Artikel 1. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 doet, bij wege van arrest, uitspraak op de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel wegens schending van : <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
1° de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten; of
(2° de artikelen van titel II " De Belgen en hun rechten ", en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet.) <W 2003-03-09/47, art. 2, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
[2 3° artikel 143, § 1, van de Grondwet.]2
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
6 JANUARI 1989. - Bijzondere wet op het [Grondwettelijk Hof]. <Opschrift gewijzigd door W2010-02-21/01, art. 6, 009; Inwerkingtreding : 08-03-2010>(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-01-1989 en tekstbijwerking tot 10-01-2017)
Titre
6 JANVIER 1989. - Loi spéciale sur la [Cour constitutionnelle] <Intitulé modifié par L2010-02-21/01, art. 6, 009; En vigueur : 08-03-2010> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 17-01-1989 et mise à jour au 10-01-2017)
Informations sur le document
Numac: 1989021001
Datum: 1989-01-06
Info du document
Numac: 1989021001
Date: 1989-01-06
Table des matières
TITEL I. - BEVOEGDHEID VAN HET [1 GRONDWETTELIJ...
HOOFDSTUK I. - Beroepen tot vernietiging.
Afdeling I. - Beroepen.
Afdeling II. - Gevolgen van de vernietigingsarr...
Afdeling III. - Schorsing.
Afdeling IV. - [1 Beroepen tegen beslissingen v...
HOOFDSTUK II. - Prejudiciële vragen.
HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
HOOFDSTUK IV. [1 Controle op de volksraadplegin...
HOOFDSTUK V. [1 - Bescherming van het privéleven]1
TITEL II. - INRICHTING VAN HET [1 GRONDWETTELIJ...
HOOFDSTUK I. - De rechters van het [1 Grondwett...
HOOFDSTUK II. - De referendarissen.
HOOFDSTUK III. - De griffiers.
HOOFDSTUK IV. - Het administratief personeel.
HOOFDSTUK V. - Onverenigbaarheden.
HOOFDSTUK VI. - Tucht.
HOOFDSTUK VII. - Diverse bepalingen.
TITEL III. - WERKWIJZE VAN HET [1 GRONDWETTELIJ...
TITEL IV. - GEBRUIK VAN DE TALEN.
HOOFDSTUK I. - Gebruik van de talen voor het [1...
HOOFDSTUK II. - Gebruik van de talen in de dien...
TITEL V. - RECHTSPLEGING VOOR HET [1 GRONDWETTE...
HOOFDSTUK I. - Inschrijving op de rol en aanwij...
HOOFDSTUK II. - Voorafgaande rechtspleging.
HOOFDSTUK III. - Bekendmaking en kennisgeving v...
HOOFDSTUK IIIbis. [1 - Elektronische procesvoer...
HOOFDSTUK IV. - Het onderzoek.
HOOFDSTUK V. - Tussengeschillen.
Afdeling I. - Betichting van valsheid.
Afdeling II. - Hervatting van het rechtsgeding.
Afdeling III. - Afstand van het geding.
Afdeling IV. - Samenhang.
Afdeling V. - Wraking en verschoning.
HOOFDSTUK VI. - Terechtzitting.
HOOFDSTUK VII. - Heropening der debatten.
HOOFDSTUK VIII. - Het arrest.
HOOFDSTUK VIIIbis. [1 Controleprocedure voor de...
HOOFDSTUK IX. - Algemene bepalingen.
TITEL VI. - SLOTBEPALINGEN.
TITEL VII. - OVERGANGSBEPALINGEN.
Table des matières
TITRE I. - DE LA COMPETENCE DE LA [1 COUR CONST...
CHAPITRE I. - Des recours en annulation.
Section I. - Des recours.
Section II. - Des effets des arrêts d'annulation.
Section III. - De la suspension.
Section IV. - [1 Des recours contre des décisio...
CHAPITRE II. - Des questions préjudicielles.
CHAPITRE III. - Dispositions communes.
CHAPITRE IV. [1 Du contrôle des consultations p...
CHAPITRE V. [1 - De la protection de la vie pri...
TITRE II. - DE L'ORGANISATION DE LA [1 COUR CON...
CHAPITRE I. - Des juges de la [1 COUR CONSTITUT...
CHAPITRE II. - Des référendaires.
CHAPITRE III. - Des greffiers.
CHAPITRE IV. - Du personnel administratif.
CHAPITRE V. - Incompatibilités.
CHAPITRE VI. - De la discipline.
CHAPITRE VII. - Dispositions diverses.
TITRE III. - DU FONCTIONNEMENT DE LA [1 COUR CO...
TITRE IV. - DE L'EMPLOI DES LANGUES.
CHAPITRE I-De l'emploi des langues devant la [1...
CHAPITRE II. - De l'emploi des langues dans les...
TITRE V. - PROCEDURE DEVANT LA [1 COUR CONSTITU...
CHAPITRE I. - De la mise au rôle et de la désig...
CHAPITRE II. - De la procédure préliminaire.
CHAPITRE III. - De la publication et de la noti...
CHAPITRE IIIbis. [1 - De la procédure électroni...
CHAPITRE IV. - De l'instruction.
CHAPITRE V. - Des incidents.
Section I. - De l'inscription en faux.
Section II. - De la reprise d'instance.
Section III. - Du désistement.
Section IV. - De la connexité.
Section V. - De la récusation.
CHAPITRE VI. - De l'audience.
CHAPITRE VII. - De la réouverture des débats.
CHAPITRE VIII. - De l'arrêt.
CHAPITRE VIIIbis. [1 De la procédure de contrôl...
CHAPITRE IX. - Dispositions générales.
TITRE VI. - DISPOSITIONS FINALES.
TITRE VII. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES.
Tekst (187)
Texte (187)
TITEL I. - BEVOEGDHEID VAN HET [1 GRONDWETTELIJK HOF]1.
TITRE I. - DE LA COMPETENCE DE LA [1 COUR CONSTITUTIONNELLE]1.
HOOFDSTUK I. - Beroepen tot vernietiging.
CHAPITRE I. - Des recours en annulation.
Afdeling I. - Beroepen.
Section I. - Des recours.
Article 1. La [1 Cour constitutionnelle]1 statue, par voie d'arrêt, sur les recours en annulation, en tout ou en partie, d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution) pour cause de violation :
1° des règles qui sont établies par la Constitution ou en vertu de celle-ci pour déterminer les compétences respectives de l'Etat, des Communautés et des Régions; ou <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(2° des articles du titre II " Des Belges et de leurs droits ", et des articles 170, 172 et 191 de la Constitution.) <L 2003-03-09/47, art. 2, 006; En vigueur : 21-04-2003>
[2 3° de l'article 143, § 1er, de la Constitution.]2
1° des règles qui sont établies par la Constitution ou en vertu de celle-ci pour déterminer les compétences respectives de l'Etat, des Communautés et des Régions; ou <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(2° des articles du titre II " Des Belges et de leurs droits ", et des articles 170, 172 et 191 de la Constitution.) <L 2003-03-09/47, art. 2, 006; En vigueur : 21-04-2003>
[2 3° de l'article 143, § 1er, de la Constitution.]2
Art.2. De in artikel 1 bedoelde beroepen worden ingesteld :
1° door de Ministerraad, door de Executieve van een Gemeenschap of van een Gewest;
2° door iedere natuurlijke of rechtspersoon die doet blijken van een belang; of
3° door de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden.
[1 De bepalingen van deze wet die betrekking hebben op de Gemeenschaps- of Gewestregeringen zijn van toepassing op het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en op het College van de Franse Gemeenschapscommissie.]1
1° door de Ministerraad, door de Executieve van een Gemeenschap of van een Gewest;
2° door iedere natuurlijke of rechtspersoon die doet blijken van een belang; of
3° door de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden.
[1 De bepalingen van deze wet die betrekking hebben op de Gemeenschaps- of Gewestregeringen zijn van toepassing op het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en op het College van de Franse Gemeenschapscommissie.]1
Modifications
Art.2. Les recours visés à l'article 1er sont introduits :
1° par le Conseil des Ministres, par l'exécutif d'une Communauté ou d'une Région;
2° par toute personne physique ou morale justifiant d'un intérêt; ou
3° par les présidents des assemblées législatives à la demande de deux tiers de leurs membres.
[1 Les dispositions de la présente loi qui concernent les Gouvernements de communauté ou de région s'appliquent au Collège réuni de la Commission communautaire commune et au Collège de la Commission communautaire française.]1
1° par le Conseil des Ministres, par l'exécutif d'une Communauté ou d'une Région;
2° par toute personne physique ou morale justifiant d'un intérêt; ou
3° par les présidents des assemblées législatives à la demande de deux tiers de leurs membres.
[1 Les dispositions de la présente loi qui concernent les Gouvernements de communauté ou de région s'appliquent au Collège réuni de la Commission communautaire commune et au Collège de la Commission communautaire française.]1
Modifications
Art.3. § 1. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 2 en artikel 4 zijn de beroepen strekkende tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwe)t bedoelde regel, slechts ontvankelijk indien zij worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de wet, het decreet of de in het (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 2. De beroepen strekkende tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel waardoor een verdrag instemming verkrijgt, zijn slechts ontvankelijk, indien zij worden ingesteld binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 2. De beroepen strekkende tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel waardoor een verdrag instemming verkrijgt, zijn slechts ontvankelijk, indien zij worden ingesteld binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art.3. § 1. Sans préjudice du paragraphe 2 et de l'article 4, les recours tendant à l'annulation, en tout ou en partie, d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution) ne sont recevables que s'ils sont introduits dans un délai de six mois suivant la publication de la loi, du décret, ou de la règle visée à l'article 26bis de la Constitution. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 2. Les recours tendant à l'annulation en tout ou en partie d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution) par lesquels un traité reçoit l'assentiment, ne sont recevables que s'ils sont introduits dans un délai de soixante jours suivant la publication de la loi, du décret ou de la règle visée à l'article 26bis de la Constitution. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 2. Les recours tendant à l'annulation en tout ou en partie d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution) par lesquels un traité reçoit l'assentiment, ne sont recevables que s'ils sont introduits dans un délai de soixante jours suivant la publication de la loi, du décret ou de la règle visée à l'article 26bis de la Constitution. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art. 3bis. <INGEVOEGD bij W 2001-07-13/35, art. 53; Inwerkingtreding : 01-01-2002> Voor de beroepen tot nietigverklaring van een decreet of een regel bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, die gegrond zijn op de schending van de artikelen 6, § 2, en 9, § 1, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, begint de termijn van zes maanden waarin artikel 3 voorziet pas te lopen zodra de inkohieringstermijn bepaald in artikel 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verstreken is.
Art. 3bis. Pour les recours tendant à l'annulation d'un décret ou d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution qui sont fondés sur la violation des articles 6, § 2, et 9, § 1er, de la loi spéciale du 16 janvier 1989 relative au financement des communautés et des régions, le délai de six mois prévu à l'article 3 ne commence à courir qu'à l'expiration du délai d'enrôlement prévu, par l'article 359 du Code de l'impôt sur les revenus 1992.
Art.4. Voor de Ministerraad of voor de Executieve van een Gemeenschap of van een Gewest staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel, wanneer : <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
1° een beroep is ingesteld tegen een norm die hetzelfde onderwerp heeft en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel heeft aangenomen. De termijn gaat in op de [1 dag na de]1 datum van de bekendmaking van de in artikel 74 bedoelde vermelding; <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(2°) het Hof een norm vernietigd heeft die, geheel of gedeeltelijk, hetzelfde onderwerp heeft en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel heeft aangenomen. De termijn gaat in [1 op de dag na de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad]1. <W 2003-03-09/47, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003> <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(Voor de Ministerraad, voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest, voor de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden of voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, verklaard heeft dat die wet, dat decreet of die artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een van de in artikel 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. [1 De termijn gaat in op de dag na de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad.]1 ) <W 2003-03-09/47, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
1° een beroep is ingesteld tegen een norm die hetzelfde onderwerp heeft en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel heeft aangenomen. De termijn gaat in op de [1 dag na de]1 datum van de bekendmaking van de in artikel 74 bedoelde vermelding; <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(2°) het Hof een norm vernietigd heeft die, geheel of gedeeltelijk, hetzelfde onderwerp heeft en die vastgesteld is door een andere wetgever dan die welke de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel heeft aangenomen. De termijn gaat in [1 op de dag na de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad]1. <W 2003-03-09/47, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003> <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(Voor de Ministerraad, voor de Regering van een Gemeenschap of van een Gewest, voor de voorzitters van de wetgevende vergaderingen op verzoek van twee derde van hun leden of voor iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang staat een nieuwe termijn van zes maanden open voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, verklaard heeft dat die wet, dat decreet of die artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een van de in artikel 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet schendt. [1 De termijn gaat in op de dag na de datum van de bekendmaking van het arrest in het Belgisch Staatsblad.]1 ) <W 2003-03-09/47, art. 3, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Modifications
Art.4. Un nouveau délai de six mois est ouvert pour l'introduction d'un recours en annulation d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution) par le Conseil des Ministres ou par l'Exécutif d'une Communauté ou d'une Région, lorsque : <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
1° un recours est exercé contre une norme qui a le même objet et qui a été prise par un législateur autre que celui qui a adopté la loi, le décret ou la règle visée à (l'article 134 de la Constitution). Le délai prend cours [1 le lendemain de la date]1 de la publication de la mention visée à l'article 74; <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(2°) la Cour a annulé une norme qui avait, en tout ou en partie, le même objet et qui avait été prise par un législateur autre que celui qui a adopté la loi, le décret ou la règle visée à (l'article 134 de la Constitution). Le délai prend cours [1 le lendemain de la date de la publication de l'arrêt au Moniteur belge]1. <L 2003-03-09/47, art. 3, 006; En vigueur : 21-04-2003> <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(Un nouveau délai de six mois est ouvert pour l'introduction d'un recours en annulation d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution par le Conseil des Ministres, par le Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région, par les présidents des assemblées législatives à la demande de deux tiers de leurs membres ou par toute personne physique ou morale justifiant d'un intérêt, lorsque la Cour, statuant sur une question préjudicielle, a déclaré que cette loi, ce décret ou cette règle visée à l'article 134 de la Constitution viole une des règles ou un des articles de la Constitution visés à l'article 1. [1 Le délai prend cours le lendemain de la date de la publication de l'arrêt au Moniteur belge.]1 ) <L 2003-03-09/47, art. 3, 006; En vigueur : 21-04-2003>
1° un recours est exercé contre une norme qui a le même objet et qui a été prise par un législateur autre que celui qui a adopté la loi, le décret ou la règle visée à (l'article 134 de la Constitution). Le délai prend cours [1 le lendemain de la date]1 de la publication de la mention visée à l'article 74; <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(2°) la Cour a annulé une norme qui avait, en tout ou en partie, le même objet et qui avait été prise par un législateur autre que celui qui a adopté la loi, le décret ou la règle visée à (l'article 134 de la Constitution). Le délai prend cours [1 le lendemain de la date de la publication de l'arrêt au Moniteur belge]1. <L 2003-03-09/47, art. 3, 006; En vigueur : 21-04-2003> <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(Un nouveau délai de six mois est ouvert pour l'introduction d'un recours en annulation d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution par le Conseil des Ministres, par le Gouvernement d'une Communauté ou d'une Région, par les présidents des assemblées législatives à la demande de deux tiers de leurs membres ou par toute personne physique ou morale justifiant d'un intérêt, lorsque la Cour, statuant sur une question préjudicielle, a déclaré que cette loi, ce décret ou cette règle visée à l'article 134 de la Constitution viole une des règles ou un des articles de la Constitution visés à l'article 1. [1 Le délai prend cours le lendemain de la date de la publication de l'arrêt au Moniteur belge.]1 ) <L 2003-03-09/47, art. 3, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Modifications
Art.5. Een beroep tot vernietiging wordt bij het Hof aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift dat, al naar het geval, ondertekend wordt door de Eerste Minister, door een lid van de Executieve, door haar aangewezen, door de voorzitter van een wetgevende vergadering of door degene die doet blijken van een belang of hun advocaat.
Art.5. La Cour est saisie d'un recours en annulation par une requête signée, selon le cas, par le Premier Ministre, par un membre de l'Exécutif que celui-ci désigne, par le président d'une assemblée législative ou par la personne justifiant d'un intérêt ou leur avocat.
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 5. [1 Een beroep tot vernietiging wordt bij het Hof aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift dat uitgaat van de eerste minister, van een lid van de regering, door haar aangewezen, van de voorzitter van een wetgevende vergadering of van degene die doet blijken van een belang of hun advocaat.]1
Modifications
Art. 5. [1 La Cour est saisie d'un recours en annulation par une requête qui émane du premier ministre, d'un membre du gouvernement que celui-ci désigne, du président d'une assemblée législative ou de la personne justifiant d'un intérêt ou leur avocat.]1
Modifications
Art.6. Het verzoekschrift wordt gedagtekend. Het vermeldt het onderwerp van het beroep en bevat een uiteenzetting van de feiten en middelen.
Art.6. La requête est datée. Elle indique l'objet du recours et contient un exposé des faits et moyens.
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 6. Het verzoekschrift [1 ...]1 vermeldt het onderwerp van het beroep en bevat een uiteenzetting van de feiten en middelen.
Modifications
Art. 6. La requête [1 ...]1 indique l'objet du recours et contient un exposé des faits et moyens.
Modifications
Art.7. De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift een afschrift van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel waartegen het beroep gericht is, en, in voorkomend geval, van de bijlagen ervan. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Indien het beroep wordt ingesteld door de Ministerraad, door de Executieve van een Gemeenschap of een Gewest of door de voorzitter van een wetgevende vergadering, voegt de verzoekende partij daarenboven bij haar verzoekschrift een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing waarbij zij besloten heeft het beroep in te stellen.
Indien een rechtspersoon het beroep instelt of in het geding tussenkomt, legt deze partij, op het eerste verzoek, het bewijs voor, (van de beslissing om het beroep in te stellen of voort te zetten of om tussen te komen en, wanneer haar statuten moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, een kopie van die bekendmaking). <W 2003-03-09/47, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Indien het beroep wordt ingesteld door de Ministerraad, door de Executieve van een Gemeenschap of een Gewest of door de voorzitter van een wetgevende vergadering, voegt de verzoekende partij daarenboven bij haar verzoekschrift een voor eensluidend verklaard afschrift van de beslissing waarbij zij besloten heeft het beroep in te stellen.
Indien een rechtspersoon het beroep instelt of in het geding tussenkomt, legt deze partij, op het eerste verzoek, het bewijs voor, (van de beslissing om het beroep in te stellen of voort te zetten of om tussen te komen en, wanneer haar statuten moeten worden bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, een kopie van die bekendmaking). <W 2003-03-09/47, art. 4, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art.7. La partie requérante joint à sa requête une copie de la loi, du décret ou de la règle visée à (l'article 134 de la Constitution) qui fait l'objet du recours et, le cas échéant, de ses annexes. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Si le recours est introduit par le Conseil des Ministres, par l'Exécutif d'une Communauté ou d'une Région ou par le président d'une assemblée législative, la partie requérante joint en outre à sa requête une copie certifiée conforme de la délibération par laquelle elle a décidé d'intenter le recours.
Si le recours est introduit ou l'intervention est faite par une personne morale, cette partie produit, à la première demande, la preuve, (de la décision d'intenter ou de poursuivre le recours ou d'intervenir et, lorsque ses statuts doivent faire l'objet d'une publication aux annexes du Moniteur belge, une copie de cette publication.) <L 2003-03-09/47, art. 4, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Si le recours est introduit par le Conseil des Ministres, par l'Exécutif d'une Communauté ou d'une Région ou par le président d'une assemblée législative, la partie requérante joint en outre à sa requête une copie certifiée conforme de la délibération par laquelle elle a décidé d'intenter le recours.
Si le recours est introduit ou l'intervention est faite par une personne morale, cette partie produit, à la première demande, la preuve, (de la décision d'intenter ou de poursuivre le recours ou d'intervenir et, lorsque ses statuts doivent faire l'objet d'une publication aux annexes du Moniteur belge, une copie de cette publication.) <L 2003-03-09/47, art. 4, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art.8. Indien het beroep gegrond is, vernietigt het [1 Grondwettelijk Hof]1 geheel of ten dele de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel waartegen het beroep is gericht. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
[2 Indien het Hof een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, die overeenkomstig artikel 92bis/1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen werd aangenomen, geheel of gedeeltelijk vernietigt, vernietigt het ook de overeenstemmende bepalingen die in het decreet of de decreten, of de regel of regels als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, voorkomen die gelijktijdig werd(en) aangenomen.]2
Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt.
[2 Indien het Hof een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, die overeenkomstig artikel 92bis/1 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen werd aangenomen, geheel of gedeeltelijk vernietigt, vernietigt het ook de overeenstemmende bepalingen die in het decreet of de decreten, of de regel of regels als bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, voorkomen die gelijktijdig werd(en) aangenomen.]2
Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de vernietigde bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt.
Art.8. Si le recours est fondé, la [1 Cour constitutionnelle]1 annule, en tout ou en partie, la loi, le décret ou la règle visée à (l'article 134 de la Constitution) qui fait l'objet du recours. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
[2 Lorsque la Cour annule, en tout ou en partie, un décret ou une règle visée à l'article 134 de la Constitution, adopté conformément à l'article 92bis/1 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, elle annule également les dispositions correspondantes figurant dans le ou les décrets, ou la ou les règles visées à l'article 134 de la Constitution, adoptés conjointement.]2
Si la Cour l'estime nécessaire, elle indique, par voie de disposition générale, ceux des effets des dispositions annulées qui doivent être considérés comme définitifs ou maintenus provisoirement pour le délai qu'elle détermine.
[2 Lorsque la Cour annule, en tout ou en partie, un décret ou une règle visée à l'article 134 de la Constitution, adopté conformément à l'article 92bis/1 de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, elle annule également les dispositions correspondantes figurant dans le ou les décrets, ou la ou les règles visées à l'article 134 de la Constitution, adoptés conjointement.]2
Si la Cour l'estime nécessaire, elle indique, par voie de disposition générale, ceux des effets des dispositions annulées qui doivent être considérés comme définitifs ou maintenus provisoirement pour le délai qu'elle détermine.
Afdeling II. - Gevolgen van de vernietigingsarresten.
Section II. - Des effets des arrêts d'annulation.
Art.9. § 1. De door het [1 Grondwettelijk Hof]1 gewezen vernietigingsarresten hebben een absoluut gezag van gewijsde vanaf hun bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. De door het [1 Grondwettelijk Hof]1 gewezen arresten waarbij beroepen tot vernietiging verworpen worden, zijn bindend voor de rechtscolleges wat de door die arresten beslechte rechtspunten betreft.
§ 2. De door het [1 Grondwettelijk Hof]1 gewezen arresten waarbij beroepen tot vernietiging verworpen worden, zijn bindend voor de rechtscolleges wat de door die arresten beslechte rechtspunten betreft.
Modifications
Art.9. § 1. Les arrêts d'annulation rendus par la Cour d'arbitrage ont l'autorité absolue de la chose jugée à partir de leur publication au Moniteur belge.
§ 2. Les arrêts rendus par la [1 Cour constitutionnelle]1 portant rejet des recours en annulation sont obligatoires pour les juridictions en ce qui concerne les questions de droit tranchées par ces arrêts.
§ 2. Les arrêts rendus par la [1 Cour constitutionnelle]1 portant rejet des recours en annulation sont obligatoires pour les juridictions en ce qui concerne les questions de droit tranchées par ces arrêts.
Modifications
Art.10. De in kracht van gewijsde gegane beslissing van een strafgerecht kan, in zoverre zij gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel die vervolgens door het [1 Grondwettelijk Hof]1 is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige wet, decreet of in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel, geheel of ten dele worden ingetrokken door het gerecht dat die beslissing heeft gewezen. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Modifications
Art.10. Dans la mesure où elles sont fondées sur une disposition d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution), qui a ensuite été annulée par la [1 Cour constitutionnelle]1, ou d'un règlement pris en exécution d'une telle loi, d'un tel décret ou d'une telle règle visée à (l'article 134 de la Constitution), les décisions rendues par les juridictions répressives et passées en force de chose jugée peuvent être rétractées en tout ou en partie par la juridiction qui les a prononcées. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Modifications
Art.11. Het staat aan het openbaar ministerie de intrekking te vorderen.
Het recht om de intrekking te vorderen, behoort bovendien :
1° aan de veroordeelde;
2° aan degene ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast;
3° ingeval de veroordeelde of, in voorkomend geval, de persoon ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast, overleden is dan wel onbekwaam of afwezig verklaard is, aan zijn echtgenoot, aan de bloedverwanten in de neerdalende en de opgaande lijn, aan zijn broers en zusters;
4° aan de partij die burgerrechtelijk aansprakelijk is verklaard voor de veroordeelde of, in voorkomend geval, voor degene ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast.
Het recht om de intrekking te vorderen, behoort bovendien :
1° aan de veroordeelde;
2° aan degene ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast;
3° ingeval de veroordeelde of, in voorkomend geval, de persoon ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast, overleden is dan wel onbekwaam of afwezig verklaard is, aan zijn echtgenoot, aan de bloedverwanten in de neerdalende en de opgaande lijn, aan zijn broers en zusters;
4° aan de partij die burgerrechtelijk aansprakelijk is verklaard voor de veroordeelde of, in voorkomend geval, voor degene ten aanzien van wie een beslissing is gewezen waarbij opschorting van de uitspraak van de veroordeling wordt gelast.
Art.11. Il incombe au ministère public de demander la rétractation.
Le droit de demander la rétractation appartient en outre :
1° au condamné;
2° à celui qui a fait l'objet d'une décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation;
3° si le condamné ou, le cas échéant, celui qui a fait l'objet d'une décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation est décédé, si son interdiction a été prononcée ou s'il se trouve en état d'absence déclarée, à son conjoint, à ses descendants, à ses ascendants, à ses frères et soeurs;
4° à la partie déclarée civilement responsable pour le condamné ou, le cas échéant, pour celui qui a fait l'objet d'une décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation.
Le droit de demander la rétractation appartient en outre :
1° au condamné;
2° à celui qui a fait l'objet d'une décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation;
3° si le condamné ou, le cas échéant, celui qui a fait l'objet d'une décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation est décédé, si son interdiction a été prononcée ou s'il se trouve en état d'absence déclarée, à son conjoint, à ses descendants, à ses ascendants, à ses frères et soeurs;
4° à la partie déclarée civilement responsable pour le condamné ou, le cas échéant, pour celui qui a fait l'objet d'une décision ordonnant la suspension du prononcé de la condamnation.
Art.12. § 1. De zaak wordt bij het bevoegde gerecht aanhangig gemaakt, hetzij door een vordering van het openbaar ministerie, hetzij door een verzoekschrift dat de grond tot intrekking omschrijft.
Op straffe van nietigheid wordt de vordering ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1 in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. Na kennisneming van de vordering of van het verzoekschrift benoemt dat gerecht, ingeval de veroordeelde overleden, afwezig of onbekwaam verklaard is, een curator voor zijn verdediging, die hem vertegenwoordigt bij de intrekkingsprocedure.
§ 3. Het openbaar ministerie laat het verzoekschrift betekenen aan allen die partij zijn bij de bestreden beslissing. De betekening bevat een dagvaarding om te verschijnen voor het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, en de tekst van de artikelen 10 tot 12 van deze wet.
De beslissing waarbij een einduitspraak wordt gedaan over de intrekking, wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van de regelmatig gedagvaarde burgerlijke partij, zelfs wanneer deze niet in het geding tot intrekking is tussengekomen vóór de sluiting van de debatten.
§ 4. Het dossier op basis waarvan de bestreden beslissing is gewezen, wordt gedurende ten minste vijftien dagen ter inzage gelegd van de partijen.
§ 5. Het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, kan, indien de veroordeelde zich in hechtenis bevindt krachtens de beslissing waarvan de intrekking wordt gevorderd, zijn voorlopige invrijheidstelling gelasten volgens de procedure bepaald in [2 artikel 27, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis]2.
Dat gerecht kan ook, indien de aangevoerde middelen ernstig lijken en van dien aard dat ze de gevorderde intrekking rechtvaardigen, de opschorting bevelen van alle maatregelen tot tenuitvoerlegging of toepassing van de beslissing die voor intrekking vatbaar is.
§ 6. De rechter kan, op verzoek van één der personen bedoeld in artikel 11, 1° tot 4° , bevelen dat, zijn beslissing tot intrekking bij uittreksel wordt bekendgemaakt in een dagblad dat hij aanwijst.
§ 7. De procedurekosten komen ten laste van de Staat.
Op straffe van nietigheid wordt de vordering ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1 in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. Na kennisneming van de vordering of van het verzoekschrift benoemt dat gerecht, ingeval de veroordeelde overleden, afwezig of onbekwaam verklaard is, een curator voor zijn verdediging, die hem vertegenwoordigt bij de intrekkingsprocedure.
§ 3. Het openbaar ministerie laat het verzoekschrift betekenen aan allen die partij zijn bij de bestreden beslissing. De betekening bevat een dagvaarding om te verschijnen voor het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, en de tekst van de artikelen 10 tot 12 van deze wet.
De beslissing waarbij een einduitspraak wordt gedaan over de intrekking, wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen ten aanzien van de regelmatig gedagvaarde burgerlijke partij, zelfs wanneer deze niet in het geding tot intrekking is tussengekomen vóór de sluiting van de debatten.
§ 4. Het dossier op basis waarvan de bestreden beslissing is gewezen, wordt gedurende ten minste vijftien dagen ter inzage gelegd van de partijen.
§ 5. Het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, kan, indien de veroordeelde zich in hechtenis bevindt krachtens de beslissing waarvan de intrekking wordt gevorderd, zijn voorlopige invrijheidstelling gelasten volgens de procedure bepaald in [2 artikel 27, § 3, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis]2.
Dat gerecht kan ook, indien de aangevoerde middelen ernstig lijken en van dien aard dat ze de gevorderde intrekking rechtvaardigen, de opschorting bevelen van alle maatregelen tot tenuitvoerlegging of toepassing van de beslissing die voor intrekking vatbaar is.
§ 6. De rechter kan, op verzoek van één der personen bedoeld in artikel 11, 1° tot 4° , bevelen dat, zijn beslissing tot intrekking bij uittreksel wordt bekendgemaakt in een dagblad dat hij aanwijst.
§ 7. De procedurekosten komen ten laste van de Staat.
Art.12. § 1. La juridiction compétente est saisie, soit par le réquisitoire du ministère public, soit par une requête spécifiant la cause de la rétractation.
A peine de nullité, la demande est formée dans les six mois à dater de la publication de l'arrêt de la [1 Cour constitutionnelle]1 au Moniteur belge.
§ 2. Au vu du réquisitoire ou de la requête, la juridiction saisie, si le condamné est décédé, absent ou interdit, nomme un curateur à sa défense, lequel le représentera dans la procédure en rétractation.
§ 3. Le ministère public fait signifier la requête à toutes les parties en cause dans la décision entreprise. La signification contient citation à comparaître devant la juridiction qui a rendu la décision entreprise et reproduit le texte des articles 10 à 12 de la présente loi.
La décision par laquelle il est statué définitivement sur la rétractation est réputée contradictoire à l'égard de la partie civile régulièrement citée, même si celle-ci n'est pas intervenue avant la clôture des débats dans l'instance en rétractation.
§ 4. Le dossier sur le fondement duquel la décision a été rendue est mis à la disposition des parties pendant un délai de quinze jours au moins.
§ 5. La juridiction saisie peut, si le condamné est détenu en vertu de la décision dont la rétractation est demandée, ordonner sa mise en liberté provisoire, selon la procédure prévue [2 à l'article 27, § 3, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive]2.
Cette juridiction peut également, si les moyens invoqués paraissent sérieux et de nature à justifier la rétractation demandée, ordonner qu'il sera sursis à toute mesure d'exécution ou d'application de la décision susceptible d'être rétractée.
§ 6. Le juge peut, à la demande d'une personne visée à l'article 11 , 1° à 4°, ordonner que sa décision de rétractation soit publiée par extrait dans un quotidien qu'il désigne.
§ 7. Les frais de la procédure sont à charge de l'Etat.
A peine de nullité, la demande est formée dans les six mois à dater de la publication de l'arrêt de la [1 Cour constitutionnelle]1 au Moniteur belge.
§ 2. Au vu du réquisitoire ou de la requête, la juridiction saisie, si le condamné est décédé, absent ou interdit, nomme un curateur à sa défense, lequel le représentera dans la procédure en rétractation.
§ 3. Le ministère public fait signifier la requête à toutes les parties en cause dans la décision entreprise. La signification contient citation à comparaître devant la juridiction qui a rendu la décision entreprise et reproduit le texte des articles 10 à 12 de la présente loi.
La décision par laquelle il est statué définitivement sur la rétractation est réputée contradictoire à l'égard de la partie civile régulièrement citée, même si celle-ci n'est pas intervenue avant la clôture des débats dans l'instance en rétractation.
§ 4. Le dossier sur le fondement duquel la décision a été rendue est mis à la disposition des parties pendant un délai de quinze jours au moins.
§ 5. La juridiction saisie peut, si le condamné est détenu en vertu de la décision dont la rétractation est demandée, ordonner sa mise en liberté provisoire, selon la procédure prévue [2 à l'article 27, § 3, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive]2.
Cette juridiction peut également, si les moyens invoqués paraissent sérieux et de nature à justifier la rétractation demandée, ordonner qu'il sera sursis à toute mesure d'exécution ou d'application de la décision susceptible d'être rétractée.
§ 6. Le juge peut, à la demande d'une personne visée à l'article 11 , 1° à 4°, ordonner que sa décision de rétractation soit publiée par extrait dans un quotidien qu'il désigne.
§ 7. Les frais de la procédure sont à charge de l'Etat.
Art.13. § 1. De veroordelingen in strafzaken gegrond op een vernietigde wet, een vernietigd decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde vernietigde regel, of op een verordening ter uitvoering van zodanige wet, decreet of in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel, evenals de beslissingen tot opschorting van de uitspraak van dergelijke veroordelingen worden door de intrekking ongedaan gemaakt binnen de grenzen waarin zij is uitgesproken. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 2. Indien bij de bestreden beslissing slechts één straf is uitgesproken wegens verscheidene strafbare feiten waarvan ten minste één gepleegd werd met overtreding van een bepaling die niet vernietigd is, kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie en mits de strafvordering niet is verjaard, hetzij de veroordeling integraal handhaven, hetzij de straf verminderen, hetzij de uitspraak van de veroordeling opschorten, hetzij een vrijsprekend vonnis wijzen.
§ 3. Indien de feiten die geleid hebben tot het ingetrokken vonnis, strafbaar blijven krachtens bepalingen die ten gevolge van de vernietiging opnieuw toepasselijk worden, kan de rechter die de vordering tot intrekking behandeld heeft, op vordering van het openbaar ministerie en mits de strafvordering niet is verjaard, nieuwe veroordelingen uitspreken, evenwel zonder dat daaruit een verzwaring van straffen mag volgen.
§ 4. De rechter gelast de terugbetaling van de ten onrechte geïnde geldboete, vermeerderd met de wettelijke interest te rekenen van de inning.
Artikel 28 van [1 de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis]1 is mede van toepassing op de veroordeelde die ter uitvoering van het ingetrokken vonnis ten onrechte in hechtenis is gesteld.
§ 5. Indien de rechter ten gevolge van de intrekking niet langer bevoegd is om uitspraak te doen op de burgerlijke rechtsvordering, verwijst hij deze naar de bevoegde rechter. De artikelen 660 tot 663 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 16, §§ 1 en 2, van deze wet zijn mede van toepassing op die verwijzing.
§ 2. Indien bij de bestreden beslissing slechts één straf is uitgesproken wegens verscheidene strafbare feiten waarvan ten minste één gepleegd werd met overtreding van een bepaling die niet vernietigd is, kan de rechter, op vordering van het openbaar ministerie en mits de strafvordering niet is verjaard, hetzij de veroordeling integraal handhaven, hetzij de straf verminderen, hetzij de uitspraak van de veroordeling opschorten, hetzij een vrijsprekend vonnis wijzen.
§ 3. Indien de feiten die geleid hebben tot het ingetrokken vonnis, strafbaar blijven krachtens bepalingen die ten gevolge van de vernietiging opnieuw toepasselijk worden, kan de rechter die de vordering tot intrekking behandeld heeft, op vordering van het openbaar ministerie en mits de strafvordering niet is verjaard, nieuwe veroordelingen uitspreken, evenwel zonder dat daaruit een verzwaring van straffen mag volgen.
§ 4. De rechter gelast de terugbetaling van de ten onrechte geïnde geldboete, vermeerderd met de wettelijke interest te rekenen van de inning.
Artikel 28 van [1 de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis]1 is mede van toepassing op de veroordeelde die ter uitvoering van het ingetrokken vonnis ten onrechte in hechtenis is gesteld.
§ 5. Indien de rechter ten gevolge van de intrekking niet langer bevoegd is om uitspraak te doen op de burgerlijke rechtsvordering, verwijst hij deze naar de bevoegde rechter. De artikelen 660 tot 663 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 16, §§ 1 en 2, van deze wet zijn mede van toepassing op die verwijzing.
Modifications
Art.13. § 1. Dans les limites où elle est prononcée, la rétractation rend non avenues les condamnations pénales fondées sur une loi, un décret ou une règle visée à l'article 26bis de la Constitution annulés, ou sur un règlement pris en exécution d'une telle loi, d'un tel décret ou d'une telle règle visée à (l'article 134 de la Constitution), ainsi que les décisions de suspension du prononcé de telles condamnations. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 2. Lorsque par la décision entreprise, il n'a été prononcé qu'une seule peine du chef de plusieurs infractions, dont l'une au moins était une infraction à une disposition non annulée, le juge peut, sur les réquisitions du ministère public et pourvu que l'action publique ne soit pas prescrite, soit maintenir intégralement la condamnation, soit diminuer la peine, soit suspendre le prononcé de la condamnation, soit prononcer un jugement d'acquittement.
§ 3. Si les faits qui ont donné lieu au jugement rétracté demeurent punissables en vertu de dispositions redevenues applicables par l'effet de l'annulation, le juge saisi de la demande de rétractation peut, sur les réquisitions du ministère public et pourvu que l'action publique ne soit pas prescrite, prononcer de nouvelles condamnations, sans toutefois qu'il puisse s'ensuivre une aggravation des peines.
§ 4. Le juge ordonne le remboursement de l'amende perçue indûment, augmentée des intérêts légaux depuis la perception.
L'article 28 de la loi [1 du 13 mars 1973 relative à l'indemnité en cas de détention préventive inopérante]1, est applicable au condamné qui a été détenu indûment en exécution du jugement rétracté.
§ 5. Si, par suite de la rétractation, le juge a cessé d'être compétent pour statuer sur l'action civile, il renvoie celle-ci devant le juge compétent. Les articles 660 à 663 du Code judiciaire et l'article 16, §§ 1er et 2, de la présente loi sont applicables à ce renvoi.
§ 2. Lorsque par la décision entreprise, il n'a été prononcé qu'une seule peine du chef de plusieurs infractions, dont l'une au moins était une infraction à une disposition non annulée, le juge peut, sur les réquisitions du ministère public et pourvu que l'action publique ne soit pas prescrite, soit maintenir intégralement la condamnation, soit diminuer la peine, soit suspendre le prononcé de la condamnation, soit prononcer un jugement d'acquittement.
§ 3. Si les faits qui ont donné lieu au jugement rétracté demeurent punissables en vertu de dispositions redevenues applicables par l'effet de l'annulation, le juge saisi de la demande de rétractation peut, sur les réquisitions du ministère public et pourvu que l'action publique ne soit pas prescrite, prononcer de nouvelles condamnations, sans toutefois qu'il puisse s'ensuivre une aggravation des peines.
§ 4. Le juge ordonne le remboursement de l'amende perçue indûment, augmentée des intérêts légaux depuis la perception.
L'article 28 de la loi [1 du 13 mars 1973 relative à l'indemnité en cas de détention préventive inopérante]1, est applicable au condamné qui a été détenu indûment en exécution du jugement rétracté.
§ 5. Si, par suite de la rétractation, le juge a cessé d'être compétent pour statuer sur l'action civile, il renvoie celle-ci devant le juge compétent. Les articles 660 à 663 du Code judiciaire et l'article 16, §§ 1er et 2, de la présente loi sont applicables à ce renvoi.
Modifications
Art.14. De beslissingen tot internering van verdachten en beschuldigden in staat van krankzinnigheid, geestesstoornis of zwakzinnigheid, uitgesproken krachtens de wet tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers, kunnen worden ingetrokken overeenkomstig de artikelen 10 tot 13.
Art.14. Sont susceptibles de rétractation, conformément aux articles 10 à 13, les décisions ordonnant l'internement des inculpés et accusés en état de démence, de déséquilibre mental ou de débilité mentale, prononcées en vertu de la loi de défense sociale, à l'égard des anormaux et des délinquants d'habitude.
Art.15. In afwijking van artikel 1082, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan een tweede voorziening in cassatie worden ingesteld wanneer die zich uitsluitend beroept op de vernietiging door het [1 Grondwettelijk Hof]1 van de bepaling van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel die ten grondslag aan de bestreden beslissing heeft gelegen of van een verordening die ter uitvoering van zodanige norm is vastgesteld. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Modifications
Art.15. Par dérogation à l'article 1082, alinéa 2, du Code judiciaire, un second pourvoi en cassation peut être formé lorsqu'il invoque exclusivement l'annulation par la [1 Cour constitutionnelle]1 de la disposition d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution) qui a servi de fondement à la décision entreprise, ou d'un règlement pris en exécution d'une telle norme. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Modifications
Art.16. § 1. De in kracht van gewijsde gegane beslissing van een burgerlijk gerecht kan, in zoverre zij gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel die vervolgens door het [1 Grondwettelijk Hof]1 is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, geheel of ten dele worden ingetrokken op verzoek van degenen die daarbij partij zijn geweest of behoorlijk opgeroepen. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 2. De rechter kan binnen de grenzen van de intrekking een nieuwe beslissing uitspreken die steunt op een andere grond of op een andere juridische omschrijving van een feit of een handeling waarmee de bestreden beslissing wordt gestaafd.
§ 3. De vordering tot intrekking wordt aanhangig gemaakt bij het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen; ze wordt ingeleid door een dagvaarding die de uiteenzetting van de middelen bevat en betekend wordt aan alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen, een en ander op straffe van nietigheid.
§ 4. Op straffe van verval moet de vordering worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1 in het Belgisch Staatsblad.
§ 2. De rechter kan binnen de grenzen van de intrekking een nieuwe beslissing uitspreken die steunt op een andere grond of op een andere juridische omschrijving van een feit of een handeling waarmee de bestreden beslissing wordt gestaafd.
§ 3. De vordering tot intrekking wordt aanhangig gemaakt bij het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen; ze wordt ingeleid door een dagvaarding die de uiteenzetting van de middelen bevat en betekend wordt aan alle bij de bestreden beslissing betrokken partijen, een en ander op straffe van nietigheid.
§ 4. Op straffe van verval moet de vordering worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1 in het Belgisch Staatsblad.
Modifications
Art.16. § 1. Dans la mesure où elles sont fondées sur une disposition d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution), qui a ensuite été annulée par la [1 Cour constitutionnelle]1, ou d'un règlement pris en exécution d'une telle norme, les décisions passées en force de chose jugée rendues par les juridictions civiles peuvent être rétractées en tout ou en partie, à la demande de ceux qui y auront été parties ou dûment appelés. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 2. Dans les limites de la rétractation, le juge peut rendre une décision nouvelle en se fondant sur une autre cause ou sur une qualification juridique différente d'un fait ou d'un acte invoqué à l'appui de la décision entreprise.
§ 3. La demande en rétractation est portée devant la juridiction qui a rendu la décision entreprise et est introduite par une citation contenant l'énoncé des moyens, et signifiée à toutes les parties en cause dans la décision entreprise, le tout à peine de nullité.
§ 4. A peine de déchéance, la demande est formée dans les six mois, à dater de la publication de l'arrêt de la [1 Cour constitutionnelle]1 au Moniteur belge.
§ 2. Dans les limites de la rétractation, le juge peut rendre une décision nouvelle en se fondant sur une autre cause ou sur une qualification juridique différente d'un fait ou d'un acte invoqué à l'appui de la décision entreprise.
§ 3. La demande en rétractation est portée devant la juridiction qui a rendu la décision entreprise et est introduite par une citation contenant l'énoncé des moyens, et signifiée à toutes les parties en cause dans la décision entreprise, le tout à peine de nullité.
§ 4. A peine de déchéance, la demande est formée dans les six mois, à dater de la publication de l'arrêt de la [1 Cour constitutionnelle]1 au Moniteur belge.
Modifications
Art.17. Een arrest van de Raad van State kan, in zoverre het gegrond is op een bepaling van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel die vervolgens door het [1 Grondwettelijk Hof]1 is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, geheel of ten dele worden ingetrokken. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
De termijn van beroep is zes maanden te rekenen van de dag waarop het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1 in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
De termijn van beroep is zes maanden te rekenen van de dag waarop het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1 in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Modifications
Art.17. Dans la mesure où un arrêt du Conseil d'Etat est fondé sur une disposition d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution), qui a ensuite été annulée par la [1 Cour constitutionnelle]1, ou d'un règlement pris en exécution d'une telle norme, cet arrêt peut être rétracté en tout ou en partie. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Le délai de recours est de six mois à dater de la publication de l'arrêt de la [1 Cour constitutionnelle]1 au Moniteur belge.
Le délai de recours est de six mois à dater de la publication de l'arrêt de la [1 Cour constitutionnelle]1 au Moniteur belge.
Modifications
Art.18. Niettegenstaande de door de wetten en bijzondere verordeningen bepaalde termijnen verstreken zijn, kan tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen alsook tegen de beslissingen van andere gerechten dan die bedoeld in artikel 16 van deze wet, voor zover die gegrond zijn op een bepaling van een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel, die vervolgens door het [1 Grondwettelijk Hof]1 is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, al naar het geval, elk administratief of rechterlijk beroep worden ingesteld dat daartegen openstaat, binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1 in het Belgisch Staatsblad. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Modifications
Art.18. Nonobstant l'écoulement des délais prévus par les lois et règlements particuliers, les actes et règlements des diverses autorités administratives ainsi que les décisions des juridictions autres que celles visées à l'article 16 de la présente loi peuvent, s'ils sont fondés sur une disposition d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à (l'article 134 de la Constitution), qui a été ensuite annulée par la [1 Cour constitutionnelle]1, ou d'un règlement pris en exécution d'une telle norme, faire, selon le cas, l'objet des recours administratifs ou juridictionnels organisés à leur encontre dans les six mois à dater de la publication de l'arrêt de la [1 Cour constitutionnelle]1 au Moniteur belge. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Modifications
Afdeling III. - Schorsing.
Section III. - De la suspension.
Art.19. Op vordering van de verzoekende partij kan het Hof, bij een met redenen omklede beslissing, de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel, waartegen een beroep tot vernietiging gericht is, geheel of ten dele schorsen. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art.19. A la demande de la partie requérante, la Cour peut, par une décision motivée, suspendre en tout ou en partie la loi, le décret ou la règle visée à (l'article 134 de la Constitution), qui fait l'objet d'un recours en annulation. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art.20. (Onverminderd artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brussels instellingen, kan slechts tot schorsing worden besloten :) <W 2003-03-09/47, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
1° als ernstige middelen worden aangevoerd en op voorwaarde dat de onmiddellijke uitvoering van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel, waartegen het beroep gericht is, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
2° als een beroep is ingesteld tegen een norm die identiek is met (of gelijkaardig aan) een reeds door het [1 Grondwettelijk Hof]1 vernietigde norm en die door dezelfde wetgever is aangenomen. <W 2003-03-09/47, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
1° als ernstige middelen worden aangevoerd en op voorwaarde dat de onmiddellijke uitvoering van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel, waartegen het beroep gericht is, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
2° als een beroep is ingesteld tegen een norm die identiek is met (of gelijkaardig aan) een reeds door het [1 Grondwettelijk Hof]1 vernietigde norm en die door dezelfde wetgever is aangenomen. <W 2003-03-09/47, art. 5, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Modifications
Art.20. (Sans préjudice de l'article 16ter de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles et du l'article 5ter de loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises, la suspension ne peut être décidée que :) <L 2003-03-09/47, art. 5, 006; En vigueur : 21-04-2003>
1° si des moyens sérieux sont invoqués et à la condition que l'exécution immédiate de la loi, du décret ou de la règle visée à (l'article 134 de la Constitution) faisant l'objet du recours risque de causer un préjudice grave difficilement réparable; <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
2° si un recours est exercé contre une norme identique (ou similaire) à une norme déjà annulée par la [1 Cour constitutionnelle]1 et qui a été adoptée par le même législateur. <L 2003-03-09/47, art. 5, 006; En vigueur : 21-04-2003>
1° si des moyens sérieux sont invoqués et à la condition que l'exécution immédiate de la loi, du décret ou de la règle visée à (l'article 134 de la Constitution) faisant l'objet du recours risque de causer un préjudice grave difficilement réparable; <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
2° si un recours est exercé contre une norme identique (ou similaire) à une norme déjà annulée par la [1 Cour constitutionnelle]1 et qui a été adoptée par le même législateur. <L 2003-03-09/47, art. 5, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Modifications
Art.21. De schorsing wordt gevorderd in het verzoekschrift tot vernietiging of in een afzonderlijke, overeenkomstig artikel 5 ondertekende akte, die bij het verzoekschrift gevoegd of in de loop van het geding ingediend wordt.
(In afwijking van artikel 3, zijn de verzoekschriften tot schorsing slechts ontvankelijk wanneer zij worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na de bekendmaking van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.) <W 2003-03-09/47, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(In afwijking van artikel 3, zijn de verzoekschriften tot schorsing slechts ontvankelijk wanneer zij worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na de bekendmaking van de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel.) <W 2003-03-09/47, art. 6, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art.21. La demande de suspension est formée dans la requête en annulation ou par un acte distinct, signé conformément à l'article 5, et joint à la requête ou introduit en cours d'instance.
(Par dérogation à l'article 3, les demandes de suspension ne sont recevables que si elles sont introduites dans un délai de trois mois suivant la publication de la loi, du décret ou de la règle visée à l'article 134 de la Constitution.) <L 2003-03-09/47, art. 6, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(Par dérogation à l'article 3, les demandes de suspension ne sont recevables que si elles sont introduites dans un délai de trois mois suivant la publication de la loi, du décret ou de la règle visée à l'article 134 de la Constitution.) <L 2003-03-09/47, art. 6, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art.22. (Onverminderd het bepaalde in artikel 16ter van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en in artikel 5ter van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, bevat de vordering bedoeld in artikel 20, 1°,) een uiteenzetting van de feiten waaruit moet blijken dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. <W 2003-03-09/47, art. 7, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Wanneer de vordering bij een afzonderlijke akte wordt ingesteld, wordt zij gedagtekend en vermeldt zij de norm waartegen het beroep tot vernietiging gericht is.
Wanneer de vordering bij een afzonderlijke akte wordt ingesteld, wordt zij gedagtekend en vermeldt zij de norm waartegen het beroep tot vernietiging gericht is.
Art.22. (Sans préjudice de l'article 16ter de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles et de l'article 5ter de la loi spéciale du 12 janvier 1989 relative aux institutions bruxelloises, la demande visée à l'article 20, 1°,) contient un exposé des faits de nature à établir que l'application immédiate de la norme attaquée risque de causer un préjudice grave difficilement réparable. <L 2003-03-09/47, art. 7, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Lorsqu'elle est introduite par un acte distinct, la demande est datée et elle indique la norme qui fait l'objet du recours en annulation.
Lorsqu'elle est introduite par un acte distinct, la demande est datée et elle indique la norme qui fait l'objet du recours en annulation.
Art.23. Onverminderd de bepalingen van de artikelen 70 tot 73 , doet het Hof onverwijld uitspraak op de vordering bij een met redenen omkleed arrest, na de partijen te hebben gehoord.
Art.23. Sans préjudice des dispositions des articles 70 à 73, la Cour statue sans délai sur la demande par un arrêt motivé, les parties entendues.
Art.24. Het arrest dat de schorsing beveelt, wordt in het Nederlands, in het Frans en in het Duits gesteld. Ten verzoeke van de griffier wordt het binnen vijf dagen na de uitspraak (in zijn geheel of bij uittreksel) in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. <W 2003-03-09/47, art. 8, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Het heeft gevolg vanaf de dag van zijn bekendmaking.
Het heeft gevolg vanaf de dag van zijn bekendmaking.
Art.24. L'arrêt ordonnant la suspension est rédigé en français, en néerlandais et en allemand. A la requête du greffier, il est publié au Moniteur belge (dans son intégralité ou par extrait) dans les cinq jours du prononcé. <L 2003-03-09/47, art. 8, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Il a effet à dater de sa publication.
Il a effet à dater de sa publication.
Art.25. Het Hof wijst zijn arrest op de hoofdvordering binnen drie maanden na de uitspraak van het arrest dat de schorsing beveelt. De termijn kan niet worden verlengd.
Indien het arrest op de hoofdvordering niet gewezen is binnen die termijn, houdt de schorsing onmiddellijk op gevolg te hebben.
Indien het arrest op de hoofdvordering niet gewezen is binnen die termijn, houdt de schorsing onmiddellijk op gevolg te hebben.
Art.25. La Cour rend son arrêt sur la demande principale dans les trois mois du prononcé de l'arrêt ordonnant la suspension. Ce délai ne peut être prorogé.
Si l'arrêt sur la demande principale n'est pas rendu dans ce délai, la suspension cesse immédiatement ses effets.
Si l'arrêt sur la demande principale n'est pas rendu dans ce délai, la suspension cesse immédiatement ses effets.
Afdeling IV. - [1 Beroepen tegen beslissingen van de Controlecommissie inzake de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers]1
Section IV. - [1 Des recours contre des décisions de la Commission de contrôle en matière de contrôle des dépenses électorales engagées pour les élections de la Chambre des représentants]1
Art. 25bis. [1 Het Hof doet, bij wege van arrest, uitspraak over de beroepen tot vernietiging wegens schending van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de beslissingen van de Controlecommissie bedoeld in artikel 14/1 van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen.
In het kader van het onderzoek van dit beroep beschikt het Hof over de hem in artikel 26, § § 1 en 1bis, toegekende bevoegdheden. ]1
In het kader van het onderzoek van dit beroep beschikt het Hof over de hem in artikel 26, § § 1 en 1bis, toegekende bevoegdheden. ]1
Art. 25bis. [1 La Cour statue, par voie d'arrêt, sur les recours en annulation pour violation des formes soit substantielles soit prescrites à peine de nullité, excès ou détournement de pouvoir, formés contre les décisions de la Commission de contrôle visées à l'article 14/1 de la loi du 4 juillet 1989 relative à la limitation et au contrôle des dépenses électorales engagées pour l'élection de la Chambre des représentants, ainsi qu'au financement et à la comptabilité ouverte des partis politiques.
Dans le cadre de l'examen de ce recours, la Cour dispose des compétences qui lui sont conférés à l'article 26, § § 1er et 1erbis.]1
Dans le cadre de l'examen de ce recours, la Cour dispose des compétences qui lui sont conférés à l'article 26, § § 1er et 1erbis.]1
Modifications
Art. 25ter. [1 De in artikel 25bis bedoelde beroepen worden ingeleid door de verkozen kandidaat die het voorwerp uitmaakt van de sanctiebeslissing van de Controlecommissie.
Deze beroepen zijn slechts ontvankelijk indien zij worden ingesteld binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de Controlecommissie. De verjaringstermijn voor de in dit artikel bedoelde beroepen neemt alleen een aanvang als de kennisgeving van de sanctiebeslissing door de Controlecommissie het bestaan van dit beroep en de na te leven vormen en termijnen vermeldt. Wanneer aan die voorwaarde niet is voldaan, neemt de verjaringstermijn een aanvang vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de beslissing van de Controlecommissie.]1
Deze beroepen zijn slechts ontvankelijk indien zij worden ingesteld binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de Controlecommissie. De verjaringstermijn voor de in dit artikel bedoelde beroepen neemt alleen een aanvang als de kennisgeving van de sanctiebeslissing door de Controlecommissie het bestaan van dit beroep en de na te leven vormen en termijnen vermeldt. Wanneer aan die voorwaarde niet is voldaan, neemt de verjaringstermijn een aanvang vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de beslissing van de Controlecommissie.]1
Art. 25ter. [1 Les recours visés à l'article 25bis sont introduits par le candidat élu faisant l'objet de la décision de sanction de la Commission de contrôle.
Ces recours ne sont recevables que s'ils sont introduits dans un délai de trente jours suivant la notification de la décision de la Commission de contrôle. Le délai de prescription pour les recours visés au présent article ne prend cours que si la notification par la Commission de contrôle de sa décision de sanction indique l'existence de ce recours ainsi que les formes et les délais à respecter. Lorsque cette condition n'est pas remplie, le délai de prescription prend cours quatre mois après que l'intéressé a pris connaissance de la décision de la Commission de contrôle.]1
Ces recours ne sont recevables que s'ils sont introduits dans un délai de trente jours suivant la notification de la décision de la Commission de contrôle. Le délai de prescription pour les recours visés au présent article ne prend cours que si la notification par la Commission de contrôle de sa décision de sanction indique l'existence de ce recours ainsi que les formes et les délais à respecter. Lorsque cette condition n'est pas remplie, le délai de prescription prend cours quatre mois après que l'intéressé a pris connaissance de la décision de la Commission de contrôle.]1
Modifications
Art. 25quater. [1 Een beroep tot vernietiging wordt bij het Hof aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift ondertekend door de verkozen kandidaat bedoeld in artikel 25ter of zijn advocaat.
Het verzoekschrift wordt gedagtekend. Het geeft het voorwerp van het beroep weer en bevat een uiteenzetting van de feiten en middelen.
Onverminderd de artikelen 70 tot 73, doet het Hof uitspraak binnen drie maanden na de indiening van het beroep tot vernietiging, bij een met redenen omkleed arrest, na de partijen te hebben gehoord.]1
Het verzoekschrift wordt gedagtekend. Het geeft het voorwerp van het beroep weer en bevat een uiteenzetting van de feiten en middelen.
Onverminderd de artikelen 70 tot 73, doet het Hof uitspraak binnen drie maanden na de indiening van het beroep tot vernietiging, bij een met redenen omkleed arrest, na de partijen te hebben gehoord.]1
Art. 25quater. [1 La Cour est saisie d'un recours en annulation par une requête signée par le candidat élu visé à l'article 25ter ou son avocat.
La requête est datée. Elle indique l'objet du recours et contient un exposé des faits et moyens.
Sans préjudice des articles 70 à 73, la Cour statue dans les trois mois du dépôt du recours en annulation par un arrêt motivé, les parties entendues.]1
La requête est datée. Elle indique l'objet du recours et contient un exposé des faits et moyens.
Sans préjudice des articles 70 à 73, la Cour statue dans les trois mois du dépôt du recours en annulation par un arrêt motivé, les parties entendues.]1
Modifications
Art. 25quinquies. [1 De verzoekende partij voegt bij het verzoekschrift een kopie van de beslissing van de Controlecommissie bedoeld in artikel 14/1 van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de financiering en de open boekhouding van de politieke partijen, die het voorwerp uitmaakt van het beroep en, in voorkomend geval, van de bijlagen ervan.
De griffier geeft kennis van het verzoekschrift aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgeving door de griffier, zendt de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers het dossier dat geleid heeft tot de bestreden beslissing toe aan het Hof.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de griffier kan de Controlecommissie een memorie bij het Hof indienen. De memorie die niet binnen die termijn werd ingediend, wordt uit de debatten geweerd. De griffier maakt een kopie van de memorie over aan de verzoekende partij. Die beschikt over vijftien dagen vanaf de datum van ontvangst om bij de griffie een memorie van wederantwoord in te dienen. Deze termijnen kunnen worden verkort of verlengd bij een met redenen omklede beschikking van de voorzitter.]1
De griffier geeft kennis van het verzoekschrift aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgeving door de griffier, zendt de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers het dossier dat geleid heeft tot de bestreden beslissing toe aan het Hof.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving door de griffier kan de Controlecommissie een memorie bij het Hof indienen. De memorie die niet binnen die termijn werd ingediend, wordt uit de debatten geweerd. De griffier maakt een kopie van de memorie over aan de verzoekende partij. Die beschikt over vijftien dagen vanaf de datum van ontvangst om bij de griffie een memorie van wederantwoord in te dienen. Deze termijnen kunnen worden verkort of verlengd bij een met redenen omklede beschikking van de voorzitter.]1
Art. 25quinquies. [1 La partie requérante joint à sa requête une copie de la décision de la Commission de contrôle visée à l'article 14/1 de la loi du 4 juillet 1989 relative à la limitation et au contrôle des dépenses électorales engagées pour l'élection de la Chambre des représentants, ainsi qu'au financement et à la comptabilité ouverte des partis politiques qui fait l'objet du recours et, le cas échéant, de ses annexes.
Le greffier notifie la requête au président de la Chambre des représentants. Dans les dix jours de la réception de la notification par le greffier, le président de la Chambre des représentants transmet à la Cour le dossier qui a donné lieu à la décision contestée.
Dans les trente jours de la réception de la notification par le greffier, la Commission de contrôle peut adresser un mémoire à la Cour. Le mémoire qui n'a pas été introduit dans le délai prévu est écarté des débats. Le greffier transmet une copie du mémoire à la partie requérante. Celle-ci dispose de quinze jours à dater du jour de la réception pour faire parvenir au greffe un mémoire en réplique. Ces délais peuvent être abrégés ou prolongés par ordonnance motivée du président.]1
Le greffier notifie la requête au président de la Chambre des représentants. Dans les dix jours de la réception de la notification par le greffier, le président de la Chambre des représentants transmet à la Cour le dossier qui a donné lieu à la décision contestée.
Dans les trente jours de la réception de la notification par le greffier, la Commission de contrôle peut adresser un mémoire à la Cour. Le mémoire qui n'a pas été introduit dans le délai prévu est écarté des débats. Le greffier transmet une copie du mémoire à la partie requérante. Celle-ci dispose de quinze jours à dater du jour de la réception pour faire parvenir au greffe un mémoire en réplique. Ces délais peuvent être abrégés ou prolongés par ordonnance motivée du président.]1
Modifications
Art. 25sexies. [1 Indien het beroep gegrond is, vernietigt het Hof de beslissing van de Controlecommissie waartegen het beroep is gericht.
De griffier geeft kennis van de arresten aan de partijen en aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers.]1
De griffier geeft kennis van de arresten aan de partijen en aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers.]1
Art. 25sexies. [1 Si le recours est fondé, la Cour annule la décision de la Commission de contrôle qui fait l'objet du recours.
Le greffier notifie les arrêts aux parties et au président de la Chambre des représentants.]1
Le greffier notifie les arrêts aux parties et au président de la Chambre des représentants.]1
Modifications
Art. 25septies. [1 De artikelen 74, 76, 78, 80, 85 tot 89bis en 113 zijn niet van toepassing op de beroepen tegen de beslissingen van de Controlecommissie. Indien het Hof evenwel wordt verzocht om toepassing te maken van zijn bevoegdheden overeenkomstig artikel 26, wordt de Ministerraad hiervan op de hoogte gebracht door de griffier. De Ministerraad beschikt in dat geval over een termijn van vijftien dagen om een memorie bij het Hof in te dienen.
Artikel 90 is van toepassing op het beroep bedoeld in artikel 25bis mits de in artikel 89 bepaalde termijn wordt vervangen door de termijn van vijftien dagen waarin artikel 25quinquies, derde lid, voorziet en die in voorkomend geval wordt verkort of verlengd.]1
Artikel 90 is van toepassing op het beroep bedoeld in artikel 25bis mits de in artikel 89 bepaalde termijn wordt vervangen door de termijn van vijftien dagen waarin artikel 25quinquies, derde lid, voorziet en die in voorkomend geval wordt verkort of verlengd.]1
Art. 25septies. [1 Les articles 74, 76, 78, 80, 85 à 89bis et 113 ne sont pas applicables aux recours contre les décisions de la Commission de contrôle. Si toutefois la Cour est appelée à appliquer ses compétences conformément à l'article 26, le Conseil des ministres en est averti par le greffier. Dans ce cas, le Conseil des ministres dispose d'un délai de quinze jours pour déposer un mémoire auprès de la Cour.
L'article 90 est applicable au recours visé à l'article 25bis moyennant le remplacement du délai prévu par l'article 89 par le délai de quinze jours prévu à l'article 25quinquies, alinéa 3, le cas échéant abrégé ou prolongé.]1
L'article 90 est applicable au recours visé à l'article 25bis moyennant le remplacement du délai prévu par l'article 89 par le délai de quinze jours prévu à l'article 25quinquies, alinéa 3, le cas échéant abrégé ou prolongé.]1
Modifications
HOOFDSTUK II. - Prejudiciële vragen.
CHAPITRE II. - Des questions préjudicielles.
Art.26. § 1. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 doet, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak bij wege van arrest op vragen omtrent :
1° de schending door een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten; <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
2° onverminderd 1°, elk conflict tussen decreten of tussen regels bedoeld in (artikel 134 van de Grondwet), die uitgaan van verschillende wetgevers en voor zover het conflict ontstaan is uit hun onderscheiden werkingssfeer; <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(3° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II " De Belgen en hun rechten ", en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet,) <W 2003-03-09/47, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
[3 4° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van artikel 143, § 1, van de Grondwet.]3
(§ 1bis. Van het toepassingsgebied van dit artikel worden uitgesloten de wetten, de decreten en de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regels waardoor een constituerend verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de men en de fundamentele vrijheden of een Aanvullend Protocol bij dit Verdrag instemming verkrijgt.) <W 2003-03-09/47, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(§ 2. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het [1 Grondwettelijk Hof]1 verzoeken op deze vraag uitspraak te doen.
Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden :
1° wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag;
2° wanneer het [1 Grondwettelijk Hof]1 reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.
Het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in Cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, is daartoe evenmin gehouden wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.) <W 2003-03-09/47, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(§ 3. Behalve wanneer ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel met een van de in § 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is, is een rechtscollege zowel in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, als in het geval het een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis betreft, er niet toe gehouden een prejudiële vraag te stellen.) <W 2003-03-09/47, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
[1 § 4. [2 Wanneer voor een rechtscollege de schending wordt opgeworpen door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, dient het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet. Indien voor het rechtscollege slechts de schending van de bepaling van Europees of internationaal recht wordt opgeworpen, dient het rechtscollege, zelfs ambtshalve, na te gaan of titel II van de Grondwet een geheel of gedeeltelijk analoge bepaling bevat. Deze verplichtingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid van het rechtscollege om, tegelijkertijd of op een later tijdstip, ook een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.]2
In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet :
1° in de gevallen bedoeld in de paragrafen 2 en 3;
2° wanneer het rechtscollege oordeelt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden is;
3° wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van een internationaal rechtscollege blijkt dat de bepaling uit het Europees of internationaal recht klaarblijkelijk geschonden is;
4° wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk geschonden is.]1
1° de schending door een wet, een decreet of een in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten; <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
2° onverminderd 1°, elk conflict tussen decreten of tussen regels bedoeld in (artikel 134 van de Grondwet), die uitgaan van verschillende wetgevers en voor zover het conflict ontstaan is uit hun onderscheiden werkingssfeer; <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(3° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II " De Belgen en hun rechten ", en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet,) <W 2003-03-09/47, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
[3 4° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van artikel 143, § 1, van de Grondwet.]3
(§ 1bis. Van het toepassingsgebied van dit artikel worden uitgesloten de wetten, de decreten en de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regels waardoor een constituerend verdrag betreffende de Europese Unie of het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de men en de fundamentele vrijheden of een Aanvullend Protocol bij dit Verdrag instemming verkrijgt.) <W 2003-03-09/47, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(§ 2. Indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dan moet dit college het [1 Grondwettelijk Hof]1 verzoeken op deze vraag uitspraak te doen.
Het rechtscollege is daartoe echter niet gehouden :
1° wanneer de zaak niet door het betrokken rechtscollege kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag;
2° wanneer het [1 Grondwettelijk Hof]1 reeds uitspraak heeft gedaan op een vraag of een beroep met een identiek onderwerp.
Het rechtscollege waarvan de beslissing vatbaar is voor, al naar het geval, hoger beroep, verzet, voorziening in Cassatie of beroep tot vernietiging bij de Raad van State, is daartoe evenmin gehouden wanneer de wet, het decreet of de in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel een regel of een artikel van de Grondwet bedoeld in § 1 klaarblijkelijk niet schendt of wanneer het rechtscollege meent dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.) <W 2003-03-09/47, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(§ 3. Behalve wanneer ernstige twijfel bestaat over de verenigbaarheid van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel met een van de in § 1 bedoelde regels of artikelen van de Grondwet en geen vraag of beroep met hetzelfde onderwerp bij het Hof aanhangig is, is een rechtscollege zowel in het geval de vordering spoedeisend is en de uitspraak over de vordering slechts een voorlopig karakter heeft, als in het geval het een procedure ter beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis betreft, er niet toe gehouden een prejudiële vraag te stellen.) <W 2003-03-09/47, art. 9, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
[1 § 4. [2 Wanneer voor een rechtscollege de schending wordt opgeworpen door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van een grondrecht dat op geheel of gedeeltelijk analoge wijze is gewaarborgd in een bepaling uit titel II van de Grondwet en in een bepaling van Europees of internationaal recht, dient het rechtscollege eerst aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid met de bepaling uit titel II van de Grondwet. Indien voor het rechtscollege slechts de schending van de bepaling van Europees of internationaal recht wordt opgeworpen, dient het rechtscollege, zelfs ambtshalve, na te gaan of titel II van de Grondwet een geheel of gedeeltelijk analoge bepaling bevat. Deze verplichtingen doen geen afbreuk aan de mogelijkheid van het rechtscollege om, tegelijkertijd of op een later tijdstip, ook een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.]2
In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof niet :
1° in de gevallen bedoeld in de paragrafen 2 en 3;
2° wanneer het rechtscollege oordeelt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk niet geschonden is;
3° wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van een internationaal rechtscollege blijkt dat de bepaling uit het Europees of internationaal recht klaarblijkelijk geschonden is;
4° wanneer het rechtscollege oordeelt dat uit een arrest van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de bepaling uit titel II van de Grondwet klaarblijkelijk geschonden is.]1
Art.26. § 1. La [1 Cour constitutionnelle]1 statue, à titre préjudiciel, par voie d'arrêt, sur les questions relatives à :
1° la violation par une loi, un décret ou une règle visée à (l'article 134 de la Constitution), des règles qui sont établies par la Constitution ou en vertu de celle-ci pour déterminer les compétences respectives de l'Etat, des Communautés et des Régions; <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
2° sans préjudice du 1°, tout conflit entre décrets ou entre règles visées à (l'article 134 de la Constitution) émanant de législateurs distincts et pour autant que le conflit résulte de leur champ d'application respectif; <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(3° la violation par une loi, un décret ou une règle visée à l'article 134 de la Constitution, des articles du titre II " Des Belges et de leurs droits ", et des articles 170, 172 et 191 de la Constitution.) <L 2003-03-09/47, art. 9, 006; En vigueur : 21-04-2003>
[3 4° la violation par une loi, un décret ou une règle visée à l'article 134 de la Constitution, de l'article 143, § 1er, de la Constitution.]3
(§ 1bis. Sont exclus du champ d'application de cet article les lois, les décrets et les règles visées à l'article 134 de la Constitution par lesquels un traité constituant de l'Union européenne ou la Convention du 4 novembre 1950 de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales ou un Protocole additionnel à cette convention reçoit l'assentiment.) <L 2003-03-09/47, art. 9, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(§ 2. Lorsqu'une telle question est soulevée devant une juridiction, celle-ci doit demander à la [1 Cour constitutionnelle]1 de statuer sur cette question.
Toutefois, la juridiction n'y est pas tenue :
1° lorsque l'affaire ne peut être examinée par ladite juridiction pour des motifs d'incompétence ou de non-recevabilité, sauf si ces motifs sont tirés de normes faisant elles-mêmes l'objet de la demande de question préjudicielle;
2° lorsque la [1 Cour constitutionnelle]1 a déjà statué sur une question ou un recours ayant un objet identique.
La juridiction, dont la décision est susceptible, selon le cas, d'appel, d'opposition, de pourvoi en cassation ou de recours en annulation au Conseil d'Etat, n'y est pas tenue non plus si la loi, le décret ou la règle visée à l'article 134 de la Constitution ne viole manifestement pas une règle ou un article de la Constitution visés au § 1 ou lorsque la juridiction estime que la réponse à la question préjudicielle n'est pas indispensable pour rendre sa décision.) <L 2003-03-09/47, art. 9, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(§ 3. Sauf s'il existe un doute sérieux quant à la compatibilité d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution avec une des règles ou un des articles de la Constitution visées au § 1 et qu'il n'y a pas de demande ou de recours ayant le même objet qui soit pendant devant la Cour, une juridiction n'est pas tenue de poser une question préjudicielle ni lorsque la demande est urgente et que le prononcé au sujet de cette demande n'a qu'un caractère provisoire, ni au cours d'une procédure d'appréciation du maintien de la détention préventive.) <L 2003-03-09/47, art. 9, 006; En vigueur : 21-04-2003>
[1 § 4. [2 Lorsqu'est invoquée devant une juridiction la violation, par une loi, un décret ou une règle visée à l'article 134 de la Constitution, d'un droit fondamental garanti de manière totalement ou partiellement analogue par une disposition du titre II de la Constitution ainsi que par une disposition de droit européen ou de droit international, la juridiction est tenue de poser d'abord à la Cour constitutionnelle une question préjudicielle sur la compatibilité avec la disposition du titre II de la Constitution. Lorsqu'est uniquement invoquée devant la juridiction la violation de la disposition de droit européen ou de droit international, la juridiction est tenue de vérifier, même d'office, si le titre II de la Constitution contient une disposition totalement ou partiellement analogue. Ces obligations ne portent pas atteinte à la possibilité, pour la juridiction, de poser aussi, simultanément ou ultérieurement, une question préjudicielle à la Cour de justice de l'Union européenne.]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'obligation de poser une question préjudicielle à la Cour constitutionnelle ne s'applique pas :
1° dans les cas visés aux paragraphes 2 et 3;
2° lorsque la juridiction estime que la disposition du titre II de la Constitution n'est manifestement pas violée;
3° lorsque la juridiction estime qu'un arrêt d'une juridiction internationale fait apparaître que la disposition de droit européen ou de droit international est manifestement violée;
4° lorsque la juridiction estime qu'un arrêt de la Cour constitutionnelle fait apparaître que la disposition du titre II de la Constitution est manifestement violée.]1
1° la violation par une loi, un décret ou une règle visée à (l'article 134 de la Constitution), des règles qui sont établies par la Constitution ou en vertu de celle-ci pour déterminer les compétences respectives de l'Etat, des Communautés et des Régions; <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
2° sans préjudice du 1°, tout conflit entre décrets ou entre règles visées à (l'article 134 de la Constitution) émanant de législateurs distincts et pour autant que le conflit résulte de leur champ d'application respectif; <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(3° la violation par une loi, un décret ou une règle visée à l'article 134 de la Constitution, des articles du titre II " Des Belges et de leurs droits ", et des articles 170, 172 et 191 de la Constitution.) <L 2003-03-09/47, art. 9, 006; En vigueur : 21-04-2003>
[3 4° la violation par une loi, un décret ou une règle visée à l'article 134 de la Constitution, de l'article 143, § 1er, de la Constitution.]3
(§ 1bis. Sont exclus du champ d'application de cet article les lois, les décrets et les règles visées à l'article 134 de la Constitution par lesquels un traité constituant de l'Union européenne ou la Convention du 4 novembre 1950 de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales ou un Protocole additionnel à cette convention reçoit l'assentiment.) <L 2003-03-09/47, art. 9, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(§ 2. Lorsqu'une telle question est soulevée devant une juridiction, celle-ci doit demander à la [1 Cour constitutionnelle]1 de statuer sur cette question.
Toutefois, la juridiction n'y est pas tenue :
1° lorsque l'affaire ne peut être examinée par ladite juridiction pour des motifs d'incompétence ou de non-recevabilité, sauf si ces motifs sont tirés de normes faisant elles-mêmes l'objet de la demande de question préjudicielle;
2° lorsque la [1 Cour constitutionnelle]1 a déjà statué sur une question ou un recours ayant un objet identique.
La juridiction, dont la décision est susceptible, selon le cas, d'appel, d'opposition, de pourvoi en cassation ou de recours en annulation au Conseil d'Etat, n'y est pas tenue non plus si la loi, le décret ou la règle visée à l'article 134 de la Constitution ne viole manifestement pas une règle ou un article de la Constitution visés au § 1 ou lorsque la juridiction estime que la réponse à la question préjudicielle n'est pas indispensable pour rendre sa décision.) <L 2003-03-09/47, art. 9, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(§ 3. Sauf s'il existe un doute sérieux quant à la compatibilité d'une loi, d'un décret ou d'une règle visée à l'article 134 de la Constitution avec une des règles ou un des articles de la Constitution visées au § 1 et qu'il n'y a pas de demande ou de recours ayant le même objet qui soit pendant devant la Cour, une juridiction n'est pas tenue de poser une question préjudicielle ni lorsque la demande est urgente et que le prononcé au sujet de cette demande n'a qu'un caractère provisoire, ni au cours d'une procédure d'appréciation du maintien de la détention préventive.) <L 2003-03-09/47, art. 9, 006; En vigueur : 21-04-2003>
[1 § 4. [2 Lorsqu'est invoquée devant une juridiction la violation, par une loi, un décret ou une règle visée à l'article 134 de la Constitution, d'un droit fondamental garanti de manière totalement ou partiellement analogue par une disposition du titre II de la Constitution ainsi que par une disposition de droit européen ou de droit international, la juridiction est tenue de poser d'abord à la Cour constitutionnelle une question préjudicielle sur la compatibilité avec la disposition du titre II de la Constitution. Lorsqu'est uniquement invoquée devant la juridiction la violation de la disposition de droit européen ou de droit international, la juridiction est tenue de vérifier, même d'office, si le titre II de la Constitution contient une disposition totalement ou partiellement analogue. Ces obligations ne portent pas atteinte à la possibilité, pour la juridiction, de poser aussi, simultanément ou ultérieurement, une question préjudicielle à la Cour de justice de l'Union européenne.]2
Par dérogation à l'alinéa 1er, l'obligation de poser une question préjudicielle à la Cour constitutionnelle ne s'applique pas :
1° dans les cas visés aux paragraphes 2 et 3;
2° lorsque la juridiction estime que la disposition du titre II de la Constitution n'est manifestement pas violée;
3° lorsque la juridiction estime qu'un arrêt d'une juridiction internationale fait apparaître que la disposition de droit européen ou de droit international est manifestement violée;
4° lorsque la juridiction estime qu'un arrêt de la Cour constitutionnelle fait apparaître que la disposition du titre II de la Constitution est manifestement violée.]1
Art.27. § 1. Prejudiciële vragen worden bij het Hof aanhangig gemaakt door overzending van een door de voorzitter en door de griffier van het rechtscollege ondertekende expeditie van de beslissing tot verwijzing.
§ 2. De beslissing tot verwijzing vermeldt de bepalingen van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel die het onderwerp uitmaken van de vraag; in voorkomend geval preciseert zij bovendien welke artikelen van de Grondwet of van de bijzondere wetten ter zake dienend zijn. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 kan evenwel de gestelde prejudiciële vraag herformuleren. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 2. De beslissing tot verwijzing vermeldt de bepalingen van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel die het onderwerp uitmaken van de vraag; in voorkomend geval preciseert zij bovendien welke artikelen van de Grondwet of van de bijzondere wetten ter zake dienend zijn. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 kan evenwel de gestelde prejudiciële vraag herformuleren. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Modifications
Art.27. § 1. La Cour est saisie des questions préjudicielles par la transmission d'une expédition de la décision de renvoi, signée par le président et par le greffier de la juridiction.
§ 2. La décision de renvoi indique les dispositions de la loi, du décret ou de la règle visée à (l'article 134 de la Constitution) qui font l'objet de la question; le cas échéant, elle précise, en outre, les articles pertinents de la Constitution ou des lois spéciales. Toutefois, la [1 Cour constitutionnelle]1 peut reformuler la question préjudicielle posée. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 2. La décision de renvoi indique les dispositions de la loi, du décret ou de la règle visée à (l'article 134 de la Constitution) qui font l'objet de la question; le cas échéant, elle précise, en outre, les articles pertinents de la Constitution ou des lois spéciales. Toutefois, la [1 Cour constitutionnelle]1 peut reformuler la question préjudicielle posée. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Modifications
Art.28. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld evenals elk ander rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de in artikel 26 bedoelde vragen zijn gesteld, zich voegen naar het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1.
[2 Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt.]2
[2 Zo het Hof dit nodig oordeelt, wijst het, bij wege van algemene beschikking, die gevolgen van de ongrondwettig bevonden bepalingen aan welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd of voorlopig gehandhaafd worden voor de termijn die het vaststelt.]2
Art.28. La juridiction qui a posé la question préjudicielle, ainsi que toute autre juridiction appelée à statuer dans la même affaire sont tenues, pour la solution du litige à l'occasion duquel ont été posées les questions visées à l'article 26, de se conformer à l'arrêt rendu par la [1 Cour constitutionnelle]1.
[2 Si la Cour l'estime nécessaire, elle indique, par voie de disposition générale, ceux des effets des dispositions ayant fait l'objet d'un constat d'inconstitutionnalité qui doivent être considérés comme définitifs ou maintenus provisoirement pour le délai qu'elle détermine.]2
[2 Si la Cour l'estime nécessaire, elle indique, par voie de disposition générale, ceux des effets des dispositions ayant fait l'objet d'un constat d'inconstitutionnalité qui doivent être considérés comme définitifs ou maintenus provisoirement pour le délai qu'elle détermine.]2
Art.29. § 1. Tegen de beslissing van een rechtscollege kan, in zover dit aan het [1 Grondwettelijk Hof]1 een prejudiciële vraag stelt, geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.
§ 2. De beslissing waarbij een rechtscollege weigert een prejudiciële vraag te stellen, moet de redenen van de weigering aangeven. Tegen de beslissing van een rechtscollege kan, in zover dit een dergelijke vraag weigert te stellen, geen afzonderlijk rechtsmiddel worden aangewend.
§ 2. De beslissing waarbij een rechtscollege weigert een prejudiciële vraag te stellen, moet de redenen van de weigering aangeven. Tegen de beslissing van een rechtscollege kan, in zover dit een dergelijke vraag weigert te stellen, geen afzonderlijk rechtsmiddel worden aangewend.
Modifications
Art.29. § 1. En tant qu'elle pose une question préjudicielle à la [1 Cour constitutionnelle]1, la décision d'une juridiction n'est susceptible d'aucun recours.
§ 2. La décision par laquelle une juridiction refuse de poser une question préjudicielle doit indiquer les motifs de refus. En tant qu'elle refuse de poser une telle question, la décision d'une juridiction n'est pas susceptible d'un recours distinct.
§ 2. La décision par laquelle une juridiction refuse de poser une question préjudicielle doit indiquer les motifs de refus. En tant qu'elle refuse de poser une telle question, la décision d'une juridiction n'est pas susceptible d'un recours distinct.
Modifications
Art.30. De beslissing om aan het [1 Grondwettelijk Hof]1 een prejudiciële vraag te stellen schort de procedure en de termijnen van procedure en verjaring op vanaf de datum van die beslissing tot de datum waarop het arrest van het [1 Grondwettelijk Hof]1 ter kennis wordt gebracht van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld. Een afschrift ervan wordt aan de partijen gezonden.
[2 Het rechtscollege kan evenwel, zelfs ambtshalve, de vereiste voorlopige maatregelen nemen, onder meer om de bescherming te verzekeren van de rechten die door de rechtsorde van de Europese Unie zijn toegekend.]2
[2 Het rechtscollege kan evenwel, zelfs ambtshalve, de vereiste voorlopige maatregelen nemen, onder meer om de bescherming te verzekeren van de rechten die door de rechtsorde van de Europese Unie zijn toegekend.]2
Art.30. La décision de poser une question préjudicielle à la [1 Cour constitutionnelle]1 suspend la procédure et les délais de procédure et de prescription depuis la date de cette décision jusqu'à celle à laquelle l'arrêt de la [1 Cour constitutionnelle]1 est notifié à la juridiction qui a posé la question préjudicielle. Une copie en sera adressée aux parties.
[2 Toutefois, la juridiction peut, même d'office, prendre les mesures provisoires nécessaires notamment afin d'assurer la protection des droits conférés par l'ordre juridique de l'Union européenne.]2
[2 Toutefois, la juridiction peut, même d'office, prendre les mesures provisoires nécessaires notamment afin d'assurer la protection des droits conférés par l'ordre juridique de l'Union européenne.]2
HOOFDSTUK III. - Gemeenschappelijke bepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions communes.
Art. 30bis. (oud art. 124bis) <INGEVOEGD bij W 1989-01-16/30, art. 68, 002 : Inwerkingtreding : 1989-01-01> Voor de toepassing van de artikelen 1 en 26, § 1, worden als regels bedoeld in 1° van deze twee bepalingen, beschouwd het overleg, de betrokkenheid, het geven van inlichtingen, de adviezen, de eensluidende adviezen, de akkoorden, de gemeenschappelijke akkoorden en de voorstellen waarvan sprake is in de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de samenwerkingsakkoorden bedoeld in artikel 92bis van voornoemde wet uitgezonderd, alsook in de bijzondere wet betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten of in elke andere wet genomen ter uitvoering van de (artikelen 39, 127, § 1, 128, § 1, 129, § 1, 130, § 1, 135, 136, 137, 140, 166, 175, 176 en 177 van de Grondwet). <W 2003-03-09/47, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art. 30bis. (ancien 124bis) Pour l'application des articles 1er et 26, § 1er, sont considérées comme règles visées au 1° de ces deux dispositions, la concertation, l'association, la transmission d'informations, les avis, les avis conformes, les accords, les accords communs et les propositions prévus par la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, à l'exception des accords de coopération visés à l'article 92bis de ladite loi, ainsi que par la loi spéciale (du 16 janvier 1989) sur le financement des communautés et Régions ou par toute autre loi prise en exécution des (articles 39, 127, § 1, 128, § 1, 129, § 1, 130, § 1, 135, 136, 137, 140, 166, 175, 176 et 177 de la Constitution). <L 2003-03-09/47, art. 10, 006; En vigueur : 21-04-2003>
HOOFDSTUK IV. [1 Controle op de volksraadplegingen]1
CHAPITRE IV. [1 Du contrôle des consultations populaires]1
Art. 30ter. [1 Het Grondwettelijk Hof doet, bij wege van beslissing, uitspraak over iedere gewestelijke volksraadpleging, voorafgaandelijk aan de organisatie ervan, door na te gaan of de in artikel 1 bedoelde normen alsmede de voorwaarden en nadere regels bepaald door of krachtens artikel 39bis van de Grondwet zijn nageleefd.
Het verzoek wordt ingediend door de voorzitter van het Gewestparlement. Dit verzoek wordt gedagtekend, omvat het voorwerp van de volksraadpleging, door aan te geven bij welke gewestelijke bevoegdheid ze aansluit, en bevat de formulering van de vraag die zal worden gesteld, de naam van de initiatiefnemer van de volksraadpleging of, als er meerdere initiatiefnemers zijn, de naam van hun vertegenwoordiger, de eventuele opmerkingen van de voorzitter van het Gewestparlement en het administratief dossier. Dit administratief dossier wordt toegezonden met een inventaris van de stukken waaruit het is samengesteld.
Het Grondwettelijk Hof doet uitspraak binnen zestig dagen na de indiening van het verzoek.
Indien de volksraadpleging een van de in het eerste lid bedoelde normen, voorwaarden of nadere regels niet naleeft, of indien het Grondwettelijk Hof niet wordt geadieerd, wordt de volksraadpleging niet georganiseerd. De volksraadpleging kan niet georganiseerd worden zolang het Hof zich niet heeft uitgesproken.]1
Het verzoek wordt ingediend door de voorzitter van het Gewestparlement. Dit verzoek wordt gedagtekend, omvat het voorwerp van de volksraadpleging, door aan te geven bij welke gewestelijke bevoegdheid ze aansluit, en bevat de formulering van de vraag die zal worden gesteld, de naam van de initiatiefnemer van de volksraadpleging of, als er meerdere initiatiefnemers zijn, de naam van hun vertegenwoordiger, de eventuele opmerkingen van de voorzitter van het Gewestparlement en het administratief dossier. Dit administratief dossier wordt toegezonden met een inventaris van de stukken waaruit het is samengesteld.
Het Grondwettelijk Hof doet uitspraak binnen zestig dagen na de indiening van het verzoek.
Indien de volksraadpleging een van de in het eerste lid bedoelde normen, voorwaarden of nadere regels niet naleeft, of indien het Grondwettelijk Hof niet wordt geadieerd, wordt de volksraadpleging niet georganiseerd. De volksraadpleging kan niet georganiseerd worden zolang het Hof zich niet heeft uitgesproken.]1
Art. 30ter. [1 La Cour constitutionnelle statue, par voie de décision, sur chaque consultation populaire régionale, préalablement à son organisation, en vérifiant le respect des normes visées à l'article 1er, ainsi que des conditions et modalités fixées par ou en vertu de l'article 39bis de la Constitution.
La demande est introduite par le président du Parlement de région. Cette demande est datée, indique l'objet de la consultation populaire et la compétence régionale à laquelle celui-ci se rattache, et contient l'énoncé de la question qui sera posée, le nom de l'initiateur de la consultation populaire ou, s'il y plusieurs initiateurs, le nom de leur représentant, les observations éventuelles du président du Parlement de région ainsi que le dossier administratif. Ce dossier administratif est transmis avec un inventaire des pièces qui le composent.
La Cour constitutionnelle statue dans un délai de soixante jours suivant l'introduction de la demande.
Si la consultation populaire ne respecte pas une des normes, conditions ou modalités visées à l'alinéa 1er, ou si la Cour constitutionnelle n'est pas saisie, la consultation populaire n'est pas organisée. La consultation populaire ne peut pas davantage être organisée tant que la Cour constitutionnelle n'a pas statué.]1
La demande est introduite par le président du Parlement de région. Cette demande est datée, indique l'objet de la consultation populaire et la compétence régionale à laquelle celui-ci se rattache, et contient l'énoncé de la question qui sera posée, le nom de l'initiateur de la consultation populaire ou, s'il y plusieurs initiateurs, le nom de leur représentant, les observations éventuelles du président du Parlement de région ainsi que le dossier administratif. Ce dossier administratif est transmis avec un inventaire des pièces qui le composent.
La Cour constitutionnelle statue dans un délai de soixante jours suivant l'introduction de la demande.
Si la consultation populaire ne respecte pas une des normes, conditions ou modalités visées à l'alinéa 1er, ou si la Cour constitutionnelle n'est pas saisie, la consultation populaire n'est pas organisée. La consultation populaire ne peut pas davantage être organisée tant que la Cour constitutionnelle n'a pas statué.]1
Modifications
HOOFDSTUK V. [1 - Bescherming van het privéleven]1
CHAPITRE V. [1 - De la protection de la vie privée]1
Art. 30quater. [1 In elke stand van de rechtspleging en zelfs na de uitspraak van het arrest kan de voorzitter, ambtshalve of op eenvoudig verzoek van een partij of een belanghebbende derde, beslissen dat vermeldingen, die van aard zijn hen rechtstreeks te identificeren, vanaf het meest gerede ogenblik, zullen worden weggelaten in elke publicatie waartoe het Hof krachtens deze bijzondere wet of uit eigen initiatief zou overgaan, of is overgegaan.]1
Art. 30quater. [1 Le président peut décider, à tout stade de la procédure et même après le prononcé de l'arrêt, d'office ou sur simple demande d'une partie ou d'un tiers intéressé, que les mentions permettant de les identifier directement soient supprimées, dès le moment le plus opportun, dans toute publication à laquelle la Cour procéderait ou aurait procédé en vertu de la présente loi spéciale ou de sa propre initiative.]1
Modifications
TITEL II. - INRICHTING VAN HET [1 GRONDWETTELIJK HOF]1.
TITRE II. - DE L'ORGANISATION DE LA [1 COUR CONSTITUTIONNELLE]1.
HOOFDSTUK I. - De rechters van het [1 Grondwettelijk Hof]1.
CHAPITRE I. - Des juges de la [1 COUR CONSTITUTIONNELLE]1.
Art.31. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 is samengesteld uit twaalf rechters : zes Nederlandstalige rechters, die de Nederlandse taalgroep van het Hof vormen, en zes Franstalige rechters, die de Franse taalgroep van het Hof vormen.
De hoedanigheid van Nederlandstalige rechter of van Franstalige rechter van het [1 Grondwettelijk Hof]1 wordt, voor de in artikel 34, § 1, 1°, bedoelde rechters, bepaald door de taal van het diploma en voor de in artikel 34, § 1, 2°, bedoelde rechters, door de parlementaire taalgroep waartoe zij het laatst behoorden.
De hoedanigheid van Nederlandstalige rechter of van Franstalige rechter van het [1 Grondwettelijk Hof]1 wordt, voor de in artikel 34, § 1, 1°, bedoelde rechters, bepaald door de taal van het diploma en voor de in artikel 34, § 1, 2°, bedoelde rechters, door de parlementaire taalgroep waartoe zij het laatst behoorden.
Modifications
Art.31. La [1 Cour constitutionnelle]1 est composée de douze juges : six juges d'expression française qui forment le groupe linguistique français de la Cour et six juges d'expression néerlandaise qui forment le groupe linguistique néerlandais de la Cour.
La qualité de juge d'expression française ou juge d'expression néerlandaise de la [1 Cour constitutionnelle]1 est déterminée en ce qui concerne les juges visés à l'article 34, § 1er, 1°, par la langue du diplôme et, en ce qui concerne les juges visés à l'article 34, § 1er, 2°, par le groupe linguistique parlementaire dont ils faisaient partie en dernier lieu.
La qualité de juge d'expression française ou juge d'expression néerlandaise de la [1 Cour constitutionnelle]1 est déterminée en ce qui concerne les juges visés à l'article 34, § 1er, 1°, par la langue du diplôme et, en ce qui concerne les juges visés à l'article 34, § 1er, 2°, par le groupe linguistique parlementaire dont ils faisaient partie en dernier lieu.
Modifications
Art.32. (De rechters worden voor het leven door de Koning benoemd uit een lijst met twee kandidaten, beurtelings door de Kamer van volksvertegenwoordigers en door de Senaat voorgedragen.) Het wordt aangenomen met een meerderheid van twee derde der stemmen van de aanwezige leden. <W 1993-07-16/30, art. 125, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30>
Geen voordracht kan geschieden dan ten minste vijftien dagen na bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Die bekendmaking mag niet vroeger dan drie maanden vóór het ontstaan van de vacature geschieden.
Iedere voordracht wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt; de benoeming mag niet vroeger dan vijftien dagen na die bekendmaking geschieden.
Geen voordracht kan geschieden dan ten minste vijftien dagen na bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Die bekendmaking mag niet vroeger dan drie maanden vóór het ontstaan van de vacature geschieden.
Iedere voordracht wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt; de benoeming mag niet vroeger dan vijftien dagen na die bekendmaking geschieden.
Art.32. (Les juges sont nommés à vie par le Roi sur une liste double présentée alternativement par la Chambre des représentants et par le Sénat.) Celle-ci est adoptée à la majorité des deux tiers des suffrages des membres présents. <L 1993-07-16/30, art. 125, 003; En vigueur : 1993-07-30>
Il ne peut être procédé aux présentations que quinze jours au moins après la publication de la vacance au Moniteur belge. Cette publication pourra avoir lieu au plus tôt trois mois avant la vacance.
Chaque présentation fait l'objet d'une publication au Moniteur belge; la nomination ne peut intervenir au plus tôt que quinze jours après celle-ci.
Il ne peut être procédé aux présentations que quinze jours au moins après la publication de la vacance au Moniteur belge. Cette publication pourra avoir lieu au plus tôt trois mois avant la vacance.
Chaque présentation fait l'objet d'une publication au Moniteur belge; la nomination ne peut intervenir au plus tôt que quinze jours après celle-ci.
Art.33. De Nederlandstalige en de Franstalige rechters van het [1 Grondwettelijk Hof]1 kiezen, elk wat hen betreft, uit hun midden een Nederlandstalige en een Franstalige voorzitter.
Modifications
Art.33. Les juges d'expression française et les juges d'expression néerlandaise de la [1 Cour constitutionnelle]1 choisissent, chacun en ce qui les concerne, en leur sein, un président d'expression française et un président d'expression néerlandaise.
Modifications
Art. 34. § 1. Om tot rechter van het [1 Grondwettelijk Hof]1 te worden benoemd, moet men volle veertig jaar oud zijn en aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1° in België ten minste vijf jaar het ambt hebben bekleed :
a) hetzij van raadsheer, van procureur-generaal, van eerste advocaat-generaal of van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie;
b) hetzij van Staatsraad of van auditeur-generaal, van adjunct-auditeur-generaal, van eerste auditeur of van eerste referendaris bij de Raad van State;
c) hetzij van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1;
d) hetzij van gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, hoogleraar, geassocieerd hoogleraar in de rechten aan een Belgische universiteit.
2° (ten minste vijf jaar lid zijn geweest van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers of (een Gemeenschaps- of Gewestparlement.) <W 1993-07-16/30, art. 126, § 1, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30> <L 2006-03-27/33, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
§ 2. Het Hof telt, onder zijn Nederlandstalige, respectievelijk Franstalige rechters, evenveel rechters die voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, als rechters die voldoen aan de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.
Onder de rechters die voldoen aan de in § 1, 1°, bepaalde voorwaarden moet ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder a), (of aan de voorwaarde bedoeld onder b)), (ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder c) en ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder d)). <W 1993-07-16/30, art. 126, §2, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30> <W 2003-03-09/47, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 3. Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.
Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarden bepaald in § 1, 1°.
§ 4. Ten minste één rechter van het Hof, behorend tot de rechters die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 1, 1°, moet het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. De Koning bepaalt de wijze waarop het bewijs van de kennis van het Duits wordt geleverd.
(§ 5. Het Hof is samengesteld uit rechters van verschillend geslacht.) <W 2003-03-09/47, art. 11, 006; Inwerkingtreding : onbepaald >
1° in België ten minste vijf jaar het ambt hebben bekleed :
a) hetzij van raadsheer, van procureur-generaal, van eerste advocaat-generaal of van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie;
b) hetzij van Staatsraad of van auditeur-generaal, van adjunct-auditeur-generaal, van eerste auditeur of van eerste referendaris bij de Raad van State;
c) hetzij van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1;
d) hetzij van gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, hoogleraar, geassocieerd hoogleraar in de rechten aan een Belgische universiteit.
2° (ten minste vijf jaar lid zijn geweest van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers of (een Gemeenschaps- of Gewestparlement.) <W 1993-07-16/30, art. 126, § 1, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30> <L 2006-03-27/33, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
§ 2. Het Hof telt, onder zijn Nederlandstalige, respectievelijk Franstalige rechters, evenveel rechters die voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, als rechters die voldoen aan de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.
Onder de rechters die voldoen aan de in § 1, 1°, bepaalde voorwaarden moet ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder a), (of aan de voorwaarde bedoeld onder b)), (ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder c) en ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder d)). <W 1993-07-16/30, art. 126, §2, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30> <W 2003-03-09/47, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 3. Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.
Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarden bepaald in § 1, 1°.
§ 4. Ten minste één rechter van het Hof, behorend tot de rechters die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 1, 1°, moet het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. De Koning bepaalt de wijze waarop het bewijs van de kennis van het Duits wordt geleverd.
(§ 5. Het Hof is samengesteld uit rechters van verschillend geslacht.) <W 2003-03-09/47, art. 11, 006; Inwerkingtreding : onbepaald >
Art. 34. § 1. Pour pouvoir être nommé juge de la [1 Cour constitutionnelle]1, le candidat doit être âgé de quarante ans accomplis et satisfaire à l'une des conditions suivantes :
1° avoir, en Belgique et pendant au moins cinq ans, occupé la fonction :
a) soit de conseiller, de procureur général, de premier avocat général ou d'avocat général à la Cour de cassation;
b) soit de conseiller d'Etat ou d'auditeur général, d'auditeur général adjoint ou de premier auditeur ou de premier référendaire au Conseil d'Etat;
c) soit de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1;
d) soit de professeur ordinaire, de professeur extraordinaire, de professeur ou de professeur associé de droit dans une université belge.
2° (avoir été pendant cinq ans au moins, membre du Sénat, de la Chambre des représentants ou d'(un Parlement de Communauté ou de Région.) <L 1993-07-16/30, art. 126, § 1, 003; En vigueur : 1993-07-30> <L 2006-03-27/33, art. 15, 007; En vigueur : 21-04-2006>
§ 2. La Cour compte, parmi ses juges d'expression française comme parmi ses juges d'expression néerlandaise, autant de juges répondant aux conditions fixées au § 1er, 1°, que de juges répondant à la condition fixée au § 1er, 2°.
Parmi les juges qui répondent aux conditions fixées au § 1er, 1°, un juge au moins doit satisfaire à la condition visée au a), (ou à la condition visée au b)), (un juge au moins doit satisfaire à la condition visée au c) et un juge au moins doit satisfaire à la condition visée sous d)). <L 1993-07-16/30, art. 126, § 2, 003; En vigueur : 1993-07-30> <L 2003-03-09/47, art. 11, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 3. Un candidat dont la présentation est fondée sur les conditions fixées au § 1er, 1°, ne peut être présenté en vertu de la condition fixée au § 1er, 2°.
Un candidat dont la présentation est fondée sur la condition fixée au § 1er, 2°, ne peut être présenté en vertu des conditions fixées au § 1er, 1°.
§ 4. Un juge, au moins, comptant parmi les juges qui répondent aux conditions fixées au § 1er, 1°, doit justifier d'une connaissance suffisante de l'allemand. Le Roi détermine le mode de justification de la connaissance de l'allemand.
(§ 5. La Cour est composée de juges de sexe différent.) <L 2003-03-09/47, art. 11, 006; En vigueur : indéterminée >
1° avoir, en Belgique et pendant au moins cinq ans, occupé la fonction :
a) soit de conseiller, de procureur général, de premier avocat général ou d'avocat général à la Cour de cassation;
b) soit de conseiller d'Etat ou d'auditeur général, d'auditeur général adjoint ou de premier auditeur ou de premier référendaire au Conseil d'Etat;
c) soit de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1;
d) soit de professeur ordinaire, de professeur extraordinaire, de professeur ou de professeur associé de droit dans une université belge.
2° (avoir été pendant cinq ans au moins, membre du Sénat, de la Chambre des représentants ou d'(un Parlement de Communauté ou de Région.) <L 1993-07-16/30, art. 126, § 1, 003; En vigueur : 1993-07-30> <L 2006-03-27/33, art. 15, 007; En vigueur : 21-04-2006>
§ 2. La Cour compte, parmi ses juges d'expression française comme parmi ses juges d'expression néerlandaise, autant de juges répondant aux conditions fixées au § 1er, 1°, que de juges répondant à la condition fixée au § 1er, 2°.
Parmi les juges qui répondent aux conditions fixées au § 1er, 1°, un juge au moins doit satisfaire à la condition visée au a), (ou à la condition visée au b)), (un juge au moins doit satisfaire à la condition visée au c) et un juge au moins doit satisfaire à la condition visée sous d)). <L 1993-07-16/30, art. 126, § 2, 003; En vigueur : 1993-07-30> <L 2003-03-09/47, art. 11, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 3. Un candidat dont la présentation est fondée sur les conditions fixées au § 1er, 1°, ne peut être présenté en vertu de la condition fixée au § 1er, 2°.
Un candidat dont la présentation est fondée sur la condition fixée au § 1er, 2°, ne peut être présenté en vertu des conditions fixées au § 1er, 1°.
§ 4. Un juge, au moins, comptant parmi les juges qui répondent aux conditions fixées au § 1er, 1°, doit justifier d'une connaissance suffisante de l'allemand. Le Roi détermine le mode de justification de la connaissance de l'allemand.
(§ 5. La Cour est composée de juges de sexe différent.) <L 2003-03-09/47, art. 11, 006; En vigueur : indéterminée >
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 34. § 1. Om tot rechter van het [1 Grondwettelijk Hof]1 te worden benoemd, moet men volle veertig jaar oud zijn en aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
1° in België ten minste vijf jaar het ambt hebben bekleed :
a) hetzij van raadsheer, van procureur-generaal, van eerste advocaat-generaal of van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie;
b) hetzij van Staatsraad of van auditeur-generaal, van adjunct-auditeur-generaal, van eerste auditeur of van eerste referendaris bij de Raad van State;
c) hetzij van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1;
d) hetzij van gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, hoogleraar, geassocieerd hoogleraar in de rechten aan een Belgische universiteit.
2° (ten minste vijf jaar lid zijn geweest van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers of (een Gemeenschaps- of Gewestparlement.) <W 1993-07-16/30, art. 126, § 1, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30> <L 2006-03-27/33, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
§ 2. Het Hof telt, onder zijn Nederlandstalige, respectievelijk Franstalige rechters, evenveel rechters die voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, als rechters die voldoen aan de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.
Onder de rechters die voldoen aan de in § 1, 1°, bepaalde voorwaarden moet ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder a), (of aan de voorwaarde bedoeld onder b)), (ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder c) en ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder d)). <W 1993-07-16/30, art. 126, §2, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30> <W 2003-03-09/47, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 3. Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.
Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarden bepaald in § 1, 1°.
§ 4. Ten minste één rechter van het Hof, behorend tot de rechters die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 1, 1°, moet het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. De Koning bepaalt de wijze waarop het bewijs van de kennis van het Duits wordt geleverd.
(§ 5. [2 Het Hof telt rechters van verschillend geslacht, zowel wat betreft de rechters bedoeld in § 1, 1°, als deze bedoeld in § 1, 2°.
Het Hof telt ten minste één derde rechters van elk geslacht.]2 ) <W 2003-03-09/47, art. 11, 006; Inwerkingtreding : onbepaald >
1° in België ten minste vijf jaar het ambt hebben bekleed :
a) hetzij van raadsheer, van procureur-generaal, van eerste advocaat-generaal of van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie;
b) hetzij van Staatsraad of van auditeur-generaal, van adjunct-auditeur-generaal, van eerste auditeur of van eerste referendaris bij de Raad van State;
c) hetzij van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1;
d) hetzij van gewoon hoogleraar, buitengewoon hoogleraar, hoogleraar, geassocieerd hoogleraar in de rechten aan een Belgische universiteit.
2° (ten minste vijf jaar lid zijn geweest van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers of (een Gemeenschaps- of Gewestparlement.) <W 1993-07-16/30, art. 126, § 1, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30> <L 2006-03-27/33, art. 15, 007; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
§ 2. Het Hof telt, onder zijn Nederlandstalige, respectievelijk Franstalige rechters, evenveel rechters die voldoen aan de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, als rechters die voldoen aan de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.
Onder de rechters die voldoen aan de in § 1, 1°, bepaalde voorwaarden moet ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder a), (of aan de voorwaarde bedoeld onder b)), (ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder c) en ten minste één rechter voldoen aan de voorwaarde bedoeld onder d)). <W 1993-07-16/30, art. 126, §2, 003; Inwerkingtreding : 1993-07-30> <W 2003-03-09/47, art. 11, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 3. Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarden bepaald in § 1, 1°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°.
Een kandidaat, voorgedragen op grond van de voorwaarde bepaald in § 1, 2°, kan niet worden voorgedragen op grond van de voorwaarden bepaald in § 1, 1°.
§ 4. Ten minste één rechter van het Hof, behorend tot de rechters die voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 1, 1°, moet het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal. De Koning bepaalt de wijze waarop het bewijs van de kennis van het Duits wordt geleverd.
(§ 5. [2 Het Hof telt rechters van verschillend geslacht, zowel wat betreft de rechters bedoeld in § 1, 1°, als deze bedoeld in § 1, 2°.
Het Hof telt ten minste één derde rechters van elk geslacht.]2 ) <W 2003-03-09/47, art. 11, 006; Inwerkingtreding : onbepaald >
Art. 34. § 1. Pour pouvoir être nommé juge de la [1 Cour constitutionnelle]1, le candidat doit être âgé de quarante ans accomplis et satisfaire à l'une des conditions suivantes :
1° avoir, en Belgique et pendant au moins cinq ans, occupé la fonction :
a) soit de conseiller, de procureur général, de premier avocat général ou d'avocat général à la Cour de cassation;
b) soit de conseiller d'Etat ou d'auditeur général, d'auditeur général adjoint ou de premier auditeur ou de premier référendaire au Conseil d'Etat;
c) soit de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1;
d) soit de professeur ordinaire, de professeur extraordinaire, de professeur ou de professeur associé de droit dans une université belge.
2° (avoir été pendant cinq ans au moins, membre du Sénat, de la Chambre des représentants ou d'(un Parlement de Communauté ou de Région.) <L 1993-07-16/30, art. 126, § 1, 003; En vigueur : 1993-07-30> <L 2006-03-27/33, art. 15, 007; En vigueur : 21-04-2006>
§ 2. La Cour compte, parmi ses juges d'expression française comme parmi ses juges d'expression néerlandaise, autant de juges répondant aux conditions fixées au § 1er, 1°, que de juges répondant à la condition fixée au § 1er, 2°.
Parmi les juges qui répondent aux conditions fixées au § 1er, 1°, un juge au moins doit satisfaire à la condition visée au a), (ou à la condition visée au b)), (un juge au moins doit satisfaire à la condition visée au c) et un juge au moins doit satisfaire à la condition visée sous d)). <L 1993-07-16/30, art. 126, § 2, 003; En vigueur : 1993-07-30> <L 2003-03-09/47, art. 11, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 3. Un candidat dont la présentation est fondée sur les conditions fixées au § 1er, 1°, ne peut être présenté en vertu de la condition fixée au § 1er, 2°.
Un candidat dont la présentation est fondée sur la condition fixée au § 1er, 2°, ne peut être présenté en vertu des conditions fixées au § 1er, 1°.
§ 4. Un juge, au moins, comptant parmi les juges qui répondent aux conditions fixées au § 1er, 1°, doit justifier d'une connaissance suffisante de l'allemand. Le Roi détermine le mode de justification de la connaissance de l'allemand.
(§ 5. [2 La Cour se compose de juges de sexe différent, tant en ce qui concerne les juges visés au § 1er, 1°, que ceux visés au § 1er, 2°.
Elle compte au moins un tiers de juges de chaque sexe.]2 ) <L 2003-03-09/47, art. 11, 006; En vigueur : indéterminée >
1° avoir, en Belgique et pendant au moins cinq ans, occupé la fonction :
a) soit de conseiller, de procureur général, de premier avocat général ou d'avocat général à la Cour de cassation;
b) soit de conseiller d'Etat ou d'auditeur général, d'auditeur général adjoint ou de premier auditeur ou de premier référendaire au Conseil d'Etat;
c) soit de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1;
d) soit de professeur ordinaire, de professeur extraordinaire, de professeur ou de professeur associé de droit dans une université belge.
2° (avoir été pendant cinq ans au moins, membre du Sénat, de la Chambre des représentants ou d'(un Parlement de Communauté ou de Région.) <L 1993-07-16/30, art. 126, § 1, 003; En vigueur : 1993-07-30> <L 2006-03-27/33, art. 15, 007; En vigueur : 21-04-2006>
§ 2. La Cour compte, parmi ses juges d'expression française comme parmi ses juges d'expression néerlandaise, autant de juges répondant aux conditions fixées au § 1er, 1°, que de juges répondant à la condition fixée au § 1er, 2°.
Parmi les juges qui répondent aux conditions fixées au § 1er, 1°, un juge au moins doit satisfaire à la condition visée au a), (ou à la condition visée au b)), (un juge au moins doit satisfaire à la condition visée au c) et un juge au moins doit satisfaire à la condition visée sous d)). <L 1993-07-16/30, art. 126, § 2, 003; En vigueur : 1993-07-30> <L 2003-03-09/47, art. 11, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 3. Un candidat dont la présentation est fondée sur les conditions fixées au § 1er, 1°, ne peut être présenté en vertu de la condition fixée au § 1er, 2°.
Un candidat dont la présentation est fondée sur la condition fixée au § 1er, 2°, ne peut être présenté en vertu des conditions fixées au § 1er, 1°.
§ 4. Un juge, au moins, comptant parmi les juges qui répondent aux conditions fixées au § 1er, 1°, doit justifier d'une connaissance suffisante de l'allemand. Le Roi détermine le mode de justification de la connaissance de l'allemand.
(§ 5. [2 La Cour se compose de juges de sexe différent, tant en ce qui concerne les juges visés au § 1er, 1°, que ceux visés au § 1er, 2°.
Elle compte au moins un tiers de juges de chaque sexe.]2 ) <L 2003-03-09/47, art. 11, 006; En vigueur : indéterminée >
HOOFDSTUK II. - De referendarissen.
CHAPITRE II. - Des référendaires.
Art.35. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 wordt bijgestaan door ten hoogste (vierentwintig) referendarissen, van wie de ene helft Nederlandstalig en de andere helft Franstalig is, al naar de taal van het diploma, en die het bewijs hebben geleverd van een voldoende kennis van de tweede landstaal, voor een examencommissie samengesteld door [2 de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid]2. <W 2003-03-09/47, art. 12, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Ten minste één Nederlandstalige en één Franstalige referendaris moeten het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal, voor een examencommissie samengesteld door [2 de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid]2.
Ten minste één Nederlandstalige en één Franstalige referendaris moeten het bewijs leveren van een voldoende kennis van de Duitse taal, voor een examencommissie samengesteld door [2 de afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid]2.
Art.35. La [1 Cour constitutionnelle]1 est assistée par (vingt-quatre) référendaires au maximum, dont la moitié est d'expression française et l'autre d'expression néerlandaise, selon la langue du diplôme et qui ont justifié d'une connaissance suffisante de la seconde langue nationale devant un jury constitué par [2 l'administrateur délégué du Bureau de sélection de l'Administration fédérale]2. <L 2003-03-09/47, art. 12, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Un référendaire d'expression française et un référendaire d'expression néerlandaise, au moins, doivent justifier d'une connaissance suffisante de l'allemand, devant un jury constitué par [2 l'administrateur délégué du Bureau de sélection de l'Administration fédérale]2.
Un référendaire d'expression française et un référendaire d'expression néerlandaise, au moins, doivent justifier d'une connaissance suffisante de l'allemand, devant un jury constitué par [2 l'administrateur délégué du Bureau de sélection de l'Administration fédérale]2.
Art.36. Niemand kan tot referendaris worden benoemd tenzij hij vijfentwintig jaar oud en doctor of licentiaat in de rechten is.
Geen benoeming kan geschieden dan bij vacature en ten minste vijftien dagen na bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Die bekendmaking mag niet vroeger dan drie maanden vóór het ontstaan van de vacature geschieden.
Geen benoeming kan geschieden dan bij vacature en ten minste vijftien dagen na bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Die bekendmaking mag niet vroeger dan drie maanden vóór het ontstaan van de vacature geschieden.
Art.36. Nul ne peut être nommé référendaire s'il n'est âgé de vingt-cinq ans et s'il n'est docteur ou licencié en droit.
Il ne peut être procédé aux nominations qu'après que la place est devenue vacante et quinze jours au moins après la publication de la vacance au Moniteur belge. Cette publication pourra avoir lieu au plus tôt trois mois avant la vacance.
Il ne peut être procédé aux nominations qu'après que la place est devenue vacante et quinze jours au moins après la publication de la vacance au Moniteur belge. Cette publication pourra avoir lieu au plus tôt trois mois avant la vacance.
Art.37. De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen waarvan het Hof de voorwaarden bepaalt en de examencommissie aanstelt.
De examencommissie bestaat voor de ene helft uit rechters van het Hof en voor de andere helft uit buiten de instelling staande personen, met inachtneming van het taalevenwicht.
De examenuitslag blijft drie jaar geldig.
Het vergelijkend examen wordt, wat de gevolgen ervan betreft, gelijkgesteld met de vergelijkende examens die in de rijksbesturen en de instellingen van openbaar nut toegang verlenen tot het ambt van bestuurssecretaris-jurist.
De examencommissie bestaat voor de ene helft uit rechters van het Hof en voor de andere helft uit buiten de instelling staande personen, met inachtneming van het taalevenwicht.
De examenuitslag blijft drie jaar geldig.
Het vergelijkend examen wordt, wat de gevolgen ervan betreft, gelijkgesteld met de vergelijkende examens die in de rijksbesturen en de instellingen van openbaar nut toegang verlenen tot het ambt van bestuurssecretaris-jurist.
Art.37. Les candidats sont classés, en vue de leur nomination, lors d'un concours dont la Cour fixe les conditions et constitue le jury.
Le jury est composé pour moitié de juges de la Cour et pour moitié de personnes extérieures à l'institution dans le respect de la parité linguistique.
La durée de validité du concours est de trois ans.
Le concours est, quant à ses effets, assimilé aux concours donnant accès dans l'administration de l'Etat et dans les organismes d'intérêt public, aux fonctions de secrétaire d'administration-juriste.
Le jury est composé pour moitié de juges de la Cour et pour moitié de personnes extérieures à l'institution dans le respect de la parité linguistique.
La durée de validité du concours est de trois ans.
Le concours est, quant à ses effets, assimilé aux concours donnant accès dans l'administration de l'Etat et dans les organismes d'intérêt public, aux fonctions de secrétaire d'administration-juriste.
Art.38. De referendarissen worden door het Hof benoemd voor een stage van drie jaar volgens hun rangschikking bij het bij artikel 37 bedoelde vergelijkend examen.
Na die drie jaar wordt de benoeming definitief, behoudens andersluidende beslissing genomen door het Hof tijdens het derde stagejaar.
Na die drie jaar wordt de benoeming definitief, behoudens andersluidende beslissing genomen door het Hof tijdens het derde stagejaar.
Art.38. Les référendaires sont nommés par la Cour pour un stage de trois ans selon le classement du concours prévu à l'article 37.
Au terme de ces trois ans, la nomination devient définitive sauf décision contraire prise par la Cour durant la troisième année du stage.
Au terme de ces trois ans, la nomination devient définitive sauf décision contraire prise par la Cour durant la troisième année du stage.
Art.39. Het ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 wordt gelijkgesteld met de rechterlijke ambten ten aanzien van de benoemingsvoorwaarden bepaald in de artikelen 70 en 71 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en in de artikelen 187 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
De jaren als referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 doorgebracht, komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elke administratieve of gerechtelijke functie, of in een functie bij de Raad van State of bij het [1 Grondwettelijk Hof]1, die de referendarissen nadien zouden bekleden.
De jaren als referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 doorgebracht, komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elke administratieve of gerechtelijke functie, of in een functie bij de Raad van State of bij het [1 Grondwettelijk Hof]1, die de referendarissen nadien zouden bekleden.
Modifications
Art.39. Les fonctions de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 sont assimilées aux fonctions judiciaires pour ce qui concerne les conditions de nomination prévues aux articles 70 et 71 des lois sur le Conseil d'Etat coordonnées le 12 janvier 1973, et aux articles 187 et suivants du Code judiciaire.
Les années accomplies en tant que référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté dans toute fonction administrative ou judiciaire, ou dans une fonction au Conseil d'Etat ou à la [1 Cour constitutionnelle]1 que les référendaires pourraient exercer par la suite.
Les années accomplies en tant que référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté dans toute fonction administrative ou judiciaire, ou dans une fonction au Conseil d'Etat ou à la [1 Cour constitutionnelle]1 que les référendaires pourraient exercer par la suite.
Modifications
HOOFDSTUK III. - De griffiers.
CHAPITRE III. - Des greffiers.
Art.40. § 1. De Koning benoemt twee griffiers uit twee lijsten van elk twee kandidaten, de ene door de Nederlandse taalgroep, de andere door de Franse taalgroep van het [1 Grondwettelijk Hof]1 voorgedragen.
Artikel 32, tweede en derde lid, is mede van toepassing op deze voordrachten.
§ 2. De taalrol van een griffier wordt bepaald door zijn voordracht door de overeenstemmende taalgroep van het [1 Grondwettelijk Hof]1.
Artikel 32, tweede en derde lid, is mede van toepassing op deze voordrachten.
§ 2. De taalrol van een griffier wordt bepaald door zijn voordracht door de overeenstemmende taalgroep van het [1 Grondwettelijk Hof]1.
Modifications
Art.40. § 1. Le Roi nomme deux greffiers sur deux listes comprenant chacune deux candidats et présentées l'une par le groupe linguistique français et l'autre par le groupe linguistique néerlandais de la [1 Cour constitutionnelle]1.
L'article 32, alinéas deux et trois, est applicable à ces présentations.
§ 2. Le rôle linguistique d'un greffier est déterminé par sa présentation par le groupe linguistique correspondant de la [1 Cour constitutionnelle]1.
L'article 32, alinéas deux et trois, est applicable à ces présentations.
§ 2. Le rôle linguistique d'un greffier est déterminé par sa présentation par le groupe linguistique correspondant de la [1 Cour constitutionnelle]1.
Modifications
Art.41. (Om tot griffier van het [1 Grondwettelijk Hof]1 te kunnen worden benoemd moet de kandidaat :
1° volle dertig jaar oud zijn;
2° geslaagd zijn voor een van de volgende examens :
a) het vergelijkend examen van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1;
b) het vergelijkend examen van referendaris bij het Hof van Cassatie;
c) het vergelijkend examen van adjunct-auditeur of adjunct-referendaris bij de Raad van State;
d) het bij artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid;
e) het vergelijkend toelatingsexamen voor de gerechtelijke stage bedoeld in artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek;
f) het examen voor de wervingsgraad van niveau 1, kwalificatie " jurist ", voor de besturen van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en voor de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen evenals voor de diensten van het [1 Grondwettelijk Hof]1;
g) het examen voor de wervingsgraad van attaché, kwalificatie " jurist " voor de wetgevende kamers en (de Gemeenschaps- en Gewestparlementen); <L 2006-03-27/33, art. 16, 007; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
3° een nuttige ervaring van ten minste twee jaar hebben.) <W 2000-06-24/34, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-07-2000>
(Bovendien moet de Nederlandstalige kandidaat het bewijs leveren van de kennis van het Frans en moet de Franstalige kandidaat het bewijs leveren van de kennis van het Nederlands door het slagen in een van de examens bepaald in de artikelen 43quinquies en 53, § 6, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (, in artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966,) en in artikel 73, § 2, vijfde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.) <W 1994-06-27/31, art. 1, 2°, 004; Inwerkingtreding : 30-07-1994> <W 2000-06-24/34, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-07-2000>
1° volle dertig jaar oud zijn;
2° geslaagd zijn voor een van de volgende examens :
a) het vergelijkend examen van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1;
b) het vergelijkend examen van referendaris bij het Hof van Cassatie;
c) het vergelijkend examen van adjunct-auditeur of adjunct-referendaris bij de Raad van State;
d) het bij artikel 259bis van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid;
e) het vergelijkend toelatingsexamen voor de gerechtelijke stage bedoeld in artikel 259quater van het Gerechtelijk Wetboek;
f) het examen voor de wervingsgraad van niveau 1, kwalificatie " jurist ", voor de besturen van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en voor de instellingen van openbaar nut die ervan afhangen evenals voor de diensten van het [1 Grondwettelijk Hof]1;
g) het examen voor de wervingsgraad van attaché, kwalificatie " jurist " voor de wetgevende kamers en (de Gemeenschaps- en Gewestparlementen); <L 2006-03-27/33, art. 16, 007; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
3° een nuttige ervaring van ten minste twee jaar hebben.) <W 2000-06-24/34, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-07-2000>
(Bovendien moet de Nederlandstalige kandidaat het bewijs leveren van de kennis van het Frans en moet de Franstalige kandidaat het bewijs leveren van de kennis van het Nederlands door het slagen in een van de examens bepaald in de artikelen 43quinquies en 53, § 6, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (, in artikel 43, § 3, derde lid, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966,) en in artikel 73, § 2, vijfde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.) <W 1994-06-27/31, art. 1, 2°, 004; Inwerkingtreding : 30-07-1994> <W 2000-06-24/34, art. 2, 005; Inwerkingtreding : 22-07-2000>
Modifications
Art.41. (Pour pouvoir être nommé greffier de la [1 Cour constitutionnelle]1, le candidat doit :
1° être âgé de trente ans accomplis;
2° avoir réussi l'un des examens suivants :
a) le concours de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1;
b) le concours de référendaire à la Cour de Cassation;
c) le concours d'auditeur adjoint ou de référendaire adjoint au Conseil d'Etat;
d) l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'article 259bis du Code judiciaire;
e) le concours d'admission au stage judiciaire visé à l'article 259quater du Code judiciaire;
f) l'examen au grade de recrutement de niveau 1, qualification " juriste ", pour les administrations de l'autorité fédérale, des communautés et des régions et pour les organismes d'intérêt public qui en dépendent, ainsi que pour les services de la [1 Cour constitutionnelle]1;
g) l'examen au grade de recrutement d'attaché, qualification " juriste ", pour les chambres législatives et (Les parlements de Communauté et de Région) <L 2006-03-27/33, art. 16, 007; En vigueur : 21-04-2006>
3° avoir une expérience utile d'au moins deux ans.) <L 2000-06-24/34, art. 2, 005; En vigueur : 22-07-2000>
(En outre, le candidat d'expression française doit justifier de la connaissance de la langue néerlandaise et le candidat d'expression néerlandaise doit justifier de la connaissance de la langue française en réussissant un des examens prévus aux articles 43quinquies et 53, § 6, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire (, à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966,) et à l'article 73, § 2, alinéa 5, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.) <L 1994-06-27/31, art. 1, 2°, 004; En vigueur : 30-07-1994> <L 2000-06-24/34, art. 2, 005; En vigueur : 22-07-2000>
1° être âgé de trente ans accomplis;
2° avoir réussi l'un des examens suivants :
a) le concours de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1;
b) le concours de référendaire à la Cour de Cassation;
c) le concours d'auditeur adjoint ou de référendaire adjoint au Conseil d'Etat;
d) l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'article 259bis du Code judiciaire;
e) le concours d'admission au stage judiciaire visé à l'article 259quater du Code judiciaire;
f) l'examen au grade de recrutement de niveau 1, qualification " juriste ", pour les administrations de l'autorité fédérale, des communautés et des régions et pour les organismes d'intérêt public qui en dépendent, ainsi que pour les services de la [1 Cour constitutionnelle]1;
g) l'examen au grade de recrutement d'attaché, qualification " juriste ", pour les chambres législatives et (Les parlements de Communauté et de Région) <L 2006-03-27/33, art. 16, 007; En vigueur : 21-04-2006>
3° avoir une expérience utile d'au moins deux ans.) <L 2000-06-24/34, art. 2, 005; En vigueur : 22-07-2000>
(En outre, le candidat d'expression française doit justifier de la connaissance de la langue néerlandaise et le candidat d'expression néerlandaise doit justifier de la connaissance de la langue française en réussissant un des examens prévus aux articles 43quinquies et 53, § 6, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire (, à l'article 43, § 3, alinéa 3, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966,) et à l'article 73, § 2, alinéa 5, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.) <L 1994-06-27/31, art. 1, 2°, 004; En vigueur : 30-07-1994> <L 2000-06-24/34, art. 2, 005; En vigueur : 22-07-2000>
Modifications
HOOFDSTUK IV. - Het administratief personeel.
CHAPITRE IV. - Du personnel administratif.
Art.42. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 beschikt over eigen personeel. Het Hof stelt de personeelsformatie en het taalkader van het personeel vast, met inachtneming van de taalpariteit per niveau; het benoemt en ontslaat de leden van het personeel.
De Koning keurt de formatie en het kader bedoeld in het eerste lid goed.
Behoudens andersluidende beslissing van het Hof, vereist voor de goede werking van zijn diensten en vastgelegd in een reglement goedgekeurd bij koninklijk besluit, is het personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op de in vast verband benoemde ambtenaren van het Rijk.
De Koning keurt de formatie en het kader bedoeld in het eerste lid goed.
Behoudens andersluidende beslissing van het Hof, vereist voor de goede werking van zijn diensten en vastgelegd in een reglement goedgekeurd bij koninklijk besluit, is het personeel onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op de in vast verband benoemde ambtenaren van het Rijk.
Modifications
Art.42. La [1 Cour constitutionnelle]1 dispose d'un personnel propre. Elle fixe le cadre organique et le cadre linguistique du personnel, dans le respect de la parité linguistique par niveau; elle nomme et révoque les membres du personnel.
Le Roi approuve les cadres visés à l'alinéa premier.
Sauf décision contraire de la Cour, nécessitée par le bon fonctionnement de ses services et fixée dans un règlement approuvé par arrêté royal, le personnel est soumis aux règles légales et statutaires applicables aux agents définitifs de l'Etat.
Le Roi approuve les cadres visés à l'alinéa premier.
Sauf décision contraire de la Cour, nécessitée par le bon fonctionnement de ses services et fixée dans un règlement approuvé par arrêté royal, le personnel est soumis aux règles légales et statutaires applicables aux agents définitifs de l'Etat.
Modifications
Art.43. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 beslist over de opdrachten, de verhindering en de vervanging, de afwezigheid, het verlof en de vakantie van de leden van het administratief personeel.
Het Hof kan die bevoegdheid geheel of ten dele opdragen aan een personeelscommissie, bestaande uit de twee voorzitters, twee rechters van de Nederlandse taalgroep en twee rechters van de Franse taalgroep, door het Hof aangewezen voor een termijn van vier jaar. Zij zijn herkiesbaar.
Het Hof kan die bevoegdheid geheel of ten dele opdragen aan een personeelscommissie, bestaande uit de twee voorzitters, twee rechters van de Nederlandse taalgroep en twee rechters van de Franse taalgroep, door het Hof aangewezen voor een termijn van vier jaar. Zij zijn herkiesbaar.
Modifications
Art.43. La Cour décide des délégations, des empêchements et des remplacements, des absences, congés et vacances des membres du personnel administratif.
La Cour peut déléguer tout ou partie de ce pouvoir à une commission du personnel, composée des deux présidents, deux juges du groupe linguistique français et deux juges du groupe linguistique néerlandais, désignés par la Cour pour une durée de quatre ans. Ils sont rééligibles.
La Cour peut déléguer tout ou partie de ce pouvoir à une commission du personnel, composée des deux présidents, deux juges du groupe linguistique français et deux juges du groupe linguistique néerlandais, désignés par la Cour pour une durée de quatre ans. Ils sont rééligibles.
HOOFDSTUK V. - Onverenigbaarheden.
CHAPITRE V. - Incompatibilités.
Art.44. De ambten van rechter, van referendaris en van griffier zijn onverenigbaar met de rechterlijke ambten, met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advocaat, met de militaire stand en met de functie van bedienaar van een erkende eredienst.
Van het eerste lid kan door de Koning, op gunstig en beredeneerd advies van het Hof, worden afgeweken :
1° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, lector of assistent in een inrichting voor hoger onderwijs, voor zover het ambt gedurende niet meer dan vijf uur per week en gedurende niet meer dan twee halve dagen per week wordt uitgeoefend;
2° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van lid van een examencommissie;
3° wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies, voor zover het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan een tiende van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in het Hof.
Van het eerste lid kan door de Koning, op gunstig en beredeneerd advies van het Hof, worden afgeweken :
1° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, lector of assistent in een inrichting voor hoger onderwijs, voor zover het ambt gedurende niet meer dan vijf uur per week en gedurende niet meer dan twee halve dagen per week wordt uitgeoefend;
2° wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van lid van een examencommissie;
3° wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies, voor zover het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan een tiende van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in het Hof.
Art.44. Les fonctions de juge, de référendaire et de greffier, sont incompatibles avec les fonctions judiciaires, avec l'exercice d'un mandat public conféré par élection, avec toute fonction ou charge publique d'ordre politique ou administratif, avec les charges de notaire et d'huissier de justice, avec la profession d'avocat, avec l'état de militaire et avec la fonction de ministre d'un culte reconnu.
Il peut être dérogé par le Roi, sur avis favorable et motivé de la Cour, à l'alinéa 1er :
1° lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de professeur, chargé de cours, maître de conférence ou assistant dans les établissements d'enseignement supérieur, pour autant que ces fonctions ne s'exercent pas pendant plus de cinq heures par semaine ni en plus de deux demi-jours par semaine;
2° lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de membre d'un jury d'examen;
3° lorsqu'il s'agit de la participation à une commission, à un conseil ou comité consultatif, pour autant que le nombre de charges ou fonctions rémunérées soit limité à deux et que l'ensemble de leurs rémunérations ne soit pas supérieur au dixième du traitement brut annuel de la fonction principale à la Cour.
Il peut être dérogé par le Roi, sur avis favorable et motivé de la Cour, à l'alinéa 1er :
1° lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de professeur, chargé de cours, maître de conférence ou assistant dans les établissements d'enseignement supérieur, pour autant que ces fonctions ne s'exercent pas pendant plus de cinq heures par semaine ni en plus de deux demi-jours par semaine;
2° lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de membre d'un jury d'examen;
3° lorsqu'il s'agit de la participation à une commission, à un conseil ou comité consultatif, pour autant que le nombre de charges ou fonctions rémunérées soit limité à deux et que l'ensemble de leurs rémunérations ne soit pas supérieur au dixième du traitement brut annuel de la fonction principale à la Cour.
Art.45. De voorzitters, de rechters, de referendarissen en de griffiers mogen niet voor enige andere openbare dienst worden opgevorderd, behoudens de gevallen die de wet bepaalt.
Art.45. Les présidents, les juges, les référendaires et les greffiers ne peuvent être requis pour aucun service public, sauf les cas prévus par la loi.
Art.46. Het is de voorzitters, de rechters, de referendarissen en de griffiers verboden :
1° mondeling of schriftelijk de verdediging van de belanghebbenden te voeren of hun consult te geven;
2° in een scheidsgerecht op te treden tegen bezoldiging;
3° hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige beroepsactiviteit uit te oefenen, enige handel te drijven, als zaakwaarnemer op te treden, deel te nemen aan de leiding, het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen.
1° mondeling of schriftelijk de verdediging van de belanghebbenden te voeren of hun consult te geven;
2° in een scheidsgerecht op te treden tegen bezoldiging;
3° hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige beroepsactiviteit uit te oefenen, enige handel te drijven, als zaakwaarnemer op te treden, deel te nemen aan de leiding, het bestuur van of het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen.
Art.46. Les présidents, les juges, les référendaires et les greffiers ne peuvent :
1° assumer la défense des intéressés, ni verbalement, ni par écrit, ni leur donner des consultations;
2° faire de l'arbitrage rémunéré;
3° soit personnellement, soit par personne interposée, exercer aucune activité professionnelle, aucune espèce de commerce, être agent d'affaires, participer à la direction, à l'administration ou à la surveillance de sociétés commerciales ou d'établissements industriels ou commerciaux.
1° assumer la défense des intéressés, ni verbalement, ni par écrit, ni leur donner des consultations;
2° faire de l'arbitrage rémunéré;
3° soit personnellement, soit par personne interposée, exercer aucune activité professionnelle, aucune espèce de commerce, être agent d'affaires, participer à la direction, à l'administration ou à la surveillance de sociétés commerciales ou d'établissements industriels ou commerciaux.
Art.47. De bloed- en aanverwanten, tot en met de derde graad, mogen, tenzij de Koning dit verbod heeft opgeheven, niet tegelijkertijd voorzitter of rechter en referendaris zijn.
Art.47. Les parents et alliés, jusqu'au troisième degré inclusivement, ne peuvent être simultanément président ou juge et référendaire sans une dispense du Roi.
Art.48. § 1. Artikel 44, eerste lid, en artikel 46, 1° en 2°, zijn mede van toepassing op de leden van het administratief personeel van het [1 Grondwettelijk Hof]1.
§ 2. Afwijkingen kunnen hun door het Hof worden toegestaan in de gevallen waarin de op de Rijksambtenaren toepasselijke bepalingen aan dezen of hun echtgenoot de uitoefening van bepaalde aanvullende bezigheden toestaan.
§ 2. Afwijkingen kunnen hun door het Hof worden toegestaan in de gevallen waarin de op de Rijksambtenaren toepasselijke bepalingen aan dezen of hun echtgenoot de uitoefening van bepaalde aanvullende bezigheden toestaan.
Modifications
Art.48. § 1. L'article 44, alinéa premier, et l'article 46, 1° et 2°, sont applicables aux membres du personnel administratif de la [1 Cour constitutionnelle]1.
§ 2. Des dérogations peuvent leur être accordées par la Cour dans les cas où les dispositions applicables aux agents de l'Etat permettent à ceux-ci ou à leur conjoint l'exercice de certaines occupations complémentaires.
§ 2. Des dérogations peuvent leur être accordées par la Cour dans les cas où les dispositions applicables aux agents de l'Etat permettent à ceux-ci ou à leur conjoint l'exercice de certaines occupations complémentaires.
Modifications
HOOFDSTUK VI. - Tucht.
CHAPITRE VI. - De la discipline.
Art.49. De voorzitters en de rechters die te kort geschoten zijn in de waardigheid van hun ambt of aan de plichten van hun staat, kunnen uit hun ambt ontzet of daarin geschorst worden, bij een arrest dat door het [1 Grondwettelijk Hof]1 wordt uitgesproken.
Modifications
Art.49. Les présidents et les juges qui ont manqué à la dignité de leurs fonctions ou aux devoirs de leur état peuvent être destitués ou suspendus de leurs fonctions par arrêt rendu par la [1 Cour constitutionnelle]1.
Modifications
Art.50. § 1. De referendarissen en de griffiers die zich aan plichtverzuim schuldig maken, worden vermaand en berispt door de voorzitter, en geschorst en ontslagen door het [1 Grondwettelijk Hof]1. Op de schorsing staat inhouding van wedde, met al de gevolgen van dien, zowel ten aanzien van het pensioen als van de latere weddeverhogingen.
§ 2. Geen dezer straffen mag worden toegepast zonder dat de betrokkene eerst gehoord of behoorlijk opgeroepen is.
§ 3. Worden zij vervolgd wegens misdaad of wanbedrijf of op tuchtrechterlijk gebied, dan kunnen de referendarissen en de griffiers, wanneer het belang van de dienst zulks vergt, bij ordemaatregel door het [1 Grondwettelijk Hof]1 in hun ambt geschorst worden, zolang de vervolging duurt en totdat de eindbeslissing gevallen is.
De schorsing bij ordemaatregel wordt uitgesproken voor de tijd van één maand en kan daarna van maand tot maand verlengd worden, totdat een eindbeslissing intreedt. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 is bevoegd te beslissen dat deze schorsing voorlopige, algehele of gedeeltelijke inhouding van wedde meebrengt, zolang de straftijd of een gedeelte van de straftijd loopt.
§ 2. Geen dezer straffen mag worden toegepast zonder dat de betrokkene eerst gehoord of behoorlijk opgeroepen is.
§ 3. Worden zij vervolgd wegens misdaad of wanbedrijf of op tuchtrechterlijk gebied, dan kunnen de referendarissen en de griffiers, wanneer het belang van de dienst zulks vergt, bij ordemaatregel door het [1 Grondwettelijk Hof]1 in hun ambt geschorst worden, zolang de vervolging duurt en totdat de eindbeslissing gevallen is.
De schorsing bij ordemaatregel wordt uitgesproken voor de tijd van één maand en kan daarna van maand tot maand verlengd worden, totdat een eindbeslissing intreedt. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 is bevoegd te beslissen dat deze schorsing voorlopige, algehele of gedeeltelijke inhouding van wedde meebrengt, zolang de straftijd of een gedeelte van de straftijd loopt.
Modifications
Art.50. § 1. Les référendaires et les greffiers qui manquent à leurs devoirs, sont avertis et réprimandés par le président, suspendus et démis par la [1 Cour constitutionnelle]1. La suspension comporte la privation du traitement, avec les répercussions qui lui sont inhérentes, tant en matière de pensions que pour l'octroi des augmentations ultérieures de traitement.
§ 2. Aucune sanction n'est infligée sans que la personne concernée ait été entendue ou dûment appelée.
§ 3. Lorsqu'ils sont poursuivis pour un crime ou un délit ou dans le cas de poursuites disciplinaires, les référendaires et les greffiers peuvent, lorsque l'intérêt du service le requiert, être suspendus de leurs fonctions par mesure d'ordre par la [1 Cour constitutionnelle]1, pendant la durée des poursuites et jusqu'à la décision finale.
La suspension par mesure d'ordre est prononcée pour un mois; elle peut être prorogée de mois en mois jusqu'à la décision définitive. La [1 Cour constitutionnelle]1 peut décider que cette mesure comportera, pendant tout ou partie de sa durée, retenue provisoire, totale ou partielle du traitement.
§ 2. Aucune sanction n'est infligée sans que la personne concernée ait été entendue ou dûment appelée.
§ 3. Lorsqu'ils sont poursuivis pour un crime ou un délit ou dans le cas de poursuites disciplinaires, les référendaires et les greffiers peuvent, lorsque l'intérêt du service le requiert, être suspendus de leurs fonctions par mesure d'ordre par la [1 Cour constitutionnelle]1, pendant la durée des poursuites et jusqu'à la décision finale.
La suspension par mesure d'ordre est prononcée pour un mois; elle peut être prorogée de mois en mois jusqu'à la décision définitive. La [1 Cour constitutionnelle]1 peut décider que cette mesure comportera, pendant tout ou partie de sa durée, retenue provisoire, totale ou partielle du traitement.
Modifications
HOOFDSTUK VII. - Diverse bepalingen.
CHAPITRE VII. - Dispositions diverses.
Art.51. § 1. De voorzitters en de rechters leggen in handen van de Koning de eed af die voorgeschreven is bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831.
§ 2. De referendarissen en de griffiers leggen die eed af in handen van de voorzitter.
§ 3. Zij zijn gehouden tot de eedaflegging binnen een maand na de dag waarop hun benoeming hun is bekendgemaakt; anders kan in hun vervanging worden voorzien.
§ 4. De eed wordt in het Nederlands of in het Frans afgelegd naargelang de betrokkene Nederlandstalig of Franstalig is.
§ 2. De referendarissen en de griffiers leggen die eed af in handen van de voorzitter.
§ 3. Zij zijn gehouden tot de eedaflegging binnen een maand na de dag waarop hun benoeming hun is bekendgemaakt; anders kan in hun vervanging worden voorzien.
§ 4. De eed wordt in het Nederlands of in het Frans afgelegd naargelang de betrokkene Nederlandstalig of Franstalig is.
Art.51. § 1. Les présidents et les juges prêtent entre les mains du Roi le serment prescrit par l'article 2 du décret du 20 juillet 1831.
§ 2. Les référendaires et les greffiers prêtent ce serment entre les mains du président.
§ 3. Ils sont tenus à la prestation de serment dans le mois qui suit le jour où leur nomination leur a été notifiée, à défaut de quoi il peut être pourvu à leur remplacement.
§ 4. Le serment est prêté en français ou en néerlandais selon que l'intéressé est d'expression française ou d'expression néerlandaise.
§ 2. Les référendaires et les greffiers prêtent ce serment entre les mains du président.
§ 3. Ils sont tenus à la prestation de serment dans le mois qui suit le jour où leur nomination leur a été notifiée, à défaut de quoi il peut être pourvu à leur remplacement.
§ 4. Le serment est prêté en français ou en néerlandais selon que l'intéressé est d'expression française ou d'expression néerlandaise.
Art.52. De Koning bepaalt de ambtskledij die de ambtsdragers van het [1 Grondwettelijk Hof]1 op terechtzittingen en bij officiële plechtigheden dragen.
Hij regelt voorrang en eerbewijzen.
Hij regelt voorrang en eerbewijzen.
Modifications
Art.52. Le Roi prescrit le costume porté aux audiences et dans les cérémonies officielles par les titulaires de fonctions à la [1 Cour constitutionnelle]1.
Il règle la préséance et les honneurs.
Il règle la préséance et les honneurs.
Modifications
Art.53. De Koning richt een concordantiedienst bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 op.
Modifications
Art.53. Le Roi crée un service de concordance auprès de la [1 Cour constitutionnelle]1.
Modifications
TITEL III. - WERKWIJZE VAN HET [1 GRONDWETTELIJK HOF]1.
TITRE III. - DU FONCTIONNEMENT DE LA [1 COUR CONSTITUTIONNELLE]1.
Art.54. Het voorzitterschap wordt om beurten door elke voorzitter waargenomen voor een termijn van een jaar.
Deze termijn neemt een aanvang op één september van elk jaar.
Deze termijn neemt een aanvang op één september van elk jaar.
Art.54. La présidence est exercée à tour de role par chaque président pour une période d'un an.
Ces périodes débutent le premier septembre de chaque année.
Ces périodes débutent le premier septembre de chaque année.
Art.55. Onverminderd het bepaalde in artikel 56 houdt het [1 Grondwettelijk Hof]1 zijn terechtzittingen, beraadslaagt het en doet het uitspraak met zeven rechters : drie Nederlandstalige, drie Franstalige en de voorzitter, of bij diens ontstentenis, de oudstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de oudste rechter in jaren van dezelfde taalgroep.
Onder de zeven rechters, bedoeld in het eerste lid, moeten ten minste twee rechters voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 34, § 1, 1°, en ten minste twee rechters aan de voorwaarde gesteld in artikel 34, § 1, 2°.
Wanneer het een zaak betreft die moet worden behandeld in de taal die niet de taal is van de taalgroep waartoe hij behoort, delegeert de voorzitter zijn bevoegdheden aan de andere voorzitter of, bij diens ontstentenis, aan de oudstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de oudste rechter in jaren van de andere taalgroep.
Elke beslissing wordt genomen bij meerderheid van stemmen van de leden.
Onder de zeven rechters, bedoeld in het eerste lid, moeten ten minste twee rechters voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 34, § 1, 1°, en ten minste twee rechters aan de voorwaarde gesteld in artikel 34, § 1, 2°.
Wanneer het een zaak betreft die moet worden behandeld in de taal die niet de taal is van de taalgroep waartoe hij behoort, delegeert de voorzitter zijn bevoegdheden aan de andere voorzitter of, bij diens ontstentenis, aan de oudstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de oudste rechter in jaren van de andere taalgroep.
Elke beslissing wordt genomen bij meerderheid van stemmen van de leden.
Modifications
Art.55. Sans préjudice de l'article 56, la [1 Cour constitutionnelle]1 tient ses audiences, délibère et statue étant composée de sept juges : trois d'expression française, trois d'expression néerlandaise et le président ou, à son défaut, le juge le plus ancien ou, le cas échéant, le plus âgé du même groupe linguistique.
Parmi les sept juges visés à l'alinéa 1er, deux au moins doivent répondre aux conditions fixées à l'article 34, § 1er, 1°, et deux au moins doivent répondre à la condition fixée à l'article 34, § 1er, 2°.
Lorsqu'il s'agit d'une affaire qui doit être traitée dans la langue qui n'est pas celle du groupe linguistique auquel il appartient, le président délègue ses compétences à l'autre président ou, à son défaut, au juge le plus ancien ou, le cas échéant, le plus âgé de l'autre groupe linguistique.
Toute décision est prise à la majorité des voix des membres.
Parmi les sept juges visés à l'alinéa 1er, deux au moins doivent répondre aux conditions fixées à l'article 34, § 1er, 1°, et deux au moins doivent répondre à la condition fixée à l'article 34, § 1er, 2°.
Lorsqu'il s'agit d'une affaire qui doit être traitée dans la langue qui n'est pas celle du groupe linguistique auquel il appartient, le président délègue ses compétences à l'autre président ou, à son défaut, au juge le plus ancien ou, le cas échéant, le plus âgé de l'autre groupe linguistique.
Toute décision est prise à la majorité des voix des membres.
Modifications
Art.56. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 komt in voltallige zitting bijeen om de nodige beslissingen te nemen met toepassing van de artikelen 37, 38, 42, 43, 44, 49, 50, 100 en 122.
Wanneer hij het nodig oordeelt, kan elk van beide voorzitters een zaak voorleggen aan het [1 Grondwettelijk Hof]1 in voltallige zitting. De voorzitters zijn ertoe gehouden wanneer van de zeven rechters die overeenkomstig artikel 55 de zetel samenstellen, twee rechters erom verzoeken.
In voltallige zitting kan het Hof slechts uitspraak doen voor zover er ten minste tien rechters en evenveel Nederlandstalige als Franstalige rechters aanwezig zijn. Zo aan deze laatste voorwaarde niet is voldaan, moet de jongstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de jongste rechter in jaren van de talrijkste taalgroep, zich van elke beslissing onthouden.
Wanneer het Hof uitspraak doet in voltallige zitting, is bij staking van stemmen, de stem van de voorzitter beslissend. Wanneer de voorzitter afwezig of verhinderd is, wordt hij vervangen door de oudstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de oudste rechter in jaren van dezelfde taalgroep.
Wanneer hij het nodig oordeelt, kan elk van beide voorzitters een zaak voorleggen aan het [1 Grondwettelijk Hof]1 in voltallige zitting. De voorzitters zijn ertoe gehouden wanneer van de zeven rechters die overeenkomstig artikel 55 de zetel samenstellen, twee rechters erom verzoeken.
In voltallige zitting kan het Hof slechts uitspraak doen voor zover er ten minste tien rechters en evenveel Nederlandstalige als Franstalige rechters aanwezig zijn. Zo aan deze laatste voorwaarde niet is voldaan, moet de jongstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de jongste rechter in jaren van de talrijkste taalgroep, zich van elke beslissing onthouden.
Wanneer het Hof uitspraak doet in voltallige zitting, is bij staking van stemmen, de stem van de voorzitter beslissend. Wanneer de voorzitter afwezig of verhinderd is, wordt hij vervangen door de oudstbenoemde rechter of, in voorkomend geval, de oudste rechter in jaren van dezelfde taalgroep.
Modifications
Art.56. La [1 Cour constitutionnelle]1 se réunit en séance plénière pour prendre les décisions en application des articles 37, 38, 42, 43, 44, 49, 50, 100 et 122.
Lorsqu'il l'estime nécessaire, chacun des présidents peut soumettre une affaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 réunie en séance plénière. Les présidents y sont tenus lorsque, parmi les sept juges qui, conformément à l'article 55, composent le siège, deux juges en font la demande.
En séance plénière, la Cour ne peut statuer que si au moins dix juges et autant de juges d'expression française que de juges d'expression néerlandaise sont présents. Si cette dernière condition n'est pas remplie, le juge le dernier nommé ou, le cas échéant, le juge le plus jeune du groupe linguistique le plus nombreux doit s'abstenir pour chaque décision.
Lorsque la Cour statue en séance plénière, la voix du président est prépondérante en cas de parité des voix. Lorsque le président est absent ou empêché, il est remplacé par le juge le plus ancien ou, le cas échéant, le plus âgé du même groupe linguistique.
Lorsqu'il l'estime nécessaire, chacun des présidents peut soumettre une affaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 réunie en séance plénière. Les présidents y sont tenus lorsque, parmi les sept juges qui, conformément à l'article 55, composent le siège, deux juges en font la demande.
En séance plénière, la Cour ne peut statuer que si au moins dix juges et autant de juges d'expression française que de juges d'expression néerlandaise sont présents. Si cette dernière condition n'est pas remplie, le juge le dernier nommé ou, le cas échéant, le juge le plus jeune du groupe linguistique le plus nombreux doit s'abstenir pour chaque décision.
Lorsque la Cour statue en séance plénière, la voix du président est prépondérante en cas de parité des voix. Lorsque le président est absent ou empêché, il est remplacé par le juge le plus ancien ou, le cas échéant, le plus âgé du même groupe linguistique.
Modifications
Art.57. Artikel 258 van het Strafwetboek betreffende de rechtsweigering is mede van toepassing op de rechters bij het [1 Grondwettelijk Hof]1.
Modifications
Art.57. L'article 258 du Code pénal relatif au déni de justice est applicable aux juges de la [1 Cour constitutionnelle]1.
Modifications
Art.58. Op 1 september van elk jaar maken de voorzitters, ten behoeve van de dienst, een lijst op van de rechters van hun taalgroep. [1 ...]1 [1 ...]1
Modifications
Art.58. Le 1er septembre de chaque année, les présidents établissent, pour les besoins du service, une liste des juges de leur groupe linguistique. [1 ...]1 [1 ...]1
Modifications
Art.59. De voorzitters nemen zitting in alle zaken.
Voor elke zaak wijst de voorzitter in functie de leden van de zetel aan met inachtneming van de volgende regels. Op zijn lijst plaatst hij :
- voor de eerste zaak, de eerste, de tweede en de derde naam;
- voor de tweede zaak, de vierde, de vijfde en de eerste naam, en zo verder.
Op de lijst van de andere voorzitter plaatst hij :
- voor de eerste zaak, de eerste en de tweede naam;
- voor de tweede zaak, de derde en de vierde naam;
- voor de derde zaak, de vijfde en de eerste naam, en zo verder.
De volgorde van de zaken is die bepaald in artikel 67.
Voor elke zaak wijst de voorzitter in functie de leden van de zetel aan met inachtneming van de volgende regels. Op zijn lijst plaatst hij :
- voor de eerste zaak, de eerste, de tweede en de derde naam;
- voor de tweede zaak, de vierde, de vijfde en de eerste naam, en zo verder.
Op de lijst van de andere voorzitter plaatst hij :
- voor de eerste zaak, de eerste en de tweede naam;
- voor de tweede zaak, de derde en de vierde naam;
- voor de derde zaak, de vijfde en de eerste naam, en zo verder.
De volgorde van de zaken is die bepaald in artikel 67.
Art.59. Les présidents siègent dans toutes les affaires.
Pour chaque affaire, le président en exercice désigne les juges du siège en se conformant aux règles suivantes. Dans sa liste, il retient :
- pour la première affaire, les premier, deuxième et troisième noms;
- pour la deuxième affaire, les quatrième, cinquième et premier noms, et ainsi de suite.
Dans la liste de l'autre président, il retient :
- pour la première affaire, les premier et deuxième noms;
- pour la deuxième affaire, les troisième et quatrième noms;
- pour la troisième affaire, les cinquième et premier noms, et ainsi de suite.
L'ordre des affaires est celui que détermine l'article 67.
Pour chaque affaire, le président en exercice désigne les juges du siège en se conformant aux règles suivantes. Dans sa liste, il retient :
- pour la première affaire, les premier, deuxième et troisième noms;
- pour la deuxième affaire, les quatrième, cinquième et premier noms, et ainsi de suite.
Dans la liste de l'autre président, il retient :
- pour la première affaire, les premier et deuxième noms;
- pour la deuxième affaire, les troisième et quatrième noms;
- pour la troisième affaire, les cinquième et premier noms, et ainsi de suite.
L'ordre des affaires est celui que détermine l'article 67.
Art.60. Bij afwezigheid of verhindering van een rechter die geen voorzitter is, wordt die rechter vervangen door degene die, benoemd op grond van dezelfde bepaling, na hem komt op de lijst of, als hij de laatste is op die lijst, door de eerste.
Art.60. En cas d'absence ou d'empêchement d'un juge autre qu'un président, ce juge est remplacé par celui qui, nommé sur base de la même disposition, le suit sur la liste ou, s'il est le dernier de cette liste, par le premier.
Art. 60bis. <INGEVOEGD bij W 2001-04-02/33, art. 2, 003; Inwerkingtreding : 01-03-2001> De voorzitters en de rechters die wegens hun leeftijd in ruste worden gesteld, blijven hun ambt uitoefenen in de zaken waarin zij zitting hadden ter terechtzitting en die in beraad zijn genomen vóór de datum van hun inrustestelling en nog niet tot een beslissing hebben geleid, behalve indien de voorzitter in functie hen op hun verzoek daarvan vrijstelt.
De verlenging van de ambtsuitoefening kan de termijn van zes maanden niet overschrijden.
Voor de toepassing van artikel 56, eerste lid, nemen de voorzitters en de rechters die wegens hun leeftijd in ruste worden gesteld, zitting tot op het ogenblik waarop hun opvolger de eed heeft afgelegd.
De verlenging van de ambtsuitoefening kan de termijn van zes maanden niet overschrijden.
Voor de toepassing van artikel 56, eerste lid, nemen de voorzitters en de rechters die wegens hun leeftijd in ruste worden gesteld, zitting tot op het ogenblik waarop hun opvolger de eed heeft afgelegd.
Art. 60bis. Les présidents et les juges admis à la retraite en raison de leur âge continuent d'exercer leurs fonctions dans les affaires dans lesquelles ils siégeaient à l'audience et qui ont été mises en délibéré avant la date de leur admission à la retraite et n'ont pas encore donné lieu à décision, sauf si le président en exercice les en dispense à leur demande.
La prolongation de l'exercice des fonctions ne peut dépasser le délai de six mois.
En vue de l'application de l'article 56, alinéa 1er, les présidents et les juges admis à la retraite en raison de leur âge siègent jusqu'au moment où leur successeur a prêté serment.
La prolongation de l'exercice des fonctions ne peut dépasser le délai de six mois.
En vue de l'application de l'article 56, alinéa 1er, les présidents et les juges admis à la retraite en raison de leur âge siègent jusqu'au moment où leur successeur a prêté serment.
Art.61. Het Hof wordt bijgestaan door de griffier wiens taal die van het onderzoek is.
Art.61. La Cour est assistée par le greffier dont la langue est celle de l'instruction.
TITEL IV. - GEBRUIK VAN DE TALEN.
TITRE IV. - DE L'EMPLOI DES LANGUES.
HOOFDSTUK I. - Gebruik van de talen voor het [1 Grondwettelijk Hof]1.
CHAPITRE I-De l'emploi des langues devant la [1 Cour constitutionnelle]1.
Art.62. De zaken worden bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 ingediend in het Nederlands, in het Frans of in het Duits.
In de akten en verklaringen :
1° gebruikt de Ministerraad het Nederlands of het Frans, naar gelang van de regels bepaald in artikel 17, § 1, van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
2° gebruiken de Executieven hun bestuurstaal;
3° gebruiken de rechtscolleges de taal of de talen waarin zij hun beslissing moeten stellen;
4° gebruiken de voorzitters van de Wetgevende Kamers, de voorzitter van (het Brussels Hoofdstedelijk Parlement) en de voorzitter van de verenigde vergadering van [3 de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie]3 het Nederlands en het Frans; <W 2006-03-27/33, art. 17, 007; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
5° [3 gebruiken de voorzitter van het Vlaams Parlement het Nederlands, de voorzitter van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap het Duits, en de voorzitters van het Parlement van de Franse Gemeenschap, van het Waals Parlement en van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie het Frans;]3
6° gebruiken de personen die doen blijken van een belang, de taal die zij verkiezen behalve indien zij onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, in welk geval zij de taal gebruiken die hen is opgelegd door de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
[2 7° gebruikt de verkozen kandidaat die een beroep instelt tegen een beslissing van de Controlecommissie, de taal waarin hij de eed heeft afgelegd;
8° gebruikt de Controlecommissie in geval van beroep tegen een van haar beslissingen de taal van de verzoeker.]2
Het Hof stelt ambtshalve de nietigheid vast van de akten en verklaringen van de Ministerraad, van de Executieven, van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en van de personen onderworpen aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken die niet aan het Hof worden gericht in de door het tweede lid opgelegde taal.
In de akten en verklaringen :
1° gebruikt de Ministerraad het Nederlands of het Frans, naar gelang van de regels bepaald in artikel 17, § 1, van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966;
2° gebruiken de Executieven hun bestuurstaal;
3° gebruiken de rechtscolleges de taal of de talen waarin zij hun beslissing moeten stellen;
4° gebruiken de voorzitters van de Wetgevende Kamers, de voorzitter van (het Brussels Hoofdstedelijk Parlement) en de voorzitter van de verenigde vergadering van [3 de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie]3 het Nederlands en het Frans; <W 2006-03-27/33, art. 17, 007; Inwerkingtreding : 21-04-2006>
5° [3 gebruiken de voorzitter van het Vlaams Parlement het Nederlands, de voorzitter van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap het Duits, en de voorzitters van het Parlement van de Franse Gemeenschap, van het Waals Parlement en van de Vergadering van de Franse Gemeenschapscommissie het Frans;]3
6° gebruiken de personen die doen blijken van een belang, de taal die zij verkiezen behalve indien zij onderworpen zijn aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, in welk geval zij de taal gebruiken die hen is opgelegd door de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
[2 7° gebruikt de verkozen kandidaat die een beroep instelt tegen een beslissing van de Controlecommissie, de taal waarin hij de eed heeft afgelegd;
8° gebruikt de Controlecommissie in geval van beroep tegen een van haar beslissingen de taal van de verzoeker.]2
Het Hof stelt ambtshalve de nietigheid vast van de akten en verklaringen van de Ministerraad, van de Executieven, van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en van de personen onderworpen aan de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken die niet aan het Hof worden gericht in de door het tweede lid opgelegde taal.
Art.62. Les affaires sont introduites devant la [1 Cour constitutionnelle]1 en français, en néerlandais ou en allemand.
Dans les actes et déclarations :
1° le Conseil des Ministres utilise le français ou le néerlandais selon les règles fixées à l'article 17, § 1er, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées le 18 juillet 1966;
2° les Exécutifs utilisent leur langue administrative;
3° les juridictions utilisent la langue ou les langues dans laquelle ou dans lesquelles elles doivent rédiger leur décision;
4° les présidents des Chambres législatives, le président du (Le Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale) et le président de l'assemblée réunie [3 de la Commission communautaire commune]3 utilisent le français et le néerlandais;
5° [3 les présidents du Parlement de la Communauté française, du Parlement wallon et de l'Assemblée de la Commission communautaire française utilisent le français, le président du Parlement de la Communauté germanophone l'allemand, et le président du Parlement flamand le néerlandais;]3
6° les personnes ayant à justifier d'un intérêt utilisent la langue de leur choix, hormis le cas où elles sont soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative, auquel cas elles utilisent la langue qui est déterminée par les lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
[2 7° le candidat élu qui introduit un recours contre une décision de la Commission de contrôle utilise la langue dans laquelle il a prêté serment;
8° la Commission de contrôle utilise la langue utilisée par le requérant en cas de recours contre l'une de ses décisions.]2
La Cour constate d'office que les actes et les déclarations du Conseil des Ministres, des Exécutifs, des présidents des assemblées législatives et des personnes soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative, qui ne sont pas adressés à la Cour dans la langue prescrite par l'alinéa 2, sont nuls.
Dans les actes et déclarations :
1° le Conseil des Ministres utilise le français ou le néerlandais selon les règles fixées à l'article 17, § 1er, des lois sur l'emploi des langues en matière administrative coordonnées le 18 juillet 1966;
2° les Exécutifs utilisent leur langue administrative;
3° les juridictions utilisent la langue ou les langues dans laquelle ou dans lesquelles elles doivent rédiger leur décision;
4° les présidents des Chambres législatives, le président du (Le Parlement de la Région de Bruxelles-Capitale) et le président de l'assemblée réunie [3 de la Commission communautaire commune]3 utilisent le français et le néerlandais;
5° [3 les présidents du Parlement de la Communauté française, du Parlement wallon et de l'Assemblée de la Commission communautaire française utilisent le français, le président du Parlement de la Communauté germanophone l'allemand, et le président du Parlement flamand le néerlandais;]3
6° les personnes ayant à justifier d'un intérêt utilisent la langue de leur choix, hormis le cas où elles sont soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative, auquel cas elles utilisent la langue qui est déterminée par les lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées le 18 juillet 1966.
[2 7° le candidat élu qui introduit un recours contre une décision de la Commission de contrôle utilise la langue dans laquelle il a prêté serment;
8° la Commission de contrôle utilise la langue utilisée par le requérant en cas de recours contre l'une de ses décisions.]2
La Cour constate d'office que les actes et les déclarations du Conseil des Ministres, des Exécutifs, des présidents des assemblées législatives et des personnes soumises à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative, qui ne sont pas adressés à la Cour dans la langue prescrite par l'alinéa 2, sont nuls.
Art.63. § 1. Onder voorbehoud van het bepaalde in de §§ 2 en 3 geschiedt het onderzoek van de zaak in de taal (van de akte waardoor de zaak bij het Hof aanhangig wordt gemaakt). <W 2003-03-09/47, art. 13, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
§ 2. Indien de zaak in het Duits of tegelijk in het Nederlands en het Frans is ingediend, beslist het Hof of het onderzoek in het Nederlands dan wel in het Frans wordt gevoerd.
§ 3. Onverminderd het bepaalde in § 2 geschiedt het onderzoek van de zaak in de taal van het taalgebied waarin de woonplaats van de verzoeker gelegen is, indien het verzoekschrift is ingediend door een persoon die doet blijken van een belang en die zijn woonplaats heeft in een gemeente of een groep van gemeenten waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het taalgebied waarin zij gelegen zijn niet voorschrijft noch toelaat.
De samengevoegde zaken worden verder behandeld in de taal van de eerst aanhangig gemaakte zaak.
§ 4. De stukken ten behoeve van het Hof worden vertaald in het Nederlands of het Frans naar gelang van het geval.
§ 2. Indien de zaak in het Duits of tegelijk in het Nederlands en het Frans is ingediend, beslist het Hof of het onderzoek in het Nederlands dan wel in het Frans wordt gevoerd.
§ 3. Onverminderd het bepaalde in § 2 geschiedt het onderzoek van de zaak in de taal van het taalgebied waarin de woonplaats van de verzoeker gelegen is, indien het verzoekschrift is ingediend door een persoon die doet blijken van een belang en die zijn woonplaats heeft in een gemeente of een groep van gemeenten waar de wet het gebruik van een andere taal dan die van het taalgebied waarin zij gelegen zijn niet voorschrijft noch toelaat.
De samengevoegde zaken worden verder behandeld in de taal van de eerst aanhangig gemaakte zaak.
§ 4. De stukken ten behoeve van het Hof worden vertaald in het Nederlands of het Frans naar gelang van het geval.
Art.63. § 1. Sous réserve des dispositions des §§ 2 et 3, l'instruction de l'affaire a lieu dans la langue (de l'acte qui saisit la Cour). <L 2003-03-09/47, art. 13, 006; En vigueur : 21-04-2003>
§ 2. Si l'affaire est introduite en allemand, ou à la fois en français et en néerlandais, la Cour décide si l'instruction est faite en français ou en néerlandais.
3° Sans préjudice du § 2, l'instruction de l'affaire a lieu dans la langue de la région linguistique dans laquelle le domicile du requérant est situé, si la requête est introduite par une personne justifiant d'un intérêt et ayant son domicile dans une commune ou un groupe de communes où la loi ne prescrit ni ne permet l'emploi d'une autre langue que celle de la région où ils sont situés.
Le traitement des affaires jointes se poursuit dans la langue de l'affaire introduite en premier.
§ 4. Les dossiers à l'usage de la Cour seront traduits en français ou en néerlandais selon le cas.
§ 2. Si l'affaire est introduite en allemand, ou à la fois en français et en néerlandais, la Cour décide si l'instruction est faite en français ou en néerlandais.
3° Sans préjudice du § 2, l'instruction de l'affaire a lieu dans la langue de la région linguistique dans laquelle le domicile du requérant est situé, si la requête est introduite par une personne justifiant d'un intérêt et ayant son domicile dans une commune ou un groupe de communes où la loi ne prescrit ni ne permet l'emploi d'une autre langue que celle de la région où ils sont situés.
Le traitement des affaires jointes se poursuit dans la langue de l'affaire introduite en premier.
§ 4. Les dossiers à l'usage de la Cour seront traduits en français ou en néerlandais selon le cas.
Art.64. De mondelinge verklaringen ter terechtzitting geschieden in het Nederlands, het Frans of het Duits, met simultaanvertaling.
Art.64. Les interventions orales à l'audience ont lieu en français, en néerlandais ou en allemand; elles font l'objet d'une traduction simultanée.
Art.65. <W 2003-03-09/47, art. 14, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003> De arresten van het Hof worden in het Nederlands en in het Frans gesteld en uitgesproken. Zij worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt op de wijze bepaald in artikel 114, met een vertaling in het Duits.
De arresten worden in het Nederlands en in het Frans uitgesproken door de voorzitters.
Zij worden tevens in het Duits uitgesproken en bekendgemaakt warneer het gaat om arresten gewezen op beroepen tot vernietiging of wanneer de zaak in het Duits aanhangig is gemaakt.
De arresten worden in het Nederlands en in het Frans uitgesproken door de voorzitters.
Zij worden tevens in het Duits uitgesproken en bekendgemaakt warneer het gaat om arresten gewezen op beroepen tot vernietiging of wanneer de zaak in het Duits aanhangig is gemaakt.
Art.65. <L 2003-03-09/47, art. 14, 006; En vigueur : 21-04-2003> Les arrêts de la Cour sont rédigés et prononcés en français et en néerlandais. Ils sont publiés au Moniteur belge de la manière déterminée à l'article 114, avec une traduction en allemand.
Les arrêts sont prononcés en néerlandais et en français par les présidents.
Ils sont également prononcés et publiés en allemand lorsqu'il s'agit d'arrêts rendus sur recours en annulation ou lorsque l'affaire a été introduite en allemand.
Les arrêts sont prononcés en néerlandais et en français par les présidents.
Ils sont également prononcés et publiés en allemand lorsqu'il s'agit d'arrêts rendus sur recours en annulation ou lorsque l'affaire a été introduite en allemand.
HOOFDSTUK II. - Gebruik van de talen in de diensten van het [1 Grondwettelijk Hof]1.
CHAPITRE II. - De l'emploi des langues dans les services de la [1 Cour constitutionnelle]1.
Art.66. De administratieve werkzaamheden van het [1 Grondwettelijk Hof]1 en de organisatie van de diensten zijn onderworpen aan de bepalingen van de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken, die gelden voor de diensten waarvan de werkkring het hele land bestrijkt.
Modifications
Art.66. Les travaux administratifs de la [1 Cour constitutionnelle]1 et l'organisation de ses services sont régis par les dispositions de la législation sur l'emploi des langues en matière administrative, qui sont applicables aux services dont l'activité s'étend à tout le pays.
Modifications
TITEL V. - RECHTSPLEGING VOOR HET [1 GRONDWETTELIJK HOF]1.
TITRE V. - PROCEDURE DEVANT LA [1 COUR CONSTITUTIONNELLE]1.
HOOFDSTUK I. - Inschrijving op de rol en aanwijzing van de verslaggevers.
CHAPITRE I. - De la mise au rôle et de la désignation des rapporteurs.
Art.67. De griffier brengt de zaken op de rol van het Hof in de volgorde van ontvangst.
Art.67. Le greffier inscrit les affaires au rôle de la Cour dans l'ordre de leur réception.
Art.68. Voor elke zaak zijn de verslaggevers de rechters die op ieder van de in artikel 59 bedoelde lijsten als eerste vermeld staan.
Elke verslaggever heeft tot taak het dossier te behandelen en ter terechtzitting verslag uit te brengen.
Elke verslaggever heeft tot taak het dossier te behandelen en ter terechtzitting verslag uit te brengen.
Art.68. Pour chaque affaire, les rapporteurs sont les juges désignés en premier lieu sur chacune des listes visées à l'article 59.
Chaque rapporteur est chargé d'instruire le dossier et de faire rapport à l'audience.
Chaque rapporteur est chargé d'instruire le dossier et de faire rapport à l'audience.
HOOFDSTUK II. - Voorafgaande rechtspleging.
CHAPITRE II. - De la procédure préliminaire.
Art.69. Er is een beperkte kamer, bestaande uit de voorzitter en de twee verslaggevers.
Art.69. Il existe une chambre restreinte, composée du président et des deux rapporteurs.
Art.70. Dadelijk na ontvangst van een beroep tot vernietiging of van een verwijzingsbeslissing onderzoeken de verslaggevers of het bij inzage van het verzoekschrift of van de verwijzingsbeslissing, duidelijk is dat het beroep of de vraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk of (niet gegrond is, dat het [1 Grondwettelijk Hof]1) klaarblijkelijk niet bevoegd is om er kennis van te nemen (of dat de zaak lijkt te kunnen. worden afgedaan met een arrest [2 gewezen op voorafgaande rechtspleging]2 ). <W 2003-03-09/47, art. 15, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art.70. Dès réception d'un recours en annulation ou d'une décision de renvoi, les rapporteurs examinent s'il apparaît, ou non, au vu de la requête ou de la décision de renvoi, que le recours ou la question est manifestement irrecevable (ou non fondé, que la [1 Cour constitutionnelle]1) n'est manifestement pas compétente pour en connaître (ou qu'il semble que l'on peut mettre fin à l'affaire par un arrêt [2 rendu sur procédure préliminaire]2). <L 2003-03-09/47, art. 15, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art.71. Indien het beroep tot vernietiging of de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet ontvankelijk lijkt of klaarblijkelijk niet tot de bevoegdheid van het Hof behoort, brengen de verslaggevers hierover bij de voorzitter verslag uit binnen een termijn van maximum dertig dagen na ontvangst van het verzoekschrift of van de verwijzingsbeslissing; indien de bestreden regel tevens het onderwerp is van een vordering tot schorsing, wordt deze termijn teruggebracht tot maximum [1 vijftien]1 dagen.
De conclusies van de verslaggevers worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn. De partijen beschikken over vijftien (...) dagen, te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving, om een memorie met verantwoording in te dienen. <W 2003-03-09/47, art. 16, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
De beperkte kamer kan dan, met eenparigheid van stemmen beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging wordt afgedaan met een arrest dat het beroep of de vraag niet ontvankelijk verklaart of waarin wordt vastgesteld dat het Hof niet bevoegd is.
Wordt het voorstel om een arrest van niet-ontvankelijkheid of niet-bevoegdheid uit te spreken niet gevolgd, dan stelt de beperkte kamer dit bij beschikking vast.
De conclusies van de verslaggevers worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn. De partijen beschikken over vijftien (...) dagen, te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving, om een memorie met verantwoording in te dienen. <W 2003-03-09/47, art. 16, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
De beperkte kamer kan dan, met eenparigheid van stemmen beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging wordt afgedaan met een arrest dat het beroep of de vraag niet ontvankelijk verklaart of waarin wordt vastgesteld dat het Hof niet bevoegd is.
Wordt het voorstel om een arrest van niet-ontvankelijkheid of niet-bevoegdheid uit te spreken niet gevolgd, dan stelt de beperkte kamer dit bij beschikking vast.
Modifications
Art.71. Si le recours en annulation ou la question préjudicielle apparaît comme manifestement irrecevable ou comme ne relevant manifestement pas de la compétence de la Cour, les rapporteurs font rapport à ce sujet devant le président dans un délai de trente jours au maximum suivant la réception de la requête ou de la décision de renvoi; si la règle attaquée fait également l'objet d'une demande de suspension, ce délai est réduit à [1 quinze]1 jours au maximum.
Les conclusions des rapporteurs sont notifiées aux parties par le greffier dans le délai prévu à l'alinéa premier. Les parties disposent de quinze jours (...) à compter de la réception de la notification pour introduire un mémoire justificatif. <L 2003-03-09/47, art. 16, 006; En vigueur : 21-04-2003>
La chambre restreinte peut alors décider, à l'unanimité des voix, de mettre fin à l'examen de l'affaire, sans autre acte de procédure, par un arrêt dans lequel le recours ou la question est déclaré irrecevable ou dans lequel il est constaté que la Cour n'est pas compétente.
Si la proposition de prononcer un arrêt d'irrecevabilité ou d'incompétence n'est pas retenue, la chambre restreinte le constate par ordonnance.
Les conclusions des rapporteurs sont notifiées aux parties par le greffier dans le délai prévu à l'alinéa premier. Les parties disposent de quinze jours (...) à compter de la réception de la notification pour introduire un mémoire justificatif. <L 2003-03-09/47, art. 16, 006; En vigueur : 21-04-2003>
La chambre restreinte peut alors décider, à l'unanimité des voix, de mettre fin à l'examen de l'affaire, sans autre acte de procédure, par un arrêt dans lequel le recours ou la question est déclaré irrecevable ou dans lequel il est constaté que la Cour n'est pas compétente.
Si la proposition de prononcer un arrêt d'irrecevabilité ou d'incompétence n'est pas retenue, la chambre restreinte le constate par ordonnance.
Modifications
Art.72. <W 2003-03-09/47, art. 17, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003> Indien de verslaggevers oordelen dat het beroep tot vernietiging klaarblijkelijk niet gegrond is, de prejudiciële vraag klaarblijkelijk negatief moet worden beantwoord of de zaak, wegens de aard ervan of de relatieve eenvoud van de erin opgeworpen problemen, kan worden afgedaan met een arrest [1 gewezen op voorafgaande rechtspleging]1, brengen zij hierover bij het Hof verslag uit binnen een termijn van maximum dertig dagen na ontvangst van het verzoekschrift of de verwijzingsbeslissing; indien de bestreden regel tevens het onderwerp is van een vordering tot schorsing, wordt deze termijn teruggebracht tot maximum [1 vijftien]1 dagen.
De conclusies van de verslaggevers worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn. Indien in de conclusies van de verslaggevers wordt voorgesteld om een schending vast te stellen van de in de artikelen 1 en 26 vermelde regels, wordt daarvan, alsmede van het beroep tot vernietiging of de beslissing die de prejudiciële vraag bevat, kennisgegeven aan de in artikel 76 vermelde partijen. De partijen beschikken over vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving, om een memorie van verantwoording in te dienen.
[1 Het Hof kan dan beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging wordt afgedaan met een arrest waarin, naargelang van het geval, het beroep al dan niet gegrond wordt verklaard of de vraag positief of negatief wordt beantwoord.]1
Wordt het voorstel om een arrest [1 gewezen op voorafgaande rechtspleging]1 uit te spreken niet gevolgd, dan stelt het Hof dit bij beschikking vast.
De conclusies van de verslaggevers worden door de griffier ter kennis gebracht van de partijen binnen de in het eerste lid bepaalde termijn. Indien in de conclusies van de verslaggevers wordt voorgesteld om een schending vast te stellen van de in de artikelen 1 en 26 vermelde regels, wordt daarvan, alsmede van het beroep tot vernietiging of de beslissing die de prejudiciële vraag bevat, kennisgegeven aan de in artikel 76 vermelde partijen. De partijen beschikken over vijftien dagen, te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving, om een memorie van verantwoording in te dienen.
[1 Het Hof kan dan beslissen dat de zaak zonder verdere rechtspleging wordt afgedaan met een arrest waarin, naargelang van het geval, het beroep al dan niet gegrond wordt verklaard of de vraag positief of negatief wordt beantwoord.]1
Wordt het voorstel om een arrest [1 gewezen op voorafgaande rechtspleging]1 uit te spreken niet gevolgd, dan stelt het Hof dit bij beschikking vast.
Modifications
Art.72. <L 2003-03-09/47, art. 17, 006; En vigueur : 21-04-2003> Si les rapporteurs jugent que le recours en annulation est manifestement non fondé, que l'on doit manifestement répondre par la négative à la question préjudicielle ou que, de par la nature de l'affaire ou de par la simplicité relative des problèmes qui y sont soulevés, on peut y mettre fin par un arrêt [1 rendu sur procédure préliminaire]1, ils font rapport à ce sujet à la Cour dans un délai de trente jours au maximum, après réception de la requête ou de la décision de renvoi; si la règle contestée fait également l'objet d'une demande en suspension, ce délai est réduit à [1 quinze]1 jours au maximum.
Les conclusions des rapporteurs sont notifiées aux parties par le greffier dans le délai prévu à l'alinéa 1. Si les conclusions des rapporteurs proposent de constater une violation des règles mentionnées aux articles 1 et 26, elles sont notifiées, de même que le recours en annulation ou la décision contenant la question préjudicielle, aux parties mentionnées à l'article 76. Les parties disposent de quinze jours à compter de la réception de la notification, pour introduire un mémoire justificatif.
[1 La Cour peut alors décider de mettre fin à l'examen de l'affaire, sans autre acte de procédure, par un arrêt dans lequel, selon le cas, le recours est déclaré fondé ou non fondé ou la question reçoit une réponse positive ou négative.]1
Si la proposition de prononcer un arrêt [1 rendu sur procédure préliminaire]1 n'est pas retenue, la Cour le constate par ordonnance.
Les conclusions des rapporteurs sont notifiées aux parties par le greffier dans le délai prévu à l'alinéa 1. Si les conclusions des rapporteurs proposent de constater une violation des règles mentionnées aux articles 1 et 26, elles sont notifiées, de même que le recours en annulation ou la décision contenant la question préjudicielle, aux parties mentionnées à l'article 76. Les parties disposent de quinze jours à compter de la réception de la notification, pour introduire un mémoire justificatif.
[1 La Cour peut alors décider de mettre fin à l'examen de l'affaire, sans autre acte de procédure, par un arrêt dans lequel, selon le cas, le recours est déclaré fondé ou non fondé ou la question reçoit une réponse positive ou négative.]1
Si la proposition de prononcer un arrêt [1 rendu sur procédure préliminaire]1 n'est pas retenue, la Cour le constate par ordonnance.
Modifications
Art.73. Van de arresten bedoeld in de artikelen 71, derde lid, en 72, derde lid, wordt kennis gegeven aan de partijen.
Art.73. Les arrêts visés aux articles 71, alinéa trois, et 72 alinéa trois, sont notifiés aux parties.
HOOFDSTUK III. - Bekendmaking en kennisgeving van de beroepen en de prejudiciële vragen.
CHAPITRE III. - De la publication et de la notification des recours et des questions préjudicielles.
Art.74. Wanneer geen toepassing is gegeven aan de artikelen 71 en 72 of na inzage van de in artikel 71, vierde lid, bedoelde beschikking of van de beschikking bedoeld in artikel 72, vierde lid, laat de griffier in het Belgisch Staatsblad, in het Nederlands, het Frans en het Duits een bericht bekendmaken waarin de indiener en het onderwerp van het beroep of van de prejudiciële vraag worden aangegeven.
(Het verzoekschrift tot vernietiging kan worden geraadpleegd ter griffie van het Hof tijdens een termijn van dertig dagen vanaf de in het eerste lid bedoelde bekendmaking.) <W 2003-03-09/47, art. 18, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
De procedure wordt voortgezet overeenkomstig de navolgende bepalingen.
(Het verzoekschrift tot vernietiging kan worden geraadpleegd ter griffie van het Hof tijdens een termijn van dertig dagen vanaf de in het eerste lid bedoelde bekendmaking.) <W 2003-03-09/47, art. 18, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
De procedure wordt voortgezet overeenkomstig de navolgende bepalingen.
Art.74. Lorsqu'il n'a pas été fait application des articles 71 et 72 ou au vu de l'ordonnance visée à l'article 71, alinéa quatre, ou de l'ordonnance visée à l'article 72, alinéa quatre, le greffier fait publier au Moniteur belge, en français, en néerlandais et en allemand, un avis indiquant notamment l'auteur et l'objet du recours en annulation ou de la question préjudicielle.
(La requête en annulation peut être consultée au greffe de la Cour durant un délai de trente jours à dater de la publication visée à l'alinéa premier.) <L 2003-03-09/47, art. 18, 006; En vigueur : 21-04-2003>
La procédure se poursuit conformément aux dispositions suivantes.
(La requête en annulation peut être consultée au greffe de la Cour durant un délai de trente jours à dater de la publication visée à l'alinéa premier.) <L 2003-03-09/47, art. 18, 006; En vigueur : 21-04-2003>
La procédure se poursuit conformément aux dispositions suivantes.
Art.75. Het Hof kan ambtshalve een advocaat aanstellen. De aanstelling zal als nietig worden beschouwd indien de belanghebbende partij een persoonlijke raadsman kiest.
De Koning bepaalt op welke wijze de bijstand zal worden verleend.
De Koning bepaalt op welke wijze de bijstand zal worden verleend.
Art.75. La Cour peut commettre un avocat d'office. La désignation sera considérée comme nulle si la partie intéressée choisit un conseil personnel.
Le Roi organise les modalités de l'assistance.
Le Roi organise les modalités de l'assistance.
Art.76. § 1. De griffier brengt de door de Ministerraad ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen.
§ 2. Hij brengt de door een Gemeenschaps- of Gewestexecutieve ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad en van de andere Executieven en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen.
§ 3. Hij brengt de door de voorzitter van een wetgevende vergadering ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad, van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven en van de voorzitters van de andere wetgevende vergaderingen.
§ 4. Hij brengt de door een individuele belanghebbende ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad en van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen.
§ 2. Hij brengt de door een Gemeenschaps- of Gewestexecutieve ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad en van de andere Executieven en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen.
§ 3. Hij brengt de door de voorzitter van een wetgevende vergadering ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad, van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven en van de voorzitters van de andere wetgevende vergaderingen.
§ 4. Hij brengt de door een individuele belanghebbende ingestelde beroepen tot vernietiging ter kennis van de Ministerraad en van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen.
Art.76. § 1. Le greffier notifie les recours en annulation introduits par le Conseil des Ministres, aux Exécutifs régionaux et de Communauté ainsi qu'aux présidents des assemblées législatives.
§ 2. Il notifie les recours en annulation introduits par un Exécutif régional ou de Communauté au Conseil des Ministres et aux autres Exécutifs ainsi qu'aux présidents des assemblées législatives.
§ 3. Il notifie les recours en annulation introduits par le président d'une assemblée législative au Conseil des Ministres, aux Exécutifs régionaux et de Communauté et aux présidents des autres assemblées législatives.
§ 4. Il notifie les recours en annulation introduits par une personne justifiant d'un intérêt au Conseil des Ministres et aux Exécutifs régionaux et de Communauté ainsi qu'aux présidents des assemblées législatives.
§ 2. Il notifie les recours en annulation introduits par un Exécutif régional ou de Communauté au Conseil des Ministres et aux autres Exécutifs ainsi qu'aux présidents des assemblées législatives.
§ 3. Il notifie les recours en annulation introduits par le président d'une assemblée législative au Conseil des Ministres, aux Exécutifs régionaux et de Communauté et aux présidents des autres assemblées législatives.
§ 4. Il notifie les recours en annulation introduits par une personne justifiant d'un intérêt au Conseil des Ministres et aux Exécutifs régionaux et de Communauté ainsi qu'aux présidents des assemblées législatives.
Art.77. De griffier brengt de verwijzingsbeslissingen ter kennis van de Ministerraad, van de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven en van de voorzitters van de wetgevende vergaderingen, evenals van de partijen in het geding voor het rechtscollege dat de verwijzingsbeslissing genomen heeft.
Art.77. Le greffier notifie les décisions de renvoi au Conseil des Ministres, aux Exécutifs régionaux et de Communauté et aux présidents des assemblées législatives, ainsi qu'aux parties en cause devant la juridiction qui a pris la décision de renvoi.
Art.78. Indien een zelfde bepaling het onderwerp van een beroep tot vernietiging en van een vroegere verwijzingsbeslissing is, brengt de griffier het beroep tot vernietiging ter kennis van de partijen in het geding voor het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld. De kennisgeving vermeldt binnen welke termijn zij een memorie kunnen indienen overeenkomstig artikel 85.
Behoudens toepassing van artikel 100, doet het Hof eerst uitspraak op het beroep tot vernietiging.
Behoudens toepassing van artikel 100, doet het Hof eerst uitspraak op het beroep tot vernietiging.
Art.78. Lorsqu'une même disposition fait l'objet d'un recours en annulation et d'une décision de renvoi antérieure, le greffier notifie le recours en annulation aux parties en cause devant la juridiction qui a posé la question préjudicielle. La notification fait mention du délai dans lequel elles peuvent déposer un mémoire, conformément à l'article 85.
Sauf application de l'article 100, la Cour statue d'abord sur le recours en annulation.
Sauf application de l'article 100, la Cour statue d'abord sur le recours en annulation.
HOOFDSTUK IIIbis. [1 - Elektronische procesvoering]1
CHAPITRE IIIbis. [1 - De la procédure électronique]1
Art. 78bis. [1 § 1. Het Hof stelt een elektronisch platform ter beschikking voor de communicatie die vereist is in het kader van de procedures voor het Grondwettelijk Hof, in het bijzonder voor het indienen van verzoekschriften, het verzenden van stukken van rechtspleging en het verzenden van kennisgevingen, mededelingen en oproepingen.
De Koning bepaalt de werking van het platform, met inbegrip van de voorwaarden inzake het beheer en de veiligheid van het platform. Dit omvat onder meer de partijen die er toegang toe hebben, de registratieprocedure, de nadere regels inzake het gebruik, de authenticatie van de gebruiker, het formaat en de ondertekening van documenten. Wat betreft de partijen die er toegang toe hebben, kan de Koning, op straffe van onontvankelijkheid, het gebruik van het platform verplicht stellen voor bepaalde categorieën van partijen dan wel bepalen dat bepaalde categorieën van partijen zich pas op het platform kunnen registreren nadat de voorwaarden hiervoor door de Koning zijn uitgewerkt.
In het bijzonder moet het platform aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de data en de tijdstippen van verzending en afgifte van de stukken van rechtspleging, kennisgevingen en mededelingen moeten nauwkeurig kunnen worden bepaald;
2° de identiteit van de partijen betrokken bij de betekening, de kennisgeving of de mededeling moet nauwkeurig kunnen worden nagegaan;
3° alle uitwisselingen door middel van het platform moeten beschermd zijn tegen wijzigingen door middel van gepaste technische en cryptografische beveiligingsmaatregelen;
4° de vertrouwelijkheid van alle gegevens die door middel van het platform worden uitgewisseld, moet worden gewaarborgd.
§ 2. De door middel van het platform op regelmatige en elektronische wijze meegedeelde gegevens genieten, tot bewijs van het tegendeel, dezelfde bewijswaarde als wanneer zij op papieren drager zouden zijn meegedeeld.
§ 3. Behoudens tegenbewijs hebben de door middel van het platform op regelmatige en elektronische wijze meegedeelde gegevens uitwerking en wordt de afgifte aan de geadresseerde geacht te zijn verricht op het tijdstip waarop zij door middel van het platform kunnen worden geraadpleegd.
§ 4. Wanneer mededeling van gegevens door middel van het platform niet mogelijk is ingevolge overmacht, inzonderheid wegens het gebrekkig functioneren van het platform, kan de mededeling op papier worden gedaan ten laatste op de dag na het verstrijken van de termijn die is voorgeschreven voor de verzendingen op papier, hetzij door een aangetekende zending tegen ontvangstbewijs, hetzij door neerlegging ter griffie van het Hof, en kan zij als dusdanig worden bewaard en geraadpleegd.]1
De Koning bepaalt de werking van het platform, met inbegrip van de voorwaarden inzake het beheer en de veiligheid van het platform. Dit omvat onder meer de partijen die er toegang toe hebben, de registratieprocedure, de nadere regels inzake het gebruik, de authenticatie van de gebruiker, het formaat en de ondertekening van documenten. Wat betreft de partijen die er toegang toe hebben, kan de Koning, op straffe van onontvankelijkheid, het gebruik van het platform verplicht stellen voor bepaalde categorieën van partijen dan wel bepalen dat bepaalde categorieën van partijen zich pas op het platform kunnen registreren nadat de voorwaarden hiervoor door de Koning zijn uitgewerkt.
In het bijzonder moet het platform aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° de data en de tijdstippen van verzending en afgifte van de stukken van rechtspleging, kennisgevingen en mededelingen moeten nauwkeurig kunnen worden bepaald;
2° de identiteit van de partijen betrokken bij de betekening, de kennisgeving of de mededeling moet nauwkeurig kunnen worden nagegaan;
3° alle uitwisselingen door middel van het platform moeten beschermd zijn tegen wijzigingen door middel van gepaste technische en cryptografische beveiligingsmaatregelen;
4° de vertrouwelijkheid van alle gegevens die door middel van het platform worden uitgewisseld, moet worden gewaarborgd.
§ 2. De door middel van het platform op regelmatige en elektronische wijze meegedeelde gegevens genieten, tot bewijs van het tegendeel, dezelfde bewijswaarde als wanneer zij op papieren drager zouden zijn meegedeeld.
§ 3. Behoudens tegenbewijs hebben de door middel van het platform op regelmatige en elektronische wijze meegedeelde gegevens uitwerking en wordt de afgifte aan de geadresseerde geacht te zijn verricht op het tijdstip waarop zij door middel van het platform kunnen worden geraadpleegd.
§ 4. Wanneer mededeling van gegevens door middel van het platform niet mogelijk is ingevolge overmacht, inzonderheid wegens het gebrekkig functioneren van het platform, kan de mededeling op papier worden gedaan ten laatste op de dag na het verstrijken van de termijn die is voorgeschreven voor de verzendingen op papier, hetzij door een aangetekende zending tegen ontvangstbewijs, hetzij door neerlegging ter griffie van het Hof, en kan zij als dusdanig worden bewaard en geraadpleegd.]1
Art. 78bis. [1 § 1er. La Cour met une plateforme électronique à disposition pour les communications requises dans le cadre des procédures devant la Cour constitutionnelle, et plus particulièrement pour l'introduction de requêtes, l'envoi de pièces de procédure et l'envoi de notifications, communications et convocations.
Le Roi fixe le fonctionnement de la plateforme, y compris les conditions de gestion et de sécurisation de la plateforme. Ceci comprend notamment les parties qui y ont accès, la procédure d'enregistrement, les modalités d'utilisation, l'authentification de l'utilisateur, le format et la signature des documents. En ce qui concerne les parties qui y ont accès, le Roi peut, à peine d'irrecevabilité, rendre l'utilisation de la plateforme obligatoire pour certaines catégories de parties ou prévoir que certaines catégories de parties ne peuvent s'enregistrer sur la plateforme que lorsque le Roi a fixé les conditions à cet effet.
La plateforme doit plus particulièrement remplir les conditions suivantes :
1° les dates et heures d'envoi et de délivrance des pièces de procédure, notifications et communications doivent pouvoir être établies précisément;
2° l'identité des parties concernées par la signification, la notification ou la communication doit pouvoir être vérifiée de manière précise;
3° tous les échanges ayant eu lieu au moyen de la plateforme doivent être protégés contre les modifications au moyen de mesures de sécurisation technique et cryptographique appropriées;
4° la confidentialité de toutes les données échangées au moyen de la plateforme doit être garantie.
§ 2. Les données communiquées de manière régulière par voie électronique au moyen de la plateforme ont, jusqu'à preuve du contraire, la même force probante que les données communiquées sur papier.
§ 3. Sauf preuve contraire, les données communiquées de manière régulière par voie électronique au moyen de la plateforme produisent leurs effets et la délivrance au destinataire est réputée avoir lieu au moment où ces données peuvent être consultées au moyen de la plateforme.
§ 4. Lorsque la communication de données au moyen de la plateforme n'est pas possible pour des raisons de force majeure, et plus particulièrement en cas de dysfonctionnement de la plateforme, la communication peut se faire sur papier, au plus tard le jour qui suit l'échéance du délai prévu pour les envois sur papier, soit par envoi recommandé avec accusé de réception, soit par dépôt au greffe de la Cour, et peut être conservée et consultée en tant que telle.]1
Le Roi fixe le fonctionnement de la plateforme, y compris les conditions de gestion et de sécurisation de la plateforme. Ceci comprend notamment les parties qui y ont accès, la procédure d'enregistrement, les modalités d'utilisation, l'authentification de l'utilisateur, le format et la signature des documents. En ce qui concerne les parties qui y ont accès, le Roi peut, à peine d'irrecevabilité, rendre l'utilisation de la plateforme obligatoire pour certaines catégories de parties ou prévoir que certaines catégories de parties ne peuvent s'enregistrer sur la plateforme que lorsque le Roi a fixé les conditions à cet effet.
La plateforme doit plus particulièrement remplir les conditions suivantes :
1° les dates et heures d'envoi et de délivrance des pièces de procédure, notifications et communications doivent pouvoir être établies précisément;
2° l'identité des parties concernées par la signification, la notification ou la communication doit pouvoir être vérifiée de manière précise;
3° tous les échanges ayant eu lieu au moyen de la plateforme doivent être protégés contre les modifications au moyen de mesures de sécurisation technique et cryptographique appropriées;
4° la confidentialité de toutes les données échangées au moyen de la plateforme doit être garantie.
§ 2. Les données communiquées de manière régulière par voie électronique au moyen de la plateforme ont, jusqu'à preuve du contraire, la même force probante que les données communiquées sur papier.
§ 3. Sauf preuve contraire, les données communiquées de manière régulière par voie électronique au moyen de la plateforme produisent leurs effets et la délivrance au destinataire est réputée avoir lieu au moment où ces données peuvent être consultées au moyen de la plateforme.
§ 4. Lorsque la communication de données au moyen de la plateforme n'est pas possible pour des raisons de force majeure, et plus particulièrement en cas de dysfonctionnement de la plateforme, la communication peut se faire sur papier, au plus tard le jour qui suit l'échéance du délai prévu pour les envois sur papier, soit par envoi recommandé avec accusé de réception, soit par dépôt au greffe de la Cour, et peut être conservée et consultée en tant que telle.]1
HOOFDSTUK IV. - Het onderzoek.
CHAPITRE IV. - De l'instruction.
Art.79. Het onderzoek is schriftelijk.
Art.79. L'instruction a lieu par écrit.
Art.80. De kennisgevingen aan de Ministerraad worden gedaan aan het kabinet van de Eerste Minister.
De kennisgevingen aan de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven worden gedaan aan het kabinet van de voorzitter van de Executieve.
De kennisgevingen aan de voorzitters van de wetgevende vergaderingen worden gedaan aan de griffie van de vergadering.
De kennisgevingen aan de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven worden gedaan aan het kabinet van de voorzitter van de Executieve.
De kennisgevingen aan de voorzitters van de wetgevende vergaderingen worden gedaan aan de griffie van de vergadering.
Art.80. Les notifications au Conseil des Ministres sont faites au cabinet du Premier Ministre.
Les notifications aux Exécutifs des Communautés et des Régions sont faites au cabinet du Président de l'Exécutif.
Les notifications aux présidents des assemblées législatives sont faites au greffe de l'assemblée.
Les notifications aux Exécutifs des Communautés et des Régions sont faites au cabinet du Président de l'Exécutif.
Les notifications aux présidents des assemblées législatives sont faites au greffe de l'assemblée.
Art. 81. Elke partij die geen openbare overheid is, vermeldt in het verzoekschrift of de memorie, haar woonplaats of zetel in België dan wel de woonplaats die zij in België kiest.
Bij gebreke van een zodanige vermelding, behoeft de griffie generlei kennisgeving te doen en wordt de rechtspleging geacht op tegenspraak te worden gevoerd.
Elke kennisgeving wordt door de griffie aan de vermelde zetel of woonplaats gedaan, zelfs wanneer de partij overleden is.
Bij gebreke van een zodanige vermelding, behoeft de griffie generlei kennisgeving te doen en wordt de rechtspleging geacht op tegenspraak te worden gevoerd.
Elke kennisgeving wordt door de griffie aan de vermelde zetel of woonplaats gedaan, zelfs wanneer de partij overleden is.
Art. 81. Toute partie, si elle n'est pas une autorité publique, indique dans la requête ou le mémoire son domicile ou son siège en Belgique ou le domicile qu'elle élit en Belgique.
A défaut d'une telle indication, aucune notification ne doit être faite par le greffe et la procédure est réputée contradictoire.
Toute notification est faite par le greffe au siège ou domicile indiqué, même en cas de décès de la partie.
A défaut d'une telle indication, aucune notification ne doit être faite par le greffe et la procédure est réputée contradictoire.
Toute notification est faite par le greffe au siège ou domicile indiqué, même en cas de décès de la partie.
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 81. [1 Elke partij die geen openbare overheid is en zich niet op het platform heeft geregistreerd, vermeldt in het verzoekschrift of de memorie haar woonplaats of zetel in België dan wel de woonplaats of zetel die zij in België kiest.
Bij gebreke van vermelding van woonplaats of zetel alsook van registratie op het platform, behoeft de griffie generlei kennisgeving te doen en wordt de rechtspleging geacht op tegenspraak te worden gevoerd.
Elke kennisgeving wordt door de griffie gedaan :
1° aan het elektronisch adres van een op het platform geregistreerde partij;
2° voor personen die zich niet op het platform hebben geregistreerd, aan de vermelde woonplaats of zetel, zelfs wanneer de partij overleden is.]1
Bij gebreke van vermelding van woonplaats of zetel alsook van registratie op het platform, behoeft de griffie generlei kennisgeving te doen en wordt de rechtspleging geacht op tegenspraak te worden gevoerd.
Elke kennisgeving wordt door de griffie gedaan :
1° aan het elektronisch adres van een op het platform geregistreerde partij;
2° voor personen die zich niet op het platform hebben geregistreerd, aan de vermelde woonplaats of zetel, zelfs wanneer de partij overleden is.]1
Modifications
Art. 81. [1 Toute partie, si elle n'est pas une autorité publique et si elle n'est pas enregistrée sur la plateforme, indique dans la requête ou le mémoire son domicile ou son siège en Belgique ou le domicile ou le siège qu'elle élit en Belgique.
A défaut d'une indication du domicile ou du siège ainsi que d'un enregistrement sur la plateforme, aucune notification ne doit être faite par le greffe et la procédure est réputée contradictoire.
Toute notification est faite par le greffe :
1° à l'adresse électronique d'une partie enregistrée sur la plateforme;
2° pour les personnes qui ne sont pas enregistrées sur la plateforme, au domicile ou siège indiqué, même en cas de décès de la partie.]1
A défaut d'une indication du domicile ou du siège ainsi que d'un enregistrement sur la plateforme, aucune notification ne doit être faite par le greffe et la procédure est réputée contradictoire.
Toute notification est faite par le greffe :
1° à l'adresse électronique d'une partie enregistrée sur la plateforme;
2° pour les personnes qui ne sont pas enregistrées sur la plateforme, au domicile ou siège indiqué, même en cas de décès de la partie.]1
Modifications
Art. 82. Alle stukken van de rechtspleging worden bij een ter post aangetekende brief aan het Hof gezonden.
De verzending van elk stuk, elke kennisgeving of oproeping door het Hof wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding.
De termijn waarover de partijen beschikken, gaat in op de dag van ontvangst van de brief. Zo de geadresseerde de brief weigert, gaat de termijn in op de dag van de weigering.
De datum van het postmerk heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering.
De verzending van elk stuk, elke kennisgeving of oproeping door het Hof wordt gedaan bij een ter post aangetekende brief met ontvangstmelding.
De termijn waarover de partijen beschikken, gaat in op de dag van ontvangst van de brief. Zo de geadresseerde de brief weigert, gaat de termijn in op de dag van de weigering.
De datum van het postmerk heeft bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering.
Art. 82. L'envoi à la Cour de toute pièce de procédure est fait sous pli recommandé à la poste.
L'envoi par la Cour de toute pièce, notification ou convocation est fait sous pli recommandé à la poste avec accusé de réception.
Le délai accordé aux parties prend cours à la date de la réception du pli. Si le destinataire refuse le pli, le délai prend cours à dater du refus.
La date de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception ou pour le refus.
L'envoi par la Cour de toute pièce, notification ou convocation est fait sous pli recommandé à la poste avec accusé de réception.
Le délai accordé aux parties prend cours à la date de la réception du pli. Si le destinataire refuse le pli, le délai prend cours à dater du refus.
La date de la poste fait foi tant pour l'envoi que pour la réception ou pour le refus.
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 82. [1 Alle stukken van rechtspleging worden door middel van het platform aan het Hof gezonden door partijen die op het platform zijn geregistreerd. Alle stukken van rechtspleging worden bij een aangetekende zending aan het Hof gezonden door partijen die niet op het platform zijn geregistreerd.
De verzending van elk stuk, elke kennisgeving of oproeping door het Hof wordt gedaan door middel van het platform ten aanzien van partijen die op het platform zijn geregistreerd. Zij wordt gedaan bij een aangetekende zending tegen ontvangstbewijs ten aanzien van partijen die niet op het platform zijn geregistreerd.
Het verzoekschrift of de memorie worden ondertekend en gedagtekend wanneer zij bij een aangetekende zending aan het Hof worden gezonden.
In geval van aangetekende zending, gaat de termijn waarover de partijen beschikken, in op de dag na ontvangst van de zending of van de kennisgeving dat de zending kan worden afgehaald, indien de zending niet persoonlijk aan de geadresseerde of zijn gemachtigde kon worden overhandigd. Zo de geadresseerde de zending weigert, gaat de termijn in op de dag na de weigering.
In geval van communicatie door middel van het platform, gaat de termijn in op de dag dat de bedoelde stukken, kennisgevingen en oproepingen door middel van het platform kunnen worden geraadpleegd.
Deze data hebben bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering.]1
De verzending van elk stuk, elke kennisgeving of oproeping door het Hof wordt gedaan door middel van het platform ten aanzien van partijen die op het platform zijn geregistreerd. Zij wordt gedaan bij een aangetekende zending tegen ontvangstbewijs ten aanzien van partijen die niet op het platform zijn geregistreerd.
Het verzoekschrift of de memorie worden ondertekend en gedagtekend wanneer zij bij een aangetekende zending aan het Hof worden gezonden.
In geval van aangetekende zending, gaat de termijn waarover de partijen beschikken, in op de dag na ontvangst van de zending of van de kennisgeving dat de zending kan worden afgehaald, indien de zending niet persoonlijk aan de geadresseerde of zijn gemachtigde kon worden overhandigd. Zo de geadresseerde de zending weigert, gaat de termijn in op de dag na de weigering.
In geval van communicatie door middel van het platform, gaat de termijn in op de dag dat de bedoelde stukken, kennisgevingen en oproepingen door middel van het platform kunnen worden geraadpleegd.
Deze data hebben bewijskracht zowel voor de verzending als voor de ontvangst of voor de weigering.]1
Modifications
Art. 82. [1 L'envoi à la Cour de toute pièce de procédure par les parties enregistrées sur la plateforme se fait au moyen de la plateforme. L'envoi à la Cour de toute pièce de procédure par les parties qui ne sont pas enregistrées sur la plateforme se fait par envoi recommandé.
L'envoi par la Cour de toute pièce, notification ou convocation aux parties enregistrées sur la plateforme se fait au moyen de cette dernière. L'envoi par la Cour de toute pièce, notification ou convocation aux parties qui ne sont pas enregistrées sur la plateforme se fait par envoi recommandé avec accusé de réception.
La requête ou le mémoire sont signés et datés lorsqu'ils sont envoyés à la Cour par envoi recommandé.
En cas d'envoi recommandé, le délai accordé aux parties prend cours le jour suivant la date de réception de l'envoi ou de l'avis selon lequel l'envoi peut être retiré, lorsque celui-ci ne peut être remis personnellement au destinataire ou à son mandataire. Si le destinataire refuse l'envoi, le délai prend cours à dater du jour suivant le refus.
En cas de communication au moyen de la plateforme, le délai prend cours à compter du jour où les pièces, notifications et convocations visées peuvent être consultées au moyen de la plateforme.
Ces dates font foi tant pour l'envoi que pour la réception ou pour le refus.]1
L'envoi par la Cour de toute pièce, notification ou convocation aux parties enregistrées sur la plateforme se fait au moyen de cette dernière. L'envoi par la Cour de toute pièce, notification ou convocation aux parties qui ne sont pas enregistrées sur la plateforme se fait par envoi recommandé avec accusé de réception.
La requête ou le mémoire sont signés et datés lorsqu'ils sont envoyés à la Cour par envoi recommandé.
En cas d'envoi recommandé, le délai accordé aux parties prend cours le jour suivant la date de réception de l'envoi ou de l'avis selon lequel l'envoi peut être retiré, lorsque celui-ci ne peut être remis personnellement au destinataire ou à son mandataire. Si le destinataire refuse l'envoi, le délai prend cours à dater du jour suivant le refus.
En cas de communication au moyen de la plateforme, le délai prend cours à compter du jour où les pièces, notifications et convocations visées peuvent être consultées au moyen de la plateforme.
Ces dates font foi tant pour l'envoi que pour la réception ou pour le refus.]1
Modifications
Art.84. De tot het Hof gerichte verzoekschriften en memories bevatten een inventaris van de tot staving aangevoerde stukken.
Elk dossier wordt toegezonden met een inventaris van de stukken waaruit het samengesteld is.
Elk dossier wordt toegezonden met een inventaris van de stukken waaruit het samengesteld is.
Art.84. Les requêtes et mémoires transmis à la Cour contiennent un inventaire des pièces à l'appui.
Tout dossier est transmis avec un inventaire des pièces qui le composent.
Tout dossier est transmis avec un inventaire des pièces qui le composent.
Art.85. Binnen 45 dagen na ontvangst van de door de griffier krachtens de artikelen 76, 77 en 78 gedane kennisgevingen kunnen de Ministerraad, de Executieven, de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en de personen aan wie die kennisgevingen zijn gericht, een memorie bij het Hof indienen.
Wanneer de zaak een beroep tot vernietiging betreft, mogen die memories nieuwe middelen bevatten. De partijen kunnen nadien geen nieuwe middelen meer voordragen.
(Lid 3 opgeheven) <W 2003-03-09/47, art. 19, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Wanneer de zaak een beroep tot vernietiging betreft, mogen die memories nieuwe middelen bevatten. De partijen kunnen nadien geen nieuwe middelen meer voordragen.
(Lid 3 opgeheven) <W 2003-03-09/47, art. 19, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art.85. Dans les 45 jours de la réception des notifications faites par le greffier en vertu des articles 76, 77 et 78 le Conseil des Ministres, les Exécutifs, les présidents des assemblées législatives et les personnes destinataires de ces notifications peuvent adresser un mémoire à la Cour.
Lorsque l'affaire concerne un recours en annulation, ces mémoires peuvent formuler de nouveaux moyens. Subséquemment, les parties ne peuvent plus invoquer de nouveaux moyens.
(Alinéa 3 abrogé) <L 2003-03-09/47, art. 19, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Lorsque l'affaire concerne un recours en annulation, ces mémoires peuvent formuler de nouveaux moyens. Subséquemment, les parties ne peuvent plus invoquer de nouveaux moyens.
(Alinéa 3 abrogé) <L 2003-03-09/47, art. 19, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art.86. [1 De memories bedoeld in de artikelen 71, tweede lid, 72, tweede lid, 85, 87 en 89, die niet zijn ingediend binnen de door deze wet bepaalde termijn, worden uit de debatten geweerd.]1
Modifications
Art.86. [1 Les mémoires visés aux articles 71, alinéa 2, 72, alinéa 2, 85, 87 et 89, qui n'ont pas été introduits dans les délais prévus par la présente loi, sont écartés des débats.]1
Modifications
Art.87. § 1. Wanneer het [1 Grondwettelijk Hof]1, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan ieder die van een belang doet blijken [2 ...]2 een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn.
§ 2. Wanneer het [1 Grondwettelijk Hof]1 uitspraak doet op beroepen tot vernietiging als bedoeld in artikel 1, kan ieder die van een belang doet blijken, zijn opmerkingen in een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn.
§ 2. Wanneer het [1 Grondwettelijk Hof]1 uitspraak doet op beroepen tot vernietiging als bedoeld in artikel 1, kan ieder die van een belang doet blijken, zijn opmerkingen in een memorie aan het Hof richten binnen dertig dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt daardoor geacht partij in het geding te zijn.
Art.87. § 1. Lorsque la [1 Cour constitutionnelle]1 statue, à titre préjudiciel, sur les questions visées à l'article 26, toute personne justifiant d'un intérêt [2 ...]2 peut adresser un mémoire à la Cour dans les trente jours de la publication prescrite par l'article 74. Elle est, de ce fait, réputée partie au litige.
§ 2. Lorsque la [1 Cour constitutionnelle]1 statue sur les recours en annulation visés à l'article 1er, toute personne justifiant d'un intérêt peut adresser ses observations dans un mémoire à la Cour dans les trente jours de la publication prescrite par l'article 74. Elle est de ce fait, réputée partie au litige.
§ 2. Lorsque la [1 Cour constitutionnelle]1 statue sur les recours en annulation visés à l'article 1er, toute personne justifiant d'un intérêt peut adresser ses observations dans un mémoire à la Cour dans les trente jours de la publication prescrite par l'article 74. Elle est de ce fait, réputée partie au litige.
Art.88. Ieder die met toepassing van de artikelen 85 en 87 een memorie aan het Hof richt, is gehouden er het dossier bij te voegen waarover hij beschikt.
Art.88. Toute personne qui, en application des articles 85 et 87, adresse un mémoire à la Cour, est tenue d'y joindre le dossier qu'elle détient.
Art.89. <W 2003-03-09/47, art. 20, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003> § 1. Wanneer het Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories aan de andere partijen die [1 ...]1 een memorie hebben ingediend. Deze beschikken dan over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van antwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories van antwoord aan de [1 ...]1 partijen die een memorie hebben ingediend.
§ 2. [1 Wanneer het Hof uitspraak doet op beroepen tot vernietiging bedoeld in artikel 1, zendt de griffier, bij het verstrijken van de in de artikelen 85 en 87 bedoelde termijnen, een afschrift van de ingediende memories aan de verzoekende partij. Die beschikt over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van antwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier aan elke partij die een memorie heeft ingediend een afschrift van de door de verzoekende partij ingediende memorie van antwoord en van de memories die zijn ingediend door de andere partijen. De bestemmelingen van die kennisgeving beschikken over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van wederantwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories van wederantwoord aan de verzoekende partij en aan de andere partijen die een memorie hebben ingediend.]1
§ 2. [1 Wanneer het Hof uitspraak doet op beroepen tot vernietiging bedoeld in artikel 1, zendt de griffier, bij het verstrijken van de in de artikelen 85 en 87 bedoelde termijnen, een afschrift van de ingediende memories aan de verzoekende partij. Die beschikt over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van antwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier aan elke partij die een memorie heeft ingediend een afschrift van de door de verzoekende partij ingediende memorie van antwoord en van de memories die zijn ingediend door de andere partijen. De bestemmelingen van die kennisgeving beschikken over dertig dagen vanaf de dag van ontvangst om aan de griffie een memorie van wederantwoord te doen geworden. Bij het verstrijken van die termijn zendt de griffier een afschrift van de ingediende memories van wederantwoord aan de verzoekende partij en aan de andere partijen die een memorie hebben ingediend.]1
Modifications
Art.89. <L 2003-03-09/47, art. 20, 006; En vigueur : 21-04-2003> § 1. Lorsque la Cour statue, à titre préjudiciel, sur les questions visées à l'article 26, le greffier transmet une copie des mémoires déposés aux autres parties ayant [1 ...]1 déposé un mémoire. Elles disposent alors de trente jours à dater du jour de la réception pour faire parvenir au greffe un mémoire en réponse. A l'expiration de ce délai, le greffier transmet aux [1 ...]1 parties ayant introduit une requête, une copie des mémoires de réponse déposés.
§ 2. [1 Lorsque la Cour statue sur les recours en annulation visés à l'article 1er, le greffier transmet une copie des mémoires déposés, à l'expiration des délais visés aux articles 85 et 87, à la partie requérante. Celle-ci dispose de trente jours à dater du jour de la réception pour faire parvenir au greffe un mémoire en réponse. A l'expiration de ce délai, le greffier transmet à chaque partie ayant déposé un mémoire une copie du mémoire en réponse introduit par la partie requérante et des mémoires introduits par les autres parties. Les destinataires de cette notification disposent de trente jours à dater du jour de la réception pour faire parvenir au greffe un mémoire en réplique. A l'expiration de ce délai, le greffier transmet à la partie requérante et aux autres parties ayant déposé un mémoire une copie des mémoires en réplique introduits.]1
§ 2. [1 Lorsque la Cour statue sur les recours en annulation visés à l'article 1er, le greffier transmet une copie des mémoires déposés, à l'expiration des délais visés aux articles 85 et 87, à la partie requérante. Celle-ci dispose de trente jours à dater du jour de la réception pour faire parvenir au greffe un mémoire en réponse. A l'expiration de ce délai, le greffier transmet à chaque partie ayant déposé un mémoire une copie du mémoire en réponse introduit par la partie requérante et des mémoires introduits par les autres parties. Les destinataires de cette notification disposent de trente jours à dater du jour de la réception pour faire parvenir au greffe un mémoire en réplique. A l'expiration de ce délai, le greffier transmet à la partie requérante et aux autres parties ayant déposé un mémoire une copie des mémoires en réplique introduits.]1
Modifications
Art. 89bis. <INGEVOEGD bij W 2003-03-09/47, art. 21; Inwerkingtreding : 21-04-2003> De in de artikelen 85, 87 en 89 vastgestelde termijnen kunnen worden verkort of verlengd bij een met redenen omklede beschikking van de voorzitter.
Wanneer een in artikel 87 vastgestelde termijn, wordt verkort of verlengd overeenkomstig het eerste lid, maakt de griffier daarvan melding in het in artikel 74, eerste lid, bedoelde bericht.
Wanneer een in artikel 87 vastgestelde termijn, wordt verkort of verlengd overeenkomstig het eerste lid, maakt de griffier daarvan melding in het in artikel 74, eerste lid, bedoelde bericht.
Art. 89bis. Les délais fixés aux articles 85, 87 et 89 peuvent être abrégés ou prorogés par ordonnance motivée du président.
Lorsqu'un délai fixé à l'article 87 est abrégé ou prorogé conformément à l'alinéa 1, le greffier en fait mention dans l'avis visé à l'article 74, alinéa 1.
Lorsqu'un délai fixé à l'article 87 est abrégé ou prorogé conformément à l'alinéa 1, le greffier en fait mention dans l'avis visé à l'article 74, alinéa 1.
Art.90. [1 Na het verstrijken van de termijnen bepaald in artikel 89, beslist het Hof, nadat de verslaggevers zijn gehoord, of de zaak al dan niet in staat van wijzen is en of er een terechtzitting wordt gehouden.
De beschikking waarbij beslist wordt dat de zaak in staat van wijzen is, bepaalt in voorkomend geval de dag van de terechtzitting en vermeldt de middelen die ambtshalve lijken te moeten worden onderzocht en de vragen waarop de partijen verzocht worden te antwoorden, hetzij met een aanvullende memorie die binnen de in de beschikking vastgestelde termijn moet worden ingediend, hetzij mondeling op de terechtzitting.
De beschikking waarbij beslist wordt dat de zaak niet in staat van wijzen is, vermeldt de verrichtingen die door de verslaggevers of door de griffiers moeten worden gedaan en vermeldt in voorkomend geval de middelen die ambtshalve lijken te moeten worden onderzocht en de vragen waarop de partijen verzocht worden te antwoorden, met een aanvullende memorie die binnen de in de beschikking vastgestelde termijn moet worden ingediend. Als die verrichtingen eenmaal zijn gedaan, handelt het Hof overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
Van de beschikkingen wordt aan de partijen kennis gegeven. Indien geen terechtzitting is bepaald, kan elke partij een verzoek indienen om te worden gehoord. Dit verzoek wordt ingediend binnen zeven dagen nadat de in het tweede lid bedoelde beschikking ter kennis is gebracht.]1
De beschikking waarbij beslist wordt dat de zaak in staat van wijzen is, bepaalt in voorkomend geval de dag van de terechtzitting en vermeldt de middelen die ambtshalve lijken te moeten worden onderzocht en de vragen waarop de partijen verzocht worden te antwoorden, hetzij met een aanvullende memorie die binnen de in de beschikking vastgestelde termijn moet worden ingediend, hetzij mondeling op de terechtzitting.
De beschikking waarbij beslist wordt dat de zaak niet in staat van wijzen is, vermeldt de verrichtingen die door de verslaggevers of door de griffiers moeten worden gedaan en vermeldt in voorkomend geval de middelen die ambtshalve lijken te moeten worden onderzocht en de vragen waarop de partijen verzocht worden te antwoorden, met een aanvullende memorie die binnen de in de beschikking vastgestelde termijn moet worden ingediend. Als die verrichtingen eenmaal zijn gedaan, handelt het Hof overeenkomstig het eerste en het tweede lid.
Van de beschikkingen wordt aan de partijen kennis gegeven. Indien geen terechtzitting is bepaald, kan elke partij een verzoek indienen om te worden gehoord. Dit verzoek wordt ingediend binnen zeven dagen nadat de in het tweede lid bedoelde beschikking ter kennis is gebracht.]1
Modifications
Art.90. [1 A l'expiration des délais prévus par l'article 89, la Cour, les rapporteurs entendus, décide si l'affaire est ou non en état et si une audience est tenue.
L'ordonnance décidant que l'affaire est en état fixe, le cas échéant, le jour de l'audience et énonce les moyens qui paraissent devoir être examinés d'office et les questions auxquelles les parties seront invitées à répondre, soit par un mémoire complémentaire à introduire dans le délai fixé dans l'ordonnance, soit verbalement à l'audience.
L'ordonnance décidant que l'affaire n'est pas en état énonce les devoirs à accomplir par les rapporteurs ou par les greffiers et mentionne, le cas échéant, les moyens qui paraissent devoir être examinés d'office et les questions auxquelles les parties seront invitées à répondre par un mémoire complémentaire à introduire dans le délai fixé dans l'ordonnance. Une fois ces devoirs accomplis, la Cour procède conformément aux alinéas 1er et 2.
Les ordonnances sont notifiées aux parties. Si aucune audience n'est fixée, chacune des parties peut introduire une demande en vue d'être entendue. Cette demande est introduite dans les sept jours qui suivent la notification de l'ordonnance visée à l'alinéa 2.]1
L'ordonnance décidant que l'affaire est en état fixe, le cas échéant, le jour de l'audience et énonce les moyens qui paraissent devoir être examinés d'office et les questions auxquelles les parties seront invitées à répondre, soit par un mémoire complémentaire à introduire dans le délai fixé dans l'ordonnance, soit verbalement à l'audience.
L'ordonnance décidant que l'affaire n'est pas en état énonce les devoirs à accomplir par les rapporteurs ou par les greffiers et mentionne, le cas échéant, les moyens qui paraissent devoir être examinés d'office et les questions auxquelles les parties seront invitées à répondre par un mémoire complémentaire à introduire dans le délai fixé dans l'ordonnance. Une fois ces devoirs accomplis, la Cour procède conformément aux alinéas 1er et 2.
Les ordonnances sont notifiées aux parties. Si aucune audience n'est fixée, chacune des parties peut introduire une demande en vue d'être entendue. Cette demande est introduite dans les sept jours qui suivent la notification de l'ordonnance visée à l'alinéa 2.]1
Modifications
Art.91. Het Hof beschikt over de ruimste onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden.
Het kan met name :
1° rechtstreeks briefwisseling voeren met de Eerste Minister, met de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en van de Executieven, alsmede met iedere andere openbare overheid;
2° de partijen op tegenspraak horen en zich door die partijen en door iedere openbare overheid alle de zaak betreffende stukken en gegevens doen overleggen;
3° iedere persoon horen die het nuttig acht te horen;
4° elke vaststelling ter plaatse doen;
5° deskundigen aanstellen.
Het kan, bij beschikking, aan de verslaggevers de onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden delegeren die het bepaalt.
Het kan met name :
1° rechtstreeks briefwisseling voeren met de Eerste Minister, met de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en van de Executieven, alsmede met iedere andere openbare overheid;
2° de partijen op tegenspraak horen en zich door die partijen en door iedere openbare overheid alle de zaak betreffende stukken en gegevens doen overleggen;
3° iedere persoon horen die het nuttig acht te horen;
4° elke vaststelling ter plaatse doen;
5° deskundigen aanstellen.
Het kan, bij beschikking, aan de verslaggevers de onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden delegeren die het bepaalt.
Art.91. La Cour a les pouvoirs d'instruction et d'investigation les plus étendus.
Elle peut notamment :
1° correspondre directement avec le Premier Ministre, avec les présidents des assemblées législatives et des Exécutifs, ainsi qu'avec toute autre autorité publique;
2° entendre contradictoirement les parties et se faire communiquer par elles et par toute autorité publique tous documents et renseignements ayant trait à l'affaire;
3° entendre toute personne dont elle estime l'audition utile;
4° procéder sur les lieux à toute constatation;
5° commettre des experts.
Elle peut, par ordonnance, déléguer aux rapporteurs les pouvoirs d'instruction et d'investigation qu'elle détermine.
Elle peut notamment :
1° correspondre directement avec le Premier Ministre, avec les présidents des assemblées législatives et des Exécutifs, ainsi qu'avec toute autre autorité publique;
2° entendre contradictoirement les parties et se faire communiquer par elles et par toute autorité publique tous documents et renseignements ayant trait à l'affaire;
3° entendre toute personne dont elle estime l'audition utile;
4° procéder sur les lieux à toute constatation;
5° commettre des experts.
Elle peut, par ordonnance, déléguer aux rapporteurs les pouvoirs d'instruction et d'investigation qu'elle détermine.
Art.92. Het Hof kan beslissen dat de in artikel 91, 3° bedoelde personen onder ede worden gehoord, nadat de partijen en hun advocaten zijn opgeroepen.
In dat geval leggen zij de volgende eed af :
" Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen ",
of
" Je jure en honneur et conscience de dire toute la vérité, rien que la vérité ",
of
" Ich schwöre auf Ehre und Gewissen, die ganze Wahrheit und nur die Wahrheit zu sagen. "
Iedere opgeroepene is gehouden te verschijnen en aan de oproeping gevolg te geven. Hij die weigert te verschijnen, de eed af te leggen of te getuigen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig tot honderd frank.
Van het niet-verschijnen of van de weigering om onder ede te getuigen wordt proces-verbaal opgemaakt; dit wordt gezonden aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de persoon moest worden gehoord.
De bepalingen van het Strafwetboek betreffende valse getuigenis in burgerlijke zaken en betreffende verleiding van getuigen zijn mede van toepassing op de in dit artikel bepaalde onderzoeksprocedure.
Het proces-verbaal van het verhoor wordt getekend door de voorzitter of door de rechters van het Hof die het verhoor hebben gehouden, door de griffier en door de gehoorde personen.
In dat geval leggen zij de volgende eed af :
" Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen ",
of
" Je jure en honneur et conscience de dire toute la vérité, rien que la vérité ",
of
" Ich schwöre auf Ehre und Gewissen, die ganze Wahrheit und nur die Wahrheit zu sagen. "
Iedere opgeroepene is gehouden te verschijnen en aan de oproeping gevolg te geven. Hij die weigert te verschijnen, de eed af te leggen of te getuigen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig tot honderd frank.
Van het niet-verschijnen of van de weigering om onder ede te getuigen wordt proces-verbaal opgemaakt; dit wordt gezonden aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de persoon moest worden gehoord.
De bepalingen van het Strafwetboek betreffende valse getuigenis in burgerlijke zaken en betreffende verleiding van getuigen zijn mede van toepassing op de in dit artikel bepaalde onderzoeksprocedure.
Het proces-verbaal van het verhoor wordt getekend door de voorzitter of door de rechters van het Hof die het verhoor hebben gehouden, door de griffier en door de gehoorde personen.
Art.92. La Cour peut décider que les personnes visées à l'article 91, 3°, seront entendues sous serment, les parties et leurs avocats convoqués.
En ce cas, elles prêteront le serment suivant :
" Je jure en honneur et conscience de dire toute la vérité, rien que la vérité ",
ou
" Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen ",
ou
" Ich schwöre auf Ehre und Gewissen, die ganze Wahrheit und nur die Wahrheit zu sagen. "
Toute personne convoquée sera tenue de comparaître et de satisfaire à la convocation. Le refus de comparaître, de prêter serment ou de déposer sera puni d'une amende de vingt-six à cent francs.
Procès-verbal relatif à la non-comparution ou au refus de témoigner sous serment sera dressé et transmis au procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel la personne devait être entendue.
Les dispositions du Code pénal relatives au faux témoignage en matière civile ainsi qu'à la subornation des témoins sont applicables à la procédure d'enquête prévue par le présent article.
Le procès-verbal de l'audition est signé par le président ou par les juges de la Cour qui y ont procédé, par le greffier et par la personne entendue.
En ce cas, elles prêteront le serment suivant :
" Je jure en honneur et conscience de dire toute la vérité, rien que la vérité ",
ou
" Ik zweer in eer en geweten dat ik de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen ",
ou
" Ich schwöre auf Ehre und Gewissen, die ganze Wahrheit und nur die Wahrheit zu sagen. "
Toute personne convoquée sera tenue de comparaître et de satisfaire à la convocation. Le refus de comparaître, de prêter serment ou de déposer sera puni d'une amende de vingt-six à cent francs.
Procès-verbal relatif à la non-comparution ou au refus de témoigner sous serment sera dressé et transmis au procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel la personne devait être entendue.
Les dispositions du Code pénal relatives au faux témoignage en matière civile ainsi qu'à la subornation des témoins sont applicables à la procédure d'enquête prévue par le présent article.
Le procès-verbal de l'audition est signé par le président ou par les juges de la Cour qui y ont procédé, par le greffier et par la personne entendue.
Art.93. In geval van plaatsopneming worden de partijen en hun advocaten opgeroepen.
Art.93. En cas de descente sur les lieux, les parties et leurs avocats sont convoqués.
Art. 94. Het Hof bepaalt bij beschikking de opdracht van de deskundigen die het aanstelt, alsook de termijn voor het indienen van hun verslag. De griffier geeft van dat bevel kennis aan de deskundigen en aan de partijen.
De artikelen 966 tot 970 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de aangestelde deskundigen.
Binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stellen de deskundigen, bij een ter post aangetekende brief, elke partij in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen.
De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld; de partijen kunnen zodanige voordrachten en vorderingen doen als zij goedvinden; melding ervan wordt gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevens ter kennis worden gebracht van de partijen.
Behoudens verhindering, door de griffier bij de indiening van het verslag vastgesteld, wordt het verslag getekend door alle deskundigen. De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de eed :
" Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld ",
of
" Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ",
of
" Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfüllt habe ".
De minuut van het verslag wordt ter griffie neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.
Het Hof kan, om gewichtige redenen en bij gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de opdracht van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord. De griffier geeft van de beslissing kennis aan de deskundigen en aan de partijen.
De artikelen 966 tot 970 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de aangestelde deskundigen.
Binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stellen de deskundigen, bij een ter post aangetekende brief, elke partij in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen.
De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld; de partijen kunnen zodanige voordrachten en vorderingen doen als zij goedvinden; melding ervan wordt gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevens ter kennis worden gebracht van de partijen.
Behoudens verhindering, door de griffier bij de indiening van het verslag vastgesteld, wordt het verslag getekend door alle deskundigen. De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de eed :
" Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld ",
of
" Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ",
of
" Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfüllt habe ".
De minuut van het verslag wordt ter griffie neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.
Het Hof kan, om gewichtige redenen en bij gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de opdracht van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord. De griffier geeft van de beslissing kennis aan de deskundigen en aan de partijen.
Art. 94. La Cour détermine par ordonnance la mission des experts qu'elle commet et fixe le délai pour le dépôt de leur rapport. Le greffier notifie cette ordonnance aux experts et aux parties.
Les articles 966 à 970 du Code judiciaire sont d'application aux experts commis.
Dans les huit jours qui suivent la notification prévue à l'alinéa 1er, les experts avisent par lettre recommandée à la poste chacune des parties des lieu, jour et heure où ils commenceront leurs opérations.
Les pièces nécessaires sont remises aux experts; les parties peuvent faire tels dires et réquisitoires qu'elles jugent convenables; il en est fait mention dans le rapport, dont les préliminaires sont portés à la connaissance des parties.
Le rapport est signé par tous les experts, sauf empêchement constaté par le greffier au moment du dépôt du rapport. La signature des experts est précédée du serment :
" Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ",
ou
" Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld ",
ou
" Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfullt habe ".
La minute du rapport est déposée au greffe. Le greffier en avise les parties.
La Cour peut, pour des motifs graves et par une décision motivée, mettre fin à la mission des experts et pourvoir à leur remplacement après les avoir entendus. Le greffier notifie la décision aux experts et aux parties.
Les articles 966 à 970 du Code judiciaire sont d'application aux experts commis.
Dans les huit jours qui suivent la notification prévue à l'alinéa 1er, les experts avisent par lettre recommandée à la poste chacune des parties des lieu, jour et heure où ils commenceront leurs opérations.
Les pièces nécessaires sont remises aux experts; les parties peuvent faire tels dires et réquisitoires qu'elles jugent convenables; il en est fait mention dans le rapport, dont les préliminaires sont portés à la connaissance des parties.
Le rapport est signé par tous les experts, sauf empêchement constaté par le greffier au moment du dépôt du rapport. La signature des experts est précédée du serment :
" Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ",
ou
" Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld ",
ou
" Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfullt habe ".
La minute du rapport est déposée au greffe. Le greffier en avise les parties.
La Cour peut, pour des motifs graves et par une décision motivée, mettre fin à la mission des experts et pourvoir à leur remplacement après les avoir entendus. Le greffier notifie la décision aux experts et aux parties.
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 94. Het Hof bepaalt bij beschikking de opdracht van de deskundigen die het aanstelt, alsook de termijn voor het indienen van hun verslag. De griffier geeft van dat bevel kennis aan de deskundigen en aan de partijen.
De artikelen 966 tot 970 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de aangestelde deskundigen.
Binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stellen de deskundigen [1 ...]1 elke partij in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen. [1 Deze berichtgeving geschiedt bij een aangetekende zending of door middel van het platform voor de op het platform geregistreerde partijen.]1
De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld; de partijen kunnen zodanige voordrachten en vorderingen doen als zij goedvinden; melding ervan wordt gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevens ter kennis worden gebracht van de partijen.
Behoudens verhindering, door de griffier bij de indiening van het verslag vastgesteld, wordt het verslag getekend door alle deskundigen. De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de eed :
" Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld ",
of
" Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ",
of
" Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfüllt habe ".
De minuut van het verslag wordt ter griffie neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.
Het Hof kan, om gewichtige redenen en bij gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de opdracht van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord. De griffier geeft van de beslissing kennis aan de deskundigen en aan de partijen.
De artikelen 966 tot 970 van het Gerechtelijk Wetboek zijn mede van toepassing op de aangestelde deskundigen.
Binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving, stellen de deskundigen [1 ...]1 elke partij in kennis van de plaats, de dag en het uur waar en waarop zij hun verrichtingen zullen aanvangen. [1 Deze berichtgeving geschiedt bij een aangetekende zending of door middel van het platform voor de op het platform geregistreerde partijen.]1
De nodige stukken worden de deskundigen ter hand gesteld; de partijen kunnen zodanige voordrachten en vorderingen doen als zij goedvinden; melding ervan wordt gemaakt in het verslag, waarvan de inleidende gegevens ter kennis worden gebracht van de partijen.
Behoudens verhindering, door de griffier bij de indiening van het verslag vastgesteld, wordt het verslag getekend door alle deskundigen. De handtekening van de deskundigen wordt voorafgegaan door de eed :
" Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld ",
of
" Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ",
of
" Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfüllt habe ".
De minuut van het verslag wordt ter griffie neergelegd. De partijen worden hiervan door de griffier in kennis gesteld.
Het Hof kan, om gewichtige redenen en bij gemotiveerde beslissing, een einde maken aan de opdracht van de deskundigen en in hun vervanging voorzien na hen te hebben gehoord. De griffier geeft van de beslissing kennis aan de deskundigen en aan de partijen.
Modifications
Art. 94. La Cour détermine par ordonnance la mission des experts qu'elle commet et fixe le délai pour le dépôt de leur rapport. Le greffier notifie cette ordonnance aux experts et aux parties.
Les articles 966 à 970 du Code judiciaire sont d'application aux experts commis.
Dans les huit jours qui suivent la notification prévue à l'alinéa 1er, les experts avisent [1 ...]1 chacune des parties des lieu, jour et heure où ils commenceront leurs opérations. [1 Cet avis se fait par envoi recommandé ou au moyen de la plateforme pour les parties enregistrées sur la plateforme.]1
Les pièces nécessaires sont remises aux experts; les parties peuvent faire tels dires et réquisitoires qu'elles jugent convenables; il en est fait mention dans le rapport, dont les préliminaires sont portés à la connaissance des parties.
Le rapport est signé par tous les experts, sauf empêchement constaté par le greffier au moment du dépôt du rapport. La signature des experts est précédée du serment :
" Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ",
ou
" Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld ",
ou
" Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfullt habe ".
La minute du rapport est déposée au greffe. Le greffier en avise les parties.
La Cour peut, pour des motifs graves et par une décision motivée, mettre fin à la mission des experts et pourvoir à leur remplacement après les avoir entendus. Le greffier notifie la décision aux experts et aux parties.
Les articles 966 à 970 du Code judiciaire sont d'application aux experts commis.
Dans les huit jours qui suivent la notification prévue à l'alinéa 1er, les experts avisent [1 ...]1 chacune des parties des lieu, jour et heure où ils commenceront leurs opérations. [1 Cet avis se fait par envoi recommandé ou au moyen de la plateforme pour les parties enregistrées sur la plateforme.]1
Les pièces nécessaires sont remises aux experts; les parties peuvent faire tels dires et réquisitoires qu'elles jugent convenables; il en est fait mention dans le rapport, dont les préliminaires sont portés à la connaissance des parties.
Le rapport est signé par tous les experts, sauf empêchement constaté par le greffier au moment du dépôt du rapport. La signature des experts est précédée du serment :
" Je jure que j'ai rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité ",
ou
" Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk, mijn opdracht heb vervuld ",
ou
" Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und erhlich erfullt habe ".
La minute du rapport est déposée au greffe. Le greffier en avise les parties.
La Cour peut, pour des motifs graves et par une décision motivée, mettre fin à la mission des experts et pourvoir à leur remplacement après les avoir entendus. Le greffier notifie la décision aux experts et aux parties.
Modifications
Art. 94bis. <INGEVOEGD bij W 2003-03-09/47, art. 23, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003> § 1. Wanneer bij het Hof een prejudiciële vraag aanhangig wordt gemaakt die is gesteld door de Raad van State krachtens artikel 6, § 1, VIII, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, geeft de griffier kennis van de verwijzingsbeslissing overeenkomstig artikel 77.
§ 2. Binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgeving kunnen de Ministerraad, de Regeringen, de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en de adressaten van de kennisgevingen een memorie zenden aan het Hof.
§ 3. Bij het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, beslist het Hof, na de verslaggevers te hebben gehoord, of de zaak al dan niet in gereedheid is. De beschikking waarbij wordt beslist dat de zaak in gereedheid is, bepaalt de rechtsdag van de terechtzitting. Daarvan wordt kennisgegeven aan de partijen ten minste drie dagen vóór de datum van de terechtzitting. Tijdens de termijn tussen de kennisgeving en de beschikking tot rechtsdagbepaling van de terechtzitting kunnen de partijen het dossier raadplegen op de griffie.
§ 2. Binnen tien dagen na ontvangst van de kennisgeving kunnen de Ministerraad, de Regeringen, de voorzitters van de wetgevende vergaderingen en de adressaten van de kennisgevingen een memorie zenden aan het Hof.
§ 3. Bij het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn, beslist het Hof, na de verslaggevers te hebben gehoord, of de zaak al dan niet in gereedheid is. De beschikking waarbij wordt beslist dat de zaak in gereedheid is, bepaalt de rechtsdag van de terechtzitting. Daarvan wordt kennisgegeven aan de partijen ten minste drie dagen vóór de datum van de terechtzitting. Tijdens de termijn tussen de kennisgeving en de beschikking tot rechtsdagbepaling van de terechtzitting kunnen de partijen het dossier raadplegen op de griffie.
Art. 94bis. § 1. Lorsque la Cour est saisie d'une question préjudicielle formée par le Conseil d'Etat en vertu de l'article 6, § 1; VIII, 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980 des réformes institutionnelles, le greffier notifie la décision de renvoi conformément à l'article 77.
§ 2. Dans les dix jours de la réception de la notification, le Conseil des Ministres, les Gouvernements, les présidents des assemblées législatives et les personnes destinataires de ces notifications peuvent adresser un mémoire à la Cour.
§ 3. A l'expiration du délai prévu au § 2, la Cour, les rapporteurs entendus, décide si l'affaire est ou non en état. L'ordonnance décidant que l'affaire est en état fixe le jour de l'audience. Elle est notifiée aux parties au moins trois jours avant la date de l'audience. Pendant le délai qui sépare la notification de l'ordonnance de fixation de l'audience, les parties peuvent consulter le dossier au greffe.
§ 2. Dans les dix jours de la réception de la notification, le Conseil des Ministres, les Gouvernements, les présidents des assemblées législatives et les personnes destinataires de ces notifications peuvent adresser un mémoire à la Cour.
§ 3. A l'expiration du délai prévu au § 2, la Cour, les rapporteurs entendus, décide si l'affaire est ou non en état. L'ordonnance décidant que l'affaire est en état fixe le jour de l'audience. Elle est notifiée aux parties au moins trois jours avant la date de l'audience. Pendant le délai qui sépare la notification de l'ordonnance de fixation de l'audience, les parties peuvent consulter le dossier au greffe.
HOOFDSTUK V. - Tussengeschillen.
CHAPITRE V. - Des incidents.
Afdeling I. - Betichting van valsheid.
Section I. - De l'inscription en faux.
Art.95. Ingeval een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd, door het Hof verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar voornemen ervan gebruik te maken.
Indien de partij op dit verzoek niet ingaat of verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen.
Indien zij verklaart dat zij er gebruik van wil maken en zo het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, schorst het Hof het geding tot het bevoegde rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan; dat college doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Indien het geschil bij geen enkel rechtscollege aanhangig is gemaakt, oordeelt het Hof over de bewijskracht van het stuk.
Indien uitspraak kan worden gedaan zonder dat met het van valsheid betichte stuk rekening wordt gehouden, wordt de rechtspleging voortgezet.
Indien de partij op dit verzoek niet ingaat of verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen.
Indien zij verklaart dat zij er gebruik van wil maken en zo het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, schorst het Hof het geding tot het bevoegde rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan; dat college doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken. Indien het geschil bij geen enkel rechtscollege aanhangig is gemaakt, oordeelt het Hof over de bewijskracht van het stuk.
Indien uitspraak kan worden gedaan zonder dat met het van valsheid betichte stuk rekening wordt gehouden, wordt de rechtspleging voortgezet.
Art.95. Lorsqu'une partie s'inscrit en faux contre une pièce produite, la Cour invite la partie qui l'a produite à déclarer sans délai si elle persiste dans son intention de s'en servir.
Si la partie ne satisfait pas à cette demande ou si elle déclare qu'elle n'entend pas se servir de la pièce, celle-ci est rejetée.
Si elle déclare vouloir s'en servir et que la pièce est essentielle pour la solution du litige, la Cour surseoit à statuer jusqu'après le jugement de faux par la juridiction compétente; celle-ci statue toutes affaires cessantes. Si aucune juridiction n'a été saisie de la question, la Cour apprécie la force probante de la pièce.
S'il peut être statué sans tenir compte de la pièce arguée de faux, il est passé outre.
Si la partie ne satisfait pas à cette demande ou si elle déclare qu'elle n'entend pas se servir de la pièce, celle-ci est rejetée.
Si elle déclare vouloir s'en servir et que la pièce est essentielle pour la solution du litige, la Cour surseoit à statuer jusqu'après le jugement de faux par la juridiction compétente; celle-ci statue toutes affaires cessantes. Si aucune juridiction n'a été saisie de la question, la Cour apprécie la force probante de la pièce.
S'il peut être statué sans tenir compte de la pièce arguée de faux, il est passé outre.
Afdeling II. - Hervatting van het rechtsgeding.
Section II. - De la reprise d'instance.
Art.96. Indien, vóór de sluiting van de debatten, een belanghebbende die een beroep tot vernietiging heeft ingesteld of een in artikel 87 bedoelde partij komt te overlijden, wordt de rechtspleging voortgezet zonder dat er grond is tot hervatting van het rechtsgeding.
Art.96. Si, avant la clôture des débats, une personne justifiant d'un intérêt ayant introduit un recours en annulation ou une partie visée à l'article 87 vient à décéder, la procédure est poursuivie sans qu'il y ait lieu à reprise d'instance.
Art.97. Indien, vóór de sluiting van de debatten, een van de partijen in het geding voor het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, komt te overlijden [1 nadat zij partij voor het Hof is geworden]1, wordt de rechtspleging voor het Hof geschorst.
De rechtspleging wordt hervat wanneer het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, het Hof kennis geeft van de hervatting van het geding.
De rechtspleging wordt hervat wanneer het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, het Hof kennis geeft van de hervatting van het geding.
Modifications
Art.97. Si, avant la clôture des débats, l'une des parties au litige devant la juridiction qui a posé la question préjudicielle vient à décéder [1 après être devenue partie devant la Cour]1, la procédure devant la Cour est suspendue.
La procédure est reprise lorsque la juridiction qui a posé la question préjudicielle informe la Cour de la reprise d'instance.
La procédure est reprise lorsque la juridiction qui a posé la question préjudicielle informe la Cour de la reprise d'instance.
Modifications
Afdeling III. - Afstand van het geding.
Section III. - Du désistement.
Art.98. [1 De verzoekende partijen]1 kunnen afstand doen van hun beroep tot vernietiging.
Bij de mededeling die de Ministerraad en de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven van die beslissing doen aan het Hof, voegen zij een voor eensluidend verklaard afschrift van hun besluit om afstand te doen.
Indien daartoe grond bestaat, wijst het Hof de afstand toe, de andere partijen gehoord.
Bij de mededeling die de Ministerraad en de Gemeenschaps- en Gewestexecutieven van die beslissing doen aan het Hof, voegen zij een voor eensluidend verklaard afschrift van hun besluit om afstand te doen.
Indien daartoe grond bestaat, wijst het Hof de afstand toe, de andere partijen gehoord.
Modifications
Art.98. [1 Les parties requérantes]1 peuvent se désister de leur recours en annulation.
Le Conseil des Ministres et les Exécutifs régionaux et de Communauté joignent à la communication qu'ils font de cette décision à la Cour une copie certifiée conforme de la délibération par laquelle le désistement a été décidé.
S'il y a lieu, la Cour décrète le désistement, les autres parties entendues.
Le Conseil des Ministres et les Exécutifs régionaux et de Communauté joignent à la communication qu'ils font de cette décision à la Cour une copie certifiée conforme de la délibération par laquelle le désistement a été décidé.
S'il y a lieu, la Cour décrète le désistement, les autres parties entendues.
Modifications
Art.99. Met de afstand, aanvaard of toegelaten door het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, komt een eind aan de rechtspleging voor het Hof.
Het rechtscollege zendt een expeditie van zijn beslissing aan het Hof.
Het rechtscollege zendt een expeditie van zijn beslissing aan het Hof.
Art.99. Le désistement, accepté ou admis devant la juridiction qui a posé la question préjudicielle, met fin à la procédure devant la Cour.
La juridiction transmet une expédition de sa décision à la Cour.
La juridiction transmet une expédition de sa décision à la Cour.
Afdeling IV. - Samenhang.
Section IV. - De la connexité.
Art.100. Het [1 Grondwettelijk Hof]1 in voltallige zitting kan de beroepen tot vernietiging of de prejudiciële vragen betreffende een zelfde norm waarover in een en hetzelfde arrest uitspraak dient te worden gedaan samenvoegen. In dat geval worden de zaken onderzocht door de zetel waarbij de eerste zaak is aanhangig gemaakt.
De beschikking tot samenvoeging wordt door de griffier ter kennis van de partijen gebracht.
Wanneer twee of meer zaken zijn samengevoegd, zijn de verslaggevers degenen die, overeenkomstig artikel 68, zijn aangewezen voor de zaak welke het eerst bij het Hof aanhangig is gemaakt.
De beschikking tot samenvoeging wordt door de griffier ter kennis van de partijen gebracht.
Wanneer twee of meer zaken zijn samengevoegd, zijn de verslaggevers degenen die, overeenkomstig artikel 68, zijn aangewezen voor de zaak welke het eerst bij het Hof aanhangig is gemaakt.
Modifications
Art.100. La [1 Cour constitutionnelle]1 réunie en séance plénière peut joindre les recours en annulation ou les questions préjudicielles relatifs à une même norme, sur lesquels il y a lieu de statuer par un seul et même arrêt. Dans ce cas, les affaires sont examinées par le siège saisi le premier.
Le greffier notifie l'ordonnance de jonction aux parties.
Lorsque deux ou plusieurs affaires ont été jointes, les rapporteurs sont ceux qui, conformément à l'article 68, sont désignés pour la première affaire dont la Cour a été saisie.
Le greffier notifie l'ordonnance de jonction aux parties.
Lorsque deux ou plusieurs affaires ont été jointes, les rapporteurs sont ceux qui, conformément à l'article 68, sont désignés pour la première affaire dont la Cour a été saisie.
Modifications
Afdeling V. - Wraking en verschoning.
Section V. - De la récusation.
Art.101. De rechters van het Hof kunnen worden gewraakt om de redenen die luidens de artikelen 828 en 830 van het Gerechtelijk Wetboek tot wraking aanleiding geven.
Het feit dat een rechter van het Hof heeft deelgenomen aan de totstandkoming van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel die het onderwerp van een beroep tot vernietiging of van een verwijzingsbeslissing uitmaakt, vormt op zich geen reden tot wraking. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Iedere rechter van het Hof die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet daarvan kennis geven aan het Hof, dat beslist of hij zich van de zaak moet onthouden.
Het feit dat een rechter van het Hof heeft deelgenomen aan de totstandkoming van de wet, het decreet of de in (artikel 134 van de Grondwet) bedoelde regel die het onderwerp van een beroep tot vernietiging of van een verwijzingsbeslissing uitmaakt, vormt op zich geen reden tot wraking. <W 2003-03-09/47, art. 27, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Iedere rechter van het Hof die weet dat er een reden van wraking tegen hem bestaat, moet daarvan kennis geven aan het Hof, dat beslist of hij zich van de zaak moet onthouden.
Art.101. Les juges de la Cour peuvent être récusés pour les causes qui donnent lieu à récusation aux termes des articles 828 et 830 du Code judiciaire.
Le fait qu'un juge de la Cour a participé à l'élaboration de la loi, du décret ou de la règle visée à (l'article 134 de la Constitution) qui fait l'objet du recours en annulation ou de la décision de renvoi, ne constitue pas en soi une cause de récusation. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Tout juge de la Cour qui sait une cause de récusation en sa personne est tenu de la déclarer à la Cour qui décide s'il doit s'abstenir.
Le fait qu'un juge de la Cour a participé à l'élaboration de la loi, du décret ou de la règle visée à (l'article 134 de la Constitution) qui fait l'objet du recours en annulation ou de la décision de renvoi, ne constitue pas en soi une cause de récusation. <L 2003-03-09/47, art. 27, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Tout juge de la Cour qui sait une cause de récusation en sa personne est tenu de la déclarer à la Cour qui décide s'il doit s'abstenir.
Art.102. Hij die wil wraken, moet dit doen zodra hij van de wrakingsgrond kennis heeft.
De wraking wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het Hof gericht.
Nadat de wrakende partij en de gewraakte rechter zijn gehoord, wordt zonder verwijl over de wraking uitspraak gedaan.
De gewraakte rechter wordt vervangen door een andere rechter, zoals bepaald is in artikel 55, eerste lid, artikel 56 en artikel 60, al naar het geval.
De wraking wordt gevraagd bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het Hof gericht.
Nadat de wrakende partij en de gewraakte rechter zijn gehoord, wordt zonder verwijl over de wraking uitspraak gedaan.
De gewraakte rechter wordt vervangen door een andere rechter, zoals bepaald is in artikel 55, eerste lid, artikel 56 en artikel 60, al naar het geval.
Art.102. Celui qui veut récuser doit le faire dès qu'il a connaissance de la cause de récusation.
La récusation motivée est proposée par requête adressée à la Cour.
Il est statue sans délai sur la récusation, le récusant et le juge récusé entendus.
Le juge récusé est remplace par un autre juge, tel qu'il est prévu à l'article 55, alinéa premier, à l'article 56 et à l'article 60, selon le cas.
La récusation motivée est proposée par requête adressée à la Cour.
Il est statue sans délai sur la récusation, le récusant et le juge récusé entendus.
Le juge récusé est remplace par un autre juge, tel qu'il est prévu à l'article 55, alinéa premier, à l'article 56 et à l'article 60, selon le cas.
HOOFDSTUK VI. - Terechtzitting.
CHAPITRE VI. - De l'audience.
Art.103. De partijen die een verzoekschrift of een memorie hebben ingediend, hun vertegenwoordigers en hun advocaten worden vijftien dagen vooraf in kennis gesteld van de datum van de terechtzitting.
(Samen met de kennisgeving met de datum van de terechtzitting, wordt het verslag van de verslaggevers meegedeeld aan de desbetreffende partijen.) <W 2003-03-09/47, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Gedurende (de in het eerste lid bepaalde) termijn kunnen zij op de griffie inzake nemen van het dossier. <W 2003-03-09/47, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
(Samen met de kennisgeving met de datum van de terechtzitting, wordt het verslag van de verslaggevers meegedeeld aan de desbetreffende partijen.) <W 2003-03-09/47, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Gedurende (de in het eerste lid bepaalde) termijn kunnen zij op de griffie inzake nemen van het dossier. <W 2003-03-09/47, art. 24, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art.103. Les parties qui ont introduit une requête ou déposé un mémoire, leurs représentants et leurs avocats sont avisés de la date de l'audience quinze jours d'avance.
(Le rapport des rapporteurs est communiqué aux parties en cause en même temps que la notification de la date de l'audience.) <L 2003-03-09/47, art. 24, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Pendant (le délai visé à l'alinéa 1), ils peuvent consulter le dossier au greffe. <L 2003-03-09/47, art. 24, 006; En vigueur : 21-04-2003>
(Le rapport des rapporteurs est communiqué aux parties en cause en même temps que la notification de la date de l'audience.) <L 2003-03-09/47, art. 24, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Pendant (le délai visé à l'alinéa 1), ils peuvent consulter le dossier au greffe. <L 2003-03-09/47, art. 24, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art.104. De terechtzittingen van het Hof zijn openbaar, tenzij die openbaarheid gevaar oplevert voor de orde of de goede zeden; in dat geval wordt zulks door het Hof bij een met redenen omkleed arrest verklaard.
Art.104. Les audiences de la Cour sont publiques, à moins que cette publicité ne soit dangereuse pour l'ordre ou les bonnes moeurs; dans ce cas, la Cour le déclare par un arrêt motivé.
Art.105. De aanwezigen wonen de terechtzitting bij met ongedekten hoofde, eerbiedig en in stilte.
Alles wat de voorzitter met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.
Hetzelfde voorschrift wordt nageleefd in de plaatsen waar de rechters van het Hof de functies van hun ambt waarnemen.
Alles wat de voorzitter met het oog op de handhaving van de orde beveelt, wordt stipt en terstond uitgevoerd.
Hetzelfde voorschrift wordt nageleefd in de plaatsen waar de rechters van het Hof de functies van hun ambt waarnemen.
Art.105. Ceux qui assistent aux audiences se tiennent découverts, dans le respect et le silence.
Tout ce que le président ordonne pour le maintien de l'ordre est exécuté ponctuellement et à l'instant.
La même disposition est observée dans les lieux où les juges exercent les fonctions de leur état.
Tout ce que le président ordonne pour le maintien de l'ordre est exécuté ponctuellement et à l'instant.
La même disposition est observée dans les lieux où les juges exercent les fonctions de leur état.
Art.106. Op de terechtzitting vat de verslaggever die behoort tot de groep waarvan de taal die van het onderzoek is, de feitelijke toedracht van de zaak samen en vermeldt hij de rechtsvragen die het Hof moet oplossen.
De verslaggever die behoort tot de andere taalgroep kan, in voorkomend geval, een aanvullend verslag uitbrengen.
Indien daartoe grond bestaat, hoort het Hof de personen die het besloten heeft te horen, alsook de deskundigen.
Alleen de partijen die een verzoekschrift of een memorie hebben ingediend en hun advocaten worden tot de debatten toegelaten; zij mogen alleen mondelinge opmerkingen voordragen.
De voorzitter verklaart daarna de debatten voor gesloten en stelt de zaak in beraad.
De verslaggever die behoort tot de andere taalgroep kan, in voorkomend geval, een aanvullend verslag uitbrengen.
Indien daartoe grond bestaat, hoort het Hof de personen die het besloten heeft te horen, alsook de deskundigen.
Alleen de partijen die een verzoekschrift of een memorie hebben ingediend en hun advocaten worden tot de debatten toegelaten; zij mogen alleen mondelinge opmerkingen voordragen.
De voorzitter verklaart daarna de debatten voor gesloten en stelt de zaak in beraad.
Art.106. A l'audience, le rapporteur appartenant au groupe dont la langue est celle de l'instruction résume les faits de la cause et indique les questions juridiques que la Cour doit résoudre.
Le rapporteur appartenant à l'autre groupe linguistique peut, le cas échéant, faire un rapport complémentaire.
La Cour, s'il échet, entend les personnes dont elle a décidé l'audition, ainsi que les experts.
Ne sont admises aux débats que les parties ayant introduit une requête ou déposé un mémoire, ainsi que leurs avocats; elles ne peuvent que présenter des observations orales.
Le président prononce ensuite la clôture des débats et met la cause en délibéré.
Le rapporteur appartenant à l'autre groupe linguistique peut, le cas échéant, faire un rapport complémentaire.
La Cour, s'il échet, entend les personnes dont elle a décidé l'audition, ainsi que les experts.
Ne sont admises aux débats que les parties ayant introduit une requête ou déposé un mémoire, ainsi que leurs avocats; elles ne peuvent que présenter des observations orales.
Le président prononce ensuite la clôture des débats et met la cause en délibéré.
HOOFDSTUK VII. - Heropening der debatten.
CHAPITRE VII. - De la réouverture des débats.
Art.107. Het Hof kan de heropening van de debatten ambtshalve bevelen. Het moet ze bevelen alvorens te bewilligen in een exceptie of een middel waaromtrent de partijen niet in staat zijn gesteld zich te verklaren.
Het Hof bepaalt de termijnen waarbinnen de partijen een laatste memorie kunnen neerleggen.
Het Hof bepaalt de termijnen waarbinnen de partijen een laatste memorie kunnen neerleggen.
Art.107. La Cour peut ordonner d'office la réouverture des débats. Elle doit l'ordonner avant d'accueillir une exception ou un moyen sur lesquels les parties n'ont pas été mises en mesures de s'expliquer.
La Cour indique les délais dans lesquels les parties sont appelées à déposer à cet égard un dernier mémoire.
La Cour indique les délais dans lesquels les parties sont appelées à déposer à cet égard un dernier mémoire.
HOOFDSTUK VIII. - Het arrest.
CHAPITRE VIII. - De l'arrêt.
Art.108. De beraadslagingen van het Hof zijn geheim.
Art.108. Les délibérations de la Cour sont secrètes.
Art.109. Onverminderd artikel 25 [1 , artikel 25quater, derde lid]1 (en artikel 6, § 1, VIII, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen), worden de arresten gewezen binnen zes maanden na de indiening van het beroep tot vernietiging of na ontvangst van (de verwijzingsbeslissing). <W 2003-03-09/47, art. 25, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Evenwel, wanneer een zaak na afloop van die termijn niet in staat van wijzen is, kan het Hof, bij een met redenen omklede beslissing, deze termijn voor de nodige tijd verlengen. Desnoods kan de verlenging worden hernieuwd, zonder dat de totale duur der verlengingen (zes maanden) mag overschrijden. <W 2003-03-09/47, art. 25, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Evenwel, wanneer een zaak na afloop van die termijn niet in staat van wijzen is, kan het Hof, bij een met redenen omklede beslissing, deze termijn voor de nodige tijd verlengen. Desnoods kan de verlenging worden hernieuwd, zonder dat de totale duur der verlengingen (zes maanden) mag overschrijden. <W 2003-03-09/47, art. 25, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Modifications
Art.109. Sans préjudice de l'article 25 [1 , de l'article 25quater, alinéa 3,]1 (et de l'article 6, § 1, VIII, 5°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles), les arrêts sont rendus dans les six mois du dépôt du recours en annulation ou de la réception (de la décision) de renvoi. <L 2003-03-09/47, art. 25, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Néanmoins, dans le cas où une affaire n'est pas en état d'être jugée à l'expiration de ce délai, la Cour peut, par une décision motivée, le proroger dans la mesure qui s'impose. La prorogation peut, en cas de nécessité, être renouvelée sans que la durée totale des prorogations puisse excéder (six mois). <L 2003-03-09/47, art. 25, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Néanmoins, dans le cas où une affaire n'est pas en état d'être jugée à l'expiration de ce délai, la Cour peut, par une décision motivée, le proroger dans la mesure qui s'impose. La prorogation peut, en cas de nécessité, être renouvelée sans que la durée totale des prorogations puisse excéder (six mois). <L 2003-03-09/47, art. 25, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Modifications
Art.110. [1 Tenzij de voorzitter beslist het arrest in openbare terechtzitting uit te spreken, geldt de bekendmaking ervan op de website van het Hof als uitspraak.]1
Modifications
Art.110. [1 Sauf si le président décide de prononcer l'arrêt en audience publique, sa publication sur le site web de la Cour vaut prononcé.]1
Modifications
Art.111. [1 Het arrest bevat de gronden en het beschikkend gedeelte. Het vermeldt :
1° de naam van elk van de partijen en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de personen die hen vertegenwoordigen alsook van hun raadslieden;
2° de bepalingen op het gebruik van de talen die zijn toegepast;
3° de memories ingediend door de partijen, alsmede hun eventuele aanwezigheid en die van hun raadslieden op de terechtzitting;
4° de datum van ondertekening van het arrest en de naam van de rechters die erover hebben beraadslaagd.]1
1° de naam van elk van de partijen en, in voorkomend geval, de naam en de hoedanigheid van de personen die hen vertegenwoordigen alsook van hun raadslieden;
2° de bepalingen op het gebruik van de talen die zijn toegepast;
3° de memories ingediend door de partijen, alsmede hun eventuele aanwezigheid en die van hun raadslieden op de terechtzitting;
4° de datum van ondertekening van het arrest en de naam van de rechters die erover hebben beraadslaagd.]1
Modifications
Art.111. [1 L'arrêt contient les motifs et le dispositif. Il porte mention :
1° du nom de chacune des parties et, le cas échéant, des nom et qualité des personnes qui les représentent ainsi que de leurs conseils;
2° des dispositions sur l'emploi des langues dont il est fait application;
3° des mémoires introduits par les parties, ainsi que de la présence éventuelle des parties et de leurs conseils à l'audience;
4° de la date de la signature de l'arrêt et du nom des juges qui en ont délibéré.]1
1° du nom de chacune des parties et, le cas échéant, des nom et qualité des personnes qui les représentent ainsi que de leurs conseils;
2° des dispositions sur l'emploi des langues dont il est fait application;
3° des mémoires introduits par les parties, ainsi que de la présence éventuelle des parties et de leurs conseils à l'audience;
4° de la date de la signature de l'arrêt et du nom des juges qui en ont délibéré.]1
Modifications
Art.112. De arresten worden door de voorzitter en de griffier getekend.
Art.112. Les arrêts sont signés par le président et par le greffier.
Art.113. Van de arresten wordt door de griffier kennis gegeven :
1° [1 ...]1
2° [1 ...]1
3° aan de partijen;
4° aan het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
[1 Zij worden op elektronische wijze meegedeeld :
1° aan de eerste minister en aan de voorzitters van de regeringen;
2° aan de voorzitters van de Wetgevende Kamers, van het Vlaams Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap, van het Waals Parlement, van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en van de Wetgevende Vergaderingen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.]1
1° [1 ...]1
2° [1 ...]1
3° aan de partijen;
4° aan het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld.
[1 Zij worden op elektronische wijze meegedeeld :
1° aan de eerste minister en aan de voorzitters van de regeringen;
2° aan de voorzitters van de Wetgevende Kamers, van het Vlaams Parlement, van het Parlement van de Franse Gemeenschap, van het Waals Parlement, van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap en van de Wetgevende Vergaderingen van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.]1
Modifications
Art.113. Les arrêts sont notifiés par le greffier :
1° [1 ...]1
2° [1 ...]1
3° aux parties;
4° à la juridiction qui a posé la question préjudicielle.
[1 Ils sont communiqués par voie électronique :
1° au premier ministre et aux présidents des gouvernements;
2° aux présidents des Chambres législatives, du Parlement de la Communauté française, du Parlement wallon, du Parlement flamand, du Parlement de la Communauté germanophone et des Assemblées législatives de la Région de Bruxelles-Capitale.]1
1° [1 ...]1
2° [1 ...]1
3° aux parties;
4° à la juridiction qui a posé la question préjudicielle.
[1 Ils sont communiqués par voie électronique :
1° au premier ministre et aux présidents des gouvernements;
2° aux présidents des Chambres législatives, du Parlement de la Communauté française, du Parlement wallon, du Parlement flamand, du Parlement de la Communauté germanophone et des Assemblées législatives de la Région de Bruxelles-Capitale.]1
Modifications
Art.114. [1 De arresten worden door toedoen van de griffier bekendgemaakt op de website van het Hof, alsook in hun geheel of bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel bevat de gronden en het beschikkend gedeelte.]1
Modifications
Art.114. [1 Les arrêts sont publiés par les soins du greffier sur le site web de la Cour ainsi que, dans leur intégralité ou par extraits, dans le Moniteur belge. L'extrait comporte les motifs et le dispositif.]1
Modifications
Art.115. De arresten zijn van rechtswege uitvoerbaar. [1 ...]1
[1 ...]1
[1 ...]1
Modifications
Art.115. Les arrêts sont exécutoires de plein droit. [1 ...]1
[1 ...]1
[1 ...]1
Modifications
Art.116. Het arrest van het Hof is definitief en niet vatbaar voor beroep.
Art.116. L'arrêt de la Cour est définitif et sans recours.
Art.117. § 1. Onder voorbehoud van artikel 118 kan het Hof, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een der partijen, binnen twee weken na de kennisgeving van het arrest, de schrijf- en rekenfouten of klaarblijkelijke onnauwkeurigheden doen herstellen.
§ 2. De griffier geeft hiervan aan de partijen vooraf behoorlijk bericht; zij kunnen binnen een door de voorzitter te bepalen termijn schriftelijke opmerkingen indienen.
§ 3. Het Hof beslist in raadkamer.
§ 4. De minuut van de beschikking waarbij de verbetering wordt bevolen, wordt aan de minuut van het verbeterde arrest gehecht. Van die beschikking wordt melding gemaakt op de kant van de minuut van het verbeterde arrest.
§ 2. De griffier geeft hiervan aan de partijen vooraf behoorlijk bericht; zij kunnen binnen een door de voorzitter te bepalen termijn schriftelijke opmerkingen indienen.
§ 3. Het Hof beslist in raadkamer.
§ 4. De minuut van de beschikking waarbij de verbetering wordt bevolen, wordt aan de minuut van het verbeterde arrest gehecht. Van die beschikking wordt melding gemaakt op de kant van de minuut van het verbeterde arrest.
Art.117. § 1. Sous réserve de l'article 118, les erreurs de plume ou de calcul ou les inexactitudes évidentes peuvent être rectifiées par la Cour, soit d'office, soit à la demande d'une partie, dans un délai de deux semaines à compter de la notification de l'arrêt.
§ 2. Les parties, dûment averties par le greffier, peuvent présenter des observations écrites dans le délai fixé par le président.
§ 3. La Cour décide en chambre du conseil.
§ 4. La minute de l'ordonnance qui prescrit la rectification est annexée à la minute de l'arrêt rectifié. Mention de cette ordonnance est faite en marge de la minute de l'arrêt rectifié.
§ 2. Les parties, dûment averties par le greffier, peuvent présenter des observations écrites dans le délai fixé par le président.
§ 3. La Cour décide en chambre du conseil.
§ 4. La minute de l'ordonnance qui prescrit la rectification est annexée à la minute de l'arrêt rectifié. Mention de cette ordonnance est faite en marge de la minute de l'arrêt rectifié.
Art.118. Op vordering van de partijen bij het beroep tot vernietiging of van het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, geeft het Hof een uitlegging van het arrest. De vordering tot uitlegging wordt ingesteld overeenkomstig artikel 5 of artikel 27, naar gelang van het geval. Zij wordt medegedeeld aan alle partijen in het geding.
Voor het overige is de voor het verzoekschrift tot vernietiging of voor de prejudiciële vraag voorgeschreven rechtspleging toepasselijk.
De minuut van het uitleggend arrest wordt aan de minuut van het uitgelegde arrest gehecht. Van het uitleggend arrest wordt melding gemaakt op de kant van het uitgelegde arrest.
Voor het overige is de voor het verzoekschrift tot vernietiging of voor de prejudiciële vraag voorgeschreven rechtspleging toepasselijk.
De minuut van het uitleggend arrest wordt aan de minuut van het uitgelegde arrest gehecht. Van het uitleggend arrest wordt melding gemaakt op de kant van het uitgelegde arrest.
Art.118. La Cour, à la demande des parties au recours en annulation ou de la juridiction qui lui a posé la question préjudicielle, interprète l'arrêt. La demande d'interprétation est introduite conformément à l'article 5 ou à l'article 27, selon le cas. Elle est communiquée à toutes les parties en cause.
Pour le surplus, la procédure prévue pour la requête en annulation ou pour la question préjudicielle est applicable.
La minute de l'arrêt interprétatif est annexée à la minute de l'arrêt interprété. Mention de l'arrêt interprétatif est faite en marge de l'arrêt interprété.
Pour le surplus, la procédure prévue pour la requête en annulation ou pour la question préjudicielle est applicable.
La minute de l'arrêt interprétatif est annexée à la minute de l'arrêt interprété. Mention de l'arrêt interprétatif est faite en marge de l'arrêt interprété.
HOOFDSTUK VIIIbis. [1 Controleprocedure voor de volksraadplegingen]1
CHAPITRE VIIIbis. [1 De la procédure de contrôle des consultations populaires ]1
Art. 118bis. [1 De artikelen 67, 79, 80 tot 82, 91, eerste lid, tweede lid, 1° tot 4°, en derde lid, 92, 93, 95, 101, 102, 108 en 119, zijn van toepassing op de controleprocedure voor de volksraadplegingen.
De artikelen [2 110 tot 117]2 zijn van toepassing, mits het woord "arrest" telkens wordt vervangen door het woord "beslissing".
Artikel 68 is van toepassing, mits de woorden "ter rechtzitting" in het tweede lid worden geschrapt.
Artikel 98 is van toepassing, mits de woorden "en van hun verzoek" in het eerste lid worden toegevoegd na de woorden "beroep tot vernietiging".
[2 ...]2 ]1
De artikelen [2 110 tot 117]2 zijn van toepassing, mits het woord "arrest" telkens wordt vervangen door het woord "beslissing".
Artikel 68 is van toepassing, mits de woorden "ter rechtzitting" in het tweede lid worden geschrapt.
Artikel 98 is van toepassing, mits de woorden "en van hun verzoek" in het eerste lid worden toegevoegd na de woorden "beroep tot vernietiging".
[2 ...]2 ]1
Art. 118bis. [1 Les articles 67, 79, 80 à 82, 91, alinéa 1er, alinéa 2, 1° à 4°, et alinéa 3, 92, 93, 95, 101, 102, 108 et 119, sont applicables à la procédure de contrôle des consultations populaires.
Les articles [2 110 à 117]2 sont applicables, moyennant le remplacement à chaque fois du mot "arrêt" par le mot "décision".
L'article 68 est applicable, moyennant la suppression à l'alinéa 2 des mots "à l'audience".
L'article 98 est applicable, moyennant l'ajout à l'alinéa 1er des mots "et de leur demande" après les mots "recours en annulation".
[2 ...]2 ]1
Les articles [2 110 à 117]2 sont applicables, moyennant le remplacement à chaque fois du mot "arrêt" par le mot "décision".
L'article 68 est applicable, moyennant la suppression à l'alinéa 2 des mots "à l'audience".
L'article 98 est applicable, moyennant l'ajout à l'alinéa 1er des mots "et de leur demande" après les mots "recours en annulation".
[2 ...]2 ]1
TOEKOMSTIG RECHT
DROIT FUTUR
Art. 118bis. [1 De artikelen 67, [3 78bis,]3 79, 80 tot 82, 91, eerste lid, tweede lid, 1° tot 4°, en derde lid, 92, 93, 95, 101, 102, 108 en 119, zijn van toepassing op de controleprocedure voor de volksraadplegingen.
De artikelen [2 110 tot 117]2 zijn van toepassing, mits het woord "arrest" telkens wordt vervangen door het woord "beslissing".
Artikel 68 is van toepassing, mits de woorden "ter rechtzitting" in het tweede lid worden geschrapt.
Artikel 98 is van toepassing, mits de woorden "en van hun verzoek" in het eerste lid worden toegevoegd na de woorden "beroep tot vernietiging".
[2 ...]2 ]1
De artikelen [2 110 tot 117]2 zijn van toepassing, mits het woord "arrest" telkens wordt vervangen door het woord "beslissing".
Artikel 68 is van toepassing, mits de woorden "ter rechtzitting" in het tweede lid worden geschrapt.
Artikel 98 is van toepassing, mits de woorden "en van hun verzoek" in het eerste lid worden toegevoegd na de woorden "beroep tot vernietiging".
[2 ...]2 ]1
Art. 118bis. [1 Les articles 67, [3 78bis,]3 79, 80 à 82, 91, alinéa 1er, alinéa 2, 1° à 4°, et alinéa 3, 92, 93, 95, 101, 102, 108 et 119, sont applicables à la procédure de contrôle des consultations populaires.
Les articles [2 110 à 117]2 sont applicables, moyennant le remplacement à chaque fois du mot "arrêt" par le mot "décision".
L'article 68 est applicable, moyennant la suppression à l'alinéa 2 des mots "à l'audience".
L'article 98 est applicable, moyennant l'ajout à l'alinéa 1er des mots "et de leur demande" après les mots "recours en annulation".
[2 ...]2 ]1
Les articles [2 110 à 117]2 sont applicables, moyennant le remplacement à chaque fois du mot "arrêt" par le mot "décision".
L'article 68 est applicable, moyennant la suppression à l'alinéa 2 des mots "à l'audience".
L'article 98 est applicable, moyennant l'ajout à l'alinéa 1er des mots "et de leur demande" après les mots "recours en annulation".
[2 ...]2 ]1
Art. 118ter. [1 De griffier brengt de verzoeken onmiddellijk ter kennis van de Ministerraad, van de Gewest- en Gemeenschapsregeringen, van de voorzitters van de andere wetgevende vergaderingen dan die waarvan het verzoek uitgaat en van de initiatiefnemer van de volksraadpleging.]1
Art. 118ter. [1 Le greffier notifie immédiatement les demandes au Conseil des ministres, aux Gouvernements de communauté et de région, aux présidents des assemblées législatives autres que celle dont émane la demande, ainsi qu'à l'initiateur de la consultation populaire.]1
Modifications
Art. 118quater. [1 Binnen tien dagen na ontvangst van de door de griffier krachtens artikel 118ter gedane kennisgevingen kunnen de Ministerraad, de Gewest- en Gemeenschapsregeringen, de voorzitters van de andere wetgevende vergaderingen dan die waarvan het verzoek uitgaat en de initiatiefnemer van de volksraadpleging een memorie tot het Hof richten. De memorie bevat een inventaris van de ter staving aangevoerde stukken.
Bij elk verzoek of memorie worden tien door de ondertekenaar voor eensluidend verklaarde afschriften gevoegd. Het indienen van bijkomende afschriften kan bevolen worden.
De memories die niet zijn ingediend binnen de in het eerste lid bepaalde termijn, worden uit de debatten geweerd.]1
Bij elk verzoek of memorie worden tien door de ondertekenaar voor eensluidend verklaarde afschriften gevoegd. Het indienen van bijkomende afschriften kan bevolen worden.
De memories die niet zijn ingediend binnen de in het eerste lid bepaalde termijn, worden uit de debatten geweerd.]1
Art. 118quater. [1 Dans les dix jours de la réception des notifications faites par le greffier en vertu de l'article 118ter, le Conseil des ministres, les Gouvernements de communauté et de région, les présidents des assemblées législatives autres que celles dont émane la demande et l'initiateur de la consultation populaire peuvent adresser un mémoire à la Cour. Le mémoire contient un inventaire des pièces à l'appui.
A toute demande ou mémoire sont jointes dix copies certifiées conformes par le signataire. La remise de copies supplémentaires peut être ordonnée.
Les mémoires qui n'ont pas été introduits dans le délai visé à l'alinéa 1er, sont écartés des débats.]1
A toute demande ou mémoire sont jointes dix copies certifiées conformes par le signataire. La remise de copies supplémentaires peut être ordonnée.
Les mémoires qui n'ont pas été introduits dans le délai visé à l'alinéa 1er, sont écartés des débats.]1
Modifications
HOOFDSTUK IX. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE IX. - Dispositions générales.
Art.119. De dag van de akte die het uitgangspunt is van een termijn, wordt er niet in begrepen.
De vervaldag wordt in de termijn meegerekend.
Is die dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt die vervaldag verplaatst tot de eerstvolgende werkdag.
De vervaldag wordt in de termijn meegerekend.
Is die dag een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt die vervaldag verplaatst tot de eerstvolgende werkdag.
Art.119. Le jour de l'acte qui est le point de départ d'un délai n'y est pas compris.
Le jour de l'échéance est compté dans le délai.
Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Le jour de l'échéance est compté dans le délai.
Toutefois, lorsque ce jour est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, le jour de l'échéance est reporté au plus prochain jour ouvrable.
Art.120. De termijnen lopen tegen de minderjarigen, de onbekwaamverklaarden en de andere onbekwamen. Het Hof kan deze echter van het verval ontheffen wanneer vaststaat dat hun vertegenwoordiging niet was verzekerd vóór het verstrijken van de termijnen.
Art.120. Les délais courent contre les mineurs, interdits et autres incapables. Toutefois, la Cour peut relever ceux-ci de la déchéance, lorsqu'il est établi que leur représentation n'était pas assurée avant l'expiration des délais.
Art.121. De griffie is open alle dagen behalve op zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen.
De Koning bepaalt de openingsuren.
De Koning bepaalt de openingsuren.
Art.121. Le greffe est ouvert tous les jours, à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés légaux.
Le Roi fixe les heures d'ouverture.
Le Roi fixe les heures d'ouverture.
Art.122. Het Hof stelt zijn reglement van orde vast. Het draagt zorg voor de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art.122. La Cour arrête son règlement d'ordre intérieur. Elle en assure la publication au Moniteur belge.
TITEL VI. - SLOTBEPALINGEN.
TITRE VI. - DISPOSITIONS FINALES.
Art.123. § 1. De kredieten die voor de werking van het [1 Grondwettelijk Hof]1 nodig zijn, worden uitgetrokken op de begroting van de Dotaties.
§ 2. De koninklijke besluiten betreffende het [1 Grondwettelijk Hof]1 worden in Ministerraad overlegd.
§ 2. De koninklijke besluiten betreffende het [1 Grondwettelijk Hof]1 worden in Ministerraad overlegd.
Modifications
Art.123. § 1. Les crédits nécessaires au fonctionnement de la [1 Cour constitutionnelle]1 sont inscrits au budget des Dotations.
§ 2. Les arrêtés royaux relatifs à la [1 Cour constitutionnelle]1 sont délibérés en Conseil des Ministres.
§ 2. Les arrêtés royaux relatifs à la [1 Cour constitutionnelle]1 sont délibérés en Conseil des Ministres.
Modifications
TITEL VII. - OVERGANGSBEPALINGEN.
TITRE VII. - DISPOSITIONS TRANSITOIRES.
Art.124. (Opgeheven) <W 2003-03-09/47, art. 28, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art.124. (Abrogé) <L 2003-03-09/47, art. 28, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art. 124bis. (wordt artikel 30bis) <W 2003-03-09/47, art. 10, 006; Inwerkingtreding : 21-04-2003>
Art. 124bis. (devient l'article 30bis) <L 2003-03-09/47, art. 10, 006; En vigueur : 21-04-2003>
Art.125. De benoeming van de referendarissen aangeworven door het Arbitragehof op basis van de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, wordt definitief.
Art.125. La nomination des référendaires, recrutés par la Cour d'arbitrage sur base de la loi du 28 juin 1983 portant l'organisation, la compétence et le fonctionnement de la Cour d'arbitrage, devient définitive.
Art.126. De bepaling van artikel 41, eerste lid, betreffende het houden van een diploma van doctor of licentiaat in de rechten is niet van toepassing op de griffiers in dienst op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Art.126. La disposition de l'article 41, alinéa 1er, concernant la possession du diplôme de docteur ou licencié en droit n'est pas applicable aux greffiers en fonction au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi.
Art.127. Opgeheven worden :
1° in het Gerechtelijk Wetboek :
a) in artikel 1082, tweede lid, gewijzigd door de wet van 10 mei 1985, de woorden " tenzij de tweede voorziening zich uitsluitend beroept op de vernietiging door het Arbitragehof van de bepaling van een wet of een decreet die ten grondslag heeft gelegen aan de bestreden beslissing ";
b) titel VIII van Boek III en artikel 1147bis, ingevoegd door de wet van 10 mei 1985;
2° artikel 31bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd door de wet van 10 mei 1985;
3° de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, gewijzigd door de wet van 31 december 1983, met uitzondering van de artikelen 31 tot 34 en 112;
4° artikel 5 van de wet van 2 februari 1984 betreffende de wedden van de leden, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, hun voordracht en benoeming, evenals de smaad en het geweld tegen de leden van dit Hof;
5° de wet van 10 mei 1985 betreffende de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen vernietigende arresten.
1° in het Gerechtelijk Wetboek :
a) in artikel 1082, tweede lid, gewijzigd door de wet van 10 mei 1985, de woorden " tenzij de tweede voorziening zich uitsluitend beroept op de vernietiging door het Arbitragehof van de bepaling van een wet of een decreet die ten grondslag heeft gelegen aan de bestreden beslissing ";
b) titel VIII van Boek III en artikel 1147bis, ingevoegd door de wet van 10 mei 1985;
2° artikel 31bis van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ingevoegd door de wet van 10 mei 1985;
3° de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, gewijzigd door de wet van 31 december 1983, met uitzondering van de artikelen 31 tot 34 en 112;
4° artikel 5 van de wet van 2 februari 1984 betreffende de wedden van de leden, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, hun voordracht en benoeming, evenals de smaad en het geweld tegen de leden van dit Hof;
5° de wet van 10 mei 1985 betreffende de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen vernietigende arresten.
Art.127. Sont abrogés :
1° dans le Code judiciaire :
a) à l'article 1082, alinéa 2, modifié par la loi du 10 mai 1985, les mots " sauf lorsque le second pourvoi invoque exclusivement l'annulation par la Cour d'arbitrage de la disposition d'une loi ou d'un décret qui a servi de fondement à la disposition entreprise ";
b) le titre VIII du Livre III et l'article 1147bis insérés par la loi du 10 mai 1985;
2° l'article 31bis des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, inséré par la loi du 10 mai 1985;
3° la loi du 28 juin 1983 portant l'organisation, la compétence et le fonctionnement de la Cour d'arbitrage, modifiée par la loi du 31 décembre 1983, à l'exception des articles 31 à 34 et 112;
4° l'article 5 de la loi du 2 février 1984 relative aux traitements des membres, des référendaires et greffiers de la Cour d'arbitrage, à leur présentation et nomination, ainsi qu'aux outrages et violences envers les membres de cette Cour;
5° la loi du 10 mai 1985 relative aux effets des arrêts d'annulation rendus par la Cour d'arbitrage.
1° dans le Code judiciaire :
a) à l'article 1082, alinéa 2, modifié par la loi du 10 mai 1985, les mots " sauf lorsque le second pourvoi invoque exclusivement l'annulation par la Cour d'arbitrage de la disposition d'une loi ou d'un décret qui a servi de fondement à la disposition entreprise ";
b) le titre VIII du Livre III et l'article 1147bis insérés par la loi du 10 mai 1985;
2° l'article 31bis des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973, inséré par la loi du 10 mai 1985;
3° la loi du 28 juin 1983 portant l'organisation, la compétence et le fonctionnement de la Cour d'arbitrage, modifiée par la loi du 31 décembre 1983, à l'exception des articles 31 à 34 et 112;
4° l'article 5 de la loi du 2 février 1984 relative aux traitements des membres, des référendaires et greffiers de la Cour d'arbitrage, à leur présentation et nomination, ainsi qu'aux outrages et violences envers les membres de cette Cour;
5° la loi du 10 mai 1985 relative aux effets des arrêts d'annulation rendus par la Cour d'arbitrage.
Art. 128. <INGEVOEGD bij W 2003-03-09/47, art. 29; Inwerkingtreding : 21-04-2003> Artikel 34, § 5, treedt in werking uiterlijk vanaf de derde benoeming volgend op de inwerkingtreding van de bijzondere wet van 9 maart 2003 tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.
Art. 128. L'article 34, § 5, entre en vigueur au plus tard à partir de la troisième nomination qui suit l'entrée en vigueur de la loi spéciale du 9 mars 2003 modifiant la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d'arbitrage.