Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
24 MAART 1982. - Koninklijk besluit nr. 25 tot opzetting van een programma ter bevordering van de werkgelegenheid in de niet-commerciële sector. (NOTA : Bij arrest van 02-02-1989 (B.St. 03-03-1989, p. 3896) heeft het Arbitragehof artikel 4, 2° van de wet van 30 maart 1987 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 1 van de wet van 27 maart 1986 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning vernietigd, voor zover die bepalingen voor het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest gelden; het Hof handhaaft definitief de gevolgen van de aldus vernietigde bepalingen ten aanzien van alle overeenkomsten die vóór (03-03-1989) op grond van de aangevochten normen (Art. 19, 20, derde lid en 23) zijn tot stand gekomen). (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 21-01-1984 en tekstbijwerking tot 02-07-2025)
Titre
24 MARS 1982. - Arrêté royal n° 25 créant un programme de promotion de l'emploi dans le secteur non-marchand. (NOTE : Par son arrêt du 02-02-1989 (M.B. 03-03-1989, p. 3891), la Cour d'arbitrage a annulé l'article 4, 2°, de la loi du 30 mars 1987 portant confirmation des arrêtés royaux pris en exécution de l'article 1er de la loi du 27 mars 1986 attribuant certains pouvoirs spéciaux au Roi; la Cour maintient à titre définitif les effets des dispositions ainsi annulées (Art. 19, 20, alinéa 3 et 23) à l'égard de toutes les conventions intervenues, avant le (03-03-1989), sur la base des normes entreprises). (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 21-01-1984 et mise à jour au 02-07-2025)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (95)
Texte (95)
HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen.
CHAPITRE PREMIER. - Dispositions communes.
HOOFDSTUK I. VLAAMS_GEWEST.
CHAPITRE PREMIER. REGION_FLAMANDE.
Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit, wordt onder niet-commerciële sector verstaan : de sector van de werkzaamheden, die terzelfder tijd :
  a) van sociaal of openbaar nut zijn of van cultureel belang;
  b) geen winst beogen;
  c) voldoen aan collectieve behoeften waaraan anders niet voldaan had kunnen worden.
Article 1. Pour l'application du présent arrêté, on entend par secteur non-marchand le secteur des activités qui, à la fois :
  a) sont d'utilité publique ou sociale ou d'intérêt culturel;
  b) ne poursuivent aucun but lucratif;
  c) satisfont des besoins collectifs qui, autrement, n'auraient pas été rencontrés.
Art.2. <W 1985-08-01/31, art. 131, 004> (NOTA : hoofdstuk I opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1996-07-11/31, art. 14, 013; Inwerkingtreding : 01-07-1996) § 1. De in hoofdstuk II van dit besluit bedoelde arbeidsplaatsen mogen alleen bekleed worden door :
  1° uitkeringsgerechtigde volledig werklozen die aan één van de volgende voorwaarden beantwoorden op de datum van hun aanwerving :
  a) sedert tenminste één jaar uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn;
  b) in de loop van de laatste vier jaar tenminste één jaar uitkeringsgerechtigd volledig werkloos geweest zijn;
  2° volledig werklozen zoals bedoeld in artikel 123, § 5, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, die aan één van de volgende voorwaarden beantwoorden op de datum van hun aanwerving;
  a) sedert tenminste één jaar werkloze zijn;
  b) in de loop van de laatste vier jaar tenminste één jaar werkloos geweest zijn.
  § 2. (NOTA : paragraaf opgeheven voor het Waalse Gewest bij DWG 1990-05-31/30, art. 15, 1°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) De in hoofdstuk III van dit besluit bedoelde arbeidsplaatsen mogen alleen bekleed worden door werkzoekenden die aan één van de volgende voorwaarden beantwoorden op de eerste dag van de maand volgend op de datum van goedkeuring van de aanvraag :
  1° sedert ten minste twee jaar uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn;
  2° uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn en in de loop van de laatste vier jaar ten minste twee jaar uitkeringsgerechtigd volledig werkloos geweest zijn;
  3° sedert ten minste twee jaar volledig werkloos zijn zoals bedoeld in artikel 123, § 5, van het voormeld koninklijk besluit van 20 december 1963;
  4° volledig werkloos zijn zoals bedoeld in artikel 123, § 5, van het voormeld koninklijk besluit van 20 december 1963 en in de loop van de laatste vier jaar ten minste twee jaar werkloos geweest zijn;
  5° uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn, ten minste 40 jaar oud en alleen wonen of onder hetzelfde dak wonen met personen zonder inkomen of die als enig inkomen sociale zekerheidsuitkeringen of sociale bijstandsvergoedingen genieten waarvan het bedrag het door de Koning vastgestelde plafond niet overschrijdt;
  6° het bestaansminimum genieten waarin de wet van 7 augustus 1974 voorziet, ten minste 40 jaar oud zijn en alleen wonen of onder hetzelfde dak wonen met personen zonder inkomen of die als enig inkomen sociale zekerheidsuitkeringen of sociale bijstandsvergoedingen genieten waarvan het bedrag het door de Koning vastgestelde plafond niet overschrijdt.
  § 3. De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd besluit onder welke voorwaarden de andere werkzoekenden, die genieten van het bestaansminimum waarin de voormelde wet van 7 augustus 1974 voorziet, de in dit artikel bedoelde arbeidsplaatsen mogen bekleden.
  § 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt de tewerkstellingsduur van de door de overheid tewerkgestelde werklozen of van de in het bijzonder tijdelijk kader of het derde arbeidscircuit tewerkgestelde werknemers beschouwd als de werkloosheidsduur van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze.
  (Voor de toepassing van dit artikel wordt de tewerkstelling met een startbaanovereenkomst, met toepassing van hoofdstuk VIII van titel II van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, van een werknemer die geen getuigschrift of diploma van het hoger secundair onderwijs bezit, beschouwd als een periode van uitkeringsgerechtigde volledige werkloosheid en van inschrijving als werkzoekende.) <KB 2001-11-30/35, art. 1, 022; Inwerkingtreding : 01-04-2000>
  § 5. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid kan afwijkingen toestaan op de bepalingen betreffende de werkloosheidsduur en de leeftijd, voor zover het om arbeidsplaatsen in een ontwikkelingsland gaat.
  (§ 6. In afwijking van de §§ 1 en 3, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen welke andere categorieën werkzoekenden de in Hoofdstuk II, Afdeling 5, van dit besluit bedoelde arbeidsplaatsen mogen bekleden.) <W 2001-01-02/30, art. 36, 024; Inwerkingtreding : 03-01-2001>
  (NOTA : Voor het Vlaamse Gewest wordt art. 2 door de volgende bepaling vervangen : "§ 1. De in hoofdstuk III van dit besluit bedoelde arbeidsplaatsen mogen alleen bekleed worden door :
  1° de langdurig werklozen : de werklozen die op de dag voor de indiensttreding minstens één jaar uitkeringsgerechtigd volledig werkloos zijn;
  2° de moeilijk te plaatsen werklozen : de werklozen, zoals bepaald in artikel 58 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 december 1988 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
  3° de tewerkgestelde werklozen, de werknemers van het " Bijzonder Tijdelijk Kader " en van het " Derde Arbeidscircuit ";
  4° de uitkeringsgerechtigd volledig werklozen, die minimum 40 jaar oud zijn en die alleen wonen of onder hetzelfde dak met personen zonder inkomen of die als enig inkomen sociale zekerheidsuitkeringen of sociale bijstandsvergoedingen genieten, die jaarlijks niet hoger liggen dan 313 maal de maximale dagelijkse werkloosheidsuitkering overeenkomstig artikel 114 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  5° de bestaansminimumtrekkers;
  6° de uitkeringsgerechtigd volledig werklozen die geschorst zijn van het recht op werkloosheidsuitkeringen in toepassing van de artikelen 80 tot 88 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
  § 2. Voor de toepassing van § 1, wordt met de werkloosheidsduur van een uitkeringsgerechtigd volledig werkloze gelijkgesteld :
  1° de tewerkstellingsduur van de werknemer tewerkgesteld als tewerkgestelde werkloze, in het Bijzonder Tijdelijk Kader, in het Derde Arbeidscircuit, in het Interdepartementaal Begrotingsfonds, in het Programma ter bevordering van de Werkgelegenheid in de niet-commerciële sector of als gesubsidieerd contractueel;
  2° de tewerkstellingsduur als stagiair, zoals bepaald in het koninklijk besluit nr. 230 van 21 december 1983 betreffende de stage en de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces;
  3° de tewerkstellingsduur als tewerkgestelde krachtens artikel 60, § 7 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
  4° de periode waarin de werkzoekende het bestaansminimum heeft genoten;
  5° de wachttijd, zoals bepaald in artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  6° de wachttijd, zoals bepaald in artikel 35, §§ 1 en 3 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, in het geval zoals bedoeld in artikel 39 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering;
  7° de werkloosheidsperiode die niet vergoed werd ingevolge de toepassing van de artikelen 80 tot 88 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
  8° de tewerkstellingsduur van de werknemer tewerkgesteld in het kader van het besluit van de Vlaamse regering van 17 juni 1997 houdende harmonisering van diverse stelsels werkervaringsprojecten.
  § 3. De Vlaamse regering kan het toepassingsgebied beperken of verruimen tot andere categorieën van werknemers in functie van de evolutie van de arbeidsmarkt.
  De Vlaamse regering kan voor de in § 1 van dit artikel vermelde periodes gelijkgestelde periodes bepalen." <span class="domain-tag domain-dvr"><span class="domain-tag domain-dvr"><span class="metadata-tag bg-amber-100 text-amber-800 dark:bg-yellow-900/40 dark:text-yellow-300 px-1 rounded">&lt;DVR 1999-05-18/84, art. 12, 020; Inwerkingtreding : 10-10-1999&gt;</span></span></span>)
Art.2. <L 1985-08-01/31, art. 131, 004> (NOTE : chapitre I abrogé pour la Région wallonne par DRW 1996-07-11/31, art. 14, 013; En vigueur : 01-07-1996) § 1er. Les emplois visés par le chapitre II du présent arrêtê ne peuvent être occupés que par :
  1° des chômeurs complets indemnisés répondant à une des conditions suivantes à la date de leur engagement :
  a) être chômeur complet indemnisé depuis un an au moins;
  b) avoir connu au moins un an de chômage complet indemnisé au cours des quatre dernières années;
  2° des chômeurs complets visés par l'article 123, § 5, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage répondant à une des conditions suivantes à la date de leur engagement :
  a) être chômeur depuis un an au moins;
  b) avoir connu au moins un an de chômage au cours des quatre dernières années.
  § 2. (NOTE : paragraphe abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Les emplois visés par le chapitre III du présent arrêté ne peuvent être occupés que par des demandeurs d'emploi répondant à une des conditions suivantes au premier jour du mois qui suit la date d'approbation de la demande :
  1° être chômeur complet indemnisé depuis deux ans au moins;
  2° être chômeur complet indemnisé et avoir connu au moins deux ans de chômage complet indemnisé au cours des quatre dernières années;
  3° être chômeur complet visé par l'article 123, § 5, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité, depuis deux ans au moins;
  4° être chômeur complet visé par l'article 123, § 5, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 précité et avoir connu au moins deux ans de chômage au cours des quatre dernières années;
  5° être chômeur complet indemnisé, âgé de 40 ans au moins et vivre seul ou sous le même toit que des personnes sans ressources ou qui ont pour seules ressources des indemnités de sécurité sociale ou d'assistance sociale qui ne dépassent pas un plafond déterminé par le Roi;
  6° bénéficier du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 instituant le droit à un minimum de moyens d'existence, être âgé de 40 ans au moins, et vivre seul ou sous le même toit que des personnes sans ressources ou qui ont pour seules ressources des indemnités de sécurité sociale ou d'assistance sociale qui ne dépassent pas un plafond déterminé par le Roi.
  § 3. Le Roi déterminé, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions auxquelles les autres demandeurs d'emploi qui bénéficient du minimum de moyens d'existence prévu par la loi du 7 août 1974 précitée peuvent occuper les emplois visés par le présent article.
  § 4. Pour l'application du présent article, la durée d'occupation en tant que chômeur occupé par les pouvoirs publics ou en tant que travailleur occupé dans le cadre spécial temporaire ou dans le troisième circuit de travail est considéré comme durée de chômage complet indemnisé.
  (Pour l'application du présent article, l'occupation dans les liens d'une convention de premier emploi en application du chapitre VIII du titre II de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, d'un travailleur qui ne possède pas de certificat ou de diplôme de l'enseignement secondaire supérieur, est considérée comme une période de chômage complet indemnisé et d'inscription comme demandeur d'emploi.) <AR 2001-11-30/51, art. 1, 022; En vigueur : 01-04-2000>
  § 5. Le Ministre de l'Emploi et du Travail peut déroger aux dispositions relatives à la durée du chômage, pour autant qu'il s'agisse d'emplois dans un pays en voie de développement.
  (§ 6. Par dérogation aux §§ 1er et 3, le Roi peut déterminer, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, quelles autres catégories de demandeurs d'emploi peuvent occuper les emplois visés au Chapitre II, Section 5, du présent arrêté.) <L 2001-01-02/30, art. 36, 024; En vigueur : 03-01-2001>
  (NOTE : Pour la Région flamande, l'art. 2 est remplacé par la disposition suivante : "§ 1. Les emplois visés au chapitre III du présent arrêté ne peuvent être occupés que par :
  1° les chômeurs chroniques : les chômeurs qui au jour de leur engagement sont des chômeurs complets indemnisés depuis au moins un an;
  2° les chômeurs difficules à placer : les chômeurs tels que visés à l'article 58 de l'arrêté de l'Exécutif flamand du 21 décembre 1988 portant organisation de l'Office flamand de l'Emploi et de la Formation professionnelle;
  3° les chômeurs mis au travail, les travailleurs du " Cadre temporaire spécial " et du " Troisième circuit de Travail ";
  4° les chômeurs complets indemnisés qui ont au moins 40 ans et qui vivent seuls ou sous le même toit avec des personnes sans revenus ou qui bénéficient d'allocations dans le cadre de l'assurance sociale ou de l'assistance sociale qui ne peuvent dépasser par an 313 fois l'allocation de chômage journalière maximale conformément à l'article 114 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
  5° les bénéficiaires du minimum de moyens d'existence;
  6° les chômeurs complets indemnisés dont le droit aux allocations de chômage est suspendu en application des articles 80 à 88 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
  § 2. Pour l'application du § 1er, la durée du chômage d'un chômeur complet indemnisé est assimilé à :
  1° la durée d'occupation du travailleur mis au travail en qualité de chômeur mis au travail dans le Cadre temporaire spécial, le Troisième circuit de travail, le Fonds budgétaire interdépartemental, le Programme pour la promotion de l'emploi dans le secteur non marchand ou en qualité de contractuel subventionné;
  2° la durée d'occupation en qualité de stagiaire, telle que prévue par l'arrêté royal n° 230 relatif au stage et à l'insertion professionnelle des jeunes;
  3° la durée d'occupation en qualité de travailleur mis au travail en vertu de l'article 60, § 7 de la loi organique du 8 juillet 1976 relative aux centres publics d'aide sociale;
  4° la période pendant laquelle le demandeur d'emploi a bénéficié du minimum de moyens d'existence;
  5° le stage tel que prévu à l'article 36 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
  6° le stage tel que prévu à l'article 35, §§ 1er et 3 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, dans le cas tel que visé à l'article 39 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage;
  7° la période de chômage qui n'est pas indemnisée en application des articles 80 à 88 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage.
  8° la durée d'occupation du travailleur mis au travail dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 juin 1997 harmonisant les divers régimes de projets d'expérience professionnelle.
  § 3. Le Gouvernement flamand peut limiter ou étendre le domaine d'application à d'autres catégories de travailleurs, en fonction de l'évolution du marché de l'emploi.
  Le Gouvernement flamand peut fixer des périodes assimilées aux périodes visées au § 1 du présent article." )
Art.3. De in dit besluit bedoelde arbeidsplaatsen mogen niet leiden tot de afschaffing van andere betrekkingen die door dezelfde werkgever zijn opgericht of door dezelfde overheid zijn gesubsidieerd.
Art.3. Les emplois visés par le présent arrêté ne peuvent entraîner la suppression d'autres emplois créés par le même employeur ou subventionnés par la même autorité publique.
Art.4. Wanneer de diensten voor arbeidsbemiddeling van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening één van de in artikel 2 bedoelde arbeidsplaatsen, die niet in een ontwikkelingsland te begeven zijn, aan een werkloze aanbieden, is deze ertoe gehouden ze te aanvaarden, op straffe van uitsluiting van het genot van werkloosheidsuitkeringen overeenkomstig de bepalingen van titel III, hoofdstuk 1, afdeling 2 van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid.
  De in het eerste lid bepaalde sanctie wordt toegepast door de inspecteur van het gewestelijk werkloosheidsbureau. Tegen die beslissingen kunnen dezelfde beroepen worden ingesteld als deze die inzake werkloosheidsreglementering voorzien zijn.
Art.4. Lorsque les services de placement de l'Office national de l'Emploi offrent un des emplois visés à l'article 2 autres que dans un pays en voie de développement à un chômeur, celui-ci est tenu de l'accepter sous peine d'être exclu du bénéfice des allocations de chômage, conformément aux dispositions du titre III, chapitre 1er, section 2, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage.
  La sanction prévue à l'alinéa 1er est appliquée par l'inspecteur du bureau régional du chômage. Ces décisions sont susceptibles des mêmes recours que ceux prévus par la réglementation en matière de chômage.
HOOFDSTUK II - Interdepartementaal Begrotingsfonds ter bevordering van de werkgelegenheid.
CHAPITRE II - Fonds budgétaire interdépartemental de promotion de l'emploi.
HOOFDSTUK II -VLAAMS_GEWEST.
CHAPITRE II -REGION_FLAMANDE.
Afdeling 1. - Oprichting en taak.
Section première. - Création et mission.
Afdeling 1. VLAAMS_GEWEST.
Section première. REGION_FLAMANDE.
Art.5. <W 1989-07-06/31, art. 1, 007; Inwerkingtreding : 07-08-1989> Bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid wordt (voor onbebaalde tijd) een interdepartementaal Begrotingsfonds ter bevordering van de werkgelegenheid opgericht. De Koning kan deze datum verlengen bij in Ministerraad overlegd besluit. <KB 1998-07-06/34, art. 1, 019; Inwerkingtreding : 01-07-1998> <KB 2000-06-28/33, art. 1, 021; Inwerkingtreding : 01-07-2000>
Art.5. <L 2001-07-13/35, art. 56, 023; En vigueur : 01-01-2001> Un Fonds budgétaire interdépartemental de promotion de l'emploi est institué au sein du Ministère de l'Emploi et du Travail.
Art. 5bis. Wat het Waalse Gewest betreft, wordt bij de diensten van de Executieve tot (30 juni 1996) een interdepartementaal budgettair Fonds ter bevordering van de werkgelegenheid opgericht.
Art. 5bis. Pour ce qui concerne la Région wallonne, il est institué auprès des services de l'Exécutif, jusqu'au (30 juin 1996), un Fonds budgétaire interdépartemental de promotion de l'emploi.
Art. 5ter. <INGEVOEGD bij ORD 1990-12-20/35, art. 2; Inwerkingtreding : 01-07-1990> Bij het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest wordt (tot 31 december 2002), een Interdepartementaal begrotingsfonds ter bevordering van de werkgelegenheid opgericht.
Art. 5ter. Il est institué auprès de la Région de Bruxelles-Capitale, (jusqu'au 31 décembre 2002), Un Fonds budgetaire interdépartemental de promotion de l'emploi.
Art.6. De taak van het Fonds is het scheppen van arbeidsplaatsen in de niet-commerciële sector aan te moedigen door tegemoet te komen in de financiering van die arbeidsplaatsen.
  De tegemoetkomingen van het Fonds kunnen alleen maar verleend worden voor nieuwe arbeidsplaatsen die in aanmerking komen voor een subsidie krachtens wetten, decreten en besluiten.
  Het jaarbedrag van de tussenkomst van het Fonds, per voltijdse arbeidsvoorziening en werkloosheid, die aan één van de effektief voor dezelfde arbeidsplaats uitbetaalde subsidie, noch dan de gemiddelde jaarlijkse kostprijs van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, bepaald door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  (Wat betreft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, wordt het jaarbedrag van de tussenkomst van het Fonds vanaf 1 januari 1997 op F 610.000 vastgesteld)
  (NOTA : Artikel 6 geldig voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest :
  Art. 6. <KBN255 1983-12-31/50, art. 2, 002> De taak van het Fonds is het scheppen van arbeidsplaatsen in de niet-commerciële sector aan te moedigen door tegemoet te komen in de financiering van die arbeidsplaatsen.
  De tegemoetkomingen van het Fonds kunnen alleen maar verleend worden voor nieuwe arbeidsplaatsen die in aanmerking komen voor een subsidie krachtens wetten, decreten en besluiten.
  Het jaarbedrag van de tussenkomst van het Fonds, per voltijdse arbeidsvoorziening en werkloosheid, die aan één van de effektief voor dezelfde arbeidsplaats uitbetaalde subsidie, noch dan de gemiddelde jaarlijkse kostprijs van een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze, bepaald door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  (Wat betreft de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, wordt het jaarbedrag van de tussenkomst van het Fonds vanaf 1 januari 1997 op (15 150 EUR)
vastgesteld) )
Art.6. Le Fonds a pour mission d'encourager la création d'emplois dans le secteur non-marchand par des interventions dans leur financement.
  Les interventions du Fonds ne peuvent être accordées que pour des nouveaux emplois pouvant bénéficier d'une subvention en exécution de lois, décrets ou arrêtés.
  Le montant annuel de l'intervention du Fonds par emploi à temps plein ne peut dépasser ni le montant annuel de la subvention effectivement payée pour le même emploi, ni le coût annuel moyen d'un chômeur complet indemnisé déterminé par le Ministre de l'Emploi et du Travail.
  (En ce qui concerne la Région de Bruxelles-Capitale, le montant annuel de l'intervention du Fonds est fixé à F 610.000 à dater du 1er janvier 1997).
  (NOTE : Article 6 valable pour la Région de Bruxelles-Capitale :
  Art. 6. Le Fonds a pour mission d'encourager la création d'emplois dans le secteur non-marchand par des interventions dans leur financement.
  Les interventions du Fonds ne peuvent être accordées que pour des nouveaux emplois pouvant bénéficier d'une subvention en exécution de lois, décrets ou arrêtés.
  Le montant annuel de l'intervention du Fonds par emploi à temps plein ne peut dépasser ni le montant annuel de la subvention effectivement payée pour le même emploi, ni le coût annuel moyen d'un chômeur complet indemnisé déterminé par le Ministre de l'Emploi et du Travail.
  (En ce qui concerne la Région de Bruxelles-Capitale, le montant annuel de l'intervention du Fonds est fixé à (15 150 EUR) à dater du 1er janvier 1997). )
Afdeling 2. - Toepassingsgebied.
Section 2. - Champ d'application.
Afdeling 2. VLAAMS_GEWEST.
Section 2. REGION_FLAMANDE.
Art.7. Mogen de tussenkomst van het Fonds vragen, de Staat, de Gemeenteschappen en de Gewesten.
  De onderwijssector behoort niet tot het domein van deze tussenkomsten.
Art.7. Peuvent demander l'intervention du Fonds, l'Etat, les Communautés et les Régions.
  Le secteur de l'enseignement est exclu du domaine de ces interventions.
Afdeling 3. - Voorwaarden voor de goedkeuring van de aanvragen om tegemoetkoming van het Fonds.
Section 3. - Conditions d'approbation des demandes d'intervention du Fonds.
Afdeling 3. VLAAMS_GEWEST.
Section 3. REGION_FLAMANDE.
Art.8. De aanvragen om tegemoetkoming van het Fonds ingediend ingevolge dit besluit kunnen alleen worden goedgekeurd indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
  1° de nieuwe arbeidsplaatsen moeten van die aard zijn dat zij, ofwel in België, ofwel in een ontwikkelingsland, de diensten verbeteren waarvoor de aanvragers bevoegd zijn;
  2° de werkgever dient, in voorkomend geval, vooraf het vereiste aantal stagiaires en jeugdige werknemers ter vervanging van brug-gepensioneerde werknemers tewerk te stellen, overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk III van de wet ven 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 19677-1978;
  3° de werklozen dienen diploma's en kwalificaties te bezitten die nodig zijn om de arbeidsplaats te bekleden;
  4° de werklozen worden verbonden door een voor voltijdse of deeltijdse arbeid gesloten arbeidsovereenkomst en blijven niet langer ingeschreven op de lijsten van de werkzoekenden van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening;
  5° de werknemers worden door de werkgever die hen tewerkstelt betaald volgens de gewone loonschaal die voor de functie geldt; de loonsverhogingen worden naargelang van het verloop van de loopbaan toegepast.
Art.8. Les demandes d'intervention du Fonds introduites en application du présent arrêté ne peuvent être approuvées que si les conditions suivantes sont remplies :
  1° les nouveaux emplois doivent être de nature à améliorer, soit en Belgique, soit dans un pays en voie de développement, les services pour lesquels les demandeurs sont compétents;
  2° l'employeur doit, le cas échéant, occuper préalablement le nombre requis de stagiaires et de jeunes travailleurs en remplacement des travailleurs prépensionnés, conformément aux dispositions des sections 1 et 2 du chapitre III de la loi du 22 décembre 1977 relatives aux propositions budgétaires 1977-1978;
  3° les chômeurs doivent posséder les diplômes et qualifications requis pour occuper l'emploi;
  4° les chômeurs seront engagés dans les liens d'un contrat de travail conclu pour un travail à temps plein ou à temps partiel et cessent d'être inscrits sur les listés des demandeurs d'emploi de l'Office national de l'Emploi;
  5° les travailleurs seront rémunérés par l'employeur qui les occupe au barême ordinaire de la fonction; les augmentations barémiques seront d'application au fur et à mesure du déroulement de la carrière.
Afdeling 4. - Werkwijze.
Section 4. - Fonctionnement.
Afdeling 4. VLAAMS_GEWEST.
Section 4. REGION_FLAMANDE.
Art.9. De toekenning van de tegemoetkomingen van het Fonds wordt geregeld in een overeenkomst tussen het aanvragend ministerieel departement of de gewest- of gemeenschapsexecutieve en Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid.
  De overeenkomst omvat onder meer de gedetailleerde verantwoording van de op te richten arbeidsplaatsen met inachtneming van de in artikel 8 en in hoofdstuk I op gesomde voorwaarden; zij betreft het geheel van de door de werkgever op de richten arbeidsplaatsen en vermeldt het artikel of de artikelen van de begroting van de aanvrager die door de tegemoetkoming van het Fonds zullen gestijfd worden.
Art.9. L'octroi des interventions du Fonds fait l'objet d'une convention entre le département ministériel ou l'Exécutif régional ou communautaire demandeur et Notre Ministre de l'Emploi et du Travail.
  La convention contiendra notamment la justification détaillée des emplois à créer eu égard aux conditions énumérées à l'article 8 et au chapitre Ier; elle visera l'ensemble des emplois à créer par l'employeur et indiquera le ou les articles du budget du demandeur qui seront alimentés par les interventions du Fonds.
Art.10. De tegemoetkoming van het Fonds hangt af van het behoud door de aanvrager van het normale peil der subsidies die bestem zijn om de activiteiten te financieren waarvoor die tegemoetkoming is aangevraagd.
Art.10. L'intervention du Fonds est subordonnée au maintien par le demandeur du niveau normal des subventions destinées à financer les activités pour lesquelles cette intervention est demandée.
Art.11. De tegemoetkoming van het Fonds worden berekend op grond van een arbeidsplaats die gedurende één jaar voltijds bekleed wordt.
  De voltijdse arbeidsplaats kan in deeltijdse arbeidsplaatsen gesplitst worden.
  Wanneer de arbeidsplaats niet gedurende een heel jaar bekleed wordt, worden de tegemoetkomingen verhoudingswijze beperkt.
Art.11. Les interventions du Fonds sont calculées sur la base d'un emploi occupé à temps plein pendant un an.
  L'emploi à temps plein peut être scindé en emplois à temps partiel.
  Si l'emploi n'est pas occupé pendant une année entière, les interventions sont limitées proportionnellement.
Art.12. De Koning bepaalt bij in Ministerraad overlegd besluit, de procedure van indiening en onderzoek van de aanvragen. Hij bepaalt de modaliteiten en de duur van de uitbetaling van de tegemoetkomingen van het Fonds, legt de procedure vast voor het controleren van de besteding van de tegemoetkomingen en bepaalt welke maatregelen inzake schorsing en recuperatie van de tegemoetkomingen van toepassing zijn bij niet inachtneming van de in artikel 9 bedoelde overeenkomst en van de voorwaarden betreffende de goedkeuring van de aanvragen.
  De Koning mag eveneens voorrangsregels opstellen voor de gesubsidieerde arbeidsplaatsen.
Art.12. Le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des Ministre, détermine la procédure d'introduction et d'instruction des demandes. Il fixe les modalité et la durée de liquidation des interventions des Fonds, détermine la procédure de contrôle de l'affectation des interventions et arrête les mesures de suspension et de récupération des interventions en cas de non-respect de la convention visée à l'article 9 et des conditions d'approbation des demandes.
  Le Roi peut également établir des règles de priorités parmi les emplois subventionnés.
(Afdeling 5. Bijzondere bepalingen van toepassing op de sociale sector.)
(Section 5. Dispositions particulières applicables au secteur social.)
Art. 12bis. <W 1989-07-06/31, art. 2, 007; Inwerkingtreding : 07-08-1989> Voor de toepassing van deze afdeling wordt het begrip " sociale sector " beperkt tot de erkende of gesubsidieerde ziekenhuizen zonder winstoogmerk.
Art. 12bis. <L 1989-07-06/31, art. 2, 007; En vigueur : 07-08-1989> Pour l'application de la présente section, la notion de " secteur social " est limitée aux hôpitaux sans but lucratif agréés ou subventionnés.
Art. 12ter. Om de tussenkomst van het Fonds te verkrijgen, moet de in artikel 9 bedoelde overeenkomst bepalen dat in de categorie van instellingen en diensten voorzien in artikel 12bis, volgende voorwaarden worden gerealiseerd :
  1° de realisatie van 1 tot 2 percent netto-bijkomende indienstnemingen en de bevordering van de deeltijdse arbeid zodat het globaal resultaat in de categorie van instellingen en diensten gelijkwaardig is aan de inspanningen bedoeld in het koninklijk besluit van 2 augustus 1985 houdende maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector, en het koninklijk besluit van 21 januari 1987 houdende nieuwe maatregelen tot bevordering van de tewerkstelling in de non-profitsector.
  De overeenkomst bedoeld bij artikel 9 kan evenwel voorzien vanaf welk percentage halftijdse betrekkingen de instellingen of diensten geacht worden aan de voorwaarde inzake omvorming van voltijdse naar halftijdse betrekkingen te hebben voldaan.
  2° de arbeidsplaatsen ingenomen door werknemers uit het Bijzonder Tijdelijk Kader en het Derde Arbeidscircuit en door tewerkgestelde werklozen omzetten in een ten minste gelijk aantal arbeidsplaatsen uitgedrukt in voltijdse eenheden die aanleiding geven tot de tussenkomst van het Fonds.
Art. 12ter. Pour que l'intervention du Fonds puisse être obtenue, la convention visée à l'article 9 doit prévoir, dans la catégorie d'institutions et de services visée à l'article 12bis, la réalisation des conditions suivantes :
  1° la réalisation d'une embauche supplémentaire nette de 1 à 2 pourcent et la promotion du travail à temps partiel de telle sorte que le résultat global dans la catégorie d'institutions et de services soit équivalent aux efforts prévus par l'arrêté royal du 2 août 1985 portant des mesures en vue de promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand, et par l'arrêté royal du 21 janvier 1987 portant de nouvelles mesures en vue de promouvoir l'emploi dans le secteur non-marchand.
  La convention prévue à l'article 9 peut cependant prévoir à partir de quel pourcentage d'emplois à mi-temps les institutions et services sont censés avoir rempli la condition de transformation d'emplois à temps plein en emplois à mi-temps.
  2° convertir en un nombre d'emplois au moins égal en équivalents temps plein donnant lieu à l'intervention du Fonds, les emplois occupés par les travailleurs du cadre spécial temporaire et du Troisième Circuit de travail, ainsi que par les chômeurs mis au travail.
Art. 12quater. In afwijking op artikel 2, § 1, mogen maximum één derde van de arbeidsplaatsen voorzien in de overeenkomst worden ingenomen door werklozen die op de dag van hun indienstneming uitkeringsgerechtigd volledig werklozen zijn, sedert minder dan 1 jaar.
Art. 12quater. En dérogation à l'article 2, § 1er, un tiers au maximum des emplois prévus dans la convention peuvent être occupés par des chômeurs qui à la date de leur engagement sont chômeurs complets indemnisés depuis moins d'une année.
Art. 12quinquies. In afwijking op artikel 6, derde lid, mag het jaarbedrag van de gemiddelde tegemoetkoming van het Fonds per voltijdse arbeidsplaats het gemiddeld bedrag vastgelegd in de overeenkomst niet overschrijden. Daarenboven mag het jaarbedrag van de tussenkomst van het Fonds per voltijdse arbeidsplaats niet hoger zijn dan het jaarbedrag van de effectief voor dezelfde arbeidsplaats uitbetaalde subsidie, noch hoger zijn dan 750 000 F.
  De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, dit plafond aanpassen, rekening houdend met de evolutie van de loonkosten.
Art. 12quinquies. En dérogation à l'article 6, alinéa 3, le montant annuel de l'intervention moyenne du Fonds par emploi à temps plein ne peut dépasser le montant moyen fixé dans la convention. En outre le montant annuel de l'intervention du Fonds par emploi à temps plein ne peut dépasser ni le montant annuel de la subvention effectivement payée pour le même emploi, ni 750 000 F.
  Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, adapter ce plafond en tenant compte de l'évolution du coût salarial.
Art. 12sexies. De overeenkomsten bedoeld bij artikel 9 en die betrekking hebben op deze afdeling worden goedgekeurd op voorstel van de interministeriële commissie bedoeld bij artikel 17, derde lid.
  Zij moeten daarenboven voorzien in :
  1° hetzij het aantal in halftijdse betrekkingen om te vormen voltijdse betrekkingen, hetzij het behoud van ten minste het bestaand aantal halftijdse betrekkingen;
  2° de netto-bijkomende indienstnemingen uitgedrukt in halftijdse betrekkingen;
  3° het aantal arbeidsplaatsen, dat wordt ingenomen door werknemers uit het Bijzonder Tijdelijk Kader, het Derde Arbeidscircuit en door tewerkgestelde werklozen en dat moet worden omgezet in arbeidsplaatsen die aanleiding geven tot tussenkomst van het Fonds;
  4° de regels volgens dewelke werknemers van het Bijzonder Tijdelijk Kader en van het Derde Arbeidscircuit nog kunnen in dienst genomen worden binnen de sector;
  5° de gemiddelde tegemoetkoming van het Fonds per voltijdse arbeidsplaats;
  6° de controlemodaliteiten op de naleving van de verplichtingen vervat in de overeenkomst.
Art. 12sexies. Les conventions prévues à l'article 9 et se rapportant à la présente section sont approuvées sur proposition de la commission interministérielle visée à l'article 17, alinéa 3.
  Elles doivent en outre prévoir :
  1° soit le nombre d'emplois à temps plein à convertir en emplois à mi-temps, soit le maintien d'au moins le nombre existant d'emplois à mi-temps;
  2° l'embauche nette supplémentaire exprimée en emplois à mi-temps;
  3° le nombre d'emplois occupés par les travailleurs du Cadre spécial temporaire, du Troisième Circuit de travail et par les chômeurs mis au travail à convertir en emplois donnant lieu à l'intervention du Fonds;
  4° les règles selon lesquelles des travailleurs du Cadre spécial temporaire et du Troisième Circuit du travail peuvent encore être engagés dans le secteur;
  5° l'intervention moyenne du Fonds par emploi à temps plein;
  6° les modalités de contrôle du respect des obligations contenues dans la convention.
Art. 12septies. De categorieën van instellingen en diensten waarvoor een overeenkomst werd gesloten zijn uitgesloten van het voordeel van de bepalingen van het koninklijk besluit nr. 474 van 28 oktober 1986 tot opzetting van een stelsel van door de Staat gesubsidieerde contractuelen bij sommige plaatselijke besturen.
Art. 12septies. Les catégories d'institutions et de services pour lesquelles une convention a été conclue sont exclus du bénéfice des dispositions de l'arrêté royal n° 474 du 28 octobre 1986 portant création d'un régime de contractuels subventionnés par l'Etat auprès de certains pouvoirs locaux.
HOOFDSTUK III. - Derde Arbeidscircuit.
CHAPITRE III. - Troisième circuit de travail.
HOOFDSTUK III. VLAAMS_GEWEST.
CHAPITRE III. REGION_FLAMANDE.
Afdeling 1. - Toepassingsgebied.
Section première. - Champ d'application.
Afdeling 1. VLAAMS_GEWEST.
Section première. REGION_FLAMANDE.
Art.13. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) De activiteiten die kunnen worden verricht in uitvoering van dit hoofdstuk, moeten onder de niet-commerciële sector ressorteren en moeten bij voorrang de aanwerving mogelijk maken van structurele werklozen die gedomicileerd zijn in het bevoegdheidsgebied van de subregionale tewerkstellingsdienst waaronder de werkgever ressorteert.
  Het Derde Arbeidscircuit mag niet tot gevolg hebben arbeidsplaatsen te scheppen die krachtens een wet, een dekreet of een besluit een subsidie kunnen genieten. Bovendien mag de werkgever, tijdens de drie jaren die de aanvraag voorafgaan, het gemiddelde aantal bestaande personeelsleden, met inbegrip van de werklozen die door de overheid tewerkgesteld zijn met toepassing van de bepalingen van titel III, hoofdstuk 1, afdeling 4, van het koninklijk besluit van 20 december 1963 betreffende arbeidsvoorziening en werkloosheid, niet verminderd hebben en moet de werkgever zich ertoe verbinden dit aantal te behouden.
  Volgens de modaliteiten die de Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, kunnen de activiteiten verwezenlijkt in uitvoering van dit hoofdstuk aanleiding geven tot vergoeding vanwege de derden-gebruikers.
Art.13. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Les activités pouvant être accomplies en exécution du présent chapitre doivent relever du secteur non-marchand et permettre en priorité l'engagement de chômeurs structurels domiciliés dans le ressort du service subrégional de l'emploi dont relève l'employeur.
  Le Troisième circuit de travail ne peut avoir pour effet de créer des emplois pouvant bénéficier d'une subvention en exécution d'une loi, d'un décret ou d'un arrêté. En outre, l'employeur ne peut avoir réduit le nombre moyen des membres du personnel existant, en ce compris les chômeurs occupés par les pouvoirs publics en application des dispositions du titre III, chapitre Ier, section 4, de l'arrêté royal du 20 décembre 1963 relatif à l'emploi et au chômage, au cours des trois années qui précèdent la demande, et l'engagement doit être pris par l'employeur de maintenir ce nombre.
  Selon les modalités que le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les activités accomplies en exécution du présent chapitre peuvent donner lieu à rétribution de la part des tiers utilisateurs.
Art.14. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) Werkgevers kunnen zijn :
  1° de kerkfabrieken en andere instellingen belast met het beheer van de goederen die voor de erkende erediensten worden gebruikt;
  2° de polders en wateringen;
  3° de rechtsverenigingen van personen zonder winstoogmerk, behalve diegene waarbij de plaatselijke overheid een overwegende rol speelt in de oprichting of de leiding ervan;
  4° de feitelijke verenigingen van personen die geen enkel winstoogmerk nastreven.
  De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, het Derde Arbeidscircuit toepasselijk verklaren voor andere categorieën van werkgevers, hetzij gewoonweg hetzij volgens de voorwaarden die Hij bepaalt.
  Hij kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, sommige categorieën van werkgevers aan de toepassing van het Derde Arbeidscircuit onttrekken of deze toepassing afhankelijk stellen van bijzondere voorwaarden die Hij bepaalt.
Art.14. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Les employeurs peuvent être :
  1° les fabriques d'église et autres institutions chargées de la gestion des biens affectés aux cultes reconnus;
  2° les polders et wateringues;
  3° les associations de personnes de droit qui ne poursuivent aucun but lucratif, sauf celles dans la création ou la direction desquelles le pouvoir public local est prépondérant;
  4° les associations de personnes de fait qui ne poursuivent aucun but lucratif.
  Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, le Roi peut étendre l'application du Troisième circuit de travail, soit purement et simplement, soit dans les conditions qu'Il détermine, à d'autres catégories d'employeurs.
  Par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, Il peut aussi soustraire à l'application du Troisième circuit de travail certaines catégories d'employeurs ou soumettre cette application à des conditions spéciales qu'Il détermine.
Afdeling 2. - Staatstussenkomst.
Section 2. - Intervention de l'Etat.
Afdeling 2. VLAAMS_GEWEST.
Section 2. REGION_FLAMANDE.
Art.15. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG)
  De Staat neemt de lonen en de desbetreffende sociale lasten op zich van de werknemers die in het Derde Arbeidscircuit zijn tewerkgesteld, met aftrek van de volgende dagbedragen, vastgesteld op datum van 1 juli 1986 en die op dezelfde wijze en in dezelfde mate evolueren als het loon :
  1° niveau 1 : 177 frank;
  2° niveau 2 : 134 frank;
  3° niveau 3 : 126 frank;
  4° niveau 4 : 117 frank.
  De voormelde bedragen zijn vastgesteld op basis van een arbeidsstelsel van vijf dagen per week. Indien het arbeidsstelsel zes dagen per week bedraagt, worden ze gedeeld door 1,2.
  In geval van deeltijdse tewerkstelling worden die bedragen verhoudingsgewijs verminderd.
  Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° loon :
  a) het loon in geld waarop de werknemer ingevolge zijn dienstbetrekking recht heeft, overeenkomstig de bepalingen van artikel 21, met uitzondering van de vergoedingen wegens beëindiging van de overeenkomst;
  b) het vakantiegeld dat toegekend wordt door of in uitvoering van de op 28 juni 1971 gecoördineerde wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers of door de collectieve arbeidsovereenkomsten, die gesloten worden in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard zijn bij koninklijk besluit;
  c) inzake de transportkosten, de financiële voordelen bepaald door of in uitvoering van de wet van 27 juni 1962 tot vaststelling van een werkgeversbijdrage in het verlies geleden door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen ingevolge de uitgifte van abonnementen voor werklieden en bedienden, of door de collectieve arbeidsovereenkomsten die gesloten worden in de Nationale Arbeidsraad en algemeen verbindend verklaard zijn bij koninklijk besluit.
  2° sociale bijdragen :
  a) de bijdragen van de werkgevers voor het geheel van de stelsels van de sociale zekerheid, zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en, in voorkomend geval, de werkgeversbijdragen verschuldigd krachtens de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden of van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij, of de werkgeversbijdragen voor het geheel van de stelsels van de sociale zekerheid, zoals bedoeld in artikel 12 van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid;
  b) de premies en de bijdragen voor de verzekering tegen arbeidsongevallen, bedoeld in de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971;
  c) de solidariteitsbijdragen [1 voor Fedris]1, zoals bedoeld in de wetten betreffende schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970.
  
Art.15. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW)
  L'Etat prend en charge les rémunérations et les cotisations sociales y afférentes des travailleurs engagés dans le Troisième circuit de travail, sous déduction des montants journaliers suivants, fixés à la date du 1er juillet 1986 et qui évoluent de la même manière et dans la même mesure que la rémunération :
  1° niveau 1 : 177 francs;
  2° niveau 2 : 134 francs;
  3° niveau 3 : 126 francs;
  4° niveau 4 : 117 francs.
  Les montants mentionnés ci-dessus sont établis sur la base d'un régime de travail de cinq jours par semaine. Lorsque le régime de travail est de six jours par semaine, ils sont divisés par 1,2.
  Ces montants sont réduits proportionnellement en cas d'occupation à temps partiel.
  Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
  1° rémunération :
  a) la rémunération en espèces à laquelle le travailleur a droit en raison de son engagement, selon les dispositions de l'article 21, à l'exception des indemnités de rupture du contrat;
  b) les pécules de vacances accordés par ou en exécution des lois relatives aux vacances annuelles des travailleurs salariés, coordonnées le 28 juin 1971, ou par des conventions collectives de travail conclues au sein du Conseil national du travail et rendues obligatoires par arrêté royal;
  c) en matière de frais de transport, les avantages financiers prévus par ou en exécution de la loi du 27 juillet 1962 établissant une intervention des employeurs dans la perte subie par la Société nationale des Chemins de fer belges par l'émission d'abonnements pour ouvriers et employés, ou par des conventions collectives de travail conclues au sein du Conseil national du travail et rendues obligatoires par arrêté royal.
  2° cotisations sociales :
  a) les cotisations des employeurs pour l'ensemble des régimes de sécurité sociale, visés à l'article 5 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs salariés, et, s'il y a lieu, les cotisations des employeurs dues en vertu de l'arrêté-loi du 10 janvier 1945 concernant la sécurité sociale des ouvriers mineurs et assimilés ou de l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande, ou les cotisations des employeurs pour l'ensemble des régimes de sécurité sociale, visés à l'article 12 de la loi du 17 juillet 1963 relative à la sécurité sociale d'outre-mer;
  b) les primes et cotisations d'assurances contre les accidents du travail, visées par la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail;
  c) les cotisations de solidarité [1 à Fedris]1, visées par les lois relatives à la réparation des dommages résultant des maladies professionnelles, coordonnées le 3 juin 1970.
  
Art.16. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) Voor de activiteiten die Hij bepaalt, stelt de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, de voorwaarden vast waarin de Staat de lonen en de desbetreffende sociale lasten op zich neemt van de werknemers die, tegen vergoeding, aan bepaalde categorieën van derden-gebruikers ter beschikking worden gesteld.
  In de bij artikel 13, derde lid, bedoelde gevallen wordt de aan de derden-gebruikers opgelegde vergoeding, geheel of gedeeltelijk, door de werkgever aan [1 het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 doorbetaald. In dat geval is de werkgever ontslagen van de verplichting tot het betalen van de bedragen bepaald door artikel 15, eerste, tweede en derde lid.
  
Art.16. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Pour les activités qu'Il fixe, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les conditions dans lesquelles l'Etat prend en charge les rémunérations et les cotisations sociales y afférentes des travailleurs qui sont mis, moyennant rétribution, à la disposition de certaines catégories de tiers utilisateurs.
  Dans les cas visés à l'article 13, alinéa 3, la rétribution imposée aux tiers utilisateurs est rétrocédée, en tout ou en partie, par l'employeur à [1 la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie"]1. Dans ce cas, l'employeur est dispensé de l'obligation de payer les montants prévus à l'article 15, alinéas 1er, 2 et 3.
  
Art. 16bis. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) (abrogé implicitement)
Afdeling 3. - Organisatie.
Section 3. - Organisation.
Afdeling 3. VLAAMS_GEWEST.
Section 3. REGION_FLAMANDE.
Art.17. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG)
  [1 Het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 betaalt het geheel van het loon en de desbetreffende sociale lasten.
  Elk trimester vordert [1 het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 van de werkgever de bedragen terug die voorzien zijn in artikel 15, eerste, tweede en derde lid, of vastgesteld zijn krachtens artikel 16 en die betrekking hebben op het vorige trimester. De werkgever betaalt deze bedragen aan [1 het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 terug in de loop van de maand die volgt op de datum van verzending van de vordering tot terugbetaling.
  Nochtans kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van betaling van de in artikel 15, eerste, tweede en derde lid, voorziene bedragen door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Minister van Begroting, op voorstel van een interministeriële commissie waarvan de samenstelling bepaald wordt door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, worden toegekend aan de werkgevers die het bewijs leveren van hun onmogelijkheid om deze bedragen te betalen en waarvan de activiteiten een sociaal nut hebben of zich richten tot een bijzonder kansarm publiek en aan de werkgevers die uitkeringsgerechtigde volledig werklozen aanwerven wier werkloosheidsduur hoger ligt dan de gemiddelde werkloosheidsduur per leeftijd en per geslacht in het ambtsgebied van het gewestelijk werkloosheidsbureau waarvan zij afhangen en voor zover deze duur hoger ligt dan zesendertig maanden.
  De Ministers bepalen wat er moet verstaan worden onder activiteiten van sociaal nut en onder activiteiten die zich richten tot een bijzonder kansarm publiek.
  In verband met de vervulling van de verplichtingen die ingevolge de bepalingen betreffende de sociale zekerheid der werknemers, inclusief de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, op de werkgever rusten, inzonderheid inzake bijdragen en aansluiting, of met toepassing van de beschikkingen betreffende de inkomstenbelasting, geldt dat [1 het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 wordt beschouwd als de werkgever van de werknemers die in dienst worden genomen krachtens dit hoofdstuk.
  
Art.17. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW)
  [1 La "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie"]1 paie la totalité de la rémunération et des cotisations sociales y afférentes.
  Chaque trimestre, [1 la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie"]1 réclame à l'employeur les montants relatifs au trimestre précédent, prévus à l'article 15, alinéas 1er, 2 et 3, ou fixés en vertu de l'article 16. L'employeur rembourse ces montants à [1 la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie"]1 au cours du mois qui suit la date d'envoi de la demande de remboursement.
  Toutefois, une dispense totale ou partielle de paiement des montants prévus à l'article 15, alinéas 1er, 2 et 3, peut être accordée par le Ministre de l'Emploi et du Travail et le Ministre du Budget, sur proposition d'une commission interministérielle dont la composition est fixée par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, aux employeurs qui fournissent la preuve de leur impossibilité de payer ces montants et dont les activités sont d'utilité sociale ou s'adressent à un public particulièrement défavorisé et aux employeurs qui engagent des chômeurs complets indemnisés dont la durée de chômage est supérieure à la durée moyenne du chômage par âge et par sexe dans le ressort du bureau régional du chômage dont ils dépendent, pour autant que cette durée soit supérieure à trente-six mois.
  Les Ministres définissent ce qu'il y a lieu d'entendre par activités d'utilité sociale et par activités s'adressant à un public particulièrement défavorisé.
  Pour ce qui est de l'accomplissement des obligations qui incombent à l'employeur en application des dispositions concernant la sécurité sociale des travailleurs, en ce compris les accidents du travail et les maladies professionnelles, notamment en matière de cotisations et d'affiliation, ou en application des dispositions relatives à l'impôt sur les revenus, [1 la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie"]1 est réputé employeur des travailleurs engagés en application des dispositions du présent chapitre.
  
Art.18. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de procedure voor de indiening en het onderzoek en ook de voorwaarden voor de goedkeuring van de aanvragen, ingediend overeenkomstig dit hoofdstuk. Bij de procedure van onderzoek worden de subregionale tewerkstellingscomités geraadpleegd en brengen zij een advies uit.
  De aanvragen worden goedgekeurd door de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Minister van Begroting, op voorstel van de interministeriële commissie bedoeld bij artikel 17, derde lid. Zij motiveren hun beslissing ingeval die niet overeenstemt met het advies bedoeld in het eerste lid. De Executieven worden betrokken bij de goedkeuring van de aanvragen.
Art.18. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, la procédure d'introduction et d'instruction et les conditions d'approbation des demandes introduites en application du présent chapitre. Au cours de la procédure d'instruction, les comités subrégionaux de l'emploi sont consultés et émettent un avis.
  Les demandes sont approuvées par le Ministre de l'Emploi et du Travail et le Ministre du Budget, sur proposition de la commission interministérielle visée à l'article 17, alinéa 3. Ils motivent leur décision au cas où elle n'est pas conforme à l'avis visé à l'alinéa 1er. Les Exécutifs régionaux sont associés à l'approbation des demandes.
Art.19. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) <NOTA : Bij arrest van 02-02-1989 (B.St. 03-03-1989, p. 3896) heeft het Arbitragehof artikel 4, 2° van de wet van 30 maart 1987 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 1 van de 27 maart 1986 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning vernietigd, voor zover die bepalingen voor het Vlaamse en het Waalse Gewest gelden; het Hof handhaaft definitief de gevolgen van de aldus vernietigde bepalingen ten aanzien van alle overeenkomsten die vóór (03-03-1989) op grond van de aangevochten normen (Art. 19, 20, derde lid en 23) zijn tot stand gekomen>
   De diensten voor arbeidsbemiddeling van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening dragen de werknemers voor die in het Derde Arbeidscircuit zullen worden tewerkgesteld, rekening houdend met de structuur van de langdurige werkloosheid in het ambtsgebied van elke subregionale tewerkstellingsdienst.
Art.19. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW)
   Les services de placement de l'Office national de l'emploi présentent les travailleurs à occuper dans le Troisième circuit de travail, en tenant compte de la structure du chômage de longue durée dans le ressort de chaque service subrégional de l'emploi.
Afdeling 4. - Toestand van de werknemers.
Section 4. - Situation des travailleurs.
Afdeling 4. VLAAMS_GEWEST.
Section 4. REGION_FLAMANDE.
Art.20. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) De werknemer die wordt tewerkgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk is verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
  Onder voorbehoud van de in dit hoofdstuk bepaalde afwijkingen, zijn de bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten toepasselijk.
  
  [1 De leidend ambtenaar van het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 of zijn afgevaardigde keurt de arbeidsovereenkomsten goed die worden gesloten in overeenstemming met de goedgekeurde aanvragen nadat de directeur van de subregionale tewerkstellingsdienst heeft nagegaan of de werknemers de aanwervingsvoorwaarden vervullen.
  
Art.20. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Le travailleur occupé en application des dispositions du présent chapitre est engagé dans les liens d'un contrat de travail conclu pour une durée indéterminée.
  Sous réserve des dérogations prévues par le présent chapitre, les dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail sont applicables.
  
  [1 Le fonctionnaire dirigeant de la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie"]1 ou son délégué approuve les contrats de travail conclus conformément aux demandes approuvées, le directeur du service subrégional de l'emploi ayant vérifié si les travailleurs remplissent les conditions d'engagement.
  
Art.21. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) De werknemer, in dienst genomen krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk, wordt bezoldigd volgens de weddeschaal verbonden aan de graad van een Rijksambtenaar die eenzelfde of gelijkaardige functie uitoefent; dit loon wordt met 10 pct. verminderd indien de betrokkene een functie van niveau 1 bekleedt.
  Om een functie uit te oefenen moet de werknemer het diploma, getuigschrift of brevet bezitten dat zou vereist zijn indien hij voor die functie was aangeworven als lid van het Rijkspersoneel of blijk kunnen geven van een voldoende ervaring om de arbeidsplaats uit te oefenen.
  In de gevallen, onder de voorwaarden en volgens de regels die de Koning bepaalt, kunnen sommige categorieën van werknemers ten laste van de Staat een bijkomend loon genieten.
  (NOTA : vervangen voor de Vlaamse Gemeenschap bij <span class="domain-tag domain-dvr"><span class="domain-tag domain-dvr"><span class="metadata-tag bg-amber-100 text-amber-800 dark:bg-yellow-900/40 dark:text-yellow-300 px-1 rounded">&lt;DVR 1994-07-06/48, art. 14, Inwerkingtreding : 03-10-1994&gt;</span></span></span>, als volgt : art. 21. De werknemer wordt bezoldigd volgens de weddeschalen die door de Vlaamse regering worden bepaald.
  Om een functie uit te oefenen moet de werknemer, op het ogenblik van zijn inschrijving alswerkzoekende, in het bezit zijn van het diploma, getuigschrift of brevet dat vereist is voor een benoeming in die functie)
.
Art.21. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Le travailleur, engagé en application, des dispositions du présent chapitre, est rémunéré selon l'échelle de traitements attachée au grade d'un agent de l'Etat exerçant la même fonction ou une fonction analogue; cette rémunération est réduite de 10 pct. si l'intéressé occupe une fonction de niveau 1.
  Pour exercer une fonction, le travailleur doit être en possession du diplôme, du certificat ou du brevet qui serait requis s'il était recruté à cette fonction comme membre du personnel de l'Etat, ou justifier d'une expérience suffisante pour l'exercer.
  Dans les cas, aux conditions et selon les modalités que le Roi détermine, certaines catégories de travailleurs peuvent bénéficier, à charge de l'Etat, d'un supplément de rémunération.
  (NOTE : remplacé pour la Communauté flamande par , comme suit : Art. 21. La rémunération des travailleurs se fait suivant les échelles de traitement arrêtées par le Gouvernement flamand.
  Pour exercer une fonction, le travailleur doit être en possession, à l'inscription comme demandeur d'emploi, du diplôme, du certificat ou du brevet requis pour une nomination à cette fonction).
Art.22. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) De krachtens dit hoofdstuk tewerkgestelde werknemer blijft ingeschreven op de lijst der werkzoekenden van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.
  Hij mag afwezig zijn, met behoud van zijn loon, om in te gaan op een werkaanbieding : hij moet, in dit geval, een attest van de werkgever voorleggen waarop het uur van het bezoek wordt vermeld en, in voorkomend geval, tevens de reden van zijn niet-indienstneming.
  Wanneer de werknemer een andere arbeidsplaats gevonden heeft, kan hij een einde maken aan de overeenkomst die hij overeenkomstig dit hoofdstuk uitvoert, op voorwaarde dat hij een opzeggingstermijn van zeven dagen in acht neemt die ingaat de dag volgend op de betekening ervan.
Art.22. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Le travailleur occupé en application du présent chapitre reste inscrit sur les listes des demandeurs d'emploi de l'Office national de l'emploi.
  Il peut s'absenter, avec maintien de sa rémunération, pour répondre à une offre d'emploi : il doit, dans ce cas, produire une attestation de l'employeur indiquant l'heure à laquelle il s'est présenté et, s'il y a lieu, le motif pour lequel il n'a pas été engagé.
  Lorsqu'il a trouvé un autre emploi, le travailleur peut mettre fin au contrat qu'il exécute en application du présent chapitre, moyennant un préavis de sept jours prenant cours le jour suivant la notification.
Afdeling 5. - (Strafbepalingen).
Section 5. - (Dispositions pénales).
Afdeling 5. VLAAMS_GEWEST.
Section 5. REGION_FLAMANDE.
Art.23. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) <NOTA : Bij arrest van 02-02-1989 (B.St. 03-03-1989) heeft het Arbitragehof artikel 4, 2° van de 30 maart 1987 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten uitgevaardigd ter uitvoering van artikel 1 van de wet van 27 maart 1986 tot toekenning van bepaalde bijzondere machten aan de Koning vernietigd, voor zover die bepalingen voor het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest gelden; het Hof handhaaft definitief de gevolgen van de aldus vernietigde bepalingen ten aanzien van alle overeenkomsten die vóór (03-03-1989) op grond van de aangevochten normen (Art. 19, 20, derde lid, en 23) zijn tot stand gekomen.>
  
  Indien de werkgever de werknemers niet tewerkstelt onder de voorwaarden van en voor de taken voorzien in de goedgekeurde aanvraag, kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid de loonlast en de daaraan verbonden sociale bijdragen geheel of gedeeltelijk aan de werkgever opleggen en, zo nodig, doen overgaan tot de invordering die daaruit volgt, overeenkomstig de nadere regels die door de Koning worden bepaald.
  Wanneer de werkgever aan [1 het Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie]1 niet de bedragen terugbetaalt voorzien in artikel 15, eerste, tweede en derde lid, de bedragen vastgesteld krachtens artikel 16, of krachtens artikel 17, derde lid, kan de Minister van Tewerkstelling en Arbeid eveneens de loonlast en de daaraan verbonden sociale lasten geheel of gedeeltelijk aan de werkgever opleggen en doen overgaan tot de invordering van die bedragen overeenkomstig de nadere regels die door de Koning worden bepaald.
  De toepassing van de in het eerste en tweede lid bedoelde maatregelen mag geen afbreuk doen aan de rechten van de werknemer die het gevolg zijn van de uitvoering van de overeenkomsten.
  
Art.23. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW)
  
  Si l'employeur n'occupe pas les travailleurs dans les conditions et aux taches prévues dans la demande approuvée, le Ministre de l'Emploi et du Travail peut transférer à l'employeur tout ou partie de la charge des rémunérations et des cotisations sociales y afférentes et faire procéder, s'il y a lieu, au recouvrement qui en résulte, selon les modalités déterminées par le Roi.
  De même, si l'employeur ne rembourse pas à [1 la "Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie"]1 les montants prévus à l'article 15, alinéas 1er, 2 et 3, les montants fixés en vertu de l'article 16 ou en vertu de l'article 17, alinéa 3, le Ministre de l'Emploi et du Travail peut transférer à l'employeur tout ou partie de la charge des rémunérations et des cotisations sociales y afférentes et faire procéder au recouvrement de ces montants, selon les modalités déterminées par le Roi.
  L'application des mesures prévues aux alinéas 1er et 2 ne peut porter atteinte aux droits des travailleurs qui résultent de l'exécution des contrats.
  
Art.24. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) Onverminderd de bepalingen van de artikelen 269 tot 274 van het Strafwetboek worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één maand en met een geldboete van 26 tot 500 frank of met één van die straffen alleen, de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers die de betaling van de bedragen bepaald door artikel 15, eerste, tweede en derde lid, of vastgesteld krachtens artikel 17, derde lid, of van de doorbetaling vastgesteld krachtens artikel 16, ten laste van hun werknemers leggen. De geldboete is verschuldigd voor elke betrokken werknemer.
Art.24. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Sans préjudice des dispositions des articles 269 à 274 du Code pénal, sont punis d'un emprisonnement de huit jours à un mois et d'une amende de 26 à 500 francs ou d'une de ces peines seulement, l'employeur, ses préposés ou mandataires qui mettent à charge de leurs travailleurs le paiement des montants prévus à l'article 15, alinéas 1er, 2 et 3, ou fixés en vertu de l'article 17, alinéa 3, ou des montants de rétrocession fixés en vertu de l'article 16. L'amende est due pour chaque travailleur concerné.
Afdeling 6. - Toezicht.
Section 6. - Surveillance.
Afdeling 6. VLAAMS_GEWEST.
Section 6. REGION_FLAMANDE.
Art.25. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 2°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) De Koning wijst de ambtenaren aan die erop toezien dat de werkgevers de voorwaarden en de taken naleven die in de goedgekeurde aanvraag zijn bepaald voor de tewerkstelling van de werknemers.
Art.25. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Le Roi désigne les fonctionnaires chargés de surveiller le respect par les employeurs de l'occupation des travailleurs dans les conditions et aux tâches prévues dans la demande approuvée.
HOOFDSTUK IV. - (Overgangs- en slotbepalingen).
CHAPITRE IV. - (Dispositions transitoires et finales).
HOOFDSTUK IV. VLAAMS_GEWEST.
CHAPITRE IV. REGION_FLAMANDE.
Art.26. (NOTA : opgeheven voor het Waalse Gewest bij <DWG 1990-05-31/30, art. 15, 3°, 008; Inwerkingtreding : 16-06-1990>, zie ook art. 18 van hetzelfde DWG) <INGEVOEGD bij KB473 1986-10-28/32, art. 2, 005> Tot ten laatste 30 juni 1987 en op voorwaarde dat zij een opzegging presteren, neemt de Staat, zonder aftrek van de bedragen voorzien in artikel 15, eerste, tweede en derde lid, of de bedragen vastgesteld krachtens artikel 17, derde lid, de lonen en de desbetreffende sociale lasten op zich van de werknemers die vóór 1 januari 1987 in dienst werden genomen door werkgevers die, vanaf die datum, al dan niet begrepen zijn in het toepassingsgebied van dit besluit.
  Tot ten laatste 30 juni 1987 en op voorwaarde dat zij een opzegging presteren, neemt de Staat, met aftrek van de bedragen van de doorbetaling vastgesteld krachtens artikel 16, de lonen en de desbetreffende sociale lasten op zich van de werknemers die vóór 1 januari 1987 in dienst werden genomen door werkgevers die vanaf die datum niet meer begrepen zijn in het toepassingsgebied van dit besluit.
  De Staat neemt, met aftrek van de bedragen voorzien in artikel 15, eerste, tweede en derde lid, de lonen en de desbetreffende sociale lasten op zich van de werknemers die vóór 1 januari 1987 in dienst werden genomen door de provincies en de Commissies voor cultuur van de Brusselse agglomeratie, alsmede de lonen en de desbetreffende sociale lasten van hun vervangers.
Art.26. (NOTE : abrogé pour la Région wallonne par , voir aussi art. 18 de ce même DRW) Jusqu'au 30 juin 1987 au plus tard et à condition qu'ils prestent un préavis, l'Etat prend en charge, sans déduction des montants prévues à l'article 15, alinéas 1er, 2 et 3, ou des montants fixés en vertu de l'article 17, alinéa 3, les rémunérations et les cotisations sociales y afférentes des travailleurs engagés avant le 1er janvier 1987 par des employeurs compris ou non dans le champ d'application du présent arrêté, à partir de cette date.
  Jusqu'au 30 juin 1987 au plus tard et à condition qu'ils prestent un préavis, l'Etat prend en charge, sous déduction des montants de rétrocession fixés en vertu de l'article 16, les rémunérations et les cotisations sociales y afférentes des travailleurs engagés avant le 1er janvier 1987 par des employeurs qui ne sont plus compris dans le champ d'application du présent arrêté, à partir de cette date.
  L'Etat prend en charge, sous déduction des montants prevus à l'article 15, alinéas 1er, 2 et 3, les rémunérations et les cotisations sociales y afférentes des travailleurs qui ont été engagés avant le 1er janvier 1987 par les provinces et les Commissions de la culture de l'agglomération de Bruxelles, de même que celles des remplacants de ces travailleurs.
Art.27. <INGEVOEGD bij KB473 1986-10-28/32, art. 2, 005> Onze Minister van Begroting en Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  ++++++++++
  GEMEENSCHAPPEN EN GEWESTEN
  ==========================
  Art. 27. <INGEVOEGD bij KB473 1986-10-28/32, art. 2, 005> Onze Minister van Begroting en Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
  (Het toezicht en de controle op de naleving door de werkgevers van de voorwaarden en de taken die in de goedgekeurde aanvraag zijn bepaald voor de tewerkstelling van de werknemers geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht.)
  ++++++++++
Art.27. Notre Ministre du Budget et Notre Ministre de l'Emploi et du Travail sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
  ++++++++++++++++++++++
  COMMUNAUTES ET REGIONS
  ======================
  Art. 27. Notre Ministre du Budget et Notre Ministre de l'Emploi et du Travail sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
  (La surveillance et le contrôle du respect, par les employeurs, des conditions et des tâches définies dans la demande approuvée pour la mise au travail des travailleurs s'effectuent conformément aux dispositions du décret relatif au contrôle des lois sociales.)
  ++++++++++++++++++++++