is gegeven, wordt de betaalde som niet op de individuele spaarrekening geboekt.
  De inkomsten uit de individuele spaarrekening worden, na aftrek van de kosten, volledig belegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 145.11., eerste lid, 1° tot 4° en 6°.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de toepassing van dit artikel wordt nagegaan.
  Artikel 145.13. De dekkingswaarden van de technische reserves betreffende de activiteiten van de spaarverzekering worden belegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 145.11.
  Artikel 145.14. De vermindering voor pensioensparen kan niet samen met de vermindering voor verwerving van werkgeversaandelen ingevolge artikel 145.1., 4°, worden verkregen.
  Artikel 145.15. Alleen de in artikel 56, § 1 en § 2, 2°, (...) c, f en g, vermelde instellingen en ondernemingen mogen collectieve of individuele spaarrekeningen openen. De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, hetzelfde recht toestaan aan beursvennootschappen naar Belgisch recht.
  Alleen verzekeringsondernemingen die de tak levensverzekering beoefenen overeenkomstig de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, mogen spaarverzekeringen afsluiten.
  Artikel 145.16. Voor de toepassing van het pensioensparen en van artikel 34, § 1, 3°, wordt verstaan onder :
  1° collectieve spaarrekening, de delen van instellingen voor collectieve belegging die door de Minister van Financiën onder de door de Koning bepaalde voorwaarden zijn erkend voor het vormen van spaartegoeden die beschikbaar worden bij leven of bij overlijden; die delen worden op naam ingeschreven bij een van de in artikel 145.15., eerste lid, vermelde instellingen en ondernemingen;
  2° individuele spaarrekening, de door de belastingplichtige aangeschafte roerende waarden en, bijkomend, de op rekening gehouden bedragen, met het oog op het vormen van een spaartegoed dat beschikbaar wordt bij leven of bij overlijden; die waarden en bedragen worden op naam ingeschreven bij een van de in artikel 145.15., eerste lid, vermelde instellingen of ondernemingen;
  3° spaarverzekering, de verzekering door de belastingplichtige op zijn hoofd aangegaan om een pensioen, een rente of een kapitaal bij leven of bij overlijden te vestigen bij een in artikel 145.15., tweede lid, vermelde verzekeringsonderneming. ".
Art.86. Au titre II, chapitre III, section première, du même Code, est insérée une sous-section IIbis rédigée comme suit :
  Sous-section IIbis. - Réduction pour épargne à long terme.
  A. Généralités.
  Article 145.1. Dans les limites et aux conditions prévues aux articles 145.2. à 145.16., il est accordé une réduction d'impôt calculée sur les dépenses suivantes qui ont été effectivement payées pendant la période imposable :
  1° à titre de cotisations personnelles d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré en vue de la constitution d'une rente ou d'un capital en cas de vie ou en cas de décès, à l'intervention de l'employeur, par voie de retenue sur les rémunérations;
  2° à titre de cotisations d'une assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré que le contribuable a payées à titre définitif en Belgique pour constituer une rente ou un capital en cas de vie ou en cas de décès en exécution d'un contrat d'assurance-vie qu'il a conclu individuellement.
  3° à titre de sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'un emprunt hypothécaire, contracté en vue de construire, acquérir ou transformer une habitation située en Belgique et garanti par une assurance temporaire au décès à capital décroissant;
  4° à titre de sommes affectées à la libération en numéraire d'actions ou parts, souscrites par le contribuable en tant que travailleur représentant une fraction du capital social de la société résidente qui occupe le contribuable ou dont la société employeur est, au sens de la législation relative à la comptabilité et aux comptes annuels des entreprises, considérée de manière irréfragable comme une filiale ou une sous-filiale;
  5° à titre de paiements pour l'épargne-pension.
  Article 145.2. La réduction est calculée u taux moyen spécial qui correspond à l'impôt calculé conformément aux articles 130, 131 et 134, alinéas 1er et 3, sur l'ensemble des revenus imposables, en ce non compris les revenus imposés distinctement en application de l'article 171.
  Le taux d'imposition qui est applicable sur les dépenses prises en considération au nom de chacun des conjoints pour la réduction d'impôt, est fixé séparément pour chacun d'eux compte tenu des dispositions de l'article 127.
  Le taux d'imposition ainsi déterminé ne peut être inférieur à 30 p.c., ni supérieur à 40 p.c.
  B. Cotisations personnelles d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré.
  Article 145.3. Les cotisations personnelles visées à l'article 145.1., 1°, sont prises en considération pour la réduction à condition qu'elles soient versées à titre définitif à une société d'assurance ou à un établissement de prévoyance sociale établis en Belgique et que les prestations en cas de retraite tant légales qu'extra-légales, exprimées en rentes annuelles, ne dépassent pas 80 p.c. de la dernière rémunération brute annuelle normale et tiennent compte d'une durée normale d'activité professionnelle. Une indexation des rentes est permise.
  La limite de 80 p.c. s'apprécie conformément à l'article 59, alinéa 3.
  Le Roi détermine les conditions et modalités d'application de la présente disposition, notamment en ce qui concerne les avances sur contrats et les mises en gage de contrats.
  C. Primes d'assurances-vie individuelles.
  Article 145.4. Les cotisations visées à l'article 145.1., 2°, sont prises en considération pour la réduction à condition :
  1° que le contrat d'assurance-vie soit souscrit :
  a) par le contribuable qui, en outre s'est assuré exclusivement sur sa tête;
  b) avant l'âge de 65 ans ou 60 ans suivant qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme; les contrats qui sont prorogés au-delà du terme initialement prévu, remis en vigueur, transformés ou augmentés, alors que l'assuré a atteint l'âge de 65 ans ou de 60 ans ne sont pas considérés comme souscrits avant cet âge;
  c) pour une durée minimum de 10 ans lorsqu'il prévoit des avantages en cas de vie;
  2° que les avantages du contrat soient stipulés :
  a) en cas de vie, au profit du contribuable à partir de l'âge de 65 ans ou de 60 ans, suivant qu'il s'agit d'un homme ou d'une femme;
  b) en cas de décès, au profit du conjoint ou des parents jusqu'au deuxième degré du contribuable.
  D. Amortissement ou reconstitution d'emprunts hypothécaires.
  Article 145.5. Les sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'emprunts hypothécaires visées à l'article 145.1., 3°, sont prises en considération pour la réduction à condition :
  1° que le contrat d'emprunt et le contrat d'assurance aient une durée minimum de 10 ans et qu'à la conclusion de contrat d'assurance les capitaux assurés correspondent au moins aux capitaux empruntés;
  2° que les avantages du contrat d'assurance soient stipulés au profit du créancier, du conjoint ou des parents jusqu'au deuxième degré du contribuable.
  Lorsque la dépense prise en considération pour la réduction est limitée conformément à l'article 145.6., alinéa 2, le capital assuré peut, par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, être ramené au montant initial des emprunts pris en considération.
  Article 145.6. Les cotisations et les sommes visées à l'article 145.1., 2° et 3°, sont prises en considération pour la réduction dans la mesure où ces dépenses n'excèdent pas 15 p.c. de la première tranche de 50 000 francs du total des revenus professionnels et 6 p.c. du surplus, avec un maximum de 60 000 francs.
  En outre, les sommes visées à l'article 145.1., 3°, ne sont prises en considération pour l'octroi de la réduction que dans la mesure où elles concernent la première tranche de 2 000 000 de francs du montant initial des emprunts contractés pour cette habitation.
  Le Roi détermine les conditions et modalités d'application de la réduction accordée en vertu de l'article 145.1., 2° et 3°.
  E. Acquisition d'actions ou parts du capital de la société employeur.
  Article 145.7. Les sommes affectées à la libération en numéraire d'actions ou parts visées à l'article 145.1, 4°, sont prises en considération pour l'octroi de la réduction à condition que le contribuable :
  1° produise, à l'appui de sa déclaration à l'impôt des personnes physiques de la période imposable au cours de laquelle la libération a été opérée, les documents faisant apparaître qu'il a acquis les actions ou parts et qu'elles sont encore en sa possession à la fin de cette période;
  2° ne bénéficie pour la même période imposable d'aucune réduction dans le cadre de l'épargne-pension.
  Le maintien de la réduction est subordonné à la condition que le contribuable produise à l'appui de ses déclarations à l'impôt des personnes physiques des cinq périodes imposables suivantes la preuve qu'il est encore en possession des actions ou parts.
  La condition visée à l'alinéa 2, ne doit plus être respectée à partir de la période imposable au cours de laquelle le travailleur actionnaire est décédé.
  Les sommes affectées à la libération d'actions ou parts, ne sont prises en considération pour la réduction qu'à concurrence d'un montant de 20 000 francs par période imposable. Le Roi peut porter ce montant à un maximum de 40 000 francs par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  F. Paiements pour épargne-pension.
  Article 145.8. Les montants pris en considération pour la réduction dans le cadre de l'épargne-pension conformément à l'article 145.1., 5°, sont ceux qui sont payés à titre définitif en Belgique :
  1° soit pour la constitution d'un compte-épargne collectif;
  2° soit pour la constitution d'un compte-épargne individuel;
  3° soit à titre de primes d'une assurance-épargne.
  Le montant pris en considération pour la réduction est limité à 20 000 francs par période imposable. Chaque conjoint a droit à la réduction s'il est personnellement titulaire d'un compte-épargne ou d'une assurance-épargne. Ce montant peut être porté à un maximum de 40 000 francs par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  Les paiements ne peuvent, au cours d'une même période imposable, être effectués que pour un seul compte-épargne collectif, pour un seul compte-épargne individuel ou pour une seule assurance-épargne.
  Article 145.9. Les paiements ne sont pris en considération pour la réduction qu'à condition que :
  1° le compte-épargne collectif ou le compte-épargne individuel soit ouvert, ou l'assurance-épargne soit souscrite :
  a) par un habitant du royaume, à partir de l'âge de 18 ans et avant l'âge de 65 ans;
  b) pour une durée d'au moins 10 ans;
  2° les avantages soient stipulés, au moment de la souscription du contrat :
  a) en cas de vie, au profit du contribuable lui-même;
  b) en cas de décès, au profit du conjoint ou des parents jusqu'au deuxième degré du contribuable;
  3° le contribuable produise, à l'appui de sa déclaration, une attestation du modèle arrêté par le Ministre des Finances ou son délégué.
  La réduction n'est plus accordée à partir de la période imposable au cours de laquelle sont liquidés l'épargne, les capitaux ou les valeurs de rachat imposables distinctement conformément à l'article 171, 2°, e, sauf si cette liquidation résulte du décès du contribuable, ou au cours de laquelle le contribuable a atteint l'âge de 65 ans.
  Article 145.10. Par contribuable, les institutions et entreprises visées à l'article 145.15. ne peuvent, selon le cas, ouvrir qu'un seul compte-épargne collectif ou individuel ou souscrire qu'une seule assurance-épargne. Elles ne peuvent accepter des paiements d'un montant supérieur à celui visé à l'article 145.8. alinéa 2. Ces institutions et entreprises informent le Ministre des Finances ou son délégué :
  1° de l'ouverture d'un compte-épargne ou de la souscription d'une assurance-épargne;
  2° du montant annuel des paiements de chaque titulaire.
  Article 145.11. La société de gestion d'un organisme de placement collectif agréé conformément à l'article 145.16. est tenue d'affecter les actifs de ce fonds et les revenus de ces actifs, sous déduction des charges, exclusivement de la manière suivante :
  1° à concurrence de 30 p.c. au moins, en actions ou parts représentatives d'une fraction du capital social de sociétés de droit belge;
  2° en obligations libellées en francs belges, émises ou garanties inconditionnellement, en principal et en intérêts, par l'Etat, les Communautés, les Régions, les provinces, les agglomérations, les communes et autres organismes ou établissements publics;
  3° en obligations ou bons de caisse, libellés en francs belges, d'une durée supérieure à un an, émis par des sociétés belges de droit public ou privé ou en dépôts d'argent effectués en francs belges pour une durée supérieure à un an;
  4° en certificats immobiliers ou en prêts hypothécaires relatifs à des immeubles sis en Belgique;
  5° à concurrence de 10 p.c. au plus, en valeurs mobilières étrangères cotées à une bourse belge ou en parts de fonds communs de placement belges agréés par la Commission bancaire et financière;
  6° à concurrence de 10 p.c. au plus, en avoirs en compte en francs belges auprès d'une des institutions ou entreprises visées à l'article 145.15., alinéa 1er.
  Les pourcentages prescrits se calculent le jour auquel les investissements sont effectués.
  Article 145.12. Lors de l'ouverture d'un compte-épargne individuel, le contribuable est tenu de remettre à l'institution ou entreprise auprès de laquelle ce compte est ouvert, l'engagement écrit d'affecter, de la manière et dans les propositions prévues à l'article 145.11., les sommes qui seront portées à son compte, ainsi que les remboursements et les produits des ventes de valeurs mobilières. L'affectation doit s'effectuer dans les deux mois du paiement ou de la mise a disposition des sommes.
  Le respect de cet engagement se constate sur base de la production, au plus tard le jour du paiement, d'une instruction écrite d'affectation à l'institution ou entreprise à laquelle le paiement a été effectué.
  Toutefois, le titulaire d'un compte-épargne individuel peut donner mandat à l'institution ou entreprise auprès de laquelle ce compte est ouvert, d'affecter les sommes portées à son compte de la manière et dans les proportions prévues à l'article 145.11.
  A défaut de production d'instruction écrite, ou si l'affectation mentionnée dans l'instruction produite n'est pas conforme à ce qui est prévu à l'article 145.11. ou si le mandat prévu à l'alinéa précédent n'a pas été donné, la somme payée ne peut être portée au compte-épargne individuel.
  Les revenus du compte-épargne individuel sont, sous déduction des charges, intégralement investis conformément aux dispositions de l'article 145.11., alinéa 1er, 1° à 4° et 6°.
  Le Roi détermine les modalités du contrôle de l'application de cet article.
  Article 145.13. Les valeurs représentatives des réserves techniques relatives à l'activité de l'assurance-épargne sont investies conformément aux dispositions de l'article 145.11.
  Article 145.14. La réduction pour épargne-pension ne peut être cumulée avec la réduction relative à la libération d'actions ou parts de la société employeur prévue à l'article 145.1., 4°.
  Article 145.15. Seules sont autorisées à ouvrir des comptes-épargne collectifs ou individuels les institutions et entreprises visées à l'article 56, § 1er et § 2, 2°, (...)c, f et g. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, accorder, aux conditions qu'Il détermine, la même autorisation aux sociétés de bourse de droit belge.
  Seules sont autorisées à conclure des contrats d'assurance-épargne les entreprises d'assurances qui exercent l'activité " vie " conformément à la loi du 9 juillet 1975 relative au contrôle des entreprises d'assurances.
  Article 145.16. Pour l'application de l'épargne-pension et de l'article 34, § 1er, 3°, on entend :
  1° par compte-épargne collectif, les parts des organismes de placement collectif agréés par le Ministre des Finances aux conditions fixées par le Roi, pour se constituer une épargne disponible en cas de vie ou de décès; ces parts font l'objet d'inscriptions nominatives auprès des institutions et entreprises visées à l'article 145.15., alinéa 1er;
  2° par compte-épargne individuel, les valeurs mobilières acquises et, accessoirement, les sommes conservées en compte par le contribuable en vue de se constituer une épargne disponible en cas de vie ou de décès; ces valeurs et ces sommes font l'objet d'inscriptions nominatives auprès des institutions et entreprises visées à l'article 145.15., alinéa 1er;
  3° par assurance-épargne, l'assurance contractée sur sa tête par le contribuable pour se constituer, auprès d'une entreprise d'assurances visées à l'article 145.15., alinéa 2, une pension, une rente ou un capital en cas de vie ou de décès. ".
Art.87. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van hetzelfde Wetboek wordt een onderafdeling IIter ingevoegd, luidend als volgt :
  Onderafdeling IIter. - Verhoogde vermindering voor het bouwsparen.
  Artikel 145.17. Binnen de grenzen en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 145.18. tot 145.20., wordt, in de plaats van de verminderingen als vermeld in artikel 145.1., 2° en 3°, een verhoogde belastingvermindering verleend die wordt berekend op de volgende tijdens het belastbare tijdperk werkelijk betaalde uitgaven die de belastingplichtige heeft gedaan om in België een woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen die bij het afsluiten van de lening zijn enige woning is :
  1° bijdragen als vermeld in artikel 145.1., 2°, voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden en dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening die voor die enige woning is aangegaan;
  2° betalingen als vermeld in artikel 145.1., 3°, voor de aflossing of wedersamenstelling van een hypothecaire lening die voor die enige woning is aangegaan.
  Artikel 145.18. De verhoogde vermindering wordt berekend tegen het voor de belastingplichtige aangerekende hoogste belastingtarief als vermeld in artikel 130.
  Ingeval de bijdragen en betalingen die voor de verhoogde vermindering in aanmerking komen betrekking hebben op meer dan één belastingtarief wordt voor elk deel van die bijdragen en betalingen het overeenstemmende tarief in aanmerking genomen.
  Artikel 145.19. De in artikel 145.17., 1° en 2° bedoelde bijdragen en betalingen komen voor de verhoogde vermindering in aanmerking onder dezelfde voorwaarden als respectievelijk in de artikelen 145.4. en 145.5., eerste lid, vermeld zijn.
  Daarenboven komen de bedoelde bijdragen en betalingen slechts voor de verhoogde vermindering in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2 000 000 frank, 2 100 000 frank, 2 200 000 frank, 2 400 000 frank of 2 600 000 frank van het aanvangsbedrag van de voor de enige woning aangegane leningen, naargelang de belastingplichtige geen, één, twee, drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft. Het aantal kinderen ten laste wordt geteld op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract is gesloten.
  Wanneer de voor de verhoogde belastingvermindering in aanmerking komende bijdragen en betalingen worden beperkt ingevolge het tweede lid, mag het verzekerde kapitaal, in afwijking van artikel 145.5., eerste lid, 1°, en van het eerste lid, verminderd worden tot het in aanmerking komende aanvangsbedrag van de leningen.
  Artikel 145.20. De in artikel 145.17., 1° en 2°, bedoelde bijdragen en betalingen mogen, samen met de bijdragen en betalingen als vermeld in artikel 145.1., 2° en 3°, de in artikel 145.6., eerste lid, vermede percentages en grenzen niet overschrijden.
  Wanneer de verhoogde vermindering en de verminderingen als vermeld in artikel 145.1., 2° en 3°, gelijktijdig van toepassing zijn, wordt voor de toepassing van de in het eerste lid bepaalde percentages en grenzen voorrang gegeven aan de bijdragen en betalingen die recht geven op de verhoogde vermindering. ".
Art.87. Dans le titre II, chapitre III, Section première, du même Code, il est inséré une sous-section IIter, rédigée comme suit :
  " Sous-section IIter. - Réduction majorée pour épargne-logement.
  Article 145.17. Dans les limites et aux conditions prévues par les articles 145.18. à 145.20., il est accordé, en lieu et place des réductions visées à l'article 145.1., 2° et 3°, une réduction d'impôt majorée calculée sur les dépenses suivantes effectivement payées par le contribuable au cours de la période imposable pour construire, acquérir ou transformer une habitation sise en Belgique constituant sa seule habitation en propriété au moment de la conclusion de l'emprunt :
  1° les cotisations visées à l'article 145.1., 2°, en vue de la constitution d'un capital en cas de vie ou en cas de décès et qui est exclusivement affecté à la reconstitution ou à la garantie d'un emprunt hypothécaire contracté pour cette seule habitation;
  2° les sommes visées à l'article 145.1., 3° affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'un emprunt hypothécaire contracté pour cette seule habitation.
  Article 145.18. La réduction majorée est calculée au taux d'imposition le plus élevé appliqué au contribuable et visé à l'article 130.
  Dans l'éventualité où les sommes et cotisations à prendre en considération pour la réduction majorée se rapportent à plus d'un taux (...), il y a lieu de retenir le taux d'imposition applicable à chaque partie de ces sommes et cotisations.
  Article 145.19. Les cotisations et sommes visées à l'article 145.17., 1° et 2°, sont prises en considération pour la réduction majorée aux mêmes conditions que celles qui sont prévues respectivement par les articles 145.4. et 145.5., alinéa 1er.
  En outre, ces cotisations et sommes ne sont prises en considération pour la réduction majorée que dans la mesure où elles concernent la première tranche de 2 000 000 de francs, 2 100 000 francs, 2 200 000 francs, 2 400 000 francs ou 2 600 000 francs du montant initial des emprunts contractés pour cette seule habitation, selon que le contribuable n'a pas d'enfant à charge ou qu'il en a un, deux, trois ou plus de trois à charge. Le nombre d'enfants à charge se calcule au 1er janvier de l'année qui suit celle de la conclusion du contrat d'emprunt.
  Lorsque les cotisations et sommes prises en considération pour la réduction majorée sont limitées en application de l'alinéa 2, le capital assuré peut, par dérogation à l'article 145.5., alinéa 1er, 1°, et à l'alinéa 1er, être ramené au montant initial des emprunts pris en considération.
  Article 145.20. Les cotisations et sommes visées à l'article 145.17., 1° et 2°, ainsi que celles visées aux articles 145.1., 2° et 3° ne peuvent ensemble excéder les pourcentages et limites visés à l'article 145.6., alinéa 1er.
  Lorsque la réduction majorée et les réductions visées à l'article 145.1., 2° et 3°, sont applicables simultanément, les pourcentages et limites fixées à l'alinéa 1er, s'appliquent en premier lieu aux (cotisations et sommes) donnant droit à la réduction majorée. ".
Art.88. In artikel 169, § 1, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 14, 1° van de wet van 28 juli 1992, worden volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, worden de woorden " als vermeld in artikel 81, 1° " en de woorden " als vermeld in artikel 81, 2° ", respectievelijk vervangen door de woorden " als vermeld in artikel 145.1., 2° " en de woorden " als vermeld in de artikelen 145.1., 3° en 145.7., 1° en 2° ";
  2° in het tweede lid, worden de woorden " artikel 52, 3°, b en 9° " vervangen door de woorden " de artikelen 52, 3°, b en 145.1., 1° ".
Art.88. A l'article 169, § 1er, du même Code, modifié par l'article 14, 1° de la loi du 28 juillet 1992, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " au sens de l'article 81, 1° ", et les mots " au sens de l'article 81, 2° " sont respectivement remplacés par les mots " au sens de l'article 145.1., 2° " et les mots " au sens des articles 145.1., 3° et 145.17., 1° et 2° ";
  2° dans l'alinéa 2, les mots " de l'article 52, 3°, b et 9° " sont remplacés par les mots " des articles 52, 3°, b et 145.1., 1° ".
Art.89. In artikel 171, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 15 van de wet van 28 juli 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het 1° wordt aangevuld met de als volgt luidende littera's d tot g :
  " d) afkoopwaarden van levensverzekeringscontracten vermeld in 2°, b, indien anders dan in 4°, f, vereffend;
  e) kapitalen als vermeld in 2°, c, indien anders dan in 4°, g, vereffend;
  f) afkoopwaarden als vermeld in 2°, d, indien anders vereffend;
  g) spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 2°, e, indien anders vereffend; "
  2° het 2° wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 2° tegen een aanslagvoet van 10 pct. :
  a) de inkomsten van roerende goederen en kapitalen die geen dividenden zijn en de in artikel 90, 5° tot 7°, vermelde diverse inkomsten;
  b) kapitalen en afkoopwaarden als vermeld in 4°, f, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145.1., 1°, zijn gevormd;
  c) kapitalen als vermeld in 4°, g, in zoverre dat zij door persoonlijke bijdragen als vermeld in artikel 145.1., 1°, zijn gevormd;
  d) kapitalen die worden vereffend bij overlijden van de verzekerde en afkoopwaarden die worden vereffend in één der 5 jaren die aan het normaal verstrijken van het contract voorafgaan, en voor zover die kapitalen en afkoopwaarden worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 145.1., 2°, en tot het bedrag dat niet dient voor de wedersamenstelling of het waarborgen van een hypothecaire lening;
  e) de in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 145.1., 5°, gevormde spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, wanneer zij aan de rechthebbende worden uitgekeerd naar aanleiding van zijn pensionering op de normale datum of in één van de 5 jaren die aan die datum voorafgaan, naar aanleiding van zijn brugpensionering of naar aanleiding van het overlijden van de persoon van wie hij (de rechtverkrijgende is); "
  3° het 4°, f, wordt als volgt aangevuld :
  " en (in zoverre) die kapitalen en afkoopwaarden door werkgeversbijdragen als vermeld in artikel 52, 3°, b, zijn gevormd; "
  4° het 4°, fbis, ingevoegd door artikel 15, 3°, van de wet van 28 juli 1992, wordt opgeheven;
  5° het 4°, g, wordt als volgt aangevuld :
  " en in zoverre die kapitalen door werkgeversbijdragen als vermeld in artikel 52, 3°, b, zijn gevormd; "
  6° het 4°, i, wordt opgeheven.
Art.89. A l'article 171, du même Code, modifié par l'article 15 de la loi du 28 juillet 1992 sont apportées les modifications suivantes :
  1° le 1° est complété par les litteras d à g rédigés comme suit :
  " d) les valeurs de rachat des contrats d'assurances-vie visés au 2°, b, lorsqu'elles sont liquidées d'une autre manière qu'au 4°, f;
  e) les capitaux visés au 2°, c, lorsqu'ils sont liquidés d'une autre manière qu'au 4°, g;
  f) les valeurs de rachat visées au 2°, d, lorsqu'elles sont liquidées d'une autre manière;
  g) l'épargne, les capitaux et les valeurs de rachat visés au 2°, e, lorsqu'ils sont liquidés d'une autre manière; "
  2° le 2° est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° au taux de 10 p.c. :
  a) les revenus de capitaux et biens mobiliers, autres que les dividendes, et les revenus divers visés à l'article 90, 5° à 7°;
  b) les capitaux et valeurs de rachat visés au 4°, f, dans la mesure où ils sont constitués au moyen de cotisations personnelles visées à l'article 145.1., 1°;
  c) les capitaux visés au 4°, g, dans la mesure où ils sont constitués au moyen de cotisations personnelles visées à l'article 145.1., 1°;
  d) les capitaux qui sont liquidés au décès de l'assuré et les valeurs de rachat qui sont liquidées au cours d'une des 5 années qui précèdent l'expiration normale du contrat, et pour autant que ces capitaux et valeurs de rachat soient attribués à raison de contrats d'assurance-vie au sens de l'article 145.1., 2° et jusqu'au montant ne servant pas à la reconstitution ou à la garantie d'un emprunt hypothécaire;
  e) l'épargne, les capitaux et les valeurs de rachat constitués dans le cadre de l'épargne-pension, au moyen de paiements visés à l'article 145.1., 5°, lorsqu'ils sont liquidés au bénéficiaire à l'occasion de la mise à la retraite à la date normale ou au cours d'une des 5 années qui précèdent cette date, à l'occasion de sa mise à la prépension, ou à l'occasion du décès de la personne dont il est l'ayant-cause; "
  3° le 4°, f, est complété comme suit :
  " et dans la mesure où ces capitaux et valeurs de rachat sont constitués au moyen de cotisations patronales visées à l'article 52, 3°, b; "
  4° le 4°, fbis, inséré par l'article 15, 3°, de la loi du 28 juillet 1992, est abrogé;
  5° le 4°, g, est complété comme suit :
  " et dans la mesure où ces capitaux sont constitués au moyen de cotisations patronales visées à l'article 52, 3°, b; "
  6° le 4°, i, est abrogé.
Art.90. In artikel 172, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " artikelen 81 tot 85 en 104 tot 125 " vervangen door de woorden " artikelen 104 tot 116 ".
Art.90. Dans l'article 172, alinéa 1er, du même Code, les mots " articles 81 à 85 et 104 à 125 " sont remplacés par les mots " articles 104 à 116 ".
Art.91. In artikel 174 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin van het eerste lid, worden de woorden " artikel 171, 4°, i " vervangen door de woorden " artikel 171, 2°, e ";
  2° in het eerste lid, 1°, worden de woorden " artikel 118, eerste lid, 1°, b " vervangen door de woorden " artikel 145.9., eerste lid, 1°, b ";
  3° het tweede lid wordt opgeheven.
Art.91. A l'article 174 du même Code sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la phrase introductive de l'alinéa 1er, les mots " de l'article 171, 4°, i " sont remplacés par les mots " de l'article 171, 2°, e ";
  2° dans l'alinéa 1er, 1°, les mots " a l'article 118, alinéa 1er, 1°, b " sont remplacés par les mots " à l'article 145.9., alinéa 1er, 1°, b ";
  3° l'alinéa 2 est abrogé.
Art.92. Artikel 274 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art.92. L'article 274 du même Code est abrogé.
Art.93. In hetzelfde Wetboek wordt een als volgt luidend artikel 364bis ingevoegd :
  " Artikel 364bis. (Wanneer de in artikel 34) vermelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden worden betaald of toegekend aan een belastingplichtige die zijn woonplaats of de zetel van zijn fortuin vooraf naar het buitenland heeft overgebracht, wordt de betaling of toekenning geacht daags voor de overbrengst te hebben plaatsgehad.
  Voor de toepassing van het eerste lid, wordt elke overdracht als vermeld in artikel 34, § 2, 3°, met een toekenning gelijkgesteld. ".
Art.93. Il est inséré dans le même Code un article 364bis, rédigé comme suit :
  " Article 364bis. Lorsque les capitaux, les valeurs de rachat et l'épargne visés à l'article 34 sont payés ou attribués à un contribuable qui a préalablement transféré son domicile ou le siège de sa fortune à l'étranger, le paiement ou l'attribution est censé avoir eu lieu le jour qui précède ce transfert.
  Pour l'application de l'alinéa 1er, tout transfert visé à l'article 34, § 2, 3°, est assimilé à une attribution. ".
Art.94. In hetzelfde Wetboek wordt een als volgt luidend artikel 364ter ingevoegd :
  " Artikel 364ter. Wanneer kapitalen of afkoopwaarden die gevormd zijn door werkgeversbijdragen of door persoonlijke bijdragen vermeld in artikel 145.1., 1°, door het pensioenfonds of de verzekeringsonderneming waarbij ze zijn gevestigd, ten bate van de begunstigde of van zijn rechtverkrijgenden worden overgedragen naar een ander pensioenfonds of verzekeringsonderneming, wordt deze verrichting niet als een betaling of toekenning aangemerkt, zelfs als die overdracht op verzoek van de begunstigde geschiedt, onverminderd het recht van belastingheffing bij de latere betaling of toekenning door laatstbedoelde fondsen of ondernemingen aan de begunstigde.
  Het eerste lid is niet van toepassing bij overdracht van het kapitaal of de afkoopwaarde naar een pensioenfonds of verzekeringsonderneming in het buitenland. ".
Art.94. Il est inséré dans le même Code un article 364ter rédigé comme suit :
  " Article 364ter. Lorsque les capitaux ou les valeurs de rachat constitués au moyen de cotisations patronales ou de cotisations personnelles visées à l'article 145.1., 1°, sont transférés, par le fonds de pension ou l'organisme d'assurance auprès duquel ils ont été constitués, au profit du bénéficiaire ou de ses ayants droit, à un autre fonds de pension ou organisme d'assurance, cette opération n'est pas considérée comme un paiement ou une attribution, même si ce transfert est effectué à la demande du bénéficiaire, sans préjudice du droit de percevoir l'impôt lors du paiement ou de l'attribution ultérieurs par ces fonds ou organismes au bénéficiaire.
  L'alinéa 1er n'est pas applicable au transfert du capital ou de la valeur de rachat à un fonds de pension ou à un organisme d'assurance établi à l'étranger. ".
Art.95. In artikel 508, tweede en derde lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden " artikel 82, 1°, c " elke keer vervangen door de woorden " artikel 82, 1°, c, zoals het bestond alvorens door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven ".
Art.95. Dans l'article 508, alinéas 2 et 3 du même Code, les mots " l'article 82, 1°, c " sont chaque fois remplacés par les mots " l'article 82, 1°, c, tel qu'il existait avant d'être abrogé par l'article 80 de la loi du 28 décembre 1992 ".
Art.96. In hetzelfde Wetboek wordt een als volgt luidend artikel 508bis ingevoegd :
  " Artikel 508bis. Onverminderd de toepassing van artikel 34 zijn vrijgesteld, de pensioenen, renten, kapitalen, spaartegoeden en afkoopwaarden :
  1° indien de belastingplichtige of de persoon wiens rechtverkrijgende hij is, het levensverzekeringscontract individueel heeft gesloten en geen vrijstelling of belastingvermindering is toegepast overeenkomstig bepalingen die vóór het aanslagjaar 1990 van toepassing waren, en de aftrekken die niet zijn verleend als vermeld in artikel 81, 1° en 2°, zoals het bestond alvorens door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven;
  2° indien zij voortkomen uit een spaarrekening of uit een spaarverzekeringscontract waarvoor geen aftrek van de stortingen is verkregen ingevolge artikel 104, eerste lid, 10°, zoals het bestond alvorens door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven. ".
Art.96. Il est inséré dans le même Code un article 508bis libellé comme suit :
  " Article 508bis. Sans préjudice de l'application de l'article 34, sont exonérés les pensions, les rentes, les capitaux, l'épargne et les valeurs de rachat :
  1° dans l'éventualité où ils résultent de contrats d'assurance-vie que le contribuable ou la personne dont celui-ci est l'ayant-droit à conclus individuellement et pour lesquels aucune exonération ou réduction d'impôt n'a été opérée en vertu de dispositions applicables antérieurement à l'exercice d'imposition 1990 et aucune déduction visée à l'article 81, 1° et 2°, tel qu'il existait avant d'être abrogé par l'article 80 de la loi du 28 décembre 1992 n'a été accordée;
  2° dans l'éventualité où ils résultent d'un compte-épargne ou d'un contrat d'assurance épargne pour lesquels la déduction des versements prévue à l'article 104, alinéa 1er, 10°, tel qu'il existait avant d'être abrogé par l'article 81, 2°, de la loi du 28 décembre 1992 n'a pas été obtenue. ".
Art.97. In artikel 515, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door artikel 40 van de wet van 28 juli 1992, worden tussen de woorden " artikel 171, 4°, fbis " en de woorden " vermelde kapitalen ", de woorden " zoals het bestond alvorens door artikel 89, 4°, van de wet van 28 december 1992 te zijn opgeheven ".
Art.97. Dans l'article 515, § 2, du même Code, inséré par l'article 40 de la loi du 28 juillet 1992, les mots " tel qu'il existait avant d'être abrogé par l'article 89, 4°, de la loi du 28 décembre 1992 " sont insérés entre les mots " l'article 171, 4°, fbis, " et les mots " qui ont été payés ".
Art.98. In hetzelfde Wetboek wordt een als volgt luidend artikel 515bis ingevoegd :
  " Artikel 515bis. Artikel 31, derde lid, zoals het bestond alvorens door artikel 74 van de wet van 28 december 1992 te zijn gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde bezoldigingen hun oorsprong vinden in de overdracht van aandelen waarvan het betaalde bedrag voorheen van de beroepsinkomsten is afgetrokken.
  Artikel 34, § 1, 2°, zoals het bestond alvorens door artikel 75, 1°, van de wet van 28 december 1992 te zijn gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde pensioenen, renten, kapitalen en afkoopwaarden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen van aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, en in artikel 81, 1° en 2°, voordat het door artikel 80, van voormelde wet werd opgeheven.
  Artikel 34, § 1, 3° en § 3, eerste lid, zoals het bestond voordat het door artikel 75, 2° en 3°, van de wet van 28 december 1992 (werd) gewijzigd, blijven van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde inkomsten geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van bedragen als vermeld in de artikelen 104, eerste lid, 10° en 117, voordat deze artikelen respectievelijk door de artikelen 81, 2°, en 85 van de wet van 28 december 1992 zijn opgeheven.
  Artikel 169, zoals het bestond voordat het door artikel 88 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen en afkoopwaarden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of in uitvoering van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 81, 1° en 2°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven.
  Artikel 171, zoals het bestond voordat het door artikel 89 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd, blijft van toepassing in zoverre de aldaar bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden geheel of gedeeltelijk zijn gevormd door middel van persoonlijke bijdragen voor aanvullende verzekering tegen ouderdom en vroegtijdige dood als vermeld in artikel 52, 9°, voordat het door artikel 78 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of in uitvoering van levensverzekeringscontracten als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of betalingen als vermeld in de artikelen 104, eerste lid, 10° en 117, voordat deze artikelen respectievelijk door de artikelen 81, 2°, en 85 van de wet van 28 december 1992 zijn opgeheven.
  In afwijking van het tweede of het vijfde lid, zijn vrijgesteld de kapitalen en de afkoopwaarden die worden uitgekeerd uit hoofde van levensverzekeringscontracten gevormd door middel van bijdragen als vermeld in artikel 81, 1°, voordat het door artikel 80 van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven of gevormd in het kader van het pensioensparen door middel van betalingen als vermeld in artikel 104, eerste lid, 10°, voordat het door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, indien en in zoverre zij het voorwerp zijn geweest van een taks op het lange termijnsparen zoals bepaald in titel XIII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen of in artikel 119 van de wet van 28 december 1992. ".
Art.98. Dans le même Code est inséré un article 515bis rédigé comme suit :
  " Article 515bis. L'article 31, alinéa 3, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 74 de la loi du 28 décembre 1992, reste applicable dans la mesure où les rémunérations y visées trouvent leur origine dans une transmission d'actions ou parts dont le prix payé a précédemment été déduit des revenus professionnels.
  L'article 34, § 1er, 2°, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 75, 1°, de la loi du 28 décembre 1992, reste applicable dans la mesure où les pensions, rentes, capitaux et valeurs de rachat y visés sont constitues totalement ou partiellement au moyen de cotisations personnelles d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré visées à l'article 52, 9°, avant qu'il ne soit abrogé par l'article 78 de la loi du 28 décembre 1992, et à l'article 81, 1° et 2°, avant qu'il ne soit abrogé par l'article 80, de ladite loi.
  L'article 34, § 1er, 3° et § 3, alinéa 1er, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 75, 2° et 3°, de la loi du 28 décembre 1992 reste applicable dans la mesure où les revenus y visés sont constitués totalement ou partiellement au moyen de montants visés aux articles 104, alinéa 1er, 10°, et 117, avant que ces articles ne soient abrogés respectivement par les articles 81, 2°, et 85 de la loi du 28 décembre 1992.
  L'article 169, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 88 de la loi du 28 décembre 1992 reste applicable dans la mesure où les capitaux et valeurs de rachat y visés, soit sont constitués en tout ou en partie par des cotisations personnelles d'assurances complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré visées à l'article 52, 9°, avant qu'il ne soit abrogé par l'article 78 de la loi du 28 décembre 1992, soit résultent de contrats d'assurance-vie visés à l'article 81, 1° et 2°, avant qu'il ne soit abrogé par l'article 80 de la loi du 28 décembre 1992.
  L'article 171, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 89 de la loi du 28 décembre 1992 reste applicable dans la mesure où les capitaux, les valeurs de rachat et l'épargne y visés sont constitués totalement ou partiellement au moyen, soit de cotisations personnelles d'assurance complémentaire contre la vieillesse et le décès prématuré visées à l'article 52, 9°, avant qu'il ne soit abrogé par l'article 78 de la loi du 28 décembre 1992, ou lorsqu'ils résultent de contrats d'assurance-vie visés à l'article 81, 1°, tel qu'il existait avant son abrogation par l'article 80 de la loi du 28 décembre 1992, ou de paiements visés aux articles 104, alinéa 1er, 10° et 117, avant que ces articles ne soient abrogés respectivement par les articles 81, 2°, et 85 de la loi du 28 décembre 1992.
  Par dérogation aux alinéas 2 à 6, sont exonérés les capitaux et les valeurs de rachat attribués à raison de contrats d'assurance-vie, formés au moyen de cotisations visées à l'article 81, 1°, tel qu'il existait avant son abrogation par l'article 80 de la loi du 28 décembre 1992 ou formés dans le cadre de l'épargne-pension au moyen de paiements visés à l'article 104, alinéa 1er, 10°, tel qu'il existait avant son abrogation par l'article 81, 2°, de la loi du 28 décembre 1992, dans l'éventualité et la mesure où ils ont été soumis à une taxe sur l'épargne à long terme visée au titre XIII du Code des taxes assimilées au timbre ou à l'article 119 de la loi du 28 décembre 1992. ".
Art.99. In hetzelfde Wetboek wordt een als volgt luidend artikel 515ter ingevoegd :
  " Artikel 515ter. Artikel 174, eerste lid, 2°, is niet van toepassing op collectieve of individuele spaarrekeningen die zijn geopend of spaarverzekeringen die zijn aangegaan vóór 4 augustus 1992. ".
Art.99. Dans le même Code est inséré un article 515ter rédigé comme suit :
  " Article 515ter. L'article 174, alinéa 1er, 2°, n'est pas applicable aux comptes-épargne individuels ou collectifs qui sont ouverts avant le 4 août 1992, ni aux assurances-épargne qui sont conclues avant cette même date. ".
Art.100. Artikel 516 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 516. § 1. In afwijking van artikel 145.6., tweede lid, wordt de belastingvermindering op de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen die vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1992 zijn aangegaan slechts verleend op voorwaarde dat :
  1° met betrekking tot contracten aangegaan tot 31 december 1988 :
  a) de lening is aangegaan om een sociale woning, een kleine landeigendom of een woning die krachtens de Huisvestingscode ermede gelijkgesteld is, te bouwen, te verwerven of te verbouwen;
  b) de lening is aangegaan om een woning die krachtens de Huisvestingscode als middelgroot wordt beschouwd te bouwen, te verwerven of te verbouwen; in dit geval wordt de lening slechts in aanmerking genomen tot een aanvangsbedrag van 400 000 frank en mag het verzekerde kapitaal in afwijking van artikel 145.5., eerste lid, 1°, tot dat bedrag worden verminderd.
  Met betrekking tot contracten die vanaf 1 mei 1986 tot 31 december 1988 zijn aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen of in nieuwe staat te verwerven, wordt het aanvangsbedrag van 400 000 frank op 2 000 000 frank gebracht.
  Een woning wordt geacht in nieuwe staat te zijn verworven wanneer zij door de verkoper met toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde is overgedragen aan de belastingplichtige;
  2° met betrekking tot contracten aangegaan vanaf 1 januari 1989 tot 31 december 1992, de lening is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen; de betalingen komen slechts in aanmerking in zoverre zij betrekking hebben op de eerste schijf van 2 000 000 frank, 2 100 000 frank, 2 200 000 frank, 2 400 000 frank of 2 600 000 frank van het aanvangsbedrag van de lening, naargelang de belastingplichtige geen, één, twee, drie of meer dan drie kinderen ten laste heeft. Het aantal kinderen ten laste wordt geteld op 1 januari van het jaar na dat waarin het leningscontract is gesloten.
  § 2. In afwijking van de artikelen 145.17., 2° en 145.19., tweede lid, wordt de verhoogde belastingvermindering op de betalingen voor de aflossing of wedersamenstelling van hypothecaire leningen die vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1988 zijn aangegaan slechts verleend onder dezelfde voorwaarden als die vermeld in § 1, 1°, mits voor de betreffende woning of kleine landeigendom de woningaftrek ingevolge artikel 16 kan worden toegestaan.
  Met betrekking tot contracten aangegaan vanaf 1 januari 1989 tot 31 december 1992, gelden evenwel de voorwaarden van § 1, 2°, mits voor de betreffende woning de woningaftrek ingevolge artikel 16 kan worden toegestaan.
  § 3. In afwijking van de artikelen 145.17., 1° en 145.19., tweede lid, wordt de verhoogde belastingvermindering op de bijdragen als vermeld in artikel 145.1., 2°, voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van een hypothecaire lening slechts verleend op voorwaarde dat de vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1992 afgesloten lening is aangegaan om een in België gelegen woning te bouwen, te verwerven of te verbouwen waarvoor een woningaftrek ingevolge artikel 16 kan worden toegestaan.
  Wanneer de lening is aangegaan vanaf 1 januari 1963 tot 31 december 1988 komt de lening slechts in aanmerking tot een aanvangsbedrag van 2 000 000 frank.
  Met betrekking tot leningen die vanaf 1 januari 1989 tot 31 december 1992 zijn aangegaan wordt het in het tweede lid vermelde aanvangsbedrag van 2 000 000 frank in voorkomend geval verhoogd zoals vermeld in § 1, 2°.
  § 4. Ingeval de toepassing van de artikelen 86, eerste lid, 87 en 88, tot gevolg heeft dat, met betrekking tot een contract dat vóór 1 januari 1989 op naam van één van de echtgenoten is gesloten, de in de artikelen 145.1., 2° en 3°, en 145.17., 1° en 2°, vermelde bijdragen en betalingen niet tot het bedrag bepaald ingevolge artikel 145.6., eerste lid, ten name van die echtgenoot aanleiding kan geven tot een belastingvermindering of een verhoogde belastingvermindering mag het verschil, zonder splitsing van het contract tot het bedrag bepaald in artikel 145.6., eerste lid, aanleiding geven tot een bijkomende vermindering ten gunste van de andere echtgenoot.
  § 5. De bedragen vermeld in § 1, 2° en § 3, derde lid, worden overeenkomstig artikel 178 aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. ".
Art.100. L'article 516 du même Code est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 516. § 1. Par dérogation à l'article 145.6., alinéa 2, la réduction d'impôt afférente aux sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'emprunts hypothécaires contractés du 1er janvier 1963 au 31 décembre 1992 n'est accordée qu'aux conditions suivantes :
  1° en ce qui concerne les contrats conclus jusqu'au 31 décembre 1988 :
  a) l'emprunt est contracté pour construire, acquérir ou transformer une habitation sociale, une petite propriété terrienne ou une habitation y assimilée en vertu du Code du logement;
  b) l'emprunt est contracté pour construire, acquérir ou transformer une habitation considérée comme moyenne en vertu du Code du logement; dans ce cas, l'emprunt n'est pris en considération qu'à concurrence du montant initial de 400 000 francs et, par dérogation à l'article 145.5., alinéa 1er, 1°, le capital assuré peut être ramené à ce montant.
  En ce qui concerne les contrats conclus du 1er mai 1986 au 31 décembre 1988 en vue de construire ou d'acquérir à l'état neuf une maison d'habitation située en Belgique, le montant initial de 400 000 francs est porté à 2 000 000 de francs.
  Une maison d'habitation est censée acquise à l'état neuf lorsque le vendeur la cède au contribuable avec application de la taxe sur la valeur ajoutée;
  2° en ce qui concerne les contrats conclus du 1er janvier 1989 au 31 décembre 1992, l'emprunt est contracté en vue de construire, acquérir ou transformer une habitation située en Belgique; les sommes ne sont prises en considération que dans la mesure où elles concernent la première tranche de 2 000 000 de francs, 2 100 000 francs, 2 200 000 francs, 2 400 000 francs ou 2 600 000 francs du montant initial de l'emprunt selon que le contribuable n'a pas d'enfant à charge ou qu'il en a un, deux, trois ou plus de trois au 1er janvier de l'année qui suit celle de la conclusion du contrat d'emprunt.
  § 2. Par dérogation aux articles 145.17., 2° et 145.19., alinéa 2, la réduction d'impôt majorée afférente aux sommes affectées à l'amortissement ou à la reconstitution d'emprunts hypothécaires qui ont été contractés entre le 1er janvier 1963 et le 31 décembre 1988 n'est accordée qu'aux mêmes conditions que celles visées au § 1er, 1°, et pour autant que pour l'habitation ou la petite propriété terrienne en cause, la déduction pour habitation puisse être accordée en application de l'article 16.
  En ce qui concerne les contrats conclus entre le 1er janvier 1989 et le 31 décembre 1992, les conditions visées au § 1er, 2°, sont également applicables pour autant que pour l'habitation en cause, la déduction pour habitation puisse être accordée en application de l'article 16.
  § 3. Par dérogation aux articles 145.17., 1° et 145.19., alinéa 2, la réduction majorée afférente aux cotisations visées à l'article 145.1., 2°, versées en vue de la constitution d'un capital en cas de vie ou en cas de décès et exclusivement (affectées) à la reconstitution ou à la garantie d'un emprunt hypothécaire n'est accordée qu'à condition que le contrat soit conclu du 1er janvier 1963 au 31 décembre 1992, en vue de construire, acquérir ou transformer une habitation située en Belgique qui bénéficie de la déduction pour habitation prévue par l'article 16.
  Lorsque l'emprunt est contracté du 1er janvier 1963 au 31 décembre 1988, l'emprunt n'est pris en considération qu'à concurrence d'un montant initial de 2 000 000 de francs.
  En ce qui concerne les emprunts contractés du 1er janvier 1989 au 31 décembre 1992, le montant initial de 2 000 000 de francs visé à l'alinéa 2 est majoré, le cas échéant, de la manière prévue au § 1er, 2°.
  § 4. Lorsque l'application des articles 86, alinéa 1er, 87 et 88, a pour conséquence relativement à un contrat conclu avant le 1er janvier 1989 au nom d'un seul des conjoints que les cotisations et sommes visées aux articles 145.1., 2° et 3°, et 145.17., 1° et 2°, ne permettent pas une réduction ou une réduction majorée dans le chef de ce conjoint déterminée dans les limites fixées à l'article 145.6., alinéa 1er, la différence peut donner lieu sans scission du contrat, à une réduction complémentaire en faveur de l'autre conjoint, dans les mêmes limites.
  § 5. Les montants visés au § 1er, 2° et au § 3, alinéa 3, sont adaptés à l'indice des prix à la consommation du Royaume, conformément à l'article 178. ".
Art.101. De artikelen 73, 74, 75, 2° en 3°, 76, 80 tot 85, 87, 88, 1°, 89, 1°, f en g, (2°, a, d en e, 4°, 6°), 90, 91, 1° en 2°, 95 tot 100 treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1993.
  Artikel 75, 1°, treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 1993, met uitzondering van artikel 52, 9°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in zoverre het wordt vervangen door artikel 145.1., 1°, van hetzelfde Wetboek, dat in werking treedt met ingang van het aanslagjaar 1994.
  Artikel 86 treedt in werking met ingang van het aanslagjaar 1993, met uitzondering van de artikelen 145.1., 1° en 145.2., in zoverre het de artikelen 145.1., 1°, en 145.3. van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 betreft, ingevoegd bij het genoemde artikel 86, die met ingang van het aanslagjaar 1994 in werking treden.
  De artikelen 77, 78, 79, 88, 2°, 89, 1°, d en e, 89, 2°, b en c, 89, 3° en 5°, treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1994.
  De artikelen 91, 3° en 92 tot 94 treden in werking op 1 januari 1993.
Art.101. Les articles 73, 74, 75, 2° et 3°, 76, 80 à 85, 87, 88, 1°, 89, 1°, f et g, 2°, a, d et e, 4° et 6°, 90, 91, 1° et 2°, 95 à 100 entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1993.
  L'article 75, 1°, entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1993, à l'exception de l'article 52, 9° du Code des impôts sur les revenus 1992, dans la mesure où il est remplacé par l'article 145.1., 1°, du même Code, qui entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1994.
  L'article 86 entre en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1993, à l'exception des articles 145.1., 1° et 145.2. dans la mesure où il concerne l'article 145.1., 1°, et 145.3. du Code des impôts sur les revenus 1992, insérés par ledit article 86, qui entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1994.
  Les articles 77, 78, 79, 88, 2°, 89, 1°, d et e, 89, 2° b et c, 89, 3° et 5°, entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1994.
  Les articles 91, 3° et 92 à 94 entrent en vigueur le 1er janvier 1993.
Overgangsbepalingen.
Dispositions transitoires.
Art.102. De betalingen met betrekking tot het jaar 1992 die vóór 4 augustus 1992 werden gestort in het kader van het pensioensparen als vermeld in artikel 145.1., 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moeten op vraag van de verzekerde of van de spaarrekeninghouder worden terugbetaald.
  De Koning stelt de voorwaarden vast alsmede de regels voor de uitvoering van de terugbetaling.
Art.102. Les sommes qui sont versées pour l'année 1992, avant le 4 août 1992, dans le cadre de l'épargne-pension visée à l'article 145.1., 5°, du Code des impôts sur les revenus 1992, doivent, sur demande de l'assuré ou du titulaire du compte-épargne, être remboursées à l'intéressé.
  Le Roi détermine les conditions et les modalités d'exécution du remboursement.
Art.103. In afwijking van artikel 145.9. van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd door artikel 86 van deze wet, wordt de in het eerste lid, 1°, b, vermelde minimumlooptijd van 10 jaar verminderd tot 5 jaar voor personen die op 31 december 1986 die leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.
Art.103. Par dérogation à l'article 145.9. du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par l'article 86 de la présente loi, la durée minimum de dix ans visée à l'alinéa 1er, 1°, b, est réduite à cinq ans pour les personnes qui ont atteint l'âge de 55 ans au 31 décembre 1986.
Art.104. In afwijking van artikel 171, 2°, d en e, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door artikel 89, 2°, van deze wet, zijn de aldaar bedoelde kapitalen, afkoopwaarden en spaartegoeden die in 1992 worden vereffend, afzonderlijke belastbaar tegen een aanslagvoet van 16,5 pct.
  [1 ...]1.
  
Art.104. Par dérogation à l'article 171, 2°, d et e, du même Code, inséré par l'article 89, 2°, de la présente loi, les capitaux, valeurs de rachat et l'épargne y visés liquidés en 1992 sont imposables distinctement au taux de 16,5 p.c.
  [1 ...]1.
  
Art.105. In afwijking van artikel 174 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 91 van deze wet, wordt de toepassing van artikel 171, 2°, e, afhankelijk gemaakt van de enige voorwaarde dat de looptijd van 5 jaar verstreken is voor personen die op 31 december 1986 de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt.
Art.105. Par dérogation à l'article 174 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié par l'article 91 de la présente loi, l'application de l'article 171, 2°, e, est subordonnée à la seule condition que la durée de cinq ans soit venue à expiration pour les personnes qui ont atteint l'âge de 55 ans au 31 décembre 1986.
Art.106. De artikelen 103 en 105 treden in werking met ingang van het aanslagjaar 1993.
  Artikel 104, eerste lid, is van toepassing voor het aanslagjaar 1993.
  Artikel 104, tweede lid, is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1994.
Art.106. Les articles 103 et 105 entrent en vigueur à partir de l'exercice d'imposition 1993.
  L'article 104, alinéa premier), est applicable pour l'exercice d'imposition 1993.
  L'article 104, alinéa 2, est applicable à partir de l'exercice 1994.
Afdeling 2. - Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.
Section 2. - Code des taxes assimilées au timbre.
Art.107. Artikel 174 van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, ingevoegd bij artikel 55 van de wet van 13 augustus 1947, wordt aangevuld met de woorden ", evenals elke verbintenis aangegaan door de pensioenfondsen ".
Art.107. L'article 174 du Code des taxes assimilées au timbre, inséré par l'article 55 de la loi du 13 août 1947, est complété par les mots ", ainsi que tout engagement contracté par les fonds de pensions ".
Art.108. In artikel 175.1., tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 24 van de wet van 22 december 1977 en gewijzigd bij artikel 81 van de wet van 8 augustus 1980, worden de woorden " en van de in artikel 174 bedoelde contracten van lijfrente of tijdelijke rente " vervangen door de woorden " en de contracten of verbintenissen vermeld in artikel 174 ".
Art.108. Dans l'article 175.1., alinéa 2, du même Code, remplacé par l'article 24 de la loi du 22 décembre 1977 et modifié par l'article 81 de la loi du 8 août 1980, les mots " et les contrats de rentes viagères ou temporaires visés à l'article 174 " sont remplacés par les mots " et les contrats ou engagements visés à l'article 174 ".
Art.109. Artikel 176.1., eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 55 van de wet van 13 augustus 1947, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De invorderbare taks wordt berekend op het totaalbedrag van de premies, bijdragen of contributies, verhoogd met de lasten, in de loop van het belastingjaar te betalen of te dragen door hetzij de verzekerden, hetzij de begunstigden en hun werkgevers. ".
Art.109. L'article 176.1., alinéa 1er, du même Code, inséré par l'article 55 de la loi du 13 août 1947, est remplacé par la disposition suivante :
  " La taxe exigible est calculée sur le montant total des primes, cotisations ou contributions, augmentées des charges, à payer ou à supporter au cours de l'année d'imposition soit par les assurés, soit par les bénéficiaires et leurs employeurs. ".
Art.110. In artikel 176.2. van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door artikel 9 van de besluitwet van 28 november 1939, door de artikelen 28 van de wet van 30 juni 1956, 61 van de wet van 28 maart 1960, 6 van de wet van 17 juli 1963, 62 van de wet van 31 augustus 1963, 5 van de wet van 24 december 1963, 1 van de wet van 19 februari 1969, 11 van het koninklijk besluit nr. 3 van 24 december 1980, 52 van de wet van 28 december 1983, 42 van de wet van 7 december 1988, en 11 van de wet van 20 juli 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid, 1°, opgeheven door artikel 52, 1°, van de wet van 28 december 1983, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " 1° de verzekeringscontracten vermeld in de artikelen 81, 1° en 2°, en 104, eerste lid, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ze bestonden voordat ze door de artikelen 80 en 81 van de wet van 28 december 1992 werden opgeheven, of in artikel 145.1., 2°, 3° en 5°, van hetzelfde Wetboek, waarvoor de verzekeringnemer geen vrijstelling, vermindering of aftrek inzake inkomstenbelastingen heeft verkregen krachtens bepalingen van toepassing vóór het aanslagjaar 1993 of geen belastingverminderingen verleend bij de artikelen 145.1., 2°, 3° of 5° en 145.17., 1° of 2°, van voornoemd Wetboek; ";
  2° het eerste lid, 4°, opgeheven bij artikel 1 van de wet van 19 februari 1969, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " 4° de levensverzekeringscontracten niet zijnde die vermeld onder 1°, en de contracten van lijfrente en tijdelijke renten vermeld in artikel 174, die individueel worden aangegaan; ";
  3° er wordt een als volgt luidend derde lid ingevoegd :
  " De in het eerste lid, 1° en 4°, vermelde vrijstellingen zijn onderworpen aan de voorwaarden en de regels die de Koning bepaalt. ".
Art.110. A l'article 176.2. du même Code, modifié par l'article 9 de l'arrêté-loi du 28 décembre 1939, par les articles 28 de la loi du 30 juin 1956, 61 de la loi du 28 mars 1960, 6 de la loi du 17 juillet 1963, 62 de la loi du 31 août 1963, 5 de la loi du 24 décembre 1963, 1er de la loi du 19 février 1969, 11 de l'arrêté royal n° 3 du 24 décembre 1980, 52 de la loi du 28 décembre 1983, 42 de la loi du 7 décembre 1988 et 11 de la loi du 20 juillet 1990, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er, abrogé par l'article 52, 1°, de la loi du 28 décembre 1983, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " 1° les contrats d'assurance visés aux articles 81, 1° et 2°, et 104, alinéa 1er, 10°, du Code des impôts sur les revenus 1992, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés par les articles 80 et 81 de la loi du 28 décembre 1992, ou à l'article 145.1., 2°, 3° et 5°, du même Code, pour lesquels le preneur d'assurance n'a pas bénéficié d'une exonération, réduction ou déduction en matière d'impôts sur les revenus en vertu de dispositions applicables antérieurement à l'exercice d'imposition 1993 ou des réductions d'impôt accordées par les articles 145.1., 2°, 3° ou 5° et 145.17., 1° ou 2°, du Code précité; ";
  2° l'alinéa 1er, 4°, abrogé par l'article 1er de la loi du 19 février 1969, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " 4° les contrats d'assurance sur la vie, autres que ceux vises au 1°, et les contrats de rentes viagères ou temporaires visés à l'article 174, conclus a titre individuel; ";
  3° il est ajouté un alinéa 3 rédigé comme suit :
  " Les exemptions prévues à l'alinéa 1er, 1° et 4°, sont soumises aux conditions et modalités déterminées par le Roi. ".
Art.111. In artikel 177, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 14 april 1933, worden de woorden " door de genootschappen, kassen, verenigingen of maatschappijen voor verzekering en alle andere verzekeraars " vervangen door de woorden " door de genootschappen, kassen, verenigingen of verzekeringsondernemingen, pensioenfondsen en alle andere verzekeraars. ".
Art.111. Dans l'article 177, 1°, du même Code, modifié par l'article 4 de la loi du 14 avril 1933, les mots " par les associations, caisses, sociétés ou compagnies d'assurances et tous autres assureurs " sont remplaces par les mots " par les associations, caisses, sociétés ou entreprises d'assurances, fonds de pensions et tous autres assureurs. ".
Art.112. In artikel 178, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 14 april 1933, wordt het woord " pensioenfondsen " ingevoegd tussen het woord " verenigingen " en de woorden " en alle overige beroepsverzekeraars ".
Art.112. Dans l'article 178, alinéa 1er, du même Code, modifié par l'article 4 de la loi du 14 avril 1933, les mots ", fonds de pensions " sont insérés entre les mots " sociétés " et les mots " et tous autres assureurs professionnels ".
Art.113. Artikel 179.1., gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 19 februari 1969, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 179.1. Wat de in artikel 177, 1° en 2°, bedoelde belastingschuldigen betreft, is de jaarlijkse taks betaalbaar uiterlijk op de laatste werkdag van de maand welke volgt op die waarin een premie, bijdrage of contributie is vervallen.
  Een voorschot op de jaarlijkse taks verschuldigd in de maand januari, volgens de tarieven bepaald in de artikelen 175.1., eerste lid en 175.2., is betaalbaar uiterlijk op de 15de van de maand december die voorafgaat; dat voorschot is gelijk aan het bedrag van de jaarlijkse taks, verschuldigd volgens de voornoemde tarieven en betaald in november van het lopende jaar.
  De taks wordt betaald door storting of door overschrijving op de postrekening van het bevoegde kantoor.
  Op de dag van de betaling dient de belastingschuldige op dat kantoor met betrekking tot de in het eerste lid vermelde betaling, een opgave in die afzonderlijk de maatstaven van heffing vermeldt van de taks die volgens ieder van de in artikelen 175.1. en 175.2. bepaalde tarieven verschuldigd is wegens de overeenkomsten waarvan tijdens de vorige maand een premie, bijdragen of contributie vervallen is. De regels voor de opgave met betrekking tot het voorschot vermeld in het tweede lid, worden door de Koning vastgesteld.
  Wanneer de taks niet binnen de in het eerste en tweede lid bepaalde termijnen werd betaald, is de interest van rechtswege verschuldigd met ingang van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
  Wanneer de opgave niet binnen de vastgestelde termijnen ingediend is, wordt een boete verbeurd van 500 frank per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week gerekend. ".
Art.113. L'article 179.1., modifié par l'article 2 de la loi du 19 février 1969, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 179.1. En ce qui concerne les redevables désignés à l'article 177, 1° et 2°, la taxe annuelle est payable au plus tard le dernier jour ouvrable du mois suivant celui au cours duquel une prime, une cotisation ou une contribution est venue à échéance.
  Un acompte sur la taxe annuelle due au mois de janvier, aux taux fixés aux articles 175.1., alinéa 1er et 175.2., est payable au plus tard le 15 du mois de décembre qui précède; cet acompte est égal au montant de la taxe annuelle due aux taux précités et payée en novembre de l'année courante.
  La taxe est acquittée par versement ou virement au compte courant postal du bureau compétent.
  Le jour du paiement, le redevable dépose à ce bureau une déclaration indiquant séparément, pour le paiement visé à l'alinéa 1er, les bases de le perception de la taxe à chacun des taux prévus par les articles 175.1. et 175.2. du chef des contrats dont une prime, une cotisation ou une contribution est venue à échéance au cours du mois précédent. Les modalités de la déclaration relative à l'acompte visé à l'alinéa 2, sont déterminées par le Roi.
  Lorsque la taxe n'a pas été acquittée dans les délais fixés aux alinéas 1er et 2, l'intérêt est dû de plein droit à partir du jour où le paiement aurait du être fait.
  Si la déclaration n'est pas déposée dans les délais fixés, il est encouru une amende de 500 francs par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme complète. ".
Art.114. In artikel 183 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij artikel 4 van de wet van 14 april 1933, bij artikel 9 van de besluitwet van 28 november 1939, bij de artikelen 55 en 60 van de wet van 13 augustus 1947, bij artikel 8 van de wet van 14 augustus 1947, bij artikel 13 van de wet van 22 maart 1965, bij artikel 240 van de wet van 22 december 1989 en bij artikel 12 van de wet van 20 juli 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid wordt het woord " pensioenfondsen " ingevoegd tussen de woorden " De Belgische verzekeraars " en de woorden " en de vertegenwoordigers, in België, van de vreemde verzekeraars ";
  2° in het vierde lid wordt het woord " pensioenfondsen " ingevoegd tussen de woorden " De Belgische verzekeraars " en de woorden " en de vertegenwoordigers in België van de vreemde verzekeraars ".
Art.114. A l'article 183 du même Code, modifié par l'article 4 de la loi du 14 avril 1933, par l'article 9 de l'arrêté-loi du 28 novembre 1939, par les articles 55 et 60 de la loi du 13 août 1947, par l'article 8 de la loi du 14 août 1947, par l'article 13 de la loi du 22 mars 1965, par l'article 240 de la loi du 22 décembre 1989 et par l'article 12 de la loi du 20 juillet 1990, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots ", les fonds de pensions " sont insérés entre les mots " Les assureurs belges " et les mots " et les représentants en Belgique des assureurs étrangers ";
  2° dans l'alinéa 4, les mots " , les fonds de pensions " sont insérés entre les mots " Les assureurs belges " et les mots " et les représentants en Belgique des assureurs étrangers ".
Art.115. Artikel 183quinquies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 43 van de wet van 7 december 1988, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " Artikel 183quinquies. Van de taks zijn vrijgesteld de sommen uitgekeerd als winstdeelneming :
  1° welke betrekking heeft op spaarverzekeringscontracten beheerst door de artikelen 117 tot 125, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ze bestonden voordat ze door artikel 85 van de wet van 28 december 1992 werden opgeheven, of beheerst door de artikelen 145.8. tot 145.16. van hetzelfde Wetboek;
  2° welke betrekking heeft op de verzekeringscontracten vermeld in de artikelen 81, 1° en 2° en 104, eerste lid, 10°, van hetzelfde Wetboek, zoals ze bestonden voordat ze door de artikelen 80 en 81 (van de wet van 28 december 1992 werden) opgeheven, of in artikel 145.1., 2°, 3° en 5°, van hetzelfde Wetboek, waarvoor de verzekeringnemer geen vrijstelling, vermindering of aftrek inzake inkomstenbelastingen heeft verkregen krachtens bepalingen van toepassing vóór het aanslagjaar 1993 of geen belastingverminderingen verleend bij de artikelen 145.1., 2°, 3° of 5° en 145.17., 1° of 2°, van hetzelfde Wetboek.
  De in het eerste lid, 2°, vermelde vrijstelling wordt onderworpen aan de voorwaarden en de regels die de Koning bepaalt. ".
Art.115. L'article 183quinquies du même Code, inséré par l'article 43 de la loi du 7 décembre 1988, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 183quinquies. Sont exemptées de la taxe les sommes réparties à titre de participation bénéficiaire :
  1° afférente aux contrats d'assurance-épargne régis par les articles 117 à 125 du Code des impôts sur les revenus 1992, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés par l'article 85 de la loi du 28 décembre 1992, ou régis par les articles 145.8. à 145.16. du même Code;
  2° afférente aux contrats d'assurance visés aux articles 81, 1° et 2°, et 104, alinéa 1er, 10°, du même Code, tels qu'ils existaient avant d'être abrogés par les articles 80 et 81 de la loi du (28 décembre) 1992, ou à l'article 145.1., 2°, 3° et 5°, du même Code, pour lesquels le preneur d'assurance n'a pas bénéficié d'une exonération, réduction ou déduction en matière d'impôts sur les revenus en vertu de dispositions applicables antérieurement à l'exercice d'imposition 1993 ou des réductions d'impôt accordées par les articles 145.1., 2°, 3° ou 5° et 145.17., 1° ou 2°, du Code précité.
  L'exonération prévue à l'alinéa 1er, 2°, est soumise aux conditions et modalités déterminées par le Roi. ".
Overgangsbepaling.
Dispositions transitoire.
Art.116. Wat de op de datum van inwerkingtreding van artikel 112 van deze wet bestaande pensioenfondsen betreft, moet de beroepsverklaring bedoeld in artikel 178, eerste lid, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, ten laatste neergelegd worden op de laatste dag van de derde maand welke volgt op die van de inwerkingtreding van genoemd artikel 112.
  Elke overtreding van deze bepaling wordt gestraft met een boete van 1 000 frank per volle maand vertraging.
Art.116. En ce qui concerne les fonds de pensions existant à la date d'entrée en vigueur de l'article 112 de la présente loi, la déclaration de profession visée à l'article 178, alinéa 1er, du Code des taxes assimilées au timbre, doit être déposée au bureau compétent au plus tard le dernier jour, du troisième mois qui suit celui de la date d'entrée en vigueur dudit article 112.
  Toute contravention à cette disposition est punie d'une amende de 1 000 francs par mois entier de retard.
Art.117. Titel XIII van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij artikel 131 van de wet van 22 december 1989, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :
  " TITEL XIII. - Taks op het lange termijnsparen.
  Artikel 184. § 1. Een taks wordt gevestigd :
  1° op de theoretische afkoopwaarde van de individueel gesloten levensverzekeringscontracten, waarvan de verzekeringnemer de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft en een vrijstelling, vermindering of aftrek inzake inkomstenbelastingen heeft verkregen krachtens bepalingen van toepassing vóór het aanslagjaar 1993 of een belastingvermindering verleend bij artikel 145.1., 2° en 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  2° op de pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden van individueel afgesloten levensverzekeringscontracten, die zijn betaald of toegekend op de datum dat de verzekeringnemer de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft en een vrijstelling, vermindering of aftrek inzake inkomstenbelastingen heeft verkregen krachtens bepalingen van toepassing vóór het aanslagjaar 1993 of een belastingvermindering verleend bij artikel 145.1., 2° en 5°, van hetzelfde Wetboek;
  3° op het spaartegoed geplaatst op een collectieve of individuele spaarrekening waarvan de houder de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft en de aftrek heeft verkregen bepaald bij artikel 104, eerste lid, 10°, van hetzelfde Wetboek zoals het bestond voordat het door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven, of de belastingvermindering verleend bij artikel 145.1., 5°, van hetzelfde Wetboek.
  § 2. Wanneer het levensverzekeringscontract of de spaarrekening afgesloten of geopend wordt door een persoon die de leeftijd van 55 jaar of meer bereikt heeft, is de taks gevestigd in § 1 niet opeisbaar op de dag dat de verzekeringnemer of de rekeninghouder de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft, maar op de dag van de tiende verjaardag van de datum van het afsluiten van het contract of het openen van de rekening.
  Indien de afkoopwaarden of het spaartegoed evenwel vóór deze datum wordt betaald of toegekend en de verzekeringnemer of de rekeninghouder 60 jaar of ouder is, is de taks opeisbaar op de dag waarop de afkoopwaarden of het spaartegoed worden betaald of toegekend.
  § 3. Met de in § 2 vermelde levensverzekeringscontracten of spaarrekeningen afgesloten of geopend door een persoon die de leeftijd van 55 jaar of meer bereikt heeft, worden gelijkgesteld de contracten of de rekeningen die, zelfs bij het afsluiten of openen ervan, voorzien in een verhoging van de premies of betalingen vanaf de leeftijd van 55 jaar.
  Voor de toepassing van § 2 worden deze contracten of deze rekeningen beschouwd als zijnde afgesloten of geopend op de dag waarop de verhoging ingaat.
  Wanneer de voordelen evenwel vóór de in § 2 bedoelde 10e verjaardag worden uitgekeerd en de verzekeringnemer of de rekeninghouder 60 jaar of ouder is, is de taks opeisbaar op de dag waarop de eerste betaling plaatsvindt.
  Artikel 185. § 1. De taks wordt vastgesteld op 16,5 pct. :
  1° voor de theoretische afkoopwaarde, pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden van de levensverzekeringscontracten gevormd door middel van premies of bijdragen betaald vóór 1 januari 1993;
  2° voor het spaartegoed op een spaarrekening, gevormd door middel van betalingen verricht vóór 1 januari 1993.
  § 2. De taks wordt vastgesteld op 10 pct. :
  1° voor de theoretische afkoopwaarde, pensioenen, renten, kapitalen of afkoopwaarden van de levensverzekeringscontracten gevormd door middel van premies of bijdragen betaald met ingang van 1 januari 1993;
  2° voor het spaartegoed op een spaarrekening gevormd door middel van betalingen verricht met ingang van 1 januari 1993.
  § 3. In afwijking van de §§ 1 en 2, wordt de taks vastgesteld op 33 pct. :
  1° voor de afkoopwaarden vermeld in artikel 184, § 1, 2°, of het spaartegoed vermeld in artikel 184, § 1, 3°, indien zij betaald of toegekend worden overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 171, 1°, f en g van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;
  2° voor de afkoopwaarden of het spaartegoed vermeld in artikel 184, § 2, tweede lid, indien zij betaald of toegekend worden overeenkomstig de voorwaarden bepaald in artikel 171, 1°, f en g, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  Artikel 186. § 1. De opeisbare taks wordt berekend :
  1° wat de levensverzekeringscontracten betreft waarvoor op de datum dat de verzekeringnemer de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft geen prestaties worden betaald of toegekend, op het bedrag van de theoretische afkoopwaarde vastgesteld op de dag waarop de verzekeringnemer de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft. Onder theoretische afkoopwaarde wordt verstaan de reserve bij de verzekeringsonderneming gevormd door de kapitalisatie van de betaalde premies, rekening houdend met de verbruikte sommen;
  2° wat de levensverzekeringscontracten betreft waarvoor prestaties betaald of toegekend worden op de datum waarop de verzekeringnemer de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft, op het kapitaal of de afkoopwaarde. Wanneer de prestaties de vorm van renten of pensioenen hebben, wordt de taks berekend op het vestigingskapitaal van die rente of dat pensioen, vastgesteld op die datum;
  3° wat de spaarrekeningen betreft, op het spaartegoed geplaatst op dergelijke rekeningen, vastgesteld op de dag waarop de rekeninghouder de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft, hetzij overeenkomstig artikel 34, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond voor dat het door artikel 75 van de wet van 20 december 1992 werd gewijzigd, wat de stortingen vóór 1 januari 1992 betreft, hetzij overeenkomstig artikel 34, § 3, van hetzelfde Wetboek, wat de stortingen gedaan vanaf 1 januari 1992 betreft.
  § 2. Voor de gevallen vermeld in artikel 184, § 2, eerste lid, zijn de in § 1 gestelde regels niet van toepassing op de dag waarop de verzekeringnemer of de rekeninghouder de leeftijd van 60 jaar bereikt heeft, maar op de dag van de tiende verjaardag van de datum van het afsluiten van het contract of het openen van de rekening.
  Voor de gevallen vermeld in artikel 184, § 2, tweede lid, zijn de in § 1, 2° en 3° gestelde regels van toepassing op de dag waarop de afkoopwaarde of het spaartegoed betaald of toegekend worden.
  § 3. Voor de vereffening van de taks wordt de belastbare grondslag, in voorkomend geval, tot het hogere duizendtal afgerond.
  Artikel 187.1. De taks wordt betaald :
  1° wat de levensverzekeringscontracten betreft, door de genootschappen, kassen, verenigingen of verzekeringsondernemingen;
  2° wat de spaarrekeningen betreft, door de instellingen of ondernemingen gemachtigd om spaarrekeningen te openen, vermeld in artikel 145.15., eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  De in het eerste lid bedoelde belastingschuldigen hebben het recht de taks in te houden op de in artikel 184 bedoelde afkoopwaarden, pensioenen, renten, kapitalen of spaartegoeden.
  Artikel 187.2. Van de taks zijn vrijgesteld :
  1° de verzekeringscontracten die uitsluitend voordelen voorzien bij overlijden;
  2° de levensverzekeringscontracten in zoverre ze ertoe strekken de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening te waarborgen.
  Artikel 187.3. § 1. De taks is betaalbaar uiterlijk op de laatste werkdag van de maand die volgt op die waarin het belastbare feit zich heeft voorgedaan.
  De taks wordt betaald door storting of overschrijving op de postrekening van het bevoegde kantoor, op voorlegging op de dag van de betaling van een opgave die onder andere de heffingsbasis laat kennen.
  De elementen die in de opgave moeten meegedeeld worden, elk stuk waarvan het overleggen nodig is voor de controle van de heffing van de taks, evenals het bevoegde kantoor worden bij koninklijk besluit vastgesteld.
  § 2. Wanneer de taks niet binnen de in § 1 vastgestelde termijn is betaald, is de interest van rechtswege verschuldigd met ingang van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
  Wanneer de opgave niet binnen de vastgestelde termijn is ingediend, wordt een boete verbeurd van 500 frank per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week gerekend.
  Artikel 187.4. Elke onnauwkeurigheid of weglating in de opgave of in de stukken waarvan sprake in artikel 187.3., wordt gestraft met een boete gelijk aan vijf maal het ontdoken recht, zonder dat ze minder dan 1 000 frank mag bedragen.
  Elke weigering tot mededeling gevraagd met toepassing van artikel 187.3., wordt met een boete van 1 000 tot 10 000 frank gestraft.
  Artikel 187.5. De taks wordt naar behoren teruggegeven :
  1° wanneer zij meer bedraagt dan de som die wettelijk verschuldigd was op het ogenblik van de betaling;
  2° wanneer het gaat om een verzekeringscontract bij leven waarvoor de verzekeraar, op het ogenblik dat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet, van elke verbintenis bevrijd is.
  De wijze en de voorwaarden volgens welke de terugbetaling geschiedt worden bij koninklijk besluit vastgelegd.
  Artikel 187.6. De schuldenaars van de taks zijn gehouden hun repertoria, registers, boeken, polissen, contracten en alle andere stukken zonder verplaatsing mede te delen op elk verzoek van de ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen die ten minste de graad van adjunct-verificateur hebben.
  Elke weigering van mededeling wordt met een boete van 1 000 tot 10 000 frank gestraft. ".
Art.117. Le Titre XIII du même Code, abrogé par l'article 131 de la loi du 22 décembre 1989, est rétabli dans la rédaction suivante :
  TITRE XIII. - Taxe sur l'épargne à long terme.
  Article 184. § 1. Il est établi une taxe :
  1° sur la valeur de rachat théorique des contrats d'assurance sur la vie conclus individuellement, dont le preneur d'assurance a atteint l'âge de 60 ans et a bénéficié d'une exonération, réduction ou déduction en matière d'impôts sur les revenus en vertu de dispositions applicables antérieurement à l'exercice d'imposition 1993 ou de la réduction d'impôt accordée par l'article 145.1., 2° et 5°, du Code des impôts sur les revenus 1992;
  2° sur les pensions, rentes, capitaux ou valeurs de rachat de contrats d'assurance sur la vie conclus individuellement, qui sont payés ou attribués à la date à laquelle le preneur d'assurance a atteint l'âge de 60 ans et a bénéficié d'une exonération, réduction ou déduction en matière d'impôts sur les revenus en vertu de dispositions applicables antérieurement à l'exercice d'imposition 1993 ou de la réduction d'impôt accordée par l'article 145.1., 2° et 5°, du même Code;
  3° sur l'épargne placée sur un compte-épargne collectif ou individuel dont le titulaire a atteint l'âge de 60 ans et a bénéficié de la déduction prévue par l'article 104, alinéa 1er, 10°, du même Code, tel qu'il existait avant d'être abrogé par l'article 81, 2° de la loi du 28 décembre 1992, ou de la réduction d'impôt accordée par l'article 145.1., 5°, du même Code.
  § 2. Lorsque le contrat d'assurance sur la vie ou le compte-épargne est conclu ou ouvert par une personne ayant atteint l'age de 55 ans ou plus, la taxe établie par le § 1er est exigible non au jour où le preneur d'assurance ou le titulaire du compte a atteint l'âge de 60 ans, mais au jour du dixième anniversaire de la date de la conclusion du contrat ou de l'ouverture du compte.
  Toutefois, lorsque les valeurs de rachat ou l'épargne sont payées ou attribuées avant cette date et que le preneur d'assurance ou le titulaire du compte a 60 ans ou plus, la taxe est exigible au jour où les valeurs de rachat ou l'épargne sont payées ou attribuées.
  § 3. Sont assimilés à des contrats d'assurance sur la vie ou des comptes-épargne visés au § 2, conclus ou ouverts par une personne ayant atteint l'âge de 55 ans ou plus, les contrats ou les comptes qui, même au moment de leurs conclusions ou leurs ouvertures, prévoient une augmentation des primes ou des paiements alors que le preneur d'assurance ou le titulaire du compte a atteint l'âge de 55 ans.
  Pour l'application du § 2, ces contrats ou ces comptes sont considérés comme conclus ou ouverts au jour de l'augmentation.
  Toutefois, lorsque les avantages sont versés avant le 10e anniversaire visé au § 2 et que le preneur d'assurance ou le titulaire du compte a 60 ans ou plus, la taxe est exigible le jour au cours duquel le premier paiement a lieu.
  Article 185. § 1. La taxe est fixée à 16,5 p.c. :
  1° pour la valeur de rachat théorique, les pensions, rentes, capitaux ou valeurs de rachat des contrats d'assurance sur la vie constitués au moyen de primes ou cotisations payées avant le 1er janvier 1993;
  2° pour l'épargne figurant sur un compte-épargne, constituée au moyen de paiements effectués avant le 1er janvier 1993.
  § 2. La taxe est fixée à 10 p.c. :
  1° pour la valeur de rachat théorique, les pensions, rentes, capitaux ou valeurs de rachat des contrats d'assurance sur la vie constitués au moyen de primes ou cotisations payées à partir du 1er janvier 1993;
  2° pour l'épargne figurant sur un compte-épargne constituée au moyen de paiements effectués a partir du 1er janvier 1993.
  § 3. Par dérogation aux §§ 1er et 2, la taxe est fixée à 33 p.c. :
  1° pour les valeurs de rachat visées à l'article 184, § 1er, 2°, ou l'épargne visée à l'article 184, § 1er, 3°, lorsqu'elles sont payées ou attribuées dans les conditions fixées à l'article 171, 1°, f et g du Code des impôts sur les revenus 1992;
  2° pour les valeurs de rachat ou l'épargne visées à l'article 184, § 2, alinéa 2, lorsqu'elles sont payées ou attribuées dans les conditions fixées à l'article 171, 1°, f et g du Code des impôts sur les revenus 1992.
  Article 186. § 1. La taxe exigible est calculée :
  1° en ce qui concerne les contrats d'assurance sur la vie pour lesquels il n'est payé ou attribué de prestations à la date à laquelle le preneur d'assurance a atteint l'âge de 60 ans, sur le montant de la valeur de rachat théorique déterminée au jour où le preneur a atteint l'âge de 60 ans. Par valeur de rachat théorique, on entend la réserve constituée auprès de l'entreprise d'assurances par la capitalisation des primes payées, tenant compte des sommes consommées;
  2° en ce qui concerne les contrats d'assurance sur la vie pour lesquels des prestations sont payées ou attribuées à la date à laquelle le preneur d'assurance a atteint l'âge de 60 ans, sur le capital ou la valeur de rachat. Lorsque les prestations ont lieu sous la forme de rentes ou de pensions, la taxe est calculée sur le capital constitutif de cette rente ou pension, déterminée à cette date;
  3° en ce qui concerne les comptes-épargne, sur l'épargne placée sur de tels comptes, déterminée au jour où le titulaire du compte a atteint l'âge de 60 ans, soit conformément à l'article 34, § 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 75 de la loi du 20 décembre 1992, en ce qui concerne les versements effectués avant le 1er janvier 1992, soit conformément à l'article 34, § 3, du même Code, en ce qui concerne les versements effectués à compter du 1er janvier 1992.
  § 2. Pour les cas visés à l'article 184, § 2, alinéa 1er, les règles fixées au § 1er sont applicables non au jour où le preneur d'assurance ou le titulaire du compte a atteint l'âge de 60 ans, mais au jour du dixième anniversaire de la date de la conclusion du contrat ou de l'ouverture du compte.
  Pour les cas visés à l'article 184, § 2, alinéa 2, les règles fixées au § 1er, 2° et 3°, sont applicables au jour où la valeur de rachat ou l'épargne sont payées ou attribuées.
  § 3. Pour la liquidation de la taxe, la base imposable est, s'il y a lieu, arrondie au millier de francs supérieur.
  Article 187.1. La taxe est acquittée :
  1° en ce qui concerne les contrats d'assurance sur la vie, par les associations, caisses, sociétés ou entreprises d'assurances;
  2° en ce qui concerne les comptes-épargne, par les institutions ou entreprises habilitées à ouvrir des comptes-épargne, visées à l'article 145.15., alinéa 1er, du Code des impôts sur les revenus 1992.
  Les redevables visés à l'alinéa premier ont le droit de prélever la taxe sur les valeurs de rachat, pensions, rentes, capitaux ou épargne visés à l'article 184.
  Article 187.2. Sont exemptés de la taxe :
  1° les contrats d'assurance qui prévoient uniquement des avantages en cas de décès;
  2° les contrats d'assurance sur la vie dans la mesure où ils visent à garantir l'amortissement ou la reconstitution d'un emprunt hypothécaire.
  Article 187.3. § 1. La taxe est payable au plus tard le dernier jour ouvrable du mois suivant celui au cours duquel s'est produit le fait générateur de la taxe.
  La taxe est acquittée par versement ou virement au compte courant postal du bureau compétent, moyennant le dépôt, au jour du paiement, d'une déclaration faisant notamment connaître la base de perception.
  Les éléments à faire connaitre dans la déclaration, tout document dont la production est nécessaire au contrôle de la perception de la taxe ainsi que le bureau compétent sont déterminés par arrêté royal.
  § 2. Lorsque la taxe n'a pas été acquittée dans le délai fixé au § 1er, l'intérêt est dû de plein droit à partir du jour ou le paiement aurait dû être fait.
  Si la déclaration n'est pas déposée dans le délai fixé, il est encouru une amende de 500 francs par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme complète.
  Article 187.4. Toute inexactitude ou omission constatée dans la déclaration ou dans les documents dont question à l'article 187.3., est punie d'une amende égale à cinq fois le droit éludé, sans qu'elle puisse être inférieure à 1 000 francs.
  Tout refus de communication demandée en application de l'article 187.3. est puni d'une amende de 1 000 à 10 000 francs.
  Article 187.5. La taxe est remboursée à due concurrence :
  1° lorsqu'elle présente une somme supérieure à celle qui était légalement due au moment du paiement;
  2° lorsqu'il s'agit d'un contrat d'assurance en cas de vie pour lequel l'assureur est libéré de tous engagements à l'arrivée de l'événement assuré.
  Le mode et les conditions suivant lesquels s'opère le remboursement sont déterminés par arrêté royal.
  Article 187.6. Les redevables de la taxe sont tenus de communiquer, sans déplacement, à toute réquisition des préposés de l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines, ayant au moins le grade de vérificateur adjoint, leurs répertoires, registres, livres, polices, contrats et tous autres documents.
  Tout refus de communication est puni d'une amende de 1 000 à 10 000 francs. ".
Art.118. In artikel 202.4.bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij artikel 76 van de wet van 4 augustus 1986, worden de woorden " de artikelen 164 en 179.1. " vervangen door de woorden " de artikelen 164, 179.1., 183octies, 183septiesdecies en 187.3. ".
Art.118. Dans l'article 202.4.bis du même Code, remplacé par l'article 76 de la loi du 4 août 1986, les mots " l'article 164 et l'article 179.1. " sont remplacés par les mots " les articles 164, 179.1., 183octies, 183septiesdecies et 187.3. ".
Overgangsbepalingen.
Dispositions transitoires.
Art.119. Een eenmalige taks van 16,5 pct. wordt gevestigd :
  1° op de theoretische afkoopwaarde van de individueel gesloten levensverzekeringscontracten, waarvan de verzekeringnemer, op 1 januari 1993, meer dan 60 jaar oud is en een vrijstelling of belastingvermindering inzake inkomstenbelastingen heeft verkregen krachtens bepalingen van toepassing vóór het aanslagjaar 1993 of de aftrek vermeld in artikel 104, eerste lid, 10°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het bestond voordat het door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven;
  2° op het spaartegoed geplaatst op een collectieve of individuele spaarrekening waarvan de houder, op 1 januari 1993, meer dan 60 jaar oud is en de toepassing van artikel 104, eerste lid, 10°, van hetzelfde Wetboek heeft verkregen zoals het bestond voordat het door artikel 81, 2°, van de wet van 28 december 1992 werd opgeheven.
Art.119. Il est établi une taxe unique de 16,5 p.c. :
  1° sur la valeur de rachat théorique des contrats d'assurance conclus individuellement, dont, au 1er janvier 1993, le preneur d'assurance est âgé de plus de 60 ans et à bénéficié d'une exonération ou réduction en matière d'impôt sur les revenus en vertu de dispositions applicables antérieurement à l'exercice d'imposition 1993 ou de la déduction prévue à l'article 104, alinéa 1er, 10°, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu'ils existait avant d'être abroge par l'article 81, 2° de la loi du 28 décembre 1992;
  2° sur l'épargne placée sur un compte-épargne collectif ou individuel dont, au 1er janvier 1993, le titulaire est âgé de plus de 60 ans et a bénéficie de l'application de l'article 104, alinéa 1er, 10°, du même Code, tel qu'il existait avant d'être abrogé par l'article 81, 2° de la loi du 28 décembre 1992.
Art.120. § 1. De taks opeisbaar krachtens artikel 119 wordt berekend :
  1° wat levensverzekeringscontracten betreft, op het bedrag van de theoretische afkoopwaarde zoals gedefinieerd in de bijlage bij het koninklijk besluit van 5 juli 1985 betreffende de levensverzekeringsactiviteit, vastgesteld op 1 januari 1993;
  2° wat spaarrekeningen betreft, op het spaartegoed geplaatst op dergelijke rekeningen, vastgesteld op januari 1993 overeenkomstig artikel 34, § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zoals het bestond voordat het door artikel 75 van de wet van 28 december 1992 werd gewijzigd.
  § 2. Voor de vereffening van de taks wordt de belastbare grondslag, in voorkomend geval, tot (het hogere duizendtal) afgerond.
Art.120. § 1. La taxe exigible en vertu de l'article 119 est calculée :
  1° en ce qui concerne les contrats d'assurance sur la vie, sur le montant de la valeur de rachat théorique telle que définie à l'annexe de l'arrêté royal du 5 juillet 1985 relatif à l'activité d'assurance sur la vie, déterminée au 1er janvier 1993;
  2° en ce qui concerne les comptes-épargne, sur l'épargne placée sur de tels comptes, déterminée au 1er janvier 1993, conformément à l'article 34, § 3, du Code des impôts sur les revenus 1992, tel qu'il existait avant d'être modifié par l'article 75 de la loi du 28 décembre 1992.
  § 2. Pour la liquidation de la taxe, la base imposable est, s'il y a lieu, arrondie au milier de francs supérieur.
Art.121. Van de taks vermeld in artikel 119 zijn vrijgesteld :
  1° de verzekeringscontracten die uitsluitend in voordelen voorzien bij overlijden;
  2° de levensverzekeringscontracten in zoverre ze ertoe strekken de aflossing of de wedersamenstelling van een hypothecaire lening te waarborgen.
Art.121. Sont exemptés de la taxe établie par l'article 119 :
  1° les contrats d'assurance qui prévoient uniquement des avantages en cas de décès;
  2° les contrats d'assurance sur la vie dans la mesure où ils visent à garantir l'amortissement ou la reconstitution d'un emprunt hypothécaire.
Art.122. § 1. De taks opeisbaar krachtens artikel 119 is betaalbaar in drie maal, volgens de regels die de Koning bepaalt.
  De taks wordt betaald door de in artikel 187.1. van het Wetboek van de met het zegel gelijkgestelde taksen vermelde schuldenaars.
  De taks wordt betaald door storting of door overschrijving op de postrekening van het bevoegde kantoor. Op de dag van de betaling dient de belastingschuldige op dat kantoor een opgave in die onder andere de heffingsbasis laat kennen.
  De elementen die in de opgave moeten medegedeeld worden, elk stuk waarvan het overleggen nodig is voor de controle van de heffing van de taks evenals het bevoegde kantoor worden bij koninklijk besluit vastgesteld.
  § 2. Wanneer de taks niet binnen de in § 1 vastgestelde termijn is betaald, is de interest van rechtswege verschuldigd met ingang van de dag waarop de betaling had moeten geschieden.
  Wanneer de opgave niet binnen de vastgestelde termijn is ingediend, wordt een boete verbeurd van 500 frank per week vertraging. Iedere begonnen week wordt voor een gehele week gerekend.
Art.122. § 1. La taxe exigible conformément à l'article 119, est payable en trois fois, selon les modalités déterminées par le Roi.
  La taxe est payée par les redevables visés à l'article 187.1. du Code des taxes assimilées au timbre.
  La taxe est acquittée par versement ou virement au compte courant postal du bureau compétent, moyennant le dépôt, au jour du paiement, d'une déclaration faisant notamment connaître la base de perception.
  Les éléments à faire connaître dans la déclaration, tout document dont la production est nécessaire au contrôle de la perception de la taxe ainsi que le bureau compétent sont déterminés par arrêté royal.
  § 2. Lorsque la taxe n'a pas été acquittée dans le délai fixé au § 1er, l'intérêt est dû de plein droit à partir du jour où le paiement aurait dû être fait.
  Si la déclaration n'est pas déposée dans le délai fixé, il est encouru une amende de 500 francs par semaine de retard. Toute semaine commencée est comptée comme complète.
Art.123. Elke onnauwkeurigheid of weglating in de opgave of in de stukken waarvan sprake in artikel 122, wordt gestraft met een boete gelijk aan vijf maal het ontdoken recht, zonder dat ze minder dan (10 000) frank mag bedragen. <W 1993-07-22/30, art. 82, 002; Inwerkingtreding : 26-07-1993>
  Elke weigering tot mededeling gevraagd met toepassing van artikel 122, wordt met een boete van (10 000 tot 100 000 frank) gestraft. <W 1993-07-22/30, art. 82, 002; Inwerkingtreding : 26-07-1993>
Art.123. Toute inexactitude ou omission constatée dans la déclaration ou dans les documents dont question à l'article 122, est punie d'une amende égale à cinq fois le droit éludé, sans qu'elle puisse être inférieure à (10 000 francs.) <L 1993-07-22/30, art. 82, 002; En vigueur : 26-07-1993>
  Tout refus de communication demandée en application de l'article 122, est puni d'une amende de (10 000 à 100 000 francs). <L 1993-07-22/30, art. 82, 002; En vigueur : 26-07-1993>
Art.124. De taks gevestigd bij artikel 119, wordt naar behoren teruggegeven :
  1° wanneer zij meer bedraagt dan de som die wettelijk verschuldigd was op het ogenblik van de betaling;
  2° wanneer het gaat om een verzekeringscontract bij leven waarvoor de verzekeraar bevrijd is van elke verplichting op het ogenblik dat de verzekerde gebeurtenis zich voordoet.
  De wijze en de voorwaarden van de terugbetaling worden bij koninklijk besluit vastgelegd.
Art.124. La taxe établie par l'article 119, est remboursée à due concurrence :
  1° lorsqu'elle représente une somme supérieure à celle qui était légalement due au moment du paiement;
  2° lorsqu'il s'agit d'un contrat d'assurance en cas de vie, pour lequel l'assureur est libéré de tous engagements à l'arrivée de l'événement assuré.
  Le mode et les conditions suivant lesquels s'opère le remboursement sont déterminés par arrêté royal.
Art.125. De schuldenaars van de taks gevestigd bij artikel 119, zijn gehouden hun repertoria, registers, boeken, polissen, contracten en alle andere stukken zonder verplaatsing mede te delen op elk verzoek van de ambtenaren van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen die ten minste de graad van adjunct-verificateur hebben.
  Elke weigering van mededeling wordt met een boete van (10 000 tot 100 000 frank) gestraft. <W 1993-07-22/30, art. 83, 002; Inwerkingtreding : 26-07-1993>
Art.125. Les redevables de la taxe établie par l'article 119, sont tenus de communiquer, sans déplacement, à toute réquisition des préposés de l'administration de la taxe sur la valeur ajoutée, de l'enregistrement et des domaines, ayant au moins le grade de vérificateur adjoint, leurs répertoires, registres, livres, polices, contrats et tous autres documents.
  Tout refus de communication est puni d'une amende de (10 000 à 100 000 francs). <L 1993-07-22/30, art. 83, 002; En vigueur : 26-07-1993>
Art.126. De bepalingen van de Titels XV, XVI en XVII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen zijn van toepassing op de taks gevestigd bij artikel 119.
Art.126. Les dispositions des Titres XV, XVI et XVII du Code des taxes assimilées au timbre, sont applicable à la taxe établie par l'article 119.
Art.127. De artikelen 107 tot 112 en 114 zijn van toepassing op de premies, bijdragen of contributies, vervallen vanaf 1 januari 1993, met uitzondering van de door artikel 110 aangebrachte wijziging in artikel 176.2., eerste lid, 4°, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen die van toepassing is op de premies, bijdragen of contributies vervallen vanaf 1 januari 1994.
  Artikel 113 treedt in werking op 1 juli 1995.
  Artikel 115 treedt in werking op 1 januari 1994.
  De artikelen 117 tot 126 treden in werking op 1 januari 1993.
Art.127. Les articles 107 à 112 et 114 sont applicables aux primes, cotisations ou contributions échues à compter du 1er janvier 1993, à l'exception de la modification apportée par l'article 110 à l'article 176.2., alinéa 1er, 4°, du Code des taxes assimilées au timbre, qui est applicable aux primes, cotisations ou contributions échues à compter du 1er janvier 1994.
  L'article 113 entre en vigueur le 1er juillet 1995.
  L'article 115 entre en vigueur le 1er janvier 1994.
  Les articles 117 à 126 entrent en vigueur le 1er janvier 1993.
HOOFDSTUK V. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE V. - Dispositions diverses.
Art.128. Het bezoek van het publiek aan wetenschappelijke en culturele instellingen van de Staat kan aan een heffing worden onderworpen waarvan het bedrag samenhangt met de geleverde dienst.
  De Koning bepaalt voor elk geval het bedrag van de heffing evenals de eventuele afwijkingen in geval van tegemoetkoming in het algemeen belang of wegens sociaal belang.
  De ontvangsten zullen door de Koning bestemd worden voor de noden van de wetenschappelijke inrichtingen en culturele instellingen.
Art.128. La fréquentation par le public des établissements scientifiques et des institutions culturelles de l'Etat peut être soumise à une redevance, dont le montant est en rapport avec le service rendu.
  Le Roi détermine pour chaque cas le montant de la redevance ainsi que les dérogations éventuelles en cas de concession pour cause d'utilité publique ou pour raisons d'intérêt social.
  les recettes seront affectées par le Roi aux besoins des établissements scientifiques et des institutions culturelles.
Art. 130. <Wijzigingsbepaling van artikel 212 van de W 1991-06-17/30>
Art. 130.