Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
27 FEBRUARI 1987. - Wet betreffende de tegemoetkomingen aan [personen met een handicap]. <Opschrift gewijzigd door W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 16-04-1987 en tekstbijwerking tot 31-12-2025)
Titre
27 FEVRIER 1987. - Loi relative aux allocations aux [personnes handicapées]. <Intitulé modifié par L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003> (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 16-04-1987 et mise à jour au 31-12-2025)
Informations sur le document
Numac: 1987022077
Datum: 1987-02-27
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1987022077
Date: 1987-02-27
Moniteur: Voir
Tekst (47)
Texte (47)
Artikel 1. <W 1989-12-22/31, art. 127, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1989> Er zijn drie tegemoetkomingen aan (personen met een handicap) : de inkomensvervangende tegemoetkoming, de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (Om de in het eerste lid beoogde tegemoetkomingen te kunnen genieten moet voldaan zijn aan de voorwaarden van de artikelen 2, 4 en 7.) <W 2002-12-24/31, art. 116, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Article 1. <L 1989-12-22/31, art. 127, 003; En vigueur : 01-11-1989> Il existe trois allocations aux (personnes handicapées) : l'allocation de remplacement de revenus, l'allocation d'intégration et l'allocation pour l'aide aux personnes âgées. <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  (Pour bénéficier des allocations visées à l'alinéa 1er, il faut satisfaire aux conditions des articles 2, 4 et 7.) <L 2002-12-24/31, art. 116, 018; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 1 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <W 1989-12-22/31, art. 127, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1989> Er zijn drie tegemoetkomingen aan (personen met een handicap) : de inkomensvervangende tegemoetkoming, de integratietegemoetkoming [1 ...]1. <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (Om de in het eerste lid beoogde tegemoetkomingen te kunnen genieten moet voldaan zijn aan de voorwaarden van de artikelen 2, 4 en 7.) <W 2002-12-24/31, art. 116, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 1 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   <L 1989-12-22/31, art. 127, 003; En vigueur : 01-11-1989> Il existe trois allocations aux (personnes handicapées) : l'allocation de remplacement de revenus, l'allocation d'intégration [1 ...]1. <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  (Pour bénéficier des allocations visées à l'alinéa 1er, il faut satisfaire aux conditions des articles 2, 4 et 7.) <L 2002-12-24/31, art. 116, 018; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 1_WAALS_GEWEST.    <W 1989-12-22/31, art. 127, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1989> Er zijn drie tegemoetkomingen aan (personen met een handicap) : de inkomensvervangende tegemoetkoming, de integratietegemoetkoming en [1 ...]1 <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (Om de in het eerste lid beoogde tegemoetkomingen te kunnen genieten moet voldaan zijn aan de voorwaarden van de artikelen 2, 4 en 7.) <W 2002-12-24/31, art. 116, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  
Art. 1 _REGION_WALLONNE.
   <L 1989-12-22/31, art. 127, 003; En vigueur : 01-11-1989> Il existe trois allocations aux (personnes handicapées) : l'allocation de remplacement de revenus, l'allocation d'intégration [1 ...]1. <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  (Pour bénéficier des allocations visées à l'alinéa 1er, il faut satisfaire aux conditions des articles 2, 4 et 7.) <L 2002-12-24/31, art. 116, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  
Art. 2. <W 2002-12-24/31, art. 117, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003 en gewijzigd bij W 2004-07-09/30, art. 156, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004> § 1. De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste [1 18]1 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag [2 de wettelijke pensioenleeftijd bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels niet bereikt heeft]2, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.
  De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.
  § 2. De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste [1 18]1 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag [2 de wettelijke pensioenleeftijd bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernise-ring van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels niet bereikt heeft]2, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
  § 3. De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 65 jaar oud is en van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
  De tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden wordt niet toegekend aan de persoon met een handicap die een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming geniet.
  
Art. 2. <L 2002-12-24/31, art. 117, 018; En vigueur : 01-07-2003 et modifié par L 2004-07-09/30, art. 156, 023; En vigueur : 01-07-2004> § 1er. L'allocation de remplacement de revenus est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins [1 18]1 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, [2 n'a pas atteint l'âge légal de la pension visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions]2, dont il est établi que l'état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail.
  Le marché général du travail ne comprend pas les entreprises de travail adapté.
  § 2. L'allocation d'intégration est accordée à la personne handicapée qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée d'au moins [1 18]1 ans et [2 n'a pas atteint l'âge légal de la pension visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions]2, dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
  § 3. L'allocation pour l'aide aux personnes âgées est accordée à la personne handicapée âgée d'au moins 65 ans dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
  L'allocation pour l'aide aux personnes âgées n'est pas accordée à la personne handicapée qui bénéficie d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration.
  
Art. 2 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <W 2002-12-24/31, art. 117, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003 en gewijzigd bij W 2004-07-09/30, art. 156, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004> § 1. De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste [1 18]1 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.
  De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.
  § 2. De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste [1 18]1 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
  § 3. [2 ...]2
Art. 2 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   <L 2002-12-24/31, art. 117, 018; En vigueur : 01-07-2003 et modifié par L 2004-07-09/30, art. 156, 023; En vigueur : 01-07-2004> § 1er. L'allocation de remplacement de revenus est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins [1 18]1 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont il est établi que l'état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail.
  Le marché général du travail ne comprend pas les entreprises de travail adapté.
  § 2. L'allocation d'intégration est accordée à la personne handicapée qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée d'au moins [1 18]1 ans et de moins de 65 ans, dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
  § 3. [2 ...]2
Art. 2_WAALS_GEWEST.    <W 2002-12-24/31, art. 117, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003 en gewijzigd bij W 2004-07-09/30, art. 156, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004> § 1. De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.
  De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.
  § 2. De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
  § 3. [1 ...]1.
  
Art. 2 _REGION_WALLONNE.
   <L 2002-12-24/31, art. 117, 018; En vigueur : 01-07-2003 et modifié par L 2004-07-09/30, art. 156, 023; En vigueur : 01-07-2004> § 1er. L'allocation de remplacement de revenus est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins 21 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont il est établi que l'état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail.
  Le marché général du travail ne comprend pas les entreprises de travail adapté.
  § 2. L'allocation d'intégration est accordée à la personne handicapée qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée d'au moins 21 ans et de moins de 65 ans, dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
  § 3.[1 ...]1.
  
Art. 2_VLAAMS_GEWEST.    <W 2002-12-24/31, art. 117, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003 en gewijzigd bij W 2004-07-09/30, art. 156, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004> § 1. De inkomensvervangende tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie is vastgesteld dat zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot een derde of minder van wat een gezonde persoon door het uitoefenen van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.
  De algemene arbeidsmarkt omvat niet de beschutte tewerkstelling.
  § 2. De integratietegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon met een handicap die ten minste 21 jaar is en op het ogenblik van het indienen van de aanvraag minder dan 65 jaar is, van wie een gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
  § 3.[1 ...]1
  
Art. 2 _REGION_FLAMANDE.
   <L 2002-12-24/31, art. 117, 018; En vigueur : 01-07-2003 et modifié par L 2004-07-09/30, art. 156, 023; En vigueur : 01-07-2004> § 1er. L'allocation de remplacement de revenus est accordée à la personne handicapée qui est âgée d'au moins 21 ans et qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée de moins de 65 ans, dont il est établi que l'état physique ou psychique a réduit sa capacité de gain à un tiers ou moins de ce qu'une personne valide est en mesure de gagner en exerçant une profession sur le marché général du travail.
  Le marché général du travail ne comprend pas les entreprises de travail adapté.
  § 2. L'allocation d'intégration est accordée à la personne handicapée qui, au moment de l'introduction de la demande, est âgée d'au moins 21 ans et de moins de 65 ans, dont le manque ou la réduction d'autonomie est établi.
  § 3. [1 ...]1
  
Art. 3. (Met een (persoon met enn handicap) van [1 18]1 jaar wordt gelijkgesteld, de (persoon met een handicap) van minder dan [1 18]1 jaar die gehuwd is of was of die één of meer kinderen ten laste heeft.) <W 1992-12-30/40, art. 47, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1993; KB 1993-04-14/33, art. 1> <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  De Koning bepaalt wat onder "kinderen ten laste" moet worden verstaan.
  (Met een (persoon met een handicap) van [1 18]1 jaar wordt eveneens gelijkgesteld, de gehandicapte van minder dan [1 18]1 jaar waarvan is vastgesteld dat de handicap ontstaan is nadat hij opgehouden heeft rechtgevend te zijn op gezinsbijslagen) <W 1991-07-20/31, art. 57, 007; Inwerkingtreding : 01-01-1990> <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  
Art. 3. (Est assimilé à (une personne handicapée) de [1 18]1 ans, (la personne handicapée âgée) de moins de [1 18]1 ans qui est ou a été mariée ou qui a un ou plusieurs enfants à charge.) <L 1992-12-30/40, art. 47, 009; En vigueur : 01-07-1993; AR 1993-04-14/33, art. 1> <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par "enfants à charge".
  (Est également assimilé à (une personne handicapée) de [1 18]1 ans, (la personne handicapée âgée) de moins de [1 18]1 ans dont il est établi que le handicap est survenu après qu'elle ait cessé d'être ayant droit aux prestations familiales.) <L 1991-07-20/31, art. 57, 007; En vigueur : 01-01-1990> <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  
Art. 4. <W 2002-12-24/31, art. 118, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 kunnen enkel toegekend worden aan een persoon die zijn werkelijke verblijfplaats in België heeft en die :
  1° Belg is;
  2° onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie;
  3° Marokkaan, Algerijn of Tunesiër is en die voldoet aan de voorwaarden van de Verordening (EEG) nr. 1408 van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese gemeenschappen betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen;
  4° staatloos is en die onder de toepassing valt van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend in New York op 28 september 1954 en goedgekeurd door de wet van 12 mei 1960;
  5° vluchteling is zoals bedoeld in artikel 49 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen [3 , of subsidiair beschermde als bedoeld in artikel 49/2 van diezelfde wet van 15 december 1980]3;
  6° niet tot de in 1° tot 5° bepaalde categorieën behoort, maar die tot [2 18]2 jaar de verhoging van de kinderbijslag genoten heeft, bedoeld in artikel 47, § 1, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders of in artikel 20, § 2, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.
  [1 Voor de inkomensvervangende tegemoetkoming moet de persoon bovendien gedurende ten minste tien jaar, waarvan ten minste vijf jaar ononderbroken, een werkelijk verblijf in België hebben gehad.
   Voor de toepassing van deze wet wordt het werkelijk verblijf in België bepaald door middel van informatie, voor de gerechtigde opgenomen en bewaard in het Rijksregister overeenkomstig artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]1

  § 2. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad toepassing van deze wet, onder de door Hem gestelde voorwaarden, uitbreiden tot andere categorieën van personen dan deze beoogd in § 1 die hun werkelijke verblijfplaats in België hebben.
  § 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat voor de toepassing van deze wet onder werkelijke verblijfplaats moet worden verstaan.
  § 4. Indien een persoon aan wie een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 werd toegekend niet meer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in § 1 of § 2, dan wordt zijn recht op deze tegemoetkoming afgeschaft. Wanneer hij opnieuw voldoet aan deze voorwaarden, dan kan hij een nieuwe aanvraag indienen.
  § 5. De Koning kan de wijze bepalen waarop wordt toegezien op de naleving van dit artikel.
  
Art. 4. <L 2002-12-24/31, art. 118, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. Les allocations visées à l'article 1er ne peuvent être octroyées qu'à une personne qui a sa résidence réelle en Belgique et qui est :
  1° Belge;
  2° ressortissante d'un pays membre de l'Union européenne;
  3° Marocaine, Algérienne, ou Tunisienne qui satisfait aux conditions du Règlement (CEE) n° 1408 du 14 juin 1971 du Conseil des Communautés européennes relatif à l'application des régimes de sécurité sociale aux travailleurs salariés, aux travailleurs non salariés ainsi qu'aux membres de leur famille qui se déplacent à l'intérieur de la Communauté;
  4° apatride qui tombe sous l'application de la Convention relative au statut des apatrides, signée à New York le 28 septembre 1954 et approuvée par la loi du 12 mai 1960;
  5° réfugiée visée à l'article 49 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers [3 ou bénéficiaire de la protection subsidiaire visée à l'article 49/2 de la même loi du 15 décembre 1980]3;
  6° exclue des catégories définies aux 1° à 5°, mais qui a bénéficié jusqu'à l'âge de [2 18]2 ans de la majoration de l'allocation familiale prévue à l'article 47, § 1er, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés ou à l'article 20, § 2, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.
  [1 Pour l'allocation de remplacement de revenus, la personne doit également avoir eu sa résidence réelle en Belgique pendant au moins dix ans, dont au moins cinq années ininterrompues.
   Pour l'application de la présente loi, la résidence réelle en Belgique est déterminée au moyen des informations enregistrées et conservées pour le bénéficiaire dans le Registre national conformément à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.]1

  § 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, aux conditions qu'Il fixe, étendre l'application de la présente loi à d'autres catégories de personnes que celles visées au paragraphe premier qui ont leur résidence réelle en Belgique.
  § 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, ce qu'il faut entendre par résidence réelle pour l'application de la présente loi.
  § 4. Si une personne à laquelle une allocation visée à l'article 1er a été octroyée ne satisfait plus aux conditions visées aux § 1er ou § 2, le droit à cette allocation est supprimé. Lorsqu'elle satisfait à nouveau à ces conditions, elle peut introduire une nouvelle demande.
  § 5. Le Roi peut fixer la manière dont est opéré le contrôle du respect de cet article.
  
Art. 5. <W 2002-12-24/31, art. 119, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> Het recht op een inkomensvervangende tegemoetkoming of een integratietegemoetkoming blijft bestaan na [1 de wettelijke pensioenleeftijd bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels]1 voor zover het zonder onderbreking betaalbaar blijft.
  
Art. 5. <L 2002-12-24/31, art. 119, 018; En vigueur : 01-07-2003> Le droit à l'allocation de remplacement de revenus ou à l'allocation d'intégration continue à exister après [1 l'âge légal de la pension visé par l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions]1 pour autant qu'il reste payable sans interruption.
  
Art. 6. <W 2002-12-24/31, art. 120, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. [4 De inkomensvervangende tegemoetkoming bedraagt jaarlijks:
   1° [11 6.191,01]11 voor de personen die behoren tot categorie A;
   2° [11 9.286,53]11 voor de personen die behoren tot categorie B;
   3° [11 12.550,16]11 voor de personen die behoren tot categorie C.]4

  De Koning bepaalt de personen die behoren tot de categorieën A, B en C.
  § 2. Het bedrag van de integratietegemoetkoming varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort :
  1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 908,33 EUR]3;
  2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 3.004,40 EUR]3;
  3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 4.778,10 EUR]3;
  4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 6.943,85 EUR]3;
  5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 7.872,29 EUR]3.
  § 3. Het bedrag van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort :
  1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 743,98 EUR;
  2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 2.839,94 EUR;
  3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 3.452,91 EUR;
  4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 4.065,70 EUR;
  5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden gelijk aan 4.994,14 EUR.
  § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vanaf welke graad, volgens welke criteria, op welke wijze en door wie het gebrek aan zelfredzaamheid wordt vastgesteld.
  Wat de graad van zelfredzaamheid betreft, kan de Koning een onderscheid maken naargelang het gaat om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 2, of om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 3.
  § 5. De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 der consumptieprijzen (basis 1996 = 100) overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
  § 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in dit artikel vastgelegde bedragen verhogen.
  
Art. 6. <L 2002-12-24/31, art. 120, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. [4 L'allocation de remplacement de revenus s'élève par an à:
   1° [10 6.191,01]10 pour les personnes appartenant à la catégorie A;
   2° [10 9.286,53]10 pour les personnes appartenant à la catégorie B;
   3° [10 12.550,16]10 pour les personnes appartenant à la catégorie C.]4

  Le Roi détermine les personnes qui appartiennent aux catégories A, B et C.
  § 2. Le montant de l'allocation d'intégration varie selon le degré d'autonomie et selon la catégorie à laquelle la personne handicapée appartient :
  1° à la catégorie 1 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 7 ou 8 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 908,33 EUR]3;
  2° à la catégorie 2 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 9 à 11 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 3.004,40 EUR]3;
  3° à la catégorie 3 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 12 à 14 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 4.778,10 EUR]3;
  4° à la catégorie 4 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 15 ou 16 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 6.943,85 EUR]3;
  5° à la catégorie 5 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 17 points au moins. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 7.872 ,29 EUR]3.
  § 3. Le montant de l'allocation pour l'aide aux personnes âgées varie en fonction du degré d'autonomie et de la catégorie à laquelle la personne handicapée appartient :
  1° à la catégorie 1 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 7 ou 8 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 743,98 EUR;
  2° à la catégorie 2 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 9 à 11 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 2.839,94 EUR;
  3° à la catégorie 3 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 12 à 14 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 3.452,91 EUR;
  4° à la catégorie 4 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 15 ou 16 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 4.065,70 EUR;
  5° à la catégorie 5 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 17 ou 18 points. Elle perçoit une allocation pour l'aide aux personnes âgées qui s'élève à 4.994,14 EUR.
  § 4. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à partir de quel degré, selon quels critères, de quelle manière et par qui le manque d'autonomie est établi.
  En matière de degré d'autonomie, le Roi peut faire une distinction suivant qu'il s'agit des personnes handicapées visées à l'article 2, § 2, ou des personnes handicapées visées à l'article 2, § 3.
  § 5. Les montants mentionnés dans le présent article sont liés à l'indice-pivot 103,14 des prix à la consommation (base 1996 = 100) conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  § 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter les montants fixés dans le présent article.
  
Art. 6 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP. <W 2002-12-24/31, art. 120, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. [4 De inkomensvervangende tegemoetkoming bedraagt jaarlijks:
   1° [12 6.191,01]12 voor de personen die behoren tot categorie A;
   2° [12 9.286,53]12 voor de personen die behoren tot categorie B;
   3° [12 12.550,16]12 voor de personen die behoren tot categorie C.]4

  De Koning bepaalt de personen die behoren tot de categorieën A, B en C.
  § 2. Het bedrag van de integratietegemoetkoming varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort :
  1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 908,33 EUR]3;
  2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 3.004,40 EUR]3;
  3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 4.778,10 EUR]3;
  4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 6.943,85 EUR]3;
  5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 7.872,29 EUR]3.
  § 3. [10 ...]10
  § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vanaf welke graad, volgens welke criteria, op welke wijze en door wie het gebrek aan zelfredzaamheid wordt vastgesteld.
  Wat de graad van zelfredzaamheid betreft, kan de Koning een onderscheid maken naargelang het gaat om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 2, of om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 3.
  § 5. De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 der consumptieprijzen (basis 1996 = 100) overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
  § 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in dit artikel vastgelegde bedragen verhogen.
Art. 6 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE. <L 2002-12-24/31, art. 120, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. [4 L'allocation de remplacement de revenus s'élève par an à:
   1° [12 6.191,01]12 pour les personnes appartenant à la catégorie A;
   2° [12 9.286,53]12 pour les personnes appartenant à la catégorie B;
   3° [12 12.550,16]12 pour les personnes appartenant à la catégorie C.]4

  Le Roi détermine les personnes qui appartiennent aux catégories A, B et C.
  § 2. Le montant de l'allocation d'intégration varie selon le degré d'autonomie et selon la catégorie à laquelle la personne handicapée appartient :
  1° à la catégorie 1 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 7 ou 8 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 908,33 EUR]3;
  2° à la catégorie 2 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 9 à 11 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 3.004,40 EUR]3;
  3° à la catégorie 3 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 12 à 14 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 4.778,10 EUR]3;
  4° à la catégorie 4 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 15 ou 16 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 6.943,85 EUR]3;
  5° à la catégorie 5 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 17 points au moins. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 7.872 ,29 EUR]3.
  § 3. [11 ...]11
  § 4. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à partir de quel degré, selon quels critères, de quelle manière et par qui le manque d'autonomie est établi.
  En matière de degré d'autonomie, le Roi peut faire une distinction suivant qu'il s'agit des personnes handicapées visées à l'article 2, § 2, ou des personnes handicapées visées à l'article 2, § 3.
  § 5. Les montants mentionnés dans le présent article sont liés à l'indice-pivot 103,14 des prix à la consommation (base 1996 = 100) conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  § 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter les montants fixés dans le présent article.
Art. 6_WAALS_GEWEST. <W 2002-12-24/31, art. 120, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. [4 De inkomensvervangende tegemoetkoming bedraagt jaarlijks:
   1° [9 6.191,01]9 voor de personen die behoren tot categorie A;
   2° [9 9.286,53]9 voor de personen die behoren tot categorie B;
   3° [9 12.550,16]9 EUR voor de personen die behoren tot categorie C.]4

  De Koning bepaalt de personen die behoren tot de categorieën A, B en C.
  § 2. Het bedrag van de integratietegemoetkoming varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort :
  1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 908,33 EUR]3;
  2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 3.004,40 EUR]3;
  3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 4.778,10 EUR]3;
  4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 6.943,85 EUR]3;
  5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan [3 7.872,29 EUR]3.
  § 3. [6 ...]6
  § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vanaf welke graad, volgens welke criteria, op welke wijze en door wie het gebrek aan zelfredzaamheid wordt vastgesteld.
  Wat de graad van zelfredzaamheid betreft, kan de Koning een onderscheid maken naargelang het gaat om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 2, of om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 3.
  § 5. De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 der consumptieprijzen (basis 1996 = 100) overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
  § 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in dit artikel vastgelegde bedragen verhogen.
Art. 6 _REGION_WALLONNE.<L 2002-12-24/31, art. 120, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. [4 L'allocation de remplacement de revenus s'élève par an à:
   1° [10 6.191,01]10 pour les personnes appartenant à la catégorie A;
   2° [10 9.286,53]10 pour les personnes appartenant à la catégorie B;
   3° [10 12.550,16]10 EUR pour les personnes appartenant à la catégorie C.]4

  Le Roi détermine les personnes qui appartiennent aux catégories A, B et C.
  § 2. Le montant de l'allocation d'intégration varie selon le degré d'autonomie et selon la catégorie à laquelle la personne handicapée appartient :
  1° à la catégorie 1 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 7 ou 8 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 908,33 EUR]3;
  2° à la catégorie 2 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 9 à 11 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 3.004,40 EUR]3;
  3° à la catégorie 3 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 12 à 14 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 4.778,10 EUR]3;
  4° à la catégorie 4 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 15 ou 16 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 6.943,85 EUR]3;
  5° à la catégorie 5 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 17 points au moins. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 7.872 ,29 EUR]3.
  § 3. [6 ...]6
  § 4. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à partir de quel degré, selon quels critères, de quelle manière et par qui le manque d'autonomie est établi.
  En matière de degré d'autonomie, le Roi peut faire une distinction suivant qu'il s'agit des personnes handicapées visées à l'article 2, § 2, ou des personnes handicapées visées à l'article 2, § 3.
  § 5. Les montants mentionnés dans le présent article sont liés à l'indice-pivot 103,14 des prix à la consommation (base 1996 = 100) conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
  § 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter les montants fixés dans le présent article.
  
Art. 6_VLAAMS_GEWEST. <W 2002-12-24/31, art. 120, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. . [4 De inkomensvervangende tegemoetkoming bedraagt jaarlijks:
   1° [9 6.191,01]9 voor de personen die behoren tot categorie A;
   2° [9 9.286,53]9 voor de personen die behoren tot categorie B;
   3° [9 12.550,16]9 voor de personen die behoren tot categorie C.]4

  De Koning bepaalt de personen die behoren tot de categorieën A, B en C.
  § 2. Het bedrag van de integratietegemoetkoming varieert volgens de graad van zelfredzaamheid en volgens de categorie waartoe de persoon met een handicap behoort :
  1° tot de categorie 1 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 7 of 8 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 870,60 EUR;
  2° tot de categorie 2 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 9 tot 11 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 2.966,67 EUR;
  3° tot de categorie 3 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 12 tot 14 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 4.740,37 EUR;
  4° tot de categorie 4 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op 15 of 16 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 6.906,12 EUR;
  5° tot de categorie 5 behoort de persoon met een handicap wiens graad van zelfredzaamheid op ten minste 17 punten wordt vastgesteld. Hij ontvangt een integratietegemoetkoming gelijk aan 7.834,56 EUR.
  § 3. [2 ...]2
  § 4. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, vanaf welke graad, volgens welke criteria, op welke wijze en door wie het gebrek aan zelfredzaamheid wordt vastgesteld.
  Wat de graad van zelfredzaamheid betreft, kan de Koning een onderscheid maken naargelang het gaat om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 2, of om personen met een handicap bedoeld in artikel 2, § 3.
  § 5. De in dit artikel vermelde bedragen zijn gekoppeld aan de spilindex 103,14 der consumptieprijzen (basis 1996 = 100) overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer der consumptieprijzen worden gekoppeld.
  § 6. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in dit artikel vastgelegde bedragen verhogen.
Art. 6 _REGION_FLAMANDE.<L 2002-12-24/31, art. 120, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. [4 L'allocation de remplacement de revenus s'élève par an à:
   1° [10 6.191,01]10 pour les personnes appartenant à la catégorie A;
   2° [10 9.286,53]10 pour les personnes appartenant à la catégorie B;
   3° [10 12.550,16]10 EUR pour les personnes appartenant à la catégorie C.]4

   Le Roi détermine les personnes qui appartiennent aux catégories A, B et C.
   § 2. Le montant de l'allocation d'intégration varie selon le degré d'autonomie et selon la catégorie à laquelle la personne handicapée appartient :
   1° à la catégorie 1 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 7 ou 8 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 908,33 EUR]3;
   2° à la catégorie 2 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 9 à 11 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 3.004,40 EUR]3;
   3° à la catégorie 3 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé de 12 à 14 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 4.778,10 EUR]3;
   4° à la catégorie 4 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 15 ou 16 points. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 6.943,85 EUR]3;
   5° à la catégorie 5 appartient la personne handicapée dont le degré d'autonomie est fixé à 17 points au moins. Elle perçoit une allocation d'intégration qui s'élève à [3 7.872 ,29 EUR]3.
   § 3. [2 ...]2
   § 4. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, à partir de quel degré, selon quels critères, de quelle manière et par qui le manque d'autonomie est établi.
   En matière de degré d'autonomie, le Roi peut faire une distinction suivant qu'il s'agit des personnes handicapées visées à l'article 2, § 2, ou des personnes handicapées visées à l'article 2, § 3.
   § 5. Les montants mentionnés dans le présent article sont liés à l'indice-pivot 103,14 des prix à la consommation (base 1996 = 100) conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
   § 6. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter les montants fixés dans le présent article.
  
Art. 7. <W 2002-12-24/31, art. 121, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003 en gewijzigd bij W 2004-07-09/30, art. 157, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004> (NOTA : bij arrest nr 123/2004 van 07-07-2004 (B.St. 20-07-2004, p. 56293), heeft het Arbitragehof artikel 121 van W 2002-12-24/31 vernietigd) § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder " inkomen " en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen.
  § 2. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden :
  1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in [1 boek 6 van het Burgerlijk Wetboek]1;
  2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
  § 3. Onder " huishouden " moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.
  Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.
  Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan.
  § 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in § 2.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten.
  
Art. 7. <L 2002-12-24/31, art. 121, 018; En vigueur : 01-07-2003 et modifié par L 2004-07-09/30, art. 157, 023; En vigueur : 01-07-2004> (NOTE : par son arrêt n° 123/2004 du 07-07-2004 (M.B. 20-07-2004, p. 56291), la Cour d'Arbitrage a annulé l'article 121 du L 2002-12-24/31) § 1er. Les allocations visées à l'article 1er ne peuvent être accordées que si le montant du revenu de la personne handicapée et le montant du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage ne dépasse pas le montant des allocations visé à l'article 6.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par " revenu " et par qui, selon quels critères et de quelle manière le montant doit en être fixé.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer que certains revenus ou parties de revenus, dans les conditions qu'il détermine, ne sont que partiellement ou ne sont pas pris en considération. Il peut opérer une distinction en fonction du fait qu'il s'agit d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration ou d'une allocation pour l'aide aux personnes âgées. Il peut aussi opérer une distinction en fonction de l'appartenance du bénéficiaire à la catégorie A, B ou C, en fonction du degré d'autonomie de la personne handicapée, en fonction du fait qu'il s'agit du revenu de la personne handicapée elle-même ou du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage, ou en fonction de l'origine des revenus.
  § 2. La personne handicapée et la personne avec laquelle elle forme un ménage, sont tenues de faire valoir leurs droits :
  1° aux prestations et indemnités auxquelles elle peut prétendre en vertu d'une autre législation belge ou étrangère ou en vertu de règles applicables au personnel d'une institution internationale publique, et qui trouvent leur fondement dans une limitation de la capacité de gain, dans un manque ou une réduction de l'autonomie ou dans [1 le livre 6 du Code civil]1;
  2° à des prestations sociales relatives à la maladie et l'invalidité, au chômage, aux accidents du travail, aux maladies professionnelles, aux pensions de retraite et de survie, à la garantie de revenus aux personnes âgées et au revenu garanti pour personnes âgées.
  § 3. Il y lieu d'entendre par " ménage " toute cohabitation de deux personnes qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré.
  L'existence d'un ménage est présumée lorsque deux personnes au moins qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré, ont leur résidence principale à la même adresse. La preuve du contraire peut être apportée par tous les moyens possibles par la personne handicapée ou par la direction d'administration des prestations aux personnes handicapées.
  Cependant, si un des membres du ménage est détenu en prison ou dans un établissement de défense sociale, le ménage cesse d'exister.
  § 4. Les allocations visées à l'article 1er peuvent être accordées au demandeur à titre d'avance sur les prestations et indemnités visées au § 2.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans quelles conditions, selon quelles modalités et jusqu'à concurrence de quel montant ces avances peuvent être accordées, ainsi que leur mode de récupération. Le service ou l'organisme payeur est subrogé aux droits du bénéficiaire jusqu'à concurrence du montant des avances versées.
  
Art. 7 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <W 2002-12-24/31, art. 121, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003 en gewijzigd bij W 2004-07-09/30, art. 157, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004> (NOTA : bij arrest nr 123/2004 van 07-07-2004 (B.St. 20-07-2004, p. 56293), heeft het Arbitragehof artikel 121 van W 2002-12-24/31 vernietigd) § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder " inkomen " en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming [1 ...]1. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen.
  § 2. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden :
  1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in [2 boek 6 van het Burgerlijk Wetboek]2;
  2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
  § 3. Onder " huishouden " moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.
  Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.
  Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan.
  § 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in § 2.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten.
  
Art. 7 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   <L 2002-12-24/31, art. 121, 018; En vigueur : 01-07-2003 et modifié par L 2004-07-09/30, art. 157, 023; En vigueur : 01-07-2004> (NOTE : par son arrêt n° 123/2004 du 07-07-2004 (M.B. 20-07-2004, p. 56291), la Cour d'Arbitrage a annulé l'article 121 du L 2002-12-24/31) § 1er. Les allocations visées à l'article 1er ne peuvent être accordées que si le montant du revenu de la personne handicapée et le montant du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage ne dépasse pas le montant des allocations visé à l'article 6.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par " revenu " et par qui, selon quels critères et de quelle manière le montant doit en être fixé.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer que certains revenus ou parties de revenus, dans les conditions qu'il détermine, ne sont que partiellement ou ne sont pas pris en considération. Il peut opérer une distinction en fonction du fait qu'il s'agit d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration [1 ...]1. Il peut aussi opérer une distinction en fonction de l'appartenance du bénéficiaire à la catégorie A, B ou C, en fonction du degré d'autonomie de la personne handicapée, en fonction du fait qu'il s'agit du revenu de la personne handicapée elle-même ou du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage, ou en fonction de l'origine des revenus.
  § 2. La personne handicapée et la personne avec laquelle elle forme un ménage, sont tenues de faire valoir leurs droits :
  1° aux prestations et indemnités auxquelles elle peut prétendre en vertu d'une autre législation belge ou étrangère ou en vertu de règles applicables au personnel d'une institution internationale publique, et qui trouvent leur fondement dans une limitation de la capacité de gain, dans un manque ou une réduction de l'autonomie ou dans [2 le livre 6 du Code civil]2;
  2° à des prestations sociales relatives à la maladie et l'invalidité, au chômage, aux accidents du travail, aux maladies professionnelles, aux pensions de retraite et de survie, à la garantie de revenus aux personnes âgées et au revenu garanti pour personnes âgées.
  § 3. Il y lieu d'entendre par " ménage " toute cohabitation de deux personnes qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré.
  L'existence d'un ménage est présumée lorsque deux personnes au moins qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré, ont leur résidence principale à la même adresse. La preuve du contraire peut être apportée par tous les moyens possibles par la personne handicapée ou par la direction d'administration des prestations aux personnes handicapées.
  Cependant, si un des membres du ménage est détenu en prison ou dans un établissement de défense sociale, le ménage cesse d'exister.
  § 4. Les allocations visées à l'article 1er peuvent être accordées au demandeur à titre d'avance sur les prestations et indemnités visées au § 2.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans quelles conditions, selon quelles modalités et jusqu'à concurrence de quel montant ces avances peuvent être accordées, ainsi que leur mode de récupération. Le service ou l'organisme payeur est subrogé aux droits du bénéficiaire jusqu'à concurrence du montant des avances versées.
  
Art. 7_WAALS_GEWEST.    <W 2002-12-24/31, art. 121, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003 en gewijzigd bij W 2004-07-09/30, art. 157, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2004> (NOTA : bij arrest nr 123/2004 van 07-07-2004 (B.St. 20-07-2004, p. 56293), heeft het Arbitragehof artikel 121 van W 2002-12-24/31 vernietigd) § 1. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen enkel toegekend worden indien het bedrag van het inkomen van de persoon met een handicap en het bedrag van het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, het in artikel 6 bedoelde bedrag van de tegemoetkomingen niet overschrijdt.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, wat moet worden verstaan onder " inkomen " en door wie, volgens welke criteria en op welke wijze het bedrag ervan moet worden bepaald.
  De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat sommige inkomsten of delen van het inkomen, onder de voorwaarden die hij bepaalt, niet of slechts gedeeltelijk in aanmerking worden genomen. Hij kan daarbij een onderscheid maken naargelang het gaat om een inkomensvervangende tegemoetkoming, een integratietegemoetkoming[1 ...]1. Hij kan eveneens een onderscheid maken naargelang de gerechtigde behoort tot categorie A, B of C, naargelang de graad van zelfredzaamheid van de persoon met een handicap, naargelang het gaat om het inkomen van de persoon met een handicap zelf of om het inkomen van de persoon met wie hij een huishouden vormt, of naargelang de bron van het inkomen.
  § 2. De persoon met een handicap en de persoon met wie hij een huishouden vormt, moeten hun rechten laten gelden :
  1° op de uitkeringen en vergoedingen waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere Belgische of buitenlandse wetgeving of krachtens de regels van toepassing op het personeel van een internationale openbare instelling, en die hun grond vinden in een beperking van het verdienvermogen, in een gebrek aan of vermindering van de zelfredzaamheid of in [2 boek 6 van het Burgerlijk Wetboek]2;
  2° op sociale uitkeringen inzake ziekte en invaliditeit, werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten, rust- en overlevingspensioenen, de inkomensgarantie voor ouderen en het gewaarborgd inkomen voor bejaarden.
  § 3. Onder " huishouden " moet worden verstaan elke samenwoning van twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad.
  Het bestaan van een huishouden wordt vermoed wanneer ten minste twee personen die geen bloed- of aanverwant zijn in de eerste, tweede of derde graad, hun hoofdverblijfplaats op hetzelfde adres hebben. Het tegenbewijs kan met alle mogelijke middelen worden geleverd door de persoon met een handicap of door de bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap.
  Wanneer echter één van de leden van het huishouden opgesloten is in een gevangenis of opgenomen is in een instelling voor sociaal verweer, dan houdt het huishouden op te bestaan.
  § 4. De in artikel 1 bedoelde tegemoetkomingen kunnen aan de aanvrager worden toegekend als voorschot op de uitkeringen en vergoedingen bedoeld in § 2.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder welke voorwaarden, op welke wijze en tot welk bedrag deze voorschotten kunnen worden toegekend, alsmede de wijze waarop ze kunnen worden teruggevorderd. De uitbetalingsdienst of -instelling treedt in de rechten van de gerechtigde tot het bedrag van de toegekende voorschotten.
  
Art. 7 _REGION_WALLONNE.
   <L 2002-12-24/31, art. 121, 018; En vigueur : 01-07-2003 et modifié par L 2004-07-09/30, art. 157, 023; En vigueur : 01-07-2004> (NOTE : par son arrêt n° 123/2004 du 07-07-2004 (M.B. 20-07-2004, p. 56291), la Cour d'Arbitrage a annulé l'article 121 du L 2002-12-24/31) § 1er. Les allocations visées à l'article 1er ne peuvent être accordées que si le montant du revenu de la personne handicapée et le montant du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage ne dépasse pas le montant des allocations visé à l'article 6.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce qu'il faut entendre par " revenu " et par qui, selon quels critères et de quelle manière le montant doit en être fixé.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer que certains revenus ou parties de revenus, dans les conditions qu'il détermine, ne sont que partiellement ou ne sont pas pris en considération. Il peut opérer une distinction en fonction du fait qu'il s'agit d'une allocation de remplacement de revenus, d'une allocation d'intégration[1 ...]1. Il peut aussi opérer une distinction en fonction de l'appartenance du bénéficiaire à la catégorie A, B ou C, en fonction du degré d'autonomie de la personne handicapée, en fonction du fait qu'il s'agit du revenu de la personne handicapée elle-même ou du revenu de la personne avec laquelle elle forme un ménage, ou en fonction de l'origine des revenus.
  § 2. La personne handicapée et la personne avec laquelle elle forme un ménage, sont tenues de faire valoir leurs droits :
  1° aux prestations et indemnités auxquelles elle peut prétendre en vertu d'une autre législation belge ou étrangère ou en vertu de règles applicables au personnel d'une institution internationale publique, et qui trouvent leur fondement dans une limitation de la capacité de gain, dans un manque ou une réduction de l'autonomie ou dans [2 le livre 6 du Code civil]2;
  2° à des prestations sociales relatives à la maladie et l'invalidité, au chômage, aux accidents du travail, aux maladies professionnelles, aux pensions de retraite et de survie, à la garantie de revenus aux personnes âgées et au revenu garanti pour personnes âgées.
  § 3. Il y lieu d'entendre par " ménage " toute cohabitation de deux personnes qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré.
  L'existence d'un ménage est présumée lorsque deux personnes au moins qui ne sont pas parentes ou alliées au premier, deuxième ou troisième degré, ont leur résidence principale à la même adresse. La preuve du contraire peut être apportée par tous les moyens possibles par la personne handicapée ou par la direction d'administration des prestations aux personnes handicapées.
  Cependant, si un des membres du ménage est détenu en prison ou dans un établissement de défense sociale, le ménage cesse d'exister.
  § 4. Les allocations visées à l'article 1er peuvent être accordées au demandeur à titre d'avance sur les prestations et indemnités visées au § 2.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, dans quelles conditions, selon quelles modalités et jusqu'à concurrence de quel montant ces avances peuvent être accordées, ainsi que leur mode de récupération. Le service ou l'organisme payeur est subrogé aux droits du bénéficiaire jusqu'à concurrence du montant des avances versées.
  
Art. 8. <W 2002-12-24/31, art. 122, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden toegekend op aanvraag.
  De Koning bepaalt hoe, door wie, vanaf wanneer en op welke wijze de aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  Elke aanvraag tot een inkomensvervangende tegemoetkoming geldt als aanvraag tot een integratietegemoetkoming en omgekeerd.
  De aanvraag tot een integratietegemoetkoming of tot een inkomensvervangende tegemoetkoming ingediend door een persoon die op het ogenblik van de indiening van de aanvraag [2 de wettelijke pensioenleeftijd bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels]2 heeft bereikt, wordt beschouwd als een aanvraag tot een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.
  De Koning kan bepalen in welke gevallen de aanvraag ingediend met het oog op het verkrijgen van een sociale uitkering die onder een stelsel van sociale zekerheid of sociale bijstand valt, geldt als aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1.
[1 § 1bis. Wanneer de persoon die in België woont het recht op verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een aandoening verliest omdat hij de leeftijdsgrens bepaald in de reglementering bereikt heeft, worden zijn rechten op de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve onderzocht met uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die in de loop waarvan deze leeftijdsgrens wordt bereikt.
   De Koning bepaalt de andere gevallen waarin de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve worden onderzocht.
   De Koning bepaalt de nadere voorwaarden voor de toepassing van het eerste lid.]1

  § 2. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe aanvraag kan worden ingediend.
  De Koning bepaalt hoe, door wie en op welke wijze de nieuwe aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  § 3. Het beroep bij de bevoegde rechtbank tegen een beslissing tot toekenning, herziening of weigering van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 geldt als nieuwe aanvraag in de zin van § 2 zo het onontvankelijk wordt verklaard.
  § 4. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe beslissing kan worden genomen. Hij bepaalt eveneens de ingangsdatum van de nieuwe beslissing.
  § 5. De Koning bepaalt in welke gevallen een beslissing kan worden ingetrokken.
  
Art. 8. <L 2002-12-24/31, art. 122, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. Les allocations visées à l'article 1er sont accordées sur demande.
  Le Roi détermine comment, par qui, à partir de quand et de quelle manière la demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  Chaque demande d'allocation de remplacement de revenus vaut comme demande d'allocation d'intégration et inversement.
  La demande d'allocation d'intégration ou d'allocation de remplacement de revenus introduite par une personne qui a atteint [2 l'âge légal de la pension visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 23 décembre 1996 portant exécution des articles 15, 16 et 17 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux de pensions]2 au moment de l'introduction de la demande, est considérée comme une demande d'allocation pour l'aide aux personnes âgées.
  Le Roi peut déterminer les cas dans lesquels une demande introduite en vue d'obtenir une prestation sociale du régime de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale vaut comme demande d'obtention d'une allocation visée à l'article 1.
[1 § 1erbis. Lorsque la personne résidant en Belgique perd le droit aux allocations familiales majorées pour les enfants présentant une affection parce qu'elle a atteint la limite d'âge prévue par la réglementation, ses droits aux allocations visées à l'article 1er sont examinés d'office avec effet au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cette limite d'âge est atteinte.
   Le Roi détermine les cas dans lesquels les allocations visées à l'article 1er, sont examinées d'office.
   Le Roi fixe les modalités d'application de l'alinéa 1er.]1

  § 2. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle demande peut être introduite.
  Le Roi détermine comment, par qui et de quelle manière la nouvelle demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  § 3. Le recours auprès du tribunal compétent contre une décision d'octroi, de révision ou de refus d'une allocation visée à l'article 1er vaut comme nouvelle demande au sens du § 2 s'il est déclaré irrecevable.
  § 4. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle décision peut être prise. Il détermine également la date de prise de cours de la nouvelle décision.
  § 5. Le Roi détermine dans quels cas une décision peut être rapportée.
  
Art. 8 _DUITSTALIGE_GEMEENSCHAP.
   <W 2002-12-24/31, art. 122, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden toegekend op aanvraag.
  De Koning bepaalt hoe, door wie, vanaf wanneer en op welke wijze de aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  Elke aanvraag tot een inkomensvervangende tegemoetkoming geldt als aanvraag tot een integratietegemoetkoming en omgekeerd.
  [2 ...]2
  De Koning kan bepalen in welke gevallen de aanvraag ingediend met het oog op het verkrijgen van een sociale uitkering die onder een stelsel van sociale zekerheid of sociale bijstand valt, geldt als aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1.
[1 § 1bis. Wanneer de persoon die in België woont het recht op verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een aandoening verliest omdat hij de leeftijdsgrens bepaald in de reglementering bereikt heeft, worden zijn rechten op de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve onderzocht met uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die in de loop waarvan deze leeftijdsgrens wordt bereikt.
   De Koning bepaalt de andere gevallen waarin de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve worden onderzocht.
   De Koning bepaalt de nadere voorwaarden voor de toepassing van het eerste lid.]1

  § 2. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe aanvraag kan worden ingediend.
  De Koning bepaalt hoe, door wie en op welke wijze de nieuwe aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  § 3. Het beroep bij de bevoegde rechtbank tegen een beslissing tot toekenning, herziening of weigering van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 geldt als nieuwe aanvraag in de zin van § 2 zo het onontvankelijk wordt verklaard.
  § 4. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe beslissing kan worden genomen. Hij bepaalt eveneens de ingangsdatum van de nieuwe beslissing.
  § 5. De Koning bepaalt in welke gevallen een beslissing kan worden ingetrokken.
Art. 8 _COMMUNAUTE_GERMANOPHONE.
   <L 2002-12-24/31, art. 122, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. Les allocations visées à l'article 1er sont accordées sur demande.
  Le Roi détermine comment, par qui, à partir de quand et de quelle manière la demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  Chaque demande d'allocation de remplacement de revenus vaut comme demande d'allocation d'intégration et inversement.
  [2 ...]2
  Le Roi peut déterminer les cas dans lesquels une demande introduite en vue d'obtenir une prestation sociale du régime de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale vaut comme demande d'obtention d'une allocation visée à l'article 1.
[1 § 1erbis. Lorsque la personne résidant en Belgique perd le droit aux allocations familiales majorées pour les enfants présentant une affection parce qu'elle a atteint la limite d'âge prévue par la réglementation, ses droits aux allocations visées à l'article 1er sont examinés d'office avec effet au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cette limite d'âge est atteinte.
   Le Roi détermine les cas dans lesquels les allocations visées à l'article 1er, sont examinées d'office.
   Le Roi fixe les modalités d'application de l'alinéa 1er.]1

  § 2. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle demande peut être introduite.
  Le Roi détermine comment, par qui et de quelle manière la nouvelle demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  § 3. Le recours auprès du tribunal compétent contre une décision d'octroi, de révision ou de refus d'une allocation visée à l'article 1er vaut comme nouvelle demande au sens du § 2 s'il est déclaré irrecevable.
  § 4. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle décision peut être prise. Il détermine également la date de prise de cours de la nouvelle décision.
  § 5. Le Roi détermine dans quels cas une décision peut être rapportée.
Art. 8_WAALS_GEWEST.    <W 2002-12-24/31, art. 122, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden toegekend op aanvraag.
  De Koning bepaalt hoe, door wie, vanaf wanneer en op welke wijze de aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  Elke aanvraag tot een inkomensvervangende tegemoetkoming geldt als aanvraag tot een integratietegemoetkoming en omgekeerd.
  [2 ...]2
  De Koning kan bepalen in welke gevallen de aanvraag ingediend met het oog op het verkrijgen van een sociale uitkering die onder een stelsel van sociale zekerheid of sociale bijstand valt, geldt als aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1.
[1 § 1bis. Wanneer de persoon die in België woont het recht op verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een aandoening verliest omdat hij de leeftijdsgrens bepaald in de reglementering bereikt heeft, worden zijn rechten op de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve onderzocht met uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die in de loop waarvan deze leeftijdsgrens wordt bereikt.
   De Koning bepaalt de andere gevallen waarin de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve worden onderzocht.
   De Koning bepaalt de nadere voorwaarden voor de toepassing van het eerste lid.]1

  § 2. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe aanvraag kan worden ingediend.
  De Koning bepaalt hoe, door wie en op welke wijze de nieuwe aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  § 3. Het beroep bij de bevoegde rechtbank tegen een beslissing tot toekenning, herziening of weigering van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 geldt als nieuwe aanvraag in de zin van § 2 zo het onontvankelijk wordt verklaard.
  § 4. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe beslissing kan worden genomen. Hij bepaalt eveneens de ingangsdatum van de nieuwe beslissing.
  § 5. De Koning bepaalt in welke gevallen een beslissing kan worden ingetrokken.
Art. 8 _REGION_WALLONNE.
   <L 2002-12-24/31, art. 122, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. Les allocations visées à l'article 1er sont accordées sur demande.
  Le Roi détermine comment, par qui, à partir de quand et de quelle manière la demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  Chaque demande d'allocation de remplacement de revenus vaut comme demande d'allocation d'intégration et inversement.
  [2 ...]2
  Le Roi peut déterminer les cas dans lesquels une demande introduite en vue d'obtenir une prestation sociale du régime de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale vaut comme demande d'obtention d'une allocation visée à l'article 1.
[1 § 1erbis. Lorsque la personne résidant en Belgique perd le droit aux allocations familiales majorées pour les enfants présentant une affection parce qu'elle a atteint la limite d'âge prévue par la réglementation, ses droits aux allocations visées à l'article 1er sont examinés d'office avec effet au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cette limite d'âge est atteinte.
   Le Roi détermine les cas dans lesquels les allocations visées à l'article 1er, sont examinées d'office.
   Le Roi fixe les modalités d'application de l'alinéa 1er.]1

  § 2. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle demande peut être introduite.
  Le Roi détermine comment, par qui et de quelle manière la nouvelle demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  § 3. Le recours auprès du tribunal compétent contre une décision d'octroi, de révision ou de refus d'une allocation visée à l'article 1er vaut comme nouvelle demande au sens du § 2 s'il est déclaré irrecevable.
  § 4. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle décision peut être prise. Il détermine également la date de prise de cours de la nouvelle décision.
  § 5. Le Roi détermine dans quels cas une décision peut être rapportée.
Art. 8_VLAAMS_GEWEST.    <W 2002-12-24/31, art. 122, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. De tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden toegekend op aanvraag.
  De Koning bepaalt hoe, door wie, vanaf wanneer en op welke wijze de aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  Elke aanvraag tot een inkomensvervangende tegemoetkoming geldt als aanvraag tot een integratietegemoetkoming en omgekeerd.
  [2 ...]2
  De Koning kan bepalen in welke gevallen de aanvraag ingediend met het oog op het verkrijgen van een sociale uitkering die onder een stelsel van sociale zekerheid of sociale bijstand valt, geldt als aanvraag tot het verkrijgen van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1.
[1 § 1bis. Wanneer de persoon die in België woont het recht op verhoogde kinderbijslag voor kinderen met een aandoening verliest omdat hij de leeftijdsgrens bepaald in de reglementering bereikt heeft, worden zijn rechten op de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve onderzocht met uitwerking op de eerste dag van de maand volgend op die in de loop waarvan deze leeftijdsgrens wordt bereikt.
   De Koning bepaalt de andere gevallen waarin de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 ambtshalve worden onderzocht.
   De Koning bepaalt de nadere voorwaarden voor de toepassing van het eerste lid.]1

  § 2. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe aanvraag kan worden ingediend.
  De Koning bepaalt hoe, door wie en op welke wijze de nieuwe aanvraag wordt ingediend, alsook de ingangsdatum van de beslissing.
  § 3. Het beroep bij de bevoegde rechtbank tegen een beslissing tot toekenning, herziening of weigering van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 geldt als nieuwe aanvraag in de zin van § 2 zo het onontvankelijk wordt verklaard.
  § 4. De Koning bepaalt in welke gevallen een nieuwe beslissing kan worden genomen. Hij bepaalt eveneens de ingangsdatum van de nieuwe beslissing.
  § 5. De Koning bepaalt in welke gevallen een beslissing kan worden ingetrokken.
Art. 8 _REGION_FLAMANDE.
   <L 2002-12-24/31, art. 122, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. Les allocations visées à l'article 1er sont accordées sur demande.
  Le Roi détermine comment, par qui, à partir de quand et de quelle manière la demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  Chaque demande d'allocation de remplacement de revenus vaut comme demande d'allocation d'intégration et inversement.
  [2 ...]2
  Le Roi peut déterminer les cas dans lesquels une demande introduite en vue d'obtenir une prestation sociale du régime de la sécurité sociale ou de l'assistance sociale vaut comme demande d'obtention d'une allocation visée à l'article 1.
[1 § 1erbis. Lorsque la personne résidant en Belgique perd le droit aux allocations familiales majorées pour les enfants présentant une affection parce qu'elle a atteint la limite d'âge prévue par la réglementation, ses droits aux allocations visées à l'article 1er sont examinés d'office avec effet au premier jour du mois qui suit celui au cours duquel cette limite d'âge est atteinte.
   Le Roi détermine les cas dans lesquels les allocations visées à l'article 1er, sont examinées d'office.
   Le Roi fixe les modalités d'application de l'alinéa 1er.]1

  § 2. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle demande peut être introduite.
  Le Roi détermine comment, par qui et de quelle manière la nouvelle demande est introduite, ainsi que la date de prise de cours de la décision.
  § 3. Le recours auprès du tribunal compétent contre une décision d'octroi, de révision ou de refus d'une allocation visée à l'article 1er vaut comme nouvelle demande au sens du § 2 s'il est déclaré irrecevable.
  § 4. Le Roi détermine dans quels cas une nouvelle décision peut être prise. Il détermine également la date de prise de cours de la nouvelle décision.
  § 5. Le Roi détermine dans quels cas une décision peut être rapportée.
Art. 8bis. <INGEVOEGD bij W 2002-12-24/31, art. 123; Inwerkingtreding : 01-07-2003 en gewijzigd bij W 2004-07-09/30, art. 158, 023; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De Koning bepaalt :
  1° hoe de aanvragen tot het verkrijgen van de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden behandeld en inzonderheid de wijze waarop de openbare besturen tussen beide komen bij het vaststellen van het inkomen van de aanvrager en van de persoon met wie hij een huishouden vormt;
  2° hoe de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren over deze aanvragen beslist;
  3° de termijnen binnen dewelke de aanvragen om tegemoetkomingen worden onderzocht [1 met dien verstande dat die termijnen vanaf 1 januari 2010 niet meer dan zes maanden mogen bedragen.]1
  
Art. 8bis. Le Roi determine :
   1° la manière dont les demandes d'obtention des allocations visées à l'article 1er sont traitées et en particulier la manière dont les administrations publiques interviennent lors de la fixation du revenu du demandeur et de la personne avec laquelle il forme un ménage;
   2° la manière dont le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions prend une décision au sujet de ces demandes;
   3° les délais dans lesquels les demandes d'allocations sont examinées [1 , étant entendu qu'ils ne pourront excéder six mois à partir du 1er janvier 2010.]1
  
Art. 8ter. [1 De gegevens nodig voor de toepassing van deze wet, met inbegrip van nieuwe gegevens die aanleiding kunnen geven tot een wijziging van het bedrag van de tegemoetkoming, worden elektronisch opgehaald bij de diensten en instellingen die erover beschikken, onverminderd de bepalingen van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
   De Koning bepaalt de gegevens die de persoon met een handicap moet meedelen.
   De Koning bepaalt de voorwaarden waarop en de termijnen waarbinnen deze mededeling moet gebeuren.]1

  
Art. 8ter. [1 Les données nécessaires à l'application de la présente loi, y compris des nouvelles données susceptibles de donner lieu à une modification du montant de l'allocation, seront recueillies auprès des services et des institutions qui en disposent sur support électronique, sans préjudice des dispositions de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la sécurité sociale.
   Le Roi détermine les données devant être communiquées par la personne handicapée.
   Le Roi détermine les modalités et les délais dans lesquels cette communication doit être faite.]1

  
Art. 10. <W 2002-12-24/31, art. 125, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De beslissing houdende toekenning, herziening of weigering van een tegemoetkoming bedoeld in artikel 1 moet, op straffe van nietigheid, met redenen worden omkleed.
  Zij moet de volgende vermeldingen bevatten :
  1° de mogelijkheid om bij de bevoegde rechtbank beroep in te stellen;
  2° het adres van de bevoegde rechtbank;
  3° de termijn om een beroep in te stellen en de wijze waarop dit moet gebeuren;
  4° de inhoud van de artikelen 728 en 1017 van het Gerechtelijk Wetboek;
  5° de refertes van het dossier en van de dienst die het beheert;
  6° de mogelijkheid om opheldering te verkrijgen omtrent de beslissing bij de dienst die het dossier beheert of bij een aangewezen voorlichtingsdienst.
  Indien de beslissing de in het vorige lid opgesomde vermeldingen niet bevat, gaat de termijn om een beroep in te stellen niet in.
Art. 10. <L 2002-12-24/31, art. 125, 018; En vigueur : 01-07-2003> La décision d'octroi, de révision ou de refus d'une allocation visée à l'article 1er doit, sous peine de nullité, être dûment motivée.
  Elle doit contenir les mentions suivantes :
  1° la possibilité d'intenter un recours devant le tribunal compétent;
  2° l'adresse du tribunal compétent;
  3° le délai et les modalités pour intenter un recours;
  4° le contenu des articles 728 et 1017 du Code judiciaire;
  5° les références du dossier et du service qui gère celui-ci;
  6° la possibilité d'obtenir toute explication sur la décision auprès du service qui gère le dossier ou d'un service d'information désigné.
  Si la décision ne contient pas les mentions prévues à l'alinéa précédent, le délai de recours ne commence pas à courir.
Art. 11. De tegemoetkomingen worden uitbetaald volgens de regelen door de Koning vastgesteld.
  (tweede lid opgeheven) <W 2002-12-24/31, art. 126, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 11. Les allocations sont payées selon les règles établies par le Roi.
  (alinéa supprimé) <L 2002-12-24/31, art. 126, 018; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 12. § 1. (Bij opname van de (persoon met een handicap) in een instelling, geheel of gedeeltelijk op kosten van de overheid, een openbare dienst of een sociale-zekerheids-instelling, wordt de uitbetaling onder de voorwaarden die de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit bepaalt, (voor 28 procent) opgeschort voor de integratie-tegemoetkoming (...).) <W 1989-12-22/31, art. 134, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1989> <W 2002-12-24/31, art. 128, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2003> <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> <W 2007-04-27/35, art. 38, 025; Inwerkingtreding : 01-06-2007>
  § 2. ( De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen waarin de tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 geheel of gedeeltelijk geschorst worden voor de gerechtigden die in gevangenissen opgesloten zijn of in instellingen van sociaal verweer opgenomen zijn, alsook de duur van de schorsing.) <W 2002-12-24/31, art. 128, 017; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 12. § 1er. (En cas d'admission (de la personne handicapée) dans une institution, totalement ou partiellement à charge des pouvoirs publics, d'un service public ou d'un organisme de sécurité sociale, le paiement est, dans les conditions que le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, suspendu (pour 28 pour cent) pour l'allocation d'intégration (...).) <L 1989-12-22/31, art. 134, 003; En vigueur : 01-11-1989> <L 2002-12-24/31, art. 128, 017; En vigueur : 01-01-2003> <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003> <L 2007-04-27/35, art. 38, 025; En vigueur : 01-06-2007>
  § 2. (Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les cas dans lesquels les allocations visées à l'article 1er sont totalement ou partiellement suspendues à l'égard des bénéficiaires détenus dans les prisons ou internés dans les établissements de défense sociale, ainsi que la durée de la suspension.) <L 2002-12-24/31, art. 128, 017; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 14. <W 2002-12-24/31, art. 130, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> De bedragen die met toepassing van de artikelen 6, 7 en 12 worden toegekend bij het vaststellen of het herzien van het recht op tegemoetkomingen bedoeld in artikel 1 worden gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der werknemers, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen.
Art. 14. <L 2002-12-24/31, art. 130, 018; En vigueur : 01-07-2003> Les montants octroyés lors de la fixation ou de la révision du droit aux allocations visées à l'article 1er en application des articles 6, 7 et 12 sont liés aux variations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Art. 15. <W 1989-12-22/31, art. 136, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1989> De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit de vervallen en nog niet betaalde termijnen van de tegemoetkomingen waarvan de betaling kan worden verricht na het overlijden van de gerechtigde, wijst de natuurlijke personen aan aan wie deze worden uitbetaald, bepaalt de rangorde waarin deze personen hun recht kunnen uitoefenen en de vormvereisten die moeten worden nageleefd alsmede de termijn voor het indienen van de aanvraag.
Art. 15. <L 1989-12-22/31, art. 136; 003; En vigueur : 01-11-1989> Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les termes échus et non payés des allocations dont le paiement peut être effectué après le décès du bénéficiaire, les personnes physiques auxquelles ils sont payés, l'ordre dans lequel ces personnes peuvent exercer leur droit et les formalités qui doivent être observées, ainsi que le délai d'introduction de la demande.
Art. 16. <W 2002-12-24/31, art. 131, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003> § 1. De terugvordering van de ten onrechte betaalde tegemoetkomingen verjaart na drie jaar te rekenen vanaf de datum waarop de uitbetaling is geschied.
  De in het eerste lid voorgeschreven termijn wordt teruggebracht tot één jaar indien de betaling enkel het gevolg is van een vergissing van een administratieve dienst of instelling, waarvan de betrokkene zich normaal geen rekenschap kan geven.
  De in het eerste lid voorgeschreven verjaringstermijn wordt op vijf jaar gebracht wanneer de onverschuldigde sommen werden verkregen door bedrieglijke handelingen of door valse of bewust onvolledige verklaringen. Deze termijn van vijf jaar geldt eveneens ten aanzien van sommen die ten onrechte werden uitbetaald wegens het niet afleggen, door de schuldenaar, van een verklaring die is voorgeschreven door een wets- of verordenende bepaling of die volgt uit een vroeger aangegane verbintenis.
  § 2. Van de beslissing tot terugvordering wordt, op straffe van nietigheid, kennis gegeven aan de schuldenaren bij een ter post aangetekend schrijven.
  Deze brief vermeldt :
  1° de vaststelling van het onverschuldigde;
  2° het totale bedrag van het onverschuldigde alsmede de berekeningswijze ervan;
  3° de inhoud en de refertes van de bepalingen in strijd waarmee de betalingen werden verricht;
  4° de in aanmerking genomen verjaringstermijn en, als deze geen 3 jaar bedraagt, de motivering ervan;
  5° de mogelijkheid om binnen drie maanden na de aanbieding van het aangetekende schrijven aan de belanghebbende, beroep in te stellen bij de bevoegde arbeidsrechtbank;
  6° de mogelijkheid om een met redenen omkleed voorstel met het oog op een gespreide terugbetaling voor te leggen;
  7° de mogelijkheid van de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren om ambtshalve of op aanvraag van de persoon met een handicap af te zien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen.
  Indien de beslissing de in het vorig lid voorziene vermeldingen niet bevat, gaat de beroepstermijn niet in.
  § 3. De verjaring wordt gestuit door het ter post neerleggen van het aangetekend schrijven, door een terugvordering via de afhouding op de tegemoetkomingen of door de vrijwillige terugbetaling door de persoon met een handicap.
  § 4. De terugvordering wordt van rechtswege toegepast op de vervallen en nog niet uitgekeerde tegemoetkomingen.
  Indien de vervallen en nog niet uitgekeerde bedragen hoger liggen dan het onverschuldigde bedrag, wordt het verschil tussen de achterstallige bedragen en de schuld aan de persoon met een handicap betaald.
  § 5. Indien de dienst de onverschuldigde bedragen niet kan terugvorderen middels de door hem verschuldigde tegemoetkomingen, kan de terugvordering op zijn verzoek uitgevoerd worden door een dienst of instelling die één van de in § 1, 2°, 3°, 4°, 5° en 8° van artikel 1410 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde prestaties uitkeert, of op vervallen en nog niet uitgekeerde bedragen van dezelfde prestaties.
  § 6. De beslissing tot terugvordering kan enkel uitgevoerd worden na het verstrijken van een termijn van drie maanden volgend op de kennisgeving.
  Wanneer de gerechtigde vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden een aanvraag tot verzaking heeft ingediend, wordt de terugvordering opgeschort tot de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren over de aanvraag uitspraak heeft gedaan.
  Indien de aanvraag om verzaking wordt ingediend na de termijn van drie maanden volgend op de betekening van de schuld, wordt de terugvordering van de onverschuldigde bedragen aangevat of voortgezet totdat de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren een tegengestelde beslissing heeft genomen.
  § 7. Er wordt ambtshalve afgezien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen bij het overlijden van de persoon met een handicap.
  Er wordt evenwel niet ambtshalve verzaakt :
  1° in geval van bedrog of arglist;
  2° indien er bij het overlijden van de betrokkene vervallen en nog niet uitgekeerde tegemoetkomingen bestaan. In dit geval geschiedt de terugvordering op de vervallen tegemoetkomingen die nog niet betaald werden aan de betrokkene of aan de in artikel 15 bedoelde personen, zelfs indien de betrokkene toen hij nog in leven was een aanvraag om verzaking had ingediend waarover de minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren nog geen beslissing zou hebben genomen;
  3° wanneer het terug te vorderen bedrag hoger ligt dan een door de Koning te bepalen bedrag.
  § 8. De minister tot wiens bevoegdheid de tegemoetkomingen aan personen met een handicap behoren, kan, in de door de Koning bepaalde voorwaarden, ambtshalve of op aanvraag van de persoon met een handicap, afzien van de terugvordering van de onverschuldigd betaalde tegemoetkomingen wanneer het om behartigenswaardige gevallen gaat of wanneer het onverschuldigd betaalde bedrag beneden een door de Koning te bepalen bedrag ligt of buiten verhouding staat tot de vermoedelijke procedurekosten.
  De Koning bepaalt de wijze waarop de aanvraag tot verzaking moet worden ingediend. De aanvraag tot verzaking dient gemotiveerd te zijn.
Art. 16. <L 2002-12-24/31, art. 131, 018; En vigueur : 01-07-2003> § 1er. La répétition des allocations versées indûment se prescrit par trois ans à compter de la date du paiement.
  Le délai prévu à l'alinéa 1er est ramené à un an lorsque le paiement résulte uniquement de l'erreur d'un service administratif ou organisme, et dont l'intéressé ne peut normalement se rendre compte.
  Le délai prévu à l'alinéa 1er est porté à cinq ans lorsque les sommes indues ont été perçues suite à des manoeuvres frauduleuses ou à des déclarations fausses ou sciemment incomplètes. Ce délai de cinq ans vaut aussi pour les sommes qui ont été payées à tort par suite d'une absence, par le débiteur, d'une déclaration, prescrite par une disposition légale ou réglementaire, ou faisant suite à un engagement pris antérieurement.
  § 2. La décision de répétition est, sous peine de nullité, portée à la connaissance des débiteurs par lettre recommandée.
  Cette lettre mentionne :
  1° la constatation de l'indu;
  2° le montant total de l'indu, ainsi que le mode de calcul;
  3° le contenu et les références des dispositions en infraction desquelles les paiements ont été effectués;
  4° le délai de prescription pris en considération, et, lorsqu'il n'est pas de trois ans, sa justification;
  5° la possibilité d'introduire un recours auprès du tribunal du travail compétent dans les trois mois de la présentation du pli recommandé à l'intéressé;
  6° la possibilité de soumettre une proposition motivée en vue d'un remboursement étalé;
  7° la possibilité, pour le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions, de renoncer d'office ou à la demande de la personne handicapée, à la récupération des allocations payées indûment.
  Si la décision ne contient pas les mentions prévues à l'alinéa précédent, le délai de recours ne commence pas à courir.
  § 3. La prescription est interrompue par le dépôt du pli recommandé, la récupération par la retenue sur les allocations ou le remboursement volontaire effectué par la personne handicapée.
  § 4. La récupération s'opère de plein droit sur les allocations échues et non encore versées.
  Si les montants échus non encore versés sont supérieurs à l'indu, la différence entre les arriérés et la dette est payée à la personne handicapée.
  § 5. A défaut pour le service de pouvoir récupérer l'indu sur des allocations dues par lui, la récupération peut être opérée à la demande de celui-ci par un service ou un organisme versant l'une des prestations visées au § 1er, 2°, 3°, 4°, 5° et 8° de l'article 1410 du Code Judiciaire, ou sur des montants échus non encore versés de ces mêmes prestations.
  § 6. La décision de récupération ne peut être exécutée qu'après un délai de trois mois à partir de la notification.
  Lorsque le bénéficiaire a introduit une demande en renonciation avant l'expiration de ce délai de trois mois, la récupération est suspendue jusqu'à ce que le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions ait statué sur la demande.
  Si la demande en renonciation est introduite au-delà du délai de trois mois suivant la notification de l'indu, la récupération des sommes indues est entamée ou continuée jusqu'à ce que le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions ait pris une décision contraire.
  § 7. Il est renoncé d'office à la récupération des allocations payées indûment, au décès de la personne handicapée.
  Il n'est toutefois pas renoncé d'office :
  1° en cas de dol ou de fraude;
  2° si, au moment du décès de l'intéressé, il existe des allocations échues et non encore payées. Dans ce cas, la récupération s'effectue sur les allocations échues mais non encore payées à l'intéressé ou aux personnes visées à l'article 15, et ce même si l'intéressé avait introduit de son vivant une demande en renonciation pour laquelle le ministre n'aurait pas encore pris de décision;
  3° quand le montant à récupérer est supérieur au montant à déterminer par le Roi.
  § 8. Le ministre qui a les allocations aux personnes handicapées dans ses attributions peut, dans les conditions déterminées par le Roi, renoncer d'office ou à la demande de la personne handicapée, à la récupération des allocations payées indûment lorsqu'il s'agit de cas dignes d'intérêt ou que la somme payée indûment est inférieure à un montant à déterminer par le Roi ou est hors de proportion avec les frais de procédure présumés.
  Le Roi détermine le mode d'introduction de la demande en renonciation. La demande en renonciation doit être motivée.
Art. 17. De ordonnantiën van betaling van de tegemoetkomingen moeten niet voorzien zijn van het visum bedoeld bij artikel 14, eerste lid, van de organieke wet op het Rekenhof van 29 oktober 1846.
  De verantwoording van deze, door middel van kredietopening verrichte uitgaven geschiedt door overlegging van samenvattende betaalstaten, goedgekeurd door de Minister tot wiens bevoegdheid de sociale zekerheid behoort of diens gemachtigde en afgestempeld door [1 bpost]1 <W 1991-03-21/30, art. 130, 004; Inwerkingtreding : 01-10-1992>
  
Art. 17. Les ordonnances de paiement des allocations ne doivent pas être munies du visa à l'article 14, premier alinéa, de la loi organique de la Cour des comptes du 29 octobre 1846.
  La justification de ces dépenses payées au moyen d'ouverture de crédit se fait sur présentation de bordereaux récapitulatifs de paiement, approuvés par le Ministre qui a la sécurité sociale dans ses attributions ou par son délégué et estampillés par [1 bpost]1 <L 1991-03-21/30, art. 130, 004; En vigueur : 01-10-1992>
  
Art. 18. Alle overheidsdiensten, alle instellingen belast met de toepassing van de wetgeving betreffende de sociale zekerheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten en bijstand, alsook de gerechtigden op tegemoetkomingen, zijn verplicht aan de toekennende overheid, alsmede aan de uitbetalende dienst of instelling op eenvoudig verzoek en zonder verplaatsing, alle voor de uitoefening van hun opdracht nuttige inlichtingen te verschaffen.
  (De zorgverleners dienen alle inlichtingen of documenten mede te delen die nuttig zijn voor de evaluatie van de vermindering van het verdienvermogen en/of het gebrek aan of de vermindering van de zelfredzaamheid. De mededeling of het gebruik van deze inlichtingen en documenten zijn onderworpen aan het eerbiedigen van het medisch geheim.) <W 1998-02-22/43, art. 264, 010; Inwerkingtreding : 03-03-1998>
Art. 18. Toutes les administrations publiques, tous les organismes chargés de l'application de la législation sur la sécurité sociale, les accidents du travail, les maladies professionnelles et l'assistance, ainsi que les bénéficiaires d'allocations, sont tenus de communiquer à l'autorité octroyante, ainsi qu'au service ou organisme payeur, sur simple réquisition et sans déplacement, tous renseignements utiles à l'accomplissement de leur mission.
  (Les dispensateurs de soins sont tenus de communiquer tous renseignements ou documents utiles à l'évaluation de la réduction de capacité de gain et/ou du manque ou de la réduction d'autonomie. La communication ou l'utilisation de ces renseignements et documents sont subordonnées au respect du secret médical.) <L 1998-02-22/43, art. 264, 010; En vigueur : 03-03-1998>
Art. 18bis. <INGEVOEGD bij W 1989-12-22/31, art. 137, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1989> De fotografische, microfotografische of elektronische afschriften van de documenten bewaard door de (Dienst voor tegemoetkomingen aan gehandicapten (NOTA : het woord "gehandicapten" wordt overal in onderhavige wet vervangen door "personen met een handicap")) hebben dezelfde bewijskracht als de originelen, indien zij door deze dienst of onder diens controle werden opgesteld. <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 18bis. Les copies photographiques, microphotographiques ou par moyen électronique des documents détenus par le (Service des allocations aux handicapés (NOTE : le mots "handicapés" est remplacé partout dans la présente loi par les mots "personnes handicapées")) font foi comme les originaux, si elles ont été établies par ce service ou sous son contrôle. <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 19. De geschillen over de rechten, ontstaan uit deze wet, behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten.
  Beroep tegen een beslissing van de Minister of diens gemachtigde moet ingesteld worden binnen (drie maanden) na de kennisgeving ervan. <KB 1998-07-05/44, art. 2, 011; Inwerkingtreding : 01-01-1997>
  Tegen een beslissing inzake al of niet verzaken aan een terugvordering is geen beroep mogelijk.
  De vordering ingeleid voor arbeidsgerechten werkt niet schorsend.
  (In de zaken waarin een medisch expert wordt toegewezen, worden de voorschotten, de erelonen en de kosten van deze expert, die vervat zijn in de nota die wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, aangeduid met toepassing van het door de Koning vastgestelde tarief.) <W 1992-06-26/30, art. 164, 008; Inwerkingtreding : 01-07-1992> <W 1998-02-22/43, art. 265, 010; Inwerkingtreding : 03-03-1998>
Art. 19. Les litiges portant sur les droits résultant de la présente loi sont de la compétence des juridictions du travail.
  Le recours contre une décision du Ministre ou de son délégué doit être formé dans les (trois mois) de sa notification. <AR 1998-07-05/44, art. 2, 011; En vigueur : 01-01-1997>
  Aucun recours n'est possible contre une décision de renoncer ou non à une récupération.
  L'action engagée devant les juridictions du travail n'est pas suspensive.
  (Dans les affaires pour lesquelles un expert médical est désigné, les provisions, les honoraires et les frais de cet expert, contenus dans le relevé qu'il établit conformément aux dispositions du Code judiciaire, sont indiqués en appliquant le tarif fixé par le Roi.) <L 1992-06-26/30, art. 164, 008; En vigueur : 10-07-1992> <L 1998-02-22/43, art. 265, 010; En vigueur : 03-03-1998>
Art. 20. Ter beoefening van de Hem door deze wet toegekende bevoegdheden, wint de Koning het advies in van de (Nationale Hoge Raad voor gehandicapten. (NOTA : het woord "gehandicapten" wordt overal in onderhavige wet vervangen door de woorden "personen met een handicap".) <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
Art. 20. Pour exercer les compétences qui Lui sont conférées par la présente loi, le Roi prend l'avis du (Conseil supérieur national des handicapés. (NOTE : le mot "handicapés" est remplacé partout dans la présente loi par les mots "personnes handicapées".)) <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
Art. 21. Bij (de Bestuursdirectie van de uitkeringen aan personen met een handicap) wordt een Commissie voor sociaal hulpbetoon aan de (personen met een handicap) opgericht waarvan de Koning de samenstelling en de werkwijze bepaalt. <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  De commissie geeft advies over aangelegenheden met betrekking tot individuele gevallen, welke haar door de Minister tot wiens bevoegdheid de sociale zekerheid behoort, worden voorgelegd.
Art. 21. Il est institué auprès (de la Direction d'administration des prestations aux personnes handicapées) une Commission d'aide sociale aux (personnes handicapées), dont le Roi fixe la composition et le mode de fonctionnement. <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  La commission donne son avis sur des matières relatives à des cas individuels, qui lui sont soumis par le Ministre qui a la sécurité sociale dans ses attributions.
Art. 22. De uitgaven die voortvloeien uit de toepassing van deze wet vallen ten laste van het Rijk.
Art. 22. Les dépenses découlant de l'application de la présente loi sont à charge de l'Etat.
Art. 23. Artikel 47, eerste lid, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gewijzigd bij de wet van 30 juni 1981 en het koninklijk besluit nr. 131 van 30 december 1982, wordt vervangen door het volgende lid : "....."
Art. 23. L'article 47, premier alinéa, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, modifié par la loi du 30 juin 1981 et l'arrêté royal n° 131 du 30 décembre 1982, est remplacé par l'alinéa suivant : "....."
Art. 24. Artikel 47, eerste lid, van dezelfde wetten, zoals het bestond vóór het werd gewijzigd bij deze wet, blijft van toepassing ten voordele van de gehandicapte kinderen die ten minste [1 18]1 jaar oud zijn op de datum van de inwerkingtreding van deze wet.
  
Art. 24. L'article 47, premier alinéa, des mêmes lois, tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la présente loi reste d'application en faveur des enfants handicapés qui ont au moins [1 18]1 ans à la date d'entrée en vigueur de cette loi.
  
Art. 25. In artikel 47bis van dezelfde wetten, ingevoegd door het koninklijk besluit nr. 122 van 30 december 1982 en gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 207 van 13 september 1983 en het koninklijk besluit nr. 282 van 31 maart 1984, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden " artikel 63, eerste lid, 2°, van deze wetten " en " bedoeld kind " de woorden " zoals het bestond vóór het werd gewijzigd bij de wet van ... " ingevoegd.
  2° in het tweede lid worden tussen de woorden " artikel 63, eerste lid, 2°, van deze wetten " en "bedoeld kind " de woorden " zoals het bestond voor het werd gewijzigd bij de wet van ... " ingevoegd.
Art. 25. A l'article 47bis des mêmes lois, inséré par l'arrêté royal n° 122 du 30 décembre 1982 et modifié par l'arrêté royal n° 207 du 13 septembre 1983 et l'arrêté royal n° 282 du 31 mars 1984, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le premier alinéa, les mots " tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la loi du ... " sont insérés entre les mots " article 63, premier alinéa, 2°, de ces lois " et " sont accordées ".
  2° dans le deuxième alinéa, les mots " tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la loi du ... " sont insérés entre les mots " article 63, premier alinéa, 2°, de ces lois " et " d'un travailleur ".
Art. 26. Artikel 63 van dezelfde wetten, gewijzigd bij het koninklijk besluit nr. 207 van 13 september 1983, wordt vervangen door de volgende bepalingen : "....."
Art. 26. L'article 63 des mêmes lois modifié par l'arrêté royal n° 207 du 13 septembre 1983, est remplacé par les dispositions suivantes : "....."
Art. 27. Artikel 63 van dezelfde wetten, zoals het bestond vóór het werd gewijzigd bij deze wet, blijft van toepassing ten voordele van de op kinderbijslag rechtgevende gehandicapte kinderen die ten minste [1 18]1 jaar zijn op de datum van de inwerkingtreding van deze wet.
  
Art. 27. L'article 63 des mêmes lois tel qu'il existait avant d'avoir été modifié par la présente loi, reste d'application en faveur des enfants handicapés bénéficiaires d'allocations familiales âgés d'au moins [1 18]1 ans à la date de l'entrée en vigueur de cette loi.
  
Art. 28. De wet van 27 juni 1969 betreffende het toekennen van tegemoetkomingen aan de minder-validen wordt opgeheven.
  (De wet van 27 juni 1969 blijft evenwel van toepassing voor de (personen met een handicap) (waaraan een gewone tegemoetkoming, bijzondere tegemoetkoming, en/of een daarbij horende tegemoetkoming voor hulp van derden, bedoeld in artikel 2 van de wet van 27 juni 1969, is toegekend) die vóór 1 januari 1975 is ingegaan en die verder deze tegemoetkoming blijven genieten overeenkomstig de reglementaire bepalingen die van toepassing waren vóór deze datum, tenzij een toepassing van deze wet voordeliger is. In geen geval kan de toepassing van deze wet te hunnen aanzien leiden tot een verval van het recht of een vermindering van de tegemoetkoming.) <W 1992-12-30/40, art. 52, 009; Inwerkingtreding : 01-07-1993; KB 1993-04-14/33, art. 1> <W 2000-08-12/62, art. 209, 1°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2000> <W 2002-12-24/31, art. 115, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  (Wat de verjaring van de terugvordering van de in het tweede lid bedoelde tegemoetkomingen betreft die ten onrechte werden betaald, is artikel 16 van deze wet van toepassing.) <W 2001-07-19/38, art. 58, 015; Inwerkingtreding : 28-07-2001>
  (De personen met een handicap die recht hebben op een aanvullende tegemoetkoming, op een tegemoetkoming ter aanvulling van het gewaarborgd inkomen aan bejaarden en/of op een daarbij horende tegemoetkoming voor hulp van derden, blijven hun tegemoetkomingen behouden ter hoogte van het bedrag uitbetaald door [1 de Federale Pensioendienst]1 op datum van 30 juni 2000 totdat er voor hen een beslissing bij toepassing van deze wet genomen wordt ter gelegenheid van een herziening op hun aanvraag of ambtshalve.
  De bedragen bedoeld in de vorige paragraaf variëren echter conform de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.) <W 2000-08-12/62, art. 209, 2°, 013; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
  (Nochtans regelt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de rechten op een tegemoetkoming voor de (personen met een handicap) aan wie een aanvullende tegemoetkoming en/of een daarbijhorende tegemoetkoming voor hulp van derden werd toegekend die na 31 december 1974 maar vóór 1 juli 1987 is/zijn ingegaan.) <W 1989-12-22/31, art. 138, 003; Inwerkingtreding : 01-11-1989> <W 2002-12-24/31, art. 28, 018; Inwerkingtreding : 01-07-2003>
  
Art. 28. La loi du 27 juin 1969 relative à l'octroi d'allocations aux (handicapés (NOTE : le mot "handicapés est remplacé partout dans la présente loi par les mots "personnes handicapées")) est abrogée. <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  (La loi du 27 juin 1969 reste toutefois d'application pour les (personnes handicapées auxquelles) il a été accordé une allocation (ordinaire, spéciale, et/ou une allocation pour l'aide d'une tierce personne y afférente, visés à l'article 2 de la loi du 27 juin 1969) qui a pris cours avant le 1er janvier 1975 et qui continuent à bénéficier de cette allocation conformément aux dispositions règlementaires qui étaient applicables avant cette date, à moins que l'application de la présente loi ne leur soit plus avantageuse. En aucun cas, l'application de la présente loi ne peut entraîner à leur égard une déchéance du droit à l'allocation ou une diminution de l'allocation.) <L 1992-12-30/40, art. 52, 009; En vigueur : 01-07-1993; AR 1993-04-14/33, art. 1> <L 2000-08-12/62, art. 209, 1°, 013; En vigueur : 01-07-2000> <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  (En matière de prescription de la répétition des allocations, visées à l'alinéa 2, versées indûment, l'article 16 de la présente loi est d'application.) <L 2001-07-19/38, art. 58, 015; En vigueur : 28-07-2001>
  (Les (personnes handicapées) qui bénéficient d'une allocation complémentaire, d'une allocation de complément du revenu garanti aux personnes âgées et/ou d'une allocation pour l'aide d'une tierce personne y afférente, continuent à percevoir ces allocations aux montants liquidés par [1 le Service fédéral des Pensions]1 au 30 juin 2000 jusqu'à ce que, à l'occasion d'une révision effectuée à leur demande ou d'office, une décision en application de la présente loi ait été prise à leur égard. <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  Toutefois, les montants visés au paragraphe précédent varient conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.) <L 2000-08-12/62, art. 209, 2°, 013; En vigueur : 01-07-2000>
  (Toutefois, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, quels sont les droits auxquels peuvent prétendre les (personnes handicapées auxquelles) il a été accordé une allocation complémentaire et/ou une allocation pour l'aide d'une tierce personne y afférente, ayant pris cours après le 31 décembre 1974 mais avant le 1er juillet 1987.) <L 1989-12-22/31, art. 138, 003; En vigueur : 01-11-1989> <L 2002-12-24/31, art. 115, 018; En vigueur : 01-07-2003>
  
Art. 29. De Koning kan in de bestaande wetsbepalingen de verwijzingen naar de in deze wet opgenomen bepalingen naar de vorm aanpassen.
Art. 29. Le Roi peut adapter dans les dispositions légales existantes, la forme des références aux dispositions portées par la présente loi.
Art. 30. De Koning stelt de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van deze wet vast.
Art. 30. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur des dispositions de la présente loi.
(NOTE : entrée en vigueur fixée au 01-07-1987, par AR 1987-07-06/30, art. 40)