Artikel 1. Omschrijvingen.
Voor de toepassing van dit besluit :
§ 1. Wordt verstaan onder :
"wet" : de wet op de veiligheid der schepen van 5 juni 1972;
"zeevaartinspectiereglement" : het koninklijk besluit houdende zeevaartinspectiereglement van 20 juli 1973, gewijzigd bij koninklijke besluiten van 12 juni 1975, 20 juni 1977, 24 november 1978 en 10 juli 1981;
"gastanker" : een vrachtschip dat is gebouwd of geschikt gemaakt voor het vervoer van vloeibaar gemaakte gassen in bulk;
"voorschriften voor chemicaliëntankers" : het ministerieel besluit van 24 juni 1975 betreffende aanvullende voorschriften voor schepen die gevaarlijke stoffen in bulk vervoeren, gewijzigd bij ministeriële besluiten van 24 september 1976 en 27 september 1979;
"certificaat van geschiktheid" : certificaat van geschiktheid voor het vervoer van vloeibaar gemaakte gassen in bulk.
§ 2. Hebben de woorden "eigenaar", "kapitein", "schip" en "Belgische zeewateren" de betekenis zoals ze is omschreven in artikel 1 van de wet.
§ 3. Hebben de woorden "vrachtschip", "districtshoofd", "goedgekeurd" en "tonnenmaat" de betekenis zoals ze is omschreven in artikel 1 van het zeevaartinspectiereglement.
§ 4. Wordt verstaan onder :
a) een "nieuwe" gastanker : een gastanker :
(i) waarvan het bouwkontrakt is afgesloten na 31 oktober 1976, of
(ii) bij ontstentenis van een bouwkontrakt, waarvan de kiel werd gelegd of waarvan de bouw zich in een soortgelijk stadium bevond na 31 december 1976, of
(iii) waarvan de aflevering plaats had na 30 juni 1980, of
(iv) dat een naar het oordeel van het districtshoofd belangrijke ombouwing heeft ondergaan :
1° waarvoor het kontrakt werd afgesloten na 31 oktober 1976, of
2° bij ontstentenis van een kontrakt, die begonnen is na 31 december 1976, of
3° die voltooid werd na 30 juni 1980;
b) een "bestaande" gastanker : een gastanker geen "nieuwe" gastanker zijnde.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 JULI 1981. - Ministerieel besluit betreffende aanvullende voorschriften voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren.
Titre
17 JUILLET 1981. - Arrêté ministériel portant des règles complémentaires relatives à la construction et à l'équipement des navires transportant des gaz liquéfiés en vrac.
Informations sur le document
Numac: 1981002154
Datum: 1981-07-17
Info du document
Numac: 1981002154
Date: 1981-07-17
Tekst (10)
Texte (10)
Article 1. Définitions.
Pour l'application du présent arrêté :
§ 1. On entend par :
"loi" : la loi du 5 juin 1972 sur la sécurité des navires;
"règlement sur l'inspection maritime" : l'arrêté royal du 20 juillet 1973, portant règlement sur l'inspection maritime, modifié par les arrêtés royaux des 12 juin 1975, 20 juin 1977, 24 novembre 1978 et 10 juillet 1981;
"navire qui transporte des gaz liquéfiés" : un navire de charge construit ou aménagé pour le transport de gaz liquéfiés en vrac;
"prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques" : l'arrêté ministériel du 24 juin 1975 portant des règles complémentaires relatives aux navires transportant des produits dangereux en vrac, modifié par les arrêtés ministériels des 24 septembre 1976 et 27 septembre 1979;
"certificat d'aptitude" : certificat d'aptitude au transport de gaz liquéfiés en vrac.
§ 2. Les termes "propriétaire", "capitaine", "navire" et "eaux maritimes belges" ont la signification telle que définie à l'article 1 de la loi.
§ 3. Les termes "navire de charge", "chef de district", "approuvé" et "jauge" ont la signification telle que définie à l'article 1 du règlement sur l'inspection maritime.
§ 4. On entend par :
a) un navire "neuf" qui transporte des gaz liquéfiés : un navire qui transporte des gaz liquéfiés :
(i) dont le contrat de construction a été passé, après le 31 octobre 1976, ou
(ii) en l'absence d'un contrat de construction, dont la quille est posée ou dont la construction se trouve à un stade équivalent après le 31 décembre 1976, ou
(iii) dont la livraison s'est effectuée après le 30 juin 1980, ou
(iv) qui, de l'avis du chef de district, a subi une transformation importante :
1° dont le contrat a été passé après le 31 octobre 1976, ou
2° en l'absence de tout contrat, dont les travaux ont commencé après le 31 décembre 1976, ou
3° dont l'achèvement s'est situé après le 30 juin 1980;
b) un navire "existant" qui transporte des gaz liquéfiés : tout navire qui transporte des gaz liquéfiés qui n'est pas un navire "neuf" transportant des gaz liquéfiés.
Pour l'application du présent arrêté :
§ 1. On entend par :
"loi" : la loi du 5 juin 1972 sur la sécurité des navires;
"règlement sur l'inspection maritime" : l'arrêté royal du 20 juillet 1973, portant règlement sur l'inspection maritime, modifié par les arrêtés royaux des 12 juin 1975, 20 juin 1977, 24 novembre 1978 et 10 juillet 1981;
"navire qui transporte des gaz liquéfiés" : un navire de charge construit ou aménagé pour le transport de gaz liquéfiés en vrac;
"prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques" : l'arrêté ministériel du 24 juin 1975 portant des règles complémentaires relatives aux navires transportant des produits dangereux en vrac, modifié par les arrêtés ministériels des 24 septembre 1976 et 27 septembre 1979;
"certificat d'aptitude" : certificat d'aptitude au transport de gaz liquéfiés en vrac.
§ 2. Les termes "propriétaire", "capitaine", "navire" et "eaux maritimes belges" ont la signification telle que définie à l'article 1 de la loi.
§ 3. Les termes "navire de charge", "chef de district", "approuvé" et "jauge" ont la signification telle que définie à l'article 1 du règlement sur l'inspection maritime.
§ 4. On entend par :
a) un navire "neuf" qui transporte des gaz liquéfiés : un navire qui transporte des gaz liquéfiés :
(i) dont le contrat de construction a été passé, après le 31 octobre 1976, ou
(ii) en l'absence d'un contrat de construction, dont la quille est posée ou dont la construction se trouve à un stade équivalent après le 31 décembre 1976, ou
(iii) dont la livraison s'est effectuée après le 30 juin 1980, ou
(iv) qui, de l'avis du chef de district, a subi une transformation importante :
1° dont le contrat a été passé après le 31 octobre 1976, ou
2° en l'absence de tout contrat, dont les travaux ont commencé après le 31 décembre 1976, ou
3° dont l'achèvement s'est situé après le 30 juin 1980;
b) un navire "existant" qui transporte des gaz liquéfiés : tout navire qui transporte des gaz liquéfiés qui n'est pas un navire "neuf" transportant des gaz liquéfiés.
Art.2. Toepassing.
§ 1. Onverminderd de bepalingen van het zeevaartinspectiereglement is dit besluit van toepassing op schepen, ongeacht hun tonnenmaat, bestemd of gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakte gassen, waarvan de dampspanning 2,8 bar absoluut bij een temperatuur van 37,8° C overtreft, en van bepaalde andere stoffen, vermeld in hoofdstuk XIX van bijlage I van dit besluit.
Voor vloeibaar gemaakte gassen die niet in genoemd hoofdstuk voorkomen maar die gelijke gevaren kunnen opleveren, stelt het districtshoofd de vereisten vast waaraan dient te worden voldaan, rekening houdend met de principes van dit besluit en de gevaren eigen aan de bedoelde stoffen.
§ 2. Afhankelijk van het bepaalde van voorgaande paragraaf is dit besluit in zijn geheel van toepassing op een nieuwe gastanker.
§ 3. Een bestaande gastanker moet aan de voorschriften van dit besluit voldoen in de mate waarin zulks nodig wordt geacht door het districtshoofd, met dien verstande dat als een minimum moet voldaan zijn aan het bepaalde in de door de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (I.M.C.O.) goedgekeurde resolutie A.329 (IX) met betrekking tot de "Voorschriften voor bestaande schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren".
§ 4. Iedere bestaande gastanker die volledig voldoet aan het bepaalde in dit besluit mag beschouwd worden als een schip zoals bedoeld in § 2.
§ 5. Uitgezonderd als voorzien in § 6, a) moet een schip bestemd voor het vervoer van stoffen welke onder dit besluit vallen en van stoffen die vallen onder de Voorschriften voor chemicaliëntankers, voldoen aan de voorschriften van beide besluiten, die toepasselijk zijn op het vervoer van de bedoelde stoffen.
§ 6. a) De voorschriften van dit besluit hebben voorrang wanneer een schip is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van de volgende stoffen :
(i) deze uitsluitend vermeld in hoofdstuk XIX van de bijlage I van dit besluit, en
(ii) één of meer stoffen die zowel in dit besluit als in de Voorschriften voor chemicaliëntankers vermeld zijn. Deze stoffen zijn met een asteriek
(b) Indien een schip bestemd is om uitsluitend één of meerdere van de stoffen bedoeld in a), (ii) te vervoeren, moet het voldoen aan het bepaalde in de Voorschriften voor chemicaliëntankers.
§ 7. Overeenkomst van het schip met het bepaalde in § 2 of § 4 dient, volgens het geval, vermeld te worden op het certificaat van geschiktheid voorgeschreven in artikel 4.
§ 1. Onverminderd de bepalingen van het zeevaartinspectiereglement is dit besluit van toepassing op schepen, ongeacht hun tonnenmaat, bestemd of gebezigd voor het vervoer in bulk van vloeibaar gemaakte gassen, waarvan de dampspanning 2,8 bar absoluut bij een temperatuur van 37,8° C overtreft, en van bepaalde andere stoffen, vermeld in hoofdstuk XIX van bijlage I van dit besluit.
Voor vloeibaar gemaakte gassen die niet in genoemd hoofdstuk voorkomen maar die gelijke gevaren kunnen opleveren, stelt het districtshoofd de vereisten vast waaraan dient te worden voldaan, rekening houdend met de principes van dit besluit en de gevaren eigen aan de bedoelde stoffen.
§ 2. Afhankelijk van het bepaalde van voorgaande paragraaf is dit besluit in zijn geheel van toepassing op een nieuwe gastanker.
§ 3. Een bestaande gastanker moet aan de voorschriften van dit besluit voldoen in de mate waarin zulks nodig wordt geacht door het districtshoofd, met dien verstande dat als een minimum moet voldaan zijn aan het bepaalde in de door de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (I.M.C.O.) goedgekeurde resolutie A.329 (IX) met betrekking tot de "Voorschriften voor bestaande schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren".
§ 4. Iedere bestaande gastanker die volledig voldoet aan het bepaalde in dit besluit mag beschouwd worden als een schip zoals bedoeld in § 2.
§ 5. Uitgezonderd als voorzien in § 6, a) moet een schip bestemd voor het vervoer van stoffen welke onder dit besluit vallen en van stoffen die vallen onder de Voorschriften voor chemicaliëntankers, voldoen aan de voorschriften van beide besluiten, die toepasselijk zijn op het vervoer van de bedoelde stoffen.
§ 6. a) De voorschriften van dit besluit hebben voorrang wanneer een schip is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van de volgende stoffen :
(i) deze uitsluitend vermeld in hoofdstuk XIX van de bijlage I van dit besluit, en
(ii) één of meer stoffen die zowel in dit besluit als in de Voorschriften voor chemicaliëntankers vermeld zijn. Deze stoffen zijn met een asteriek
(b) Indien een schip bestemd is om uitsluitend één of meerdere van de stoffen bedoeld in a), (ii) te vervoeren, moet het voldoen aan het bepaalde in de Voorschriften voor chemicaliëntankers.
§ 7. Overeenkomst van het schip met het bepaalde in § 2 of § 4 dient, volgens het geval, vermeld te worden op het certificaat van geschiktheid voorgeschreven in artikel 4.
Art.2. Champ d'application.
§ 1. Sans préjudice des dispositions du règlement sur l'inspection maritime, le présent arrêté s'applique aux navires de toute jauge, destinés ou affectés au transport en vrac de gaz liquéfiés dont la tension de vapeur est supérieure à 2,8 bar absolus à une température de 37,8° C, ou de certains autres produits énumérés au chapitre XIX de l'annexe I du présent arrêté.
En ce qui concerne des gaz liquéfiés ne figurant pas expressément au chapitre XIX de l'annexe I du présent arrêté mais qui présentent des dangers similaires, le chef de district détermine les conditions auxquelles il doit être satisfait, compte tenu des principes du présent arrêté et des dangers inhérents aux produits visés.
§ 2. Corrélativement aux dispositions du paragraphe précédent, le présent arrêté s'applique dans son ensemble à tout navire neuf qui transporte des gaz liquéfiés.
§ 3. Tout navire existant qui transporte des gaz liquéfiés doit répondre aux prescriptions du présent arrêté, dans la mesure où le chef de district le juge nécessaire, étant entendu qu'il doit être au minimum satisfait aux dispositions de la résolution A.329 (IX) concernant le "Recueil des règles relatives aux navires existants transportant des gaz liquéfiés en vrac", adopté par l'Organisation intergouvernementale consultative de la Navigation maritime (O.M.C.I.).
§ 4. Tout navire existant transportant des gaz liquéfiés qui répond entièrement aux dispositions du présent arrêté peut être considéré comme un navire tel que visé au § 2.
§ 5. A l'exception des dispositions prévues au § 6, a) tout navire destiné au transport de produits soumis aux dispositions du présent arrêté et de produits ressortissants aux Prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques, doit satisfaire aux dispositions des deux arrêtés, qui s'appliquent aux transport des produits visés.
§ 6. a) Les prescriptions du présent arrêté priment lorsqu'il s'agit d'un navire conçu et construit pour le transport des produits suivants :
(i) ceux figurant exclusivement au chapitre XIX de l'annexe I du présent arrêté, et
(ii) un ou plusieurs produits figurant à la fois dans le présent arrêté et dans les Prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques. Ces produits sont indiqués par un astérisque (chapitre XIX de l'Annexe I du présent arrêté.
b) Tout navire destiné exclusivement au transport d'un ou de plusieurs produits visés au a), (ii), doit répondre aux dispositions des Prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques.
§ 7. La conformité du navire aux dispositions du § 2 ou § 4 doit, selon le cas, être indiquée sur le certificat d'aptitude, prescrit à l'article 4.
§ 1. Sans préjudice des dispositions du règlement sur l'inspection maritime, le présent arrêté s'applique aux navires de toute jauge, destinés ou affectés au transport en vrac de gaz liquéfiés dont la tension de vapeur est supérieure à 2,8 bar absolus à une température de 37,8° C, ou de certains autres produits énumérés au chapitre XIX de l'annexe I du présent arrêté.
En ce qui concerne des gaz liquéfiés ne figurant pas expressément au chapitre XIX de l'annexe I du présent arrêté mais qui présentent des dangers similaires, le chef de district détermine les conditions auxquelles il doit être satisfait, compte tenu des principes du présent arrêté et des dangers inhérents aux produits visés.
§ 2. Corrélativement aux dispositions du paragraphe précédent, le présent arrêté s'applique dans son ensemble à tout navire neuf qui transporte des gaz liquéfiés.
§ 3. Tout navire existant qui transporte des gaz liquéfiés doit répondre aux prescriptions du présent arrêté, dans la mesure où le chef de district le juge nécessaire, étant entendu qu'il doit être au minimum satisfait aux dispositions de la résolution A.329 (IX) concernant le "Recueil des règles relatives aux navires existants transportant des gaz liquéfiés en vrac", adopté par l'Organisation intergouvernementale consultative de la Navigation maritime (O.M.C.I.).
§ 4. Tout navire existant transportant des gaz liquéfiés qui répond entièrement aux dispositions du présent arrêté peut être considéré comme un navire tel que visé au § 2.
§ 5. A l'exception des dispositions prévues au § 6, a) tout navire destiné au transport de produits soumis aux dispositions du présent arrêté et de produits ressortissants aux Prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques, doit satisfaire aux dispositions des deux arrêtés, qui s'appliquent aux transport des produits visés.
§ 6. a) Les prescriptions du présent arrêté priment lorsqu'il s'agit d'un navire conçu et construit pour le transport des produits suivants :
(i) ceux figurant exclusivement au chapitre XIX de l'annexe I du présent arrêté, et
(ii) un ou plusieurs produits figurant à la fois dans le présent arrêté et dans les Prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques. Ces produits sont indiqués par un astérisque (chapitre XIX de l'Annexe I du présent arrêté.
b) Tout navire destiné exclusivement au transport d'un ou de plusieurs produits visés au a), (ii), doit répondre aux dispositions des Prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques.
§ 7. La conformité du navire aux dispositions du § 2 ou § 4 doit, selon le cas, être indiquée sur le certificat d'aptitude, prescrit à l'article 4.
Art.3. Onderzoek.
§ 1. Onverminderd de bepalingen van het zeevaartinspectiereglement is een gastanker waarop dit besluit van toepassing is onderworpen aan :
a) een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat voor de eerste maal een certificaat van geschiktheid zoals bedoeld in artikel 4 wordt afgegeven;
b) een periodiek onderzoek voordat het hierboven genoemde certificaat, wanneer de geldigheidsduur is verstreken, door een dergelijk nieuw certificaat wordt vervangen;
c) tussentijdse inspecties met perioden die 30 maanden niet te boven gaan.
§ 2. a) Het eerste onderzoek zoals bedoeld in § 1, a) omvat een volledig onderzoek van de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen en het materiaal waarbij wordt onderzocht of volledig aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.
b) Een periodiek onderzoek zoals bedoeld in § 1, b) omvat een onderzoek van de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen en het materiaal, waarbij wordt onderzocht of volledig aan de van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit is voldaan.
c) Een tussentijdse inspectie zoals bedoeld in § 1, c) omvat een inspectie van de veiligheids- en andere uitrusting, alsmede de bijhorende pomp- en pijpleidingssystemen, waarbij wordt onderzocht of volledig aan de van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit is voldaan en of ze in deugdelijke toestand verkeren.
Van de hierboven vermelde inspecties zal door of namens het districtshoofd aantekening worden gemaakt op het certificaat van geschiktheid indien gebleken is dat voldaan is aan de van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit en dat de voornoemde inrichtingen in deugdelijke toestand verkeren.
§ 3. Nadat één van de hierboven vermelde onderzoeken of inspecties werden uitgevoerd mogen geen wijzigingen van betekenis worden aangebracht aan de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen of het materiaal betrokken bij het onderzoek of de inspectie, zonder de goedkeuring van het districtshoofd, met uitzondering van de rechtstreekse vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen uit hoofde van herstelling of onderhoud.
§ 1. Onverminderd de bepalingen van het zeevaartinspectiereglement is een gastanker waarop dit besluit van toepassing is onderworpen aan :
a) een eerste onderzoek voordat het schip in dienst wordt gesteld of voordat voor de eerste maal een certificaat van geschiktheid zoals bedoeld in artikel 4 wordt afgegeven;
b) een periodiek onderzoek voordat het hierboven genoemde certificaat, wanneer de geldigheidsduur is verstreken, door een dergelijk nieuw certificaat wordt vervangen;
c) tussentijdse inspecties met perioden die 30 maanden niet te boven gaan.
§ 2. a) Het eerste onderzoek zoals bedoeld in § 1, a) omvat een volledig onderzoek van de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen en het materiaal waarbij wordt onderzocht of volledig aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.
b) Een periodiek onderzoek zoals bedoeld in § 1, b) omvat een onderzoek van de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen en het materiaal, waarbij wordt onderzocht of volledig aan de van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit is voldaan.
c) Een tussentijdse inspectie zoals bedoeld in § 1, c) omvat een inspectie van de veiligheids- en andere uitrusting, alsmede de bijhorende pomp- en pijpleidingssystemen, waarbij wordt onderzocht of volledig aan de van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit is voldaan en of ze in deugdelijke toestand verkeren.
Van de hierboven vermelde inspecties zal door of namens het districtshoofd aantekening worden gemaakt op het certificaat van geschiktheid indien gebleken is dat voldaan is aan de van toepassing zijnde voorschriften van dit besluit en dat de voornoemde inrichtingen in deugdelijke toestand verkeren.
§ 3. Nadat één van de hierboven vermelde onderzoeken of inspecties werden uitgevoerd mogen geen wijzigingen van betekenis worden aangebracht aan de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen of het materiaal betrokken bij het onderzoek of de inspectie, zonder de goedkeuring van het districtshoofd, met uitzondering van de rechtstreekse vervanging van dergelijke uitrusting en onderdelen uit hoofde van herstelling of onderhoud.
Art.3. Visite.
§ 1. Sans préjudice des dispositions du règlement sur l'inspection maritime, tout navire qui transporte des gaz liquéfiés et auquel s'applique le présent arrêté est soumis à :
a) une visite initiale avant la mise en service du navire ou avant la première délivrance d'un certificat d'aptitude, prévu à l'article 4;
b) une visite périodique avant le renouvellement du certificat susvisé lorsque celui-ci est périmé;
c) des inspections intermédiaires au moins une fois tous les 30 mois.
§ 2. a) La visite initiale prévue au § 1, a) comporte une visite complète de la structure, de l'équipement, des installations, des aménagements et des matériaux, ceci à l'effet de s'assurer s'il est pleinement satisfait aux dispositions du présent arrêté.
b) Une visite périodique prévue au § 1, b) comporte une visite de la structure, de l'équipement, des installations, des aménagements et des matériaux, ceci à l'effet de s'assurer s'il est pleinement satisfait aux dispositions du présent arrêté.
c) Une inspection intermédiaire prévue au § 1, c) comporte une inspection du matériel de sécurité et autre équipement, ainsi que les systèmes de pompages et de tuyautages connexes, ceci à l'effet de s'assurer s'il est pleinement satisfait aux dispositions pertinentes du présent arrêté et que les dites installations se trouvent en bon état. Il sera fait mention, par le chef de district ou à son nom, de ces inspections sur le certificat d'aptitude s'il s'est avéré que le navire satisfait aux dispositions pertinentes du présent arrêté et que les dites installations se trouvent en bon état.
§ 3. Après l'une quelconque des visites ou inspections prévues ci-dessus, aucun changement important de nature autre qu'un simple remplacement de l'équipement ou des installations à titre de réparation ou d'entretien ne peut être apporté sans l'autorisation du chef de district, à la structure, à l'équipement, aux installations, aux aménagements ou aux matériaux ayant fait l'objet de la visite ou de l'inspection.
§ 1. Sans préjudice des dispositions du règlement sur l'inspection maritime, tout navire qui transporte des gaz liquéfiés et auquel s'applique le présent arrêté est soumis à :
a) une visite initiale avant la mise en service du navire ou avant la première délivrance d'un certificat d'aptitude, prévu à l'article 4;
b) une visite périodique avant le renouvellement du certificat susvisé lorsque celui-ci est périmé;
c) des inspections intermédiaires au moins une fois tous les 30 mois.
§ 2. a) La visite initiale prévue au § 1, a) comporte une visite complète de la structure, de l'équipement, des installations, des aménagements et des matériaux, ceci à l'effet de s'assurer s'il est pleinement satisfait aux dispositions du présent arrêté.
b) Une visite périodique prévue au § 1, b) comporte une visite de la structure, de l'équipement, des installations, des aménagements et des matériaux, ceci à l'effet de s'assurer s'il est pleinement satisfait aux dispositions du présent arrêté.
c) Une inspection intermédiaire prévue au § 1, c) comporte une inspection du matériel de sécurité et autre équipement, ainsi que les systèmes de pompages et de tuyautages connexes, ceci à l'effet de s'assurer s'il est pleinement satisfait aux dispositions pertinentes du présent arrêté et que les dites installations se trouvent en bon état. Il sera fait mention, par le chef de district ou à son nom, de ces inspections sur le certificat d'aptitude s'il s'est avéré que le navire satisfait aux dispositions pertinentes du présent arrêté et que les dites installations se trouvent en bon état.
§ 3. Après l'une quelconque des visites ou inspections prévues ci-dessus, aucun changement important de nature autre qu'un simple remplacement de l'équipement ou des installations à titre de réparation ou d'entretien ne peut être apporté sans l'autorisation du chef de district, à la structure, à l'équipement, aux installations, aux aménagements ou aux matériaux ayant fait l'objet de la visite ou de l'inspection.
Art.4. Certificaat van geschiktheid.
§ 1. Elke gastanker waarop dit besluit van toepassing is, moet een certificaat van geschiktheid aan boord hebben.
§ 2. De aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van geschiktheid, hetzij door de eigenaar, hetzij door de bouwer van het schip dient schriftelijk aan het districtshoofd te worden gericht.
De eerste aanvraag tot het verkrijgen van zulk een certificaat moet vergezeld zijn van de tekeningen en gegevens die noodzakelijk zijn om de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen en de materialen te kunnen controleren en na te gaan of aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.
Bij de eerste aanvraag zal bovendien een lijst gevoegd worden van de stoffen welke met het schip zullen vervoerd worden of waarvan het vervoer wordt overwogen.
§ 3. Het certificaat van geschiktheid wordt afgegeven door het districtshoofd nadat uit het onderzoek bedoeld in artikel 3, § 1, a) of b) gebleken is dat aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.
§ 4. Een certificaat van geschiktheid wordt ingetrokken door het districtshoofd, en in het buitenland door de Belgische Consulaire ambtenaar, wanneer blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de eisen welke voor de afgifte waren gesteld en dat in het ontbrekende niet voldoende wordt voorzien. Wordt een certificaat ingetrokken, dan wordt dit onder opgaaf van de redenen bij aangetekende brief, aan de eigenaar medegedeeld.
§ 5. Het districtshoofd stelt de geldigheidsduur van het door hem afgegeven certificaat van geschiktheid vast. De geldigheidsduur mag evenwel niet meer dan 5 jaar bedragen, behoudens hetgeen in § 6 is bepaald.
§ 6. De geldigheidsduur van een certificaat van geschiktheid mag door het districtshoofd, en in het buitenland door de Belgische consulaire ambtenaar voor ten hoogste één maand na de erop vermelde vervaldatum verlengd worden.
§ 7. Een certificaat van geschiktheid houdt op geldig te zijn wanneer belangrijke wijzigingen werden aangebracht aan de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen of het vereiste materiaal zonder de goedkeuring van het districtshoofd, met uitzondering van de rechtstreekse vervanging van dergelijke uitrusting of onderdelen uit hoofde van herstelling of onderhoud, of indien de tussentijdse inspecties zoals voorgeschreven in artikel 3, § 1, c) van dit besluit niet uitgevoerd zijn.
§ 8. Een certificaat van geschiktheid houdt eveneens op geldig te zijn wanneer het schip onder een andere vlag wordt gebracht.
§ 9. Wanneer een schip is ontworpen en gebouwd volgens het bepaalde in artikel 2, § 5 van dit besluit, zal aan dit schip een stel certificaten van geschiktheid worden uitgereikt in overeenstemming met enerzijds de voorschriften van dit besluit en anderzijds volgens het bepaalde van de Voorschriften voor chemicaliëntankers.
§ 10. Het certificaat van geschiktheid moet wat vorm en inhoud betreft in overeenstemming zijn met de modellen opgenomen in bijlage II van dit besluit. Het wordt afgeleverd in twee exemplaren.
§ 1. Elke gastanker waarop dit besluit van toepassing is, moet een certificaat van geschiktheid aan boord hebben.
§ 2. De aanvraag tot het verkrijgen van een certificaat van geschiktheid, hetzij door de eigenaar, hetzij door de bouwer van het schip dient schriftelijk aan het districtshoofd te worden gericht.
De eerste aanvraag tot het verkrijgen van zulk een certificaat moet vergezeld zijn van de tekeningen en gegevens die noodzakelijk zijn om de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen en de materialen te kunnen controleren en na te gaan of aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.
Bij de eerste aanvraag zal bovendien een lijst gevoegd worden van de stoffen welke met het schip zullen vervoerd worden of waarvan het vervoer wordt overwogen.
§ 3. Het certificaat van geschiktheid wordt afgegeven door het districtshoofd nadat uit het onderzoek bedoeld in artikel 3, § 1, a) of b) gebleken is dat aan de voorschriften van dit besluit is voldaan.
§ 4. Een certificaat van geschiktheid wordt ingetrokken door het districtshoofd, en in het buitenland door de Belgische Consulaire ambtenaar, wanneer blijkt dat niet meer wordt voldaan aan de eisen welke voor de afgifte waren gesteld en dat in het ontbrekende niet voldoende wordt voorzien. Wordt een certificaat ingetrokken, dan wordt dit onder opgaaf van de redenen bij aangetekende brief, aan de eigenaar medegedeeld.
§ 5. Het districtshoofd stelt de geldigheidsduur van het door hem afgegeven certificaat van geschiktheid vast. De geldigheidsduur mag evenwel niet meer dan 5 jaar bedragen, behoudens hetgeen in § 6 is bepaald.
§ 6. De geldigheidsduur van een certificaat van geschiktheid mag door het districtshoofd, en in het buitenland door de Belgische consulaire ambtenaar voor ten hoogste één maand na de erop vermelde vervaldatum verlengd worden.
§ 7. Een certificaat van geschiktheid houdt op geldig te zijn wanneer belangrijke wijzigingen werden aangebracht aan de bouw, de uitrusting, de onderdelen, de inrichtingen of het vereiste materiaal zonder de goedkeuring van het districtshoofd, met uitzondering van de rechtstreekse vervanging van dergelijke uitrusting of onderdelen uit hoofde van herstelling of onderhoud, of indien de tussentijdse inspecties zoals voorgeschreven in artikel 3, § 1, c) van dit besluit niet uitgevoerd zijn.
§ 8. Een certificaat van geschiktheid houdt eveneens op geldig te zijn wanneer het schip onder een andere vlag wordt gebracht.
§ 9. Wanneer een schip is ontworpen en gebouwd volgens het bepaalde in artikel 2, § 5 van dit besluit, zal aan dit schip een stel certificaten van geschiktheid worden uitgereikt in overeenstemming met enerzijds de voorschriften van dit besluit en anderzijds volgens het bepaalde van de Voorschriften voor chemicaliëntankers.
§ 10. Het certificaat van geschiktheid moet wat vorm en inhoud betreft in overeenstemming zijn met de modellen opgenomen in bijlage II van dit besluit. Het wordt afgeleverd in twee exemplaren.
Art.4. Certificat d'aptitude.
§ 1. Tout navire qui transporte des gaz liquéfiés et auquel s'applique le présent arrêté, doit disposer à son bord d'un certificat d'aptitude.
§ 2. Les demandes d'obtention d'un certificat d'aptitude doivent être adressées par écrit au chef de district soit par le propriétaire, soit par le constructeur du navire.
La première demande d'obtention d'un tel certificat doit être accompagnée des plans et renseignements nécessaires au contrôle de la structure de l'équipement, des installations, des aménagements et des matériaux, et à la vérification de la conformité aux prescriptions du présent arrêté.
La première demande sera accompagnée en outre d'une liste des produits susceptibles d'être transportée par le navire ou dont le transport est envisagé.
§ 3. Le certificat d'aptitude est délivré par le chef de district lorsqu'il résulte de la visite prévue à l'article 3, § 1, a) ou b) qu'il est satisfait aux prescriptions du présent arrêté.
§ 4. Un certificat d'aptitude est retiré par le chef de district, et à l'étranger par le fonctionnaire consulaire belge, s'il apparaît qu'il n'est plus satisfait aux prescriptions qui régissent la délivrance du certificat et qu'il n'est pas remédié aux manquements d'une manière satisfaisante. En cas de retrait d'un certificat, les raisons en seront communiquées au propriétaire par lettre recommandée.
§ 5. Le chef de district fixe la période de validité du certificat d'aptitude délivré par lui. La période de validité ne peut toutefois dépasser 5 ans, sauf pour ce qui concerne les dispositions du § 6.
§ 6. Le chef de district, et à l'étranger, le fonctionnaire consulaire belge, peuvent proroger le certificat d'aptitude pour une période ne dépassant pas d'un mois la date d'expiration indiquée sur le certificat.
§ 7. Un certificat d'aptitude devient caduc si la structure, les équipements, les installations, les aménagements ou les matériaux prescrits ont subi des modifications importantes de nature autre qu'un simple remplacement de l'équipement ou des installations, au titre de réparation ou d'entretien, sans l'accord du chef de district, ou si les inspections intermédiaires prévues à l'article 3, § 1, c) du présent arrêté n'ont pas été effectuées.
§ 8. Tout certificat d'aptitude devient caduc également si le navire passe sous le pavillon d'un autre pays.
§ 9. Lorsqu'un navire est conçu et construit conformément aux dispositions de l'article 2, § 5 du présent arrêté, il lui sera délivré un jeu de certificats d'aptitude conformes d'une part aux prescriptions du présent arrêté et, d'autre part, aux Prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques.
§ 10. Le certificat d'aptitude doit en ce qui concerne la forme et le contenu correspondre aux modèles figurant à l'annexe II du présent arrêté. Il est délivré en deux exemplaires.
§ 1. Tout navire qui transporte des gaz liquéfiés et auquel s'applique le présent arrêté, doit disposer à son bord d'un certificat d'aptitude.
§ 2. Les demandes d'obtention d'un certificat d'aptitude doivent être adressées par écrit au chef de district soit par le propriétaire, soit par le constructeur du navire.
La première demande d'obtention d'un tel certificat doit être accompagnée des plans et renseignements nécessaires au contrôle de la structure de l'équipement, des installations, des aménagements et des matériaux, et à la vérification de la conformité aux prescriptions du présent arrêté.
La première demande sera accompagnée en outre d'une liste des produits susceptibles d'être transportée par le navire ou dont le transport est envisagé.
§ 3. Le certificat d'aptitude est délivré par le chef de district lorsqu'il résulte de la visite prévue à l'article 3, § 1, a) ou b) qu'il est satisfait aux prescriptions du présent arrêté.
§ 4. Un certificat d'aptitude est retiré par le chef de district, et à l'étranger par le fonctionnaire consulaire belge, s'il apparaît qu'il n'est plus satisfait aux prescriptions qui régissent la délivrance du certificat et qu'il n'est pas remédié aux manquements d'une manière satisfaisante. En cas de retrait d'un certificat, les raisons en seront communiquées au propriétaire par lettre recommandée.
§ 5. Le chef de district fixe la période de validité du certificat d'aptitude délivré par lui. La période de validité ne peut toutefois dépasser 5 ans, sauf pour ce qui concerne les dispositions du § 6.
§ 6. Le chef de district, et à l'étranger, le fonctionnaire consulaire belge, peuvent proroger le certificat d'aptitude pour une période ne dépassant pas d'un mois la date d'expiration indiquée sur le certificat.
§ 7. Un certificat d'aptitude devient caduc si la structure, les équipements, les installations, les aménagements ou les matériaux prescrits ont subi des modifications importantes de nature autre qu'un simple remplacement de l'équipement ou des installations, au titre de réparation ou d'entretien, sans l'accord du chef de district, ou si les inspections intermédiaires prévues à l'article 3, § 1, c) du présent arrêté n'ont pas été effectuées.
§ 8. Tout certificat d'aptitude devient caduc également si le navire passe sous le pavillon d'un autre pays.
§ 9. Lorsqu'un navire est conçu et construit conformément aux dispositions de l'article 2, § 5 du présent arrêté, il lui sera délivré un jeu de certificats d'aptitude conformes d'une part aux prescriptions du présent arrêté et, d'autre part, aux Prescriptions applicables aux navires qui transportent des produits chimiques.
§ 10. Le certificat d'aptitude doit en ce qui concerne la forme et le contenu correspondre aux modèles figurant à l'annexe II du présent arrêté. Il est délivré en deux exemplaires.
Art.5. Toezicht over Belgische schepen.
§ 1. De dienst van de zeevaartinspectie, en in het buitenland de Belgische consulaire ambtenaar, oefenen toezicht uit op de gastankers die aan dit besluit zijn onderworpen teneinde de toepassing ervan te verzekeren.
§ 2. Het bepaalde in de artikelen 8, 11, §§ 1 en 2, 12, 13, 14 en 17 van de wet met betrekking tot het certificaat van deugdelijkheid en de uitoefening van het toezicht door de dienst van de zeevaartinspectie, of in het buitenland door de Belgische consulaire ambtenaar, is mutadis mutandis van toepassing op het certificaat van geschiktheid zoals bedoeld in artikel 4 van dit besluit en op de uitoefening van het toezicht vermeld in de voorgaande paragraaf.
§ 1. De dienst van de zeevaartinspectie, en in het buitenland de Belgische consulaire ambtenaar, oefenen toezicht uit op de gastankers die aan dit besluit zijn onderworpen teneinde de toepassing ervan te verzekeren.
§ 2. Het bepaalde in de artikelen 8, 11, §§ 1 en 2, 12, 13, 14 en 17 van de wet met betrekking tot het certificaat van deugdelijkheid en de uitoefening van het toezicht door de dienst van de zeevaartinspectie, of in het buitenland door de Belgische consulaire ambtenaar, is mutadis mutandis van toepassing op het certificaat van geschiktheid zoals bedoeld in artikel 4 van dit besluit en op de uitoefening van het toezicht vermeld in de voorgaande paragraaf.
Art.5. Surveillance des navires belges.
§ 1er. Le service de l'inspection maritime, et à l'étranger, le fonctionnaire consulaire belge, exercent la surveillance des navires qui transportent des gaz liquéfiés auxquels s'applique le présent arrêté, afin d'en assurer l'application.
§ 2. Les dispositions des articles 8, 11, §§ 1 et 2, 12, 13, 14 et 17 de la loi, concernant le certificat de navigabilité et l'exercice de la surveillance par le service de l'inspection maritime, ou à l'étranger par le fonctionnaire consulaire belge, s'appliquent mutadis mutandis au certificat d'aptitude visé à l'article 4 du présent arrêté et à l'exercice de la surveillance prévue au paragraphe précédent.
§ 1er. Le service de l'inspection maritime, et à l'étranger, le fonctionnaire consulaire belge, exercent la surveillance des navires qui transportent des gaz liquéfiés auxquels s'applique le présent arrêté, afin d'en assurer l'application.
§ 2. Les dispositions des articles 8, 11, §§ 1 et 2, 12, 13, 14 et 17 de la loi, concernant le certificat de navigabilité et l'exercice de la surveillance par le service de l'inspection maritime, ou à l'étranger par le fonctionnaire consulaire belge, s'appliquent mutadis mutandis au certificat d'aptitude visé à l'article 4 du présent arrêté et à l'exercice de la surveillance prévue au paragraphe précédent.
Art.6. Toezicht over vreemde schepen.
§ 1. Onverminderd het bepaalde van het zeevaartinspectiereglement zijn vreemde gastankers, die in de Belgische zeewateren stoffen vervoeren welke onder toepassing vallen van dit besluit, aan het toezicht van de dienst van de zeevaartinspectie onderworpen. Dit toezicht betreft al de eisen die in dit besluit zijn vastgesteld.
§ 2. Na 1 september 1981 dient iedere vreemde gastanker die in de Belgische zeewateren stoffen vervoert welke onder toepassing vallen van dit besluit, een geldig certificaat van geschiktheid voor het vervoer van vloeibaar gemaakte gassen in bulk aan boord te hebben, waaruit blijkt dat, naargelang het geval, het schip voldoet aan de voorschriften van de door de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (I.M.C.O.) goedgekeurde Code met betrekking tot "Voorschriften voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren" (Resolutie A.328 (IX), of wel aan de voorschriften van de door de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (I.M.C.O.) goedgekeurde code met betrekking tot "Voorschriften voor het vervoer van vloeibaar gemaakte gassen met bestaande schepen" (Resolutie A.329 (IX). Dit certificaat moet afgeleverd zijn door of in naam van de bevoegde autoriteit van het land waarvan het schip de vlag voert.
§ 3. Vreemde gastankers zijn in Belgische havens aan controle door de ambtenaren van de dienst van de zeevaartinspectie onderworpen voor zoverre deze controle er op gericht is zekerheid te hebben dat er een geldig certificaat van geschiktheid aan boord is, dat het schip is beladen in overeenstemming met de gegevens van dit certificaat, en, indien nodig, dat de toestand van het schip daadwerkelijk overeenstemt met de gegevens van dit certificaat.
Een certificaat van geschiktheid, afgeleverd door of namens een buitenlandse autoriteit wordt aanvaard, tenzij naar de mening van het districtshoofd er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de toestand van het schip of van zijn uitrusting niet in wezen overeenstemt met de gegevens van dat certificaat.
In dat geval moet hij zodanige maatregelen treffen dat het schip niet zal vertrekken totdat het zonder gevaar voor de bemanning kan varen.
§ 1. Onverminderd het bepaalde van het zeevaartinspectiereglement zijn vreemde gastankers, die in de Belgische zeewateren stoffen vervoeren welke onder toepassing vallen van dit besluit, aan het toezicht van de dienst van de zeevaartinspectie onderworpen. Dit toezicht betreft al de eisen die in dit besluit zijn vastgesteld.
§ 2. Na 1 september 1981 dient iedere vreemde gastanker die in de Belgische zeewateren stoffen vervoert welke onder toepassing vallen van dit besluit, een geldig certificaat van geschiktheid voor het vervoer van vloeibaar gemaakte gassen in bulk aan boord te hebben, waaruit blijkt dat, naargelang het geval, het schip voldoet aan de voorschriften van de door de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (I.M.C.O.) goedgekeurde Code met betrekking tot "Voorschriften voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren" (Resolutie A.328 (IX), of wel aan de voorschriften van de door de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (I.M.C.O.) goedgekeurde code met betrekking tot "Voorschriften voor het vervoer van vloeibaar gemaakte gassen met bestaande schepen" (Resolutie A.329 (IX). Dit certificaat moet afgeleverd zijn door of in naam van de bevoegde autoriteit van het land waarvan het schip de vlag voert.
§ 3. Vreemde gastankers zijn in Belgische havens aan controle door de ambtenaren van de dienst van de zeevaartinspectie onderworpen voor zoverre deze controle er op gericht is zekerheid te hebben dat er een geldig certificaat van geschiktheid aan boord is, dat het schip is beladen in overeenstemming met de gegevens van dit certificaat, en, indien nodig, dat de toestand van het schip daadwerkelijk overeenstemt met de gegevens van dit certificaat.
Een certificaat van geschiktheid, afgeleverd door of namens een buitenlandse autoriteit wordt aanvaard, tenzij naar de mening van het districtshoofd er duidelijke redenen bestaan om aan te nemen dat de toestand van het schip of van zijn uitrusting niet in wezen overeenstemt met de gegevens van dat certificaat.
In dat geval moet hij zodanige maatregelen treffen dat het schip niet zal vertrekken totdat het zonder gevaar voor de bemanning kan varen.
Art.6. Surveillance des navires étrangers.
§ 1er. Sans préjudice des dispositions du règlement sur l'inspection maritime, les navires étrangers qui transportent dans les eaux maritimes belges des produits auxquels s'applique le présent arrêté, sont soumis à la surveillance du service de l'inspection maritime. Cette surveillance porte sur toutes les prescriptions fixées par le présent arrêté.
§ 2. Après le 1er septembre 1981, tout navire étranger qui transporte dans les eaux maritimes belges des produits auxquels s'applique le présent arrêté, doit disposer à son bord d'un certificat valable d'aptitude au transport de gaz liquéfiés en vrac établissant que, selon le cas, le navire satisfait aux prescriptions du Recueil concernant les "Règles relatives à la construction et à l'équipement des navires transportant des gaz liquéfiés en vrac" (Résolution A. 328 (IX), approuvé par l'Organisation intergouvernementale consultative de la Navigation maritime (O.M.C.I.) ou aux prescriptions du recueil relatif aux "Règles pour le transport de gaz liquéfiés par des navires existants" (Résolution A. 329 (IX), approuvé par l'Organisation intergouvernementale consultative de la Navigation maritime (O.M.C.I.). Ce certificat doit être délivré par ou au nom de l'autorité compétente du pays dont le navire bat le pavillon.
§ 3. Les navires étrangers qui transportent des gaz liquéfiés sont soumis dans les ports belges au contrôle des fonctionnaires du service de l'inspection maritime, pour autant que ce contrôle a pour objet de vérifier qu'il existe à bord un certificat valable d'aptitude que le navire est chargé conformément aux indications de ce certificat et de s'assurer, au besoin, que l'état du navire correspond effectivement aux indications de ce certificat.
Un certificat d'aptitude délivré par ou au nom d'une autorité étrangère est accepté, à moins que de l'avis du chef de district, il y ait des raisons évidentes pour estimer que l'état du navire ou de son équipement ne correspond pas en substance aux indications du certificat.
Dans ce cas, il est tenu de prendre les mesures nécessaires à l'effet d'empêcher le navire d'appareiller jusqu'à ce qu'il puisse prendre la mer sans danger pour l'équipage.
§ 1er. Sans préjudice des dispositions du règlement sur l'inspection maritime, les navires étrangers qui transportent dans les eaux maritimes belges des produits auxquels s'applique le présent arrêté, sont soumis à la surveillance du service de l'inspection maritime. Cette surveillance porte sur toutes les prescriptions fixées par le présent arrêté.
§ 2. Après le 1er septembre 1981, tout navire étranger qui transporte dans les eaux maritimes belges des produits auxquels s'applique le présent arrêté, doit disposer à son bord d'un certificat valable d'aptitude au transport de gaz liquéfiés en vrac établissant que, selon le cas, le navire satisfait aux prescriptions du Recueil concernant les "Règles relatives à la construction et à l'équipement des navires transportant des gaz liquéfiés en vrac" (Résolution A. 328 (IX), approuvé par l'Organisation intergouvernementale consultative de la Navigation maritime (O.M.C.I.) ou aux prescriptions du recueil relatif aux "Règles pour le transport de gaz liquéfiés par des navires existants" (Résolution A. 329 (IX), approuvé par l'Organisation intergouvernementale consultative de la Navigation maritime (O.M.C.I.). Ce certificat doit être délivré par ou au nom de l'autorité compétente du pays dont le navire bat le pavillon.
§ 3. Les navires étrangers qui transportent des gaz liquéfiés sont soumis dans les ports belges au contrôle des fonctionnaires du service de l'inspection maritime, pour autant que ce contrôle a pour objet de vérifier qu'il existe à bord un certificat valable d'aptitude que le navire est chargé conformément aux indications de ce certificat et de s'assurer, au besoin, que l'état du navire correspond effectivement aux indications de ce certificat.
Un certificat d'aptitude délivré par ou au nom d'une autorité étrangère est accepté, à moins que de l'avis du chef de district, il y ait des raisons évidentes pour estimer que l'état du navire ou de son équipement ne correspond pas en substance aux indications du certificat.
Dans ce cas, il est tenu de prendre les mesures nécessaires à l'effet d'empêcher le navire d'appareiller jusqu'à ce qu'il puisse prendre la mer sans danger pour l'équipage.
Art.7. Bedrijfsvoorschriften.
§ 1. De kapitein van een gastanker is verplicht zorg te dragen dat bij het gereedmaken voor belading, bij het laden, tijdens de reis, bij het lossen, bij het gasvrij maken en reinigen van de ladingtanks, de pompkamers, de kofferdammen en andere ruimten binnen het ladingsgedeelte van het schip, de voorschriften vervat in hoofdstuk XVIII van bijlage I van dit besluit worden nagekomen.
§ 2. De kapitein van een gastanker is verplicht zorg te dragen dat de bemanning behoorlijk wordt geoefend zoals voorgeschreven in hoofdstuk XVIII van bijlage I van dit besluit.
§ 1. De kapitein van een gastanker is verplicht zorg te dragen dat bij het gereedmaken voor belading, bij het laden, tijdens de reis, bij het lossen, bij het gasvrij maken en reinigen van de ladingtanks, de pompkamers, de kofferdammen en andere ruimten binnen het ladingsgedeelte van het schip, de voorschriften vervat in hoofdstuk XVIII van bijlage I van dit besluit worden nagekomen.
§ 2. De kapitein van een gastanker is verplicht zorg te dragen dat de bemanning behoorlijk wordt geoefend zoals voorgeschreven in hoofdstuk XVIII van bijlage I van dit besluit.
Art.7. Prescriptions applicables en matière d'exploitation.
§ 1er. Le capitaine d'un navire qui transporte des gaz liquéfiés est tenu de veiller à ce que les manoeuvres préparatoires au chargement, le chargement, le voyage, le déchargement, le dégazage et le nettoyage des citernes à cargaison, des chambres des pompes, des cofferdams et des autres espaces de la tranche des citernes à cargaison du navire, s'effectuant dans le respect des prescriptions figurant au chapitre XVIII de l'annexe I du présent arrêté.
§ 2. Le capitaine d'un navire qui transporte des gaz liquéfiés doit veiller à ce que l'équipage soit convenablement entraîné, conformément aux dispositions du chapitre XVIII de l'annexe I du présent arrêté.
§ 1er. Le capitaine d'un navire qui transporte des gaz liquéfiés est tenu de veiller à ce que les manoeuvres préparatoires au chargement, le chargement, le voyage, le déchargement, le dégazage et le nettoyage des citernes à cargaison, des chambres des pompes, des cofferdams et des autres espaces de la tranche des citernes à cargaison du navire, s'effectuant dans le respect des prescriptions figurant au chapitre XVIII de l'annexe I du présent arrêté.
§ 2. Le capitaine d'un navire qui transporte des gaz liquéfiés doit veiller à ce que l'équipage soit convenablement entraîné, conformément aux dispositions du chapitre XVIII de l'annexe I du présent arrêté.
Art.8. Inwerkingtreding.
Dit besluit treedt in werking zestig dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Dit besluit treedt in werking zestig dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art.8. Entrée en vigueur.
Le présent arrêté entre en vigueur soixante jours après sa publication au Moniteur belge.
Le présent arrêté entre en vigueur soixante jours après sa publication au Moniteur belge.
Art. N1. Bijlage 1 : Voorschriften voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren.
<NOTA : om technische reden werd die bijlage niet opgenomen. Zie B.St. 09-12-1981, p. 15464>
<NOTA : om technische reden werd die bijlage niet opgenomen. Zie B.St. 09-12-1981, p. 15464>
Art. N1. Annexe 1 : Règles relatives à la construction et à l'équipement des navires transportant des gaz liquéfiés en vrac.
Art. N2. Bijlage 2 : Modellen van het certificaat van geschiktheid.
Het certificaat van geschiktheid dient wat vorm en inhoud betreft, naar gelang het geval, overeen te stemmen met de hiernavolgende modellen :
1. Model 1 wordt uitgereikt aan een nieuwe gastanker.
2. Model 2 wordt uitgereikt aan een bestaande gastanker, afgeleverd op of vóór 31 oktober 1976.
3. Model 3 wordt uitgereikt aan een bestaande gastanker, afgeleverd na 31 oktober 1976.
<NOTA : om praktische reden werden die modellen niet opgenomen. Zie B.St. 09-12-1981, p. 15561, 15565 en 15569>
Het certificaat van geschiktheid dient wat vorm en inhoud betreft, naar gelang het geval, overeen te stemmen met de hiernavolgende modellen :
1. Model 1 wordt uitgereikt aan een nieuwe gastanker.
2. Model 2 wordt uitgereikt aan een bestaande gastanker, afgeleverd op of vóór 31 oktober 1976.
3. Model 3 wordt uitgereikt aan een bestaande gastanker, afgeleverd na 31 oktober 1976.
<NOTA : om praktische reden werden die modellen niet opgenomen. Zie B.St. 09-12-1981, p. 15561, 15565 en 15569>
Art. N2. Annexe 2 : Modèles du certificat d'aptitude.
Le certificat d'aptitude doit, en ce qui concerne la forme et le volume, selon le cas, être conforme aux modèles suivants :
1. Modèle 1 est délivré à un navire transporteur de gaz nouveau.
2. Modèle 2 est délivré à un navire transporteur de gaz existant, dont la livraison a eu lieu au plus tard le 31 octobre 1976.
3. Modèle 3 est délivré à un navire transporteur de gaz, dont la livraison a eu lieu après le 31 octobre 1976.
Le certificat d'aptitude doit, en ce qui concerne la forme et le volume, selon le cas, être conforme aux modèles suivants :
1. Modèle 1 est délivré à un navire transporteur de gaz nouveau.
2. Modèle 2 est délivré à un navire transporteur de gaz existant, dont la livraison a eu lieu au plus tard le 31 octobre 1976.
3. Modèle 3 est délivré à un navire transporteur de gaz, dont la livraison a eu lieu après le 31 octobre 1976.