Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
16 JANUARI 1989. - Bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten. (NOTA : art. 3, 4, 5 en 11, 2° gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W2013-12-26/12, art. 3, 4, 5 en 6, 2°; Inwerkingtreding : vanaf de beëindiging van de heffing van het gebruiksrecht bedoeld in artikel 17, 2°, van het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een Eurovignet overeenkomstig Richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993, en ten vroegste op 1 januari 2016.) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 20-07-1993 en tekstbijwerking tot 15-06-2023)
Titre
16 JANVIER 1989. - Loi spéciale relative au financement des Communautés et des Régions. (NOTE : les articles 3, 4, 5 et 11, 2° modifiés avec effet à une date indéterminée par L2013-12-26/12, art. 3, 4, 5 et 6, 2°; En vigueur : à partir de la cessation de la perception du droit d'usage visé à l'article 17, 2°, de l'Accord relatif à la perception d'un droit d'usage pour l'utilisation de certaines routes par des véhicules utilitaires lourds, signé à Bruxelles le 9 février 1994, entre les gouvernements de la République fédérale d'Allemagne, du Royaume de Belgique, du Royaume du Danemark, du Grand-Duché de Luxembourg et du Royaume des Pays-Bas et instaurant une Eurovignette, conformément à la Directive 93/89/CEE du Conseil des Communautés européennes du 25 octobre 1993, et au plus tôt le 1er janvier 2016) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 20-07-1993 et mise à jour au 15-06-2023)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (180)
Texte (180)
TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
TITRE PREMIER. - DISPOSITIONS GENERALES.
Artikel 1. § 1. [1 Onverminderd artikel 170, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap en van de Franse Gemeenschap door :
   1° niet fiscale ontvangsten;
   2° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
   3° federale dotaties;
   4° voor de periode van 2015 tot en met 2033, een overgangsmechanisme;
   5° leningen.]1

  § 2. [1 Onverminderd artikel 170, § 2, van de Grondwet, gebeurt de financiering van de begroting van het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, door :
   1° niet fiscale ontvangsten;
   2° fiscale ontvangsten als bedoeld in deze wet;
   3° ontvangsten uit de uitoefening van de fiscale autonomie inzake de personenbelasting als bedoeld in titel III/1;
   4° toegewezen gedeelten van de opbrengst van belastingen en heffingen;
   5° federale dotaties;
   6° een mechanisme van nationale solidariteit;
   7° voor de periode van 2015 tot en met 2033, een overgangsmechanisme;
   8° leningen.]1

  § 3. (Het Vlaams Parlement mag alle financiële middelen die krachtens de bepalingen van deze wet aan dat parlement toekomen)e aanwenden voor de financiering zowel van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld [1 in artikel 39]1 van de Grondwet, als van de begroting voor de aangelegenheden bedoeld [1 in de artikelen 127 tot 129]1 van de Grondwet. <W 2006-03-27/33, art. 9, 004; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  (lid opgeheven) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  
Article 1. § 1. [1 Sans préjudice de l'article 170, § 2, de la Constitution, le financement du budget de la Communauté française et de la Communauté flamande est assuré par :
   1° des recettes non fiscales;
   2° des parties attribuées du produit d'impôts et de perceptions;
   3° des dotations fédérales;
   4° pour la période de 2015 jusqu'à 2033, un mécanisme de transition;
   5° des emprunts.]1

  § 2. [1 Sans préjudice de l'article 170, § 2, de la Constitution, le financement du budget de la Région wallonne, de la Région flamande et de la Région de Bruxelles-Capitale est assuré par :
   1° des recettes non fiscales;
   2° des recettes fiscales visées par la présente loi;
   3° des recettes de l'exercice de l'autonomie fiscale en matière d'impôt des personnes physiques visées au titre III/1;
   4° des parties attribuées du produit d'impôts et de perceptions;
   5° des dotations fédérales;
   6° un mécanisme de solidarité nationale;
   7° pour la période de 2015 jusqu'à 2033, un mécanisme de transition;
   8° des emprunts.]1

  § 3. Le (Parlement flamand) peut utiliser tous les moyens financiers qui lui reviennent en vertu des dispositions de la présente loi, pour le financement tant du budget des matières visées [1 à l'article 39]1 de la Constitution que du budget des matières visées [1 aux articles 127 à 129]1 de la Constitution. <L 2006-03-27/33, art. 9, 004; En vigueur : 21-04-2006>
  (alinéa abrogé) <L 1993-07-16/30, art. 121, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  
Art. 1bis. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 3; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De uitwisseling van informatie in het kader van de uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten bedoeld in deze wet en van de federale overheid wordt geregeld bij een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
Art. 1bis. L'échange d'informations dans le cadre de l'exercice des compétences fiscales des régions visées dans la présente loi et de l'autorité fédérale est réglé par un accord de coopération visé à l'article 92bis, § 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
Art. 1ter. [1 De uitoefening van de fiscale bevoegdheden van de gewesten als bedoeld in deze wet gebeurt met naleving van de in artikel 143 van de Grondwet bedoelde federale loyauteit en het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, alsmede van de volgende principes :
   1° de uitsluiting van elke deloyale fiscale concurrentie;
   2° de vermijding van dubbele belasting;
   3° het vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal.
   Bij een door een overheid gegrond geacht verzoek van een belastingplichtige houdende vermijding van dubbele belasting treedt die overheid in overleg met de andere betrokken overheden teneinde de belastingheffing die strijdig is met het in het eerste lid, 2°, vermelde principe ongedaan te maken.
   In het raam van het Overlegcomité als bedoeld in artikel 31 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt jaarlijks een overleg gehouden over het fiscaal beleid en over de in het eerste lid bedoelde principes.]1

  
Art. 1ter. [1 L'exercice des compétences fiscales des régions visées dans la présente loi s'opère dans le respect de la loyauté fédérale visée à l'article 143 de la Constitution et du cadre normatif général de l'union économique et de l'unité monétaire, ainsi que des principes suivants :
   1° l'exclusion de toute concurrence fiscale déloyale;
   2° l'évitement de la double imposition;
   3° la libre circulation des personnes, biens, services et capitaux.
   En cas de demande d'un contribuable visant à éviter la double imposition, jugée fondée par une autorité, celle-ci se concerte avec les autres autorités concernées en vue de remédier à l'imposition contraire au principe évoqué à l'alinéa 1er, 2°.
   Une concertation sur la politique fiscale et sur les principes visés à l'alinéa 1er est organisée annuellement au sein du Comité de concertation visé à l'article 31 de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles.]1

  
Art. 1quater. [1 De gewesten kunnen geen opcentiemen of belastingvermeerderingen heffen of kortingen, belastingverminderingen of belastingkredieten toestaan op de in deze wet bedoelde belastingen, behalve die welke bedoeld zijn in artikel 5/1, § 1.]1
  
Art. 1quater. [1 Les régions ne peuvent ni instaurer des centimes additionnels ou des augmentations d'impôts ni accorder des diminutions, des réductions ou des crédits d'impôt sur les impôts visés par la présente loi, à l'exception de ceux visés à l'article 5/1, § 1er.]1
  
TITEL II. - EIGEN NIET-FISCALE ONTVANGSTEN.
TITRE II. - DES RECETTES NON FISCALES PROPRES.
Art.2. De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de uitoefening van de door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en Gewesten toegekende bevoegdheden komen aan de bevoegde overheid toe.
  De Gemeenschappen en de Gewesten kunnen schenkingen en legaten ontvangen.
Art.2. Les recettes non fiscales propres liées à l'exercice des compétences attribuées aux Communautés et Régions par la Constitution ou en vertu de celle-ci reviennent au pouvoir compétent.
  Les Communautés et les Régions peuvent recevoir des dons et des legs.
Art. 2bis. [1 De ontvangsten van de onmiddellijke inningen, de minnelijke schikkingen en de strafrechtelijke boeten die verband houden met de inbreuken op de reglementering inzake verkeersveiligheid, die krachtens artikel 6, § 1, XII, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen tot de bevoegdheid van de gewesten behoort, worden aan de gewesten volgens de plaats van de overtreding toegekend.]1
  
Art. 2bis. [1 Les recettes des perceptions immédiates, transactions et amendes pénales liées aux infractions à la réglementation de la sécurité routière qui relève de la compétence des régions en vertu de l'article 6, § 1er, XII, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, sont attribuées à celles-ci en fonction du lieu de l'infraction.]1
  
TITEL III. - GEWESTELIJKE BELASTINGEN.
TITRE III. - DES IMPOTS REGIONAUX.
Art. 3. <W 2001-07-13/35, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen :
  1° de belasting op de spelen en weddenschappen;
  2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
  3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
  4° het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
  5° de onroerende voorheffing;
  6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
  7° het registratierecht op :
  a) de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;
  b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
  8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
  9° het kijk- en luistergeld;
  10° de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
  11° de belasting op de inverkeerstelling;
  12° het eurovignet.
  Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11.
Art. 3. <L 2001-07-13/35, art. 5, 003; En vigueur : 01-01-2002> Les impôts suivants sont des impôts régionaux :
  1° la taxe sur les jeux et paris;
  2° la taxe sur les appareils automatiques de divertissement;
  3° la taxe d'ouverture de débits de boissons fermentées;
  4° les droits de succession d'habitants du Royaume et les droits de mutation par décès de non-habitants du Royaume;
  5° le précompte immobilier;
  6° les droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique, à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport dans une société, sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, fait par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation;
  7° les droits d'enregistrement sur :
  a) la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique;
  b) les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux articles 745quater et 745quinquies du Code civil, même s'il n'y a pas indivision;
  8° les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles;
  9° la redevance radio et télévision;
  10° la taxe de circulation sur les véhicules automobiles;
  11° la taxe de mise en circulation;
  12° l'eurovignette.
  Ces impôts sont soumis aux dispositions des articles 4, 5, 8 et 11.
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 3. <W 2001-07-13/35, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Volgende belastingen zijn gewestelijke belastingen :
  1° de belasting op de spelen en weddenschappen;
  2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen;
  3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken;
  4° het successierecht van rijksinwoners en het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners;
  5° de onroerende voorheffing;
  6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voor zover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap;
  7° het registratierecht op :
  a) de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed;
  b) de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is;
  8° het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen;
  9° het kijk- en luistergeld;
  10° de verkeersbelasting op de autovoertuigen;
  11° de belasting op de inverkeerstelling;
  12° [1 ...]1
  Deze belastingen zijn onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 4, 5, 8 en 11.
  
Art. 3. <L 2001-07-13/35, art. 5, 003; En vigueur : 01-01-2002> Les impôts suivants sont des impôts régionaux :
  1° la taxe sur les jeux et paris;
  2° la taxe sur les appareils automatiques de divertissement;
  3° la taxe d'ouverture de débits de boissons fermentées;
  4° les droits de succession d'habitants du Royaume et les droits de mutation par décès de non-habitants du Royaume;
  5° le précompte immobilier;
  6° les droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique, à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport dans une société, sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, fait par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation;
  7° les droits d'enregistrement sur :
  a) la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique;
  b) les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux articles 745quater et 745quinquies du Code civil, même s'il n'y a pas indivision;
  8° les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles;
  9° la redevance radio et télévision;
  10° la taxe de circulation sur les véhicules automobiles;
  11° la taxe de mise en circulation;
  12° [1 ...]1
  Ces impôts sont soumis aux dispositions des articles 4, 5, 8 et 11.
  
Art. 4. <W 2001-07-13/35, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.
  § 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 4. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 12°, bedoelde belasting te wijzigen. Voor voertuigen die in het buitenland zijn ingeschreven, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.
Art. 4. <L 2001-07-13/35, art. 6, 003; En vigueur : 01-01-2002> § 1er. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 4° et 6° à 9°.
  § 2. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 5°. Elles ne peuvent toutefois modifier le revenu cadastral fédéral. La gestion conjointe des données de la documentation patrimoniale s'effectue par la voie d'un accord de coopération au sens de l'article 92bis, § 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
  § 3. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10° et 11°. Dans le cas où le redevable de ces impôts est une société, au sens de la loi du 7 mai 1999 portant le Code des sociétés, une entreprise publique autonome ou une association sans but lucratif à activités de leasing, l'exercice de ces compétences est subordonné à la conclusion préalable d'un accord de coopération entre les trois régions au sens de l'article 92bis, § 2, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
  § 4. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 12°. Pour les véhicules qui sont immatriculés à l'étranger, l'exercice de ces compétences est subordonné à la conclusion préalable d'un accord de coopération entre les trois régions, au sens de l'article 92bis, § 2, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
  § 5. Le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris après concertation avec les gouvernements des régions concernées, l'attribution des intérêts de retard, la charge des intérêts moratoires ainsi que l'attribution des amendes fiscales fixes et proportionnelles sur les impôts visés à l'article 3, tant que l'autorité fédérale assure le service de ces impôts.
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 4. <W 2001-07-13/35, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 4° en 6° tot 9° bedoelde belastingen te wijzigen.
  § 2. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen ze echter niet wijzigen. Het gezamenlijk beheer van de gegevens van de patrimoniale documentatie gebeurt bij wege van een samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 3 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 3. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van de in artikel 3, eerste lid, 10° en 11°, bedoelde belastingen te wijzigen. Ingeval de belastingplichtige van deze belastingen een vennootschap, zoals bedoeld in de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, een autonoom overheidsbedrijf of een vereniging zonder winstgevend doel met leasingactiviteiten is, is de uitoefening van deze bevoegdheden afhankelijk van een voorafgaandelijk tussen de drie gewesten te sluiten samenwerkingsakkoord zoals bedoeld in artikel 92bis, § 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen.
  § 4. [1 ...]1
  § 5. Bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gewestregeringen, regelt de Koning de toewijzing van de nalatigheidsinteresten, de last van de verwijlinteresten alsook de toewijzing van de forfaitaire en proportionele fiscale boeten op de belastingen bedoeld in artikel 3 zolang de federale overheid de dienst van deze belastingen verzekert.
  
Art. 4. <L 2001-07-13/35, art. 6, 003; En vigueur : 01-01-2002> § 1er. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 4° et 6° à 9°.
  § 2. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 5°. Elles ne peuvent toutefois modifier le revenu cadastral fédéral. La gestion conjointe des données de la documentation patrimoniale s'effectue par la voie d'un accord de coopération au sens de l'article 92bis, § 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
  § 3. Les régions sont compétentes pour modifier le taux d'imposition, la base d'imposition et les exonérations des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10° et 11°. Dans le cas où le redevable de ces impôts est une société, au sens de la loi du 7 mai 1999 portant le Code des sociétés, une entreprise publique autonome ou une association sans but lucratif à activités de leasing, l'exercice de ces compétences est subordonné à la conclusion préalable d'un accord de coopération entre les trois régions au sens de l'article 92bis, § 2, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles.
  § 4. [1 ...]1
  § 5. Le Roi règle, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, pris après concertation avec les gouvernements des régions concernées, l'attribution des intérêts de retard, la charge des intérêts moratoires ainsi que l'attribution des amendes fiscales fixes et proportionnelles sur les impôts visés à l'article 3, tant que l'autorité fédérale assure le service de ces impôts.
  
Art. 5. § 1. (De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd :
  1° de belasting op de spelen en weddenschappen : op de plaats waar de spelen plaatsvinden en de weddenschappen worden aangegaan;
  2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen : op de plaats waar het toestel opgesteld is;
  3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken : op de plaats waar het lokaal dienende tot slijting gelegen is;
  4° (- het successierecht van rijksinwoners : op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was : op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  - het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners : in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° de onroerende voorheffing : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
  (6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.
  Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  7° (- het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
  - het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (8° - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner : op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in België gelegen was : op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
  9° het kijk- en luistergeld : op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;
  10° de verkeersbelasting : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
  Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in België geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in België;
  11° de belasting op de inverkeerstelling : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
  12° het eurovignet : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
  Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan België die deelnemen aan het eurovignetsysteem : worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2bis. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. (Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12° bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden :
  - de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;
  - de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;
  - de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;
  - de in artikel 3, eerste lid, 10° tot 12° bedoelde belastingen.
  De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.
  Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 4. De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Art. 5. § 1. (Les impôts visés à l'article 3 sont attribués aux régions en fonction de leur localisation.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2. Pour l'application du § 1er, les impôts concernés sont réputés localisés comme suit :
  1° la taxe sur les jeux et paris : à l'endroit où les jeux sont organisés et où les paris sont engagés;
  2° la taxe sur les appareils automatiques de divertissement : à l'endroit où l'appareil est placé;
  3° la taxe d'ouverture des débits de boissons fermentées : à l'endroit où le local affecté au débit est situé;
  4° (- les droits de succession des habitants du Royaume : à l'endroit où le défunt avait son domicile fiscal au moment de son décès. Si le défunt a eu son domicile fiscal dans plus d'un endroit en Belgique au cours de la période de cinq ans précédant son décès : à l'endroit de la Belgique où son domicile fiscal a été établi le plus longtemps pendant ladite période;
  - les droits de mutation par décès des non-habitants du Royaume : dans la région où les biens sont situés; s'ils sont situés dans plusieurs régions, dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé;) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  5° le précompte immobilier : à l'endroit où le bien immobilier est situé;
  6° (les droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport en société sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation : à l'endroit où le bien immeuble est situé.
  Si en cas d'échange des biens immeubles sont situés dans plusieurs régions : dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé;) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  7° (- les droits d'enregistrement sur la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique : à l'endroit où le bien immeuble est situé. Si, par un même acte, les biens immeubles sont situés dans plus d'une région : dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé;
  - les droits d'enregistrement sur les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux articles 745quater et 745quinquies du Code civil, même s'il n'y a pas indivision : à l'endroit ou le bien immeuble est situé;) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  (8° - les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles faites par un habitant du Royaume : à l'endroit où le donateur a son domicile fiscal au moment de la donation. Si le domicile fiscal du donateur était établi à plusieurs endroits en Belgique au cours de la période de cinq ans précédant la donation : à l'endroit en Belgique où son domicile fiscal a été établi le plus longtemps au cours de ladite période;
  - les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens immeubles situés en Belgique faites par un non-habitant du Royaume : à l'endroit où est situé le bien immeuble;
  9° la redevance radio et télévision : à l'endroit où l'appareil de télévision est détenu et, en ce qui concerne les appareils à bord de véhicules automobiles, à l'endroit où le détenteur de l'appareil est établi;
  10° la taxe de circulation : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé.
  Lorsque le redevable, personne physique ou personne morale, n'a pas en Belgique de domicile ou de siège social, la taxe est réputée localisée au lieu de sa résidence ou de son principal établissement en Belgique;
  11° la taxe de mise en circulation : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé;
  12° l'eurovignette : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé.
  La part de l'eurovignette afférente aux véhicules munis d'un signe d'immatriculation attribué par les autorités de pays autres que les Etats membres participant au système eurovignette, qui est attribuée à la Belgique et la part de l'eurovignette afférente aux véhicules munis d'un signe d'immatriculation attribué par les autorités d'autres Etats membres que la Belgique participant au système eurovignette : sont réputées être localisées dans chacune des régions en fonction de la part de chacune des régions dans le réseau routier imposable comme il est prévu dans l'arrêté royal du 8 septembre 1997 désignant le réseau routier sur lequel l'eurovignette est applicable.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2bis. (abrogé) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 3. (A moins que la région n'en décide autrement, l'Etat assure gratuitement dans le respect des règles de procédure qu'il fixe, le service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, pour le compte de la région et en concertation avec celle-ci. A partir de la deuxième année budgétaire suivant la date de notification du gouvernement de région au gouvernement fédéral de la décision d'assurer elle-même le service des impôts concernés, la région concernée assure le service de ces impôts. Le transfert du service des impôts à une région peut se faire uniquement par groupe d'impôts :
  - les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 3°;
  - l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 5°;
  - les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 4° et 6° à 8°;
  - les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10° à 12°.
  Les régions assurent au moins jusqu'au 31 décembre 2003 inclus le service des impôts qu'elles assuraient déjà avant l'entrée en vigueur de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant refinancement des communautés et extension des compétences fiscales des régions.
  Tant que l'autorité fédérale assure le service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, la procédure de concertation relative à l'applicabilité technique des modifications projetées concernant les impôts régionaux susvisés est fixée dans l'accord de coopération visé à l'article 1erbis.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  (§ 3bis. A moins que la région n'en décide autrement, les communautés assurent, jusqu'au 31 décembre 2004 inclus, dans le respect des règles de procédure fixées par l'Etat le service de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 9°, pour le compte des régions et en concertation avec celles-ci. Les gouvernements de communauté et de région concluent une convention pour déterminer les frais de perception.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  (§ 4. Les régions sont compétentes pour fixer les règles de procédure administratives concernant les impôts visés à l'article 3 à compter de l'année budgétaire à partir de laquelle elles assurent le service des impôts.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 5. § 1. (De in artikel 3 bedoelde belastingen worden aan de gewesten toegewezen in functie van hun lokalisatie.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Voor de toepassing van § 1 worden deze belastingen geacht als volgt te zijn gelokaliseerd :
  1° de belasting op de spelen en weddenschappen : op de plaats waar de spelen plaatsvinden en de weddenschappen worden aangegaan;
  2° de belasting op de automatische ontspanningstoestellen : op de plaats waar het toestel opgesteld is;
  3° de openingsbelasting op de slijterijen van gegiste dranken : op de plaats waar het lokaal dienende tot slijting gelegen is;
  4° (- het successierecht van rijksinwoners : op de plaats waar de overledene, op het ogenblik van zijn overlijden, zijn fiscale woonplaats had. Als de fiscale woonplaats van de overledene tijdens de periode van vijf jaar voor zijn overlijden op meer dan één plaats in België gelegen was : op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  - het recht van overgang bij overlijden van niet-rijksinwoners : in het gewest waar de goederen gelegen zijn; indien zij gelegen zijn in meerdere gewesten, in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  5° de onroerende voorheffing : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
  (6° het registratierecht op de overdrachten ten bezwarende titel van in België gelegen onroerende goederen met uitsluiting van de overdrachten die het gevolg zijn van een inbreng in een vennootschap behalve voorzover het een inbreng betreft door een natuurlijk persoon van een woning in een Belgische vennootschap : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is.
  Als bij een ruil onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  7° (- het registratierecht op de vestiging van een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is. Indien, bij eenzelfde handeling, de onroerende goederen in meerdere gewesten gelegen zijn : in het gewest waartoe het ontvangstkantoor behoort in wiens ambtsgebied het deel van de goederen met het hoogste federaal kadastraal inkomen gelegen is;
  - het registratierecht op de gedeeltelijke of gehele verdelingen van in België gelegen onroerende goederen, de afstanden onder bezwarende titel, onder medeëigenaars, van onverdeelde delen in soortgelijke goederen, en de omzettingen bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (8° - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van roerende of onroerende goederen door een rijksinwoner : op de plaats waar de schenker, op het ogenblik van de schenking, zijn fiscale woonplaats heeft. Als de fiscale woonplaats van de schenker tijdens de periode van vijf jaar voor zijn schenking op meer dan één plaats in België gelegen was : op de plaats in België waar zijn fiscale woonplaats tijdens de voormelde periode het langst gevestigd was;
  - het registratierecht op de schenkingen onder de levenden van in België gelegen onroerende goederen door een niet-rijksinwoner : op de plaats waar het onroerend goed gelegen is;
  9° het kijk- en luistergeld : op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is;
  10° de verkeersbelasting : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn.
  Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon of rechtspersoon, in België geen woonplaats of maatschappelijke zetel heeft, wordt de belasting geacht gelokaliseerd te zijn op de plaats van zijn verblijfplaats of voornaamste inrichting in België;
  11° de belasting op de inverkeerstelling : op de plaats waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon gevestigd is op wiens naam het voertuig ingeschreven is of moet zijn;
  12° [1 ...]1
  Het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere landen dan de lidstaten die deelnemen aan het eurovignetsysteem en dat aan België wordt toegekend, en het gedeelte van het eurovignet dat betrekking heeft op voertuigen die voorzien zijn van een inschrijvingskenteken uitgereikt door de autoriteiten van andere lidstaten dan België die deelnemen aan het eurovignetsysteem : worden geacht gelokaliseerd te zijn in elk gewest naar verhouding van zijn aandeel in het belastbaar wegennet zoals bepaald in het koninklijk besluit van 8 september 1997 tot bepaling van het wegennet waarop het eurovignet van toepassing is.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2bis. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. (Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgt de Staat met inachtneming van de door hem vastgestelde procedureregels kosteloos voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en [1 10° en 11°]1 bedoelde belastingen voor rekening van en in overleg met het betrokken gewest. Vanaf het tweede begrotingsjaar volgend op de datum van notificatie van de gewestregering aan de federale regering van de beslissing tot het zelf verzekeren van de dienst van de betrokken belastingen, zorgt het betrokken gewest voor de dienst van deze belastingen. De overheveling van de dienst van de belastingen naar een gewest kan slechts per groep van belastingen geschieden :
  - de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde belastingen;
  - de in artikel 3, eerste lid, 5°, bedoelde belasting;
  - de in artikel 3, eerste lid, 4° en 6° tot 8°, bedoelde belastingen;
  - de in artikel 3, eerste lid, [1 10° en 11°]1 bedoelde belastingen.
  De gewesten staan ten minste tot en met 31 december 2003 in voor de dienst van de belastingen waarvoor zij reeds vóór de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 13 juli 2001 tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten instonden.
  Zolang de federale overheid de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en [1 10° en 11°]1, bedoelde belastingen verzekert, wordt de overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de voorgenomen wijzigingen inzake voormelde gewestelijke belastingen bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3bis. Tenzij het gewest er anders over beslist, zorgen de gemeenschappen tot en met 31 december 2004, met inachtneming van de door de Staat vastgestelde procedureregels, voor de dienst van de in artikel 3, eerste lid, 9°, bedoelde belasting voor rekening van en in overleg met de gewesten. De gemeenschaps- en gewestregeringen sluiten een overeenkomst om de inningskosten te bepalen.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 4. De gewesten zijn bevoegd voor de vaststelling van de administratieve procedureregels met betrekking tot de in artikel 3 bedoelde belastingen met ingang van het begrotingsjaar vanaf hetwelk zij de dienst van de belastingen verzekeren.) <W 2001-07-13/35, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  
Art. 5. § 1. (Les impôts visés à l'article 3 sont attribués aux régions en fonction de leur localisation.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2. Pour l'application du § 1er, les impôts concernés sont réputés localisés comme suit :
  1° la taxe sur les jeux et paris : à l'endroit où les jeux sont organisés et où les paris sont engagés;
  2° la taxe sur les appareils automatiques de divertissement : à l'endroit où l'appareil est placé;
  3° la taxe d'ouverture des débits de boissons fermentées : à l'endroit où le local affecté au débit est situé;
  4° (- les droits de succession des habitants du Royaume : à l'endroit où le défunt avait son domicile fiscal au moment de son décès. Si le défunt a eu son domicile fiscal dans plus d'un endroit en Belgique au cours de la période de cinq ans précédant son décès : à l'endroit de la Belgique où son domicile fiscal a été établi le plus longtemps pendant ladite période;
  - les droits de mutation par décès des non-habitants du Royaume : dans la région où les biens sont situés; s'ils sont situés dans plusieurs régions, dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé;) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  5° le précompte immobilier : à l'endroit où le bien immobilier est situé;
  6° (les droits d'enregistrement sur les transmissions à titre onéreux de biens immeubles situés en Belgique à l'exclusion des transmissions résultant d'un apport en société sauf dans la mesure où il s'agit d'un apport, par une personne physique, dans une société belge, d'une habitation : à l'endroit où le bien immeuble est situé.
  Si en cas d'échange des biens immeubles sont situés dans plusieurs régions : dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé;) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  7° (- les droits d'enregistrement sur la constitution d'une hypothèque sur un bien immeuble situé en Belgique : à l'endroit où le bien immeuble est situé. Si, par un même acte, les biens immeubles sont situés dans plus d'une région : dans la région à laquelle appartient le bureau de perception dans le ressort duquel se trouve la partie des biens qui présente le revenu cadastral fédéral le plus élevé;
  - les droits d'enregistrement sur les partages partiels ou totaux de biens immeubles situés en Belgique, les cessions à titre onéreux, entre copropriétaires, de parties indivises de tels biens, et les conversions prévues aux articles 745quater et 745quinquies du Code civil, même s'il n'y a pas indivision : à l'endroit ou le bien immeuble est situé;) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  (8° - les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens meubles ou immeubles faites par un habitant du Royaume : à l'endroit où le donateur a son domicile fiscal au moment de la donation. Si le domicile fiscal du donateur était établi à plusieurs endroits en Belgique au cours de la période de cinq ans précédant la donation : à l'endroit en Belgique où son domicile fiscal a été établi le plus longtemps au cours de ladite période;
  - les droits d'enregistrement sur les donations entre vifs de biens immeubles situés en Belgique faites par un non-habitant du Royaume : à l'endroit où est situé le bien immeuble;
  9° la redevance radio et télévision : à l'endroit où l'appareil de télévision est détenu et, en ce qui concerne les appareils à bord de véhicules automobiles, à l'endroit où le détenteur de l'appareil est établi;
  10° la taxe de circulation : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé.
  Lorsque le redevable, personne physique ou personne morale, n'a pas en Belgique de domicile ou de siège social, la taxe est réputée localisée au lieu de sa résidence ou de son principal établissement en Belgique;
  11° la taxe de mise en circulation : à l'endroit où est établie la personne morale ou physique au nom de laquelle le véhicule est ou doit être immatriculé;
  12° [1 ...]1
  La part de l'eurovignette afférente aux véhicules munis d'un signe d'immatriculation attribué par les autorités de pays autres que les Etats membres participant au système eurovignette, qui est attribuée à la Belgique et la part de l'eurovignette afférente aux véhicules munis d'un signe d'immatriculation attribué par les autorités d'autres Etats membres que la Belgique participant au système eurovignette : sont réputées être localisées dans chacune des régions en fonction de la part de chacune des régions dans le réseau routier imposable comme il est prévu dans l'arrêté royal du 8 septembre 1997 désignant le réseau routier sur lequel l'eurovignette est applicable.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2bis. (abrogé) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 3. (A moins que la région n'en décide autrement, l'Etat assure gratuitement dans le respect des règles de procédure qu'il fixe, le service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et [1 10° et 11°]1, pour le compte de la région et en concertation avec celle-ci. A partir de la deuxième année budgétaire suivant la date de notification du gouvernement de région au gouvernement fédéral de la décision d'assurer elle-même le service des impôts concernés, la région concernée assure le service de ces impôts. Le transfert du service des impôts à une région peut se faire uniquement par groupe d'impôts :
  - les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 3°;
  - l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 5°;
  - les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 4° et 6° à 8°;
  - les impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, [1 10° et 11°]1.
  Les régions assurent au moins jusqu'au 31 décembre 2003 inclus le service des impôts qu'elles assuraient déjà avant l'entrée en vigueur de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant refinancement des communautés et extension des compétences fiscales des régions.
  Tant que l'autorité fédérale assure le service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et [1 10° et 11°]1, la procédure de concertation relative à l'applicabilité technique des modifications projetées concernant les impôts régionaux susvisés est fixée dans l'accord de coopération visé à l'article 1erbis.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  (§ 3bis. A moins que la région n'en décide autrement, les communautés assurent, jusqu'au 31 décembre 2004 inclus, dans le respect des règles de procédure fixées par l'Etat le service de l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 9°, pour le compte des régions et en concertation avec celles-ci. Les gouvernements de communauté et de région concluent une convention pour déterminer les frais de perception.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  (§ 4. Les régions sont compétentes pour fixer les règles de procédure administratives concernant les impôts visés à l'article 3 à compter de l'année budgétaire à partir de laquelle elles assurent le service des impôts.) <L 2001-07-13/35, art. 7, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  
TITEL III/1. - [1 Gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting]1
TITRE III/1. - [1 De la taxe additionnelle régionale sur l'impôt des personnes physiques]1
Art. 5/1. [1 § 1. Op basis van de lokalisatie van de personenbelasting kunnen de gewesten :
   1° opcentiemen heffen op een deel van de personenbelasting. Het deel van de personenbelasting waarop de opcentiemen worden geheven, is de gereduceerde belasting Staat;
   2° kortingen toestaan en belastingverminderingen en belastingvermeerderingen toepassen op de in 1° bedoelde opcentiemen zonder dat daaruit een vermindering of een vermeerdering van de belastbare grondslag ontstaat.
   Het totaal van de opcentiemen, kortingen en belastingverminderingen en -vermeerderingen, eventueel na toepassing van artikel 5/3, § 1, 2°, vormt de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting, hierna "de gewestelijke personenbelasting".
   Bovendien kunnen de gewesten belastingkredieten toestaan.
   § 2. Voor de toepassing van deze wet wordt de personenbelasting geacht te zijn gelokaliseerd op de plaats waar de belastingplichtige zijn fiscale woonplaats heeft gevestigd op 1 januari van het aanslagjaar in de personenbelasting.
   § 3. De gereduceerde belasting Staat, verhoogd met de belasting die betrekking heeft op de dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels en na toepassing van de federale belastingverminderingen die nog niet zijn toegepast om de gereduceerde belasting Staat te bekomen en na eventuele toepassing van artikel 5/3, § 1, 1°, is "de federale personenbelasting" in de zin van deze wet.
   § 4. De invoering van de gewestelijke personenbelasting mag geen afbreuk doen aan het recht van de gemeenten en de agglomeraties van gemeenten om aanvullende belastingen te heffen.
   § 5. Enkel de federale overheid is bevoegd voor de bepalingen inzake de roerende en de bedrijfsvoorheffing en voor de dienst van de personenbelasting.
   Van het totale netto inkomen kunnen enkel de onderhoudsgelden worden afgetrokken binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
   Onverminderd artikel 5/5, § 4, kan de federale overheid belastingverminderingen invoeren zonder enige beperking.]1

  
Art. 5/1. [1 Sur la base de la localisation de l'impôt des personnes physiques, les régions peuvent :
   1° établir des centimes additionnels sur une partie de l'impôt des personnes physiques. La partie de l'impôt des personnes physiques sur laquelle les centimes additionnels sont établis, est l'impôt Etat réduit;
   2° accorder des diminutions d'impôt et appliquer des réductions et des augmentations d'impôt sur les centimes additionnels visés au 1°, sans qu'il en résulte une diminution ou une augmentation de la base imposable.
   Le total des centimes additionnels et des diminutions, réductions et augmentations d'impôt, le cas échéant après application de l'article 5/3, § 1er, 2°, constitue la taxe additionnelle régionale sur l'impôt des personnes physiques, ci-après "l'impôt des personnes physiques régional".
   En outre, les régions peuvent accorder des crédits d'impôts.
   § 2. Pour l'application de la présente loi, l'impôt des personnes physiques est réputé localisé à l'endroit où le contribuable a établi son domicile fiscal au 1er janvier de l'exercice d'imposition à l'impôt des personnes physiques.
   § 3. L'impôt Etat réduit, majoré de l'impôt afférent aux dividendes, intérêts, redevances, lots afférents aux titres d'emprunts et plus-values sur valeurs et titres mobiliers, après application des réductions d'impôt fédérales qui n'ont pas encore été appliquées pour déterminer l'impôt Etat réduit et, le cas échéant après application de l'article 5/3, § 1er, 1°, constitue "l'impôt des personnes physiques fédéral" au sens de la présente loi.
   § 4. L'instauration de l'impôt des personnes physiques régional ne peut porter préjudice au droit des communes et des agglomérations de communes de percevoir des taxes additionnelles.
   § 5. Seule l'autorité fédérale est compétente pour les dispositions en matière de précompte mobilier et professionnel et pour le service de l'impôt des personnes physiques.
   De l'ensemble des revenus nets, seules les rentes alimentaires peuvent être déduites dans les limites et aux conditions déterminées par le Code des impôts sur les revenus 1992.
   Sans préjudice de l'article 5/5, § 4, l'autorité fédérale peut mettre en oeuvre des réductions d'impôt sans aucune restriction.]1

  
Art. 5/2. [1 § 1. De gereduceerde belasting Staat is de belasting Staat verminderd met een bedrag dat gelijk is aan de belasting Staat vermenigvuldigd met de autonomiefactor.
   De autonomiefactor is gelijk aan 25,990 % voor de aanslagjaren 2015, 2016 en 2017.
   Voor aanslagjaar 2018 en voor de volgende aanslagjaren is de autonomiefactor gelijk aan de verhouding tussen :
   1° in de teller :
   A+B-C waarin :
   A = het voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag krachtens artikel 33 voor de drie gewesten samen;
   B = het voor het begrotingsjaar 2015 toegekende bedrag krachtens artikel 35decies voor de drie gewesten samen, vermenigvuldigd met 4/6;
   C = een bedrag dat als volgt wordt berekend :
   a) voor elk gewest wordt het bedrag dat met toepassing van artikel 33 voor het begrotingsjaar 2015 wordt bekomen, uitgedrukt in een percentage van het bedrag dat met toepassing van datzelfde artikel voor hetzelfde begrotingsjaar wordt bekomen voor de drie gewesten samen; dat percentage wordt hierna "PB-sleutel" genoemd;
   b) voor elk gewest wordt het bedrag dat met toepassing van artikel 33bis voor het begrotingsjaar 2015 wordt bekomen, gedeeld door zijn PB-sleutel;
   C is gelijk aan het kleinste van deze bedragen;
   2° in de noemer :
   de belasting Staat van het aanslagjaar 2015 op basis van de tot en met 31 december 2016 geïnde ontvangsten.
   De autonomiefactor wordt uitgedrukt in procent en wordt afgerond op de hogere of lagere derde decimaal naargelang het cijfer van de vierde decimaal al of niet 5 bereikt.
   De in het derde en vierde lid bedoelde autonomiefactor wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen op grond van de in artikel 81ter bedoelde verslagen van het Rekenhof.
   § 2. De belasting Staat wordt bekomen door met toepassing van de federale fiscale wetgeving achtereenvolgens :
   1° het belastbaar inkomen te bepalen waarvan een deel gezamenlijk belastbaar is en een deel afzonderlijk belastbaar is;
   2° de basisbelasting te bepalen door op het gezamenlijk belastbaar inkomen het belastingtarief van de personenbelasting toe te passen;
   3° de om te slane belasting te bepalen door de basisbelasting te verminderen met de belasting op de belastingvrije som;
   4° de hoofdsom te bepalen door op de om te slane belasting de volgende verminderingen toe te passen :
   a) de vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten;
   b) de vermindering voor inkomsten uit het buitenland;
   5° de totale belasting op de afzonderlijk belaste inkomsten te bepalen door op die inkomsten de overeenstemmende belastingtarieven toe te passen;
   6° de in het 4° bedoelde hoofdsom en de in het 5° bedoelde totale belasting op afzonderlijk belaste inkomsten samen te voegen;
   7° het in 6° bekomen totaal te verminderen met de belasting die betrekking heeft op de dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels.]1

  
Art. 5/2. [1 § 1er. L'impôt Etat réduit est l'impôt Etat diminué d'un montant égal à l'impôt Etat multiplié par le facteur d'autonomie.
   Le facteur d'autonomie est égal à 25,990 % pour les exercices d'imposition 2015, 2016 et 2017.
   Pour l'exercice d'imposition 2018 et pour les exercices suivants, le facteur d'autonomie est égal au rapport entre :
   1° au numérateur :
   A+B-C où :
   A = le montant prévu pour l'année budgétaire 2015 en vertu de l'article 33 pour les trois régions réunies;
   B = le montant accordé pour l'année budgétaire 2015 en vertu de l'article 35decies pour les trois régions réunies multiplié par 4/6;
   C = un montant calculé comme suit :
   a) pour chaque région, le montant obtenu en application de l'article 33 pour l'année budgétaire 2015 est exprimé en pourcentage du montant obtenu en application de ce même article pour la même année budgétaire pour les trois régions réunies; ce pourcentage est appelé ci-après : "clé IPP";
   b) pour chaque région, le montant obtenu en application de l'article 33bis pour l'année budgétaire 2015 est divisé par sa clé IPP;
   C est égal au plus petit de ces montants;
   2° au dénominateur :
   l'impôt Etat de l'exercice d'imposition 2015 sur la base des recettes perçues jusqu'au 31 décembre 2016.
   Le facteur d'autonomie est exprimé en pourcent et arrondi à la troisième décimale supérieure ou inférieure selon que le chiffre de la quatrième décimale atteint ou non 5.
   Le facteur d'autonomie visé aux alinéas 3 et 4, est déterminé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les gouvernements des régions sur la base des rapports de la Cour des comptes visés à l'article 81ter.
   § 2. Pour obtenir l'impôt Etat, il faut successivement en appliquant la législation fiscale fédérale :
   1° déterminer le revenu imposable dont une partie est imposable globalement et une partie est imposable distinctement;
   2° déterminer l'impôt de base en appliquant les barèmes de l'impôt des personnes physiques au revenu imposable globalement;
   3° déterminer l'impôt à répartir en diminuant l'impôt de base de l'impôt afférent à la quotité du revenu exemptée d'impôt;
   4° déterminer le principal en appliquant à l'impôt à répartir les réductions suivantes :
   a) la réduction pour pensions et revenus de remplacement;
   b) la réduction pour revenus d'origine étrangère;
   5° déterminer l'impôt total sur les revenus imposés distinctement en appliquant à ces revenus les taux d'impôt correspondants;
   6° additionner le principal visé au 4° et l'impôt total sur les revenus imposés distinctement visé au 5° ;
   7° diminuer le total obtenu au 6° de l'impôt afférent aux dividendes, intérêts, redevances, lots afférents aux titres d'emprunts et plus-values sur valeurs et titres mobiliers.]1

  
Art. 5/3. [1 § 1. In geval van een overschot van federale of gewestelijke belastingverminderingen :
   1° bepaalt de federale overheid of het overschot van een federale belastingvermindering kan verrekend worden op het saldo dat overblijft van de gewestelijke opcentiemen en vermeerderingen na aanrekening van de gewestelijke kortingen en belastingverminderingen;
   2° bepaalt elk gewest of het overschot van een gewestelijke korting of belastingvermindering kan worden verrekend op het saldo dat overblijft van de federale belasting na aanrekening van de federale belastingverminderingen.
   § 2. Na toepassing van § 1 vormt de optelling van de federale personenbelasting en de gewestelijke personenbelasting de totale belasting.
   De totale belasting wordt achtereenvolgens :
   1° verhoogd met de federale belastingvermeerderingen;
   2° verminderd met de federale verrekenbare, niet terugbetaalbare bestanddelen;
   3° verminderd met de federale en gewestelijke terugbetaalbare belastingkredieten;
   4° verminderd met federale verrekenbare en terugbetaalbare bestanddelen;
   5° verhoogd met de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting en de aanvullende agglomeratiebelasting op de personenbelasting.]1

  
Art. 5/3. [1 § 1er. Dans le cas d'un excédent de réductions d'impôt fédérales ou régionales :
   1° l'autorité fédérale détermine si l'excédent d'une réduction d'impôt fédérale peut être imputé sur le solde des additionnels régionaux et des augmentations d'impôt régionales après imputation des diminutions et réductions d'impôt régionales;
   2° chaque région détermine si l'excédent d'une diminution ou réduction d'impôt régionale peut être imputé sur le solde de l'impôt fédéral après imputation des réductions d'impôt fédérales.
   § 2. Après application du § 1er, la somme de l'impôt des personnes physiques fédéral et de l'impôt des personnes physiques régional constitue l'impôt total.
   L'impôt total est successivement :
   1° majoré des augmentations fédérales;
   2° diminué des éléments fédéraux imputables non remboursables;
   3° diminué des crédits d'impôt fédéraux et régionaux remboursables;
   4° diminué des éléments fédéraux imputables et remboursables;
   5° majoré de la taxe communale additionnelle à l'impôt des personnes physiques et de la taxe d'agglomération additionnelle à l'impôt des personnes physiques.]1

  
Art. 5/4. [1 § 1. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde opcentiemen zijn proportioneel en al dan niet gedifferentieerd per belastingschijf.
   § 2. In geval van toepassing van gedifferentieerde opcentiemen, voor de gezamenlijk belaste inkomsten, wordt als volgt te werk gegaan :
   1° de basisbelasting wordt berekend op het gezamenlijk belastbaar inkomen overeenkomstig artikel 5/2, § 2, 2° ;
   2° de aldus berekende basisbelasting wordt omgedeeld in gewestelijke belastingschijven;
   3° de belasting op de belastingvrije som en de vermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten worden afgetrokken van de basisbelasting berekend op het gezamenlijk belastbaar inkomen, te beginnen met de laagste belastingschijf;
   4° de vermindering voor inkomsten uit het buitenland wordt proportioneel aangerekend op de bij toepassing van de bepalingen onder 1° tot 3° vastgestelde belastingschijven.
   Vervolgens wordt de belasting die betrekking heeft op de gezamenlijke belaste dividenden, intresten, royalty's, loten van effecten van leningen en meerwaarden op roerende waarden en titels afgetrokken te beginnen met de hoogste belastingschijf.
   Tot slot wordt het bedrag van iedere belastingschijf verminderd met een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van die belastingschijf vermenigvuldigd met de autonomiefactor bedoeld in artikel 5/2, § 1, tweede of derde lid, naargelang het geval.
   § 3. In geval van toepassing van gedifferentieerde opcentiemen is het tarief van de opcentiemen op de belasting met betrekking tot de afzonderlijk belaste inkomsten :
   1° eenvormig, dit wil zeggen zonder differentiëring volgens de aard of het bedrag van de afzonderlijk belaste inkomsten;
   2° uniek, dit wil zeggen één enkel tarief ongeacht het federale belastingtarief op die inkomsten;
   3° niet lager dan het tarief dat op de gewestelijke belastingschijf wordt toegepast waarvoor de geraamde ontvangst van de gewestelijke personenbelasting het hoogste is.
   De aldus vastgestelde opcentiemen worden toegepast op het deel van de belasting in de gereduceerde belasting Staat dat betrekking heeft op afzonderlijk belaste inkomsten.]1

  
Art. 5/4. [1 § 1er. Les centimes additionnels visés à l'article 5/1, § 1er, alinéa 1er, 1°, sont proportionnels et différenciés ou non par tranche d'impôt.
   § 2. En cas d'application de centimes additionnels différenciés, pour les revenus imposés globalement, il est procédé comme suit :
   1° l'impôt de base est calculé sur le revenu imposable globalement conformément à l'article 5/2, § 2, 2° ;
   2° l'impôt de base ainsi calculé est réparti entre les tranches d'impôt régionales;
   3° l'impôt afférent à la quotité du revenu exemptée d'impôt et la réduction pour pensions et revenus de remplacement sont soustraits de l'impôt de base calculé sur le revenu imposable globalement, en commençant par la tranche d'impôt la plus basse;
   4° la réduction pour les revenus d'origine étrangère est imputée proportionnellement sur les tranches d'impôt déterminées en application des 1° à 3°.
   Ensuite, l'impôt afférent aux dividendes, intérêts, redevances, lots afférents aux titres d'emprunts et plus-values sur valeurs et titres mobiliers imposés globalement est déduit, en commençant par la tranche d'impôt la plus élevée.
   Enfin, le montant de chaque tranche d'impôt est diminuée d'un montant égal au montant de cette tranche d'impôt multiplié par le facteur d'autonomie visé à l'article 5/2, § 1er, alinéa 2 ou 3, selon le cas.
   § 3. En cas d'application de centimes additionnels différenciés, le taux des centimes additionnels sur l'impôt afférent aux revenus imposés distinctement :
   1° est uniforme, c'est-à-dire sans différenciation selon la nature ou le montant des revenus imposés distinctement;
   2° est unique, c'est-à-dire un seul taux quel que soit le taux d'imposition fédéral sur ces revenus;
   3° n'est pas inférieur au taux qui est appliqué sur la tranche d'impôt régionale pour laquelle la recette estimée de l'impôt des personnes physiques régional est la plus élevée.
   Les centimes additionnels ainsi déterminés sont appliqués sur la partie de l'impôt Etat réduit afférente aux revenus imposés distinctement.]1

  
Art. 5/5. [1 § 1. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde kortingen zijn forfaitaire kortingen die worden toegepast op alle personen die personenbelasting verschuldigd zijn in het desbetreffende gewest.
   § 2. De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde belastingverminderingen zijn :
   1° verbonden aan de materiële bevoegdheden van de gewesten;
   2° proportioneel of forfaitair.
   De in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde belastingvermeerderingen zijn :
   1° verbonden aan de materiële bevoegdheden van de gewesten;
   2° proportioneel.
   § 3. De in artikel 5/1, § 1, derde lid, bedoelde belastingkredieten zijn :
   1° verbonden aan de materiële bevoegdheden van de gewesten;
   2° proportioneel of forfaitair.
   § 4. De gewesten zijn exclusief bevoegd voor de belastingverminderingen en belastingkredieten met betrekking tot de volgende uitgaven :
   1° uitgaven voor het verwerven of het behouden van de eigen woning;
   2° uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand;
   3° uitgaven voor onderhoud en restauratie van beschermde monumenten en landschappen;
   4° uitgaven betaald voor prestaties in het kader van plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen en voor prestaties betaald met dienstencheques andere dan sociale dienstencheques;
   5° energiebesparende uitgaven in een woning met uitzondering van de interesten die betrekking hebben op leningovereenkomsten als bedoeld in artikel 2 van de economische herstelwet van 27 maart 2009;
   6° uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid;
   7° uitgaven gedaan voor vernieuwing van tegen een redelijke huurprijs in huur gegeven woningen.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 1°, is de eigen woning de woning die de belastingplichtige als eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker tijdens het belastbare tijdperk :
   1° ofwel zelf betrekt;
   2° ofwel niet zelf betrekt om één van volgende redenen :
   a) beroepsredenen;
   b) redenen van sociale aard;
   c) wettelijke of contractuele belemmeringen die het de belastingplichtige onmogelijk maken om de woning zelf te betrekken;
   d) de stand van de bouwwerkzaamheden of van de verbouwingswerkzaamheden die het de belastingplichtige niet toelaten de woning daadwerkelijk te betrekken.
   De eigen woning omvat niet het deel van de woning dat tijdens het belastbare tijdperk :
   a) wordt gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige of van één van zijn gezinsleden;
   of
   b) in de in het tweede lid, 1° en 2°, a) en b), bedoelde gevallen wordt betrokken door personen die geen deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige.
   Wanneer een belastingplichtige meer dan één woning betrekt, wordt de woning waar zijn fiscale woonplaats is gevestigd als de eigen woning beschouwd.
   Wanneer een belastingplichtige zowel een woning bezit bedoeld in het tweede lid, 1°, als een woning bedoeld in het tweede lid, 2°, wordt de woning die hij zelf betrekt als de eigen woning beschouwd.
   Wanneer een belastingplichtige enkel woningen bezit bedoeld in het tweede lid, 2°, wijst hij de woning aan die hij als de eigen woning beschouwt. Die keuze is onherroepelijk tot op het moment dat de belastingplichtige ofwel een woning zelf betrekt ofwel niet langer het bezit van de aangeduide woning heeft.
   Voor gehuwde belastingplichtigen of wettelijk samenwonenden kan slechts één woning als de eigen woning worden beschouwd. Het tweede tot het zesde lid worden voor de beide belastingplichtigen samen toegepast.
   Bij wijziging tijdens het belastbaar tijdperk wordt de kwalificatie of een woning een eigen woning is, van dag tot dag beoordeeld.]1

  
Art. 5/5. [1 § 1er. Les diminutions d'impôt visées à l'article 5/1, § 1er, alinéa 1er, 2°, sont des diminutions forfaitaires applicables à toutes les personnes soumises à l'impôt des personnes physiques dans la région concernée.
   § 2. Les réductions d'impôt visées à l'article 5/1, § 1er, alinéa 1er, 2°, sont :
   1° liées aux compétences matérielles des régions;
   2° proportionnelles ou forfaitaires.
   Les augmentations d'impôt visées à l'article 5/1, § 1er, alinéa 1er, 2°, sont :
   1° liées aux compétences matérielles des régions;
   2° proportionnelles.
   § 3. Les crédits d'impôt visés à l'article 5/1, § 1er, alinéa 3, sont :
   1° liés aux compétences matérielles des régions;
   2° proportionnels ou forfaitaires.
   § 4. Seules les régions sont compétentes pour les réductions d'impôt et les crédits d'impôt relatifs aux dépenses suivantes :
   1° les dépenses en vue d'acquérir ou de conserver l'habitation propre;
   2° les dépenses de sécurisation des habitations contre le vol ou l'incendie;
   3° les dépenses pour l'entretien et la restauration de monuments et sites classés;
   4° les dépenses payées pour des prestations dans le cadre des agences locales pour l'emploi et pour des prestations payées avec des titres-services autres que des titres-services sociaux;
   5° les dépenses faites en vue d'économiser l'énergie dans une habitation à l'exclusion des intérêts qui se rapportent à des contrats de prêt visés à l'article 2 de la loi de relance économique du 27 mars 2009;
   6° les dépenses de rénovation d'habitations situées dans une zone d'action positive des grandes villes;
   7° les dépenses de rénovation d'habitations données en location à un loyer modéré.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, 1°, l'habitation propre est l'habitation que le contribuable, en tant que propriétaire, possesseur, emphytéote, superficiaire ou usufruitier, pendant la période imposable :
   1° soit occupe personnellement;
   2° soit n'occupe pas personnellement pour un des motifs suivants :
   a) raisons professionnelles;
   b) raisons sociales;
   c) entraves légales ou contractuelles qui rendent impossible l'occupation de l'habitation par le contribuable lui-même;
   d) état d'avancement des travaux de construction ou de rénovation qui ne permettent pas au contribuable d'occuper effectivement l'habitation.
   L'habitation propre ne comprend pas la partie de l'habitation qui, pendant la période imposable :
   a) est affectée à l'exercice de l'activité professionnelle du contribuable ou d'un des membres de son ménage;
   ou
   b) dans les cas visés à l'alinéa 2, 1° et 2°, a) et b), est occupée par des personnes ne faisant pas partie du ménage du contribuable.
   Lorsqu'un contribuable occupe plus d'une habitation, l'habitation où son domicile fiscal est établi, est considérée comme l'habitation propre.
   Lorsqu'un contribuable possède tant une habitation visée à l'alinéa 2, 1°, qu'une habitation visée à l'alinéa 2, 2°, l'habitation qu'il occupe personnellement est considérée comme l'habitation propre.
   Lorsqu'un contribuable ne possède que des habitations visées à l'alinéa 2, 2°, il désigne l'habitation qu'il considère comme l'habitation propre. Ce choix est irrévocable jusqu'au moment où le contribuable, soit occupe personnellement une habitation, soit ne possède plus l'habitation désignée.
   Pour les contribuables mariés ou les cohabitants légaux, une seule habitation peut être considérée comme l'habitation propre. Les alinéas 2 à 6 sont applicables aux deux contribuables considérés ensemble.
   En cas de modification durant la période imposable, la qualification d'une habitation comme étant l'habitation propre s'apprécie de jour en jour.]1

  
Art. 5/6. [1 § 1. De uitoefening van de bevoegdheden van de gewesten met betrekking tot de opcentiemen, de kortingen, de belastingverminderingen of-vermeerderingen en de belastingkredieten gebeurt zonder vermindering van de progressiviteit van de personenbelasting. Het principe van de progressiviteit wordt begrepen als volgt : naarmate de in artikel 5/2, § 2, 2°, bedoelde basisbelasting stijgt, mag de verhouding tussen het bedrag van de opcentiemen en belastingvermeerderingen tot de basisbelasting niet afnemen en de verhouding tussen het bedrag van de kortingen, belastingverminderingen en belastingkredieten tot de basisbelasting niet toenemen.
   § 2. Wanneer de gewesten de opcentiemen differentiëren per belastingschijf, mag het tarief van de gewestelijke opcentiemen afwijken van § 1 op voorwaarde dat :
   1° het gewestelijke opcentiementarief op een belastingschijf niet lager is dan 90 % van het hoogste gewestelijke opcentiementarief van alle lagere belastingschijven;
   en
   2° het belastingvoordeel per belastingplichtige ingevolge de afwijking op de progressiviteitsregel niet meer dan 1.000 euro per jaar bedraagt.
   Het al of niet overschrijden van de grens van 1.000 euro wordt berekend door het verschil te maken tussen het bedrag van de gewestelijke personenbelasting berekend volgens het barema dat het gewest wenst toe te passen en het bedrag van de gewestelijke personenbelasting berekend door de percentages van de belastingschijven die niet overeenstemmen met de progressiviteitsregel te vervangen door de percentages die zouden moeten worden toegepast opdat de voornoemde progressiviteitsregel wordt nageleefd.
   Dit bedrag van 1.000 euro wordt jaarlijks aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. De aanpassing wordt verwezenlijkt met de coëfficiënt die wordt verkregen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar dat het jaar van de inkomsten voorafgaat, te delen door het gemiddelde van de indexcijfers van het jaar 2013. Na de toepassing van de coëfficiënt worden de bedragen afgerond tot het hogere of lagere veelvoud van 10 euro naargelang het cijfer van de eenheden al dan niet 5 bereikt.
   § 3. Voor contracten die zijn afgesloten vóór 1 januari 2015 en die verband houden met uitgaven als bedoeld in artikel 5/5, § 4, eerste lid, 1°, mogen de gewesten een belastingvermindering blijven toepassen die afwijkt van de in § 1 bedoelde progressiviteitsregel. Deze afwijking geldt tot wanneer het gewest zelf beslist om het toe te passen tarief van de belastingvermindering te wijzigen.]1

  
Art. 5/6. [1 § 1er. Les régions exercent leurs compétences en matière de centimes additionnels, de diminutions, réductions ou augmentations d'impôt et de crédits d'impôt sans réduire la progressivité de l'impôt des personnes physiques. Le principe de progressivité se comprend comme suit : à mesure que l'impôt de base visé à l'article 5/2, § 2, 2°, augmente, le rapport entre le montant des centimes additionnels et augmentations d'impôt et celui de l'impôt de base, ne peut diminuer et le rapport entre le montant des diminutions, réductions et crédits d'impôt et celui de l'impôt de base ne peut augmenter.
   § 2. Lorsque les régions différencient les centimes additionnels par tranche d'impôt, le barème des centimes additionnels régionaux peut déroger au § 1er pour autant :
   1° que le taux du centime additionnel régional sur une tranche d'impôt ne soit pas inférieur à 90 % du taux du centime additionnel régional le plus élevé parmi les tranches d'impôt inférieures;
   et
   2° que l'avantage fiscal par contribuable résultant de la dérogation à la règle de progressivité ne soit pas supérieur à 1.000 euros par an.
   Le dépassement ou non de la limite de 1.000 euros est calculé en faisant la différence entre le montant de l'impôt des personnes physiques régional selon le barème que la région veut appliquer et le montant de l'impôt des personnes physiques régional calculé en remplaçant les taux des tranches d'impôt non conformes à la règle de progressivité par les taux qui devraient être établis pour que la règle de progressivité soit respectée.
   Ce montant de 1.000 euros est adapté annuellement à l'indice des prix à la consommation du Royaume. L'adaptation est réalisée au moyen du coefficient qui est obtenu en divisant la moyenne des indices des prix de l'année qui précède celle des revenus par la moyenne des indices des prix de l'année 2013. Après application du coefficient, les montants sont arrondis au multiple de 10 euros supérieur ou inférieur selon que le chiffre des unités atteint ou non 5.
   § 3. Pour les contrats conclus avant le 1er janvier 2015 et relatifs aux dépenses visées à l'article 5/5, § 4, alinéa 1er, 1°, les régions peuvent continuer à appliquer une réduction d'impôt qui s'écarte de la règle de progressivité visée au § 1er. Cette dérogation reste valable jusqu'à ce que la région décide elle-même de modifier le taux de la réduction d'impôt à appliquer.]1

  
Art. 5/7. [1 De ontwerpen en de voorstellen van een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel die aangelegenheden regelen als bedoeld in artikel 5/6 worden, naargelang het geval, vóór neerlegging in het betrokken parlement of na goedkeuring in de bevoegde commissie van het betrokken parlement medegedeeld, voor advies omtrent de technische uitvoerbaarheid, aan de federale regering, aan de andere gewestregeringen en, voor advies omtrent het respect van het in artikel 1ter, eerste lid, 1°, bedoelde principe, aan het Rekenhof. Hetzelfde geldt voor de amendementen die zijn goedgekeurd.
   De overlegprocedure met betrekking tot de technische uitvoerbaarheid van de invoering van gedifferentieerde opcentiemen of van in artikel 5/1, § 1, bedoelde kortingen, belastingverminderingen of -vermeerderingen, of belastingkredieten wordt bepaald in het in artikel 1bis bedoelde samenwerkingsakkoord.
   De aan het Rekenhof overgezonden ontwerpen en voorstellen zijn in voldoende mate cijfermatig onderbouwd. De algemene vergadering van het Rekenhof geeft binnen een maand na ontvangst van het ontwerp of voorstel, in het kader van het respect van het in artikel 1ter, eerste lid, 1°, bedoelde principe, een gedocumenteerd en met redenen omkleed advies over de naleving van het principe inzake progressiviteit, als bedoeld in artikel 5/6. Dit advies wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.
   In het kader van zijn in het derde lid bedoelde adviesverstrekking ontwikkelt het Rekenhof een transparant en uniform evaluatiemodel in akkoord met de federale regering en de gewestregeringen.
   Het Rekenhof stelt elk jaar een rapport op dat analoog is aan het in het derde lid bedoelde advies en dat betrekking heeft op de weerslag, tijdens het vorige aanslagjaar, van de van kracht zijnde gewestelijke fiscale maatregelen. Dit rapport wordt medegedeeld aan de federale regering en de gewestregeringen.]1

  
Art. 5/7. [1 Les projets et les propositions d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution qui règlent des matières visées à l'article 5/6 sont, selon le cas avant dépôt devant le parlement concerné ou après approbation par la commission compétente du parlement concerné, communiqués, pour avis concernant l'applicabilité technique, au gouvernement fédéral, aux autres gouvernements régionaux et, pour avis concernant le principe visé à l'article 1erter, alinéa 1er, 1°, à la Cour des comptes. Il en est de même pour les amendements adoptés.
   La procédure de concertation concernant l'applicabilité technique de l'instauration de centimes additionnels différenciés ou de diminutions, réductions ou augmentations d'impôt ou de crédits d'impôt, visés à l'article 5/1, § 1er, est fixée dans l'accord de coopération visé à l'article 1erbis.
   Les projets et propositions transmis à la Cour des comptes sont appuyés des données chiffrées suffisantes. L'assemblée générale de la Cour des comptes émet dans le mois qui suit la réception du projet ou de la proposition, dans le cadre du respect du principe visé à l'article 1erter, alinéa 1er, 1°, un avis documenté et motivé sur le respect du principe en matière de progressivité, visé à l'article 5/6. Cet avis est communiqué au gouvernement fédéral et aux gouvernements de région.
   Dans le cadre de sa mission d'avis visée à l'alinéa 3, la Cour des comptes développe en accord avec le gouvernement fédéral et les gouvernements de région un modèle d'évaluation transparent et uniforme.
   La Cour des comptes rédige chaque année un rapport, analogue à l'avis visé à l'alinéa 3, sur l'incidence, au cours de l'exercice d'imposition précédent, des mesures fiscales régionales en vigueur. Ce rapport est communiqué au gouvernement fédéral et aux gouvernements de région.]1

  
Art. 5/8. [1 De invoering van opcentiemen, kortingen, belastingverminderingen, belastingvermeerderingen of belastingkredieten als bedoeld in artikel 5/1, § 1, wordt door de betrokken gewestregering voorafgaandelijk meegedeeld aan de federale regering en de andere gewestregeringen.]1
  
Art. 5/8. [1 L'instauration de centimes additionnels, de diminutions, réductions ou augmentations d'impôt ou de crédits d'impôt, visés à l'article 5/1, § 1er, est préalablement communiquée par le gouvernement de région concerné au gouvernement fédéral ainsi qu'aux autres gouvernements de région.]1
  
TITEL IV. - TOEGEWEZEN GEDEELTEN VAN DE OPBRENGST VAN BELASTINGEN.
TITRE IV. - DES PARTIES ATTRIBUEES DU PRODUIT D'IMPOTS.
HOOFDSTUK I. - ALGEMENE BEPALINGEN.
CHAPITRE PREMIER. - DISPOSITIONS GENERALES.
Art.6. § 1. Een gedeelde belasting is een Rijksbelasting die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven en waarvan de opbrengst geheel of gedeeltelijk aan de Gemeenschappen wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet.
  De in deze titel bedoelde gedeelde belastingen zijn :
  1° (...) <W 1993-07-16/30, art. 121, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  2° de belasting over de toegevoegde waarde;
  3° [1 de federale personenbelasting.]1
  § 2. Een samengevoegde belasting is een rijksbelasting :
  1° die op uniforme wijze over het gehele grondgebied van het Rijk wordt geheven;
  2° waarvan een bepaald gedeelte van de opbrengst aan de Gewesten wordt toegewezen overeenkomstig de bepalingen van deze wet;
  3° [1 en waarop de gewesten een aanvullende belasting kunnen heffen overeenkomstig titel III/1;]1
  (4° [1 ...]1) <W 2001-07-13/35, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 De in deze titel bedoelde samengevoegde belasting is de federale personenbelasting.]1
  
Art.6. § 1. Un impôt partagé est un impôt national perçu d'une manière uniforme sur tout le territoire du Royaume et dont le produit est en tout ou en partie attribué aux Communautés conformément aux dispositions de la présente loi.
  Les impôts partagés visés au présent titre sont :
  1° (...) <L 1993-07-16/30, art. 121, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  2° la taxe sur la valeur ajoutée;
  3° [1 l'impôt des personnes physiques fédéral.]1
  § 2. Un impôt conjoint est un impôt national :
  1° perçu d'une manière uniforme sur tout le territoire du Royaume;
  2° dont une partie déterminée du produit est attribuée aux Régions conformément aux dispositions de la présente loi;
  3° [1 et sur lequel les régions sont autorisées à percevoir une taxe additionnelle conformément au titre III/1;]1
  (4° [1 ...]1) <L 2001-07-13/35, art. 9, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  [1 L'impôt conjoint visé au présent titre est l'impôt des personnes physiques fédéral.]1
  
Art.7. [1 Voor de toepassing van deze titel worden de volgende gegevens vastgelegd, na overleg met de gemeenschaps- en gewestregeringen, bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
   1° de ontvangsten inzake de federale personenbelasting;
   2° het aantal inwoners.
   Voor de begrotingsjaren 2014 en 2015 wordt onder ontvangsten inzake de federale personenbelasting verstaan, de ontvangsten inzake de globale belasting Staat voor de aanslagjaren 2013 en 2014 die is vastgesteld bij het verstrijken van de aanslagtermijn als bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. De globale belasting Staat is de belasting voor verrekening van de gewestelijke belastingverminderingen zoals ze voor dat aanslagjaar van toepassing zijn en die zijn genomen op basis van artikel 6, § 2, eerste lid, 4°, zoals dat artikel bestond alvorens het is gewijzigd door artikel 15 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 tot hervorming van de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, tot uitbreiding van de fiscale autonomie van de gewesten en tot financiering van de nieuwe bevoegdheden.
   Voor het begrotingsjaar 2016 en elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden de ontvangsten inzake de federale personenbelasting vastgesteld bij het verstrijken van de aanslagtermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 van het laatste gekende aanslagjaar.
   Onder het aantal inwoners wordt verstaan de toestand van de bevolking op 1 januari van het in het tweede en derde lid bedoelde aanslagjaar.]1

  
Art.7. [1 Pour l'application du présent titre, les données suivantes sont fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les gouvernements des communautés et des régions :
   1° les recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral;
   2° le nombre des habitants.
   Pour les années budgétaires 2014 et 2015, par recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral, on entend les recettes de l'impôt global de l'Etat pour les exercices d'imposition 2013 et 2014 lors de l'échéance du délai d'imposition fixé à l'article 359 de Code des impôts sur les revenus 1992. L'impôt global de l'Etat est l'impôt avant imputation des réductions d'impôt régionales telles qu'elles étaient applicables pour ledit exercice d'imposition et fixées en vertu de l'article 6, § 2, alinéa 1er, 4°, tel que cet article existait avant d'être modifié par l'article 15 de la loi spéciale du 6 janvier 2014 portant réforme du financement des communautés et des régions, élargissement de l'autonomie fiscale des régions et financement des nouvelles compétences.
   Pour l'année budgétaire 2016 et chacune des années budgétaires suivantes, les recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral sont constatées lors de l'échéance du délai d'imposition fixé à l'article 359 de Code des impôts sur les revenus 1992 du dernier exercice d'imposition connu.
   Par le nombre des habitants, on entend la situation de la population au 1er janvier de l'exercice visé aux alinéas 2 et 3.]1

  
Art. 11. <W 1993-07-16/30, art. 96, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> [3 ...]3
  (lid opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Onder voorbehoud van de bij deze wet bepaalde gevallen zijn de Gemeenschappen en de Gewesten niet gemachtigd belastingen te heffen op de materies waarop een bij deze wet bedoelde belasting wordt geheven [1 , met uitzondering van de in artikel 3, eerste lid, 10°, 11° en 12° bedoelde belastingen]1 .
Art. 11. [3 ...]3
  (alinéa abrogé) <L 2001-07-13/35, art. 14, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  Sous la réserve des cas prévus par la présente loi, les Communautés et les Régions ne sont pas autorisées à lever des impôts dans les matières qui font l'objet d'une imposition visée par la présente loi [1 , à l'exception des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10°, 11° et 12°]1 .
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 11. <W 1993-07-16/30, art. 96, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> [3 ...]3
  (lid opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 14, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Onder voorbehoud van de bij deze wet bepaalde gevallen zijn de Gemeenschappen en de Gewesten niet gemachtigd belastingen te heffen op de materies waarop een bij deze wet bedoelde belasting wordt geheven [1 , met uitzondering van de in artikel 3, eerste lid, 10°, [2 en 11°]2 bedoelde belastingen]1 .
  
Art. 11. [3 ...]3
  (alinéa abrogé) <L 2001-07-13/35, art. 14, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  Sous la réserve des cas prévus par la présente loi, les Communautés et les Régions ne sont pas autorisées à lever des impôts dans les matières qui font l'objet d'une imposition visée par la présente loi [1 , à l'exception des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 10° [2 et 11°]2 ]1 .
  
HOOFDSTUK II. - DE GEWESTEN.
CHAPITRE II. - LES REGIONS.
Afdeling 1. - Overgangsperiode.
Première section. - Période transitoire.
Art.12. § 1. De middelen per Gewest worden tijdens de overgangsperiode jaarlijks als volgt samengesteld :
  1° het in artikel 21 bedoelde eerste gedeelte middelen;
  2° het in artikel 27 bedoelde tweede gedeelte middelen;
  3° het in artikel 32 bedoelde derde gedeelte middelen;
  (3°bis voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999, het in artikel 32bis, § 3, bedoelde vierde gedeelte middelen;) <W 1993-07-16/30, art. 97, § 1, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  4° de in artikel 48 bedoelde nationale solidariteitstussenkomst.
  § 2. De middelen bedoeld in § 1, 1° (tot 3°bis), worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting. <W 1993-07-16/30, art. 97, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art.12. § 1. Pendant la période transitoire, les moyens par Région sont constitués annuellement de :
  1° la première partie des moyens visée à l'article 21;
  2° la deuxième partie des moyens visée à l'article 27;
  3° la troisième partie des moyens visée à l'article 32;
  (3°bis pour les années budgétaires 1994 à 1999 incluses, la quatrième partie des moyens visée à l'article 32bis, § 3;) <L 1993-07-16/30, art. 97, § 1, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  4° l'intervention de solidarité nationale visée à l'article 48.
  § 2. Les moyens visés au § 1er, 1° (à 3°bis), inclus sont constitués par une partie du produit de l'impôt des personnes physiques. <L 1993-07-16/30, art. 97, § 2, 002; En vigueur : 1993-07-30>
Onderafdeling 1. - Het eerste gedeelte.
Première sous-section. - La première partie.
Art.13. § 1. De berekening van het eerste gedeelte middelen geschiedt aan de hand van (drie) gegevens, waarvan het eerste steunt op de volgende basisbedragen : <W 1993-07-16/30, art. 98, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  - voor het Vlaamse Gewest : 30,7745 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 21,0463 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 10,3431 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden die bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen. In afwachting van de definitieve vaststelling van dit indexcijfer, worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer gedurende het voorgaande jaar.
  § 3. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt van de in § 1 bedoelde bedragen 97,9 % in aanmerking genomen.
  § 4. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens in twee gedeelten opgesplitst :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.
Art.13. § 1. Le calcul de la première partie des moyens est opéré en fonction de (trois) éléments, dont le premier est fondé sur les montants de base suivants : <L 1993-07-16/30, art. 98, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  - pour la Région flamande : 30,7745 milliards de francs;
  - pour la Région wallonne : 21,0463 milliards de francs;
  - pour la Région de Bruxelles-Capitale : 10,3431 milliards de francs.
  § 2. Dès l'année budgétaire 1990 ces montants sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation. En attendant la fixation définitive de cet indice, les montants sont adaptés en fonction du taux de fluctuation de l'indice moyen au cours de l'année précédente.
  § 3. Pour l'année budgétaire 1989, les montants visés au § 1er sont retenus à concurrence de 97,9 %.
  § 4. A partir de l'année budgétaire 1990, les montants obtenus en application du § 2 seront ensuite scindés en deux quotités :
  1° une quotité de 85,7 %;
  2° une quotité de 14,3 %.
Art.14. § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1990, en voor elk Gewest, wordt het met toepassing van artikel 13, § 4, 2°, bekomen gedeelte van 14,3 % in aanmerking genomen naar verhouding van negen constante opeenvolgende annuïteiten die overeenkomen met de aflossing van dat gedeelte en met de interest berekend op grond van de effectieve rentevoet van de eerste openbare lening met een langere looptijd dan vijf jaar die door de Staat in Belgische frank uitgegeven wordt tijdens het betrokken begrotingsjaar.
  Voordat die rentevoet bekend is, geschiedt de voorlopige berekening op grond van de effectieve rentevoet van de laatste openbare lening van hetzelfde type.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt bekomen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.
Art.14. § 1. Dès l'année budgétaire 1990, et pour chaque Région, la quotité de 14,3 % obtenue en application de l'article 13, § 4, 2°, est prise en considération en fonction de neuf annuités constantes consécutives correspondants à l'amortissement de cette quotité et l'intérêt calculé sur la base du taux effectif du premier emprunt public à terme de plus de cinq ans émis en francs belges par l'Etat, au cours de l'année budgétaire concernée.
  Avant que ce taux ne soit connu, le calcul provisoire est effectué sur base du taux effectif d'intérêt du dernier emprunt public du même type.
  § 2. Pour les années budgétaires 1991 à 1999 incluses, est pris comme base le montant obtenu par addition des annuités fixées conformément au § 1er pour les années budgétaires précédentes.
Art.15. § 1. De berekening van het eerste gedeelte middelen geschiedt bovendien aan de hand van een tweede gegeven waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
  - voor het Vlaamse Gewest : 19,5104 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 12,8198 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 4,8361 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 3. De met toepassing van §§ 1 en 2 bekomen bedragen worden gespreid over drie jaar in drie gelijke delen. Zij worden in aanmerking genomen voor één derde tijdens het betrokken begrotingsjaar en voor één derde tijdens elk van de twee volgende begrotingsjaren.
Art.15. § 1. Le calcul de la première partie des moyens s'effectue, en outre, en fonction d'un second élément, au départ des montants de base suivants :
  - pour la Région flamande : 19,5104 milliards de francs;
  - pour la Région wallonne : 12,8198 milliards de francs;
  - pour la Région de Bruxelles-Capitale : 4,8361 milliards de francs.
  § 2. Dès l'année budgétaire 1990, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation selon les modalités fixées à l'article 13, § 2.
  § 3. Les montants obtenus en application des §§ 1er et 2 sont répartis sur trois années en trois parts égales. Ils sont retenus pour un tiers pendant l'année budgétaire en cours et pour un tiers au cours de chacune des deux années budgétaires suivantes.
Art.16. § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1989 en voor elk Gewest wordt het globaal bedrag van de, voor het betrokken begrotingsjaar, in artikel 15, § 3, weerhouden derdedelen omgezet in tien opeenvolgende constante annuïteiten die overeenkomen met de aflossing van die delen en met de interest berekend tegen de in artikel 14, § 1, bepaalde rentevoet.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt bekomen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.
  § 3. Elk jaar worden de in § 2 bedoelde annuïteiten en die welke voortkomen uit de toepassing van artikel 14, § 2, opgeteld en in twee gedeelten opgesplitst :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.
Art.16. § 1. Dès l'année budgétaire 1989 et pour chaque Région, le montant global des fractions d'un tiers retenues à l'article 15, § 3, pour l'année budgétaire concernée est transformé en dix annuités constantes consécutives correspondant à l'amortissement de ces fractions et à l'intérêt calculé au taux prévu à l'article 14, § 1er.
  § 2. Pour les années budgétaires 1990 à 1999 incluses, est pris comme base le montant obtenu par addition des annuités fixées conformément au § 1er, pour les années budgétaires précédentes.
  § 3. Chaque année, les annuités visées au § 2 et celles qui résultent de l'application de l'article 14, § 2, sont additionnées et scindées en deux quotités :
  1° une quotité de 85,7 %;
  2° une quotité de 14,3 %.
Art. 16bis. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 99, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1993 geschiedt de berekening van het eerste gedeelte middelen bovendien aan de hand van een derde gegeven, waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
  - voor het Vlaamse Gewest : 0,3230 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 0,1673 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Grewest : 0,0403 miljard frank.
  § 2. Voor 1993 wordt er evenwel een uitzonderlijke en niet-terugkerende vermindering van 0,0548 miljard frank toegepast op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Vlaamse Gewest, van 0,0263 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Waalse Gewest en van 0,0096 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
  § 3. Vanaf het begrotingsjaar 1994 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddeld indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 4. Vanaf het begrotingsjaar 1993 worden de overeenkomstig §§ 1, 2 en 3 verkregen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 pct.;
  2° een gedeelte van 14,3 pct. "
Art. 16bis. § 1. Dès l'année budgétaire 1993 le calcul de la première partie des moyens s'effectue, en outre, en fonction d'un troisième élément, au départ des montants de base suivants :
  - pour la Région flamande : 0,3230 milliard de francs;
  - pour la Région wallonne : 0,1673 milliard de francs;
  - pour la Région de Bruxelles-Capitale : 0,0403 milliard de francs.
  § 2. Toutefois, pour l'année 1993, une réduction exceptionnelle et non récurrente de 0,0548 milliard de francs est opérée sur le montant visé au § 1er pour la Région flamande, de 0,0263 milliard de francs sur le montant visé au § 1er pour la Région wallonne et de 0,0096 milliard de francs sur le montant visé au § 1er pour la Région de Bruxelles-Capitale.
  § 3. Dès l'année budgétaire 1994, les montants visés au § 1er sont annuellement adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation selon les modalités fixées à l'article 13, § 2.
  § 4. Dès l'année budgétaire 1993, les montants obtenus conformément aux §§ 1er, 2 et 3 sont ensuite scindés en deux quotités :
  1° une quotité de 85,7 p.c.;
  2° une quotité de 14,3 p.c.
Art. 16ter. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 100, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1993, en voor elk Gewest, wordt het met toepassing van artikel 16bis, § 4, 2°, verkregen gedeelte van 14,3 pct. in aanmerking genomen naar verhouding van zes constante opeenvolgende annuïteiten die overeenkomen met de aflossing van dat gedeelte en met de interest berekend tegen de in artikel 14, § 1, bepaalde rentevoet.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt uitgegaan van het bedrag dat wordt verkregen door de overeenkomstig § 1 vastgestelde annuïteiten voor de voorgaande begrotingsjaren op te tellen.
  § 3. De overeenkomstig § 2 berekende bedragen worden opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 pct.;
  2° een gedeelte van 14,3 pct.
Art. 16ter. § 1. Dès l'année budgétaire 1993, et pour chaque Région, la quotité de 14,3 p.c. obtenue à l'article 16bis, § 4, 2°, est prise en considération en fonction de six annuités consécutives correspondant à l'amortissement de cette quotité et à l'intérêt calculé au taux prévu à l'article 14, § 1er.
  § 2. Pour les années budgétaires 1994 à 1999 incluse, est pris comme base le montant obtenu par addition, des annuités fixées conformément au § 1er pour les années budgétaires précédentes.
  § 3. Les montants calculés conformément au § 2 sont scindés en deux quotités :
  1° une quotité de 85,7 p.c.;
  2° une quotité de 14,3 p.c.
Art.17. <W 1993-07-16/30, art. 101, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> Voor elk Gewest worden de bedragen die overeenkomen met de met toepassing van de artikelen 13, § 4, 1°, en 16, § 3, 1°, en vanaf het begrotingsjaar 1993 eveneens de met toepassing van de artikelen 16bis, § 4, 1°, en 16ter, § 3, 1°, verkregen gedeelten van 85,7 pct. opgeteld. Het aldus verkregen totaal wordt verminderd met het bedrag van de in artikel 48 bedoelde nationale solidariteitstussenkomst waarop het betrokken Gewest recht heeft.
Art.17. <L 1993-07-16/30, art. 101, 002; En vigueur : 1993-07-30> Pour chacune des Régions, les montants représentant les quotités de 85,7 p.c. obtenus en application des articles 13, § 4, 1°, et 16, § 3, 1°, et à partir de l'année budgétaire 1993 également en application des articles 16bis, § 4, 1° et 16ter, § 3, 1°, sont additionnés. Le total ainsi obtenu est réduit du montant de l'intervention de solidarité nationale visée à l'article 48, à laquelle la Région concernée a droit.
Art.18. De bedragen die met toepassing van artikel 17 worden bekomen voor elk van de drie Gewesten, worden opgeteld. De verhouding van dat totaalbedrag tot de totale ontvangsten inzake personenbelasting wordt uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
  Het basisbedrag voor elk Gewest wordt verkregen door dat percentage toe te passen op het bedrag van de ontvangsten inzake personenbelasting, volgens de gewestelijke lokalisatie ervan.
Art.18. Les montants obtenus pour chacune des trois Régions en application de l'article 17 sont additionnés. Le rapport entre ce montant global et les recettes totales de l'impôt des personnes physiques est exprimé en pourcents avec cinq décimales.
  Le montant de base pour chaque Région est obtenu en appliquant ce pourcentage au montant des recettes de l'impôt des personnes physiques, selon leur localisation régionale.
Art.19. Voor elk Gewest wordt een overgangscorrectie berekend.
  Voor het begrotingsjaar 1990 is het basisbedrag van die correctie gelijk aan het verschil tussen de som die met toepassing van artikel 17 aan het Gewest toekomt en het met toepassing van artikel 18, tweede lid, bekomen basisbedrag.
  Voor het begrotingsjaar 1991 is de overgangscorrectie gelijk aan die van het begrotingsjaar 1990.
  Voor de begrotingsjaren 1992 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 12,5 punten verminderend percentage van het voor het jaar 1990 bekomen bedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art.19. Une correction de transition est calculée pour chaque Région.
  Pour l'année budgétaire 1990, le montant de base de cette correction est égal à la différence entre la somme revenant à la Région en application de l'article 17 et le montant de base obtenu en application de l'article 18, alinéa 2.
  Pour l'année budgétaire 1991 la correction de transition est égale à celle de l'année budgétaire 1990.
  Pour les années budgétaires 1992 à 1998 incluses, la correction de transition est égale au pourcentage, diminué de 12,5 points par an, du montant de la correction de transition obtenu pour l'année 1990.
  Il n'est plus appliqué de correction de transition à partir de l'année budgétaire 1999.
Art.20. § 1. (De met toepassing van de artikelen 16, § 3, 2°, en 16ter, § 3, 2°, voor elk van de drie Gewesten verkregen bedragen worden opgeteld.) <W 1993-07-16/30, art. 102, § 1, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  § 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt over de drie Gewesten verdeeld in verhouding tot de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten van de personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
  § 3. (Voor elk Gewest wordt het verschil berekend tussen het totaal van de met toepassing van de artikelen 16, § 3, 2°, en 16ter, § 3, 2°, verkregen bedragen worden enerzijds, en het met toepassing van § 2 van dit artikel verkregen resultaat anderzijds.) <W 1993-07-16/30, art. 102, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art.20. § 1. (Les montants obtenus pour chacune des trois Régions en application des articles 16, § 3, 2°, et 16ter, § 3, 2°, sont additionnés.) L 1993-07-16/30, art. 102, § 1, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  § 2. Le montant obtenu en application du § 1er est réparti entre les trois Régions au prorata des recettes localisées dans chacune des Régions de l'impôt des personnes physiques et fixées conformément à l'article 7, § 2.
  § 3. (Pour chaque Région, la différence entre d'une part le total des résultats obtenus en application des articles 16, § 3, 2°, et 16ter, § 3, 2°, et d'autre part le résultat obtenu au § 2 du présent article est calculée.) <L 1993-07-16/30, art. 102, § 2, 002; En vigueur : 1993-07-30>
Art.21. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het eerste gedeelte middelen gevormd door de overeenkomstig artikel 13, § 3, per Gewest bekomen bedragen.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt het eerste gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
  1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 18, tweede lid;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 19;
  3° het bedrag bekomen met toepassing van artikel 20, § 3.
Art.21. § 1. Pour l'année budgétaire 1989, la première partie des moyens est constituée par Région des montants obtenus conformément à l'article 13, § 3.
  § 2. Pour les années budgétaires 1990 à 1999 incluses, la première partie des moyens est constituée comme suit par Région :
  1° le montant de base obtenu en application de l'article 18, alinéa 2;
  2° le montant de la correction de transition obtenu en application de l'article 19;
  3° le montant obtenu en application de l'article 20, § 3.
Onderafdeling 2. - Het tweede gedeelte.
Sous-section 2. - La deuxième partie.
Art.22. § 1. Voor de berekening van het tweede gedeelte middelen wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
  - voor het Vlaamse Gewest : 37,0089 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 28,3451 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest 5,5293 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 3. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt van de in § 1 bedoelde bedragen 98 % in aanmerking genomen.
  § 4. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.
Art.22. § 1. Le calcul de la deuxième partie des moyens est fondé sur les montants de base suivants :
  - pour la Région flamande : 37,0089 milliards de francs;
  - pour la Région wallonne : 28,3451 milliards de francs;
  - pour la Région de Bruxelles-Capitale : 5,5293 milliards de francs.
  § 2. Dès l'année budgétaire 1990, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation selon les modalités fixées à l'article 13, § 2.
  § 3. Pour l'année budgétaire 1989, les montants visés au § 1er sont retenus à concurrence de 98 %.
  § 4. A partir de l'année budgétaire 1990, les montants obtenus en application du § 2 sont ensuite scindés en deux quotités :
  1° une quotité de 85,7 %;
  2° une quotité de 14,3 %.
Art.23. § 1. De annuïteiten van de bedragen bekomen met toepassing van artikel 22, § 4, 2°, worden jaarlijks berekend op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 1, en opgeteld op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 2.
  § 2. De overeenkomstig § 1 berekende bedragen worden opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.
Art.23. § 1. Les annuités des montants obtenus en application de l'article 22, § 4, 2°, sont calculées annuellement selon les modalités fixées à l'article 14, § 1er, et additionnées selon les modalités fixées à l'article 14, § 2.
  § 2. Les montants calculés conformément au § 1er sont scindés en deux quotités :
  1° une quotité de 85,7 %;
  2° une quotité de 14,3 %.
Art. 23bis. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 103, Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Vanaf het begrotingsjaar 1995 geschiedt de berekening van het tweede gedeelte middelen bovendien aan de hand van een tweede gegeven, waarbij wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen in het begrotingsjaar 1993 :
  - voor het Vlaamse Gewest : 0,6089 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 0,3647 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 0,5224 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1994 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddeld indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
Art. 23bis. § 1. Dès l'année budgétaire 1995, le calcul de la deuxième partie des moyens s'effectue, en outre, en fonction d'un second élément, au départ des montants de base suivants pour l'année budgétaire 1993 :
  - pour la Région flamande : 0,6089 milliard de francs;
  - pour la Région wallonne : 0,3647 milliard de francs;
  - pour la Région de Bruxelles-Capitale : 0,5224 milliard de francs.
  § 2. Dès l'année budgétaire 1994, ces montants sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation, selon les modalités fixées à l'article 13, § 2.
Art.24. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 22, § 4, 1°, en 23, § 2, 1°, worden, voor ieder Gewest, opgeteld.
  § 2. Voor ieder Gewest wordt het met toepassing van § 1 bekomen bedrag uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in het betrokken Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
  § 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gewesten gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gewesten.
Art.24. § 1. Les montants obtenus en application des articles 22, § 4, 1°, et 23, § 2, 1°, sont additionnés pour chaque Région.
  § 2. Pour chaque Région, le montant obtenu en application du § 1er est exprimé en pourcents avec cinq décimales des recettes localisées dans la Région concernée de l'impôt des personnes physiques et fixées conformément à l'article 7, § 2.
  § 3. Le pourcentage le plus élevé obtenu en application du § 2 est retenu. Ce pourcentage est appliqué aux recettes localisées dans chacune des Régions de l'impôt des personnes physiques. Les résultats ainsi obtenus constituent les montants de base pour les différentes Régions.
Art.25. § 1. Voor ieder Gewest wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 24, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 24, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 1990 is de overgangscorrectie gelijk aan 90 % van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderd percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art.25. § 1. La différence entre le résultat obtenu en application de l'article 24, § 1er, et le montant de base obtenu en application de l'article 24, § 3, est calculée annuellement pour chaque Région. Cette différence constitue le montant de base annuel de la correction de transition.
  § 2. Pour l'année budgétaire 1990, la correction de transition est égale à 90 % du montant de base de la correction de transition.
  Pour les années budgétaires 1991 à 1998 incluses, la correction de transition est égale au pourcentage, diminué de 10 points par an, du montant de base de la correction de transition obtenu pour l'année correspondante.
  Il n'est plus appliqué de correction de transition à partir de l'année budgétaire 1999.
Art.26. § 1. De met toepassing van artikel 23, § 2, 2°, voor elk van de drie Gewesten bekomen bedragen worden opgeteld.
  § 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt over de drie Gewesten verdeeld in verhouding tot de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
  § 3. Voor elk Gewest wordt het verschil berekend tussen de met toepassing van artikel 23, § 2, 2°, en van § 2 van dit artikel bekomen resultaten.
Art.26. § 1. Les montants obtenus pour chacune des trois Régions en application de l'article 23, § 2, 2°, sont additionnés.
  § 2. Le montant obtenu en application du § 1er est réparti entre les trois Régions au prorata des recettes localisées dans chaque Région de l'impôt des personnes physiques, et fixées conformément à l'article 7, § 2.
  § 3. Pour chaque Région, la différence entre les résultats obtenus en application de l'article 23, § 2, 2°, et du § 2 du présent article est calculée.
Art.27. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het tweede gedeelte middelen gevormd door de met toepassing van artikel 22, § 3, per Gewest bekomen bedragen.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met (1994) wordt het tweede gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld : <W 1993-07-16/30, art. 104, § 1, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 24, § 3;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 25, § 2;
  3° het bedrag bekomen met toepassing van artikel 26, § 3.
  § 3. (Voor de begrotingsjaren 1995 tot en met 1999 wordt het tweede gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
  1° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 23bis, § 2;
  2° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 24, § 3;
  3° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 25, § 2;
  4° het bedrag verkregen met toepassing van artikel 26, § 3.) <W 1993-07-16/30, art. 104, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Art.27. § 1. Pour l'année budgétaire 1989, la deuxième partie des moyens est constituée par Région des montants obtenus en application de l'article 22, § 3.
  § 2. Pour les années budgétaires 1990 à (1994) incluses, la deuxième partie des moyens est constituée comme suit par Région : <L 1993-07-16/30, art. 104, § 1, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  1° le montant de base obtenu en application de l'article 24, § 3;
  2° le montant de la correction de transition obtenu en application de l'article 25, § 2;
  3° le montant obtenu en application de l'article 26, § 3.
  § 3. (Pour les années budgétaires 1995 à 1999 incluses, la deuxième partie des moyens est constituée par Région comme suit :
  1° le montant obtenu en application de l'article 23bis, § 2;
  2° le montant de base obtenu en application de l'article 24, § 3;
  3° le montant de la correction de transition obtenu en application de l'article 25, § 2;
  4° le montant obtenu en application de l'article 26, § 3.) <L 1993-07-16/30, art. 104, § 2, 002; En vigueur : 1993-07-30>
Onderafdeling 3. - Het derde gedeelte.
Sous-section 3. - La troisième partie.
Art.28. § 1. Voor de berekening van het derde gedeelte middelen wordt uitgegaan van de volgende basisbedragen :
  - voor het Vlaamse Gewest : 33,8303 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 25,0478 miljard frank;
  - voor het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest : 5,5993 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 3. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden de met toepassing van § 2 bekomen bedragen vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.
Art.28. § 1. Le calcul de la troisième partie des moyens est fondé sur les montants de base suivants :
  - pour la Région flamande : 33,8303 milliards de francs;
  - pour la Région wallonne : 25,0478 milliards de francs;
  - pour la Région de Bruxelles-Capitale : 5,5993 milliards de francs.
  § 2. Dès l'année budgétaire 1990, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation, selon les modalités fixées à l'article 13, § 2.
  § 3. A partir de l'année budgétaire 1990, les montants obtenus en application du § 2 sont ensuite scindés en deux quotites :
  1° une quotité de 85,7 %;
  2° une quotité de 14,3 %.
Art.29. De annuïteiten van de bedragen bekomen met toepassing van artikel 28, § 3, 2°, worden jaarlijks berekend op dezelfde wijze als bepaald in artikel 14, § 1, en opgeteld op dezelfe wijze als bepaald in artikel 14, § 2.
Art.29. Les annuités des montants obtenus en application de l'article 28, § 3, 2°, sont calculées annuellement selon les modalités fixées à l'article 14, § 1er, et additionnées selon les modalités fixées à l'article 14, § 2.
Art.30. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 28, § 3, 1°, en artikel 29 worden voor ieder Gewest opgeteld.
  § 2. Voor ieder Gewest wordt het bedrag bekomen met toepassing van § 1 uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in het betrokken Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald overeenkomstig artikel 7, § 2.
  § 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gewesten gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gewesten.
Art.30. § 1. Les montants obtenus en application des articles 28, § 3, 1°, et 29 sont additionnés pour chaque Région.
  § 2. Pour chaque Région, le montant obtenu en application du § 1er est exprimé en pourcents avec cinq décimales des recettes localisées dans la Région concernée de l'impôt des personnes physiques, et fixées conformément à l'article 7, § 2.
  § 3. Le pourcentage le plus élevé obtenu en application du § 2 est retenu. Ce pourcentage est appliqué aux recettes localisées dans chacune des Régions de l'impôt des personnes physiques. Les résultats ainsi obtenus constituent les montants de base pour les différentes Régions.
Art.31. § 1. Voor ieder Gewest wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 30, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 30, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 1990 is de overgangscorrectie gelijk aan 90 % van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 1991 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art.31. § 1. La différence entre le résultat obtenu en application de l'article 30, § 1er, et le montant de base obtenu en application de l'article 30, § 3, est calculée annuellement pour chaque Région. Cette différence constitue le montant de base annuel de la correction de transition.
  § 2. Pour l'année budgétaire 1990, la correction de transition est égale à 90 % du montant de base de la correction de transition.
  Pour les années budgétaires 1991 à 1998 incluses, la correction de transition est égale au pourcentage, diminué de 10 points par an, du montant de base de la correction de transition obtenu pour l'année correspondante.
  Il n'est plus appliqué de correction de transition à partir de l'année budgétaire 1999.
Art.32. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt het derde gedeelte middelen gevormd door de in artikel 28, § 1, bedoelde bedragen.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1999 wordt het derde gedeelte middelen per Gewest als volgt samengesteld :
  1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 30, § 3;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 31, § 2.
Art.32. § 1. Pour l'année budgétaire 1989, la troisième partie des moyens est constituée des montants visés à l'article 28, § 1er.
  § 2. Pour les années budgétaires 1990 à 1999 incluses, la troisième partie des moyens est constituée comme suit par Région :
  1° le montant de base obtenu en application de l'article 30, § 3;
  2° le montant de la correction de transition obtenu en application de l'article 31, § 2.
Onderafdeling 4. - Het vierde gedeelte.
Sous-section 4. - La quatrième partie.
Art. 32bis. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 105, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks voor de drie Gewesten samen het totaal bepaald van :
  1° het in artikel 21 bedoelde eerste gedeelte middelen;
  2° het in artikel 27 bedoelde tweede gedeelte middelen;
  3° het in artikel 32 bedoelde derde gedeelte middelen.
  § 2. Het in § 1 verkregen totaal wordt jaarlijks vermenigvuldigd met een procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar, en vanaf het begrotingsjaar 1995 verhoogd met het voor het vorige begrotingsjaar, in § 3 voor de drie Gewesten samen in aanmerking genomen bedrag, nadat dit laatste aangepast is aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, evenals aan een procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar.
  Het in vorig lid in aanmerking te nemen procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt bedraagt :
  - in het begrotingsjaar 1994 : 10 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1995 : 15 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1996 : 20 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1997 : 70 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1998 : 75 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1999 : 97,5 pct.
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande jaar.
  § 3. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding bepaald van het in § 2 verkregen resultaat tot de totale ontvangsten inzake personenbelasting uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
  Het vierde gedeelte middelen voor elk Gewest wordt verkregen door dat percentage toe te passen op het bedrag van de ontvangsten inzake personenbelasting, volgens de Gewestelijke lokalisatie ervan.
Art. 32bis. § 1. Pour les années budgétaires 1994 à 1999 incluses, le total est déterminé annuellement, pour les trois Régions réunies, comme suit :
  1° la première partie des moyens visée à l'article 21;
  2° la deuxième partie des moyens visée à l'article 27;
  3° la troisième partie des moyens visée à l'article 32.
  § 2. Le total obtenu en application du § 1er est multiplié annuellement par un pourcentage de la croissance réelle du produit national brut de l'année budgétaire en question, et, à partir de l'année budgétaire 1995, majoré du montant obtenu au § 3 pendant l'année budgétaire précédente, pour les trois Régions réunies, tel qu'adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation, ainsi qu'à un pourcentage de la croissance réelle du produit national brut de l'année budgétaire en question.
  Le pourcentage de la croissance réelle du produit national brut à prendre en considération à l'alinéa précédent, s'élève :
  - pour l'année budgétaire 1994 à 10 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1995 à 15 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1996 à 20 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1997 à 70 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1998 à 75 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1999 à 97,5 p.c.
  En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du produit national brut, l'adaptation se fait en fonction du taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du produit national brut de l'année précédente.
  § 3. Pour les années budgétaires 1994 à 1999 incluses, le rapport entre le résultat obtenu au § 2 et les recettes totales de l'impôt des personnes physiques est exprimé en pour cent avec cinq décimales.
  La quatrième partie des moyens pour chaque Région est obtenue en appliquant ce pourcentage au montant des recettes de l'impôt des personnes physiques, selon leur localisation régionale.
Afdeling 2. - Definitief stelsel.
Section 2. - Du régime définitif.
Art.33. § 1. [1 Voor de vaststelling van de bedragen voor elk van de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor, wordt uitgegaan van de middelen per gewest van het voorgaande begrotingsjaar, na aftrek van de aan het betrokken gewest toegekende nationale solidariteitstussenkomst en de in artikel 34, § 1, eerste lid, 2°, bedoelde vermindering per gewest.]1
  § 2. (Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar.
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 16, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2bis. (Indien het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse reële groei van het bruto nationaal produkt tijdens de periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2 pct., wordt het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag opnieuw bepaald, doch op basis van een uniforme reële groei van 2 pct. tijdens de begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.
  Indien het verschil tussen het in vorig lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag meer dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 een bedrag in aanmerking genomen gelijk aan het op basis van § 2 voor het begrotingsjaar 2005 verkregen bedrag, vermeerderd met 0,25 pct. van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 verkregen bedrag.
  Indien het verschil tussen het in het eerste lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag minder dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 het in het eerste lid bepaalde bedrag in aanmerking genomen.) <W 1993-07-16/30, art. 106, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  § 3. (Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of, in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in aanmerking genomen bedrag, voor de drie Gewesten samen uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de totale ontvangsten inzake personenbelasting.) <W 1993-07-16/30, art. 107, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  § 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de in elk Gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.
  
Art.33. § 1. [1 Pour chacune des années budgétaires 2000 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de transition visé à l'article 48/1 et du facteur d'autonomie visé à l'article 5/2, § 1er, la fixation des montants s'effectue sur la base des moyens par région de l'année budgétaire précédente, après déduction de l'intervention de solidarité nationale attribuée à la région concernée et de la diminution par région visée à l'article 34, § 1er, alinéa 1er, 2°.]1
  § 2. (Ces montants sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée.
  En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1, les montants sont adaptés au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du [1 produit intérieur brut]1 de année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.) <L 2001-07-13/35, art. 16, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2bis. (Si la moyenne arithmétique de la croissance annuelle réelle du produit national brut au cours de la période 1993 à 2004 inclusivement est inférieure à 2 p.c., le montant déterminé au § 2 pour l'année budgétaire 2005 sera à nouveau détermine, mais cette fois sur la base d'une croissance réelle uniforme de 2 p.c. au cours des années budgétaires 1993 à 2005 incluse.
  Si la différence entre le montant déterminé à l'alinéa précédent et le montant déterminé au § 2 pour l'année budgétaire 2005 dépasse 0,25 p.c. du montant déterminé sur la base du § 2 pour l'année budgétaire 2004, un montant sera retenu, pour l'année budgétaire 2005, égal au montant obtenu sur la base du § 2 pour l'année budgétaire 2005, majoré de 0,25 p.c. du montant obtenu pour l'année budgétaire 2004 sur la base du § 2.
  Si la différence entre le montant déterminé à l'alinéa premier et le montant déterminé au § 2 pour l'année budgétaire 2005 est inférieure à 0,25 p.c. du montant déterminé sur la base du § 2 pour l'année budgétaire 2004, le montant déterminé à l'alinéa premier sera retenu pour l'année budgétaire 2005.) <L 1993-07-16/30, art. 106, § 2, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  § 3. (Chaque année, le montant obtenu au § 2 ou, le cas échéant, le montant retenu pour l'année budgétaire 2005 au § 2bis, pour les trois Régions réunies, est exprimé annuellement en pour cent avec cinq décimales des recettes totales de l'impôt des personnes physiques.) <L 1993-07-16/30, art. 107, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  § 4. Le pourcentage ainsi obtenu est appliqué annuellement aux recettes localisées dans chacune des Régions de l'impôt des personnes physiques.
  
Art. 33bis. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 17; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. De met toepassing van artikel 33, § 4, verkregen bedragen worden [1 voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor,]1 jaarlijks verminderd met een bedrag bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in Ministerraad en na voorafgaand overleg met de gewestregeringen.
  Het in het eerste lid bedoelde bedrag stemt overeen met de som van :
  1° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°;
  2° de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten zoals bedoeld in artikel 4, § 5, in de mate dat deze laatste tot en met het begrotingsjaar 2001 nog niet aan de gewesten werden toegewezen;
  3° 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting;
  4° de gemiddelde netto-ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belasting zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 9°.
  De met toepassing van de 1° tot 3° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto nationaal inkomen op de wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
  De met toepassing van de 4° van het tweede lid verkregen bedrag van de vermindering wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 2002 wordt voor elk gewest vertrokken van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde belastingen zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, 7° tot 8° en 10° tot 12°, en van 58,592 % van de gemiddelde ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001, die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, van de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de in artikel 3, eerste lid, 6°, bedoelde belasting.
  De met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor,]1 worden voor elk gewest de met toepassing van het eerste lid verkregen bedragen voor elke belasting aangepast aan de evolutie van de ontvangsten bij ongewijzigd beleid. Deze aangepaste bedragen per belasting worden voor elk gewest opgeteld.
  Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2012 wordt jaarlijks voor elk gewest het verschil berekend tussen het bedrag verkregen met toepassing van het tweede lid en het bedrag verkregen met toepassing van het derde lid.
  Het met toepassing van het vierde lid verkregen verschil, zo dit positief is, vormt jaarlijks het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2007 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan 100 % van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie voor het betrokken gewest.
  Voor de begrotingsjaren 2008 tot en met 2012 is voor elk gewest de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 16,67 punten verminderend percentage van het voor het overeenstemmend jaar verkregen basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 2013 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ontvangsten bij ongewijzigd beleid verstaan de werkelijke ontvangsten tenzij deze beïnvloed zijn door het betrokken gewest in het kader van de uitoefening van zijn fiscale bevoegdheden met betrekking tot de betrokken belasting. In dat geval gebeurt de jaarlijkse aanpassing bedoeld in het derde lid aan de hand van bij wet per belasting vastgestelde objectieve criteria. Het betrokken wetsontwerp wordt vóór 1 januari 2002 ingediend bij de Kamer.
  Het met toepassing van deze paragraaf per gewest verkregen bedrag komt in mindering van de in § 1 bedoelde vermindering.
  
Art. 33bis. § 1er. [1 Pour chacune des années budgétaires 2002 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de transition visé à l'article 48/1 et du facteur d'autonomie visé à l'article 5/2, § 1er,]1 les montants obtenus en application de l'article 33, § 4, sont diminués chaque année d'un montant fixé par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après concertation préalable avec les gouvernements de région.
  Le montant visé à l'alinéa 1er correspond à la somme :
  1° des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts localisés dans chaque région comme visés à l'article 3, alinéa 1er, 7° à 8° et 10° à 12°;
  2° des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 à 2001 inclus, préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région comme visées à l'article 4, § 5, dans la mesure où ces dernières n'auraient pas encore été affectées aux régions jusqu'à l'année budgétaire 2001 y comprise;
  3° de 58,592 % des recettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région en ce qui concerne l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 6°;
  4° des recettes nettes moyennes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, qui étaient préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts localises dans chaque région comme visés à l'article 3, alinéa 1er, 9°.
  A partir de l'année budgétaire 2003 le montant de la diminution obtenu en application des 1° à 3° de l'alinéa 2 est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du revenu national brut suivant les modalités définies à l'article 33, § 2.
  A partir de l'année budgétaire 2003 le montant de la diminution obtenu en application du 4° de l'alinéa 2 est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités définies à l'article 38, § 3.
  § 2. Pour l'année budgétaire 2002, un montant de départ est déterminé pour chaque région, par la moyenne des recettes pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris, préalablement exprimées en prix de 2002, des impôts, localisés dans chaque région, vises à l'article 3, alinéa 1er, 7° à 8° et 10° à 12°, et de 58,592 % des recettes moyennes, pour les exercices budgétaires 1999 jusqu'à 2001 y compris préalablement exprimées en prix de 2002, des recettes localisées dans chaque région en ce qui concerne l'impôt visé à l'article 3, alinéa 1er, 6°.
  Les montants obtenus par impôt en application de l'alinéa 1er sont additionnés pour chaque région.
  [1 Pour chacune des années budgétaires 2003 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de transition visé à l'article 48/1 et du facteur d'autonomie visé à l'article 5/2, § 1er,]1 les montants obtenus pour chaque région en application de l'alinéa 1er pour chaque impôt sont adaptés à l'évolution des recettes à politique inchangée. Ces montants adaptes par impôt sont additionnés pour chaque région.
  Pour les années budgétaires 2003 à 2012 incluse, la différence entre le montant obtenu en application de l'alinéa 2 et celui obtenu en application de l'alinéa 3 est calculée annuellement pour chaque région.
  La différence obtenue en application de l'alinéa 4, pour autant qu'elle soit positive, forme annuellement le montant de base de la correction de transition.
  Pour les années budgétaires 2003 à 2007 incluse, la correction de transition est égale pour chaque région à 100 % du montant de base de la correction de transition obtenu pour la même année pour la région concernée.
  Pour les années budgétaires 2008 à 2012 incluse, la correction de transition est égale pour chaque région à un pourcentage diminuant chaque année de 16,67 points du montant de base de la correction de transition obtenu pour la même année.
  A partir de l'année budgétaire 2013, il n'est plus appliqué de correction de transition.
  Pour l'application de cet article, on entend par recettes à politique inchangée les recettes réelles, à moins que celles-ci ne soient influencées par la région concernée dans le cadre de l'exercice de ses compétences fiscales liées à l'impôt concerné. Dans ce cas, l'adaptation annuelle visée à l'alinéa 3 s'effectue sur la base de critères objectifs déterminés par impôt par la loi. Le projet de loi concerne est déposé à la Chambre avant le 1er janvier 2002.
  Le montant obtenu par région en application du présent paragraphe est porté en déduction de la diminution visée au § 1er.
  
Art.34. [1 § 1.]1 <W 2001-07-13/35, art. 18, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> [1 Voor de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag en de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor, worden de middelen per gewest jaarlijks samengesteld als volgt :]1
  1° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33, § 4;
  2° de bedragen verkregen met toepassing van artikel 33bis;
  3° de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48.
  De middelen bedoeld in het eerste lid, worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting.
  [1 § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de in artikel 1, § 2, 4° en 6°, bedoelde middelen per gewest jaarlijks samengesteld uit de in afdeling 4 bedoelde bijkomende middelen en het in artikel 48 bedoelde nationaal solidariteitsbedrag.
   De in het eerste lid bedoelde middelen worden gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting.]1

  
Art.34. [1 § 1er.]1 <L 2001-07-13/35, art. 18, 003; En vigueur : 01-01-2002> [1 Pour les années budgétaires 2000 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de transition visé à l'article 48/1 et du facteur d'autonomie visé à l'article 5/2, § 1er, les moyens par région sont constitués annuellement comme suit :]1
  1° les montants obtenus en application de l'article 33, § 4;
  2° les montants obtenus en application de l'article 33bis;
  3° l'intervention de solidarité nationale visée à l'article 48.
  Les moyens visés à l'alinéa 1er sont constitués par une partie du produit de l'impôt des personnes physiques.
  [1 § 2. A partir de l'année budgétaire 2015, les moyens visés à l'article 1er, § 2, 4° et 6°, par région sont constitués annuellement des moyens supplémentaires visés à la section 4 et du montant de solidarité nationale visé à l'article 48.
   Les moyens visés à l'alinéa 1er sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques fédéral.]1

  
Afdeling 3.
Section 3.
Afdeling 4. - Bijkomende middelen.
Section 4. - Moyens supplémentaires
Art. 35bis. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 109, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaamse Gewest :
  - in het begrotingsjaar 1993 : 0,2768 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1994 : 0,5424 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1995 : 0,8535 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1996 : 1,3382 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1997 : 1,3633 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1998 : 1,5540 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1999 : 1,7207 miljard frank.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 bedragen de bijkomende middelen voor het Waalse Gewest :
  - in het begrotingsjaar 1993 : 0,4695 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1994 : 0,5954 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1995 : 0,7431 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1996 : 0,8781 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1997 : 0,9849 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1998 : 1,0755 miljard frank;
  - in het begrotingsjaar 1999 : 1,1545 miljard frank.
Art. 35bis. § 1. Pour les années budgétaires 1993 à 1999 incluse, les moyens supplémentaires mininaux pour la Région flamande sont fixés à :
  - dans l'année budgétaire 1993 : 0,2768 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1994 : 0,5424 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1995 : 0,8535 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1996 : 1,3382 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1997 : 1,3633 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1998 : 1,5540 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1999 : 1,7207 milliard de francs.
  § 2. Pour les années budgétaires 1993 à 1999 incluse, les moyens supplémentaires nominaux pour la Région wallonne sont fixés à :
  - dans l'année budgétaire 1993 : 0,4695 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1994 : 0,5954 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1995 : 0,7431 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1996 : 0,8781 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1997 : 0,9849 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1998 : 1,0755 milliard de francs;
  - dans l'année budgétaire 1999 : 1,1545 milliard de francs.
Art. 35ter. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 110, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. [1 Voor de vaststelling van de bedragen voor elk van de begrotingsjaren 2000 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen met toepassing van, naargelang het geval, artikel 35bis of dit artikel, voor het vorige begrotingsjaar, voor het Vlaamse en het Waalse Gewest samen.]1
  § 2. Ieder jaar wordt het met toepassing van § 1 verkregen totaal aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, alsook aan de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
  § 3. Het met toepassing van § 2 verkregen resultaat wordt omgeslagen over het Vlaamse en het Waalse Gewest volgens de verdeelsleutel :
  - voor het Vlaamse Gewest : 61,96 pct.;
  - voor het Waalse Gewest : 38,04 pct.
  
Art. 35ter. § 1. [1 Pour chacune des années budgétaires 2000 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 35octies, § 1er, alinéa 2, 1°, et du montant de transition visé à l'article 48/1, la fixation des montants s'effectue sur la base des moyens supplémentaires obtenus en application de l'article 35bis ou du présent article, selon le cas, pour l'année budgétaire précédente, pour la Région flamande et la Région wallonne ensemble.]1
  § 2. Ces montants obtenus en application du § 1er sont adaptés annuellement aux taux de fluctuation de l'indice moyen des prix ainsi qu'a la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire en question, selon les modalités fixées à l'article 33, § 2.
  § 3. Le résultat obtenu en application du § 2 est réparti entre la Région flamande et la Région wallonne selon la clé de répartition :
  - pour la Région flamande : 61,96 p.c.;
  - pour la Région wallonne : 38,04 p.c..
  
Art. 35quater. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 20; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de aanvullende bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 653 499,39 EUR, voor het Waals Gewest 13 292 050,80 EUR en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 917 206,04 EUR.
  § 2. [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.]1
  
Art. 35quater. § 1er. Pour l'année budgétaire 2002, les moyens supplémentaires additionnels s'élèvent à 21 653 499,39 EUR pour la Région flamande, à 13 292 050,80 EUR pour la Région wallonne et à 917 206,04 EUR pour la Région de Bruxelles-Capitale.
  § 2. [1 Pour chacune des années budgétaires 2003 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 35octies, § 1er, alinéa 2, 1°, et du montant de transition visé à l'article 48/1, les montants visés au § 1er sont adaptés annuellement aux taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation, et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2.]1
  
Art. 35quinquies. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 21; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 bedragen de bijkomende middelen voor het Vlaams Gewest 21 425 437,35 EUR en voor het Waals Gewest 19 268 763,68 EUR.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in het eerste lid bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.]1
  
Art. 35quinquies. Pour l'année budgétaire 2002, les moyens supplémentaires pour la Région wallonne s'élèvent à 19 268 763,68 EUR et pour la Région flamande à 21 425 437,35 EUR.
  [1 Pour chacune des années budgétaires 2003 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 35octies, § 1er, alinéa 2, 1°, et du montant de transition visé à l'article 48/1, les montants visés à l'alinéa 1er sont adaptés annuellement aux taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation, et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2.]1
  
Art. 35sexies. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 22; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 14 873 611,49 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
  Voor de vaststelling van de bedragen [1 voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
  [1 Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2, en verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest.]1
  
Art. 35sexies. Pour l'année budgétaire 2002, des moyens supplémentaires sont transférés à la Région wallonne, à la Région flamande et à la Région de Bruxelles-Capitale. Pour les trois régions réunies, ces montants sont égaux à 14 873 611,49 EUR exprimés en prix de 2002.
  Pour l'établissement des montants [1 pour chacune des années budgétaires 2003 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 35octies, § 1er, alinéa 2, 1°, et du montant de transition visé à l'article 48/1,]1 on se fonde sur les moyens supplémentaires obtenus pour l'année budgétaire précédente.
  [1 Chaque année, le montant total obtenu en application de l'alinéa 2 est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2, et réparti selon les recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral localisé dans chaque région.]1
  
Art. 35septies. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 23; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor het begrotingsjaar 2002 worden er bijkomende middelen overgedragen aan het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de drie gewesten samen zijn deze middelen gelijk aan 6 114 434,94 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002.
  Voor de vaststelling van de bedragen [1 voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 1°, bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt uitgegaan van de bijkomende middelen verkregen voor het vorige begrotingsjaar.
  Ieder jaar wordt het met toepassing van het tweede lid verkregen totaal bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen alsook aan de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bepaald in artikel 33, § 2, en over de gewesten verdeeld volgens het aandeel van elk gewest in het totaal van het met toepassing van de artikelen 33, § 4, 35, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies en 48 voor de drie gewesten samen verkregen bedrag.
  
Art. 35septies. Pour l'année budgétaire 2002, des moyens supplémentaires sont transférés à la Région flamande, à la Région wallonne et à la Région de Bruxelles-Capitale. Pour les trois régions réunies, ce montant est égal à 6 114 434,94 EUR exprimé en prix de 2002.
  Pour l'établissement des montants [1 pour chacune des années budgétaires 2003 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 35octies, § 1er, alinéa 2, 1°, et du montant de transition visé à l'article 48/1,]1 on se fonde sur les moyens supplémentaires obtenus pour l'année budgétaire précédente.
  Chaque année, le montant total obtenu en application de l'alinéa 2 est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2, et réparti entre les régions selon la part de chaque région dans le total du montant obtenu en application des articles 33, § 4, 35, 35ter, 35quater, 35quinquies, 35sexies et 48, pour les trois régions réunies.
  
Art. 35octies. [1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden er bijkomende middelen toegekend aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
   Voor het begrotingsjaar 2015 zijn deze middelen, voor de drie gewesten samen, gelijk aan de som van de volgende bedragen :
   1° het bedrag verkregen door de optelling te maken van de met toepassing van de artikelen 35ter tot 35septies bekomen bedragen voor het begrotingsjaar 2015, voor de drie gewesten samen;
   2° een bedrag gelijk aan 625.887.632 euro;
   3° een bedrag gelijk aan 5 miljoen euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden de middelen die zijn toegekend voor het vorige begrotingsjaar jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Het in het derde lid bedoelde percentage, is gelijk aan :
   1° voor het begrotingsjaar 2016 : 100 %;
   2° vanaf het begrotingsjaar 2017 :
   a) 55 % op het deel van de reële groei dat niet hoger is dan 2,25 %;
   b) 100 % op het deel van de reële groei dat hoger is dan 2,25 %;
   Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden deze middelen tussen de gewesten verdeeld volgens de verdeelsleutel :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 50,33 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 41,37 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 8,30 %.
   § 2. De bedragen bekomen in § 1, worden verminderd voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2019 met de volgende bedragen :
   1° voor het begrotingsjaar 2015 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 9.253.026 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 13.245.455 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 5.141.684 euro;
   2° voor het begrotingsjaar 2016 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 5.559.685 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 7.239.762 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 2.724.530 euro;
   3° voor het begrotingsjaar 2017 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 4.375.792 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 5.554.417 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 2.314.311 euro;
   4° voor het begrotingsjaar 2018 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 2.850.247 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 3.298.120 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 1.499.915 euro;
   5° voor het begrotingsjaar 2019 :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 650.405 euro;
   b) voor het Waalse Gewest : 493.544 euro;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 294.241 euro.]1

  
Art. 35octies. [1 § 1er. A partir de l'année budgétaire 2015 des moyens supplémentaires sont accordés à la Région wallonne, la Région flamande, et la Région de Bruxelles-Capitale.
   Pour l'année budgétaire 2015, pour les trois régions réunies, ces moyens sont égaux à la somme des montants suivants :
   1° le montant obtenu en additionnant les montants qui sont obtenus, pour l'année budgétaire 2015, en application des articles 35ter à 35septies, pour les trois régions réunies;
   2° un montant égal à 625.887.632 euros;
   3° un montant égal à 5 millions d'euros.
   A partir de l'année budgétaire 2016, les moyens attribués pour l'année budgétaire précédente sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2.
   Le pourcentage visé à l'alinéa 3 est égal à :
   1° pour l'année budgétaire 2016 : 100 %;
   2° à partir de l'année budgétaire 2017 :
   a) 55 % sur la partie de la croissance réelle qui ne dépasse pas 2,25 %;
   b) 100 % sur la partie de la croissance réelle qui dépasse 2,25 %;
   A partir de l'année budgétaire 2015, ces moyens sont répartis entre les régions selon la clef de répartition :
   a) pour la Région flamande : 50,33 %;
   b) pour la Région wallonne : 41,37 %;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 8,30 %.
   § 2. Les montants obtenus au § 1er sont diminués pour les années budgétaires 2015 à 2019 incluse des montants suivants :
   1° pour l'année budgétaire 2015 :
   a) pour la Région flamande : 9.253.026 euros;
   b) pour la Région wallonne : 13.245.455 euros;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 5.141.684 euros;
   2° pour l'année budgétaire 2016 :
   a) pour la Région flamande : 5.559.685 euros;
   b) pour la Région wallonne : 7.239.762 euros;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 2.724.530 euros;
   3° pour l'année budgétaire 2017 :
   a) pour la Région flamande : 4.375.792 euros;
   b) pour la Région wallonne : 5.554.417 euros;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 2.314.311 euros;
   4° pour l'année budgétaire 2018 :
   a) pour la Région flamande : 2.850.247 euros;
   b) pour la Région wallonne : 3.298.120 euros;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 1.499.915 euros;
   5° pour l'année budgétaire 2019 :
   a) pour la Région flamande : 650.405 euros;
   b) pour la Région wallonne : 493.544 euros;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 294.241 euros.]1

  
Art. 35nonies. [1 § 1. Aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden met ingang van het begrotingsjaar 2015 jaarlijks bijkomende middelen overgedragen waarvan het basisbedrag wordt vastgesteld op 3.953.242.907 euro.
   Voor het begrotingsjaar 2015 is het toegewezen bedrag voor de drie gewesten samen gelijk aan de som van de in het 1° en 2° vermelde bedragen verminderd met de in het 3° en 4° vermelde bedragen :
   1° het in het eerste lid bedoelde basisbedrag vermenigvuldigd met een factor 0,9 en aangepast aan :
   a) de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2014 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van dat zelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   b) de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2015 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van dat zelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   2° een bedrag van 434.491.222 euro;
   3° een bedrag van 707.935.702 euro;
   4° een bedrag van 831.348.000 euro.
   Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het toegekende bedrag voor het begrotingsjaar 2015 eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2, en vervolgens verminderd met 831 348 000 euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het toegekende bedrag voor het vorige begrotingsjaar aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Het in het derde en het vierde lid vermelde percentage is gelijk aan :
   1° voor het begrotingsjaar 2016 : 75 %;
   2° vanaf het begrotingsjaar 2017 :
   a) 55 % op het deel van de reële groei dat niet hoger is dan 2,25 %;
   b) 100 % op het deel van de reële groei dat hoger is dan 2,25 %;
   De middelen worden vanaf het begrotingsjaar 2015 tussen de drie gewesten verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest.
   § 2. Met toepassing van artikel 6, § 1, IX, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt de financiële tussenkomst die door een gewest aan de federale overheid wordt toegekend wanneer, in de loop van een jaar, het aantal vrijgestelde dagen om redenen van opleiding, studies of stage ten opzichte van het aantal dagen van volledig vergoede werkloosheid van hetzelfde jaar meer bedraagt dan 12 % in dat gewest, in mindering gebracht van de aan dat gewest toegekende middelen overeenkomstig § 1.
   Die financiële tussenkomst wordt bekomen door de som van de volgende bedragen :
   1° een bedrag van 35,50 euro, vermenigvuldigd met het aantal werkloosheidsdagen van het vorige jaar vrijgesteld om redenen van vorming, studie of stage, dat meer dan 12 % bedraagt, zonder 14 % te overtreffen, van het aantal volledig vergoede werkloosheidsdagen van hetzelfde jaar, vermenigvuldigd met een factor 0,5;
   2° een bedrag van 35,50 euro vermenigvuldigd met het aantal werkloosheidsdagen van het vorige jaar vrijgesteld om redenen van vorming, studie of stage, dat meer bedraagt dan 14 % van het aantal volledig vergoede werkloosheidsdagen van hetzelfde jaar.
   Het bedrag van 35,50 euro wordt vanaf het begrotingsjaar 2016 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in § 1, vijfde lid.
   De vrijstellingen voor vormingen voorbereidend op een knelpuntberoep en de vrijstellingen die toegekend worden in het kader van een activiteitencoöperatie worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van deze paragraaf.
   § 3. Indien het aantal personen dat in het systeem van de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA) is tewerkgesteld gemiddeld over het jaar hoger is dan het aantal dat voor het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest is vastgesteld door de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is vastgesteld door artikel 4, vierde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, dan worden, met toepassing van artikel 6, § 1, IX, 11°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de door het betrokken gewest aan de federale overheid verschuldigde middelen in mindering gebracht van de aan dat gewest overeenkomstig § 1 toegekende middelen.
   De middelen die door een gewest voor een gegeven begrotingsjaar zijn verschuldigd, worden bekomen door het bedrag van 6.000 euro te vermenigvuldigen met het verschil tussen enerzijds, het aantal personen dat het vorige jaar in het PWA-systeem is tewerkgesteld en dat gedomicilieerd is op het grondgebied van het betrokken gewest en anderzijds, het aantal begunstigden dat voor het Waalse Gewest en het Vlaamse Gewest is vastgesteld door artikel 6, § 1, IX, 11°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest is vastgesteld door artikel 4, vierde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.
   Het bedrag van 6.000 euro wordt vanaf begrotingsjaar 2016 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in § 1, vijfde lid.]1

  
Art. 35nonies. [1 § 1er. A partir de l'année budgétaire 2015, des moyens supplémentaires sont transférés à la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale, dont le montant de base est fixé à 3.953.242.907 euros.
   Pour l'année budgétaire 2015, le montant attribué pour les trois régions réunies est égal à la somme des montants repris aux 1° et 2° et diminué des montants repris au 3° et 4° :
   1° le montant de base visé à l'alinéa 1er, multiplié par un facteur 0,9 et adapté :
   a) au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire 2014 et à la croissance réelle du produit intérieur brut de cette même année budgétaire suivant les modalités définies à l'article 33, § 2;
   b) au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire 2015 et à la croissance réelle du produit intérieur brut de cette même année budgétaire suivant les modalités définies à l'article 33, § 2;
   2° un montant de 434.491.222 euros;
   3° un montant de 707.935.702 euros;
   4° un montant de 831.348.000 euros.
   Pour l'année budgétaire 2016, le montant attribué pour l'année budgétaire 2015 est d'abord adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2, et ensuite diminué de 831 348 000 euros.
   A partir de l'année budgétaire 2017, le montant attribué pour l'année budgétaire précédente est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et au pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2.
   Le pourcentage visé aux alinéas 3 et 4 est égal à :
   1° pour l'année budgétaire 2016 : 75 %;
   2° à partir de l'année budgétaire 2017 :
   a) 55 % sur la partie de la croissance réelle qui ne dépasse pas 2,25 %;
   b) 100 % sur la partie de la croissance réelle qui dépasse 2,25 %;
   A partir de l'année budgétaire 2015, les moyens sont répartis entre les trois régions selon les recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral localisé dans chaque région.
   § 2. En application de l'article 6, § 1er, IX, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, l'intervention financière accordée à l'autorité fédérale par une région lorsque le pourcentage de jours dispensés au cours d'une année pour raison de formation, d'études ou de stage par rapport aux jours de chômage complet indemnisé de la même année dépasse 12 % dans cette région est mise en déduction des moyens octroyés à cette région conformément au § 1er.
   Cette intervention financière est obtenue en additionnant les montants suivants :
   1° un montant de 35,50 euros, multiplié par le nombre de jours de chômage de l'année précédente dispensés pour raison de formation, d'études ou de stage qui dépasse 12 % sans excéder 14 % du nombre de jours de chômage complet indemnisé de la même année, multiplié par un coefficient de 0,5;
   2° un montant de 35,50 euros, multiplié par le nombre de jours de chômage de l'année précédente dispensés pour raison de formation, d'études ou de stage qui dépasse 14 % du nombre de jours de chômage complet indemnisé de la même année.
   A partir de l'année budgétaire 2016, le montant de 35,50 euros est adapté annuellement à l'indice moyen des prix à la consommation et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2. Ce pourcentage est égal au pourcentage déterminé conformément au § 1er, alinéa 5.
   Les dispenses pour formations qui préparent à une profession en pénurie et les dispenses octroyées dans le cadre d'une coopérative d'activités ne sont pas prises en considération pour l'application du présent paragraphe.
   § 3. En application de l'article 6, § 1er, IX, 11°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, si le nombre de personnes mises à l'emploi dans le système des agences locales pour l'emploi (ALE) en moyenne sur l'année dépasse le nombre fixé pour la Région wallonne et la Région flamande par cette même loi spéciale et pour ce qui concerne la Région de Bruxelles-Capitale par l'article 4, alinéa 4, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises, les moyens dus par la région concernée à l'autorité fédérale sont mis en déduction des moyens octroyés à cette région conformément au § 1er.
   Les moyens dus par une région pour une année budgétaire donnée sont obtenus en multipliant le montant de 6.000 euros par la différence entre d'une part, le nombre de personnes qui sont mises à l'emploi dans le système ALE l'année qui précède et qui sont domiciliés sur le territoire de la région concernée et d'autre part, le nombre de bénéficiaires qui est fixé pour la Région wallonne et pour la Région flamande par l'article 6, § 1er, IX, 11°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles et pour la Région de Bruxelles-Capitale par l'article 4, alinéa 4, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises, pour ce qui concerne la Région de Bruxelles-Capitale.
   A partir de l'année budgétaire 2016, le montant de 6.000 euros est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 33, § 2. Ce pourcentage est égal au pourcentage déterminé conformément au § 1er, alinéa 5.]1

  
Art. 35decies. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bijkomende middelen overgedragen omwille van de bevoegdheden die door artikel 5/5, § 4, aan de gewesten worden toegewezen.
   Voor de drie gewesten samen wordt het referentiebedrag van de in het eerste lid bedoelde middelen voorlopig vastgesteld op 3.047.959.879 euro. Het referentiebedrag bij ongewijzigd beleid zal, op grond van het in artikel 81ter, 1°, bedoelde verslag van het Rekenhof, definitief worden bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen.
   Voor het begrotingsjaar 2015 is het toegewezen bedrag gelijk aan het in het tweede lid bedoelde referentiebedrag, vermenigvuldigd met een factor 0,6.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt het toegekende bedrag voor het vorige begrotingsjaar aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid.
   De middelen worden vanaf het begrotingsjaar 2015 jaarlijks tussen de drie gewesten verdeeld volgens de ontvangsten inzake de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk gewest]1

  
Art. 35decies. [1 A partir de l'année budgétaire 2015, des moyens supplémentaires sont transférés à la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale, en raison des compétences attribuées aux régions par l'article 5/5, § 4.
   Pour les trois régions réunies, le montant de référence des moyens visés à l'alinéa 1er est fixé provisoirement à 3.047.959.879 euros. Le montant de référence à politique inchangée sera définitivement déterminé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les gouvernements des régions sur la base du rapport de la Cour des comptes visé à l'article 81ter, 1°.
   Pour l'année budgétaire 2015, le montant attribué est égal au montant de référence visé à l'alinéa 2, multiplié par un facteur de 0,6.
   A partir de l'année budgétaire 2016, le montant attribué pour l'année budgétaire précédente est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 33, § 2. Ce pourcentage est égal au pourcentage déterminé conformément à l'article 35nonies, § 1er, alinéa 5.
   A partir de l'année budgétaire 2015, les moyens sont annuellement répartis entre les trois régions selon les recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral localisé dans chaque région.]1

  
HOOFDSTUK III. - DE GEMEENSCHAPPEN.
CHAPITRE III. - LES COMMUNAUTES.
Art.36. <W 2001-07-13/35, art. 25, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> [1 Voor elk van de begrotingsjaren 1989 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden jaarlijks de middelen per gemeenschap als volgt samengesteld :]1
  1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
  2° het, naargelang het geval, in artikel 46 of 47 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de personenbelasting;
  3° [1 de in artikel 47/3 bedoelde dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld met ingang van het begrotingsjaar 2002.]1
  [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden jaarlijks de in artikel 1, § 1, 2°, bedoelde middelen per gemeenschap als volgt samengesteld :
   1° het in artikel 41 bedoelde toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde;
   2° het met toepassing van artikel 47/2, § 4, verkregen bedrag van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting.]1

  
Art.36. <L 2001-07-13/35, art. 25, 003; En vigueur : 01-01-2002> [1 Pour chacune des années budgétaires 1989 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base vise à l'article 40quinquies et du montant de transition visé à l'article 48/1, par communauté, les moyens sont constitués annuellement comme suit :]1
  1° la partie attribuée du produit de la taxe sur la valeur ajoutée, visée à l'article 41;
  2° la partie attribuée du produit de l'impôt des personnes physiques, visée à l'article 46 ou 47, selon le cas;
  3° [1 la dotation visée à l'article 47/3, compensatoire de la redevance radio télévision à partir de l'année budgétaire 2002.]1
  [1 A partir de l'année budgétaire 2015, les moyens visés à l'article 1er, § 1er, 2°, sont constitués annuellement par communauté comme suit :
   1° la partie attribuée du produit de la taxe sur la valeur ajoutée, visée à l'article 41;
   2° le montant de la partie attribuée du produit de l'impôt des personnes physiques fédéral, obtenu en application de l'article 47/2, § 4.]1

  
Afdeling 1. - (opgeheven)
Section 1. (abrogée)
Afdeling 2. - Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde.
Section 2. - La partie attribuée du produit de la taxe sur la valeur ajoutée.
Art.38. § 1. De basisbedragen worden vastgesteld op :
  - voor de Vlaamse Gemeenschap : 167,4389 miljard frank;
  - voor de Franse Gemeenschap : 128,9468 miljard frank.
  § 2. Voor 1989 wordt er evenwel een uitzonderlijke en niet terugkerende vermindering van 6,1023 miljard frank toegepast op het bedrag bedoeld in § 1 voor de Vlaamse Gemeenschap en van 4,6902 miljard frank op het bedrag bedoeld in § 1 voor de Franse Gemeenschap.
  § 3. ([1 Voor elk van de begrotingsjaren 1990 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 worden de in § 1 bedoelde bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen.
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar worden de verkregen bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3bis. Voor beide gemeenschappen samen worden de volgende bedragen bepaald :
  1° voor het begrotingsjaar 2002 : een bedrag van 198 314 819,82 EUR;
  2° voor het begrotingsjaar 2003 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
  3° voor het begrotingsjaar 2004 : een bedrag van 148 736 114,86 EUR;
  4° voor het begrotingsjaar 2005 : een bedrag van 371 840 287,16 EUR;
  5° voor het begrotingsjaar 2006 : een bedrag van 123 946 762,39 EUR;
  6° voor de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 : een bedrag van 24 789 352,48 EUR.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 3ter. Voor het begrotingsjaar 2002 is het totaal bedrag gelijk aan het met toepassing van § 3 voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag verhoogd met het voor het begrotingsjaar 2002 in § 3bis bepaalde bedrag.
  Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2006 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op de wijze bedoeld in § 3.
  Voor elk van de begrotingsjaren 2007 tot en met 2011 is het totaal bedrag gelijk aan het voor het betrokken begrotingsjaar in § 3bis bepaalde bedrag dat wordt verhoogd met het voor het voorgaande begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, is het totaal bedrag, voor beide gemeenschappen samen, gelijk aan het voor het vorige begrotingsjaar met toepassing van deze paragraaf verkregen totaal bedrag nadat dit laatste is aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.]1
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar gebeurt de in het derde en vierde lid bedoelde aanpassing aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. De met toepassing van § 3 bekomen bedragen worden jaarlijks vermenigvuldigd met een aanpassingsfactor.
  Deze aanpassingsfactor wordt bekomen door voor de Vlaamse respectievelijk de Franse Gemeenschap de verhouding te berekenen van :
  1° enerzijds het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk Franse Gemeenschap, op 30 juni van het voorgaande begrotingsjaar, vermeerderd met 20 % van de daling of in voorkomend geval verminderd met 20 % van de stijging van dat aantal in vergelijking met 30 juni 1988;
  2° en anderzijds het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk Franse Gemeenschap op 30 juni 1988.
  De grootste verhouding wordt weerhouden.
  De aanpassingsfactor wordt jaarlijks vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit in overleg met de Gemeenschapsexecutieven.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de vlaamse Gemeenschap geacht gelijk te zijn aan het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het Nederlands taalgebied, vermeerderd met 20 % van het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  Voor de toepassing van dit artikel wordt het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot de Franse Gemeenschap geacht gelijk te zijn aan het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het Frans taalgebied, vermeerderd met 80 % van het aantal inwoners jonger dan 18 jaar behorend tot het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  (§ 5. Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag, na aftrek van het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag, jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor.
  Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt verhoogd met het in § 3bis voor het betrokken begrotingsjaar bepaalde bedrag.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in het artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt het met toepassing van § 3ter verkregen totaal bedrag jaarlijks vermenigvuldigd met de in § 4 bedoelde aanpassingsfactor.) <W 2001-07-13/35, art. 26, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  
Art.38. § 1. Les montants de base sont fixés à :
  - pour la Communauté flamande : 167,4389 milliards de francs;
  - pour la Communauté française : 128,9468 milliards de francs.
  § 2. Toutefois, pour l'année 1989, une réduction exceptionnelle et non récurrente de 6,1023 milliards de francs est opérée sur le montant visé au § 1er pour la Communauté flamande et de 4,6902 milliards de francs sur le montant visé au § 1er pour la Communauté française.
  § 3. ([1 Pour chacune des années budgétaires 1990 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 40quinquies et du montant de transition visé à l'article 48/1,]1 les montants visés au § 1er sont adaptés annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation.
  En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, les montants obtenus sont adaptés au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.) <L 2001-07-13/35, art. 26, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  (§ 3bis. Pour les deux communautés réunies les montants suivants sont fixés :
  1° pour l'année budgétaire 2002 : un montant de 198 314 819,82 EUR;
  2° pour l'année budgétaire 2003 : un montant de 148 736 114,86 EUR;
  3° pour l'année budgétaire 2004 : un montant de 148 736 114,86 EUR;
  4° pour l'année budgétaire 2005 : un montant de 371 840 287,16 EUR;
  5° pour l'année budgétaire 2006 : un montant de 123 946 762,39 EUR;
  6° pour les années budgétaires de 2007 à 2011 incluse : un montant de 24 789 352,48 EUR.) <L 2001-07-13/35, art. 26, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  (§ 3ter. Pour l'année budgétaire 2002 le montant total est égal au montant obtenu en application du § 3 pour les deux communautés réunies, augmenté du montant fixé pour l'année budgétaire 2002 au § 3bis.
  Pour chacune des années budgétaires 2003 à 2006 incluse, le montant total est égal au montant fixé pour l'année budgétaire concernée au § 3bis, augmenté du montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée suivant les modalités visées au § 3.
  Pour chacune des années budgétaires 2007 à 2011 incluse, le montant total est égal au montant fixé, pour l'année budgétaire concernée, au § 3bis, augmenté du montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée.
  [1 Pour chacune des années budgétaires 2012 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 40quinquies et du montant de transition visé à l'article 48/1, le montant total, pour les deux communautés réunies, est égal au montant total obtenu pour l'année budgétaire précédente en application du présent paragraphe après que ce dernier montant a été adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2.]1
  En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et de la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée, l'adaptation visée aux troisième et quatrième alinéas se fait au taux estimé de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.) <L 2001-07-13/35, art. 26, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 4. Les montants obtenus en application du § 3 sont multipliés annuellement par un facteur d'adaptation.
  Ce facteur d'adaptation est obtenu en calculant respectivement pour la Communauté française et la Communauté flamande, le rapport entre :
  1° d'une part, le nombre d'habitants âgés de moins de 18 ans appartenant respectivement aux Communautés française ou flamande au 30 juin de l'année budgétaire précédente, majoré de 20 % de la baisse ou, le cas échéant, diminué de 20 % de l'augmentation de ce nombre par rapport au 30 juin 1988;
  2° et le nombre d'habitants âgés de moins de 18 ans au 30 juin 1988 appartenant respectivement aux Communautés française ou flamande d'autre part.
  Le rapport le plus élevé est retenu.
  Le facteur d'adaptation est fixé annuellement par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, en concertation avec les Exécutifs des Communautés.
  Pour l'application de cet article, le nombre d'habitants âgés de moins de 18 ans appartenant à la Communauté française est censé être égal au nombre d'habitants âgés de moins de 18 ans appartenant à la région de langue française, majoré de 80 % du nombre d'habitants âgés de moins de 18 ans appartenant à la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  Pour l'application de cet article, le nombre d'habitants âgés de moins de 18 ans appartenant à la Communauté flamande est censé être égal au nombre d'habitants âgés de moins de 18 ans appartenant à la région de langue néerlandaise, majoré de 20 % du nombre d'habitants âgés de moins de 18 ans appartenant à la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  (§ 5. Pour chacune des années budgétaires 2002 à 2011 incluse, le montant total obtenu en application du § 3ter, après déduction du montant déterminé au § 3bis pour l'année budgétaire concernée, est multiplié annuellement par le facteur d'adaptation visé au § 4.
  Le montant obtenu en application de l'alinéa 1er est augmenté du montant déterminé au § 3bis pour l'année budgétaire concernée.
  [1 Pour chacune des années budgétaires 2012 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 40quinquies et du montant de transition visé à l'article 48/1,]1 le montant total obtenu en application du § 3ter est multiplié annuellement par le facteur d'adaptation visé au § 4.) <L 2001-07-13/35, art. 26, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  
Art.39. (§ 1. De met toepassing van artikel 38, § 4 verkregen bedragen worden jaarlijks opgeteld.) <W 2001-07-13/35, art. 27, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Het met toepassing van § 1 bekomen bedrag wordt voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 1998 omgeslagen over de Gemeenschappen volgens de verdeling van het huidig aantal leerlingen, te weten :
  - voor de Vlaamse Gemeenschap : 57,55 %;
  - voor de Franse Gemeenschap ; 42,45 %.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt deze verdeelsleutel aangepast aan de verdeling van het aantal leerlingen aan de hand van bij wet vastgestelde objectieve criteria.
  Het aldus bekomen resultaat vormt het basisbedrag voor iedere Gemeenschap.
Art.39. § 1. (Les montants obtenus en application de l'article 38, § 4 sont additionnés chaque année.) <L 2001-07-13/35, art. 27, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2. Le montant obtenu en application du § 1er est réparti entre les Communautés pour les années budgétaires 1989 à 1998 selon la répartition du nombre actuel d'élèves, à savoir :
  - pour la Communauté française : 42,45 %;
  - pour la Communauté flamande : 57,55 %.
  Dès l'année budgétaire 1999, cette répartition est adaptée à la répartition du nombre des élèves sur la base des critères objectifs fixés par la loi.
  Le résultat ainsi obtenu constituera le montant de base de chaque Communauté.
Art.40. § 1. Voor het begrotingsjaar 1989 wordt voor iedere Gemeenschap het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 38 bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 39, § 2, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1989, 1990 en 1991 is de overgangscorrectie gelijk aan het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 1992 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 12,5 punten verminderd percentage van het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art.40. § 1. Pour l'année budgétaire 1989, la différence entre le résultat obtenu en application de l'article 38 et le montant de base obtenu en application de l'article 39, § 2, est calculée pour chacune des Communautés. Cette différence constituera le montant de base de la correction de transition.
  § 2. Pour les années budgétaires 1989, 1990 et 1991 la correction de transition est égale au montant de base de la correction de transition.
  Pour les années budgétaires 1992 à 1998 incluses la correction de transition est égale à un pourcentage, diminué de 12,5 points, du montant de base de la correction de transition.
  Il n'est plus appliqué de correction de transition à partir de année budgétaire 1999.
Art. 40bis. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 28; Inwerkingtreding : 01-01-2002> [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2002 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag, het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt jaarlijks het verschil bepaald tussen het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag enerzijds en het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag anderzijds.
  
Art. 40bis. [1 Pour chacune des années budgétaires 2002 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 40quinquies, du montant de base visé à l'article 47/2 et du montant de transition visé à l'article 48/1,]1 la différence est établie chaque année entre, d'une part, le montant total obtenu en application de l'article 38, § 5, et, d'autre part, le montant total obtenu en application de l'article 39, § 1er.
  
Art. 40ter. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 29; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Voor de begrotingsjaren 2002 tot en met 2011 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag in twee gedeelten opgesplitst.
  Het eerste gedeelte bedraagt :
  1° voor het begrotingsjaar 2002 : 35 %;
  2° voor de begrotingsjaren 2003 tot en met 2009 : een jaarlijks met 5 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 1° vastgestelde percentage;
  3° voor de begrotingsjaren 2010 tot en met 2011 : een jaarlijks met 10 punten toenemend percentage vertrekkende van het in het 2° voor het begrotingsjaar 2009 verkregen percentage.
  Voor elk van de betrokken begrotingsjaren is het tweede gedeelte gelijk aan het verschil tussen het in het eerste lid bedoelde bedrag en het in het tweede lid bepaalde gedeelte.
  § 2. Het met toepassing van § 1, tweede lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid.
  § 3. Het met toepassing van § 1, derde lid, bepaalde gedeelte wordt voor elk van de betrokken begrotingsjaren over de twee gemeenschappen verdeeld volgens het aantal leerlingen in elke gemeenschap dat wordt vastgesteld overeenkomstig de criteria bedoeld in artikel 39, § 2.
  § 4. [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2012 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag, het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag over de twee gemeenschappen verdeeld in verhouding tot de in elke gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2, tweede tot vierde lid.
  
Art. 40ter. § 1er. Pour les années budgétaires 2002 à 2011 incluse, le montant obtenu en application de l'article 40bis est scindé en deux parties.
  La première partie s'élève :
  1° pour l'année budgétaire 2002 : à 35 %;
  2° pour les années budgétaires 2003 à 2009 incluse : à un pourcentage augmentant chaque année de 5 points à partir du pourcentage fixé au 1°;
  3° pour les années budgétaires 2010 à 2011 incluse : à un pourcentage augmentant chaque année de 10 points à partir du pourcentage obtenu au 2° pour l'année budgétaire 2009.
  Pour chacune des années budgétaires concernées, la seconde partie est égale à la différence entre le montant visé à l'alinéa 1er et la partie fixée à l'alinéa 2.
  § 2. La partie fixée en application du § 1er, alinéa 2, est répartie pour chacune des années budgétaires concernées entre les deux communautés proportionnellement aux recettes de l'impôt des personnes physiques localisées dans chaque communauté, conformément à l'article 44, § 2, alinéas 2 à 4.
  § 3. La partie fixée en application du § 1er, alinéa 3, est répartie pour chacune des années budgétaires concernées entre les deux communautés selon le nombre d'élèves dans chaque communauté établi conformément aux critères visés à l'article 39, § 2.
  § 4. [1 Pour chacune des années budgétaires 2012 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 40quinquies, du montant de base visé à l'article 47/2 et du montant de transition visé à l'article 48/1,]1 le montant obtenu en application de l'article 40bis est réparti entre les deux communautés proportionnellement aux recettes de l'impôt des personnes physiques localisées dans chaque communauté, conformément à l'article 44, § 2, alinéas 2 à 4.
  
Art. 40quater. [1 Het verschil wordt berekend tussen :
   1° de impact, voor het begrotingsjaar 2015, van de met ingang van het begrotingsjaar 2007 toegepaste jaarlijkse aanpassing aan 91 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde; die impact wordt berekend als het verschil tussen :
   a) de herberekening voor het begrotingsjaar 2015 van het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag waarbij de in artikel 38, § 3bis, vastgestelde bedragen nul zijn;
   b) het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag voor het begrotingsjaar 2015;
   2° de impact, voor het begrotingsjaar 2010 van de met ingang van het begrotingsjaar 2007 toegepaste jaarlijkse aanpassing aan 91 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde; die impact wordt berekend als het verschil tussen :
   a) de herberekening voor het begrotingsjaar 2010 van het met toepassing van artikel 38, § 5, verkregen totaal bedrag waarbij de in artikel 38, § 3bis, vastgestelde bedragen nul zijn en geen rekening wordt gehouden met de aanpassing aan de reële groei van het bruto binnenlands product voor het begrotingsjaar 2010, als bedoeld in artikel 38, § 3ter;
   b) het met toepassing van artikel 39, § 1, verkregen totaal bedrag voor het begrotingsjaar 2010.]1

  
Art. 40quater. [1 La différence est calculée entre :
   1° l'impact, pour l'année budgétaire 2015, de l'adaptation annuelle appliquée à partir de l'année budgétaire 2007 à 91 % de la croissance réelle du produit intérieur brut de la partie attribuée du produit de la taxe sur la valeur ajoutée; cet impact est calculé comme une différence entre :
   a) le nouveau calcul pour l'année budgétaire 2015 du montant total obtenu, en application de l'article 38, § 5, les montants fixés dans l'article 38, § 3bis, mis à zéro;
   b) le montant total obtenu pour l'année budgétaire 2015 en application de l'article 39, § 1er;
   2° l'impact, pour l'année budgétaire 2010, de l'adaptation annuelle appliquée à partir de l'année budgétaire 2007 à 91 % de la croissance réelle du produit intérieur brut de la partie attribuée du produit de la taxe sur la valeur ajoutée; cet impact est calculé comme une différence entre :
   a) le nouveau calcul pour l'année budgétaire 2010, du montant total obtenu, en application de l'article 38, § 5, les montants fixés dans l'article 38, § 3bis, mis à zéro et la liaison à la croissance réelle du produit intérieur brut pour l'année budgétaire 2010, visée à l'article 38, § 3ter, non prise en compte;
   b) le montant total obtenu pour l'année budgétaire 2010, en application de l'article 39, § 1er.]1

  
Art. 40quinquies. [1 Voor het begrotingsjaar 2015 wordt een nieuw basisbedrag bepaald dat gelijk is aan de som van :
   1° het in artikel 40quater bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   2° het met toepassing van het artikel 39, § 2, verkregen bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   3° het met toepassing van artikel 47/3 verkregen bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   4° een bedrag gelijk aan 158 542 548 euro voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen.
   Het met toepassing van het eerste lid verkregen basisbedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2016 :
   1° jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan 91 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.
   2° vermenigvuldigd met de verhouding van de in artikel 38, § 4, bedoelde aanpassingsfactor voor het betrokken begrotingsjaar en de in artikel 38, § 4, bedoelde aanpassingsfactor voor het voorgaande begrotingsjaar.
   Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het, naargelang het geval, met toepassing van het eerste of het tweede lid verkregen bedrag jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 39.]1

  
Art. 40quinquies. [1 Pour l'année budgétaire 2015, un nouveau montant de base est défini, égal à la somme :
   1° du montant total visé à l'article 40quater pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies;
   2° du montant obtenu pour l'année budgétaire 2015, en application de l'article 39, § 2, pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies;
   3° du montant obtenu pour l'année budgétaire 2015, en application de l'article 47/3, pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies;
   4° d'un montant égal à 158 542 548 euros pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies.
   Le montant de base obtenu en application de l'alinéa 1er est, à compter de l'année budgétaire 2016 :
   1° adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à 91 % de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2.
   2° multiplié par le rapport entre le facteur d'adaptation visé à l'article 38, § 4, pour l'année budgétaire concernée et le facteur d'adaptation visé à l'article 38, § 4, pour l'année budgétaire précédente.
   A partir de l'année budgétaire 2015, le montant obtenu en application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2, selon le cas, est réparti annuellement entre la Communauté française et la Communauté flamande suivant les modalités définies à l'article 39.]1

  
Art.41. [1 Voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015, maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, worden de in deze afdeling bedoelde middelen jaarlijks per gemeenschap als volgt samengesteld :]1
  1° het basisbedrag bekomen met toepassing van artikel 39, § 2;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie bekomen met toepassing van artikel 40, § 2.
  3° (het bedrag verkregen met toepassing van artikel 40ter [1 met ingang van het begrotingsjaar 2002.]1 ) <W 2001-07-13/35, art. 30, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de in deze afdeling bedoelde middelen jaarlijks gevormd door het met toepassing van artikel 40quinquies, derde lid, verkregen bedrag.]1
  
Art.41. [1 Pour les années budgétaires 1989 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 40quinquies et du montant de transition visé à l'article 48/1, les moyens visés dans la présente section sont annuellement constitués comme suit par communauté :]1
  1° le montant de base obtenu en application de l'article 39, § 2;
  2° le montant de la correction de transition obtenu en application de l'article 40, § 2;
  (3° le montant obtenu en application de l'article 40ter [1 à partir de l'année budgétaire 2002.]1 ) <L 2001-07-13/35, art. 30, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  [1 A partir de l'année budgétaire 2015, les moyens visés dans la présente section sont annuellement constitués par le montant obtenu en application de l'article 40quinquies, alinéa 3.]1
  
Afdeling 3. - [1 Het toegewezen gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting]1
Section 3. - [1 La partie attribuée du produit de l'impôt des personnes physiques fédéral]1
Onderafdeling 1. - Overgangsperiode.
Première sous-section. - Période transitoire.
Art.42. § 1. De basisbedragen worden vastgesteld op :
  - voor de Vlaamse Gemeenschap : 47,6638 miljard frank;
  - voor de Franse Gemeenschap : 37,5229 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 worden deze bedragen jaarlijks aangepast aan de procentuele veranderingen van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  § 3. De in de §§ 1 en 2 bedoelde bedragen worden vervolgens opgesplitst in twee gedeelten :
  1° een gedeelte van 85,7 %;
  2° een gedeelte van 14,3 %.
Art.42. § 1. Les montants de base sont fixés à :
  - pour la Communauté flamande : 47,6638 milliards de francs;
  - pour la Communauté française : 37,5229 milliards de francs.
  § 2. Dès l'année budgétaire 1990, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation selon les modalités fixées à l'article 13, § 2.
  § 3. Les montants visés aux §§ 1er et 2 sont ensuite scindés en deux quotités :
  1° une quotité de 85,7 %;
  2° une quotité de 14,3 %.
Art.43. De annuïteiten van de bedragen bedoeld in artikel 42, § 3, 2°, worden jaarlijks berekend op analoge wijze als bepaald in artikel 16, § 1, en opgeteld op analoge wijze als bepaald in artikel 16, § 2.
Art.43. Les annuités des montants visés à l'article 42, § 3, 2°, sont calculées annuellement selon des modalités analogues à celles qui sont prévues à l'article 16, § 1er, et additionnées selon des modalités analogues à celles qui sont prévues à l'article 16, § 2.
Art.44. § 1. De bedragen bekomen met toepassing van artikel 42, § 3, 1°, en artikel 43 worden voor iedere Gemeenschap opgeteld.
  § 2. Voor iedere Gemeenschap wordt het met toepassing van § 1 bekomen bedrag uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van de in de betrokken Gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.
  Wat de Vlaamse Gemeenschap betreft wordt de opbrengst van de personenbelasting gevormd door de in het Nederlands taalgebied gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting, verhoogd met 20 % van de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting.
  Wat de Franse Gemeenschap betreft wordt de opbrengst van de personenbelasting gevormd door de in het Frans taalgebied gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting, verhoogd met 80 % van de opbrengst van de in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad gelokaliseerde opbrengst van de personenbelasting.
  Voor de toepassing van dit artikel worden de ontvangsten, gelokaliseerd in elk taalgebied, inzake personenbelasting zoals bedoeld in artikel 7, § 2, jaarlijks vastgesteld, op basis van de meest recente gegevens, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na voorafgaand overleg met de Gewest- en Gemeenschapsexecutieven.
  § 3. Het hoogste percentage bekomen met toepassing van § 2 wordt weerhouden. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus bekomen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen.
Art.44. § 1. Les montants obtenus en application des articles 42, § 3, 1°, et 43 sont additionnés pour chacune des Communautés.
  § 2. Pour chaque Communauté, le montant obtenu en application du § 1er est exprimé en pourcents avec cinq décimales des recettes localisées dans la Communauté concernée de l'impôt des personnes physiques.
  Pour la Communauté flamande, le produit de l'impôt des personnes physiques est constitué du produit localisé dans la région de langue néerlandaise de l'impôt des personnes physiques, majoré de 20 % du produit localisé dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale de l'impôt des personnes physiques.
  Pour la Communauté française, le produit de l'impôt des personnes physiques est constitué du produit localisé dans la région de langue française de l'impôt des personnes physiques majoré de 80 % des recettes localisées dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale de l'impôt des personnes physiques.
  Pour l'application du présent article, les recettes localisées dans chacune des régions linguistiques de l'impôt des personnes physiques et visées à l'article 7, § 2, sont fixées annuellement, sur la base des données les plus récentes, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, après concertation avec les Exécutifs des Régions et des Communautés.
  § 3. Le pourcentage le plus élevé obtenu en application du § 2 est retenu. Ce pourcentage est appliqué aux recettes localisées dans chacune des Communautés de l'impôt des personnes physiques. Les résultats ainsi obtenus constitueront les montants de base pour les différentes Communautés.
Art.45. § 1. Voor iedere Gemeenschap wordt jaarlijks het verschil berekend tussen het met toepassing van artikel 44, § 1, bekomen resultaat en het met toepassing van artikel 44, § 3, bekomen basisbedrag. Dit verschil vormt het jaarlijks basisbedrag van de overgangscorrectie.
  § 2. Voor het begrotingsjaar 1989 is de overgangscorrectie gelijk aan het basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 1998 is de overgangscorrectie gelijk aan een jaarlijks met 10 punten verminderend percentage van het door het overeenstemmend jaar bekomen basisbedrag van de overgangscorrectie.
  Vanaf het begrotingsjaar 1999 wordt geen overgangscorrectie meer toegepast.
Art.45. § 1. Pour chaque Communauté, la différence entre le résultat obtenu en application de l'article 44, § 1er, et le montant de base obtenu en application de l'article 44, § 3, est calcule annuellement. Cette différence constitue le montant de base annuel de la correction de transition.
  § 2. Pour l'année budgétaire 1989, la correction de transition est égale au montant de base de la correction de transition.
  Pour les années budgétaires 1990 à 1998 incluses, la correction de transition est égale au pourcentage, diminué de 10 points par an, du montant de base de la correction de transition obtenu pour l'année correspondante.
  Il n'est plus appliqué de correction de transition à partir de l'année budgétaire 1999.
Art. 45bis. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 111, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor het begrotingsjaar 1993 wordt een basisbedrag bepaald van 4,5 miljard frank.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1994 tot en met 1999 wordt jaarlijks voor de beide Gemeenschappen samen het totaal bepaald van :
  1° de basisbedragen verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
  2° de bedragen van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2.
  § 3. Het in § 2 verkregen totaal wordt jaarlijks vermenigvuldigd met een procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar, en vanaf het begrotingsjaar 1994 verhoogd met het voor het vorige begrotingsjaar, in § 4 voor de beide Gemeenschappen samen in aanmerking genomen bedrag, nadat dit laatste aangepast is aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan een procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar.
  Het in het vorige lid in aanmerking te nemen procentueel gedeelte van de reële groei van het bruto nationaal produkt bedraagt :
  - in het begrotingsjaar 1994 : 10 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1995 : 15 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1996 : 20 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1997 : 70 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1998 : 75 pct.;
  - in het begrotingsjaar 1999 : 97,5 pct.
  In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer en van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande jaar.
  § 4. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding bepaald van, naargelang het geval, het in § 1 bepaalde bedrag of het in § 3 verkregen resultaat, tot het totaal van de in beide Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald in artikel 44, § 2, uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
  Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus verkregen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen.
Art. 45bis. § 1. Pour l'année budgétaire 1993, un montant de base est fixé à 4,5 milliards de francs.
  § 2. Pour les années budgétaires 1994 à 1999 incluses, le total est déterminé annuellement, pour les deux Communautés réunies, comme suit :
  1° les montants de base obtenus en application de l'article 44, § 3;
  2° les montants de la correction de transition obtenus en application de l'article 45, § 2.
  § 3. Le total obtenu en application du § 2 est multiplié annuellement par un pourcentage de la croissance réelle du produit national brut de l'année budgétaire en question, et, à partir de l'année budgétaire 1994, majoré du montant retenu au § 4 pendant l'année budgétaire précédente, pour les deux Communautés réunies, tel qu'adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à un pourcentage de la croissance réelle du produit national brut de l'année budgétaire en question.
  Le pourcentage de la croissance réelle du produit national brut à prendre en considération à l'alinéa précédent, s'élève :
  - pour l'année budgétaire 1994 à 10 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1995 à 15 p.c.;
  - pour année budgétaire 1996 à 20 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1997 à 70 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1998 à 75 p.c.;
  - pour l'année budgétaire 1999 à 97,5 p.c.
  En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du produit national brut, l'adaptation se fait en fonction du taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du produit national brut de l'année précédente.
  § 4. Pour les années budgétaires 1993 à 1999 incluses, le rapport entre, selon le cas, le montant fixé au § 1er ou le résultat obtenu au § 3 et le total des recettes localisées dans les deux Communautés de l'impôt des personnes physiques, tel que défini à l'article 44, § 2, est exprimé en pour cent à cinq décimales.
  Ce pourcentage est appliqué aux recettes localisées dans chacune des Communautés de l'impôt des personnes physiques. Les résultats ainsi obtenus constitueront les montants de base pour les différentes Communautés.
Art. 45ter. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 112, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor het begrotingsjaar 1993 wordt een basisbedrag vastgesteld van 5,065 miljard frank.
  Vanaf het begrotingsjaar 1994 tot en met het begrotingsjaar 1999 wordt dit bedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het bruto nationaal produkt van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal produkt worden de bedragen aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het bruto nationaal produkt van het voorgaande jaar.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 wordt jaarlijks de verhouding van het in § 1 verkregen bedrag tot het totaal van de in beide Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, zoals bepaald in artikel 44, § 2, uitgedrukt in percenten met vijf decimalen.
  § 3. Dit percentage wordt toegepast op de in elk der Gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting. De aldus verkregen resultaten vormen de basisbedragen voor de onderscheiden Gemeenschappen.
Art. 45ter. § 1. Pour l'année budgétaire 1993, un montant de base est fixé à 5,065 milliards de francs.
  Pour les années budgétaires 1994 à 1999 incluses, ce montant est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du produit national brut de année budgétaire en question. En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du produit national brut, l'adaptation se fait en fonction du taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du produit national brut de l'année précédente.
  § 2. Pour les années budgétaires 1993 à 1999 incluses, le rapport entre le montant obtenu au § 1er et le total des recettes localisées dans les deux Communautés de l'impôt des personnes physiques, tel que défini à l'article 44, § 2, est exprimé en pour cent à cinq décimales.
  § 3. Ce pourcentage est appliqué aux recettes localisées dans chacune des Communautés de l'impôt des personnes physiques. Les résultats ainsi obtenus constitueront les montants de base pour les différentes Communautés. "
Art.46. <W 1993-07-16/30, art. 113, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> § 1. Voor de begrotingsjaren 1989 tot en met 1992 worden de middelen bedoeld in deze onderafdeling, per Gemeenschap, als volgt samengesteld :
  1° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2.
  § 2. Voor de begrotingsjaren 1993 tot en met 1999 worden de middelen bedoeld in deze onderafdeling, per Gemeenschap, als volgt samengesteld :
  1° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 44, § 3;
  2° het bedrag van de overgangscorrectie verkregen met toepassing van artikel 45, § 2;
  3° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 45bis, § 4;
  4° het basisbedrag verkregen met toepassing van artikel 45ter, § 3.
Art.46. § 1. Pour les années budgétaires 1989 à 1992 incluses, les moyens visés dans la présente sous-section sont constitués comme suit par Communauté :
  1° le montant de base obtenu en application de l'article 44, § 3;
  2° le montant de la correction de transition obtenu en application de l'article 45, § 2.
  § 2. Pour les années budgétaires 1993 à 1999 incluses, les moyens visés dans la présente sous-section sont constitués comme suit par Communauté :
  1° le montant de base obtenu en application de l'article 44, § 3;
  2° le montant de la correction de transition obtenu en application de l'article 45, § 2;
  3° le montant obtenu en application de l'article 45bis, § 4;
  4° le montant obtenu en application de l'article 45ter, § 3.
Onderafdeling 2. - Definitief stelsel.
Sous-section 2. - Du régime définitif.
Art.47. § 1. Voor de vaststelling van de bedragen voor het begrotingsjaar 2000 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren [1 tot en met het begrotingsjaar 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 47/2 bedoelde basisbedrag en het in het artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt uitgegaan van de middelen per Gemeenschap van het voorgaande begrotingsjaar.
  § 2. (Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar. In afwachting van de definitieve vaststelling van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en van de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 worden de bedragen aangepast aan de geraamde procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de geraamde reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.) <W 2001-07-13/35, art. 31, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2bis. (Indien het rekenkundig gemiddelde van de jaarlijkse reële groei van het bruto nationaal produkt tijdens de periode 1993 tot en met 2004 lager is dan 2 pct., wordt het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag opnieuw bepaald, doch op basis van een uniforme reële groei van 2 pct. tijdens de begrotingsjaren 1993 tot en met 2005.
  Indien het verschil tussen het in vorig lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag méér dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 een bedrag in aanmerking genomen gelijk aan het op basis van § 2 voor het begrotingsjaar 2005 verkregen bedrag, vermeerderd met 0,25 pct. van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 verkregen bedrag.
  Indien het verschil tussen het in het eerste lid en het in § 2 voor het begrotingsjaar 2005 bepaalde bedrag minder dan 0,25 pct. bedraagt van het voor het begrotingsjaar 2004 op basis van § 2 bepaalde bedrag, dan wordt voor het begrotingsjaar 2005 het in het eerste lid bepaalde bedrag in aanmerking genomen.) <W 1993-07-16/30, art. 114, § 2, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  § 3. (Ieder jaar wordt het in § 2 verkregen bedrag of, in voorkomend geval, het voor het begrotingsjaar 2005 in § 2bis in aanmerking genomen bedrag, voor de twee gemeenschappen samen uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van het totaal van de in beide gemeenschappen gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting.) <W 2001-07-13/35, art. 32, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de in elke Gemeenschap gelokaliseerde ontvangsten inzake personenbelasting, overeenkomstig artikel 44, § 2.
  
Art.47. § 1. Pour l'année budgétaire 2000 et chacune des années budgétaires suivantes [1 jusqu'à l'année budgétaire 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 47/2 et du montant de transition visé à l'article 48/1]1 , la fixation des montants s'effectuera sur la base des moyens par Communauté de l'année budgétaire précédente.
  § 2. (Chaque année, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée. En attendant la fixation définitive de l'indice moyen des prix à la consommation et de la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1, les montants sont adaptés au taux de fluctuation estimé de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle estimée du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée, comme il est prévu dans le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.) <L 2001-07-13/35, art. 31, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2bis. (Si la moyenne arithmétique de la croissance réelle annuelle du produit national brut au cours de la période 1993 à 2004 inclusivement est inférieure à 2 p.c., le montant déterminé au § 2 pour l'année budgétaire 2005 sera à nouveau déterminé, mais cette fois sur la base d'une croissance réelle uniforme de 2 p.c. au cours des années budgétaires 1993 à 2005 incluses.
  Si la différence entre le montant déterminé à l'alinéa précédent et le montant déterminé au § 2 pour l'année budgétaire 2005 dépasse 0,25 p.c. du montant déterminé sur la base du § 2 pour l'année budgétaire 2004, un montant sera retenu, pour l'année budgétaire 2005, égal au montant obtenu sur la base du § 2 pour l'année budgétaire 2005, majoré de 0,25 p.c. du montant obtenu pour l'année budgétaire 2004 sur la base du § 2.
  Si la différence entre le montant déterminé à l'alinéa premier et le montant déterminé au § 2 pour l'année budgétaire 2005 est inférieure à 0,25 p.c. du montant déterminé sur la base du § 2 pour l'année budgétaire 2004, le montant déterminé à l'alinéa premier sera retenu pour l'année budgétaire 2005.) <L 1993-07-16/30, art. 114, § 2, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  § 3. (Chaque année, le montant obtenu au § 2 ou, le cas échéant, le montant retenu pour l'année budgétaire 2005 au § 2bis, pour les deux communautés réunies, est exprimé en pour-cent à cinq décimales des recettes totales de l'impôt des personnes physiques localisées dans les deux communautés.) <L 2001-07-13/35, art. 32, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 4. Le pourcentage ainsi obtenu est appliqué annuellement aux recettes localisées dans chacune des Communautés, conformément à l'article 44, § 2, de l'impôt des personnes physiques.
  
Art. 47/1. [1 Voor het begrotingsjaar 2015 wordt het verschil berekend tussen :
   1° het met toepassing van artikel 40bis verkregen bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   2° het met toepassing van artikel 40quater verkregen bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen.]1

  
Art. 47/1. [1 Pour l'année budgétaire 2015, la différence est calculée entre :
   1° le montant obtenu en application de l'article 40bis pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies;
   2° le montant obtenu en application de l'article 40quater pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies.]1

  
Art. 47/2. [1 § 1. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt een nieuw basisbedrag bepaald dat gelijk is aan de som van :
   1° het in artikel 47/1 bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   2° het in artikel 47 bedoelde totaal bedrag voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen;
   3° een negatief bedrag gelijk aan 356.292.000 euro.
   § 2. Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het voor het begrotingsjaar 2015 toegekende bedrag eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2 en vervolgens verminderd met 356.292.000 euro. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid.
   Het met toepassing van het eerste lid verkregen basisbedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 35nonies, § 1, vijfde lid.
   § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt het, naargelang het geval, met toepassing van § 1 of § 2 verkregen bedrag jaarlijks uitgedrukt in percenten met vijf decimalen van het totaal van de ontvangsten van de federale personenbelasting die geacht worden in beide gemeenschappen gelokaliseerd te zijn.
   § 4. Het aldus bekomen percentage wordt jaarlijks toegepast op de ontvangsten van de federale personenbelasting die geacht worden in elke gemeenschap gelokaliseerd te zijn.
   De ontvangsten worden als volgt tussen de gemeenschappen verdeeld :
   1° 100 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het Nederlandse taalgebied, verhoogd met 20 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, worden geacht gelokaliseerd te zijn in de Vlaamse Gemeenschap;
   2° 100 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het Franse taalgebied, verhoogd met 80 % van die ontvangsten van de belasting gelokaliseerd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, worden geacht gelokaliseerd te zijn in de Franse Gemeenschap.
   § 5. Voor de toepassing van dit artikel worden de ontvangsten van de federale personenbelasting gelokaliseerd in elk taalgebied jaarlijks vastgesteld op basis van het laatste gekende aanslagjaar en vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewest- en gemeenschapsregeringen.]1

  
Art. 47/2. [1 § 1er. Pour l'année budgétaire 2015, un nouveau montant de base est défini, égal à la somme :
   1° du montant total visé à l'article 47/1 pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies;
   2° du montant total visé à l'article 47 pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies;
   3° un montant négatif égal à 356.292.000 euros.
   § 2. Pour l'année budgétaire 2016, le montant attribué pour l'année budgétaire 2015 est d'abord adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités définies à l'article 33, § 2 et ensuite diminué de 356.292.000 euros. Ce pourcentage est égal au pourcentage déterminé conformément à l'article 35nonies, § 1er, alinéa 5.
   Le montant de base obtenu en application de l'alinéa 1er est adapté annuellement à compter de l'année budgétaire 2017 au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités définies à l'article 33, § 2. Ce pourcentage est égal au pourcentage déterminé conformément à l'article 35nonies, § 1er, alinéa 5.
   § 3. A compter de l'année budgétaire 2015, le montant obtenu, selon le cas, en application du § 1er ou du § 2 est exprimé annuellement, en pour cent à cinq décimales du total des recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral réputées localisées dans les deux communautés.
   § 4. Le pourcentage ainsi obtenu est appliqué annuellement aux recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral réputées localisées dans chaque communauté.
   Les recettes sont réparties entre les communautés comme suit :
   1° 100 % de ces recettes de l'impôt localisé en région de langue néerlandaise, augmenté de 20 % de ces recettes de l'impôt localisé en région bilingue de Bruxelles-Capitale sont réputées localisées dans la Communauté flamande;
   2° 100 % de ces recettes de l'impôt localisé en région de langue française et 80 % de ces recettes de l'impôt localisé en région bilingue de Bruxelles-Capitale sont réputées localisées dans la Communauté française.
   § 5. Pour l'application du présent article, les recettes de l'impôt des personnes physiques fédéral localisé dans chaque région linguistique sont établies annuellement sur la base des données du dernier exercice d'imposition et fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et après concertation avec les gouvernements des régions et des communautés.]1

  
Afdeling 4. - De dotatie ter compensatie van het kijk- en luistergeld.
Section IV. - La dotation compensatoire de la redevance radio et télévision.
Art. 47/3. [1 oud Art. 47bis.]1 <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 34; Inwerkingtreding : 01-01-2002> § 1. Aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap wordt jaarlijks een dotatie toegekend ter compensatie van het kijk- en luistergeld. Het basisbedrag van deze dotatie wordt per gemeenschap bepaald als het gemiddelde voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 van de in de Vlaamse Gemeenschap respectievelijk de Franse Gemeenschap gelokaliseerde netto-opbrengst van het kijk- en luistergeld, met inachtneming van de lokalisatiecriteria zoals bepaald in § 3. De netto-opbrengst wordt uitgedrukt in prijzen van 2002.
  § 2. [1 Voor elk van de begrotingsjaren 2003 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat de vaststelling betreft van het in artikel 40quinquies bedoelde basisbedrag en het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag,]1 wordt het met toepassing van § 1 verkregen bedrag per gemeenschap jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
  § 3. Voor de toepassing van § 1 wordt het kijk- en luistergeld geacht gelokaliseerd te zijn als volgt :op de plaats waar het televisietoestel wordt gehouden en, wat de toestellen in autovoertuigen betreft, op de plaats waar de houder van het toestel gevestigd is.
  Aan de Franse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Franse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 80 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  Aan de Vlaamse Gemeenschap wordt het gedeelte van de netto-opbrengst toegewezen van het in het Nederlandse taalgebied gelokaliseerde kijk- en luistergeld, verhoogd met 20 % van het gedeelte van de netto-opbrengst van deze belasting in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.
  
Art. 47/3. [1 ancien Art. 47bis.]1 § 1er. Une dotation est octroyée annuellement à la Communauté française et à la Communauté flamande en compensation de la redevance radio et télévision. Le montant de base de cette dotation est fixé par communauté comme la moyenne, pour les années budgétaires 1999 à 2001 incluse, du produit net de la redevance radio et télévision, localisé respectivement dans la Communauté française et dans la Communauté flamande, dans le respect des critères de localisation fixés au § 3. Le produit net est exprimé en prix de 2002.
  § 2. [1 Pour chacune des années budgétaires 2003 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de base visé à l'article 40quinquies et du montant de transition visé à l'article 48/1,]1 le montant par communauté obtenu en application du § 1er est adapté chaque année au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3.
  § 3. Pour l'application du § 1er, la redevance radio et télévision est réputée être localisée comme suit : à l'endroit où l'appareil de télévision est détenu et, en ce qui concerne les appareils à bord de véhicules automobiles, à l'endroit ou le détenteur de l'appareil est établi.
  Il est attribué à la Communauté française la part du produit net de la redevance radio et télévision localisée dans la Région de langue française, majorée de 80 % de la partie du produit net de cette redevance dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  Il est attribué à la Communauté flamande la part du produit net de la redevance radio et télévision localisée en Région de langue néerlandaise, majorée de 20 % de la partie du produit net de cette redevance dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale.
  
TITEL IV/1. [1 Federale dotaties aan de gemeenschappen]1
TITRE IV/1. [1 Des dotations fédérales aux communautés]1
Art. 47/4. [1 Voor de gemeenschappen worden jaarlijks in de algemene uitgavenbegroting van de federale overheid de in de artikelen 47/5 tot 47/11 bedoelde dotaties ingeschreven.]1
  
Art. 47/4. [1 Pour les communautés, les dotations visées dans les articles 47/5 à 47/11 sont inscrites annuellement au budget général des dépenses de l'autorité fédérale.]1
  
Art. 47/5. [1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan 6 403 683 360 euro.
   § 2. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt het bedrag dat aan de in § 1, bedoelde entiteiten samen wordt toegewezen, verkregen door achtereenvolgens :
   1° het in § 1 bedoelde bedrag aan te passen op de in het tweede lid bedoelde wijze, en dit voor het begrotingsjaar 2014;
   2° het met toepassing van het 1° bekomen bedrag aan te passen op de in het tweede lid bedoelde wijze, en vervolgens te verminderen op de in het derde lid bedoelde wijze, en dit voor het begrotingsjaar 2015.
   De in het eerste lid bedoelde aanpassing gebeurt op basis van :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3;
   2° de evolutie van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van dat aantal op 1 januari van het vorige begrotingsjaar, waarbij het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze. In afwachting van de definitieve vaststelling van dat aantal inwoners op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar wordt het geraamd aantal op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar weerhouden, zoals voorzien in de economische begroting als bedoeld in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
   Het met toepassing van het tweede lid bekomen bedrag wordt verminderd met een percentage dat bekomen wordt door de verhouding te berekenen van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot de Duitstalige Gemeenschap op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar tot het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, en waarbij het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze.
   § 3. Voor het begrotingsjaar 2015 worden de middelen per entiteit bekomen door het met toepassing van § 2 bekomen bedrag tussen de in § 1 bedoelde entiteiten te verdelen volgens de sleutel van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, die bekomen wordt door per entiteit de verhouding te berekenen van :
   1° het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot de betrokken entiteit;
   2° de som van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot alle in § 1 bedoelde entiteiten;
   en waarbij het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze.
   § 4. Voor het begrotingsjaar 2016 en elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden voor de vaststelling van de middelen per in § 1 bedoelde entiteit de voor het vorige begrotingsjaar verkregen middelen jaarlijks aangepast aan :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3;
   2° de evolutie van het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar van de betrokken entiteit op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van dat aantal op 1 januari van het vorige begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in § 2, tweede lid, 2°, en waarbij het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze;
   3° 25 % van de reële groei van het bruto binnenlands product per inwoner. In afwachting van de definitieve vaststelling van die reële groei per inwoner van het betrokken begrotingsjaar, wordt de geraamde reële groei per inwoner van het betrokken begrotingsjaar weerhouden, zoals voorzien in de economische begroting bedoeld als in artikel 108, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen.
   § 5. Voor de toepassing van de §§ 1 tot 4 is het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar van :
   1° de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot het Nederlandse taalgebied;
   2° de Franse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot het Franse taalgebied;
   3° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gelijk aan het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
   4° de Duitstalige Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners van 0 tot en met 18 jaar behorende tot het Duitse taalgebied.]1

  
Art. 47/5. [1 § 1er. A partir de l'année budgétaire 2015, une dotation est accordée à la Communauté française, la Communauté flamande et la Commission communautaire commune dont le montant de base est égal à 6 403 683 360 euros.
   § 2. Pour l'année budgétaire 2015, le montant qui est accordé aux entités réunies visées au § 1er, est obtenu en effectuant consécutivement les opérations suivantes :
   1° le montant visé au § 1er, est adapté selon les modalités définies à l'alinéa 2, et ce pour l'année budgétaire 2014;
   2° le montant obtenu en application du 1° est adapté selon les modalités définies à l'alinéa 2, et ensuite diminué selon les modalités définies à l'alinéa 3, et ce pour l'année budgétaire 2015.
   L'adaptation visée à l'alinéa 1er est effectuée sur la base :
   1° du taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 38, § 3;
   2° de l'évolution du nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus du Royaume au 1er janvier de l'année budgétaire concernée par rapport à ce nombre au 1er janvier de l'année budgétaire précédente, le nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus étant fixé suivant les modalités définies au § 5. En attendant la fixation définitive de ce nombre d'habitants au 1er janvier de l'année budgétaire concernée, l'estimation du nombre d'habitants au 1er janvier de l'année budgétaire concernée est retenue, comme il est prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
   Le montant obtenu en application de l'alinéa 2 est diminué d'un pourcentage qui est obtenu en calculant le rapport entre le nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus appartenant à la Communauté germanophone au 1er janvier de l'année budgétaire concernée et le nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus du Royaume au 1er janvier de l'année budgétaire concernée, le nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus étant fixé suivant les modalités définies au § 5.
   § 3. Pour l'année budgétaire 2015, les moyens par entité sont obtenus en répartissant le montant obtenu en application du § 2 entre les entités visées au § 1er selon la clef du nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus au 1er janvier de l'année budgétaire concernée, qui est obtenue en calculant par entité le rapport entre :
   1° le nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus appartenant à l'entité concernée;
   2° la somme du nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus appartenant à toutes les entités visées au § 1er;
   et le nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus étant fixé suivant les modalités définies au § 5.
   § 4. Pour l`établissement des moyens par entité visée au § 1er pour l'année budgétaire 2016 et pour chacune des années budgétaires subséquentes, les moyens obtenus pour l'année budgétaire précédente sont adaptés annuellement :
   1° au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités définies à l'article 38, § 3;
   2° à l'évolution du nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus de l'entité concernée au 1er janvier de l'année budgétaire concernée par rapport à ce nombre au 1er janvier de l'année budgétaire précédente suivant les modalités définies au § 2, alinéa 2, 2°, et le nombre d'habitants de 0 à 18 inclus ans étant fixé suivant les modalités définies au § 5;
   3° à 25 % de la croissance réelle du produit intérieur brut par habitant. En attendant la fixation définitive de ce taux de croissance par habitant de l'année budgétaire concernée, le taux de croissance par habitant estimé de l'année budgétaire concernée est retenu, comme prévu par le budget économique visé à l'article 108, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses.
   § 5. Pour l'application des §§ 1er à 4, le nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus est égal à :
   1° pour la Communauté flamande, au nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus appartenant à la région de langue néerlandaise;
   2° pour la Communauté française, au nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus appartenant à la région de langue française;
   3° pour la Commission communautaire commune, au nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus appartenant à la région bilingue de Bruxelles-Capitale;
   4° pour la Communauté germanophone, au nombre d'habitants de 0 à 18 ans inclus appartenant à la région de langue allemande.]1

  
Art. 47/6. [1 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de sociale partners als bedoeld in de wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact, een deel van de welvaartsenveloppe toewijzen aan de verhoging van de in artikel 47/5 bedoelde dotaties die toegekend worden aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, indien de sociale partners vaststellen dat de participatiegraad van de jongeren in het hoger onderwijs aanzienlijk is toegenomen in een of meerdere taalgebieden tussen het voorgaande jaar en het laatste jaar waarvoor een deel van de welvaartsenveloppe werd toegewezen aan een verhoging van de toegekende dotaties aan voormelde entiteiten of bij gebrek daaraan het jaar 2015.
   De participatiegraad wordt bepaald per taalgebied als de verhouding tussen het aantal jongeren van 19 tot en met 24 jaar dat gedomicilieerd is in het betrokken taalgebied en ingeschreven is voor een opleiding die leidt tot een academische graad van het hoger onderwijs, en het aantal jongeren van diezelfde leeftijd dat gedomicilieerd is in dat taalgebied.
   De verhoging van de dotatie van een in het eerste lid bedoelde entiteit wordt bepaald volgens het aandeel van de betrokken entiteit in de toename van de participatiegraad van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie samen, waarbij de toename wordt waargenomen tijdens de in het eerste lid bedoelde periode en waarbij :
   1° het aandeel in de verhoging dat wordt toegewezen aan de Vlaamse Gemeenschap overeenstemt met het aandeel van het Nederlandse taalgebied in de toename van de participatiegraad;
   2° het aandeel in de verhoging dat wordt toegewezen aan de Franse Gemeenschap overeenstemt met het aandeel van het Franse taalgebied in de toename van de participatiegraad;
   3° het aandeel in de verhoging dat wordt toegewezen aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie overeenstemt met het aandeel van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad in de toename van de participatiegraad.
   Het aldus bekomen bedrag dat toekomt aan één of meerdere van de in het eerste lid bedoelde entiteiten wordt nominaal constant gehouden en jaarlijks toegevoegd aan de middelen die krachtens artikel 47/5, §§ 1 tot 5 aan die betrokken entiteiten wordt toegewezen.
   De nadere toepassingsregels van de in het eerste lid bedoelde verhoging worden geregeld na overleg met de gemeenschapsregeringen en het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.]1

  
Art. 47/6. [1 Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur proposition des partenaires sociaux visés à la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations affecter une partie de l'enveloppe bien-être à la majoration des dotations visées à l'article 47/5 qui sont accordées à la Communauté française, la Communauté flamande et la Commission communautaire commune si les partenaires sociaux constatent que le taux de participation des jeunes dans l'enseignement supérieur a augmenté significativement dans une ou plusieurs régions linguistiques entre l'année qui précède et la dernière année pour laquelle une partie de l'enveloppe bien-être a été affectée à une majoration des dotations accordées aux entités précitées, ou à défaut l'année 2015.
   Le taux de participation est défini par région linguistique comme étant le rapport entre le nombre de jeunes de 19 à 24 ans inclus domiciliés dans la région linguistique concernée, inscrits pour une formation menant à un grade académique de l'enseignement supérieur et le nombre de jeunes du même âge domiciliés dans cette région linguistique.
   La majoration de la dotation d'une entité visée à l'alinéa 1er est déterminé en fonction de la part de l'augmentation du taux de participation de l'entité concernée dans l'augmentation du taux de participation de la Communauté française, la Communauté flamande et la Commission communautaire commune réunies, l'augmentation étant observée sur la période visée à l'alinéa 1er, et :
   1° la part dans la majoration qui est attribuée à la Communauté flamande correspondant à la part de la région de langue néerlandaise dans l'augmentation du taux de participation;
   2° la part dans la majoration qui est attribuée à la Communauté française correspondant à la part de la région de langue française dans l'augmentation du taux de participation;
   3° la part dans la majoration qui est attribuée à la Commission communautaire commune correspondant à la part de la région bilingue de Bruxelles-Capitale dans l'augmentation du taux de participation.
   Le montant ainsi obtenu qui revient à une ou plusieurs entités visées à l'alinéa 1er est maintenu nominalement constant et ajouté chaque année aux moyens attribués à ces entités concernées en vertu de l'article 47/5, §§ 1er à 5.
   Les modalités d'application de la majoration visée à l'alinéa 1er sont réglées, après concertation avec les gouvernements de communautés et le Collège réuni de la Commission communautaire commune, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres.]1

  
Art. 47/7. [1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan 3 339 352 178 euro.
   § 2. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt het bedrag dat aan de in § 1, bedoelde entiteiten samen wordt toegewezen, verkregen door achtereenvolgens :
   1° het in § 1 bedoelde basisbedrag aan te passen op de in het tweede lid bedoelde wijze en dit voor het begrotingsjaar 2014;
   2° het met toepassing van het 1° bekomen bedrag aan te passen op de in het tweede lid bedoelde wijze en vervolgens te verminderen op de in het derde lid bedoelde wijze, en dit voor het begrotingsjaar 2015.
   De in het eerste lid bedoelde aanpassing gebeurt op basis van :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3;
   2° de evolutie van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van dat aantal op 1 januari van het vorige begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47/5, § 2, tweede lid, 2° en waarbij het aantal inwoners ouder dan 80 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze;
   3° de reële groei van het bruto binnenlands product per inwoner van het betrokken begrotingsjaar en vastgesteld op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 47/5, § 4, 3°.
   Het met toepassing van het tweede lid bekomen bedrag wordt verminderd met een percentage dat bekomen wordt door de verhouding te berekenen van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot de Duitstalige Gemeenschap op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar tot het aantal inwoners ouder dan 80 jaar van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, en waarbij het aantal inwoners ouder dan 80 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze.
   § 3. Voor het begrotingsjaar 2015 worden de middelen per entiteit bekomen door het met toepassing van § 2 bekomen bedrag tussen de in § 1 bedoelde entiteiten te verdelen volgens de sleutel van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar, die bekomen wordt door per entiteit de verhouding te berekenen van :
   1° het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot de betrokken entiteit;
   2° de som van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot alle in § 1 bedoelde entiteiten;
   en waarbij het aantal inwoners ouder dan 80 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze.
   Van de in het eerste lid vastgestelde middelen voor elke entiteit wordt een bedrag in mindering gebracht om rekening te houden met de geïsoleerde geriatriediensten, als bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die op 1 januari 2013 bestaan maar op datum van 1 januari 2015 geen dergelijke diensten meer zijn. Dat bedrag wordt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gemeenschapsregering of het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Het stemt overeen met het bedrag dat voor het begrotingsjaar 2013 voor deze diensten werd toegekend, zonder rekening te houden met de middelen voor de infrastructuur van deze diensten, en wordt aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het begrotingsjaar 2014 en 2015 op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Het aangepaste bedrag wordt in mindering gebracht van de in het eerste lid vastgestelde middelen voor de entiteit die voor deze diensten bevoegd zou zijn geweest.
   § 4. Voor het begrotingsjaar 2016 en elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden voor de vaststelling van de middelen per entiteit de voor het vorige begrotingsjaar verkregen middelen jaarlijks aangepast aan :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3;
   2° de evolutie van het aantal inwoners ouder dan 80 jaar in de betrokken entiteit op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van dat aantal op 1 januari van het vorige begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47/5, § 2, tweede lid, 2°, en waarbij het aantal inwoners ouder dan 80 jaar wordt vastgesteld op de in § 5 bepaalde wijze;
   3° een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product per inwoner van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47/5, § 4, 3°.
   Het in het eerste lid, 3°, vermelde percentage is gelijk aan :
   1° voor het begrotingsjaar 2016 : 82,5 %;
   2° vanaf het begrotingsjaar 2017 :
   a) 65 % op het deel van de reële groei dat niet hoger is dan 2,25 %;
   b) 100 % op het deel van de reële groei dat hoger is dan 2,25 %;
   § 5. Voor de toepassing van de §§ 1 tot 4 is het aantal inwoners ouder dan 80 jaar van :
   1° de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot het Nederlandse taalgebied;
   2° de Franse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot het Franse taalgebied;
   3° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gelijk aan het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
   4° de Duitstalige Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners ouder dan 80 jaar behorende tot het Duitse taalgebied.]1

  
Art. 47/7. [1 § 1er. A partir de l'année budgétaire 2015, une dotation est accordée à la Communauté française, à la Communauté flamande et à la Commission communautaire commune dont le montant de base est égal à 3 339 352 178 euros.
   § 2. Pour l'année budgétaire 2015, le montant qui est accordé aux entités réunies visées au § 1er, est obtenu en effectuant consécutivement les opérations suivantes :
   1° le montant de base visé au § 1er est adapté selon les modalités définies à l'alinéa 2 et ce pour l'année budgétaire 2014;
   2° le montant obtenu en application du 1° est adapté selon les modalités définies à l'alinéa 2 et ensuite diminué selon les modalités définies à l'alinéa 3, et ce pour l'année budgétaire 2015.
   L'adaptation visée à l'alinéa 1er s'effectue sur la base :
   1° du taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 38, § 3;
   2° de l'évolution du nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans du Royaume au 1er janvier de l'année budgétaire concernée par rapport à ce nombre au 1er janvier de l'année précédente, selon les modalités définies à l'article 47/5, § 2, alinéa 2, 2° ; le nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans étant fixé suivant les modalités définies au § 5;
   3° de la croissance réelle du produit intérieur brut par habitant de l'année budgétaire concernée et fixée selon les modalités définies à l'article 47/5, § 4, 3°.
   Le montant obtenu en application de l'alinéa 2 est diminué d'un pourcentage qui est obtenu en calculant le rapport entre le nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans appartenant à la Communauté germanophone au 1er janvier de l'année budgétaire concernée et le nombre d'habitants âgés de plus 80 ans dans le Royaume au 1er janvier de l'année budgétaire concernée; le nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans étant fixé suivant les modalités définies au § 5.
   § 3. Pour l'année budgétaire 2015, les moyens par entité sont obtenus en répartissant le montant obtenu en application du § 2 entre les entités visées au § 1er selon la clef du nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans au 1er janvier de l'année budgétaire concernée qui est obtenue en calculant par entité le rapport entre :
   1° le nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans appartenant à l'entité concernée;
   2° la somme du nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans appartenant à toutes les entités visées au § 1er;
   et le nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans étant fixé suivant les modalités définies au § 5.
   Des moyens fixés à l'alinéa 1er pour chaque entité, il est déduit un montant pour tenir compte des services de gériatrie isolés, visés à l'article 5, § 1er, I, alinéa 1er, 3°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, existants au 1er janvier 2013, mais qui ne constituent plus de tels services à la date du 1er janvier 2015. Ce montant est déterminé par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et après concertation avec le gouvernement de la communauté concernée ou du Collège réuni de la Commission communautaire commune. Il correspond au montant qui a été attribué pour l'année budgétaire 2013 pour ces services, compte non tenu des moyens pour l'infrastructure de ces services, et est adapté aux taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle du produit intérieur brut des années budgétaires 2014 et 2015, suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2. Le montant adapté est déduit des moyens fixés à l'alinéa 1er pour l'entité qui aurait été compétente pour ces services.
   § 4. Pour la fixation des moyens par entité pour l'année budgétaire 2016 et pour chacune des années budgétaires subséquentes, les moyens obtenus pour l'année budgétaire précédente sont adaptés annuellement :
   1° au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, selon les modalités définies à l'article 38, § 3;
   2° à l'évolution du nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans dans l'entité concernée au 1er janvier de l'année budgétaire concernée par rapport à ce nombre au 1er janvier de l'année budgétaire précédente, suivant les modalités fixées à l'article 47/5, § 2, alinéa 2, 2° ; le nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans étant fixé suivant les modalités définies au § 5;
   3° un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut par habitant de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47/5, § 4, 3°.
   Le pourcentage visé à l'alinéa 1er, 3°, est égal à :
   1° pour l'année budgétaire 2016 : 82,5 %;
   2° à partir de l'année budgétaire 2017 :
   a) 65 % sur la partie de la croissance réelle qui ne dépasse pas 2,25 %;
   b) 100 % sur la partie de la croissance réelle qui dépasse 2,25 %;
   § 5. Pour l'application des §§ 1er à 4, le nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans de :
   1° la Communauté flamande est égal au nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans appartenant à la région de langue néerlandaise;
   2° la Communauté française est égal au nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans appartenant à la région de langue française;
   3° la Commission communautaire commune est égal au nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans appartenant à la région bilingue de Bruxelles-Capitale;
   4° la Communauté germanophone est égal au nombre d'habitants âgés de plus de 80 ans appartenant à la région de langue allemande.]1

  
Art. 47/8. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan :
   a) 472.033.613 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
   b) 257.732.297 euro voor de Franse Gemeenschap;
   c) 128.644.410 euro voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
   Er wordt een bedrag in mindering gebracht om rekening te houden met de gespecialiseerde geïsoleerde diensten voor revalidatie en behandeling, als bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die op 1 januari 2013 bestaan maar op datum van 1 januari 2015 geen dergelijke diensten meer zijn. Dat bedrag wordt bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken gemeenschapsregering of het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie. Het stemt overeen met het bedrag dat voor het begrotingsjaar 2013 voor deze diensten werd toegekend, zonder rekening te houden met de middelen voor de infrastructuur van deze diensten, en wordt aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van de begrotingsjaren 2014 en 2015 op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Het aangepaste bedrag wordt in mindering gebracht van de middelen voor de entiteit die voor deze diensten bevoegd zou zijn geweest.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016 worden de middelen die aan de in het eerste lid bedoelde entiteiten worden toegekend, verkregen door jaarlijks de middelen van het vorige begrotingsjaar aan te passen aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 47/7, § 4, tweede lid.
   De middelen worden jaarlijks aangepast aan de evolutie van 1 januari van het betrokken begrotingsjaar ten opzichte van 1 januari van het vorige begrotingsjaar, van de verhouding tussen het aantal inwoners van de betrokken entiteit ten opzichte van het van de inwoners van het ganse Rijk.
   Voor de toepassing van het vierde lid, is het aantal inwoners van :
   1° de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Nederlandse taalgebied;
   2° de Franse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Franse taalgebied;
   3° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.]1

  
Art. 47/8. [1 A partir de l'année budgétaire 2015, une dotation est accordée à la Communauté française, à la Communauté flamande et à la Commission communautaire commune dont le montant de base est égal à :
   a) 472.033.613 euros pour la Communauté flamande;
   b) 257.732.297 euros pour la Communauté française;
   c) 128.644.410 euros pour la Commission communautaire commune.
   Il est déduit un montant pour tenir compte des services spécialisés isolés de révalidation et de traitement, visés à l'article 5, § 1er, I, alinéa 1er, 4°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, existants au 1er janvier 2013, mais qui ne constituent plus de tels services à la date du 1er janvier 2015. Ce montant est déterminé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec le gouvernement de la communauté concernée ou du Collège réuni de la Commission communautaire commune. Il correspond au montant qui a été attribué pour l'année budgétaire 2013 pour ces services, compte non tenu des moyens pour l'infrastructure de ces services, et est adapté aux taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à la croissance réelle du produit intérieur brut des années budgétaires 2014 et 2015, suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2. Le montant adapté est déduit des moyens pour l'entité qui aurait été compétente pour ces services.
   A partir de l'année budgétaire 2016, les moyens accordés aux entités visées à l'alinéa 1er sont obtenus en adaptant annuellement les moyens de l'année budgétaire précédente au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 33, § 2. Ce pourcentage est égal au pourcentage déterminé conformément à l'article 47/7, § 4, alinéa 2.
   Les moyens sont adaptés annuellement à l'évolution entre le 1er janvier de l'année budgétaire concernée et le 1er janvier de l'année budgétaire précédente, du rapport entre le nombre d'habitants de l'entité concernée et le nombre d'habitants de l'ensemble du Royaume.
   Pour l'application de l'alinéa 4, le nombre d'habitants de :
   1° la Communauté flamande est égal au nombre d'habitants appartenant à la région de langue néerlandaise;
   2° la Communauté française est égal au nombre d'habitants appartenant à la région de langue française;
   3° la Commission communautaire commune est égal au nombre d'habitants appartenant à la région bilingue de Bruxelles-Capitale.]1

  
Art. 47/9. [1 § 1. Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt jaarlijks aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een dotatie toegekend omwille van hun bevoegdheid inzake financiering van ziekenhuisinfrastructuur en de medisch-technische diensten.
   Het basisbedrag van de in het eerste lid bedoelde dotatie is gelijk aan 566 185 617 euro.
   § 2. Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het in § 1 bedoelde bedrag aangepast aan :
   1° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2014 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van datzelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   2° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2015 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van datzelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   3° de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2016 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van datzelfde begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Vanaf het begrotingsjaar 2017 worden de middelen die aan de in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten worden toegekend, verkregen door jaarlijks de middelen van het vorige begrotingsjaar aan te passen aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2. Dit percentage is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 47/7, § 4, tweede lid.
   § 3. Het overeenkomstig § 2 berekende bedrag wordt jaarlijks opgesplitst in twee delen; een eerste deel van 84,40 % en een tweede deel van 15,60 %. Beide delen worden aan de in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten toegewezen volgens de regels vermeld in het derde, respectievelijk vierde lid.
   Het eerste deel wordt verminderd met een percentage dat bekomen wordt door de verhouding te berekenen van het aantal inwoners behorende tot de Duitstalige Gemeenschap op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar tot het aantal inwoners van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.
   Het met toepassing van het tweede lid bekomen bedrag wordt tussen de in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten verdeeld in functie van het aantal inwoners van het betrokken begrotingsjaar, door per entiteit de verhouding te berekenen van :
   1° het aantal inwoners behorende tot de betrokken entiteit;
   2° de som van het aantal inwoners behorende tot alle in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten.
   Het tweede deel wordt verdeeld onder de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap in verhouding tot het aantal inwoners als volgt :
   1° voor de Vlaamse Gemeenschap : het deel dat overeenstemt met de verhouding tussen enerzijds, de bevolking van het Vlaamse Gewest en 20 % van de bevolking van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en anderzijds, de bevolking van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar;
   2° voor de Franse Gemeenschap : het deel dat overeenstemt met de verhouding tussen enerzijds, de bevolking van het Waalse Gewest en 80 % van de bevolking van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en anderzijds, de bevolking van het Rijk op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.
   Voor de toepassing van het tweede tot het vierde lid, is het aantal inwoners van :
   1° de Vlaamse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Nederlandse taalgebied;
   2° de Franse Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Franse taalgebied;
   3° de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;
   4° de Duitstalige Gemeenschap gelijk aan het aantal inwoners behorende tot het Duitse taalgebied.
   Het aantal inwoners op 1 januari van een begrotingsjaar wordt bepaald op dezelfde wijze als in artikel 47/5, § 2, tweede lid, 2°.
   § 4. De federale overheid verzekert, voor rekening van de gemeenschappen, de financiering van de investeringen in de infrastructuur en de medisch-technische diensten van de ziekenhuizen als bedoeld in artikel 5, § 1, I, 1°, a), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, voor zover deze investeringen :
   1° uiterlijk op 31 december 2015 het voorwerp hebben uitgemaakt van een eerste aflossing;
   2° of, de nieuwbouw of de prioritaire verbeteringswerken betreffen die door de gemeenschappen worden gesubsidieerd en die werden voorzien op de bouwkalender die in het protocolakkoord afgesloten op de interministeriële conferentie Volksgezondheid van 19 juni 2006 is voorzien;
   3° of, niet prioritaire verbeteringswerken betreffen, voor zover de investeringen conform zijn aan de van kracht zijnde federale regels en voor 31 december 2015 werden aangevangen.
   De uitgaven die door de federale overheid overeenkomstig het eerste lid worden uitgevoerd in de ziekenhuizen die afhangen van elk van de betrokken entiteiten, worden elk jaar in mindering gebracht van de respectievelijke dotaties van die entiteiten. Er wordt rekening gehouden met de raming van die uitgaven voor de doorstorting van de in artikel 54 bedoelde voorschotten.
   § 5. Elke gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan met de federale overheid een samenwerkingsakkoord afsluiten dat de omzetting van ziekenhuisbedden tot voorwerp heeft met het oog op de ten lasteneming van patiënten buiten het ziekenhuis door een dienst die tot de bevoegdheid van de gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie behoort. In dit geval wordt in dat samenwerkingsakkoord voorzien dat bijkomende middelen worden toegekend aan de gemeenschap, de gemeenschappen of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie die in dat samenwerkingsakkoord betrokken partij zijn. Die middelen kunnen de kostprijs van de omgezette ziekenhuisbedden niet overschrijden.]1

  
Art. 47/9. [1 § 1er. A partir de l'année budgétaire 2016, une dotation est accordée annuellement à la Communauté française, à la Communauté flamande et à la Commission communautaire commune en raison de leur compétence en matière de financement des infrastructures hospitalières et des services médico-techniques.
   Le montant de base de la dotation visée à l'alinéa 1er est égal à 566 185 617 euros.
   § 2. Pour l'année budgétaire 2016, le montant visé au § 1er est adapté :
   1° au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire 2014 et à la croissance réelle du produit intérieur brut de cette même année budgétaire suivant les modalités définies à l'article 33, § 2;
   2° au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire 2015 et à la croissance réelle du produit intérieur brut de cette même année budgétaire suivant les modalités définies à l'article 33, § 2;
   3° au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire 2016 et à la croissance réelle du produit intérieur brut de cette même année budgétaire suivant les modalités définies à l'article 33, § 2.
   A partir de l'année budgétaire 2017, les moyens accordés aux entités visées au § 1er, alinéa 1er, sont obtenus en adaptant annuellement les moyens de l'année budgétaire précédente au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2. Ce pourcentage est égal au pourcentage déterminé à l'article 47/7, § 4, alinéa 2.
   § 3. Le montant calculé selon le § 2 est réparti annuellement en deux parties; une première partie de 84,40 % et une seconde de 15,60 %. Les deux parties sont attribuées aux entités visées au § 1er, alinéa 1er, selon les règles établies respectivement par les alinéas 3 et 4.
   La première partie est diminuée d'un pourcentage qui est obtenu en calculant le rapport entre le nombre d'habitants appartenant à la Communauté germanophone au 1er janvier de l'année budgétaire concernée et le nombre d'habitants du Royaume au 1er janvier de l'année budgétaire concernée.
   Le montant obtenu en application de l'alinéa 2 est réparti entre les entités visées au § 1er, alinéa 1er, en fonction du nombre d'habitants de l'année budgétaire concernée, en calculant par entité le rapport entre :
   1° le nombre d'habitants appartenant à l'entité concernée;
   2° la somme du nombre d'habitants appartenant à toutes les entités visées au § 1er, alinéa 1er.
   La seconde partie est répartie par rapport au nombre d'habitants entre la Communauté française et la Communauté flamande comme suit :
   1° pour la Communauté flamande : la fraction qui correspond au rapport entre, d'une part, la population de la Région flamande et 20 % de la population de la Région de Bruxelles-Capitale, et d'autre part, la population du Royaume au 1er janvier de l'année budgétaire concernée;
   2° pour la Communauté française : la fraction qui correspond au rapport entre, d'une part, la population de la Région wallonne et 80 % de la population de la Région de Bruxelles-Capitale, et d'autre part, la population du Royaume au 1er janvier de l'année budgétaire concernée.
   Pour l'application des alinéas 2 à 4, le nombre d'habitants de :
   1° la Communauté flamande est égal au nombre d'habitants appartenant à la région de langue néerlandaise;
   2° la Communauté française est égal au nombre d'habitants appartenant à la région de langue française;
   3° la Commission communautaire commune est égal au nombre d'habitants appartenant à la région bilingue de Bruxelles-Capitale;
   4° la Communauté germanophone, le nombre d'habitants appartenant à la région de langue allemande.
   Le nombre des habitants au 1er janvier d'une année budgétaire est déterminé suivant les modalités fixées à l'article 47/5, § 2, alinéa 2, 2°.
   § 4. L'autorité fédérale assure, pour le compte des communautés, le financement des investissements des infrastructures et des services médico-techniques des hôpitaux, visés à l'article 5, § 1er, I, 1°, a), de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, pour autant que ces investissements :
   1° aient fait objet d'un premier amortissement au plus tard le 31 décembre 2015;
   2° ou, s'agissant des nouvelles constructions ou des travaux de reconditionnement prioritaires subsidiés par les communautés, qu'ils aient été prévus dans le calendrier de construction prévu par le protocole d'accord conclu dans le cadre de la conférence interministérielle Santé publique du 19 juin 2006;
   3° ou, s'agissant de travaux de reconditionnement non prioritaires, pour autant que les investissements soient conformes aux règles fédérales en vigueur et soient entamés avant le 31 décembre 2015.
   Chaque année, les dépenses effectuées par l'autorité fédérale conformément à l'alinéa 1er pour les investissements effectués dans les hôpitaux relevant de chacune des entités concernées sont déduites des dotations respectives de ces entités. Il est tenu compte de l'estimation de ces dépenses pour le versement des acomptes prévus à l'article 54.
   § 5. Chaque communauté ou la Commission communautaire commune peut conclure avec l'autorité fédérale un accord de coopération ayant pour objet la reconversion de lits hospitaliers en vue de la prise en charge de patients, en dehors de l'hôpital, par un service relevant de la compétence de la communauté ou de la Commission communautaire commune. Dans ce cas, cet accord de coopération prévoit que des moyens supplémentaires sont accordés à la communauté, aux communautés ou à la Commission communautaire commune parties à cet accord de coopération. Ces moyens ne peuvent excéder le coût des lits hospitaliers reconvertis.]1

  
Art. 47/10. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan :
   1° 51 737 934 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
   2° 34 610 699 euro voor de Franse Gemeenschap.
   Voor het begrotingsjaar 2016 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden de aan elke gemeenschap toegekende middelen bekomen door de middelen toegekend voor het vorige begrotingsjaar, of desgevallend, het verhoogde basisbedrag bekomen met toepassing van het derde lid aan te passen aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Vanaf het begrotingsjaar 2019 en vervolgens elke drie jaar berekent het Rekenhof per gemeenschap de evolutie over de laatste drie voorbije jaren van het aantal opdrachten in uitvoering van de federale wetgeving. Indien die evolutie hoger is dan de toename van de dotatie berekend overeenkomstig het tweede lid over dezelfde periode, wordt, voor de vaststelling van het bedrag van de aan de gemeenschap toe te kennen dotatie voor het volgende begrotingsjaar en voor elk van de daarop volgende begrotingsjaren, rekening gehouden met de hogere stijging van het aantal opdrachten gedurende die voorbije drie laatste jaren.]1

  
Art. 47/10. [1 A partir de l'année budgétaire 2015, une dotation est accordée à la Communauté française et à la Communauté flamande dont le montant de base est égal à :
   1° 51 737 934 euros pour la Communauté flamande;
   2° 34 610 699 euros pour la Communauté française.
   Pour l'année budgétaire 2016 et pour chacune des années budgétaires subséquentes, les moyens accordés à chaque communauté sont obtenus en adaptant les moyens accordés pour l'année budgétaire précédente ou, le cas échéant, le montant de base majoré obtenu en application de l'alinéa 3, au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 33, § 2.
   A partir de l'année 2019 et ensuite tous les trois ans, la Cour des comptes calcule par communauté l'évolution du nombre de missions en exécution de la législation fédérale sur les trois dernières années écoulées. Si cette évolution est supérieure à la croissance de la dotation fixée conformément à l'alinéa 2 sur la même période, le montant de la dotation à accorder à la communauté pour l'année budgétaire suivante et pour chacune des années budgétaires subséquentes, est déterminé en prenant en compte la croissance plus élevée du nombre de missions sur les trois dernières années.]1

  
Art. 47/11. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2018 wordt jaarlijks aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap een dotatie toegekend waarvan het basisbedrag gelijk is aan :
   1° 17.704.421 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
   2° 13.910.617 euro voor de Franse Gemeenschap.
   Voor het begrotingsjaar 2019 en voor elk van de daaropvolgende begrotingsjaren worden de aan elke gemeenschap toegekende middelen vastgesteld door de voor het vorige begrotingsjaar bekomen middelen aan te passen aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.]1

  
Art. 47/11. [1 A partir de l'année budgétaire 2018, une dotation est accordée annuellement à la Communauté française et à la Communauté flamande dont le montant de base est égal à :
   1° 17.704.421 euros pour la Communauté flamande;
   2° 13.910.617 euros pour la Communauté française.
   Pour l'année budgétaire 2019 et pour chacune des années budgétaires subséquentes, les moyens octroyés à chaque communauté sont fixés en adaptant les moyens obtenus pour l'année précédente au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 33, § 2.]1

  
TITEL V. - [1 Mechanisme van nationale solidariteit]1
TITRE V. - [1 Du mécanisme de solidarité nationale]1
Art.48. § 1. [1 Voor de begrotingsjaren 1990 tot en met 2014 en voor het begrotingsjaar 2015 maar uitsluitend voor wat betreft de vaststelling van het in artikel 48/1 bedoelde overgangsbedrag, wordt jaarlijks een nationaal solidariteitsbedrag]1 toegekend aan het Gewest waarvan de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner lager ligt dan de gemiddelde opbrengst van de personenbelasting per inwoner voor het Rijk.
  § 2. Het basisbedrag van [1 nationale solidariteit]1 bedraagt 468 frank per inwoner en per procentpunt dat de gemiddelde opbrengst lager ligt. De gemiddelde opbrengst wordt berekend op basis van de cijfers vastgesteld overeenkomstig artikel 7, § 2.
  Vanaf het begrotingsjaar 1989 wordt het basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2. (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 35, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 3. Vanaf het begrotingsjaar 2015 wordt jaarlijks een nationaal solidariteitsbedrag toegekend aan elk gewest waarvan het procentueel aandeel in de totale opbrengst van de federale personenbelasting lager is dan het procentueel aandeel in de bevolking van het Rijk.
   § 4. Voor het begrotingsjaar 2015 wordt een basisbedrag bepaald dat gelijk is aan de som, voor alle gewesten samen, van :
   1° het bedrag dat overeenstemt met de teller van de in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, bedoelde verhouding die berekend wordt voor het begrotingsjaar 2015;
   2° het in artikel 35nonies bedoelde bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de drie gewesten samen waarbij geen rekening wordt gehouden met de toepassing van de §§ 2 en 3 van dat artikel;
   3° het in artikel 35decies bedoelde bedrag voor het begrotingsjaar 2015 voor de drie gewesten samen;
   4° 50 % van de in artikel 47/2 bedoelde middelen voor het begrotingsjaar 2015 voor de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap samen.
   Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het in het eerste lid bedoelde basisbedrag :
   1° eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   2° en vervolgens verminderd met 1.009.494.000 euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het bedrag van het vorige begrotingsjaar jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   § 5. Het nationaal solidariteitsbedrag van het betrokken gewest wordt bepaald als het product van het in § 4 bedoelde basisbedrag en 80 % van de absolute waarde van het verschil tussen het procentueel aandeel van dat gewest in de totale opbrengst van de federale personenbelasting en het procentueel aandeel van dat gewest in de bevolking van het Rijk, waarbij de federale personenbelasting en de bevolking worden bepaald overeenkomstig artikel 7.
   § 6. Het totaal nationaal solidariteitsbedrag wordt gevormd door een gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting.]1

  
Art.48. § 1. [1 Pour les années budgétaires 1990 à 2014 incluse et pour l'année budgétaire 2015 mais exclusivement pour ce qui concerne la fixation du montant de transition visé à l'article 48/1, un montant de solidarité nationale est annuellement attribué]1 à la Région dont le produit moyen de l'impôt des personnes physiques par habitant est inférieur au produit moyen de l'impôt des personnes physiques par habitant pour l'ensemble du Royaume.
  § 2. Le montant de base [1 de la solidarité nationale]1 s'élève à 468 francs par habitant et par pourcent de différence en moins que présente le produit moyen. Ce produit moyen est calculé sur la base des chiffres fixés conformément à l'article 7, § 2.
  Dès l'année budgétaire 1989, le montant de base est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation selon les modalités fixées à l'article 13, § 2. (A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3.) <L 2001-07-13/35, art. 35, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  [1 § 3. A partir de l'année budgétaire 2015, un montant de solidarité nationale est attribué annuellement à chaque région dont le pourcentage dans les recettes totales de l'impôt des personnes physiques fédéral est inférieur au pourcentage dans la population du Royaume.
   § 4. Pour l'année budgétaire 2015, un montant de base est défini qui est égal à la somme pour toutes les régions réunies :
   1° du montant qui correspond au numérateur du rapport visé à l'article 5/2, § 1er, alinéa 3, 1°, calculé pour l'année budgétaire 2015;
   2° du montant visé à l'article 35nonies pour l'année budgétaire 2015 pour les trois régions réunies compte non tenu de l'application des §§ 2 et 3 de cet article;
   3° du montant visé à l'article 35decies pour l'année budgétaire 2015 pour les trois régions réunies;
   4° de 50 % des moyens visés à l'article 47/2 pour l'année budgétaire 2015 pour la Communauté française et la Communauté flamande réunies.
   Pour l'année budgétaire 2016, le montant de base visé à l'alinéa 1er :
   1° est d'abord adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2;
   2° et ensuite diminué de 1.009.494.000 euros.
   A partir de l'année budgétaire 2017, le montant de l'année budgétaire précédente est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2.
   § 5. Le montant de solidarité nationale de la région concernée est déterminée comme étant le produit du montant de base visé au § 4 et de 80 % de la valeur absolue de la différence entre le pourcentage de cette région dans les recettes totales de l'impôt des personnes physiques fédéral et le pourcentage de cette région dans la population du Royaume, l'impôt des personnes physiques fédéral et la population étant définis conformément à l'article 7.
   § 6. Le montant total de solidarité nationale est constitué d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques fédéral.]1

  
TITEL V/1. [1 Overgangsmechanisme]1
TITRE V/1. [1 Du mécanisme de transition]1
Art. 48/1. [1 § 1. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt voor het begrotingsjaar 2015 voor respectievelijk de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie een overgangsbedrag bepaald als de som van :
   1° het bedrag verkregen door het verschil te maken voor het begrotingsjaar 2015 tussen :
   a) het met toepassing van artikel 36, tweede lid, bekomen bedrag van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van belastingen, waarbij geen rekening wordt gehouden met het in artikel 47/2, § 1, 3°, bedoelde negatief bedrag;
   b) het met toepassing van artikel 36, eerste lid, bekomen bedrag van het toegewezen gedeelte van de opbrengst van belastingen;
   2° het bedrag verkregen door het in artikel 47/5, § 2, voor het begrotingsjaar 2015 bepaald bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 47/5, § 3, bedoelde verdeelsleutel en de volgende verdeelsleutel :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 54,20 %;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 33,62 %;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 12,18 %;
   3° het bedrag verkregen door het in artikel 47/7, § 2, voor het begrotingsjaar 2015 bepaald bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 47/7, § 3, eerste lid, bedoelde verdeelsleutel en de volgende verdeelsleutel :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 61,98 %;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 30,73 %;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 7,29 %;
   4° het bedrag verkregen door het verschil tussen het respectievelijke bedrag bepaald in artikel 47/8, eerste lid, voor het begrotingsjaar 2015 en het volgende bedrag :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 506.258.597 euro;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 285.971.297 euro;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 28.798.525 euro;
   5° het bedrag verkregen door het in artikel 47/10 voor het begrotingsjaar 2015 bepaald bedrag te verminderen met :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 41.991.968 euro;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 44.454.922 euro;
   6° het negatieve bedrag verkregen door het in artikel 40quinquies, eerste lid, 4°, voor het begrotingsjaar 2015 bepaald bedrag te vermenigvuldigen met de volgende verdeelsleutel :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 63,485 %;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 36,505 %;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 0,01 %.
   7° de volgende bedragen :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : een negatief bedrag van 4.553.362 euro;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 4.526.332 euro.
   Wanneer instellingen die in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zijn gevestigd, wegens hun organisatie moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap tijdens het begrotingsjaar 2013, en die tijdens hetzelfde begrotingsjaar een betoelaging hebben ontvangen in het kader van de aangelegenheden als bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 2° tot 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag van die betoelaging voor het begrotingsjaar 2015 toegevoegd aan het in het eerste lid bedoelde overgangsbedrag van de betrokken gemeenschap en afgetrokken van het overgangsbedrag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie indien, als gevolg van de wijziging van hun organisatie, die instellingen op 1 januari 2015 beschouwd moeten worden als niet meer uitsluitend behorend tot de ene of de andere gemeenschap en dit voor zover ze deze wijzigingen van hun organisatie ten laatste op 31 december 2014 ter kennis hebben gebracht van de betrokken gemeenschap en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
   Wanneer instellingen die in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad zijn gevestigd, wegens hun organisatie moeten worden beschouwd als niet uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap tijdens het begrotingsjaar 2013, en die tijdens hetzelfde begrotingsjaar een betoelaging hebben ontvangen in het kader van de aangelegenheden als bedoeld in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 2° tot 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, wordt het bedrag van die betoelaging voor het begrotingsjaar 2015 toegevoegd aan het in het eerste lid bedoelde overgangsbedrag van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en afgetrokken van het overgangsbedrag van de betrokken gemeenschap indien, als gevolg van een wijziging van hun organisatie, die instellingen op 1 januari 2015 beschouwd moeten worden als uitsluitend behorend tot die gemeenschap en dit voor zover ze deze wijzigingen van hun organisatie ten laatste op 31 december 2014 ter kennis hebben gebracht van de betrokken gemeenschap en van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
   Het tweede en het derde lid zijn eveneens van toepassing voor dergelijke wijzigingen van het bicommunautaire statuut naar een unicommunautair statuur of omgekeerd, wanneer die instellingen dit ter kennis brengen tussen 1 januari en 31 december 2015 en mits het akkoord van de regering van de betrokken gemeenschap en van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschaps-commissie.
   § 2. Bij wijze van overgangsmaatregel wordt voor het begrotingsjaar 2015 voor respectievelijk het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een overgangsbedrag bepaald als de som van :
   1° het bedrag verkregen door de som te maken van :
   a) het in artikel 35ter voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35ter, § 3, bedoelde verdeelsleutel;
   b) het in artikel 35quater voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35quater, § 1, bedoelde verdeelsleutel;
   c) het in artikel 35quinquies voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35quinquies, eerste lid, bedoelde verdeelsleutel;
   d) het in artikel 35sexies voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35sexies, derde lid, bedoelde verdeelsleutel;
   e) het in artikel 35septies voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de in artikel 35septies, derde lid, bedoelde verdeelsleutel;
   2° het bedrag verkregen door het in artikel 35octies, § 1, tweede lid, 2°, bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35octies, § 1, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de volgende verdeelsleutel :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 49,35 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 38,02 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 12,63 %;
   3° het bedrag verkregen door het in artikel 35nonies, § 1, tweede lid, 1° tot 3°, voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met het verschil tussen de in artikel 35nonies, § 1, zesde lid, bedoelde verdeelsleutel en de volgende verdeelsleutel :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 51,705 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 34,765 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 13,53 %;
   4° de negatieve waarde van een bedrag gelijk aan een negende van het in artikel 35nonies, § 1, tweede lid, 1° en 2°, bedoelde bedrag verdeeld tussen de gewesten volgens de volgende verdeelsleutel :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 52,43 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 34,51 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 13,06 %;
   5° de som van de volgende twee bedragen :
   a) het bedrag verkregen door het in artikel 35decies, tweede lid, bepaalde referentiebedrag voor het begrotingsjaar 2015 te vermenigvuldigen met 60 % van het verschil tussen de in artikel 35decies, vijfde lid, bedoelde verdeelsleutel en de verdeelsleutel van de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde aanslagtermijn;
   b) het bedrag verkregen door het in artikel 35decies, tweede lid, bepaalde referentiebedrag voor het begrotingsjaar 2015 te vermenigvuldigen met 40 % van het verschil tussen de in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, gedefinieerde PB-sleutel en de verdeelsleutel van de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde aanslagtermijn;
   6° het bedrag dat verkregen wordt door het bedrag dat overeenstemt met de teller van de in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, bedoelde verhouding, die berekend wordt voor het begrotingsjaar 2015, te vermenigvuldigen met het verschil tussen de "verdeelsleutel ontvangsten" en de in datzelfde artikel gedefinieerde "PB-sleutel" voor het begrotingsjaar 2015;
   7° het bedrag verkregen door het verschil te maken tussen het in artikel 33bis voor het begrotingsjaar 2015 bepaalde bedrag en het in artikel 5/2, § 1, derde lid, 1°, bepaald bedrag C dat vooraf wordt vermenigvuldigd met de "PB-sleutel" zoals gedefinieerd in datzelfde artikel;
   8° het bedrag verkregen door het verschil te maken tussen het in artikel 48, §§ 3 tot 6, bepaalde bedrag, voor het begrotingsjaar 2015, waarbij rekening wordt gehouden met een in artikel 48, § 4, eerste lid, bepaalde bedrag dat is verhoogd met 1.009.494.000 euro, en het in artikel 48, §§ 1 en 2, berekende bedrag voor het begrotingsjaar 2015;
   9° de volgende bedragen :
   a) voor het Waalse Gewest : 192 017 euro;
   b) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : een negatief bedrag van 630.647 euro.
   Voor de in het eerste lid, 5°, bepaalde bedrag wordt, zolang de verdeelsleutel van de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bepaalde aanslagtermijn, niet is vastgesteld, de volgende verdeelsleutel toegepast :
   a) voor het Vlaamse Gewest : 65,17 %;
   b) voor het Waalse Gewest : 28,73 %;
   c) voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest : 6,10 %.
   Onder de in het eerste lid, 6°, bedoelde "verdeelsleutel ontvangsten" wordt verstaan : het aandeel van elk gewest, uitgedrukt in procenten, in de ontvangsten voor de drie gewesten samen van de in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°, bedoelde opcentiemen voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn.
   § 3. In de mate dat voor de vaststelling van het in de §§ 1 en 2 bedoelde overgangsbedrag per gewest en per gemeenschap voor het begrotingsjaar 2015, de toepassing van de artikelen 5/2, § 1, derde lid, 1°, 35nonies, 35decies, 36, tweede lid, 2°, en 48, §§ 3 tot 5, gebaseerd is op de federale personenbelasting, wordt de vaststelling van het overgangsbedrag op definitieve wijze uitgevoerd op basis van de federale personenbelasting van het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de aanslagtermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
   § 4. Het per entiteit overeenkomstig de §§ 1 tot 3 vastgestelde overgangsbedrag, zal gedurende de jaren 2015 tot en met 2024 in nominale waarde constant blijven en vanaf 2025 tot en met 2034 over tien jaar lineair afnemen tot nul.
   Evenwel wordt aan het in de §§ 1 en 3 bepaalde overgangsbedrag voor de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vanaf het begrotingsjaar 2016 een bedrag toegevoegd dat overeenstemt met het verschil, voor het begrotingsjaar 2016, tussen :
   1° het in artikel 47/9, § 2, eerste lid, bepaalde bedrag, verdeeld volgens artikel 47/9, § 3, en verminderd met het bedrag van de financieringen die door de federale overheid voor de betrokken entiteit overeenkomstig artikel 47/9, § 4, worden verzekerd;
   2° het in artikel 47/9, § 2, eerste lid, bepaalde bedrag, verminderd met het bedrag van de financieringen die door de federale overheid voor de drie entiteiten samen overeenkomstig artikel 47/9, § 4, worden verzekerd en vermenigvuldigd met de volgende verdeelsleutel :
   a) voor de Vlaamse Gemeenschap : 57,76 %;
   b) voor de Franse Gemeenschap : 34,01 %;
   c) voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : 7,69 %;
   Het overeenkomstig het tweede lid toegevoegde bedrag blijft gedurende de jaren 2016 tot en met 2024 in nominale waarde constant en zal vanaf 2025 tot en met 2034 over tien jaar lineair afnemen tot nul.
   § 5. Is het overgangsbedrag positief dan wordt het met toepassing van § 4 bekomen bedrag gedurende de periode 2015 tot en met 2033 jaarlijks in mindering gebracht van :
   1° voor de gewesten : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, die toegekend worden aan het betrokken gewest;
   2° voor de gemeenschappen : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, die toegekend worden aan de betrokken gemeenschap;
   3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen bedoeld in artikel 65 en in voorkomend geval de middelen als bedoeld in de artikelen 47/8 en 47/7.
   Is het overgangsbedrag negatief wordt de absolute waarde van het met toepassing van § 4 bekomen bedrag gedurende de periode 2015 tot en met 2033 jaarlijks toegevoegd aan :
   1° voor de gewesten : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, die toegekend worden aan het betrokken gewest;
   2° voor de gemeenschappen : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, die toegekend worden aan de betrokken gemeenschap;
   3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen als bedoeld in artikel 65.]1

  
Art. 48/1. [1 § 1er. A titre transitoire, pour l'année budgétaire 2015 pour respectivement la Communauté flamande, la Communauté française et la Commission communautaire commune, un montant de transition est fixé, étant la somme :
   1° du montant résultant de la différence pour l'année budgétaire 2015 entre :
   a) le montant de la part attribuée du produit d'impôts obtenu en application de l'article 36, alinéa 2, compte non tenu du montant négatif visé à l'article 47/2, § 1er, 3° ;
   b) le montant de la part attribuée du produit d'impôts obtenu en application de l'article 36, alinéa 1er;
   2° du montant résultant de la multiplication du montant fixé à l'article 47/5, § 2, pour l'année budgétaire 2015 par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 47/5, § 3, et la clé de répartition suivante :
   a) pour la Communauté flamande : 54,20 %;
   b) pour la Communauté française : 33,62 %;
   c) pour la Commission communautaire commune : 12,18 %;
   3° du montant résultant de la multiplication du montant fixé à l'article 47/7, § 2, pour l'année budgétaire 2015 par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 47/7, § 3, alinéa 1er, et la clé de répartition suivante :
   a) pour la Communauté flamande : 61,98 %;
   b) pour la Communauté française : 30,73 %;
   c) pour la Commission communautaire commune : 7,29 %;
   4° du montant résultant de la différence entre le montant respectif fixé à l'article 47/8, alinéa, 1er, pour l'année budgétaire 2015 et le montant suivant :
   a) pour la Communauté flamande : 506.258.597 euros;
   b) pour la Communauté française : 285.971.297 euros;
   c) pour la Commission communautaire commune : 28.798.525 euros;
   5° du montant résultant de la différence entre le montant fixé à l'article 47/10 pour l'année budgétaire 2015 et :
   a) pour la Communauté flamande : 41.991.968 euros;
   b) pour la Communauté française : 44.454.922 euros;
   6° du montant négatif résultant de la multiplication du montant fixé à l'article 40quinquies, alinéa 1er, 4°, pour l'année budgétaire 2015 par la clé de répartition :
   a) pour la Communauté flamande : 63,485 %;
   b) pour la Communauté française : 36,505 %;
   c) pour la Commission communautaire commune : 0,01 %.
   7° les montants suivants :
   a) pour la Communauté flamande : un montant négatif de 4.553.362 euros;
   b) pour la Communauté française : 4.526.332 euros.
   Lorsque des établissements établis dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale doivent, en raison de leur organisation, être considérés comme appartenant exclusivement à l'une ou l'autre communauté durant l'année budgétaire 2013 et ont, durant cette année budgétaire, reçu un financement dans le cadre des matières visées à l'article 5, § 1er, I, alinéa 1er, 2° à 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, le montant correspondant à ce financement pour l'année budgétaire 2015 est ajouté au montant de transition, visé à l'alinéa 1er, de la communauté concernée et soustrait du montant de transition de la Commission communautaire commune, si, en raison d'une modification de leur organisation, ces établissements doivent être considérés au 1er janvier 2015, comme n'appartenant plus exclusivement à l'une ou l'autre communauté, et pour autant qu'ils aient fait part à la communauté concernée et à la Commission communautaire commune des modifications de leur organisation au plus tard le 31 décembre 2014.
   Lorsque des établissements établis dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale doivent, en raison de leur organisation, être considérés comme n'appartenant pas exclusivement à l'une ou l'autre communauté durant l'année budgétaire 2013 et ont, durant cette année budgétaire, reçu un financement dans le cadre des matières visées à l'article 5, § 1er, I, alinéa 1er, 2° à 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, le montant correspondant à ce financement pour l'année budgétaire 2015 est ajouté au montant de transition, visé à l'alinéa 1er, de la Commission communautaire commune et soustrait du montant de transition de la communauté concernée, si, en raison d'une modification de leur organisation, ces établissements doivent être considérés au 1er janvier 2015, comme appartenant exclusivement à cette communauté, pour autant qu'ils aient fait part à la communauté concernée et à la Commission communautaire commune de ces modifications de leur organisation au plus tard le 31 décembre 2014.
   Les alinéas 2 et 3 sont également applicables pour de telles modifications de statut bi-communautaire vers un statut unicommunautaire ou inversement dont des établissements feraient part entre le 1er janvier 2015 et le 31 décembre 2015, moyennant toutefois l'accord du gouvernement de la communauté concernée et du Collège réuni de la Commission communautaire commune.
   § 2. à titre transitoire, pour l'année budgétaire 2015 pour respectivement la Région wallonne, la Région de Bruxelles-Capitale et la Région flamande, un montant de transition est fixé comme étant la somme :
   1° du montant obtenu par la somme :
   a) du montant obtenu par la multiplication du montant fixé à l'article 35ter pour l'année budgétaire 2015 par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 35octies, § 1er, alinéa 5, et la clé de répartition visée à l'article 35ter, § 3;
   b) du montant obtenu par la multiplication du montant fixé à l'article 35quater pour l'année budgétaire 2015 par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 35octies, § 1er, alinéa 5, et la clé de répartition visée à l'article 35quater, § 1er;
   c) du montant obtenu par la multiplication du montant fixé à l'article 35quinquies pour l'année budgétaire 2015 par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 35octies, § 1er, alinéa 5, et la clé de répartition visée à l'article 35quinquies, alinéa 1er;
   d) du montant obtenu par la multiplication du montant fixé à l'article 35sexies pour l'année budgétaire 2015 par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 35octies, § 1er, alinéa 5, et la clé de répartition visée à l'article 35sexies, alinéa 3;
   e) du montant obtenu par la multiplication du montant fixé à l'article 35septies pour l'année budgétaire 2015 par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 35octies, § 1er, alinéa 5, et la clé de répartition visée à l'article 35septies, alinéa 3;
   2° du montant obtenu par la multiplication du montant fixé à l'article 35octies, § 1er, alinéa 2, 2°, par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 35octies, § 1er, alinéa 5, et la clé de répartition suivante :
   a) pour la Région flamande : 49,35 %;
   b) pour la Région wallonne : 38,02 %;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 12,63 %;
   3° du montant obtenu par la multiplication du montant visé à l'article 35nonies, § 1er, alinéa 2, 1° à 3°, pour l'année budgétaire 2015 par la différence entre la clé de répartition visée à l'article 35nonies, § 1er, alinéa 6, et la clé de répartition suivante :
   a) pour la Région flamande : 51,705 %;
   b) pour la Région wallonne : 34,765 %;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 13,53 %;
   4° de la valeur négative d'un montant égal à un neuvième du montant visé à l'article 35nonies, § 1er, alinéa 2, 1° et 2°, réparti entre les régions suivant la clé de répartition suivante :
   a) pour la Région flamande : 52,43 %;
   b) pour la Région wallonne : 34,51 %;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 13,06 %;
   5° de la somme des deux montants suivants :
   a) le montant obtenu par la multiplication du montant de référence visé à l'article 35decies, alinéa 2, pour l'année budgétaire 2015 par 60 % de la différence entre la clé de répartition visée à l'article 35decies, alinéa 5, et la clé de répartition des dépenses fiscales visées à l'article 5/5, § 4, pour l'exercice d'imposition 2015 exprimées à politique inchangée et constatées au terme du délai d'imposition visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992;
   b) le montant obtenu par la multiplication du montant de référence visé à l'article 35decies, alinéa 2, pour l'année budgétaire 2015, par 40 % de la différence entre la clé IPP définie à l'article 5/2, § 1er, alinéa 3, 1°, et la clé de répartition des dépenses fiscales visées à l'article 5/5, § 4, pour l'exercice d'imposition 2015, exprimées à politique inchangée et constatées au terme du délai d'imposition visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992;
   6° du montant obtenu par la multiplication du montant qui correspond au numérateur du rapport visé à l'article 5/2, § 1er, alinéa 3, 1°, calculé pour l'année budgétaire 2015, par la différence entre la "clé recettes" et la "clé IPP" pour l'année budgétaire 2015 telle que définie à ce même article;
   7° du montant obtenu par la différence entre le montant fixé à l'article 33bis pour l'année budgétaire 2015 et le montant C fixé à l'article 5/2, § 1er, alinéa 3, 1°, qui est préalablement multiplié par la "clé IPP" telle que définie à ce même article;
   8° du montant obtenu par la différence entre le montant fixé à l'article 48, §§ 3 à 6, pour l'année budgétaire 2015, tout en tenant compte d'un montant fixé à l'article 48, § 4, alinéa 1er, qui est majoré de 1.009.494.000 euros, et le montant fixé à l'article 48, §§ 1er et 2, pour l'année budgétaire 2015;
   9° les montants suivants :
   a) pour la Région wallonne : 192 017 euros;
   b) pour la Région de Bruxelles-Capitale : un montant négatif de 630.647 d'euros.
   Pour les montants visés à l'alinéa 1er, 5°, aussi longtemps que n'a pas été établie la clé de répartition des dépenses fiscales visées à l'article 5/5, § 4, pour l'exercice d'imposition 2015, exprimées à politique inchangée et constatées au terme du délai d'imposition visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992, la clé suivante est d'application :
   a) pour la Région flamande : 65,17 %;
   b) pour la Région wallonne : 28,73 %;
   c) pour la Région de Bruxelles-Capitale : 6,10 %.
   Par "clé recettes" visée à l'alinéa 1er, 6°, on entend la part de chaque région, exprimée en pourcentage, dans les recettes pour les trois régions réunies des centimes additionnels visés à l'article 5/1, § 1er, alinéa 1er, 1°, pour l'exercice d'imposition 2015, exprimées à politique inchangée et constatées au terme du délai d'imposition visée à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992.
   § 3. Dans la mesure où, pour la fixation pour l'année budgétaire 2015 du montant de transition par région et par communauté visé aux §§ 1er et 2, l'application des articles 5/2, § 1er, alinéa 3, 1°, 35nonies, 35decies, 36, alinéa 2, 2°, et 48, §§ 3 à 5, se fonde sur l'impôt des personnes physiques fédéral, la fixation du montant de transition s'effectue de façon définitive sur la base de l'impôt des personnes physiques fédéral de l'exercice d'imposition 2015 exprimé à politique inchangée et constaté lors de l'échéance du délai d'imposition fixé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992.
   § 4. Le montant de transition fixé par entité conformément aux §§ 1er à 3, reste nominalement constant durant les années 2015 jusqu'à 2024 incluse, puis, à partir de 2025 jusqu'à 2034 incluse, est réduit linéairement sur dix ans jusqu'à 0.
   Toutefois, à partir de l'année budgétaire 2016, au montant de transition fixé aux §§ 1er et 3 pour la Communauté française, la Communauté flamande et la Commission communautaire commune est ajouté le montant qui correspond à la différence, pour l'année budgétaire 2016, entre :
   1° le montant fixé à l'article 47/9, § 2, alinéa 1er, réparti selon l'article 47/9, § 3, et diminué du montant des financements assurés par l'autorité fédérale pour l'entité concernée conformément à l'article 47/9, § 4;
   2° le montant fixé par l'article 47/9, § 2, alinéa 1er, diminué du montant des financements assurés par l'autorité fédérale pour les trois entités réunies conformément à l'article 47/9, § 4, et multiplié par la clé de répartition suivante :
   a) pour la Communauté flamande : 57,76 %;
   b) pour la Communauté française : 34,01 %;
   c) pour la Commission communautaire commune : 7,69 %;
   Le montant ajouté conformément à l'alinéa 2, reste nominalement constant durant les années 2016 jusqu'à 2024 incluse puis, à partir de 2025 jusqu'à 2034 incluse, sera réduit linéairement sur dix ans jusqu'à 0.
   § 5. Si le montant de transition est positif, le montant obtenu par application du § 4 est durant la période de 2015 jusqu'à 2033 incluse annuellement porté en déduction :
   1° pour les régions : des moyens accordés à la région concernée et visés au titre IV, chapitre II, section 4;
   2° pour les communautés : des moyens accordés à la communauté concernée et visés au titre IV, chapitre III, section 3, sous-section 2;
   3° pour la Commission communautaire commune : des moyens accordés à celle-ci visés à l'article 65 et, le cas échéant, les moyens visés aux articles 47/8 et 47/7.
   Si le montant de transition est négatif, la valeur absolue du montant obtenu par application du § 4 est durant la période de 2015 jusqu'à 2033 incluse annuellement ajouté :
   1° pour les régions : aux moyens accordés à la région concernée et visés au titre IV, chapitre II, section 4;
   2° pour les communautés : aux moyens accordés à la communauté concernée et visés au titre IV, chapitre III, section 3, sous-section 2;
   3° pour la Commission communautaire commune : aux moyens visés à l'article 65, accordés à celle-ci.]1

  
TITEL VI. - LENINGEN.
TITRE VI. - DES EMPRUNTS.
Art.49. (§ 1. De gemeenschappen en de gewesten kunnen leningen aangaan in euro of in deviezen.
  § 2. De programmatie van de openbare leningen wordt vastgesteld door de Ministerraad na overleg met de regeringen.
  De voorwaarden en de uitgiftekalender van elke openbare lening worden ter goedkeuring aan de minister van Financiën voorgelegd.
  Indien deze goedkeuring door de Minister van Financiën wordt geweigerd, kan de betrokken regering vragen dat de kwestie ter beslissing aan de Ministerraad wordt voorgelegd.
  § 3. De gemeenschappen en de gewesten kunnen privé-leningen en kortlopende effecten uitgeven na de Minister van Financiën terzake te hebben geïnformeerd. De modaliteiten van de mededeling en de inhoud van deze informatie maken het voorwerp uit van een overeenkomst tussen de Minister van Financiën en de regeringen.) <W 2001-07-13/35, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 4. (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 5. De instellingen van openbaar nut die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten zijn onderworpen aan de bepalingen (van § 2). Deze bepalingen worden op hen toegepast door tussenkomst van de betrokken Executieve. <W 2001-07-13/35, art. 36, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 6. Binnen de Hoge Raad van Financiën richt de Koning een afdeling " Financieringsbehoeften van de overheid " op. Deze afdeling telt twaalf leden, aangeduid door de Koning, op grond van hun bijzondere bevoegdheid en ervaring op financieel-economisch gebied, op voordracht van de Ministers van Financiën en van Begroting. De helft van de leden wordt voorgedragen op voorstel van de Executieven. De andere helft omvat de vertegenwoordiger van de Minister van Financiën in het bureau van deze Raad, alsook drie leden voorgesteld door de Nationale Bank van België, waaronder de vertegenwoordiger van de Nationale Bank van België in het genoemde bureau. De afdeling telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden. De Koning regelt de samenstelling en werking van de afdeling evenals het stelsel van de onverenigbaarheden bij een in Ministerraad overlegd besluit, genomen na advies van de Executieven.
  De afdeling stelt jaarlijks een advies op over de financieringsbehoeften van de overheden.
  De afdeling kan ambtshalve of op vraag van de Minister van Financiën een advies uitbrengen over de opportuniteit de leningcapaciteit van een overheid te beperken, in functie van de noodzaak om de economische unie en de monetaire eenheid niet in het gedrang te brengen, verstoringen van het interne en externe monetaire evenwicht te vermijden en een structurele ontsporing van de financieringsbehoeften te voorkomen.
  Ieder advies van de afdeling wordt medegedeeld aan de Regering en desgevallend aan de betrokken Executieve.
  Bij de beoordeling van de financieringsbehoeften van de overheden houden de ter uitvoering van deze paragraaf opgestelde adviezen niet alleen rekening met de financieringsbehoeften van de betrokken overheden zelf, maar ook met die van de instellingen waarvan de financiële dienst de begroting van die overheden bezwaart.
  § 7. Na het advies van de in § 6 genoemde afdeling te hebben ontvangen, kan de Koning, op voorstel van de Minister van Financiën en bij een in Ministerraad overlegd besluit, voor een periode van ten hoogste twee jaar de leningmogelijkheid van een Gemeenschap of Gewest beperken. Dat besluit wordt genomen na overleg met de betrokken Executieve.
  Zolang het in voorgaand lid vermelde besluit van kracht is, worden alle leningen bedoeld in § 3 van de betrokken Gemeenschap, het betrokken Gewest of de instellingen bedoeld in § 5 voorgelegd aan de goedkeuring van de Minister van Financiën.
  § 8. Jaarlijks wordt bij de middelenbegroting van de Gemeenschappen en de Gewesten een staat gevoegd om hun totale uitstaande schuld op 31 december van de laatste drie jaren.
  Maandelijks wordt een gedetailleerde staat van de totale uitstaande schuld van iedere Gemeenschap en ieder Gewest medegedeeld aan de Minister van Financiën. Deze staat wordt maandelijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Onder schuld wordt in deze paragraaf verstaan de schuld van de Gemeenschappen en Gewesten, met inbegrip van de verbintenissen van instellingen waarvan de financiële dienst de begroting van de Gemeenschappen en Gewesten bezwaart.
Art.49. (§ 1er. Les communautés et les régions peuvent contracter des emprunts en euros ou en devises.
  § 2. La programmation des emprunts publics est fixée par le Conseil des Ministres après concertation avec les gouvernements.
  Les conditions et le calendrier d'émission de tout emprunt public sont soumis pour approbation au ministre des Finances.
  En cas de refus d'approbation du Ministre des Finances, le gouvernement concerné peut demander que l'affaire soit portée devant le Conseil des Ministres pour décision.
  § 3. Les communautés et les régions peuvent émettre des emprunts privés ainsi que des titres à court terme après en avoir informé le Ministre des Finances. Les modalités de la communication et le contenu de cette information font l'objet d'une convention entre le Ministre des Finances et les gouvernements.) <L 2001-07-13/35, art. 36, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 4. (abrogé) <L 2001-07-13/35, art. 36, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 5. Les organismes d'intérêt public qui dépendent des Communautés et des Régions sont soumis aux dispositions (du § 2). Ces dispositions leur sont appliquées à l'intervention de l'Exécutif concerné. <L 2001-07-13/35, art. 36, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 6. Au sein du Conseil supérieur des Finances, le Roi crée une section " Besoins de financement des pouvoirs publics ". Cette section comprend douze membres, désignés par le Roi, en raison de leur compétence particulière et de leur expérience dans le domaine financier et économique, sur proposition des Ministres des Finances et du Budget. La moitié des membres est présentée sur proposition des Exécutifs. L'autre moitié comprend le représentant du Ministre des Finances au bureau du Conseil, ainsi que trois membres présentés par la Banque Nationale de Belgique, et parmi ceux-ci le représentant de la Banque Nationale de Belgique au bureau précité. La section compte un nombre égal de membres du rôle linguistique francophone, d'une part, et du rôle linguistique néerlandophone, d'autre part. Le Roi règle la composition et le fonctionnement de la section ainsi que le régime des incompatibilités par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et pris après avis des Exécutifs.
  Annuellement, la section rend un avis sur les besoins de financement des pouvoirs publics.
  La section peut, d'initiative ou à la demande du Ministre des Finances, émettre un avis sur l'opportunité de limiter la capacité d'emprunt d'un pouvoir public en fonction de la nécessité de ne pas porter atteinte à l'union économique et à l'unité monétaire, et d'éviter toute perturbation des équilibres monétaires internes et externes ainsi qu'une détérioration structurelle des besoins de financement.
  Chaque avis de la section est adressé au Gouvernement et le cas échéant à l'Exécutif concerné.
  Dans l'appréciation des besoins de financement des pouvoirs publics, les avis rendus en application du présent paragraphe prennent en compte non seulement les besoins propres de financement des pouvoirs publics concernés mais aussi ceux des organismes dont le service financier grève le budget de ces pouvoirs publics.
  § 7. Après avoir recueilli l'avis de la section visée au § 6, le Roi peut, par arrêté pris sur proposition du Ministre des Finances et délibéré en Conseil des Ministres, limiter pour une durée maximale de deux ans la capacité d'emprunt d'une Communauté ou Région. Cet arrêté est pris après concertation avec l'Exécutif concerné.
  Aussi longtemps que l'arrêté visé à l'alinéa précédent n'a pas cessé ses effets, tous les emprunts, visés au § 3, de la Communauté concernée, de la Région concernée ou des organismes visés au § 5 sont soumis à l'approbation du Ministre des Finances.
  § 8. Annuellement est joint aux budgets des voies et moyens des Communautés et des Régions un relevé de leur dette totale au 31 décembre des trois dernières années.
  Mensuellement est communiqué au Ministre des Finances un relevé détaillé de la dette totale de chaque Communauté et de chaque Région. Ce relevé est mensuellement publié au Moniteur belge.
  Par dette au sens du présent paragraphe, on entend la dette des Communautés et des Régions en ce compris les engagements des organismes dont le service financier grève le budget des Communautés et des Régions.
Art. 49bis. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 37; Inwerkingtreding : 01-01-2002> De bepalingen van artikel 49 met uitzondering van § 6, eerste lid, zijn van toepassing op de krachtens artikel 138 van de Grondwet toegekende bevoegdheden aan de Franse Gemeenschapscommissie.
Art. 49bis. Les dispositions de l'article 49, à l'exception du § 6, alinéa 1er, sont applicables aux compétences accordées en vertu de l'article 138 de la Constitution à la Commission communautaire française.
TITEL VII. - BEPALINGEN VAN BUDGETTAIRE EN FINANCIELE ORGANISATIE.
TITRE VII. - DISPOSITIONS D'ORGANISATION BUDGETAIRE ET FINANCIERE.
Art.50. § 1. (Elk Parlement) keurt jaarlijks de begroting goed en sluit de rekeningen af. <W 2006-03-27/33, art. 11, 005; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  De algemene rekening van de Gemeenschappen en de Gewesten wordt, samen met de opmerkingen van het Rekenhof, aan (hun Parleent) overgezonden. <W 2006-03-27/33, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  Alle ontvangsten en uitgaven worden ingeschreven in de begroting en de rekeningen.
  § 2. De wet bepaalt de algemene bepalingen die van toepassing zijn op de begrotingen en de boekhouding van de Gemeenschappen en de Gewesten, alsook op de organisatie van de controle uitgeoefend door het Rekenhof.
  Wat de instellingen van openbaar nut betreft die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten, bepaalt de wet de algemene bepalingen betreffende de organisatie van de controle door het Rekenhof.
  De wet bepaalt de algemene bepalingen op de controle inzake het verlenen en het gebruik van subsidies.
Art.50. § 1. (Chaque Parlement) vote annuellement le budget et arrête les comptes. <L 2006-03-27/33, art. 11, 005; En vigueur : 21-04-2006>
  Le compte général des Communautés et des Régions est transmis à (leur Parlement), accompagné des observations de la Cour des Comptes.
  Toutes les recettes et dépenses sont portées au budget et dans les comptes.
  § 2. La loi détermine les dispositions générales applicables aux budgets et à la comptabilité des Communautés et des Régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle exercé par la Cour des Comptes.
  En ce qui concerne les organismes d'intérêt public qui dépendent des Communautés et Régions, la loi détermine les dispositions générales relatives à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes.
  La loi détermine les dispositions générales en matière de contrôle de l'octroi et de l'emploi des subventions.
Art.51. De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren een eigen administratieve- en begrotingscontrole en doen daartoe een beroep op inspecteurs van Financiën die hun ter beschikking worden gesteld en onder hun gezag staan.
  De inspecteurs van Financiën stellen hun verslagen op in volle onafhankelijkheid, en delen deze alleen mee aan de Executieve waaronder zij ressorteren.
  Na akkoord van de Executieven, organiseert de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het korps van de Inspectie van Financiën, de betrokkenheid van de Gemeenschappen en de Gewesten aan het beheer ervan alsook de terbeschikkingstelling van de inspecteurs van Financiën bij de Gemeenschappen en Gewesten met het oog op de uitvoering van de opdrachten die hun krachtens het eerste lid zijn toevertrouwd.
Art.51. Les Communautés et les Régions organisent un contrôle administratif et budgétaire pour ce qui les concerne et disposent à cette fin d'inspecteurs des finances, qui, mis à leur disposition, sont placés sous leur autorité.
  Les inspecteurs des Finances rendent leurs avis en toute indépendance, et ne communiquent ceux-ci qu'à l'Exécutif auprès duquel ils sont accrédités.
  Après accord des Exécutifs, le Roi organise, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le corps de l'Inspection des Finances, l'association des Communautés et des Régions à sa gestion, ainsi que la mise à disposition des inspecteurs des Finances auprès des Communautés et des Régions en vue d'assurer la réalisation des missions qui leur sont confiées en vertu de l'alinéa 1er.
Art.52. De Gemeenschappen en de Gewesten organiseren hun eigen thesaurie, volgens modaliteiten bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na akkoord van de Executieven. Gedurende een overgangsperiode van twee jaar eindigend op 31 december 1990 wordt de thesaurie van de Gemeenschappen en de Gewesten evenwel waargenomen door de thesaurie van de Staat, volgens modaliteiten bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na akkoord van de Executieven.
Art.52. Les Communautés et les Régions organisent leur trésorerie propre, selon des modalités fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, après accord des Exécutifs. Toutefois, pendant une période transitoire de deux ans prenant fin le 31 décembre 1990, la trésorerie des Communautés et des Régions est gérée par la trésorerie de l'Etat, selon des modalités fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, après accord des Exécutifs.
Art.53. De Rijksmiddelenbegroting bepaalt :
  1° de bedragen vastgesteld, per Gewest, van de belastingen bedoeld in artikel 3, behalve wanneer het Gewest gebruik maakt van de mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3;
  1°bis (opgeheven) <W 2001-07-13/35, art. 38, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  2° de bedragen vastgesteld per Gemeenschap en bedoeld in artikel 36;
  3° de bedragen vastgesteld per Gewest en bedoeld in de artikelen 12 en 34.
  Over het ontwerp houdende de Rijksmiddelenbegroting wordt inzake deze punten vooraf overleg gepleegd tussen de nationale overheid en de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven. Over het bedrag van de nationale solidariteitstussenkomst bedoeld in artikel 48 wordt hetzelfde voorafgaand overleg gepleegd.
Art.53. Le Budget des Voies et Moyens détermine :
  1° les montants établis, par Région, des impôts visés à l'article 3, sauf lorsque la Région fait usage de la faculté qui lui est offerte par l'article 5, § 3;
  1°bis (abrogé) <L 2001-07-13/35, art. 38, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  2° les montants établis par Communauté et visés à l'article 36;
  3° les montants établis par Région et visés aux articles 12 et 34.
  Le projet contenant le Budget des Voies et Moyens fait, sur ces points, l'objet d'une concertation préalable entre l'autorité nationale et les Exécutifs des Communautés et des Régions. Le montant de l'intervention de solidarité nationale visé à l'article 48 fait l'objet de la même concertation préalable.
Art.54. § 1. De middelen bedoeld [1 in artikel 2]1 , die krachtens een internationaal verdrag aan de nationale overheid worden gestort, worden door deze laatste aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest overgemaakt op het einde van de maand die volgt op de maand waarin ze worden geïnd.
  [1 Wanneer de federale overheid, omwille van haar bevoegdheden inzake politie en justitie, in artikel 2bis bedoelde ontvangsten int, stort zij die ontvangsten door aan de bevoegde instelling van het gewest op het einde van de maand die volgt op de maand waarin zij door de federale overheid werden geïnd.]1
  Onverminderd artikel 5, § 3, worden de middelen bedoeld in titel III en [1 ...]1, door het Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van het Gewest overgemaakt op het einde van de maand die volgt op de maand waarin ze door het Ministerie van Financiën worden geïnd.
  De middelen bedoeld in titel IV, met uitzondering van deze bedoeld in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, [1 en de in de titels V en V/1 en in de artikelen 64quater, 64quinquies, 65, 65bis en 65ter bedoelde middelen]1 worden, op de eerste werkdag van elke maand, door het Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest overgemaakt ten belope van één twaalfde van het begrote bedrag. Elke twaalfde is een voorschot dat verrekend wordt met de opbrengst van de inning van de betrokken belasting gedurende dezelfde maand. Na afloop van het jaar deelt het Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van de Gemeenschap of van het Gewest een tabel mee die, voor iedere maand van het afgelopen jaar, het bedrag van het gestorte twaalfde en het bedrag van het overeenkomstige deel van de werkelijk ontvangen opbrengst van de toegewezen belasting aangeeft. Het positieve saldo ten voordele van de Gemeenschap of van het Gewest wordt maandelijks geboekt als een lening aan het Ministerie van Financiën. Het positieve saldo ten voordele van het Ministerie van Financiën wordt maandelijks geboekt als een lening aan de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest. De financiële modaliteiten van deze verrichtingen worden geregeld door een overeenkomst tussen de Minister van Financiën en de Executieven.
  De middelen bedoeld [1 in titel IV/1]1 worden, op de eerste werkdag van elke maand, door het Ministerie van Financiën aan de bevoegde instelling van het Gewest overgemaakt ten belope van één twaalfde van het begrote bedrag.
  [1 Wanneer de in artikel 35decies bedoelde referentiebedragen, de in artikel 48/1, § 2, eerste lid, 5°, bedoelde verdeelsleutel van de fiscale uitgaven, de op basis van artikel 48/1, § 3, bekomen verdeelsleutel van de federale personenbelasting en bijgevolg de krachtens de artikelen 48 en 48/1 toe te kennen bedragen definitief zijn vastgesteld, wordt het verschil tussen de op basis van de voorlopige bedragen toegekende bedragen en de bedragen toe te wijzen op basis van de definitieve bedragen geboekt, ten behoeve van de federale overheid of ten behoeve van elk van de gemeenschappen, gewesten of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, naargelang het verschil positief of negatief is. Het verschil wordt, naargelang het geval, afgetrokken of toegevoegd aan de in het vierde of het vijfde lid voorziene maandelijkse storting of stortingen die volgen op de maand tijdens dewelke de referentiebedragen en verdeelsleutels in kwestie definitief worden vastgesteld, met dien verstande dat de verrekening op elk van de maandelijkse stortingen niet meer mag bedragen dan 2 % van die maandelijkse stortingen.
   Wanneer de in artikel 5/2, § 1, bedoelde autonomiefactor definitief is bepaald, wordt per gewest het verschil berekend tussen enerzijds, de ontvangsten van de gewestelijke opcentiemen van het aanslagjaar 2015 die geïnd worden tot en met 31 december 2016 en als bedoeld in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°, en anderzijds, het bedrag dat verkregen wordt door de definitieve waarde van de noemer van de autonomiefactor te vermenigvuldigen met het procentueel aandeel van het betrokken gewest in de ontvangsten, voor de drie gewesten samen, van de gewestelijke opcentiemen van datzelfde aanslagjaar die geïnd worden tot en met 31 december 2016 en als bedoeld in artikel 5/1, § 1, eerste lid, 1°.
   Vervolgens wordt de som gemaakt van :
   1° het bedrag gelijk aan het in het zevende lid bepaalde verschil;
   2° het bedrag dat bekomen wordt door het in 1° bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2016 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het begrotingsjaar 2016 op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2;
   3° het bedrag dat bekomen wordt door het in 2° bepaalde bedrag te vermenigvuldigen met de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2017 en aan de reële groei van het bruto binnenlands product van het begrotingsjaar 2017 op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2.
   Tenslotte wordt, naargelang de in het achtste lid bepaalde som gelijk is aan een positief of een negatief bedrag, haar absolute waarde, in mindering gebracht of toegevoegd aan de in het vierde en het vijfde lid bedoelde maandelijkse storting of stortingen voor de tweede maand die volgt op de maand waarin de autonomiefactor definitief wordt vastgesteld, met dien verstande dat de verrekening op elk van de maandelijkse stortingen niet meer mag bedragen dan 2 % van die maandelijkse stortingen.
   Het bedrag van de maatregelen die voor rekening van de gewesten werden uitgevoerd overeenkomstig artikel 6, § 1, IX, 7°, a) en b), van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen wordt in mindering gebracht van de in het vierde lid bedoelde middelen volgens nadere regels die worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewesten.]1

  § 2. In geval van overschrijding van [1 de in § 1 bepaalde termijnen]1 of van ontoereikende storting en na mededeling daarvan aan de Minister van Financiën, heeft de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest het recht een lening aan te gaan bij een vooraf in akkoord met de Minister van Financiën aangeduide kredietinstelling. Deze lening geniet van rechtswege de staatswaarborg. Het financiële stelsel van deze lening maakt het voorwerp uit van een algemene vooraf gesloten overeenkomst tussen de Minister van Financiën, elke Executieve en de betrokken kredietinstelling.
  De financiële dienst van deze lening is rechtstreeks ten laste van de Staat.
  
Art.54. § 1. Les ressources visées [1 à l'article 2]1 qui sont versées à l'autorité nationale en vertu d'un traité international, sont transférées par celle-ci à l'autorité compétente de la Communauté ou de la Région à la fin du mois qui suit celui de leur perception.
  [1 Lorsque, en raison de ses compétences en matière de police et de justice, l'autorité fédérale perçoit les recettes visées à l'article 2bis, il verse celles-ci à l'autorité compétente de la région à la fin du mois qui suit celui de leur perception par l'autorité fédérale.]1
  Sans préjudice de l'article 5, § 3, les ressources visées au titre III et [1 ...]1 sont transférées par le Ministère des Finances à l'autorité compétente de la Région à la fin du mois qui suit celui de leur perception par le Ministère des Finances.
  Les ressources visées au titre IV, à l'exception de celles visées à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 3°, [1 et des ressources visées aux titres V et V/1 et aux articles 64quater, 64quinquies, 65, 65bis et 65ter]1 sont transférées, au premier jour ouvrable de chaque mois, par le Ministère des Finances à l'autorité compétente de la Communauté ou de la Région à raison d'un douzième du montant évalué. Chaque douzième est un acompte à valoir sur le produit de la perception de l'impôt concerné durant le même mois. Au terme de l'année, le Ministère des Finances communique à l'autorité compétente de la Communauté ou de la Région un tableau reprenant, pour chaque mois de l'année écoulée, le montant du douzième versé et celui de la part correspondante du produit effectivement perçu de l'impôt attribué. Le solde positif au profit de la Communauté ou de la Région est mensuellement comptabilisé comme un prêt au Ministère des Finances. Le solde positif au profit du Ministère des Finances est mensuellement comptabilise comme un prêt à la Communauté ou à la Région concernée. Une convention entre le Ministre des Finances et les Exécutifs règle les modalités financières de ces opérations.
  Les ressources visées [1 au titre IV/1]1 sont transférées, au premier jour ouvrable de chaque mois, par le Ministère des Finances à l'autorité compétente de la Région à raison d'un douzième du montant évalué.
  [1 Lorsque les montants de référence visés à l'article 35decies, la clé de répartition des dépenses fiscales visée à l'article 48/1, § 2, alinéa 1er, 5°, la clé de répartition de l'impôt des personnes physiques fédéral obtenu sur la base de l'article 48/1, § 3, et, par voie de conséquence, les montants à attribuer en vertu des articles 48 et 48/1 sont définitivement fixés, la différence entre les montants attribués sur la base des montants provisoires et ceux à attribuer sur la base des montants définitifs est comptabilisée, au profit de l'autorité fédérale ou au profit de chacune des communautés, des régions ou de la Commission communautaire commune, selon qu'elle est positive ou négative. Selon le cas, cette différence est déduite ou ajoutée du ou des versements mensuels prévus aux alinéas 4 et 5 qui suivent le mois au cours duquel les montants de référence et les clés de répartition en question sont définitivement fixés étant entendu que l'imputation sur chacun des versements mensuels ne peut excéder 2 % de ceux-ci.
   Lorsque le facteur d'autonomie visé à l'article 5/2, § 1er, est définitivement fixé, la différence est calculée pour chaque région, entre d'une part, les recettes des additionnels régionaux de l'exercice d'imposition 2015 perçues jusqu'au 31 décembre 2016 et visées à l'article 5/1, § 1er, alinéa 1er, 1°, et d'autre part, le montant obtenu en multipliant la valeur définitive du numérateur du facteur d'autonomie par la part de la région concernée, exprimée en pourcent, dans les recettes des additionnels régionaux des trois régions réunies de ce même exercice d'imposition perçues jusqu'au 31 décembre 2016 et visées à l'article 5/1, § 1er, alinéa 1er, 1°.
   Il est ensuite fait la somme :
   1° du montant égal à la différence fixée à l'alinéa 7;
   2° du montant obtenu en multipliant le montant fixé au 1° par le taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire 2016 et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire 2016 suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2;
   3° du montant obtenu en multipliant le montant fixé au 2° par le taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire 2017 et à la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire 2017 suivant les modalités fixées à l'article 33, § 2.
   Enfin, selon que la somme fixée à l'alinéa 8 est égale à un montant positif ou négatif, sa valeur absolue est, selon le cas, déduite ou ajoutée, du ou des versements mensuels visés aux alinéas 4 et 5 pour le deuxième mois qui suit le mois au cours duquel le facteur d'autonomie est définitivement fixé, étant entendu que l'imputation sur chacun des versements mensuels ne peut excéder 2 % de ceux-ci.
   Le montant des mesures exécutées en vertu de l'article 6, § 1er, IX, 7°, a) et b), de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles pour le compte des régions est déduit des ressources visées à l'alinéa 4 selon des modalités fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les régions.]1

  § 2. En cas de dépassement [1 des délais visés au § 1er]1 ou de versement insuffisant et après notification de cette situation au Ministre des Finances, la Communauté ou la Région concernée a le droit de contracter un emprunt auprès d'un organisme de crédit préalablement désigné de l'accord du Ministre des Finances. Cet emprunt bénéficie de plein droit de la garantie de l'Etat. Le régime financier de cet emprunt fait l'objet d'une convention générale préalablement conclue entre le Ministre des Finances, chaque Exécutif et l'organisme de crédit concerné.
  Le service financier de cet emprunt est directement à charge de l'Etat.
  
Art. 54/1. [1 § 1. De Federale Overheidsdienst Financiën zendt maandelijks, uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de inning van de personenbelasting, aan de gewesten een overzicht per aanslagjaar.
   Het maandelijks overzicht bevat de volgende gegevens :
   1° de aard van de belasting;
   2° de maand en het jaar van inning;
   3° het aanslagjaar waarvoor de inning is gebeurd;
   4° het bedrag van de gewestelijke personenbelasting;
   5° de gewestelijke belastingkredieten.
   § 2. De Federale Overheidsdienst Financiën zendt na afsluiten van de termijn als bedoeld in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en na de termijn als bedoeld in artikel 354, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, een opgave met volgende bedragen :
   1° het bedrag van de gewestelijke opcentiemen;
   2° het bedrag van de gewestelijke kortingen;
   3° het bedrag van de gewestelijke belastingvermeerderingen per categorie;
   4° het bedrag van de gewestelijke belastingverminderingen per categorie;
   5° het bedrag van de gewestelijke belastingkredieten per categorie;
   6° het bedrag van de gewestelijke belastingverminderingen die zijn verrekend met de federale personenbelasting, per categorie.
   § 3. Inzake personenbelasting worden de in artikel 5/1, § 1, bedoelde middelen voor een gegeven begrotingsjaar, op de eerste werkdag van elke maand, door de Federale Overheidsdienst Financiën aan de bevoegde instelling van het gewest overgemaakt ten belope van een twaalfde van het geraamde bedrag voor het aanslagjaar waarvoor de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn aanvangt op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.
   Het in het eerste lid vermelde bedrag wordt bekomen door de vermoedelijke ontvangsten voor dat bedoelde aanslagjaar te ramen na verloop van de termijn als bedoeld in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 volgens de methodologie die wordt vastgesteld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen. Dit bedrag is :
   1° aan te vullen met de door de Federale Overheidsdienst Financiën geraamde budgettaire impact van de discretionaire maatregelen van het gewest als bedoeld in artikel 5/1, § 1, die van toepassing zijn op het aanslagjaar waarvoor de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn aanvangt op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar;
   2° en in voorkomend geval, te vervolledigen met de discretionaire maatregelen die door het gewest werden beslist in het raam van de opmaak van zijn initiële begroting voor het betrokken begrotingsjaar.
   Elk twaalfde is een voorschot dat verrekend wordt met de geïnde opbrengst van het aanslagjaar waarvoor de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn aanvangt op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.
   § 4. Na afloop van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn wordt een eerste afrekening opgemaakt. Daartoe deelt de Federale Overheidsdienst Financiën op het einde van de derde maand die volgt op het verstrijken van die aanslagtermijn, aan de bevoegde instelling van het gewest een overzicht mee dat de volgende gegevens bevat :
   1° het bedrag van de aan het gewest gestorte maandelijkse voorschotten tijdens het betrokken begrotingsjaar;
   2° de som van de door de Federale Overheidsdienst Financiën geïnde bedragen voor de in artikel 5/1, § 1, bedoelde ontvangsten van het gewest tijdens de twintig maanden die zijn verlopen sinds de aanvang van het aanslagjaar.
   Met ingang van de derde maand die volgt op het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde aanslagtermijn wordt een maandelijkse afrekening van de ontvangsten en uitgaven opgemaakt. Daartoe deelt de Federale Overheidsdienst Financiën op het einde van elke maand die daarop volgt, aan de bevoegde instelling van het gewest een overzicht mee dat voor de verlopen maand de volgende gegevens bevat :
   1° de effectief ontvangen gewestelijke belasting;
   2° de eventueel op de gewestelijke belasting verrichte terugbetalingen, de verrekening van gewestelijke belastingverminderingen en de gewestelijke belastingkredieten.
   § 5. De nadere financiële regels van de in paragrafen 3 en 4 bedoelde verrichtingen worden geregeld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen.]1

  
Art. 54/1. [1 § 1er. Le Service public fédéral Finances envoie aux régions chaque mois au plus tard le dernier jour du mois qui suit la perception de l'impôt des personnes physiques, un aperçu par exercice d'imposition.
   L'aperçu mensuel reprend les données suivantes :
   1° la nature de l'impôt;
   2° le mois et l'année de perception;
   3° l'exercice d'imposition pour laquelle la perception a eu lieu;
   4° le montant de l'impôt des personnes physiques régional;
   5° les crédits d'impôt régionaux.
   § 2. Le Service public fédéral Finances envoie après la clôture du délai visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992 et après le délai visé à l'article 354, alinéa 1er, du même Code, un relevé comprenant les montants suivants :
   1° le montant des centimes additionnels régionaux;
   2° le montant des diminutions d'impôt régionales;
   3° le montant des augmentations d'impôt régionales par catégorie;
   4° le montant des réductions d'impôt régionales par catégorie;
   5° le montant des crédits d'impôt régionaux par catégorie;
   6° le montant des réductions d'impôts régionales qui ont été imputées sur l'impôt des personnes physiques fédéral, par catégorie.
   § 3. En matière d'impôt des personnes physiques, les ressources visés à l'article 5/1, § 1er, pour une année budgétaire donnée sont transférées, au premier jour ouvrable de chaque mois, par le Service public fédéral Finances à l'institution compétente de la région à raison d'un douzième du montant évalué pour l'exercice d'imposition pour laquelle le délai d'imposition visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992 prend cours le 1er janvier de l'année budgétaire concernée.
   Le montant visé à l'alinéa 1er est obtenu par l'estimation des recettes présumées pour cet exercice d'imposition après l'expiration du délai visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992 suivant la méthodologie fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les gouvernements des régions. Ce montant est :
   1° à compléter par l'impact budgétaire estimé par le Service public fédéral Finances des mesures discrétionnaires de la région visées à l'article 5/1, § 1er, qui s'appliquent sur l'exercice d'imposition pour laquelle le délai d'imposition visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992 prend cours le 1er janvier de l'année budgétaire concernée;
   2° et, le cas échéant, à compléter par des mesures discrétionnaires qui ont été décidées par la région dans le cadre de l'établissement de son budget initial pour l'année budgétaire concernée.
   Chaque douzième est un acompte à valoir sur le produit de la perception de l'exercice d'imposition pour lequel le délai d'imposition visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992 prend cours le 1er janvier de l'année budgétaire concernée.
   § 4. Un premier décompte est établi au terme du délai d'imposition visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992. Dans ce but, le Service public fédéral Finances fournit à l'autorité compétente de la région, au terme du troisième mois suivant l'expiration de ce délai d'imposition, un aperçu qui comporte les données suivantes :
   1° le montant des acomptes mensuels versés à la région pendant l'année budgétaire concernée;
   2° la somme des montants perçus par le Service public fédéral Finances pour les recettes de la région visées à l'article 5/1, § 1er, pendant les vingt mois qui se sont écoulés depuis le début de l'exercice d'imposition.
   Un décompte mensuel des recettes et dépenses est établi à compter du troisième mois qui suit l'expiration du délai d'imposition visé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992. A cet effet, le Service public fédéral Finances communique à l'institution compétente de la région, au terme de chaque mois suivant, un aperçu qui, pour le mois écoulé, comprend les données suivantes :
   1° l'impôt régional effectivement reçu;
   2° les remboursements éventuellement effectués sur l'impôt régional, l'imputation des réductions d'impôt régionaux et les crédits d'impôt régionaux.
   § 5. Les modalités financières des opérations visées aux §§ 3 et 4 sont fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les gouvernements des régions.]1

  
Art. 54/2. [1 § 1. Het belastingstelsel van de niet-inwoners wordt zo toegepast dat rekening wordt gehouden met de gewestelijke belastingregels, zijnde de in artikel 5/1, § 1, bedoelde opcentiemen, kortingen, belastingverminderingen en -vermeerderingen en belastingkredieten, teneinde het principe van vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal in het kader van de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte na te leven alsmede de non-discriminatiebepalingen uit de verdragen ter vermijding van de dubbele belasting.
   Om te bepalen met welke gewestelijke belastingregels rekening moet worden gehouden, wordt de lokalisatie van de niet-inwoners bij wet vastgelegd na overleg met de gewestregeringen.
   § 2. De Federale Overheidsdienst Financiën zendt maandelijks, uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de inning van de belasting van niet-inwoners, aan de gewesten een overzicht per aanslagjaar.
   Het maandelijks overzicht bevat de volgende gegevens :
   1° de aard van de belasting;
   2° de maand en het jaar van inning;
   3° het aanslagjaar waarvoor de inning is gebeurd;
   4° het verschil tussen de referentiebelasting en de individueel berekende verschuldigde belasting.
   De referentiebelasting is gelijk aan de verschuldigde belasting die berekend worden volgens de federale belastingregels zonder toepassing van § 1 en van artikel 5/2, § 1.
   § 3. Inzake de belasting van niet-inwoners wordt het in § 2 bedoelde verschil uiterlijk op het einde van de maand die volgt op die waarin het overzicht is verstuurd, betaald.
   § 4. De nadere financiële regels van de in de § 3 bedoelde verrichtingen worden geregeld bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gewestregeringen.]1

  
Art. 54/2. [1 § 1er. Le régime fiscal des non-résidents est appliqué de manière à tenir compte des dispositions fiscales régionales, c'est-à-dire les centimes additionnels, les diminutions, réductions et augmentations d'impôts et les crédits d'impôt visés à l'article 5/1, § 1er, afin de respecter le principe de la libre circulation des personnes, biens, services et capitaux dans le cadre de l'Union européenne et de l'Espace économique européen, ainsi que les dispositions de non-discrimination des conventions préventives de la double imposition.
   Afin de déterminer les dispositions régionales dont il doit être tenu compte, la localisation des non-résidents est fixée par une loi après concertation avec les gouvernements des régions.
   § 2. Le Service public fédéral Finances envoie aux régions chaque mois au plus tard le dernier jour du mois qui suit la perception de l'impôt des non-résidents, un aperçu par exercice d'imposition.
   L'aperçu mensuel contient les données suivantes :
   1° la nature de l'impôt;
   2° le mois et l'année de perception;
   3° l'exercice d'imposition pour laquelle la perception a eu lieu;
   4° la différence entre l'impôt de référence et l'impôt dû calculé individuellement.
   L'impôt de référence est égal à l'impôt dû calculé suivant les règles fiscales fédérales sans application du § 1er et de l'article 5/2, § 1er.
   § 3. En matière de l'impôt des non-résidents, la différence visée au § 2 est payée au plus tard à la fin du mois qui suit celui dans lequel l'aperçu a été envoyé.
   § 4. Les modalités financières des opérations visées au § 3 sont fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et après concertation avec les gouvernements des régions.]1

  
TITEL VIII. - DIVERSE BEPALINGEN.
TITRE VIII. - DISPOSITIONS DIVERSES.
Art.55. § 1. De aandelen en vorderingen van de Nationale Maatschappij voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren (NMNS) in en ten opzichte van de ondernemingen, investen inbegrepen, die in het Vlaamse Gewest, in het Waalse Gewest en in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest zijn gevestigd, worden respectievelijk aan het Fonds voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren in het Vlaamse Gewest (FNSV), aan het " Fonds pour la restructuration des Secteurs nationaux en Région wallonne (FSNW) " en aan de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel (GIMB) overgedragen.
  Deze overdrachten zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
  De inventaris van de aandelen en vorderingen die aan iedere instelling worden overgedragen, wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, ten laatste één maand na de inwerkingtreding van deze wet.
  § 2. Op de datum van inwerkingtreding van onderhavige wet worden aan de fondsen en de GIMB bedoeld in § 1, ieder voor wat hem betreft, de financiële middelen overgedragen die overeenstemmen met de saldi van de op die datum bestaande reconversie-enveloppes. De fondsen moeten de beleggingsopbrengst van deze financiële middelen aan de NMNS storten, zolang die middelen niet voor reconversieprojecten aangewend zijn.
  De stortingsmodaliteiten van de beleggingsopbrengst zullen, na overleg met de betrokken Executieven, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden bepaald.
  § 3. Iedere verkrijgende instelling bedoeld onder § 1 draagt kapitaalsaandelen over aan de overdragende instelling, voor een bedrag dat overeenstemt met de krachtens §§ 1 en 2 ontvangen aandelen, vorderingen en financiële middelen.
  § 4. De Nationale Maatschappij voor de Nationale Sectoren draagt onverwijld aan de Staat alle aandelen over, die zij bezit in de instellingen bedoeld onder § 1, met inbegrip van de aandelen bedoeld in § 3. De Staat draagt deze op zijn beurt onverwijld en kosteloos over aan de bevoegde Gewesten.
  § 5. De overdracht van aandelen, vorderingen en financiële middelen bedoeld in §§ 1 en 2 zijn vrijgesteld van registratierechten.
  § 6. Vanaf 1 januari 1989 worden de in artikel 12 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren bedoelde bevoegdheden van de Staat uitgeoefend door het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, ieder voor wat betreft de ondernemingen die op zijn grondgebied zijn gevestigd.
  § 7. De Gewesten moeten, ieder voor wat hem betreft, in de nodige middelen voorzien om de verbintenissen na te komen, die werden aangegaan respectievelijk door het FNSV en het FSNW, en die reeds bestonden op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  § 8. De Staatswaarborg toegekend bij koninklijk besluit van 29 juni 1981 tot oprichting van een Belgische Maatschappij voor de Financiering van de Nijverheid wordt, tot 31 december 2004, behouden ten belope van een bedrag van 20 miljard frank voorzien voor de staalsector, aan de voorwaarden bepaald in voormeld koninklijk besluit.
  De Staatswaarborg toegekend in toepassing van de wet van 23 augustus 1948 strekkende tot het in stand houden en het uitbreiden van de koopvaardij- en de vissersvloot en de scheepsbouw en houdende instelling ten dien einde, van een Fonds voor het uitreden en het aanbouwen van zeeschepen, wordt, tot 31 december 2004, behouden op het huidige bedrag van 18 miljard frank, aan de voorwaarden in deze wet voorzien.
  § 9. De schuldvorderingen op het FSNW, ingevolge de Overeenkomst betreffende de leningen door dit fonds uitgegeven op 4 juni 1984, genieten een bijzonder voorrecht op :
  1° de successierechten aan het Waalse Gewest toegekend met toepassing van de artikelen 4 tot 11, ten bedrage van de vaststaande en eisbare schuldvorderingen voor ieder begrotingsjaar;
  2° de schuldvorderingen die het FSNW bezit op de ondernemingen behorende tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes, en de aandelen en winstbewijzen die zij in deze ondernemingen bezit.
  De schuldvorderingen op het FNSV, ingevolge de Overeenkomst betreffende de leningen door dit fonds uitgegeven op 16 juli 1987, genieten een bijzonder voorrecht op :
  1° de successierechten aan het Vlaamse Gewest toegekend met toepassing van de artikelen 4 tot 11, ten bedrage van de vaststaande en eisbare schuldvorderingen voor ieder begrotingsjaar;
  2° de schuldvorderingen die het FNSV bezit op de ondernemingen behorende tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ertsen en cokes, en de aandelen en winstbewijzen die zij in deze ondernemingen bezit.
  Het bijzonder voorrecht bedoeld in onderhavige paragraaf neemt rang onmiddellijk na deze voorzien bij artikel 20, 4°, van de wet van 16 december 1851, betreffende de voorrechten en hypotheken.
  § 10. De vorderingen van het Fonds voor het Scheepskrediet alsook het saldo van het Fonds op postcheckrekening worden aan het Vlaamse Gewest overgedragen bij de inwerkingtreding van deze wet.
  Deze overdrachten zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan derden, vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
  § 11. De Staat is ertoe gehouden alle uitgaven ten laste te nemen welke voortvloeien uit beslissingen die door de nationale overheid vóór de inwerkingtreding van deze wet werden genomen met toepassing van de wet van 17 juli 1959 tot invoering en ordening van maatregelen ter bevordering van de economische expansie en de oprichting van nieuwe industrieën, de wet van 30 december 1970 betreffende de economische expansie of de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering en die betrekking hebben op ondernemingen die behoren tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ersten en cokes.
Art.55. § 1. Sont cédées respectivement au " Fonds voor de Herstructurering van de Nationale Sectoren in het Vlaamse Gewest (FNSV) ", au Fonds pour la restructuration des Secteurs nationaux en Région wallonne (FSNW) et à la Société régionale d'Investissement de Bruxelles (SRIB) les titres et créances détenus par la Société nationale pour la Restructuration des Secteurs nationaux (SNSN) dans et à l'égard des entreprises, en ce compris les invests, implantées dans la Région flamande, dans la Région wallonne et dans la Région de Bruxelles-Capitale.
  Ces cessions sont opposables de plein droit aux tiers sans autre formalité, dès l'entrée en vigueur de la présente loi.
  L'inventaire des titres et créances cédés à chaque organisme est publié au Moniteur belge dans le mois de l'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 2. A la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont cédés aux fonds et la SRIB visés au § 1er, chacun en ce qui le concerne, les moyens financiers correspondant aux soldes des enveloppes de reconversion existant à cette date, à charge pour ces fonds de verser à la SNSN le produit du placement de ces moyens financiers, aussi longtemps que ces moyens ne sont pas affectés à des projets de reconversion.
  Les modalités de versement du produit de ces placements sont fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, après concertation avec les Exécutifs concernés.
  § 3. Chaque organisme cessionnaire visé au § 1er cède des actions représentatives de son capital à l'organisme cédant, pour un montant équivalent à celui des titres, créances et moyens financiers reçus en vertu des §§ 1er et 2.
  § 4. La Société nationale des secteurs nationaux cède sans délai à l'Etat tous les titres qu'elle détient sur les organismes visés au § 1er, en ce compris les actions visées au § 3. L'Etat, à son tour, les cède gratuitement et sans délai aux Régions compétentes.
  § 5. Les cessions de titres, créances et moyens financiers visés aux §§ 1er et 2, sont exonérées des droits d'enregistrement.
  § 6. A partir du 1er janvier 1989, les attributions de l'Etat visées à l'article 12 de la loi du 5 mars 1984 relative aux soldes et aux charges du passé des Communautés et des Régions et aux secteurs économiques nationaux, sont exercées par la Région wallonne, la Région flamande et la Région de Bruxelles-Capitale, chacune en ce qui concerne les entreprises établies sur son territoire.
  § 7. Les Régions sont tenues, chacune pour ce qui la concerne, d'affecter les moyens nécessaires pour honorer les obligations contractées respectivement par le FNSV et le FSNW, existantes à la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 8. La garantie de l'Etat accordée par l'arrêté royal du 29 juin 1981 visant la création d'une Compagnie belge pour le Financement de l'Industrie est maintenue à concurrence du montant de 20 milliards de francs prévu pour le secteur sidérurgique aux conditions prévues par l'arrêté royal précité, jusqu'au 31 décembre 2004.
  La garantie de l'Etat accordée en vertu de la loi du 23 août 1948 tendant à assurer le maintien et le développement de la marine marchande, de la pêche maritime et de la construction maritime et instituant à ces fins un Fonds de l'armement et des constructions maritimes, est maintenue, à concurrence du montant actuel de 18 milliards de francs et aux conditions prévues par la dite loi, jusqu'au 31 décembre 2004.
  § 9. Les créances sur le FSNW résultant de la Convention relative aux emprunts émis par ce fonds le 4 juin 1984 bénéficient d'un privilège spécial portant sur :
  1° les droits de succession attribues à la Région wallonne en vertu des articles 4 à 11, à concurrence, pour chaque exercice budgétaire, des créances liquides et exigibles;
  2° les créances que le FSNW possède sur des entreprises des secteurs des charbonnages, de la construction et de la réparation navales, de l'industrie du verre creux d'emballage, de l'industrie textile et de la sidérurgie, y compris les transports de minerais et de coke, et les actions et parts qu'il détient dans ces entreprises.
  Les créances sur le FNSV résultant de la Convention relative aux emprunts émis par ce fonds le 16 juillet 1987 bénéficient d'un privilège spécial portant sur :
  1° les droits de succession attribués à la Région flamande en vertu des articles 4 à 11, à concurrence, pour chaque exercice budgétaire, des créances liquides et exigibles;
  2° les créances que le FNSV possède sur des entreprises des secteurs des charbonnages, de la construction et de la réparation navales, de l'industrie du verre creux d'emballage, de l'industrie textile et de la sidérurgie, y compris les transports de minerais et de coke, et les actions et parts qu'il détient dans ces entreprises.
  Le privilège spécial visé au présent paragraphe prend rang immédiatement après celui prévu à l'article 20, 4°, de la loi du 16 décembre 1851 concernant les privilèges et hypothèques.
  § 10. Les créances du Fonds pour le Crédit maritime ainsi que le solde du Fonds sur compte chèque postal sont transférés dès l'entrée en vigueur de la présente loi, à la Région flamande.
  Ces cessions sont opposables de plein droit aux tiers sans autre formalité, dès l'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 11. L'Etat est tenu de prendre à sa charge toutes les dépenses découlant de décisions prises par l'autorité nationale avant l'entrée en vigueur de la présente loi, en application de la loi du 17 juillet 1959 instaurant et coordonnant des mesures en vue de favoriser l'expansion économique et la création d'industries nouvelles, de la loi du 30 décembre 1970 relative à l'expansion économique ou de la loi du 4 août 1978 de réorientation économique, et qui sont relatives à des entreprises appartenant aux secteurs des charbonnages, de la construction et de la réparation navales, de l'industrie du verre creux d'emballage, de l'industrie textile et de la sidérurgie, y compris les transports de minerais et de coke.
Art.56. § 1. Als saldi voor de eerste, tweede en derde opdracht van het Fonds voor Industriële Vernieuwing, bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit nr 31 van 15 december 1978 tot instelling van een Fonds voor Industriële Vernieuwing, worden aan de Gewesten de volgende bedragen overgedragen :
  876,8 miljoen frank aan het Vlaamse Gewest;
  547,3 miljoen frank aan het Waalse Gewest;
  237,7 miljoen frank aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
  Deze bedragen worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na overleg met de betrokken Executieven, verminderd met de na 30 november 1988 op de begroting van het jaar 1988 geordonnanceerde bedragen. Dat koninklijk besluit wordt genomen binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.
  § 2. Voor het jaar 1989 wordt aan het Fonds voor Industriële Vernieuwing een bedrag van 400 miljoen frank toegekend voor de betaling van de voor de inwerkingtreding van deze wet aangegane verbintenissen voor het Brusselse Gewest. Het saldo van dit bedrag op 31 december 1989 zal aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest worden overgedragen bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen, na overleg met de betrokken Executieve, vóór 1 april 1990.
Art.56. § 1. Pour solde des première, deuxième et troisième missions du Fonds de rénovation industrielle, prévues à l'article 3 de l'arrêté royal n° 31 du 15 décembre 1978 créant un Fonds de rénovation industrielle, les montants suivants sont transférés aux Régions :
  876,8 millions de francs à la Région flamande;
  547,3 millions de francs à la Région wallonne;
  237,7 millions de francs à la Région de Bruxelles-Capitale.
  Ces montants sont diminués, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et pris après concertation avec les Exécutifs concernés, des sommes ordonnancées sur le budget de l'année 1988 après le 30 novembre 1988. Cet arrêté royal est pris dans les trois mois de l'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 2. Pour l'année 1989, il est attribué au Fonds de rénovation industrielle un montant de 400 millions de francs pour le paiement des engagements contractés pour la Région de Bruxelles-Capitale avant l'entrée en vigueur de la présente loi. Le solde de ce montant au 31 décembre 1989 sera transféré à la Région de Bruxelles-Capitale par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et pris avant le 1er avril 1990 après concertation avec l'Exécutif concerné.
Art.57. § 1. In afwijking van artikel 12 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, worden de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein, die uitsluitend voor het Nederlandstalig of voor het Franstalig onderwijs worden aangewend, overgedragen, zonder vergoeding, respectievelijk aan de Vlaamse Gemeenschap en aan de Franse Gemeenschap.
  § 2. In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980, worden de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorend tot het openbaar als tot het privaat domein, die ressorteren onder de bevoegdheid van de Gewesten krachtens artikel 6, § 1, III, 8° en X, van dezelfde wet, alsmede de grote waterbouwkundige werken, overgedragen, zonder vergoeding, aan het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest naar gelang van hun ligging.
  § 3. In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980 worden zonder vergoeding naar de Gewesten overgedragen, ieder wat hem betreft, de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorende tot het openbaar als tot het privaat domein, die verworven of gebouwd werden, ingevolge beraadslagingen na 1 januari 1975 van de ministeriële comités voor de Gewestelijke Vlaamse, Waalse en Brusselse aangelegenheden, ingesteld door de wet van 1 augustus 1974 tot oprichting van de gewestelijke instellingen ter voorbereiding van de toepassing van artikel 107quater van de Grondwet.
  In afwijking van artikel 12 van voornoemde wet van 8 augustus 1980 worden zonder vergoeding overgedragen naar de Gemeenschappen, ieder wat haar betreft, de roerende en onroerende goederen van de Staat, zowel behorende tot het openbaar als tot het privaat domein, die verworven of gebouwd werden :
  1° hetzij ingevolge een beslissing die na 1 januari 1972 door de Ministers van Cultuur werd genomen;
  2° hetzij ingevolge beraadslagingen na 1 januari 1980 van de ministeriële comités voor de Nederlandse Gemeenschap en voor de Franse Gemeenschap, ingesteld door de wet van 5 juli 1979.
  § 4. De in §§ 1 tot 3 bedoelde overdrachten worden van rechtswege uitgevoerd. Zij zijn zonder verdere formaliteiten van rechtswege tegenstelbaar aan de derden, vanaf de inwerkingtreding van onderhavige wet.
  Onverminderd het eerste lid van deze paragraaf, wordt de lijst van de goederen waarvan sprake is in de §§ 1 tot 3 opgemaakt bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, op eensluidend advies van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven, en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  § 5. De Gemeenschappen en de Gewesten nemen de rechten en verplichtingen van de Staat betreffende de hen krachtens dit artikel overgedragen goederen over, met inbegrip van de rechten en verplichtingen verbonden aan hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
  De Staat blijft echter de verantwoordelijkheid dragen voor de verplichtingen waarvan de betaling of de uitvoering kon worden geëist voor de eigendomsoverdracht wat de goederen betreft waarvan sprake is in dit artikel.
  § 6. Voor ieder goed dat wordt overgedragen, bezorgt de Staat aan de betrokken Gemeenschap of aan het betrokken Gewest de akten en bescheiden, met inbegrip van de uittreksels uit de kadastrale leggers en uit het kadastraal plan, met vermelding van de rechten, lasten en verplichtingen verbonden aan het goed.
  De inventaris van deze akten en bescheiden wordt zo spoedig mogelijk opgemaakt. Deze inventaris wordt ondertekend door de Minister van Financiën of door de Minister die het goed beheerde of door hun afgevaardigde en door de betrokken Executieve of haar afgevaardigde.
  § 7. Indien er een geschil rijst in verband met een overgedragen goed, kan de betrokken Gemeenschap of het betrokken Gewest de Staat bij de zaak betrekken en kan deze laatste steeds in de zaak tussenkomen.
Art.57. § 1. Par dérogation à l'article 12 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, les biens meubles et immeubles de l'Etat, tant du domaine public que du domaine privé, affectés exclusivement à l'enseignement en langue française et affectés exclusivement à l'enseignement en langue néerlandaise sont transférés, sans indemnité, respectivement à la Communauté française et à la Communauté flamande.
  § 2. Par dérogation à l'article 12 de la loi du 8 août 1980 précitée, les biens meubles et immeubles de l'Etat, tant du domaine public que du domaine privé, qui relèvent des compétences des Régions en vertu de l'article 6, § 1er, III, 8°, et X, de la même loi, ainsi que les grands travaux hydrauliques sont transférés sans indemnité, à la Région wallonne, à la Région flamande et à la Région de Bruxelles-Capitale, selon leur localisation.
  § 3. Par dérogation à l'article 12 de la loi précitée du 8 août 1980, sont transférés, sans indemnité, aux Régions, chacune pour ce qui la concerne, les biens meubles et immeubles de l'Etat, tant du domaine public que du domaine privé, acquis ou construits conformément aux délibérations postérieures au 1er janvier 1975 des comités ministériels pour les affaires régionales wallonnes, flamandes et bruxelloises, institués par la loi du 1er août 1974 créant des institutions régionales, à titre préparatoire à l'application de l'article 107quater de la Constitution.
  Par dérogation à l'article 12 de la loi précitée du 8 août 1980, sont transférés sans indemnités aux Communautés, chacune pour ce qui la concerne, les biens meubles et immeubles de l'Etat, tant du domaine public ou du domaine privé, acquis ou construits :
  1° soit conformément à une décision prise après le 1er janvier 1972, par les Ministres de la Culture;
  2° soit conformément aux délibérations postérieures au 1er janvier 1980 des Comités ministériels de la Communauté française et de la Communauté néerlandaise, institués par la loi du 5 juillet 1979.
  § 4. Les transferts visés aux §§ 1er à 3 inclus sont effectués de plein droit. Ils sont opposables de plein droit aux tiers sans autres formalités, dès l'entrée en vigueur de la présente loi.
  Sans préjudice de l'alinéa 1er du présent paragraphe, la liste des biens visés aux §§ 1er à 3 est dressée par l'arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, de l'avis conforme des Exécutifs des Communautés et des Régions et publiée au Moniteur belge.
  § 5. Les Communautés et les Régions succèdent aux droits et obligations de l'Etat relatifs aux biens qui leur sont transférés en vertu du présent article, en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours et à venir.
   Toutefois, l'Etat reste seul tenu des obligations dont le paiement ou l'exécution étaient exigibles avant le transfert de propriété en ce qui concerne les biens visés par le présent article.
  § 6. Pour chaque bien transféré, l'Etat communique à la Communauté ou à la Région concernée, les actes et documents, en ce compris les extraits des matrices cadastrales et du plan cadastral, mentionnant les droits, charges et obligations relatifs au bien.
  L'inventaire de ces actes et documents est dressé dans les plus brefs délais. Il est signé par le Ministre des Finances ou le Ministre qui avait la gestion du bien ou leur délégué et par l'Exécutif concerné ou son délégué.
  § 7. En cas de litige relatif à un bien transféré, la Communauté ou la Région concernée peut toujours appeler l'Etat à la cause et celui-ci peut toujours intervenir à la cause.
Art.58. § 1. De Gewestelijke Economische Raad voor Brabant wordt afgeschaft op de door de Koning bepaalde datum, bij een in Ministerraad overlegd besluit.
  § 2. Met het oog op de afschaffing van de in § 1 vermelde instelling regelt de Koning, bij in Ministerraad overlegde besluiten, de ontbinding alsmede alle daarmee verband houdende vraagstukken, met name de overdracht van de personeelsleden, goederen, rechten en verplichtingen van de instelling aan de Gewesten, ieder wat hem betreft.
  De bestaande schuldenlast in de Gewestelijke Economische Raad van Brabant zal worden verdeeld over de Gewesten en dat in functie van de ongelijkmatige bijdrage die ieder van hen in de voorbije jaren heeft geleverd met het oog op de beheersing of vermindering van die schuldenlast.
  § 3. In de in § 2 bedoelde koninklijke besluiten worden, na overleg met de representatieve vakorganisaties van het personeel, de modaliteiten inzake de overdracht van personeelsleden en de maatregelen voor het waarborgen van hun rechten vastgesteld, met inachtneming van de beginselen vermeld in artikel 88, § 2, tweede, derde en vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
  § 4. Het bedrag van het pensioen dat, ter uitvoering van § 2, aan de overgedragen personeelsleden zal worden toegekend, alsook het bedrag van het pensioen van hun rechthebbenden mag niet minder zijn dan het bedrag van het pensioen dat aan de belanghebbende zou zijn toegekend overeenkomstig de wettelijke of reglementaire bepalingen die op hen van toepassing waren op het ogenblik van de overdracht, waarbij echter rekening wordt gehouden met de wijzigingen die later in deze bepalingen zijn aangebracht krachtens algemene maatregelen die van toepassing zijn op alle instellingen die behoren tot de categorie waarvan de af te schaffen instelling deel uitmaakt.
  De modaliteiten betreffende de tenlasteneming van de bijkomende uitgaven die voortvloeien uit de bij het voorgaande lid ingestelde waarborg, kunnen door de Koning worden vastgesteld, op voorstel van de Minister tot wiens bevoegdheid de Administratie der Pensioenen behoort.
  § 5. De in §§ 2 en 3 bedoelde koninklijke besluiten worden genomen na advies van de betrokken Gewestexecutieven.
  § 6. De bepalingen van de wet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de planning en economische decentralisatie worden, op de datum van inwerkingtreding van het in § 1 bedoelde koninklijk besluit, opgeheven voor zover ze betrekking hebben op de Gewestelijke Economische Raad voor Brabant.
  De Koning kan voormelde wet aanpassen teneinde de tekst ervan in overeenkomst te brengen met de in het vorig lid vermelde opheffingen.
  Daartoe kan Hij :
  1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de vorm van de bepalingen wijzigen;
  2° de verwijzingen wijzigen die zouden zijn vervat in de te vereenvoudigen bepalingen met het oog op de overeenstemming ervan met de nieuwe nummering;
  3° de tekst van de te coördineren bepalingen wijzigen met het oog op de overeenstemming ervan en de eenvormigheid in de terminologie, zonder dat afbreuk mag worden gedaan aan de in deze bepalingen vastgestelde beginselen.
Art.58. § 1. Le Conseil économique régional pour le Brabant est supprimé à la date fixée par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  § 2. En vue de la suppression de l'institution visée au § 1er, le Roi règle par arrêtés délibérés en Conseil des Ministres la dissolution et toutes les questions auxquelles celle-ci donne lieu, notamment : le transfert aux Régions, chacune pour ce qui la concerne, des membres du personnel, des biens, des droits et des obligations de l'institution.
  Les dettes existantes du Conseil économique régional pour le Brabant seront réparties entre les Régions en fonction de la mesure inégale dans laquelle chacune d'elles aura contribué au cours des années précédentes à la maîtrise ou à la réduction de ces dettes.
  § 3. Les arrêtés royaux visés au § 2 déterminent après concertation avec les organisations représentatives du personnel, les modalités de transfert du personnel et les mesures nécessaires pour garantir ses droits, et cela dans le respect des principes visés à l'article 88, § 2, 2ème, 3ème et 4ème alinéas, de la loi spéciale du 8 août 1980.
  § 4. Le montant de la pension qui est accordée aux membres du personnel transférés, en exécution du § 2, de même que le montant de la pension de leurs ayants droits, ne pourra être inférieur au montant de la pension qui aurait été accordée aux intéressés conformément aux dispositions légales ou réglementaires qui leur étaient applicables au moment du transfert, mais compte tenu des modifications que ces dispositions auraient subies ultérieurement en vertu de mesures générales applicables à l'ensemble des organismes relevant de la catégorie à laquelle appartient l'institution à supprimer.
  Les modalités de prise en charge des dépenses supplémentaires découlant de la garantie instaurée par l'alinéa qui précède, peuvent être fixées par le Roi, sur proposition du Ministre qui a l'administration des pensions dans ses attributions.
  § 5. Les arrêtés royaux visés aux §§ 2 et 3 sont pris après l'avis des Exécutifs régionaux concernés.
  § 6. Les dispositions de la loi du 15 juillet 1970 portant organisation de la planification et de la décentralisation économique sont abrogées à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal visé au § 1er, dans la mesure où elles concernent le Conseil économique régional pour le Brabant.
  Le Roi peut adapter la loi précitée afin de rendre le texte conforme aux abrogations susmentionnées à l'alinéa précédent.
  A cette fin, Il peut :
  1° modifier l'ordre, le numérotage et, en général, la présentation des dispositions;
  2° modifier les références qui seraient contenues dans les dispositions à simplifier en vue de les mettre en concordance avec le nouveau numérotage;
  3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie, sans qu'il puisse être porté atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions.
Art.59. <wijzigingsbepaling van artikel 91bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>
Art.59.
Art.60. <wijzigingsbepaling van artikel 18 van de bijzondere wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>
Art.60.
Art.61. § 1. Tenzij in deze wet anders wordt bepaald, nemen de Gemeenschappen en Gewesten de rechten en verplichtingen van de Staat over die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend bij de wet van 8 augustus 1988 tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
  Blijven echter ten laste van de Staat de verplichtingen bedoeld in het eerste lid met betrekking tot de leningen aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet :
  - door het Wegenfonds;
  - in het kader van de wet van 8 januari 1981 met betrekking tot de consolidatieleningen ten gunste van de Brusselse ondergeschikte besturen en van artikel 51 van de wet van 26 juli 1971 houdende organisatie van de agglomeraties en de federaties van gemeenten;
  - in het kader van het koninklijk besluit nr. 31 van 15 december 1978 tot instelling van een Fonds voor industriële vernieuwing;
  - door de maatschappijen voor intercommunaal gemeenschappelijk vervoer die aanleiding geven tot een tussenkomst door de Staat ten laste van artikel 31.03 van de begroting van het Ministerie van Verkeerswezen;
  - door de N.V. Zeekanaal en Haveninrichtingen van Brussel die aanleiding geven tot een tussenkomst door de Staat ten laste van artikel 21.02 en artikel 51.08 van de begroting van Openbare Werken.
  - in toepassing van de raamcontracten van 30 maart 1979, van 1 juni 1981 en van 15 juni 1981 met de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid en van 2 juli 1979 aangegaan met de Algemene Spaar- en Lijfrentekas.
  Onverminderd het bepaalde bij artikel 73, § 1, blijft de Staat daarenboven alléén gebonden door de contractuele verplichtingen die hij heeft aangegaan en vastgelegd vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de gesplitste kredieten van het Deel I - Kredieten bestemd voor de uitvoering van het Investeringsprogramma, van de Titel II - Kapitaaluitgaven, of van de Fondsen van de Titel IV - Afzonderlijke sectie van de begroting, die worden gestijfd door niet gesplitste kredieten van het voormelde Deel I van de Titel II van de begroting.
  Dezelfde regeling is van toepassing op de contractuele verplichtingen die door het Wegenfonds werden aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet ten laste van de vastleggingskredieten die voorkomen in de begroting van deze instelling.
  De in de twee voorgaande leden bedoelde contractuele verplichtingen hebben betrekking op de vóór de inwerkingtreding van deze wet aangegane vastleggingen, zoals blijkt uit de boekhouding der controleurs der vastleggingen of uit de boekhouding van het Wegenfonds.
  Wat andere uitgaven betreft dan deze die beoogd worden in de hierboven vermelde leden 2, 3 en 4 blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 1988 :
  - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet voorgelegd worden;
  - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met geldende wetten en reglementen.
  De Staat bezorgt onverwijld aan de Gemeenschappen en Gewesten, ieder wat hem betreft, de akten en bescheiden die de rechten en verplichtingen vermelden die door hen krachtens deze paragraaf worden overgenomen. Een inventaris van de verstrekte akten en documenten wordt opgemaakt en ondertekend door de bevoegde Minister of zijn afgevaardigde en door de bevoegde Executieve of haar afgevaardigde.
  In geval van geschil kan de Gemeenschap of het Gewest steeds de Staat bij de zaak betrekken en kan laatstgenoemde steeds in de zaak tussenkomen.
  § 2. De artikelen 1, 2 en 8 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en lasten van het verleden van de Gemeenschappen en Gewesten en betreffende de nationale economische sectoren blijven van toepassing, voor zover zij verwijzen naar aangelegenheden bedoeld bij de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en bij de wet tot oprichting van gemeenschaps- en gewestelijke instellingen, gecoördineerd op 20 juli 1979, zonder dat rekening wordt gehouden met de wijzigingen in deze wetten aangebracht na de inwerkingtreding van voornoemde wet van 5 maart 1984.
  De artikelen 1, 2 en 8 van voornoemde wet kunnen niet worden gewijzigd dan bij de meerderheid vermeld in [1 artikel 4, derde lid]1, van de Grondwet.
  Voor de toepassing van deze paragraaf wordt met de woorden " van de begroting van het Ministerie van het Brusselse Gewest " en " het krediet voor het Ministerie voor het Brusselse Gewest vastgesteld met toepassing van het artikel 7 van de in § 1 bedoelde wet " respectievelijk vermeld in § 1 en § 3 van artikel 8 van de voornoemde wet van 5 maart 1984, vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet, bedoeld respectievelijk " van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest " en " de financiële middelen die aan het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest toekomen krachtens de bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten ".
  § 3. De Gemeenschappen en Gewesten nemen, ieder wat hem betreft, de goederen, rechten en verplichtingen over van de instellingen van openbaar nut waarvan de taken ressorteren onder de bevoegdheden van de Gewesten en Gemeenschappen, op de bij de wet vastgestelde wijze, met inachtneming van de beginselen vervat in artikel 57 en in § 1, tweede tot achtste lid, van dit artikel.
  [1 In afwijking van het eerste lid worden de nadere regels betreffende de overdracht van goederen, rechten en verplichtingen van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau aan de federale overheid en aan de gewesten, ieder wat hem betreft, door of krachtens de wet bepaald, zonder dat de lasten uit het verleden kunnen worden overgedragen aan de gewesten.]1
  § 4. De Gewesten nemen op de datum van inwerkingtreding van deze wet van de Gemeenschappen de rechten en de verplichtingen over inzake de monumenten en de landschappen gelegen op hun grondgebied.
  § 5. De Staat is ertoe gehouden alle uitgaven ten laste te nemen welke voortvloeien uit de verbintenissen die vóór de inwerkingtreding van deze wet werden aangegaan inzake de sociale begeleiding van de herstructurering van de ondernemingen die behoren tot de sectoren van de steenkolenmijnen, de scheepsbouw en de scheepsherstelling, de glasverpakkingsnijverheid, de textielnijverheid en de staalnijverheid, met inbegrip van het vervoer van ersten en cokes.
  § 6. (Met betrekking tot de verbintenissen die vóór 1 januari 1993 werden aangegaan inzake het Landbouwinvesteringsfonds, behoudt de Staat alle rechten en verplichtingen.
  Wat de andere uitgaven betreft dan die welke beoogt worden in het vorige lid blijft de Staat eveneens gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 1992 :
  - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
  - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.) <W 1993-07-16/30, art. 116, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  (§ 7. Tenzij in deze paragraaf anders is bepaald, nemen de gewesten de rechten en verplichtingen over van de Staat die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend door de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
  Met betrekking tot de verbintenissen aangegaan voor 1 januari 2002 inzake deze overgedragen bevoegdheden, blijft de Staat gebonden door de bestaande verplichtingen op 31 december 2001 :
  - hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
  - hetzij voor de andere schulden, wanneer ze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.
  Met betrekking tot de prefinanciering door de Staat, voor rekening van de lokale besturen die een beroep doen op de diensten van een gewestelijke ontvanger, van de kosten die verband houden met de bezoldigingen en andere vaste uitgaven voor de gewestelijke ontvangers en met de werkingsuitgaven van de gewestelijke gemeenteontvangerijen, behoudt de Staat zijn rechten tot terugvordering, op die lokale besturen, van de tot en met 31 december 2001 door hem geprefinancierde bedragen.) <W 2001-07-13/35, art. 39, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 8. Tenzij deze paragraaf er anders over beschikt, nemen de gewesten en de gemeenschappen de rechten en de verplichtingen over van de federale overheid die betrekking hebben op de bevoegdheden die hen worden toegekend door de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming, met inbegrip van de rechten en verplichtingen die voortkomen uit hangende en toekomstige gerechtelijke procedures.
   Met betrekking tot de verbintenissen aangegaan voor 1 juli 2014 inzake deze overgedragen bevoegdheden, blijft de federale overheid gebonden door de op 30 juni 2014 bestaande verplichtingen :
   1° hetzij wanneer de betaling ervan verschuldigd is op deze datum als het gaat over vaste uitgaven of uitgaven waarvoor geen betalingsaanvraag moet worden voorgelegd;
   2° hetzij voor andere schulden, wanneer deze vaststaan en de betaling ervan op regelmatige wijze werd aangevraagd op dezelfde datum in overeenstemming met de geldende wetten en reglementen.]1

  
Art.61. § 1. A moins que la présente loi n'en dispose autrement, les Communautés et les Régions succèdent aux droits et obligations de l'Etat relatifs aux compétences qui leur sont attribuées par la loi du 8 août 1988 modifiant la loi spéciale du 8 août 1980 de reformes institutionnelles, en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours et à venir.
  Toutefois restent à charge de l'Etat les obligations visées à l'alinéa 1er relatives aux emprunts contractés avant l'entrée en vigueur de la présente loi :
  - par le Fonds des Routes;
  - dans le cadre de la loi du 8 janvier 1981 relative aux emprunts de consolidation en faveur des pouvoirs subordonnés bruxellois et de l'article 51 de la loi du 26 juillet 1971 organisant les agglomérations et les fédérations de communes;
  - dans le cadre de l'arrêté royal n° 31 du 15 décembre 1978 portant création du Fonds de rénovation industrielle;
  - par les sociétés intercommunales de transports en commun urbains donnant lieu à une intervention de l'Etat à charge de l'article 31.03 du budget du Ministère des Communications;
  - par la S.A. du Canal et des Installations maritimes de Bruxelles donnant lieu à une intervention de l'Etat à charge de l'article 21.02 et article 51.08 du budget des Travaux Publics;
  - en application des conventions cadre du 30 mars 1979, du 1er juin et du 15 juin 1981 avec la Société nationale de Crédit à l'Industrie et du 2 juillet 1979 avec la Caisse générale d'Epargne et de Retraite.
  Sans préjudice de l'article 73, § 1er, de l'Etat reste lié par les obligations contractuelles qu'il a assumées et engagées avant l'entrée en vigueur de la présente loi à l'égard des crédits dissociés de la Partie Première - Crédits destinées à la réalisation du programme d'investissements, du Titre II - Dépenses de capital, ou des Fonds du Titre IV - Section particulière du budget, qui sont alimentés par ces crédits non-dissociés de la partie I du Titre II du budget.
  La même règle s'applique aux obligations contractuelles contractées par le Fonds des Routes avant l'entrée en vigueur de la présente loi, à charge des crédits d'engagements qui figurent au budget de cet organisme.
  Les obligations contractuelles visées aux deux alinéas précédents concernent les engagements contractés régulièrement avant l'entrée en vigueur de la présente loi, tels qu'ils ressortent de la comptabilité des contrôleurs des engagements ou de la comptabilité du Fonds des Routes.
  Pour ce qui concerne les dépenses autres que celles visées aux alinéas 2, 3 et 4 ci-dessus, l'Etat reste également tenu par les obligations existantes au 31 décembre 1988 :
  - soit lorsque leur paiement est dû à cette date s'il s'agit de dépenses fixes ou de dépenses pour lesquelles une déclaration de créance ne doit pas être produite;
  - soit pour les autres dettes lorsqu'elles sont certaines et que leur paiement a été régulièrement réclamé à cette même date conformément aux lois et règlements en vigueur.
  L'Etat communique dans les plus brefs délais aux Communautés et aux Régions, chacune pour ce qui la concerne, les actes et documents mentionnant les droits et obligations auxquels elles succèdent en vertu du présent paragraphe. Un inventaire des actes et documents communiqués est dressé et signé par le Ministre compétent ou son délégué et l'Exécutif compétent ou son délégué.
  En cas de litige, la Communauté ou la Région concernée peut toujours appeler l'Etat à la cause et ce dernier intervenir à la cause.
  § 2. Les articles 1er, 2 et 8 de la loi du 5 mars 1984 relative aux soldes et aux charges du passé des Communautés et des Régions et aux secteurs économiques nationaux, restent d'application dans la mesure où ils se réfèrent aux matières visées par la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles et la loi créant des institutions communautaires et régionales, coordonnée le 20 juillet 1979, sans qu'il soit tenu compte des modifications apportées à ces lois après l'entrée en vigueur de la loi du 5 mars 1984 précitée.
  Les articles 1er, 2 et 8 de la dite loi ne peuvent être modifiés qu'a la majorité prévue à [1 l'article 4, alinéa 3]1 , de la Constitution.
  Pour l'application du présent paragraphe, les mots " du budget du Ministère de la Région bruxelloise " et " Le crédit pour le Ministère de la Région bruxelloise fixé en application de l'article 7 de la loi visée au § 1er " contenus respectivement au § 1er et au § 3 de l'article 8 de la loi du 5 mars 1984 précitée, s'entendent, à partir de l'entrée en vigueur de la présente loi comme, respectivement, " de la Région de Bruxelles-Capitale " et " les moyens financiers attribués à la Région de Bruxelles-Capitale en vertu de la loi spéciale relative au financement des Communautés et des Régions ".
  § 3. Les Communautés et les Régions succèdent, chacune en ce qui la concerne, aux biens, droits et obligations des organismes d'intérêt public dont les missions relèvent des compétences régionales et communautaires, selon les modalités fixées par la loi, dans le respect des principes énoncés à l'article 57 et au § 1er, alinéas 2 à 8, du présent article.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, les modalités concernant le transfert à l'autorité fédérale et aux régions, chacune pour ce qui la concerne, des biens, des droits et des obligations du Bureau d'intervention et de restitution belge, sont fixées par ou en vertu de la loi, sans que les charges du passé puissent être transférées aux régions.]1
  § 4. A la date de l'entrée en vigueur de la présente loi, les Régions succèdent aux droits et obligations des Communautés en ce qui concerne les monuments et les sites situés sur leur territoire.
  § 5. L'Etat est tenu de prendre en charge toutes les dépenses découlant des engagements contractés avant l'entrée en vigueur de la présente loi en matière d'accompagnement social de la restructuration des entreprises appartenant aux secteurs des charbonnages, de la construction et de la réparation navales, de l'industrie du verre creux d'emballage, de l'industrie textile et de la sidérurgie, y compris les transports de minerais et de coke.
  § 6. (En ce qui concerne les engagements contractés avant le 1er janvier 1993 en matière du Fonds d'investissement agricole, l'Etat maintient tous ses droits et obligations.
  Pour ce qui concerne les dépenses autres que celles visées à l'alinéa précédent, l'Etat reste également tenu par les obligations existantes au 31 décembre 1992 :
  - soit lorsque leur paiement est du à cette date s'il s'agit de dépenses fixes ou de dépenses pour lesquelles une déclaration de créance ne doit pas être produite;
  - soit pour les autres dettes lorsqu'elles sont certaines et que leur paiement a été régulièrement réclamé à cette date, conformément aux lois et règlements en vigueur.) <L 1993-07-16/30, art. 116, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  (§ 7. A moins que le présent paragraphe n'en dispose autrement, les régions succèdent aux droits et obligations de l'Etat relatifs aux compétences qui leur sont attribuées par la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés, en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours et à venir.
  En ce qui concerne ces compétences transférées, l'Etat demeure, pour les engagements contractés avant le 1er janvier 2002, lié par les obligations existant au 31 décembre 2001 :
  - soit lorsque leur paiement est dû à cette date s'il s'agit de dépenses fixes ou de dépenses pour lesquelles une déclaration de créance ne doit pas être produite;
  - soit pour les autres dettes lorsqu'elles sont certaines et que leur paiement a été régulièrement réclamé à cette date, conformément aux lois et règlements en vigueur.
  En ce qui concerne le préfinancement par l'Etat, pour le compte des pouvoirs locaux qui font appel aux services d'un receveur régional, des frais relatifs aux rémunérations et autres dépenses fixes pour les receveurs régionaux et aux dépenses de fonctionnement des recettes communales régionales, l'Etat conserve ses droits de récupérer sur ces pouvoirs locaux les montants qu'il a préfinancés jusqu'au 31 décembre 2001 y compris.) <L 2001-07-13/35, art. 39, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  [1 § 8. A moins que le présent paragraphe n'en dispose autrement, les communautés et régions succèdent aux droits et obligations de l'autorité fédérale relatifs aux compétences qui leur sont attribuées par la loi spéciale du 6 janvier 2014 relative à la Sixième Réforme de l'Etat en ce compris les droits et obligations résultant de procédures judiciaires en cours et à venir.
   En ce qui concerne ces compétences transférées, l'autorité fédérale demeure, pour les engagements contractés avant le 1er juillet 2014, lié par les obligations existant au 30 juin 2014 :
   1° soit lorsque leur paiement est dû à cette date s'il s'agit de dépenses fixes ou de dépenses pour lesquelles une déclaration de créance ne doit pas être produite;
   2° soit pour les autres dettes lorsqu'elles sont certaines et que leur paiement a été régulièrement réclamé à cette même date, conformément aux lois et règlements en vigueur.]1

  
Art.62. § 1. Onverminderd de toepassing van deze wet wordt jaarlijks, in de Rijksbegroting, voor de Gemeenschappen een krediet vastgesteld voor de financiering van het universitair onderwijs dat aan buitenlandse studenten wordt verstrekt.
  Voor het begrotingsjaar 1989 zijn deze bedragen respectievelijk 1.200 miljoen voor de Franse Gemeenschap en 300 miljoen voor de Vlaamse Gemeenschap.
  (Voor het begrotingsjaar 2000 zijn deze bedragen respectievelijk 56 162 756,97 EUR voor de Franse Gemeenschap en 27 662 438,42 EUR voor de Vlaamse Gemeenschap.) <W 2001-07-13/35, art. 40, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 2. Voor het begrotingsjaar 1990 en voor elk van de volgende begrotingsjaren worden de bedragen vermeld in § 1 aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 40, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. De in § 2 bedoelde bedragen kunnen vanaf 1990 worden verhoogd, inzonderheid om rekening te houden met de eventuele financiële gevolgen voor de Gemeenschappen van beslissingen die de nationale overheid bij de uitoefening van haar eigen bevoegdheid heeft genomen.
  Voor het wetsontwerp tot vaststelling van het onder § 1 bedoelde krediet wordt op dat punt ieder jaar vooraf overleg gepleegd tussen de nationale Regering en de Gemeenschapsexecutieven.
  § 4. Artikel 54, § 1, vierde lid, en § 2 is op dit krediet van toepassing.
Art.62. § 1. Sans préjudice de l'application de la présente loi, il est prévu annuellement, à charge du budget de l'Etat, un crédit destiné aux Communautés pour le financement de l'enseignement universitaire dispensé aux étudiants étrangers.
  Pour l'année budgétaire 1989, ces montants sont respectivement de 1.200 millions pour la Communauté française et de 300 millions pour la Communauté flamande.
  (Pour l'année budgétaire 2000, ces montants sont respectivement de 56 162 756,97 EUR pour la Communauté française et de 27 662 438,42 EUR pour la Communauté flamande.) <L 2001-07-13/35, art. 40, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 2. Pour l'année budgétaire 1990 et chacune des années budgétaires suivantes, les montants mentionnes au § 1er sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation selon les modalités fixées par l'article 13, § 2.
  (A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3.) <L 2001-07-13/35, art. 40, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 3. A partir de 1990, les montants visés au § 2 peuvent être augmentés, en particulier pour tenir compte des conséquences financières éventuelles sur les Communautés de décisions prises par l'autorité nationale dans l'exercice de ses compétences propres.
  Le projet de loi fixant le crédit visé au § 1er fait chaque année sur ce point l'objet d'une concertation préalable entre le Gouvernement national et les Exécutifs des Communautés.
  § 4. L'article 54, § 1er, alinéa 4 et § 2 s'applique à ce crédit.
Art. 62bis. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 41; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar 2002 wordt jaarlijks een bedrag bepaald dat overeenstemt met 27,44 % van de te verdelen winst van de Nationale Loterij, zoals bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Het met toepassing van het eerste lid verkregen bedrag wordt jaarlijks verminderd met een bedrag dat overeenstemt met 0,8428 % van het in het eerste lid verkregen bedrag.
  Het met toepassing van het tweede lid verkregen bedrag wordt jaarlijks over de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap verdeeld volgens het aandeel van elke gemeenschap in het totaal van de met toepassing van [1 artikel 36, eerste lid, 1° en 2°,]1 voor beide gemeenschappen samen verkregen bedrag.
  De voormelde bedragen worden gestort bij middel van voorschotten die op 30 juni en 31 december van het betrokken boekjaar niet hoger mogen zijn dan respectievelijk 50 % en 80 % van de voorlopige winstverdeling van de Nationale Loterij zoals in Ministerraad bepaald.
  
Art. 62bis. A partir de l'année budgétaire 2002, il est établi chaque année un montant correspondant à 27,44 % du bénéfice à répartir de la Loterie Nationale, comme prévu par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
  Le montant obtenu en application de l'alinéa 1er est réduit chaque année d'un montant correspondant à 0,8428 % du montant obtenu en application de l'alinéa 1.
  Le montant obtenu en application de l'alinéa 2 est réparti chaque année entre la Communauté française et la Communauté flamande selon la part de chaque communauté dans le total du montant obtenu en application de l'[1 article 36, alinéa 1er, 1° et 2°,]1 pour les deux communautés réunies.
  Les montants susvisés sont versés au moyen d'avances qui, le 30 juin et le 31 décembre de l'exercice concerné, ne peuvent excéder respectivement 50 % et 80 % de la répartition provisoire des bénéfices de la Loterie Nationale comme prévu en Conseil des Ministres.
  
Art. 62ter. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 42; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar waarin de Nationale Plantentuin van België wordt overgedragen, worden aan de Vlaamse Gemeenschap en de Franse Gemeenschap bijkomende middelen toegekend gelijk aan een bedrag van 5 659 409,17 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2002. De verdeling van dit bedrag over beide gemeenschappen geschiedt volgens een sleutel die in overeenstemming is met de taalrol van het effectief personeelsbestand van de Nationale Plantentuin op de dag van de overdracht, zoals bedoeld in artikel 18, 4°, van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen.
  Ieder jaar worden deze bedragen aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen evenals aan de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2.
  
Art. 62ter. A partir de l'année budgétaire au cours de laquelle le Jardin botanique national de Belgique est transféré, des moyens supplémentaires équivalant à un montant de 5 659 409,17 EUR exprimés en prix de 2002, sont attribues à la Communauté flamande et à la Communauté française. La répartition de ce montant entre les deux communautés s'opère selon une clef qui est en conformité avec le rôle linguistique des effectifs en personnel du Jardin botanique national au jour du transfert, au sens visé à l'article 18, 4°, de la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés.
  Chaque année, ces montants sont adaptés au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2.
  
Art.63. <W 1993-07-16/30, art. 117, 002; Inwerkingtreding : 1994-01-01> § 1. Een bijzonder krediet wordt jaarlijks uitgetrokken op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt voor de gemeenten op het grondgebied waarvan zich eigendommen bevinden die zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing.
  § 2. Deze eigendommen zijn :
  1° de onroerende goederen, eigendom van een vreemde Staat of van een instelling van internationaal publiek recht;
  2° de onroerende goederen, uitsluitend eigendom of medeëigendom van de federale overheid, van een federale instelling van openbaar nut of van een federaal autonoom overheidsbedrijf, die aangewend worden voor een openbare dienst of voor een dienst van algemeen nut, waarvan de werking zich uitstrekt over het Rijk, een Gemeenschap, een Gewest of ten minste een provincie.
  De eigendommen bedoeld in het eerste lid, 2°, zijn niet :
  1° de gebouwen bestemd voor de buitendiensten van de bedoelde administratieve diensten, instellingen en bedrijven, met uitzondering van die welke de gewestelijke, provinciale of daarmee gelijkgestelde besturen onderbrengen van de ministeriële departementen, van De Post, van Belgacom en van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen;
  2° de gebouwen bestemd voor de diensten van de rechterlijke macht, met uitzondering van het Hof van cassatie, de hoven van beroep, het Militair Gerechtshof en de arbeidshoven;
  3° de ziekenhuizen;
  4° de gebouwen bestemd voor de centra van de administratieve diensten die bevoegd zijn voor sport en openluchtrecreatie;
  5° de gebouwen bestemd voor de diensten die bevoegd zijn voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding;
  6° de onderwijsinstellingen, met inbegrip van de universiteiten en de administratieve gebouwen die afhankelijk zijn van de genoemde instellingen;
  7° de gebouwen bestemd voor de erediensten;
  8° de stations.
  Onder onroerende goederen worden verstaan de gebouwde en ongebouwde percelen met uitsluiting van het materieel en de outillering bedoeld in artikel 471 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
  De vereiste voorwaarden worden beoordeeld per volledig kadastraal perceel en, in voorkomend geval, volgens de bestemming van het belangrijkste deel van het kadastraal perceel.
  § 3. Dat bijzonder krediet dekt [1 volledig]1 de niet-inning van de gemeentelijke opcentiemen op deze voorheffing.
  Dat krediet wordt berekend :
  - op basis van de gewestelijke aanslagvoeten en de gemeentelijke opcentiemen [1 vastgesteld op 1 januari van het voorgaande jaar]1;
  - op basis van de meest recent beschikbare officiële gegevens over de kadastrale inkomens;
  - met toepassing van de indexering van de kadastrale inkomens ingevoerd vanaf 1 januari 1991;
  - voor de onroerende goederen waarvan de federale overheid medeëigenaar is, op basis van het gedeelte van het kadastrale inkomen dat overeenstemt met het aandeel van de federale overheid in de medeëigendom.
  Het wordt verdeeld op basis van het bedrag aan fiscale minderopbrengst per gemeente, berekend overeenkomstig het tweede lid.
  De berekeningswijze en de verdeling van dat krediet worden, overeenkomstig de vorenstaande leden, bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, na overleg met de betrokken Gewestregeringen.
  Het krediet dat overeenstemt met dat van de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest wordt aan het Gewest overgedragen.
  [1 § 4. Jaarlijks wordt op de begroting van de FOD Binnenlandse Zaken een bijzonder krediet uitgetrokken ten gunste van de gewesten op het grondgebied waarvan zich eigendommen bevinden die zijn vrijgesteld van de onroerende voorheffing. Dit krediet, dat wordt berekend op de in de paragrafen 1 tot 3 bepaalde wijze, dekt volledig de niet-inning van de onroerende voorheffing door de gewesten. Voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest dekt deze vergoeding ook volledig de niet-inning van de opcentiemen van de agglomeratie op die voorheffing waartoe op 1 januari van het voorgaande jaar is beslist. ]1
  
Art.63. <L 1993-07-16/30, art. 117, 002; En vigueur : 1994-01-01> § 1. Un crédit spécial est inscrit chaque année au budget du Ministère de l'Intérieur et de la Fonction publique en faveur des communes sur le territoire desquelles se trouvent des propriétés immunisées du précompte immobilier.
  § 2. Ces propriétés sont :
  1° les immeubles, propriété d'un Etat étranger ou d'une organisation de droit international public;
  2° les immeubles, propriété exclusive ou copropriété de l'autorité fédérale, d'un organisme fédéral d'intérêt public ou d'une entreprise fédérale publique autonome, qui sont affectés à un service public ou à un organisme d'intérêt public, dont l'activité s'étend au Royaume, à une Communauté, à une Région ou à une province au moins.
  Sont exclus de l'alinéa 1er, 2° :
  1° les bâtiments affectés aux services extérieurs des administrations, des organismes et des entreprises visés, à l'exception de ceux qui abritent les directions régionales, provinciales ou assimilées des départements ministériels, de La Poste, de Belgacom, et de la Société nationale des chemins de fer belges;
  2° les bâtiments affectés aux services du pouvoir judiciaire, à l'exception de la Cour de cassation, des cours d'appel, de la Cour militaire et des cours du travail;
  3° les hôpitaux;
  4° les bâtiments affectés aux centres des administrations compétentes pour les sports et les activités en plein air;
  5° les bâtiments affectés aux services compétents pour la formation professionnelle et l'emploi;
  6° les établissements d'enseignement, y compris les universités et les bâtiments administratifs relevant desdits établissements;
  7° les bâtiments affectés au culte;
  8° les gares.
  Par immeubles, il convient d'entendre les parcelles bâties et non bâties, à l'exclusion du matériel et de l'outillage visés à l'article 471 du Code des impôts sur les revenus 1992.
  Les conditions requises sont évaluées par parcelle cadastrale entière et, s'il échet, selon l'affectation de la partie la plus importante de la parcelle cadastrale.
  § 3. Ce crédit spécial couvre à [1 entièrement ]1 la non-perception des centimes additionnels communaux audit précompte.
  Ce crédit est calculé :
  - sur la base des taux d'imposition régionaux et des centimes additionnels communaux [1 arrêtés au 1er janvier de l'année précédente]1;
  - sur la base des données officielles les plus récentes relatives aux revenus cadastraux;
  - en application de l'indexation des revenus cadastraux mise en place à partir du 1er janvier 1991;
  - pour les immeubles dont l'autorité fédérale est copropriétaire, sur la base de la partie du revenu cadastral correspondant à la part de l'autorité fédérale dans la copropriété.
  Il est réparti sur la base des moins-values fiscales par commune, calculées conformément à l'alinéa 2.
  Le mode de calcul et la répartition de ce crédit sont déterminés, conformément aux alinéas précédents, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, après concertation avec les Gouvernements de Région concernés.
  Le crédit correspondant à celui des communes de la Région de Bruxelles-Capitale est transféré à la Région.
  [1 § 4. Un crédit spécial est inscrit chaque année au budget du SPF Intérieur en faveur des régions sur le territoire desquelles se trouvent des propriétés immunisées du précompte immobilier. Ce crédit, calculé selon les modalités fixées aux paragraphes 1er à 3, couvre entièrement la non-perception du précompte immobilier par les régions. Pour la Région de Bruxelles-Capitale, cette compensation couvre aussi entièrement la non-perception des centimes additionnels d'agglomération audit précompte arrêtés au 1er janvier de l'année précédente.]1
  
Art.64. § 1. Aan de Stad Brussel wordt een bijzondere dotatie toegekend. Het basisbedrag van deze dotatie bedraagt 2,5654 miljard frank.
  § 2. Vanaf het begrotingsjaar 1990 wordt dit bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2.
  (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 43, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  § 3. Dit krediet zal jaarlijks worden ingeschreven op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt.
Art.64. § 1. Une dotation spéciale est accordée à la ville de Bruxelles. Le montant de base de cette dotation est égal à 2,5664 milliards de francs.
  § 2. Dès l'année budgétaire 1990, ce montant est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation selon les modalités fixées à l'article 13, § 2.
  (A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3.) <L 2001-07-13/35, art. 43, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  § 3. Ce crédit est inscrit annuellement au budget du Ministère de l'Intérieur et de la Fonction publique.
Art. 64bis. [1 Vanaf het begrotingsjaar 2012 wordt aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een bijzondere dotatie gestort omwille van het mobiliteitsbeleid. Die dotatie bedraagt 45 miljoen euro in 2012, 75 miljoen euro in 2013, 105 miljoen euro in 2014 en 135 miljoen euro in 2015.
   Vanaf het begrotingsjaar 2016 wordt het bedrag van het voorgaande jaar jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen, evenals aan 50 % van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op de in artikel 47, § 2, bepaalde wijze.]1

  
Art. 64bis. [1 A partir de l'année budgétaire 2012, une dotation spéciale est versée à la Région de Bruxelles-Capitale en raison de la politique de mobilité. Cette dotation est de 45 millions d'euros en 2012, 75 millions d'euros en 2013, 105 millions d'euros en 2014 et 135 millions d'euros en 2015.
   A partir de l'année budgétaire 2016, le montant de l'année précédente est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'à 50 % de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2.]1

  
Art. 64ter. [1 § 1. Een voorafneming op de opbrengst van de personenbelasting wordt toegewezen aan het tweede deelfonds, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de wet van 10 augustus 2001 tot oprichting van een Fonds ter financiering van de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel en tot wijziging van de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen.
   Deze voorafneming bedraagt 55 miljoen euro vanaf het begrotingsjaar 2012.
   De uitgaven, met inbegrip van de toelagen voor de lokale politiezones en gemeenten, die kunnen worden gedaan ten laste van het in het eerste lid bedoelde fonds, zijn uitgaven die verbonden zijn aan de veiligheid voortvloeiend uit de organisatie van de Europese Toppen in Brussel en uitgaven voor veiligheid en preventie die verbonden zijn aan de nationale en internationale hoofdstedelijke functie van Brussel.
   § 2. De gewestelijke leden van de samenwerkingscommissie bedoeld in artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, beslissen, na advies van de federale leden van deze commissie, over het gebruik van de in paragraaf 1 bedoelde middelen.]1

  
Art. 64ter. [1 § 1er. Un prélèvement sur le produit de l'impôt des personnes physiques est affecté au deuxième sous-fonds visé à l'article 2, alinéa 2, de la loi du 10 août 2001 créant un Fonds de financement du rôle international et de la fonction de capitale de Bruxelles et modifiant la loi organique du 27 décembre 1990 créant des fonds budgétaires.
   Ce prélèvement s'élève à 55 millions d'euros à partir de l'année budgétaire 2012.
   Les dépenses, y compris les subventions aux zones de police locale et aux communes, qui peuvent être effectuées à charge du fonds, visé à l'alinéa 1er, sont des dépenses liées à la sécurité découlant de l'organisation des Sommets européens à Bruxelles, ainsi que des dépenses de sécurité et de prévention en relation avec la fonction de capitale nationale et internationale de Bruxelles.
   § 2. Les membres régionaux du comité de coopération visé à l'article 43 de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux Institutions bruxelloises, après avis des membres fédéraux de ce comité, décident de l'utilisation des moyens visés au paragraphe 1er.]1

  
Art. 64quater. [1 § 1. Aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden jaarlijks middelen toegekend die een deel van het inkomstenverlies als gevolg van de netto stroom van pendelaars zal compenseren.
   De in het eerste lid bedoelde middelen bedragen :
   1° voor het begrotingsjaar 2014 : 32 miljoen euro;
   2° voor het begrotingsjaar 2015 : 48 miljoen euro;
   3° voor het begrotingsjaar 2016 : 49 miljoen euro;
   4° vanaf het begrotingsjaar 2017 : 44 miljoen euro.
   § 2. De financiering van de in § 1 bedoelde middelen wordt jaarlijks verdeeld tussen het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest in verhouding tot hun aandeel in de netto stroom van pendelaars naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.
   De in het eerste lid bedoelde netto stroom van pendelaars is de optelling van de netto stroom van pendelaars vanuit het Vlaamse Gewest en de netto stroom van pendelaars vanuit het Waalse Gewest.
   De netto stroom van pendelaars vanuit een in het tweede lid bedoelde gewest wordt geacht overeen te stemmen met het positieve verschil tussen :
   1° het aantal personen dat zich voor de uitoefening van hun beroepsactiviteit verplaatst vanuit het betrokken gewest naar het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
   2° het aantal personen dat zich voor de uitoefening van hun beroepsactiviteit verplaatst vanuit het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest naar het betrokken gewest.
   Onder de in het derde lid bedoelde aantal personen wordt verstaan het laatst gekende aantal op het ogenblik van de in artikel 54 bedoelde definitieve vaststelling van de middelen van het betrokken begrotingsjaar.
   § 3. De met toepassing van § 2 verkregen bedragen die ten laste vallen van het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest worden in mindering gebracht van de middelen die hen voor het betrokken begrotingsjaar worden toegekend krachtens artikel 35decies.
   In afwijking van het eerste lid worden de bedragen verkregen voor het begrotingsjaar 2014 in mindering gebracht van de middelen die hen worden toegekend krachtens artikel 33.
   De in § 1 bedoelde middelen worden gevormd door een gedeelte van de federale personenbelasting.]1

  
Art. 64quater. [1 § 1er. Des moyens sont octroyés annuellement à la Région Bruxelles-Capitale pour compenser une partie de la perte de revenus consécutive au flux net de navetteurs.
   Les moyens visés à l'alinéa 1er s'élèvent à :
   1° pour l'année budgétaire 2014 : 32 millions d'euros;
   2° pour l'année budgétaire 2015 : 48 millions d'euros;
   3° pour l'année budgétaire 2016 : 49 millions d'euros;
   4° à partir de l'année budgétaire 2017 : 44 millions d'euros.
   § 2. Le financement des moyens visés au § 1er est annuellement réparti entre la Région flamande et la Région wallonne au prorata de leur part dans le flux net de navetteurs vers la Région de Bruxelles-Capitale.
   Le flux net de navetteurs visé à l'alinéa 1er est l'addition du flux net de navetteurs en provenance de la Région flamande et du flux net de navetteurs en provenance de la Région wallonne.
   Le flux net de navetteurs en provenance d'une région visée à l'alinéa 2 est réputé correspondre à la différence positive entre :
   1° le nombre de personnes qui se déplacent de la région concernée vers la Région de Bruxelles-Capitale pour l'exercice de leur activité professionnelle;
   2° le nombre de personnes qui se déplacent de la Région de Bruxelles-Capitale vers la région concernée pour l'exercice de leur activité professionnelle.
   Par le nombre de personnes visé à l'alinéa 3, on entend le nombre dernièrement connu au moment de la fixation définitive des moyens de l'année budgétaire concernée visée à l'article 54.
   § 3. Les montants obtenus en application du § 2 qui sont à charge de la Région flamande et de la Région wallonne sont portés en déduction des moyens qui leur sont accordés en vertu de l'article 35decies pour l'année budgétaire concernée.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les montants obtenus pour l'année budgétaire 2014 sont portés en déduction des moyens qui leur sont accordés en vertu de l'article 33.
   Les moyens visés au § 1er sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques fédéral.]1

  
Art. 64quinquies. [1 Aan het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest worden jaarlijks middelen toegekend die het inkomstenverlies als gevolg van de aanwezigheid van de ambtenaren van de internationale instellingen gedeeltelijk zal compenseren.
   De in het eerste lid bedoelde middelen bedragen :
   1° voor het begrotingsjaar 2014 : 117 miljoen euro;
   2° voor het begrotingsjaar 2015 : 175 miljoen euro;
   3° vanaf het begrotingsjaar 2016 : een bedrag gelijk aan 159 miljoen euro dat met ingang van hetzelfde begrotingsjaar jaarlijks wordt aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3;
   4° uitsluitend voor het begrotingsjaar 2016 wordt het in 3° bepaalde bedrag verhoogd met 16 miljoen euro.
   De in het eerste lid bedoelde middelen worden gevormd door een gedeelte van de federale personenbelasting.]1

  
Art. 64quinquies. [1 Des moyens sont accordés annuellement à la Région de Bruxelles-Capitale pour partiellement compenser la perte de revenus du fait de la présence de fonctionnaires des institutions internationales.
   Les moyens visés à l'alinéa 1er s'élèvent à :
   1° pour l'année budgétaire 2014 : 117 millions d'euros;
   2° pour l'année budgétaire 2015 : 175 millions d'euros;
   3° à partir de l'année budgétaire 2016 : un montant égal à 159 millions d'euros adapté annuellement, à partir de la même année budgétaire, au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3;
   4° exclusivement pour l'année budgétaire 2016, le montant visé au 3° est majoré de 16 millions d'euros.
   Les moyens visés à l'alinéa 1er sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques fédéral.]1

  
Art.65. § 1. De financiering van de begroting van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in artikel 63 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, gebeurt door :
  1° eigen niet-fiscale middelen vermeld in § 3;
  2° [1 voor elk van de begrotingsjaren 1989 tot en met 2014, een dotatie ten laste van de begroting van de federale overheid, waarvan het bedrag wordt bepaald overeenkomstig § 4;]1
  [1 2°/1 vanaf het begrotingsjaar 2015, middelen die gevormd worden door een gedeelte van de opbrengst van de federale personenbelasting;]1
  3° leningen;
  [1 4° in voorkomend geval een door het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest toegekende dotatie.]1
  § 2. De bepalingen van artikel 49 zijn van toepassing op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.
  § 3. De eigen niet-fiscale ontvangsten verbonden aan de uitoefening van de bevoegdheden vermeld in § 1 komen toe aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie kan schenkingen en legaten ontvangen. Artikel 54, § 1, eerste lid, en § 2, zijn desgevallend van toepassing op deze inkomsten.
  § 4. Op de Staatsbegroting van 1989 is het globaal krediet voor de bevoegdheden vermeld in § 1, 2°, gelijk aan 2,3817 miljard frank.
  [1 Voor elk van de begrotingsjaren 1990 tot en met 2014,]1 wordt dat bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 13, § 2. (Vanaf het begrotingsjaar 2002 gebeurt de jaarlijkse aanpassing aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.) <W 2001-07-13/35, art. 44, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Voor 1989 en 1990 wordt er evenwel een uitzonderlijk en niet terugkerende vermindering van respectievelijk 264 miljoen en 132 miljoen toegepast op dit krediet.
  Artikel 54, § 1, vierde lid, en § 2, is van toepassing op dat krediet.
  § 5. In akkoord met de bevoegde overheden worden de bedragen bedoeld in artikel 42, § 1, door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, verhoogd met de middelen die bestemd zijn voor de betoelaging van de instellingen en organisaties, behorend tot de private sector, die vóór 30 juni 1989 opteren voor een unicommunautair statuut. De Koning regelt de modaliteiten voor de uitvoering van deze bepaling na overleg met de betrokken Executieven.
  Het bedrag bedoeld in § 4, eerste lid, wordt door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, met eenzelfde bedrag als bedoeld in het vorige lid, verminderd.
  [1 § 6. De in § 1, 2° /1, bedoelde middelen voor het begrotingsjaar 2015 zijn gelijk aan het met toepassing van § 4 bekomen bedrag voor het begrotingsjaar 2014, aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het begrotingsjaar 2015 op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3, en vervolgens verminderd met 10.200.000 euro.
   Voor het begrotingsjaar 2016 wordt het bedrag toegekend voor het begrotingsjaar 2015 eerst aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar, op dezelfde wijze als bepaald in artikel 33, § 2, en vervolgens verminderd met 10.200.000 euro.
   Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt het voor het vorige begrotingsjaar toegekende bedrag aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar en aan een percentage van de reële groei van het bruto binnenlands product van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 33, § 2.
   Het in het tweede en het derde lid vermelde percentage, is gelijk aan het percentage zoals bepaald in artikel 47/7, § 4, tweede lid.]1

  
Art.65. § 1. Le financement du budget de la Commission Communautaire Commune pour l'exercice des compétences visées à l'article 63 de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloise est assuré par :
  1° des moyens non fiscaux propres, visés au § 3;
  2° [1 pour chacune des années budgétaires 1989 à 2014 incluse, une dotation à charge du budget de l'autorité fédérale, dont le montant est déterminé conformément au § 4;]1
  [1 2°/1 à partir de l'année budgétaire 2015, des moyens qui sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques fédéral;]1
  3° des emprunts.
  [1 4° le cas échéant, une dotation accordée par la Région de Bruxelles-Capitale.]1
  § 2. La Commission Communautaire Commune est soumise aux dispositions de l'article 49.
  § 3. Les recettes non fiscales propres liées à l'exercice des compétences visées au § 1er reviennent à la Commission Communautaire Commune. La Commission Communautaire Commune peut recevoir des dons et legs. L'article 54, § 1er, alinéa 1er, et § 2 s'applique, le cas échéant, à ces recettes.
  § 4. Dans le budget de l'Etat de l'année 1989, le crédit global pour les compétences visées au § 1er, 2°, est égal à 2,3817 milliards de francs.
  [1 Pour chacune des années budgétaires 1990 à 2014 incluse,]1 ce montant est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation, selon les modalités fixées à l'article 13, § 2. (A partir de l'année budgétaire 2002, l'adaptation annuelle s'opère au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3.) <L 2001-07-13/35, art. 44, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  Toutefois, pour les années 1989 et 1990 une réduction exceptionnelle et non récurrente respectivement de 264 et 132 millions est opérée sur ce crédit.
  L'article 54, § 1er, alinéa 4, et § 2, s'applique à ce crédit.
  § 5. En accord avec les autorités compétentes, les montants visés à l'article 42, § 1er, sont majores par le Roi, par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, des moyens destinés au subventionnement des établissements et organisations du secteur privé qui opteront avant le 30 juin 1989 pour un statut uni-communautaire. Le Roi règle les modalités d'exécution de cette disposition après concertation avec les Exécutifs concernés.
  Le montant visé au § 4, alinéa 1er, est diminué par le Roi d'un même montant que celui visé à l'alinéa précédent, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres.
  [1 § 6. Les moyens visés au § 1er, 2° /1, pour l'année budgétaire 2015, sont égaux au montant qui est obtenu en application du § 4 pour l'année budgétaire 2014, adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation pour l'année budgétaire 2015 suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3, et ensuite diminué de 10.200.000 euros.
   Pour l'année budgétaire 2016, le montant attribué pour l'année budgétaire 2015 est d'abord adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée suivant les modalités définies à l'article 33, § 2, et ensuite diminué de 10.200.000 euros.
   A partir de l'année budgétaire 2017, le montant attribué pour l'année budgétaire précédente est adapté au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée et à un pourcentage de la croissance réelle du produit intérieur brut de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 33, § 2.
   Le pourcentage visé aux alinéas 2 et 3 est égal au pourcentage déterminé conformément à l'article 47/7, § 4, alinéa 2.]1

  
Art. 65bis. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 45, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar 2002 worden bijzondere middelen ten laste van de federale overheid toegekend aan de Vlaamse Gemeenschapscommissie en aan de Franse Gemeenschapscommissie ingesteld bij artikel 60, tweede en derde lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen. Het basisbedrag van die middelen is gelijk aan 24 789 352,48 EUR.
  Vanaf het begrotingsjaar 2003 wordt dat basisbedrag jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen en aan de reële groei van het [1 bruto binnenlands product]1 van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bepaald in artikel 47, § 2.
  Deze middelen bestaan uit een gedeelte van de opbrengst uit de personenbelasting.
  80 % van dat bedrag gaat naar de Franse Gemeenschapscommissie en 20 % naar de Vlaamse Gemeenschapscommissie.
  
Art. 65bis. A partir de l'année budgétaire 2002, des moyens spéciaux à charge de l'autorité fédérale sont accordés à la Commission communautaire française et à la Commission communautaire flamande prévues à l'article 60, alinéas 2 et 3, de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises. Le montant de base de ces moyens est égal à 24 789.352,48 EUR.
  A partir de l'année budgétaire 2003, ce montant de base est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation ainsi qu'a la croissance réelle du [1 produit intérieur brut]1 de l'année budgétaire concernée, suivant les modalités fixées à l'article 47, § 2.
  Ces moyens sont constitués d'une partie du produit de l'impôt des personnes physiques.
  Ce montant est réparti à concurrence de 80 % pour la Commission communautaire française et de 20 % pour la Commission communautaire flamande.
  
Art. 65ter. [1 Aan het bedrag dat jaarlijks wordt verkregen met toepassing van artikel 65bis wordt in 2012, 2013, 2014 en 2015 jaarlijks een bijkomend bedrag van 10 miljoen euro toegevoegd. Deze bijkomende bedragen worden cumulatief toegevoegd aan de bedragen die berekend zijn op basis van artikel 65bis voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 en evolueren volgens de bij datzelfde artikel bepaalde mechanismen, vanaf het jaar dat volgt op de toevoeging ervan aan het basisbedrag.]1
  
Art. 65ter. [1 Au montant obtenu annuellement en application de l'article 65bis est ajouté chaque année en 2012, 2013, 2014 et 2015 un montant additionnel de 10 millions d'euros. Ces montants additionnels s'ajoutent cumulativement aux montants tels que calculés sur la base de l'article 65bis pour les années 2012, 2013, 2014 et 2015 et évoluent selon les mécanismes prévus dans ce même article, dès l'année qui suit leur ajout au montant de base.]1
  
Art. 65quinquies. [1 § 1. De Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap, het Waalse Gewest, het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, de Franse Gemeenschapscommissie en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zijn voor de begrotingsjaren 2015 en volgende een responsabiliseringsbijdrage verschuldigd voor de pensioenen van hun ambtenaren.
   Voor de begrotingsjaren 2015 tot en met 2020 worden de responsabiliseringsbijdragen als volgt bepaald :
   1° voor de Vlaamse Gemeenschap de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   201584.463.244 EUR
   201693.781.301 EUR
   2017103.099.358 EUR
   2018112.417.416 EUR
   2019121.735.473 EUR
   2020131.053.530 EUR
   2° voor de Franse Gemeenschap de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   201555.938.253 EUR
   201662.109.209 EUR
   201768.280.166 EUR
   201874.451.122 EUR
   201980.622.079 EUR
   202086.793.035 EUR
   3° voor het Waalse Gewest de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   20153.881.061 EUR
   20164.309.074 EUR
   20174.737.087 EUR
   20185.165.101 EUR
   20195.593.114 EUR
   20206.021.127 EUR
   4° voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   2015766.156 EUR
   2016850.541 EUR
   2017934.926 EUR
   20181.019.310 EUR
   20191.103.695 EUR
   20201.188.080 EUR
   5° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   201530.292 EUR
   201633.553 EUR
   201736.814 EUR
   201840.075 EUR
   201943.336 EUR
   202046.597 EUR
   6° voor de Franse Gemeenschapscommissie de bedragen per begrotingsjaar volgens onderstaande tabel :
   2015142.186 EUR
   2016157.675 EUR
   2017173.164 EUR
   2018188.652 EUR
   2019204.141 EUR
   2020219.630 EUR
   Vanaf begrotingsjaar 2021 wordt de responsabiliseringsbijdrage per entiteit bepaald door een bijdragepercentage toe te passen op de weddenmassa die door de betrokken entiteit in het voorgaande kalenderjaar werd betaald.
   Het in het derde lid bedoelde bijdragepercentage wordt als volgt vastgesteld :
   1° voor het begrotingsjaar 2021 : op 3/10de van het percentage van de sociale bijdrage die iedere werkgever moet betalen voor zijn werknemers die onderworpen zijn aan het pensioenstelsel dat geldt voor werknemers;
   2° voor de begrotingsjaren 2022 tot en met 2027 wordt de teller van de breuk uit het 1° jaarlijks met een eenheid verhoogd;
   3° vanaf begrotingsjaar 2028 is het bijdragepercentage gelijk aan het percentage van de sociale bijdrage die iedere werkgever moet betalen voor zijn werknemers die onderworpen zijn aan het pensioenstelsel dat geldt voor werknemers.
   § 2. De in aanmerking te nemen weddenmassa's zijn deze die onderworpen zijn aan de afhouding als bedoeld in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
   Voor de vaststelling van de in § 1, derde lid, bedoelde weddenmassa wordt rekening gehouden met het geheel van de wedden en de pensioenen die betaald worden in de loop van het betrokken kalenderjaar.
   § 3. De Koning bepaalt jaarlijks vanaf begrotingsjaar 2021, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de regeringen van de in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten, het bedrag van de door elke entiteit voor het lopende begrotingsjaar verschuldigde responsabiliseringsbijdrage.
   De in § 1, eerste lid, bedoelde entiteiten delen ten laatste tegen 1 maart volgend op het kalenderjaar aan de federale minister van Financiën het bedrag mee van de weddenmassa als bedoeld in § 2.
   § 4. De in § 1, eerste lid, bedoelde bedragen en de overeenkomstig § 3 vastgelegde bedragen worden in mindering gebracht van :
   1° voor de gewesten : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 4, die toegekend worden aan het betrokken gewest;
   2° voor de gemeenschappen : de middelen als bedoeld in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, die toegekend worden aan de betrokken gemeenschap;
   3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen als bedoeld in artikel 65 en in voorkomend geval de middelen bedoeld in de artikelen 47/8 en 47/7.
   4° voor de Franstalige Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen als bedoeld in artikel 65bis.]1

  
Art. 65quinquies. [1 § 1er. Pour les années budgétaires 2015 et suivantes, la Communauté française, la Communauté flamande, la Région wallonne, la Région de Bruxelles-Capitale, la Commission communautaire française et la Commission communautaire commune, sont redevables d'une contribution de responsabilisation pour la pension de leurs fonctionnaires.
   Pour les années budgétaires 2015 jusqu'à 2020 incluse, les contributions de responsabilisation sont déterminées comme suit :
   1° pour la Communauté flamande les montants par année budgétaire selon le tableau suivant :
   201584.463.244 EUR
   201693.781.301 EUR
   2017103.099.358 EUR
   2018112.417.416 EUR
   2019121.735.473 EUR
   2020131.053.530 EUR
   2° pour la Communauté française les montants par année budgétaire selon le tableau suivant :
   201555.938.253 EUR
   201662.109.209 EUR
   201768.280.166 EUR
   201874.451.122 EUR
   201980.622.079 EUR
   202086.793.035 EUR
   3° pour la Région wallonne les montants par année budgétaire selon le tableau suivant :
   20153.881.061 EUR
   20164.309.074 EUR
   20174.737.087 EUR
   20185.165.101 EUR
   20195.593.114 EUR
   20206.021.127 EUR
   4° pour la Région de Bruxelles-Capitale les montants par année budgétaire selon le tableau suivant :
   2015766.156 EUR
   2016850.541 EUR
   2017934.926 EUR
   20181.019.310 EUR
   20191.103.695 EUR
   20201.188.080 EUR
   5° pour la Commission communautaire commune les montants par année budgétaire selon le tableau suivant :
   201530.292 EUR
   201633.553 EUR
   201736.814 EUR
   201840.075 EUR
   201943.336 EUR
   202046.597 EUR
   6° pour la Commission communautaire française les montants par année budgétaire selon le tableau suivant :
   2015142.186 EUR
   2016157.675 EUR
   2017173.164 EUR
   2018188.652 EUR
   2019204.141 EUR
   2020219.630 EUR
   A partir de l'année budgétaire 2021, la contribution de responsabilisation est déterminée par entité en appliquant un pourcentage à la masse salariale versée par l'entité concernée au courant de l'année civile précédente.
   Le pourcentage visé à l'alinéa 3 est fixé comme suit :
   1° pour l'année budgétaire 2021 : à 3/10e du taux de la cotisation sociale qui est dû par tout employeur pour ses travailleurs soumis au régime des pensions des travailleurs salariés;
   2° pour les années budgétaires 2022 jusqu'à 2027 incluse, le numérateur de la fraction dans le 1° est augmenté d'une unité chaque année;
   3° à partir de l'année budgétaire 2028, le pourcentage est égal au taux de la cotisation sociale qui est dû par tout employeur pour ses travailleurs soumis au régime des pensions des travailleurs salariés.
   § 2. Les masses salariales à prendre en compte sont celles soumises à la retenue visée à l'article 60 de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
   Pour la fixation de la masse salariale visée au § 1er, alinéa 3, il est tenu compte de l'ensemble des traitements et des pensions payés au cours de l'année civile en cause.
   § 3. Le Roi fixe à partir de l'année budgétaire 2021 chaque année, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les gouvernements des entités visées au § 1er, alinéa 1er, le montant de la contribution de responsabilisation due par chaque entité pour l'année budgétaire en cours.
   Au plus tard le 1er mars qui suit l'année civile, les entités visées au § 1er, alinéa 1er, communiquent au ministre fédéral des Finances le montant de la masse salariale visée au § 2.
   § 4. Les montants visés au § 1er, alinéa 1er, et les montants fixés au § 3 sont portés en déduction :
   1° pour les régions : des moyens accordés à la région concernée et visés au titre IV, chapitre II, section 4;
   2° pour les communautés : des moyens accordés à la communauté concernée et visés au titre IV, chapitre III, section 3, sous-section 2;
   3° pour la Commission communautaire commune : des moyens accordés à celle-ci et visés à l'article 65 et, le cas échéant, les moyens visés aux articles 47/8 et 47/7.
   4° pour la Commission communautaire française : des moyens accordés à celle-ci et visés à l'article 65bis.]1

  
Art.66. <wijzigingsbepaling van artikel 92bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>
Art.66.
Art.67. <wijzigingsbepaling van artikel 94 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>
Art.67.
Art.68. <wijzigingsbepaling van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, art. 124bis>
Art.68.
Art. 68bis. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 118, Inwerkingtreding : 1993-07-30> In afwijking van artikel 273 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 is de Vlaamse Gemeenschap geen bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de eindejaarstoelagen welke het " Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap departement onderwijs " voor 1991 en 1992 rechtstreeks heeft betaald aan de personeelsleden.
  Deze bepaling blijft zonder gevolg ten aanzien van de fiscale toestand inzake personenbelasting van de verkrijgers van de bedoelde toelage.
Art. 68bis. Par dérogation à l'article 273 du Code des impôts sur les revenus 1992, la Communauté flamande n'est pas débitrice du précompte professionnel sur les allocations de fin d'année que le " Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap - departement onderwijs " a directement payées aux membres du personnel pour les années 1991 et 1992.
  La présente disposition reste sans incidence sur la situation fiscale, en matière d'impôts des personnes physiques, des bénéficiaires de l'allocation visée.
Art. 68ter. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 46; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Vanaf het begrotingsjaar waarin het gewest de dienst van de in het tweede lid bedoelde belastingen verzekert, en ten vroegste vanaf het begrotingsjaar 2004, wordt jaarlijks een dotatie op de begroting van het Ministerie van Financiën voor het betrokken gewest ingeschreven. Deze dotatie stemt overeen met de met toepassing van het tweede en derde lid bepaalde kostprijs voor de betrokken belasting en zal slechts worden doorgestort in de mate dat het gewest het personeel van de betrokken administraties heeft overgenomen.
  De totale kostprijs van de dienst van de belastingen bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 8° en 10° tot 12°, wordt vóór 31 december 2003 bij wet, na voorafgaand overleg met de betrokken gewestregeringen bepaald. Deze totale kostprijs wordt per belasting berekend als het gemiddelde van de voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 bepaalde kostprijs die vooraf werd uitgedrukt in prijzen van 2002.
  De verhouding wordt bepaald van de met toepassing van het tweede lid verkregen totale kostprijs tot het totaal van de in de drie gewesten gelokaliseerde ontvangsten van de betrokken belasting. Dit percentage wordt toegepast op de in elk gewest gelokaliseerde ontvangsten inzake de betrokken belasting. De in dit lid bedoelde ontvangsten worden berekend als het gemiddelde van de ontvangsten voor de begrotingsjaren 1999 tot en met 2001 die vooraf werden uitgedrukt in prijzen van 2002, nadat eventuele interregionale tariefverschillen werden geneutraliseerd.
  Het met toepassing van het derde lid verkregen bedrag, per belasting en per gewest, wordt vanaf het begrotingsjaar 2003 jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bepaald in artikel 38, § 3.
Art. 68ter. A partir de l'année budgétaire durant laquelle la région assure le service des impôts visés à l'alinéa 2, et au plus tôt à partir de l'année budgétaire 2004, une dotation sur le budget du Ministère des Finances est inscrite chaque année pour la région concernée. Cette dotation correspond au prix de revient fixé en application des alinéas 2 et 3 pour l'impôt concerné et ne sera reversée que dans la mesure où la région a repris le personnel des administrations concernées.
  Le prix de revient total du service des impôts visés à l'article 3, alinéa 1er, 1° à 8° et 10° à 12°, est fixé avant le 31 décembre 2003 par une loi après concertation préalable avec les gouvernements des régions concernées. Ce prix de revient total est calculé par impôt comme la moyenne du prix de revient déterminé pour les années budgétaires 1999 à 2001 incluse qui a été préalablement exprimé en chiffres de 2002.
  Il est procédé à l'établissement du rapport du prix de revient total obtenu en application de l'alinéa 2 et du total des recettes de l'impôt concerné, localisées dans les trois régions. Ce pourcentage est appliqué aux recettes de l'impôt concerné, localisées dans chaque région. Les recettes visées dans cet alinéa sont calculées comme la moyenne des recettes des années budgétaires 1999 à 2001 incluse, qui sont préalablement exprimées en prix de 2002, après neutralisation d'éventuels écarts de tarifs entre les régions.
  Le montant obtenu en application de l'alinéa 3, par impôt et par région, est adapté chaque année à partir de l'année budgétaire 2003 au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation suivant les modalités fixées à l'article 38, § 3.
Art. 68quater. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 57; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Op basis van de overeenstemmende middelen, zoals voorzien in de begroting 2001 en volgens de verschillende verdeelsleutels, respectievelijk voor de gemeenschappen en de gewesten, zoals die uit deze bijzondere wet kunnen worden afgeleid, worden de voor de overdracht van de bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking noodzakelijke financiële middelen overgeheveld. De in artikel 6ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, ingevoegd bij de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, bedoelde werkgroep bereidt deze overheveling voor.
Art. 68quater. Le transfert des compétences en matière de coopération au développement, les moyens financiers nécessaires sont transférés sur la base des moyens correspondants, tels que prévus dans le budget 2001 et selon les différentes clefs de répartition, respectivement pour les communautés et les régions, telles qu'elles peuvent être inférées de la présente loi spéciale. Le groupe de travail visé à l'article 6ter de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, inséré par la loi spéciale du 13 juillet 2001 portant transfert de diverses compétences aux régions et communautés, prépare ce transfert.
Art. 68quinquies. [1 § 1. Zolang de federale overheid of de instellingen die ervan afhangen instaan voor het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 94, § 1bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, neemt elke gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, elk wat haar betreft, daarvoor de kosten op zich.
   De totale kost van het administratief beheer en de uitbetaling van de gezinsbijslagen bedraagt [214.296.029] euro. Die kost wordt ten laste gelegd van elke gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie waarvoor de federale overheid of de instellingen die ervan afhangen, instaan voor het administratief beheer en de uitbetaling van gezinsbijslagen volgens de verhouding van het aantal kinderen van 0 tot en met 18 jaar dat op 1 januari van het betrokken begrotingsjaar is ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeenten van het taalgebied waar de betrokken gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie haar bevoegdheid inzake gezinsbijslagen uitoefent, tot het aantal kinderen van 0 tot en met 18 jaar dat op die datum is ingeschreven in de bevolkingsregisters. (ERRATUM, zie B.St. 05-05-2014, p. 36144)
   Het aldus vastgestelde bedrag wordt jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 47/5, § 4.
   § 2. De uitgaven die zijn uitgevoerd door de instellingen die ten laatste tot 31 december 2019 belast zijn met het administratief beheer en de uitbetalingen van de gezinsbijslagen overeenkomstig artikel 94, 1bis, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, en die ten laste van de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vallen, worden elk jaar verrekend op de respectievelijke, in de artikelen 47/5 en 47/8 bedoelde dotaties van deze entiteiten.
   Er wordt rekening gehouden met de schatting van deze uitgaven voor de in artikel 54 voorziene doorstorting van de voorschotten.
   § 3. De in artikel 94, § 1ter, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bedoelde vergoeding, bedraagt 80 % van de persoonlijke aandelen voor de in artikel 5, § 1, I, eerste lid, 3° tot 5°, van dezelfde bijzondere wet bedoelde zorgverstrekkingen. Ze is verschuldigd door de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap of de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie naargelang de genieters ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een gemeente van het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied of het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad. Deze vergoeding wordt in mindering gebracht van de respectievelijke, in artikel 47/7 bedoelde dotaties.]1

  
Art. 68quinquies. [1 § 1er. Tant que l'autorité fédérale ou les institutions qui en dépendent assurent la gestion administrative et le paiement des allocations familiales conformément à l'article 94, § 1erbis, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, chaque communauté et la Commission communautaire commune en assume, chacune en ce qui la concerne, le coût.
   Le coût total de la gestion administrative et du paiement des allocations familiales s'élève à [214.296.029] euros. Ce coût est mis à charge de chaque communauté et de la Commission communautaire commune au profit de laquelle l'autorité fédérale ou les institutions qui en dépendent assurent la gestion administrative et le paiement des allocations familiales, en raison du nombre d'enfants de 0 à 18 ans inclus inscrits au 1er janvier de l'année budgétaire concernée dans les registres de la population des communes de la région linguistique sur le territoire de laquelle la communauté concernée ou la Commission communautaire commune exerce sa compétence en matière d'allocations familiales, par rapport au nombre d'enfants de 0 à 18 ans inclus inscrits dans les registres de la population à cette date. (ERRATUM, M.B. 05-05-2014, p. 36144)
   Le montant ainsi fixé est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation selon les mêmes modalités que celles définies à l'article 47/5, § 4.
   § 2. Les dépenses effectuées par les institutions chargées au plus tard jusqu'au 31 décembre 2019 de la gestion administrative et du paiement des allocations familiales conformément à l'article 94, § 1erbis, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, qui sont à charge de la Communauté française, de la Communauté flamande et de la Commission communautaire commune sont imputées chaque année sur les dotations respectives visées aux articles 47/5 et 47/8 de ces entités.
   Il est tenu compte de l'estimation de ces dépenses pour le versement des acomptes prévu à l'article 54.
   § 3. La rémunération visée à l'article 94, § 1erter, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, s'élève à 80 % des interventions personnelles pour des prestations de soins visées à l'article 5, § 1er, I, alinéa 1er, 3° à 5°, de la même loi spéciale. Elle est due par la Communauté française, la Communauté flamande et la Commission communautaire commune, selon que les bénéficiaires sont inscrits au registre de la population d'une commune de la région de langue française, de la région de langue néerlandaise ou de la région bilingue de Bruxelles-Capitale. Cette rémunération est portée en déduction des dotations respectives visées à l'article 47/7.]1

  
TITEL IX. - OPHEFFINGS- EN WIJZIGINGSBEPALINGEN.
TITRE IX. - DISPOSITIONS ABROGATOIRES OU MODIFICATIVES.
Art.69. § 1. Worden opgeheven :
  1° de artikelen 1 tot 15 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, behoudens in de mate dat zij van toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap en in de mate dat zij noodzakelijk zijn voor de door de Staat op 31 december 1988 verschuldigde ristorno's;
  2° de artikelen 13, §§ 1, 2 en 4, wat het Rekenhof betreft, en 14 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, behoudens in de mate dat zij van toepassing zijn op de Duitstalige Gemeenschap;
  3° artikel 76 van de wet van 5 januari 1976 betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976;
  4° de artikelen 5 tot 7 en 8bis van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren;
  5° de artikelen 15, 16, 22 en 26 van het koninklijk besluit van 31 maart 1984 betreffende de financieringsmaatschappijen voor de herstructurering van de nationale economische sectoren (A), gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 489 van 31 december 1986.
  § 2. <wijzigingsbepaling van artikel 13, § 5, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>
  § 3. In artikel 48 van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen worden de woorden " met uitzondering van artikel 7 " geschrapt.
  § 4. Artikel 4, § 1, van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren wordt opgeheven met ingang van 1 januari 1991.
Art.69. § 1. Sont abroges :
  1° les articles 1er à 15 de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles, sauf dans la mesure où ils sont applicables à la Communauté germanophone et dans la mesure où ils sont nécessaires au versement des ristournes encore dues par l'Etat au 31 décembre 1988;
  2° les articles 13, §§ 1er, 2 et 4, en ce qui concerne la Cour des Comptes, et 14 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, sauf dans la mesure où ils sont applicables à la Communauté germanophone;
  3° l'article 76 de la loi du 5 janvier 1976 relative aux propositions budgétaires 1975-1976;
  4° les articles 5 à 7 inclus et 8bis de la lois du 5 mars 1984 relative aux soldes et aux charges du passé des Communautés et des Régions et aux secteurs économiques nationaux;
  5° les articles 15, 16, 22 et 26 de l'arrêté royal du 31 mars 1984 relatif aux sociétés de financement pour la restructuration des secteurs économiques nationaux (A), modifiés par l'arrêté royal n° 489 du 31 décembre 1986.
  § 2.
  § 3. Dans l'article 48 de la loi ordinaire du 9 août 1980 de réformes institutionnelles, les mots " à l'exception de l'article 7 " sont supprimés.
  § 4. L'article 4, § 1er, de la loi du 5 mars 1984 relative aux soldes et aux charges du passé des Communautés et des Régions et aux secteurs économiques nationaux est abrogé à partir du 1er janvier 1991.
Art.70. <wijzigingsbepaling van artikel 6, § 1, IX, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>
Art.70.
TITEL X. - OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
TITRE X. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES ET FINALES.
Art.71. § 1. Tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in artikel 50, § 2, zijn de vigerende bepalingen betreffende de organisatie van de controle van het Rekenhof en de controle op het verlenen en het gebruik van subsidies, evenals de bepalingen inzake de Rijkscomptabiliteit, onverminderd hetgeen in § 2 omtrent artikel 32bis van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de Rijkscomptabiliteit is gesteld, van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappen en de Gewesten.
  § 2. Tot de organisatie van een administratieve en begrotingscontrole, bedoeld in artikel 51, zijn de bepalingen vermeld in artikel 32bis van de wet van 28 juni 1963 van overeenkomstige toepassing op de Gemeenschappen en de Gewesten.
  § 3. Tot de inwerkingtreding van de wet bedoeld in artikel 50, § 2, blijven de bepalingen van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, wat de wijze van uitoefening van de controle van het Rekenhof betreft, van overeenkomstige toepassing op de instellingen van openbaar nut die afhangen van de Gemeenschappen en de Gewesten.
Art.71. § 1. Jusqu'à l'entrée en vigueur de la loi visée à l'article 50, § 2, sont applicables aux Communautés et aux Régions, les dispositions en vigueur relatives à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes et du contrôle de l'octroi et de l'emploi de subventions, ainsi que les dispositions en matière de comptabilité de l'Etat, sans préjudice de ce qui est disposé au § 2 en ce qui concerne l'article 32bis de la loi du 28 juin 1963, modifiant et complétant les lois sur la comptabilité de l'Etat.
  § 2. Jusqu'à l'organisation d'un contrôle administratif et budgétaire, visé à l'article 51, les dispositions mentionnées à l'article 32bis de la même loi du 28 juin 1963, sont applicables aux Communautés et aux Régions.
  § 3. Jusqu'à l'entrée en vigueur de la loi visée à l'article 50, § 2, les dispositions de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public restent applicables, pour ce qui concerne le mode d'exercice du contrôle de la Cour des Comptes, vis-à-vis des organismes d'intérêt public qui dépendent des Communautés et des Régions.
Art.72. Tot de datum vastgesteld door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit worden de bedragen en het percentage vermeld in artikel 13, §§ 1 en 3, en in artikel 38, §§ 1 en 2, als volgt vastgesteld :
  - in artikel 13, § 1 :
  - voor het Vlaamse Gewest : 30,7054 miljard frank;
  - voor het Waalse Gewest : 21,0052 miljard frank;
  - voor het Brusselse Gewest : 10,3383 miljard frank;
  - in artikel 13, § 3 : 98 %;
  - in artikel 38, § 1 :
  - voor de Vlaamse Gemeenschap : 164,3399 miljard frank;
  - voor de Franse Gemeenschap : 126,5602 miljard frank;
  - in artikel 38, § 2 : 4,4961 miljard frank en 3,4532 miljard frank.
  <NOTA : Volgens KB 1989-10-17/30, de datum bedoeld in artikel 72 wordt vatgesteld op 29 september 1989>
Art.72. Jusqu'à la date fixée par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les montants et le pourcentage prévus à l'article 13, §§ 1er et 3, et à l'article 38, §§ 1er et 2, sont fixés comme suit :
  - à l'article 13, § 1er :
  - pour la Région flamande : 30,7054 milliards de francs;
  - pour la Région wallonne : 21,0052 milliards de francs;
  - pour la Région bruxelloise : 10,3383 milliards de francs;
  - à l'article 13, § 3 : 98 %;
  - à l'article 38, § 1er :
  - pour la Communauté flamande : 164,3399 milliards de francs;
  - pour la Communauté française : 126,5602 milliards de francs;
  - à l'article 38, § 2 : 4,4961 milliards de francs et 3,4532 milliards de francs.
  
Art.73. § 1. De saldi, die op 31 december 1988 als betalingsmiddelen beschikbaar zullen zijn op elk van de artikelen van de afzonderlijke sectie van de begroting van de Gemeenschappelijke Culturele Aangelegenheden en van Nationale Opvoeding van het Nederlandse stelsel, van het Franse stelsel en van de sector, die gemeen is aan beide stelsels, en met inbegrip van de stijving, die voor het lopend jaar is voorzien maar niet aangewend, worden aan de Gemeenschappen toegekend voor zover de saldi betrekking hebben op aangelegenheden die tot hun bevoegdheid behoren.
  Bij de inwerkingtreding van deze wet, nemen de Gemeenschappen inzonderheid de verplichtingen over die verband houden met de begrotingsartikelen bedoeld in het vorige lid.
  § 2. Van het bedrag waarvoor, overeenkomstig artikel 22, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, het Nationaal Waarborgfonds voor schoolgebouwen machtiging tot lening met staatswaarborg en rentetoelagen kan verlenen, vervalt het deel dat op 31 december 1988 niet is aangewend of waarvoor geen principiële beloften zijn gedaan.
  In de plaats daarvan wordt aan elke Gemeenschap voor elk van de jaren 1989 tot 1998 een krediet toegestaan, telkens gelijk aan 5,28 % van haar nominaal deel in het vervallen deel.
  § 3. De verbintenissen welke ter uitvoering van het bepaalde in artikel 22, § 1, § 1bis, en § 2, van dezelfde wet van 29 mei 1959, vóór de inwerkingtreding van deze wet lastens de Staat zijn aangegaan, blijven voor de geheelheid te zijnen laste.
  § 4. De bepalingen van dezelfde wet van 29 mei 1959 hebben geen uitwerking in de mate dat zij de stijving bepalen van de Fondsen die ze oprichten.
Art.73. § 1. Les soldes disponibles au 31 décembre 1988 en moyens de paiement sur chacun des articles de la section particulière des budgets des Affaires Culturelles Communes et de l'Education Nationale du régime français, néerlandais et du secteur commun à ces deux régimes, en ce compris l'alimentation prévue pour l'année en cours et non-utilisée, sont attribués aux Communautés dans la limite où ces soldes visent des matières qui sont de leur compétence.
  A l'entrée en vigueur de la présente loi, les Communautés reprennent notamment les obligations concernant les articles budgétaires vises à l'alinéa précédent.
  § 2. Le montant pour lequel le Fonds national de garantie des bâtiments scolaires, conformément à l'article 22, § 3, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, peut accorder une autorisation d'emprunt avec garantie de l'Etat et subventions en intérêts, est annulé à concurrence de la partie qui, au 31 décembre 1988, n'a pas été utilisée ou n'a pas fait l'objet d'une promesse de principe.
  En lieu et place, il est attribué à chacune des Communautés, pour chacune des années de 1989 à 1998, un crédit égal à 5,28 % de sa part nominale dans le montant annulé.
  § 3. Les obligations contractées à charge de l'Etat avant l'entrée en vigueur de la présente loi en exécution de l'article 22, § 1er, § 1er bis et § 2 de la même loi du 29 mai 1959, restent intégralement à sa charge.
  § 4. Les dispositions de la même loi du 29 mai 1959 sont sans effet dans la mesure où elles déterminent l'alimentation des Fonds qu'elles organisent.
Art.74. Voor het begrotingsjaar 1989 worden de financiële middelen die toekomen aan de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie krachtens deze wet, verminderd met het totaal bedrag van de sommen die de Ministers bevoegd voor de persoonsgebonden aangelegenheden die krachtens artikel 59bis, § 4bis, van de Grondwet niet tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen behoren, als dusdanig hebben geordonnanceerd tot aan de installatie van de Verenigde Vergadering en van het Verenigd College.
  Dat bedrag wordt vastgesteld binnen twee weken na de installatie van de Verenigde Vergadering en van het Verenigd College, bij een in Ministerraad overlegd Koninklijk besluit genomen op het advies van het Verenigd College.
Art.74. Pour l'année budgétaire 1989, les moyens financiers revenant à la Commission Communautaire Commune en vertu de la présente loi, sont diminués du montant total des sommes que les Ministres compétents pour les matières personnalisables qui en vertu de l'article 59bis, § 4bis, de la Constitution ne relèvent pas des Communautés, ont ordonnancées à ce titre jusqu'à l'installation de l'Assemblée Réunie et du Collège Réuni.
  Ce montant est fixé, dans les quinze jours suivant l'installation de l'Assemblée Réunie et du Collège Réuni, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, pris de l'avis du Collège Réuni.
Art.75. § 1. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet. De nationale overheid houdt daartoe op de aan de Gemeenschappen en Gewesten over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van die uitgaven.
  Deze inhoudingen worden vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Executieven of met het Verenigd College.
  Deze paragraaf is niet langer van toepassing, wat de administratieve diensten betreft, uiterlijk op 31 december 1990.
  § 1bis. (De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de Gewesten, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet. De federale overheid houdt daartoe op de aan de Gewesten over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
  Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Executieven.
  Deze paragraaf is niet langer van toepassing, wat de administratieve diensten betreft, uiterlijk op 31 december 1994.) <W 1993-07-16/30, art. 119, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
  (§ 1ter. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de gewesten en de gemeenschappen, worden gemachtigd ten laste van de kredieten geopend door de wet gedurende een periode van 12 maanden. De federale overheid houdt daartoe op de aan de gewesten en de gemeenschappen over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
  Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na overleg met de betrokken regeringen.) <W 2001-07-13/35, art. 47, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 1quater. De vastlegging, de ordonnancering en de vereffening van de uitgaven die betrekking hebben op de over te dragen administratieve diensten, en die noch effectief noch in hun geheel ten laste worden genomen door de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, worden gemachtigd ten laste van de door de wet geopende kredieten gedurende een periode tot uiterlijk 31 december 2015. De federale overheid houdt daartoe op de aan de gewesten, de gemeenschappen en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, over te dragen middelen de bedragen in die nodig zijn voor het dekken van deze uitgaven.
   Deze inhoudingen worden vastgelegd bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de betrokken regeringen.]1

  § 2. De Gemeenschappen, de Gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie dragen bij tot de financiering van de instellingen van openbaar nut die hun moeten worden overgedragen, zolang deze laatste niet daadwerkelijk zijn overgedragen.
  Indien er geen akkoord is over deze bijdragen en de betrokken instelling de toezichthoudende minister daarover inlicht, worden deze bijdragen vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit na overleg met de betrokken Executieven of met het Verenigd College. In dat geval is § 1, eerste en tweede lid, van toepassing.
  § 3. In afwijking van § 2, eerste lid, neemt de Staat de schuld van het Hulpfonds voor financieel herstel van de gemeenten, opgericht bij koninklijk besluit nr. 208 van 23 september 1983, ten laste, die overeenkomt met de als oninbaar beschouwde schuldvorderingen die het Fonds op de gemeenten en de Brusselse Agglomeratie heeft, krachtens de overeenkomsten bepaald in artikel 6 van het voornoemd koninklijk besluit. Een in Ministerraad, na overleg met de Gewestexecutieven, overlegd koninklijk besluit bepaalt de berekeningswijze en raamt de schuldvorderingen.
  Voor de schuld die met de inbare schuldvorderingen van het Fonds overeenstemt, bepaalt een, na overleg met de Gewestexecutieven, in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de nadere regels van de tenlasteneming, door elk Gewest, van de verplichtingen van het Fonds alsmede de nadere regels voor de overdracht van de rechten aan ieder Gewest.
  § 4. In afwijking van § 2 kan de Koning, na overleg met de Gewestexecutieven, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de Regie der Luchtwegen, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, ermee belasten om gedurende een periode van drie jaar, die aanvangt op de datum van inwerkingtreding van deze wet, de deficits van de gewestelijke openbare luchthavens en vliegvelden voor het geheel of voor een deel ten laste te nemen.
  De Koning kan, onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het vorige lid, de Regie der Luchtwegen ermee belasten om gedurende een beperkte tijd bepaalde investeringen in de gewestelijke openbare luchthavens en vliegvelden ten laste te nemen.
  
Art.75. § 1. A charge des crédits ouverts par la loi, sont autorisés l'engagement, l'ordonnancement et la liquidation des dépenses relatives aux services administratifs à transférer et qui ne sont ni effectivement ni intégralement pris en charge par les Communautés, les Régions et la Commission Communautaire Commune. L'autorité nationale prélève à cet effet sur les moyens à transférer aux Communautés et aux Régions les montants nécessaires à couvrir ces dépenses.
  Ces prélèvements sont fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres après concertation avec les Exécutifs concernés ou avec le Collège Réuni.
  Le présent paragraphe cesse d'être en application, en ce qui concerne les services administratifs, au plus tard le 31 décembre 1990.
  § 1bis. (A charge des crédits ouverts par la loi, sont autorisés l'engagement, l'ordonnancement et la liquidation des dépenses relatives aux services administratifs à transférer et qui ne sont ni effectivement ni intégralement pris en charge par les Régions. L'autorité fédérale prélève à cet effet sur les moyens à transférer aux Régions les montants nécessaires à couvrir ces dépenses.
  Ces prélèvements sont fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres après concertation avec les Exécutifs concernés.
  Le présent paragraphe cesse d'être en application, en ce qui concerne les services administratifs, au plus tard le 31 décembre 1994.) <L 1993-07-16/30, art. 119, 002; En vigueur : 1993-07-30>
  (§ 1erter. A charge des crédits ouverts par la loi, sont autorisés pendant une durée de 12 mois l'engagement, l'ordonnancement et la liquidation des dépenses relatives aux services administratifs à transférer et qui ne sont ni effectivement ni intégralement pris en charge par les régions et les communautés. L'autorité fédérale prélève à cet effet sur les moyens à transférer aux régions et aux communautés les montants nécessaires pour couvrir ces dépenses.
  Ces prélèvements sont fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres après concertation avec les gouvernements concernés.) <L 2001-07-13/35, art. 47, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  [1 § 1erquater. A charge des crédits ouverts par la loi, sont autorisés pendant une durée qui se termine au 31 décembre 2015 l'engagement, l'ordonnancement et la liquidation des dépenses relatives aux services administratifs à transférer et qui ne sont ni effectivement ni intégralement pris en charge par les régions, les communautés et la Commission communautaire commune. L'autorité fédérale prélève à cet effet sur les moyens à transférer aux régions, aux communautés et à la Commission communautaire commune les montants nécessaires pour couvrir ces dépenses.
   Ces prélèvements sont fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les gouvernements concernés.]1

  § 2. Les Communautés, les Régions et la Commission Communautaire Commune contribuent au financement des organismes d'intérêt public qui doivent leur être transférés aussi longtemps que ceux-ci ne sont pas effectivement transférés.
  En cas de désaccord sur ces contributions, notifié par l'organisme concerné à son ministre de tutelle, ces contributions sont fixées par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres après concertation avec les Exécutifs concernés ou avec le Collège Réuni. Dans ce cas, le § 1er, alinéas 1er et 2, est d'application.
  § 3. Par dérogation au § 2, alinéa 1er, l'Etat prend à sa charge la dette du Fonds d'aide au redressement financier des communes créé par l'arrête royal n° 208 du 23 septembre 1983, correspondant aux créances considérées comme irrécouvrables que le Fonds a sur les communes et sur l'Agglomération bruxelloise en vertu des conventions prévues à l'article 6 de l'arrêté royal précité. Un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, après concertation avec les Exécutifs des Régions, détermine le mode de calcul et évalue ces créances.
  Pour la dette correspondant aux créances recouvrables détenues par le Fonds, un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres après concertation avec les Exécutifs des Régions détermine les modalités de prise en charge par chaque Région des obligations du Fonds, ainsi que les modalités de transfert des droits à chacune d'elles.
  § 4. Par dérogation au § 2, le Roi peut, après concertation avec les Exécutifs concernés, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, charger la Régie des voies aériennes, selon les modalités qu'il définit, de prendre en charge pendant une période de trois années, à partir de la date d'entrée en vigueur de la présente loi, tout ou partie du déficit des aéroports et aérodromes publics régionaux.
  Le Roi peut, aux mêmes conditions que celles définies à l'alinéa précédent, charger la Régie des voies aériennes de prendre en charge certains investissements dans les aéroports et aérodromes publics régionaux.
  
Art.76. Onverminderd de bepalingen van artikel 35 neemt elk Gewest de verplichtingen van de Staat over inzake de projecten en overeenkomsten voor wedertewerkstelling van werklozen goedgekeurd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet voor de werknemers in dienst genomen vóór deze datum van inwerkingtreding en die hun woonplaats hebben op zijn grondgebied. Elk Gewest ontvangt voor deze werknemers het bedrag bedoeld bij artikel 35, § 1.
Art.76. Sans préjudice des dispositions de l'article 35, chaque Région reprend les obligations de l'Etat relatives aux projets et aux conventions de remise au travail de chômeurs approuvées avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi pour les travailleurs occupés avant cette date d'entrée en vigueur et domiciliés sur son territoire. Chaque Région reçoit pour ces travailleurs le montant visé à l'article 35, § 1er.
Art.77. (§ 1.) Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar 1989 aan de nationale overheid machtiging verleend om, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de Executieven van de Gemeenschappen en de Gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de Executieven hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en de Gewesten werden toegewezen. <W 2001-07-13/35, art. 48, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  Gedurende deze periode wordt de nationale overheid gemachtigd om ten laste van door de wet geopende voorlopige kredieten aan de Gemeenschappen en Gewesten dotaties te storten die gelijk zijn aan de in 1988 gestorte dotaties, aangepast in functie van de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen voor 1988.
  De in 1989 krachtens deze wet aan de betrokken Gemeenschap of Gewest te verstrekken middelen worden verminderd ten belope van het bedrag van de uitgaven vermeld in het eerste lid en van de stortingen vermeld in het tweede lid.
  De modaliteiten voor de uitoefening van de machtiging bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld bij overeenkomst tussen de Regering en iedere Executieve. De overeenkomst wordt onmiddellijk medegedeeld aan (het bevoegde Parlement). Deze machtiging houdt op te bestaan met ingang van de inwerkingtreding van het decreet of de ordonnantie tot goedkeuring van de begroting van de Gemeenschap of van het Gewest waartoe de betrokken Executieve behoort. <W 2006-03-27/33, art. 12, 005; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
  (§ 2. Onverminderd artikel 75, wordt gedurende het jaar 2002 aan de federale overheid machtiging verleend om, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de regeringen van de gemeenschappen en de gewesten, vastleggingen, ordonnanceringen en betalingen te verrichten voor uitgaven waartoe de regeringen hebben beslist met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die vanaf 1 januari 2002 door of krachtens de Grondwet aan de gemeenschappen en de gewesten werden toegewezen.) <W 2001-07-13/35, art. 48, 003; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  [1 § 3. Bij wijze van overgangsmaatregel verricht de federale overheid gedurende de periode van 1 juli 2014 tot 31 december 2014, en in afwijking van artikel 75, ten laste van de bij de wet geopende kredieten, voor rekening van de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, de vastleggingen, de ordonnanceringen en de betalingen die voortvloeien uit de toepassing van wetten, reglementeringen of beslissingen met betrekking tot de nieuwe bevoegdheden die aan de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie werden toegewezen door de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming.
   Geen enkel decreet, geen enkele in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, geen enkel besluit en geen enkele beslissing waarvan de uitvoering van aard is om directe of indirecte gevolgen te hebben op de uitgaven die ten laste worden genomen door de federale overheid overeenkomstig het eerste lid of door een federale instelling die belast is met bevoegdheden door de in het eerste lid bedoelde wetten en reglementen, kan in werking treden voor 1 januari 2015, indien deze niet voorafgaandelijk is voorgelegd voor verslag aan de inspecteur van Financiën die geaccrediteerd is bij de voor deze uitgaven bevoegde federale minister of federale instelling. In zijn verslag, dat hij uitbrengt binnen de vijftien dagen vanaf de dag van de ontvangst van de vraag, maakt de inspecteur van Financiën een schatting van het bedrag van de directe of indirecte gevolgen die het decreet, de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, het besluit of de beslissing zal hebben op deze uitgaven zoals die voorzien zijn in de begroting van de federale overheid of de federale betrokken instelling.
   Het in het tweede lid bedoelde advies wordt medegedeeld aan de betrokken regering of aan het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, evenals aan de federale minister bevoegd voor Begroting en de federale minister bevoegd voor Financiën. De minister van Begroting en de minister van Financiën stellen na overleg met de betrokken regering of het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, op basis van het verslag van de inspecteur van Financiën, het voorlopig bedrag vast, in plus of in min, al naargelang het geval, dat wordt verrekend op de in artikel 54 bedoelde voorschotten die nog dienen gestort te worden voor het jaar 2014 aan de betrokken entiteit.
   Op het einde van het begrotingsjaar 2014, wordt het bedrag bepaald van de impact van de overeenkomstig het tweede lid genomen maatregelen voor dat begrotingsjaar bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van het verslag van de inspecteur van Financiën, en genomen na overleg met de betrokken regering of het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie. Dat bedrag wordt, na aftrek van het in het derde lid bedoelde voorlopig bedrag, in rekening gebracht, in plus of in min, van het in artikel 54 bedoelde saldo van de opbrengst van de belasting die wordt toegekend aan de betrokken entiteit.]1

  
Art.77. (§ 1.) Sans préjudice de l'article 75 et durant l'année 1989, l'autorité nationale est autorisée à procéder, pour compte des Exécutifs des Communautés et des Régions, à charge des crédits ouverts par la loi aux engagements, ordonnancements et liquidations des dépenses décidées par les Exécutifs relativement aux nouvelles compétences qui ont été attribuées aux Communautés et aux Régions par la Constitution ou en vertu de celle-ci à partir de l'entrée en vigueur de la présente loi. <L 2001-07-13/35, art. 48, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  Durant cette période, et à charge de crédits provisoires ouverts par la loi, l'Autorité Nationale est autorisée à verser aux Communautés et aux Régions des dotations égales à celles versées en 1988 et adaptées en fonction du taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation pour l'exercice 1988.
  Les ressources à transférer en 1989, en vertu de la présente loi, à la Communauté ou à la Région concernée, sont réduites à concurrence du montant des dépenses visées à l'alinéa 1er et des versements visés à l'alinéa 2.
  Les modalités d'exercice de l'autorisation visée à l'alinéa 1er sont définies par convention entre le Gouvernement et chaque Exécutif. La convention est immédiatement communiquée au (Parlement compétent). Cette autorisation cesse ses effets dès l'entrée en vigueur du décret ou de l'ordonnance portant approbation du budget de la Communauté ou de la Région à laquelle l'Exécutif concerné appartient. <L 2006-03-27/33, art. 12, 005; En vigueur : 21-04-2006>
  (§ 2. Sans préjudice de l'article 75 et durant l'année 2002, l'autorité fédérale est autorisée à procéder, pour le compte des gouvernements de communauté et de région, à charge des crédits ouverts par la loi aux engagements, ordonnancements et liquidations des dépenses décidées par les gouvernements relativement aux nouvelles compétences qui ont été attribuées aux communautés et aux régions par la Constitution ou en vertu de celle-ci à partir du 1er janvier 2002.) <L 2001-07-13/35, art. 48, 003; En vigueur : 01-01-2002>
  [1 § 3. A titre transitoire, durant la période du 1er juillet 2014 au 31 décembre 2014, et par dérogation à l'article 75, l'autorité fédérale procède, pour le compte des communautés, des régions et de la Commission communautaire commune, à charge des crédits ouverts par la loi, aux engagements, ordonnancements et liquidations des dépenses qui résultent de l'application des lois, des règlements ou de décisions, relativement aux nouvelles compétences qui ont été attribuées aux communautés, aux régions et à la Commission communautaire commune par la loi spéciale du 6 janvier 2014 relative à la Sixième Réforme de l'Etat.
   Aucun décret, aucune règle visée à l'article 134 de la Constitution, aucun arrêté et aucune décision dont la réalisation est de nature à entraîner une répercussion directe ou indirecte sur les dépenses qui sont prises en charge par l'autorité fédérale conformément à l'alinéa 1er ou par une institution fédérale rendue compétente par les lois et règlements visés à l'alinéa 1er, ne peut entrer en vigueur avant le 1er janvier 2015, s'il n'a pas été préalablement soumis pour rapport à l'inspecteur des Finances accrédité auprès du ministre fédéral ou de l'institution fédérale compétent pour ces dépenses. Dans son rapport, qu'il remet dans les quinze jours à dater de la réception de la demande, l'inspecteur des Finances évalue le montant de la répercussion directe ou indirecte qu'aura le décret, la règle visée à l'article 134 de la Constitution, l'arrêté ou la décision sur ces dépenses telles que prévues au budget de l'autorité fédérale ou de l'institution fédérale concernée.
   L'avis visé à l'alinéa 2 est communiqué au gouvernement concerné ou au Collège réuni de la Commission communautaire commune, ainsi qu'au ministre fédéral qui a le Budget dans ses attributions et au ministre fédéral qui a les Finances dans ses attributions. Le ministre du Budget et le ministre des Finances, après concertation avec le gouvernement concerné ou le Collège réuni de la Commission communautaire commune, établissent, sur la base du rapport de l'inspecteur des Finances, le montant provisionnel, en plus ou en moins, selon le cas, qui est imputé sur les acomptes visés à l'article 54 encore à verser pour l'année 2014 à l'entité concernée.
   Au terme de l'exercice budgétaire 2014, le montant de l'impact des mesures prises conformément à l'alinéa 2 sur cet exercice budgétaire est fixé par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres sur la base du rapport de l'inspecteur des Finances, après concertation avec le gouvernement concerné ou le Collège réuni de la Commission communautaire commune. Ce montant, déduction faite du montant provisionnel visé à l'alinéa 3, est pris en compte, en plus ou moins, dans le solde, visé à l'article 54, du produit de l'impôt attribué à l'entité concernée.]1

  
Art.78. <wijzigingsbepaling van titel VI van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen>
Art.78.
Art.79. De artikelen 2, 3, 4, § 2, en 8 van de wet van 5 maart 1984 betreffende de saldi en de lasten van het verleden van de Gemeenschappen en de Gewesten en de nationale economische sectoren blijven van toepassing.
Art.79. Les articles 2, 3, 4, § 2, et 8 de la loi du 5 mars 1984 relative aux soldes et aux charges du passé des Communautés et des Régions et aux secteurs économiques nationaux, restent d'application.
Art.80. [1 De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de gemeenschaps- en gewestregeringen de bepalingen van deze wet, geheel of gedeeltelijk coördineren.
   Daartoe kan Hij :
   1° de volgorde en de nummering van de te coördineren bepalingen veranderen en in het algemeen de teksten naar de vorm wijzigen;
   2° de verwijzingen die voorkomen in de te coördineren bepalingen met de nieuwe nummering in overeenstemming te brengen;
   3° zonder afbreuk te doen aan de beginselen die in de te coördineren bepalingen vervat zijn, de redactie ervan wijzigen om ze onderling te doen overeenstemmen en eenheid in de terminologie te brengen;
   4° de uitgedrukte formules en beginselen die tot een basisbedrag of basispercentage hebben geleid, zonder wijziging van het resultaat vervangen door het numeriek uitgedrukte basisbedrag of basispercentage.
   De coördinatie zal het volgende opschrift dragen : "Bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten".
   Ze treedt in werking op de dag van de bekrachtiging ervan bij een wet die aangenomen wordt met de in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet bepaalde meerderheid.]1

  
Art.80. [1 Par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec les gouvernements des régions et des communautés, le Roi peut coordonner, en tout ou en partie, les dispositions de cette loi.
   A cette fin, Il peut :
   1° modifier l'ordre, la numérotation et, en général, la présentation des dispositions à coordonner;
   2° mettre en concordance les références qui seraient contenues dans les dispositions à coordonner avec la numérotation nouvelle;
   3° modifier la rédaction des dispositions à coordonner en vue d'assurer leur concordance et d'en unifier la terminologie sans porter atteinte aux principes inscrits dans ces dispositions;
   4° remplacer les formules et les principes exprimés qui ont mené à un montant de base ou un pourcentage de base, par le montant de base numérique ou le pourcentage de base numérique, sans pour autant modifier le résultat.
   La coordination portera l'intitulé suivant : "Loi spéciale relative au financement des communautés et des régions".
   Elle entrera en vigueur à la date de sa confirmation par une loi adoptée à la majorité prévue à l'article 4, dernière alinéa, de la Constitution.]1

  
Art.81. De beslissingen die, vanaf 1 januari 1989 tot de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, worden genomen door organen van de nationale overheid over aangelegenheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gemeenschappen en aan de Gewesten werden toegewezen, worden geacht genomen te zijn door de ten aanzien van die materies bevoegd geworden organen van de Gemeenschappen en de Gewesten, ieder wat hem betreft.
  De middelen die in 1989 aan iedere Gemeenschap en aan ieder Gewest krachtens deze wet worden overgedragen, worden tot beloop van het bedrag van de overeenstemmende uitgaven, die verricht werden met toepassing van het vorige lid, verminderd, behalve indien het gaat om uitgaven die krachtens deze wet ten laste blijven van de nationale overheid. De Koning bepaalt deze verminderingen bij een in Ministerraad overlegd besluit, na overleg met de betrokken Executieven.
Art.81. Les décisions qui, du 1er janvier 1989 au jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, sont prises par des organes de l'autorité nationale relativement à des matières qui, à partir de entrée en vigueur de la présente loi, ont été attribuées aux Communautés et aux Régions par la Constitution ou en vertu de celle-ci sont réputées avoir été prises par les organes des Communautés et des Régions devenus compétents en ces matières, chacun en ce qui le concerne.
  Les ressources qui, en 1989, sont transférées à chaque Communauté et à chaque Région en vertu de la présente loi, sont réduites à concurrence du montant des dépenses correspondantes effectuées en application de l'alinéa précédent, à moins qu'il ne s'agisse de dépenses qui, en vertu de la présente loi, restent à charge de l'autorité nationale. Le Roi fixe ces réductions, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, après concertation avec les Exécutifs concernés.
Art. 81bis. <INGEVOEGD bij W 1993-07-16/30, art. 120, 002; Inwerkingtreding : 1993-07-30> De beslissingen die, vanaf 1 januari 1993 tot de dag van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad, worden genomen door organen van de federale overheid over aangelegenheden die vanaf de inwerkingtreding van deze wet door of krachtens de Grondwet aan de Gewesten werden toegewezen, worden geacht genomen te zijn door de ten aanzien van die materies bevoegd geworden organen van de Gewesten, ieder wat hem betreft.
  De middelen die in 1993 aan ieder Gewest krachtens deze wet worden overgedragen, worden tot beloop van het bedrag van de overeenstemmende uitgaven, die verricht werden met toepassing van het vorige lid, verminderd, behalve indien het gaat om uitgaven die krachtens deze wet ten laste blijven van de federale overheid. De Koning bepaalt deze verminderingen bij een in Ministerraad overlegd besluit, na overleg met de betrokken Executieven.
Art. 81bis. Les décisions qui, du 1er janvier 1993 au jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge, sont prises par des organes de l'autorité nationale relativement à des matières qui, à partir de l'entrée en vigueur de la présente loi, ont été attribuées aux Régions par la Constitution ou en vertu de celle-ci sont réputées avoir été prises par les organes des Régions devenus compétents en ces matières, chacun en ce qui le concerne.
  Les ressources qui, en 1993, sont transférées à chaque Région en vertu de la présente loi, sont réduites à concurrence du montant des dépenses correspondantes effectuées en application de l'alinéa précédent, à moins qu'il ne s'agisse de dépenses, qui, en vertu de la présente loi, restent à charge de l'autorité nationale. Le Roi fixe ces réductions, par arrête délibéré en Conseil des ministres, après concertation avec les Exécutifs concernés.
Art. 81ter. [1 Het Rekenhof stelt :
   1° tegen 31 december 2016 een verslag op dat de in artikel 5/5, § 4, bedoelde fiscale uitgaven evenals hun regionale verdeling weergeeft voor het aanslagjaar 2015, uitgedrukt bij ongewijzigd beleid en vastgesteld bij het verstrijken van de in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalde aanslagtermijn, op basis van de gegevens die uiterlijk op 31 oktober 2016 door de minister van Financiën hiertoe aan het Rekenhof werden overgemaakt;
   2° tegen 30 april 2017 een verslag op dat het bedrag van de in artikel 5/2, § 1, derde lid, bedoelde noemer weergeeft, op basis van de gegevens die uiterlijk op 1 maart 2017 door de minister van Financiën hiertoe aan het Rekenhof werden overgemaakt.]1

  
Art. 81ter. [1 La Cour des comptes rédige :
   1° un rapport pour le 31 décembre 2016 reprenant le montant des dépenses fiscales visées à l'article 5/5, § 4, ainsi que leur répartition par région et ce pour l'exercice d'imposition 2015 exprimées à politique inchangée et constatées au terme du délai d'imposition fixé à l'article 359 du Code des impôts sur les revenus 1992 sur la base des informations qui lui sont transmises à cet effet par le ministre des Finances pour le 31 octobre 2016 au plus tard;
   2° un rapport pour le 30 avril 2017 reprenant le montant du dénominateur visé à l'article 5/2, § 1er, alinéa 3, sur la base des informations qui lui sont transmises à cet effet par le ministre des Finances pour le 1er mars 2017 au plus tard.]1

  
Art. 81quater. [1 Voor de aanslagjaren 2015 en volgende zijn de volgende regels van toepassing tot wanneer de gewesten hun eigen regels hebben aangenomen inzake gewestelijke opcentiemen, alsmede inzake elke gewestelijke belastingvermeerdering, korting of belasting-vermindering of elk belastingkrediet :
   1° de gewestelijke opcentiemen zijn gelijk aan de breuk met in de teller de autonomiefactor zoals bepaald in artikel 5/2, § 1, en in de noemer de factor 1 min de autonomiefactor. De gewestelijke opcentiemen worden uitgedrukt in procent en worden afgerond op de hogere of lagere derde decimaal naargelang het cijfer van de vierde decimaal al of niet 5 bereikt;
   2° de gewestelijke belastingverminderingen en -kredieten met betrekking tot de in artikel 5/5, § 4, bedoelde uitgaven zijn de verminderingen en kredieten zoals ze zijn opgenomen in de op 30 juni 2014 bestaande fiscale wetgeving;
   3° in toepassing van artikel 5/3, § 1, 2°, is het saldo van de gewestelijke kortingen en belastingverminderingen dat niet kan worden verrekend op de gewestelijke opcentiemen en de gewestelijke belastingvermeerderingen, verrekenbaar op het eventuele saldo dat overblijft van de federale belasting na toepassing van de federale belastingverminderingen.
   Ieder gewest brengt de fiscale regeling met betrekking tot de uitgaven als bedoeld in artikel 5/5, § 4, eerste lid, 1°, die zijn verbonden met contracten afgesloten vanaf 1 januari 2015, in overeenstemming met het principe van de progressiviteit vermeld in artikel 5/6, § 1. De bestaande belastingverminderingen die niet voldoen aan de bepalingen bedoeld in artikel 5/6, § 1 en § 3, en die door een gewest niet in overeenstemming zijn gebracht met die bepalingen tegen 1 januari 2015, worden op die datum in dat gewest omgezet in een belastingvermindering tegen een tarief van 45 %.]1

  
Art. 81quater. [1 Pour l'exercice d'imposition 2015 et les suivants, les règles suivantes sont applicables jusqu'à ce que les régions auront établi leurs propres règles en matière de centimes additionnels régionaux, ainsi que pour chaque augmentation, diminution, réduction ou crédit d'impôt régional :
   1° les centimes additionnels régionaux sont égaux à la fraction dont le numérateur est le facteur d'autonomie fixé à l'article 5/2, § 1er, et le dénominateur est le facteur 1 moins le facteur d'autonomie. Les centimes additionnels régionaux sont exprimés en pourcent et arrondis à la troisième décimale supérieure ou inférieure selon que le chiffre de la quatrième décimale atteint ou non 5;
   2° les réductions et crédits d'impôt régionaux relatifs aux dépenses visées à l'article 5/5, § 4, sont les réductions et crédits tels qu'ils sont repris dans la législation fiscale au 30 juin 2014;
   3° en application de l'article 5/3, § 1er, 2°, le solde des diminutions et réductions d'impôt régionales qui ne peut être imputé sur les centimes additionnels régionaux et les augmentations d'impôt régionales, est imputable sur le solde de l'impôt fédéral après imputation des réductions d'impôt fédérales.
   Chaque région met le système fiscal relatif aux dépenses visées à l'article 5/5, § 4, alinéa 1er, 1°, qui sont liées à des contrats conclus à partir du 1er janvier 2015, en conformité avec le principe de progressivité visé à l'article 5/6, § 1er. Les réductions d'impôt existantes qui ne satisfont pas aux règles visées à l'article 5/6, § 1er et § 3, et qui ne sont pas mises en conformité avec ces règles par une région avant le 1er janvier 2015, sont à cette date converties dans la région concernée en une réduction d'impôt au taux de 45 %.]1

  
Art. 81quinquies. [1 § 1. Voor het begrotingsjaar 2014 worden volgende bedragen in mindering gebracht van hun respectievelijke middelen :
   1° 104.835.061 euro voor het Vlaamse Gewest;
   2° 53.325.028 euro voor het Waalse Gewest;
   3° 17.728.103 euro voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
   4° 46.331.615 euro voor de Vlaamse Gemeenschap;
   5° 25.259.550 euro voor de Franse Gemeenschap;
   6° 2.067.211 euro voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie.".
   De in het eerste lid vermelde bedragen worden vanaf 1 juli 2014 in mindering gebracht van :
   1° voor de gewesten : de in titel IV, hoofdstuk II, afdeling 2, bedoelde en aan het betrokken gewest toegekende middelen;
   2° voor de gemeenschappen : de in titel IV, hoofdstuk III, afdeling 3, onderafdeling 2, bedoelde en aan de betrokken gemeenschap toegekende middelen;
   3° voor de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie : de haar toegekende middelen als bedoeld in artikel 65.
   § 2. Vanaf het begrotingsjaar 2015 worden de middelen van de Vlaamse Gemeenschap bepaald in artikel 40quinquies, verminderd met een bedrag van 1 205 046 euro.
   Vanaf begrotingsjaar 2016 wordt het bedrag vermeld in het eerste lid jaarlijks aangepast aan de procentuele verandering van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijzen van het betrokken begrotingsjaar op dezelfde wijze als bedoeld in artikel 38, § 3.
   De vermindering van de middelen wordt definitief stopgezet van zodra de personeelsleden van de gesloten jeugdinstelling te Tongeren niet langer geheel of gedeeltelijk werkzaam zijn als federaal personeelslid in die gesloten instelling en ten laatste op 31 december 2018. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en genomen na overleg met de regering van de in het eerste lid bedoelde overheid, bepalen dat deze vermindering wordt stopgezet in de loop van een ander begrotingsjaar en kan in voorkomend geval het bedrag pro rata temporis voor dat begrotingsjaar bepalen.]1

  
Art. 81quinquies. [1 § 1er. Pour l'année budgétaire 2014 les montants suivants sont déduits de leurs moyens respectifs :
   1° 104.835.061 euros pour la Région flamande;
   2° 53.325.028 euros pour la Région wallonne;
   3° 17.728.103 euros pour la Région de Bruxelles-Capitale;
   4° 46.331.615 euros pour la Communauté flamande;
   5° 25.259.550 euros pour la Communauté française;
   6° 2.067.211 euros pour la Commission communautaire commune.".
   Le montants visés à l'alinéa 1er sont portés en déduction à partir du 1er juillet 2014 :
   1° pour les régions : des moyens accordés à la région concernée et visés au titre IV, chapitre II, section 2;
   2° pour les communautés : des moyens accordés à la communauté concernée et visés au titre IV, chapitre III, section 3, sous-section 2;
   3° pour la Commission communautaire commune : des moyens accordés à celle-ci visés à l'article 65.
   § 2. A partir de l'année budgétaire 2015, les moyens de la Communauté flamande visés à l'article 40quinquies, sont diminués d'un montant de 1 205 046 euros.
   A partir de l'année budgétaire 2016, le montant visé à l'alinéa 1er, est adapté annuellement au taux de fluctuation de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année budgétaire concernée selon les modalités définies à l'article 38, § 3.
   Il sera mis un terme définitif à la diminution des moyens dès que les membres du personnel du centre fermé pour jeunes de Tongres ne seront plus entièrement ou partiellement utilisés en tant que membres du personnel fédéral dans ce centre fermé et au plus tard le 31 décembre 2018. Le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et après concertation avec le gouvernement de l'autorité visée à l'alinéa 1er, qu'il est mis fin à cette diminution au cours d'une autre année budgétaire et, le cas échéant, fixer un montant pro rata temporis pour cette année budgétaire.]1

  
Art.82. Deze wet treedt in werking op 1 januari 1989.
Art.82. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 1989.
BIJLAGE
ANNEXE